[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [šŸ§‘mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [šŸ” uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Voorstel van wet

Regels over een basisverzekering voor arbeidsongeschikte zelfstandigen (Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen)

Voorstel van wet

Nummer: 2026D13313, datum: 2026-03-20, bijgewerkt: 2026-03-24 08:58, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Onderdeel van kamerstukdossier 36912 -2 Regels over een basisverzekering voor arbeidsongeschikte zelfstandigen (Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen).

Onderdeel van zaak 2026Z05881:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (šŸ”— origineel)


Regels over een basisverzekering voor arbeidsongeschikte zelfstandigen (Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen) [KetenID WGK010242]

VOORSTEL VAN WET

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om regels te stellen over een verplichte basisverzekering van zelfstandigen tegen de geldelijke gevolgen van arbeidsongeschiktheid;

Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Paragraaf 1.1 Algemene begrippen

Artikel 1. Begripsbepalingen

Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • arbeidsongeschiktheidsuitkering: de arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in hoofdstuk 5;

  • justitiĆ«le inrichting: een penitentiaire inrichting, een instelling voor de verpleging van ter beschikking gestelden, of een inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet justitiĆ«le jeugdinrichtingen;

  • Onze Minister: Onze Minister van Werk en Participatie;

  • re-integratiebedrijf: een natuurlijke persoon dan wel rechtspersoon die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de inschakeling van personen in de arbeid bevordert;

  • resultaat uit overige werkzaamheden: het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, bedoeld in afdeling 3.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001, behoudens voor zover het een werkzaamheid betreft als bedoeld in de artikelen 3.91, eerste lid, onderdelen a en b, en 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001;

  • resultaat uit overige werkzaamheden in Nederland: het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden in Nederland, bedoeld in afdeling 7.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, behoudens voor zover het een werkzaamheid betreft als bedoeld in de artikelen 3.91, eerste lid, onderdelen a en b, en 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001;

  • startende zelfstandige: de zelfstandige van wie de arbeid als zelfstandige is aangevangen per een andere datum dan de eerste dag van een kalenderjaar;

  • uitreiziger: persoon ten aanzien van wie op grond van een melding van de opsporingsdiensten of inlichtingen- en veiligheidsdiensten, gericht aan het UWV, is gebleken dat het gegronde vermoeden bestaat dat deze persoon zich buiten Nederland bevindt met het doel om zich aan te sluiten bij een organisatie die is geplaatst op de lijst van organisaties, bedoeld in artikel 14, vierde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap;

  • UWV: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

  • verzekeraar: een financiĆ«le onderneming die op grond van de Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar mag uitoefenen;

  • verzekerde: de verzekerde, bedoeld in artikel 7;

  • vreemdeling: de persoon, bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000;

  • vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel: een bij onherroepelijk geworden vonnis opgelegde vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel als bedoeld in het Wetboek van Strafrecht;

  • wachttijd: de wachttijd, bedoeld in artikel 16;

  • zelfstandige: de zelfstandige, bedoeld in artikel 9.

Artikel 2. Gelijkstelling niet-gehuwden met gehuwden

  1. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gelijkgesteld met:

a. echtgenoot: geregistreerde partner;

b. gehuwd: als partner geregistreerd.

  1. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:

a. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad;

b. als ongehuwd mede aangemerkt de persoon die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.

  1. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

  2. Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:

a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de toepassing van deze wet daarmee gelijk zijn gesteld;

b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander;

c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract; of

d. zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het derde lid.

  1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot hetgeen wordt verstaan onder het blijk geven zorg te dragen voor een ander als bedoeld in het derde lid.

  2. Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld welke registraties, en gedurende welk tijdvak, in aanmerking worden genomen voor de toepassing van het vierde lid, onderdeel d.

  3. Onder bloedverwant in de eerste graad als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt mede verstaan een meerderjarig aangehuwd kind of een meerderjarig voormalig pleegkind van de ongehuwde meerderjarige.

  4. Onder voormalig pleegkind als bedoeld in het zevende lid wordt verstaan een pleegkind voor wie de ongehuwde meerderjarige een pleegvergoeding ontving of ontvangt op grond van de Wet op de jeugdzorg of de Jeugdwet, of kinderbijslag ontving op grond van de Algemene Kinderbijslagwet.

Artikel 3. Woonplaats

  1. Waar iemand woont, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.

  2. Voor de toepassing van het eerste lid worden schepen die binnen Nederland hun thuishaven hebben, als deel van Nederland beschouwd.

Paragraaf 1.2 Begrip winst uit onderneming

Artikel 4. Winst uit onderneming

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. winst uit onderneming: de belastbare winst uit onderneming, bedoeld in paragraaf 3.2.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001, met uitzondering van de belastbare winst uit onderneming, bedoeld in artikel 3.3 van die wet, vermeerderd met de ondernemersaftrek, bedoeld in paragraaf 3.2.4 van die wet en de MKB-winstvrijstelling bedoeld in paragraaf 3.2.5 van die wet;

b. winst uit Nederlandse onderneming: de belastbare winst uit Nederlandse onderneming, bedoeld in afdeling 7.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, met uitzondering van de belastbare winst uit onderneming, bedoeld in artikel 3.3 van die wet, vermeerderd met de ondernemersaftrek, bedoeld in paragraaf 3.2.4 van die wet en de MKB-winstvrijstelling bedoeld in paragraaf 3.2.5 van die wet.

Paragraaf 1.3 Begrip arbeidsongeschiktheid

Artikel 5. Begrip arbeidsongeschiktheid

Arbeidsongeschikt is de verzekerde die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling niet in staat is met arbeid het minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, te verdienen.

Artikel 6. Nadere bepaling arbeidsongeschiktheid

  1. De beoordeling of sprake is van arbeidsongeschiktheid wordt gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en voor zover nodig een arbeidskundig onderzoek.

  2. Bij het vaststellen van arbeidsongeschiktheid wordt buiten beschouwing gelaten of de verzekerde de arbeid feitelijk kan verkrijgen.

  3. Onder arbeid als bedoeld in artikel 5 wordt verstaan algemeen geaccepteerde arbeid, die de ondergrens van de verdiencapaciteit markeert, met een minimale belasting.

  4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het eerste en derde lid, nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld.

  5. De voordracht voor een krachtens het vierde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur, dan wel de vaststelling van een ministeriƫle regeling op basis van een dergelijke algemene maatregel van bestuur, wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

  6. Bij de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, maakt de verzekeringsarts zo veel mogelijk gebruik van wetenschappelijke inzichten die de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid kunnen ondersteunen.

Paragraaf 1.4 Begrip verzekerde

Artikel 7. De verzekerde

  1. Verzekerd op grond van deze wet is de zelfstandige.

  2. Niet verzekerd is de vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000.

  3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, in afwijking van het eerste en tweede lid, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan de kring van verzekerden.

  4. Bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het derde lid, kan worden afgeweken van het tweede lid ten aanzien van:

a. vreemdelingen die rechtmatig in Nederland arbeid verrichten, dan wel hebben verricht;

b. vreemdelingen die, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onderdelen g of h, van de Vreemdelingenwet 2000.

Artikel 8. Afwijking kring verzekerden

Zo nodig in afwijking van artikel 7 en de daarop berustende bepalingen:

a. wordt als verzekerde aangemerkt de persoon van wie de verzekering op grond van deze wet voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie;

b. wordt niet als verzekerde aangemerkt de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is.

Artikel 9. Zelfstandige

Zelfstandige is de persoon die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt, die:

a. in Nederland woont en die winst uit onderneming geniet als bedoeld in artikel 4, onderdeel a;

b. niet in Nederland woont en die winst uit Nederlandse onderneming geniet als bedoeld in artikel 4, onderdeel b.

Artikel 10. Nawerking verzekering

  1. De persoon die binnen vier weken na het einde van diens verzekering ziek wordt, wordt voor het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering beschouwd alsof die persoon verzekerd was gebleven.

  2. De in het eerste lid bedoelde aanspraak komt niet toe aan:

  1. degene aan wie een ontheffing is verleend als bedoeld in artikel 11;

  2. degene die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt; en

  3. degene die ingevolge de wetgeving van een andere Mogendheid recht kan hebben op uitkering bij ziekte of arbeidsongeschiktheid.

  1. De in het eerste lid bedoelde aanspraak komt mede toe aan de persoon van wie bevalling waarschijnlijk is, onderscheidenlijk van wie de bevalling plaatsvindt, binnen een tijdsverloop van tien weken na het einde van diens verzekering.

Paragraaf 1.5 Ontheffing van de verplichte verzekering

Artikel 11. Ontheffing verplichte verzekering bij een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering

  1. Het UWV verleent een persoon ontheffing van de verplichte verzekering op grond van deze wet, indien die persoon met een verzekeraar een verzekeringsovereenkomst heeft gesloten, die ten doel heeft die persoon een periodieke uitkering te verlenen ter bescherming van derving van inkomen als gevolg van arbeidsongeschiktheid, onder de voorwaarden dat:

a. onder arbeidsongeschiktheid in ieder geval wordt verstaan dat de persoon als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling niet in staat is met arbeid het minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, te verdienen;

b. de arbeidsongeschiktheid ten hoogste 104 weken heeft geduurd, voordat het recht op uitkering ontstaat;

c. het recht op uitkering in ieder geval niet wordt uitgesloten vanwege ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling of, zo nodig in afwijking van artikel 952 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, vanwege arbeidsongeschiktheid die door roekeloosheid van de zelfstandige is ontstaan, of een nader bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen uitsluitingsgrond;

d. het recht op uitkering, anders dan wegens de toepassing van een uitsluitingsgrond, niet eerder eindigt dan de dag waarop de persoon niet langer arbeidsongeschikt is dan wel op de dag waarop de persoon de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, bereikt;

e. de hoogte van de uitkering,

1°. op de dag waarop de verzekeringsovereenkomst wordt gesloten, ten minste wordt bepaald op 0,7 x A, waarbij A staat voor de uitkeringsgrondslag, gebaseerd op de winst uit onderneming respectievelijk winst uit Nederlandse onderneming, die ten hoogste 142,86% bedraagt van het minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag; of

2°. ten minste gelijk is aan de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering die op grond van artikelen 40 en 42 zou zijn berekend, indien de persoon voor deze wet verzekerd zou zijn;

f. de minimale hoogte van de uitkering, bedoeld in onderdeel e, onder 1°,

1°. eenmaal per drie jaar op de in onderdeel e, onder 1°, genoemde wijze opnieuw wordt vastgesteld, tenzij op dat moment sprake is van arbeidsongeschiktheid en het recht op uitkering nog niet is ontstaan;

2°. indien het recht op uitkering is ontstaan, eenmaal per jaar op een vaste datum wordt herzien met hetzelfde percentage als waarmee de consumentenprijsindex in een referentiemaand naar boven afwijkt van de consumentenprijsindex in de referentiemaand waarop de laatste herziening is gebaseerd, of, indien nog geen herziening heeft plaatsgevonden, van de consumentenprijsindex op het moment dat de hoogte voor het laatst is vastgesteld op grond van onderdeel 1° of onderdeel e, onder 1°;

g. de hoogte van de premie,

1°. in de situatie, bedoeld in onderdeel e, onder 1°, op de dag waarop de verzekeringsovereenkomst wordt gesloten, ten minste wordt bepaald op P x A, waarbij:

P staat voor het premiepercentage, bedoeld in artikel 56d van de Wet financiering sociale verzekeringen, dat van toepassing is op de dag waarop de verzekeringsovereenkomst wordt gesloten;

A staat voor de uitkeringsgrondslag, bedoeld in onderdeel e, onder 1°; of

2°. in de situatie, bedoeld in onderdeel e, onder 2°, ten minste gelijk is aan de hoogte van de premie die op grond van artikelen 56c en 56d van de Wet financiering sociale verzekeringen zou zijn berekend, indien de persoon voor deze wet verzekerd zou zijn;

h. de minimale premie, bedoeld in onderdeel g, onder 1°, op het moment van toepassing van de in onderdeel f, onder 1°, gestelde voorwaarde, op de in onderdeel g, onder 1°, genoemde wijze wordt vastgesteld; en

i. de persoon de premie in ieder geval verschuldigd is tot de dag waarop de persoon in verband met arbeidsongeschiktheid recht heeft op ten minste 25% van de hoogte van de uitkering.

  1. In afwijking van het eerste lid, onderdeel d, geldt als voorwaarde voor de verzekeringsovereenkomst dat het recht op uitkering niet eerder eindigt dan de dag waarop de persoon de eindleeftijd bereikt, indien:

    1. de verzekeringsovereenkomst is afgesloten voor de dag waarop artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet zodanig wordt gewijzigd dat de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet verder kan stijgen dan de stijging van de gemiddelde resterende levensverwachting op 65-jarige leeftijd; en

    2. de persoon de eindleeftijd eerder bereikt dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet.

  2. De eindleeftijd, bedoeld in het tweede lid, is gelijk aan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, op de dag voor kalenderjaar Y, waarbij kalenderjaar Y staat voor het kalenderjaar waarin de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet verder stijgt dan de stijging van de gemiddelde resterende levensverwachting op 65-jarige leeftijd, en wordt jaarlijks op 1 januari verhoogd volgens de formule:

VE = (L-LY) – (E-EY)

waarbij:

VE staat voor de periode waarmee de eindleeftijd wordt verhoogd, uitgedrukt in perioden van een jaar;

L staat voor de geraamde macro gemiddelde resterende levensverwachting op 65-jarige leeftijd in het kalenderjaar van de verhoging van de eindleeftijd;

LY staat voor de geraamde macro gemiddelde resterende levensverwachting op 65-jarige leeftijd in het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar Y;

E staat voor de eindleeftijd in het kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar van de verhoging van de eindleeftijd;

EY gelijk is aan 2/3 * (LY-20,64) + 67.

De verhoging VE wordt afgerond op periodes van gehele maanden. Indien VE negatief is, wordt deze gesteld op 0.

Op personen die in een bepaald kalenderjaar de eindleeftijd hebben bereikt, is de eindleeftijd in de kalenderjaren daarna niet van toepassing.

