Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (36765) en Cyberbeveiligingswet (36764) (ongecorrigeerd)
Stenogram
Nummer: 2026D13342, datum: 2026-03-23, bijgewerkt: 2026-03-24 09:37, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-03-23 10:00: Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (36765) en Cyberbeveiligingswet (36764) (Wetgevingsoverleg), vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
Preview document (🔗 origineel)
Tweede Kamer, de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (36765) en Cyberbeveiligingswet (36764)
VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEG
Concept
De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid en de vaste commissie voor Digitale Zaken hebben op 23 maart 2026 overleg gevoerd met de heer Van Weel, minister van Justitie en Veiligheid, over:
het wetsvoorstel Regels ter implementatie van Richtlijn (EU) 2022/2555 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 betreffende maatregelen voor een hoog gezamenlijk niveau van cyberbeveiliging in de Unie, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 910/2014 en Richtlijn (EU) 2018/1972 en tot intrekking van Richtlijn (EU) 2016/1148 (PbEU 2022, L 333) (Cyberbeveiligingswet) (36764);
het wetsvoorstel Regels ter implementatie van Richtlijn (EU) 2022/2557 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 betreffende de weerbaarheid van kritieke entiteiten en tot intrekking van Richtlijn 2008/114/EG van de Raad (PbEU 2022, L 333) (Wet weerbaarheid kritieke entiteiten) (36765).
Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en
Veiligheid,
Eerdmans
De fungerend voorzitter van de vaste commissie voor Digitale
Zaken,
Kathmann
De griffier van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid,
Burger
Voorzitter: Kathmann
Griffier: Paauwe
Aanwezig zijn acht leden der Kamer, te weten: Van den Berg, El Boujdaini, Emiel van Dijk, Faber, Kathmann, Martens-America, Vermeer en Zwinkels,
en de heer Van Weel, minister van Justitie en Veiligheid.
Aanvang 10.01 uur.
De voorzitter:
We gaan van start, want we hebben een drukke ochtend waarop we twee
wetten bespreken: de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten en de
Cyberbeveiligingswet. De heer Van den Berg, die naast mij zit, heeft
superfancy boekjes, die hij nog uit gaat delen. Hij laat ze nu even
zien. Voor straks bij de tweede termijn wil ik nog even de volgende
bijsluiter geven. Omdat wij twee wetten in één keer bespreken, is het
handig voor de griffie als u bij het indienen van moties even goed
aangeeft bij welke wet de motie hoort.
Dat gezegd hebbende, beginnen we bij de heer Vermeer, want ik weet dat
hij zich helaas rot rent van debat naar debat in dit gebouw. Hij moet
helaas zo vertrekken, dus daarom geef ik als eerste graag het woord aan
de heer Vermeer van de fractie van BBB. Uiteraard ook van harte welkom
aan de minister.
De heer Vermeer (BBB):
Dank u wel, voorzitter. Heel hartelijk dank dat u mij toestaat aan de
voorkant te spreken, zodat ik hier straks weer op een nette manier kan
vertrekken.
Voorzitter. Eind april 2025 rond 14.00 uur 's middags werd het
plotseling stil in twintig Nederlandse stadhuizen en provinciehuizen.
Dat was niet omdat ambtenaren massaal aan de lunch zaten, maar omdat hun
digitale voordeur met brute kracht werd ingeramd. Websites van gemeenten
en provincies gingen plat door ddos-aanvallen van de pro-Russische
hackersgroep NoName. Dit lijkt misschien een technisch incident, maar
het is in werkelijkheid een politiek signaal, dat laat zien in welke
wereld deze Cyberbeveiligingswet landt. Dat is een wereld waarin
digitale ontwrichting geen uitzondering meer is, maar een dagelijks
instrument in wat we inmiddels "hybride oorlogsvoering" noemen. We
moeten daarover eerlijk zijn. Cyberaanvallen zijn niet langer alleen het
werk van criminelen die geld willen verdienen. Steeds vaker zijn het
geopolitieke instrumenten, gericht op onze democratische instituties,
onze economie en het vertrouwen van burgers in de overheid. Wanneer
lokale overheden, die het dichtst bij de burger staan, doelwit worden,
dan raakt dat ook direct het vertrouwen in onze publieke sector.
Voorzitter. Onze soevereiniteit in het digitale domein staat steeds
vaker onder druk. Die constatering is niet overdreven, zeker nu de
internationale verhoudingen veranderen en de geopolitieke rugdekking
waarop Europa lange tijd kon rekenen, minder vanzelfsprekend lijkt. Dat
betekent dat Nederland zijn eigen digitale weerbaarheid op orde moet
hebben. We moeten onze digitale ophaalbruggen kunnen optrekken wanneer
dat nodig is.
Voorzitter. In dat licht begrijpt BBB heel goed waarom deze
Cyberbeveiligingswet er ligt. Met deze wet implementeren we de Europese
cyberbeveiligingsregels uit de NIS2-richtlijn. Het doel is het verhogen
van de digitale weerbaarheid van vitale en belangrijke organisaties. Dat
onderschrijven we, maar tegelijkertijd zien we een patroon dat we vaker
zien bij de implementatie van Europese regelgeving: Nederland wil weer
het braafste jongetje van de klas zijn. Boven op de Europese
verplichtingen worden nationale koppen gezet. Regels worden zwaarder,
breder of ingewikkelder dan strikt noodzakelijk is. Dat roept vragen op,
zeker omdat het Adviescollege toetsing regeldruk bij deze wet een
kritisch en zelfs negatief advies heeft gegeven over de regeldruk. De
vraag aan de staatssecretaris is dan ook simpel, of in dit geval aan de
minister; sorry. Waarom kiest dit kabinet ervoor om dit ondanks dat
negatieve advies toch door te zetten, zonder eerst de uitvoerbaarheid
volledig inzichtelijk te maken?
Voorzitter. Vooral onze medeoverheden, provincies, gemeenten en
waterschappen, maken zich grote zorgen. Zij zijn immers niet alleen
uitvoerders van beleid; ze worden met deze wet zelf ook onder toezicht
geplaatst. Organisaties zoals het Interprovinciaal Overleg en de
Vereniging van Nederlandse Gemeenten waarschuwen al langere tijd dat de
impact van deze wet zowel financieel als organisatorisch aanzienlijk zal
zijn. Toch lezen wij in de stukken dat de kosten voor decentrale
overheden nog in kaart moeten worden gebracht conform de
Financiële-verhoudingswet. Dat baart mijn fractie zorgen. Daarom heb ik
een aantal concrete vragen aan de minister. Waarom is er geen volledige
Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden, een zogenaamde UDO, afgerond
en gedeeld met de Kamer? Wanneer kan de Kamer die toets verwachten? Kan
de minister toezeggen dat de wet pas volledig in werking treedt wanneer
duidelijk is dat provincies en gemeenten de uitvoering daadwerkelijk
aankunnen? Daarnaast speelt natuurlijk de financiële kant een rol, want
we kennen allemaal het principe dat wie beleid maakt, ook betaalt voor
de uitvoering, oftewel: knaken moeten taken volgen. Toch blijft het op
dit punt stil. Is de minister bereid expliciet te garanderen dat
provincies en gemeentes niet zelf voor de kosten van deze nieuwe
verplichtingen opdraaien? Komt er structurele financiering vanuit het
Rijk voor de extra cyberbeveiligingstaken die deze wet oplegt? Kan hij
inzicht geven in de orde van grootte van de kosten waar we hier over
spreken?
Voorzitter. Dan de waterschappen. Voor de BBB zijn onze waterschappen
een cruciale bestuurslaag. Zij zorgen er dagelijks voor dat Nederland
droog blijft, dat we schoon drinkwater hebben en dat onze landbouw kan
functioneren. In deze wet worden de waterschappen aangemerkt als
essentiële entiteiten. Dat begrijpen wij, want drinkwater en
waterveiligheid zijn vitale infrastructuur. Maar ook hier gaat het
kabinet verder dan de Europese richtlijn. Ook het keren en beheren van
waterkwantiteit wordt onder de wet gebracht, maar dat is niet verplicht
volgens de Europese regels. Met andere woorden, opnieuw zien we een
nationale kop. Daarom hebben wij de volgende vragen. Waarom kiest de
regering ervoor om verder te gaan dan de Europese richtlijn
voorschrijft? Welke concrete risicoanalyse rechtvaardigt deze
uitbreiding? Heeft het kabinet de signalen van de waterschappen serieus
genomen dat juist de uitvoeringslast van het Cyberbeveiligingsbesluit
voor hen groot kan worden? Met andere woorden, voegen we hier
daadwerkelijk veiligheid toe of vooral administratieve lasten?
Voorzitter. Een ander punt van zorg ligt in de voedselketen. Voor BBB is
die uiteraard een essentieel onderwerp. De Wet weerbaarheid kritieke
entiteiten, oftewel Wwke, is een mond vol iets wat in de kern heel
simpel zou moeten zijn: hoe beschermen we de zaken die ons land
draaiende houden? BBB vindt het dan ook een goede zaak dat de Wwke de
sector productie, verwerking en distributie van levensmiddelen eindelijk
bestempelt als kritiek en als een sector van maatschappelijk belang. Het
is de erkenning waar BBB al jaren voor pleit, want zonder boeren, zonder
voedselproductie, zonder transport staat Nederland stil. Een land dat
zijn eigen voedselketen niet op orde heeft, is chanteerbaar en
kwetsbaar. Die erkenning is terecht, maar erkenning alleen is niet
genoeg. Wat hier dreigt, is een fundamentele tegenstrijdigheid in
beleid. Wat hier gebeurt, is eigenlijk niet uit te leggen aan de mensen.
Aan de ene kant bestempelen we de landbouw en voedselketen als kritiek,
als onmisbaar voor onze nationale veiligheid en weerbaarheid, maar aan
de andere kant stapelen we regels, verplichtingen en beperkingen op:
stikstofbeleid, geluidsnormen, geurnormen, vergunningen die op slot
zitten. Hierdoor krijgt juist diezelfde sector het steeds moeilijker om
te blijven bestaan.
Voorzitter. Dat is geen consistent beleid, dat is beleid dat zichzelf
tegenspreekt, bijvoorbeeld bij Mercosur. Hier zie je dat we de productie
willen beschermen, maar we zetten wel de deur open voor producten tegen
veel lagere standaarden uit Zuid-Amerika. Wat doet dit kabinet? Het zegt
tegen onze boeren "jullie zijn cruciaal", maar tegelijkertijd maakt dit
kabinet het ze bijna onmogelijk om hun werk nog te doen. Dan dringt zich
de fundamentele vraag op of dit kabinet het nu echt meent als het zegt
dat de voedselketen kritiek is. Of is het alleen een mooi label, terwijl
het beleid in werkelijkheid gericht is op het steeds verder inperken en
uit het land jagen van diezelfde sector? Wat gaat het kabinet hieraan
doen? Graag een reflectie van de minister hierop. Geen verwijzing naar
ontijdigheid of andere ministers a.u.b. Immers, als iets echt van
levensbelang is voor je land, ga je het beschermen, versterken en
ondersteunen en niet uitknijpen met steeds nieuwe regels.
Voorzitter. BBB kiest duidelijk: wie cruciaal is voor Nederland, geef je
ruimte. Juist daar wringt het. Als we kijken naar de praktijk, zien we
iets anders gebeuren. De wet legt verantwoordelijkheden bij grote
bedrijven, maar die schuiven hun verplichtingen weer door naar hun
leveranciers. Wie zijn dat? Bijvoorbeeld bij voedselveiligheid en
voedselzekerheid zijn dat de boeren, tuinders, transporteurs, mkb'ers.
Dit zijn ondernemers die vaak niet eens onder deze wet vallen, maar wel
geconfronteerd worden met eisen rond cyberveiligheid, certificering en
rapportages. Het zijn eisen waarvoor zij niet de middelen, kennis of
schaal hebben.
Voorzitter. We hebben het al eerder genoemd in diverse debatten, ook
over rapportages rond duurzaamheid: er kan wel een uitzondering komen
voor bedrijven onder de 250 medewerkers, maar zoals de
ketenverantwoordelijkheid en ketensystemen werken, vallen mkb-bedrijven
daar ook automatisch onder, want zij moeten juist de informatie
aanleveren die grote bedrijven moeten … Uhm … Ik wou "factureren"
zeggen, maar ik moet zeggen "rapporteren". Factureren doen ze zelf wel;
daar maak ik mij geen zorgen over. Zo wordt weerbaarheid in de praktijk
een papieren werkelijkheid, die vooral druk legt op de schouders van de
kleinste schakels in de keten, en dat terwijl juist die schakels
essentieel zijn. Zonder boer geen voedsel, zonder mkb geen keten en
zonder keten geen zekerheid.
Voorzitter. Hoe voorkomt de minister dat grote ketenpartners hun
verantwoordelijkheden simpelweg afwentelen op kleine ondernemers? Komt
er duidelijkheid over wat wel en niet redelijk is om van leveranciers te
eisen? Wordt, zoals het ATR, het Adviescollege toetsing regeldruk,
adviseert, een volwaardige mkb-toets uitgevoerd, zodat de gevolgen voor
kleine ondernemers vooraf inzichtelijk zijn? Als we de voedselketen echt
als kritiek beschouwen, moeten we 'm ook beschermen, niet alleen tegen
cyberdreigingen, maar vooral tegen beleid dat 'm van binnenuit onder
druk zet.
Voorzitter. Dan het toezicht.
De voorzitter:
Voordat u naar het toezicht gaat, heeft u een interruptie van mevrouw
Zwinkels van het CDA.
Mevrouw Zwinkels (CDA):
Ik begrijp het punt van de heer Vermeer als het gaat om het papierwerk
dat druk kan leggen op het mkb, maar tegelijkertijd zie je in de
waardeketens die de heer Vermeer beschrijft juist ook dat die kleinere
bedrijven enorm kunnen meeliften op de cyberbeveiligingsmaatregelen van
de grotere bedrijven, en dat ze elkaar zo kunnen versterken en daarop
kunnen samenwerken. Deelt de heer Vermeer dat met mij en kunnen we het
op die manier ook als een heel grote kans zien?
De heer Vermeer (BBB):
Ik zie dat nog totaal niet voor me, dus als mevrouw Zwinkels een
voorbeeld zou willen noemen van hoe ze daarvan kunnen profiteren, dan
hoor ik dat graag. Maar het is hier volgens mij niet de bedoeling om
vragen terug te gaan stellen.
De voorzitter:
Nee, dat is niet de bedoeling. Maar het is wel aan mevrouw Zwinkels of
zij nog een interruptie wil plaatsen. Zij heeft zo ook haar inbreng.
Misschien komt zij er daarin op terug. Ik kijk even naar mevrouw
Zwinkels of ze nog een interruptie heeft. Ja.
Mevrouw Zwinkels (CDA):
Ja, het kan kort. Ik denk dat er voldoende bedrijven zijn — bij een paar
ben ik ook op bezoek geweest — waar dit aan de orde is, namelijk dat
echt grote bedrijven hun leveranciers juist betrekken bij het beleid op
cybersecurity. Ik hoop dat de heer Vermeer net als ik die kansen ziet.
Voor de rest ga ik er in mijn eigen inbreng verder op in.
De heer Vermeer (BBB):
Ik denk zeker dat grote bedrijven kleinere bedrijven betrekken bij het
beleid rond cybersecurity, maar dat betekent nog lang niet dat ze
daarmee praktisch geholpen worden of dat überhaupt de kosten daarvoor
gedeeld worden. Integendeel. Als er ook maar iets van een maatregel is
die kostprijsverhogend werkt, dan is het over het algemeen zo — dat
hebben we ook gezien bij de bakkers met de energieprijzen — dat men zegt
"ja, maar dat is jullie bedrijfsaansprakelijkheid en jullie
bedrijfsrisico; dat zijn jullie bedrijfskosten". Het klinkt dus mooier
dan het is. Ik hoop dat mevrouw Zwinkels dit met fantastische
voorbeelden gaat onderbouwen en dat wij dat ook in de praktijk gaan
zien. Maar ik heb er vanuit mijn eigen ervaringen zware bedenkingen over
hoe dat uiteindelijk uitpakt voor de kleinere bedrijven.
De voorzitter:
Meneer Vermeer, u kunt verder met uw betoog.
De heer Vermeer (BBB):
Voorzitter. Dan het toezicht. In verschillende sectoren zien we dat
meerdere toezichthouders erbij betrokken raken. Een voorbeeld is de
nucleaire sector, waar de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en
Stralingsbescherming al toezicht houdt, terwijl in dit wetsvoorstel ook
de minister van Infrastructuur en Waterstaat een rol krijgt. Het kabinet
zegt dat er samenwerkingsafspraken komen tussen de toezichthouders, maar
eerlijk gezegd is dat nogal vaag en klopt het, denk ik, ook niet met de
kaders en taken die zij toebedeeld gekregen hebben, omdat die duidelijk
zijn over wat zij allemaal zelf moeten doen. Organisaties willen
duidelijkheid. Zij willen weten waar ze aan toe zijn als er een incident
plaatsvindt. Daarom de volgende vragen. Hoe wordt voorkomen dat
organisaties met meerdere toezichthouders tegelijk te maken krijgen? Kan
de minister garanderen dat één incident niet leidt tot meerdere
onderzoeken en meerdere sancties? Is de minister bereid om, zoals het
IPO voorstelt, een wettelijk verbod op dubbele boetes op te nemen? Dat
zou een hoop onzekerheid wegnemen.
Voorzitter. Dan de evaluatie van deze wet. Volgens het wetsvoorstel
wordt de wet pas na vijf jaar geëvalueerd. Op veel beleidsterreinen is
dat een redelijke termijn, maar in de digitale wereld verandert alles
razendsnel. Technologie ontwikkelt zich sneller dan wetgeving kan
bijhouden. Daarom adviseert het ATR om al na één jaar een eerste
evaluatie uit te voeren. Waarom wordt dit advies niet overgenomen? Is de
minister bereid om in ieder geval een tussentijdse evaluatie na één of
twee jaar te organiseren, zodat we tijdig kunnen bijsturen? Deze wet
raakt naar schatting ruim 8.000 organisaties direct. Dan lijkt het BBB
verstandig om eerder te luisteren naar de ervaringen uit de
praktijk.
Voorzitter, ik rond af. De digitale luwte waarin Nederland lange tijd
heeft geopereerd, bestaat niet meer. Cyberaanvallen worden agressiever,
geopolitieke spanningen nemen toe en digitale infrastructuur is een
strategisch doelwit geworden. Juist daarom is het belangrijk dat we onze
digitale weerbaarheid versterken. Laten we er echter ook voor zorgen dat
we een ophaalbrug bouwen die daadwerkelijk beschermt, en niet een
constructie die zo zwaar is dat onze eigen medeoverheden en ondernemers
eronder bezwijken.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw bijdrage. U heeft een interruptie van de heer Van den
Berg van JA21.
De heer Van den Berg (JA21):
Dank aan de heer Vermeer voor zijn bijdrage. Ik hoor best wel wat
interessante punten terugkomen. Wij delen dezelfde zorgen op het gebied
van toezicht op elkaar door de ANVS, zoals benoemd, maar ook wat betreft
de evaluatietermijn en als laatste ook nog de dubbele boetes. Zou het in
deze fase niet veel beter zijn om dat zelf als Kamer te amenderen, zodat
we er zeker van zijn dat we zelf de regie kunnen pakken? Zoals u zegt,
verandert de wereld namelijk inderdaad snel.
De heer Vermeer (BBB):
Als Kamer worden wij geacht kaders te stellen en te controleren. Ik heb
liever dat de minister, vanuit de volle overtuiging dat dit goede ideeën
zijn, zelf nog met een nota van wijziging komt, dan dat wij dat allemaal
moeten gaan amenderen. Dat is niet omdat ik bang ben voor extra werk,
want volgens mij liggen er al een aantal voorstellen van verschillende
leden voor, maar omdat ik vind dat hier ook binnen de ministeries goed
over moet worden nagedacht en dat men dit ook moet internaliseren. Dat
werkt beter als men het zelf aanpast dan als wij een onderdeeltje eruit
gaan amenderen.
De heer Van den Berg (JA21):
Daar ben ik het eigenlijk ook helemaal mee eens. Ik heb zelf de stukken
doorgenomen en ik moet zeggen dat ik net als u wel verrast was dat die
evaluatietermijn op vijf jaar staat. Ik ben eigenlijk wel nieuwsgierig
hoe de heer Vermeer ernaar kijkt dat het ministerie tot zulke conclusies
is gekomen. Ik blijf dat bijzonder vinden.
De heer Vermeer (BBB):
Ik denk dat ministeries hun tijd liever niet aan evaluaties besteden,
zeker op korte termijn. Als zo'n wet doorgevoerd wordt, duurt het vaak
vrij lang voordat je daarvan de effecten zou kunnen zien. Dat is in
ieder geval het algemene idee. Als je nu al ziet wat voor reacties er
allemaal op de wet zijn, zou ik zeggen: ga hem eerst eens even
aanpassen. Daarnaast lijken evaluatietermijnen van twee of drie jaar
veel redelijker, met name omdat dingen op het gebied van digitale zaken
zo snel veranderen, zoals ik aangaf. Dan is een evaluatie op korte
termijn het beste, al is het maar om de Kamer daarmee de kans te geven
zich er even op te focussen en vervolgens ook met wijzigingsvoorstellen
te komen aan de hand van signalen uit sectoren of juridische procedures
et cetera.
De voorzitter:
Het woord is aan de heer Van den Berg van JA21.
De heer Van den Berg (JA21):
Dank, voorzitter, minister en alle aanwezigen, fysiek en digitaal. Het
is goed dat de Cyberbeveiligingswet en de Wet weerbaarheid kritieke
entiteiten vandaag op de agenda staan. Cyberbeveiliging en een weerbare
maatschappij zijn tenslotte zeer belangrijk. Vandaag behandelen wij de
implementatie van de Network and Information Security Directive 2, die
eigenlijk al in 2024 geïmplementeerd had moeten worden. Het is duidelijk
dat we deze termijn niet hebben gehaald. Hoewel deze wetten nauw met
elkaar verbonden zijn, richten zij zich op verschillende terreinen en
hebben zij een andere uitwerking. De Cyberbeveiligingswet richt zich
voornamelijk op de digitale veiligheid en de Wet weerbaarheid kritieke
entiteiten ziet op de fysieke weerbaarheid.
Als je beide wetten inhoudelijk bekijkt, wordt al snel duidelijk dat
grove verschillen zichtbaar zijn. De Cyberbeveiligingswet noemt
specifiek de CSIRT's, de Computer Security Incident Response Teams, voor
bijstand bij incidenten. In de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten
wordt daarentegen geen specifiek fysiek Incident Response Team benoemd,
maar ligt de nadruk op ondersteuning door de vakminister, terwijl de
minister van Justitie en Veiligheid als centraal contactpunt de
nationale en internationale coördinatie verzorgt. Ook wat betreft de
meldplicht lijkt de Cyberbeveiligingswet strikter. Om aan de meldplicht
te voldoen, wordt de melder geacht vier fasen te doorlopen, in
tegenstelling tot de meldplicht in de Wet weerbaarheid kritieke
entiteiten, die slechts bestaat uit twee fasen. Eveneens ontbreekt in de
Wet weerbaarheid kritieke entiteiten de bestuurlijke
trainingsverplichting in zijn geheel. Dit zijn pas enkele verschillen.
Of de wetten dan ook gezamenlijk besproken hadden moeten worden, gezien
de complexiteit, blijft de vraag.
Voorzitter. Nederland heeft belang bij heldere en goed werkende
wetgeving. Deze twee wetten, die nu en in de toekomst van groot belang
zullen zijn, moeten niet onderschat worden. Ondanks dat vele entiteiten
duidelijkheid willen en behoefte hebben aan een snelle implementatie
vinden wij dat implementatie pas verantwoord is zodra alle
onduidelijkheden zijn weggenomen, zodat entiteiten daadwerkelijk weten
waar zij aan toe zijn. Daarbij is het zo dat nog niet alle bedrijven
zijn benoemd als belangrijke, essentiële of kritieke entiteit. Hoewel de
entiteiten worden ondergebracht in een van de drie soorten entiteiten en
de desbetreffende sector daarbij leidend is, zijn sommige entiteiten nog
niet aangewezen. Als belangrijke of essentiële diensten zijn
bijvoorbeeld wel de drinkwatersector en de vervoersector aangewezen.
Deze sectoren worden beschermd tegen ontwrichting. Als kritieke
entiteiten zijn onder andere de gassector, elektriciteitssector en de
oliesector aangewezen. Deze sectoren moeten beschermd worden tegen
sabotage, natuurrampen en terroristische misdrijven. De wetten zijn al
een aan aantal reparaties onderworpen geweest, laten we de wetgeving dan
ook pas implementeren als deze echt gereed is.
Net zoals de minister de belangrijke zaken vaak in blokjes bespreekt,
zal ik ook vandaag in blokjes de punten afgaan.
Voorzitter. Het eerste blokje betreft de bestuurlijke boete. Dit is mijn
eerste punt. De minister geeft in de schriftelijke beantwoording aan dat
de hoogte van de maximale boetes voortvloeit uit de NIS2-richtlijn en
dat bij de toepassing daarvan het evenredigheidsbeginsel uit de Algemene
wet bestuursrecht leidend is. Maar juist op dat punt blijft voor mijn
fractie een belangrijke vraag liggen. Het gaat hier namelijk om zeer
substantiële bedragen; boetes kunnen oplopen tot wel 7 à 10 miljoen euro
of zelfs tot 2% van de omzet — dus niet van de winst, maar van de omzet.
Dat zijn bedragen die in absolute zin voor elke organisatie groot zijn,
maar die in relatieve zin heel verschillend kunnen uitpakken. Ondanks
het feit dat microbedrijven en kleine bedrijven buiten het
toepassingsbereik van de Cyberbeveiligingswet vallen, blijft er bij JA21
zorg bestaan voor de middelgrote ondernemingen. Voor de mensen thuis:
dit zijn dus entiteiten met 50-plus werknemers en bedrijven die
jaarlijks meer dan 10 miljoen euro aan omzet genereren. Om het concreet
te maken: een onderneming met een omzet van 100 miljoen euro wordt door
een boete van bijvoorbeeld 7 miljoen euro relatief zwaarder geraakt dan
een onderneming met een omzet van 500 miljoen euro. In dat laatste geval
is de financiële impact beperkter in verhouding tot de schaal van de
organisatie.
In tegenstelling tot de Cyberbeveiligingswet kan dit in de Wet
weerbaarheid kritieke entiteiten ook kleinere kritieke entiteiten
omvatten omdat het toepassingsbereik gebaseerd is op het belang van de
entiteit voor de fysieke infrastructuur, ongeacht de omvang van de
organisatie. Dat verschil in reikwijdte maakt het extra belangrijk om
helder te hebben hoe de boetes en de handhavingspraktijk proportioneel
en effectief worden toegepast.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik heb even een verhelderende vraag. De heer Van den Berg heeft het over
de verhoudingen tussen een groot en een klein bedrijf. Hij sprak over
500 miljoen omzet tegenover 100 miljoen omzet. Maar het gaat in feite
toch om de winst, om wat je overhoudt? Je kunt een bedrijf hebben met
500 miljoen dat maar 1 miljoen winst heeft en je kunt een bedrijf hebben
van 100 miljoen dat 50 miljoen winst heeft. Dus volgens mij gaat de
vergelijking enigszins mank.
De heer Van den Berg (JA21):
Ik snap dat punt van zorg, maar het gaat in deze wet alleen over een
boete die is gebaseerd op de omzet en niet op de winst. Daar wordt dus
inderdaad geen rekening mee gehouden. Om het te illustreren het
volgende. Stel dat je een bedrijf hebt met een omzet van 100 miljoen
euro. Dan val je dus onder die maximale tranche van 10 miljoen euro aan
boete. Dat is dus 10%. Maar voor een bedrijf dat 500 miljoen euro groter
is, valt onder de boete van 2%. Kortom, hoe groter je bent, hoe lager de
relatieve zwaarte van de boete. Dat vinden wij een bezwaar.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik vind toch dat u het winstaspect hierin niet meeneemt. Dat zou u juist
wel mee moeten nemen, want hoeveel je overhoudt, heeft ook te maken met
winst. Dat bepaalt hoe zwaar de boete is. Ik geef toe dat als de omzet
hoger is, de boete lager kan zijn. Maar je moet het ook zien in relatie
tot de winst.
De heer Van den Berg (JA21):
Zoals ik al zei, ben ik het daarmee eens. Ik heb daartoe een amendement
in voorbereiding dat zegt dat je dat proportionele aspect moet afwegen
bij het bedrijf: hoe staat het bedrijf ervoor en heeft het al eerder
overtredingen begaan? Dan is het duidelijk wat het kader is. Ik denk dat
winst daar wellicht een onderdeel van zou kunnen zijn, maar feit is hier
wel dat bij een kleiner bedrijf de relatieve zwaarte van de boete in het
meest ongunstige geval toch hoger kan uitvallen. Dat vinden wij
eigenlijk een heel slecht signaal aan de markt. Daar moet je gewoon
gelijk in zijn, of het nou gaat om een groot of klein bedrijf.
De voorzitter:
Meneer Van den Berg, u kunt verder met uw betoog.
De heer Van den Berg (JA21):
In omliggende landen — denk aan Frankrijk, Estland, Duitsland en België
— waar het wetsvoorstel reeds is geïmplementeerd of zich nog in de
implementatiefase bevindt, valt op dat dezelfde maxima worden
gehanteerd, maar dat de praktische toepassing veel meer maatwerk kent
dan vandaag bij ons voorligt. Dat werd al even genoemd. Boetes worden
aangepast aan de omvang en financiële draagkracht van de organisatie, er
wordt gewerkt met omzetgerelateerde berekeningen of gefaseerde
handhaving, en toezichthouders geven vaak eerst waarschuwingen of
richten zich op het afdwingen van compliance voordat hoge boetes worden
opgelegd, zodat kleine entiteiten niet disproportioneel zwaar worden
getroffen. De minister geeft aan dat ook in Nederland in de praktijk
vaak eerst met waarschuwingen wordt gewerkt. Dat is op zichzelf
positief, maar het verschil lijkt te zijn dat het in andere landen meer
structureel en expliciet is ingericht, terwijl het hier vooral als
praktijk wordt beschreven.
Ik wil de minister daarom ook het volgende vragen. Hoe kijkt hij naar
deze methode die andere landen hanteren? Ziet hij mogelijkheden om in
Nederland een vergelijkbare praktijk te volgen om zowel middelgrote als
kleinere entiteiten te beschermen? Mijn volgende vraag aan de minister
is: hoe wordt in de praktijk voorkomen dat dit boetesysteem juist leidt
tot een ongelijke uitwerking tussen kleine en grote entiteiten? De
verwijzing naar het evenredigheidsbeginsel is op zichzelf belangrijk,
maar dat blijft ook vrij abstract. Kan de minister daarom concreet
toelichten op welke wijze bij het bepalen van de hoogte van een boete
rekening wordt gehouden met de omvang en de draagkracht van een
onderneming? Wordt daarbij bijvoorbeeld gekeken naar de omzet of andere
financiële indicatoren zoals winst? Als dat niet structureel gebeurt,
hoe voorkomt de minister dan dat kleine organisaties in de praktijk
relatief zwaarder worden getroffen dan grotere spelers, terwijl het doel
van deze wet juist is om de weerbaarheid in de gehele breedte te
versterken? Graag een nadere, concrete toelichting op dit punt.
Voorzitter. Als tweede punt wil ik namens de fractie van JA21 graag
ingaan op mogelijke groepsregistratie bij de meldplicht voor
multinationals. Het gaat hierbij om grote organisaties die uit meerdere
entiteiten bestaan, zoals moeder- en dochterondernemingen, waarbij de
vraag is hoe de meld- en registratieplicht van de Cyberbeveiligingswet
in de praktijk voor hen wordt vormgegeven. In een nota van toelichting
op het Cyberbeveiligingsbesluit staat dat er wordt gewerkt aan een
functionaliteit in het meld- en registratieportaal waarmee groepen van
entiteiten meerdere entiteiten binnen een groep kunnen bundelen voor
registraties en meldingen. Dat is een belangrijke stap. Kan de minister
toelichten wanneer deze functionaliteit beschikbaar is en hoe precies
wordt omgegaan met moeder- en dochterondernemingen? Hoe wordt voorkomen
dat een entiteit die in meerdere sectoren actief is, dubbel of
tegenstrijdig wordt geregistreerd of gemeld?
Voorzitter. Mijn derde punt: de samenloop tussen de Cyberbeveiligingswet
en de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten. Het uitgangspunt is dat
alleen binnen de digitale sector de Cyberbeveiligingswet als lex
specialis voorgaat. In andere gevallen kunnen entiteiten dus gewoon
onder beide wetten vallen. Dat betekent dat niet alleen in de
energiesector, maar ook in sectoren als vervoer, drinkwater,
gezondheidszorg en de productie, verwerking en distributie van de
levensmiddelensector, organisaties met beide wetten te maken kunnen
krijgen. Het kabinet geeft aan dat het doel is om administratieve lasten
te beperken, onder andere door afstemming en informatie-uitwisseling
tussen de bevoegde autoriteiten. Dat is het belangrijkste uitgangspunt.
Maar daarbij wordt vooral gekeken naar de meld- en registratieplicht. Zo
wordt duidelijk dat er één centraal meldpunt zal komen en de
risicobeoordeling samengenomen mag worden. Wat echter onderbelicht
blijft, is het risico op dubbel toezicht.
Dit beeld wordt bevestigd door de Autoriteit Persoonsgegevens, die
aangeeft dat het huidige stelsel leidt tot inefficiënt toezicht. Waar
sectorale toezichthouders slechts zicht hebben op hun eigen domein,
beschikt de Autoriteit Persoonsgegevens over een breder,
sectoroverstijgend beeld. Juist dat totaaloverzicht ontbreekt nu in de
samenwerking, terwijl cyberbedreigingen zich niet beperken tot één
sector. Daarnaast waarschuwt de Autoriteit Persoonsgegevens dat zonder
goede afstemming, organisaties bij incidenten met meerdere
toezichthouders te maken kunnen krijgen die vergelijkbare informatie
opvragen, wat in crisissituaties dan weer zeer onwenselijk is.
De minister benadrukt dat het uitsluiten van volledige overlap niet
mogelijk is. Wel hebben toezichthouders op grond van artikel 55
Cyberbeveiligingswet en artikel 25 Wet weerbaarheid kritieke entiteiten
de verplichting om zo veel mogelijk samen te werken bij toezicht op de
entiteiten. De heer Vermeer noemde dit net al. Tegelijkertijd blijft het
formeel zo dat het toezicht vanuit beide wetten naast elkaar blijft
bestaan, met eigen bevoegdheden en verantwoordelijkheden. Samenwerking
en informatie-uitwisseling zijn natuurlijk belangrijk, maar bieden op
zichzelf nog geen garantie dat dubbel toezicht in de praktijk wordt
voorkomen.
Mijn vragen. Hoe wordt voorkomen dat een en dezelfde entiteit te maken
krijgt met parallel toezicht door meerdere toezichthouders, ieder vanuit
een eigen wettelijk kader? Betekent dit in de praktijk dat bedrijven
alsnog met verschillende inspecties, beoordelingen en handhavingslijnen
te maken kunnen krijgen? Kan de minister concreet toelichten hoe dit
wordt gecoördineerd? Is er sprake van één leidende toezichthouder of
blijft het bij samenwerking tussen meerdere autoriteiten? Hoe wordt
geborgd dat dit voor bedrijven daadwerkelijk leidt tot minder lasten in
plaats van een stapeling van toezicht? Kan de minister bovendien
reflecteren op een alternatief waarbij de coördinatie sterker wordt
geborgd, bijvoorbeeld door te werken met één leidende toezichthouder per
entiteit, een soort van one audit-principe, of een meer geïntegreerde
handhavingsaanpak?
Voorzitter. Ik zou graag willen ingaan op mijn vierde punt. Artikel 18
van het Cyberbeveiligingsbesluit gaat over een specifieke en vergaande
bevoegdheid van de overheid in het kader van nationale veiligheid. Op
grond van dit artikel kan een vakminister, in overeenstemming met de
minister van Justitie en Veiligheid, een entiteit verplichten om
producten of diensten van bepaalde leveranciers te weren uit kritieke
onderdelen van hun netwerk en informatiesystemen. Deze bevoegdheid kan
worden ingezet wanneer er risico's zijn voor de nationale veiligheid,
bijvoorbeeld als een leverancier mogelijk onder invloed staat van een
staat die offensieve cyberactiviteit tegen Nederland ontplooit. Het gaat
dus om situaties waarin de betrouwbaarheid van leveranciers direct raakt
aan de veiligheid van vitale infrastructuur. Het is wel wonderlijk dat
de artikelen van het Cyberbeveiligingsbesluit niet onder de relevante
documenten zijn geschaard, maar dat dit document enige tijd geleden wel
is verstuurd naar de Kamer en dat het Cyberbeveiligingsbesluit bovendien
wel door de Raad van State wordt aangehaald.
Voorzitter. De minister heeft eerder duidelijk gemaakt dat artikel 18
van het Cyberbeveiligingsbesluit wordt gezien als een nadere uitwerking
van de zorgplicht uit artikel 21 uit de Cyberbeveiligingswet, en dat het
daarom op het niveau van een algemene maatregel van bestuur is geregeld.
Tegelijkertijd roept dit bij de fractie van JA21 wel een fundamentele
vraag op. De bevoegdheid om specifieke leveranciers te weren uit
kritieke onderdelen van systemen is namelijk geen technische uitwerking,
maar een zeer ingrijpende maatregel met grote gevolgen voor bedrijven.
Kan de minister aangeven of dat besluit wel relevant is en of wij hier
wel of niet over stemmen? En, zo ja, wanneer zullen wij hierover
stemmen? Kan de minister toelichten waarom ervoor is gekozen om deze
bevoegdheid niet op wetsniveau zelf te regelen, maar in lagere
regelgeving?
Daarnaast blijft het punt van de totstandkoming knellen. Deze bepaling
is pas in een laat stadium toegevoegd en heeft geen onderdeel uitgemaakt
van de formele internetconsultatie. De minister geeft aan dat er wel
gesprekken zijn gevoerd met koepelorganisaties, maar kan hij toelichten
hoe breed en transparant deze consultatie is geweest en of alle
relevante partijen daar bij betrokken zijn? Wat is de achterliggende
reden van het feit dat deze bepaling later is toegevoegd?
Tot slot op dit punt — niet getreurd, we zijn net over de helft — hoor
ik graag hoe de minister de rechtszekerheid voor bedrijven waarborgt. Op
basis van welke concrete criteria wordt bepaald dat een leverancier een
risico vormt en hoe voorspelbaar is dit voor bedrijven die afhankelijk
zijn van dergelijke leveranciers en, niet te vergeten,
onderaannemers?
Punt vijf, voorzitter. Naast de inhoudelijke bepalingen over boetes en
zorgplicht wil ik namens JA21 ook ingaan op de evaluatie van de
Cyberbeveiligingswet. Artikel 94 van het Cyberbeveiligingsbesluit legt
nu vast dat de eerste formele evaluatie uiterlijk vijf jaar na
inwerkingtreding plaatsvindt en daarna elke drie jaar. In de Wet
weerbaarheid kritieke entiteiten is in artikel 41 een evaluatietermijn
van vier jaar opgenomen, maar verder wordt er geen terugkerende
evaluatietermijn genoemd.
Mijn fractie overweegt het artikel te amenderen op korte termijn, zodat
er wel een terugkerende evaluatietermijn aanwezig is. De fractie van
JA21 maakt zich zorgen over deze termijn, omdat digitale dreigingen en
kwetsbaarheden in vitale sectoren snel kunnen veranderen. In een
dreigingslandschap dat voortdurend evolueert kan een evaluatie van vijf
of vier jaar betekenen dat cruciale knelpunten in de praktijk te lang
onopgemerkt blijven. Dit geldt bijvoorbeeld voor de meldplicht, de
zorgplicht en de toepassing van bestuurlijke boetes. Een termijn van
maximaal twee jaar zorgt ervoor dat de wet tijdig kan worden
bijgestuurd, wanneer blijkt dat onderdelen niet effectief zijn of niet
praktisch uitvoerbaar zijn zonder dat er grote risico's voor entiteiten
of de continuïteit van vitale processen ontstaan. Bovendien sluit een
kortere evaluatietermijn beter aan bij het doel van de wet, namelijk het
beschermen van vitale infrastructuur en het waarborgen van digitale
veiligheid, terwijl bedrijven snel duidelijkheid krijgen over wat er van
hen verwacht wordt.
De fractie van JA21 vindt een termijn van vier of vijf jaar voor de
eerste evaluatie veel, maar dan ook veel te lang. Heel eerlijk: toen ik
de wet voor het eerst las, kon ik niet geloven dat we voor zo'n lange
termijn hebben gekozen. De wereld verandert snel, zeker op het gebied
van digitalisering. We begrijpen de wens om aan te sluiten bij de
evaluatiecyclus van de Europese Commissie, maar de risico's voor
Nederlandse entiteiten, vooral in vitale sectoren, kunnen sneller
veranderen dan de EU-cyclus aangeeft. Hoewel de minister aangeeft dat
essentiële onderdelen via lagere regelgeving kunnen worden aangepast,
geldt dat niet voor de kern van de wet, zoals de definitie van
"essentiële entiteiten" of de zorg- en de meldplicht.
Het Adviescollege toetsing regeldruk heeft bovendien geadviseerd één
jaar na de inwerkingtreding van zowel de Cyberbeveiligingswet als de Wet
weerbaarheid kritieke entiteiten een invoeringstoets uit te voeren. Ook
heeft het ATR aangegeven dat het kostenplaatje te rooskleurig en
onvolledig is. Belangrijke kostenposten, zoals verplichte audits en
inspecties, zijn nog niet volledig meegenomen. Daarom wijst het ATR op
de eenmalige kennisnamekosten voor bedrijven, die oplopen tot circa 7,8
miljoen voor de ruim 8.000 betrokken organisaties.
Mevrouw Zwinkels (CDA):
Ik vind het punt van een kortere evaluatietermijn wel interessant.
Tegelijkertijd denk ik ook wel dat het praktisch ondoenlijk is om elk
jaar of elke twee jaar een hele uitgebreide evaluatie te doen en dan ook
nog een keertje de wet te wijzigen. Als we bijna om het jaar de wet
aanpassen en bedrijven weer moeten nadenken over waar ze nu weer aan
moeten voldoen, dan zou dat namelijk ook heel veel regeldruk met zich
meebrengen. Ik ben toch wel benieuwd of de heer Van den Berg het met mij
eens is dat we in de wet een goede basis moeten neerzetten en we er
tegelijkertijd in de praktijk voor moeten zorgen dat we met elkaar alle
ontwikkelingen bijhouden — dat deel ik van harte met hem — zodat we
bedrijven daarop kunnen bijsturen of van informatie kunnen voorzien om
daarop te reageren. Deelt hij dat met mij? Deelt hij, tot slot, ook met
mij dat we de evaluatietermijnen van beide wetten misschien met elkaar
gelijk moeten gaan trekken?
De heer Van den Berg (JA21):
Allereerst dank voor de kans om een slok water te nemen. Ik ben het wel
met mevrouw Zwinkels eens dat je dat niet te frequent moet doen, maar
feit is wel dat het Adviescollege toetsing regeldruk niet voor niets
heeft geadviseerd eerst met zo'n invoeringstoets te beginnen. Dat is
eigenlijk de eerste check, zo van: is dit nou goed gegaan en pakt de wet
uit zoals we beoogd hebben? Daarna kan er natuurlijk een
evaluatietermijn komen die terugkerend en langer is. Maar specifiek voor
de Cyberbeveiligingswet: vijf jaar? Vijf jaar geleden hadden we nog niet
eens ChatGPT en vijf jaar vanaf nu is er wellicht al kwantumtechnologie.
In dat perspectief denk ik dat vijf jaar veel te lang is. In die zin zou
een evaluatietermijn van twee jaar een eerste stap zijn. Als blijkt dat
dat te frequent is, kunnen we dat altijd nog bij zo'n evaluatietermijn
weer verlengen.
Ik ben het helemaal eens met het laatste punt van mevrouw Zwinkels over
het synchroniseren van die termijnen. Juist omdat we het hier vandaag
samen behandelen en die wetten ook zo veel samenhang hebben — denk
bijvoorbeeld aan die meld- en zorgplicht en aan het feit dat als je
kritiek bent voor de ene wet, je essentieel bent voor de andere — denk
ik: er zit zo veel overlap in, dus synchroniseer dat inderdaad. Daar heb
ik ook een amendement voor. Ik denk dat dit uiteindelijk ook goed zou
zijn voor het wetgevingsproces hier omdat het sneller gaat en omdat het
doel van de wet, namelijk weerbaarheid in de maatschappij, verder wordt
ondersteund.
De voorzitter:
Meneer Van den Berg, u kunt verder met uw betoog.
De heer Van den Berg (JA21):
Nogmaals dank. Voor de overheid gaat het om een structureel bedrag dat
oploopt tot circa 82,8 miljoen euro per jaar vanaf 2028, verdeeld over
meerdere ministeries, voor onder andere toezicht, het centrale
contactpunt en de versterking van de CSIRT's. Voor het bedrijfsleven
wordt de structurele last van meldplicht geraamd op ongeveer €400.000
tot €450.000 per jaar — dat is gebaseerd op zo'n 1.000 meldingen — en
een kostprijs van circa €432 per melding. Dat roept de vraag op of we
hier wel een volledig beeld hebben van de werkelijke regeldruk. In het
verlengde hiervan merken ook decentrale overheden, zoals de
waterschappen, op dat een grondige impactanalyse voorafgaand aan de
inwerkingtreding ontbreekt. Juist bij wetgeving die zo veel
verantwoordelijkheid bij decentrale partijen legt, is het essentieel om
vooraf inzicht te hebben in uitvoerbaarheid, kosten en capaciteit. Het
risico bestaat nu dat deze toets pas achteraf plaatsvindt, terwijl
bijsturen dan complexer en bovendien ook kostbaarder is.
Hoe rechtvaardigt de minister het feit dat decentrale partijen
verantwoordelijk worden gemaakt voor de uitvoering van deze wet, terwijl
er vooraf geen volledig inzicht bestaat in de praktische en financiële
gevolgen? Kan de minister verder toelichten of hij bereid is om de
initiële evaluatieperiode te verkorten, bijvoorbeeld tot maximaal twee
jaar, zodat Nederland sneller kan bijsturen als blijkt dat onderdelen
van de wet in de praktijk niet goed werken? Hoe verhoudt zich dit tot de
invoeringstoets die het ATR adviseerde? Kan de minister bovendien
toelichten of hij bereid is om, mede in het licht van de
invoeringstoets, expliciet te bezien hoe deze kosten, zowel voor de
overheid als voor het bedrijfsleven, verder kunnen worden beperkt? En
kan hij toezeggen dat er bij de invoeringstoets niet alleen wordt
gekeken naar de werking van de wet, maar ook concreet naar de
daadwerkelijke regeldruk in de praktijk, zodat waar nodig tijdig kan
worden bijgestuurd? Kan de minister tot slot aangeven waarom er geen
terugkerende evaluatietoets aanwezig is bij de Wet weerbaarheid kritieke
entiteiten?
Voorzitter. Dan punt zes. Verder wil ik ingaan op de problematiek rondom
de invulling van de zorgplicht. De invulling van de zorgplicht blijft
ruim en vaag, waardoor het voor entiteiten lastig blijft om te bepalen
of zij de zorgplicht op de juiste wijze hebben benaderd. Bedrijven
moeten zelf inschatten wat proportioneel en effectief is voor hun
specifieke risico's, waardoor praktische onzekerheid blijft bestaan.
Zodra de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten in werking treedt, hebben
entiteiten immers tien maanden de tijd om die risicoanalyses uit te
voeren. Partijen als FMO, VNO-NCW en de Unie van Waterschappen vroegen
al om meer duidelijkheid bij het erkennen van bestaande normenkaders.
Eveneens uitte de laatste instantie zorgen over het feit dat het zonder
risicobeoordeling vanuit het ministerie onmogelijk is om een eigen
risicoanalyse uit te voeren op grond van de Wet weerbaarheid kritieke
entiteiten.
De minister heeft eerder aangegeven dat het voor bedrijven inderdaad
lastig blijft om te bepalen welke maatregelen passend en evenredig zijn.
Wel zegt de minister dat er verschillende maatregelen kunnen worden
genomen met betrekking tot het uitvoeren van de desbetreffende
zorgplicht. Zo zegt de minister dat de desbetreffende vakminister
bijvoorbeeld ondersteuning kan bieden en dat er handreikingen opgesteld
kunnen worden. Ook wordt momenteel een richtsnoer ontwikkeld door de
Europese Commissie. Eveneens zal de toezichthouder per sector bepalen of
de entiteit aan de zorgplicht heeft voldaan. Tot slot kunnen nadere
regels eventueel via ministeriële regelingen worden vastgesteld. Men kan
zich afvragen of dit niet thuishoort in formele wetten. De minister
benadrukt dat de open norm leidend blijft. Voor entiteiten blijven
daarmee echter wezenlijke vragen onbeantwoord. Welke concrete eisen
gelden ten aanzien van bijvoorbeeld firewalls? Welk niveau van
monitoring wordt verwacht? En hoe verhouden nieuwe technologieën zoals
quantumencryptie zich tot deze open zorgplicht?
Voorzitter. Wat JA21 ook opvalt in de beantwoording, is dat er vaak
wordt gesproken in termen als "kan", "kunnen" en "zal worden
ontwikkeld". Dat wijst erop dat veel van de nadere invulling van de
zorgplicht nog niet vastligt, maar invulling is van toekomstige
uitwerkingen of beleidskeuzes, en dat de beoordeling daarvan kan
verschillen per sector of toezichthouder. Het feit dat er momenteel nog
geen concrete en eenduidige maatstaf bestaat, roept zorgen op bij mijn
fractie. Kan de minister toelichten hoe wordt geborgd dat entiteiten op
dit moment al voldoende duidelijkheid hebben over wat er concreet van
hen wordt verwacht? Hoe wordt voorkomen dat hierdoor rechtsongelijkheid
ontstaat tussen sectoren en dat bedrijven geconfronteerd worden met
verschillende interpretaties van dezelfde zorgplicht? Kan de minister
uitleggen hoe deze open norm zich verhoudt tot de mogelijkheid van hoge
bestuurlijke boetes als voor bedrijven niet vooraf duidelijk is wanneer
zij precies aan de norm voldoen? Kan de minister eveneens toelichten
wanneer deze verschillende handvatten en duidelijke richtlijnen
daadwerkelijk worden geboden in het kader van de Cyberbeveiligingswet en
de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten?
Voorzitter. Dan de Cariben — een zonnige invalshoek. Mijn fractie wil
ook graag stilstaan bij de positie van Caribisch Nederland. In het
coalitieakkoord is juist benadrukt dat deze delen van Nederland beter
betrokken moeten worden bij nationale wetgeving, zeker waar het gaat om
veiligheid en weerbaarheid. Ook zou deze wet expliciet geldig zijn in
het gehele Koninkrijk. Tegelijkertijd stelt de minister dat de
Cyberbeveiligingswet en de implementatie van de NIS2-richtlijn op dit
moment niet uitvoerbaar zijn voor Caribisch Nederland.
Dat roept bij mijn fractie enkele vragen op. Betekent dit dat vitale
entiteiten in Caribisch Nederland voorlopig minder beschermd zijn tegen
digitale dreigingen dan Europees Nederland? Daarnaast hoor ik graag van
de minister wat er precies wordt bedoeld met "niet uitvoerbaar". Gaat
het om capaciteit, om middelen of om wetgevingstechnische belemmeringen?
Kan de minister een concreet tijdspad schetsen voor wanneer en op welke
wijze Caribisch Nederland alsnog onder deze wetgeving zal vallen, zodat
ook daar de digitale weerbaarheid op orde komt? Kan de minister verder
toelichten of de mogelijkheid aanwezig is dat de implementatie van de
wetten in Caribisch Nederland bijvoorbeeld kan plaatsvinden gezamenlijk
met de eerste evaluatietermijn?
Voorzitter, nu echt tot slot. De Algemene verordening
gegevensbescherming, de AVG, is ook van belang voor de verwerking van
persoonsgegevens onder de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten en de
Cyberbeveiligingswet. Het verwerken van persoonsgegevens is een
inmenging in het recht op de persoonlijke levenssfeer, vastgelegd in
artikel 8 van het EVRM — ik had niet verwacht dat ik daar ooit aan zou
refereren! Deze inmenging wordt gerechtvaardigd omdat deze bij wet is
voorzien en noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid,
de openbare veiligheid en het economisch welzijn. Zonder deze gegevens
kunnen instanties zoals het CSIRT immers geen bijstand verlenen of
waarschuwingen sturen naar de juiste personen binnen een
organisatie.
De bewaartermijn van 60 maanden tot 10 jaar voor bijzondere
persoonsgegevens onder de Cyberbeveiligingswet wordt echter als erg lang
ervaren. Zo merkte de Autoriteit Persoonsgegevens op dat de
bewaartermijn van 60 maanden steeds opnieuw zou gaan lopen bij elke
wijziging in het register. Omdat bedrijven hun gegevens actueel moeten
houden, zouden deze persoonsgegevens in de praktijk nooit worden
verwijderd. De minister heeft naar aanleiding van dit advies de tekst
aangepast. In plaats van na de laatste wijziging begint de termijn nu te
lopen vanaf de laatste bevestiging van juistheid.
De minister stelt dat het niet wenselijk is om gegevens te verwijderen
die nog steeds relevant zijn voor wettelijke taken, maar benadrukt dat
gegevens nooit langer mogen worden bewaard dan strikt noodzakelijk. Voor
de zeer bijzondere persoonsgegevens is de bewaartermijn voor het CSIRT
aanzienlijk verkort, van 60 maanden naar 12 maanden. Voor
toezichthouders wordt echter uitgegaan van een bewaartermijn van 60
maanden, in verband met de noodzaak van dossieropbouw, langdurige
juridische procedures en de uitvoerbaarheid van toezicht. Voor reguliere
persoonsgegevens geldt zowel bij de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten
als de Cyberbeveiligingswet een bewaartermijn van maximaal 120 maanden
voor toezichthouders. Voor overige wettelijke taken geldt een maximale
bewaartermijn van 60 maanden.
Voorzitter. Een maximale termijn van tien jaar lijkt disproportioneel
lang. De minister benadrukt dat een dergelijke termijn noodzakelijk is
voor onder andere de opbouw van het dossier en eventuele
bestuursrechtelijke procedures. Tegelijkertijd gaat het hier om een zeer
lange bewaartermijn voor reguliere persoonsgegevens. Dit onderwerp is
eveneens door verschillende partijen en instanties nadrukkelijk ter
discussie gesteld, en terecht. Zo hebben de G4-gemeenten hun zorgen
geuit over de termijn van 60 maanden voor loggegevens, onder meer
vanwege de kosten en de uitvoerbaarheid. Mijn fractie vraagt zich af hoe
deze termijn zich verhoudt tot het proportionaliteitsbeginsel onder de
AVG en artikel 8 van het EVRM. Kan de minister nader onderbouwen waarom
een kortere bewaartermijn niet volstaat? Denk bijvoorbeeld aan twaalf
maanden, zoals bij andere taken binnen dezelfde wet.
Daarnaast hoor ik graag hoe wordt geborgd dat de maximale termijn in de
praktijk niet standaard wordt, maar dat daadwerkelijk per dossier wordt
beoordeeld of eerder verwijderen mogelijk is. Kan de minister bovendien
toelichten hoe de termijn van 60 maanden zich precies verhoudt tot het
noodzakelijkheidscriterium in de praktijk? In hoeverre wordt per dossier
daadwerkelijk beoordeeld of een kortere bewaartermijn mogelijk is? Of
fungeert deze termijn in de praktijk als de standaard?
Daarnaast blijft voor mijn fractie de vraag bestaan waarom het verschil
met het CSIRT zo groot is. Als het CSIRT kan volstaan met 12 maanden
voor bijzondere persoonsgegevens, kan de minister dan nader onderbouwen
waarom voor toezichthoudende taken een termijn van 60 maanden
noodzakelijk is? Zijn er mogelijkheden om hier tot verdere verkorting of
differentiatie te komen?
Voorzitter, dat was het dan. Dank u wel.
De voorzitter:
Van harte dank voor uw bijdrage, meneer Van den Berg. Het woord is aan
mevrouw Faber van de PVV.
Mevrouw Faber (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Ik zal het alleen over de Wet weerbaarheid
kritieke entiteiten hebben. Het andere gedeelte doet mijn collega,
meneer Van Dijk.
Voorzitter. Om onze democratische rechtsstaat overeind te houden, is het
van belang dat wij vitale processen die gevoelig kunnen zijn voor onder
andere terroristische aanslagen, beschermen. Stelt u zich eens voor dat
de stroom langdurig uitvalt; dat heeft niet alleen consequenties voor
het huiselijk comfort, maar ook de criminaliteit zal sterk toenemen. Het
voorliggende wetsvoorstel ter implementatie van de CER-richtlijn heeft
als doel om essentiële diensten, ook wel "kritieke entiteiten" genoemd,
veilig te stellen. U kunt hierbij denken aan de eerste levensbehoefte,
namelijk water. Het is van levensbelang dat de drinkwaterbedrijven
blijven functioneren. Door dit wetsvoorstel krijgen zij en alle andere
bedrijven met essentiële diensten verplichtingen, zoals het maken van
een risicobeoordeling om alle relevante door de natuur en de mens
veroorzaakte risico's in kaart te brengen. Daarnaast hebben ze een
zorgplicht om de weerbaarheid te vergroten en een meldplicht bij een
eventueel incident. Nederland kent op dit moment al een vergelijkbare
methode door het staande beleid van de Aanpak vitaal. Dat beleid heeft
veel raakvlakken met de CER-richtlijn en wordt door vitale aanbieders al
beleidsmatig nagestreefd. Er is al veel samenwerking tussen
departementen en door hen aangewezen vitale aanbieders om de
weerbaarheid te versterken.
Voorzitter. Dikwijls klopt het allemaal wel op papier, maar kan de
praktijk weerbarstiger zijn. Het is positief dat het wetsvoorstel
voorziet in een zorgplicht die ook fysieke bescherming van gebouwen en
infrastructuur behelst, onder andere door middel van omheiningen,
detectieapparatuur en toegangscontroles. De Franse opwerkingsfabriek La
Hague wordt bewaakt door speciaal getrainde beveiligingsteams van de
Franse overheid, zelfs afweergeschut ontbreekt niet. Hoever gaan de
maatregelen die voortkomen uit dit wetsvoorstel voor bijvoorbeeld een
Nederlandse kerncentrale? Wordt deze ook beschermd door bijvoorbeeld
Defensie?
Het toezicht op de entiteiten ligt bij de vakministers. Zij zijn al de
bevoegde autoriteit in hun sectoren. De minister van Justitie en
Veiligheid heeft daarbovenop een coördinerende taak. De NCTV
functioneert als centraal contactpunt. De minister kan een nationale kop
plaatsen door meer sectoren aan te wijzen dan verplicht is vanuit de
richtlijn. Hiermee drukt hij bedrijven in een ongelijk speelveld. Dat is
ongewenst voor ons bedrijfsleven, dat toch al gebukt gaat onder
verstikkende regelgeving en bijkomende kosten. De minister zou in het
kader van de nationale veiligheid over deze bevoegdheid willen
beschikken. Kan de minister dit nader duiden? De PVV houdt niet zo van
nationale koppen. 80% van de vitale processen is in handen van private
partijen die onder toezicht staan van de vakministers, onafhankelijk. De
resterende 20% betreft vitale processen binnen de overheid. Die staan
onder toezicht van de minister van Binnenlandse Zaken. Onafhankelijk, of
toch niet? De overheid controleert in dezen de overheid. Het is een
dingetje zoals: de slager keurt zijn eigen vlees. Hoe gaat de minister
dit oplossen?
Er is nog zo'n gevalletje van toezicht, namelijk het zelfstandig
bestuursorgaan, afgekort zbo. Een zbo voert zelfstandig taken uit zonder
directe aansturing van een minister en neemt dan ook onafhankelijk
beslissingen. Ik noem een voorbeeld. In de Kernenergiewet zijn toezicht-
en handhavingsbevoegdheden uitdrukkelijk toegekend aan de Autoriteit
Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming, afgekort de ANVS. De reden
dat de ANVS een zbo werd, was dat die onafhankelijkheid noodzakelijk was
op grond van internationaal en Europees recht. Beslissingen van de ANVS
moesten namelijk genomen kunnen worden zonder druk van belangen die
kunnen conflicteren met het belang van veiligheid, zo meende de regering
toen.
Voorzitter. Ik raak nu enigszins in verwarring. Aan de ene kant moesten
zij zelfstandig kunnen besluiten in het belang van de veiligheid en aan
de andere kant moet de minister nu het heft in handen kunnen nemen. Maar
hoe gaan we dan bijvoorbeeld om met een incident in een kerncentrale? Nu
ligt het toezicht op de veiligheid van de kerncentrale bij de ANVS. Bij
het in werking treden van deze wet komt dit tevens te liggen bij de
minister van IenW. Kan de echte toezichthouder zich in dezen melden?
Graag een reactie van de minister.
Er kunnen meerdere toezichthouders tegelijk bevoegd zijn als er een zbo
bij betrokken is of als meerdere vakministers betrokken zijn bij een
entiteit die in meerdere sectoren voorkomt. Het risico bestaat dan dat
vakministers de hete aardappel bij de ander op de financiële plaat
leggen. Dit geldt vooral bij departementen met een krappe begroting. De
minister heeft er dan namelijk niet voor gekozen om de kritieke entiteit
financieel te ondersteunen. De kosten daarvoor gaan af van de eigen
begroting. Dit kan leiden tot een hoop getouwtrek met als gevolg dat
geen van beiden toezicht houdt en handhaaft. Hoe gaat de minister dit
oplossen?
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Faber. Er zijn geen interrupties. Dan is het woord
aan mevrouw Martens-America van de VVD.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Dank, voorzitter. De digitale wereld krijgt een steeds grotere rol in
onze samenleving. Belangrijke sectoren zoals zorg, onderwijs,
energiebedrijven en noem maar op, kunnen niet meer zonder een
goedwerkende en veilige digitale infrastructuur. Geopolitieke spanningen
en het feit dat onze overheid volledig afhankelijk is van digitale
netwerken, maken het invoeren van deze wetten urgenter dan ooit. Ons
land wordt dagelijks geconfronteerd met hybride dreigingen en
aanvallen.
Voorzitter. Een cyberaanval kan veel schade aanrichten bij bedrijven en
kan daarmee ook onze economie en samenleving als geheel raken. Soms
blijven de onlinewereld en de digitale infrastructuur abstracte
begrippen, maar we hebben recent nog gezien welke gevolgen een hack bij
bijvoorbeeld het bedrijf Odido kan hebben voor onze maatschappij. Dit is
een voorbeeld van een zichtbare situatie, maar het overgrote deel wordt
tijdig tegengehouden of bereikt nooit het publieke oog.
Voorzitter. Mijn fractie hoopt dat Nederland en Europa met deze wetten
de digitale en fysieke weerbaarheid van belangrijke sectoren tegen
cyberaanvallen versterken. Wat de VVD betreft treden ze zo snel mogelijk
in werking. Toch heb ik daarover mijn eerste vraag aan de minister.
Waarom heeft de implementatie van deze twee wetten daadwerkelijk zo lang
geduurd? Welke gevolgen heeft deze vertraging gehad voor onze
cyberveiligheid en onze bedrijven? Hebben er zich in de tussentijd
situaties voorgedaan die ons hebben laten inzien dat er al extra stappen
nodig zouden moeten zijn boven op de bestaande wetten die we op dit
moment bespreken? Ik wil in mijn bijdrage graag de volgende drie punten
maken: duidelijkheid voor ondernemers, de evaluatieperiode en het
inrichten van registratieloketten.
Mijn eerste punt is de duidelijkheid voor ondernemers. Het beschermen
van onze bedrijven is ontzettend belangrijk en dat betekent dat we ook
de wetgeving moeten aanpassen, processen anders moeten inrichten en, als
het tegenzit, de regels voor ondernemers mogelijk complexer moeten
maken. Wat de VVD betreft is het vooral belangrijk dat het voor
ondernemers helder is op welke manier zij met deze nieuwe extra
handelingen kunnen bijdragen aan het grote collectief, namelijk de
veiligheid van ons land. Het moet daadwerkelijk geen papieren tijger
worden. Mijn vraag aan de minister is dan ook hoe we deze bedrijven en
ondernemers meenemen in het belang hiervan. Dat is hier ook al eerder
genoemd. Vooral de wat kleinere bedrijven gaan toch een wat zwaardere
rol spelen in het grote geheel. Hoe maken we die bedrijven duidelijk dat
ook zij essentieel zijn in deze uitdaging? Waar wordt bijvoorbeeld hun
feedback op dit proces en op de implementatie van deze wetten
daadwerkelijk verzameld? Hoe gaan we ervoor zorgen dat zij gehoord
worden?
Daarnaast heb ik een vraag over de bedrijven die in meerdere sectoren
actief zijn. Voor hen is het nu niet altijd duidelijk onder welke regels
binnen de Cyberbeveiligingswet zij precies vallen. Kunnen de
sectordefinities verduidelijkt worden, zodat ondernemers beter weten
waar ze aan toe zijn? Tot slot op dit punt vraag ik hoe bestuurders
worden geïnformeerd over al de te nemen stappen voor zowel de
meldplicht, de zorgplicht en de registratieplicht. Hoe worden zij
hierover geïnformeerd? Hoe voorkomt het kabinet dat bestuurders onnodig
in de problemen komen, omdat zij per ongeluk een verplichting missen?
Dat is mij niet helemaal duidelijk. Misschien kan de minister hier nog
een toelichting op geven.
Dan kom ik op de evaluatieperiode. Daarover is al eerder een
interruptiedebatje gegaan. Ik sluit me aan bij de zorgen van de heer Van
den Berg dat de termijn van vijf jaar te lang is. De wetsvoorstellen
worden namelijk na vijf jaar geëvalueerd. De minister heeft al eerder
naar aanleiding van het advies van het ATR aangegeven dat een evaluatie
na één jaar te vroeg zou zijn voor een zorgvuldige evaluatie. Ik wil de
minister vragen hoe er toch eerder dan pas na vijf jaar een evaluatie
zou kunnen worden uitgevoerd met de argumentatie die de heer Van den
Berg hier al heeft aangevoerd, namelijk dat we worden ingehaald door de
dagelijkse realiteit. Mijn fractie voelt veel voor een evaluatietermijn
van twee jaar.
Dan het inrichten van het registratieloket. Zoals ik al eerder heb
aangegeven, wil ik benadrukken dat deze wetten er toch wel echt snel
moeten komen. Het moment lijkt nu dan toch eindelijk daar. Er zal ook
zorgvuldig moeten worden gekeken naar het inrichten van bijvoorbeeld het
registratieloket voor ondernemers. De registratieplicht verplicht
organisaties om zich in te schrijven bij een nationaal register. Hier is
echter nog veel onduidelijkheid over. Dat is ook de feedback die wij van
veel bedrijven hebben ontvangen. Wat kan deze minister doen om
informatie over dit loket dan ook zo snel mogelijk te delen met
ondernemers, zodat ondernemers goed weten waar ze aan toe zijn en ze ook
zo snel mogelijk de eerste stappen van de voorbereiding kunnen
zetten?
Voorzitter. De VVD is blij met de wetten. Het beveiligen van systemen is
urgenter dan ooit en vraagt dan ook om goede wetgeving. Dank u
wel.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw bijdrage. Het woord is aan mevrouw Zwinkels van het
CDA.
Mevrouw Zwinkels (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Vandaag bespreken we twee wetsvoorstellen die
nauw met elkaar samenhangen: de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten en
de Cyberbeveiligingswet. Het eerste voorstel ziet vooral toe op de
fysieke en organisatorische weerbaarheid van kritieke entiteiten en het
tweede op de digitale weerbaarheid van essentiële en belangrijke
entiteiten. Samen raken ze direct aan de bescherming van vitale
processen en daarmee aan de weerbaarheid van onze samenleving.
Ik begin met de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten. Met deze wet wordt
de Europese CER-richtlijn geïmplementeerd. Daarmee wordt een
minimumniveau geïntroduceerd voor de weerbaarheid van essentiële
diensten in een aantal vitale sectoren tegen risico's en bedreigingen.
Het gaat daarbij om diensten die van cruciaal belang zijn voor het
functioneren van onze maatschappij, economie, volksgezondheid, openbare
veiligheid en milieu. Uitval van deze diensten kan verstrekkende en
ontwrichtende gevolgen hebben, niet alleen nationaal, maar ook voor de
Europese Unie. Dat zijn dus niet zomáár sectoren. Het zijn sectoren die
onze samenleving draaiende en veilig houden. Juist daarom is het van
groot belang dat hun weerbaarheid structureel wordt versterkt. Het CDA
onderschrijft daarom ook het uitgangspunt van deze wet en het belang van
de voorgestelde risicobeoordelingen.
Voorzitter. Op grond van de CER-richtlijn zijn lidstaten verplicht om
een nationale risicobeoordeling op te stellen. Daarnaast moeten kritieke
entiteiten zelf periodiek een risicobeoordeling uitvoeren. Kan de
minister toelichten hoe deze beoordelingen zich tot elkaar verhouden?
Hoe wordt voorkomen dat deze trajecten los van elkaar plaatsvinden of
leiden tot dubbelingen en vooral veel papierwerk? Hoe verhoudt dit zich
tot de nationale strategie, die ook nog moet worden opgesteld? Het CDA
hecht eraan dat deze instrumenten elkaar versterken en niet onnodig
bijdragen aan extra regeldruk. We hadden het er al over.
De minister heeft in de schriftelijke vragenronde aangegeven dat
kleinere entiteiten in het kader van het tegengaan van regeldruk zelf
kunnen afwegen of zij de risicobeoordeling laten samenvallen met andere
wettelijke verplichtingen, bijvoorbeeld met de in de cybersecuritywet
voorgestelde verplichtingen. Het CDA vindt het goed dat wordt gekozen
voor maatwerk, maar hoe borgt de minister dat entiteiten weten wat ze
wel en niet moeten doen en welke risicobeoordelingen echt noodzakelijk
zijn en welke niet?
Voorzitter. Daarbovenop is er het beleid rondom de vitale
infrastructuur, zoals de Aanpak vitaal van de NCTV, die sinds 2023 van
kracht is. Mijn collega begon er al over. Ook deze aanpak richt zich op
het vergroten van de weerbaarheid tegen allerlei soorten dreigingen. Kan
de minister uiteenzetten hoe deze wet zich verhoudt tot de Aanpak vitaal
en andere risicobeoordelingen die door deze wet tot stand moeten komen?
Op welke manier worden overlap en versnippering voorkomen? Hoe wordt
ervoor gezorgd dat er één samenhangend stelsel is, waarin duidelijk is
wie waarvoor verantwoordelijk is? Ook ben ik benieuwd of de minister
inmiddels met de Europese Commissie heeft gesproken over het borgen van
informatie-uitwisseling, vertrouwelijkheid en betrouwbaarheid.
Voorzitter. Het lijkt het CDA een goede keuze om de vakministers
verantwoordelijk te maken voor de toepassing van de elementen uit deze
wet, terwijl de minister van Justitie en Veiligheid medeverantwoordelijk
is. Dat betekent dat de risicobeoordeling door de vakminister wordt
gedaan, wat aansluit bij de sectorspecifieke kennis die nodig is. Gaat
de minister van Justitie en Veiligheid dan ook waarborgen dat de kennis-
en informatiedeling tussen de vakministers en de kritieke entiteiten op
orde is? Het lijkt mij nuttig dat zij niet steeds opnieuw het wiel
moeten uitvinden en gebruik kunnen maken van eerder toegepaste best
practices. Hoe gaat de minister voorkomen dat er te veel op eilandjes
wordt gewerkt?
Voorzitter. Daarnaast wil ik kort stilstaan bij de uitvoerbaarheid van
deze wet, met name voor kleinere en publiek-private kritieke entiteiten.
Hoe wordt ervoor gezorgd dat verplichtingen proportioneel zijn en
aansluiten bij de capaciteit en schaal van deze organisaties? Op welke
wijze ondersteunt de overheid kritieke entiteiten bij het versterken van
hun weerbaarheid, bijvoorbeeld via richtsnoeren of kennisdeling? Ook ben
ik benieuwd wat voor Nederland de precieze gevolgen gaan zijn van de
niet-tijdige implementatie van de CER-richtlijn. De oorspronkelijke
deadline was 17 oktober 2024. Wordt Nederland daarvoor inderdaad een
boete opgelegd? Zijn andere lidstaten ook nog steeds bezig met de
implementatie of loopt alleen Nederland achter?
Tot slot over dit eerste wetsvoorstel. Een goede samenhang tussen
fysieke en digitale weerbaarheid is essentieel. In een wereld waarin
dreigingen steeds vaker hybride van aard zijn, kan een fysieke
verstoring niet los worden gezien van cyberdreigingen. We zien deze wet
dan ook als een belangrijke bouwsteen die goed moet aansluiten op andere
wetgeving, zoals op de Cyberbeveiligingswet, waar ik het straks over ga
hebben. Hoe gaat de minister deze samenhang borgen in de praktijk? De
weerbaarheid van kritieke entiteiten is geen luxe, maar een noodzaak.
Met deze wet zetten we een stap vooruit.
Vervolgens wil ik ingaan op de Cyberbeveiligingswet, waarmee Nederland
de digitale kant van de NIS2-richtlijn implementeert. Het CDA vindt
cybersecurity van grote waarde. We hebben de afgelopen week in het
nieuws gezien wat de impact kan zijn. Van organisaties die essentiële
diensten leveren mag je verwachten dat ze hun digitale veiligheid op
orde hebben. Dat geldt des te meer voor entiteiten die onze samenleving
draaiende houden. Denk aan je telefoonprovider, je bank, de
energieleverancier en de afvalinzamelaar, maar ook aan de gemeente. Het
is goed dat er een zorgplicht komt en dat we meldplichten en toezicht
aanscherpen. Het raakt aan de weerbaarheid van onze samenleving.
Tegelijkertijd geldt dat we door dit wetsvoorstel wel weer extra
verplichtingen opleggen. Dat kan noodzakelijk zijn, maar dan moeten we
het stelsel wel robuust en uitvoerbaar maken. Juist wat dat betreft wil
ik vandaag een paar punten uitlichten.
Allereerst noem ik samenhang, variatie en overlap in het toezicht. Het
kabinet erkent dat overlap in het toezicht niet altijd te voorkomen is
en dat, als er verschillende toezichthouders zijn, overlap zo veel
mogelijk beperkt moet worden door afstemming, samenwerkingsafspraken én
structureel overleg. Dat betekent in de praktijk: verschillende
verplichtingen, verschillende toezichthouders en mogelijk ook
verschillende interpretaties. Toezicht zal worden uitgeoefend door
sectorale toezichthouders, die in meer of mindere mate al ervaring
hebben op dit gebied van cyberbeveiliging. De mate en kwaliteit van het
toezicht zullen, zeker in het begin, waarschijnlijk wisselend zijn. De
Autoriteit Persoonsgegevens geeft aan dat als zij naast de
NIS2-toezichthouders ook bevoegd is, niet duidelijk is wie er voorgaat
bij het opleggen van een eventuele boete. Daarom vraag ik de minister
hoe de coördinatie er in de uitvoering precies uitziet. Specifieker: is
het voor organisaties helder wie wanneer hun eerste aanspreekpunt is bij
toezicht, handhaving en incidentafhandeling met betrekking tot de
Cyberbeveiligingswet?
De Afdeling advisering van de Raad van State vroeg in dit verband
terecht om duidelijkheid over de invulling van de coördinerende rol en
de taakafbakening in dit stelsel met vele sectoren en partijen. Het CDA
wil dat dit niet alleen op papier, maar ook in de praktijk strak
geregeld is, juist om stapeling te voorkomen. Ik vraag daarom om een
toezegging: kan de minister ervoor zorgen dat de samenwerkingsafspraken
tussen toezichthouders tijdig publiekelijk, of anderszins, duidelijk
zijn, zodat organisaties vooraf weten waar zij aan toe zijn? Denk
hierbij ook aan de kosten die, volgens het ATR, dat toeziet op het
verminderen van de regeldruk, verbonden zijn aan kennisname van hoe het
werkt en aan een eventuele beveiligingsscan of beveiligingsaudit.
Het volgende onderwerp is AI-gedreven cyberbedreigingen. Het CDA wil een
punt aanstippen dat ook in ons gesprek met de Cyber Security Raad
nadrukkelijk naar voren kwam. De razendsnelle ontwikkelingen rondom
artificial intelligence vergroten niet alleen onze mogelijkheden aan de
verdedigende kant, maar ook de slagkracht van aanvallers. Gecoördineerde
cyberaanvallen met een groot aantal AI-agents liggen op de loer. Juist
daarom is het van belang dat kennis over dreigingen, kwetsbaarheden en
aanvalspatronen veel sneller en structureler worden gedeeld. Die
kennisdeling is tot nu toe te beperkt en te versnipperd, zowel tussen
organisaties in Nederland als met landen die te maken hebben met
vergelijkbare dreigingen. Is de minister bereid om te bezien hoe die
kennisdeling steviger kan worden georganiseerd, niet alleen tussen
uitvoeringsorganisaties en bedrijven hier, maar ook met landen als
Frankrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk? In het kader van snel
ontwikkelende, AI-gedreven cyberdreigingen is het van belang dat we niet
allemaal afzonderlijk het wiel blijven uitvinden.
Dan kom ik bij de uitvoering door het Rijk. In de memorie van
toelichting staat een tabel met de budgettaire gevolgen per departement.
Die lopen structureel op tot bijna 83 miljoen euro. Dat is fors. Op zich
is dat ook prima, als het leidt tot aantoonbaar betere ondersteuning,
respons en toezicht. Betreft dit bijvoorbeeld ook de extra capaciteit
bij onze uitvoeringsdiensten zoals de ILT en de NVWA, zodat hier ook
geen vertragingen of wachtlijsten ontstaan? Ook vraag ik aan de minister
welke concrete prestaties we hiervoor terug gaan zien in het toezicht.
In dit verband is het ook relevant dat in de memorie wordt vermeld dat
het Nationaal Cyber Security Centrum de uitvoerbaarheid haalbaar acht,
mits aan de randvoorwaarden wordt voldaan. Een daarvan betreft een
realistisch groeipad. Kan de minister toelichten hoe dat groeipad er nu
uitziet? Hoe wordt geborgd dat toezicht en ondersteuning niet
achterblijven bij de snelle verbreding van de doelgroep? Welke rol kan
de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur, de RDI, hierin pakken? Zij is
naast toezichthouder namelijk ook uitvoerder, en kan helpen met die
centrale regie.
Dan kom ik bij het risico op onbewuste non-compliance. De reikwijdte van
dit wetsvoorstel is groot. In de stukken staat dat naar verwachting
circa 8.100 organisaties grotendeels automatisch van rechtswege onder de
Cyberbeveiligingswet zullen vallen. Ze worden niet individueel
aangewezen en niet actief op de hoogte gesteld. Ze zullen zelf moeten
beoordelen of ze onder de wet vallen, met ondersteuning van een
zelfevaluatietool. Dit creëert een risico dat het CDA heel serieus
neemt: een risico op onbewuste non-compliance. Dat gebeurt niet uit
onwil, maar omdat organisaties simpelweg niet doorhebben dat ze onder de
wet vallen, zeker als ze onderdeel zijn van een concernstructuur of als
hun dienstverlening net op een grens zit. Ook kunnen organisaties
twijfelen of ze het goed doen en dit willen laten toetsen, om eventuele
overtredingen op een later moment te voorkomen. Is de minister bereid om
met name het mkb en kleinere gemeenten hierin te faciliteren? Hoe
voorkomen we dat juist de kwetsbare organisaties met minder capaciteit
en expertise achterblijven?
Het is ook mooi als bedrijven elkaars geleerde lessen kennen. Ik
refereerde daar net al even aan. Het werkt natuurlijk altijd goed als de
ene ondernemer het de andere vertelt. Op die manier is een hack of een
andere kwetsbaarheid geen taboe, maar sta je samen sterker en maak je
ook je medewerkers digibewust en -bekwaam.
We hebben ook de oproep ontvangen om organisaties die objectief kenbaar
tot taak hebben om de dreigingsinformatie en de informatie over
cyberincidenten te delen, de zekerheid te geven dat ze ook onder de wet
aangemerkt zullen worden als een relevante partij. Kan het kabinet
zekerheid geven over de status van zulke schakelorganisaties in
Nederland? Hierin zit ook een element van wederkerigheid. We mogen veel
vragen, maar dan moet de overheid ook leveren. Duidelijkheid, praktische
hulpmiddelen en uniformiteit in de uitleg en het toezicht zijn hierbij
onze uitgangspunten.
Dan de onderwijsinstellingen. De CDA-fractie heeft eerder gevraagd naar
de bepalingen over onderwijsinstellingen. In de nota naar aanleiding van
het verslag geeft de regering aan te hebben besloten dat de bekostigde
hbo- en wo-instellingen onder de reikwijdte van de wet worden gebracht
zonder onderscheid te maken tussen instellingen met kritieke
onderzoeksactiviteiten. Dit gebeurt mede vanwege de samenwerking en
onderlinge afhankelijkheid en vanwege de uitvoerbaarheid. Tegelijk wordt
de aanwijzing van deze instellingen als een belangrijke of essentiële
entiteit nog nader uitgewerkt. Mijn vraag is: bedoelt de regering dat de
instellingen als geheel worden aangewezen of dat alle instellingen in
deze categorie onder het regime moeten vallen, ongeacht profiel, risico
en aanwezigheid van de kritieke onderzoeksactiviteiten? Hoe borgt de
minister proportionaliteit, uitvoerbaarheid en de heldere criteria
daarbij? Er leven hierover ook zorgen in de sector. Universiteiten van
Nederland wijst op de administratieve lasten, het risico op dubbelingen
en de onduidelijkheid, juist in een tijd van financiële druk. Ook SURF
heeft aandacht gevraagd voor de werkbaarheid en het voorkomen van extra
administratieve lasten. Het CDA zoekt hierin een duidelijke middenweg.
Als we onderwijs aanwijzen, doe het dan op een manier waarop het voor
iedereen werkt en wordt voortgebouwd op hun eerdere inspanningen.
Dan kom ik bij gekwalificeerde vertrouwensdiensten. De Autoriteit
Persoonsgegevens heeft haar zorgen met ons gedeeld over de verwerking en
het bewaren van persoonsgegevens. In de NIS2-richtlijn staat dat
lidstaten essentiële en belangrijke entiteiten moeten aanmoedigen om
gekwalificeerde vertrouwensdiensten te gebruiken. In gewone taal gaat
het om digitale middelen die helpen om online zekerder vast te stellen
met wie je zaken doet en of informatie of documenten echt en betrouwbaar
zijn. Voor dit soort vertrouwensdiensten bestaan al heel veel Europese
regels, maar ik zie nog niet duidelijk hoe Nederland het gebruik hiervan
nu actief wil stimuleren. Kan de minister daarop reflecteren? Is hij
bereid toe te zeggen de Kamer daarover te informeren en bijvoorbeeld
voor de zomer met een brief te komen?
Tot slot, voorzitter. Ik rond af. Het CDA steunt beide wetsvoorstellen
in hun doel: het versterken van de weerbaarheid van onze samenleving,
zowel fysiek als digitaal. Maar grote wetten met een grote reikwijdte
moeten ook begrijpelijk, uitvoerbaar en proportioneel zijn. Als we veel
vragen van organisaties, moet de overheid ook zichtbaar leveren, zodat
organisaties weten waar ze aan toe zijn. Ik hoor graag de reactie van de
minister op de gestelde vragen en de gevraagde toezeggingen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw bijdrage. Dan gaan we naar mevrouw El Boujdaini van
D66.
Mevrouw El Boujdaini (D66):
Dank u wel, voorzitter. Cyberveiligheid en weerbaarheid van kritieke
entiteiten klinkt voor veel mensen als iets abstracts, als iets voor
experts en techbedrijven, maar niets is minder waar. Cyberveiligheid
gaat over het dagelijks leven van mensen, over of je 's ochtends je
pinpas kan gebruiken, of je de trein naar je werk haalt en of het licht
het nog doet wanneer je thuiskomt. Het gaat over vertrouwen, erop
vertrouwen dat de systemen waar we elke dag op leunen, het gewoon doen.
Stel je namelijk eens voor dat dat vertrouwen wegvalt. Stel je voor dat
het betalingsverkeer platligt, drinkwatervoorzieningen, de
energievoorzieningen of telecomnetwerken uitvallen en mensen letterlijk
in het donker zitten zonder verwarming, bereik of toegang tot
informatie. Dat zijn reële scenario's, die we in Europa al hebben zien
gebeuren. Juist daarom is de weerbaarheid van onze kritieke entiteiten
geen technisch detail, maar een maatschappelijke randvoorwaarde. Als we
dit niet goed regelen, zijn het niet systemen die falen. Mensen dragen
de gevolgen en hebben er last van.
Voorzitter. Voor D66 betekent dit dat we de digitale infrastructuur net
zo serieus moeten beschermen als onze fysieke infrastructuur. Daarom
spreken we vandaag ook over de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten en
de Cyberbeveiligingswet. Dat is hard nodig, want Nederland loopt achter
met de implementatie, terwijl de dreiging toeneemt. Deze wetten moeten
ervoor zorgen dat kritieke entiteiten, zoals energievoorzieningen,
drinkwatervoorzieningen, gemalen en telecombedrijven beter beschermd
zijn bij en voorbereid zijn op incidenten, dat organisaties risico's in
beeld hebben, maatregelen nemen en samenwerken om schade te beperken, en
dat gemeentes en veiligheidsregio's weten wat hun te doen staat. De
vraag is niet óf we onze weerbaarheid versterken, maar hóé we dat gaan
doen, met wetgeving die ambitieus is, maar ook helder en uitvoerbaar. We
kunnen digitaal en fysiek weerbaarder worden. Dat vraagt om een balans
tussen veiligheid en uitvoerbaarheid, tussen toezicht en vertrouwen,
tussen Europese verplichtingen en nationale aanpak. In dat licht wil ik
vandaag een aantal punten bespreken. Allereerst sta ik stil bij de
kwestie rondom Odido. Daarna bespreek ik de Wet weerbaarheid kritieke
entiteiten, vervolgens de Cyberbeveiligingswet en tot slot hoe deze
wetten volgens onze fractie nog robuuster kunnen worden.
Ik begin bij Odido, voorzitter. De Odidokwestie benadrukt waarom wij
vandaag debatteren over deze wetten. Het maakt pijnlijk duidelijk hoe
kwetsbaar onze digitale infrastructuur is als beveiliging tekortschiet.
Wanneer gegevens van miljoenen mensen op straat belanden, raakt dat niet
alleen hun privacy, maar ook het vertrouwen in de overheid en bedrijven,
met risico's als identiteitsfraude, misbruik en langdurige onzekerheid.
Dit raakt mensen dus echt. De Odidokwestie laat ook zien dat wetgeving
op zichzelf niet genoeg is. Vanuit de Telecomwet zijn er al een
meldplicht en een zorgplicht rond cyberveiligheid, maar uiteindelijk
moet het dus in de praktijk goed gaan en moet het gaan leven. Daarom
mijn vraag: hoe gaan we ervoor zorgen dat de consequenties zo klein
mogelijk zijn bij dit soort datalekken van zo'n omvang? Immers, helemaal
voorkomen kan jammer genoeg niet. Ziet de minister dan ook dat de
Cyberbeveiligingswet en de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten de kans
op dit soort datalekken kunnen verkleinen?
Voorzitter. Het grootschalige incident van Odido staat niet op zichzelf.
Daar is veel misgegaan, maar een cyberaanval kan iedere sector
overkomen. Naar verwachting zullen ruim 8.100 organisaties onder de
Cyberbeveiligingswet en de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten vallen.
Dat vraagt om een zorgvuldige wetsbehandeling, zodat onze cruciale
sectoren beter voorbereid zijn op cyberbedreigingen en daar snel op
kunnen reageren. Zo voorkomen we dat incidenten zoals bij Odido een
nieuwe realiteit worden, of in ieder geval de consequenties ervan.
Voorzitter. Ik zei het al in mijn inleiding: de digitale wereld staat
onder druk, met gevolgen voor onze fysieke veiligheid. De Wet
weerbaarheid kritieke entiteiten beoogt deze veiligheid te waarborgen
door organisaties die diensten aanbieden die cruciaal zijn voor het goed
functioneren van onze maatschappij hier ook aan te laten voldoen. Een
groot deel hiervan was ook al het geval onder de Aanpak vitaal. In
plaats van vitale aanbieders worden er onder de nieuwe wet zogenaamde
kritieke entiteiten aangewezen, of althans: zij moeten zichzelf
aanwijzen. Dat zijn dus organisaties die een of meerdere essentiële
diensten aanbieden die onze maatschappij draaiende houden. Wanneer dit
wordt verstoord en uitvalt door een cyberaanval, heeft dat dus grote
gevolgen voor mensen. Het is daarom van groot maatschappelijk belang dat
de overgang van de Aanpak vitaal naar de Wet weerbaarheid kritieke
entiteiten helder is voor organisaties. Daarom mijn volgende vragen.
Welk deel van de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten vervangt de Aanpak
vitaal en hoe verhouden deze twee regimes zich straks ten opzichte van
elkaar? Zijn straks alle vitale aanbieders kritieke entiteiten onder de
Wwke? Welke organisaties worden daar eventueel nog aan toegevoegd? Tot
slot. Is er een verschil tussen een kritieke entiteit en een essentiële
entiteit onder de Cyberbeveiligingswet? Een kritieke entiteit is
namelijk ook automatisch een essentiële entiteit onder de
Cyberbeveiligingswet.
Verder wil ik toch nog aandacht vragen voor digitale soevereiniteit,
want weerbare kritieke entiteiten zijn belangrijker dan ooit, met name
in het licht van het maatschappelijk debat over digitale soevereiniteit.
Er moeten strategische keuzes worden gemaakt: van wie wil je digitale
diensten afnemen en waarvoor? Waar deze worden ingekocht, doet er
daadwerkelijk toe. Digitale soevereiniteit gaat ook verder dan alleen de
overheid. Dat laten deze wetten zien. Het gaat om de keuzes die andere
organisaties en bedrijven maken, want alleen wanneer overheid,
samenleving en bedrijven hier samen aan werken, worden we als Nederland
digitaal weerbaar. Veel organisaties, dus ook de kritieke entiteiten,
staan voor hetzelfde vraagstuk als de overheid. Neem de
betaalinfrastructuur, ziekenhuizen en onderwijsinstellingen. Hoe moeten
zij digitaal soeverein worden? Kunnen we misschien een gezamenlijke
aanpak maken? Daarom mijn volgende vraag: kan de minister aangeven of er
gewerkt gaat worden aan een aanpak om deze kritieke entiteiten ook meer
digitaal soeverein te maken? Zo niet, is de minister bereid om dit te
doen?
Voorzitter. Dan wil ik mijn licht nog laten schijnen op de particuliere
beveiligingsbedrijven. Zij zijn ook vaak uitvoerders van
weerbaarheidsmaatregelen bij kritieke entiteiten. Vanuit die hoek hebben
we ook verschillende geluiden gehoord. Dit zijn bedrijven die werken aan
toegangscontroles, bewaking en detectie, maar bijvoorbeeld ook aan
personeelsbeveiliging en crisisbeheersing. Scherp hebben wat hun positie
is in het kader van de Wwke is dus cruciaal. Kan de minister toelichten
of en hoe de structurele betrokkenheid van de particuliere
beveiligingssector bij oefeningen en scenario's voor incidenten wordt
geborgd, zodat we met z'n allen goed voorbereid zijn? Kan de minister
ook uiteenzetten of en hoe deze private beveiligingsbedrijven meer
duidelijkheid kunnen krijgen over hun rollen, verantwoordelijkheden en
aansprakelijkheden bij de implementatie van deze wetten? En kan de
minister toelichten hoe wordt geborgd dat er heldere afspraken komen
over de noodzakelijke informatie-uitwisseling tussen publieke
crisisorganisaties, kritieke entiteiten en private veiligheidsbedrijven
tijdens een crisis?
De heer Van den Berg (JA21):
Ik hoor mevrouw El Boujdaini van D66 net een punt maken over de behoefte
van bedrijven aan soevereiniteit. Ze vroeg of de minister daar eventueel
werk van wil maken. Hoe ziet mevrouw El Boujdaini dat voor zich in het
kader van deze twee wetten? Ik vind het belangrijk, maar hoe ziet
mevrouw El Boujdaini dat in het kader van deze twee wetten voor
zich?
Mevrouw El Boujdaini (D66):
Ik denk dat deze twee wetten heel goed laten zien hoe belangrijk het is
dat wij onze kritieke entiteiten beschermen. Volgens onze fractie gaat
dat verder dan alleen kijken naar wat hun taken zijn; het gaat ook om
waar zij daadwerkelijk gebruik van maken. We hebben de afgelopen maanden
gezien dat het uitmaakt voor welke leveranciers en aanbieders je kiest.
Dat geldt ook voor overheidsorganisaties. Ook wij als
overheidsorganisatie kunnen als "kritieke entiteit" bestempeld worden.
Daarom vind ik het belangrijk dat wij een stukje verder kijken: voor
welke leveranciers kiezen zij, en brengt dat misschien ook bepaalde
risico's met zich mee? Ook dat kan er namelijk voor zorgen dat er
bijvoorbeeld bepaalde cyberdreigingen om de hoek liggen.
De voorzitter:
De heer Van den Berg, volgende interruptie.
De heer Van den Berg (JA21):
Zou dat ook in het kader van artikel 18 van het Cyberbeveiligingsbesluit
zijn, dat de vergaande bevoegdheid geeft aan de overheid om bedrijven in
het kader van de nationale veiligheid te dwingen om bepaalde diensten
niet meer af te nemen of juist wel af te nemen? Moet ik dat dan zo
zien?
Mevrouw El Boujdaini (D66):
Het woord "dwingen" heb ik niet gebruikt. Ik denk in eerste instantie
dat het goed is om te kijken naar een aanpak hiervoor. Of dat dan meteen
afdwingbaar is of niet, ligt er eigenlijk aan of de wet daarop wordt
aangepast. Ik vraag op dit moment niet om een amendement hierop. Dat heb
ik ook niet. Ik stel eerst de vraag aan de minister of hij bereid is om
zo'n aanpak op te zetten. Daarna kunnen we verder kijken, denk ik, en
bezien wat we daadwerkelijk kunnen verplichten.
De heer Van den Berg (JA21):
De vraag was meer of u daartoe bereid bent. Daar hoor ik geen duidelijk
antwoord op, maar wel de vraag aan de minister om het wellicht te
verplichten. Ik ben alsnog benieuwd naar de eigen visie van mevrouw El
Boujdaini op hoe we in het kader van deze wet, die echt gaat over
cyberbeveiliging en over weerbare kritieke entiteiten, die
soevereiniteit zouden kunnen stimuleren. Ik zou niet willen zeggen
"borgen", omdat dat losstaat van deze wet. Ik probeer gewoon uit te
denken hoe we dat praktisch zouden kunnen inpassen.
Mevrouw El Boujdaini (D66):
Volgens mij zijn deze wetten er juist voor dat wij als samenleving zo
veilig mogelijk ons leven kunnen leiden, dat onze gegevens veilig staan
en dat organisaties met een maatschappelijke verantwoordelijkheid,
bijvoorbeeld in de energievoorziening, het verkeersmanagement of
telecombedrijven, vanuit hun eigen systemen veilig zijn vanbinnen, zodat
zij ons die veiligheid ook kunnen garanderen. Nogmaals, ik denk dus dat
we daar wel naar moeten kijken, omdat het daadwerkelijk uitmaakt welke
software en systemen je inkoopt als organisatie en wat er vervolgens
wordt gebruikt om ons als samenleving die veiligheid te kunnen
garanderen.
Dit is natuurlijk een voorbeeld dat vaker wordt gebruikt, maar we hebben
vorig jaar allemaal gezien hoe het Internationaal Strafhof is geraakt
door Microsoft. Een aantal mensen daarvan kon ineens hun diensten niet
meer gebruiken, omdat ze waren gesanctioneerd. Ik denk dat dat soort
voorbeelden heel erg tekenend zijn. We moeten niet willen dat bepaalde
kritieke entiteiten ook zo kwetsbaar kunnen zijn en zo afhankelijk zijn
in hun dienstverlening aan ons, omdat zij een keuze hebben gemaakt voor
een bepaalde leverancier. Het klopt dat daarover niks staat in deze
wetten, vandaar dus ook mijn vraag aan de minister; ik zou in het kader
van de veiligheid die we moeten kunnen garanderen, wel willen vragen om
een aanpak.
De voorzitter:
Mevrouw El Boujdaini, u kunt verder met uw betoog.
Mevrouw El Boujdaini (D66):
Dan ga ik het over de Cyberbeveiligingswet hebben. Het is goed dat we
deze wet gelijktijdig behandelen met de Wwke. Een kritieke entiteit
onder de Wwke is ook een essentiële entiteit onder de
Cyberbeveiligingswet. Dat gezegd hebbende wil ik het ook hebben over het
lokaal bestuur, want het lokaal bestuur is onze fractie veel waard. Wij
zetten gemeenten dan ook graag in hun kracht.
Stelt u zich eens voor dat de aansturing van gemalen wordt verstoord en
dat dit wateroverlast veroorzaakt in woonwijken, of dat
verkeersmanagementsystemen worden gehackt en het niet meer doen, wat
chaos betekent in het verkeer. Het zijn dan dus gemeenten die moeten
ingrijpen om de inwoners te beschermen en de orde in hun eigen gemeente
te herstellen. De burgemeesters zijn daar met de veiligheidsregio's
verantwoordelijk voor. Zij moeten wel weten wat er precies aan de hand
is en wat de oorzaak van het incident is, ook om in de toekomst
preventieve maatregelen te kunnen nemen. Juist daarom is de uitvoering
van de Cyberbeveiligingswet zo cruciaal.
Die wet is zo sterk als de informatie die wordt gedeeld en de partijen
die daarop kunnen handelen. Daarom vinden wij het belangrijk dat de
burgemeesters en de veiligheidsregio's weten wat zich afspeelt binnen de
gemeenten, om zo veiligheid te kunnen waarborgen. De minister geeft in
de schriftelijke beantwoording echter aan dat de Cyberbeveiligingswet
het NCSC geen ruimte biedt om informatie te delen die geen betrekking
heeft op de eigen cyberveiligheid van de gemeente. Dat betekent dat de
gemeente als organisatie wel wordt geïnformeerd over de eigen
cyberveiligheid, maar niet over wat zich op het gebied van
cyberveiligheid afspeelt bij belangrijke en essentiële entiteiten binnen
de gemeentegrenzen, tenzij er sprake is van nationale opschaling van een
incident. Juist die informatie hebben gemeenten nodig om de lokale
impact van cyberbedreigingen op de openbare orde en veiligheid binnen
hun gemeentegrenzen te kunnen duiden.
Om die reden heb ik hierover een amendement ingediend. Wij begrijpen dat
dit ook een extra verantwoordelijkheid is voor het NCSC, maar zij
beschikken al over deze informatie en wij vragen of zij deze informatie
willen delen met de burgemeesters en de voorzitters van de
veiligheidsregio's. Hiermee wordt voorkomen dat gemeenten ieder
afzonderlijk aanvullende afspraken moeten maken met bepaalde
organisaties binnen hun gemeentegrenzen. Dit versterkt de aanpak van
cyberincidenten die gevolgen hebben voor de openbare orde en veiligheid.
Het zorgt er ook voor dat gemeenten zich veel beter kunnen voorbereiden
op crisisincidenten binnen hun gemeentegrenzen in de toekomst. Wij
kijken dan ook uit naar de appreciatie van de minister.
Voorzitter. De Wwke en de Cyberbeveiligingswet zien op het Europees deel
van Nederland; mijn collega Van den Berg begon er ook al over. Dat is
wetstechnisch begrijpelijk, omdat het hier gaat om de implementatie van
Europese regelgeving. Tegelijkertijd mogen we het belang van het
Caribisch deel van Nederland niet uit het oog verliezen. Ook in het
Caribisch deel is het van groot belang dat de digitale weerbaarheid
wordt versterkt. Zo was er in 2022 nog een ransomwareaanval op het enige
water- en elektriciteitsbedrijf van Sint-Maarten. Door de aanval verloor
het bedrijf de toegang tot financiële data, terwijl er geen recente
back-up beschikbaar was. Tot op de dag van vandaag ervaren mensen op
Sint-Maarten hiervan nog de consequenties. Op Aruba was er ook een
ransomwareaanval, op een ziekenhuis. De aanval verstoorde de
bedrijfsvoering en de operationele uitvoering van werkzaamheden. Dit had
impact op de dienstverlening en de patiënten.
Gemeenschappelijke voorzieningen, overheidsdiensten en bedrijven in het
Caribisch deel van Nederland zijn ook in toenemende mate afhankelijk van
digitale systemen. Het is daarom van belang dat ook inwoners van het
Caribisch deel kunnen rekenen op een passend niveau van digitale
bescherming en weerbaarheid. Er is al een veiligheidsstrategie voor het
Koninkrijk der Nederlanden. Dat is een goed begin, maar biedt nog niet
genoeg handelingsperspectief. Ik heb daarom de volgende vragen aan de
minister. Werkt het kabinet aan een concreet plan of een routekaart om
te komen tot een cybersecuritystelsel voor het Caribisch deel van
Nederland dat zo veel mogelijk aansluit op het niveau van digitale
bescherming en weerbaarheid hier in Nederland? Wordt het Caribisch deel
van het Koninkrijk dan betrokken bij de ontwikkeling van dat stelsel? Zo
ja, op welke manier? Kan de minister aangeven welk tijdpad het kabinet
voor ogen heeft om tot een dergelijk beschermingsniveau voor het
Caribisch deel te komen?
Voorzitter. Ik ben bijna klaar, maar wil het graag nog even hebben over
toezicht. Wij hechten aan een ambitieus maar ook helder en uitvoerbaar
pakket maatregelen om onze cyberveiligheid te versterken. Voor onze
fractie geldt daarbij vereenvoudigen waar kan, maar maatwerk waar nodig.
Afstemming tussen toezichthouders is essentieel om dubbele
toezichtlasten te voorkomen. De minister geeft aan dat hierover
sectorale samenwerkingsafspraken zullen worden gemaakt en dat de
instanties die toezicht houden op de Cyberbeveiligingswet samenwerken in
het door de RDI opgerichte directeurenoverleg, het DTDW, om zo te werken
aan een gezamenlijke en meer geharmoniseerde aanpak van toezicht op
digitale weerbaarheid. Mijn fractie ziet dit als wenselijke stappen.
Tegelijkertijd hebben we nog wel enkele vragen. Worden deze
samenwerkingsafspraken uiteindelijk in alle sectoren gemaakt of zijn er
sectoren waar dat nog niet gebeurt? Zijn in die zin daarmee dan alle
blinde vlekken in het toezicht in kaart gebracht en straks ook opgelost?
Hoe verhouden de coördinerende taak en de stelselverantwoordelijkheid
van de minister zich tot het directeurenoverleg? Tot slot: in hoeverre
worden organisaties die onder dit toezicht vallen, betrokken of
geconsulteerd bij de afspraken die in dit overleg worde gemaakt?
Voorzitter, ik rond af. Deze wetten gaan uiteindelijk over mensen, over
de zekerheid dat je 's ochtends gewoon naar je werk kunt, dat het licht
het doet, dat je water uit de kraan krijgt en dat je erop kunt
vertrouwen dat je gegevens veilig zijn. De Wet weerbaarheid kritieke
entiteiten en de Cyberbeveiligingswet zijn belangrijke stappen om die
zekerheid beter te beschermen in een wereld waarin dreigingen steeds
minder zichtbaar zijn maar steeds ingrijpender worden. Duidelijke regels
waar organisaties mee uit de voeten kunnen, zijn daarom belangrijk,
opdat verplichtingen niet alleen op papier werken maar ook in de
praktijk. Als we dat goed doen, bouwen we aan weerbaarheid en
voorzieningen die blijven draaien. Mijn fractie ziet daarnaar uit.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank voor uw bijdrage. U heeft verder geen interrupties. Dan gaan we
naar de heer Van Dijk van de PVV.
De heer Emiel van Dijk (PVV):
Dank u wel, voorzitter. De Cyberbeveiligingswet, de Nederlandse
vertaling van de Europese NIS2-richtlijn, is Brusselse regelgeving in
optima forma. Het is weer een berg aan nieuwe regels die vanuit de EU
worden opgelegd aan Nederland. Het is waar, op papier klinkt het niet
eens zo heel slecht: zorgen dat onze digitale systemen beter beschermd
zijn tegen hackers, ransomware en andere cyberdreigingen. Want ja,
niemand wil dat de stroom uitvalt, treinen stilvallen, ziekenhuizen
platliggen of banken gehackt worden. Maar zoals altijd met
EU-regelgeving wordt het een enorme administratieve rompslomp, met hoge
kosten voor vooral bedrijven maar uiteindelijk ook voor de gewone
Nederlander.
Voorzitter. Deze wet treft zo'n 8.100 bedrijven en organisaties in
Nederland. Dat zijn er veel meer dan onder de oude regels. Denk aan
energiebedrijven, vervoerders, luchtvaart, spoor, wegen, scheepvaart,
drinkwaterbedrijven, afvalbedrijven, ziekenhuizen, zorginstellingen,
banken en financiële partijen, waarbij er deels overlap is met andere
regels, grote cloudaanbieders, internetproviders, socialmediaplatforms,
zoekmachines, postbedrijven; noem het maar op. Maar denk ook aan
gemeenten, waterschappen en sommige onderwijsinstellingen. Er wordt
onderscheid gemaakt tussen essentiële entiteiten en belangrijke
entiteiten. Veel middelgrote en grote bedrijven vallen er automatisch
onder als ze meer dan 50 werknemers hebben of meer dan 10 miljoen euro
omzet draaien.
Wat moeten die bedrijven dan straks allemaal doen? Ze krijgen een
zorgplicht, moeten risico's inschatten, maatregelen nemen om hacks te
voorkomen, systemen beter beveiligen, personeel trainen, hun
toeleveranciers beschermen en zorgen voor een veilige ontwikkeling van
software en fysieke beveiliging van servers. Bij een serieuze
cyberaanval of storing moeten ze binnen 24 uur melding doen bij de
overheid via een centraal loket, gevolgd door updates en een
eindrapport. Bestuurders moeten een cybertraining volgen en zich blijven
bijscholen. Er komt ook een registerplicht en er komen periodieke checks
door toezichthouders. Wie niet meewerkt, riskeert boetes tot 10 miljoen
euro of 2% van de wereldwijde omzet. Dat zijn forse bedragen, die een
bedrijf kapot kunnen maken.
De kosten zijn niet mals. Bedrijven betalen het grotendeels zelf:
audits, externe adviseurs, nieuwe software of hardware. Uit schattingen
blijkt dat middelgrote bedrijven structureel zo'n 1.246 uur per jaar
kwijt zijn aan al die regels. Dat is meer dan een halfjaar fulltime werk
voor één persoon. Eenmalig investeren ze gemiddeld rond de €25.000 en
grote bedrijven zelfs €44.000 of meer, plus jaarlijks tienduizenden
euro's aan doorlopende kosten. Voor kleine ondernemers in de keten
sijpelt het allemaal door. Hogere prijzen voor energie, zorg, vervoer of
onlinediensten: uiteindelijk betaalt de burger het, met hogere
rekeningen, duurdere boodschappen en tragere leveringen. En dat terwijl
Nederland al kampt met hoge lasten en een economie die kraakt onder de
regeldruk. De PVV is daar geen voorstander van. Wij zeggen hier nee
tegen. Cyberbeveiliging is belangrijk — we willen immers geen Chinese of
Russische hackers die ons land lamleggen — maar dit moet nationaal en
slim gebeuren, en niet via dictaten uit Brussel met een
one-size-fits-allaanpak …
De voorzitter:
Meneer Van Dijk, u heeft eerst een interruptie van mevrouw Zwinkels, als
ik het goed heb, en dan van mevrouw Martens-America.
De heer Emiel van Dijk (PVV):
… die kleine en grote bedrijven de nek omdraaien.
De voorzitter:
Ik had dus niet een goed moment gevonden! Ik dacht van wel. Mevrouw
Zwinkels, van het CDA.
Mevrouw Zwinkels (CDA):
Op zich is het een terecht punt dat we de regeldruk in de gaten moeten
houden. Daar heb ik ook een punt van gemaakt in mijn inbreng. Alleen kan
ik helemaal niet volgen welke kant dit nu op gaat met de PVV. We hebben
vorige week ook nog een debat gehad over Odido, naar aanleiding van de
hacks die daar hebben plaatsgevonden. Dan blaast de PVV ook hoog van de
toren met "hoe kan dit?", "schande", en weet ik het allemaal. Dan denk
ik bij mezelf: deze wetgeving is er juist voor bedoeld om dat
grotendeels te voorkomen en ervoor te zorgen dat die bedrijven zoals
Odido ook een zorgplicht hebben naar hun klanten, burgers die daar hun
data hebben. Het kan niet allebei waar zijn. Waarom is de PVV dan niet
bereid om hierin te investeren? Zien zij niet in dat hiermee heel veel
risico's voor die bedrijven, en daarmee ook voor onze burgers, voorkomen
kunnen worden?
De heer Emiel van Dijk (PVV):
Die databeschermingsregelgeving bestond bij Odido natuurlijk al. Zij
hebben zich niet aan de regels gehouden. Ze hebben data onnodig lang
opgeslagen. Dat is dus met de huidige regelgeving al niet voorkomen. De
huidige regelgeving verbiedt het om bepaalde data, zoals kopieën van
paspoorten, rijbewijzen en adresgegevens, langer dan nodig te bewaren.
Als dat nu al niet gehandhaafd wordt, wat heeft het dan voor nut om er
nog zo'n hele lading Brusselse regelgeving op los te laten, terwijl
Odido in die zaak juist bewezen heeft dat het al niet werkt zoals het nu
gaat?
Mevrouw Zwinkels (CDA):
Heel simpel: dat is ook helemaal de reden waarom we dit beleid moeten
aanscherpen met elkaar, waarom deze maatregelen nodig zijn. We zien in
de praktijk dat het niet toereikend is. Dan hoor ik de PVV ook zeggen
"wat een schande dat er allemaal boetes worden uitgedeeld", maar dan
denk ik bij mezelf: ja, maar het is voor een bedrijf ook vrij duur als
ze allemaal losgeld moeten betalen en als ze voor het dilemma komen te
staan of ze dat wel of niet gaan doen. Ik vraag me dan af of Odido
volgens de PVV geen boete zou moeten betalen. Ik volg gewoon totaal niet
waar het pleidooi van de PVV naartoe gaat. Ik hoop toch echt dat er wel
iets meer steun kan komen voor hoe we samen weerbaarder gaan
worden.
De heer Emiel van Dijk (PVV):
We zijn er als partij nog niet over uit wat we met dit pakket doen. We
hinken op twee benen. Aan de ene kant is het belangrijk dat je actie
onderneemt voor je eigen cyberveiligheid. Aan de andere kant is dit weer
Brusselse overregulering. Ik denk dat we de Europese Unie niet nodig
hebben om zelf onze zaakjes op orde te hebben. Om terug te komen op het
Odido-verhaal: dat is natuurlijk een compleet andere situatie. Er was en
is regelgeving actief. Ondanks dat we die regelgeving op z'n plek
hebben, heeft het bedrijf zich daar niet aan gehouden. De logica om dan
in een reflex te schieten van "de regelgeving die we nu hebben en die nu
in werking is, daar houdt men zich niet aan, dus komen we met een hele
lading aan extra regelgeving", snap ik echt niet. Ik ga daar dan ook
niet in mee.
Mevrouw Zwinkels (CDA):
Mijn punt ten aanzien van die boetes blijft staan. Daarvan denk ik: we
regelen nu juist met elkaar om daar op een structurele manier een aanpak
voor te hebben.
Tot slot over Europa. Juist voor bedrijven die in meerdere landen actief
zijn, is het echt heel erg belangrijk dat we niet allerlei verschillende
interpretaties hebben, maar dat we zulke Europese wetgeving juist
implementeren op een zo uniform mogelijke manier en dat harmoniseren,
zodat bedrijven daarvan op aan kunnen en weten waar ze aan toe zijn. Ik
denk dat het juist heel erg belangrijk is dat alle lidstaten niet los
van elkaar allemaal regels gaan bedenken, maar dat we dit op een
vergelijkbare manier uitvoeren. Ik denk dat dat juist kan leiden tot
minder regeldruk.
De heer Emiel van Dijk (PVV):
Het zou kunnen leiden tot minder regeldruk, maar in de praktijk zien we
altijd dat de Europese Unie niet zorgt voor minder regeldruk, maar enkel
voor meer regeldruk. Om terug te komen op het verhaal van Odido: als je
7 miljoen adressen en persoonsgegevens en dergelijke op straat hebt
laten komen door nalatigheid, doordat je je niet aan de huidige
fungerende regelgeving hebt gehouden, dan zal je daar een boete voor
kunnen krijgen. Dat vind ik heel normaal. De klanten van Odido hebben
namelijk gewoon het nakijken gehad. Als wij ergens een keuze moeten
maken, kiezen we niet voor het bedrijf dat nalatig is geweest, maar voor
de burger die de komende jaren misschien geconfronteerd wordt met
identiteitsfraude en allerlei andere problemen rondom bankzaken en
hypotheken en noem het maar op.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Ik luister met een enigszins verontrustend gevoel naar de bijdrage van
de PVV, ook omdat ik denk dat we anno 2026 de fase wel voorbij zijn dat
je bedrijf veilig houden niet meer is dan een extra schuifje op de
voordeur. Je verdienmodellen vinden op een andere manier plaats dan
fysiek. Dat vraagt ook dat we misschien tien of twintig stappen vooruit
moeten zetten, in plaats van afwachten. Maar goed, iedere fractie kiest
hier natuurlijk haar eigen woorden. Het goede nieuws is — dat is ook
niet altijd zo — dat ik de PVV zich zorgen hoor maken over onze
ondernemers en het bedrijfsleven. Mijn glas is dus halfvol. Ik grijp dat
graag met beide handen aan. Is de heer Van Dijk het niet met mij eens
dat we juist deze ondernemers gaan helpen door op Europees niveau te
zorgen dat de wet- en regelgeving gelijkgetrokken wordt? Daardoor wordt
het concurrerende speelveld tussen Europese landen namelijk steeds
minder en daar worden de Nederlandse ondernemers alleen maar beter van.
Ik snap de zorgen over afspraken op Europees niveau dus niet zo goed.
Misschien kan de heer Van Dijk die nog even toelichten.
De heer Emiel van Dijk (PVV):
Een gelijk speelveld is natuurlijk perfect. Dat is waar de Europese
Economische Gemeenschap juist voor opgericht is. Het is nu echter een
politieke unie geworden. Ze willen een grote geopolitieke speler zijn en
zullen niks nalaten als het gaat om regelgeving uitstrooien over de
lidstaten om daar verder stapjes in te zetten. Gelijk speelveld: ja.
Politieke unie: nee.
Uw eerste vraag ging over de ondernemers. U zei dat we aan de kant van
de ondernemers staan en dat dat positief was. Ja, dat heeft u goed
geconstateerd.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Uw antwoord is natuurlijk in volledige abstractie. Dat snap ik, want u,
zeg ik via de voorzitter, geeft geen antwoord op mijn vraag. U maakt er
een geopolitiek vraagstuk van. Dat mag. Mijn vraag is: welke negatieve
gevolgen zouden Europese ondernemers op dat niveau en op dit moment
ondervinden van afspraken op een gelijk speelveld? Welk nadeel gaan onze
bedrijven hiervan ondervinden?
De heer Emiel van Dijk (PVV):
Dat is een beetje het probleem. Dat gelijke speelveld hadden we onder de
EEG kunnen bereiken. Dat hoeft niet via de Europese Unie te lopen. Ik
snap niet wat daar zo complex aan is. Europese economische samenwerking
is prima, maar op het moment dat dat zich ontwikkelt tot een Brusselse
hegemonie op alle facetten van het leven, vind ik dat we daar paal en
perk aan moeten stellen. Daarom twijfelen wij ook of dit wetsvoorstel,
dat een uitvoering is van de NIS2-richtlijn wel de manier is om dat aan
te pakken.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Ik ga proberen mijn vraag nog simpeler te stellen. Ik denk dat het wel
belangrijk is dat, ondanks wat je vindt van de rol van de Europese Unie
... Mijn fractie maakt zich ook zorgen over nationale koppen op Europese
wet- en regelgeving. Dit is nou juist zo'n wet die ervoor gaat zorgen
dat wij elkaar op Europees niveau niet blijven beconcurreren, omdat we
elkaar aan dezelfde wet- en regelgeving moeten houden, die — laten we
heel eerlijk zijn — van essentieel belang zijn voor u en ik, zeg ik via
de voorzitter, om ervoor te zorgen dat onze persoonsgegevens
daadwerkelijk veilig blijven. Welk nadeel gaan ondernemers ondervinden
van Europese wet- en regelgeving als het gaat om uw en mijn
veiligheid?
De heer Emiel van Dijk (PVV):
Dat heb ik net aangestipt. Dat gaat over investeringen die ze moeten
doen, over 1.250 uur per jaar die ze kwijt zijn aan regelgeving, over de
meldplicht, over alle administratieve rompslomp en over de trainingen en
de bijscholingen en dergelijke die ze moeten gaan doen. Nogmaals, dat
heeft dus niet voorkomen dat de data van Odido, dat zich gewoon aan
nationale regelgeving had moeten houden, alsnog op straat hebben
gelegen. Ik zie dus het nut van extra regelgeving niet, als we de
huidige regelgeving niet handhaven. Een gelijk speelveld is prima, maar
dan wel in beperkte mate.
De heer Van den Berg (JA21):
Ik wil de heer Van Dijk toch wel bijvallen, want ik hoor volgens mij
iets wat ik net ook inbracht in mijn bijdrage, namelijk dat er inderdaad
een gelijk Europees speelveld moet zijn en dat dit niet moet leiden tot
extra lastendruk. Mijn vraag aan de heer Van Dijk van de PVV is dan ook
hoe hij er nou naar kijkt dat je in andere landen een meer coöperatieve
houding ziet bij de toezichthouders en er dus niet gelijk wordt beboet,
en dat het hier in Nederland nog niet zo strak in de wetgeving is
opgenomen, waardoor dit wel zo kan uitpakken?
De heer Emiel van Dijk (PVV):
Daar ben ik geen voorstander van. Ik zou zeggen dat er iets van coulance
moet zijn. Het voorbeeld van Frankrijk dat u noemde, vind ik op zich de
meest logische manier, zeker als je continu met ontwikkelingen te maken
hebt die van invloed zijn op hoe die wet uitwerkt voor bedrijven. Het
lijkt me dat je niet meteen boetes gaat opleggen. We zijn er in
Nederland heel goed in om meteen overal boetes, aanmaningen, brieven en
dergelijke voor te sturen. Ik zou daarin wat milder zijn richting
bedrijven in de uitwerking van deze wet, waarbij de vraag is of die
doorgaat en in welke mate die doorgaat.
De heer Van den Berg (JA21):
Dan nog een open vraag aan de heer Van Dijk: wat zou er nou, ten
opzichte van hoe die nu voorligt, concreet aan deze wet moeten
veranderen om die wel acceptabel te laten worden voor de heer Van Dijk
en de PVV?
De heer Emiel van Dijk (PVV):
Ik had liever gezien dat het initiatief vanuit Nederland zelf was
gekomen zonder dat wij daarvoor dictaten vanuit Brussel over ons heen
gestrooid krijgen. Dan kunnen we namelijk echt maatwerk leveren en
hebben we niet te maken met het grotere ideaal van een Europees gelijk
speelveld. Wat heeft een universiteit in Griekenland er voor baat bij
dat een universiteit in Nederland dezelfde cyberbeveiligingsstandaarden
heeft? Ik zie daar het nut absoluut niet van in, maar tegelijkertijd
moeten we ons er wel aan conformeren en geeft het ons een enorme
bureaucratische rompslomp, die uiteindelijk aan de burger wordt
doorberekend.
Mevrouw El Boujdaini (D66):
Er ligt heel veel nadruk op dat het iets heel negatiefs is voor
bedrijven, maar als we dit vanuit Europa aanpakken, creëren we dus juist
dat gelijke speelveld. Ik hoor de heer Van Dijk ook veel over de boetes,
maar tegelijkertijd heeft de Europese Commissie ook ingeschat dat het
per jaar 180 miljard euro tot 290 miljard euro zou besparen op
cyberincidenten. Dat is wat al die cyberincidenten ons op dit moment
kosten. Ik denk dat het dus ook heel veel kansen biedt. Als we dit goed
doen, goed oppakken en ervoor zorgen dat het uitvoerbaar is, kunnen we
bedrijven hierin juist helpen, doordat het hen niet meer zulke grote
bedragen kost aan wat ze zelf moeten regelen op het moment dat er dus
zo'n cyberincident heeft plaatsgevonden. Ik denk dat deze wetgeving ons
enorm gaat helpen in het kader van "voorkomen is beter dan genezen". Is
de heer Van Dijk dat met mij eens? Ziet hij wat ik net uitlegde ook
zo?
De heer Emiel van Dijk (PVV):
Ik begrijp waar mevrouw El Boujdaini van D66 vandaan komt, maar ik denk
dat in essentie het grootste verschil tussen D66 en de PVV is dat wij
liever zien dat we de regie nationaal houden, dat we onze soevereiniteit
behouden en dat als we vinden dat we geld zouden kunnen besparen door
onze cyberveiligheid op orde te krijgen, het initiatief uit Nederland
zou moeten komen, vanuit het ministerie of vanuit de Tweede Kamer als
het ministerie het zou nalaten. Nationale koppen op Brusselse
regelgeving doen natuurlijk iets anders dan een gelijk speelveld
creëren. Als ik de lijn van de collega's volg, zouden we met de
implementatie van de NIS2-richtlijn nu een gelijk speelveld moeten
krijgen. Maar wat gebeurt er dan? Dan worden er nationale koppen op
gezet. Ik snap dat niet, want die nationale koppen zorgen juist voor een
ongelijk speelveld. Je hebt dus een gigantische toename van bureaucratie
en regelgeving voor bedrijven, en tegelijkertijd creëer je een ongelijk
speelveld door die nationale koppen erop te zetten.
Mevrouw El Boujdaini (D66):
Ik denk dat wat de heer Van Dijk benoemt, het verschil tussen de PVV en
D66, wel klopt. Wij zien inderdaad zeker wel de meerwaarde van deze
wetgeving vanuit Europa. Het mooie is juist dat we nog steeds de ruimte
krijgen voor maatwerk voor ons eigen Nederland, om te kijken wat er het
beste past bij onze bedrijven en organisaties hier in Nederland en wat
ten goede komt aan onze samenleving. Als laatste zou ik dus aan de heer
Van Dijk willen vragen om misschien toch ook te kijken naar de voordelen
van deze wetgeving voor bedrijven. Het is namelijk echt niet alleen
negativiteit en het biedt ook echt wel kansen, ook om geld te
besparen.
De heer Emiel van Dijk (PVV):
Afsluitend. Wij zijn altijd bereid om te kijken naar de voordelen. Wij
zien hier echter alleen meer nadelen. Toch nog even een reactie. U zegt:
"Het is mooi dat we van de EU de ruimte krijgen om ons eigen beleid te
voeren." Dat is dus precies het grote verschil tussen de partij van
mevrouw El Boujdaini en de PVV. Wij vinden het principe van
soevereiniteit zo belangrijk dat het eigenlijk schandalig is dat we hier
van de EU een kruimeltje krijgen om ons eigen beleid te mogen voeren.
Dat zou niet zo moeten zijn. Wij zouden in ons eigen land moeten kunnen
bepalen hoe we de dingen aanvliegen, en niet blij moeten zijn dat de EU
ons de ruimte heeft gegeven om binnen de richtlijnen en verordeningen
die zij over ons uitstrooit nog kleine keuzes te maken.
De voorzitter:
Meneer Van Dijk, u kunt verder met uw betoog.
De heer Emiel van Dijk (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Leg de focus op de echte vitale systemen van de
overheid, de gemeenten, kritieke infrastructuur, Defensie en telecom.
Bescherm die sectoren streng met Nederlandse oplossingen die passen bij
onze situatie en dus niet met EU-lagen die innovatie remmen en kosten
opdrijven. Wij staan voor Nederland eerst. Sterke cyberweerbaarheid: ja,
maar betaalbaar en zonder dat hardwerkende ondernemers en burgers
opdraaien voor Brusselse overregulering. Stop met de eindeloze
regelstroom die onze economie verder verzwakt. Investeer in eigen
capaciteit bij de politie, inlichtingendiensten en experts om dreigingen
aan te pakken in plaats van bedrijven te dwingen tot dure
administratieve oefeningen. Wij willen een Nederland waarin bedrijven
kunnen ondernemen zonder overmatige bureaucratie vanuit de EU en waarin
de burger niet direct op kosten wordt gejaagd door elke nieuwe
EU-richtlijn. Cyberdreigingen aanpakken: absoluut, maar doe het op z'n
Nederlands — proportioneel en zonder de gewone man en het mkb kapot te
reguleren.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank voor uw bijdrage. Dan vraag ik even aan de heer Van den Berg of hij
het voorzitterschap over wil nemen om het woord te kunnen geven aan het
lid Kathmann van GroenLinks-Partij van de Arbeid.
Voorzitter: Van den Berg
De voorzitter:
At your service. Ik geef het woord aan mevrouw Kathmann van
GroenLinks-Partij van de Arbeid.
Mevrouw Kathmann (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Veiligheid, weerbaarheid, het toverwoord
"cyber": het is het heetste onderwerp in de politiek — eindelijk, zou ik
willen zeggen. Een onzekere wereld dwingt tot actie, en maar goed ook,
want het denken over onze infrastructuur moet radicaal anders. De
computers waar onze economie en ons land op draaien, zijn eindelijk
onderwerp van gesprek. Het doet ertoe wie de baas is over die computers
en hoe ze beveiligd worden, want door die kabels, chips en serverkasten
blijft ons land overeind. Of je nou een ziekenhuis, een postbedrijf of
een middelgrote gemeente bent, je hebt een verantwoordelijkheid. Te lang
is dat niet zo geweest. Grote bedrijven en de overheid kochten hun
ICT-spullen in alsof het kantoorartikelen waren, niks meer dan pennen,
printpapier en een nietmachine. Achteraf zijn we daar waarschijnlijk
naïef in geweest, want in onze digitale infrastructuur kunnen we het
hardst geraakt worden. Eén gerichte cyberaanval en een deel van onze
economie functioneert niet meer. Eén leverancier die zich terugtrekt en
gemeenten liggen op hun gat. Digitale spionage en ddos-aanvallen zitten
inmiddels in de gereedschapskist van iedere boef. Maar ook ons denken
over fysieke veiligheid moet beter, want sabotage ligt niet alleen
digitaal op de loer. Een onbeschermde datakabel, een deur die te
gemakkelijk opengaat of een hek waar je zo een gat in knipt: ook dat
zijn kwetsbare plekken. Op die manier kunnen boeven toegang krijgen tot
een sluis, een laboratorium met kostbare spullen of een gemeentehuis.
Als je rommelt met zulke belangrijke organisaties, heeft dat hele grote
gevolgen. Dat zijn namelijk kritieke entiteiten, die onmisbaar zijn voor
ons land.
Kortom, ik wil maar zeggen: goed dat deze wetten er zijn.
GroenLinks-Partij van de Arbeid steunt de Cyberbeveiligingswet en de Wet
weerbaarheid kritieke entiteiten. Met deze wetten gaan we samen met
andere Europese landen één plan trekken voor onze cyberveiligheid en
voor de fysieke veiligheid van belangrijke organisaties. Veiligheid
hoort thuis aan elke bestuurstafel. Dat geldt met name voor
cyberveiligheid. Deze wetten dwingen dat af.
Maar met hoe groot deze wetten zijn, begin ik even bij stap één. Ik
vraag de minister het volgende. Kan hij heel concreet samenvatten wat er
straks eigenlijk gaat veranderen als deze wetten worden aangenomen? Wat
is nou precies een essentiële entiteit, een belangrijke entiteit en een
kritieke entiteit? Kan hij per entiteit een paar voorbeelden opnoemen?
Op welke manier wordt Nederland weerbaarder en veiliger van deze wetten?
Wat gaan burgers hiervan merken? Wat gaan de entiteiten merken van de
nieuwe wetten? Wat is de zorgplicht? Wat is de meldplicht? Hoe wordt er
toezicht gehouden? Welke crisisteams, de zogenaamde CSIRT's, worden er
straks aangewezen voor de sectoren? Welke nieuwe moeten er nog worden
opgericht?
Ik stel die vragen omdat ik wil dat mensen begrijpen wat er nu eigenlijk
gaat veranderen. Wij moeten duidelijk maken hoe we burgers veilig
houden. Cyberveiligheid en weerbaarheid is iets voor ons allemaal. Het
zijn niet zomaar buzzwords voor bestuurders en politici om over te
kletsen. Het is een belofte die wij aan burgers geven: dat wij hun recht
op een veilig leven ook serieus nemen.
Ik wil wat langer doorgaan over de positie van de burger. Deze wetten
richten zich namelijk volledig op wat er binnen organisaties moet
gebeuren. Het betreft de maatregelen die je moet nemen om je beter te
beschermen. Dat is de zogenaamde zorgplicht. Ook gaan ze over hoe je
melding moet maken als er iets misgaat. Dat is de meldplicht. Maar we
leven niet op een eiland met alleen maar bestuurders, CEO's en
toezichthouders, die samen afspraken maken. Een datalek of een aanval op
infrastructuur is allang geen kwestie van bedrijfsvoering meer. Het is
een kwestie van nationaal belang. Het heeft gevolgen voor mensen.
Neem het voorbeeld van een groot datalek. We hoeven daar niet ver voor
te zoeken, want we hebben het meegemaakt met de miljoenen Odidoklanten
van wie de gegevens nu op straat liggen en met alle vrouwen die
getroffen zijn door het datalek bij het bevolkingsonderzoek
baarmoederhalskanker. Terwijl de ministeries, de toezichthouders en de
organisaties druk met elkaar in de weer zijn, blijven de slachtoffers
eigenlijk nog steeds bekaaid achter. Ze hebben hele terechte, praktische
vragen. Wat moet ik doen om mezelf te beschermen? Waar moet ik op
letten? Welke telefoontjes of mailtjes kan ik niet meer vertrouwen? Kan
ik mijn burgerservicenummer vervangen om fraude te voorkomen? Die vragen
krijg ik als Kamerlid binnen van de mensen die ik vertegenwoordig.
Vergeet niet: hoe belangrijk de cyberveiligheid van bedrijven en
overheden wel niet is, als het misgaat zijn individuele klanten en
burgers de allergrootste pineut.
Met name denk ik aan de kwetsbare groepen in Nederland, mensen voor wie
hun privacy een essentiële veiligheidsgarantie is. Denk aan slachtoffers
van huiselijk geweld van wie het huisadres is gelekt, aan publieke
personen die anonimiteit nodig hebben om ongestoord door de dag te komen
of aan lhbti'ers die voor hun eigen veiligheid zijn wegverhuisd en nu
met één zoektocht op het darkweb weer vindbaar zijn geworden. Ik wil een
wet die hun rechten beschermt.
Daarom pleit ik ervoor om een wettelijke nazorgplicht te introduceren.
In zo'n wet staat precies hoe slachtoffers na een grote cyberaanval of
een datalek geïnformeerd en geholpen moeten worden. Als we niet steviger
opkomen voor slachtoffers, dan verliezen zij hun vertrouwen in de
overheid en in de grote bedrijven die onmisbaar zijn in ons land. Zonder
dat vertrouwen breekt precies datgene af wat we met deze nieuwe wet
willen beschermen.
Daarom vraag ik het volgende van de minister. Hoe kijkt hij naar het
maken van een nieuwe wet met een nazorgplicht? Is hij het met me eens
dat dit de rechten van slachtoffers van een datalek meer zekerheid kan
geven? Is de positie van slachtoffers goed genoeg vastgelegd in de
Cyberbeveiligingswet en de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten? Welke
verplichtingen gelden er voor de overheid en entiteiten als een
cyberaanval een hoop slachtoffers maakt? Op welke hulp kunnen
slachtoffers zich beroepen? Is de minister bereid om te verkennen hoe
hun rechten wettelijk vastgelegd kunnen worden met een nazorgplicht voor
de overheid en entiteiten?
Dan het basispakket digitale veiligheid. Eerder pleitte ik ook voor een
basispakket digitale veiligheid: een bundel van cybersecuritysoftware
die is gemaakt door het Nederlandse bedrijfsleven en die centraal wordt
aangeboden door de overheid in samenwerking met diezelfde bedrijven. Ik
weet dat er op de markt genoeg oplossingen zijn, maar als cybersecurity
alleen is weggelegd voor mensen die weten wat een VPN is en die snappen
welke wachtwoordmanager het beste uit de test komt, dan constateer ik
dat het gewoon niet toegankelijk genoeg is. De opdracht is helder: ook
mijn oude buurvrouw moet online veilig zijn, niet alleen de techneut die
thuis zijn eigen mailserver draait. GroenLinks-Partij van de Arbeid wil
een toegankelijk pakket met een VPN, een wachtwoordmanager,
antivirussoftware en een adblocker, gemaakt met gebruiksgemak voor elke
doelgroep en makkelijk te installeren op meerdere apparaten. De motie
die ik hierover heb ingediend, heb ik aangehouden, omdat de
staatssecretaris Digitale Economie tijd nodig had om die te appreciëren.
De appreciatie is er nog niet, dus ik probeer het nog een keer in dit
debat. Is de minister het met me eens dat cyberveiligheid ook voor
individuele burgers bereikbaar, betaalbaar en begrijpelijk moet zijn?
Hoe kijkt de minister naar mijn voorstel voor een basispakket digitale
veiligheid? Op welke manier zou dit samen met de markt vormgegeven
kunnen worden? Is de minister bereid om samen met Economische Zaken en
Binnenlandse Zaken te bezien hoe een basispakket digitale veiligheid
gerealiseerd kan worden?
Dan kom ik weer bij de wetten. Die roepen bij mij een hele hoop vragen
op. Hoe blij ik ook ben dat ze er zijn, ook al zijn ze een beetje laat:
er valt nog wel wat op af te dingen, onder andere wat betreft de hele
waslijst aan dingen die nog moeten worden uitgewerkt. Denk hierbij aan
de hoeveelheid belangrijke zaken die niet eens in de wet staan, maar in
regeltjes die nog moeten worden gemaakt. Ook een hoop praktische dingen
en randgevallen zijn nog niet duidelijk. Ik zal er hier niet een aantal
noemen, want dat gaan heel lang duren. Maar ik heb hier al één, twee,
een heleboel pagina's voor me met onduidelijkheden. Ik noem bijvoorbeeld
een meldportaal dat nog niet duidelijk is, de rol van de toezichthouder
en de nieuwe, maar nog onbekende taken van het Nationaal Cyber Security
Centrum. Dit is echt nog maar een hele kleine greep uit alles wat nog
boven de markt hangt. Over wetten die zo lang in de oven hebben gezeten,
had ik eerlijk gezegd meer zekerheid verwacht. We tuigen een heel nieuw
systeem van regels, toezicht en handhaving op, maar niemand weet nog hoe
dat er precies uit gaat zien.
We nemen dus straks misschien wetgeving aan zonder te weten of het
allemaal uitvoerbaar is. In gesprekken met bedrijven, gemeenten en
andere organisaties die straks aan de wetgeving moeten voldoen, hoor ik
dit ook terug als een van hun grootste zorgen. Herkent de minister die
kritiek op de uitwerking van de wetten? Hoe zorgt hij ervoor dat de
naleving niet een groot fiasco wordt als de wetten eenmaal zijn
aangenomen? Kan de minister aangeven wanneer hij verwacht dat alle
punten zijn uitgewerkt? Ik heb die punten net dus niet allemaal
opgenoemd, maar die zijn wel genoemd in allerlei memories van
toelichting en beantwoordingen. Is de minister bereid om schriftelijk
een overzicht te geven van alle punten waarop de wetten nog nader worden
uitgewerkt, samen met een tijdlijn van wanneer we een uitwerking kunnen
verwachten?
Dit brengt me meteen bij een belangrijk punt van kritiek op de wetten.
Er is namelijk ontiegelijk veel uitgewerkt in lagere regelgeving. In
normale mensentaal zegt dat eigenlijk: we hebben een wet geschreven,
maar hoe je die regels eigenlijk naleeft, moet je maar zien in de
bijlagen die we later nog wel gaan opsturen. In sommige gevallen snap ik
dat echt, maar als het gaat om twee wetten die zo lang op zich hebben
laten wachten en waar zo veel urgentie achter zit, snap ik het minder
goed. We bespreken twee wetten met zware verplichtingen, die heel veel
open eindjes hebben. Toen ik in de schriftelijke ronde vroeg waarom de
zorgplicht pas in het Cyberbeveiligingsbesluit — dat is dus die bijlage
waar ik het over had — staat, kreeg ik als antwoord dat dat alleen maar
om een uitwerking gaat. Dat is niet helemaal zo. Ten eerste is de
uitvoering ervan knetterpolitiek. Het is één ding om op te schrijven dat
je meer aan je veiligheid moet doen, maar het is nog steeds een
politieke vraag wát je dan precies moet doen. Wanneer ben je als
entiteit cyberveilig? Hoe bescherm je je fysieke infrastructuur? Kortom,
wanneer voldoe je aan de wet? Die vragen moet je duidelijk kunnen
beantwoorden. Als je de hele kern van een wet pas in lagere regels
uitwerkt, is dat moeilijk.
Gelukkig hebben we het Cyberbeveiligingsbesluit en het Besluit
weerbaarheid kritieke entiteiten goed ontvangen. Maar ook daar staan nog
zaken in die niet uitgewerkt zijn. Voor de entiteiten én voor de
volksvertegenwoordiging is dat lastig controleren. Ik heb daarover een
aantal vragen. Heeft de mate waarin dingen nog verder worden uitgewerkt
te maken met haast? Is het te laat implementeren van de richtlijnen een
reden geweest om veel dingen in lagere regelgeving te bepalen? Heeft de
minister overwogen om meer zaken al op het niveau van de wet duidelijk
te maken? Waarom is de afweging gemaakt om vooral de zorgplicht, een
heel zwaar middel, in algemene maatregelen van bestuur te zetten? Is de
minister bereid om in de evaluatie van de wetten, die ergens in de
komende vier of vijf jaar plaatsvindt, te bezien of er met een
wetswijziging alsnog meer zaken in de wet zelf geregeld kunnen worden,
en wat daar de voor- en nadelen van zijn? Dit is waarom ik voor allebei
de wetten een amendement heb ingediend om een voorhangprocedure toe te
voegen. Als er iets aan de uitwerking van de wetten verandert, specifiek
als het gaat om de zorgplicht, dan moet de Kamer daarover geïnformeerd
worden. Zo wordt de uitvoering van de wetten beter controleerbaar en
geven we onszelf de kans om in te grijpen als de wetten niet goed worden
uitgewerkt. Hoe kijkt de minister naar mijn voorstel over het toevoegen
van een voorhang voor de zorgplicht bij beide wetten? Hoe gaat hij
ervoor zorgen dat de uitwerking van de twee wetten zorgvuldig,
transparant en met zo veel mogelijk inspraak van zowel de entiteiten als
de Kamer plaatsvindt?
In die lage regelgeving staat iets heel zwaars. Dat gaat om de
interventiebevoegdheid.
De voorzitter:
Mevrouw Kathmann, ik zat al even te zoeken naar een moment, omdat ik uw
vlammende betoog niet wilde onderbreken. Maar u heeft een interruptie
van de heer Van den Berg van JA21 en dat ben ikzelf.
Ik hoor u steun uitspreken voor beide wetten, zowel voor de
Cyberbeveiligingswet als voor de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten.
Maar ik hoor tegelijkertijd ook een bak aan kritiek, die ik terecht
vind. Er zijn heel veel vragen. U zegt onder andere dat er een
wettelijke nazorgplicht moet komen. U vraagt waarom het in lagere
regelgeving is uitgewerkt en of er haast bij is geweest. Als u al die
kritiekpunten heeft en er nog zo veel moet veranderen, waarom zou je dan
aan de voorkant toch alvast steun uitspreken? Is dat niet de omgekeerde
richting?
Mevrouw Kathmann (GroenLinks-PvdA):
Nee, de cyberveiligheid van Nederland, waar deze wetten een hoop voor
gaan doen, is echt ongelofelijk belangrijk. Daar moet urgentie voor zijn
en dat moeten we gewoon zo snel mogelijk met elkaar willen doen. Ik ben
heel blij dat deze wetten er nu liggen. Ik heb alleen wel met volgens
mij vier amendementen gepoogd om die onduidelijkheden eruit te halen via
die voorhang. Dan worden we als Kamer heel goed geïnformeerd over de
verdere uitwerking. Daar kunnen we dan nog dingen aan veranderen. U
heeft ook gezegd: laten we de wet eerder evalueren. Ik heb de minister
net gevraagd: kunnen we bij de evaluatie kijken of we dan nog dingen in
de wet willen regelen in plaats van in lage regelgeving of bij algemene
maatregel van bestuur? Er zijn nog een aantal dingen waarover ik per
amendement of motie duidelijkheid probeer te scheppen. Het gaat mij
vooral om die onduidelijkheid. Ik heb het idee dat de minister dat ook
wel ziet. Dat blijkt uit de beantwoording van eerdere vragen. Ik hoop
vooral dat we vandaag heel veel zaken kunnen doen en dat we ook nog
zaken kunnen doen als de wet geëvalueerd wordt.
De voorzitter:
Mevrouw Kathmann heeft dus wel het gevoel dat de wetten, als al die
zaken worden doorgevoerd, allebei goed genoeg zijn om echt een bijdrage
te kunnen leveren aan de cyberveiligheid van Nederland?
Mevrouw Kathmann (GroenLinks-PvdA):
Ja, dat heb ik zeker. Dat is zeker zo als wij als Tweede Kamer onze
controlerende taak beter kunnen borgen. Dat vind ik echt heel
belangrijk. Ik ga het zo even hebben over de interventiebevoegdheid.
Daar wil ik gewoon meer duidelijkheid over en ook, zoals ik net al zei,
over de voorhang. Dat zijn op zich elementaire dingen, waardoor wij ons
werk beter kunnen doen en we de wet misschien in een later stadium nog
kunnen aanscherpen. En dan zou ik zeggen: zo snel mogelijk gaan met die
banaan, want we kunnen gewoon niet langer wachten.
De voorzitter:
Dan geef ik als voorzitter het woord terug aan mevrouw Kathmann voor het
vervolg van haar betoog.
Mevrouw Kathmann (GroenLinks-PvdA):
In die lagere regelgeving staat iets heel zwaars. Het gaat om de
interventiebevoegdheid, oftewel om artikel 18 van het
Cyberbeveiligingsbesluit en artikel 13 van het Besluit weerbaarheid
kritieke entiteiten. Dit is een uitwerking van de zorgplicht die de
vakminister de mogelijkheid geeft om diensten en producten te verbieden,
oftewel de interventiebevoegdheid. Laat ik vooropstellen dat het
helemaal geen gek idee is. Als we weten dat ergens een component in een
systeem zit, dat er ergens een stukje software wordt gebruikt of dat er
een bepaald onderdeeltje in de harde infrastructuur is dat ons kwetsbaar
maakt, dan moeten we dat kunnen uitfaseren. GroenLinks-Partij van de
Arbeid staat dus achter de interventiebevoegdheid, maar laten we wel
wezen: het is een heel zwaar middel, dat niet even in een lagere regel
moet worden neergezet, bijna uit het niks, als een onderdeeltje van de
zorgplicht. Dat is eigenlijk een grote verrassing. Daarom heb ik twee
amendementen ingediend: eentje voor de Cyberbeveiligingswet en eentje
voor de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten. Die amendementen doen niks
anders dan de interventiebevoegdheid uit de lagere regels halen en
netjes in de wet zetten.
Voor de Cyberbeveiligingswet stel ik voor om artikel 21a toe te voegen.
Dat is letterlijk dezelfde tekst als de minister al wil plus een beetje.
Ik stel namelijk twee extra dingen voor. Ten eerste stel ik voor dat
ingrijpen door de vakminister een laatste redmiddel is, echt een last
resort. Eerst moet vaststaan dat er geen andere maatregelen zijn die de
risico's voor de nationale veiligheid wegnemen. Dat spreekt misschien
voor zich, zou je denken, maar door dit in de wet te zetten voorkom je
dat we dit zware middel zonder goede reden inzetten. Dat moet altijd
gegrond zijn en dat zorgt voor rechtszekerheid voor entiteiten.
Ten tweede stel ik een inspanningsverplichting voor. De vakminister en
het sectorale crisisteam, het CSIRT, moeten samen met de entiteit die
iets moet afsluiten, kijken of er ondersteuning bij nodig is. Je kunt
niet zomaar verwachten dat entiteiten dit in hun eentje kunnen doen,
vooral als het gaat om een bijna onmisbaar deel van hun dienstverlening.
"Er hoeft niks te gebeuren" kan ook een uitkomst zijn van de
inspanningsverplichting. Als je een entiteit vraagt om iets helemaal uit
te faseren, dan vind ik het de verantwoordelijkheid van de vakminister
en het crisisteam om daarbij te helpen. Daarbij blijft de
dienstverlening van de entiteit ook overeind.
Ik ga echt uit van de beste intenties bij het inzetten van de
interventiebevoegdheid, maar de vakminister zomaar op zijn of haar
blauwe ogen geloven, is volgens mij niet hoe wij hier met elkaar
wetgeving moeten beoordelen. De manier waarop de bevoegdheid nu is
opgeschreven, is dan ook echt te kort door de bocht. Met mijn amendement
hoop ik op meer zekerheid. Politieke willekeur van het kabinet hoop ik
ook te voorkomen, maar de mogelijkheid om in te grijpen blijft wel
gewoon overeind, alleen met een paar nieuwe vangrails, zodat de
vakministers niet uit de bocht kunnen vliegen.
Voor de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten gaat het trouwens om een
heel nieuw artikel 15a, dat een uitwerking is van de zorgplicht in
artikel 15. Het amendement is vrijwel identiek, alleen gaat het om
kritieke entiteiten en fysieke diensten en producten. In de
inspanningsverplichting van dit amendement is er geen rol weggelegd voor
de toezichthouder, omdat voor deze wet een groepje aangewezen ambtenaren
de toezichthoudende partij is. Dat zou dus dubbelop zijn. Daarom is het
de vakminister die dit samen met de entiteit uitzoekt.
Over mijn amendementen heb ik een paar vragen. Ten eerste ben ik heel
benieuwd hoe de minister de amendementen beoordeelt. Het is vrijwel
dezelfde tekst als in de lage regelgeving, maar dan in de wet. Is hij
het met me eens dat we op deze manier een duidelijker kader geven aan de
interventiebevoegdheid? Hoe kijkt hij specifiek naar de nieuwe
toevoegingen, die stellen dat het een last-resortmaatregel moet zijn en
dat er een inspanningsverplichting moet komen? Hoe kijkt de minister
naar de mogelijkheid om, als dat nodig wordt geacht, ook financiële
steun te leveren bij het weren van een dienst of product? Is de minister
daartoe bereid en, zo ja, wat is de hoogte van zo'n bijdrage zonder dat
die staatssteun wordt?
Ik zeg het even hardop: deze amendementen zijn een uitgestoken hand,
want mijn doel is duidelijk. De interventiebevoegdheid moet blijven,
maar hoort thuis in de wet, met een duidelijke grens. Dit weegt voor
mijn fractie zwaar. Ik hoop dan ook dat de minister niet met een harde
"nee" komt, maar met mij meedenkt over hoe wij dit een beetje netjes in
de wet kunnen krijgen. Zou hij anders in een schriftelijke beantwoording
alternatieven kunnen noemen, mochten de amendementen niet op zijn steun
kunnen rekenen?
Over de interventiebevoegdheid heb ik nog één grote vraag.
GroenLinks-Partij van de Arbeid heeft duidelijk gemaakt dat één van onze
grootste veiligheidsproblemen de totale eenzijdige afhankelijkheid van
vooral Amerikaanse software en hardware is. De interventiebevoegdheid
wordt ingezet als er sprake is van diensten of producten van een bedrijf
uit een land dat op gespannen voet staat met Nederland, dat verplicht is
om inlichtingen met de overheid te delen en uitgebreide toegang geeft
tot onze systemen. Daar is nu dus eigenlijk volop sprake van. In ons
land zijn wij massaal afhankelijk van Amerikaanse ICT-diensten, waardoor
bedrijfsgeheimen en burgergegevens direct onder de reikwijdte van
spionagewetten vallen. Denk aan de CLOUD Act, de Foreign Intelligence
Surveillance Act en aan Executive Order 12333.
Over die interventiebevoegdheid heb ik wat vragen. Is de minister bereid
om die bevoegdheid in te zetten om gevaarlijke afhankelijkheden in onze
dienstverlening terug te dringen? Kan hij klip-en-klaar uitleggen waarom
ICT-diensten uit de Verenigde Staten níet zouden voldoen aan de
voorwaarden om deze interventiebevoegdheid in te zetten? Wanneer zou
hier wel sprake van zijn? Kortom: kan de minister heel duidelijk zeggen
wanneer hij bereid is om de interventiebevoegdheid in te zetten? Volgens
mij is mijn punt duidelijk: hoe, wanneer en waarom de
interventiebevoegdheid wordt ingezet, moet transparant en controleerbaar
zijn. Ik roep de minister op om dit zo concreet mogelijk te maken
voordat de wetten in werking treden.
Straks worden duizenden organisaties aangemerkt als entiteiten als zij
onder de nieuwe wetten vallen. Bij de Cyberbeveiligingswet wordt
uitgegaan van zo'n 8.100 essentiële en belangrijke entiteiten. Let wel
op: in het Cyberbeveiligingsbesluit is sprake van 7.550 entiteiten. Ik
hoor graag wat het echte aantal is. De Wet weerbaarheid kritieke
entiteiten gaat uit van 500 organisaties die worden bestempeld als
kritieke entiteiten. Er is dus wel een schatting gemaakt, maar een
organisatie moet zelf uitzoeken of zij ook echt zo'n entiteit is.
Organisaties moeten een vitaalbeoordeling uitvoeren om te achterhalen of
zij daaronder vallen. Voor wetten die strenge, nieuwe verplichtingen
opleggen, is dat toch best vrijblijvend. Mijn zorg is dat er straks
organisaties zijn die helemaal niet weten of zij onder deze wet vallen.
Daarover heb ik wat vragen. Hoe zullen alle entiteiten zich volgens de
minister met zo'n vitaalbeoordeling identificeren? Ziet hij het risico
dat er organisaties zijn die de beoordeling niet doen en er dus niet van
op de hoogte zijn dat zij onder de nieuwe wet vallen? Is er geen risico
op onderrapportage doordat organisaties de beoordeling niet invullen om
de verplichting uit de weg te gaan? Hoe snel verwacht de minister dat
alle entiteiten in kaart zijn gebracht? Hoe gaat hij alle vermoedelijke
entiteiten zover krijgen om die beoordeling in te vullen?
GroenLinks-Partij van de Arbeid vraagt zich af waarom het kabinet wél in
staat is om zo'n schatting te maken, maar niet in staat is om die
bedrijven proactief aan te schrijven met het simpele bericht "u bent
vermoedelijk een entiteit; doe nu de test". Is de minister bereid om
alsnog alle organisaties aan te schrijven waarvan hij volgens zijn eigen
inschatting vermoedt dat zij entiteiten zijn? Kan hij via de voorzitter
met de Kamer delen hoe hij de inschatting van het aantal entiteiten
heeft gemaakt? Kan hij dit getal uiteenzetten per sector en laten zien
hoe hij die organisaties gaat benaderen?
Er is al een hele waslijst aan handreikingen, handboeken, infosheets,
brochures en onlinetools gemaakt over de NIS2-richtlijn en de
CER-richtlijn. Kan de minister zeggen hoe vaak deze al zijn gebruikt? Is
dat in lijn met wat hij verwacht? Worden de beschikbare hulpmiddelen nog
gebundeld en op één centrale plek aangeboden, zodat organisaties heel
makkelijk alle informatie kunnen vinden?
Het omschakelen van papier naar praktijk wordt een uitdaging. Met deze
wet willen we alles opknippen in keurige sectoren met dezelfde
standaarden voor de maatregelen die je neemt en de manier waarop je
informatie deelt. Maar hoe graag we dat ook willen, we weten maar al te
goed hoe weerbarstig de realiteit is. Volgens mij is al door een
x-aantal partijen gevraagd hoe gemeentes dat dan zouden moeten doen. Dit
stukje kort ik daarom in.
Wat overblijft, is de Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden. Die is
niet uitgevoerd. Is de minister bereid om die wel uit te voeren voordat
de wetten in werking treden? Wat gaat de minister doen om de rollen van
vakministers, toezichthouders en de sector zo goed mogelijk vast te
leggen? Wanneer en hoe worden deze stelselafspraken gemaakt?
De volgende vragen in mijn tekst kan ik volgens mij ook overslaan. Dat
is al allemaal gevraagd.
Een praktisch punt waar entiteiten mee te maken krijgen, is het doen van
een melding. Melding doen van een cyberaanval is straks niet meer
vrijwillig; als je als entiteit aan een bepaalde drempelwaarde voldoet,
is het verplicht. Ik kijk ernaar met het motto "je bent een held als je
meldt", want we moeten echt zo veel mogelijk meldingen binnenkrijgen.
Laten we ervan uitgaan dat iedereen melding doet als er iets ergs
gebeurt. Dat moet zo makkelijk mogelijk zijn, het liefst op één
gestandaardiseerde manier voor alle soorten meldingen, ook voor
meldingen die je moet doen op grond van andere sectorale wetgeving of
die volgen uit de AVG wanneer er sprake is van persoonsgegevens. Kortom,
ik pleit voor één integraal en overzichtelijk meldloket voor
entiteiten.
Daarover heb ik een aantal vragen. Hoe kijkt de minister aan tegen één
centraal meldloket voor alle soorten meldingen die entiteiten moeten
doen? Zijn er mogelijkheden om dit goed te bundelen en, zo ja, wat voor
soort meldingen kunnen centraal in één zo'n loket worden gebundeld? Is
de minister bereid om tot één meldloket te komen voor zo veel mogelijk
soorten meldingen, om het voor entiteiten zo makkelijk mogelijk te maken
om informatie aan de toezichthouder door te geven? De meldingsbereidheid
moet hoe dan ook omhoog. GroenLinks-Partij van de Arbeid vraagt zich af
hoe het nu staat met de meldingsbereidheid. Kan de minister aangeven hoe
het er nu voor staat met de meldingsbereidheid onder organisaties die
een lek, aanval of kwetsbaarheid aantreffen? Wordt er in de meeste
gevallen melding gemaakt?
Dan gegevensdeling. Daar zijn volgens mij ook al een aantal vragen over
gesteld. Ik kijk even of ik mijn tekst hierover nog een beetje kan
inkorten. De cyberveiligheid van de CSIRT's moet net zo waterdicht zijn
als van alle entiteiten waar ze op toezien. Ik hoor de heer Van den Berg
buiten de microfoon al "ja" zeggen. Heeft hij daar vragen over
gesteld?
Wat betreft de bewaartermijn sluit ik mij aan bij de vragen van JA21. Ik
heb nog wel de vraag hoe de minister erop toeziet dat de gegevens die de
CSIRT's gaan verwerken, goed beveiligd worden. Kan hij vertellen welke
technische veiligheidsmaatregelen hij neemt om daarvoor te zorgen? Over
de bewaartermijn zijn al de nodige vragen gesteld.
De voorzitter:
Ik heb wel een vraag aan mevrouw Kathmann van GroenLinks-Partij van de
Arbeid. U sprak over een centraal meldpunt en de veiligheidseisen bij de
CSIRT's. U zei dat de veiligheid waterdicht moet zijn. Juist als zij die
bijzondere gegevens heel erg lang bewaren, zijn zij zelf ook een
doelwit, omdat vijandige mogendheden die gegevens bijvoorbeeld zouden
willen hebben. Daar heb ik een amendement voor voorbereid. Daarin staat
dat we minimale waarborgen moeten toevoegen voor onafhankelijk toezicht,
zodat, als het onder een ministerie valt, datzelfde ministerie of een
toezichthouder van dat ministerie er geen toezicht op kan houden. Dat is
een beetje de slager die zijn eigen vlees keurt. Hoe kijkt mevrouw
Kathmann naar die aanpak? Zou dat goed zijn?
Mevrouw Kathmann (GroenLinks-PvdA):
Ja, dat zou een goede aanpak zijn. Ik ga zo met heel veel enthousiasme
naar uw amendement kijken. Ik heb op dat terrein wat vragen overgeslagen
om tijd te winnen, maar die lopen we nu gewoon weer in. Ik ga dus zeker
met veel enthousiasme naar uw amendement kijken.
De voorzitter:
Hartstikke mooi. Gaat u verder met uw betoog.
Mevrouw Kathmann (GroenLinks-PvdA):
Ook onmisbaar in ons informatielandschap zijn de gegevens die
publiek-privaat worden gedeeld. Hoewel we trots kunnen zijn op alle
bedrijven die hun kostbare gegevens nu al met autoriteiten delen, past
het niet dat we voor ons dreigingsbeeld volledig afhankelijk zijn van
private inlichtingen. Onze publieke instellingen moeten die competentie
gaan kweken, maar die zijn daar niet van de ene op de andere dag toe in
staat. Momenteel zijn er organisaties die volgens de wet data mogen
uitwisselen met het Nationaal Cyber Security Centrum, de zogenaamde
OKTT-organisaties. Nu is er wat onduidelijkheid ontstaan over of dit
onder de nieuwe wetten nog steeds relevante partijen zijn die data mogen
uitwisselen. Kan de minister bevestigen dat de OKTT-organisaties onder
de twee nieuwe wetten nog steeds relevante dreigingsinformatie mogen
ontvangen om te delen met hun achterban binnen de sectoren? Als dat niet
het geval is, waarom dan niet, en hoe wordt die taak dan wel
ingevuld?
De volgende grote zorg van GroenLinks-Partij van de Arbeid betreft de
centen. Het verbeteren van je ICT-kennis, het opleiden van je bestuur,
het opstellen van een cyberplan en het nemen van allerlei maatregelen om
jezelf digitaal en fysiek te beschermen, komt met een prijskaartje. Er
zijn straks duizenden organisaties die daarmee aan de bak moeten. Dat is
kostbaar. Er komt ook een flinke nieuwe taak bij voor het bestaande
personeel. Als organisaties zulke expertise van buiten moeten inkopen,
vissen ze ook nog eens met z'n allen uit dezelfde vijver. Ik wil
eigenlijk dat iedereen klaar is voor deze start zodra de wetten zijn
aangenomen, met genoeg geld op de plank en een goed idee over welke
stappen je als organisatie moet nemen om de wet te volgen.
Kan de minister helder schetsen wat er van entiteiten wordt verwacht in
het eerste jaar nadat de wetten zijn aangenomen? Welke deadlines gelden
er? Hoe moeten entiteiten of organisaties die dat waarschijnlijk zijn,
zich voorbereiden op de nieuwe wetten? Hoe maken zij een realistische
inschatting van de nieuwe taken en financiële lasten? Welke indicaties
heeft de minister dat entiteiten voorbereid zijn op de nieuwe taken en
financiële lasten van de nieuwe wetten? Verschilt deze paraatheid per
sector? Waar zitten de risico's? Als er voor entiteiten praktische of
financiële drempels zijn om aan de wet te voldoen, welke publieke taak
heeft de minister dan om hen bij te staan?
Al die nieuwe taken komen met een nieuw stelsel van toezicht. Sommige
bestaande inspecties en waakhonden worden uitgebreid. Voor sommige
sectoren komen er geheel nieuwe toezichthouders. Dat is maar goed ook,
want elke sector verdient een aanspreekpunt en een handhaver van de
nieuwe wetten. GroenLinks-Partij van de Arbeid maakt vaker het punt dat
cyberwetgeving te weinig oog heeft voor de positie van de
toezichthouder. Veel te vaak wordt er gesteld dat er amper extra taken
bij komen, dat het budget wel voldoende is en dat er altijd verdere
afspraken gemaakt kunnen worden. Bij deze wetten ben ik er ook niet
gerust op. Het toezicht staat in Nederland namelijk al onder druk en er
gaan al heel veel incidenten aan ons voorbij omdat we de tegenmacht niet
genoeg knaken geven voor al hun taken. Dat mag bij de
Cyberbeveiligingswet en de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten niet
gebeuren.
Kijk naar de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, waarvoor nu al wordt
gesteld dat er mogelijk meer geld nodig is om de naleving van de wet te
kunnen controleren. Hoe kun je dat nou zeggen en vervolgens ook aangeven
dat je het pas zeker zal weten nadat de wet in werking is getreden? Wat
gaat de minister doen om toezichthouders, zoals de IGJ, van tevoren al
zekerheid te geven over hun budget? Als blijkt dat toezichthouders
onvoldoende geld hebben, hoe gaat de minister hen dan ondersteunen,
zodat ze niet interen op hun eigen reserves?
Kijk bijvoorbeeld ook naar de ANVS, de nucleaire toezichthouder. Die
stelt dat ze nu geen boetebevoegdheid heeft, maar wel onderdeel is van
de wet. Ik kijk even naar mevrouw Faber. Had u daar nou vragen over
gesteld? Dan kan ik die namelijk ook overslaan. Ja. Dan sluit ik me aan
bij de vragen van mevrouw Faber. Dat scheelt weer heel veel tijd.
Hetzelfde geldt eigenlijk voor de Nederlandse Voedsel- en
Warenautoriteit. Die heeft mevrouw Zwinkels, van het CDA, al genoemd.
GroenLinks-Partij van de Arbeid sluit zich dus van harte aan bij die
vragen.
Dan sluit ik me ook van harte aan bij de vragen over Caribisch
Nederland, die door JA21 en D66 zijn gesteld. Het is namelijk echt van
heel groot belang dat zij daar in ieder geval een stip op de horizon
krijgen. Er waren hier vorig jaar een aantal vertegenwoordigers. Die
zeiden ook: er zijn gewoon piraten actief en ze hebben niet meer zo'n
lapje voor hun ogen, maar het zijn allemaal cyberpiraten; het wordt tijd
dat wij ons hier ook in het Caribisch deel van het Koninkrijk maximaal
tegen kunnen beschermen.
Het mag duidelijk zijn: GroenLinks-PvdA staat in voor de cyberveiligheid
en de weerbaarheid van Nederland. Er woedt een oorlog achter de
schermen. Van een van onze grootste economische spelers, onze onmisbare
leveringsketens en onze volledige overheid mag je dan gewoon de opperste
paraatheid verwachten, maar ik maakte al eerder het punt dat paraatheid
niet alleen iets is voor bestuurders en CEO's, maar voor ons allemaal.
Naast deze belangrijke wetgeving verwacht ik van het kabinet een plan
voor de veiligheid van alle Nederlanders, met praktische, individuele
oplossingen die je veilig houden in de onlinewereld. Er is
handelingsperspectief voor wat je zelf kan doen. Laten we ook toewerken
naar een nazorgplicht, een wettelijke plicht voor het omgaan met een
massaal datalek of een cyberaanval waarbij persoonsgegevens van
Nederlanders massaal worden buitgemaakt. Cyberveiligheid houdt niet op
bij het beheersen van risico's. Je moet nog veel meer doen. Je hebt als
burger recht op informatie en hulp als je data worden gestolen van een
bedrijf of overheid.
Ik kijk uit naar de beantwoording van de minister.
De voorzitter:
Ik zie verder geen interrupties meer. Dan wil ik mevrouw Kathmann
hartelijk danken voor haar vurige bijdrage en geef ik het
voorzitterschap graag aan haar terug.
Voorzitter: Kathmann
De voorzitter:
Dank. Ik kijk even naar rechts en naar de klok. Hoelang zou u willen
schorsen, minister? Wij zullen dat zeker met een lunchpauze combineren.
Ik denk dat een uur goed is. Ik kijk even naar links. Ja. Dan schorsen
wij tot 13.30 uur.
De vergadering wordt van 12.25 uur tot 13.34 uur geschorst.
De voorzitter:
We gaan weer van start met het bespreken van de Cyberbeveiligingswet en
de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten. We zijn bij de beantwoording
door de minister, dus het woord is aan de minister.
Minister Van Weel:
Dank, voorzitter. U ziet hier een hele stapel papier voor mij liggen. U
heeft in een paar uur meer dan 230 vragen afgevuurd over deze twee
wetten. Dat is bijna twee keer zoveel als het aantal schriftelijke
vragen dat over de wet is gesteld door uw Kamer. Daarmee wil ik aangeven
dat als ik dit nu voorlees en ik één minuut per vraag neem, we al zo'n
vierenhalf uur bezig zijn en dan heeft u nog geen interrupties kunnen
plegen. Met uw welnemen zou mijn voorstel zijn dat ik door de vragen
heen ga en dat ik probeer de vragen waarin feitelijk wordt gevraagd naar
de weg zoals die in de wet beschreven staat, zo veel mogelijk achterwege
te laten en te focussen op de vragen waarin echt wordt gevraagd naar de
implementatie, of deze wet voldoet en of we daar verandering in willen
hebben. Dit kan betekenen dat u aan het einde uw lijstje afkruist en
zegt: ik heb nog 45 vragen waarop ik geen direct antwoord heb gehad. Die
kunnen we dan ook allemaal langslopen, maar dan krijgen we misschien een
herhaling van zetten daarin. Ik markeer dit alleen even aan het begin
omdat dit best een uitzonderlijke hoeveelheid is, ook voor mij, in
wetsbehandelingen. Ik wil even bij u toetsen hoe ik dat in ieder geval
wil aanvliegen. Dan kijken we wel hoe dat u bevalt, of niet.
De voorzitter:
Het is in ieder geval goed dat u deze bijsluiter geeft, want we hebben
inderdaad tot 16.00 uur. Dat is een redelijk harde deadline, hoewel het
natuurlijk uiteindelijk aan ons is hoelang het gaat duren. Maar het is
een goede bijsluiter. Ik denk dat het in ieder geval goed is — ik zie
namelijk verschillende mapjes en dan zijn er vaak ook verschillende
blokjes — dat we steeds het hele blok afwachten en dan pas de vragen
doen en kijken of er nog iets mist. Dan kunnen we helemaal aan het einde
even inventariseren of Kamerleden nog vragen hebben openstaan. Mochten
er Kamerleden zijn die nog 45 vragen open hebben staan, dan kunnen we
misschien even kijken of we een deel bijvoorbeeld schriftelijk doen. Dan
gaan we het zo doen. Ik zou even iedereen vriendelijk willen verzoeken
om in ieder geval kort te zijn in de interrupties. Als je toch een
interruptie pleegt, stel dan een korte vraag, want dan kunnen we zo veel
mogelijk meters met elkaar maken. Het woord is aan de minister.
Minister Van Weel:
Dank, voorzitter. Ik heb zo meteen een korte inleiding. Dan doe ik de
algemene vragen en de reikwijdte van de beide wetten. Dan kom ik op de
meld- en zorgplicht. Daar waren een hoop vragen over. Dan ga ik in op
het toezicht. Ook daar waren een hoop vragen over. Vervolgens ga ik in
op de actualiteit, waaronder bijvoorbeeld Odido. Bij de artikelen over
het weren van leveranciers wil ik even apart stilstaan. En dan heb ik
nog een mapje overig, alvorens ik kom bij Caribisch Nederland en de
aparte vragen die echt ingaan op de Cbw en de aparte vragen die echt
ingaan op de Wwke. Ten slotte wil ik aan het einde van mijn termijn in
ieder geval de ingediende amendementen alvast van een appreciatie
voorzien.
Voorzitter. Vandaag staan twee belangrijke wetsvoorstellen centraal: het
wetsvoorstel voor de Cyberbeveiligingswet en het wetsvoorstel voor de
Wet weerbaarheid kritieke entiteiten. Allereerst dank dat we deze twee
wetsvoorstellen gezamenlijk kunnen behandelen in één debat, want ze
hangen nauw met elkaar samen. Het is belangrijk dat ze niet uit elkaar
gaan lopen, zowel wat betreft de inhoud, maar ook wat betreft het
proces. Ze regelen belangrijke onderwerpen, namelijk de weerbaarheid en
de digitale veiligheid van bedrijven en organisaties die essentiële
diensten verlenen. Ze zijn ook hard nodig, want de Nederlandse vitale
infrastructuur en onze digitale processen worden steeds vaker
geconfronteerd met een stapeling van dreigingen. Door toegenomen
geopolitieke spanningen zijn onze vitale infrastructuur en digitale
processen steeds vaker doelwit van aanvallen door statelijke actoren,
cybercriminelen en andere kwaadwillenden. Dit kan leiden en heeft al
geleid tot verstoring of uitval van belangrijke processen.
De continuïteit van onze vitale en digitale processen is essentieel voor
het goed functioneren van onze maatschappij; meerderen van u hebben daar
al aan gerefereerd. Grootschalige verstoring of uitval daarvan raakt
onze samenleving, onze economie en onze nationale veiligheid. Deze
onderwerpen leven dan ook bij de inwoners van ons land. Dat zien we ook
in de laatste Risico- en Crisisbarometer, het publieksonderzoek van de
NCTV naar de beleving van de inwoners van Nederland van risico's en
dreigingen. Daaruit blijkt dat meer dan de helft van de inwoners zich
zorgen maakt over cyberdreigingen en het stoppen van vitale processen.
De risico's voor de vitale infrastructuur zien we niet alleen in
Nederland. We zagen vorig jaar ook een grote sabotage op Poolse
spoorlijnen en begin dit jaar zaten heel veel huishoudens en bedrijven
in Berlijn dagenlang zonder stroom, internet of verwarming. Ook dat kwam
toen door een sabotageactie. De uitval en verstoring van vitale
infrastructuur en digitale processen houdt dus niet op bij onze grens.
Daarom ben ik blij, zeg ik ook in antwoord op een interruptiedebat dat u
onderling had, dat we hier een Europese NIS2-richtlijn en een
CER-richtlijn hebben, die in Nederland worden geïmplementeerd in de
Cyberbeveiligingswet en de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten.
Voor bedrijven en organisaties die onder de wetten komen te vallen,
geldt straks een wettelijke verplichting om maatregelen te nemen voor
hun weerbaarheid en de beveiliging van hun netwerk- en
informatiesystemen. Ook moeten zij grote incidenten melden. De impact
van die wetsvoorstellen is aanzienlijk. Daarom heb ik de omzetting van
de richtlijnen zorgvuldig aangepakt. Ondertussen hebben we, samen met de
andere betrokken ministeries, bedrijven en organisaties, uitdrukkelijk
opgeroepen om alvast aan de slag te gaan met de komst van beide wetten.
De risico's die de bedrijven en de organisaties lopen, zijn er immers
ook nu al.
Tot slot dank voor de vragen die u heeft gesteld, maar daar hadden we
het al even over.
De voorzitter:
Alle 230.
Minister Van Weel:
Ik zal nu overgaan tot de beantwoording en begin met het kopje algemeen.
Hoe wordt Nederland weerbaarder en veiliger van deze wetten en wat gaan
burgers hiervan merken? Dat was een vraag van mevrouw Kathmann. Wat gaan
ook de betrokken entiteiten merken van deze nieuwe wet? Als we kijken
naar deze twee wetten, dan is het doel van de Cyberbeveiligingswet echt
om de digitale weerbaarheid van Nederland te vergroten. Met deze wet
komt er een zorgplicht voor een groot aantal organisaties en bedrijven
die onder die wet gaan vallen. Ze moeten maatregelen nemen om de
risico's van de beveiliging van hun netwerk- en informatiesystemen te
beheren. Ze krijgen ook een meldplicht of, met andere woorden, de
verplichting om grote incidenten te melden bij de daarvoor aangewezen
instanties. Daarop vindt ook toezicht plaats. Langs die lijnen zal ik
ook zo meteen ook de wetten behandelen, want dat zijn de kernelementen
daaruit.
Als het gaat om de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten gaat het, zoals
gezegd, om kritieke entiteiten voor het doorgaan van processen in ons
land. Dat gaat breder dan alleen cyber. Dat is niet helemaal nieuw. Er
werd al gewezen op de Aanpak vitaal die al een aantal jaren loopt binnen
mijn departement. Een hoop van die vitale aanbieders gaan nu naadloos op
in de kritieke entiteiten zoals we die in de Wet weerbaarheid kritieke
entiteiten zien. Een aantal leden vroeg ook wat er dan voor hen
verandert. Onder andere dat nu een aantal dingen wettelijk geregeld
worden. Dat geldt dus ook weer voor die zorgplicht, die meldplicht en
dat toezicht. Voor diegenen die daar niet onder vallen, loopt de Aanpak
vitaal gewoon door zoals die al deed. Voor de entiteiten die onder de
Wwke komen te vallen, is de Wwke hun nieuwe Aanpak vitaal. Ik denk dat
we gezorgd hebben dat beide implementaties naadloos op elkaar
aansluiten.
Ook de Cyberbeveiligingswet komt niet uit het niets. We hadden al de Wet
beveiliging netwerk- en informatiesystemen. Daar bouwt de
Cyberbeveiligingswet op voort. Maar het grootste verschil is denk ik dat
het aantal sectoren en het aantal entiteiten dat eronder valt, enorm is
uitgebreid. Het aantal van 8.100 werd al genoemd. Ik kom later terug op
de onderbouwing van die schatting.
Herkent de minister de kritiek op de uitwerking van de wetten? Uiteraard
niet, zou ik zeggen tegen mevrouw Kathmann. Dat meen ik oprecht. Dit
zijn hele omvangrijke wetten en ik denk dat daar ook de voornaamste
reden in zit voor de vertraging die we hebben gezien in de
implementatie. Zonder te willen wijzen denk ik dat een aantal landen
hebben gemeld dat zij deze wet geïmplementeerd hebben, waarbij je je
vervolgens kan afvragen of alles wat daaronder zit aan uitvoering, aan
toezicht, aan systemen, aan de registratie van bedrijven, dan allemaal
al gebeurd is. Daar kun je grote vraagtekens bij zetten. Nogmaals, ik
zal geen namen noemen. Wij hebben ervoor gekozen om dat op een hele
degelijke manier te doen. Met andere woorden, wij willen ook zeker weten
dat we uiteindelijk een wet van kracht laten gaan, die ook kan rekenen
op systemen die werken, op bedrijven die weten wat ze moeten doen, dat
er loketten zijn waar mensen heen kunnen gaan, dat toezichthouders met
elkaar samenwerken. Ook daar komen we natuurlijk op te spreken. Dat
heeft tijd gekost.
We hebben ook geprobeerd om zo veel mogelijk bedrijven en organisaties
te benaderen, want ja, bedrijven moeten zelf die zelftoets doen, maar
dan moeten we natuurlijk wel zorgen dat wij onze plicht hebben gedaan
door te zorgen dat dat zo veel mogelijk bekend is. Er zijn brochures,
flyers, nieuwsbrieven, webinars, vakbladen en Q&A's op alle websites
ingezet. Daarmee hebben we geprobeerd om daar invulling aan te
geven.
Dan zijn we nog niet klaar. Een hoop van u refereerden er al aan; er
zijn echt een hoop zaken die nog nader moeten uitgewerkt in ministeriële
regelingen of AMvB's. Ik denk dat we ook daarmee op schema liggen. Het
is natuurlijk ook geen vreemde methodiek; we kennen het van wetten dat
je zaken erna uitwerkt in onderliggende en lagere regelgeving.
We komen zo specifiek nog even te spreken over de
leverantie-interventies en waar die dan mogelijk thuishoren; daar is ook
een amendement over ingediend. In de kern is dat denk ik wel hoe wetten
uitvoerbaar blijven. Dat zeg ik ook in reactie op de vraag van de heer
Van den Berg of je een hoop van die zaken niet naar een hoger niveau van
wetgeving zou willen hebben. Nogmaals, tijd is niet de bepalende factor
geweest in het wel of niet opnemen van dingen in de wet. Dat is
voornamelijk het niveau waarvan wij vinden dat iets erop thuishoort,
maar ten tweede ook de veranderlijkheid van zaken.
De zaken die het snelst veranderen, wil je niet in de wet zelf geregeld
hebben; een aantal van u refereerden daar al aan. Je wil die juist in
een AMvB geregeld hebben, want je wil dat die wet in principe gewoon de
komende tien, vijftien jaar door kan. Als je je realiseert dat die
technologische veranderingen heel snel gaan — kwantum werd al genoemd —
dan wil je dus een wet hebben die het raamwerk creëert waarbinnen je ook
daarop kan anticiperen, maar wil je de ruimte houden om in een AMvB,
zo'n ministeriële regeling, heel snel in te kunnen spelen op zaken die
zich daarbij voordoen. Dan kan ik me voorstellen — want dat kunnen heel
relevante ontwikkelingen zijn — dat de Kamer zegt: daar willen we dan
wel bij betrokken zijn, daar willen we ook wat van vinden. In die zin
heeft een aantal van u ook aandacht gevraagd voor de voorhang van AMvB's
of wijzigingen die op deze wet of in ministeriële regelingen komen. Daar
kan ik mij alles bij voorstellen, dus dat zult u zo in de appreciatie
ook van mij horen. Ik denk dat dat het samenspel is tussen kabinet en
parlement: om hier een weg in te vinden waarmee we wel die snelheid
kunnen creëren waar die nodig is, maar de zorgvuldigheid en de politieke
toets kunnen behouden waar die gewenst is en nodig is.
Kan ik een schriftelijk overzicht geven van wanneer ik verwacht dat alle
hiervoor genoemde punten duidelijk zijn uitgewerkt? Ja, dat wil ik doen,
want we weten welke stappen er gezet moeten worden. Aan sommige kan ik
een datum hangen en aan andere nog niet, want ik ben ook afhankelijk van
collega-ministers. Maar dat is geen punt. Ik kan wat betreft een aantal
punten wel toelichten waar we op dit moment staan. Van de AMvB's weet u
inmiddels; die zijn er voor beide wetten. Bedrijven en organisaties
kunnen zich op dit moment al registreren en kunnen ook al een melding
doen. Ze hebben nu al een CSIRT en een toezichthouder. Daarmee kunnen de
bedrijven ook nu al aan de slag conform de wet, maar het behoeft nog wel
nader beleidswerk aan de uitvoeringsafspraken. Daarmee proberen we nou
juist zo veel mogelijk aan te sluiten bij bestaande processen.
Een ander punt dat velen van u terecht hebben aangekaart, is de
regeldruk. Hoe houden we de regeldruk, zeker voor bedrijven, zo laag
mogelijk? Dat is onder andere door aan te sluiten bij toezichthouders
die ze al hebben, en niet bij een nieuwe toezichthouder, zodat de
sectoren in ieder geval al bekend zijn met de toezichthouder en vice
versa. Dat doen we bijvoorbeeld ook — ik kom zo nog terug op de
gemeenten — door aan te sluiten bij nu al bestaande processen of nu al
gestelde eisen, zoals de BIO-eisen, waar gemeenten nu al aan voldoen.
Het is wat dat betreft een beetje zoeken. Het verschilt ook per sector
hoever men is, wat men aan middelen heeft en wat de makkelijkste manier
is voor sectoren, bedrijven en overheidsorganisaties om te voldoen aan
de plichten uit deze twee wetten. Dat is dan ook meteen de vaagheid die
sommigen van u daar nog in lezen. Hoe ga je dat exact invullen? Liefst
op een manier die zo veel mogelijk aansluit bij de behoeften van de
sector, maar die er wel voor zorgt dat de waarborgen uit de wet worden
gehanteerd. Dat betekent dat de zorgplicht nog niet in beton is gegoten.
Als we die nu namelijk in beton zouden gieten voor elk bedrijf en elke
organisatie, groot of klein, in welke branche dan ook, dan lopen we het
risico dat we dingen zwaarder optuigen of onnodig bureaucratischer maken
dan ze hoeven te zijn.
Nogmaals, de beginselen zitten hierin, maar daarom hecht ik er ook aan
dat er vanuit de vakministers ministeriële regelingen komen voor het
domein waarvoor zij verantwoordelijk zijn, omdat je dan ook kunt
inzetten op die dingen doen waar het nodig is. Ik kom daar zo wat
betreft onderwijs nog op terug, want dat is, denk ik, een heel
aansprekend voorbeeld van hoe je daar maatwerk moet kunnen leveren. Daar
komt nog bij dat we uit regeldrukonderzoeken en het mkb-panel rondom
deze wet teruggekregen hebben dat bedrijven zich vaak al bewust zijn van
de rol die ze hebben en die ze ook moeten spelen onder deze wet. Wat dat
betreft is cybersecurity de afgelopen tien jaar natuurlijk ook binnen de
boardrooms en de directies van bedrijven een steeds belangrijker
onderwerp geworden. Deze wet komt dus niet uit het niets vallen.
Dan is er de vraag of deze wetten begrijpelijk en proportioneel zijn, en
in hoeverre er een nationale kop op zit. Het antwoord op het tweede is,
heel kort gezegd, "nee". We implementeren hiermee de NIS2-richtlijn en
we implementeren hiermee de CER-richtlijn. Het enige wat wij doen, is
gebruikmaken van sommige mogelijkheden die de wetten bieden om op
nationaal niveau bepaalde sectoren bijvoorbeeld toch onder te brengen
binnen de reikwijdte van deze wet. Dit werd in uw inbreng "het keren en
weren van water" genoemd. Keren en weren van water is in een hoop landen
nice to have, maar ik denk dat het evident is dat het voor Nederland nou
juist absoluut een kritiek element voor onze veiligheid is. U kunt zich
voorstellen dat het verkrijgen van toegang in technische zin tot onze
Deltawerken enorme gevaren kan opleveren voor onze gezondheid hier en
voor ons land in den brede. Dit is waarom we onder andere die
uitzondering hebben gemaakt.
Over het onderwijs ligt er de vraag of het niet met name gaat om
specifieke kennisveiligheid binnen een deel van dat onderwijs. Moet je
dan wel alles doen? Ik denk dat daar voor ons de vraag gestart is in
hoeverre wij willen dat hogescholen hierbij komen te staan. Een aantal
jaar geleden hebben we een hack gehad op een van onze hogescholen, met
grote gevolgen destijds. Uiteindelijk is het de afweging geweest dat
hogescholen al op een behoorlijk niveau van voldoen aan de
Cyberbeveiligingswet zitten. Het wordt juist moeilijker om binnen die
onderwijssector te gaan separeren tussen welke opleidingen wel en welke
niet, welke instellingen wel en welke niet. De minister van OCW heeft er
daarom voor gekozen, overigens in overleg met mij, om de volledige
sector eronder te laten vallen. Zij krijgen wel meer tijd om hun eigen
pad aan te brengen in hoe zij die zorg, die meldplicht, gaan
inregelen.
Hoe kom je tot de keuze voor een essentiële entiteit, een belangrijke
entiteit of een kritieke entiteit, vroeg mevrouw Kathmann. De
Cyberbeveiligingswet kent twee categorieën: de essentiële en de
belangrijke. Zoals ik altijd eindig met het kopje overige belangrijke
vragen, is "belangrijk" de laagste categorie, maar wel nog steeds een
relevante categorie in het kader van deze wet. In de bijlages bij de wet
kun je specifiek zien welke sectoren vallen onder welke categorie.
Binnen de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten heb je dus de kritieke
entiteiten. Een kritieke entiteit is automatisch ook een essentiële
entiteit, maar het omgekeerde is niet per se het geval. Er zijn dus
essentiële entiteiten die geen kritieke entiteit zijn voor het
voortbestaan van de overheid, maar die vanuit cyberopzicht nog steeds
wel een essentiële entiteit zijn.
De voorzitter:
Mevrouw Zwinkels, heeft u een vraag?
Mevrouw Zwinkels (CDA):
Volgens mij wilde u eventueel gemiste vragen per blokje doen. Toch,
voorzitter? Maar kan een interruptie tussendoor wel?
De voorzitter:
Het is het handigst om alles, interrupties én vragen, aan het einde van
het blokje te doen.
Mevrouw Zwinkels (CDA):
Prima. Dan wacht ik nog even.
De voorzitter:
Dus we maken eerst het hele blokje af. Er zijn namelijk zó veel vragen
gesteld dat we hier anders vanavond nog zitten.
Mevrouw Zwinkels (CDA):
Ja, dat ben ik met u eens.
Minister Van Weel:
Dan de vraag over de AMvB's en in het verlengde daarvan de voorhang. Ja,
er is een uitgebreide internetconsultatie geweest via de websites, onder
andere die van de NCTV. Beurzen en bedrijven hebben ook gereageerd op de
AMvB's. We hebben die kritiek of suggesties ook meegenomen. Ik had het
net al even over hoe we daar in de toekomst mee omgaan, met AMvB's en de
rol van uw Kamer. Die internetconsultatie gaan we sowieso altijd doen.
Dat spreekt voor zich. Dat geeft burgers, bedrijven en medeoverheden de
gelegenheid om daarop te reageren. Mevrouw Kathmann heeft ook twee
amendementen ingediend om een voorhangprocedure te regelen voor de
uitwerking van de zorgplicht in de AMvB's. Daar sta ik positief in,
vooral omdat die zien op toekomstige wijzigingen. We hoeven nu het
proces dus niet om te keren, maar we moeten daar voor de toekomst wel
rekening mee houden. Dit is nog niet mijn appreciatie, hoor, maar ik
loop er wel een beetje op vooruit. Ik zie de griffier al kijken, van:
hoe moet ik hiermee omgaan? Ik geef alleen een voorschot, dat mogelijk
in de discussie kan helpen.
Kan ik schetsen wat er van entiteiten wordt verwacht in het eerste jaar
nadat de wetten zijn aangenomen, en welke deadlines daarbij gelden? Dat
was een vraag van mevrouw Kathmann. Alle bedrijven en organisaties die
onder die wet vallen, moeten voldoen aan de zorgplicht. Dat is dus de
verplichting om maatregelen te nemen om de risico's voor de beveiliging
van netwerken en informatiesystemen te beheersen. Daarnaast moeten ze
voldoen aan de meldplicht. Nogmaals, de meldmogelijkheid is er nu al,
maar de meldplicht wordt dan echt van kracht. Dat betekent dat je grote
incidenten moet melden bij de aangewezen instanties. Daar vindt in z'n
geheel toezicht op plaats. Dat is de kern van wat er gebeurt op het
moment dat deze wet van toepassing wordt. Die geldt vanaf dan dus ook
voor alle organisaties.
Hoe helpen we die organisaties — we kwamen zelf op een schatting van
8.100 — om die weg te vinden? Weten ze dat dan wel? Wat kunnen we daar
nog meer aan doen? Daar heeft de RDI een zelfevaluatietool voor
gelanceerd. Gemeenten zijn aangewezen in de wet. Daarmee is het voor hen
in ieder geval duidelijk dat zij hieronder zullen gaan vallen. Voor de
gemeenschappelijke regelingen zijn gemeenten door het ministerie van
Binnenlandse Zaken gevraagd om een validatie te doen of zij onder de Cbw
vallen. Dat is gevraagd door middel van een brief. Bij vragen hebben we
uiteraard nader contact met hen.
Vanwege het grote aantal entiteiten, met name de private, is het niet
mogelijk om vanuit het Rijk voor iedere entiteit te bepalen of die onder
de wet gaat vallen. In plaats daarvan is er juist zo veel mogelijk aan
gedaan om ze met campagnes, Q&A's, websites en verwijzingen de
juiste informatiepositie te geven om die beoordeling zelf te kunnen
doen. Vervolgens kunnen organisaties, als ze die evaluatietool hebben
doorlopen, zich gaan voorbereiden op wat dat betekent. Daarvoor hebben
we stappenplannen aangeboden op de website van het NCSC, het Nationaal
Cyber Security Centrum, en op de website van de NCTV. Er is geen
inschatting gemaakt van de kosten. Dat is ook in het kader van de
regeldruk. Het zijn ingeschatte gemiddelden. Per entiteit kan dat
verschillen, bijvoorbeeld wanneer er juist tekortkomingen zijn in de
digitale weerbaarheid die moeten worden gerectificeerd, terwijl
bedrijven die eigenlijk al aan de hoge kant zitten wat betreft
cyberbeveiliging wellicht juist geen kosten zullen hoeven maken. Het
hangt er dus echt van af waar de organisatie staat.
De heer Van den Berg vroeg of er afzonderlijk wordt gestemd over het
Cyberbeveiligingsbesluit en, zo ja, wanneer. Het is een AMvB, dus in die
zin kent die geen parlementaire behandeling. Maar we hebben wel — dat
heb ik ook toegezegd voor het vervolg — voor de zomer een concept
voorgehangen, hier in de Kamer, om u daarin mee te nemen. In de
verslagen over het wetsvoorstel hebben verschillende Tweede
Kamerfracties gereageerd op dat concept, ook van de AMvB. Die reacties
hebben we meegenomen in de nota naar aanleiding van het verslag. In die
zin hebben we dus wel degelijk een wisseling van gedachten kunnen
hebben, zij het niet in formele zin.
Waarom gaan we door na het negatieve advies van het Adviescollege
toetsing regeldruk? Dat is vanwege het bijzondere karakter van deze twee
wetten. Dat heeft te maken met het feit dat je het niveau van je
cyberveiligheid landelijk niet op een hoger niveau kunt krijgen als je
daarbij niet ook verplichtingen oplegt aan bedrijven en organisaties om
hier iets mee te doen. Er werden al een aantal voorbeelden genoemd uit
de actualiteit. Ik zal daar vanuit het kabinet niet per se een oordeel
over hebben. Op dit moment gaan organisaties en bedrijven vrij divers om
met hun cyberbeveiliging. Het is gewoon noodzakelijk, juist vanwege de
essentie van de services die ze bieden, voor ons als bevolking, zeg ik
via de voorzitter tegen mevrouw Kathmann, dat daar een bepaald
basisniveau is, zodat we geen incidenten hebben waarbij vitale processen
in gevaar komen of we er achteraf achter komen dat er eigenlijk met de
pet is gegooid naar de cyberbeveiliging. Dat is wat deze wetten doen.
Dat kun je nou eenmaal niet doen door dat op een bepaalde manier toch in
regels te vatten.
Dat brengt dus altijd iets van een last met zich mee, maar daar hebben
we wel een aantal mitigerende maatregelen voor genomen. Ten eerste de
proportionaliteit. Dat is echt een leidend principe geweest bij deze
wetten. Daarom zijn ze ook risicogebaseerd. Iedere organisatie moet
maatregelen nemen die passend zijn voor de organisatie zelf. Daarom is
het maatwerk. Daarom zeg je soms: waarom is dit niet tot achter de komma
uitgewerkt? Dat heeft dus ook te maken met het proberen te verminderen
van die regeldruk. Zoals ik al eerder zei, komt in die
regeldrukonderzoeken ook naar voren dat een hoop bedrijven zich
eigenlijk wel realiseren dat ze hier wat te doen hebben en een rol in te
spelen hebben. Het is dus niet per se zo dat deze wet voor een heleboel
bedrijven die zich er al bewust van zijn, heel veel meer met zich
meebrengt, want die opereren eigenlijk al via dat principe.
Kunnen we bij de invoeringstoets kijken naar de daadwerkelijke
regeldruk? Dat is een vraag van de heer Van den Berg. De invoeringstoets
is echt bedoeld om grote knelpunten zo snel mogelijk op te kunnen
lossen, om ervoor te zorgen dat de wet alsnog ingevoerd kan worden. Ik
wil daar echter wel naar gaan kijken bij de evaluatie. Laat ik de koe
meteen bij de hoorns vatten. Een aantal van u heeft het daarover gehad
en vindt vijf jaar te lang. Het helpt ons dat we enigszins verlaat zijn
met de invoering van de wet, waardoor het punt waarop de Commissie met
haar eerste evaluatie komt al dichterbij komt. Dat is volgend jaar al.
Ik wil kijken of we spoedig na de evaluatie van de Commissie — laten we
zeggen: binnen twee jaar na invoering van de wet — een evaluatie kunnen
doen. Daar nemen we dan ook de regeldruk in mee.
Dat waren alweer zes vragen, denk ik, voorzitter.
Waarom wordt de verantwoordelijkheid voor de uitvoering ook bij de
decentrale overheden neergelegd? De uitvoering van de
Cyberbeveiligingswet en de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten wordt
niet bij decentrale overheden belegd. Er worden sectoren aangewezen die
onder de wet vallen, en onder die sectoren vallen ook decentrale
overheden. Het is dus niet iets wat zij als een service doen. Het is
niet een taak die wij overhevelen van het Rijk naar gemeenten. Ik hoorde
al iets over de knaken-en-takendiscussie. Nee, elke entiteit die wordt
aangewezen onder deze twee wetten, zal daar zelf maatregelen op moeten
nemen. Dat betreft dus ook gemeenten. In die zin volgt het dus een
andere systematiek. We steunen de lokale overheden daar natuurlijk wel
bij. Daar zijn voldoende middelen voor. We hebben dit overigens ook
overlegd.
Dat brengt mij bij de UDO, de Uitvoerbaarheidstoets Decentrale
Overheden. Die is ook hier gedaan. Dat is overigens geen document met
een rapport en een stempel van de UDO-dienst. Nee, dat is een proces,
waarin je samen met de lokale decentrale overheden bekijkt hoe we de wet
daar op een zo goed mogelijke manier invoeren en tegen welke knelpunten
we aan lopen. Die zijn dus ook meegenomen in de memorie van toelichting
bij het wetsvoorstel en in de wijze van implementatie. Daar vindt u de
uitkomsten daarvan terug.
De mkb-toets is een andere toets die vaak wordt gedaan. Er is een
volwaardige mkb-toets uitgevoerd. Ik heb al gezegd dat regeldruk een
belangrijk punt was voor de manier waarop we deze wet invoeren. Uit die
mkb-toets bleek steun voor de risicogebaseerde aanpak, want dat is
natuurlijk wat het uiteindelijk behapbaarder maakt.
Daarnaast is in de wet en in de omliggende besluiten verduidelijkt dat
bijvoorbeeld de risicobeoordeling onder beide wetten zo veel mogelijk
door bedrijven kan worden gecombineerd. Ze hoeven dus niet twee keer een
risicobeoordeling te doen, maar één middel volstaat voor de verplichting
onder beide wetten. Ook dat is een poging om die regeldruk naar beneden
te brengen.
Dan nog meer over de samenhang tussen de fysieke en digitale
weerbaarheid. Mevrouw Zwinkels vroeg hierover: hoe gaan we dat borgen?
We behandelen tenslotte die wetten hier vandaag samen. Dat heeft z'n
reden. Ze zijn in samenhang door ons opgesteld. Dat geldt ook voor de
Europese richtlijnen waarvan ze afgeleid zijn. Om dat in de praktijk te
borgen, werken we dus aan de inrichting van één meldpunt voor beide
wetten. Dat meldportaal zal door het Nationaal Cyber Security Centrum
worden beheerd. Ik zei net al dat de risicobeoordeling van beide wetten
door bedrijven die onder beide vallen ook gezamenlijk kan worden gedaan,
waardoor die in ieder geval niet twee keer een risicobeoordeling hoeven
op te stellen en alle dreigingen in één keer meegenomen kunnen
worden.
Dan nog even over die evaluatie. Mevrouw Kathmann en meneer Van den Berg
vroegen: als we in die evaluatie zaken toch liever in de hogere
wetgeving zouden willen hebben, staan we daar dan ook voor open? Ja,
uiteraard. Ik denk dat de evaluatie dat ons ook moet geven. Nogmaals, ik
vind niet dat we er ons hierbij met een jantje-van-leiden van af hebben
gemaakt. Er zit echt een gedachte achter: wat staat er wel in die wet en
wat zit er in lagere regelgeving? Als uit de evaluatie blijkt dat je dat
beter anders kunt doen, zullen we dat t.z.t. natuurlijk niet
nalaten.
Misschien moet ik het nog even hebben over decentrale overheden. Ook de
provincies werden nog genoemd. Wat ons betreft is er nog geen noodzaak
tot algemene compensatie van medeoverheden voor de implementatie van
deze wet, omdat in de praktijk een hoop van die verplichtingen al van
toepassing zijn op dat niveau. Ik noemde al de BIO, maar ik kan nu ook
zeggen waar dat ook alweer voor staat. Dat is de Baseline
Informatiebeveiliging Overheid. Ook voor de meldplichtcriteria is
aangesloten bij hetgeen zij al moesten doen. Die meldplicht gold
namelijk al voor hen. We hebben daarin geen wijzigingen aangebracht in
deze wet. Er zijn marginale extra verplichtingen voor decentrale
overheden, zoals de registratieplicht en de trainingsplicht voor
bestuurders. Die werd ook al door enkelen aangehaald. Naar verwachting
zijn de financiële gevolgen voor de medeoverheden daarmee beperkt. BZK,
Binnenlandse Zaken, bekijkt samen met de medeoverheden hoe ze kunnen
worden ondersteund. Dat geldt natuurlijk met name voor de kleinere
organisaties. Denk bijvoorbeeld aan gezamenlijk opleidingen volgen,
waardoor gemeenten dat niet allemaal afzonderlijk hoeven in te
vullen.
In dit blokje heb ik nog de antwoorden op twee vragen, voorzitter.
Waarom is er een verschil in bewaartermijnen? Heb ik trouwens niet een
apart kopje AVG? Nee. Oké, dan behandel ik deze vraag nu. Waarom is het
verschil in bewaartermijn tussen die CSIRT's, de Cyber Security Incident
Response Teams, en de toezichthouders zo groot? Dat heeft te maken met
de andere taakopvatting die ze hebben. Voor de CSIRT's gaat het, op het
moment dat zij een melding krijgen, om helpen bij het oplossen van het
probleem dat er is, om andere organisaties te informeren en zo hopelijk
verdere uitbreiding van de problemen te voorkomen, en om daarvoor de
contacten te leggen die nodig zijn, bijvoorbeeld met andere partijen die
zouden kunnen ondersteunen. Dat is allemaal gericht op het hier en nu.
Dat is wat CSIRT's doen en wat ze het leukste vinden. Die zitten niet in
archiefkasten te neuzelen naar het verleden. Dat moeten toezichthouders
natuurlijk af en toe wel doen, omdat die uiteindelijk bestuurlijke
dwangmiddelen moeten kunnen inzetten. Je kunt je beroepsprocedures,
boetes et cetera voorstellen. Denk aan de meest zware variant, waarin
een bestuurder persoonlijk aansprakelijk wordt gesteld. Dat kunnen zaken
zijn die rustig een paar jaar voortduren. Daarom moet de toezichthouder
wel over ruimere middelen kunnen beschikken dan de korte bewaartermijn
die we wel graag voor die CSIRT's willen hanteren.
Dan weer een heel ander onderwerp. Kan ik er al iets over zeggen hoe
vaak de bestaande hulptools zijn gebruikt door bedrijven en entiteiten?
We zien dat ze in toenemende mate worden gebruikt en dat die actieve
mediacampagne daar ook wel bij helpt. De eerste stap is checken of
bedrijven onder de Cyberbeveiligingswet gaan vallen. De
zelfevaluatietool waarmee je dat kunt doen, is tot nu toe meer dan
205.000 keer geraadpleegd. Dat is wel echt heel veel. Dat is een
positieve stap. Steeds meer organisaties gaan na die eerste stap ook
naar de website van het Nationaal Cyber Security Centrum om de daar
beschikbare middelen en tools te gaan gebruiken. Ik denk dat dat een
goede eerste stap is. De quickscan tool waarmee organisaties inzicht
krijgen in hoe de cyberbeveiliging van een organisatie ervoor staat, is
31.000 keer doorlopen. 6.100 organisaties hebben de scan volledig
ingevuld. Van oudsher draagt het Nationaal Cyber Security Centrum de
hulptools, handleidingen en infosheets actief uit via relatiebeheerders.
Sinds vorig jaar zetten ze ook online webinars op om de hulptools et
cetera op grotere schaal toe te lichten. Per webinar zien we dat er meer
dan 1.500 organisaties deelnemen. Ook dat is dus echt aanzienlijk. De
LinkedInpagina van het NCSC — je telt niet mee als je die niet hebt —
heeft inmiddels 70.000 volgers. Die volgen dus ook de wekelijkse posts
over de Cyberbeveiligingswet. In die zin denk ik dat de outreach een
geslaagd onderdeel is geweest van deze wet en dat het met de bekendheid
echt wel goed zit.
Dat was mijn eerste blokje.
De voorzitter:
Als ik het goed heb, was dit het blokje reikwijdte. We gaan dus nog naar
zorgplicht en toezicht; dat komt er allemaal nog aan. Dit was het blokje
reikwijdte. Ik kijk even naar links om te zien of mensen vinden dat er
nog vragen zijn blijven liggen.
Mevrouw Zwinkels (CDA):
Ik had eigenlijk één interruptie naar aanleiding van een antwoord. Ik
ben blij met de antwoorden ten aanzien van kleinere gemeenten. Dat is
goed om te horen. Ook ten aanzien van de coördinatie werden er al wat
punten aangehaald. Maar ik maak me toch wel zorgen over de
onderwijssector. Het antwoord was "de hele sector valt er gewoon onder",
maar we hebben juist proportionaliteit hoog in het vaandel staan en we
willen juist dat het risicogebaseerd is. Dat zie ik niet helemaal
terugkomen als het gaat om de reikwijdte voor het onderwijs. Ik wil dus
toch graag aan de minister vragen of hij ons er op de een of andere
manier over gerust kan stellen dat er ook wordt getracht om
proportionaliteit te borgen richting het onderwijs.
Minister Van Weel:
Zeker, maar wat betreft proportionaliteit lopen we ook juridisch tegen
een aantal begrenzingen aan. Daar zullen we nog over komen te spreken in
een ander format als het gaat over kennisveiligheid. Het is ontzettend
moeilijk om te bepalen welk deel van een onderwijssector nou onder een
ander regime moet vallen dan het overige deel van een onderwijssector.
Dat is juridisch moeilijk, dat ligt bij bonden moeilijk en dat is ook in
de uitvoering niet altijd makkelijk, omdat je het ook kunt hebben over
delen binnen één onderwijsorganisatie. Daar zou je dan verschillende
regimes op van toepassing moeten verklaren en dan vallen bestuurders
deels wel onder de Cyberbeveiligingswet en deels niet. Dat is dus echt
heel complex. Daarom heeft de minister van Onderwijs gezegd: we hebben
al de organisatie van onze eigen CSIRT's — "SURFcert" heet dat binnen de
onderwijssector — die nu al de volledige sector bedient, dus laten we
dan ook de volledige sector naar datzelfde niveau brengen. Ook dat is
deels proportionaliteit: ervoor zorgen dat je het niet complexer maakt
voor de sector door ze eronder te brengen, terwijl je vanuit de inhoud
zou zeggen dat het grootste risico natuurlijk ligt bij sommige delen van
die sector. Dat ben ik helemaal met u eens.
Mevrouw Zwinkels (CDA):
Tot slot op dit punt. Dit antwoord stelt mij al iets meer gerust. De
minister gaf ook aan: we geven het onderwijs wat meer tijd; het tijdpad
is wat ruimer. Kan er dan worden toegezegd dat op die manier samen met
het onderwijs, met SURF en andere partijen die al veel inspanningen
hebben verricht, kan worden gekeken wat prioriteit krijgt, wat we eerst
doen en wat ook later kan?
Minister Van Weel:
Zeker. Dat zeg ik mede namens de minister van Onderwijs. Ik wil, zeg ik
in algemene zin, namelijk zeker niet de algemeen verantwoordelijke
worden voor alle sectoren. Ik was juist erg blij dat dat risico in ieder
geval in de wet gespreid is. Zij zal dat dus doen. Zoals gezegd hebben
ze 36 maanden om te voldoen aan de verplichtingen vanuit de wet. Die
zullen worden benut om dat op een verantwoorde en proportionele manier
te doen.
De heer Van den Berg (JA21):
Een vervolgvraag na mevrouw Zwinkels van het CDA. Wij hebben een
amendement in voorbereiding dat eigenlijk het volgende stelt. Je hebt de
hele sector qua hoger onderwijs. De NIS2-richtlijn laat expliciet de
ruimte om ervoor te kiezen om instellingen al dan niet onder de wet te
brengen. We zouden, denk ik, een lid kunnen toevoegen dat zegt: "het
hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek die kritieke
onderzoeksactiviteiten verrichten". Volgens mij is het best
proportioneel om in te schatten of hogescholen het wel of niet doen en
die instellingen zodoende wel of niet onder de wet te brengen. Kortom,
doen we dat niet, dan krijgen we overbodige regeldruk. Hoe kijkt de
minister daarnaar?
Minister Van Weel:
Ik schetste het net al even, meneer Van den Berg. U zegt namelijk: "de
instellingen die". Onder de woorden die u daarna kiest, gaat een hele
wereld schuil. Die zul je dan namelijk in wetgeving moeten definiëren;
die zul je verder moeten uitwerken. Dan loop je tegen hele complexe
zaken aan. Wanneer is iets nou kritisch, zeker waar het gaat om
kennisoverdracht? Er zijn een aantal voorbeelden uit het verleden
waarbij het wél tot mogelijkheden heeft geleid — denk aan het weren van
bepaalde studenten bij opleidingen tot kernfysicus — maar in bredere zin
is het voor iets als informatica of lucht- en ruimtevaart ontzettend
moeilijk om te doen. Je loopt namelijk al heel snel aan tegen ofwel
discriminatie ofwel selectiviteit ofwel de inhoudelijke afweging om
onderscheid te maken tussen instellingen, vandaar dat ik zeg: die weg
leek ook de minister van Onderwijs niet begaanbaar voor dit doeleinde.
Bovendien vallen ze al binnen één cyberbeveiligingsregime. Je zou dus
ook meer druk creëren door het weer op te knippen, vandaar de keuze om
het toch in zijn geheel te doen.
De heer Van den Berg (JA21):
Dan zou het in de praktijk dus zo zijn — dat zeg ik niet alleen omdat ik
zelf christen ben — dat de hogeschool voor theologie ook onder deze wet
zou vallen. Ik durf met zekerheid te stellen dat die geen kritieke
onderzoeksactiviteiten verricht in het kader van deze wet. Ik hoor dat
het een stuk moeilijker zou zijn. Is de minister het desondanks met me
eens dat de uitkomst is dat hogescholen die hier niks mee te maken
hebben, toch moeten rapporteren, met de bijkomende lastendruk?
Minister Van Weel:
Eén. Het kan een faculteit theologie zijn binnen een universiteit die
wel interessante vakgebieden heeft. Die hebben dan één ICT-systeem. Er
zijn zelfs meerdere hogescholen die gezamenlijk één IT-organisatie
hebben. Daar ga je dan dus alweer in knippen. Bovendien is de gevoelige
informatie niet alleen de inhoudelijke informatie. Die moet je
beschermen. Soms kun je het op inhoud ook wat verder aanscherpen. Maar
het gaat hier ook om de algemene cybersecurity. Ook de persoonsgegevens
van studenten zijn al interessante informatie voor criminelen. Dat
hebben we met de Odidohack gezien. Ik noem ook het überhaupt op zwart
kunnen zetten van een systeem. Theologiestudenten willen op een gegeven
moment afstuderen. Dan moet er wel een systeem beschikbaar zijn. Ik snap
de kennisveiligheidsroute, maar ik denk dat het in praktische zin toch
makkelijker is om de sector als geheel aan te wijzen.
De voorzitter:
Ik kijk even naar de minister. Daarnet werden de bewaartermijnen al even
aangeraakt. Was dit ook het blokje over de bewaartermijnen?
Minister Van Weel:
Ik heb best een goed geheugen, maar ... Ik heb ze alle 233 gelezen, maar
ik weet niet ... Die vragen komen bij het blokje overig, hoor ik van
mijn ondersteuning. Gelukkig heb ik een extern geheugen!
De voorzitter:
O, het kwam heel even voorbij, maar dan wacht ik daarop. Dan is het
woord weer aan de minister voor het volgende blok. O, de heer Van den
Berg heeft nog een vraag.
De heer Van den Berg (JA21):
Het waren inderdaad een hoop vragen, dus ook ik moest het overzicht weer
even zoeken. Als ik het goed hoorde, gaf de minister dus eigenlijk aan
dat er inderdaad de facto twee jaar na invoering van de wet een eerste
evaluatie komt. Hoe zit het dan met een terugkerende evaluatie? Bij de
Wet weerbaarheid kritieke entiteiten is zo'n evaluatie helemaal niet
voorzien en bij de Cyberbeveiligingswet staat die, als ik het goed zeg,
op drie jaar doorlopend. Of is het vijf jaar? Nu begin ik zelf ook te
twijfelen. Maar hoe kijkt de minister ernaar dat die evaluatie bij de
Wet weerbaarheid kritieke entiteiten in z'n geheel ontbreekt?
Minister Van Weel:
Je hoeft niet alle wetten continu te evalueren. Wat mij betreft is het
geen uitgangspunt dat je continu evaluaties hebt. Dat is natuurlijk wel
van belang als je iets invoert, want dan wil je gewoon op enige termijn
kunnen constateren of de wet z'n werk heeft gedaan, wat ermee gebeurd
is, hoeveel keer er boetes zijn uitgedeeld en of dat heeft geleid tot
een veranderend beeld. Ik denk dat de cyberwereld wat dat betreft
dusdanig fluïde is dat die driejaarlijkse terugkerende evaluatie, dus na
36 maanden, heel nuttig kan zijn. Ik zie dat nut op voorhand niet per se
bij de Wwke. Als je dit systeem hebt ingeregeld, is het verder in
principe een redelijk stabiel beeld, want we weten wat die kritieke
entiteiten zijn. Ik denk dat dat het onderscheid is tussen die twee
werelden. Dat wil niet zeggen dat er verder niks gebeurt wat betreft de
aanscherping van beleid.
De heer Van den Berg (JA21):
Exact. Dat ben ik met de minister eens. Maar we hebben hier te maken
hebben met een best wel verregaande samenhang tussen de
Cyberbeveiligingswet en de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten. Het
werd net al genoemd: als je een kritieke entiteit bent, dan ben je
tegelijkertijd ook een essentiële instelling in het kader van de Cbw.
Als er dus nuttige punten, punten van verbetering, uit die evaluaties
komen, ziet de minister dan een andere manier om die ook in de Wet
weerbaarheid kritieke entiteiten mee te nemen, zodat dat wel synchroon
blijft? Kan hij dat toezeggen?
Minister Van Weel:
Ja, dat lijkt me werkbaar. Dan zou je bekijken wat de implicaties zijn
van het meenemen van de uitkomsten van de evaluatie van de
Cyberbeveiligingswet, die je elke drie jaar doet, op de Wwke. Dat is een
lightvorm van evalueren, maar dan blijven die twee inderdaad wel
gelijklopen. Wat betreft de leveranciersclausule — ik bedenk maar wat,
hoor — zou je bijvoorbeeld niet willen dat dat uit elkaar gaat
lopen.
De heer Van den Berg (JA21):
Ik ga het overwegen. Dank u wel.
De voorzitter:
De minister kan verder met het volgende blok.
Minister Van Weel:
Dat blok gaat over de meld- en zorgplicht. Een waren een hoop vragen
over of we kunnen komen tot één meldloket. Ik lichtte net al een tipje
van de sluier op: ja, dat gaan we op een lastenluwe manier inrichten; we
gaan dat bundelen in één meldpunt. Dat meldpunt komt bij het Nationaal
Cyber Security Centrum. Zowel voor de Cyberbeveiligingswet-meldingen als
voor de Wwke-meldingen komt er dus één loket. Daarnaast kan dit meldpunt
ook worden gebruikt voor meldingen op basis van de Digital Operational
Resilience Act voor de financiële sector, en de netcode voor de
elektriciteitssector. In die zin vangen we dus nog twee andere
richtlijnen en verordeningen onder dat ene meldpunt. We gaan ook kijken
of het haalbaar en uitvoerbaar is om voor andere cybermeldingen een
nationaal meldloket in te richten, voor meerdere wetgevende kaders. Dat
gebeurt dus buiten de Cyberbeveiligingswet om. Dat onderzoek loopt
nog.
Hoe worden bestuurders geïnformeerd over alle stappen die zij moeten
nemen? Bestuurders en CISO's zijn in de communicatie die ik net al
noemde de belangrijkste doelgroepen die wij proberen te bereiken. Die
communicatie loopt ook actief. Ik heb net een aantal van de middelen
daarvoor toegelicht, waaronder de webinars. Ze worden niet alleen
geïnformeerd, maar ook ondersteund bij het nemen van de nodige stappen
voor de meldplicht, de zorgplicht en de registratieplicht. Bij de Wwke
werkt het nog wat directer. Daar worden de bestuurders gewoon direct
benaderd door de verschillende vakdepartementen en dus vanuit de
overheid.
De heer Van den Berg vroeg: hoe kun je rechtsongelijkheid voorkomen
tussen sectoren bij de verschillende interpretaties van die zorgplicht?
De Cyberbeveiligingswet en de Wwke maken het mogelijk om via
ministeriële regelingen sectorspecifieke regels te maken voor de
invulling van de zorgplichtmaatregelen. De vakministers hebben hier ook
gebruik van gemaakt. Een groot deel van deze ministeriële regelingen
zijn in november van het afgelopen jaar in consultatie gegaan. Het is
uiteindelijk aan de toezichthouder om te beoordelen of de entiteit
voldoende invulling heeft gegeven aan de zorgplichtmaatregelen. Die zal
daarbij ook risicogebaseerd te werk gaan om rechtsongelijkheid te
voorkomen.
Waarom mogen entiteiten zelf inschatten wat proportioneel en effectief
is? Waarom zijn er geen heldere normen? Dit borduurt daar een beetje op
voort. Dat gebeurt, weer, om die regeldruk zo veel mogelijk te
vermijden. Dat hangt echt af van de risicoanalyse die ze zelf moeten
gaan maken. Dat zal uiteindelijk de basis zijn voor de maatregelen die
je dan neemt. Dat verschilt echt per entiteit. Door die ruimte te laten,
doen we ook recht aan de sectorale verschillen die er zijn. We hadden
het net al over de onderwijssector en over hoe je binnen één sector al
verschillen kunt creëren. Bij die beoordeling kunnen ze gebruikmaken van
bestaande normenkaders, zoals de ISO 27001 en verschillende hulpmiddelen
vanuit de Rijksoverheid.
In dat verlengde stelde de heer Van den Berg ook vragen over termen als
"kan" en "kunnen". Dat vloeit precies voort uit het feit dat we
entiteiten de ruimte willen geven om op hun eigen manier invulling te
geven aan die zorgplicht. De maatregelen en de evenredigheid daarvan
kunnen per entiteit verschillen, vandaar de open normen. Maar de kaders
zijn wel hetzelfde, namelijk de ISO-norm en datgene wat wij bieden
vanuit de Rijksoverheid.
Hoe verhoudt de open norm van de zorgplicht zich tot hele hoge
bestuurlijke boetes? Laten we eerlijk zijn: die hoge boetes zijn een
eindstation en geen beginstation. Elke boete die uiteindelijk zal worden
opgelegd, zal afgestemd worden op de ernst van de overtreding en de mate
waarin die verwijtbaar is aan de entiteit. U kunt zich voorstellen dat
alle rechtsbeginselen die gelden in ons algemeen bestuursrecht ook van
toepassing zijn op deze wet. Dat zal echt betekenen dat niet altijd de
maximale boete wordt opgelegd. Een boete zal altijd proportioneel moeten
zijn en toetsbaar aan de normen die zijn neergelegd, in het bijzonder
aan de ministeriële regelingen die uiteindelijk per sector komen. Er
zijn ook heel veel best practices voorhanden, ook van het NCSC, waardoor
entiteiten ongeveer weten wat er voor hen van toepassing is, wat ze
mogen verwachten.
Ik weet niet of de dubbele beboeting nog terugkomt, maar dat kan
überhaupt niet in het Nederlandse stelsel. Volgens de Algemene wet
bestuursrecht kun je niet twee boetes opleggen voor hetzelfde delict,
dus dat kan ook in dit geval niet voorkomen, zelfs al zouden
verschillende toezichthouders daar op onverklaarbare wijze toe
komen.
Hoe zit het met de verschillende toezichthouders en de mogelijke overlap
daartussen? Gezegd is al dat we zo veel mogelijk aansluiten bij de
toezichthouders die de organisaties en de entiteiten al kennen, juist
omdat we dan niet weer een extra laag creëren en niet weer een extra
rechtspersoon waarmee entiteiten zaken moeten doen. Die toezichthouders
moeten elkaar vinden. Dat is essentieel en dat hoor ik ook terug in de
vragen. Als dat niet goed gaat, krijg je dus wel overlap. In de praktijk
vindt de samenwerking nu al plaats in het Samenwerkend Toezicht Digitale
Weerbaarheid en het directeurenoverleg toezicht digitale weerbaarheid.
Ze werken inderdaad aan toezichtprotocollen om dat voor iedereen
duidelijk en transparant te maken en om toezichtlasten te voorkomen. De
vraag was of we daarover kunnen communiceren als dat uiteindelijk tot
wasdom is gekomen. Dat zullen we gaan doen.
Wat nou als grote organisaties uit meerdere entiteiten bestaan? Wanneer
is groepsregistratiefunctionaliteit operationeel? Grote organisaties die
uit meerdere entiteiten bestaan kunnen zich straks als groep registreren
en dan kan ervoor gekozen worden om alle meldingen door één
contactpersoon of één individu te laten verrichten namens de gehele
groep. Die functionaliteit zal met ingang van 1 april operationeel
worden, dus vanaf dat moment hebben we ook de groepsregistratie.
Hoe voorkom je dat je je op meerdere plekken moet registreren of dat er
tegenstrijdig wordt geregistreerd? Dat was ook een vraag van de heer Van
den Berg met betrekking tot de beide wetten. Er is slechts één meld- en
registratieportaal waar alle bevoegde autoriteiten en de CSIRT's toegang
toe krijgen voor zover dat relevant is voor hun werkzaamheden. Er zullen
daarom geen meerdere of tegenstrijdige registraties zijn. Als een
organisatie zich met haar unieke KvK-nummer registreert, dan kan deze
niet nog een keer worden geregistreerd in hetzelfde systeem. Ook daar
kan dus geen dubbeling in komen. De beschikbare informatie wordt door
middel van eHerkenning bij de Kamer van Koophandel opgehaald. Bij
overheden worden de gegevens daarvoor uit het Register van
Overheidsorganisaties gehaald.
Voor de Wwke geldt geen registratieplicht, want die entiteiten worden
aangewezen door de overheid. Mochten organisaties door meerdere
departementen worden aangewezen, dan zal dit onderling moeten worden
afgestemd. Bij het doen van een melding kan een organisatie aanvinken
onder welke wet zij deze melden doet. Daarbij kunnen beide wetten worden
aangevinkt. Dat geldt dus voor de meldplicht.
Hoe voorkomt een kabinet dat bestuurders in de problemen komen, omdat ze
een meldtermijn hebben gemist. Dat was een vraag van mevrouw Martens. De
meldplichttermijn moet natuurlijk gehaald worden. Daar zal de
toezichthouder primair op toezien. Die zal de rechtspersoon daar ook op
aanspreken. Ik durf het wel aan om te zeggen dat het schorsen van
bestuurders vanwege het eerste missen van de meldplicht niet snel de
eerste stap zal zijn die een toezichthouder daarin neemt. Dat is ook
niet de manier waarop toezichthouders omgaan met bestuurders. Dan is er
wel wat meer aan de hand. Laat ik het zo zeggen.
Over moeder- en dochterondernemingen heb ik het al gehad. Dat gaat over
de groepsmelding.
Ik denk dat ik daarmee aan het einde ben van de meld- en zorgplicht. Het
volgende blokje is het blokje toezicht.
De voorzitter:
Dit was het blokje meld- en zorgplicht. Hierna volgt toezicht. Ik kijk
even naar links. Zijn er nog Kamerleden die vragen hebben gemist? Ja, in
ieder geval mevrouw Faber. Daarna mevrouw Zwinkels en de heer Van den
Berg. Mevrouw Faber.
Mevrouw Faber (PVV):
Even ter verduidelijking: viel hier ook toezicht onder? Of komt dat nog
later? O, dat komt nu. Dan houd ik nog even mijn mond.
Mevrouw Zwinkels (CDA):
Ik was net als mevrouw Faber even in de war, want het ging al veel over
toezicht. Ik ga mijn vraag toch stellen, want de minister ging daar al
op in. Mijn vraag gaat over het kunnen opleggen van twee boetes voor
hetzelfde delict. Ik vroeg net vooral naar de overlap: meer
toezichthouders kunnen zich geroepen voelen om een bedrijf of een andere
organisatie tot de orde te roepen. Is straks ook vastgelegd welke
toezichthouder voorrang krijgt? Ik ben daar toch wel benieuwd naar.
Welke van de twee gaat dan daadwerkelijk een procedure starten, zodat
zaken niet dubbel worden gedaan of naast elkaar lopen, nog los van wat
uiteindelijk het oordeel zal zijn? Wat is het antwoord van de minister
daarop?
De voorzitter:
Ik kijk ook even naar de minister. Valt dat misschien toch onder
toezicht?
Minister Van Weel:
Ik heb het zelf een beetje uitgelokt door de toezichthouders al te
noemen bij de meld- en zorgplicht. Op de eerste vraag: twee boetes voor
hetzelfde kan niet. Twee toezichthouders voor één organisatie kan wel.
Sommige organisaties vallen ook zonder deze wet al onder meerdere
toezichthouders.
Bij de Cbw en de Wwke moeten de toezichthouders samenwerkingsafspraken
gaan maken. Daarin moeten dit soort zaken en protocollen nou juist naar
voren komen: als een overtreding van een van beide wetten wordt
geconstateerd, welke toezichthouder handhaaft dan bij wat voor
overtreding? Die samenwerkingsafspraken is men in het directeurenoverleg
aan het uitwerken en wil men voor de invoering van de wet gereed hebben.
Ik zei al dat ik daarover met uw Kamer wil communiceren als die er zijn,
maar in principe moeten die aan de organisaties helderheid gaan
geven.
De voorzitter:
Dan de heer Van den Berg. O, sorry, meneer Van den Berg. Mevrouw
Zwinkels.
Mevrouw Zwinkels (CDA):
Heel kort, voorzitter. Ik ben blij met die toezegging. Ik verwacht dat
die al in april of iets dergelijks onze kant op kunnen komen, want net
verwees de minister naar 1 april. Ik heb ook gevraagd welke rol de
Rijksinspectie Digitale Infrastructuur nog eventueel kan spelen om die
centrale regie wat meer op te pakken. Daar ben ik ook benieuwd
naar.
Minister Van Weel:
Dat laatste doet ze. De datum van 1 april was gerelateerd aan de
mogelijkheid om zich als groep te registreren als entiteit. Ik wil die 1
april dus niet per se ophangen aan de samenwerkingsafspraken. Of heb ik
dat eerder wel gezegd? Nee, toch? Ik kijk even naar rechts. Nee. Maar
die afspraken komen wel voor de invoering van de wet.
De voorzitter:
De minister zegt toe: voor de invoering van de wet. De heer Van den
Berg.
De heer Van den Berg (JA21):
Wederom volgend op mevrouw Zwinkels: het is goed dat er onderling wordt
gecoördineerd. Als ik het goed begrijp, is die onderlinge afstemming
echter niet geborgd in de wet en volgens mij wordt van de onderlinge
afspraken die gemaakt zullen worden, ook geen melding gedaan in de
Staatscourant. Ik zou de minister willen vragen hoe hij daarnaar kijkt.
Is het niet beter om die afspraken te borgen door die in de
Staatscourant openbaar en transparant te maken? Hij onderkent zelf dat
die belangrijk zijn.
Minister Van Weel:
Ik vrees dat dit niet met een schaartje te knippen is. Je zult moeilijk
op wetsniveau kunnen vastleggen welke toezichthouder het voortouw heeft
bij de implementatie van deze wetten. Bij vastleggen in de wet zou je
dus niet verder komen dan het listen van alle toezichthouders die
hierbij betrokken zijn, en dat heeft dan weer weinig toegevoegde waarde.
Het ging immers juist om het creëren van helderheid: wie is in the lead?
Ik denk dat die samenwerkingsafspraken ons in ieder geval gaan helpen om
meer helderheid te geven aan de kritieke entiteiten, maar ik denk niet
dat je 'm kunt aanwijzen in de wet zelf, juist vanwege de diversiteit
van het landschap.
De heer Van den Berg (JA21):
Oké, dank. Als laatste nog over de zorgplicht. Ik hoor de minister
zeggen dat ze één melding kunnen doen bij het punt en dat niet gelijk
een boete zal worden opgelegd. Uiteindelijk zouden ze met één
toezichthouder te maken hebben. Is de minister het desondanks met mij
eens dat heel veel bedrijven de kaders, de criteria van de zorgplicht,
toch onduidelijk vinden en daar zorgen over hebben? Zij begrijpen niet
goed wanneer ze daar nu wel aan hebben voldaan en wanneer niet. Kan de
minister daarop reflecteren? Hoe kan dat nu alsnog duidelijker gemaakt
worden?
Minister Van Weel:
Dat is het werk dat nu moet gebeuren op basis van de
Cyberbeveiligingswet zelf, en datgene wat er al aan handelingskader
online staat bij de NCTV en het NCSC. Het self-assessment dat bedrijven
kunnen doen, geeft veel inzicht in wat die zorgplicht zou behelzen.
Uiteindelijk komen daar de ministeriële regelingen overheen, die per
sector door de vakministers zullen worden uitgegeven. Die zullen nadere
richtlijnen voor de specifieke sectoren bevatten, die ook houvast geven
aan de bedrijven. Uiteindelijk zullen de toezichthouders in overleg met
bedrijven uit de sectoren komen met nieuwe casussen die zij tegenkomen.
Een aantal casussen zullen zij in die samenwerkingsafspraken al naar
voren brengen. Dat netwerk bouwt zich langzaam op. We hebben er juist
voor gekozen om dat niet vanaf het begin vanuit de ivoren toren in Den
Haag te doen, maar dat over te laten aan de bedrijven en de sectoren,
die meer kennis hebben over wat er specifiek nodig is in het kader van
die zorgplicht.
Nogmaals, wat betreft de samenwerkingsafspraken kan ik 1 april nog
steeds niet toezeggen, maar ik kan wel toezeggen dat deze zullen worden
gepubliceerd in de Staatscourant om die helderheid te creëren. Dat gaat
ook over de betrouwbaarheid: wat u van toezichthouders kunt verwachten
en wat een toezichthouder van u verwacht.
De voorzitter:
Dan heb ik nog een vraag over die loketfunctie. Ik ben heel blij met de
toezegging dat dat loket er komt. Alleen sprak de minister toch nog over
een ander loket voor twee andere richtlijnen. Onder het loket voor deze
twee wetten worden ook nog andere dingen geschaard. Dat gaat dus om één
loket. Maar daarnaast komt er toch nóg een loket. O, toch niet; ik zie
de minister nee schudden. De vraag is: komen er nu twee loketten of gaat
het zo veel mogelijk naar één loket?
Minister Van Weel:
Het gaat zo veel mogelijk naar één loket. Daarbij komen ook de twee
andere richtlijnen die op andere sectoren van toepassing zijn samen.
Eigenlijk krijg je een soort one-size-fits-all. De makkelijkheid voor
bedrijven en entiteiten is dat ze één nummer bellen en naar één punt
gaan. Dan is het aan ons om dat verder te geleiden.
De voorzitter:
Ik ben blij met deze beantwoording. Volgens mij kunnen we dan door naar
het blokje toezicht.
Minister Van Weel:
Ja, daar zaten we al volop in. Ik zal even kijken welke vragen nog niet
zijn beantwoord.
De samenwerkingsprotocollen komen eraan; dat is helder.
Ik heb ook uitgelegd waarom het niet mogelijk is om al op wetsniveau
specifiek één toezichthouder aan te wijzen. Dat zou echt uit de
samenwerking tussen de bestaande toezichthouders moeten blijken.
Een vraag van mevrouw El Boujdaini: hoe verhoudt de
stelselverantwoordelijkheid van de minister zich tot het
directeurenoverleg? Het directeurenoverleg is een van de onderdelen van
het stelsel en is specifiek gericht op het toezicht. Het bestaat daarmee
naast de andere onderdelen van het stelsel, zoals de samenwerking tussen
CSIRT's onderling en de publiek-private informatie-uitwisseling. In het
kader daarvan is er regelmatig contact over de afstemming tussen de
toezichthouders en de NCTV. Die rapporteren dan weer aan mij als
minister. Zo zitten we samen in het speelveld.
Worden die samenwerkingsafspraken uiteindelijk in alle sectoren gemaakt?
Ja, uiteindelijk dekken die alle sectoren af.
Worden organisaties ook nog geconsulteerd bij de afspraken die er worden
gemaakt? In principe is het nu strikt een samenwerkingsafspraak tussen
de toezichthouders zelf. Die kennen hun sectoren natuurlijk wel heel
goed. In die zin denk ik dat de belangen van organisaties wel zullen
worden meegenomen in diverse vraagstukken, maar zij zitten daar niet aan
tafel om hun eigen toezicht in te regelen. Uiteindelijk horen de
toezichthouders wel wat er speelt in een organisatie. Ik ga ervan uit
dat zij dat ook meenemen.
Is het helder wie het eerste aanspreekpunt is bij toezicht, handhaving
en incidentenafhandeling? Ja, er zit een doorverwijsboom bij de
Cyberbeveiligingswet. Die staat op de website van de NCTV. Daarnaast
gaan de samenwerkingsafspraken daar natuurlijk nog meer helderheid in
creëren, met name voor bedrijven die tussen verschillende
toezichthouders opereren.
Er werd gevraagd hoe ik aankijk tegen boetes en de methodes van andere
landen. Ik denk dat die niet afwijken van de praktijk die we in
Nederland zullen zien. Ook hier zul je niet in één keer de maximale
boete krijgen. Dat is niet het enige sanctiemiddel. Ook hier zullen
toezichthouders beginnen met waarschuwingen en pas bij herhaaldelijk
overtreden overgaan tot sancties. Dat is normaal in onze rechtsgang in
dit land.
Ik heb het gehad over dubbele beboetingen. Dat betreft overigens artikel
5:43 van de Algemene wet bestuursrecht.
Zien de structurele middelen in de memorie van toelichting ook op de
extra capaciteit bij uitvoeringsdiensten zoals de ILT en de NVWA? Ja. De
door de vakdepartementen geraamde structurele middelen geven een
integraal financieel beeld. Dat is dus inclusief de toezichtslasten. Dat
is indirect ook een antwoord op de vraag van mevrouw Kathmann of
toezichthouders hiervoor worden uitgerust. De Cyberbeveiligingswet ziet
op een significante uitbreiding van de taken en de scope van de
doelgroep. Dat betekent dus ook dat die ziet op toezichtveranderingen
met financiële gevolgen. De capaciteit voor het toezicht moet groeien
vanwege de toename van het aantal entiteiten. Daarmee is rekening
gehouden in deze wet.
Worden boetes dan ook proportioneel gezien ten opzichte van schaal,
draagkracht en omzet van een entiteit? Omzet, schaal en draagkracht zijn
relevante aspecten bij het bepalen van de hoogte van een boete.
Toezichthouders zijn altijd gehouden aan de Algemene wet bestuursrecht
en aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Een boete wordt
dus altijd afgestemd op de ernst van de overtreding en de mate waarin
die een entiteit te verwijten is. Dat geldt ook voor het
proportionaliteitsbeginsel. Dat betekent dus dat de nadelige gevolgen
van een boete voor een entiteit, een bedrijf, niet onevenredig mogen
zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Dat
ondervangt dus in algemene zin het risico dat werd genoemd dat een
bedrijf een boete als fooi beschouwt versus dat zo'n boete voor een
bedrijf bijna desastreus zou zijn. Dat wordt ondervangen met dit
proportionaliteitsbeginsel. Meestal hebben toezichthoudende instanties
in hun boetebeleid ook een omschrijving van hoe ze de omvang van de
organisatie meewegen in de hoogte van de boetes. Draagkracht telt daarin
mee.
Toezicht op de kerncentrale. Wie houdt het toezicht op een incident bij
een kerncentrale: de minister of de ANVS? Dat was een vraag van mevrouw
Faber. De ANVS houdt toezicht op de kerncentrale voor de
stralingsbescherming en de nucleaire veiligheid. Daarvoor is al
uitgebreide sectorale wetgeving. De RDI is de instantie die toezicht
houdt vanuit het perspectief van de leveringszekerheid van
elektriciteit. Een kerncentrale kent dus alweer verschillende
entiteiten. Uiteindelijk is de afweging om daar als Defensie ook nog
bescherming aan te leveren. Die hangt dan weer vast aan de nationale
dreiging die er wordt gezien jegens een bepaald object. Die wordt door
sommige landen ook anders gewogen dan door andere.
De voorzitter:
Bent u klaar met het blokje?
Minister Van Weel:
Ik heb er nog twee.
De voorzitter:
Oké, nog twee. Dan kom ik daarna gelijk bij u, mevrouw Faber.
Minister Van Weel:
Hoe borgen we dat het toezicht en de ondersteuning niet achterblijven
bij de enorme uitbreiding van de doelgroep? Dat is dus meegenomen in de
samenwerkingsafspraken, de memorie van toelichting en de
intensiveringsgelden die daarvoor zijn genoemd.
Dat was al de laatste vraag. De kosten van toezicht zijn daarmee dus
gedekt, via de vakdepartementen.
De voorzitter:
Dat brengt ons meteen bij mevrouw Faber.
Mevrouw Faber (PVV):
Even over de kerncentrale. Er moest toen een zbo worden opgetuigd omdat
men zelfstandig moest kunnen beslissen inzake de veiligheid, maar er
zijn natuurlijk ook andere belangen. De minister gaf al aan dat een
andere organisatie gaat over het leveren van elektriciteit, maar dan is
natuurlijk wel de vraag wat dan voorgaat. Gaat de veiligheid voor of
gaat voor dat men elektriciteit moet kunnen leveren? Ik denk namelijk
dat dat op zich een essentiële vraag is. Het kan namelijk best zo zijn
dat een kerncentrale onder druk staat en eigenlijk stilgelegd moet
worden, maar dat het gevaarlijk kan zijn omdat men zegt: je moet
leveren. Wat is dan de doorslaggevende factor in dezen?
Minister Van Weel:
Dat vind ik een interessante vraag. Daar heb ik oprecht het antwoord
niet op. Ik weet ook niet of ik dat voor de tweede termijn heb. Ik wil
dat in ieder geval meegeven aan een van de toezichthouders als een van
de casussen. Ik kom daar dan op een later moment schriftelijk op
terug.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik had nog een andere vraag. Die ging ook over meerdere toezichthouders,
ook als er bijvoorbeeld een zbo is. De minister heeft namelijk
aangegeven dat er niet financieel ondersteund wordt. De minister heeft
er niet voor gekozen dat kritieke entiteiten financieel ondersteund
worden. Maar stel dat er twee vakministers zijn voor één entiteit en men
dat uit de eigen begroting moet doen. Dan is er de kans dat ze de zaak
naar elkaar toe schuiven om niet hun eigen begroting te belasten. En
dan? Ik bedoel: is dat afgevangen?
Minister Van Weel:
Ja, ik vrees het wel. De afvanger zit hier voor u, want uiteindelijk ben
ik de coördinerende minister voor het hele stelsel. Ik zal dan de beide
vakministers bij elkaar moeten brengen en zorgen dat daar een oplossing
voor komt.
Mevrouw Faber (PVV):
Dan de laatste vraag, voorzitter. Het is zo dat 80% van de entiteiten
commerciële instellingen zijn. Daar heeft ook het Rijk toezicht op. Maar
alles wat met de overheid te maken heeft, valt onder Binnenlandse Zaken.
Daar is de minister van Binnenlandse Zaken toezichthouder op. Maar dan
controleert de overheid de overheid. Hoe gaat u dat dan scheiden, vraag
ik via de voorzitter.
Minister Van Weel:
We kennen natuurlijk binnen de overheid meerdere toezichthouders, die
weliswaar onder ministeriële verantwoordelijkheid vallen — bijna
allemaal in ieder geval — maar zonder dat dit de onafhankelijkheid van
hun bevindingen in de weg staat. De overheid kan de overheid controleren
— denk bijvoorbeeld aan de AP — zonder dat dit compleet los hoeft te
staan van de overheid.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik denk dat de minister dit wel met de goede intenties vertelt, maar ik
vind het toch een beetje vreemd. We hebben natuurlijk wel meer
organisaties op afstand gezet van de overheid. Is dat dan bijvoorbeeld
een zbo die dat doet? Welke constructie is er dan?
Minister Van Weel:
De RDI is een onafhankelijke instantie. De RDI valt weliswaar binnen de
overheid, maar is wel een onafhankelijke instantie. Wat betreft de vraag
of de RDI een zbo is, kijk ik of ik het antwoord daarop voor de tweede
termijn voor u kan achterhalen. De RDI staat in ieder geval op afstand
en heeft die onafhankelijkheid.
De heer Van den Berg (JA21):
Is het niet een beter idee om wettelijk te regelen dat het onafhankelijk
toezicht op de overheidsinstanties op die manier wordt geborgd? Juist
omdat we het hier hebben over kritieke entiteiten zijn juist de mensen
die toezicht houden op deze entiteiten in principe kwetsbaar voor
statelijke actoren, die deze mensen wel heel interessant zouden kunnen
vinden. Zou het om de wet te versterken niet juist goed zijn om die
aspecten wettelijk te borgen, zodat we nooit een samenloop hebben van
belangen en toezicht?
Minister Van Weel:
We doen nu echt de overheid en de manier waarop wij ons toezicht hebben
georganiseerd tekort. Ik heb zelf ook de Inspectie Justitie en
Veiligheid. Ik heb geen enkele twijfel over de onafhankelijkheid van
deze organisatie. Die geeft mij ook gevraagd en ongevraagd adviezen,
inspecteert en neemt die toezichthoudende taak uiterst serieus. Ik weet
als bestuurder ook donders goed dat ik daar niet met mijn vingers tussen
moet gaan zitten. We hebben talloze toezichtsorganen binnen de overheid,
die weliswaar overheidsorganen zijn — daar zou niemand anders voor
willen betalen namelijk — maar zonder dat we daarbij inhoudelijk tegen
problemen aanlopen. Dat is bij de RDI, de toezichthouder in dit geval,
dus ook het geval, maar ik kijk nog wel even naar wat precies de
bestuursvorm is die daarvoor is gekozen, om die onafhankelijkheid te
borgen. Dat heb ik aan mevrouw Faber toegezegd.
De heer Van den Berg (JA21):
Nou, hartstikke fijn. Ik weet niet of de minister dat zo bedoelde, maar
ik wil wel onderstrepen dat ik niet een directe aanval wilde inzetten op
de onafhankelijkheid van ambtenaren, want daar heb ik alle vertrouwen
in. Mijn punt is natuurlijk meer dat als je dat kan scheiden en die
belangen van elkaar kan ontvlechten … Het is natuurlijk wel een feit dat
we juist bij deze entiteiten met zeer gevoelige informatie te maken
hebben. Die risico-inschattingen gaan natuurlijk juist over onze
kritieke processen. Juist daar moet je zeer vertrouwelijk mee omgaan. In
die zin vind ik dat wel heel belangrijk. Maar dan nog over de
toezichthouders. Ik heb begrepen dat er meerdere stelsels zijn waarin
enerzijds het toezicht vanuit de overheid zelf wordt bekostigd. Andere
zitten in een breder systeem, waarin bedrijven er gelden voor afstaan.
Dat is in deze wet dan weer niet geregeld. Zou het in het kader van deze
wet niet ook gewoon goed zijn als de overheid de bekostiging van de
inspecties of de audits voor haar rekening neemt? Hoe kijkt de minister
daarnaar?
Minister Van Weel:
Dat doen we al. In de memorie van toelichting is aangegeven wat de
vakdepartementen denken nodig te hebben voor de implementatie van deze
wetgeving. Daar zit de bekostiging van de individuele toezichthouders
die zij hiermee belasten, al in. De reden waarom dat niet allemaal
centraal is geregeld in deze wet, is omdat je nu eenmaal meerdere
toezichthouders hebt. Die kun je niet afbakenen. We gebruiken de
bestaande instituties en dat is dan ook weer in het kader van het
verlagen van de regeldruk een van de proportionaliteitsmaatregelen van
deze wet.
De heer Van den Berg (JA21):
Ik had van de audit een bedrag van volgens mij €432 in mijn hoofd, dat
ik zag staan, maar daar kom ik dan nog even op terug. Als laatste nog de
proportionaliteit van de boete. Het is heel fijn dat de minister erop
reflecteert dat we inderdaad altijd een bredere afweging maken,
bijvoorbeeld de zwaarte van de overtreding en of het een herhaling is
enzovoort. Maar het blijft naar mijn idee toch zo dat wanneer een
bedrijf dat kleiner is — laten we zeggen met een omzet van 100 miljoen
euro — een boete krijgt van in principe 10 miljoen euro, we te maken
hebben met een zwaarte van 10%. Het blijft een feit dat wanneer een
bedrijf groter is, 2% van de omzet wel het maximale boetebedrag blijft.
Dat klopt volgens mij. Kunnen we er niet voor kiezen om dat te allen
tijde proportioneel te houden, ondanks de zorgvuldige afweging van de
toezichthouders?
Minister Van Weel:
Zoals ik al zei, hebben die dus vaak al boetebeleid, waar die
proportionaliteit in staat en waarin dit soort aspecten worden
meegewogen. Het feit dat een bedrijf over de kop zou gaan als het 2% van
de jaaromzet moet afstaan, wordt dus meegewogen voordat de sanctie wordt
opgelegd. Dat wordt dan ook weer afgewogen tegen wat iemand heeft gedaan
en tegen de vraag of die daar wat aan kon doen. Die hele set van
maatregelen is onderdeel van goed bestuur en dat zit al ingebakken bij
die toezichthouders. Een maximumbedrag dat je meegeeft, is niet meer dan
dat. Het is geen leidraad voor hoe zo'n toezichthouder uiteindelijk in
de praktijk omgaat met die boetes, want die toezichthouder heeft gewoon
te maken met de rechtsbeginselen van goed bestuur.
De heer Van den Berg (JA21):
Laatste vraag. Oké, fijn. Maar wat als we nu met een zeer groot bedrijf
te maken hebben, bijvoorbeeld eentje met een jaaromzet van meerdere
miljarden? Stel, je wilt zo'n bedrijf toch beboeten voor een overtreding
die ze hebben begaan. Dan zitten we alsnog vast aan die maximale boete
van 2% van de jaaromzet. In dat geval is de prikkel die we ze daarmee
kunnen geven, dan weer relatief licht. Dat zie ik toch goed dan?
Minister Van Weel:
Nou, 2% van een heleboel of 2% van wat minder is in het eerste geval een
heleboel. 2% van de jaaromzet van Apple zou ik graag terugzien op mijn
begroting, laat ik het zo zeggen. Dat voelen die bedrijven ook.
De voorzitter:
U kunt verder met uw volgende blok en dat is volgens mij — u weet dat
beter dan ik — actuele onderwerpen.
Minister Van Weel:
Ja, actueel en dat is vrij kort. Dat zijn maar twee onderwerpen,
namelijk Odido en digitale soevereiniteit. Gaan deze wetten helpen om
zaken zoals die bij Odido zijn gebeurd, te voorkomen? Dat kun je nooit
garanderen, want we weten ook nog niet alle details van wat er bij Odido
allemaal goed en fout is gegaan. Daar zal nog onderzoek naar gedaan
worden. Maar de zorgplicht is er natuurlijk wel op gericht om dit soort
incidenten te voorkomen. Daar zitten allerlei maatregelen achter, die de
kans dat zoiets gebeurt, moeten verkleinen. Of het nu gaat over de
omgang met data, de externe beveiliging, de training van personeel,
cyberhygiëne, toegangsbeleid, beheer van assets: die hele waslijst valt
onder de zorgplicht. Ik denk dat dat wel de drempel verhoogt, ook voor
grotere organisaties, om dit soort zaken beter te kunnen voorkomen. En
het toezicht gaat daarbij helpen, denk ik. Nogmaals, ik wil niet
impliceren dat ik weet wat er bij Odido allemaal verkeerd is gegaan,
maar ik denk dat deze wetten in algemene zin gaan helpen om dit soort
incidenten te voorkomen in de toekomst.
Dan de digitale soevereiniteit. Kunnen we deze wet daar ook voor
gebruiken? Ik wil het in mijn beantwoording houden bij de relatie tussen
deze wetten direct. Ik wil de discussie over digitale soevereiniteit
niet wegkapen bij mijn collega, de staatssecretaris van EZK. Maar deze
beide wetten bieden wel de mogelijkheid om de risico's van de
toeleveranciersketen aan te pakken. De vakminister kan entiteiten de
verplichting opleggen om in bepaalde gevallen geen gebruik te maken van
producten of diensten van specifieke leveranciers, wanneer dit
noodzakelijk is voor de nationale veiligheid. We komen daar zo nog wat
uitgebreider over te spreken. Dat is niet direct gericht op het
vergroten van de digitale strategische autonomie, maar ik denk dat het
wel een onderdeel is van een stap daarnaartoe. Entiteiten zullen die ook
meewegen in hun inrichting en ook in hun strategische afhankelijkheden,
die ze hebben laten gebeuren door hun afhankelijkheid van een bepaalde
leverancier. De preventieve werking die dus mogelijk uitgaat van deze
wetten, los van de specifieke ingrepen op nationale veiligheid, gaat in
dat kader wel wat doen, denk ik. Verder zou ik de bredere discussie
graag willen doorgeleiden naar mijn collega.
De voorzitter:
Dit was het blokje actuele onderwerpen. Ik kijk nog even naar links om
te zien of er nog vragen zijn. We kunnen naar het volgende blokje:
leveranciers.
Minister Van Weel:
Tot mijn spijt moet ik u wel zeggen dat mijn linkerblokje nog steeds
hoger is dan het rechterblokje. Ik toets dat regelmatig aan u, maar wat
dat betreft ben ik nog niet door de helft van mijn stapel papier.
De voorzitter:
Wij doen ons best aan deze kant van de Kamer.
Minister Van Weel:
Ik weet het. Ik geef u een update.
Waarom hebben we het weren van leveranciers in lagere regelgeving
opgenomen in plaats van op wetsniveau? Dat hebben we gedaan omdat we het
ook zien als de uitwerking van een zorgplicht. Dan is het niveau van een
AMvB passend. Je wil ook niet alles in wetgeving vastleggen, omdat je
ook wil kunnen inspelen op technologische ontwikkelingen. Er liggen ook
nog twee amendementen voor met betrekking hiertoe en ik liet al even
doorschemeren dat ik bereid ben om daar welwillend naar te kijken. Ik
kom daar dus zo in de appreciatie nog op terug.
Overigens hebben we wel geluisterd naar het bedrijfsleven, dat
natuurlijk naar aanleiding van de opname in de Cyberbeveiligingswet
brieven naar ons heeft gestuurd. Die hebben we meegenomen in de nota van
toelichting die bij de AMvB zit. We hebben daarin helder neergezet welke
criteria gelden, om de voorspelbaarheid van het nemen van dit besluit en
van de investeringen die ze moeten doen, groter te maken voor bedrijven.
Daarbij wordt telkens getoetst aan dezelfde criteria en die staan nu dus
in de nota van toelichting. Ook is daarin beschreven hoe de procedure
voor de vakminister voorafgaand aan het nemen van het besluit dient te
lopen. De betrokkenheid van de entiteit is ook meegenomen in die
procedure. Bovendien kan de entiteit nog bezwaar en beroep instellen
tegen het besluit.
Welke concrete criteria bepalen dat een leverancier een risico vormt? Er
wordt gekeken of de leverancier de intentie heeft om schade aan te
richten bij een entiteit of dat een entiteit nauwe banden heeft met of
onder controle staat van een partij met kwade intenties. Dan kunt u
denken aan leveranciers die via wetgeving verplicht kunnen worden om mee
te werken met een buitenlandse overheid. Dat is dus een van de criteria,
zoals ook door enkelen van u in vragen neergezet. Denk aan statelijke
actoren met een offensief programma gericht tegen Nederlandse belangen.
Al deze criteria staan in de toelichting van de AMvB.
Willen we daarbij ook kijken naar de mogelijkheid om financiële steun te
geven bij het weren van een dienst of product? Dat was een vraag van
mevrouw Kathmann. De Algemene wet bestuursrecht en daarbinnen de regels
over nadeelcompensatie bepalen in elk geval op welke financiële
vergoeding men recht heeft als de overheid tussendoor de spelregels
verandert, want daar komt het hier op neer, om goede redenen weliswaar.
Dan is er automatisch sprake van recht op nadeelcompensatie. Dat zal
elke keer door de vakminister worden bekeken. Ik kan daar dus niet in
algemene zin uitspraken over doen. Ik zou willen voorkomen dat we op
voorhand alle schade voor een leverancier vergoeden als we zo'n besluit
zouden nemen, want daarmee halen we ook een stuk incentive weg bij
entiteiten om zelf kritisch te kijken naar hun toeleveranciersketen,
omdat de overheid, als het dan toch een keer aan het licht komt,
daarvoor wel de portemonnee trekt. Dat zou ik ons collectief niet willen
aandoen. Ik denk dus dat de nadeelcompensatie voldoet.
Dan ben ik bij overige belangrijke onderwerpen, voorzitter.
De voorzitter:
Ik kijk even naar links om te zien of mensen nog vragen hebben bij dit
blokje. Dit was het blokje leveranciers. Nee, overig, toch? Nee,
leveranciers; hierna komt overig.
De heer Van den Berg (JA21):
We hebben leveranciers gehad en nu gaan we naar overig.
Ik heb een vraag over de concrete criteria waarop we baseren dat een
leverancier een risico voor de nationale veiligheid vormt. Ik hoorde de
minister zeggen dat het bijvoorbeeld statelijke actoren zijn die een
offensief cyberprogramma hebben richting ons. Op basis van welke feiten
en omstandigheden stellen we deze landen vast? Ik kan me namelijk ook
voorstellen dat daar een AIVD- dan wel een MIVD-component aan zit.
Kortom, hoe kunnen we dit als parlement controleren?
Minister Van Weel:
Daar zit zeker een AIVD- en MIVD-component aan, en ook een
NCTV-component. Maar er zit ook een openbare component aan. We proberen
juist met dit soort zaken ook op structurele basis — dit gaat over
individuele gevallen, maar ik heb het dus over de structurele basis — zo
veel mogelijk van het dreigingsbeeld zoals wij en de diensten dat zien
met uw Kamer te delen. Een voorbeeld daarvan is het Dreigingsbeeld
Statelijke Actoren. In het laatste dreigingsbeeld wordt ook ingegaan op
de vraag welke landen offensieve cyberprogramma's hebben tegen ons en
welke risico's en concrete gevallen we daarvan zien. Dat is allemaal op
ongerubriceerd niveau, maar geeft, denk ik, wel een aardig
aanknopingspunt, ook voor entiteiten om te lezen waar ze beter niet mee
in zee kunnen gaan of waar ze op enig moment het risico lopen om tegen
een knelpunt in de keten aan te lopen. Daarmee proberen we dus wel te
helpen bij de afwegingen die entiteiten daarbij maken.
De heer Van den Berg (JA21):
Dat kan ik alleen maar ondersteunen. Dank u wel.
De voorzitter:
Minister, we kunnen naar het volgende blokje.
Minister Van Weel:
Het blokje overig. Ik begin bij de positie van slachtoffers. Is de
positie van slachtoffers goed genoeg vastgelegd in deze wetten? Voor
significante incidenten regelt de Cyberbeveiligingswet dat de betrokken
entiteiten ontvangers van een dienst in kennis moeten stellen indien dat
incident een nadelige invloed kan hebben op de verlening van die dienst.
Ook wordt hierin geregeld dat de entiteit ontvangers van een dienst die
door een significante dreiging in relatie tot die dienst kunnen worden
getroffen, mee moet nemen in de vraag welke maatregelen zij daarvoor
kunnen treffen. Er is echter geen specifieke regeling over de positie
van slachtoffers opgenomen. Ik wil wel verwijzen naar een aangenomen
motie van het lid Rajkowski waarin gevraagd wordt om te kijken naar de
positie van slachtoffers en nadeelcompensatie. Ik zie een aantal van uw
leden nu knikken. Dat proces loopt natuurlijk nog, maar staat los van
deze Cyberbeveiligingswet. Dat gaat nadrukkelijk om slachtoffers.
Kunnen we kennisdeling over dreiging en kwetsbaarheden en
aanvalspatronen beter organiseren, niet alleen in Nederland maar ook met
landen om ons heen? Ja. Het doel met deze wet is juist om het delen van
kwetsbaarheden en dreigingen, waaronder ook AI-gegenereerde
cyberdreigingen, beter te organiseren en beter te verbreden. Het CSIRT
krijgt hiervoor een specifieke grondslag in deze wet. Nationaal werken
de CSIRT's al met elkaar samen in het CSIRT-netwerk. Ook internationaal
is er een CSIRT-netwerk waarin dagelijks op operationeel niveau
informatie wordt uitgewisseld. Nederland is ook actief in het CyCLONe
netwerk voor samenwerking bij crisissen en incidenten, en in de NIS
Cooperation Group, waarin experts van Europese lidstaten leren van
elkaars ervaringen en best practices. Daarnaast biedt de
Cyberbeveiligingswet een nadrukkelijke grondslag om makkelijk informatie
met derde landen zoals het Verenigd Koninkrijk te delen, ook informatie
over aanvalspatronen.
Tot slot moeten we opmerken dat we naast de AI-gegenereerde dreigingen
ook steeds meer AI-gegenereerde verdediging zien. Uiteindelijk gaat ons
dat ook helpen. Ik kan me nog levendige discussies herinneren met de
topmannen van Apple en Google over de vraag of de verdediging nou meer
baat heeft bij AI of de aanval. Ik zal het u niet verklappen, maar de
twee waren in ieder geval tegenovergesteld in hun opvattingen hierover.
Ik denk dat de nabije toekomst het ons gaat leren.
Dan de informatie-uitwisseling in crisis, kritieke entiteiten en private
beveiligingsbedrijven. Kunnen we daarbij versnippering en inefficiëntie
voorkomen, was een vraag van mevrouw El Boujdaini. In eerste instantie
moeten kritieke entiteiten zelf de verantwoordelijkheid nemen voor een
crisisrespons en de daarbij behorende informatie-uitwisseling. Ze kunnen
daar zeker private beveiligingsbedrijven in meenemen. De meeste doen dat
overigens ook als zij een incident van een bepaalde omvang hebben. Elk
ministerie neemt daarnaast maatregelen op het eigen beleidsterrein om
crisissen aan te pakken. Daarvoor hebben ze allemaal een departementaal
crisiscoördinatiecentrum. Bij een nationale crisis — het is niet
helemaal in beton te gieten wanneer dat gaat spelen, maar op enig moment
schalen we op — is er een nationaal crisiscentrum. Dat valt dan
coördinerend onder mijn verantwoordelijkheid. Dat is een
24/7-informatieloket en ondersteunt ook de nationale crisisstructuur en
alle partijen. Daarnaast zijn er sectorale afspraken gemaakt over
informatie-uitwisseling. Een voorbeeld hiervan is het NCSC, dat binnen
het cyberdomein zorgt voor gerichte informatiedeling tussen publieke en
private partijen. Daarmee wordt versnippering voorkomen en efficiënte
informatievoorziening tijdens crises gewaarborgd.
Mevrouw El Boujdaini vroeg ook hoe deze private beveiligingsbedrijven
meer duidelijkheid kunnen krijgen over hun rollen. Ze hebben geen
formele rol in deze wetten. Het is echt de verantwoordelijkheid van de
kritieke entiteit om passende maatregelen te nemen, maar natuurlijk
zullen zij gebruikmaken van private partijen — daar is ook geen verbod
op — om te helpen bij de implementatie en naleving van deze wet.
De heer Vermeer vroeg of er duidelijkheid komt over wat wel of niet
redelijk is om van leveranciers te eisen. Ja. Onder deze
Cyberbeveiligingswet moeten entiteiten uitsluitend inzicht krijgen in
leveranciers die van invloed kunnen zijn op de beveiliging van haar
netwerk of informatiesysteem. Dat is meteen een afkadering voor hoe diep
je in die food chain, zeg ik hier maar even letterlijk, moet gaan om te
kijken waar het relevant is en waar niet. De entiteiten toetsen of er
door de leveranciers wordt voldaan aan de beveiligingseisen. Dat kan met
een certificering van de toeleveranciers of clausules in de
leveringsovereenkomsten die zij sluiten.
Hoe voorkomen we dat grote ketenpartners hun verantwoordelijkheden
afwenden op kleine ondernemers? Die verantwoordelijkheid kán niet worden
afgewenteld door grote entiteiten; die staan per definitie aan de lat in
het kader van deze beveiligingswet. Zij moeten zelf inzicht krijgen en
uiteindelijk toetsen kunnen doen voor hun toeleveranciers, maar er ligt
dus ook een gedeelde verantwoordelijkheid om die te certificeren.
Voorzitter. Als het gaat om de bewaartermijnen, ben ik even in handen
van uw Kamer. Ik heb gezegd waarom er een onderscheid is tussen de
CSIRT's en de toezichthouders, maar ik weet niet of dat voldoende helder
was. Ik kan er alleen aan toevoegen dat elke toezichthouder wel per
dossier kijkt of de termijn van 60 maanden noodzakelijk is. Daar hebben
ze al processen voor. In die zin sluiten deze wetten aan bij wat al
gebruikelijk is voor toezichthouders in een toezichthoudende rol in den
brede.
De motie van mevrouw Rajkowski over het handelingskader voor
slachtoffers van datalekken had ik al genoemd. Die was van 10 maart.
Daar wordt aan gewerkt.
Dat was het einde van mijn blokje.
De voorzitter:
Dit was het blokje overig. De heer Van den Berg heeft een vraag, en dan
heeft mevrouw Zwinkels een vraag.
De heer Van den Berg (JA21):
Nog even over het opslaan van de gegevens. Als ik het goed lees, zou het
gaan om maximaal 120 maanden voor de toezichthouders. Voor overige
wettelijke taken geldt een maximale bewaartermijn van 60 maanden. Hoe
kijkt de minister dan naar die tien jaar? Is dat niet veel te lang? Zou
dat niet korter kunnen? Kan de minister bevestigen dat die tijd niet
elke keer opnieuw gaat lopen? Volgens mij is het zo aangepast dat de
juistheid van de gegevens bevestigd moet worden. Ik vraag mij af wat nu
het ijkpunt is dat bepaalt wanneer de opslag van die gegevens verlengd
wordt.
Minister Van Weel:
Die termijn van 120 maanden is echt gericht op die gevallen waarin er
specifieke juridische procedures lopen. Die kunnen echt rustig vijf jaar
in beslag nemen. Ik ken deze zaken ook nu binnen het ministerie. Er zijn
gewoon zaken die zo'n lange looptijd hebben. Als je dan aanloopt tegen
de wettelijke bewaartermijn van je gegevens, dan komt zo'n zaak in
gevaar, terwijl je een zaak ook niet sneller kunt laten gaan dan die
gaat. Het betreft dus wel echt een maximumtermijn. Het is niet zo dat
het streven is om al die gegevens tien jaar te bewaren. Als je al die
trajecten doorloopt van een zaak, en dan het beroep en het hoger beroep,
kun je uiteindelijk wel tegen die termijnen aan lopen, maar dat is zeker
niet de norm.
De heer Van den Berg (JA21):
Helder. Maar hoe werkt het dan in de praktijk? Hoe wordt per dossier
beoordeeld of een kortere bewaartermijn toch mogelijk is? Hoe wordt
ervoor gezorgd dat het in de praktijk niet alsnog zo uitpakt dat we die
gegevens gewoon laten staan?
Minister Van Weel:
Daar hebben toezichthouders hun eigen procedures voor. Die zijn er
overigens niet naar aanleiding van deze wetten, maar dat geldt voor
alles wat ze aan toezichthoudend werk doen. De criteria op basis waarvan
ze hun bestanden vegen, zijn dus een-op-een van toepassing hierop.
Daarom sluiten we ook aan bij de termijnen zoals ze die kennen, ook voor
hun reguliere toezichtwerk.
Mevrouw Zwinkels (CDA):
Ik ben blij met het antwoord rondom de cyberaanvallen die tot stand
komen met AI. Ik ben ook benieuwd of we daarover kunnen worden
geïnformeerd als het gaat om de samenwerking met andere Europese
lidstaten te zijner tijd. Mijn vraag is eigenlijk tweeledig. Ik heb nog
twee gemiste vragen, want dit was het blokje overig en volgens mij het
laatste blokje.
De voorzitter:
Nee, niet het laatste blokje. Hierna komen we pas bij de wet.
Mevrouw Zwinkels (CDA):
O, oké. Dan kan ik het heel kort aankondigen. Dan weet ik of de minister
er nog op ingaat. Ik had nog een vraag over de gekwalificeerde
vertrouwensdiensten en over de uitvoeringscapaciteit bij ILT en NVWA.
Als die aan bod komen, zijn mijn vragen verder allemaal beantwoord
vandaag.
Minister Van Weel:
Dat houden we in ieder geval in gedachten. Die tweede vraag heb ik
beantwoord. Die gaat over dat in de memorie van toelichting is
meegenomen dat vakdepartement datgene wat nodig is aan capaciteit bij de
verschillende toezichthouders, waaronder de twee die u noemt ... Die
zitten ook in deze wet. De eerste vraag hoop ik nog tegen te komen, want
it doesn't ring a bell now.
De voorzitter:
Anders kijken we zo naar die twee blokjes.
Minister Van Weel:
Voorzitter, ik denk dat ik een heleboel uit die wetsblokken al gehad
heb, maar ik zal er met prudentie doorheen gaan.
De voorzitter:
Ik heb nog twee vragen voor u. De eerste gaat over de slachtoffers. Ik
had het over letterlijk een nazorgplicht opnemen in de wet. U wijst
terecht naar de motie over het handelingskader van mevrouw Rajkowski,
want dat is niet voor niks een heel breed ondersteunde motie. Zij vroeg
of er in ieder geval een groter handelingskader zou komen, zodat we in
ieder geval iets kunnen, want we hebben gewoon gezien, zowel na het lek
bij het bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker als nu bij Odido, dat
mensen echt in paniek zijn. Bij het baarmoederhalskankeronderzoek zijn
nog steeds heel veel vraagtekens. Mensen weten veel gewoon niet. Waar
moeten ze heen als ze willen weten wat er is gelekt? Waar moeten ze heen
als ze iets willen vervangen? Hoe regelen ze dat? Waar krijgen ze hulp?
Het handelingskader van mevrouw Rajkowski is dus fantastisch, alleen is
de vraag: zouden we niet toch nog echt expliciet iets in de wet willen
opnemen hierover?
Minister Van Weel:
Ik heb een aantal specifieke punten genoemd die wel zien op zorg naar
afnemers van diensten, op entiteiten en op de verplichting die bedrijven
op basis van de Cyberbeveiligingswet hebben om daar wat mee te doen. Ik
sta niet onsympathiek tegenover uw gedachten over nazorg, maar ik zou
het heel graag willen koppelen aan de verkenning die we doen naar
aanleiding van de motie-Rajkowski en dat daar ook in meenemen, zodat we
ook een gedegen grond hebben op basis waarvan we dan beleid gaan maken.
Ik voel uw gedachten dus zeker.
De voorzitter:
Dank voor deze beantwoording. Ik heb toch nog een vraag. Ik vond
namelijk dat de minister best kort door de bocht ging over de
bewaartermijnen. Het is heel fijn dat er echt goed wordt nagedacht. Soms
kan je gewoon minder lang opslaan dan wettelijk noodzakelijk. Maar we
weten nu al hoe vaak het misgaat met: wettelijk noodzakelijk is het
niet, maar we doen het lekker toch. Hoe gaan we er echt goed op toezien
dat gewist wordt wat gewist kan worden? Hoe gaan we dat explicieter
maken, zodat we daar als Kamer gewoon beter zicht op hebben en dat echt
gaat gebeuren? Daar gaan namelijk juist de grote risico's van uit.
Minister Van Weel:
Dat ben ik met u eens. Ik denk alleen niet dat deze groep daarin de
grootste risicogroep is. Over het algemeen zijn toezichthouders redelijk
prudent met betrekking tot de omgang met gegevens. Ik denk dat dit in
bredere zin een issue is. Dat heeft het Odidolek ook wel op de kaart
gezet. In hoeverre wordt er toegezien op het wissen van gegevens op het
moment dat het niet langer noodzakelijk is om die te bewaren? Dat geldt
voor overheidsinstanties en evengoed voor bedrijven en hun omgang met
persoonsgegevens. Ik vind dat dus een bredere vraag. Ik vind ook dat we
die moeten oppakken, maar niet binnen de scope van deze wet, want die
termijnen zien echt op de toezichthouders en daar heb ik eigenlijk de
minste zorgen over.
De voorzitter:
Dan gaan we naar het een-na-laatste blokje, de Cbw.
Minister Van Weel:
Nou, ik begin nog even met Caribisch Nederland en de toepassing. Sorry,
voorzitter, die heb ik er nog even tussen gefietst. Daarmee wil ik zeker
niet zeggen dat we dit niet van belang vinden, want natuurlijk willen we
Caribisch Nederland op hetzelfde niveau krijgen als de rest van
Nederland. Maar we hebben wel te maken met de lokale
uitvoeringscapaciteit. Dat beïnvloedt het tijdpad dat we daar kunnen
lopen. We moeten dus gaan voor een verantwoorde stapsgewijze invoering.
We gaan eerst bekijken welke ondersteuning we daarbij kunnen bieden
zonder dat we afbreuk doen aan de lokale verantwoordelijkheid die er
daarvoor ligt. Ik heb trouwens wel de ambitie om voor het Caribisch deel
van het Koninkrijk te komen tot een cybersecuritystelsel op hetzelfde
niveau. Dat zit ook in de veiligheidsstrategie van het Koninkrijk der
Nederlanden. Daarom zit Caribisch Nederland ook specifiek in het
Cyberweerbaarheidsnetwerk. We hebben een eerste verkenning gedaan naar
de uitrol van het bouwplan. Daaruit blijkt dat er behoefte is aan
verankering van de digitale weerbaarheid en het cybersecuritystelsel in
Caribisch Nederland. Vanwege de digitale afhankelijkheden erkennen we de
noodzaak om hierin gezamenlijk op te treden met Aruba, Curaçao en
Sint-Maarten, maar daarbij moeten we natuurlijk ook wel letten op de
autonome status van deze landen, want zij bepalen hun eigen landniveaus
met betrekking tot cybersecurity. Zij moeten dus ook het belang zien van
het samenwerken hierin, maar daar spannen we ons wel voor in.
Ik heb hier nog wat varianten op hetzelfde. Ik kan er nog een ding aan
toevoegen, namelijk dat het mogelijk is om de toepassing van de wet mee
te nemen richting de eerste evaluatietermijn. Die toezegging kan ik de
heer Van den Berg wel doen, maar ik heb wel gezegd dat de
randvoorwaarden ter plekke gaan bepalen hoe snel we hierin kunnen gaan.
Dat gaan we in gezamenlijkheid doen. Dat was het blokje Cariben.
De voorzitter:
Dit was wel het einde van het blokje. Ik kijk even naar links om te zien
of de Kamerleden vragen hebben. Er is een vraag van mevrouw El
Boujdaini.
Mevrouw El Boujdaini (D66):
Dank voor de beantwoording, zeg ik via de voorzitter. Ik ben blij te
horen dat in ieder geval wel wordt gezien dat het belangrijk is dat ook
daar het beschermings- en weerbaarheidsniveau echt op orde zijn. Ik heb
met mensen van daar gesproken. Er is daar wel echt heel veel behoefte
aan meer inzicht in wanneer we daar dan kan kunnen komen en wat daar
precies voor nodig is. We hebben inderdaad de veiligheidsstrategie van
het Koninkrijk. Dat is een goede basis, maar die is nog niet echt
toereikend genoeg. Daarom wil ik de minister toch vragen of er een
routekaart zou kunnen komen om wat meer perspectief te kunnen bieden op
hoe we nou echt tot dat beschermings- en weerbaarheidsniveau kunnen
komen en wanneer we dat voor elkaar kunnen krijgen, samen met hen
natuurlijk.
Minister Van Weel:
Ik ga die vraag doorgeleiden naar mijn collega, de staatssecretaris van
BZK, omdat die naar de integraliteit van het Koninkrijkspakket kijkt. Ik
vraag hem dit mee te nemen.
De voorzitter:
Dan gaan we naar het een-na-laatste blok.
Minister Van Weel:
Ik ga er zo snel als ik kan doorheen, voorzitter: de Cbw. Waarom heeft
de implementatie zo lang geduurd? Ik denk dat ik dat aan het begin van
mijn inleiding eigenlijk al gezegd heb. Wij hebben ervoor gekozen om
ervoor te zorgen dat alles werkt voordat we verklaren dat de wet van
toepassing is, in plaats van de wet van toepassing verklaren en dan maar
kijken hoe we het gaan invullen. Dat kost tijd, maar komt de
zorgvuldigheid ten goede, en uiteindelijk ook de werkbaarheid, denk ik.
Wat dat betreft ben ik blij dat we er zijn.
Over evalueren hebben we het gehad.
Mevrouw Kathmann vroeg welke CSIRT's worden aangewezen voor de sectoren
en welke nieuwe er nog worden opgericht. Voor de meeste entiteiten wordt
de minister van Justitie als CSIRT aangewezen. De bijbehorende taken
worden namens mij uitgevoerd door het NCSC. De andere Cyber Security
Incident Response Teams zijn Z-CERT voor de zorgsector, CERT
Watermanagement — de naam zegt het eigenlijk al een beetje, maar dan in
het Engels — de Informatiebeveiligingsdienst voor gemeenten en SURFcert
voor de onderwijssector. Op dit moment hebben we geen zicht op nieuwe
CSIRT's die worden opgericht.
Hoe kunnen de gegevens van die CSIRT's nou goed beveiligd worden? Welke
technische veiligheidsmaatregelen zijn er daarvoor? De NIS2-richtlijn
stelt hele strenge eisen aan CSIRT's. Een van die eisen is dat de
ondersteunende informatiesystemen zich op beveiligde locaties bevinden.
Een andere eis is de betrouwbaarheid en de vertrouwelijkheid van de
activiteiten van het CSIRT. Die zijn bij ons vastgelegd in het
Cyberbeveiligingsbesluit, dus in de AMvB. In aanvulling daarop kunnen
bij ministeriële regeling nadere functionele, technische en
organisatorische eisen worden geregeld. Verder ga ik in het openbaar
niet heel veel uitspraken doen over de techniek, om evidente
redenen.
Dan de vraag van mevrouw El Boujdaini over tijdige informatiedeling met
de burgemeesters en de voorzitters van de veiligheidsregio's. Laat ik
beginnen door te zeggen dat ik ook voorzitter ben van het
Veiligheidsberaad en van het Landelijk Overleg Veiligheid en Politie. Ik
ben dus zeer begaan met onze nationale veiligheid, de structuren die we
daarvoor hebben en de individuele verantwoordelijkheden. Maar ik worstel
een beetje met de manier waarop de informatiedeling op basis van deze
wet zou moeten verlopen, omdat het voor de CSIRT's die bezig zijn met de
calamiteit at hand onmogelijk is om te overzien welke fysieke gevolgen
voor de openbare orde en veiligheid dat dan waar zou hebben. Denk aan
wat er is gebeurd met Odido. Odido heeft een hoofdkantoor,
waarschijnlijk ergens op de Zuidas in Amsterdam. Is het dan relevant
voor de burgemeester van Amsterdam om te worden ingelicht over een
datalek bij Odido? Ik denk het niet direct. Ik denk dat dit een
landelijk kader vereist. Dat hebben we ook gezien; dat groeit dan
automatisch. Maar als je bijvoorbeeld een hack hebt bij een waterschap,
dat impact heeft op een bepaalde polder en gemeenschap, dan wil je
natuurlijk dat de informatie wel daar terechtkomt. Maar dan loopt de
lijn eigenlijk vaker via de kritieke entiteiten dan via CSIRT en de
Cyberbeveiligingswet. Ik ben dus huiverig om die triagetaak, om het zo
maar te zeggen, neer te leggen bij de mensen die bezig zijn met het
cyberincident, omdat ze dan ook nog moeten afwegen of er een link is met
de fysieke openbare orde of niet en wat ze dan moeten doen. Eigenlijk
heb ik tot nu toe altijd gezien dat als de gevolgen groter worden — denk
aan geen treinverkeer — de route van de fysieke openbare orde en
veiligheid zich wel redt, maar dan buiten deze wet om.
Dan de vraag van mevrouw Kathmann over Amerikaanse ICT-diensten. Ik heb
het gehad over de criteria die gelden, maar ik wil hier nu niet ingaan
op specifieke landen, casussen of wat dan ook. Ik denk dat de criteria
voldoende aanknopingspunten bieden, ook voor entiteiten, om na te kunnen
denken. Ik wil me nu alleen even niet wagen aan landen.
Mogen de OKTT-organisaties nog steeds relevante dreigingsinformatie
ontvangen om te delen met hun achterban? Het antwoord is ja. Zij zijn in
de Cyberbeveiligingswet een andere relevante partij en daarmee hebben ze
die bevoegdheid nog steeds.
Gekwalificeerde vertrouwensdiensten — daar is ie! Namens de
staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit kan ik vertellen
dat geprobeerd wordt om het gebruik van gekwalificeerde
vertrouwensdiensten op te nemen in de "pas toe of leg uit"-lijst. Dit is
een set van verplichte open standaarden voor ICT-inkoop door de
overheid. De "pas toe of leg uit"-verplichting over het gebruik van open
standaarden geldt voor gemeenten, provincies, het Rijk, waterschappen en
alle uitvoeringsorganisaties. Dat betekent dat de standaarden die op de
lijst staan in principe moeten worden gebruikt, tenzij er serieuze
redenen zijn dat ze niet kunnen worden gebruikt. Dat heeft tevens een
krachtig effect op en uitstraling naar de private sector. Het is echter
niet zeker of opname op de lijst gaat lukken. Daarom zal samen met de
staatssecretaris worden onderzocht welke alternatieven daarvoor zijn.
Zij verwacht uw Kamer hierover voor het einde van het jaar te kunnen
informeren. Ik zie dat er een vraag is, maar ik hoor de voorzitter
aangeven dat die aan het einde van het blokje moet. Ik leg het mapje
voor de zekerheid even apart!
Het basispakket cyberveiligheid, zoals geopperd door mevrouw Kathmann.
Ook ik vind dat cyberveiligheid ook voor individuele burgers, ongeacht
de draagkracht, van belang is. Je kunt immers tegenwoordig niet meer om
het digitale leven heen, wat verder ook je leefomstandigheden zijn.
Tijdens het wetgevingsoverleg BZK heeft u hierover gesproken met mijn
collega's. Mijn collega van EZK heeft hierover opgemerkt: "Diverse
marktpartijen bieden veiligheidspakketten aan. Een deel van de genoemde
producten wordt gratis aangeboden." Zij heeft aangegeven dat ze met de
aanbieders van deze producten de inhoud en de toegankelijkheid van het
aanbod wil bezien en dat ze wil kijken hoe die eventueel verbeterd
kunnen worden. Wat haar betreft moet de overheid niet concurreren met de
markt. Dat mag volgens de Wet Markt en Overheid namelijk ook niet. Het
is wel belangrijk dat dergelijke pakketten door de markt worden
aangeboden. U heeft tijdens dat debat inderdaad een motie aangehouden,
mevrouw Kathmann.
Mevrouw Kathmann vroeg ook wat ik ga doen om de rollen van de
vakministers, de toezichthouders en de sector zo goed mogelijk vast te
leggen. Ik noemde de doorverwijsboom al. Die geeft helderheid over waar
je in het landschap hoort. Hij geeft in ieder geval een overzicht van
welke partijen erbij betrokken zijn. Onderling hebben we het al gehad
over de samenwerkingsprotocollen en afspraken van bijvoorbeeld de
toezichthouders. Die moeten meer helderheid geven voor individuen.
Dat is volgens mij de Cyberbeveiligingswet, voorzitter.
De voorzitter:
Dan zijn we aan het einde van het blokje. Mevrouw Zwinkels had sowieso
een vraag. Daarna komt mevrouw El Boujdaini.
Mevrouw Zwinkels (CDA):
Mijn vraag gaat over de gekwalificeerde vertrouwensdiensten. Ik begrijp
van de minister dat hij ook namens de staatssecretaris beantwoordt. Ik
kan me dus voorstellen dat het lastig is om er inhoudelijk verder op in
te gaan. Ik ben blij met de toezegging om er voor het einde van het jaar
op terug te komen, maar ik zou natuurlijk ook graag willen weten waarom
het eventueel niet lukt om het op de lijst te krijgen waar de minister
het over had. Dan zou ik daar vanuit de Kamer namelijk wellicht op
kunnen bijsturen. Nogmaals, ik snap dat de inhoudelijke beantwoording
voor nu misschien tot hier reikt, maar ik zou het kabinet via de
minister willen meegeven dat ik daar tijdig over wil worden
geïnformeerd. Zo kunnen we daar voor het einde van het jaar eventueel
nog iets aan doen.
Minister Van Weel:
Deze boodschap neem ik graag mee naar mijn collega van EZK.
Mevrouw El Boujdaini (D66):
Ik wil graag terugkomen op de beantwoording van de minister van mijn
vraag over de informatiepositie van burgemeesters en de
veiligheidsregio's. We zijn eigenlijk op zoek naar een wettelijke
grondslag om op te kunnen voortbouwen. De burgemeesters en de
veiligheidsregio's zijn verantwoordelijk voor crisisbeheersing en
ordehandhaving. We willen juist hen meer in hun kracht zetten. Ik heb
ook voorbeelden uit de praktijk. Afgelopen jaar was er hier in Den Haag
een stroomstoring. Daardoor viel bijvoorbeeld het ov stil en ontstond er
verkeerschaos. De gemeente zelf was in de veronderstelling dat het ging
om een cyberincident, een cyberaanval, terwijl landelijk het NCC al een
analyse had gemaakt en had geconcludeerd dat het niet om een cyberaanval
ging. Lokaal waren ze daar nog niet van op de hoogte. Lokaal kan het de
gemeentes dus juist enorm versterken als ze dit soort informatie
krijgen. Zo kunnen ze werken aan preventie voor in de toekomst, maar ook
sneller ingrijpen en sneller beslissen wat er nodig is om de orde te
handhaven en de crisis te beheersen. Ziet de minister het ook zo, als ik
het op deze manier en met dit voorbeeld uitleg?
Minister Van Weel:
Ik vind het op zich een aansprekend voorbeeld, maar het hoort voor mij
thuis in de categorie dat dingen op een gegeven moment impact gaan en
kunnen hebben op de openbare orde en veiligheid. Ik zie dan al heel snel
een taak voor mijzelf dan wel voor mijn vakcollega's naar boven komen.
Op het moment dat er een grote verstoring is in het ov, staat de
staatssecretaris van IenW daarvoor aan de lat en pakt die dat samen met
het lokale en regionale bestuur op, zoals ik dat doe als het gaat om —
ik noem maar wat — de dreiging richting de joodse gemeenschappen in heel
Nederland. Als er dan fysiek iets moet gebeuren, is dat uiteindelijk aan
de burgemeesters en de veiligheidsdiensten. Ik zie mezelf dan als de
hoeder van die informatie.
Ik vind het lastig om wettelijk vast te leggen dat er een brengplicht is
van specialistische organisaties naar specifieke burgemeesters, waarvan
erg moeilijk op voorhand is in te schatten of er überhaupt een relatie
met de openbare orde en veiligheid is of niet. En als die er wel is, is
die dan heel lokaal af te bakenen? Waar moet die dan neerslaan? Dat vind
ik buiten de scope. Ik zou daar dan weer mensen van mijn crisiscentrum
op moeten zetten die continu met die bril kunnen kijken naar alles wat
er afgehandeld wordt, terwijl ik het eigenlijk andersom zie: op een
gegeven moment bereikt iets een bepaalde schaal, waarna deze raderen in
beweging komen. Ik zit dus even te denken of we u nog kunnen helpen
middels een motie die de geste hiervan draagt, namelijk dat er zorg
gedragen moet worden voor, indien relevant, informatie richting
burgemeesters als een significant cyberincident een lokaal gevolg zou
kunnen hebben voor de openbare orde. We kunnen dan iets vrijer laten wie
dat moet doen en op welk moment, zodat het ook niet heel diep in die wet
zit. Dan zou ik er wel voor openstaan om daarover mee te denken.
Mevrouw El Boujdaini (D66):
Fijn dat de minister ervoor openstaat om mee te denken. De andere kant
hiervan is namelijk wel dat als we dit niet goed regelen, het weer aan
de gemeenten zelf is om afspraken te maken met de verschillende kritieke
entiteiten. Het is best een grote uitvoeringslast voor de gemeenten om
per kritieke entiteit te kijken hoe je informatie uitwisselt. Eigenlijk
is er al een centraal informatiepunt, want het NCSC heeft een
monitoringsverantwoordelijkheid. Dat heeft de informatie sowieso al en
hoeft die in principe alleen door te geleiden. Ik denk dat ze lokaal
inderdaad ook best wel goed kunnen inschatten wanneer ze welke
informatie kunnen gebruiken. Zoals ik eerder al aangaf in mijn betoog,
heb ik hier ook een amendement op ingediend. Ik denk dat we later nog op
de appreciatie daarvan komen. Laten we die afwachten. Anders sta ik er
zeker voor open om te kijken wat we wat dat betreft middels een motie
kunnen doen, maar het liefst heb ik natuurlijk het amendement.
De voorzitter:
Dank. Minister, wilt u nog …
Minister Van Weel:
Ik had al zo'n vermoeden. Kijk, informatie is waardeloos zonder duiding.
Als minister van nationale crises ben ik het meest beducht voor mensen
die zomaar informatie neerleggen op plekken zonder dat daar een
handelingsperspectief of wat dan ook bij komt. Het NCSC is naar mijn
mening niet in staat om de informatie met die duiding en het
handelingsperspectief op de goede manier neer te leggen bij de
burgemeester. Ik zie wel een taak voor mezelf op het moment dat iets
groter wordt, of voor de NCTV vanuit de crisisstructuur die we hebben.
Dus ik zie het probleem. Alleen, ik voorzie een andere weg naar de
oplossing. Ik neem u echt heel serieus wat dat betreft, maar ik wil
voorkomen dat mijn lieve mensen van het NCSC een rol gaan spelen in de
lokale crisisbeheersing in plaats van gewoon de digitale problemen op te
lossen.
De voorzitter:
Mevrouw El Boujdaini, ik zie dat u nog een vraag heeft.
Mevrouw El Boujdaini (D66):
Nog één laatste, ja. Misschien is het niet helemaal een vraag. Het is
inderdaad niet de bedoeling van mijn fractie om heel veel
uitvoeringslast neer te leggen bij het NCSC. Juist omdat het NCSC
sowieso al het centrale punt is voor informatieverzameling, is het
relatief ten opzichte van de gemeentes die anders zelf een-op-een
afspraken moeten maken met de kritieke entiteiten om bepaalde informatie
binnen te halen. We hebben geprobeerd om daarin een balans te vinden. Ik
zou het heel fijn vinden als we een weg kunnen vinden om dit voor
iedereen werkbaar te maken en de lokale bestuurders in hun kracht te
zetten. Fijn dat de minister mee wil denken.
De voorzitter:
Voordat we naar het laatste blok gaan, heb ik nog even een vraag en een
mededeling. Onze ondersteunde staf is weer zo flexibel geweest om te
zeggen: tot 17.00 uur, daar doen we ook wel aan mee. Dat kan gelukkig.
Heel veel dank daarvoor, want 16.00 uur gaan we niet halen. Ik weet dat
deze minister zich ook graag flexibel opstelt, maar dan moet dat wel
mogelijk zijn. Ik kijk dus even naar de minister. Is er een mogelijkheid
om uit te lopen tot 17.00 uur?
Minister Van Weel:
Ik ben niet op reis en de koning heeft mij ook niet ontboden, dus dan
hoor ik nergens anders te zijn dan hier.
De voorzitter:
Dat is fijn. Ik denk dat we 17.00 uur wel moeten halen. Dan gaan we nu
naar het laatste blokje.
Minister Van Weel:
Ik vind 16.00 uur ook nog steeds goed, hoor.
De voorzitter:
Dat zou een prestatie zijn. Ik ga voor 16.00 uur, maar mocht dat niet
lukken, dan hebben we tot 17.00 uur.
Minister Van Weel:
Ik denk dat we een heleboel al gehad hebben, ook rondom de Wwke, maar ik
loop nog even specifiek dingen langs, bijvoorbeeld de verhouding tot de
Aanpak vitaal. Ik heb in het begin gezegd hoe die twee zich tot elkaar
verhouden, namelijk dat het voor de bedrijven en entiteiten die de Wwke
ingaan, naadloos aansluit, maar dat ze nu een wettelijke verplichting
hebben. Voor de rest van de entiteiten loopt de Aanpak vitaal gewoon
door.
Hoe voorkomen we overlap en versnippering binnen de Wwke en hoe hebben
we een duidelijk samenhangend stelsel? Dat was een vraag van mevrouw
Zwinkels. Als coördinerend bewindspersoon voel ik me verantwoordelijk
voor de bescherming van de vitale infrastructuur. Ik zal dus kijken naar
de samenhang tussen verschillende sectoren. De vakministers zijn de
bevoegde autoriteit en moeten in principe zelf vanuit hun
beleidsverantwoordelijkheid de sectoren bedienen, want zij hebben de
kennis en expertise van de sector die ik niet in alle gevallen heb. Ik
denk dat het samenspel tussen die twee, dus wel een nationale samenhang
en toch een sectorspecifieke aanpak, het beste model is. Dat sluit ook
meteen aan op de vraag van mevrouw Zwinkels hoe je voorkomt dat ze op
eilandjes gaan werken. Deels vind ik eilandjes prettig, want daar kan
men de diepte in qua kennis en expertise, maar er moeten ook bruggen
geslagen worden tussen de eilandjes. Daarvoor ben ik dan weer en namens
mij de NCTV.
Hoe verhouden de nationale risicobeoordeling en de risicobeoordeling
door kritieke entiteiten zich tot elkaar? De nationale risicobeoordeling
voor de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten wordt per sector uitgevoerd
door de vakminister en gaat in op de risico's van een bepaalde sector.
De risicobeoordeling van de kritieke entiteit zelf volgt daarna en die
gaat weer in op de risico's die specifiek zijn voor die organisatie. Het
gaat dus een categorie specifieker naarmate je dichterbij komt. De
minister van IenW maakt bijvoorbeeld een risicobeoordeling voor de
sector luchtvaart in zijn geheel en daarbinnen maken de kritieke
entiteiten dan weer een eigen risicobeoordeling die ze kunnen gebruiken
voor de specifieke risico's voor hun entiteit en organisatie. Die bouwt
voort op wat de minister sectoraal heeft neergelegd.
Hoe voorkom je dat die beoordelingen los van elkaar plaatsvinden? Dat
zit 'm in de volgordelijkheid. Eerst heb je de sectorale
risicobeoordeling en de specifieke risicobeoordelingen van de entiteiten
zelf sluiten daarop aan. Daarbij moeten ze natuurlijk wel samenwerken,
want anders mis je in de sectorale beoordeling weer elementen die
uiteindelijk toch een rol gaan spelen bij de lokale beoordeling.
Hoe verhoudt de uitvoeringsstrategie voor de Wwke zich tot de nationale
strategie, die ook nog moet worden opgesteld? Ook dat is een vraag van
mevrouw Zwinkels. De uitvoeringsstrategie zal ik vaststellen samen met
de vakministers en die bevat strategische doelstellingen en prioriteiten
om de gehele weerbaarheid te vergroten. Dat is dus eigenlijk de stip op
de horizon voor het geheel. Daaronder hangen de sectorale
risicobeoordelingen en daaronder dan weer de organisatiespecifieke. Het
is dus een boom die zich vertakt onder hetzelfde bladerdak.
Mevrouw Kathmann vroeg hoe alle entiteiten zich naar mijn verwachting
met zo'n vitaalbeoordeling identificeren. Zien we ook het risico dat er
organisaties zijn die de vitaalbeoordeling niet doen en er daarom niet
van op de hoogte zijn dat ze onder deze wet vallen? Dat hoeft niet in
het geval van de Wwke, want ze worden gewoon aangewezen. Een kritieke
entiteit hoeft dus niet zelf te bepalen of die kritiek is en of die
onder de wet valt. Het is juist aan de vakministers om kritieke
entiteiten aan te wijzen op basis van de risicobeoordeling en de
afweging van de criteria. Een aangewezen entiteit — dat is anders dan
bij de Cyberbeveiligingswet — wordt altijd direct geïnformeerd door de
vakminister en ook vooraf geïnformeerd over de mogelijke
aanwijzing.
Hoe snel hebben we alle entiteiten in kaart? Gaan we ze allemaal zo ver
krijgen om die beoordeling in te vullen? Zoals ik zei, kunnen ze dat
niet zelf doen. De eerste aanwijzingen door vakministers zullen binnen
een maand na de inwerkingtreding plaatsvinden. Er kunnen altijd weer
ontwikkelingen zijn, technologisch, geopolitiek of anderszins, waardoor
je in een later stadium alsnog aanvullende entiteiten zou willen
aanwijzen. Die ruimte biedt de wet ook. Ik hoef ze dus ook niet aan te
schrijven. Alle kritieke entiteiten krijgen bericht van de bevoegde
vakminister. In die zin weten ze vanaf dat moment waar ze aan toe zijn.
Daar worden ze vooraf over geïnformeerd.
Hoe ondersteunen we de kritieke entiteiten bij het versterken van hun
weerbaarheid? Gebeurt dat bijvoorbeeld via richtsnoeren? Dat was een
vraag van mevrouw Zwinkels. Dat loopt via de vakministers. Zij geven
advies en zorgen voor de uitwisseling van informatie, maar verlenen ook
bijstand. De NCTV ondersteunt weer de vakdepartementen en wij nemen de
sectoroverstijgende acties en initiatieven op, zoals de
afhankelijkhedenanalyses tussen sectoren. Voor het digitale terrein
hebben we natuurlijk het NCSC. Daar hebben we het al eerder over gehad.
De inlichtingen- en veiligheidsdiensten helpen met relevante
dreigingsinformatie binnen de kaders die zij daarvoor hebben.
Hoe komen we aan de schatting van die 500? Dat aantal is met name
gebaseerd op het huidige aantal vitale aanbieders en op de nieuwe
sectoren waarin nu nog geen vitale aanbieders zijn aangemerkt,
bijvoorbeeld de sector gezondheidszorg en de sector productie,
verwerking en distributie van levensmiddelen. Zoals ik zei, is dit
uiteindelijk aan de vakministers, maar op basis daarvan zijn wij tot de
500 gekomen.
Hoe borgen we dat de kennis- en informatiedeling tussen vakministers en
kritieke entiteiten op orde is? Ook dat was een vraag van mevrouw
Zwinkels. Tijdig informeren bij dreigingen is absoluut van belang. De
basis hiervoor is de structurele en intensieve informatie-uitwisseling.
Daarom werken we, een, aan een informatie- en waarschuwingssysteem, om
informatiedeling te faciliteren, en, twee, aan een veilig platform en
aan regulier contact tussen de kritieke entiteiten, de vakdepartementen
en de veiligheidsdiensten. Ten derde kijken we naar afspraken rondom
sectortafels, waar we ook de inlichtingendiensten kunnen laten
aanschuiven, bijvoorbeeld om een algemeen dreigingsbeeld te geven: wat
kunt u nou verwachten van statelijke actoren of criminele
samenwerkingsverbanden?
Hebben we inmiddels met de Europese Commissie gesproken over het borgen
van de informatie-uitwisseling, de vertrouwelijkheid en de
betrouwbaarheid? Dat zijn natuurlijk ontzettend belangrijke
randvoorwaarden voor het uitwisselen van informatie. Het Nationaal
Crisiscentrum is voor mij het nationaal aanspreekpunt voor
grensoverschrijdende incidenten. Daarnaast zit de NCTV in de Europese
expertgroep voor de weerbaarheid van kritieke entiteiten, de Critical
Entities Resilience Group. In dit gremium brengt de NCTV dit vraagstuk
regelmatig onder de aandacht van de Europese Commissie.
Hoe zorgen we ervoor dat de verplichtingen onder deze wet proportioneel
zijn, ook voor kleinere ondernemers en entiteiten? De proportionaliteit
is hierbij één van de uitgangspunten en is daarom risicogebaseerd, net
als bij de Cyberbeveiligingswet. Iedere organisatie moet dus maatregelen
nemen die passend zijn bij die organisatie, die in verhouding zijn en
evenredig zijn. Dat maakt dus wel dat het maatwerk is, ook tussen de
verschillende sectoren. Gezondheidszorg is namelijk echt iets anders dan
de productie van levensmiddelen of bedrijven die iets meer richting de
vitale dienstverlening en de hightech zitten. Ik ben al een paar jaar
bezig met weerbaarheid. Als je spreekt met bedrijven in sectoren, dan
blijkt juist heel vaak dat zij heel goed weten tegen welke risico's zij
zich moeten wapenen. De overheid hoeft daar vaak niet heel veel aan toe
te voegen.
In antwoord op de heer Vermeer kan ik hier nog zeggen dat ik uiteraard
niet verantwoordelijk ben voor de voedselketen, maar die is natuurlijk
wel van cruciaal belang voor Nederland. Voedselzekerheid is een opgave
waar we elke dag aan werken. De Wwke draagt daar naar mijn mening aan
bij door ook deze vitale sector onder die wet te laten vallen.
Op de evaluatietermijn ben ik al ingegaan.
Krijgen wij een boete voor het niet tijdig implementeren van de
CER-richtlijn? Ik hoop het niet, zeg ik daar maar op voorhand bij, maar
de Europese Commissie is wel een inbreukprocedure tegen Nederland
gestart. We zitten nu echt nog in de eerste administratieve fase. Daarna
zou de Commissie kunnen besluiten om bij het Europese Hof van Justitie
een zaak aanhangig te maken. Dat zou kunnen leiden tot een boete, maar
inmiddels zijn we zo ver in het wetgevingstraject — zoals ik al zei,
kunnen wij ook goed onderbouwen waarom wij zijn begonnen met het leggen
van een goed fundament onder deze wet voordat we die behandeld hebben —
dat ik ervan uitga dat dat goed gaat. We zijn echt niet het enige land
dat achterloopt of de richtlijn nog niet volledig heeft geïmplementeerd.
Onder andere Frankrijk en Spanje zijn daar ook nog mee bezig.
Voorzitter. Ik denk dat ik in mijn eerste termijn dan alleen nog de
amendementen heb.
De voorzitter:
Dan kijk ik even naar de Kamerleden aan de linkerkant om te zien of dat
klopt. Ik zie dat er geknikt wordt, behalve natuurlijk door de heer Van
den Berg. Ik had ook niet anders verwacht. Meneer Van den Berg.
De heer Van den Berg (JA21):
Ik durf bijna niet meer, voorzitter, maar het zijn maar korte vragen.
Het Cyberbeveiligingsbesluit staat nu nog als concept in de interne
stukken op Parlis. Wat voor status heeft dat document nu? Is het nog
hetzelfde als het concept dat toen naar de Kamer is gestuurd, zijn er
nog wijzigingen in aangebracht of komen er nog wijzigingen? Daar ben ik
wel benieuwd naar.
Laat ik mijn vragen maar gelijk clusteren. Ik heb nog een openstaande
vraag over in hoeverre kwantumencryptie wordt meegenomen, zowel bij
kritieke entiteiten als in de Cyberbeveiligingswet.
Dan de laatste. Ik las dat de kosten voor de overheid structureel
oplopen tot zo'n 83 miljoen euro vanaf 2028. Ziet de minister nog
mogelijkheden om daar meer efficiëntie in aan te brengen?
Minister Van Weel:
In reactie op uw eerste vraag: ja, die versie is nog actueel. Het
document ligt nu bij de Raad van State voor advies. Dat is de laatste
versie.
Wat betreft kwantumencryptie: deze wetten zijn juist
technologieonafhankelijk, om ruimte te houden voor technologische
ontwikkelingen, zodat we niet een wet hebben waarin kwantum niet wordt
genoemd, maar AI wel, en we over drie jaar weer een nieuwe wet moeten
maken. De wet dekt dat volledig, maar uiteindelijk zul je het in de
uitvoering daarover moeten hebben. 83 miljoen euro vind ik een koopje,
moet ik zeggen, voor een zeer omvangrijke wet, zeker als u hoort hoeveel
verschillende actoren erbij betrokken zijn, van toezichthouders tot
instanties zoals het NCSC. We gaan naar een enorme toename van
entiteiten, dus ik voorzie weinig mogelijkheden, maar er is in ieder
geval dekking voor het genoemde bedrag.
De voorzitter:
Dan kijk ik nog een keer naar de Kamerleden aan de linkerkant. Alle
vragen zijn beantwoord. Dan brengt ons dan bij de tweede termijn van de
zijde van de Kamer. O nee, eerst nog de amendementen. Excuses. Ik kijk
toch weer naar de minister.
Minister Van Weel:
De ingediende amendementen, zeg ik daarbij. Ik heb er drie bij de
Cyberbeveiligingswet: twee van mevrouw Kathmann en één van mevrouw El
Boujdaini. Bij de Wwke heb ik er ook drie: twee van mevrouw Kathmann en
één van mevrouw Faber.
Ik begin met het amendement op stuk nr. 12 (36764) (#1) van mevrouw Kathmann.
Die gaat over het overhevelen van de verplichting naar de wet. Ik geef u
twee varianten. Het vierde lid van het amendement, zoals dat er nu
staat, voorziet in de inspanningsverplichting voor de vakminister; dat
vind ik moeilijk. Daarmee verschuift de verantwoordelijkheid volledig
naar de overheid. Ik noemde het net al even in mijn eerste termijn: ik
wil investeringen niet compleet derisken. Ik vind dat leveranciers en
entiteiten op dat gebied ook een eigen verantwoordelijkheid hebben te
nemen. We hebben natuurlijk al de nadeelcompensatie en de Algemene wet
bestuursrecht, die, denk ik, ook in dit geval heel goed toepasbaar zijn.
Met het vierde lid moet ik het amendement dus ontraden, maar zonder het
vierde lid geef ik het oordeel Kamer.
De voorzitter:
Dan pas ik het amendement aan. Ik maak er dan gewoon twee amendementen
van: één zonder lid vier en één met alleen lid vier. Ik pas het dus aan
zoals u zegt. Excuses voor de verwarring.
Minister Van Weel:
Het amendement met alleen het vierde lid geef ik bij dezen het oordeel
ontraden, om de reden die ik net heb genoemd. Dat hoeft u dus niet
opnieuw in te dienen.
Dan het amendement op stuk nr. 13 (36764) (#2) over de voorhangprocedure voor
de uitwerking van de zorgplicht. Ik heb hier eerder al iets over gezegd.
Zeker omdat hier toekomstige wijzigingen mee bedoeld worden, geef ik dit
amendement oordeel Kamer.
Dan het amendement op stuk nr. 14 (36764) (#3) van mevrouw El Boujdaini. Met
referte aan de discussie we net hebben gehad, ontraad ik dit amendement.
Ik ben gaarne bereid om mee te denken over een motie die materieel
regelt wat u wilt, maar niet via de wettelijke plicht op basis van de
Cyberbeveiligingswet zelf.
Mevrouw El Boujdaini (D66):
Als het amendement wordt aangepast, is er dan wel de mogelijkheid dat
het oordeel Kamer krijgt? Het gaat mij er namelijk heel erg om dat er
een wettelijke grondslag komt, zodat — ik herhaal mezelf misschien ook
wel — het lokale bestuur informatie kan krijgen, niet alleen over
verschillende incidenten, maar bijvoorbeeld ook over wat überhaupt de
kritieke entiteiten zijn. Over die informatie beschikken zij namelijk
niet. Er staat ook niet in de wet dat zij die informatie kunnen krijgen
van het NCSC. Op de vragen vanuit de Kamer heeft het kabinet namelijk
geantwoord dat er inderdaad geen wettelijke grondslag voor is dat het
NCSC dit soort informatie mag delen. Ik stel dus toch de vraag of er nog
een mogelijkheid is om het amendement hier en daar wat aan te passen,
zodat het dan misschien toch wel oordeel Kamer krijgt.
Minister Van Weel:
Ik ben bang van niet. Dat zit 'm in het fundamentele aspect dat deze wet
ziet op hoe wij omgaan met cyberbeveiligingsincidenten in Nederland. Dat
heeft in een heleboel gevallen helemaal niets te maken met de fysieke
openbare orde. Het feit dat er zich dus een essentiële entiteit bevindt
in Amsterdam — dat zijn er wel honderd in de vorm van IT-bedrijven
rondom Amsterdam — heeft niks te maken met de openbare orde en
veiligheid in Amsterdam. Er is in dit opzicht dus geen enkele relatie
met de taak van de burgemeester. Het hoofdkantoor van Odido is geen
bedreiging. Nou ja, dat kan het worden. Dan vraag je aan mensen van het
NCSC, van het CSIRT, om elke keer de afweging te maken of dit nu een
incident is bij een kritieke entiteit die ten eerste überhaupt iets te
maken heeft met openbare orde en veiligheid. Dat kost mij al capaciteit,
want die capaciteit zit daar niet. Dat is niet hun werk. Ten tweede
vraag je die dan om de afweging te maken om een lijntje te leggen met
het lokale bestuur. Maar ik heb die lijntjes veel liever via de
reguliere lijnen die ik heb voor openbare orde en veiligheid. Daar komt
de NSCS-informatie vaak wel binnen. Mij bereikt het namelijk wel op het
moment dat zoiets speelt. Daarvoor heb ik dan weer geen wettelijke
grondslag in de Cyberbeveiligingswet nodig. Dat kunnen we dan gewoon
doen via de nationale crisisstructuur. Dat voelt voor mij fijner, want
dan word ik gebeld door een burgemeester en weet ik ook waarover het
gaat. Als het NSCS daarin zelf een afweging maakt, al dan niet op basis
van de juiste gronden, wordt het rommelig, vandaar dat ik dus weinig
mogelijkheden zie in dit amendement, maar heel veel in een motie die de
facto zorgt voor wat u wilt, namelijk dat ik op het moment dat er iets
is wat effect heeft op de openbare orde bij mijn gemeente, daarover word
geïnformeerd.
Mevrouw El Boujdaini (D66):
Dan overweeg ik het amendement in te trekken en zal ik kijken naar een
motie voor straks, in de tweede termijn.
Minister Van Weel:
Dan de drie amendementen bij de Wwke.
Het amendement op stuk nr. 9 (36765) (#4) van mevrouw Faber, over het
vervallen van de grondslag om extra organisaties aan te wijzen, ontraad
ik met het oog op de toekomst. Kwantum en crypto werden al even genoemd.
Stel je voor dat wij hier een nieuwe kritieke entiteit krijgen, die
juist ziet op dat vlak, dat cruciaal wordt voor onze nationale
veiligheid in de toekomst. Dan moeten we extra organisaties kunnen
toevoegen. Dat hebben we nu dus specifiek voor Nederland gedaan waar het
gaat om het keren en het weren van water, juist vanwege de specifieke
situatie in Nederland. Ik denk dus dat er altijd aanleiding kan zijn om
toch extra organisaties onder de Wwke te gaan brengen. Daar voorziet
deze grondslag in. Ik wil daarbij opmerken dat ik het dus ook geen
nationale kop vind, omdat we gebruikmaken van een expliciete voorziening
die door de wet wordt gegeven. Het is niet iets wat we erbij
verzinnen.
Mevrouw Faber (PVV):
Wat de minister nu noemt, is in feite gewoon een instrument dat al onder
de sectoren valt. Daar is dus in feite al in voorzien. Stel dat er nou
een entiteit komt waarvan u zegt: dat is iets nieuws. Dan zou u altijd
bijvoorbeeld een spoedwet kunnen indienen. De Kamer hier is daar dol op,
dus volgens mij moet dat dan heel snel kunnen.
Minister Van Weel:
Nou, daar hebben wij wat andere ervaringen mee. Er gaat ook niks mis als
we deze grondslag behouden om in voorkomend geval heel makkelijk en snel
over te kunnen gaan tot zo'n aanwijzing. Ik denk dat we nu niks doen wat
valt buiten de orde van deze wet, raar is of leidt tot extra
inspanningen. Ik behoud die dus graag, vandaar dat ik het ontraad.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik kan er wel op reageren. Kijk, ik zie dat anders. Het is toch wel
prettig om als parlement de controle te houden over de entiteiten die
toegevoegd moeten worden. Als echt de nood aan de man is, weet ik wel
dat, zoals we ook hebben gezien met bijvoorbeeld de coronamaatregelen,
men heel snel kan acteren als dat moet.
Minister Van Weel:
Wij hangen alles voor. Dat hebben we net ook afgesproken. In die zin
komt het sowieso in enige vorm langs uw Kamer, ook als het niet per wet
is.
Dan het amendement op stuk nr. 10 (36765) (#5) van mevrouw Kathmann. Dat is
mutatis mutandis hetzelfde.
De voorzitter:
Dus hier haal ik de inspanningsverplichting eruit en dan krijgt het
oordeel Kamer. Er komt dan een apart amendement waar de
inspanningsverplichting in staat en dat amendement wordt dan
ontraden.
Minister Van Weel:
Ik had het niet beter kunnen verwoorden, voorzitter.
Dan het amendement van mevrouw Kathmann op stuk nr. 11 (36765) (#6) over de
voorhangprocedure. Daar geldt hetzelfde voor als voor het andere. Omdat
het ziet op toekomstige wijzigingen geef ik dat oordeel Kamer.
De voorzitter:
Dat brengt ons wel bij de tweede termijn van de Kamer. Dan kijk ik
gelijk naar de heer Van den Berg van JA21.
De heer Van den Berg (JA21):
Ik weet niet hoe de rest erin staat, maar is er wellicht ruimte voor een
hele korte sanitaire stop?
De voorzitter:
Nou, ik denk dat het handig is …
De heer Van den Berg (JA21):
In reactie op wat mevrouw Faber buiten de microfoon zegt: die
inschatting laat ik voor haar!
De voorzitter:
Meneer Van den Berg, ik denk dat het handig is om nu heel snel de tweede
termijn te doen en dan hebben we sowieso even een kleine
schorsing.
De heer Van den Berg (JA21):
Kunnen we anders de sprekersvolgorde even omwisselen?
De voorzitter:
Oké. Mevrouw Faber. Uw tweede termijn? Nee, u maakt daar geen gebruik
van. Dan mevrouw Martens-America.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Dank, voorzitter. Dank aan de minister. Wij zijn blij met de
toezeggingen met betrekking tot de evaluatietermijn, dat er nu dus
gekeken gaat worden naar twee jaar. Dank voor de beantwoording.
De voorzitter:
Mevrouw Zwinkels.
Mevrouw Zwinkels (CDA):
Dank, voorzitter. Ik wil nog een motie indienen in de tweede termijn.
Die is alleen nog onderweg, dus misschien kan ik straks aan de beurt
komen?
De voorzitter:
Ja. Dan mevrouw El Boujdaini.
Mevrouw El Boujdaini (D66):
Ik wil graag twee moties indienen.
Ik begin bij de motie over het versterken van de informatiepositie van
burgemeesters en veiligheidsregio's. Ik zal 'm even oplezen.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de burgemeester op grond van de Gemeentewet
verantwoordelijk is voor de handhaving van de openbare orde binnen de
gemeente en dat de voorzitter van de veiligheidsregio is belast met
crisisbeheersing op regionaal niveau;
constaterende dat cyberincidenten bij organisaties in de gemeente, zoals
ziekenhuizen, energiebedrijven of vervoerders, directe gevolgen kunnen
hebben voor de openbare orde;
verzoekt de regering de informatiepositie van burgemeesters en
voorzitters van de veiligheidsregio's te versterken bij cyberincidenten
met gevolgen voor de openbare orde en hiervoor indien nodig een
grondslag te creëren voor informatiedeling met burgemeesters en
voorzitters van de veiligheidsregio's,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid El Boujdaini.
Zij krijgt nr. 15 (36764) (#7).
De Cbw heeft dossiernummer 36764. Betreft dit inderdaad de Cbw?
Mevrouw El Boujdaini (D66):
Ja, dit gaat om de Cbw.
De voorzitter:
Dan noteren we bij deze motie dossiernummer 36764.
Mevrouw El Boujdaini (D66):
Oké.
Dan een tweede motie, ook over de Cbw, dus 36764. Deze motie gaat over
een plan of een routekaart voor een cybersecuritystelsel voor het
Caribisch deel van het Koninkrijk.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het Caribisch deel van het Koninkrijk ook te maken
heeft met cyberdreigingen en digitale bescherming en weerbaarheid daar
ook cruciaal is;
constaterende dat de Veiligheidsstrategie van het Koninkrijk der
Nederlanden een goed begin is, maar nog niet toereikend genoeg;
verzoekt het kabinet aan een concreet plan of een routekaart te werken
om te komen tot een cybersecuritystelsel voor het Caribisch deel van het
Koninkrijk dat zo veel mogelijk aansluit bij het niveau van digitale
bescherming en weerbaarheid in Europees Nederland, en dit samen met het
Caribisch deel te doen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden El Boujdaini en Kathmann.
Zij krijgt nr. 16 (36764) (#8).
Mevrouw El Boujdaini (D66):
Dan wil ik de minister nog graag bedanken voor de beantwoording en ook
voor de suggestie en het meedenken over de motie.
De voorzitter:
Dan is het woord aan mevrouw Zwinkels.
Mevrouw Zwinkels (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Ik wil beginnen met het bedanken van de minister
voor de beantwoording en de diverse toezeggingen. We hebben hier vandaag
een goed debat gehad.
Ik heb tot slot één motie en die gaat over de ketensamenwerking tussen
bedrijven.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat digitale weerbaarheid niet alleen afhangt van de
beveiliging van afzonderlijke organisaties, maar ook van de samenwerking
en kennisdeling binnen ketens;
overwegende dat cyberdreigingen zich snel ontwikkelen en dat binnen
ketens een gedeeld belang bestaat om de digitale beveiliging op orde te
hebben;
overwegende dat kleinere bedrijven baat kunnen hebben bij betere toegang
tot dreigingsinformatie en de geleerde lessen;
verzoekt de regering in kaart te brengen hoe de uitwisseling van
dreigingsinformatie en geleerde lessen binnen ketens kan worden
versterkt, in het bijzonder zodat ook kleinere bedrijven daarvan beter
kunnen profiteren, en de Kamer hierover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Zwinkels.
Zij krijgt nr. 17 (36764) (#9).
Dit is ook 36764, hè? Dit gaat over de Cbw?
Mevrouw Zwinkels (CDA):
Ja, dit gaat over de Cyberbeveiligingswet.
De voorzitter:
Ja, dat klopt. Ik kijk even of de heer Van Dijk behoefte heeft ... Nee,
hij heeft geen behoefte aan een tweede termijn.
Dan kijk ik naar de heer Van den Berg, want ik kan ook, hè. Zeg het
maar.
De heer Van den Berg (JA21):
Nee, we zijn nu toch bezig, voorzitter. Allereerst dank aan de minister
voor alle uitleg en de toelichting op alle gestelde vragen. Het waren er
inderdaad behoorlijk veel. Het is ook fijn om in dit debat een keer met
minister Van Weel te sparren.
Het was al even te zien: dit zijn de moties en amendementen die nog niet
zijn ingediend. In ieder geval is wel helder waar de minister heen wil
en waar wel en niet draagvlak voor is. Wij zullen onze amendementen en
moties nog indienen, maar dan natuurlijk wel rekening houdend met de
discussie die we hier met elkaar hebben gevoerd. Een discussie die
overigens zeer constructief was. Laat ik het daar voor nu bij
houden.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dan draag ik het voorzitterschap even over voor de tweede termijn van
het lid Kathmann van GroenLinks-Partij van de Arbeid.
Voorzitter: Van den Berg
Mevrouw Kathmann (GroenLinks-PvdA):
Ook ik wil in de eerste plaats de minister van harte danken voor de
zorgvuldige beantwoording. Het is inderdaad heel helder op welke lijn de
minister zit.
Ik heb nog wel een aantal moties. De eerste betreft dossiernummer
36764.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Cyberbeveiligingswet een zorgplicht en een
meldplicht introduceert om cyberveiligheidsrisico's te voorkomen en
beheersen;
overwegende dat een grootschalig datalek directe gevolgen heeft voor
slachtoffers wier persoonsgegevens worden buitgemaakt, zoals bij de
Odido-hack en het lek bij het bevolkingsonderzoek
baarmoederhalskanker;
overwegende dat er nog geen wettelijk kader bestaat voor hoe individuele
slachtoffers geholpen en geïnformeerd moeten worden in de nasleep van
een grootschalig datalek;
verzoekt de regering om een wettelijke nazorgplicht te onderzoeken voor
incidenten waarin op grote schaal persoonsgegevens worden gelekt, met
als doel om de rechten van individuele slachtoffers en de plichten voor
de getroffen instantie(s) in de wet vast te leggen;
verzoekt de regering om dit onderzoek uiterlijk in Q3 van 2026 af te
ronden en de Kamer hierover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kathmann.
Zij krijgt nr. 18 (36764) (#10).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Cyberbeveiligingswet en de Wet weerbaarheid
kritieke entiteiten een meldplicht introduceren waarvoor een meldloket
wordt ingericht;
overwegende dat entiteiten baat hebben bij één centraal en
overzichtelijk meldloket, dat bruikbaar is voor alle soorten meldingen
die volgen uit nationale en sectorale wetgeving;
verzoekt de regering om één centraal meldloket in te richten waarbinnen
alle relevante soorten meldingen gedaan kunnen worden;
verzoekt de regering om de Kamer in Q4 van 2026 te informeren over de
inrichting van het centrale meldloket,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kathmann.
Zij krijgt nr. 19 (36764) (#11).
Mevrouw Kathmann (GroenLinks-PvdA):
Deze motie wil ik mogelijk aanhouden of intrekken, want de minister
heeft hier een uitgebreide toezegging over gedaan. Alleen wil ik wel
weten of die toezegging echt is bedoeld inclusief alle meldmogelijkheden
die nu al gelden voor bijvoorbeeld ... Ik weet niet precies hoe het
heet; is het Ceveso-wetgeving of Seveso-wetgeving? Volgens mij valt het
onder IenW, de AVG en andere sectorale regels. Gaat het echt over één
loket dat alles bundelt, zodat straks op één plek alles samen kan komen?
Als dat de toezegging is — het was al een mooie toezegging — dan zou dat
helemaal mooi zijn. Het zou mooi zijn als daar ook een termijn aan
verbonden kon worden, want dan kan ik die motie gewoon intrekken.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het kabinet heeft ingeschat dat tussen de 7.550 en
8.100 entiteiten onder de Cyberbeveiligingswet zullen vallen, en 500
entiteiten onder de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten;
overwegende dat het kabinet vooralsnog uitgaat van het vrijwillig
uitvoeren van een nationale vitaalbeoordeling door deze entiteiten,
waaruit blijkt of ze aan de wetgeving moeten voldoen;
verzoekt de regering om organisaties die vermoedelijk aan de
Cyberbeveiligingswet en de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten moeten
voldoen, proactief op te roepen om de vitaalbeoordeling uit te voeren en
hierop toe te zien;
verzoekt de regering om dezelfde organisaties gelijktijdig te wijzen op
relevante informatie en deadlines voor organisaties die als entiteit
worden aangemerkt,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kathmann.
Zij krijgt nr. 20 (36764) (#12).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er binnen vier tot vijf jaar na de inwerkingtreding
van de Cyberbeveiligingswet en de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten
een evaluatie wordt gedaan naar de effectiviteit van de wetten;
overwegende dat dit een logisch moment is om te bezien of er aanvullende
aanpassingen wenselijk en mogelijk zijn, zoals het onderbrengen van
zaken uit de lagere regelgeving op het niveau van de wet, en het
uitbreiden van de reikwijdte naar de Caribische delen van het
Koninkrijk;
verzoekt de regering om bij de evaluatie van de Cyberbeveiligingswet en
de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten te bezien of, en zo ja, hoe, de
wetten aangepast kunnen worden zodat verplichtingen uit de lagere
regelgeving zo veel mogelijk op het niveau van de wet zijn geregeld en
de reikwijdte van de wetten binnen een redelijke termijn wordt
uitgebreid naar heel het Koninkrijk,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kathmann.
Zij krijgt nr. 21 (36764) (#13).
Voorzitter: Kathmann
De voorzitter:
Dan heeft iedereen volgens mij zijn tweede termijn achter de rug. Ik
kijk even naar de minister met de vraag hoeveel tijd er nodig is. O, de
heer Van den Berg heeft toch nog even iets toe te voegen aan zijn tweede
termijn.
De heer Van den Berg (JA21):
Jazeker. Ik had van tevoren al even gecheckt of wij de moties eventueel
later nog kunnen indienen. Er was even een misverstand. Ik moet mijn
mooie boekje dus gaan opofferen en de moties eruit scheuren. U heeft er
een voor me? Nee, daar komt natuurlijk nog de steun uit. Ik ga het toch
even zo doen. We zijn creatief.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat entiteiten in de praktijk tegelijk onder de
Cyberbeveiligingswet en de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten kunnen
vallen en daardoor met meerdere bevoegde autoriteiten, audits,
informatieverzoeken en bewijssets te maken kunnen krijgen;
overwegende dat effectieve weerbaarheid vraagt om zo min mogelijk dubbel
werk en dat toezichtlast niet onnodig mag afleiden van feitelijke
beveiligings- en weerbaarheidsmaatregelen;
verzoekt de regering om voor entiteiten die onder beide wetten vallen
uit te werken dat één gecoördineerd dossier, één auditkalender, één zo
veel mogelijk herbruikbare bewijsset en één coördinerend aanspreekpunt
het uitgangspunt zijn, en dat dubbele informatieverzoeken alleen
plaatsvinden indien dat aantoonbaar noodzakelijk is,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van den Berg.
Zij krijgt nr. 22 (36764) (#14).
De heer Van den Berg (JA21):
Dan moet ik wel de achterkant nog even terug hebben, want daar staat ook
nog een motie op. Prachtig, dit.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat voor overheidsorganisaties de uitwerking van de
Cyberbeveiligingswet en de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten kan
samenlopen met de BIO (Baseline Informatiebeveiliging Overheid) en ENSIA
(Eenduidige Normatiek Single Information Audit);
overwegende dat dubbele verantwoordings-, audit- en bewijsstructuren
capaciteit wegnemen die juist nodig is voor feitelijke
weerbaarheid;
verzoekt de regering om bij de uitwerking van lagere regelgeving,
handreikingen en toezichtpraktijk onder de Cyberbeveiligingswet en de
Wet weerbaarheid kritieke entiteiten voor overheidsorganisaties
expliciet te borgen dat verplichtingen, bewijslasten, auditlogica en
verantwoordingsinformatie zo veel mogelijk worden geharmoniseerd met BIO
en ENSIA, en de Kamer hierover vóór de inwerkingtreding te
informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van den Berg.
Zij krijgt nr. 23 (36764) (#15).
De heer Van den Berg (JA21):
Dan heb ik de achterkant van die andere motie nog even nodig.
Creativiteit, maar het komt goed.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat artikel 34 van de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten
een ruime vertrouwelijkheidsregeling bevat en dat bij of krachtens de
Wwke leveranciersmaatregelen kunnen worden getroffen die diep ingrijpen
in bedrijfsvoering, eigendom en continuïteit;
overwegende dat de Kamer ook op deze onderdelen haar controlerende taak
moet kunnen uitoefenen zonder operationele belangen, kwetsbaarheden of
veiligheidsbelangen te schaden;
verzoekt de regering om de Kamer vanaf de inwerkingtreding van de Wwke
halfjaarlijks vertrouwelijk en geaggregeerd te informeren over de
toepassing van artikel 34 Wwke in zwaarwegende gevallen en over de
toepassing van leveranciersmaatregelen, met in elk geval informatie over
aantallen, betrokken sectoren, de algemene aard van het risico en de
stand van eventuele bezwaar- en beroepsprocedures,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van den Berg.
Zij krijgt nr. 12 (36765) (#16).
De heer Van den Berg (JA21):
Dan zijn we rond. Ik mis wel een beetje het scheureffect.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat entiteiten die onder zowel de Cyberbeveiligingswet als
de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten vallen met meerdere bevoegde
autoriteiten te maken kunnen krijgen en dat in het dossier is gewezen op
het risico van meervoudige beboeting voor hetzelfde feitencomplex;
overwegende dat effectieve handhaving niet mag ontaarden in dubbel
punitief optreden voor dezelfde feiten en hetzelfde beschermde
belang;
verzoekt de regering om bij de uitwerking van samenwerkingsafspraken,
handhavingsbeleid en lagere regelgeving te borgen dat voor hetzelfde
feitencomplex en hetzelfde beschermde belang niet meer dan één punitieve
sanctie wordt opgelegd onder de Cbw en de Wwke, en de Kamer vóór de
inwerkingtreding te informeren hoe dit is geborgd,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van den Berg.
Zij krijgt nr. 24 (36764) (#17).
De heer Van den Berg (JA21):
Dank. Alles komt weer tot een goed einde.
De voorzitter:
Dan kijk ik toch nog één keer naar de heer Van den Berg. Dit was 'm,
hè?
De heer Van den Berg (JA21):
Jazeker.
De voorzitter:
Dan zijn we echt klaar met de tweede termijn van de zijde van de Kamer.
Ik kijk heel even hoeveel tijd de minister nodig heeft. We gaan drie
minuten schorsen.
De vergadering wordt van 16.08 uur tot 16.14 uur geschorst.
De voorzitter:
Achter de schermen is er weer keihard gewerkt om alles klaar te hebben.
We wachten niet op de motie op stuk nr. 12 (36765) (#18) en de motie op stuk
nr. 24 (36764) (#19), maar die komen er wel nog aan. Zo kunnen we alvast
beginnen met de appreciatie van de moties. Het woord is aan de
minister.
Minister Van Weel:
Dank, voorzitter. Dank ook aan de leden voor de inbreng in tweede
termijn. Ik ga in sneltreinvaart door de moties heen.
De motie op stuk nr. 15 (36764) (#20), van mevrouw El Boujdaini, gaat over
lokale overheden. Oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 16 (36764) (#21) gaat over de routekaart voor het
Caribisch deel van het Koninkrijk. Oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 17 (36764) (#22), van mevrouw Zwinkels, gaat over de
ketensamenwerking. Oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 18 (36764) (#23), van mevrouw Kathmann, gaat over de
nazorgplicht. Oordeel Kamer, als ik de motie zo mag opvatten dat we het
gevraagde betrekken bij de uitwerking van de motie-Rajkowski die op
hetzelfde onderwerp ziet.
De voorzitter:
Zeker. Vindt u het prettig als ik dat als indiener aanpas in de
tekst?
Minister Van Weel:
Dat helpt.
De voorzitter:
Dank; dan zal ik dat doen.
Minister Van Weel:
Dank.
Dan de motie op stuk nr. 19 (36764) (#24). Ik was erg scheutig met het
centraal meldpunt, maar zo scheutig als u mij hier wil laten zijn, kan
ik toch net niet zijn. De reikwijdte die u noemt, wordt te groot. Die
gaat over te veel verschillende sectoren heen. We riskeren daarmee een
one-size-fits-all waarbij je eerst een kwartier door een belmenu heen
moet, omdat het aantal instanties die erachter zitten te breed is. We
proberen om er zo veel mogelijk onder te brengen wat echt betrekking
heeft op de Cyberbeveiligingswet en de Wwke; ik noemde al twee
richtlijnen die we er ook bij onderbrengen. We zullen continu kijken
naar het centraliseren, maar gezien de reikwijdte van dit dictum moet ik
deze motie helaas ontraden.
De motie op stuk nr. 20 (36764) (#25) kan ik oordeel Kamer geven als ik die zo
mag interpreteren dat wij "proactief oproepen" niet verstaan als
individueel aanschrijven maar als ertoe oproepen via media, social
media, webinars et cetera. Voor de Wwke is het sowieso geen probleem,
want die organisaties krijgen allemaal al individueel een benadering
door de vakminister. Met deze interpretatie: oordeel Kamer.
De voorzitter:
Zo kan die geïnterpreteerd worden, zeg ik via de voorzitter.
Minister Van Weel:
Dank.
De motie op stuk nr. 21 (36764) (#26) gaat over de evaluatie en over bezien
welke onderdelen naar wetgeving kunnen. Die motie wil ik oordeel Kamer
geven, maar ik wil daarbij wel zeggen dat het deel van het dictum dat
zegt "zo veel als mogelijk" niet mijn enige leidende criterium is. Ik
zou zeggen "waar nodig en opportuun". Met die tekst kan ik de motie
oordeel Kamer geven. Maar het is geen doel op zich om alles vast te
leggen in hogere regelgeving, omdat dat ons ook weer vast kan zetten
voor toekomstige ontwikkelingen. Als ik de motie zo mag interpreteren,
kan deze oordeel Kamer krijgen.
De voorzitter:
Ja, dat kan, zeg ik ook weer via de voorzitter. Mevrouw Zwinkels?
Mevrouw Zwinkels (CDA):
Het is niet mijn eigen motie, maar ik ben altijd kritisch op ruime
interpretaties van moties. Ten aanzien van een punt zoals dit kan ik mij
voorstellen dat het belangrijk is dat we de motie in de boeken hebben
staan zoals die ook bedoeld is. Ik ga er niet voorliggen, maar vind het
hier best wel wezenlijk dat ... Dit zou aangepast kunnen worden, laat ik
het zo zeggen.
De voorzitter:
Als voorzitter kan ik alleen maar zeggen: dat is genoteerd. Dan denk ik
dat het aan de indiener is om even aan te geven of de tekst zal worden
aangepast.
Minister Van Weel:
Mijn advies voor de aanpassing zou zijn om in plaats van "zo veel
mogelijk", "waar nodig en opportuun" te schrijven.
De voorzitter:
Dan zegt de indiener dat het aangepast gaat worden.
Minister Van Weel:
Dank, voorzitter.
De motie op stuk nr. 22 (36764) (#27) krijgt oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 23 (36764) (#28): oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 12 (36765) (#29): oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 24 (36764) (#30): oordeel Kamer. En dat is niet omdat het
16.15 uur is.
De voorzitter:
Dan kijk ik even naar mijn linkerzijde. Volgens mij is iedereen
tevreden. Ik dank de minister voor de beantwoording, de toezeggingen en
de appreciatie van de moties en amendementen. We hebben natuurlijk nog
een aantal toezeggingen staan. Die zal ik even met u doornemen.
Eén. De minister van JenV zegt toe een schriftelijk overzicht met de Kamer te delen over de punten in de Cyberbeveiligingswet die nog nader uitgewerkt dienen te worden, inclusief, waar het kan, een vernoeming van termijnen waarop deze uitgewerkt zullen worden.
Dan is nog wel even de vraag binnen welke termijn dat naar de Kamer
kan.
Minister Van Weel:
Voor de inwerkingtreding. Ik hoop natuurlijk dat dat ergens voor de
zomer zal zijn, maar de inwerkingtreding is hier wat mij betreft leidend
voor.
De voorzitter:
Dan komt daarbij "voor de inwerkingtreding van de wet".
De tweede. De minister van JenV zegt toe om de Cyberbeveiligingswet binnen twee jaar na invoering van de wet te gaan evalueren, wel na de evaluatie van de betreffende commissie, de regeldruk hierin mee te nemen en de relevante punten voortvloeiend uit de periodieke evaluatie van de Cyberbeveiligingswet die implicaties hebben voor de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten mee te nemen in de verdere uitvoering van de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten.
Drie. De minister van JenV zegt toe om de samenwerkingsafspraken die zullen worden gemaakt tussen toezichthouders bij het directeurenoverleg voor de invoering van de Cyberbeveiligingswet met de Kamer te delen en in de Staatscourant te publiceren.
Vier. De minister van JenV zegt toe schriftelijk terug te komen op de door het lid Faber genoemde casus inzake de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten en de afhankelijkheid van het toezicht, bijvoorbeeld in het geval van de kerncentrale.
Wanneer komt dat richting de Kamer?
Minister Van Weel:
Voor de zomer.
De voorzitter:
Voor de zomer komt dat naar de Kamer.
Vijf. De minister van JenV zegt toe de vraag over een nazorgplicht voor slachtoffers van cyberaanvallen, gesteld door het lid Kathmann, mee te nemen in de verdere uitwerking van de betreffende motie van het lid Rajkowski.
Toezegging zes. De minister van JenV zegt toe het door het lid Van den Berg gevraagde tijdspad over de uitwerking van de Cyberbeveiligingswet richting Caribisch Nederland mee te nemen in de eerste evaluatie van de wet en aan de staatssecretaris Koninkrijksrelaties de vraag van het lid El Boujdaini, inzake een algemene routekaart voor het cyberbeschermings- en weerbaarheidsniveau van Caribisch Nederland, door te geleiden.
Toezegging zeven. De staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit en de minister van JenV zullen in samenwerking voor het eind van het jaar de Kamer informeren over de vragen van het lid Zwinkels inzake gekwalificeerde vertrouwensdiensten en mogelijke alternatieven in gehanteerde werkwijzen hierbij.
Dan knikt ook iedereen. Ik kijk toch nog even naar het lid Kathmann
van GroenLinks-Partij van de Arbeid voor de eenloketgedachte. Er was in
ieder geval wel een toezegging om één loket te doen, maar dan wel in de
bewoording die de minister daaraan heeft gegeven.
Minister Van Weel:
Ja.
De voorzitter:
Dan zijn we er. Mevrouw El Boujdaini heeft nog een vraag.
Mevrouw El Boujdaini (D66):
Ik zat even te denken. Mijn vragen over het Caribisch deel van Nederland
zouden kunnen worden ondervangen als mijn motie over die routekaart
gewoon wordt aangenomen. Het ligt er even aan. Als die motie wordt
aangenomen, dan hoeft die vraag ook niet meer door de staatssecretaris
Koninkrijksrelaties te worden beantwoord.
Minister Van Weel:
Ik hoor een stemadvies.
De voorzitter:
Ja, dit was een soort campagne voor de motie. We hebben net een campagne
achter de rug! Mevrouw Zwinkels.
Mevrouw Zwinkels (CDA):
Ik had nog één vraag over een toezegging die ik had gekregen ten aanzien
van die samenwerkingsafspraken tussen toezichthouders. Is daar nou wel
of niet een termijn aan gekoppeld? Die hoorde ik zojuist niet. Die
termijn kan ook zijn "t.z.t., zodra dat gereed is en gepubliceerd kan
worden in de Staatscourant".
De voorzitter:
Daar staat expliciet bij: voor de invoering van de Cyberbeveiligingswet
met de Kamer te delen. Dat is dus voor de invoering van de wet.
Mevrouw Zwinkels (CDA):
Prima.
De voorzitter:
Volgens mij is dan echt iedereen tevreden. Dan dank ik de minister en
iedereen achter de schermen voor de goede zorgen. Ik kijk even naar
links, want ik vergeet iets. Wat moet ik nog doen? Volgende week stemmen
we over de moties en de week daarop stemmen we over de amendementen en
het wetsvoorstel. Ik sluit de vergadering.
Sluiting 16.23 uur.
ONGECORRIGEERD STENOGRAM Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: verslagdienst@tweedekamer.nl |
|---|