[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Tweerichtingscontracten ter verrekening van verschillen zon-PV en windenergie

Stimulering duurzame energieproductie

Brief regering

Nummer: 2026D13075, datum: 2026-03-23, bijgewerkt: 2026-03-23 14:40, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van kamerstukdossier 31239 -445 Stimulering duurzame energieproductie .

Onderdeel van zaak 2026Z05743:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


Geachte Voorzitter,

Het kabinet kiest voor een welvarend, schoon en onafhankelijk Nederland. Het is daarbij cruciaal om te investeren in energiezekerheid en betaalbare energie van eigen bodem, ook voor de lange termijn. De afgelopen jaren zijn er steeds vaker momenten waarop Nederlandse zonne- en windenergie onze vraag naar elektriciteit volledig kan bedienen. Dit maakt ons minder afhankelijk van geïmporteerde kolen en gas. Het kabinet wil deze ontwikkeling doorzetten door in te zetten op de verdere uitrol van hernieuwbare elektriciteit. Tegelijkertijd wordt de elektriciteitsprijs steeds volatieler en is deze op momenten met veel opwek van hernieuwbare energie soms zelfs negatief. De volgende fase van de energietransitie, met een steeds groter aandeel energie uit zon en wind, vraagt daarom om een prijszekerheidsmechanisme voor zon-PV en windenergie.

Door Europese regelgeving is het straks niet meer mogelijk om deze projecten prijszekerheid te bieden via de huidige subsidieregelingen SDE++ en TOWOZ. Wel is dit mogelijk middels tweerichtingscontracten ter verrekening van verschillen (contracts for difference, hierna: CfD’s). Door middel van dit instrument kan de overheid zorgen voor lagere financieringskosten voor hernieuwbare elektriciteitsprojecten, waardoor de uitrol hiervan kostenefficiënt kan worden voortgezet. Dit is belangrijk, omdat hernieuwbare elektriciteit essentieel is voor de leveringszekerheid en energie-onafhankelijkheid in Nederland en voor de nationale en Europese doelstellingen op het gebied van energie en klimaat. Het kabinet heeft in het coalitieakkoord middelen vrijgemaakt voor de SDE++ en om te investeren in windenergie op zee via tweerichtingscontracten om zo tot 40 GW aan opgesteld vermogen te komen.

Bij CfD’s wordt onder een afgesproken gemiddelde marktprijs steun betaald aan een elektriciteitsproducent, en betalen producenten boven een afgesproken gemiddelde marktprijs inkomsten aan de overheid. Zoals reeds aangekondigd in Kamerbrieven over de toekomstige stimulering van zon-PV en windenergie op land1 en in het Actieplan wind op zee2 werkt het kabinet al langere tijd aan het ontwerpen van CfD’s, waarbij verschillende technische ontwerpkeuzes gemaakt kunnen worden. In deze brief wordt toegelicht hoe het kabinet beoogt dit instrument voor zon-PV en windenergie op land, respectievelijk windenergie op zee in te zetten. Op basis van de voorgenomen ontwerpkeuzes zal het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) om advies worden gevraagd. De ontwerpkeuzes en de impact daarvan op de indieningsbedragen worden daarbij meegenomen in de marktconsultatie die deze maand van start gaat. De definitieve ontwerpkeuzes worden gemaakt op basis van het advies van het PBL en houden rekening met het beschikbare budget en doelbereik.

Met deze brief informeert het kabinet ook marktpartijen. Bij de voorbereiding van deze instrumenten is er veel contact geweest met marktpartijen, brancheverenigingen, andere Europese lidstaten en experts in binnen- en buitenland, om tot een instrument te komen dat voldoende zekerheid biedt voor marktpartijen en tegelijkertijd overwinsten voorkomt. Lessen die geleerd zijn in landen die al langer CfD’s toepassen of deze ook aan het voorbereiden zijn, zijn meegenomen. Op deze manier draagt dit instrument bij aan een betaalbare energietransitie.