  1. Bij algemene maatregel van bestuur wordt nader geregeld wat onder de uitkeringsgrondslag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, onder 1°, en wat onder de consumentenprijsindex als bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, onder 2°, wordt verstaan.

  2. Onder referentiemaand als bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, onder 2°, wordt verstaan: de ten behoeve van de jaarlijkse herziening van de uitkering door de verzekeraar gehanteerde vaste maand van het jaar op basis waarvan de procentuele stijging van de consumentenprijsindex wordt berekend.

  3. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de wijze waarop het kalenderjaar Y, bedoeld in het tweede lid, wordt bepaald en wat wordt verstaan onder de stijging van de gemiddelde resterende levensverwachting op 65-jarige leeftijd, bedoeld in het tweede en derde lid.

Artikel 12. Aanvraag ontheffing

  1. Het UWV verleent de ontheffing, bedoeld in artikel 11, op aanvraag van de verzekeraar met ingang van 1 januari van een kalenderjaar.

  2. De aanvraag gaat vergezeld van:

a. een verklaring van de verzekeraar met ingang van welke datum als bedoeld in het eerste lid de persoon waarvoor de ontheffing wordt aangevraagd ontheffing dient te worden verleend;

b. een verklaring van de verzekeraar dat met die persoon in ieder geval met ingang van de datum, bedoeld in onderdeel a, een verzekeringsovereenkomst als bedoeld in artikel 11 is gesloten; en

c. een verklaring van die persoon dat deze vanwege de met de verzekeraar gesloten verzekeringsovereenkomst met ingang van de datum, bedoeld in onderdeel a, van de verplichte verzekering op grond van deze wet wenst te worden ontheven.

  1. Indien de aanvraag meer dan dertien weken later wordt ingediend dan de datum, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, vangt de ontheffing aan met ingang van 1 januari van het kalenderjaar na de datum van indiening van die aanvraag.

  2. In afwijking van het eerste lid verleent het UWV de ontheffing met ingang van een andere dag dan 1 januari, indien de persoon waarvoor de ontheffing wordt aangevraagd in ieder geval tot die andere dag al ontheven was op grond van een andere verzekeringsovereenkomst. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

  3. In afwijking van het eerste lid verleent het UWV de ontheffing voor een startende zelfstandige met ingang van de aanvangsdatum van de arbeid als zelfstandige. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 13. Verplichte melding

  1. Indien het UWV een ontheffing als bedoeld in artikel 11 heeft verleend en de verzekeringsovereenkomst, bedoeld in dat artikel:

a. zodanig wijzigt dat deze niet meer voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 11; of

b. eindigt;

meldt de verzekeraar dit aan het UWV, onder vermelding van de datum waarop zich dit voordoet.

  1. De verzekeraar doet de melding uiterlijk een dag voor de datum, bedoeld in het eerste lid. Indien een melding per die dag in redelijkheid niet van de verzekeraar kan worden gevergd, doet de verzekeraar de melding zo spoedig mogelijk.

  2. Het UWV kan een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste het bedrag dat is vastgelegd voor de tweede categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht indien de verzekeraar de verplichting tot melding niet of niet behoorlijk is nagekomen.

Artikel 14. Beƫindiging ontheffing

  1. Na een melding als bedoeld in artikel 13, eerste lid, beƫindigt het UWV de ontheffing, bedoeld in artikel 11, met ingang van 1 januari van het kalenderjaar na de datum, bedoeld in artikel 13, eerste lid, met dien verstande dat het UWV de ontheffing niet eerder beƫindigt dan met ingang van 1 januari van het kalenderjaar na de datum waarop de melding is gedaan.

  2. Op aanvraag van een persoon als bedoeld in artikel 11, eerste lid, tot beƫindiging van de ontheffing, beƫindigt het UWV de ontheffing met ingang van 1 januari van het kalenderjaar na de datum waarop die aanvraag is ingediend.

  3. In afwijking van het eerste en tweede lid beƫindigt het UWV de ontheffing met ingang van de dag na de datum, bedoeld in artikel 13, eerste lid, met dien verstande dat het UWV de ontheffing niet eerder beƫindigt dan met ingang van de dag na de datum waarop de melding is gedaan dan wel de aanvraag is ingediend, indien:

a. sprake is van een verzekeringsovereenkomst die eindigt vanwege het faillissement van de verzekeraar;

b. de toepassing van het eerste lid zou leiden tot een kennelijke hardheid.

  1. In afwijking van het eerste en tweede lid beƫindigt het UWV de ontheffing met ingang van de dag na de datum, bedoeld in artikel 13, eerste lid, dan wel een in de aanvraag, bedoeld in het tweede lid, vermelde dag, indien voor die dag een aanvraag is ingediend als bedoeld in artikel 12, vierde lid, met een aansluitende verzochte datum van ontheffing.

Artikel 15. Beƫindiging ontheffing bij uitblijven betaling stabiliteitsbijdrage

  1. Indien een verzekeraar een stabiliteitsbijdrage, bedoeld in artikel 56b, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, niet heeft betaald binnen een door het UWV gegeven aanmaningstermijn, stelt het UWV deze verzekeraar, en de persoon aan wie een ontheffing is verleend van de verplichte verzekering in verband met een verzekeringsovereenkomst met deze verzekeraar als bedoeld in artikel 11, schriftelijk in kennis van de consequenties, bedoeld in dit artikel, van het uitblijven van betaling binnen deze aanmaningstermijn.

  2. Indien een verzekeraar de stabiliteitsbijdrage, bedoeld in het eerste lid, niet binnen vier weken na de dag van verzending van de kennisgeving betaalt, beƫindigt het UWV de ontheffing van de persoon, bedoeld in het eerste lid.

  3. Het UWV beƫindigt de ontheffing met ingang van twee maanden na de dag waarop het UWV de beschikking tot beƫindiging neemt.

  4. De persoon van wie de ontheffing wordt beƫindigd op de wijze, bedoeld in het tweede lid, kan de verzekeringsovereenkomst, bedoeld in artikel 11, beƫindigen door een verzoek hiertoe uiterlijk op de dag voor de datum van beƫindiging van de ontheffing aan de verzekeraar kenbaar te maken, waarbij de verzekeringsovereenkomst in ieder geval beƫindigd kan worden met ingang van de datum van beƫindiging van de ontheffing.

  5. De premie die de persoon, wiens verzekering op grond van het vierde lid is beƫindigd, heeft vooruitbetaald en die ziet op de periode na een beƫindiging als bedoeld in het vierde lid, wordt door de verzekeraar terugbetaald.

Hoofdstuk 2. De wachttijd

Artikel 16. De wachttijd

  1. Voordat de verzekerde aanspraak kan maken op een arbeidsongeschiktheidsuitkering geldt voor de verzekerde een wachttijd van 104 weken.

  2. Als eerste dag van de wachttijd geldt de eerste werkdag waarop wegens ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling niet is gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt. Bij ministeriƫle regeling kunnen nadere regels worden gesteld en kunnen dagen waarop niet zou worden gewerkt als werkdag worden aangemerkt.

  3. Bij het bepalen van de wachttijd worden perioden in aanmerking genomen waarin de verzekerde wegens ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ongeschikt is geweest voor de eigen arbeid. Deze perioden worden samengeteld, indien zij:

a. elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen; of

b. direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:18 of 3:30, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid voorafgaande aan en de ongeschiktheid aansluitende op die periode redelijkerwijs niet geacht kunnen worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.

  1. Voor het bepalen van de wachttijd worden niet in aanmerking genomen perioden gedurende welke een uitkering wordt genoten als bedoeld in het derde lid, onderdeel b.

Artikel 17. Verplichte melding ongeschiktheid voor de eigen arbeid

  1. De verzekerde is verplicht de in artikel 16, tweede lid, bedoelde dag binnen dertien weken bij het UWV te melden.

  2. Indien de gemelde eerste ziektedag meer dan dertien weken is gelegen voor de dag waarop de verzekerde de melding heeft gedaan, wordt, in afwijking van artikel 16, tweede lid, ten vroegste de dag die dertien weken voor de dag van de melding is gelegen als eerste dag beschouwd waarop de verzekerde wegens ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling niet heeft gewerkt of het werken tijdens de werktijd heeft gestaakt. Het UWV kan voor bijzondere gevallen van de eerste zin afwijken.

  3. Het UWV stelt na de melding, bedoeld in het eerste lid, vast of de verzekerde wegens ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ongeschikt is voor de eigen arbeid.

Hoofdstuk 3. Rechten en plichten

Paragraaf 3.1 Verplichtingen van de verzekerde

Artikel 18. Informatieplicht en medewerking aan controle

  1. De verzekerde, alsmede de instelling waaraan op grond van artikel 48 een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt uitbetaald, verstrekt op verzoek of uit eigen beweging zo spoedig mogelijk alle informatie, waarvan het de verzekerde redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed kan zijn op het recht, de hoogte, of de betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het UWV kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriƫle regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriƫle regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.

  2. De verzekerde is verplicht:

a. te voldoen aan elke oproep van het UWV of van een of meer door het UWV aangewezen personen om aanwezig te zijn op een door of vanwege het UWV te bepalen plaats voor beantwoording van vragen als bedoeld in onderdeel b, het meewerken aan onderzoek als bedoeld in onderdeel c of het naleven van de controlevoorschriften, bedoeld in onderdeel d;

b. vragen te beantwoorden die door het UWV of door een of meer door het UWV aangewezen personen in verband met het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering worden gesteld;

c. mee te werken door zich te laten onderzoeken door het UWV of door een of meer daartoe door het UWV aangewezen personen;

d. tot naleving van door het UWV vastgestelde controlevoorschriften die noodzakelijk zijn voor een juiste uitvoering van deze wet;

e. op verzoek onverwijld inzage te geven aan het UWV in een op de verzekerde betrekking hebbend document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de Wet op de identificatieplicht;

f. zich te onthouden van zeer ernstige misdragingen jegens de met de uitvoering van deze wet belaste personen en instanties tijdens het verrichten van hun werkzaamheden.

  1. De verplichtingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van:

a. het re-integratiebedrijf dat in opdracht van het UWV werkzaamheden verricht; of

b. personen die met toestemming van het UWV zijn aangewezen door een re-integratiebedrijf als bedoeld in onderdeel a, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de bij wet of overeenkomst aan deze personen en rechtspersonen opgedragen taken.

  1. De verzekerde die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en die bij deelname aan een re-integratietraject diens re-integratieverplichtingen niet naleeft, deelt de reden daarvan onmiddellijk mede aan het re-integratiebedrijf.

  2. De verzekerde die een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft ingediend of een recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering is verplicht te voldoen aan het voorschrift, gegeven door het UWV of de door hem daartoe aangewezen deskundige, om zich ter observatie te doen opnemen of te verblijven in een aangewezen inrichting.

Artikel 19. Plichten ter voorkoming van ontstaan en bestaan van recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering

  1. De verzekerde voorkomt het ontstaan van arbeidsongeschiktheid en beperkt het bestaan van arbeidsongeschiktheid, voor zover dit redelijkerwijs van de verzekerde verwacht mag worden.

  2. De verzekerde is gedurende de wachttijd verplicht een naar algemeen medische maatstaven adequate behandeling te ondergaan voor diens ziekte of gebrek.

Artikel 20. Plichten gericht op vergroten van mogelijkheden tot het verrichten van arbeid

  1. De verzekerde die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering is verplicht in voldoende mate te trachten mogelijkheden tot het verrichten van passende arbeid te behouden of te verkrijgen.

  2. Ter naleving van de plicht, bedoeld in het eerste lid, is de verzekerde die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering in elk geval verplicht:

a. zich geneeskundig te laten behandelen of aanwijzingen van een arts op te volgen indien het UWV of het re-integratiebedrijf in opdracht van het UWV, daartoe opdracht geeft en diens genezing niet te belemmeren;

b. mee te werken aan activiteiten of werkzaamheden, gericht op diens inschakeling in de arbeid, die het UWV wenselijk acht voor verkrijging van mogelijkheden tot verrichten van passende arbeid;

c. mee te werken aan aanpassing van de arbeidsplaats en aan persoonsgebonden voorzieningen die het UWV verstrekt voor verkrijging van mogelijkheden tot verrichten van passende arbeid en zo nodig trachten die aanpassing en die voorzieningen te verkrijgen;

d. mee te werken aan het opstellen van de re-integratievisie en het re-integratieplan;

e. te voldoen aan verplichtingen die zijn opgenomen in de re-integratievisie en het re-integratieplan.

Artikel 21. Plichten gericht op inschakeling in de arbeid

  1. De verzekerde die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering is verplicht:

a. passende arbeid te verrichten indien de verzekerde daartoe in de gelegenheid wordt gesteld;

b. in voldoende mate te trachten passende arbeid te verkrijgen; en

c. geen eisen te stellen in verband met door de verzekerde te verrichten passende arbeid die het aanvaarden of verkrijgen van die arbeid belemmeren.

  1. De verzekerde die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering is verplicht zich als werkzoekende bij het UWV te laten registreren, indien de verzekerde daartoe het recht toekomt op grond van artikel 30b, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en het UWV de verzekerde dit opdraagt.

  2. Onder passende arbeid als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de verzekerde is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van de verzekerde kan worden gevergd. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het begrip passende arbeid.

Artikel 22. Plichten wettelijk vertegenwoordiger

De plichten, bedoeld in artikel 18, 19, 20 en 21, worden, indien de in die artikelen genoemde verzekerde een wettelijk vertegenwoordiger heeft, door die vertegenwoordiger nageleefd. Voor zover de plichten slechts door de verzekerde kunnen worden nageleefd, bevordert de wettelijk vertegenwoordiger die naleving.

Artikel 23. Delegatiebevoegdheid

  1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de artikelen 18, 19, 20 en 21, eerste en tweede lid.

  2. Bij ministeriƫle regeling kunnen regels worden gesteld waarbij bepaalde groepen verzekerden worden vrijgesteld van verplichtingen, hun op grond van artikel 20 en 21, eerste lid, opgelegd.

  3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld op grond waarvan aan verzekerden in individuele gevallen tijdelijk ontheffing kan worden verleend van verplichtingen, hun op grond van artikel 21, eerste lid, opgelegd.

Paragraaf 3.2. Re-integratie-instrumenten

Artikel 24. Recht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling van UWV

Recht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en, met inachtneming van de daarvoor geldende wettelijke bepalingen, op de naar het oordeel van het UWV noodzakelijk geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling, heeft de verzekerde:

  1. gedurende de wachttijd; of

  2. die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

Artikel 25. Voorzieningen ter voortzetting van arbeid als zelfstandige

  1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld op grond waarvan het UWV op aanvraag van de verzekerde met een naar het oordeel van het UWV structurele functionele beperking die het gevolg is van een ziekte of handicap in het kader van de ondersteuning bij de arbeid als zelfstandige, voorzieningen kan verstrekken.

  2. Voorzieningen als bedoeld in het eerste lid worden uitsluitend verstrekt in verband met een naar het oordeel van het UWV structurele functionele beperking die bij de aanvang van de arbeid als zelfstandige nog niet aanwezig was. Indien deze structurele functionele beperking is ontstaan binnen drie jaar na aanvang van de arbeid als zelfstandige, worden voorzieningen als bedoeld in het eerste lid uitsluitend verstrekt indien bij de aanvang van die arbeid nog geen ziekte of handicap aanwezig was.

  3. Voorzieningen als bedoeld in het eerste lid worden niet verstrekt of worden beƫindigd indien het inkomen van de persoon die arbeid als zelfstandige verricht, na een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen aantal kalenderjaren na de aanvang van de arbeid als zelfstandige, meer bedraagt dan een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt tevens bepaald wat onder inkomen als bedoeld in de eerste zin wordt verstaan.

  4. Dit artikel is niet van toepassing op een verzekerde voor zover voor diens ondersteuning bij arbeidsinschakeling op grond van de artikelen 7, eerste lid, onderdeel a, of 7a, eerste lid, onderdeel a, of derde lid, van de Participatiewet het college van burgemeester en wethouders zorg draagt tot het moment dat het inkomen uit die arbeid gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste bedraagt het minimumloon per uur, vermenigvuldigd met de arbeidsduur welke in overeenkomstige dienstbetrekkingen in de regel geacht wordt een volledige dienstbetrekking te vormen.

  5. Titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op aanspraken op grond van dit artikel.

Artikel 26. Proefplaatsing

  1. Het UWV kan, in het kader van de bevordering van de arbeidsinschakeling, toestemming verlenen aan de verzekerde die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering om op een proefplaats bij een werkgever gedurende maximaal zes maanden onbeloonde werkzaamheden te verrichten.

  2. De onbeloonde werkzaamheden op een proefplaats zijn werkzaamheden:

a. waartoe de verzekerde met diens krachten en bekwaamheden in staat is;

b. waarbij de werkgever, bij wie de proefplaatsing geschiedt, een aansprakelijkheidsverzekering ten behoeve van de verzekerde heeft afgesloten;

c. die de verzekerde niet reeds eerder onbeloond op een proefplaats bij die werkgever of diens rechtsvoorganger heeft verricht; en

d. waarbij er, naar het oordeel van het UWV, een reƫel uitzicht is op een op de onbeloonde werkzaamheden aansluitende dienstbetrekking van dezelfde of grotere omvang voor ten minste zes maanden.

  1. Indien de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, wegens ziekte worden onderbroken, wordt de periode waarin een uitkering bij ziekte wordt ontvangen, voor de toepassing van dat lid buiten beschouwing gelaten.

  2. In afwijking van artikel 21, eerste lid, onderdeel b, is de verzekerde die onbeloonde werkzaamheden op een proefplaats als bedoeld in het eerste of tweede lid verricht, voor de duur van de proefplaatsing niet verplicht passende arbeid te verkrijgen.

  3. Bij ministeriƫle regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de uitvoering van dit artikel.

Artikel 27. Onbeloonde additionele werkzaamheden

Het UWV kan de verzekerde die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en voor wie kans op inschakeling in het arbeidsproces gering is en die daardoor vooralsnog niet bemiddelbaar is op de arbeidsmarkt, onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten. Artikel 10a, tweede tot en met tiende lid, van de Participatiewet is van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 3.3. Bevoegdheden en verplichtingen van het UWV

Artikel 28. Controlevoorschriften

Het UWV kan controlevoorschriften vaststellen. Deze voorschriften gaan niet verder dan strikt noodzakelijk is voor een juiste uitvoering van deze wet.

Artikel 29. Re-integratie-aanpak door het UWV tijdens de wachttijd

  1. Het UWV stelt op aanvraag gedurende de wachttijd in samenspraak met de verzekerde een werkhervattingsvisie vast waarin verplichtingen en rechten van de verzekerde in het kader van de re-integratie zijn vermeld.

  2. Het UWV kan ten behoeve van de verzekerde, bedoeld in het eerste lid, een plan gericht op behoud en verkrijging van mogelijkheden tot het verrichten van arbeid en inschakeling in arbeid laten opstellen door een re-integratiebedrijf. Het re-integratieplan wordt in samenspraak met de verzekerde opgesteld.

  3. In het re-integratieplan worden verplichtingen en rechten van de verzekerde vermeld voor zover die niet in de werkhervattingsvisie zijn vermeld.

  4. Het UWV kan beschikkingen op grond van dit artikel herzien of intrekken indien de verzekerde de verplichtingen in de werkhervattingsvisie dan wel het re-integratieplan niet of niet volledig nakomt.

Artikel 30. Re-integratie-aanpak door het UWV bij recht op uitkering

  1. Nadat het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering is vastgesteld, stelt het UWV in samenspraak met de verzekerde een re-integratievisie vast waarin verplichtingen en rechten van de verzekerde zijn vermeld.

  2. Het UWV evalueert, in samenspraak met de verzekerde, periodiek de re-integratievisie en stelt deze zo nodig bij.

  3. Indien de re-integratievisie daartoe aanleiding geeft laat het UWV ten behoeve van de verzekerde, bedoeld in het eerste lid, een plan gericht op behoud en verkrijging van mogelijkheden tot het verrichten van arbeid en inschakeling in arbeid opstellen door een re-integratiebedrijf. Het re-integratieplan wordt in samenspraak met de verzekerde opgesteld.

  4. In het re-integratieplan worden verplichtingen en rechten van de verzekerde vermeld voor zover die niet in de re-integratievisie zijn vermeld.

  5. Indien een re-integratiebedrijf aan het UWV heeft gemeld dat het gegronde vermoeden bestaat dat een persoon aan wie arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend onvoldoende medewerking verleent aan de op die persoon betrekking hebbende werkzaamheden van het re-integratiebedrijf, neemt het UWV een beschikking met betrekking tot de gehele of gedeeltelijke opschorting of schorsing van de betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan die persoon voor de duur van ten hoogste acht weken.

  6. Het UWV stelt het re-integratiebedrijf in kennis van een beschikking tot opschorting of schorsing als bedoeld in het vijfde lid.

Artikel 31. Reiskostenvergoeding

In door het UWV vast te stellen gevallen worden reiskosten, verblijfkosten en tijdverlies vergoed van personen die door het UWV zijn opgeroepen en van hun begeleiders indien de toestand van de persoon begeleiding noodzakelijk maakt.

Hoofdstuk 4. Uitsluitingsgronden

Artikel 32. Uitsluitingsgronden

Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden de volgende uitsluitingsgronden onderscheiden:

  1. het rechtens diens vrijheid zijn ontnomen;

  2. het zich onttrekken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel;

  3. het niet in Nederland wonen;

  4. een uitreiziger zijn;

  5. het op grond van artikel 64 van de Wet financiering sociale verzekeringen ontheven zijn van de verplichtingen op grond van deze wet wegens gemoedsbezwaren;

  6. het bereiken of bereikt hebben van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet;

  7. overlijden van de verzekerde;

  8. het recht hebben op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet.

Artikel 33. Nadere bepalingen met betrekking tot vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen

  1. Artikel 32, onderdeel a, is niet van toepassing op:

a. de gevallen, bedoeld in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, in de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliƫnten en in artikel 2.3 van de Wet forensische zorg; en

b. bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieƫn personen waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel plaatsvindt buiten een justitiƫle inrichting.

  1. In afwijking van artikel 38, eerste lid, onderdeel b, is artikel 32, onderdeel a, eerst van toepassing met ingang van de dag dat de persoon ƩƩn maand rechtens diens vrijheid is ontnomen. Artikel 32, onderdeel a, is evenwel van toepassing met ingang van de eerste dag van de vrijheidsontneming indien de persoon, bedoeld in de eerste zin, op de dag voorafgaande aan de vrijheidsontneming geen recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat er op die persoon een uitsluitingsgrond van toepassing is als bedoeld in artikel 32, onderdeel b.

  2. Voor de toepassing van het tweede lid, worden perioden van vrijheidsontneming samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.

Artikel 34. Nadere bepalingen met betrekking tot in Nederland wonen

  1. Artikel 32, onderdeel c, is niet van toepassing op de verzekerde die woont in een land waarin op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering kan bestaan.

  2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden geregeld dat het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontstaat of herleeft dan wel dat een dergelijke uitkering niet eindigt ten gunste van:

a. een verzekerde, die werkzaamheden verricht in het algemeen belang en niet in Nederland woont;

b. een verzekerde, die in Aruba, CuraƧao, Sint Maarten of in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba woont; of

c. de gezinsleden van de in de onderdelen a of b bedoelde verzekerde.

Artikel 35. Niet meewerken aan medisch onderzoek vóór recht op uitkering

Indien voor het vaststellen van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering, in het kader van een aanvraag voor de toekenning daarvan, naar het oordeel van het UWV een medisch onderzoek nodig is en de betrokkene niet meewerkt aan dat onderzoek, blijven eventuele uit deze wet voortvloeiende aanspraken op arbeidsongeschiktheidsuitkering buiten aanmerking, voor zolang het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering niet kan worden vastgesteld.

Hoofdstuk 5. De arbeidsongeschiktheidsuitkering

Paragraaf 5.1 Bepalingen in verband met het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering

Artikel 36. Het ontstaan van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering

  1. Recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontstaat voor de verzekerde die ziek wordt indien:

a. de verzekerde de wachttijd heeft doorlopen;

b. de verzekerde arbeidsongeschikt is; en

c. er op de verzekerde geen uitsluitingsgrond van toepassing is.

  1. Het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontstaat niet eerder dan op de eerste dag na afloop van de wachttijd.

Artikel 37. Later ontstaan van het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering

  1. Indien op de dag, bedoeld in artikel 36, tweede lid, geen recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering is ontstaan, ontstaat het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op de dag dat de verzekerde arbeidsongeschikt is, indien de verzekerde op de dag daaraan voorafgaand:

a. niet arbeidsongeschikt was en de arbeidsongeschiktheid intreedt binnen vijf jaar na de in artikel 36, tweede lid, bedoelde dag en voortkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan de verzekerde gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van de eigen arbeid; of

b. niet arbeidsongeschikt was en de arbeidsongeschiktheid intreedt binnen vier weken na de in artikel 36, tweede lid, bedoelde dag en voortkomt uit een andere oorzaak dan op grond waarvan de verzekerde gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van de eigen arbeid.

  1. Het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontstaat niet indien een uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 32, onderdeel a, b, c of d, zich voordoet.

  2. Het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontstaat alsnog op de dag dat geen van de uitsluitingsgronden als bedoeld in artikel 32, onderdeel a, b, c of d, zich meer voordoet binnen vijf jaar na de in artikel 36, tweede lid, bedoelde dag, mits de verzekerde op die dag arbeidsongeschikt is.

Artikel 38. Eindigen van het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering

  1. Het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering eindigt:

a. twee maanden na de dag waarop de verzekerde niet langer arbeidsongeschikt is; of

b. op de dag dat er op de verzekerde een uitsluitingsgrond van toepassing is.

2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, eindigt het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering van de verzekerde die niet arbeidsongeschikt is omdat de verzekerde met arbeid het minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, verdient, ƩƩn jaar na de dag waarop de verzekerde niet langer arbeidsongeschikt is.

Artikel 39. Herleven van het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering

  1. Indien het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 38 is geƫindigd, herleeft het recht op die uitkering op de dag dat de verzekerde weer arbeidsongeschikt is, indien de verzekerde op de dag daaraan voorafgaand:

a. niet arbeidsongeschikt was en de arbeidsongeschiktheid intreedt binnen vijf jaar na de dag dat het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 38 is geƫindigd en voortkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan de verzekerde eerder recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering; of

b. niet arbeidsongeschikt was en de arbeidsongeschiktheid intreedt binnen vier weken na de dag dat het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 38 is geƫindigd en voortkomt uit een andere oorzaak dan op grond waarvan de verzekerde eerder recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

  1. Het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering herleeft niet indien een uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 32, onderdeel a, b, c of d, zich voordoet.

  2. Het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering herleeft alsnog op de dag dat geen van de uitsluitingsgronden als bedoeld in artikel 32, onderdeel a, b, c of d, zich meer voordoet binnen vijf jaar na de dag dat het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 38 is geƫindigd, mits de verzekerde op die dag arbeidsongeschikt is.

Paragraaf 5.2 De hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering

Artikel 40. Grondslag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering

  1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt berekend naar de grondslag.

  2. De grondslag is:

a. de gemiddelde winst uit onderneming respectievelijk winst uit Nederlandse onderneming per dag, die de verzekerde heeft genoten in het kalenderjaar onmiddellijk voorafgaand aan het intreden van de ongeschiktheid voor de eigen arbeid; of

b. indien dit leidt tot een hoger bedrag, de gemiddelde winst uit onderneming respectievelijk winst uit Nederlandse onderneming per dag, die de verzekerde heeft genoten in de drie kalenderjaren onmiddellijk voorafgaand aan het intreden van de ongeschiktheid voor de eigen arbeid.

  1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ten behoeve van het bepalen van de grondslag, bedoeld in het tweede lid, nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld met betrekking tot uitbreiding dan wel beperking van de winst uit onderneming respectievelijk winst uit Nederlandse onderneming, bedoeld in artikel 4, en de periode waarover de winst uit onderneming respectievelijk winst uit Nederlandse onderneming wordt berekend.

  2. De grondslag wordt ten minste gesteld op nihil en bedraagt ten hoogste 142,86% van het minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, gedeeld door 21,75.

  3. De grondslag wordt herzien met ingang van de dag waarop en in de mate waarin het bedrag genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag wordt herzien.

  4. Onze Minister deelt in de Staatscourant mee met ingang van welke dag en met welk percentage een herziening als bedoeld in het vijfde lid plaatsvindt.

  5. Een herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering als gevolg van een herziening van de grondslag vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.

  6. Het UWV betaalt de herziene uitkering, bedoeld in het zevende lid, bij de eerstvolgende uitkeringsbetaling nadat de herziening, bedoeld in het vijfde lid, heeft plaatsgevonden.

  7. Indien de verzekerde die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering met ingang van dezelfde dag recht heeft op toekenning van een uitkering op grond van hoofdstuk 6 of hoofdstuk 7 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen wordt de maximale grondslag, bedoeld in het vierde lid, verminderd met een bedrag dat gelijk is aan het dagloon dat aan de uitkering op grond van hoofdstuk 6 of hoofdstuk 7 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen ten grondslag ligt.

10.Indien de verzekerde die recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering op de dag, bedoeld in artikel 16, tweede lid, tevens verzekerde was op grond van artikel 7 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, wordt de maximale grondslag, bedoeld in het vierde lid, verminderd met een bedrag dat gelijk is aan het loon dat de verzekerde als werknemer genoot, voor zover dat loon als dagloon aan de toekenning van een uitkering op grond van hoofdstuk 6 of hoofdstuk 7 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen ten grondslag ligt of zou liggen, indien de verzekerde op de dag, bedoeld in artikel 16, tweede lid, reeds ongeschikt was voor de eigen arbeid of dat zou zijn geworden, in de zin van die wet.

11.Indien de verzekerde die recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering op de dag, bedoeld in artikel 16, tweede lid, recht had op een uitkering op grond van hoofdstuk 6 of hoofdstuk 7 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, ziekengeld op grond van de Ziektewet, uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg of een uitkering op grond van de Werkloosheidswet, wordt de maximale grondslag, bedoeld in het vierde lid, verminderd met het bedrag van genoemde uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Ziektewet, de Wet arbeid en zorg of de Werkloosheidswet waarop de verzekerde recht heeft op de dag voorafgaande aan de dag, bedoeld in artikel 16, tweede lid.

12.Voor de toepassing van het negende tot en met het elfde lid wordt onder loon, uitkering op grond van hoofdstuk 6 of hoofdstuk 7 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, ziekengeld op grond van de Ziektewet, uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg of uitkering op grond van de Werkloosheidswet tevens verstaan de vakantie-uitkering waarop uit hoofde van dat loon of die uitkering recht bestaat, voor zover die vakantie-uitkering over dezelfde periode is berekend.

Artikel 41. Vaststelling uitkeringsgrondslag bij later ontstaan, herleving of uitsluiting van tweede recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering

  1. De uitkeringsgrondslag van de verzekerde:

a. voor wie het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 37, eerste lid, later ontstaat; of

b. voor wie het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 39, eerste lid, herleeft;

wordt niet lager vastgesteld dan de uitkeringsgrondslag die op grond van artikel 40 in aanmerking zou zijn genomen indien het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering na het einde van de wachttijd zou zijn ontstaan dan wel de uitkeringsgrondslag die voor de berekening van de laatstelijk ontvangen arbeidsongeschiktheidsuitkering in aanmerking werd genomen, zoals die sinds het einde van de wachttijd onderscheidenlijk de beƫindiging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 40 tot aan de datum van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering zou zijn herzien.

  1. De uitkeringsgrondslag van de verzekerde:

a. die na het ontstaan van het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering ziek is geworden, en

b. voor wie als gevolg van artikel 32, onderdeel h, geen tweede recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontstaat, omdat de eerste dag van de wachttijd is gelegen op een dag dat al recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering bestaat;

wordt met ingang van de dag waarop het tweede recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering zou zijn ontstaan, opnieuw vastgesteld overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens artikel 40, indien dat leidt tot een hogere uitkeringsgrondslag dan de uitkeringsgrondslag die voor de berekening van de laatstelijk ontvangen arbeidsongeschiktheidsuitkering in aanmerking werd genomen.

  1. Voor de toepassing van het eerste lid wordt in artikel 40, tweede lid, onder het kalenderjaar onmiddellijk voorafgaand aan het intreden van de ongeschiktheid voor de eigen arbeid verstaan: het kalenderjaar onmiddellijk voorafgaand aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid.

  2. Voor de toepassing van het tweede lid wordt in artikel 40, tweede lid, onder het kalenderjaar onmiddellijk voorafgaand aan het intreden van de ongeschiktheid voor de eigen arbeid verstaan: het kalenderjaar onmiddellijk voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de ziekte, het gebrek, de zwangerschap of de bevalling, die tot het ontstaan van een tweede recht op uitkering zou hebben geleid, is ingetreden.

Artikel 42. De hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering

  1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering bedraagt per dag, de zaterdagen en zondagen niet meegerekend, 0,7 x (A-B). Hierbij staat:

A voor de uitkeringsgrondslag;

B voor het inkomen.

  1. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wat onder inkomen als bedoeld in dit artikel wordt verstaan. Daarbij kan tevens worden bepaald dat nader te bepalen inkomen dat gedeeltelijk, niet, of niet langer wordt genoten als gevolg van gewijzigde omstandigheden of enig handelen of nalaten van betrokkene in aanmerking wordt genomen alsof het wel volledig wordt genoten.

Hoofdstuk 6. De aanvraag en de betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering door het UWV

Paragraaf 6.1 De aanvraag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering

Artikel 43. Aanvraag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering

  1. Het UWV stelt op aanvraag vast of recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering bestaat.

  2. Het UWV stelt de verzekerde van de mogelijkheid van het doen van een aanvraag schriftelijk in kennis uiterlijk op de dag waarop de wachttijd 89 weken heeft geduurd.

  3. Indien het UWV de in het eerste lid bedoelde aanvraag afwijst omdat een uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 32, onderdeel a, b, c of d, van toepassing is, maakt het UWV melding van de mogelijkheid tot het doen van een nieuwe aanvraag.

  4. Indien de toepassing van het eerste lid zou leiden tot een kennelijke hardheid, is het UWV bevoegd het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering ambtshalve vast te stellen.

  5. Het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering kan niet worden vastgesteld over perioden gelegen voor 52 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering werd ingediend dan wel de dag waarop het UWV het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering ambtshalve heeft vastgesteld. Het UWV kan voor bijzondere gevallen van de eerste zin afwijken.

Paragraaf 6.2 De betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering door het UWV

Artikel 44. Betaalbaarstelling

  1. Het UWV betaalt de arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat. De betaling geschiedt in termijnen van een kalendermaand.

  2. Het UWV schort de betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op of schorst de betaling, indien het op grond van duidelijke aanwijzingen van oordeel is of het gegronde vermoeden heeft dat:

a. het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering niet of niet meer bestaat;

b. recht op een lagere arbeidsongeschiktheidsuitkering bestaat;

c. de persoon, die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering of diens wettelijke vertegenwoordiger een verplichting als bedoeld in artikel 18, 19, 20 of 21 of een instelling als bedoeld in artikel 48 een verplichting als bedoeld in artikel 18, niet of niet behoorlijk is nagekomen.

  1. Indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering in het buitenland wordt uitbetaald, geschiedt de betaling in afwijking van artikel 4:89, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het tijdstip waarop de rekening van de daartoe door de schuldeiser aangewezen bank wordt gecrediteerd.

  2. Wanneer de persoon, die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, een ander machtigt om de uitkering in ontvangst te nemen, onderscheidenlijk een verleende machtiging intrekt, wordt daaraan gevolg gegeven met ingang van een betalingstermijn, aanvangende na de dag waarop de machtiging wordt ingediend, onderscheidenlijk waarop van haar intrekking mededeling wordt gedaan, doch niet later dan de eerste dag van de tweede maand na de dag van indiening onderscheidenlijk intrekking van die machtiging.

Artikel 45. Opschorting betaling arbeidsongeschiktheidsuitkering aan vreemdelingen

  1. Het UWV schort de betaling van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op indien de persoon die recht heeft op die uitkering een vreemdeling is die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt als bedoeld in artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000.

  2. De betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt hervat indien de betrokkene daartoe een aanvraag indient en het UWV is gebleken dat de betrokkene feitelijk buiten Nederland woont of verblijf houdt en aan de overige voorwaarden voor het recht op uitkering voldoet.

Artikel 46. Opschorting betaling bij vertrek naar onbekende bestemming

  1. Is van de aanvrager of ontvanger van een arbeidsongeschiktheidsuitkering bij het UWV een adres in Nederland bekend, terwijl in de basisregistratie personen ambtshalve is opgenomen dat de aanvrager of ontvanger is vertrokken naar een onbekend land van verblijf, dan verzoekt het UWV de aanvrager of ontvanger de afwijkende registratie in de basisregistratie personen binnen een redelijke termijn ongedaan te laten maken.

  2. Wanneer na afloop van deze termijn de afwijkende registratie niet is beƫindigd of als uit de basisregistratie personen niet blijkt dat het college van burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente de gegevens over het adres in onderzoek heeft genomen, schort het UWV de betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan de persoon, aan wie die uitkering is toegekend, op.

  3. De opschorting wordt beƫindigd zodra is vastgesteld dat de persoon, bedoeld in het tweede lid, in het buitenland woont of verblijft of dat een adres in Nederland in de basisregistratie personen is opgenomen.

  4. Indien het onderzoek van het college van burgemeester en wethouders is afgerond en de persoon, bedoeld in het tweede lid, in de basisregistratie personen ambtshalve opgenomen blijft met gegevens over het vertrek uit Nederland, schort het UWV de betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op tot verblijf in het buitenland kan worden vastgesteld of een adres in Nederland in de basisregistratie personen is opgenomen.

Artikel 47. Betaling aan een minderjarige

Voor zover het betreft het in ontvangst nemen van een arbeidsongeschiktheidsuitkering en het verlenen van kwijting voor de betaling daarvan, wordt een minderjarige met een meerderjarige gelijkgesteld. Indien de wettelijke vertegenwoordiger zich tegen de betaling aan de minderjarige schriftelijk verzet bij het UWV geschiedt de uitbetaling aan de wettelijke vertegenwoordiger.

Artikel 48. Betaling aan instellingen

  1. Indien de persoon aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, aanspraak heeft op verstrekking of vergoeding van zorg als bedoeld in de Wet langdurige zorg en op grond van die wet een bijdrage voor die zorg verschuldigd is, is het UWV bevoegd de arbeidsongeschiktheidsuitkering tot het bedrag van die bijdrage in plaats van aan degene aan wie die uitkering is toegekend, zonder diens machtiging uit te betalen aan het Zorginstituut Nederland, genoemd in artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet.

  2. Indien aan de persoon aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget wordt verstrekt voor beschermd wonen als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, en die persoon op grond van die wet hiervoor een bijdrage is verschuldigd, is het UWV bevoegd die uitkering tot het bedrag van die bijdrage in plaats van aan de persoon, aan wie die uitkering is toegekend, zonder diens machtiging uit te betalen aan het CAK, genoemd in artikel 6.1.1, eerste lid, van de Wet langdurige zorg, dat voor de gemeente de bijdrage int.

  3. Indien de persoon die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering in een accommodatie als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg of in een accommodatie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliƫnten is opgenomen en het UWV, van de desbetreffende accommodatie of van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente die de opnamekosten betaalt, het verzoek ontvangt om die uitkering aan die accommodatie of die gemeente uit te betalen, is het UWV bevoegd dat verzoek zonder het stellen van andere voorwaarden in te willigen.

  4. Indien het eerste of tweede lid toepassing vindt, heeft de in het derde lid bedoelde bevoegdheid betrekking op het gedeelte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering dat niet aan de in het eerste of tweede lid genoemde instantie wordt uitbetaald.

  5. Een herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van het eerste of tweede lid als gevolg van een wijziging van de verschuldigde bijdrage vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.

Artikel 49. Betaling in geval van samenloop

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ter voorkoming of beperking van samenloop van een arbeidsongeschiktheidsuitkering met uitkering op grond van de sociale wetgeving van Aruba, CuraƧao, Sint Maarten, de sociale wetgeving van Nederland ten behoeve van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba of van een andere Mogendheid.

Artikel 50. Overlijdensuitkering

  1. Na het overlijden van de persoon, die recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, wordt met ingang van de dag na het overlijden een overlijdensuitkering uitbetaald:

a. aan de langstlevende van de echtgenoten;

b. bij ontstentenis van de in onderdeel a bedoelde persoon, aan de minderjarige kinderen tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond;

c. bij ontstentenis van de in de onderdelen a en b bedoelde personen, aan de persoon met wie de overledene in gezinsverband leefde.

  1. De overlijdensuitkering is gelijk aan het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering over ƩƩn kalendermaand, berekend naar de hoogte van die uitkering op de dag of laatstelijk voor de dag van overlijden van de persoon.

  2. In verband met het overlijden van de persoon die recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, is artikel 32, onderdeel g, niet van toepassing.

  3. De overlijdensuitkering wordt ambtshalve of op verzoek aan de rechthebbende of rechthebbenden genoemd in het eerste lid door het UWV uitbetaald.

  4. De overlijdensuitkering wordt in een bedrag ineens uitbetaald.

  5. Het bedrag van de overlijdensuitkering wordt verminderd met het bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering dat, over na het overlijden gelegen dagen reeds is uitbetaald.

Artikel 51. Verjaringstermijn

Een arbeidsongeschiktheidsuitkering die niet in ontvangst is genomen of is ingevorderd binnen twee jaar na de dag van betaalbaarstelling wordt door het UWV niet meer betaald.

