[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Inbreng verslag schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda informele Raad voor Concurrentievermogen van 31 maart 2026 (Kamerstuk 21501-30-689)

Raad voor Concurrentievermogen

Inbreng verslag schriftelijk overleg

Nummer: 2026D13146, datum: 2026-03-23, bijgewerkt: 2026-03-23 11:57, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen:

Onderdeel van zaak 2026Z05386:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


21501 Verslag van een schriftelijk overleg

Vastgesteld d.d. …

Binnen de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap hebben enkele fracties de behoefte om vragen en opmerkingen voor te leggen over de volgende brieven:

  • brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 18 maart 2026 inzake de geannoteerde agenda van de informele Raad voor Concurrentievermogen, onderdeel onderzoek & innovatie, van 31 maart 2026 (Kamerstuk 21501-30-689);

  • brief van de minister van Economische Zaken d.d. 12 februari 2026 inzake het verslag van de informele Raad voor Concurrentievermogen van 2 en 3 februari 2026 (Kamerstuk 21501-30-686).

Bij brief van ... heeft de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap deze beantwoord. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie

Koorevaar

Adjunct-griffier van de commissie

Van Thiel

Inhoud

I Vragen en opmerkingen uit de fracties

  • Inbreng van de leden van de D66-fractie

  • Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie

  • Inbreng van de leden van de CDA-fractie

  • Inbreng van de leden van de JA21-fractie

  • Inbreng van de leden van de BBB-fractie

II Reactie van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

I Vragen en opmerkingen uit de fracties

Inbreng van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de volgende Raad voor Concurrentievermogen en hebben hierover enkele vragen. Deze leden zijn zeer verheugd dat er weer een kabinet zit dat inziet dat investeringen in vervolgonderwijs, onderzoek en wetenschap essentieel zijn om als innovatief land voorop te kunnen blijven lopen. Zij vragen in dat kader of de minister kansen ziet om deze investeringen verder te verstevigen via de Europese matching van onderzoeksfinanciering. Zij vragen ook of de minister kan toelichten hoe deze matching wordt meegenomen in de Nederlandse onderhandelingsinzet voor het nieuwe kaderprogramma van Horizon Europe en het meerjarig financieel kader (MFK) en welke plaats fundamenteel onderzoek daarin krijgt.

De leden van de D66-fractie steunen de lijn die het kabinet wil inzetten om de regeldruk te verlagen. Deze leden zien met name problemen rond het verkrijgen van kapitaal en de verschillen in regelgeving bij opschaling van innovatieve bedrijven. Zij vragen welke regelgeving voor het kabinet prioriteit heeft om zo snel mogelijk te harmoniseren.

De leden van de D66-fractie lezen dat het kabinet wil inzetten op open science om ruimte te creëren voor fundamenteel onderzoek. Deze leden zien het belang hiervan, maar zien tegelijkertijd ook dat het behoud wetenschappelijke kennis de strategische autonomie van Nederland kan versterken in een geopolitiek instabiele tijd. Zij vragen dan ook welke afweging de minister maakt tussen deze belangen.

De leden van de D66-fractie constateren dat structurele investeringen in onderzoek en ontwikkeling noodzakelijk zijn voor ons concurrentievermogen. Ook Neth-ER heeft in een reactie op de consultatie van het European Research Area Act het belang hiervan benoemd. Op hoeveel procent van de Lissabondoelstelling zit Nederland nu, voor zowel publieke als private investeringen, vragen deze leden, en hoe verhoudt dat zich tot de inspanningen van andere Europese landen?