Juridische inbedding CfD’s

De Europese Elektriciteitsmarktverordening3 verplicht landen die directe prijssteun willen geven aan projecten voor hernieuwbare elektriciteit, dit vanaf medio 2027 te doen in de vorm van CfD’s of vergelijkbare regelingen met hetzelfde gevolg.4 Een belangrijk verschil met de SDE++ en het Tijdelijk ondersteuningskader wind op zee (TOWOZ) is dat het om privaatrechtelijke contracten gaat in plaats van subsidiebeschikkingen, waarbij het ook mogelijk is dat er over de looptijd meer geld door de overheid wordt geïnd dan betaald. Dit maakt dat een nieuwe wet nodig is om de invoering ervan mogelijk te maken. Van 16 oktober tot 14 november 2025 is daarom het concept-ontwerpwetsvoorstel tweezijdige contracten ter verrekening van verschillen ter internetconsultatie aangeboden geweest. Alle deelnemers aan de internetconsultatie worden bedankt voor hun reacties. Naar aanleiding van deze reacties is een verslag opgesteld, dat binnenkort gepubliceerd zal worden op www.internetconsultatie.nl. De inbreng uit de internetconsultatie is verwerkt in het ontwerpwetsvoorstel en de ontwerpmemorie van toelichting, die kortgeleden aangeboden zijn aan de Afdeling advisering van de Raad van State. Na verwerking van het advies van de Afdeling zal dit pakket worden verstuurd naar de Tweede Kamer. Om het proces richting het gebruik van CfD’s in 2027 voorspoedig te laten verlopen, vraagt het kabinet de Kamer alvast om een voortvarende behandeling van het wetsvoorstel.

Het wetsvoorstel bevat geen inhoudelijke keuzes voor de CfD’s en hoe deze ingezet worden, omdat de wet enkel tot doel heeft om het instrument van CfD’s juridisch mogelijk te maken. De inhoudelijke keuzes worden in een later stadium vastgelegd bij ministeriële regeling. In de wet wordt ook de mogelijkheid gecreëerd om andere projecten dan zon-PV en windenergie met CfD’s te stimuleren, mocht dat in de toekomst wenselijk blijken, bijvoorbeeld kernenergie, de opwek van duurzame warmte, elektrificatie of carbon capture & storage (CCS).

Uitgangspunten bij de ontwerpen

De inhoudelijke keuzes voor de CfD’s worden in deze brief geschetst, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen de ondersteuning van windenergie op zee en hernieuwbare elektriciteit op land. Dit onderscheid is noodzakelijk omdat bij windenergie op zee sprake is van andere (markt)omstandigheden dan bij zon-PV en windenergie op land, waar later in deze brief verder op in wordt gegaan.

Een CfD kan op veel verschillende manieren worden ontworpen. Bij het ontwerpen van de CfD’s zijn de drie belangrijkste uitgangspunten voor het kabinet (1) een goede verdeling van financiële risico’s tussen marktpartijen en de overheid, 2) zo min mogelijk verstoring van elektriciteitsmarkten, en 3) de uitvoerbaarheid van het instrument, zowel voor de overheid als voor ontwikkelaars van hernieuwbare elektriciteitsprojecten. Voor wind op zee is een onderscheidende omstandigheid dat ook omringende landen CfD’s aanbieden, en dat projectontwikkelaars voor wind op zee vaak in meerdere landen actief zijn. Bij het ontwerp van de CfD’s is voldoende aantrekkelijkheid ten opzichte van CfD’s in andere landen daarom een aandachtspunt.

Toelichting bij de ontwerpkeuzes

Om een goede uitvoerbaarheid van het instrument te borgen is voor zowel hernieuwbare elektriciteit op land als voor windenergie op zee gekozen voor een productie-gebaseerde CfD, waarbij de steunbetalingen en vorderingen per geproduceerde eenheid stroom berekend worden. In het bijzonder bij de CfD’s voor hernieuwbare energie op land is sprake van een groot aantal diverse projecten op veel verschillende locaties. Het instrument moet geschikt zijn om al deze projecten op passende wijze te ondersteunen. Het definiëren van een passend referentievolume, dat nodig is bij een productieonafhankelijke CfD, voor een groot aantal diverse projecten is, zeker binnen de beschikbare implementatietermijn, niet realistisch gebleken. Voor windenergie op zee wordt de mogelijkheid van een productie-onafhankelijke CfD, waarbij betalingen plaatsvinden op basis van een referentievolume, verder verkend. Bij windenergie op zee is sprake van een minder groot aantal projecten, waardoor dit wellicht in de toekomst wel mogelijk en wenselijk is. Hierbij wordt ook gekeken naar lessen van omringende lidstaten die een dergelijke systematiek ontwikkelen.