Paragraaf 6.3 Intrekking, herziening, terug- en invordering

Artikel 52. Intrekking en herziening beschikkingen

  1. Het UWV herziet beschikkingen op grond van deze wet of trekt dergelijke beschikkingen in, indien:

a. als gevolg van het niet of niet volledig nakomen van de artikelen 18 tot en met 23 en de daarop berustende bepalingen het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering niet of niet meer kan worden vastgesteld of ten onrechte is vastgesteld of de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering ten onrechte op een te hoog bedrag is vastgesteld;

b. de verstrekking van een voorziening als bedoeld in artikel 25 ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;

c. anderszins de arbeidsongeschiktheidsuitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.

  1. Indien een voorziening als bedoeld in artikel 25 in de vorm van een subsidie wordt verstrekt, wijzigt of trekt het UWV de beschikking tot vaststelling van de subsidie in, indien sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 4:49, eerste lid, onderdeel a, b of c, van de Algemene wet bestuursrecht.

  2. Indien daarvoor dringende redenen zijn, kan het UWV geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afzien.

Artikel 53. Terugvordering

  1. Een arbeidsongeschiktheidsuitkering die op grond van deze wet alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald en hetgeen als gevolg van een beschikking als bedoeld artikel 52 door het UWV onverschuldigd is betaald of verstrekt wordt door het UWV teruggevorderd.

  2. In afwijking van het eerste lid kan het UWV besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, indien degene van wie wordt teruggevorderd:

a. gedurende vijf jaar volledig aan diens betalingsverplichtingen heeft voldaan;

b. gedurende vijf jaar niet volledig aan diens betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald;

c. gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat diegene deze op enig moment zal gaan verrichten; of

d. een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in ƩƩn keer aflost.

  1. De in het tweede lid, onderdelen a, b en c, genoemde termijn is tien jaar indien de terugvordering het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 18, eerste lid.

  2. De in het tweede lid, onderdelen a en b, genoemde termijn is drie jaar indien:

a. het gemiddeld inkomen van degene van wie wordt teruggevorderd in die periode de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan; en

b. de terugvordering niet het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 18, eerste lid.

  1. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het UWV besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

  2. In afwijking van het eerste lid, ziet het UWV af van terugvordering van onverschuldigd betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkering, die bij wijze van voorschot is verstrekt, indien de persoon van wie wordt teruggevorderd, in het kalenderjaar waarin de persoon ongeschikt werd voor de eigen arbeid, geen verzekerde is, omdat de persoon geen winst uit onderneming respectievelijk winst uit Nederlandse onderneming genoot, maar resultaat uit overige werkzaamheden respectievelijk resultaat uit overige werkzaamheden in Nederland. Dit lid is niet van toepassing indien de persoon van wie wordt teruggevorderd:

a. over het kalenderjaar onmiddellijk voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de persoon ongeschikt werd voor de eigen arbeid geen winst uit onderneming genoot;

b. wist of behoorde te weten dat de persoon over het kalenderjaar waarin de persoon ongeschikt werd voor de eigen arbeid resultaat uit overige werkzaamheden respectievelijk resultaat uit overige werkzaamheden in Nederland genoot; of

c. met betrekking tot het kalenderjaar waarin de persoon ongeschikt werd voor de eigen arbeid door de inspecteur een bestuurlijke boete is opgelegd als bedoeld in artikel 67a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

  1. Degene van wie wordt teruggevorderd is verplicht desgevraagd aan het UWV de inlichtingen te verstrekken die voor de terugvordering van belang zijn.

  2. In afwijking van het eerste lid kan het UWV, onder bij ministeriƫle regeling te stellen voorwaarden, besluiten van terugvordering af te zien indien het terug te vorderen bedrag een bij ministeriƫle regeling vast te stellen bedrag niet te boven gaat.

Artikel 54. Invordering bij dwangbevel

  1. Het UWV kan de onverschuldigd betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in artikel 53, eerste lid, invorderen bij dwangbevel.

  2. Artikel 63 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat indien het gemiddeld inkomen van de persoon gedurende drie jaar de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan, het UWV de aflossingsbedragen lager vaststelt.

Artikel 55. Nadere regels tenuitvoerlegging onverschuldigde betaling

Bij ministeriƫle regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij is vastgesteld dat onverschuldigd is betaald.

Artikel 56. Schuldregeling

  1. In afwijking van artikel 53, eerste lid, kan het UWV, op verzoek van degene van wie wordt teruggevorderd, besluiten gedeeltelijk van terugvordering of gedeeltelijk van verdere terugvordering af te zien bij medewerking aan een schuldregeling, indien:

a. redelijkerwijs te voorzien is dat degene van wie wordt teruggevorderd niet zal kunnen voortgaan met het betalen van diens schulden of indien diegene in de toestand verkeert waarin het betalen is opgehouden;

b. redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen, behoudens de in het tweede lid bedoelde vorderingen, van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen;

c. een naar het oordeel van het UWV betrouwbaar voorstel voor een schuldregeling tot stand is gekomen door tussenkomst van een schuldhulpverlener als bedoeld in artikel 48 van de Wet op het consumentenkrediet;

d. aannemelijk is dat medewerking aan een schuldregeling niet concurrentieverstorend werkt; en

e. uitdeling in het kader van de schuldregeling plaatsvindt overeenkomstig artikel 349 van de Faillissementswet.

  1. Het eerste lid is niet van toepassing indien een vordering is ontstaan door het opzettelijk of door grove schuld niet nakomen door degene van wie wordt teruggevorderd van de verplichting, bedoeld in artikel 18, en hiervoor een boete als bedoeld in artikel 62 is opgelegd, dan wel met betrekking tot het niet naleven van die verplichting aangifte is gedaan op grond van het Wetboek van Strafrecht.

  2. Het besluit tot het afzien van terugvordering of van verdere terugvordering wordt ingetrokken of ten nadele van degene van wie wordt teruggevorderd gewijzigd indien:

a. niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling tot stand is gekomen die voldoet aan de eisen, bedoeld in het eerste lid;

b. degene van wie wordt teruggevorderd diens schuld aan het UWV niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of

c. onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.

  1. Bij ministeriƫle regeling kunnen met betrekking tot dit artikel nadere regels worden gesteld ten aanzien van de bevoegdheid om mee te werken aan schuldregelingen.

Artikel 57. Preferentie

Een vordering van het UWV, als bedoeld in de artikelen 53 en 56 is bevoorrecht en volgt onmiddellijk na de vorderingen, bedoeld in artikel 288 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 58. Onvervreemdbaarheid van verstrekkingen

  1. Een arbeidsongeschiktheidsuitkering en een voorziening als bedoeld in artikel 25 zijn onvervreemdbaar en niet vatbaar voor verpanding of belening.

  2. Volmacht tot ontvangst van een arbeidsongeschiktheidsuitkering onder welke vorm of benaming ook verleend, is steeds herroepelijk.

  3. Elk beding, strijdig met dit artikel, is nietig.

Artikel 59. Niet voor beslag vatbare verstrekkingen

De voorzieningen, bedoeld in artikel 25, alsmede de overlijdensuitkering, bedoeld in artikel 50, zijn niet vatbaar voor beslag.

Hoofdstuk 7. Handhaving

Artikel 60. Maatregelen

  1. Het UWV weigert een arbeidsongeschiktheidsuitkering geheel of gedeeltelijk, blijvend of tijdelijk indien:

a. de verzekerde verplichtingen, bedoeld in artikel 18, tweede tot en met vijfde lid, 19, 20, of 21 niet of niet behoorlijk is nagekomen;

b. de verzekerde de verplichting, bedoeld in artikel 18, eerste lid, niet binnen de door het UWV daarvoor vastgestelde termijn is nagekomen;

c. de verzekerde door diens doen en laten het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen, bedoeld in artikel 1 van de Wet financiering sociale verzekeringen, benadeelt of zou kunnen benadelen. Onder benadeling in de zin van dit onderdeel is niet begrepen het niet nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 18, eerste lid.

  1. Onverminderd het eerste lid kan het UWV de arbeidsongeschiktheidsuitkering blijvend geheel weigeren, indien de verzekerde door het niet nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 19, eerste lid, het ontstaan van de arbeidsongeschiktheid opzettelijk heeft veroorzaakt.

  2. Het UWV kan afzien van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 18, eerste lid, indien het niet tijdig nakomen van de verplichting niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van arbeidsongeschiktheidsuitkering, of ter zake van het zich niet houden aan het voorschrift, bedoeld in artikel 21, eerste lid, onderdeel b, tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting of het zich niet houden aan het voorschrift plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven.

  3. Het UWV kan afzien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Artikel 61. Afstemming maatregel

  1. Een maatregel als bedoeld in artikel 60 wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de verzekerde de gedraging verweten kan worden. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

  2. Het opleggen van een maatregel blijft achterwege indien voor dezelfde gedraging een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 62 wordt opgelegd.

  3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het eerste lid, waarbij in ieder geval kan worden geregeld in welke gevallen het UWV kan afzien van het opleggen van een maatregel.

Artikel 62. Boete bij niet-nakoming inlichtingenverplichting

  1. Het UWV legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de verzekerde of diens wettelijke vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel 18, eerste lid. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 18, eerste lid, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 18, eerste lid, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding niet opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

  2. In dit artikel wordt onder benadelingsbedrag verstaan het brutobedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 18, eerste lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering is ontvangen.

  3. Indien het niet of niet behoorlijk nakomen door de verzekerde of diens wettelijke vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel 18, eerste lid, niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag, legt het UWV een bestuurlijke boete op van ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de tweede categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

  4. Het UWV kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de verzekerde of diens wettelijke vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel 18, eerste lid, in situaties die bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de verzekerde een zodanige waarschuwing is gegeven.

  5. Het UWV legt een bestuurlijke boete op wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de verzekerde of diens wettelijke vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel 18, eerste lid, als gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering is ontvangen, van ten hoogste 150 procent van het benadelingsbedrag, met overeenkomstige toepassing van het eerste lid, indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de dag van het begaan van de overtreding een eerdere bestuurlijke boete of strafrechtelijke sanctie is opgelegd wegens een eerdere overtreding, bestaande uit eenzelfde gedraging, die onherroepelijk is geworden.

  6. Onder eenzelfde gedraging als bedoeld in het vijfde lid wordt verstaan het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 18, eerste lid, van deze wet, als gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering of toeslag is verleend.

  7. In afwijking van het vijfde lid is het in dat lid genoemde tijdvak van vijf jaar tien jaar indien wegens de eerdere overtreding, bedoeld in het vijfde lid, de verzekerde of diens wettelijke vertegenwoordiger is gestraft met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

  8. Het UWV kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

  9. Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan het UWV de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete van belang zijn.

10.Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete.

11.Bij ministeriƫle regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij de bestuurlijke boete is opgelegd.

12.In afwijking van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechter in beroep of hoger beroep het bedrag waarop de bestuurlijke boete is vastgesteld ook ten nadele van de verzekerde of diens wettelijke vertegenwoordiger wijzigen.

13.Indien ten aanzien van een overtreding waarvoor een bestuurlijke boete is opgelegd geen sprake is geweest van opzet of grove schuld, en voorts is gebleken dat binnen een jaar nadat de bestuurlijke boete is opgelegd niet nogmaals een overtreding wegens eenzelfde gedraging als bedoeld in het zesde lid is begaan, is het UWV bevoegd op verzoek van degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd, de bestuurlijke boete geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden bij medewerking aan een schuldregeling. Artikel 56, eerste, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

14.Het besluit tot kwijtschelding, bedoeld in het dertiende lid, wordt ingetrokken of ten nadele van degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd herzien indien binnen vijf jaar na het besluit tot kwijtschelding wederom een overtreding is begaan wegens eenzelfde gedraging als bedoeld in het zesde lid.

Artikel 63. Invordering bestuurlijke boete

  1. Het UWV verrekent de bestuurlijke boete en een eerdere bestuurlijke boete wegens eenzelfde gedraging als bedoeld in artikel 62, vijfde lid, met een uitkering op grond van deze wet, de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, de Wet arbeid en zorg of een toeslag op grond van de Toeslagenwet, die de persoon aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd ontvangt.

  2. Onverminderd het eerste lid kan het UWV de bestuurlijke boete verrekenen met een vordering die degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd op hem heeft.

  3. De Sociale verzekeringsbank onderscheidenlijk de gemeente betaalt het bedrag van de bestuurlijke boete, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is, op zijn verzoek aan het UWV indien de persoon aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de Algemene Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet, de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.

  4. De in artikel 479g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan de raad voor de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan het UWV. Indien het UWV gebruik maakt van deze bevoegdheid, geschiedt de bekendmaking van het dwangbevel, in afwijking van artikel 4:123, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, door middel van toezending per post aan de persoon aan wie de boete is opgelegd.

  5. Zolang de verzekerde of diens wettelijke vertegenwoordiger diens verplichting, bedoeld in artikel 62, negende lid, niet of niet behoorlijk nakomt:

a. is het UWV in afwijking van artikel 4:93, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht bevoegd tot verrekening van de bestuurlijke boete voor zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn;

b. geldt de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van artikel 4:116 van de Algemene wet bestuursrecht, niet bij de invordering van een bestuurlijke boete bij dwangbevel.

Artikel 64. In kennis stellen re-integratiebedrijf in geval van een sanctie

Indien het UWV de verzekerde de arbeidsongeschiktheidsuitkering geheel of gedeeltelijk heeft geweigerd dan wel de verzekerde een bestuurlijke boete heeft opgelegd, stelt het UWV het re-integratiebedrijf dat ten behoeve van die verzekerde werkzaamheden gericht op vergroting van de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid of op inschakeling in arbeid verricht, van die beschikking in kennis, voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de werkzaamheden door het re-integratiebedrijf.

Hoofdstuk 8. Invloed van de verzekering op het burgerlijk recht

Artikel 65. Samenloop aanspraken

Bij de vaststelling van de schadevergoeding waarop een persoon, die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, naar burgerlijk recht aanspraak kan maken in verband met diens arbeidsongeschiktheid, houdt de rechter rekening met de aanspraken, die die persoon op grond van deze wet en de daarop berustende bepalingen heeft.

Artikel 66. Regresrecht UWV

  1. Het UWV heeft voor de op grond van deze wet en de daarop berustende bepalingen gemaakte kosten verhaal op de persoon, die naar burgerlijk recht verplicht is schade te vergoeden aan de persoon die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, maar ten hoogste tot het bedrag, waarvoor deze bij het ontbreken van de aanspraken krachtens deze wet naar burgerlijk recht aansprakelijk zou zijn, verminderd met een bedrag, gelijk aan dat van de schadevergoeding tot betaling waarvan de aansprakelijke persoon jegens de persoon die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering naar burgerlijk recht is gehouden.

  2. Bij ministeriƫle regeling kan worden bepaald dat het UWV in plaats van het bedrag van de periodieke verstrekkingen de contante waarde daarvan kan vorderen.

  3. De in het eerste lid bedoelde aansprakelijke en de aansprakelijke jegens de persoon met een naar het oordeel van het UWV structurele functionele beperking zijn eveneens verplicht tot vergoeding van de door het UWV gemaakte redelijke kosten ter nakoming van de verplichtingen tot inschakeling in de arbeid van de persoon die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering of de persoon met een naar het oordeel van het UWV structurele functionele beperking, die op het UWV rusten op grond van deze wet en de daarop berustende bepalingen alsmede de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en de daarop berustende bepalingen. De aansprakelijke kan hetzelfde verweer voeren dat de aansprakelijke jegens de persoon die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering of voorziening op grond van deze wet ten dienste zou hebben gestaan.

Hoofdstuk 9. Bepalingen in verband met de Algemene wet bestuursrecht en de rechtsgang

Paragraaf 9.1 Bijzondere beslistermijnen

Artikel 67. Beslistermijn bij advies van een deskundige

Indien in verband met het geven van een beschikking over het ontstaan, later ontstaan of herleven van het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering als bedoeld in hoofdstuk 5 advies is gevraagd aan een deskundige die niet onder verantwoordelijkheid van het UWV werkzaam is en om die reden de beschikking niet binnen de redelijke termijn, bedoeld in artikel 4:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, gegeven kan worden, wordt die termijn verlengd met ten hoogste vier weken en wordt de aanvrager van die verlenging schriftelijk in kennis gesteld.

Artikel 68. Beslistermijn bij verblijf in het buitenland

Indien in verband met het geven van een beschikking een in het buitenland wonende persoon is opgeroepen en om die reden de beschikking niet binnen de redelijke termijn, bedoeld in artikel 4:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, gegeven kan worden, wordt die termijn verlengd met ten hoogste zes maanden en wordt de aanvrager van deze verlenging schriftelijk in kennis gesteld.

Artikel 69. Bijzondere beslistermijn ongeschiktheid voor de eigen arbeid

  1. Een beschikking over het bestaan en voortbestaan van ongeschiktheid voor de eigen arbeid, wordt gegeven binnen dertien weken na ontvangst van de ziekmelding aan het UWV, bedoeld in artikel 17, eerste lid.

  2. Indien de beschikking, bedoeld in het eerste lid, niet binnen dertien weken kan worden gegeven wordt de aanvrager daarvan schriftelijk in kennis gesteld onder vermelding van een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.

Artikel 70. Bijzondere beslistermijn beƫindiging ontheffing

  1. Een beschikking tot beƫindiging van een ontheffing, als bedoeld in artikel 14, wordt gegeven binnen twee weken na ontvangst van de melding dan wel de aanvraag, bedoeld in het eerste en tweede lid van dat artikel.

  2. Een beschikking tot beƫindiging van een ontheffing, als bedoeld in artikel 15, tweede lid, wordt gegeven binnen twee weken na afloop van de periode van vier weken, bedoeld in dat lid.

Paragraaf 9.2 Beslistermijnen in bezwaar

Artikel 71. Beslistermijn in bezwaar

In afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht beslist het UWV binnen dertien weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.

Artikel 72. Bijzondere beslistermijn in bezwaar

  1. Indien bezwaar wordt gemaakt tegen een beschikking waaraan een verzekeringsgeneeskundige of arbeidskundige beoordeling als bedoeld in artikel 6 ten grondslag ligt, beslist het UWV, in afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, binnen zeventien weken of, indien het advies vraagt aan een deskundige die niet onder zijn verantwoordelijkheid werkzaam is binnen eenentwintig weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.

  2. Indien in verband met het geven van een beslissing op bezwaar een in het buitenland wonende persoon is opgeroepen en om die reden de beslissing op bezwaar niet binnen de in het eerste lid bedoelde termijn gegeven kan worden, wordt de beslissing, in afwijking van artikel 7:10, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, verdaagd met ten hoogste zes maanden en wordt de aanvrager van deze verdaging schriftelijk in kennis gesteld.

Paragraaf 9.3 Overige bepalingen in verband met de Algemene wet bestuursrecht en de rechtsgang

Artikel 73. Beroep in cassatie

  1. Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van de artikelen 2, 3 en 7 tot en met 10, en de daarop berustende bepalingen.

  2. Op dit beroep zijn de voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen uitspraken van de gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige toepassing, waarbij de Centrale Raad van Beroep de plaats inneemt van een gerechtshof.

Hoofdstuk 10. Overgangsrecht

Artikel 74. Overgangsrecht in verband met de particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering

  1. In afwijking van artikel 11 verleent het UWV een persoon ontheffing van de verplichte verzekering op grond van deze wet, indien die persoon voor een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip met een verzekeraar een verzekeringsovereenkomst heeft gesloten, die, behoudens de toepassing van een uitsluitingsgrond, ten doel heeft de persoon een periodieke uitkering te verlenen ter bescherming van derving van inkomen als gevolg van arbeidsongeschiktheid, onder de voorwaarden dat:

a. onder arbeidsongeschiktheid in ieder geval wordt verstaan dat de persoon als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek niet in staat is met arbeid het minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, te verdienen;

b. de arbeidsongeschiktheid ten hoogste 104 weken heeft geduurd, voordat het recht op uitkering ontstaat; en

c. het recht op uitkering, anders dan wegens de toepassing van een uitsluitingsgrond, niet eerder eindigt dan de dag waarop de persoon niet langer arbeidsongeschikt is dan wel op de dag waarop de persoon de 55-jarige leeftijd bereikt.

  1. Onverminderd het eerste lid verleent het UWV een persoon slechts ontheffing van de verplichte verzekering op grond van deze wet, indien de verzekeringsovereenkomst, bedoeld in het eerste lid, op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 11:

a. voldoet aan de voorwaarde overeenkomstig artikel 11, eerste lid, onderdeel c, behoudens uitsluitingsgronden die reeds deel uitmaakten van de verzekeringsovereenkomst op het tijdstip, bedoeld in het eerste lid; en

b. voldoet aan de voorwaarden overeenkomstig artikel 11, eerste lid, onderdelen d, e of f, indien de verzekeringsovereenkomst op het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, reeds aan ƩƩn of meer van die voorwaarden voldeed, dan wel, indien de verzekeringsovereenkomst op het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, niet reeds aan ƩƩn of meer van die voorwaarden voldeed, geen nieuwe of gewijzigde voorwaarden bevat op grond waarvan de hoogte en duur van de uitkering in geval van arbeidsongeschiktheid lager of korter zijn of zullen zijn.

  1. Het UWV verleent de ontheffing op aanvraag van de verzekeraar met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 11. De aanvraag wordt ingediend binnen dertien weken na het in de eerste zin genoemde tijdstip. Artikel 12, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

  2. Indien het UWV de ontheffing heeft verleend en de verzekeringsovereenkomst:

a. zodanig wijzigt dat deze niet meer voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste en tweede lid; of

b. eindigt;

meldt de verzekeraar dit aan het UWV, onder vermelding van de datum waarop zich dit voordoet. Artikel 13, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  1. Na ontvangst van een melding als bedoeld in het vierde lid, beƫindigt het UWV de ontheffing met ingang van 1 januari van het kalenderjaar na de datum, bedoeld in het vierde lid, met dien verstande dat het UWV de ontheffing niet eerder beƫindigt dan met ingang van 1 januari van het kalenderjaar na de datum waarop de melding is gedaan.

  2. Op aanvraag van een persoon als bedoeld in het eerste lid tot beƫindiging van de ontheffing, beƫindigt het UWV de ontheffing met ingang van 1 januari van het kalenderjaar na de datum waarop die aanvraag is ingediend.

  3. In afwijking van het vijfde lid beƫindigt het UWV de ontheffing met ingang van de dag na de datum waarop de verzekeringsovereenkomst eindigt vanwege het bereiken van een overeengekomen leeftijd als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, indien die leeftijd gelegen is voor de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, met dien verstande dat het UWV de ontheffing niet eerder beƫindigt dan met ingang van de dag na de datum waarop de melding, bedoeld in het vierde lid, is gedaan.

  4. In afwijking van het vijfde en zesde lid beƫindigt het UWV de ontheffing met ingang van de dag na de datum, bedoeld in vierde lid, met dien verstande dat het UWV de ontheffing niet eerder beƫindigt dan met ingang van de dag na de datum waarop de melding is gedaan dan wel de aanvraag is ingediend, indien:

a. sprake is van een verzekeringsovereenkomst die eindigt vanwege het faillissement van de verzekeraar;

b. de toepassing van het vijfde lid zou leiden tot een kennelijke hardheid.

  1. In afwijking van het vijfde en zesde lid beƫindigt het UWV de ontheffing met ingang van de dag na de datum, bedoeld in het vierde lid, dan wel een in de aanvraag, bedoeld in het zesde lid, vermelde dag, indien voor die dag een aanvraag is ingediend als bedoeld in artikel 12, vierde lid, met een aansluitende verzochte datum van ontheffing als bedoeld in artikel 11, eerste lid.

10.Artikel 15 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het verschuldigde bedrag aan stabiliteitsbijdrage, bedoeld in artikel 15, betrekking heeft op de stabiliteitsbijdrage, bedoeld in artikel 122t, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen.

Artikel 75. Overgangsrecht in verband met de vrijwillige verzekering ZW en Wet WIA

  1. In afwijking van artikel 7, eerste lid, is niet verzekerd op grond van deze wet de zelfstandige:

a. die op grond van artikel 18, eerste lid, onderdelen c en f, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 80, is toegelaten tot de vrijwillige verzekering van die wet, zolang die verzekering, met inachtneming van artikel 10 van die wet, voortduurt;

b. die op grond van artikel 64, eerste lid, onderdelen c en j, van de Ziektewet, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 81, is toegelaten tot de vrijwillige verzekering van die wet en voor dat tijdstip als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ongeschikt is voor het verrichten van passende arbeid:

1°. gedurende de eerste twee dagen van ongeschiktheid tot werken waarover op grond van artikel 70, eerste lid, van de Ziektewet geen ziekengeld wordt uitgekeerd;

2°. gedurende de periode waarover de zelfstandige recht heeft op uitkering van ziekengeld;

3°. gedurende vier weken na het eindigen van die ongeschiktheid, indien de zelfstandige binnen die vier weken opnieuw als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ongeschikt is voor het verrichten van passende arbeid;

c. die op grond van artikel 64, eerste lid, onderdelen c en j, van de Ziektewet, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 81, is toegelaten tot de vrijwillige verzekering van die wet en voor dat tijdstip tevens is toegelaten tot de vrijwillige verzekering op grond van paragraaf 2.2 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, en voor wie laatstgenoemde vrijwillige verzekering eindigt tijdens een periode van ongeschikt zijn voor het verrichten van passende arbeid. Onderdeel b is van overeenkomstige toepassing.

  1. De zelfstandige wiens verzekering als bedoeld in het eerste lid eindigt na 1 januari van een kalenderjaar is gedurende het restant van dat kalenderjaar, in afwijking van artikel 7, eerste lid, niet verzekerd op grond van deze wet.

Hoofdstuk 11. Wijziging van andere wetten

Artikel 76. Wijziging van de Algemene wet bestuursrecht

De Algemene wet bestuursrecht wordt als volgt gewijzigd:

A

Bijlage 2, artikel 9, wordt als volgt gewijzigd:

1. In de alfabetische volgorde wordt ingevoegd:

ā€˜Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen’.

2. Na ā€˜Wet financiering sociale verzekeringen, voor zover het betreft een besluit van de Sociale verzekeringsbank of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen’ wordt ingevoegd ā€˜, behalve voor zover dat besluit is genomen op basis van artikel 57a of artikel 60a’.

B

In bijlage 2, artikel 10, wordt in de alfabetische volgorde ingevoegd ā€˜Wet financiering sociale verzekeringen, voor zover het betreft een besluit genomen op basis van artikel 57a of artikel 60a’.

C

In bijlage 3, artikel 2, wordt in de alfabetische volgorde ingevoegd ā€˜Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen’.

Artikel 77. Wijziging van de Wet financiering sociale verzekeringen

De Wet financiering sociale verzekeringen wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1, onderdeel n, komt te luiden:

n. Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen: het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen, genoemd in artikel 118b.

B

Aan artikel 2 wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel d door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

e. arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen: de verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen op grond van de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen.

C

In het opschrift van hoofdstuk 3 vervalt ā€˜en de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen’.

D

In het opschrift van hoofdstuk 3, afdeling 4, paragraaf 1, vervalt ā€˜en rijksbijdragen’.

E

Artikel 33 wordt als volgt gewijzigd:

  1. In het opschrift vervalt ā€˜en rijksbijdrage’.

  2. In het eerste lid vervalt ā€˜, en door een bijdrage van het rijk als bedoeld in artikel 114, onderdeel f’.

F

Hoofdstuk 3, afdeling 4, paragraaf 5, vervalt.

G

Na hoofdstuk 3 wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:

Hoofdstuk 3a. De financiering van de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen

§ 1. Premie, stabiliteitsbijdrage en rijksbijdrage ten gunste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen

Artikel 56a. Heffing premie en stabiliteitsbijdrage

De financiƫle middelen tot dekking van de uitgaven van het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen, alsmede de financiƫle middelen voor het vormen van een rentehobbelvermogen in het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen, worden verkregen door het heffen van premie en van stabiliteitsbijdrage, en door bijdragen van het rijk als bedoeld in de artikelen 56h en 56i.

§ 2. Premieplicht en plicht tot stabiliteitsbijdrage

Artikel 56b. Premieplicht en plicht tot afdracht stabiliteitsbijdrage

  1. De premie is verschuldigd door de verzekerde in de zin van de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen, tenzij die verzekerde recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van die wet.

  2. De stabiliteitsbijdrage is verschuldigd door de verzekeraar als bedoeld in artikel 1 van de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen voor elke persoon die ontheven is van de verplichte verzekering op grond van die wet vanwege een verzekeringsovereenkomst met die verzekeraar, als bedoeld in artikel 11 van die wet.

  3. De stabiliteitsbijdrage is niet verschuldigd met ingang van de dag waarop de verzekeringsovereenkomst, bedoeld in het tweede lid:

a. zodanig is gewijzigd dat deze niet meer voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 11 van de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen; of

b. is geƫindigd;

met dien verstande dat de stabiliteitsbijdrage in ieder geval verschuldigd is tot en met de dag waarop de melding, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van die wet is gedaan.

  1. De premie en de stabiliteitsbijdrage zijn niet verschuldigd met ingang van de eerste dag van de maand waarin de zelfstandige, bedoeld in artikel 9 van de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen, dan wel de persoon, bedoeld in het tweede lid, de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, zal bereiken.

  2. In afwijking van het eerste lid is geen premie verschuldigd door de verzekerde gedurende het restant van het eerste kalenderjaar waarin een persoon verzekerde is, indien sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 14, derde lid, of 15, tweede lid, van de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen.

§ 3. Maatstaf en hoogte

Artikel 56c. Maatstaf premieheffing

  1. De maatstaf voor de heffing van de premie voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen is het premie-inkomen van de premieplichtige.

  2. Het premie-inkomen van een premieplichtige is gelijk aan de winst uit onderneming respectievelijk winst uit Nederlandse onderneming, bedoeld in artikel 4 van de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen, in een kalenderjaar.

  3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ten behoeve van het bepalen van het premie-inkomen nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld met betrekking tot uitbreiding dan wel beperking van de winst uit onderneming respectievelijk winst uit Nederlandse onderneming, bedoeld in artikel 4 van de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen.

  4. Het premie-inkomen wordt voor de heffing van de premie:

a. ten minste gesteld op nihil; en

b. tot geen hoger bedrag in aanmerking genomen dan 142,86% van de som van de voor alle maanden van het kalenderjaar geldende bedragen aan minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, verminderd met in datzelfde kalenderjaar genoten loon als bedoeld in artikel 16.

  1. De vermindering met loon, bedoeld in het vierde lid, onderdeel b, vindt slechts plaats voor zover dat loon verkregen is als verzekerde op grond van artikel 7 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.

Artikel 56d. Premiepercentage

  1. De premie wordt door het UWV vastgesteld op een percentage van het premie-inkomen.

  2. Het UWV stelt de premie zodanig vast dat naar verwachting de opbrengst van de premieheffing, samen met de overige middelen van het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen, bedoeld in artikel 118c, gelijk is aan de uitgaven van het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen, bedoeld in artikel 118d.

  3. Het UWV kan de premie hoger of lager vaststellen dan volgt uit het tweede lid, teneinde:

    1. te voorkomen dat de hoogte van de premie in grote mate fluctueert ten opzichte van het voorgaande kalenderjaar; of

    2. negatief fondsvermogen aan te vullen dan wel in te teren op aanwezig fondsvermogen.

  4. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de omstandigheden waarin en de manier waarop het UWV gebruik kan maken van de bevoegdheid, bedoeld in het derde lid.

Artikel 56e. Rentehobbelopslag

  1. Het UWV verhoogt de premie, zoals vastgesteld als bedoeld in artikel 56d, met het percentage van de rentehobbelopslag dat voor het betreffende kalenderjaar is vastgesteld.

  2. Bij regeling van Onze Minister van Werk en Participatie wordt de rentehobbelopslag voor het komende kalenderjaar vastgesteld op een percentage van het premie-inkomen.

  3. De opbrengst van de rentehobbelopslag komt ten goede aan het rentehobbelvermogen in het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen.

  4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de vaststelling van de hoogte van het percentage van de rentehobbelopslag.

  5. Dit artikel en de zinsnede ā€˜, alsmede de financiĆ«le middelen voor het vormen van een rentehobbelvermogen in het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen,’ in artikel 56a vervallen op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 56f. Hoogte stabiliteitsbijdrage

De stabiliteitsbijdrage wordt bij regeling van Onze Minister van Werk en Participatie voor elke persoon voor wie de stabiliteitsbijdrage verschuldigd is vastgesteld op een percentage van de maximale maatstaf voor de heffing van de premie, bedoeld in artikel 56c, vierde lid, onderdeel b.

Artikel 56g. Wijziging premie of hoogte stabiliteitsbijdrage anders dan per 1 januari

  1. Indien een wijziging van het premiepercentage op grond van dit hoofdstuk ingaat op een ander tijdstip dan 1 januari, is goedkeuring vereist van Onze Ministers van Werk en Participatie en van Financiƫn. Indien Onze Ministers van Werk en Participatie en van Financiƫn hun goedkeuring onthouden, stellen zij het percentage zelf vast.

  2. Onze Ministers van Werk en Participatie en van Financiƫn kunnen in een geval als bedoeld in het eerste lid regels stellen omtrent de wijze van berekening van de premie over het gehele kalenderjaar.

  3. Indien een wijziging van de hoogte van de stabiliteitsbijdrage op grond van dit hoofdstuk ingaat op een ander tijdstip dan 1 januari, vindt de vaststelling plaats in overeenstemming met Onze Minister van Financiƫn.

§ 4. Rijksbijdragen

Artikel 56h. Rijksbijdrage Wet arbeid en zorg

Onze Minister van Werk en Participatie kan bedragen vaststellen die jaarlijks of in het desbetreffende jaar als rijksbijdrage als bedoeld in artikel 118c, onderdeel e, ten gunste komen van het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen.

Artikel 56i. Rijksbijdrage Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen

Onze Minister van Werk en Participatie kan bedragen vaststellen die jaarlijks of in het desbetreffende jaar als rijksbijdrage als bedoeld in artikel 118c, onderdeel f, ten gunste komen van het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen.

H

Aan het opschrift van hoofdstuk 4 wordt toegevoegd ā€˜en de stabiliteitsbijdrage’.

I

In artikel 57 wordt ā€˜de premie voor de volksverzekeringen en de premies voor de werknemersverzekeringen’ vervangen door ā€˜de premie voor de volksverzekeringen, de premies voor de werknemersverzekeringen, en de premie voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen’.

J

Na artikel 57 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 57a. Heffing stabiliteitsbijdrage door UWV

UWV heft de stabiliteitsbijdrage voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen op de wijze, aangegeven door het UWV.

K

Na artikel 59 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 59a. Premieheffing arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen

De premie voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen wordt bij wege van aanslag geheven met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van de inkomstenbelasting geldende regels.

L

Artikel 60 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ā€˜de premie voor de volksverzekeringen en de premies voor de werknemersverzekeringen’ vervangen door ā€˜de premie voor de volksverzekeringen, de premies voor de werknemersverzekeringen, en de premie voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen’.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

4. Bij de invordering van de premie voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen zijn de regels die gelden voor de invordering van de inkomstenbelasting van overeenkomstige toepassing.

M

Na artikel 60 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 60a. Invordering door het UWV

  1. Het UWV vordert de stabiliteitsbijdrage voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen in.

  2. Het UWV kan de stabiliteitsbijdrage invorderen bij dwangbevel.

  3. Op de invordering van de stabiliteitsbijdrage is artikel 21 van de Invorderingswet 1990 van overeenkomstige toepassing.

N

In artikel 64, eerste lid, wordt ā€˜Ć©Ć©n of meer volksverzekeringen of alle werknemersverzekeringen’ vervangen door ā€˜Ć©Ć©n of meer volksverzekeringen, alle werknemersverzekeringen of de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen’.

O

Artikel 65 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het derde lid tot vierde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

3. Indien een zelfstandige op grond van artikel 64 ontheffing is verleend in het kader van de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen wordt premievervangende inkomstenbelasting geheven overeenkomstig artikel 59a tot het bedrag aan premies dat met toepassing van hoofdstuk 3a zou zijn afgedragen, indien geen ontheffing zou zijn verleend.

2. In het vierde lid (nieuw) wordt ā€˜voor de volksverzekeringen dan wel voor de werknemersverzekeringen’ vervangen door ā€˜voor de volksverzekeringen, de werknemersverzekeringen, dan wel voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen’.

P

In artikel 66 wordt ā€˜de volksverzekeringen en de werknemersverzekeringen’ vervangen door ā€˜de volksverzekeringen, de werknemersverzekeringen en de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen’.

Q

Artikel 81 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding ā€˜1.’ geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

2. Bij regeling van Onze Ministers van Werk en Participatie en van Financiƫn worden regels gesteld met betrekking tot de afdracht van de premie voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en de stabiliteitsbijdrage voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen alsmede van de daarmee verband houdende bestuurlijke boeten en renten door de rijksbelastingdienst of het UWV aan het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen en de wijze van toerekening van die premies, de stabiliteitsbijdrage, boeten en renten aan dat fonds.

R

Artikel 114 wordt als volgt gewijzigd:

  1. Onderdeel e komt te luiden:

e. de gelden die het UWV ontvangt door toepassing van de Wet arbeid en zorg, met uitzondering van de gelden die betrekking hebben op de uitkeringen, bedoeld in hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 2, van die wet;

  1. Onderdeel f vervalt, onder verlettering van de onderdelen g tot en met l tot f tot en met k.

  2. Onderdeel k (nieuw) vervalt, onder vervanging van de puntkomma aan het slot van onderdeel j (nieuw) door een punt.

S

Artikel 115, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

  1. Onderdeel b vervalt.

  2. Onderdeel c komt te luiden:

c. de op grond van de artikelen 3:1a, 4:2b en 6:3 van de Wet arbeid en zorg te betalen vergoedingen en uitkeringen;

  1. In onderdeel j vervalt ā€˜, hoofdstuk 3A van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen’.

  2. Aan onderdeel m wordt toegevoegd ā€˜, behalve de kosten die het UWV maakt ter uitvoering van de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen’.

T

In artikel 117b, derde lid, onderdeel d, wordt na ā€˜op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen’ ingevoegd ā€˜, de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen’.

U

In hoofdstuk 7 wordt na afdeling 3 een afdeling ingevoegd, luidende:

Afdeling 3a. Arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen

Artikel 118b. Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen

Het UWV beheert en administreert afzonderlijk de in artikel 56a bedoelde middelen tot dekking van de uitgaven, alsmede de middelen benodigd voor het vormen van een rentehobbelvermogen, in de vorm van een Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen dat deel uitmaakt van het UWV.

Artikel 118c. Middelen Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen

Ten gunste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen komen:

  1. de premie op grond van artikel 56b, eerste lid;

  2. de stabiliteitsbijdrage op grond van artikel 56b, tweede lid,;

  3. de bedragen, die het UWV ontvangt door de toepassing van de artikelen 13, 53 en 62 van de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen;

  4. de bedragen, die het UWV ontvangt door de toepassing van artikel 66 van de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen;

  5. een rijksbijdrage ter hoogte van het door Onze Minister van Werk en Participatie geraamde bedrag aan lasten en uitvoeringskosten als bedoeld in artikel 118d, eerste lid, onderdelen b en e, voor zover deze lasten en uitvoeringskosten betrekking hebben op de te betalen uitkeringen op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 2, van de Wet arbeid en zorg voor de beroepsbeoefenaren op arbeidsovereenkomst, bedoeld in artikel 3:17, eerste lid, onderdeel a, van die wet, voor de zelfstandigen, bedoeld in artikel 3:17, eerste lid, onderdeel b, onder 3° tot en met 6°, van die wet, en voor de partners, bedoeld in artikel 3:18, tiende en elfde lid, van die wet;

  6. een rijksbijdrage ter hoogte van het door Onze Minister van Werk en Participatie geraamde bedrag aan lasten en uitvoeringskosten als bedoeld in artikel 118d, eerste lid, onderdelen c, d en e, voor zover deze lasten en uitvoeringskosten betrekking hebben op de te betalen uitkeringen en re-integratie-instrumenten op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;

  7. de gelden die het UWV ontvangt door toepassing van de Wet arbeid en zorg, voor zover deze gelden betrekking hebben op de uitkeringen, bedoeld in hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 2, van de Wet arbeid en zorg;

  8. de gelden die het UWV ontvangt door toepassing van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen.

Artikel 118d. Uitgaven Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen

  1. Ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen komen:

  1. de door het UWV op grond van de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen te betalen uitkeringen;

  2. de door het UWV op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 2, van de Wet arbeid en zorg te betalen uitkeringen;

  3. de door het UWV op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen te betalen uitkeringen;

  4. de kosten in verband met de uitvoering van artikel 24 van de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen en van artikel 30a van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voor zover het UWV deze kosten maakt ter uitvoering van de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen, en de kosten van de re-integratie-instrumenten, bedoeld in paragraaf 3.2 van die wet en van hoofdstuk 3A van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;

  5. de uitvoeringskosten die betrekking hebben op de uitkeringen, bedoeld in de onderdelen a, b en c;

  6. de op grond van enige wet over de uitkeringen, bedoeld in de onderdelen a, b en c, door het UWV verschuldigde premies en de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet, die niet op deze uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht.

  1. Er komen geen bedragen ten laste van het rentehobbelvermogen in het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen.

V

Na artikel 122s wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 122t. Overgangsrecht Wet BAZ voor premieplicht en plicht tot afdracht stabiliteitsbijdrage

  1. De stabiliteitsbijdrage, bedoeld in artikel 56b, tweede lid, is verschuldigd door de verzekeraar als bedoeld in artikel 1 van de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen voor elke persoon die ontheven is van de verplichte verzekering op grond van die wet vanwege een verzekeringsovereenkomst met die verzekeraar, als bedoeld in artikel 74 van die wet. De stabiliteitsbijdrage is niet verschuldigd met ingang van de dag waarop de verzekeringsovereenkomst zodanig is gewijzigd dat deze niet meer voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 74, eerste en tweede lid, van die wet, of is geƫindigd, met dien verstande dat de stabiliteitsbijdrage in ieder geval verschuldigd is tot en met de dag waarop de melding, bedoeld in artikel 74, vierde lid, van die wet, is gedaan. De stabiliteitsbijdrage is tevens niet verschuldigd met ingang van de eerste dag van de maand waarin de persoon de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, zal bereiken. De stabiliteitsbijdrage komt ten gunste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen, genoemd in artikel 118c.

  2. De stabiliteitsbijdrage, bedoeld in artikel 56b, tweede lid, komt ten laste van het UWV voor iedere zelfstandige die niet verzekerd is voor de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen op grond van artikel 75, eerste lid, onderdelen a en c, van die wet. De stabiliteitsbijdrage komt niet ten laste van het UWV met ingang van de eerste dag van de maand waarin de zelfstandige de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, zal bereiken. De artikelen 57a en 60a zijn niet van toepassing op de heffing en inning van de stabiliteitsbijdrage, bedoeld in dit lid. De stabiliteitsbijdrage komt ten gunste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen, genoemd in artikel 118c.

  3. Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 77, onderdeel V, van de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen wordt voor iedere zelfstandige, bedoeld in het tweede lid, de premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, bedoeld in artikel 76a, verhoogd met het bedrag van de stabiliteitsbijdrage, bedoeld in artikel 56f.

  4. Artikel 56b, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing op artikel 74, zevende, achtste en tiende lid, van de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen.

W

In artikel 124 wordt na ā€˜de werknemersverzekeringen,’ ingevoegd ā€˜de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen,’.

Artikel 78. Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001

De Wet inkomstenbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 3.13, eerste lid, onderdeel d, wordt toegevoegd ā€˜en de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen’.

B

Aan artikel 3.16, tweede lid, wordt, onder vervanging van ā€˜en’ aan het slot van onderdeel e door een puntkomma en onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel f door ā€˜; en’, een onderdeel toegevoegd, luidende:

g. premies ingevolge de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen als bedoeld in artikel 56a van de Wet financiering sociale verzekeringen of een buitenlandse regeling die naar aard en strekking daarmee overeenkomt.

Artikel 79. Wijziging van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen

De Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel l, onderdeel 2°, wordt na ā€˜de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen,’ ingevoegd ā€˜de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen,’.

2. Onder vervanging van de punt aan het slot door een puntkomma worden drie onderdelen [waarvan de letteraanduiding alfabetisch aansluit op het laatste onderdeel] toegevoegd, luidende:

#. zelfstandige: de zelfstandige in de zin van de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen;

#. winst uit onderneming: winst uit onderneming en winst uit Nederlandse onderneming als bedoeld in artikel 4 van de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen;

#. arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen: de verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen op grond van de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen.

B

Artikel 30, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. ā€˜artikel 1, onderdelen j tot en met m en w, van de Wet financiering sociale verzekeringen’ wordt vervangen door ā€˜artikel 1, onderdelen j tot en met n en w, van de Wet financiering sociale verzekeringen’.

2. Na ā€˜genoemd in artikel 5:1 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten’ wordt ingevoegd ā€˜, het heffen en innen van de stabiliteitsbijdrage, bedoeld in artikel 56a van de Wet financiering sociale verzekeringen, en van de premie voor de vrijwillige werknemersverzekeringen, bedoeld in artikel 72 van die wet,’.

C

In het opschrift van paragraaf 5.2 wordt na ā€˜Polisadministratie’ ingevoegd ā€˜, zelfstandigenadministratie’.

D

Artikel 33a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na ā€˜werknemers,’ ingevoegd ā€˜zelfstandigen,’.

2. In het tweede lid wordt na ā€˜de polisadministratie, bedoeld in artikel 33,’ ingevoegd ā€˜de zelfstandigenadministratie, bedoeld in artikel 33e,’.

E

Artikel 33b wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding ā€˜1.’ geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verifieert het burgerservicenummer in relatie tot de bijbehorende persoonsidentificerende gegevens van de natuurlijke persoon, bedoeld in artikel 33e, tweede lid, bij de eerste opname in de zelfstandigenadministratie en doet indien daartoe aanleiding is mededeling aan het college van burgemeester en wethouders als bedoeld in artikel 2.34, eerste lid, van de Wet basisregistratie personen.

F

Aan het opschrift van artikel 33c wordt ā€˜van werknemers’ toegevoegd.

G

Na artikel 33d worden drie artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 33e. Zelfstandigenadministratie

  1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen draagt zorg voor de inrichting en adequate werking van de zelfstandigenadministratie.

  2. De zelfstandigenadministratie heeft tot doel van de zelfstandige gegevens vast te leggen over het al dan niet verzekerd zijn voor de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen ten behoeve van het nemen van besluiten over recht op uitkering op grond van die wet, de gegevensverstrekking aan de Belastingdienst ten behoeve van haar taak in het kader van die wet, en het informeren van zelfstandigen over deze gegevens.

  3. De basisregistratie personen wordt ter verificatie geraadpleegd voor de verwerking van gegevens door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van dit artikel.

  4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de gegevensset, de wijze van verkrijging en het elektronische gegevensverkeer van de gegevens van de zelfstandigenadministratie.

Artikel 33f. Gegevensverwerkingen voor zelfstandigen

  1. De Belastingdienst verstrekt aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen alle gegevens en inlichtingen die verkregen zijn bij de uitvoering van de heffing van inkomstenbelasting en van de heffing van premies arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, bedoeld in artikel 56a van de Wet financiering sociale verzekeringen, voor zover die gegevens en inlichtingen noodzakelijk zijn in het kader van zijn taak tot uitvoering van de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen.

  2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verstrekt aan de Belastingdienst alle gegevens en inlichtingen, die noodzakelijk zijn ten behoeve van het heffen en invorderen van de premie, bedoeld in artikel 56a van de Wet financiering sociale verzekeringen.

  3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de gegevensset, de wijze van verkrijging en het elektronische gegevensverkeer van de gegevens die op grond van dit artikel worden verwerkt.

Artikel 33g. Informatie over verwerkte gegevens van zelfstandigen

  1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt de zelfstandige in de gelegenheid kennis te nemen van het gegeven of diegene verzekerde is in de zin van de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen.

  2. Indien de gegevens in de zelfstandigenadministratie niet juist of niet volledig zijn, kan de zelfstandige een verzoek tot rectificatie van onjuiste gegevens indienen bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen met aanduiding van de juiste gegevens.

  3. Bij ministeriƫle regeling kunnen regels worden gesteld voor de wijze van informatieverstrekking die voor verschillende soorten zelfstandigen verschillend kan zijn, en in samenhang daarmee voor de inhoud van de informatie.

H

In artikel 45, eerste lid, onderdeel a, wordt ā€˜artikel 1, onderdelen j tot en met m, van de Wet financiering sociale verzekeringen’ vervangen door ā€˜artikel 1, onderdelen j tot en met n, van de Wet financiering sociale verzekeringen’.

I

Aan artikel 54, derde lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel n door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

o. de verzekeraar, bedoeld in artikel 1 van de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen, voor zover het gegevens betreft over personen die ontheven zijn van de verplichte verzekering op grond van die wet als bedoeld in artikel 11 en 74 van die wet, waaronder het burgerservicenummer, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer van deze personen.

J

Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel o door een puntkomma wordt aan artikel 72a, eerste lid, een onderdeel toegevoegd, luidende:

p. artikel 32 van de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen.

K

Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel k door een puntkomma wordt aan artikel 82a, eerste lid, een onderdeel toegevoegd, luidende:

l. paragraaf 3.2 en de artikelen 29 en 30 van de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen.

L

In artikel 84, eerste lid, wordt na ā€˜van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen,’ ingevoegd ā€˜53, zevende lid en 62, negende lid, van de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen,’.

Artikel 80. Wijziging van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen

De Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 18 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel c, wordt ā€˜als zelfstandige werkzaamheden verricht of gaat verrichten, of als echtgenoot van de zelfstandige meewerkt of gaat meewerken’ vervangen door ā€˜als zelfstandige, die directeur-grootaandeelhouder is als bedoeld in artikel 1, werkzaamheden verricht of gaat verrichten, of als echtgenoot van die zelfstandige meewerkt of gaat meewerken’.

2. In het eerste lid, onderdeel f, wordt ā€˜als zelfstandige werkzaamheden gaat verrichten of als echtgenoot van die zelfstandige meewerkt of gaat meewerkenā€ vervangen door ā€˜als zelfstandige, die directeur-grootaandeelhouder is als bedoeld in artikel 1, werkzaamheden gaat verrichten, of als echtgenoot van die zelfstandige meewerkt of gaat meewerken’.

B

Na artikel 123c wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 124. Overgangsrecht inzake de vrijwillige verzekering voor zelfstandigen en meewerkende echtgenoten

Artikel 18, eerste lid, onderdelen c en f, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 80 van de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen, blijft van toepassing op de zelfstandige en de echtgenoot van die zelfstandige die voor dat tijdstip zijn toegelaten tot de vrijwillige verzekering op grond van paragraaf 2.2.

Artikel 81. Wijziging van de Ziektewet

De Ziektewet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 29b, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het slot van onderdeel c vervalt ā€˜of’.

2. Na onderdeel d worden twee onderdelen ingevoegd, luidende:

e. die onmiddellijk voorafgaand aan een dienstbetrekking, bedoeld in artikel 3, 4 of 5, recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen, of

f. van wie in een arbeidskundig onderzoek is vastgesteld dat hij op de eerste dag na afloop van de wachttijd, bedoeld in artikel 16 van de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen:

1°. in staat is met arbeid het minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, te verdienen,

2°. alsmede op de eerste dag van elf weken voorafgaand aan die dag geen dienstbetrekking had, tenzij die dienstbetrekking reeds bestond op de eerste dag van de wachttijd,

3°. niet in staat is tot het verrichten van de eigen arbeid, en

4°. binnen vijf jaar na die dag in dienstbetrekking werkzaamheden gaat verrichten bij een werkgever,

B

Artikel 64 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel c, wordt ā€˜als zelfstandige als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, werkzaamheden verricht of gaat verrichten, of als echtgenoot van die zelfstandige meewerkt of gaat meewerken’ vervangen door ā€˜als zelfstandige, die directeur-grootaandeelhouder is als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onderdeel c, werkzaamheden verricht of gaat verrichten, of als echtgenoot van die zelfstandige meewerkt of gaat meewerken’.

2. In het eerste lid, onderdeel j, wordt ā€˜als zelfstandige een bedrijf of beroep uitoefent of gaat uitoefenen of als echtgenoot van die zelfstandige in dat bedrijf of beroep meewerkt of gaat meewerken’ vervangen door ā€˜als zelfstandige, die directeur-grootaandeelhouder is als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onderdeel c, werkzaamheden gaat verrichten of als echtgenoot van die zelfstandige meewerkt of gaat meewerken’.

C

Na artikel 85 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 86. Overgangsrecht inzake de vrijwillige verzekering voor zelfstandigen en meewerkende echtgenoten

  1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen beƫindigt de vrijwillige verzekering, indien vanwege de inwerkingtreding van de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen niet langer wordt voldaan aan de vereisten, bedoeld in artikel 64, eerste lid, onderdeel c en j.

  2. Artikel 64, eerste lid, onderdelen c en j, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 81 van de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen, blijft van toepassing op de persoon:

a. die als zelfstandige, bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onderdelen a en b, is toegelaten tot de vrijwillige verzekering en voor dat tijdstip als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ongeschikt is voor het verrichten van passende arbeid:

1°. gedurende de eerste twee dagen van ongeschiktheid tot werken waarover op grond van artikel 70, eerste lid, geen ziekengeld wordt uitgekeerd;

2°. gedurende de periode waarover hij recht heeft op uitkering van ziekengeld; of

3°. gedurende vier weken na het eindigen van die ongeschiktheid, indien hij binnen die vier weken opnieuw als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ongeschikt is voor het verrichten van passende arbeid;

b. die als zelfstandige, bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onderdelen a en b, is toegelaten tot de vrijwillige verzekering en voor dat tijdstip tevens is toegelaten tot de vrijwillige verzekering op grond van paragraaf 2.2 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, zolang laatstgenoemde vrijwillige verzekering voortduurt;

c. bedoeld in onderdeel b, die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ongeschikt is voor het verrichten van passende arbeid, en voor wie de vrijwillige verzekering op grond van paragraaf 2.2 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen tijdens deze periode van ongeschiktheid voor het verrichten van zijn arbeid eindigt. Onderdeel a is van overeenkomstige toepassing; of

d. die als meewerkend echtgenoot van de zelfstandige, bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onderdelen a en b, voor dat tijdstip is toegelaten tot de vrijwillige verzekering.

Hoofdstuk 12. Slotbepalingen

Artikel 82. Beƫindiging particuliere verzekering

  1. De persoon met een verzekeringsovereenkomst die ten doel heeft die persoon een uitkering te verlenen ter bescherming van derving van inkomen als gevolg van arbeidsongeschiktheid, die niet voldoet aan de onder artikel 11 gestelde voorwaarden, kan die verzekeringsovereenkomst beëindigen indien die persoon verplicht verzekerd wordt op grond van deze wet. Beëindiging geschiedt met ingang van de dag waarop de verzekeraar van de persoon mededeling van het verplicht verzekerd worden ontvangt. Bereikt deze mededeling de verzekeraar vóór de dag waarop de persoon verplicht verzekerd wordt, dan geschiedt beëindiging van de overeenkomst met ingang van die dag.

  2. De premie die de persoon, wiens verzekering op grond van het eerste lid is beƫindigd, heeft vooruitbetaald en die ziet op de periode na die beƫindiging, wordt door de verzekeraar terugbetaald, onder aftrek van ten hoogste 25 procent van het terug te betalen bedrag voor administratiekosten.

Artikel 83. Buiten toepassingverklaring van Algemene termijnenwet

De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de termijnen, gesteld in de artikelen 10, 16, derde lid, 38, eerste lid, en 50.

Artikel 84. Evaluatiebepaling

Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

Artikel 85. Inwerkingtreding

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 86. Citeertitel

Deze wet wordt aangehaald als: Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

De Minister van Werk

en Participatie,

A.A. Aartsen