De leden van de D66-fractie benadrukken tot slot het belang van een zelfstandig kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (KP10). Deze leden constateren dat in het Commissievoorstel veel nadruk ligt op de verbinding tussen KP10 en het Europees Concurrentievermogenfonds (ECF), terwijl de precieze verhouding tussen beide instrumenten onduidelijk is. De leden van de D66-fractie onderschrijven het belang van een goed functionerende keten van fundamenteel onderzoek tot innovatieve toepassingen, maar vrezen dat een te nauwe koppeling aan het ECF ertoe kan leiden dat KP10 in de praktijk ten koste gaat van ongebonden onderzoek waaruit baanbrekende innovaties voortkomen. Deelt de minister deze zorg? Deze leden vragen de minister hoe zij zich in de Raadsonderhandelingen inzet voor het waarborgen van de ruimte voor alle vormen van onderzoek. Deze leden wijzen in dit verband op voorstellen om de programmering van KP10 en het ECF gescheiden te houden, met elk hun eigen bestuursorganen, terwijl de inhoudelijke koppeling wel in stand blijft. Kan de minister aangeven hoe zij dit ziet, zo vragen zij.

Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de informele Raad voor Concurrentievermogen van 31 maart a.s. Deze leden hechten zeer groot belang aan een goede regeling voor excellent onderzoek en innovatiepotentie. Het gaat hier niet alleen over één van de belangrijkste economische verdienmodellen, maar vooral ook over ontwikkelingskansen voor talentvolle studenten en onderzoekers en over het vinden van oplossingen voor de grote uitdagingen waarvoor Nederland en de Europese Unie zich gesteld zien. Deze leden hebben nog enkele vragen.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de mogelijke structurele korting op de afdracht aan de Europese Unie van €1,6 miljard vanaf 2028 ten koste zou kunnen gaan van de onderzoeksfinanciering die volgens de rapporten van Draghi, Letta, Heitor en Wennink nodig zal zijn om de concurrentiekracht van Europa zeker te stellen. Graag een inhoudelijke reactie op dit punt. Kan worden toegelicht of wordt vastgehouden aan een structurele korting op de Nederlandse EU-afdracht vanaf 2028, in het licht van de toenemende (Europese) ambities op het gebied van onderzoek en innovatie?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat Nederland uitstekend presteert in het huidige onderzoekskaderprogramma. Is de vrees terecht dat dit zal worden aangegrepen om dit als bezuinigingsoptie aan te wijzen? Zo ja, hoe verhoudt u zich hiertoe? En hoe verhoudt deze inzet zich tot signalen uit diverse Europese rapporten (zoals Draghi, Letta en Heitor) over de noodzaak tot opschaling van investeringen in onderzoek en innovatie? Welke reactie is van andere lidstaten te verwachten op de voorgenomen korting op de EU-afdrachten? Acht de minister het waarschijnlijk dat deze korting gerealiseerd wordt zonder gevolgen voor onderzoeks- en innovatiebudgetten? Zal worden gegarandeerd dat voldoende financiering voor Europees onderzoek binnen Horizon Europe beschikbaar is in het geval van een korting op de EU-afdracht vanaf 2028? Zo nee, waarom niet?

Inbreng van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de informele Raad voor Concurrentievermogen (onderzoek en innovatie) d.d. 31 maart 2026. Deze leden ondersteunen de inzet van de Commissie en het kabinet om de innovatiekracht van Europa en Nederland te versterken door internationaal talent weg te nemen en innovatieve bedrijven te helpen met opschalen. Wel hebben zij nog een aantal vragen met betrekking tot de Nederlandse inzet.

Internationaal onderzoekstalent

De leden van de CDA-fractie ondersteunen de inzet van de Europese Commissie om actief werk te maken van het aantrekken van wetenschappelijk talent via het Choose Europe-initiatief. Nu wetenschap, met name in de Verenigde Staten, steeds vaker onder druk staat, kan Europa profiteren van het aantrekken van toponderzoekers. Kan de minister aangeven wat de effectiviteit is van dit in 2025 gepresenteerde plan ter waarde van €500 miljoen? Tevens vragen deze leden of de minister een uitsplitsing kan maken van de werking van het initiatief naar nationaliteit en vakgebied.

Daarnaast vragen de leden van de CDA-fractie hoe de minister aankijkt tegen de spanning tussen internationale wetenschappelijke samenwerking en het borgen van kennisveiligheid. Op welke wijze zetten Nederland en Europa in op effectieve screening om kennislekkage naar buitenlandse mogendheden te voorkomen? Kan de minister dit betrekken bij haar inzet ten aanzien van het aantrekken van internationaal onderzoekstalent?