Negatieve prijzen spelen een steeds grotere rol op de elektriciteitsmarkt. Om bij de toekomstige inzet van CfD’s ongewenste productie tijdens deze momenten te voorkomen, heeft de Europese Commissie bepaald dat er geen steunbetalingen plaats mogen vinden voor productie op momenten met negatieve elektriciteitsprijzen. Het is onduidelijk hoeveel momenten met negatieve prijzen er zullen zijn gedurende de levensduur van een hernieuwbaar elektriciteitsproject. Dit zorgt voor veel onzekerheid bij ontwikkelaars. Vanwege de impact hiervan op de businesscase is het kabinet voornemens om voor die periodes een gedeeltelijke compensatie te bieden. Door deze compensatie zijn ontwikkelaars minder blootgesteld aan de nadelige effecten van negatieve elektriciteitsprijzen, waardoor ontwikkelaars dit risico niet hoeven in te prijzen in hun bieding. De keuze voor gedeeltelijke compensatie, ten opzichte van volledige, wordt gemaakt om prikkels voor opslag en eigen verbruik van elektriciteit in stand te houden. De compensatie wordt berekend op basis van het aantal momenten met negatieve prijzen en de potentiële productie van de installatie en wordt toegespitst naar techniek (windenergie of zon-PV). De precieze hoogte van de gedeeltelijke compensatie wordt nog onderzocht, waarbij het bieden van voldoende zekerheid voor een sluitende businesscase een belangrijk uitgangspunt is. Daarnaast blijft het kabinet inzetten op de ontwikkeling van de vraagzijde, bijvoorbeeld door vraagstimulering via de SDE++ en, in samenwerking met InvestNL, het ontwikkelen van een instrument dat garanties verstrekt op langjarige stroomafnamecontracten (PPA’s).

Verder wordt voor een passende risicobalans tussen de overheid en producenten een basisenergieprijs aangehouden, zoals bekend van de SDE++. Bij lage marktprijzen worden de steunbetalingen begrensd tot het verschil tussen het indieningsbedrag en de basisenergieprijs. De basisenergieprijs zorgt hierdoor, evenals het vaststellen van maximale indieningsbedragen, voor een beperking van het financieel risico voor de overheid. De hoogte van de basisenergieprijs voor CfD’s moet nog worden vastgesteld en is niet noodzakelijkerwijs gelijk aan de basisenergieprijs van de SDE++. Bij de vaststelling van de hoogte houdt het kabinet nadrukkelijk rekening met het risico waaraan marktpartijen blootgesteld worden. Door te werken met een jaargemiddelde van de elektriciteitsprijs bij de berekening van het zogenoemde referentiebedrag is het risico dat het referentiebedrag onder de basisenergieprijs komt, en marktpartijen dus geen extra steunbetaling krijgen, veel lager dan bij een referentieperiode van een maand of korter. Om het risico van een basisenergieprijs voor de producent verder te beperken, en tevens de blootstelling aan marktprikkels te vergroten, wordt bij de CfD voor hernieuwbare elektriciteit op land een vaste bandbreedte ingebouwd waartussen de steunbetalingen en vorderingen van een CfD niet gelden (“cap and floor”). Hierdoor wordt een ruimte gecreëerd, waarbinnen geen betalingen plaatsvinden en die marktpartijen de mogelijkheid geeft om extra inkomsten te verdienen. Voor windenergie op zee wordt een enkelvoudig indieningsbedrag gehanteerd, zonder de bovengenoemde bandbreedte. Dit draagt bij aan een eenvoudigere vormgeving van de CfD en heeft een uitgesproken voorkeur van de wind op zee sector.

Voor een goede verdeling van financiële risico’s is ook omgang met inflatie een belangrijk onderwerp. Inflatie creëert vooral een risico voor de ontwikkelaar tussen het moment waarop het indieningsbedrag wordt vastgesteld en het moment waarop de finale investeringsbeslissing wordt genomen. Vlak voor de finale investeringsbeslissing legt de ontwikkelaar namelijk de prijzen met leveranciers en afnemers vast. Bij zon-PV op veld en water en windenergie op land zijn projecten gebonden aan vergunningen. Het kabinet ziet dat er bij deze projecten vaak bezwaar- en beroepszaken aangetekend worden, waardoor projecten te maken kunnen krijgen met vertragingen. Windparken op zee zijn omvangrijke projecten en de voorbereiding voor de ontwikkeling is complex. Ook na de bieding zal de winnende aanvrager nog diverse voorbereidende werkzaamheden moeten treffen, waardoor contracten pas enkele jaren na vergunningverlening worden afgesloten. De maatschappelijke kosten van non-realisatie van deze verschillende projecten zijn groot. Bij het aangaan van een CfD maakt de overheid grote budgetreserveringen, die onbenut blijven als een project niet tot realisatie komt. Ook voor de energietransitie heeft het gevolgen als grote hoeveelheden hernieuwbare opwekcapaciteit toch niet tot stand komen. Tot slot heeft specifiek non-realisatie van windparken op zee grote financiële gevolgen voor de overheid. TenneT is namelijk voor de aanleg van windparken op zee voor de huidige routekaart wettelijk verplicht het elektriciteitsnet op zee aan te leggen. Dit gaat gepaard met grote investeringen, waardoor vertraging of non-realisatie van windparken op zee kunnen leiden tot hoge maatschappelijke kosten.

Het kabinet is daarom voornemens om voor zon op veld en water, wind op land en wind op zee een inflatiecorrectie toe te passen op het indieningsbedrag voor de eerste twee jaar na de biedprocedure. Daarmee beoogt het kabinet de inflatie tot het moment waarop de finale investeringsbeslissing wordt genomen (goeddeels) af te dekken, om zo het risico op non-realisatie door tussentijdse inflatieschokken te voorkomen. In deze jaren kan onverwacht hoge inflatie ertoe leiden dat de kosten van realisatie van het project afwijken van wat ten tijde van bieding werd verwacht. Door toepassing van inflatiecorrectie wordt dit risico voor ontwikkelaars afgedekt waardoor zij hier in hun bieding geen rekening mee hoeven te houden.

De prijsindices die de basis zullen vormen voor de inflatiecorrectie worden nog bepaald. Bij het bepalen van het maximale indieningsbedrag zal rekening worden gehouden met de verwachte inflatie over de looptijd van het contract. Voor zon op dak, waar geen potentieel vertragende vergunningsprocedures gelden, wordt vastgehouden aan de methodiek die de markt vanuit de SDE++ gewend is, waarbij de verwachting van de toekomstige inflatie vooraf wordt toegepast op het indieningsbedrag en het indieningsbedrag verder niet gecorrigeerd wordt voor inflatie.

Voor hernieuwbare elektriciteit op land wordt het contract afgesloten met een looptijd van 15 jaar. Voor windenergie op zee is het kabinet voornemens een looptijd van 20 jaar aan te houden.5 Op basis van de financieringsstructuren bij wind op zee en de keuzes die andere landen op dit vlak maken lijkt dit de meest passende looptijd. Om dit verder te onderzoeken wordt het PBL gevraagd advies te geven over een contractduur van zowel 15 als 20 jaar, en wordt de markt gevraagd om tijdens de marktconsultatie te reageren op deze beide opties. Voor een optimale blootstelling aan marktprijsprikkels is besloten dat de referentieprijs berekend wordt als een techniekspecifiek, jaarlijks gemiddelde van de elektriciteitsprijs. Hierdoor behoudt de elektriciteitsproducent de prikkel om bij het ontwerp en de exploitatie van het project de opbrengsten op de elektriciteitsmarkt te maximaliseren. Ook bestaat de mogelijkheid om bij het indienen van het bod voor de concurrerende biedprocedure een deel van de productiecapaciteit voor de gehele looptijd uit te zonderen van het contract (“carve-out”). Hierdoor behouden producenten de mogelijkheid om te profiteren van langetermijncontracten op de elektriciteitsmarkt en ook een deel van de opgewekte elektriciteit in te zetten voor de productie van hernieuwbare brandstoffen van niet-biogene oorsprong (renewable fuels of non-biological origin, hierna: RFNBO’s).6 Projecten die ervoor kiezen een deel van hun productiecapaciteit van het contract uit te zonderen, worden hoger gerangschikt omdat zij minder steun nodig hebben. Parallel hieraan ontwikkelt InvestNL, in samenwerking met het ministerie van Economische Zaken en Klimaat, een instrument dat garanties verstrekt op PPA’s tussen afnemers en producenten van hernieuwbare elektriciteit. Dit instrument maakt het voor afnemers met een lagere kredietwaardigheid mogelijk om eenvoudiger PPA’s af te sluiten, waardoor de toegang tot de PPA-markt wordt vergroot. Tegelijkertijd verlaagt het de investeringsrisico’s voor projectontwikkelaars, doordat het betalingsrisico deels kan worden afgedekt.

Mogelijk invoedingstarief voor producenten

De Autoriteit Consument en Markt (ACM) verkent op dit moment de invoering van een invoedingstarief voor producenten. Een invoedingstarief raakt direct aan de businesscase voor hernieuwbare elektriciteit en is daarom een zorg voor marktpartijen. Er is op dit moment nog veel onduidelijkheid over de eventuele invoering van een invoedingstarief en de vormgeving daarvan. Het kabinet hoopt zo snel mogelijk, wanneer meer duidelijk is over de keuzes omtrent het invoedingstarief, te kunnen communiceren over hoe hiermee in de CfD omgegaan zal worden.

Concurrerende biedprocedure

De inhoudelijke keuzes voor de CfD’s worden juridisch vastgelegd in conceptcontracten, die bij ministeriële regeling gepubliceerd worden. In deze ministeriële regelingen worden ook de voorwaarden voor de concurrerende biedprocedure met eventuele aanvullende rangschikkingscriteria uitgewerkt. Voor zon-PV en windenergie op land enerzijds en windenergie op zee anderzijds worden aparte biedprocedures georganiseerd. Partijen kunnen in een concurrerende biedprocedure, aan de hand van de conceptcontracten, een bieding doen door middel van een ingevuld contract. De biedingen worden gerangschikt op steunintensiteit en eventuele andere rangschikkingscriteria, waarna contracten worden gesloten met de partijen het hoogst in de rangschikking.

Zon-PV en windenergie op land

De rangschikking van biedingen voor zon-PV en windenergie op land vindt plaats op basis van de steunintensiteit: het aantal euro’s aan verwachte steun per ton vermeden CO2-uitstoot. Van de hoogst gerangschikte projecten worden de biedingen aanvaard. Het aantal contracten wordt daarbij gemaximeerd aan de hand van een van tevoren vastgesteld budget, evenals de voorwaarde dat maximaal 85 procent van het totaal aantal gerangschikte biedingen een contract ontvangt. Zo is er altijd sprake van concurrentie, ook als er minder budget wordt aangevraagd dan beschikbaar is, en worden projecten gestimuleerd om een concurrerend bod te doen. Aan de biedprocedure kunnen voor een groot deel dezelfde soorten projecten deelnemen als bij voor zon-PV en wind op land in de SDE++. Een wijziging ten opzichte van de SDE++ is echter dat, wegens hogere uitvoeringslasten van de CfD, de ondergrens voor in aanmerking komende projecten naar 200 kWp wordt verhoogd. Voor kleinere projecten wordt aangenomen dat deze wegens een hoog percentage eigen verbruik rendabel zijn.

Wind op zee

Voor de toepassing van CfD’s wordt voor windenergie op zee gebruik gemaakt van de procedure met vergelijkende toets. Dit biedt de mogelijkheid om het bod van een ontwikkelaar niet alleen te beoordelen op basis van de laagste steunintensiteit per kWh7, maar eventueel ook op kwalitatieve aspecten van de bieding. Het is daarbij van belang op welke wijze – passend binnen de businesscase – oplossingen kunnen worden gestimuleerd voor maatschappelijke doelen om bij te dragen aan verdere doorgroei van windenergie op zee, zoals ecologie en systeemintegratie. Het kabinet blijft inzetten op de aanpak en mitigatie van de gevolgen van netcongestie en de inpassing van de windenergie op zee in het energiesysteem.8 Daarbij wordt kennis die is opgedaan bij de realisatie en exploitatie van eerdere windparken op zee meegenomen.

Ecologische criteria zijn van belang om negatieve effecten op de natuur te minimaliseren en positieve effecten te maximaliseren, zodat windenergie op zee uitgerold kan worden op een verantwoorde manier. De afgelopen tenderrondes met een vergelijkende toets hebben geleid tot innovatieve projecten op het gebied van ecologie. Opgedane kennis kan, mits effectief, haalbaar en uitvoerbaar, (deels) als verplichting worden opgenomen in voorschriften in het kavelbesluit of in de vergunning van toekomstige windparken op zee. Dit is in lijn met de regels voor niet-prijscriteria uit de Europese Net Zero Industry Act (NZIA). Ecologische voorschriften in het kavelbesluit bestaan uit zowel maatregelen om effecten op natuur te beperken, zoals een norm voor onderwatergeluid bij heiwerkzaamheden, als uit voorschriften voor natuurversterking (natuurinclusief bouwen). Naast verplichtende voorschriften in kavelbesluiten of de vergunning wordt ook aan de voorkant van het wind op zee- proces rekening gehouden met het voorkomen en/of verminderen van gevolgen voor de Noordzee-natuur. Ook blijft het kabinet inzetten op het ontwikkelen van kennis op het gebied van ecologie. Hiervoor worden verschillende monitoringsprocessen in kaart gebracht en op elkaar aangesloten, zoals het Wind op zee ecologisch programma (Wozep) en de locatiestudies van RVO.

Uitvoering

Net als bij de SDE++ en het Tijdelijke ondersteuningsmechanisme windenergie op zee (TOWOZ) zal RVO voor de CfD’s de biedprocedures en tenderrondes uitvoeren en de contracten beheren voor zon en wind op land en voor wind op zee. Evenals bij de correctiebedragen voor de SDE++ zal RVO jaarlijks de voorlopige en definitieve referentiebedragen berekenen, op basis van een door het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) vastgestelde methode. RVO is ook de uitvoerende partij voor de voorschotbetalingen en vorderingen en ziet toe op de nakoming van de verplichtingen uit het contract.

Proces

Het kabinet heeft deze ontwerpkeuzes gedeeld met het PBL. Het PBL zal het kabinet, net als bij de SDE++ en TOWOZ, voorzien van een onafhankelijk advies over de maximale indieningsbedragen voor de CfD’s. Om tot een goed advies te komen organiseert het PBL een marktconsultatie, waarbij marktpartijen input kunnen geven om het PBL een goed beeld te geven van de kosten van hernieuwbare elektriciteitsprojecten op land en op zee. De marktconsultatie en het advies, maar ook bijvoorbeeld de ontwikkelingen rondom de TOWOZ en SDE++ in 2026 en de ontwikkelingen rondom CfD’s in andere landen zullen worden meegewogen bij de verdere uitwerking van de genoemde ontwerpkeuzes tot CfD-regelingen. Dit geldt ook voor eventuele aandachtspunten die voortkomen uit het proces voor staatssteungoedkeuring met de Europese Commissie. Het kabinet publiceert de concept CfD-regelingen, met daarin een concept-contract, geruime tijd voor de openstelling van de openbare biedprocedure. Deze conceptregelingen worden in het kader van de eerste openstellingsronde geconsulteerd, alvorens verwerkt te worden tot definitieve CfD-regelingen. Het kabinet is voornemens om CfD’s in het najaar van 2027 open te stellen. Het exacte tijdspad is echter mede afhankelijk van onder meer de voortgang van het wetgevingstraject en het proces van staatssteungoedkeuring.

Het besluit tot openstellen van CfD-regelingen geschiedt in overleg met de Minister van Financiën.

Tot slot

Met deze ontwerpkeuzes beoogt het kabinet duidelijkheid te creëren voor de hernieuwbare-elektriciteitssector, die met enthousiasme aan deze uitdagende energietransitie werkt. De komende tijd wordt de verdere uitwerking van de CfD’s voortgezet. Betrokken partijen worden van harte uitgenodigd om hun reactie op de ontwerpkeuzes te delen met het ministerie van Economische Zaken en Klimaat.

Stientje van Veldhoven-van der Meer

Minister van Klimaat en Groene Groei


  1. Kamerstukken II 2023/24, 31239, nr. 393 en Kamerstukken II 2024/25, 31239, nr. 428.↩︎

  2. Kamerstukken II 2025/26, 33561, nr. 91.↩︎

  3. Artikel 19 quinquies van Verordening (EU) 2019/943, die is herzien bij Verordening (EU) 2024/1747.↩︎

  4. Voor hybride aangesloten windparken is dit twee jaar later in 2029 – dat zijn windparken die met twee of meer landen verbonden zijn.↩︎

  5. Voor zowel hernieuwbaar op land als wind op zee is ook een bankingjaar in het contract inbegrepen: een extra jaar waarin niet-gedraaide productie-uren uit eerdere jaren kunnen worden ingehaald en gesteund.↩︎

  6. Het kabinet houdt bij de vormgeving daarom rekening met de Europese eisen voor productie van RFNBO’s en is in gesprek met de Europese Commissie over het lopende onderzoek naar deze eisen.↩︎

  7. Voor wind op zee heeft een rangschikking op basis van steunintensiteit per kWh de voorkeur, omdat het anders dan bij zon-PV en wind op land gaat om projecten met een vergelijkbare verhouding tussen opwek en CO2-reductie.↩︎

  8. Kamerstukken II 2024/25, 29023, nr. 597.↩︎