De leden van de CDA-fractie waarderen het dat de Europese Commissie niet uitsluitend aandacht heeft voor onderzoekstalent, maar ook voor talent met gespecialiseerde vaardigheden. Beide groepen zijn onmisbaar voor een innovatieve en concurrerende economie. Het is daarom positief dat de EU stappen wil zetten om de wederzijdse erkenning van arbeidsvoorwaarden en doctorale graden tussen verschillende instellingen en landen te verbeteren. Deze leden roepen echter op om deze inzet niet te beperken tot onderzoeksuniversiteiten, maar ook hogescholen en beroepsonderwijsinstellingen hierbij te betrekken. Juist in grensregio’s ligt er immers aanzienlijke potentie voor het wederzijds erkennen van onderwijsprogramma’s en diploma’s.

Inbreng van de leden van de JA21-fractie

De leden van de JA21-fractie hebben met veel interesse kennisgenomen van deze stukken. Het is essentieel voor de toekomst van Europa om de concurrentiepositie te verbeteren. Nu dreigen wij steeds verder achterop te raken. Het onderwerp van dit beleidsdebat is “Van excellent onderzoek naar mondiale schaal: het Europese innovatiepotentieel ontsluiten.” Wat wordt nu de belangrijkste inzet van de minister in deze discussie? In hoeverre deelt de minister de conclusies en aanbevelingen van het Heitor-rapport over Europees onderzoek- en innovatiebeleid? Welke punten wil de minister inbrengen?

Tijdens de Raad voor Concurrentievermogen van 29 mei 2026 beoogt Cyprus als huidige voorzitter een gedeeltelijk akkoord te bereiken voor het tiende kaderprogramma voor Horizon Europe. Kan de minister aangeven op welke punten nu overeenstemming kan worden bereikt en wat de belangrijkst overgebleven twistpunten zullen zijn? Kan de minister bevestigen dat Nederland pal blijft staan voor de inzet op excellentie als leidend criterium en niet in te zullen stemmen met geografische (“widening”) criteria?

Onlangs verscheen het rapport van rapporteur Ehler over het Horizon-programma. Wat vindt de minister van dit rapport en in hoeverre steunt zij deze voorstellen?

Kan de minister aangeven dat zij de inzet van de JA21-fractie steunt om er zorg voor te dragen dat voldoende ruimte blijft voor fundamenteel onderzoek binnen het Horizon programma?

Hoe ziet de minister de verhouding tussen het Horizon-programma en het Europees Concurrentiefonds? Wat moet er gebeuren om daarin synergie te bewerkstelligen maar wel voldoende ruimte te laten voor fundamenteel onderzoek?

In hoeverre acht de minister de huidige programma’s zoals die nu voorliggen voldoende en effectief voor de concurrentiepositie van Europa specifiek ten aanzien van het aantrekken van wetenschappelijk talent en het stimuleren van onderzoek? Graag een toelichting.

In hoeverre is “Choose Europe” gekoppeld aan het versoepelen van toelatingsregels voor derdelanders?

Hoe groot schat de minister het risico dat kennis die hier met Europese fondsen wordt ontwikkeld verdwijnt of wordt gebruikt door ons minder gunstig gezinde regimes? Hoe wil de minister ervoor zorgen dat de inzet op meer internationale samenwerking niet ten koste gaat van de kennisveiligheid? Hoe verhoudt het ideaal van open-acces zich tot het belang van kennisveiligheid?

Hoe ziet de minister de aangekondigde ERA-act en wat worden de Nederlandse prioriteiten daarin?

Inbreng van de leden van de BBB-fractie

De leden van de BBB‑fractie hebben kennisgenomen van de stukken voor het schriftelijk overleg over de informele Raad voor Concurrentievermogen (onderzoek en innovatie). Deze leden hebben vooralsnog geen vragen.

II Reactie van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap