[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026) (ongecorrigeerd)

Stenogram

Nummer: 2026D13447, datum: 2026-03-23, bijgewerkt: 2026-03-24 11:39, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


Tweede Kamer, Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026)

VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEG
Concept

De vaste commissie voor Asiel en Migratie heeft op 23 maart 2026 overleg gevoerd met de heer Van den Brink, minister van Asiel en Migratie, viceminister-president, over:

  • het wetsvoorstel Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026) (36871).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De fungerend voorzitter van de vaste commissie voor Asiel en Migratie,
Boomsma

De griffier van de vaste commissie voor Asiel en Migratie,
Nouse

Voorzitter: Ellian
Griffier: Nouse

Aanwezig zijn twaalf leden der Kamer, te weten: Van Asten, Boomsma, Ceder, Dassen, Diederik van Dijk, Ellian, Lammers, Van der Plas, Straatman, Teunissen, Vondeling en Westerveld,

en de heer Van den Brink, minister van Asiel en Migratie, viceminister-president.

Aanvang 10.01 uur.

De voorzitter:
Dames en heren, goedemorgen. Ik open deze vergadering van de vaste commissie voor Asiel en Migratie. Op de agenda staat het wetgevingsoverleg met als onderwerp Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026. Ik heet uiteraard welkom: alle collega's, de minister van Asiel en Migratie en diens ondersteuning, alle anderen geïnteresseerden in de zaal en alle anderen die op andere wijze dit belangwekkende wetgevingsoverleg volgen.

Ik ga dit voorzitten en dit zo veel mogelijk in goede banen proberen te leiden. Aan de voorkant heb ik dus een paar opmerkingen. U heeft allen spreektijd doorgegeven. Ik hoop dat het lukt om binnen die spreektijd te blijven. Ik kijk even rond. Ik zie dat dat moet lukken. We hebben tot 17.00 uur. Het is wetgeving en het is omvangrijk, dus het is van belang dat we dit goed met elkaar doornemen. Ik wil de commissie in overweging geven om het debat onderling een beetje te beperken, hoe aantrekkelijk het ook is om dat niet te doen, zodat er meer ruimte is voor de gedachtewisseling met de bewindspersoon. Dat vindt hij vast ook heel prettig. Ik verwacht natuurlijk dat de meeste vragen richting de bewindspersoon zullen zijn. Alhoewel het ongebruikelijk is, wil ik in eerste instantie de interrupties maximeren. Anders is het onmogelijk om het voor 17.00 uur te doen. Ik zou zeggen: laten we proberen om het met drie interrupties te doen, zoals regulier.

De heer Dassen (Volt):
Voorzitter, drie interrupties voor deze enorme verandering van het stelsel lijkt me echt niet oké. We moesten met alle spoed deze wet behandelen. Daar hebben we veel tijd en ruimte voor genomen. Ik hoop dat iedereen de hele dag de tijd heeft om dit te behandelen en dat we dus ook de mogelijkheid hebben om elkaar aan te spreken op de keuzes die we nu maken.

De voorzitter:
Tot uw dienst, meneer Dassen, maar we hebben tot 17.00 uur. Ik voorspel u — ik mag veel voorzitten — dat als ik de interrupties onbeperkt laat, de eerste termijn rond een uurtje of drie klaar is. Ik heb het ook maar te doen met het tijdsblok dat ik gekregen heb. Ik kijk even rond. Zijn er mensen die heel erg … Collega Dassen zegt: ik wil andere collega's erop kunnen aanspreken.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dit is een belangrijk debat, dus ik kan in die zin wel meegaan met de heer Dassen. De ervaring is dat in interrupties zowel de vraagsteller als de beantwoorder vaak ellenlange betogen houdt. In sommige commissies hebben we een 30 seconderegel: onder de 30 seconden is een interruptie gratis. Dat beperkt de vragensteller echt. Boven de 30 seconden telt de interruptie voor twee. Dan zou je wat meer interrupties kunnen toelaten, maar dus wel met die 30 seconden. Dan kunnen mensen gewoon kort vragen stellen. Ga je eroverheen, dan ben je gewoon twee interrupties kwijt. Ik zou zeggen: bijvoorbeeld tien interrupties met de 30 seconderegel.

De voorzitter:
Dat is een concreet voorstel. Mevrouw Westerveld?

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik kan er prima mee leven dat we de interrupties kort houden.

De voorzitter:
Is iedereen het eens met het maximum dat mevrouw Van der Plas voorstelt? Oké. Dan is een interruptie onder de 30 seconden gratis. Niets is gratis in het leven, zo heb ik altijd geleerd. Desondanks doe ik een beroep op u, want we kunnen gewoon niet al te veel uitlopen. Dat heeft overigens ook te maken met de ondersteuning van de Tweede Kamer, die zich instelt op een bepaald tijdstip.

Ik stel voor dat we snel gaan beginnen. Voor de goede orde: uiteraard ga ik op een gegeven moment schorsen voor de lunch. Hopelijk hebben we de eerste termijn dan af. Ik kijk even hoe dat gaat. Ik zie een heel pak amendementen liggen. Ik wil de minister vragen om zijn beantwoording in eerste termijn veel toe te spitsen op de appreciatie van de amendementen, want dat is gewoon cruciaal voor de vele collega's.

All right, we gaan beginnen. Ik ga als allerlaatste, want dan kan ik mij concentreren op het in goede banen leiden van de vergadering. Mevrouw Van der Plas, ik geef u het woord.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u wel, voorzitter. Vandaag spreken wij over de implementatie van het EU-Asiel- en Migratiepact. Dat is een pakket Europese regels dat volgens de regering moet zorgen voor meer grip op migratie, snellere procedures en een beter functionerende asielketen. Maar als we eerlijk zijn, moeten we vaststellen dat er tussen ambitie en realiteit nog altijd een groot gat gaapt. BBB kijkt nuchter naar dit pact: niet ideologisch, maar praktisch. Werkt het? Wordt de instroom daadwerkelijk beperkt? Verbetert de terugkeer? En vooral: krijgt Nederland daadwerkelijk meer grip, of leveren we opnieuw nationale ruimte en soevereiniteit in zonder harde garanties?

Voorzitter. De regering stelt dat het pact naar verwachting zal leiden tot een relevante daling van de instroom. Tegelijkertijd lezen we keer op keer dat de effecten niet te voorspellen zijn, dat veel afhangt van geopolitiek en van de andere lidstaten. Dat is eerlijk, maar ook zorgelijk. Waarop wordt dan gebaseerd dat de instroom daalt, zo vraag ik de minister.

Wat BBB betreft is het probleem van dit pact dat het succes niet afhangt van wat Nederland doet, maar van wat andere landen wel of juist niet doen. Ik doel dan vooral op de landen aan de buitengrens. Als registratie, screening en grensprocedures daar niet functioneren, komt de instroom alsnog door en draait Nederland opnieuw op voor de gevolgen. Dat is precies hetzelfde als wat we telkens zagen bij de Dublinverordening. Dan is een pact geen vangnet, maar een papieren belofte.

BBB heeft daarom kritisch gekeken naar de screening en de grensprocedure. Op papier ziet het er strak uit: snelle screening, identificatie, registratie in Eurodac en bij kansarme aanvragen afhandeling en mogelijk detentie aan de buitengrens. In de beantwoording lezen we echter dat er geen Europese infrastructuur is voor uitwisseling van screeningsformulieren, dat screening een momentopname blijft en dat Nederland nauwelijks kan controleren of andere lidstaten hun verplichtingen nakomen. Mijn vraag aan de minister is dan ook: wat is dan de harde garantie dat mensen die eigenlijk aan de buitengrens hadden moeten blijven niet alsnog in Ter Apel of Budel belanden? Zonder afdwinging, zonder sancties en zonder zicht op uitvoering bij andere lidstaten blijft dit een systeem dat afhankelijk is van vertrouwen. Dat vertrouwen — laten we daar eerlijk over zijn — is in het verleden te vaak beschaamd; kijk naar de Dublinverordening.

Voorzitter. Dan het solidariteitsmechanisme, waar ook de Europese spreidingswet in zit. De regering stelt dat alle vormen van solidariteit gelijkwaardig zijn: het opnemen van asielzoekers, herplaatsing, het leveren van een financiële bijdrage — afkopen met €20.000 — of verantwoordelijkheidscompensatie, dus fysieke hulp bieden. Op papier klinkt dat mooi. In de praktijk betekent het dat Nederland zolang de opvang hier niet op orde is, betaalt in plaats van beslist. BBB begrijpt die keuze, maar laten we ook hier eerlijk zijn: dit is geen structurele oplossing; dit is het afkopen van een probleem dat we uiteindelijk alsnog op ons bord krijgen als het systeem faalt. Daarom heb ik nog de volgende vragen. Wat gebeurt er als structureel te weinig landen kiezen voor herplaatsing? Wat gebeurt er als landen hun fair share niet nakomen? Welke mogelijkheden heeft Nederland dan nog om bij te sturen? Het antwoord van de regering blijft hierover te vrijblijvend, wat ons betreft. Er is geen noodrem en geen harde correctie. Dat maakt Nederland opnieuw kwetsbaar.

Ook wordt er hier verdeeld op basis van het bbp, het bruto binnenlands product, en het inwonersaantal, en niet op basis van landoppervlakte. Laat Nederland nu net een hoog bbp en relatief hoog inwonersaantal hebben én een klein landoppervlak. We zijn dus zwaar de klos. Graag krijg ik een reactie van de minister. Als solidariteit echt eerlijk was geweest, kijk je naar ruimte, bevolkingsdruk en fysieke capaciteit. Dat gebeurt dus niet.

Voorzitter. Als er een punt is waarop het pact zichzelf moet bewijzen, dan is het terugkeer. Zonder effectieve terugkeer is elk asielsysteem uiteindelijk een uitnodiging tot blijven. De regering erkent in haar beantwoording dat terugkeer sterk afhankelijk blijft van factoren waarop Nederland slechts een beperkte invloed heeft. Zo wordt aangegeven dat terugkeer afhankelijk is van de medewerking van herkomstlanden, dat doorlooptijden sterk uiteenlopen en dat er geen gemiddelde termijn kan worden gegeven tussen definitieve afwijzing en daadwerkelijk vertrek. De regering meldt dat in 2025 ongeveer 58% van de vertrokken vreemdelingen aantoonbaar is vertrokken. Tegelijkertijd wordt erkend dat een aanzienlijk deel van de vertrekplichtigen zelfstandig vertrekt, zonder toezicht, waardoor niet kan worden vastgesteld waarheen zij zijn vertrokken. Dat betekent dat terugkeer niet altijd gelijkstaat aan controleerbaar vertrek. Is de minister het daarover met ons eens?

Ook bij gedwongen terugkeer blijven de beperkingen groot. De regering stelt dat vreemdelingenbewaring alleen mogelijk is zolang er zicht is op uitzetting. Zodra dat zicht ontbreekt, moet de bewaring worden opgeheven en blijft de vertrekplicht bestaan.

Voorzitter. Ook de grensprocedure biedt geen harde garantie. De regering erkent dat wanneer terugkeer niet binnen de maximale termijnen kan worden gerealiseerd en zicht op uitzetting ontbreekt, bewaring moet eindigen. Bovendien kiest Nederland ervoor om de toepassing van de terugkeergrensprocedure grotendeels uit te sluiten. Ook hier is dus de vraag: wat is dan de harde garantie dat mensen die eigenlijk weg hadden gemoeten bij de buitengrens niet alsnog in Ter Apel of Budel belanden? De regering verwijst naar de toekomstige Europese Terugkeerverordening als mogelijke verbetering, maar die verordening is nog niet vastgesteld en biedt op dit moment geen concrete oplossing, nog los van het feit dat we elkaars terugkeerbesluiten gaan uitvoeren.

Voorzitter. BBB concludeert dat terugkeer ook onder dit pact een zwakke schakel blijft. Kan de minister hierop reageren?

Voorzitter. Het EU-Asiel- en Migratiepact is geen doel op zichzelf, het is slechts een middel. Dat middel is alleen geloofwaardig als het in de praktijk doet wat het belooft. Uit de beantwoording van de regering blijkt echter dat juist op cruciale punten, zoals de buitengrenzen, de solidariteit en vooral de terugkeer, harde garanties ontbreken. Terugkeer blijft afhankelijk van herkomstlanden, grensprocedures zijn niet afdwingbaar en solidariteit kent geen noodrem als landen hun verantwoordelijkheid niet nemen. Dat betekent dat dit pact alleen kan werken als Nederland actief blijft sturen, nationaal waar het kan en Europees waar het moet. Nederland moet niet afwachten, niet vertrouwen op papieren afspraken, maar continu toetsen of afspraken ook daadwerkelijk worden nagekomen. Dat gebeurt niet, maar misschien kan de minister daar wat over zeggen om mij te overtuigen dat het wel gebeurt.

Voorzitter, tot slot. Minder instroom begint bij echte grenscontrole. Draagvlak begint bij een eerlijke en afdwingbare verdeling. Geloofwaardigheid begint bij daadwerkelijke terugkeer. Zolang die drie niet samenkomen, blijft dit pact vooral een belofte op papier. Daarvan kan Nederland zich geen herhaling permitteren.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dat is een goed begin; dat gaat vlot. Dan mevrouw Westerveld namens GroenLinks-PvdA.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. U ziet het dikke pak aan stukken voor mij liggen en u hebt zelf ook zo'n dikke map, voorzitter. En dit zijn alleen nog maar de oorspronkelijke stukken. Anderhalve week geleden kwam daar nog een pak van 140 pagina's bij. Dat waren de antwoorden op onze schriftelijke inbreng. En dan heb ik alle brieven en adviezen die we kregen van experts en betrokken instanties en organisaties nog niet eens meegeteld. Al die stukken horen bij het debat van vandaag, waarin we spreken over een enorme systeemwijziging. Volgens de IND is het zelfs de meest ingrijpende wijziging van het asielstelsel van de afgelopen 30 jaar. We behandelen negen verordeningen en één richtlijn in een keer.

Ik begrijp natuurlijk dat er haast is geboden gezien de deadline van 12 juni waarop het Migratiepact in werking moet treden, maar ik wil wel kwijt dat ik moeite heb met de gang van zaken. We weten inmiddels welke gevolgen een onzorgvuldige wetsbehandeling kan hebben. Daar hebben we het al vaak genoeg met elkaar over gehad. Ondanks de politieke verschillen van mening die we soms, of beter gezegd vaak, met elkaar hebben, lijkt me toch dat we allemaal moeten vinden dat wetgeving — toch onze primaire taak — op een goede manier moet gebeuren. Dat doen we niet alleen door stukken te lezen. Dat doen we ook door afstemming te zoeken met de eigen achterban, door organisaties en deskundigen te raadplegen en door met elkaar te zoeken naar punten waarop we kunnen samenwerken. Ik heb in alle andere commissies waarin ik zit nog nooit meegemaakt dat er nog geen anderhalve week, en dan tel ik het weekend mee, zit tussen het krijgen van 140 pagina's aan antwoorden en het debat. Dat ons geen tijd wordt gegund om dit fatsoenlijk te doen en om experts te raadplegen, om hun de kans te geven ons hun input te sturen, vind ik kwalijk. Dit is namelijk geen kleine wet, maar verreweg de grootste wet die ik heb behandeld in al die negen jaar dat ik Kamerlid ben.

Ik zeg dit ook omdat deze implementatiewet grote gevolgen heeft voor de uitvoeringsorganisaties. Daar moeten we echt alle oog voor hebben. Dat zijn namelijk de mensen die het uiteindelijk moeten doen. In het rapport dat we afgelopen weekend hebben ontvangen, zien we bijvoorbeeld hoezeer die zorgvuldigheid van belang is voor uitvoeringsorganisaties als de IND. Zij moeten zich immers kunnen voorbereiden op het werk. Zij moeten systemen in orde brengen. Zij moeten mensen aannemen of mensen bijscholen. Ik had eigenlijk gehoopt dat we het gedoe van de afgelopen jaren achter ons hadden gelaten en nu op een zorgvuldige manier met wetgeving om zouden gaan, zeker bij wetten die zo gecompliceerd zijn en zo veel gevolgen hebben voor de uitvoering en voor de mensen om wie het gaat.

Voorzitter. Ik heb als Nijmeegs raadslid van dichtbij meegemaakt …

De voorzitter:
Momentje, u heeft een interruptie van de heer Dassen.

De heer Dassen (Volt):
Ik vind het een volledig terecht punt van mevrouw Westerveld dat we goed de tijd moeten nemen om tot zorgvuldige wetgeving te komen. Ik ben even benieuwd naar het volgende. Zij maakte een terecht punt over de antwoorden die nu gekomen zijn op de kritiek van de Raad van State. Is zij dan van mening dat we goed bezig zijn met deze wet als het gaat om de uitvoering?

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik heb het afgelopen weekend de 140 pagina's proberen door te nemen. Dat is me in grote mate ook gelukt. Maar op een aantal punten was ik wel teleurgesteld. We hebben heel specifiek gevraagd naar een aantal keuzes die zijn gemaakt. We hebben, net als andere partijen, gevraagd waarom bepaalde keuzes zijn gemaakt in dit voorstel, keuzes die niet noodzakelijkerwijs voortvloeien uit het Europese Migratiepact. We hebben gevraagd naar vergelijkingen met een aantal landen. We hebben wat betreft de detentie van kinderen specifiek gevraagd welke alternatieven daarvoor zijn bekeken. Op al die punten is geen afdoende antwoord gekomen, dus ik had graag nog een extra ronde gehad, bijvoorbeeld een rondetafelgesprek, een ronde met schriftelijke vragen of nog meer gesprekken met experts, maar dat lukt fysiek gewoon niet in de korte tijd die we hebben.

De heer Dassen (Volt):
Zeker. We zijn natuurlijk een Europees migratiepact aan het sluiten. Dit moeten we in Europa gezamenlijk doen. Als overal nationale koppen op komen, gaan we dit Migratiepact juist ondermijnen. Wellicht kan mevrouw Westerveld daar nog een laatste reflectie op geven. Hoe ziet zij dat?

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik kan me van de technische briefing nog herinneren dat een aantal ambtenaren van het ministerie zelf vertelden wat nou het doel is van de verordeningen die we bespreken. In principe is het doel dat die een-op-een en beleidsneutraal worden doorgevoerd. Dat hoorde ik natuurlijk ook van onze Europese fractie, die ditzelfde aangaf: het doel van Europese wetgeving is dat je dat in Nederland met zo min mogelijk koppen doorvoert. Je moet dus niet allemaal eigen zaken erin verwerken. Ik ga straks, verderop in mijn tekst, ook nog aangeven waarom we vinden dat het pact van belang is, maar waarom we op een aantal punten wel flink moeite hebben met keuzes die zijn gemaakt. Dat gaat dus expliciet om keuzes die niet voortvloeien uit het Europese Migratiepact, maar die gemaakt zijn in de implementatiewet die vandaag voor ons ligt.

Voorzitter. Ik was aan het vertellen dat ik als Nijmeegs raadslid van dichtbij heb meegemaakt wat het betekent als er in korte tijd een grote groep vluchtelingen naar je land komt. Tijdens de oorlog in Syrië, omstreeks 2015, verzochten tienduizenden vluchtelingen namelijk om bescherming in Nederland, terwijl er te weinig opvangplekken waren. Daarom besloot Nijmegen om een noodopvang te starten in Heumensoord, midden op een grasvlakte in de bossen, die uiteindelijk veranderde in modder. Er kwamen grote witte tenten, waarin zo'n 3.000 mensen werden opgevangen: volwassenen, alleenstaanden en gezinnen met kinderen.

Ik ken de discussies in de gemeenteraad en met de inwoners van Nijmegen goed. Er waren natuurlijk zorgen over de grote aantallen. Er waren zorgen over het welzijn van deze vluchtelingen, in de winter, in gehorige tenten, waar het steenkoud kon zijn, waar weinig privacy was en wat al zeker geen geschikte plek voor kinderen was. Hoe moeilijk die situatie ook was, het was wel heel mooi om te zien hoe veel mensen in Nijmegen om hen heen gingen staan. Tijdens oud en nieuw was er bijvoorbeeld een steunactie om ervoor te zorgen dat getraumatiseerde vluchtelingen geen nieuwe trauma's zouden krijgen van al die knallen. Er werd een eigen nieuwjaarsfeest georganiseerd, waar uiteindelijk muziekcollectief Yalla Yalla is ontstaan. Die saamhorigheid was mooi, maar de situatie was natuurlijk vreselijk. Dat soort situaties moeten we echt proberen te voorkomen. Daarom is verandering nodig.

Het huidige Europese asielbeleid is volledig vastgelopen. Asielzoekers worden niet eerlijk verspreid over EU-landen, zoals ooit was bedacht in het Dublinakkoord. Uit onvrede lappen de overbelaste buitengrenslanden de regels aan hun laars. Asielzoekers reizen door binnen Europa. Er is een vrijbrief ontstaan voor landen om zichzelf steeds onaantrekkelijker te maken. Dat is een race naar de bodem waarbij uiteindelijk iedereen verliest. GroenLinks-PvdA staat voor Europese samenwerking, de harmonisatie van regels om deze problemen het hoofd te bieden en regels die gestoeld zijn op solidariteit. Het Asiel- en Migratiepact zet een belangrijke eerste stap in die Europese aanpak. Ook is mijn partij voorstander van snelle en zorgvuldige procedures aan de buitengrens van de EU en van effectieve terugkeer van wie veilig terug kan, zodat mensen snel duidelijkheid krijgen en het draagvlak in Europa en in Nederland wordt behouden. Hierbij moeten natuurlijk wel de mensenrechten en de internationale verdragen worden gerespecteerd.

Daartegenover staan ook de veilige routes die nodig zijn voor de kwetsbaarste mensen die moeten vluchten voor oorlog en geweld. Laten we vooral niet vergeten wie er baat hebben bij grote groepen mensen die op de vlucht slaan. Dat zijn mensensmokkelaars die hiervan een verdienmodel hebben gemaakt, met alle gevolgen van dien, waaronder uitbuiting, seksueel geweld en verdrinkingen. Tienduizenden mensen zijn verdronken op de Middellandse Zee, waaronder, ook hier weer, kinderen. Ik las vorige week nog het bericht dat 2026 de dodelijkste start van het jaar voor vluchtelingen kent en dat er alweer honderden mensen verdronken zijn. Ook dat laat zien dat er haast is geboden bij nieuw beleid, want dit kan zo niet doorgaan.

Het is geen geheim dat mijn partij bedenkingen heeft. Die hebben we ook al in Europa laten horen bij de onderhandelingen en discussies over het pact. Een voorbeeld is het systematisch gevangenzetten van gezinnen met kinderen. Toch hebben we altijd gezegd dat het Migratiepact zelf, als het er is, en wat erin staat, geïmplementeerd en nageleefd moet worden. Dat moet gebeuren om solidariteit terug te brengen in het Europese asielsysteem, om dat systeem zo beter te maken voor mensen.

De verordeningen leggen een groot aantal maatregelen dwingend op, maar er is ook veel nationale ruimte om keuzes te maken die niet dwingend uit het pact voortvloeien. Ik had het daar net al even over met de heer Dassen. De Raad van State is hier ook helder over in zijn advies. Ik parafraseer: de Raad van State zegt dat de regering op verschillende punten keuzes maakt die niet dwingend uit de verordeningen en de richtlijn volgen, maar waar het asiel- en migratierecht wel ruimte voor laat. Sommige van deze maatregelen brengen een grote extra werklast voor de IND en de rechtspraak met zich mee. Ook als het gaat over kinderen in detentie is dit een nationale keuze. Het pact laat er ruimte voor, maar een land kan er ook voor kiezen om het niet te doen. Gelukkig doen heel veel andere landen dat.

De Raad van State stelt dat op het moment dat er een nationale keuze gemaakt moet worden, dit expliciet in de toelichting bij het voorstel moet worden vermeld. Zij noemen dan ook drie voorbeelden. Het eerste is de invoering van het tweestatusstelsel. Daarvan zegt de Raad van State dat we op dit moment voldoende onderscheid maken om te voldoen aan het pact. De andere twee zijn het verkorten van de verblijfsvergunning en het afschaffen van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Kan de minister bevestigen dat er op de punten die ik net noemde inderdaad nationale keuzes worden gemaakt die niet dwingend voortvloeien uit het Asiel- en Migratiepact? Wat is de reden dat hierover geen duidelijkheid wordt gegeven in de memorie van toelichting, zoals de Raad van State ook benadrukt? Waarom heeft de regering ervoor gekozen om nationale keuzes, nationale koppen, te maken? Dit is namelijk uitdrukkelijk niet de bedoeling. Bovendien zijn er een aantal maatregelen die niet dwingend voortvloeien uit het pact ook al verwerkt in de asielwetten van minister Faber, die op 14 april besproken worden in de Eerste Kamer. Waarom is er voor deze dubbeling gekozen door die maatregelen ook te verwerken in het Migratiepact? Hoe lopen deze twee trajecten straks verder? Graag een reactie.

Voorzitter. Ik zei al dat mijn fractie voorstander is van harmonisatie, van betere en versnelde procedures en van solidariteit. Dat zijn allemaal ook uitgangspunten van het Migratiepact. Maar juist bij die extra nationale wetgeving die niet voortvloeit uit het Migratiepact hebben we een aantal fundamentele bedenkingen, omdat deze schuurt met kinder- en mensenrechten en omdat deze de uitvoeringsorganisaties extra belast. Daarom hebben we op een aantal punten amendementen ingediend, gedeeltelijk ook samen met Volt en de ChristenUnie, zoals over kinderen in detentie en het systematisch in grensdetentie plaatsen van gezinnen met kinderen. Ook is er een amendement over de obstakels die worden opgeworpen voor de gezinshereniging voor oorlogsvluchtelingen, zoals de twee jaar wachttijd, de inkomenseis en de huisvestingseis. Ons amendement wil die obstakels tenietdoen. Daarnaast is er een amendement over het afschaffen van de vergunning onbepaalde tijd. Ik wil nogmaals zeggen dat het bij al die amendementen die we hebben ingediend gaat over keuzes die het kabinet maakt en die niet dwingend volgen uit het pact.

Voorzitter. Wat meer over de detentie van kinderen. Voor mijn fractie is duidelijk dat kinderen niet in de cel thuishoren, want dat is schadelijk en traumatiserend. Gezinnen die zijn verscheurd door oorlog horen weer bij elkaar te kunnen komen zonder daar twee jaar op te moeten wachten. Het is een Nederlandse keuze om de implementatiewet met deze twee maatregelen hardvochtig te maken. Als er wordt gekeken naar een meerderheid voor deze wet, wil ik benadrukken dat er een menselijker alternatief is.

Voorzitter. Wie wil nalezen wat het met kinderen doet om in detentie te zitten, zou ik willen aanraden om het rapport "Papa, hebben we iets ergs gedaan?" te lezen. Dit rapport werd geschreven in 2014, uitdrukkelijk om de stem van kinderen te laten doorklinken in het debat over kinderen in vreemdelingendetentie. Het gevangenzetten van kinderen tast bij hen het basisgevoel van veiligheid aan. Het bleek iets wat ook lange tijd zichtbaar blijft bij kinderen, ook als zij maar kort vastzitten.

We kunnen ook dichter bij huis kijken. Ik ben al jarenlang woordvoerder jeugdzorg voor onze fractie. Ik zie van dichtbij de diepe littekens en de trauma's die kinderen en jongvolwassenen hebben door hun tijd in de gesloten jeugdzorg. Niet voor niets heeft de Kamer al een aantal jaar geleden besloten om de gesloten jeugdzorg af te bouwen, ook partijen als CDA en D66, die daar samen met ons altijd voor pleitten. Dan is het extra wrang om te bedenken dat VVD-staatssecretaris Teeven destijds grensdetentie voor kinderen afschafte en het kabinet-Jetten grensdetentie voor gezinnen met kinderen weer wil invoeren.

Voorzitter. Kan de minister bevestigen dat het inderdaad een nationale keuze is om van de mogelijkheid tot het vastzetten van kinderen gebruik te maken? Waarom kiest de regering daarvoor? Waarom is er ook geen Kinderrechtentoets gedaan? Klopt het dat onder verschillende omstandigheden wel dwingend uit het pact voortvloeit dat gezinnen met kinderen in de versnelde grensprocedure terechtkomen, maar dat de grensprocedure niet per definitie in een gesloten centrum dient plaats te vinden en dat dit ook een keuze van het kabinet is?

Een van de gronden voor de versnelde grensprocedure is het misleiden van autoriteiten, maar laten we eerlijk zijn: sommige mensen zijn door de oorlogssituatie waar ze uit zijn gevlucht, hun persoonlijke documenten verloren. Hoe gaat de minister borgen dat dit en soortgelijke omstandigheden niet als misleiding gelden? Een van de andere gronden voor grensdetentie is een EU-breed inwilligingspercentage van onder de 20%. Dat betekent dus dat gezinnen met kinderen die bijvoorbeeld vluchten uit Turkije omdat ze om politieke redenen vervolgd worden, in de versnelde grensprocedure terechtkomen, wat in Nederland met deze wet gelijkstaat aan grensdetentie. Vindt de minister het terecht dat deze gezinnen in detentie terechtkomen als ze uiteindelijk wel een grote kans hebben om de vluchtelingstatus te krijgen? Hoelang zitten zij dan waarschijnlijk in deze grensdetentie? De maximumtermijn voor het in vreemdelingendetentie vastzetten van gezinnen waarvan de asielaanvraag wordt afgekeurd, is nu twee weken, maar wat wordt met deze nieuwe wet de maximumtermijn voor gezinnen met kinderen?

Heeft de minister het rapport "Papa, hebben we iets ergs gedaan?" gelezen? Wat vindt hij van het feit dat kinderen langdurige en soms levenslange schade oplopen van detentie? Hoe verkoopt de minister het dat we in Nederland inmiddels allang tot de conclusie zijn gekomen dat het opsluiten van kinderen schadelijk is, maar dat er nu plannen liggen om dit wel te doen met kinderen die naar ons land zijn gevlucht? Hoe ziet hij dit in het licht van het Kinderrechtenverdrag?

Op grond van de Opvangrichtlijn kan detentie slechts plaatsvinden in noodzakelijke gevallen, op grond van individuele beoordeling en wanneer andere, minder dwingende maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast. De Europese Commissie onderstreept dit en zegt dat er eerst gekeken moet worden naar alle andere initiatieven voordat vrijheidsbeperking mag worden toegepast. Welke alternatieven heeft het kabinet onderzocht? Waarom zijn die uiteindelijk niet gekozen? We hebben hier natuurlijk al eerder naar gevraagd, ook in het schriftelijk overleg, maar ik heb daar geen afdoende antwoord op gekregen, dus ik hoor graag een uitgebreide reactie van de minister op dit punt.

Voorzitter. Dan het versoberen van gezinshereniging. Een gezin dat is verscheurd door oorlog en geweld hoort herenigd te kunnen worden als iemand die vlucht voor oorlog en geweld hier een status krijgt. Voor iemand die getraumatiseerd is door oorlog en bezorgd is over de veiligheid van zijn of haar gezin, voelt een wachttijd van twee jaar natuurlijk als een eeuwigheid. De versobering van de gezinshereniging is weer een politieke wens, die op geen enkele manier voortkomt uit het Asiel- en Migratiepact. Dat schrijft de minister ook in de beantwoording van de schriftelijke vragen. Slechts het onderscheid in status komt voort uit het pact, en de Raad van State schrijft dat Nederland daar nu al aan voldoet. Het toeschrijven van verschillende rechten komt niet per se voort uit het pact. Waarom is ook hier weer voor een hardvochtige maatregel gekozen? Welke andere lidstaten kiezen voor deze maatregel? Hoe staat dit in verhouding tot mensen- en kinderrechten?

In de implementatiewet zijn de wetsteksten van de Asielnoodmaatregelenwet en de invoering van het tweestatusstelsel bijna helemaal overgenomen. Deze wetten bevatten ook juridische kwetsbaarheden, zoals onder andere door de IND in de uitvoeringstoetsen is verwoord. Onderdeel hiervan was ook de inperking van gezinshereniging. Vorige week kreeg ik het bericht dat in België het Grondwettelijk Hof in zijn uitspraak van 26 februari een gelijksoortige inperking van de gezinshereniging per direct buiten werking gesteld heeft, omdat dit hof het in strijd acht met het recht op gezinsleven en het belang van het kind, zoals vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Ik wil de minister vragen of hij van deze zaak heeft gehoord. Ik denk het eigenlijk wel. Wat is de kans dat het helemaal niet blijkt te mogen, dus dat we hier wetgeving willen invoeren die wordt teruggedraaid, die gewoon niet mag? Samen met de ChristenUnie hebben we een amendement ingediend om dit terug te draaien. Ik vraag de minister om deze hardvochtige maatregel te heroverwegen.

Verder besluit het kabinet tot inperking van nareis door de definitie van het kerngezin aan te passen. Er wordt gekozen voor de meest smalle interpretatie van het kerngezin. Ook hiervoor geldt weer: dit hoeft dus niet per se. Wat betekent dit voor pleegkinderen die niet officieel geadopteerd konden worden in het land van herkomst? We weten ook allemaal dat er juist in een land waar oorlog is nogal wat kinderen zijn die geen ouders meer hebben.

Voorzitter. Ook voor lhbtiq+-personen wordt een extra drempel opgeworpen. In de definitie staat "getrouwde stellen", maar in sommige landen kán je niet trouwen met iemand van hetzelfde geslacht. Daar is dat gewoon onmogelijk, ook al ben je langdurig elkaars partner. Het stelt me ook weer teleur dat het kabinet daar geen oog voor heeft en dat ook onze schriftelijke opmerkingen over de moeilijke praktijk waar deze mensen in terechtkomen, worden afgedaan met procesmatige antwoorden. Het kabinet schrijft in de schriftelijke antwoorden namelijk dat lhbtiq+-personen zich kunnen blijven beroepen op artikel 8 van het EVRM, maar ook dat alleen in uitzonderlijke gevallen de conclusie is dat moet worden berust in toelating en verblijf in Nederland. Betekent dit dat het voor partners van lhbtiq+-personen veel moeilijker zal zijn om in aanmerking te komen voor gezinshereniging dan voor heterostellen, die wel mogen trouwen in het land van herkomst? Samen met Volt hebben we hierover ook een amendement ingediend waarin we deze omissie rechtzetten. Ik hoop hierbij op steun van alle partijen die zeggen te staan voor gelijke behandeling en voor emancipatie.

Voorzitter. Dan de vergunning onbepaalde tijd. Volgens de regering vloeit het afschaffen van de vergunning onbepaalde tijd voort uit het pact, maar volgens de Raad van State is dat niet het geval en heeft een lidstaat zelf ruimte om de vergunning langer of voor onbepaalde tijd te verlenen als de status is ingetrokken. We hadden daar eerder in de verschillende rondetafelgesprekken ook al interessante discussies over. Wat is volgens de minister de consequentie voor het inburgeren van statushouders wanneer zij in onzekerheid blijven? Wat doet dit met baankansen en de potentie om een nieuw leven op te bouwen? We kunnen natuurlijk op onze klompen aanvoelen dat het voor werkgevers helemaal niet aantrekkelijk is om iemand aan te nemen waarvan niet zeker is of die langer kan blijven. Ik wil de minister ook vragen of dit niet ingaat tegen de doelstellingen van het coalitieakkoord om ervoor te zorgen dat nieuwkomers aan het werk kunnen. Dat is de doelstelling van het coalitieakkoord, maar hier lijkt wat anders te gebeuren. Graag een reactie.

Is het straks voor deze mensen ook nog mogelijk om te naturaliseren? Dat vraag ik omdat minister Van Weel tijdens de behandeling van de Asielnoodmaatregelenwet zei dat er een beleidswijziging nodig is om dit mogelijk te maken, zodat er een nieuwe aanleiding is om naturalisering wél mogelijk te maken. Is die beleidswijziging reeds gemaakt?

Voorzitter. Volgens mijn fractie is het belangrijk om vluchtelingen zo snel mogelijk te laten meedoen en op een gegeven moment zekerheid te geven. Daarom dienen we ook samen met Volt een amendement in voor het handhaven van de vergunning onbepaalde tijd.

Voorzitter. Dan over solidariteit, ook een belangrijk uitgangspunt voor mijn fractie. De hiervoor beschreven extra koppen op de Europese asielwetten zorgen voor minder harmonisatie; het pact streeft juist naar harmonisatie. Ook blijft solidariteit in het Nederlandse beleid achter aangezien de minister ervoor kiest om die af te kopen. Waarom kiest Nederland hiervoor terwijl de Europese Commissie Nederland geen uitzondering verleent omdat de migratiedruk op Nederland te klein is? Is de minister het met ons eens dat het afkopen ook de solidariteit ondermijnt met landen die aan de buitengrenzen van Europa liggen? Zij hebben immers te maken met veel grotere uitdagingen. Kijk naar de hoeveelheid mensen die bij hen de grens met Europa passeren.

Mevrouw Straatman (CDA):
In het verhaal van mevrouw Westerveld is het helder dat nationale koppen niet passen binnen het kader van harmonisatie, van de verordening. In dat kader vraag ik me het volgende af. Ik hoor het betoog van mevrouw Westerveld over bijvoorbeeld de definitie van "kerngezin". Dat is gedefinieerd in de verordening. Als ik mevrouw Westerveld goed begrijp, wil zij er op dat punt voor kiezen om wel een extra nationale kop toe te voegen, die dan juist breder en gunstiger zou zijn. Heb ik dat juist begrepen?

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Je kan er gewoon voor kiezen om bijvoorbeeld lhbtiq+-stellen naar Nederland te halen. Dat is niet per se een extra kop. Dat is een andere invulling van de implementatiewet die voor ons ligt. Dat past prima binnen het pact. Mijn punt is juist dat er op andere vlakken echt extra wetgeving toegepast is. Je hebt dus eigenlijk op een aantal punten bandbreedtes waarbinnen je kan kiezen wat je doet. Als we dan ook kijken naar de antwoorden op onze schriftelijke vragen, zien we de hele tijd dat er is gekozen voor de meest sobere, de meest strenge invulling. Ik zou het graag anders willen zien, maar dat kan allemaal. Mijn grootste bezwaren zitten echt bij die extra wetgeving die er nog bij op is geplakt, die niet uit het pact voortvloeit en waar Nederland bewust voor heeft gekozen.

Mevrouw Straatman (CDA):
Ik begrijp de opmerking van mevrouw Westerveld zo dat zij nationale koppen liever niet heeft op het moment dat die het Asiel- en Migratiepact strenger maken, terwijl die nationale koppen natuurlijk juist bedoeld zijn om het pact effectiever te laten zijn, om de instroom te kunnen beperken. Maar op het moment dat het Asiel- en Migratiepact iets van ruimte geeft om soepeler te zijn, grijpt mevrouw Westerveld die punten aan. Ik denk dat dit niet past in het verhaal "laten we in alle lidstaten dezelfde regels laten gelden". Ik zou dus zeggen: volg de juiste lijn en voldoe dan overal aan de minimale eisen van het pact, óf bied ruimte, hetzij om soepeler te zijn of, aan de andere kant, juist strenger.

De voorzitter:
Het was overigens één interruptie, maar dat vindt u vast niet erg. Mevrouw Westerveld.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Misschien heb ik het dan net niet goed uitgelegd. Het Europees Asiel- en Migratiepact geeft op een heel aantal punten bandbreedtes, zeg maar invulling, voor nationale wetgeving. Dat is ook logisch. Het staat ook duidelijk in de memorie van toelichting en het bleek ook uit de technische briefing. Je moet Europese wetgeving natuurlijk wel vertalen naar de Nederlandse context en je moet die inpassen in een heel aantal andere wetten. Je zult daar dus nationale wetgeving voor moeten hebben. Maar daarbinnen zijn er op een heel aantal punten bandbreedtes. Bij termijnen kiezen wij bijvoorbeeld bijna standaard voor de meest strenge termijn als het gaat over beroep instellen. Dat geldt voor een heel aantal andere punten. We zien voortdurend terug dat Nederland bij het kiezen van bandbreedtes overwegend kiest voor het meest sobere of het meest strenge.

Ons voornaamste bezwaar is dat er is gekozen voor een invulling, voor allemaal extra wet- en regelgeving, die niet voortvloeit uit het pact. Ik noemde net al de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel. Die vloeien niet voort uit het pact. Ik las in een aantal inbrengen dat die eigenlijk niet zo veel met het pact te maken hebben. En dat wordt toch hier in deze wet gefietst. Daar heb ik problemen mee, want dat brengt verschillende partijen in een lastige positie. Er worden allerlei extra zaken toegevoegd en er wordt bijna gesuggereerd dat dat moet van Europa. Als we even doorvragen, horen we van de Raad van State en eerder in de briefing en de antwoorden dat het niet hoeft van het pact en dat we ervoor gekozen hebben om dat te doen. Daar zit mijn grootste probleem. Ik zou graag willen dat we het Europees Asiel- en Migratiepact zo veel mogelijk een-op-een uitvoeren, zoals ook de bedoeling is.

De voorzitter:
Dan gaat mevrouw Westerveld door met haar betoog. Nee, sorry, er is een interruptie van mevrouw Van der Plas.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik ben wel even benieuwd hoe GroenLinks-PvdA aankijkt tegen de zorgen van mensen die al in Nederland wonen over bijvoorbeeld gezinshereniging. Tienduizenden mensen staan nog op een wachtlijst om hierheen te komen. We hebben een woningtekort, een lerarentekort en een zorgtekort. Zou mevrouw Westerveld kunnen aangeven hoe zij aankijkt tegen de zorgen van Nederlandse mensen of in ieder geval mensen die in Nederland wonen?

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik wijs in mijn tekst een aantal keren bewust op draagvlak. Ik ben me ervan bewust dat je voor een goed asiel- en migratiebeleid draagvlak moet hebben in de samenleving. Maar laten we niet vergeten dat het de afgelopen jaren een bewuste politieke keuze was om te bezuinigen op bijvoorbeeld uitvoeringsorganisaties zoals de IND. Het heeft heel lang geduurd voordat er duidelijkheid was over de Spreidingswet. Gemeenten en wethouders van verschillende politieke partijen, echt niet alleen van mijn partij, klopten bij ons aan met de vraag: geef daar op tijd duidelijkheid over, want dan weten we wat we moeten doen en hoeven we niet telkens gebruik te maken van noodopvangvoorzieningen die niet geschikt zijn voor kinderen, maar ook niet voor heel veel mensen, en die een stuk duurder zijn.

We hebben in ons verkiezingsprogramma duidelijk gezegd dat we het rapport van de commissie over demografische groei volgen en dat we ook willen sturen op migratie, maar de focus leggen op arbeidsmigratie. Uit verschillende rapporten blijkt dat die beter te sturen is, dat de verhouding arbeidsmigranten … Het zijn er naar schatting 1,2 miljoen, een veel grotere groep. Ook vanuit mijn portefeuille dakloosheid weet ik waar deze mensen in belanden als er niet goed met hen wordt omgegaan. We snappen die zorgen helemaal, maar heel veel van die zorgen over het totaal vastgelopen asielstelsel komen voort uit politieke keuzes die de afgelopen jaren zijn gemaakt. Ik vind het in deze discussie ingewikkeld dat ik me soms lijk te moeten verantwoorden voor politieke keuzes die niet de mijne zijn, terwijl we duidelijk aangeven dat wij alle zorgen van mensen in de samenleving kennen en dat wij ook vinden dat er andere politieke keuzes gemaakt moeten worden.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Mevrouw Westerveld gooit het op de arbeidsmigratie, maar de arbeidsmigranten houden wel onze economie draaiende. We kunnen wel zeggen dat we deze uitzendkrachten in sommige sectoren moeten verbieden of dat we de inzet van deze mensen moeten indammen, maar een feit is dat we in Nederland niet genoeg mensen hebben om spullen voor ons te maken, voor onze ouderen te zorgen, kantoren schoon te maken en woningen te bouwen. Dat zijn wel sectoren, net als de sector van de voedselproductie, waar de meeste arbeidsmigranten werken. Ik ben benieuwd hoe mevrouw Westerveld en haar partij ervoor gaan zorgen dat de economie blijft draaien als we de arbeidsmigratie gaan inperken, en als we daar de focus helemaal op leggen in plaats van op de asielinstroom.

De voorzitter:
U zat overigens bij de eerste interruptie op 34 seconden en bij de tweede op 50 seconden. Maar ik weet dat u dat kan redden.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik stel voor dat we hier geen debat over arbeidsmigratie van maken. Dit staat duidelijk beschreven in ons verkiezingsprogramma. Het is ook uitgebreid besproken in andere debatten. Ik probeer aan te geven dat we altijd kijken naar draagvlak in onze samenleving. Draagvlak is ook een gevolg van politieke keuzes. Misschien moet ik het daar even bij laten.

O ja, nog even het volgende. De nieuwe coalitie heeft natuurlijk wel, ook in het coalitieakkoord, opgeschreven dat ze wil dat mensen meedoen vanaf dag één. Dat is een ambitie waar ik van harte achter sta. Ik heb in de afgelopen jaren verschillende keren met vluchtelingen gesproken. Zij willen heel graag iets doen en heel graag bijdragen aan onze samenleving, en zij mogen dat niet. Dus dit is een ambitie die wij van harte ondersteunen.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Even voor de Handelingen: ik ben zelf niet begonnen over arbeidsmigratie; dat was mevrouw Westerveld zelf. Ik constateer dat arbeidsmigranten wel gewoon deelnemen aan onze samenleving. Die werken en dragen bij aan onze economie. Mijn vraag was: hoe gaan we dat dan doen?

De voorzitter:
Ik zie mevrouw Westerveld knikken, dus dan ga ik naar de heer Van Dijk voor een interruptie.

De heer Diederik van Dijk (SGP):
Mevrouw Westerveld had het een aantal keren over politieke keuzes. Daar moeten we het inderdaad over hebben, juist als het gaat om fundamentele wetgeving zoals die nu voorligt. Het is duidelijk dat bij GroenLinks-PvdA stevige weerstand bestaat ten aanzien van een verdere versobering en aanscherping van het asielbeleid. Dat is natuurlijk een volstrekt legitiem standpunt. Tegelijkertijd is dezelfde partij GroenLinks-PvdA mordicus tegen elke versobering van onze verzorgingsstaat. Dat vind ik ingewikkeld. Er zijn inmiddels ontzettend veel studies die laten zien dat relatief open grenzen en een luxe verzorgingsstaat met elkaar schuren. Op dat punt zul je moeten kiezen. Waar kiest van GroenLinks-PvdA uiteindelijk voor?

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Wij kiezen duidelijk voor sturen op migratie. Wij volgen het rapport van de staatscommissie over de demografische groei. Daarin wordt volgens mij gesproken over een bandbreedte van 40.000 tot 60.000. Wij hebben juist altijd uitgedragen dat wij de aanbevelingen in dat rapport steunen. Ik begrijp best wat de heer Van Dijk zegt, maar het gaat een beetje de kant op dat hij suggereert dat wij hebben uitgedragen dat iedereen altijd maar ons land mag binnenkomen. Dat is niet wat ik nu zeg en dat is ook niet wat mijn voorganger Kati Piri in de afgelopen debatten de hele tijd heeft gezegd. Dat is dus een beeld dat bij mijn weten niet klopt.

Waar wij enorme bezwaren bij hebben, is dat in de implementatiewet keuzes worden gemaakt die niet voortvloeien uit het pact. Ik heb daar een aantal bezwaren uitgelicht, waaronder de detentie van kinderen en de enorm sobere regels die zijn opgelegd aan mensen op het punt van de gezinshereniging. Dat zijn de zwaartepunten en daarom benoem ik die uitdrukkelijk in mijn betoog. Daarom ook hebben wij op deze punten amendementen ingediend. Wij kunnen heel goed het Migratiepact invoeren zonder dat daarboven allerlei extra strenge en sobere keuzes worden opgelegd.

De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank voor deze reactie, zeg ik tegen collega Westerveld. Ik denk dat het beeld dat GroenLinks-PvdA bepaald niet voorop heeft gelopen om ons asielbeleid strikter en realistischer te maken, niet helemaal uit de lucht gegrepen is. Maar ik ben blij met de realistische toon die wordt aangeslagen. Als er wordt erkend dat er echt wat moet gebeuren, ook om onze verzorgingsstaat in de lucht te houden, dan vind ik het heel moeilijk om te begrijpen dat ik nu vooral heel veel kritiek hoor op wat er nu voorligt. Er zijn eigenlijk ook alleen maar amendementen en voorstellen om het toch weer te versoepelen.

De voorzitter:
Dat was 35 seconden. Ik ben scheidsrechter vandaag, of de VAR; ik ben gepromoveerd.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik was juist begonnen met aangeven waarom wij het zo belangrijk vinden dat het Migratiepact er is. We zijn namelijk heel erg voor solidariteit. We zijn voor eenduidige regels. We zijn voor landen die elkaar helpen en voor snelle duidelijkheid aan de buitengrenzen. We zijn ook voor een veel snellere, maar wel eerlijke, afhandeling van asielaanvragen, omdat het onmenselijk is dat zo veel mensen hier moeten wachten. Dat komt natuurlijk ook door de lange wachttijden bij de IND, waardoor mensen nu gemiddeld vijftien maanden moeten wachten op hun tweede gehoor. Ik ben dus juist begonnen met aangeven waarom wij het zo belangrijk vinden dat er verdere stappen worden gezet.

Ik heb wel een aantal vragen over de extra nationale keuzes die worden gemaakt. Daarom hebben wij ook amendementen ingediend. Er is duidelijk te zien dat deze keuzes nog voortkomen uit wat het vorige kabinet heeft gedaan. Een deel van de discussie overlapt natuurlijk met de discussies die destijds zijn gevoerd over het tweestatusstelsel en de Asielnoodmaatregelenwet. Die zien we hier nu weer terug. Daar hebben wij bezwaren tegen, omdat die in deze wet worden ingevlochten. Daar gaan onze amendementen over. Dat betekent absoluut niet dat wij tegen het Migratiepact zijn. Sterker nog, wij zijn ervoor. Dat heb ik nu een paar keer genoemd. Wij hebben alleen moeite met de nationale keuzes die worden gemaakt.

De voorzitter:
Oké. U gaat verder, mevrouw Westerveld.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik was gebleven bij solidariteit. Dit is misschien wel een mooie overgang. In het kader van solidariteit vindt mijn fractie het niet gewenst om je als land in te spannen voor het strengste asielbeleid van Europa in plaats van voor het harmoniseren van regels. Dat had de vorige regering in de memorie van toelichting geschreven en dat wordt nu door dit kabinet probleemloos overgenomen. Mijn vraag is of het inderdaad de keuze is van deze regering om het strengste asielbeleid van Europa in te voeren. Zo nee, dan zeg ik dat dat de facto wel voortvloeit uit het pact, gezien er bij de keuzeruimte vaak is gekozen voor de strengste variant. Daarover ging het ook al even in het interruptiedebatje.

Voorzitter. In de inleiding van mijn bijdrage had ik het over de uitvoering. Ik wil daarbij nog een paar punten noemen. Afgelopen vrijdag verscheen er een bericht in Trouw. Op verzoek van de Kamer kregen we zaterdag het interne rapport van de IND te zien. Daarin worden grote zorgen geuit over de vraag of de dienst klaar is voor de inwerkingtreding van het pact. Die zorgen zijn logisch aangezien het een grote stelselverandering betreft, maar onnodig omdat de invulling van de implementatiewet veel beleidsarmer en minder complex in de uitvoering was geweest als er dichter bij het strikt noodzakelijke van dit pact was gebleven. Ik begrijp niet goed dat we nu een goed systeem hebben van juridische counseling, juridisch advies, door VluchtelingenWerk en gespecialiseerde advocaten, maar dat dat volledig wordt uitgekleed en wordt belegd bij de IND. Mijn vraag aan de minister is of het niet veel verstandiger zou zijn om de IND te ontlasten en de juridische counseling te blijven beleggen bij de mensen die dat nu al doen. Doet het rapport van afgelopen weekend, waarin we kunnen lezen dat de IND het extra werk niet aankan, de minister nog van mening veranderen? Dat lijkt mij zeer wijs, maar dat kan ook gewoon binnen het pact. Het is een keuze om de IND deze taken te geven, die leiden tot een enorme extra werklast.

Ik zeg dit ook omdat wij begrepen dat het volgens de laatste schattingen nog vijf jaar duurt voordat de huidige voorraad is behandeld. Dat vind ik een naar woord, maar dat is een woord voor mensen in de wachtrij. Wat gebeurt er met deze mensen? Gaan zij straks niet onnodig lang een plek bezet houden binnen een COA-locatie? Dat is in de eerste plaats een naar vooruitzicht voor hen, maar dat belast ook onnodig het draagvlak in onze samenleving.

Graag hoor ik ook de reactie van de minister op de opmerking die onder meer de Raad voor de rechtspraak maakte bij het rondetafelgesprek bij ons. Zij gaan uit van 19.000 extra zaken per jaar in 2028. Zij zeiden daarbij dat ongeveer de helft voortkomt uit de keuze die het kabinet maakt om oorlogsvluchtelingen veel minder rechten toe te kennen dan mensen die vanwege andere redenen bescherming zoeken. Zij stelden ook dat het afschaffen van de voornemenprocedure leidt tot meer werk. En dan citeer ik even: de voornemenprocedure zorgt er nu nog voor dat een behoorlijk aantal beroepen bij de rechtbank wordt voorkomen, omdat motiveringsgronden en fouten kunnen worden hersteld voorafgaande aan een beroep bij de rechter.

In datzelfde gesprek vertelden ze ook dat de hoge werkdruk ertoe leidt dat er keuzes gemaakt moeten worden over het inzetten van rechters en dat dit ook gevolgen kan hebben voor andere terreinen. Daarbij werden toen specifiek familierecht, bijvoorbeeld uithuisplaatsingen, en situaties waarbij slachtoffers zijn, genoemd. Als er keuzes gemaakt moeten worden, kan dit dus ook voor deze domeinen betekenen dat zaken langer moeten wachten, zo gaven zij aan. Ook dat heeft natuurlijk gevolgen voor het draagvlak in de samenleving. Daarover heb ik twee vragen. Hoe ziet de minister de adviezen van de Raad voor de rechtspraak ten aanzien van zijn keuzes om nationale maatregelen in te voeren in deze implementatiewet? Wat gaat hij doen om de werkdruk te verlichten?

Voorzitter. Dan rond ik af. Wij, GroenLinks-PvdA, zijn voor een eerlijker systeem met duidelijke regels en snelle procedures, in het belang van mensen zelf maar ook voor het draagvlak in de samenleving. Wij willen af van het verdienmodel van mensensmokkelaars. We zijn voor solidariteit tussen landen onderling en in onze samenleving. We willen ook dat de uitvoeringsorganisaties worden ondersteund. Dat zijn de mensen die het werk echt moeten doen. Maar in een democratische rechtsstaat als de onze zijn kinder- en mensenrechten altijd leidend. Daarom hoop ik dat de coalitiepartijen goed kijken naar de amendementen die wij samen met Volt en de ChristenUnie hebben ingediend. Want wij staan vandaag voor een keuze, zeg ik ook tegen mijn collega's: de keuze voor een humaan en menswaardig beleid, met draagvlak maar ook zeker met oog voor kinder- en mensenrechten.

De voorzitter:
Ik kijk even rond. Wij zijn aan het einde gekomen van de eerste termijn van mevrouw Westerveld. We gaan naar mevrouw Vondeling, voor haar eerste termijn namens de PVV.

Mevrouw Vondeling (PVV):
Voorzitter. Elke week melden zich nog steeds 800 tot 900 asielzoekers in Nederland. Het asielbeleid is al jaren dweilen met de kraan wagenwijd open. De kosten rijzen de pan uit. Een gemiddelde asielmigrant kost de Nederlandse Staat volgens deskundigen als Jan van de Beek zo'n €800.000 over zijn hele leven. Inclusief nareizigers gaat het zelfs richting de 1,3 miljoen euro per asielmigrant. Dat betekent dat asielmigratie ons land jaarlijks tussen de 20 en 25 miljard euro kost, miljarden die we veel beter kunnen uitgeven aan onze eigen mensen, aan woningbouw, zorg, veiligheid en lagere lasten voor Nederlanders.

Van de statushouders die drie jaar geleden begonnen zijn aan een inburgeringstraject leeft driekwart nog steeds van een uitkering. Grote aantallen mensen komen hiernaartoe en maken ten volle gebruik van onze verzorgingsstaat, maar dragen er nooit aan bij. Mensenhandel, fraude, overlast en criminaliteit gaan hand in hand met deze asielchaos. Azc's schieten als paddenstoelen uit de grond in wijken waar niemand ze wil, terwijl Nederlandse gezinnen jaren op een wachtlijst staan. Dit asielbeleid is onhoudbaar. Het is een aanslag op Nederland.

Het asielbeleid van dit kabinet leunt zwaar op het Europees Asiel- en Migratiepact, waarvan we vandaag de implementatiewet bespreken. Maar dit pact is gebouwd op drijfzand. Het is een rampzalige papieren tijger, die de massale instroom niet tegenhoudt maar alleen maar probeert te verdelen over Europa. Het biedt nul komma nul antwoorden op de problemen die Nederland al jaren teisteren: overlast, criminaliteit, islamisering, en een enorme druk op onze verzorgingsstaat en cultuur. Het pact gaat prat op de rechten van asielzoekers, met mooie woorden over bescherming, procedures en menselijkheid. Maar waarom denken wij hier in deze Kamer eigenlijk nooit aan de rechten van Nederlanders? Waarom worden keer op keer de rechten van Nederlanders ondergeschikt gemaakt aan die van gelukszoekers en criminelen?

Van links tot rechts in deze Kamer hebben we het continu over de rechten van minderheden, over homo's, over Joden, over vrouwenrechten, maar tegelijkertijd importeren we puur kwaad, islamitisch kwaad. Christelijke immigranten uit Canada zouden dit niet doen. Het is de sloop van onze identiteit en cultuur. Het is het buigen voor shariapraktijken. En wie betaalt de prijs? Niet de mensen die hier veilig in hun ivoren toren zitten. Nee, de gewone Nederlander. Dat meisje van 17 die in Hardenberg van haar fiets is gesleurd door een asielzoeker terwijl hij haar probeerde te verkrachten. Die jonge vrouw van 19 die in Rotterdam seksueel werd belaagd en ernstig werd mishandeld door een asielzoeker. De moeders en vaders die hun dochters niet meer alleen naar school durven laten gaan. Heel Nederland betaalt de prijs voor dit naïeve en laffe opengrenzenbeleid.

Dit pact gooit wel met mooie woorden over grensprocedures en terugkeer, maar in de praktijk kunnen gelukszoekers gewoon doorlopen naar Nederland. Vastzetten is nauwelijks mogelijk en de buitengrenzen blijven zo lek als een mandje. Zoals de minister zelf in antwoord op onze vragen heeft toegegeven: er komt geen hek om Europa. Zodra die mensen ongescreend ons land binnen zijn gekomen, zou de minister natuurlijk alles op alles moeten zetten om hun reisroute en hun identiteit te traceren. Maar wat blijkt uit het rapport van de IND? Identificatie en registratie zijn een puinhoop. Telefoons en andere gegevensdragers worden niet uitgelezen. Dat is toch werkelijk van de gekke! Als er een wetswijziging voor nodig is om die telefoons wél uit te kunnen lezen, waarom ligt dat wetsvoorstel dan niet allang met spoed bij ons in de Kamer? Waarom is er dit getreuzel? Ik zal hier een motie over indienen.

In plaats van grip te krijgen op migratie, creëert dit pact alleen maar meer bureaucratie en meer mogelijkheden om door te procederen. Het verplicht Nederland om asielzoekers af te kopen of nog meer mensen op te nemen. Dat is geen bescherming van Europa; dat is capitulatie. Europa heeft op asielgebied nooit iets voor elkaar gekregen. Dit wordt de zoveelste flop op rij. Polen, Hongarije en Slowakije hebben al keihard aangegeven dat zij het pact niet gaan uitvoeren. Ze nemen geen extra asielzoekers over en betalen geen cent extra. Ik roep de minister op: doe hetzelfde. Betaal desnoods een boete, net als Hongarije doet. Dat is namelijk een schrijntje vergeleken met de tientallen miljarden euro's die de open grenzen de belastingbetaler jaarlijks kosten.

De voorzitter:
U heeft een interruptie van mevrouw Straatman.

Mevrouw Straatman (CDA):
Ik hoor mevrouw Vondeling zojuist zeggen: het pact creëert extra mogelijkheden om te kunnen doorprocederen. Zou ze dat kunnen toelichten?

Mevrouw Vondeling (PVV):
Ik was het wetsvoorstel en de memorie van toelichting aan het lezen en echt om de pagina stond er wel een mogelijkheid voor asielzoekers om door te procederen tegen een deelbesluit, of het nu gaat om grensdetentie of om binnen de procedure. Er worden heel veel mogelijkheden gecreëerd. Wij vinden dat gewoon gekkenwerk.

Mevrouw Straatman (CDA):
In uitspraken van de Raad van State lezen we vaak: doorprocederen gebeurt met name omdat we het tweestatusstelsel invoeren. Oftewel, mensen die een subsidiaire bescherming krijgen, gaan daarna doorprocederen om hun A-status, hun vluchtelingenstatus, te krijgen. Maar dat zijn de wetten die nota bene mevrouw Faber in het vorige kabinet erdoor heeft gekregen. Maken de mogelijkheden om door te procederen het juist niet mogelijk om het tweestatusstelsel in te voeren?

Mevrouw Vondeling (PVV):
Het gaat om elk ander vlak waarop doorgeprocedeerd mag worden. Het gaat dus niet alleen om het tweestatusstelsel. Ik vind het gewoon te gek voor woorden dat er bijna op elk deelbesluit doorgeprocedeerd worden. Ik weet niet of mevrouw Straatman zelf de memorie van toelichting heeft gelezen, maar daar staat het letterlijk in.

Mevrouw Straatman (CDA):
Ik kan mevrouw Vondeling geruststellen: ik heb de memorie van toelichting gelezen. In vorige wetgeving was er inderdaad minder mogelijkheid om door te procederen als het gaat om dat tweestatusstelsel. Dat wordt nu juist aangepast, om die strengere regels te stellen op basis van nareis. Dat is volgens mij precies wat de PVV wil. Sterker nog, dat zijn de wetten van Faber geweest. Als het hier gaat over meer mogelijkheden die worden gecreëerd om door te procederen, dan zou ik wel het hele verhaal vertellen, namelijk dat die het juist mogelijk maken om de wetten strenger te maken. Ja, het pact biedt die ruimte, maar ik kan me niet anders voorstellen dan dat mevrouw Vondeling heel graag wil dat de wetten van mevrouw Faber ook worden uitgevoerd.

De voorzitter:
Dat waren 39 seconden.

Mevrouw Vondeling (PVV):
U richt zich op één onderdeel van het pact, namelijk op het tweestatusstelsel, terwijl ik het heb over het gehele pact en de mogelijkheid om te procederen op elk deelbesluit. Daarnaast is dat niet de enige kritiek die mijn fractie op dit pact heeft. Wij hebben eigenlijk op elk punt kritiek, dus niet alleen wat betreft doorprocederen. Maar mijn kritiek ziet zeker niet alleen op het tweestatusstelsel.

De heer Ceder (ChristenUnie):
De ChristenUnie is altijd kritisch geweest op het tweestatusstelsel, juist omdat je daarmee de beroepsmogelijkheden vergroot. Het CDA, de PVV en de meerderheid van de Kamer hebben er willens en wetens voor gekozen. Dat is geen keus van dit kabinet. Dat was een keus van mevrouw Faber, die deze wetten zodanig ontworpen heeft. Mijn vraag aan u is: is het voorstel voor de PVV van mevrouw Faber achteraf gezien een slim idee, of een onverstandig idee? U heeft wel voorgestemd. Het komt uit de hand van mevrouw Faber. Dan heb ik het specifiek over het tweestatusstelsel, met als gevolg dat je moet doorprocederen. Deze discussie hebben we gehad met elkaar.

De voorzitter:
Dat waren 44 seconden, maar meneer Ceder heeft de spelregel misschien niet meegekregen: onder de 30 seconden is een interruptie gratis en boven de 30 seconden telt die voor twee. U heeft er maximaal tien.

Mevrouw Vondeling (PVV):
Meneer Ceder gaat eigenlijk door op hetzelfde punt als mevrouw Straatman. Mijn kritiek ziet op het doorprocederen in het gehele pact, niet alleen op het tweestatusstelsel. Onze fractie vindt dat de gezinshereniging heel erg moet worden beperkt. Wij zien gewoon het liefst een stop. Het tweestatusstelsel is niet genoeg voor nu. Wij willen gewoon een tijdelijke stop op gezinshereniging. Daar heb ik ook een amendement voor ingediend. Ik heb het over alle punten waarop doorgeprocedeerd kan worden. Als je kijkt naar het wetsvoorstel, zie je dat op elk punt, tegen elk deelbesluit, of het nou gaat om een grensprocedure of om inbewaringstelling, kan worden doorgeprocedeerd. Daar heeft mijn fractie kritiek op.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Mijn vraag is niet beantwoord. Het tweestatusstelsel met de mogelijkheid om door te procederen komt van mevrouw Faber. Vindt de PVV, die daarmee heeft ingestemd, het nu een goed of een slecht besluit om dat zo te doen?

Mevrouw Vondeling (PVV):
Zoals ik net heb aangegeven, is onze fractie natuurlijk voor het beperken van gezinshereniging, dus voor een tweestatusstelsel. Alleen vinden wij het eigenlijk niet genoeg. Wij willen dus een tijdelijke stop op alle gezinshereniging. Er staan nu 53.000 nareizigers klaar in het buitenland om naar Nederland te komen. Nederland kan dat niet aan. Waar moeten we die mensen laten? Wij willen dus nog een stap verder gaan, en dat is een tijdelijke stop op alle vormen van nareis.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Dan concludeer ik dat de PVV het een goed besluit vond van mevrouw Faber om met dit voorstel te komen, inclusief de mogelijkheid om door te procederen. Dat wil ik even markeren, omdat het in de wirwar van verschillende argumenten die aangedragen worden, klopt dat de PVV hier gewoon voor heeft gestemd en dit waarschijnlijk ook een goed punt vindt, zoals net uit de interruptie bleek. Dat wou ik even markeren.

Mevrouw Vondeling (PVV):
Dan wil ik eigenlijk ook nog even markeren dat wat de ChristenUnie en kennelijk ook het CDA betreft gezinshereniging gewoon voor iedereen ongelimiteerd mogelijk mag zijn, want als u zo veel kritiek heeft op dat tweestatusstelsel, dan zegt u: iedereen mag ongelimiteerd een aantal gezinsleden zonder voorwaarden naar Nederland halen. Daar is de PVV inderdaad niet voor. Het doorprocederen vinden wij in het gehele pact een probleem. Wat betreft die gezinshereniging zeggen wij: wij willen het eigenlijk nog strenger.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Daarop wil ik reageren, want ik word aangesproken. Dat is niet waar. De PVV heeft ingestemd met het tweestatusstelsel, wat een vertraging oplevert, maar geen inperking. Na twee jaar en met huisvesting kunnen gezinsleden alsnog komen. Het is wel waar dat er een minimumleeftijd is ingesteld; daar was de ChristenUnie niet op tegen. Maar de PVV staat er ook voor dat iedere persoon die aan die voorwaarden voldoet uiteindelijk herenigd mag worden. Dat voorstel heeft mevrouw Faber ingediend. Daar heeft de PVV mee ingestemd. U moet dus niet doen alsof u dat niet gedaan heeft, zeg ik via de voorzitter.

Mevrouw Vondeling (PVV):
Ik wil niet de hele tijd reageren, hoor, maar ik wil wel even opmerken dat wij daarna een tienpuntenplan hebben ingediend om een tijdelijke stop op gezinshereniging in te voeren.

De voorzitter:
Mevrouw Vondeling gaat verder met haar bijdrage. Ze moet even kijken waar ze was.

Mevrouw Vondeling (PVV):
Excuus, ik moest even kijken waar ik was gebleven.

Stop met leunen op Brusselse luchtkastelen, zeg ik tegen de minister, en neem nationale maatregelen om de instroom te stoppen. Stop met het opofferen van Nederlandse meisjes en vrouwen op het altaar van Brusselse mensenrechtenretoriek en stop met het importeren van dit kwaad. Doe wat andere landen ook doen; dat werkt. Duitsland stuurt asielzoekers aan de grens terug en voert gedwongen uitzettingen uit. Oostenrijk heeft een stop op nareis ingevoerd en Polen een asielstop bij illegale grensoverschrijdingen. België heeft eerder besloten geen alleenstaande mannen meer op te vangen. Waarom doet Nederland nog steeds niets, vraag ik de minister. Waarom blijven wij de enige sukkels in Europa die alles maar slikken?

De PVV zegt: we moeten onze eigen grenzen bewaken en per direct een asielstop invoeren; grenzen dicht en geen uitzonderingen. Laat geen asielzoeker meer ons land binnen; stuur ze direct terug aan de grens. Ze komen immers uit veilige landen. We kunnen ook niet meer wachten met het nemen van maatregelen op nareis. Er staan 53.000 familieleden van statushouders klaar in het buitenland om naar Nederland te komen. Er moet daarom nu onmiddellijk een stop op nareis worden ingevoerd, in alle gevallen. Sluit ook azc's. Gooi die vreselijke dwangwet vandaag nog de prullenbak in. Trek verblijfsvergunningen direct in als het land van herkomst weer veilig is. Begin met remigratieprogramma's, inclusief gedwongen vertrek, bijvoorbeeld voor Syriërs. Laat ze teruggaan naar hun eigen land om het te helpen opbouwen in plaats van hier de boel af te breken. Stuur criminele vreemdelingen ons land uit en stel illegaliteit strafbaar.

Voorzitter, ik zal afronden. Voor de PVV is duidelijk dat deze implementatiewet verre van voldoende is om de instroom te stoppen. Ik heb daarom ook een aantal amendementen opgesteld: één om de Spreidingswet in te trekken, een amendement om onmiddellijk een tijdelijke stop op nareis in te voeren en een amendement, dat straks wordt ingediend, om illegaliteit strafbaar te stellen. Ook zal ik in de tweede termijn een aantal moties indienen.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dan kijk ik even rond of er nog interrupties zijn. Dat is niet het geval. Dan gaan we naar meneer Van Asten, die spreekt namens D66, voor zijn eerste termijn.

De heer Van Asten (D66):
Dank, voorzitter. De afgelopen periode hebben we eindeloos veel politieke discussies gezien over asiel en migratie, maar de échte grote oplossingen bleven uit. Wie zijn daarvan de dupe? Dat zijn de mensen die resultaten willen zien van politiek, de mensen die oprecht controle willen hebben over instroom en snelle afhandeling van aanvragen en terugkeer van mensen die hier niet kunnen blijven, en natuurlijk de mensen die vluchten voor oorlog en geweld en alles achter zich laten om een vrij en veilig nieuw thuis te vinden. Voor al deze mensen wordt het tijd dat de politiek niet langer eindeloos in cirkels blijft praten, maar gaat leveren. Het Migratiepact biedt daarvoor flinke kansen: kansen om een einde te maken aan een vastgelopen asielketen, kansen om te voorkomen dat mensen met gevaar voor eigen leven hun lot in handen moeten leggen van nietsontziende mensensmokkelaars, en kansen om wachtlijsten te verkorten en de doorstroom op gang te brengen, zodat we niet hoeven terug te vallen op dure noodopvang in boten en hotels, zoals onder het vorige kabinet. Het biedt kansen om procedures te versnellen, zodat vluchtelingen sneller kunnen starten met een nieuw leven in Nederland, met mogelijkheden om te werken, te leren of de Nederlandse taal snel onder de knie te krijgen. Met het Migratiepact kunnen we een grote stap vooruitzetten voor vluchtelingen die jarenlang aan de zijlijn staan, voor personen die moeten terugkeren en voor inwoners die gewoon een goed werkend asielsysteem willen.

Voorzitter. In dit debat over het Migratiepact wil ik namens de fractie van D66 drie uitgangspunten benadrukken: in Europa samenwerken aan een migratieoplossing, snel aan de slag met een goede invoering en een wet die mensen zekerheid biedt en hen verder brengt.

Voorzitter. Ik begin bij de samenwerking in Europa. Jarenlang heerste in Europa het principe van ieder voor zich en sloot het migratiebeleid van landen amper op elkaar aan. Voor het eerst in onze geschiedenis wordt een asielsysteem gecreëerd dat op hoofdlijnen in heel Europa hetzelfde is. Daar is tien jaar over onderhandeld. Als we nog verder terugkijken, zien we misschien nog wel eerdere discussies. Nu gaan we als Europa eindelijk samen stappen zetten om hiermee aan de slag te gaan. Dit is een belangrijk resultaat van Europese samenwerking dat ook echt het verschil kan maken. Zowel de IND als het COA geeft aan dat het pact de wachttijden en procedures zal inkorten.

Voorzitter. We hoeven er niet omheen te draaien: het Migratiepact is een behoorlijke kluif aan wetgeving, waar ook nog eens een enorme tijdsdruk op staat omdat het hoe dan ook op 12 juni in zal gaan. Snelheid is dan belangrijk. Onder het vorige kabinet, onder minister Faber, is er onnodig veel tijd verloren gegaan. Ik wil de nieuwe minister vragen hoe hij ervoor zorgt dat hij met de hele keten hier op 12 juni klaar voor is. De IND heeft daarbij een spilfunctie. We lazen in hun brief van afgelopen weekend dat zij in principe per 12 juni van start kunnen gaan. Ik vraag de minister wat de IND nog van ons nodig heeft om de implementatie van dit pact tot een succes te maken. Kan de minister aangeven wat nog nodig is om de IT-structuur op tijd te starten? In het rapport las ik ook over de discussie over Ter Apel en Budel. Eigenlijk wordt alles op Ter Apel gesitueerd. De vraag is of dat voldoende is. Wat betekent dat voor mensen die in procedure gaan in Budel zelf? Moeten die voor screening et cetera allemaal op en neer van Budel naar Ter Apel? Dat is een treinverbinding die niet direct is, zullen we maar zeggen.

Voorzitter. Ik denk ook aan de rechtspraak. Die geeft aan extra zaken te verwachten nadat het Migratiepact is ingevoerd. Ik wil voorkomen dat we de verstopping in de asielketen gaan oplossen, maar dat we vervolgens een verstopping is de rechtspraak veroorzaken waardoor procedures alsnog uitlopen. In de nota naar aanleiding van het verslag staat dat de minister hierover in periodiek overleg is met de rechtspraak. Wat kan hij nu aan de voorkant al doen om ervoor te zorgen dat de druk op de rechtspraak onder controle blijft? Houdt hij daarbij rekening met voldoende opleidingscapaciteit en financiële middelen?

Voorzitter. Als ik kijk naar de investeringen van dit kabinet in de asielketen, dan zie ik dat na de vorige kabinetsperiode eindelijk weer de juiste randvoorwaarden worden neergelegd om mensen zekerheid te bieden en verder te helpen. Daarbij mogen personen met een kansrijke procedure ook direct meedoen door sneller aan het werk en naar school te gaan. Want hoe frustrerend moet het zijn om zo lang te wachten voordat je iets kan doen in dit land? Gezien de arbeidstekorten in ons land, kunnen deze mensen juist een heel waardevolle toevoeging leveren aan onze maatschappij. Denk aan het bouwen van wegen en woningen, het beter maken van de zorg en vele andere sectoren. Dat is niet alleen goed voor de mensen in de procedure zelf, maar ook voor Nederland. Wel ben ik benieuwd hoe het zit met personen die niet uit een kansrijk land komen — daar hebben we het net al kort over gehad — maar die wel een grote kans hebben op een verblijfsstatus op basis van hun persoonlijke omstandigheden. Zij vallen nu buitenboord om een bijdrage te kunnen leveren aan bijvoorbeeld de woningbouw. Ik vraag de minister: kunnen we voor deze groep mensen nog een oplossing bedenken? In het coalitieakkoord is ook afgesproken om te kijken naar een alternatief voor de tewerkstellingsvergunning, juist omdat die in de praktijk vaak leidt tot veel administratief gedoe. Ik zie dat daar met de inwerkingtreding van het Migratiepact echter nog geen stappen in worden gezet. We verwachten wel dat dit ook op 12 juni klaar is. Kan de minister dat bevestigen?

Voorzitter. Als je het hebt over vluchtelingen zekerheid bieden en verder helpen, dan moet je ook goed kijken naar de omstandigheden in de asielgrensprocedure en tijdens de screening. Laat ik helder zijn: het waarborgen van mensenrechten moet het fundament van het Migratiepact zijn. Dat betekent ook dat wij duidelijkheid willen voor mensen in deze procedures. We hechten er veel waarde aan dat zij gewoon in goede omstandigheden hun procedures kunnen doorlopen. Kan de minister ingaan op de vraag hoe hij dat waarborgt voor gezinnen met kinderen? Kan hij bevestigen dat hij alles op alles zal zetten om deze gezinnen in beginsel in een regulier asielzoekerscentrum op te nemen, juist vanwege het belang van de kinderen?

De voorzitter:
Eerst een interruptie van mevrouw Westerveld en daarna van de heer Dassen.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik hoor D66 zeggen dat mensenrechten centraal zouden moeten staan. Nu gaat mijn vraag ook over mensenrechten, over kinderrechten. Ik trek namelijk al jaren samen met de collega's van D66 op om ervoor te zorgen dat er wordt afgebouwd ten aanzien van kinderen die in Nederland in de gesloten jeugdzorg zitten. Wat vindt D66 van de detentie van kinderen? Zou dat onderdeel niet gewoon uit de implementatiewet moeten worden gehaald?

De heer Van Asten (D66):
Ik vind het heel goed dat daar alle aandacht voor is. Er staat namelijk: het gaat om het welzijn van kinderen; het belang van kinderen moet vooropstaan. Dan moeten we heel goed bekijken of het nou in het belang van kinderen is om zonder hun ouders in de procedure te zitten, of juist met hun ouders. Daarom is mijn vraag aan de minister: hoe kunnen we ervoor zorgen dat gezinnen indien mogelijk, zeker geredeneerd vanuit het belang van de kinderen, behandeld worden vanuit een normaal azc? Als er toch sprake van is dat een gezin in bewaring is, bijvoorbeeld omdat het wordt uitgezet, en er iets is waardoor dat nodig is, dan moet je kijken naar het belang van het kind: horen kinderen dan bij hun ouders te blijven of zijn die beter af als ze los van elkaar zijn? Ik denk dat het dan toch vaak in het belang van de kinderen is om dat in gezinsverband te doen.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Het is nooit in het belang van kinderen dat ze worden opgesloten; dat staat in ieder geval bovenaan. Maar laten we dan eens kijken naar de grensdetentie. De grensdetentie van kinderen is door voormalig staatssecretaris Teeven afgeschaft omdat die schadelijk was, maar dreigt nu weer ingevoerd te worden. Dan is mijn vraag aan D66: waarom zouden we dat moeten toelaten als we weten dat het schadelijk is voor kinderen en dat dit straks systematisch kan gaan gebeuren?

De heer Van Asten (D66):
Als we kijken naar het hele pact, de doelstelling daarvan en de wijze waarop we snel aan de mensen die ons land binnenkomen, inclusief gezinnen, de duidelijkheid willen geven of ze daadwerkelijk wel of niet mogen blijven, dan moeten we ook kijken op welke manier we dat het snelste kunnen doen. Soms kan dat met zo'n grensprocedure zijn. Ook dan is de vraag natuurlijk in welke omstandigheden gezinnen met kinderen terechtkomen. Ik heb begrepen dat dat in de faciliteit in Zeist is. We zullen er uiteraard goed oog voor moeten houden of dat een locatie is waar kinderen voor de korte termijn goed kunnen verblijven. Dat is natuurlijk heel iets anders dan het idee dat mensen vaak hebben van wat "detentie" betekent. Mijn vraag aan de minister was dan ook: welke stappen moeten we daarin zetten, beredeneerd vanuit het belang van kinderen, en welke mogelijkheden hebben wij, als het ook maar enigszins mogelijk is, om die mensen op te vangen in een regulier azc?

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Het punt is dat het precies hetzelfde is. Ook van de gesloten jeugdzorg wordt gezegd dat het om kindvriendelijke settings gaat, maar we weten dat het enorm diepe trauma's bij kinderen achterlaat. Detentie is detentie en opsluiten is opsluiten; dat is precies het idee erachter. Dat is dus schadelijk.

Dan een vervolgvraag. Het kan niet allebei waar zijn. Het kan niet zo zijn dat én de mensenrechten vooropstaan én er ook wordt gekeken hoe we snelle procedures kunnen bewerkstellingen. Dat hoorde ik namelijk als tweede zijsprong. Dan is mijn vraag: als de mensenrechten vooropstaan, zou D66 dan niet primair moeten kijken naar mensenrechten en kinderrechten en daar vervolgens de procedures op moeten aanpassen in plaats van andersom?

De heer Van Asten (D66):
Ik denk dat mevrouw Westerveld enkele zaken tegenover elkaar zet die niet tegenover elkaar hoeven te staan. Op het moment dat mensen vluchten en in Nederland terechtkomen, is hun eerste belang dat zij in een veilige omgeving terechtkomen waar zij ook tot rust kunnen komen. Daar hebben we in Nederland volgens mij prima faciliteiten voor. Over mensenrechten gesproken: het is vervolgens ook in het belang van mensen die hier komen dat zij snel duidelijkheid krijgen over wat de volgende stap is. Mogen ze hier blijven, en zo ja, hoe werkt die procedure? Gaat dat snel, zodat ze ook snel door kunnen gaan met hun leven, als het gaat over onderwijs of het vinden van een baan? Maar op het moment dat mensen hier niet mogen blijven, bijvoorbeeld omdat ze eerder in een ander Europees land zijn geweest of omdat hun aanvraag niet wordt gehonoreerd, is het ook in hun belang dat er zo snel mogelijk een procedure gestart wordt om hen weer terug te brengen naar het land, zodat ze daar kunnen blijven. Iemand hier tien jaar ergens in een wachtstadium laten zitten, is volgens mij het meest schadelijke dat we mensen kunnen aandoen.

De voorzitter:
Oké. Eerst meneer Dassen, en dan meneer Ceder.

De heer Dassen (Volt):
Ik ben een beetje zoekende naar het antwoord. Wat is nou precies het belang van een kind op het moment dat het in detentie wordt gezet? Kan de heer Van Asten mij dat uitleggen?

De heer Van Asten (D66):
Het belang van het kind is dat het, na een vlucht weg van waar het dan ook vandaan is gekomen, in een veilige en rustige omgeving terechtkomt, en niet meer bedreigd wordt. Het belang van het kind kan dan te allen tijde zijn dat het bij het gezin blijft. Daarom is de inzet van D66 om er maximaal op in te zetten om, als het enigszins mogelijk is, mensen toch in een regulier azc op te vangen. De vraag aan de minister is dan ook of dat kan. En als dat niet kan, is de inzet om vanuit het belang van het kind te kijken of het beter is dat het kind bij de ouders blijft of dat het apart wordt opgevangen.

De heer Dassen (Volt):
De heer Van Asten begon zijn bijdrage met "mensen die alles achter zich laten voor oorlog en geweld". Dan is het toch niet in het belang van het kind om vervolgens in een detentiecentrum terecht te komen? Dat is toch niet een plek waar kinderen zich vrij en veilig kunnen voelen? Dat zouden we toch moeten voorkomen? We zouden er toch voor moeten zorgen dat gezinnen dan juist niet in een detentiecentrum, maar gewoon in een reguliere opvang terechtkomen? Is de heer Van Asten dat met mij eens?

De heer Van Asten (D66):
Dat was precies mijn vraag aan de minister.

De heer Dassen (Volt):
Maar dit staat in de wet. Dat hebben we allemaal zelf kunnen lezen. Het is natuurlijk makkelijk om het nu bij de minister neer te leggen, maar mijn vraag aan de heer Van Asten is: is D66 het daarmee eens? We weten dat kinderen die in detentie hebben gezeten, bang zijn voor de deurbel, 's nachts in hun bed plassen terwijl ze al zindelijk zijn en hun ouders continu aan de hand vasthouden, omdat ze niet meer alleen durven te zijn. Dat zijn de consequenties van kinderen in detentie plaatsen. Is D66 het met mij eens dat we dit uit deze wet moeten halen, en dat die wet anders niet oké is?

De heer Van Asten (D66):
Ik ben het daar niet mee eens, zoals ik al in meerdere interruptiedebatten heb aangegeven. Ik denk dat het in het belang van een kind is om in een rustige omgeving te zitten, juist ergens op een plek zoals in Zeist, waar daar een goede opvang voor is. Dan denk ik dat het eerder in het belang van het kind is dat we ervoor zorgen dat het samen met de ouders opgevangen wordt dan dat zij van elkaar gescheiden worden.

De voorzitter:
Dan gaan we naar de interruptie van de heer Ceder.

De heer Ceder (ChristenUnie):
De ChristenUnie is een groot voorstander van het Migratiepact, zoals we eerder ook hebben aangegeven. Wij zijn inderdaad wel best kritisch op het punt van kinderen. Dat zal u niet verbazen. Met mijn jeugdzorgpet op weet ik dat kinderen vaak niet gedijen in een gesloten setting. Verhalen over zelfmutilatie en soms suïcide zijn de meest erge vormen, maar er kunnen allerlei gedragsproblemen aan de orde zijn. Ik mis bij D66 een geloofwaardig verhaal over hoe we dat tegengaan. Ik hoop dat na deze interruptie alsnog te horen, want dat is voor ons wel belangrijk.

De heer Van Asten (D66):
D66 staat natuurlijk helemaal aan dezelfde zijde als het gaat over het belang van het kind. Daarom moeten we ook goed bekijken welke instellingen erbij betrokken zijn om te zorgen dat het welzijn van het kind vooropstaat. Ik denk wel dat, in een vergelijking, een gesloten opname voor de jeugdzorg en opvang voor korte tijd in deze procedure echt twee verschillende zaken zijn.

De heer Ceder (ChristenUnie):
De aanname dat het kort is, ligt momenteel ook in de wet besloten, namelijk dat een asielprocedure acht dagen duurt. Maar inmiddels kan die jaren duren. Ik ben er dus nog niet van overtuigd dat het daadwerkelijk tot een korte periode zal leiden als we afspreken dat het kort duurt. Ik vraag me af hoe D66 dat gaat waarborgen door het in de wet te zetten of er een beleidsregel op te plaatsen. Want we zien dat het tien- en soms honderdvoudige van die tijd wel degelijk tot de mogelijkheden behoort. Hoe borgen we dan dat het belang van het kind nog overeind blijft?

De heer Van Asten (D66):
Als het langer duurt dan de voorgeschreven periode, dan is het natuurlijk niet meer in het belang van het kind om heel lang in zo'n situatie te zitten. Dan zou je graag door willen gaan naar plaatsing in een azc. Maar dan voldoen we niet meer aan het startpunt van het pact dat zo'n procedure maar kort duurt.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Dus om het even goed te begrijpen: wanneer de periode langer duurt dan voorgeschreven, is D66 van mening dat dat niet meer in het belang van het kind is en dat overplaatsing het geval zou moeten zijn. Is dat uw standpunt, of hoopt u dat? Ik probeer even te achterhalen wat u precies …

De heer Van Asten (D66):
Ik weet niet precies wat de termijn is waarop het belang van het kind onder druk komt te staan. Ik heb al aangegeven dat ik denk dat het goed is om een gezin in een regulier asielzoekerscentrum te plaatsen als er geen zwaarwegende redenen voor verlenging zijn, maar dat zal vervolgens wel moeten blijken. Hoe langer zo'n procedure duurt, hoe minder snel je kunt zeggen dat het nog in het belang van het kind is om daar te zijn, denk ik. Daar plaats ik wel de volgende kanttekening bij: als het leidt tot het uit elkaar halen van een gezin, lijkt me dat zeer zwaarwegend en totaal niet in het belang van een kind.

De voorzitter:
Dan mevrouw Westerveld nog een keer en ik zag dat mevrouw Van der Plas ook nog een vraag wil stellen, maar dat is waarschijnlijk over hetzelfde onderwerp. Ja, zie ik.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik wil even iets markeren. Detentie werd net aangeduid als een rustige setting, maar detentie is geen rustige setting. Detentie is uiterst traumatiserend, helemaal voor kinderen. Dat is één.

Twee is het punt dat gezinnen bij elkaar zouden moeten blijven. De grensprocedure hoeft niet in een gesloten setting, maar kan ook in een open setting. Er is nergens bewezen dat een gesloten setting bijdraagt aan een sneller proces. Mijn vraag is dus: waarom zou D66 er dan niet voor kiezen om de grensprocedures voor in ieder geval gezinnen met kinderen in een open setting te doen?

De voorzitter:
Dat was 33 seconden. Ja, de VAR is erbij.

De heer Van Asten (D66):
Ik denk nog steeds dat we daar even een stap terug van moeten doen. Wanneer mensen in een gezinssituatie in de grensprocedure komen, moeten we idealiter bekijken of het, bezien vanuit het belang van het kind, nodig is dat ze in die situatie zitten, of dat het dan beter is om ze in een regulier asielzoekerscentrum te zetten, al dan niet met een bepaald regime erop. Vandaar mijn vraag aan de minister; die stel ik niet voor niks. Als het allemaal echt niet anders kan, zul je toch blijven zitten met bijvoorbeeld de ruimte in de faciliteit in Zeist.

De voorzitter:
Dan is mevrouw Van der Plas aan de beurt voor een interruptie.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
De heer Van Asten zei net: vluchtelingen die in Nederland terechtkomen, zullen we toch moeten opvangen. Maar er is maar een handjevol vluchtelingen dat rechtstreeks vanuit hun herkomstland in Nederland terechtkomt. Dat is dan via Schiphol. Alle anderen komen per definitie via een ander land. Ik ben benieuwd of de heer Van Asten van D66 kan aanscherpen hoe hij de Dublinverordening ziet. Eigenlijk hoeven we die mensen namelijk niet op te vangen; ze moeten gewoon terug naar het land waar ze asiel hebben aangevraagd of naar een van de landen die ze zijn doorlopen voordat ze hier terechtkwamen. Dat was een te lange interruptie, hè?

De voorzitter:
Ja.

De heer Van Asten (D66):
Als mensen zich hier melden, zal er altijd nog moeten worden gecontroleerd in welke omstandigheid zij hier komen, dus of zij vanuit een ander Dublinland komen of niet. Dat betekent dat je altijd te maken hebt met een moment van opvang. Een opvangfaciliteit zul je dus altijd nodig hebben.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Als ze met een bus ergens aankomen, in Ter Apel bijvoorbeeld, zijn ze per definitie vaak via andere landen gekomen. Slechts een handjevol komt via Schiphol. Daar is de heer Van Asten het toch wel mee eens?

De heer Van Asten (D66):
Ja.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik zal het heel kort proberen te houden. Mijn vraag is: hoe ziet de heer Van Asten dan de Dublinverordening? Die mensen moeten gewoon terug naar het land waar ze vandaan komen. Dat kan Duitsland, Oostenrijk of Italië zijn, waar ze via hun reis ook maar vandaan komen.

De heer Van Asten (D66):
Uiteindelijk zal dus moeten worden geconcludeerd waar die bus vandaan komt en waar de mensen die in die bus zitten, zijn ingestapt. Daar heb je minimaal één nacht voor nodig, dus je zult altijd een opvanglocatie voor minimaal die ene nacht moeten hebben.

De voorzitter:
Meneer Van Asten gaat door met zijn bijdrage, maar ik denk dat hij richting een einde gaat. Ik wil u niet opjagen, hoor.

De heer Van Asten (D66):
Dank. Ik was bij de vragen over de opvang van kinderen. VluchtelingenWerk heeft aangegeven graag een rol te spelen bij het aankaarten van mogelijke verbeteringen daarin. Aangezien mensen van VluchtelingenWerk op elke locatie aanwezig zijn, lijkt dat de D66-fractie een goed idee. Nidos zou daarbij ook een mooie toevoeging kunnen zijn. Hoe kijkt de minister naar een rol voor deze organisaties binnen het toezichtmechanisme? Is hij bereid hun een adviesfunctie te geven ten aanzien van jaarlijkse aanbevelingen?

Voorzitter. Tot slot. In dit Migratiepact zit een goed pak beleid: snellere procedures, strikte grensbewaking en meer nadruk op terugkeer. Daar ligt een doel onder om de instroom te beperken en dat is nodig om de druk op de keten te verlichten en ook om het draagvlak in de Nederlandse samenleving hoog te houden. Laat ik daarnaast benadrukken dat we dit doen om een eerlijk asielsysteem te creëren om mensen te beschermen, om ervoor te zorgen dat mensen die vluchten voor oorlog en geweld of die doodsangsten uitstaan omdat zij worden vervolgd, hier gewoon snel een veilige plek kunnen krijgen. Dat is ook wat veruit de meeste Nederlanders gewoon vinden. Daar kunnen we met dit pact na jaren van politieke discussie eindelijk mee aan het werk, door samen te werken in Europa, snel aan de slag te gaan met de invoering en met oplossingen te komen die zekerheid bieden aan mensen.

Dank u wel.

De voorzitter:
Even kijken. Wie was er eerder? Dat was mevrouw Westerveld.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik heb nog een wat algemenere vraag. Er zijn door mijn partij verschillende amendementen ingediend, met ChristenUnie, met Volt. Ik heb ook amendementen van JA21 gezien. Misschien komen er vandaag nog wel een aantal. Dit kabinet heeft natuurlijk steun nodig van een meerderheid van de Kamer, dus ik vroeg me gewoon af welke kant jullie straks op kijken. Is dat de kant van een humaner beleid of is dat de kant van nog meer versobering?

De heer Van Asten (D66):
Dit wetsvoorstel zoals het er nu ligt, met de implementatie van deze Europese verordeningen, leidt er volgens mij toe dat we in Europa één systeem gaan hebben dat mensen snel duidelijkheid biedt. Ik denk dat mensen die op de vlucht zijn voor oorlog en geweld snel duidelijk willen hebben hoe zij door kunnen gaan met hun leven. Dat zie ik terug in dit pact. Dat vind ik het belangrijke dat dit pact met zich meebrengt en dat vind ik een grote verbetering ten opzichte van al die jaren dat we hier eigenlijk maar hebben aangemodderd en we de boel bewust in het honderd hebben laten lopen. Dat had te maken met het feit dat er opvanglocaties werden gesloten, waardoor je — ik heb dat als wethouder in Den Haag meegemaakt — 's avonds op het moment dat er bussen door Nederland reden telefoontjes kreeg met de vraag of er nog érgens een plekje was om ook die gezinnen onder te brengen. Ik vond het echt beschamend dat we in Nederland zo'n systeem hadden. Met dit pact zorgen we tenminste weer voor helderheid en duidelijkheid. We willen, denk ik, samen met gemeentes gaan werken aan voldoende opvangplekken, met daarbij helderde procedures die door heel Nederland gedragen kunnen worden.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik ben het helemaal eens met dit pleidooi. Het is een hartstikke goed pleidooi, maar mijn vraag was een andere. Ik heb ook aangegeven waarom wij dit pact heel belangrijk vinden, maar ook waarom wij op een aantal punten — dan noem ik de detentie van kinderen en gezinshereniging — moeite hebben met de extra keuzes die zijn gemaakt; die kunnen we er ook uit halen. Onze steun hangt daar in ieder geval van af. Mijn vraag aan D66 is dus wat D66 gaat doen als ze ziet dat onze steun en misschien ook wel die van een aantal andere partijen aan de wat progressievere kant daarvan afhangt.

De voorzitter:
Dat was 35 seconden.

De heer Van Asten (D66):
We zitten nu pas halverwege de eerste termijn van de Kamer en we krijgen nog de beantwoording door de minister en nog bijdrages van de collega's. We krijgen van de minister nog de appreciatie van de amendementen. En dan gaan we volgende week waarschijnlijk stemmen over alles wat er voorligt. Ik zal met mijn fractie zeer kritisch naar alles kijken en ook de beantwoording daarvan volgen.

De heer Dassen (Volt):
Misschien één vraagje hierop doorgaand. We hebben bij de asielnoodmaatregelen natuurlijk op een gegeven moment gezien dat daar het amendement strafbaarstelling illegaliteit in werd gefietst. Is D66 van mening nog voor deze wet te kunnen stemmen op het moment dat er amendementen worden aangenomen die deze wet nog strenger maken?

De heer Van Asten (D66):
Dat is eigenlijk dezelfde vraag, maar dan vanuit een ander perspectief. Ik ga er dus hetzelfde antwoord op geven, namelijk dat ik echt eerst wil gaan kijken wat de appreciatie van de minister is. Wij kijken uiteraard zelf ook naar de amendementen. Ik wil ook eerst de beantwoording van de minister zien van alles wat wordt ingebracht, door de collega's die het eerste deel van dit debat hebben gevoerd en ook door de collega's die dadelijk nog het woord voeren.

De heer Dassen (Volt):
Dat antwoord vind ik jammer, zeker ook gezien wat er gebeurd is. Ik denk dat het goed is om duidelijkheid te geven over hoeveel je als partij kunt dragen. Blijkbaar moeten we daar nog op wachten. Een andere vraag is de volgende. De heer Van Asten begon ermee dat "samenwerken in Europa" een uitgangspunt was. Nu zien we juist dat dit wetsvoorstel additionele nationale koppen toevoegt. Is dat volgens de heer Van Asten verstandig?

De heer Van Asten (D66):
Ik denk dat er absoluut waarde in zit om een goed Europees systeem te hebben waarin we veel meer naar elkaar kijken om te zien hoe de procedures zouden moeten lopen, zodat je elkaar sneller kunt ontlasten doordat er minder aanvragen komen. Dat is, denk ik, het belang van Europa. Je kunt daar als land nog andere maatregelen bovenop zetten, of je kunt maatregelen versoepelen; die mogelijkheid zit er natuurlijk ook in. We zijn nog niet één federaal Europa; we kunnen daar ook nog een debat over voeren, maar we zijn het nog niet. Er zijn dus mogelijkheden en dan moet je kijken wat nou in welk land de juiste maatregel is om te nemen.

De heer Dassen (Volt):
Helaas zijn we nog geen federaal Europa. Als we het Europees Migratiepact op deze manier gaan uitleggen is het probleem natuurlijk dat elk land dadelijk weer afzonderlijke regels heeft. Dan krijgen we die race to the bottom: nog strenger en nog soberder, waardoor landen weer tegen elkaar aan het concurreren zijn. Dat ondermijnt het hele idee van het Europese Asiel- en Migratiepact. Ik vraag toch of D66 het verstandig vindt dat wij als Nederland deze stap zetten, wetende dat andere landen dat waarschijnlijk ook gaan doen en dat dat het hele systeem ondermijnt.

De heer Van Asten (D66):
Ik ben het er niet mee eens dat dit het systeem ondermijnt. Er liggen namelijk hele duidelijke verordeningen voor, die voor iedereen precies hetzelfde gelden. Daarmee ondermijnt een eventuele nationale kop dus niet het hele systeem.

De voorzitter:
U was klaar? Dan gaan we naar de heer Van Dijk namens de SGP.

De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank u wel, voorzitter. De dingen slecht benoemen, wil zeggen dat we de ellende in de wereld vermeerderen, aldus de vermaarde schrijver Albert Camus. Dat geldt ook voor de asielproblematiek waarmee de EU, inclusief Nederland, worstelt. Het is een complex hoofdpijndossier, maar wegkijken is geen optie. Het huidige asielsysteem is uit de tijd. Het systeem helpt lang niet altijd de meest kwetsbaren. Draagvlak onder de bevolking verkruimelt en de aantallen lopen ons over de schoenen. Sociale cohesie van onze eigen samenleving dreigt te eroderen. Dat kan zo niet doorgaan. Daarom is het goed dat we nu spreken over een pact dat de instroom wil beperken. Niet gemakkelijk, wel noodzakelijk.

Het Asiel- en Migratiepact helpt de asielinstroom te beperken door meer opvang aan de Europese grenzen, strakkere termijnen voor asielaanvragen en een versnelde grensprocedure voor kansarme asielzoekers. Na jarenlang getouwtrek over het pact is dit in elk geval een stap in de goede richting. De SGP had graag gezien dat deze procedure ruimer zou worden toegepast, zodat asielzoekers sneller weten waar ze aan toe zijn en ook versneld kunnen terugkeren als ze niet toegelaten worden. De hoop is dat asielzoekers nu echt aan de Europese grens beoordeeld gaan worden, zodat niet iedere migrant zomaar de EU kan binnenkomen. Uiteraard komt het nu aan op de uitvoering in de praktijk.

Voorzitter. Vandaag spreken we over de uitvoerings- en implementatiewetgeving waarmee het Asiel- en Migratiepact in de Nederlandse wet wordt gemonteerd. Toch is dat niet het hele verhaal, want het Migratiepact is veel breder. Er zijn ook onderdelen die niet in deze wet zitten, maar waar Nederland wel degelijk mee te maken krijgt. Een in het oog springend onderdeel is het solidariteitsmechanisme. Asielzoekers worden evenredig verspreid over de EU-lidstaten wanneer het asielsysteem van een ander EU-land onevenredig onder druk staat. Een Europese spreidingswet dus. Nu is de SGP nooit een fan geweest van de Nederlandse Spreidingswet, dus het laat zich raden hoe mijn partij kijkt naar dit onderdeel. Dat kan niet los worden gezien van de nationale draagkracht en juist daar wringt het.

Nederland kan de enorme druk op de asielketen en de woningmarkt niet langer aan. Het is zaak de alarmsignalen die de kiezer hier keer op keer over afgeeft, ter harte te nemen. Het wordt tijd dat in Brussel helder wordt gemaakt dat de Nederlandse bevolkingsdichtheid heel anders is dan die van Finland, waar slechts 18 inwoners op een vierkante kilometer wonen. Ter vergelijking: in Nederland leven er gemiddeld 431 burgers op diezelfde vierkante kilometer. Er zijn diverse moties van mijn hand aangenomen om dit mee te wegen en dit expliciet voortdurend op de EU-tafels te leggen. Blijft het kabinet dit onder de aandacht brengen in Brussel en is de minister bereid toe te zeggen bij de eerstvolgende afspraak over herverdeling van asielzoekers het meewegen van de bevolkingsdichtheid als voorwaarde vanuit Nederland te stellen?

De SGP is daarnaast voorstander van EU-streefcijfers en een quotum op het gebied van migratie. Zo stellen we grenzen aan de voortdurende aanwas van asiel en migratie. Wil de minister in de EU op zoek gaan naar draagvlak hiervoor?

Voor de SGP staat voorop dat we ons niet in een Europees keurslijf moeten laten persen. Bij het aanpakken van de migratiedruk kunnen we niet zonder de EU, maar de Europese samenwerking heeft ons niet alleen positieve resultaten opgeleverd. Ik denk aan de migranten die op bepaalde momenten massaal vanuit Zuid-Europa zijn doorgelaten naar landen als Nederland. Ik noem ook het falen van Dublin. Iedereen weet waar we het dan over hebben. Voldoende nationale beleidsruimte om eigen keuzes te maken, is dus van groot belang, ook in de toekomst. In hoeverre blijft die ruimte behouden, vraag ik de minister. Welke ruimte is er om in crisissituaties een tijdelijke beperking of stop op een bepaalde asielinstroom, bijvoorbeeld voor nareizigers, te zetten? Hoe gaat dat in zijn werk? In hoeverre kan onze regering dat zelf besluiten?

De SGP vindt het positief dat er bij de implementatie is gekozen voor de Asielnoodmaatregelenwet en het tweestatusstelsel. Er ligt een aantal voorstellen om zaken op onderdelen nog verder aan te scherpen en de ruimte te benutten die het pact daarvoor biedt, waar de SGP sympathiek tegenover staat. Ik hoor graag de reflectie van de minister hierop.

Voorzitter. De uitvoerbaarheid weegt voor ons zwaar, net als voor de minister. We komen tenslotte geen stap verder als we straks een nieuw pact hebben, maar de uitvoering nog verder vastloopt. Trouw berichtte vrijdag over een rapport — dat is inmiddels door de minister aan de Kamer gestuurd — waaruit blijkt dat de IND nog niet klaar is voor de inwerkingtreding van het pact op 12 juni. Ik vraag de minister hier uitgebreid op in te gaan. De Kamer heeft er recht op om daar alle informatie over te hebben, zodat we als medewetgever een goede afweging kunnen maken. Ik heb daarover een aantal specifieke vragen.

In hoeverre klopt het dat de ICT-systemen niet tijdig gereed zouden zijn voor implementatie? Kan de minister inzicht geven in de capaciteitsraming voor dit traject? Hoeveel mensen zijn hiervoor nodig in de komen de jaren en in hoeverre is het realistisch dat we die mensen ook kunnen aantrekken? Welke consequenties heeft het als dit niet tijdig lukt? Welke scenario's liggen hiervoor op tafel?

Voorzitter. De SGP maakt zich al geruime tijd zorgen over de situatie bij de IND. Bij de invoering van de asielwetten en het Migratiepact komt er een enorme opgave bij. Er ligt een aangenomen SGP-motie waarin wordt gevraagd aanvullende maatregelen te treffen om de situatie bij de IND los te trekken. Daarnaast vraagt de motie om een kwartaalrapportage over de stand van zaken bij de dienst. Wil de minister toezeggen daarin ook steeds in te gaan op de status van de implementatie van het pact?

Voorzitter. Over de uitvoerbaarheid gesproken: de IND smeekte ons al jarenlang om afschaffing van de asieldwangsommen. Dat scheelt heel veel capaciteit en heel veel geld. Vorig jaar kostte dat de Staat 79 miljoen euro. Ons amendement op de Asielnoodmaatregelenwet om de rechterlijke dwangsom af te schaffen is aangenomen, maar de wet ligt nog altijd bij de Eerste Kamer. Het is helaas ook niet helemaal zeker dat die wet het gaat halen. Wat de SGP betreft gebeurt dat overigens wel. Ik spoor de minister graag aan om alles uit de kast te halen om de senatoren te overtuigen.

Nu zit ik met een dilemma. We behandelen hier het migratiepact nog voor de Eerste Kamer de behandeling van de asielwet heeft afgerond. Liefst had ik gezien dat dit al gebeurd was en dat er al definitief een streep door die dwangsommen zou zijn gegaan. Nu dat niet het geval is, heb ik toch op deze wet hetzelfde amendement ingediend. Ik wil namelijk niet het risico lopen dat de IND straks met lege handen staat doordat de Asielnoodmaatregelenwet onverhoopt is verworpen en er in de onderhavige wet geen amendement is opgenomen dat dit alsnog regelt.

Voorzitter. In Trouw las ik ook dat de IND zou stoppen met het uitlezen van gegevensdragers, zoals smartphones, terwijl daar vaak belangrijke informatie uit op te halen is voor de beoordeling van de asielaanvraag. Er ligt nota bene een heel verstandige motie van de heer Brekelmans en van deze minister, in zijn vorige leven als Kamerlid, waarin erop wordt aangedrongen om hierop te blijven inzetten. Het kan toch niet zo zijn dat deze werkwijze overboord gaat en de minister zijn eigen motie niet uitvoert? Als ik het goed begrijp, ontbreekt op dit moment een juridische grondslag, maar dat is al sinds begin vorig jaar bekend. Dit gat in de wet moet echt snel gedicht worden, zodat we de IND in staat stellen de benodigde informatie te verzamelen.

Voorzitter. Een nieuw Europees asielbeleid vereist onmiskenbaar een stevige Europese terugkeerwet. De Kamer heeft in de afgelopen jaren de regering steeds aangespoord om hierop in te zetten. De recente berichten uit Brussel dat er een volgende stap is gezet richting een aangescherpte EU-terugkeerverordening, zijn positief. Nederland moet daarbij ondubbelzinnig blijven inzetten op het verplicht wederzijds erkennen en uitvoeren van terugkeerbesluiten, in lijn met de motie-Diederik van Dijk/Yeşilgöz. En de Dublinafspraken moeten blijven gaan boven nationale keuzes van andere lidstaten, zodat we asielhoppen tegengaan. Kan ik ervan uitgaan dat dit de inzet van het kabinet is voor de trialoog?

Er wordt ook een coalitie gesmeed om terugkeerhubs te ontwikkelen. Wat de SGP betreft is dit een belangrijke bouwsteen voor een terugkeerbeleid dat echt werkt. Welke stappen gaat het kabinet concreet zetten, vanzelf met respect voor mensenrechten, om deze hubs mogelijk te maken?

Voorzitter. Ik vertel niks nieuws als ik zeg dat de SGP in wonderen gelooft. Maar wij zijn realisten: wij verwachten geen mirakels van het Migratiepact. Migratie is niet maakbaar; verre van dat. Toch dragen we de last om verantwoordelijkheid te nemen voor de opvang van vluchtelingen en voor onze eigen samenleving. Het pact is geen wondermiddel, maar we zien het als een noodzakelijke stap in het aanscherpen van het Europese asielbeleid, dat overduidelijk tekortschiet.

Dank u, voorzitter.

De voorzitter:
U bedankt, meneer Van Dijk. Dan gaan we door naar mevrouw Straatman namens de CDA-fractie voor haar eerste termijn.

Mevrouw Straatman (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Het is geen geheim dat asiel en migratie de samenleving al jaren onder grote druk zetten. Het onderwerp leidt tot veel polarisatie, op verjaardagsfeesten, in gemeenteraden en ook in de Tweede Kamer. Te vaak verwordt het tot een zwart-witdiscussie zonder nuance. Dan verliezen we de mens uit het oog: de mens achter de migratiecriticus, met begrijpelijke zorgen, en de mens achter de asielzoeker. Het wordt tijd dat we de angel uit dit polariserende wespennest halen. Hopelijk kan het pact die angel zijn.

Voordat we vooruitkijken naar het Europees Migratiepact, geef ik een korte terugblik op de noodzaak ervan. De instroom van asielzoekers in Nederland is te hoog. Het is geen rechtse hobby om dat te roepen. De Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen onderstreept de noodzaak van grip op migratie. Instroombeperkende maatregelen zijn nodig vanwege de druk op de woningmarkt, de zorg, het onderwijs en de zorgen over sociale cohesie in buurten en steden. Die grip op migratie vraagt om samenwerking in Europa. Dat kan Nederland niet alleen. Grip op migratie begint aan de Europese buitengrenzen, maar dat maakt het systeem tegelijkertijd inherent kwetsbaar. Beslissingen in Griekenland, Italië, Hongarije en Polen raken direct de weerbaarheid van onze eigen asielketen. Laten we eerlijk zijn: de Europese samenwerking heeft tot nu toe niet goed genoeg gewerkt. Het Dublinsysteem gold op papier, maar in werkelijkheid bood het systeem onvoldoende weerstand tegen doorreizen naar West-Europa en onvoldoende haakjes voor solidariteit.

Voorzitter. Deze terugblik kan cynisch maken, maar het kan hoop geven dat het tegen deze achtergrond gelukt is om met het pact een doorbraak te creëren. Dat gebeurt met evident strengere maatregelen, strengere grensbewaking, betere identificatie en screening, snellere asielprocedures, maar ook met een eerlijkere verdeling van verantwoordelijkheid en met een afdwingbaar en met waarborgen omkleed solidariteitsmechanisme. Voor het CDA is dit dan ook een grote stap in de goede richting. We zijn optimistisch dat hiermee de instroom van asielzoekers in Europa en in Nederland wordt teruggedrongen.

Een optimist zonder realisme kan echter naïviteit worden verweten. Het eerlijke verhaal is natuurlijk ook dat dit nieuwe pact geen wondermedicijn is. Mijn collega zijn dat zojuist ook al. Daarvoor is het asielvraagstuk te complex. De uitvoering is ook nog in ontwikkeling. We staan niet voor niets aan de vooravond van de grootste asielhervorming in 25 jaar. De uitvoeringsorganisaties zullen tijd nodig hebben om er met deze nieuwe regels en afspraken voor te zorgen dat de asielketen weer beheersbaar wordt. Die tijd moeten we hun ook gunnen. Daarom wil ik nadrukkelijk de medewerkers van het COA, Nidos, de IND, VluchtelingenWerk, de Dienst Terugkeer en Vertrek en andere betrokken organisaties danken voor hun harde werk nu en in de komende jaren. Ook dank aan de minister voor de voortvarendheid waarmee hij dit dossier heeft opgepakt.

Voorzitter. Het pact hangt nauw samen met de Asielnoodmaatregelenwet en het tweestatusstelsel, die beide al door de Tweede Kamer zijn aangenomen. Het CDA staat achter de keuzes in die beide wetten. Daarover is ook uitgebreid het politieke debat gevoerd. Daarom gaat mijn focus vandaag uit naar de andere elementen uit het pact: de Europese samenwerking, de uitvoerbaarheid, de Opvangrichtlijn en de terugkeer.

Allereerst de Europese samenwerking. Samenwerking is zo sterk als de zwakste schakel. Dat geldt des te meer voor de succeskansen van het pact. Implementatie door alle lidstaten op 12 juni 2026 van alle kernafspraken is dan ook randvoorwaardelijk voor succes. Neem de asielgrensprocedure voor kansarme asielzoekers. Die werkt natuurlijk alleen als alle lidstaten die asielgrensprocedure minutieus en op hetzelfde moment invoeren. Het CDA heeft al eerder zorgen uitgesproken over het feit dat niet elke lidstaat even voortvarend aan de slag gaat met de implementatie van het pact. Daarom is mijn vraag aan de minister: hoe verloopt de Europese afstemming over het pact nu de deadline steeds dichterbij komt? De Europese Commissie monitort de voortgang en de uitvoering. Maar wanneer komt het verslag van deze monitoring? Kan de minister al helderheid geven over welke lidstaten achterlopen op het schema, en op welke onderdelen? Wat betekent dit bijvoorbeeld voor de asielgrensprocedure, het solidariteitsmechanisme en de uitvoering en naleving van overdrachtsbesluiten na juni 2026? Welke drukmiddelen heeft de Europese Commissie om de druk op die lidstaten op te voeren om tijdig te implementeren?

Dan wat betreft het solidariteitsmechanisme. De minister geeft aan dat Nederland bilaterale afspraken heeft gemaakt met Griekenland over het inzetten van de zogenaamde Dublincompensaties. Hierdoor hoeft Nederland minder bij te dragen aan de financiële bijdrage. Maar de gesprekken over de omvang van de vermindering lopen nog. Wanneer verwacht de minister hierover duidelijkheid te verschaffen? Over welke orde van grootte aan financiële vermindering hebben we het ongeveer? Geldt die vermindering incidenteel of structureel?

Voorzitter. Dan de uitvoerbaarheid. Het CDA deelt de analyse dat een goede uitvoering van het pact de druk op de asielketen en de rechtspraak op termijn verlicht. Dat is belangrijk, niet in de laatste plaats voor asielzoekers zelf, die sneller duidelijkheid krijgen over hun toekomst. Maar zoals bij iedere grote hervorming kan verlichting op termijn ook samengaan met tijdelijke verzwaring nu. Daarop moeten we bedacht zijn. De Raad voor de rechtspraak verwacht de komende jaren een aanzienlijke toename van het aantal zaken. Naar verwachting loopt dit op tot 19.000 extra zaken per jaar. Mijn vraag aan de minister: is de rechtspraak hierop voorbereid? De minister heeft aangegeven dat de rechtspraak gaat inzetten op de werving van vreemdelingenrechters en gerechtsjuristen, plus extra werving in het strafrecht en het familie- en jeugdrecht. Wat zijn de prognoses hiervoor? Hoeveel fte is er extra nodig? Hoe verloopt de werving?

Voorzitter. Een deel van de extra rechtszaken …

De voorzitter:
Een momentje, mevrouw Straatman. Uw voorzitter probeert ondertussen nog wat administratie te doen. Meneer Dassen, aan u.

De heer Dassen (Volt):
Het CDA heeft er elke keer een punt van gemaakt dat het belangrijk is dat we zorgvuldigheid in de keten hebben en dat we het probleem niet gaan verplaatsen. Dat was ook zo bij de Asielnoodmaatregelenwet. Nu zien we dat de rechtspraak maar ook de IND verwachten dat dit te snel komt en dat ze niet goed voorbereid zijn, zeker in samenhang met die Asielnoodmaatregelenwet. Hoe kijkt het CDA daarnaar?

Mevrouw Straatman (CDA):
Dank aan de heer Dassen voor die vraag. Dat is denk ik de kernvraag die ik zojuist ook aan de minister stelde: is de rechtspraak voorbereid op die 19.000 extra zaken? We moeten de procedures bij de IND versnellen en de opvang verlichten, maar bij de rechtspraak moeten de doorlooptijden ook doorlopen. Dus vandaar mijn vraag op dit punt. Ik heb ook nog een specifieke vraag over de schorsende werking, maar daar kom ik zo op.

De heer Dassen (Volt):
De vraag stellen is in dezen volgens mij de vraag beantwoorden. We wisten een jaar geleden dat de Asielnoodmaatregelenwet voor veel meer problemen bij de rechtspraak zou zorgen. Ook nu worden we weer gewaarschuwd. Dus we hebben het antwoord al. Wat is dan volgens het CDA nodig om te voorkomen dat we dadelijk weer een groot probleem in de asielketen krijgen, waar deze wet mogelijk weer voor gaat zorgen?

Mevrouw Straatman (CDA):
Voor een deel is het natuurlijk zaak om zo veel mogelijk mensen aan te nemen. Daarom vraag ik ook aan de minister wat de prognoses zijn, hoeveel mensen er al zijn aangenomen en hoeveel er nog worden aangenomen. Een deel zit 'm natuurlijk ook in de herstructurering van het proces. De IND gaat natuurlijk met de juridische afdeling, JZ, veel meer aan de voorkant beoordelen of de dossiers op orde zijn. Dat moet natuurlijk ook de doorstroom naar de rechtspraak ontlasten, waardoor de dossiers van een hogere kwaliteit zijn. Dat draagt hopelijk ook bij aan de doorlooptijden bij de rechtspraak.

De heer Dassen (Volt):
Volgens mij is het deels zo dat we, door de manier waarop we het nu gaan inrichten, juist meer beroepszaken gaan krijgen, waardoor we de rechtspraak zwaarder gaan belasten. Is het dan niet ijdele hoop van het CDA dat we het kunnen oplossen door meer mensen aan te nemen? Mijn zorg is heel erg dat we er als Kamer geen goede aandacht voor hebben, ook gezien deze snelle behandeling, en straks weer met een probleem zitten. Dan moeten we weer heel kritisch naar onszelf kijken. Ik dacht dat het voor het CDA een ontzettend belangrijk punt was. Het verbaast mij dus ook dat er niet een duidelijk antwoord komt over wat er dan moet gebeuren.

De voorzitter:
Deze was 37 seconden.

Mevrouw Straatman (CDA):
Volgens mij was het antwoord duidelijk. Ik begrijp de zorgen van de heer Dassen. Die zorgen heb ik ook. Daarom heb ik die vragen ook aan de minister gesteld. Daarom is het zaak dat we zo veel mogelijk extra mensen aannemen en dat in de inrichting van het systeem de IND de kwaliteit van de dossiers op een hoog niveau of een nog hoger niveau aanlevert, zodat er ook minder zaken vanuit de rechtspraak weer terug moeten naar de IND. Het hele idee van dit pact is natuurlijk dat er op korte termijn druk zou komen op de rechtspraak en de rechtspraak op lange termijn ontlast wordt, omdat er minder instroom is en de procedures sneller gaan. We zien nu natuurlijk dat heel veel procedures bij de rechtbank alleen maar gaan om het feit dat de IND de termijnen niet haalt. Laten we hopen dat die procedures met dit pact in ieder geval van de baan zijn.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Mevrouw Straatman is een medejurist. Ik heb het debat over de uitvoeringskant vaak gevoerd. Het is het CDA geweest dat ongeveer twee jaar geleden is gaan pleiten voor het tweestatusstelsel, ondanks de argumenten dat je daarmee de kans op het vastlopen van de rechtspraakketen faciliteert. Dat heeft u ook in uw interruptie aangegeven. Ik vind dat u daar nu te makkelijk over spreekt, ook gelet op uw eigen ervaring en de ervaring die ik heb. Mijn vraag is: is het niet een terechte zorg dat die keten vast gaat lopen door wat we hier doen? Hoe beoordeelt u dat?

De voorzitter:
37 seconden.

Mevrouw Straatman (CDA):
Ik denk dat in de discussie over het tweestatusstelsel twee zaken door elkaar lopen: de korte termijn en de lange termijn. U zegt: op korte termijn kan de invoering van het tweestatusstelsel leiden tot extra druk op de rechtsspraak. Ik denk dat heel veel mensen hier in de zaal, misschien wel iedereen, het daarmee eens zijn, omdat er gewoon extra grond bestaat om door te procederen. Daarom moet je ervoor zorgen dat er zo veel mogelijk extra mensen worden aangenomen om die druk aan te kunnen. Tegelijkertijd ben ik er ook van overtuigd — dat is de tweede stap van de analyse — dat de invoering van het tweestatusstelsel er op de lange termijn toe leidt dat er minder mensen naar Nederland komen en de druk op de keten zal afnemen.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik snap niet wat u zegt over de lange termijn. Mensen komen niet naar een land vanwege hun A- of B-status. Mensen zullen blijven procederen. De B-status zorgt er niet voor dat mensen niet met hun gezin komen, maar alleen dat je er vertraging in bouwt. Uiteindelijk zullen ze dan toch komen. Mijn vraag is of mevrouw Straatman het daarmee eens is, en zo ja, waarop ze baseert dat de instroom, mede gebaseerd op het tweestatusstelsel, zou gaan dalen.

Mevrouw Straatman (CDA):
Ik deel de redenering van de heer Ceder niet dat ook met de wachttijd per definitie alle nareizigers zullen komen, want het idee is dat het een tijdelijke verblijfsvergunning is. Er wordt natuurlijk ook rekening mee gehouden of de situatie in het land van herkomst wijzigt. Met het invoeren van die wachttijd duurt het dus in ieder geval langer voordat mensen komen. Dat zal in ieder geval de druk op de keten ontlasten. Daarmee creëer je ook de mogelijkheid dat de situatie in het land van herkomst tussentijds wijzigt en mensen helemaal niet meer hoeven af te reizen naar Europa of naar Nederland.

De voorzitter:
Meneer Ceder, tot slot.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Nee, bedankt.

De voorzitter:
Oké. Mevrouw Straatman, gaat u verder.

Mevrouw Straatman (CDA):
Ik was bijna vergeten …

De voorzitter:
O, eerst mevrouw Westerveld.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik heb een andere vraag, over kinderen in detentie. Mijn vraag is wat het CDA ervan vindt dat er is gekozen voor de mogelijkheid om kinderen en gezinnen in grensdetentie te plaatsen, terwijl nergens is bewezen dat dat leidt tot snellere procedures.

Mevrouw Straatman (CDA):
Ik kom later in mijn spreektekst terug op kinderen in detentie. Ik kan nu ook de vraag beantwoorden.

De voorzitter:
Nee, dan wachten we wel. Dat is efficiënter.

Mevrouw Straatman (CDA):
Voorzitter. Ik kom op de rechtspraak en de uitvoerbaarheid. Een deel van de extra zaken ontstaat niet alleen door het tweestatusstelsel, maar ook door de verwachte toename van kortgedingen om een schorsende werking van procedures te verzoeken en door spoedkortgedingen. Meer dan onder het huidige recht zijn uitzonderingen gemaakt op de automatische schorsende werking van het beroep, wat kortgedingen zal uitlokken om verblijf in Nederland te behouden. In de tussentijd hebben asielzoekers geen recht op verblijf in de opvang. Heeft de minister al met het COA gesproken over hoe met deze tussenliggende periode moet worden omgegaan?

De verwachting is hierdoor ook dat het aantal spoedverzoeken zal toenemen, om te voorkomen dat mensen in de tussenliggende periode Nederland moeten verlaten. Hoe gaat de rechtspraak nu om met die voorlopige voorzieningen bij het ontbreken van schorsende werking? Voorkomen moet worden dat we schorsende werking op papier streng maken, maar in de praktijk tandeloos. We moeten voorkomen dat we, zoals de heer Dassen zojuist zei, met dit soort maatregelen de druk op de rechtspraak onnodig laten toenemen.

Als het gaat over de uitvoerbaarheid, gaat het natuurlijk ook over de uitvoering van ICT-systemen. Hoe staat het met de noodzakelijke implementatie van die ICT-systemen? Hoewel systemen in een ideale wereld natuurlijk allemaal op 12 juni helemaal gereed zijn, begrijpen wij ook dat voor sommige systemen nog tijdelijke alternatieven gevonden kunnen worden. Maar dat geldt in ieder geval niet voor een ICT-systeem dat nodig is voor de ambtshalve toetsing van bewaringsbeslissingen. Wanneer een asielzoeker in bewaring wordt gesteld, moet de rechter binnen een finale termijn van 21 dagen de bewaring toetsen. Bij verloop van die termijn wordt de bewaring opgeheven. Het is dus heel belangrijk dat het bewaringsseintje van de IND automatisch doorschakelt naar de rechtspraak. Hoe staat het met die technische doorschakeling? Is het zeker dat die per 12 juni 2026 is ingeregeld?

De minister geeft ook aan dat nieuwe aanvragen prioriteit krijgen om te voorkomen dat nieuwe achterstanden ontstaan, terwijl er ook nog een bestaande voorraad is. Alleen de restcapaciteit zal worden ingezet om asielaanvragen voor 12 juni 2026 te beoordelen. Voorziet de minister niet dat er in de eerste periode na implementatie helemaal geen restcapaciteit is bij de IND? Wat betekent dit dan voor de behandeling van oude aanvragen?

Voorzitter. Dan kom ik nu bij de Opvangrichtlijn. In tegenstelling tot de andere onderdelen van het pact geeft de Opvangrichtlijn meer ruimte voor nationale beslissingen en voor verschillen met andere lidstaten. Als het gaat om opvang, is het voor het CDA het allerbelangrijkste dat die in alle gevallen humaan is. Het is een beschaafd land als Nederland onwaardig dat asielzoekers in het verleden in het gras hebben moeten slapen. Daarom moeten we haast maken om voldoende opvangplekken te creëren, waarbij alle gemeenten hun verantwoordelijkheid moeten nemen.

Voorzitter. Wat betreft de implementatie van de herschikte Opvangrichtlijn kom ik nu bij kinderen in …

De voorzitter:
Momentje. U krijgt een interruptie van mevrouw Vondeling.

Mevrouw Vondeling (PVV):
Mevrouw Straatman van het CDA roept gemeenten eigenlijk op om verantwoordelijkheid te nemen om asielopvang te regelen. Is mevrouw Straatman van het CDA ook van mening dat gemeenten desnoods gedwongen moeten worden tot asielopvang?

Mevrouw Straatman (CDA):
In de Spreidingswet zoals die nu voorligt, zijn gedwongen maatregelen echt een laatste redmiddel. Laten we het alsjeblieft in Nederland zo inregelen dat we daar ook alleen als laatste redmiddel naar moeten grijpen. Als ik de analyse zie van wat er in Ter Apel, Hardenberg en Budel gebeurt, denk ik dat we de druk op de asielketen alleen maar bij een aantal gemeenten beleggen, terwijl als we op een fatsoenlijke manier die solidariteit zouden hanteren, we dan de druk op heel veel gemeenten zouden kunnen verlichten. Ik heb er alle vertrouwen in — op dit moment zijn de provincies aan de slag om die ruimtes te zoeken — dat heel veel gemeentes die verantwoordelijkheid willen nemen.

Mevrouw Vondeling (PVV):
Als ik het goed begrijp, zegt mevrouw Straatman van het CDA dus: als het de minister niet lukt om voldoende opvangplekken te vinden — volgend jaar moet hij er 38.000 vinden — dan steunen wij de minister als hij gemeenten dwingt om asielopvang te realiseren. Klopt dat?

Mevrouw Straatman (CDA):
Ik denk dat het totaal niet behulpzaam is in het proces dat provincies op dit moment met gemeenten hebben om al te spreken over een scenario dat zich nu nog helemaal niet voordoet. Ik heb er alle vertrouwen in dat gemeenten die verantwoordelijkheid voelen. Ik ken het standpunt van de PVV rondom de Spreidingswet, maar ik vraag me dan ook heel erg af hoe de PVV dat uitlegt in gemeentes als Ter Apel, Budel en Hardenberg — ik kan nog wel even doorgaan — die hun verantwoordelijkheid nemen, maar waar ze er tegelijkertijd ook de last van ervaren dat we niet in heel Nederland die solidariteit betrachten.

Mevrouw Vondeling (PVV):
Mevrouw Straatman draait er een beetje omheen, maar als ik het zo begrijp, dan zegt ze: gemeentes moeten gewoon gedwongen worden. Nou, u heeft de uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen gezien. Er zijn heel veel partijen met veel zetels gekozen die ervoor pleiten om geen asielopvang te realiseren. Nederlanders zijn het spuugzat. Er worden meisjes van 19 van de fiets getrokken, mishandeld en verkracht door asielzoekers. Nu zegt het CDA hier: nou, geen probleem, we gaan die opvang gewoon door de strot duwen in heel veel gemeenten.

Mevrouw Straatman (CDA):
Volgens mij heb ik dat zojuist helemaal niet gezegd. Ik denk dat het heel belangrijk is dat alle gemeentes hun verantwoordelijkheid nemen, dat er bestuurlijk draagvlak is en dat de burgers in de gemeentes ook tijdig worden meegenomen als er een asielzoekerscentrum komt. Ik vrees ook dat een groot deel van de angsten bij mensen over asielzoekers voortkomt uit de taal die mevrouw Vondeling zojuist bezigt, alsof iedere asielzoeker een crimineel is. Dat slaat natuurlijk helemaal nergens op. Laten we alsjeblieft nu gewoon die gemeentes bezig laten zijn om coalities te vormen en de provincies aan de slag laten gaan om met gemeentes in gesprek te gaan over waar er ruimte is voor extra opvangplekken.

De voorzitter:
U continueert. Hoever bent u in uw betoog, mevrouw Straatman?

Mevrouw Straatman (CDA):
Ik heb nog wel een stukje, voorzitter.

De voorzitter:
O jee! Dan gaan we aandachtig luisteren, mevrouw Straatman.

Mevrouw Straatman (CDA):
Dan kom ik op kinderen in grensdetentie. Wat betreft de implementatie van de herschikte Opvangrichtlijn valt op dat in die richtlijn staat dat het uitgangspunt is dat kinderen alleen in uitzonderlijke situaties in bewaring mogen worden gesteld. In de nota naar aanleiding van het verslag lijkt het kabinet te suggereren dat dit de standaardpraktijk wordt, in ieder geval bij grensprocedures, onder het mom van het belang van eenheid van gezin. Mijn vraag aan de minister is hoe dit zich verhoudt tot die uitzonderlijke situaties die de Opvangrichtlijn voorschrijft. Waarom wordt de staande praktijk waarbij gezinnen met kinderen in beginsel in de reguliere asielprocedure worden opgenomen, niet voortgezet? Past de voortzetting van het staand beleid ook niet gewoon binnen de implementatie van het pact? Ik kijk even naar mevrouw Westerveld, al wil ik niks uitlokken.

De voorzitter:
U vraagt om een interruptie. Dat is wat nieuws.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Mijn vraag is natuurlijk: wat vindt het CDA hiervan? Wat vindt het CDA ervan dat ervoor gekozen lijkt te zijn dat kinderen in detentie geplaatst kunnen worden, terwijl dat niet noodzakelijk is. Sterker nog, dat is helemaal niet wenselijk. Het is heel erg traumatisch voor kinderen en het vloeit niet per se voort uit het pact.

Mevrouw Straatman (CDA):
Ik maak duidelijk …

De voorzitter:
U moet wel even uw microfoon aanzetten als u spreekt en uitzetten als iemand anders spreekt, anders wordt het moeilijk voor de techniek.

Mevrouw Straatman (CDA):
Excuus. Wat betreft kinderen in detentie spelen er twee dingen. Daarom stelde ik ook mijn vragen aan de minister. Zoals we de wet nu zien, is het volgens mij een letterlijke vertaling van de verordening. Daar heeft het CDA geen problemen mee: de letterlijke ruimte die de verordening geeft om de mogelijkheid te creëren die verplichting op te nemen. Een tweede vraag is hoe je daar in de praktijk mee omgaat. Als ik de praktijk nu zie, is het in uitzonderlijke situaties ook al mogelijk om kinderen in de gesloten instelling in Zeist te plaatsen. Maar wat mij betreft moeten dat echt absoluut uitzonderingen zijn en is er alle ruimte om het bestaande beleid op dit punt gewoon voort te zetten, waarbij kinderen op het moment dat zij zich melden in een grensprocedure niet naar Zeist gaan met het argument "eenheid van gezin". In beginsel moeten kinderen gewoon naar de open procedure, de reguliere opvangprocedure in Ter Apel. Alleen in uitzonderlijke situaties moet daarop een uitzondering kunnen worden gemaakt. Vandaar ook mijn vraag aan de minister. Volgens mij past dat ook gewoon helemaal binnen de implementatie van het pact.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Als ik dit antwoord hoor, denk ik dat we dit wettelijk duidelijker moeten vastleggen. Ik ben het met het CDA eens dat dit niet de normale gang van zaken zou moeten zijn, maar ik lees in het voorstel dat het in principe wel de normale gang van zaken wordt dat kinderen in grensdetentie worden geplaatst. Als we allebei vinden dat dit niet zo zou moeten zijn, steunt het CDA dan het amendement dat we afgelopen vrijdag hebben ingediend om dit te voorkomen? Dat amendement zegt dat je kinderen niet in detentie moet plaatsen omdat dat nooit in het belang van kinderen is.

Mevrouw Straatman (CDA):
Twee dingen. Ten eerste de uitwerking in de wet. Dat is een rechtstreekse uitwerking van de verordening. Ik verwijs naar considerans 69 van de verordening. Dat is een letterlijke vertaling van wat er nu in de wet staat en van wat de verordening voorschrijft. Ik hoorde mevrouw Westerveld in haar eigen bijdrage zeggen dat het belangrijk is om eenheid te creëren en te harmoniseren. Dat we de ruimte die de verordening biedt ook opnemen in de wet lijkt me niet vreemd. Dat past helemaal in de gedachte van harmonisatie. Ten tweede is de vraag hoe je daar in de praktijk mee omgaat. Dat is natuurlijk de ruimte die je hebt in beleid en in de uitvoering. Dan heeft het bestaande beleid mijn voorkeur, waarbij in feite eigenlijk alle kinderen die aan de grens komen direct doorgaan naar Ter Apel, tenzij er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden, want dan gaan ze naar Zeist. Het is dus een kwestie van de manier waarop je wettelijke mogelijkheden uitvoert. Daarvoor hoeft wat mij betreft de wet niet veranderd te worden. Sterker nog, dat zou ik zeker niet doen, want dat past helemaal niet in de harmonisatiegedachte van de verordening.

De voorzitter:
U zat net op 35 seconden, mevrouw Westerveld. Mijn assistent fluisterde mij dat in.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik begrijp het niet zo goed. Het CDA zegt: dit moeten we niet doen; dit moeten we niet willen. We weten dat het schadelijk is, dat het zeer ernstig traumatisch is en dat het levenslange gevolgen kan hebben. Dan leggen we toch ook gewoon wettelijk vast dat we dit niet meer gaan doen? Dat is dan toch de consequentie? Daar kan het CDA dan toch voor stemmen?

Mevrouw Straatman (CDA):
Ik denk dat we elkaar heel vergaand kunnen vinden. De enige vraag is: wil je de verordening niet gewoon implementeren zoals die nu voorligt, zoals het doel van verordeningen is? Er staat hier ook: er is een mogelijkheid om in uitzonderlijke situaties, als maatregel van laatste instantie, bij gebrek aan minder dwingende alternatieven et cetera, et cetera, et cetera. Daar worden veel voorwaarden aan gekoppeld. Het lijkt me prima dat je de mogelijkheid creëert. Dat is helemaal in lijn met de gedachte van verordeningen dat je ze in alle lidstaten op dezelfde manier implementeert. Dat doen we nu ook al. Ook in het huidige beleid is er een haakje om in uitzonderlijke situaties kinderen in Zeist te plaatsen. Heeft het mijn voorkeur? Nee. Ik vind dat de uitleg dat het het uitgangspunt is dat kinderen niet in detentie worden geplaatst, zou moeten betekenen dat we het bestaande beleid voortzetten en dat het gros van de kinderen, praktisch iedereen, gewoon in Ter Apel terechtkan, in een open setting.

De heer Dassen (Volt):
De Raad van State geeft in het advies duidelijk aan dat Nederland hier wel degelijk afwijkt van wat er in de Opvangrichtlijn staat en adviseert ook de formulering aan te passen om in overeenstemming te komen met de Opvangrichtlijn. Ik ben wel benieuwd waar mevrouw Straatman dat dan vandaan haalt.

Mevrouw Straatman (CDA):
Wat mij betreft staat het nu in de wet zoals het letterlijk ook in de verordening staat. Ik kan hier de paragraaf voorlezen waarin precies dezelfde voorwaarden worden gecreëerd waaronder een kind in uitzonderlijke situaties in detentie kan worden geplaatst. De vraag is alleen: hoe leg je "uitzonderlijke situaties" uit? Dat is mijn vraag aan de minister. In de nota naar aanleiding van het verslag lijkt het alsof het al voldoende reden is om aan de drempel van uitzonderlijke situaties te voldoen als een kind met een gezin aan de grens komt. Dat is niet de situatie die ik graag zou hebben. Ik zou graag zeggen: nee, dat is echt onvoldoende om iemand in Zeist te plaatsen; de gewone route naar Ter Apel ligt dan meer voor de hand. Daarvoor hoef je de wet echter niet aan te passen.

De heer Dassen (Volt):
Dit is volgens mij de reden waarom je dit soort zaken er niet doorheen moet jassen, zoals we nu met elkaar aan het doen zijn, want hier is het dus blijkbaar onduidelijk wat de Raad van State zegt. Ik lees het echt totaal anders. De Raad van State schrijft: "In dat artikel ontbreekt echter de toevoeging dat bewaring uitsluitend in het belang van een minderjarige is als de ouder of hoofdverzorger die hem begeleidt ook in bewaring is gesteld of als hij als niet-begeleide minderjarige door de bewaring wordt beschermd." In het vervolgstuk staat dat deze wet daar onvoldoende waarborg voor biedt, omdat het ook op een andere manier uitgelegd kan worden. Dat is precies de zorg die wij hebben. Deze minister legt het misschien op deze manier uit, maar een andere minister kan het op een andere manier uitleggen. Dat is precies de reden dat je zorgvuldige wetsbehandelingen moet hebben. Ik lees het anders en volgens mij staat het er ook anders.

De voorzitter:
Deze interruptie was 48 seconden.

Mevrouw Straatman (CDA):
Ik kan het beroep op zorgvuldige wetsbehandeling alleen maar onderschrijven. Zoals ik het lees, is dit een directe implementatie van wat er in de wet staat. Ten tweede is de vraag: hoe voer je het uit? De uitvoering zou zijn dat het uitgangspunt is dat een kind met een gezin aan de grens gewoon naar Ter Apel gaat en in uitzonderingsgevallen naar Zeist. Dat zou tenminste mijn voorkeur zijn. Mijn vraag aan de minister is: zou het niet gewoon mogelijk moeten zijn binnen de implementatie van dit pact dat we de staande praktijk voortzetten?

De heer Ceder (ChristenUnie):
Vanwege de onduidelijkheid en de ruimte die de wet biedt, heb ik een verduidelijkend amendement ingediend, zodat we de wettelijke vertegenwoordiger, zoals je die ook op andere vlakken in de Procedurerichtlijn ziet, er ook tussen zetten, zodat die beoordeelt wat er in het belang van het kind is. Mijn vraag aan mevrouw Straatman is: wie toetst er volgens de huidige wetstekst of iets in het belang van het kind is?

Mevrouw Straatman (CDA):
Zoals ik de wet op dit moment lees, zijn er verschillende instanties betrokken die controleren of het inderdaad in het belang is. Als u mij vraagt wie dat dan in specifieke zin is, dan overvraagt u me. Ik weet niet welke instanties dat zijn. Alleen, er moeten voldoende waarborgen in het systeem zijn die beoordelen of iets wel of niet in het belang van het kind is. Nogmaals, als het aan mij ligt, zou het alleen in uitzonderlijke situaties in het belang van het kind zijn om het in Zeist te plaatsen, zoals nu ook al het geval is.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Mevrouw Straatman geeft aan dat zij niet weet wie de check doet of het in het uitzonderlijke belang is. Dat klopt ook, want het wordt niet in de wet verduidelijkt, en ook niet in de memorie van toelichting. Daarom heb ik er een aanvulling op gedaan door te zeggen dat het in ieder geval iemand moet zijn die verstand heeft van de gedragswetenschappen rondom kinderen. Het moet iemand zijn die dat zou kunnen toetsen en daarbij de minister ook advies zou kunnen geven. De minister kan daar dan van afwijken. Maar ook hier vindt een mogelijke procedurele toets plaats, waarbij je ook weer beroep zou kunnen gaan. Mijn vraag is waarom mevrouw Straatman dat wel of geen goede suggestie zou vinden.

Mevrouw Straatman (CDA):
Ik denk dat het heel belangrijk is om goed te toetsen of het wel of niet in het belang van het kind is. Ik denk dat mevrouw Westerveld heel duidelijk heeft aangegeven waarom dat heel belangrijk is. Dat onderschrijf ik. Alleen, ik weet niet of het precies op de manier moet zoals die u in uw amendement heeft voorgeschreven. Ik wacht ook even op de appreciatie van de minister om te horen hoe hij naar dat voorstel kijkt en welke ideeën hij verder heeft over de manier waarop die toetsing zal plaatsvinden.

De voorzitter:
U wilt nog interrumperen, meneer Ceder? De vorige was 39 seconden, dus u zit nu op tien interrupties.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Dan laat ik het zo.

De voorzitter:
Oké. Mevrouw Straatman, continueert u uw betoog. Hoever bent u?

Mevrouw Straatman (CDA):
Ik heb nog twee kopjes, maar ik zal proberen snel te zijn.

De voorzitter:
Oké.

Mevrouw Straatman (CDA):
Het is voor het CDA van belang dat de opvang sober is voor kansarme of overlastgevende asielzoekers en gericht is op meedoen voor kansrijke asielzoekers. Tegen die achtergrond heb ik de volgende vragen aan de minister. Dublinvreemdelingen die in een andere Europese lidstaat asiel moeten aanvragen, kunnen onder de Opvangrichtlijn maar beperkt gebruikmaken van materiële voorzieningen. De minister geeft aan dat het vormgeven, inrichten en realiseren van zo'n sobere nieuwe opvangvorm nog meer tijd kost. Op welke termijn verwacht de minister die sobere opvangplekken te kunnen realiseren?

Tegen overlastgevende asielzoekers kunnen vrijheidsbeperkende maatregelen worden ingezet. De regering geeft aan te kijken naar een uitbreiding van het aantal plekken. Dat is goed, maar kan de minister hier al meer over zeggen?

Voor het CDA is het ook belangrijk dat kansrijke asielzoekers snel aan het werk kunnen en snel kunnen deelnemen aan onze samenleving. Het UWV geeft echter aan een minimale implementatietermijn van tien maanden nodig te hebben voor aanpassingen in de Wet arbeid vreemdelingen. Wat betekent dit per 12 juni '26 voor de kansrijke asielzoeker die graag aan het werk wil?

Daarnaast is taal essentieel om mee te kunnen doen. De minister geeft aan dat er op dit moment nog sprake is van een te versnipperd taalaanbod. Welke stappen gaat de minister nemen om dit taalaanbod voor alle opvangplekken te uniformeren? Als het taalaanbod uniform is, ziet de minister dan ook ruimte om een eigen bijdrage te vragen voor die cursussen?

Tot slot op dit punt, voorzitter, over de juridische counseling. Voor een goede doorloop van de asielketen vinden we het begrijpelijk dat deze taak bij de IND ondergebracht is. De IND geeft zelf aan op 12 juni '26 slechts een "minimale inrichting" te kunnen implementeren. Ik vraag de minister: wat houdt dit in? De adviesfunctie en de beoordelingsfunctie worden beide bij de IND belegd, uitgevoerd door verschillende medewerkers. Hoe kan de minister niet alleen formeel op papier, maar ook in de zichtbaarheid naar asielzoekers, duidelijk maken dat het juridisch advies door IND-medewerkers onafhankelijk wordt verstrekt?

Voorzitter. Ik kom bij mijn laatste punt: terugkeer. Terugkeer is het sluitstuk van een goedwerkend asielsysteem. Instroom door de voordeur beperken heeft weinig zin als de achterdeur potdicht zit. Vorige week heeft het Europees Parlement belangrijke stappen gezet om te komen tot een pakket aan maatregelen voor terugkeer. Verwacht de minister dat de Terugkeerverordening tegelijkertijd met de implementatiedeadline van 12 juni in werking kan treden? Wat betekent deze verordening voor de uitvoeringswet en de nationale asielwetgeving?

Verder heb ik over terugkeer binnen het pact een aantal vragen. Grensdetentie is aan een maximum en aan voorwaarden gekoppeld, maar wat betekent dit voor een effectief terugkeerbeleid? Wat gebeurt er als een asielzoeker die niet mag blijven geen uitzicht heeft op terugkeer maar grensdetentie eindigt? Voorkomen moet worden dat asielzoekers die terug moeten alsnog uit het zicht van de instanties raken.

Tot slot. De minister geeft ook aan dat hij voortdurend in gesprek is met derde landen om terug- en overnameovereenkomsten te sluiten. Wat is hiervan de stand van zaken?

Voorzitter, ik rond af. De uitvoeringswet van het pact is een belangrijke stap om het asielsysteem beter te laten functioneren, zowel voor de mensen in de opvang, voor de gemeenten als voor de samenleving. Dat wil niet zeggen dat we met dit pact alle problemen gaan oplossen. Het is, nogmaals, geen wondermiddel. Dat eerlijke verhaal moeten we ook blijven vertellen, want de uitdagingen in de uitvoering zijn groot, de afhankelijkheid van andere landen is groot en effectieve terugkeerafspraken zijn essentieel. Maar het gezegde luidt: de wind kun je niet veranderen, de stand van de zeilen wel. Migratiestromen laten zich nu eenmaal niet sturen of voorspellen. Dat maakt ieder asiel- en migratiesysteem complex en kwetsbaar. Juist daarom moeten we doen wat wél binnen onze invloed ligt: zorgen voor strenge grensregels, snellere procedures en betere samenwerking in Europa. Dit pact zet een belangrijke stap daarin. Het helpt om meer grip te krijgen op migratie zonder weg te kijken van de verantwoordelijkheid die we hebben voor mensen die vluchten voor oorlog en geweld. Dat is precies de balans die nodig is om het vertrouwen in een werkend asielsysteem te herstellen.

Dank u wel.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Nog een andere vraag. Het CDA profileert zich graag als gezinspartij. Ik vraag mij of hoe zij staat ten opzichte van de keuze om bij oorlogsvluchtelingen een wachttijd van twee jaar te hanteren.

Mevrouw Straatman (CDA):
Het CDA heeft in het verkiezingsprogramma staan dat wij voor het tweestatusstelsel en de daaraan gekoppelde nareisvoorwaarden zijn. De reden is dat we zien dat de asielketen helemaal vastloopt en volzit. We moeten meer lucht creëren voor instanties om zaken aan te kunnen. We geloven dat de wachttijd daarbij kan helpen. Bovendien, zoals ik in een eerder interruptiedebatje met de heer Ceder heb aangegeven, past het binnen het tijdelijke karakter van een vergunning, omdat je daarmee ruimte creëert om op een later moment te kunnen beoordelen of de omstandigheden in het land van herkomst gewijzigd zijn. Als die na twee jaar nog steeds niet gewijzigd zijn, is dat een andere reden om gezinsleden te laten overkomen dan om dat direct op moment nul al te doen.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Dat is een duidelijk antwoord. Geldt dat dan ook voor de voorstellen, de amendementen, die wij hebben ingediend om lhbtiq+-vluchtelingen die in het land van herkomst niet kunnen trouwen, uit te sluiten van de sobere voorwaarden waar nu voor is gekozen?

Mevrouw Straatman (CDA):
Zij worden daar niet van uitgesloten, want als je niet aan een van de eisen van het kerngezin voldoet, staat de route van artikel 8 EVRM open. Zoals de minister in de nota naar aanleiding van het verslag heeft aangegeven, wordt in de artikel 8 EVRM-toets ook gekeken naar de specifieke omstandigheden. Als het dan gaat om een lhbtiq+-persoon die niet kan trouwen, heeft dat zwaarwegende invloed. In feite hebben die mensen dus via artikel 8 EVRM in het gros van de gevallen, tenzij er uitzonderlijke situaties spelen, ook gewoon toegang tot Nederland.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Een opmerking: ik vind het ingewikkeld om deugdelijke wetgeving uit te besteden aan het EVRM. Daar maakt de Raad van State ook geregeld een opmerking over, maar goed, dat terzijde. Mijn vraagt gaat over de gezinshereniging en de vertraging daarin. Gezinsleden die alsnog komen, maar wel vertraagd, lopen een achterstand op. Denk aan het ontstaan van eventuele gedragsproblemen in het land van herkomst, omdat ze daar langer blijven, maar ook aan uitgestelde integratie, wat ook weer doorwerkt in andere domeinen. Mijn vraag is hoe dit zich volgens het CDA tot elkaar verhoudt.

Mevrouw Straatman (CDA):
Ik denk niet dat ik het met die analyse eens ben, want de voorwaarden — niet alleen de wachttijd, maar ook de eis dat er voldoende inkomen is en dat er huisvesting is — helpen volgens mij juist bij een betere integratie. Wat je nu ziet, is dat mensen overkomen en veel te lang vastzitten in een azc, ook wanneer ze al een status hebben gekregen. Dat helpt zeker niet om te integreren. De extra voorwaarden die nu aan nareis worden gekoppeld, maken het juist veel makkelijker om op het moment dat je naar Nederland komt, meteen eigen onderdak te hebben en voldoende eigen middelen te hebben om mee te kunnen doen. Ik denk dus dat het de integratie juist kan bevorderen.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik vind het een wonderlijke vergelijking dat subsidiair beschermden in oorlogsgebieden die daar langer zijn, er voordeel van hebben dat ze daar langer blijven, omdat er hier dan inmiddels een inkomen en een thuis is. Ik denk dat die dingen niet tegen elkaar weggestreept kunnen worden. Mijn vraag richtte zich erop of het CDA heeft nagedacht over mogelijke stappen om de integratie in het land van herkomst of op andere plekken zodanig in te richten dat daarmee al gestart kan worden, wetende dat de wachttijden best wel lang kunnen zijn.

Mevrouw Straatman (CDA):
Voor het CDA is het heel belangrijk — dat staat ook in het coalitieakkoord — dat mensen die naar Nederland komen en kansrijk zijn, vanaf dag één kunnen meedoen, dus dat ze vanaf dag één taalonderwijs krijgen en dat ze binnen of na drie maanden aan het werk kunnen. Dat is denk ik de verantwoordelijkheid van Nederland op het moment dat ze de Nederlandse grens over zijn. Ik denk niet dat wij de verantwoordelijkheid hebben om mensen buiten Europa of in de landen van herkomst op die manier voor te bereiden op hun komst naar Nederland, juist vanwege het tijdelijke karakter. Het kan dan ook zomaar zo zijn dat de situatie in het land van herkomst anders is wanneer die wachttijd verstreken is en dat nareis dan helemaal niet meer aan de orde is.

De heer Dassen (Volt):
Er werd net gezegd: meer lucht creëren voor instanties. Het ging net ook nog even over ondersteuning bij de juridische procedures. Daardoor wordt het namelijk op dit moment extra druk voor de IND. De minister zegt dan: dat doen we vanwege sober beleid. Is dat dan wel verstandig volgens het CDA?

Mevrouw Straatman (CDA):
Ik heb het rapport van de IND, dat dit weekend naar buiten kwam, ook gelezen. Daarin geeft de IND juist zelf aan dat ze heel graag die taak bij zich houden, omdat ze dan het proces veel integraler kunnen doorlopen. Nu loopt het proces veel vertraging op, omdat men afhankelijk is van andere ketenpartners. In die zin begrijp ik waarom deze functie bij de IND belegd is. De capaciteitsproblemen bij de IND baren mij natuurlijk ook zorgen en er moet dus wel voldoende capaciteit voor zijn. Maar daarover zijn volgens mij al meerdere vragen aan de minister gesteld.

De heer Dassen (Volt):
Dat begrijp ik, maar daarom ben ik even zoekende. De minister geeft aan dat hij dit doet vanwege de sobere uitstraling. "Dat is de reden waarom ik dit doe." Hij doet het niet om de keten op orde te krijgen; dat was volgens mij wel altijd het uitgangspunt van het CDA. Zouden we de minister dan nu niet moeten oproepen om in ieder geval door te gaan met het beleid dat het mogelijk maakt dat de ngo's deze ondersteuning bieden? Daarmee voorkomen we namelijk dat we nu onevenredig grote druk op de IND zetten. Is het CDA dat met mij eens?

Mevrouw Straatman (CDA):
Ik ben het niet eens met de analyse van de heer Dassen dat de juridische counseling wordt belegd bij de IND om soberder beleid vorm te geven. Ik denk dat de juridische counseling op zichzelf wel een versobering is, maar of die nu bij de IND belegd wordt of bij een andere organisatie, is echt een andere discussie. Ik denk dat het juist efficiënt is om het bij de IND te beleggen, iets wat de IND zelf ook vraagt, om te voorkomen dat je te afhankelijk bent van verschillende ketenpartners. Dat is op zichzelf geen versobering en daar heb ik dan ook geen kritiek op.

De heer Dassen (Volt):
Dat was niet helemaal een antwoord op mijn vraag. "Sober beleid" komt van de minister, hè, en niet van mij. Mijn vraag was: zouden we de minister nu niet de opdracht moeten geven om ervoor te zorgen dat dit niet alleen bij de IND belegd wordt, omdat de IND aangeeft dat de druk te hoog wordt? Zouden we niet, zoals mevrouw Straatman zelf ook zegt, instanties meer lucht kunnen geven door deze mogelijkheid juist wel open te houden?

Mevrouw Straatman (CDA):
Dan is mijn antwoord dat de IND zelf aangeeft dat in het verleden gebleken is dat het veel vertraging in het systeem oplevert als je die taak bij heel veel verschillende instanties belegt. Efficiency in het proces maakt het juist noodzakelijk dat die taak bij de IND belegd wordt. Daarom lijkt het mij zeker een goede zaak dat die taak bij de IND wordt belegd. Maar we moeten er dan wel voor zorgen dat er voldoende capaciteit is en dat er ten tweede voor wordt gezorgd dat de onafhankelijke adviesfunctie van de IND ook duidelijk is voor asielzoekers.

De voorzitter:
Meneer Ceder. Wel graag binnen 30 seconden, want u zit aan uw max.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik heb nog één vraag. Er is een amendement binnengekomen van Vondeling en Wilders dat opnieuw regelt dat het in de wet strafbaar wordt gesteld. De kritiek op het amendement, dat mede door het CDA aan een meerderheid is geholpen, is niet verstomd. De katholieke kerk, de PKN en andere organisaties hebben zich hierover vorige week uitgelaten en mijn vraag is of dat nog iets doet met het standpunt van uw fractie in de Tweede Kamer. Of zult u ook nu voor dit amendement stemmen?

Mevrouw Straatman (CDA):
Ik denk dat het verleden heeft geleerd dat je niet heel snel ja of nee tegen een amendement moet zeggen. Je moet het eerst gelezen hebben! Ik heb er nog niet naar kunnen kijken en ik weet dus ook niet hoe mevrouw Vondeling en de heer Wilders dit amendement vorm hebben gegeven. Voor het CDA is het heel belangrijk dat medemenselijkheid nooit strafbaar mag zijn. Maar wij staan wel positief tegenover de strafbaarstelling van illegaliteit in het omkaderde amendement, zoals dat nu via een novelle bij de Eerste Kamer ligt. Daar hebben wij voor gestemd en in de tussenliggende periode is daar niets aan veranderd. Maar ik moet dus eerst rustig naar dit amendement kijken om te zien hoe het precies is geformuleerd.

De voorzitter:
Oké, mevrouw Straatman was aan het einde van haar bijdrage. We zijn inmiddels bijna tweeëneenhalf uur verder en ik vraag me af of de behoefte bestaat om even een paar minuutjes te schorsen. Ik zie dat iedereen dat graag wil. Sorry, mevrouw Lammers, want u bent bijna aan de beurt. Ik schors vijf minuten voor een snelle pitstop.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:
Ik verzoek de collega's die er al zijn om te gaan zitten. Kijk, mevrouw Lammers gaat nu wel gewoon zitten om te beginnen met haar eerste termijn! En dat kan, want de minister is er nu ook weer. Kamer en kabinet zijn er en we gaan nu gewoon aan de slag! Mevrouw Lammers, gaat uw gang.

Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
Voorzitter. Jarenlang is in Brusselse achterkamertjes gebakkeleid over een nieuw Migratiepact. Vandaag ligt de implementatiewet voor. Op papier oogt dit pact strenger dan de huidige wet- en regelgeving en dat is goed. Denk daarbij aan de verplichte grensprocedure en de screening. Maar het laat de kern van het asielprobleem intact. Asiel aanvragen binnen de Europese Unie blijft mogelijk, met alle aanzuigende werking van dien. De realiteit is namelijk dat de komende jaren nog honderden miljoenen mensen uit Afrika, Azië en het Midden-Oosten richting Europa willen komen. Die werkelijkheid heeft dit pact allang ingehaald.

Voorzitter. Ik wil drie punten over dit pact in dit wetgevingsoverleg benoemen. Allereerst de soevereiniteitsoverdracht als gevolg van dit pact. Onder de streep is dit pact vooral een verdere overdracht van zeggenschap aan Brussel, terwijl onze asielwetgeving nu al voor 90% wordt bepaald door Europese of internationale verdragen. Neem de crisisverordening van het pact. Waar lidstaten eerder zelf instrumenten hadden om nationale noodmaatregelen te nemen, worden die nu zwaar ingeperkt.

Alleen onder strenge Europese voorwaarden en toetsing door de Europese Commissie mogen lidstaten in uitzonderlijke situaties afwijken, en zelfs dan slechts beperkt. Dat is kwalijk, want wij willen niet méér Europa. Wij willen méér Nederland! Daar komt bij dat lidstaten verplicht worden om mee te doen aan herverdeling of om dat af te kopen voor wel €20.000 per asielzoeker. Maar wij willen geen van beide. Dit pact dwingt echter tot een keuze: of betalen voor herverdeling of betalen voor opvang. Dat is kiezen tussen twee kwaden.

Dan het tweede punt. Dit pact gaat op essentiële punten voor ons niet ver genoeg. De kern van het asielprobleem blijft namelijk onaangetast. Asielaanvragen vinden nog steeds plaats binnen de Europese Unie. Slechts voor kansarme aanvragen komt er een grensprocedure. De rest vindt op Europees grondgebied plaats.

Maar Europa zou Europa niet zijn als er geen uitzonderingsgronden waren. Alleenstaande minderjarige vreemdelingen mogen onder dit pact niet in de grensprocedure worden geplaatst en zij kunnen dus doorreizen. Een simpele optelsom leert wat de uitkomst daarvan zal zijn. Deze kinderen worden vooruitgestuurd, reizen door naar rijke landen zoals Nederland en niemand die ze iets kan maken. Uiteindelijk kan de grensprocedure daarmee feitelijk "leeg" blijven, als alle kansarme migranten hun kinderen vooruitsturen. Klinkt dit als een succesvol pact, vraag ik de minister.

Zolang mensen Europa bereiken en hier een procedure kunnen starten, blijft de instroom doorgaan en blijft het probleem voortduren. Er is een fundamenteel andere keuze nodig. Asielaanvragen dienen uitsluitend buiten de Europese Unie plaats te vinden en, ja, het mag duidelijk zijn dat er wat ons betreft geen enkele status meer wordt toegekend en er een totale asielstop komt. Maar ten minste moeten alle aanvragen buiten het EU-grondgebied plaatsvinden, zodat doorreizen wordt voorkomen. Kan de minister zich hierin vinden? En is hij bereid om in Europa te onderhandelen over een nieuw wetsvoorstel waarin alle aanvragen buiten de EU worden behandeld?

Daarnaast blijft in dit pact het meest fundamentele punt liggen, namelijk effectieve terugkeer. Zonder terugkeer heeft geen enkel migratieplan zin. In dit nieuwe pact zal de instroom blijven en is de uitstroom niet voldoende geregeld. Wij zeggen het de Britten na: if millions come, millions have to go. Vindt de minister dit ook? Waarom heeft dit kabinet er dan nog niet voor gekozen om bijvoorbeeld Syriërs gedwongen uit te zetten? Het kan! Het mag namelijk en andere EU-lidstaten doen het al, bijvoorbeeld Oostenrijk.

Voorzitter. Mijn derde en laatste punt is de uitvoerbaarheid van dit pact. Dit pact lijkt in de praktijk niet te gaan werken. De Europese buitengrenzen zijn duizenden kilometers lang en worden nu al onvoldoende bewaakt. Ook Frontex gaat dat probleem niet oplossen, zelfs niet met extra budget. Zonder fysieke grensbescherming blijft de uitkomst hetzelfde: meer illegale instroom, meer doorreis en dus meer druk op Nederland. Ondertussen geven landen zoals Polen en Hongarije al aan helemaal niets met het pact te gaan doen. Dan rijst onmiddellijk de vraag wat er dan met Dublinclaimanten uit die landen gebeurt en vooral hoe de verdeelsleutel wordt aangepast. Kan de minister mij daar een antwoord op geven? De kans is namelijk groot dat Nederland zoals altijd het braafste jongetje van de klas wordt en alle klappen moet opvangen. Migratie-expert Gerald Knaus, de bedenker van de Turkijedeal, waarschuwde in de uitzending van Nieuwsuur van 17 februari dat het pact op één grote mislukking zal uitlopen. Ik citeer: "Er wordt heel veel beloofd, maar deze zomer gaan we waarschijnlijk zien dat het faliekant misgaat, want de beloftes die zijn gedaan — betere grensbewaking, minder illegale migratie, meer terugzendingen — kunnen niet worden waargemaakt. Zelfs als we heel optimistisch zijn en het zou werken, dan zou nog vrijwel niemand worden teruggestuurd. Precies hetzelfde als we de afgelopen twintig jaar hebben gezien, zal opnieuw gebeuren. Asielzoekers verdwijnen in de zwarte markt of reizen door naar Noord-Europa."

Voorzitter. Toch is dit kabinet positief over het Europese Migratiepact. Ik vraag de minister: waarom toch? Nederland hééft helemaal geen Europees Migratiepact nodig en al helemaal geen pact dat op een mislukking dreigt uit te lopen. Wat Nederland nodig heeft, is een Nederlands migratiepact, met grenscontroles, zonder Spreidingswet en met een asielstop. De mensen thuis willen dit ook. Bij de afgelopen gemeenteraadsverkiezingen is er opnieuw een ruk naar rechts gemaakt. Nederlanders hebben er genoeg van. Steeds meer gemeenten willen geen azc en al helemaal geen dwang vanuit Den Haag. Het draagvlak brokkelt zichtbaar af. Dat is niet houdbaar, ook niet voor een minister die stoer "wet is wet" roept. De wet is de wet zolang je hem niet aanpast. Die aanpassing kan vandaag nog.

Wij komen daarom met enkele voorstellen als onderdeel van dat Nederlandse migratiepact. Allereerst noem ik ons meest essentiële punt: ons amendement om het dwangelement uit de Spreidingswet te halen. Gemeenten mogen nooit gedwongen worden om asielzoekers op te vangen omdat Den Haag de kraan niet dichtdraait. Dat is voor ons een no-go. Haal alle dwang uit die wet. Dat is ook een duidelijk signaal naar de kiezers. Ik vertrouw dan ook op brede steun van deze Kamer voor ons voorstel, mede gelet op de uitspraken van bijvoorbeeld de heer Klaver van GroenLinks-PvdA in de campagne voor de gemeenteraadsverkiezingen, waarbij hij zelf zei dat gemeentes zelf gaan over hun eigen opvang en dat we daar als Den Haag naar hebben te luisteren. Ik noem ook de uitspraak van Dilan Yeşilgöz bij Buitenhof waarin ze zei dat het voor gemeenten te veel wordt en het draagvlak voor de opvang van asielzoekers wordt weggenomen als er geen dwang wordt toegepast bij de aanhoudende instroom. Bij dit pact zal de doorreis blijven. Op het punt van de uitstroom is bijna niets geregeld. Een migratie-expert waarschuwt voor een ramp komende zomer. Ik zeg dus: haal de dwang weg. Graag ook uw reactie, minister, op ons amendement.

Een ander voorstel dat wij zullen doen is het afschaffen van de voorlopige voorziening in asielzaken. Nu kan de rechter op basis van individuele casuïstiek een asielbesluit laten schorsen. Dat moeten we niet willen. België heeft die mogelijkheid niet en Duitsland ook niet. Het zorgt voor chaos. Daarnaast is het ook niet aan de rechter om ons asielbeleid te bepalen, maar aan de regering en aan ons als Kamer, de gekozen vertegenwoordigers van het volk.

Voorzitter. Tot slot. Dit pact draagt soevereiniteit over aan Brussel, beperkt de instroom onvoldoende en lijkt in de praktijk niet te gaan werken. Dit kabinet kiest voor meer Europa, terwijl Nederland vraagt om minder. Dat is de kern van dit debat. Laat ik daarbij het volgende zeggen. Onze fractie beoordeelt dit pact uiteindelijk op wat er concreet verandert. Wij doen serieuze voorstellen. Als het kabinet en de Kamer bereid zijn om op fundamentele punten bij te sturen, zullen wij daar serieus naar kijken.

Dank u wel.

De voorzitter:
Oké. Dan gaan we luisteren naar de heer Boomsma, voor zijn eerste termijn. Hij spreekt namens JA21.

De heer Boomsma (JA21):
Dank u wel, voorzitter. Het huidige Europese asielbeleid is failliet, kapot en zelfs pervers. Wij doen alsof het humaan is, maar het levert ons uit aan mensensmokkelaars. Duizenden mensen sterven op zee. De armste mensen blijven achter. De kosten zijn onhoudbaar en de gevolgen voor Nederland onaanvaardbaar. Dit moet dus stoppen, maar het juridische moeras dat is ontstaan door internationale verdragen, Europees recht en ook door nationaal asielactivisme, frustreert de legitieme democratische wens om verandering.

Die spanning vreet aan het vertrouwen in onze samenleving en in onze rechtsstaat. Het nieuwe Asiel- en Migratiepact gaat dat helaas niet oplossen, vrezen wij. Het is inderdaad, zoals gezegd, geen wondermiddel, maar het lijkt ons vooral een poging om het kapotte systeem met pleisters en draadjes nog overeind te houden om nog maar even de pretentie vol te houden dat het houdbaar is. JA21 zal daarom blijven pleiten voor een fundamentele herziening van het hele asielstelsel. We moeten van asiel hier naar hulp daar, buiten de EU. Opvang en vestiging in Nederland moeten een gunst zijn en geen recht. Dat is de enige manier waarop wij zelf weer controle kunnen krijgen over wie zich hier vestigt.

De voorzitter:
Er is een interruptie van de heer Dassen.

De heer Dassen (Volt):
Is de heer Boomsma het met mij eens dat als je dat wil, we er in ieder geval voor moeten zorgen dat we meer gaan investeren in ontwikkelingssamenwerking?

De heer Boomsma (JA21):
Nee, want het is niet zo dat ontwikkelingssamenwerking — daar kun je voor of tegen zijn — ertoe zal leiden dat de migratiestromen zullen afnemen of dat de wens om zich in Europa te vestigen op korte termijn zal afnemen. Sterker nog, uit veel onderzoek blijkt ook dat als in bepaalde landen mensen meer geld hebben, ze ook makkelijker hiernaartoe kunnen reizen. Ik zei net al: de armste mensen blijven achter. Dus er kunnen hele goede redenen zijn om meer aan ontwikkelingssamenwerking te doen, maar dat staat los van dit streven.

De voorzitter:
U continueert.

De heer Boomsma (JA21):
Voor die fundamentele herziening zullen wij ons de komende tijd blijven inzetten. Het belangrijkste is dat de regering de komende tijd zo snel mogelijk afspraken gaat maken met die derde landen voor opvang daar. De mogelijkheden daartoe nemen sterk toe door de wijziging van het bandencriterium per 12 juni. Eerder is bij de begroting onze motie aangenomen om een plan van aanpak te maken en daar voor de zomer mee te komen. Ik weet overigens dat de minister zelf in 2023 een vergelijkbare motie heeft ingediend om dat zo te gaan inrichten. Het is voor hem ook een goede zaak dat dat nu eindelijk kan. Hoe staat het met de uitvoering? Daar zien we naar uit. We willen graag ook structurele updates over de voortgang op dat plan, ook als het gaat om het realiseren van terugkeerhubs en andere zaken met derde landen. Opvang elders is waar we naartoe moeten.

Dat neemt niet weg dat Nederland nu verplicht is om het pact te implementeren. Wat JA21 betreft moeten we dat op zo'n manier doen dat we de instroom naar Nederland zo veel mogelijk beperken. Mensen hebben het over nationale koppen, maar ik zie juist dat heel veel Europese landen steeds maar strenger worden en dat Nederland achterblijft. In Zweden bijvoorbeeld is de asielinstroom dit jaar opnieuw met 40% gedaald. In het afgelopen jaar was er een enorme daling in Zweden te zien, terwijl dat juist een van de meest ruimhartige landen was. Nederland blijft achter, want in week 12 zien we dat er weer 1.000 per week kwamen. Cruciale vragen zijn: in hoeverre doen we dat nu met die instroom met de voorliggende wet en in hoeverre zijn Nederland en de uitvoeringsdiensten klaar om dat goed uit te voeren?

We zijn bij de implementatie natuurlijk ook sterk afhankelijk van wat andere landen doen. Velen hebben het daar al over gehad. Daar wil ik dan ook mee beginnen, want daar hebben we nog wel wat zorgen over. Het hele idee is dat het Dublinstelsel, dat de meeste EU-landen nu al jaren aan hun laars lappen, nu wel weer gaat werken en dat Italië, Griekenland en Spanje niet meer tegen mensen zeggen: toe maar, ga maar lekker naar Noord-Europa. Ze moeten nu mensen wél gaan registreren en in de procedure gaan nemen. Hoe kun je controleren of die landen dat daadwerkelijk gaan doen en hoe gaat Nederland daarop toezien? Dat is natuurlijk wel cruciaal.

Als het duidelijk is dat iemand niet via een luchthaven is gekomen, wat geldt voor een grote meerderheid, zoals mevrouw Van der Plas ook al aangaf, ben je dus over land gekomen en dan ben je eerst in een veilig land geweest. Dan moet je dus terug. Hoe gaan we daarmee om? In dat kader lijkt het ons ook zinnig om de grenscontroles nog even voort te zetten. Wat gaan andere landen die zijn begonnen met grenscontroles, na 12 juni doen?

Als ruil voor de herstart van het Dublinsysteem volgt nu het solidariteitsmechanisme. JA21 is geen voorstander van die Europese spreidingswet. In ieder geval moet Nederland conform de motie-Eerdmans zo veel mogelijk afkopen in plaats van opvangen. Het gaat nu volgens de wet om minimaal 30.000 mensen, maar de Europese Commissie kan volgend jaar ook besluiten om voor 2027 te gaan voor 200.000 of 400.000 mensen. Wat verwacht de minister? Welke invloed probeert Nederland daarop uit te oefenen? JA21 blijft van mening, net als de SGP, dat niet alleen bbp en bevolking moeten worden meegenomen in de bijdrage, maar ook de bevolkingsdichtheid, dus het feit dat Nederland het meest dichtbevolkte land van Europa is.

Wat is de stand van zaken ten aanzien van de inzet van het kabinet voor Dublincompensaties uit het verleden als solidariteitsbijdrage? Wij zouden zeggen: neem ze allemaal en doe dat zo volledig mogelijk, ook voor de afgelopen jaren. Hoeveel mensen die eigenlijk Dublinclaimanten waren maar die niet konden worden teruggestuurd, heeft Nederland eigenlijk de laatste tijd opgevangen? Is het nu de inzet om dat allemaal te verrekenen?

Dan de implementatie door Nederland, te beginnen bij de nieuwe procedureverordening. Ik ga niet opnieuw in op het beperken van de nareis, het overgangsrecht en de zaken die al geregeld zijn bij de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet tweestatusstelsel. Daarover hebben we al uitgebreid gedebatteerd. Die wetten zijn aangenomen door de Tweede Kamer. Er is nu een uitgebreid onderzoek gekomen naar de nieuwe werkwijze. Dat heeft de IND opgesteld en dat hebben wij zaterdag gekregen, maar dat rapport is van 9 maart. Ik had het op zich wel prima gevonden om dat op 10 maart te krijgen, gezien de drukte waarmee we nu te maken hebben en juist gezien het beroep van velen op ons om de wet zo snel mogelijk te behandelen. Ik hoor graag een reactie van de minister op de risico's die daarin worden aangekaart.

In alle besluiten zit natuurlijk een spanning tussen snelheid en zorgvuldigheid in de asielprocedure. Je wilt een snel besluit maar ook een zorgvuldig besluit. Nu wordt de procedure sneller en efficiënter gemaakt, maar wordt die daardoor ook minder zorgvuldig? Dat is een zorg die wij hebben. Ik wil graag dat de minister daar even op ingaat. Specifiek vreest JA21, zeker gezien het terechte streven om al die achterstanden weg te werken, dat de neiging dan nog groter kan worden om dan maar asiel te verlenen, omdat je snel een beslissing wilt. Een vergunning geven kost gewoon de minste tijd en procedures. We willen wel de duidelijke toezegging dat er geen concessies worden gedaan aan de zorgvuldigheid en aan de belangrijke wens om echt alleen asiel te verlenen als de noodzakelijkheid daarvan hard is aangetoond. Liever wachtlijsten dan hoge toekenningen. We willen dan ook dat na de invoering van het pact en de werkwijze de toekenningspercentages goed worden gemonitord, ook bij het land van herkomst, zodat wij dat kunnen volgen. Snelheid in die eerste fase mag niet niet leiden tot meer fouten of onzorgvuldigheden, met juist meer problemen en kosten naderhand. Ik hoor graag hoe de minister het laatste wil voorkomen.

Bij de aanvang van de procedure wordt de juridische bijstand door een advocaat vervangen door counseling. Dat kunnen wij steunen; dat lijkt ons goed. Het is zaak dat mensen een eerlijk verhaal gaan vertellen en er goed en feitelijk geïnformeerd wordt. Hoe ziet de regering het risico dat mensen voor de formele aanvraag al juridisch advies van advocaten gaan inwinnen? Gaan ze dat niet gewoon van tevoren al doen? Er gaan nu al handleidingen rond met instructies over wat je precies wel en niet moet zeggen. Hoe wordt dat bestreden? Daarbij is ook van belang, lijkt ons, dat de meest gevoelige aspecten van landenberichten niet openbaar zijn. Hoe ziet de minister dat?

De voorzitter:
Een interruptie van de heer Ceder.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik haak even aan op het laatste punt. Ik denk inderdaad dat er een verschuiving plaatsvindt als het gaat om juridisch advies. De mensen zijn niet gek en laten zich goed informeren. Ik vraag me alleen af wat de heer Boomsma bedoelt met zijn vraag hoe we dit kunnen voorkomen. Het staat eenieder toch vrij om juridisch advies in te winnen? Ik ben benieuwd wat JA21 op dit punt zou willen. Zou JA21 willen dat mensen geen juridisch advies mogen inwinnen?

De heer Boomsma (JA21):
Dat is een heel terechte vraag. Mensen hebben zeker het recht om juridisch advies in te winnen. Alleen horen en zien wij in de praktijk dat het vaak voorkomt dat mensen worden gedrild en geïnformeerd over hoe je het systeem kunt omzeilen en welk verhaal je moet houden om de kans op asiel zo hoog mogelijk te maken. Daarmee wordt dus op een bepaalde manier misbruik gemaakt van het systeem. Dat willen wij voorkomen. Er gaan instructies rond over hoe je je verhaal het beste kunt houden en wat je moet zeggen om de kans op asiel te vergroten. Wij willen dat mensen gewoon eerlijk hun verhaal vertellen. Als ze dan recht hebben op asiel, hebben ze dat. Maar er zouden niet allerlei trucjes mogen worden gebruikt om die kans zo hoog mogelijk te maken, als dat erop neerkomt dat het systeem wordt misbruikt.

Voorzitter. Mevrouw Straatman sprak er ook al over: de IND kan enkel minimale inrichting implementeren. Ook ik begreep dat niet. Wat betekent "minimale inrichting" precies? Hoeveel fte wordt daarvoor dan vrijgemaakt? Hoeveel is er nodig en wat er gaat er dan later nog veranderen?

Mensen moeten nu op een tablet hun gegevens invullen. Het COA vreest problemen met de zelfredzaamheid, maar de IND niet. Graag een toelichting daarop. Is het risico van het wegvallen van het intakeverhoor niet dat er minder zicht komt op mogelijke fraude of kwetsbaarheden? Vaak genoeg zegt iemand "Ik kom uit Syrië", terwijl die later uit Marokko blijkt te komen. Ik spreek mensen die dat honderden keren voorbij hebben zien komen. Is dus het werken met tablets niet gevoeliger voor fraude, of fouten per ongeluk? Het laatste is natuurlijk ook mogelijk, want niet iedereen is digitaal handig. Wat zijn de gevolgen als de informatie onvolledig of onjuist is?

Dan de volgende vraag. Wordt er ook meer gebruik gemaakt van AI, bijvoorbeeld om taal of accenten te analyseren? Het lijkt mij dat dit kansen biedt.

De Dienst Terugkeer en Vertrek vreest dat het misschien juist moelijker wordt om mensen later terug te sturen als die mensen de gegevens zelf op een tablet mogen invullen. Dat moeten we natuurlijk niet willen. Ik hoor dan ook graag een reactie daarop van de minister.

Er wordt asielzoekers nog tijdens de screeningsfase gevraagd naar hun reisgegevens en naar de wijze waarop ze hier zijn gekomen. Is dat een vraag die wordt opgenomen in die tablets? Hoe wordt dat dan gecontroleerd? Als blijkt dat mensen bijvoorbeeld via Italië of Duitsland zijn gekomen, maar daar niet zijn geregistreerd, kunnen ze dan alsnog worden teruggestuurd?

Natuurlijk is het essentieel — de SGP begon daar ook over — om gegevens uit te kunnen lezen. Dat maakt alles veel effectiever. De rechter heeft geoordeeld dat daarvoor een wettelijke grondslag moet worden opgenomen. Het wetsvoorstel daartoe zou in het najaar van 2025 in consultatie gaan. Waar blijft dat wetsvoorstel? Het lijkt me ook veel beter om die wettelijke grondslag meteen te implementeren, om te voorkomen dat je later, als die wetgeving er wel is, je werkwijze moet aanpassen. Wij zijn dus bezig te bekijken of we dat via een amendement nu al naar voren kunnen halen.

Het geheel zal leiden tot meer beroepsprocedures. Daarvoor heeft de IND meer mensen nodig. Hoeveel meer mensen heeft de IND nodig? Ligt het aannemen van die mensen inderdaad op schema?

JA21 wil de juridisering van het asielbeleid zo veel mogelijk terugdringen. Daarom willen we ook dat juridische bijstand zo veel mogelijk wordt beperkt, ook in de beroepsfase. De mate van kans van slagen van een beroep lijkt slechts een beperkte rol te spelen bij het in beroep gaan, constateert de regering zelf. Daarom hebben wij daar een amendement voor opgesteld. De IND komt dus met een aparte screening voordat zaken in beroep gaan. Hoe ziet die screening eruit? Wordt er alleen gekeken of de IND zelf iets heeft gemist of ook naar de kans van slagen van zo'n beroep?

Voorzitter. Al die wijzigingen vragen natuurlijk enorm veel van de uitvoeringsorganisaties, met name van de IND. Groot respect voor wat de IND allemaal doet en waar ze mee bezig zijn. Laat ik dan ook in algemene zin aan de minister vragen of de IND klaar is om de stelselwijziging door te voeren. Een jaar geleden is er nog een motie ingediend door mijzelf, gesteund door de heer Bontenbal en de heer Van Dijk, om alle stappen te zetten om de IND klaar te maken, zodat de voorwaarden er zijn voor een succesvolle implementatie. Wat ziet de minister nu nog als de grootste risico's?

JA21 wil dat er voldoende capaciteit overblijft voor alles eronder, ook voor onderzoek naar mogelijke fraude en de opvolging van zaken, om te kijken of alles wat mensen hebben gezegd, wel klopt. Dat is ook om op te kunnen treden als mensen terugreizen naar het land van herkomst of als mensen zaken verkeerd hebben voorgesteld en voor de herbeoordeling van statussen. De minister heeft in antwoord op onze vragen aangegeven dat het achterhouden van relevante feiten voor de IND aanleiding kan zijn om een herbeoordelingsprocedure op te starten. Hoe vaak is dat gedaan? En hoe vaak verwacht de minister dit na juni nog te kunnen doen?

Het antwoord op onze vraag 435 stelt ons niet helemaal gerust en ik begrijp dat ook niet helemaal. De IND zegt tot een instroom van 25.000 aanvragen de wettelijke termijn te kunnen naleven. Is er daarbij rekening gehouden met de capaciteit voor herbeoordelen, bijvoorbeeld van de Syriërs? Wat JA21 betreft is dat heel cruciaal en extreem urgent. Dat mag niet in gevaar komen omdat we de achterstanden moeten wegwerken. Daar moet gewoon echt voldoende capaciteit voor blijven. Het antwoord van de minister is: we hebben geen rekening gehouden met eventualiteiten met een niet aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid. Ik begrijp gewoon niet wat dat betekent.

Voorzitter. Ik kom tot de Opvangrichtlijn. Wanneer komt er duidelijkheid over de opvang van Dublinclaimanten en de invulling daarvan? Dat betreft inderdaad de versoberde opvang. België heeft besloten om die mensen überhaupt geen opvang meer te bieden, om zo asielhoppen te voorkomen. Hoe ziet de minister dat? Wat zijn de gevolgen van al deze wijzigingen voor de procesbeschikbaarheidsaanpak die is ontwikkeld?

Voorzitter. Het wordt voor asielzoekers mogelijk om eerder te werken. Enerzijds biedt dat kansen, omdat er arbeidstekorten zijn en het doorgaans veel beter en gezonder is voor mensen om aan de slag te gaan dan om te zitten niksen en wachten. Bovendien kunnen ze dan een bijdrage leveren aan de kosten van de opvang. Maar dit mag natuurlijk niet een extra motief worden om asiel aan te vragen in Nederland omdat je zo al vrij snel geld kunt gaan verdienen. Dit mag natuurlijk ook nooit een factor worden in het beoordelen van asielaanvragen. Hoe gaat de minister dat voorkomen? Wij willen dat verduidelijkt wordt dat de termijn van drie maanden, als die er komt, alleen gaat gelden voor de meest kansrijke asielzoekers en niet voor de andere groepen. Daarom hebben wij een amendement ingediend. Ik hoor graag hoe de minister dat ziet.

De afgelopen jaren liepen werkgevers aan tegen allerlei bureaucratische beperkingen. Zijn de gemeenten klaar met de inrichting van de BRP-straten, zodat dit geen bottleneck wordt? Dan kun je ervoor zorgen dat de IND proactief een signaal geeft als iemand een bsn kan krijgen om te werken. Dan wordt dat automatisch opgelijnd.

Voorzitter. We hebben ook een ... O, ik zie dat er een vraag is.

De heer Van Asten (D66):
Ik hoor de collega een vraag stellen over het punt dat mensen in een niet-kansrijke positie niet aan de slag zouden mogen gaan. Ik ben even benieuwd waarom dat eigenlijk een probleem zou zijn. Het gaat dan om mensen die bijdragen aan een vermindering van het arbeidstekort dat wij hier hebben.

De heer Boomsma (JA21):
Als het gaat om mensen van wie de asielaanvraag zeer kansarm is, dan betekent dat dat er mensen komen terwijl ze geen recht hebben op asiel. Dan komen ze dus om een andere reden. Dat zijn hele groepen. Daar hebben we ook veel last van. Dat zijn bijvoorbeeld de veiligelanders. Die moet je natuurlijk niet het recht geven om te gaan werken, want je wil niet dat je mensen stimuleert om hiernaartoe te komen met dat doel. Dan misbruik je eigenlijk de mogelijkheden voor asielopvang om hier te kunnen gaan werken. Ik denk dat dat geen denkbeeldig risico is, want voor veel mensen kan het aantrekkelijk zijn om dan alvast wat geld te gaan verdienen. Je wil dus geen extra motief geven om hiernaartoe te komen. Dat is het eigenlijk; vandaar dat amendement.

We hebben inmiddels een behoorlijk aantal azc's bezocht. Ik heb directeuren gesproken die aangaven dat het wat hen betreft heel wenselijk zou zijn als er een wettelijke mogelijkheid komt om mensen een sollicitatieplicht te geven of een verplichting om deel te nemen aan cursussen. Op dit moment kan dat niet. Hoewel veel asielzoekers natuurlijk willen werken, zijn er ook mensen die dat niet willen en die met een bepaalde drang daartoe gemaand moeten worden, als steuntje in de rug. Als mensen gaan werken, wordt natuurlijk ook een behoorlijk deel van hun inkomsten afgeroomd om bij te dragen aan de kosten van de opvang. Dat is natuurlijk ook goed. Maar dat kan ook een reden zijn voor mensen om te zeggen: ik wil dat niet; ik doe er niet aan mee. Dan is het heel handig voor directeuren dat ze iets van een middel hebben om mensen ertoe aan te zetten, is ons ook verteld vanuit het veld. Dus vandaar dat amendement.

De voorzitter:
Er is een interruptie van mevrouw Van der Plas.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
"Asielzoekers aan het werk laten gaan" klinkt op zich allemaal mooi, maar dat betekent ook dat zij zich gaan hechten en vrienden en collega's krijgen. Als ze dan alsnog terug moeten, is dat natuurlijk wel vrij pijnlijk. Hoe ziet JA21 dat?

De heer Boomsma (JA21):
Dat is de reden dat wij tot nu toe ook altijd kritisch zijn geweest over het verruimen van de mogelijkheden om te gaan werken. Er zijn natuurlijk een aantal rechterlijke uitspraken over geweest. In het Asiel- en Migratiepact wordt die termijn van zes maanden in ieder geval verplicht. In het voorstel van de regering wordt dit aangegrepen om het nog verder te verruimen. Er zijn natuurlijk ook voordelen, dus dat is een afweging die je moet maken. Daarom heb ik ook aan de minister gevraagd om te bevestigen dat dit nooit een rol mag spelen in het verlenen van asiel en dat dit er ook niet toe mag leiden dat meer mensen hiernaartoe komen specifiek met dat doel. Dat zullen we ook goed moeten monitoren, want dat is wel degelijk de kanttekening hierbij.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Onwillige mensen die helemaal geen zin hebben om te werken en die er gewoon niet aan mee willen doen, ga je dan dwingen of verplichten om aan het werk te gaan. Wat betekent dat voor werknemers als je mensen compleet ongemotiveerd aan het werk laat gaan?

De heer Boomsma (JA21):
Er zijn heel veel mensen die moeten werken en daar niet per se heel blij mee zijn. Dat geldt natuurlijk voor heel veel mensen in de hele samenleving. Het is ook niet zo absoluut. Het is niet zo dat mensen die met een bepaalde mate van drang ertoe worden aangezet, zich vervolgens alleen maar onwillig opstellen. Kijk, als mensen alleen maar gaan schreeuwen en dwars gaan liggen, dan kan er misschien een maatregel volgen. Maar ik denk dat er best veel mensen zijn die er even toe gebracht moeten worden en die, als ze eenmaal aan de slag zijn, ook zien dat het gewoon beter is.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Als asielzoekers dan aan het werk gaan, maar niet willen of zich op dag één al ziek melden om wat voor reden dan ook, is er dan ook nagedacht over hoe dat bij werkgevers terecht gaat komen?

De heer Boomsma (JA21):
Dat kan overal. Dat kan ook als het gaat om anderen en niet om asielzoekers. Het kan dat mensen zich op dag één ziek melden. Er zijn ook mensen die in de bijstand zitten. Die hebben een sollicitatieplicht. Daarbij kunnen er ook mensen zijn die aan het werk gaan en daar aanvankelijk niet op zaten te wachten. Ik denk dus dat dat veel breder speelt. Als je in de praktijk merkt dat dat echt niet werkt, kun je mensen moeilijk fysiek verplichten om te gaan werken. Dan zullen ze dat kunnen verhinderen. Zoals ik al zei, begrijp ik vanuit het veld dat er best kansen liggen om mensen daartoe te manen en om enige drang uit te oefenen. Ik begrijp dat dat voor veel mensen uiteindelijk beter is en dat men zich dat gaat realiseren.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik heb een vraag over dat punt. Natuurlijk is het goed om mensen aan te sporen om te gaan werken. Alleen, voor mij is dit punt ondoordacht. Dat vind ik vaker als we het met elkaar over migratie hebben. We zitten inderdaad met elkaar in een situatie waarin je werkgevers belast. Mevrouw Van der Plas heeft een punt. Als je je ziek meldt, ontstaan er vervolgens bepaalde verplichtingen voor werkgevers. Ik zie dat niet terug in het amendement. Ik zie ook geen opt-out voor azc-directeuren. Kunt u dus uitleggen wat in principe uw plan is, ook op het moment dat er weigeringen plaatsvinden?

De heer Boomsma (JA21):
De vraag verbaast me wel een beetje, want de heer Ceder doet net alsof asielzoekers hele andere mensen zijn dan andere mensen in Nederland. Er zijn ook allerlei mensen in Nederland die inderdaad moeten werken om aan geld te komen. Als ze echt willen, kunnen die zich ook ziek melden. Dat gebeurt inderdaad. Laten we niet meteen uitgaan van het slechtste in de mens. Dit amendement schept een wettelijke grondslag voor directeuren van het azc om het te kunnen doen. Het stelt het niet verplicht. In veel gevallen zal het ook niet nodig zijn. In veel gevallen zullen mensen zelf willen werken of zijn er andere redenen om ervan af te zien. Het amendement voorziet ook in wettelijke grondslag om mensen te vragen, maar ook te kunnen verplichten om deel te nemen aan cursussen. Daar ligt ook nog een keuze in. Als mensen echt niet willen werken, zou je kunnen zeggen: wil je dan wel deze cursus gaan volgen? Er zijn dus meerdere opties mogelijk. Het gaat erom dat het managen van een azc lastig is. Het schept allerlei uitdagingen. Als je mensen hebt die niks te doen hebben en die dwarsliggen, dan kan het handig zijn om ze op deze manier te manen om aan de slag te gaan, wat vervolgens voor de andere bewoners van het azc gewoon een goed idee is.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik snap de goede bedoelingen van de heer Boomsma. Ik ben het ook met u eens: werken helpt. Het helpt ook om mensen aan te sporen. Alleen, u treedt op als medewetgever. U dient een amendement in zonder consequenties. Als dit artikel namelijk niet wordt nageleefd door de ander, zie ik daarin geen verplichting. Ik doe een beroep op u, als medewetgever, om uit te leggen wat de gevolgen zijn als iemand uitvalt, niet alleen voor de directeurs, maar ook voor degene die de oproep krijgt en voor een potentiële werkgever. Als je dat niet kunt, snap ik dat. Maar ik zou voorzichtig zijn met het indienen van het amendement, als dat ondoordacht is.

De heer Boomsma (JA21):
De heer Ceder moet even goed het amendement lezen. Er staat helemaal niet in dat het voor iedereen verplicht wordt, want dat kun je inderdaad helemaal niet handhaven. Er staat alleen dat er een wettelijke grondslag wordt opgenomen om het te kunnen doen. Dat is dus iets anders. Directeuren van azc's hebben ook altijd de mogelijkheid om er geen gehoor aan te geven, om die verplichting niet op te leggen. Dat is wezenlijk anders dan hoe de heer Ceder het nu schetst.

De voorzitter:
Kort, meneer Ceder.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik ga dit toch doen. We doen dit te vaak als het om asiel gaat. Ik doel op het indienen van slechte wetten, die dan ook nog worden aangenomen. Achteraf heeft de uitvoering daar de gevolgen van te dragen. Stel dat een directeur zegt: ik leg dit op en ga hiervan gebruikmaken, als dit wordt aangenomen. Stel dat een asielzoeker zegt, om welke reden dan ook: dat ga ik niet doen. Wat zijn volgens de heer Boomsma dan het gevolg en de meerwaarde van deze wet, afgezien van de situatie waarin een directeur het zelf probeert zonder wetgeving? Wat gebeurt er volgens de heer Boomsma als dit niet wordt nageleefd?

De heer Boomsma (JA21):
Ik zie de zorg van de heer Ceder als het gaat om ondoordachte wetgeving. Alleen, ik denk dat daar in dit geval helemaal geen sprake van is. Het amendement heb ik overigens een jaar geleden ook ingediend, bij de Asielnoodmaatregelenwet. Dat heb ik daarna ingetrokken, omdat ik dacht: laten we niet allerlei nieuwe amendementen indienen die de wet veranderen; het is al belangrijk genoeg dat die twee wetten er nu komen. Dat hebben we geweten. Helaas heeft niet iedereen dat gedaan. Maar er is dus wel degelijk langer over nagedacht. Ik heb dit overlegd met het veld. Ik wacht op de reactie van de minister zo meteen. Nogmaals, het schept alleen een wettelijke mogelijkheid om het te doen. Als het in de uitvoering op problemen stuit, zou men er gewoon vanaf kunnen zien. Dat risico zie ik dus niet. Maar als de heer Ceder nog andere risico's ziet, hoor ik het graag. Dan kunnen we daar alsnog over in gesprek.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
De heer Boomsma zei net: alsof asielzoekers andere mensen zijn dan mensen die nu in Nederland wonen. Het zijn misschien geen andere mensen, maar het zijn wel veel mensen met een getraumatiseerd verleden. Als een directeur dan aankondigt dit te gaan doen, dan vraag ik me wel af welke gevolgen dit voor de werkgever heeft, maar ook voor de asielzoeker in kwestie. Welke rechten en plichten gaan hier dan uit voortvloeien voor iedereen? Ik zou daar toch wel wat duidelijker antwoord op willen hebben, want dit lijkt me een beetje vaag op deze manier.

De heer Boomsma (JA21):
Vaag? Mevrouw Van der Plas zegt: asielzoekers hebben vaak een getraumatiseerd verleden. Dat klopt, maar de hele wetgeving is er nu op gericht dat veel mensen na drie maanden kunnen werken. Dat verander ik nu dus niet. Als mensen vervolgens asiel krijgen en in een bijstandsuitkering komen, dan wordt er ook gevraagd om te gaan werken. Mevrouw Van der Plas doet nu alsof er een enorm verschil bestaat, maar die situatie verandert helemaal niet door dit amendement. In de praktijk zul je er natuurlijk rekening mee moeten houden. Als mensen echt getraumatiseerd zijn, dan zullen ze hulp moeten krijgen om daarmee om te gaan. Er zullen ook mensen zijn die inderdaad misschien niet kunnen werken. Die ga je natuurlijk niet zo'n verplichting opleggen. Daarom staat in het amendement ook dat je kunt kiezen en dat je een keer kunt zeggen: ik neem deel aan een cursus. Dus ja, volgens mij is dit gewoon een goed idee. Dat is ook wat wij terughoren uit het veld.

De voorzitter:
Mevrouw Van der Plas, kort.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik zeg ook niet dat het per se een slecht idee is. Ik wil er gewoon voor waken dat als een directeur bijvoorbeeld zegt dat hij dit wil toepassen, hij dan wel goed genoeg weet welke rechten en plichten er voor hem, voor de asielzoeker en voor de werkgever zijn, en dat dit goed genoeg is uitgedacht op die manier. Dat is mijn enige zorg. Nou ja, het is niet mijn enige, maar een van de zorgen.

De voorzitter:
Meneer Boomsma, kort nog een keer.

De heer Boomsma (JA21):
De wet voorziet er nu in dat mensen kunnen werken. Mensen die in een uitkeringssituatie zitten, kunnen ook een sollicitatieplicht worden opgelegd. Die kunnen dan dus ook met enige drang worden gemaand om te werken. Ons hele stelsel is daar dus op ingericht. Daar zitten risico's aan verbonden; die zul je moeten managen. Dat er ook rechten en plichten aan verbonden zitten, is hier inderdaad het geval, maar dat is ook het geval zonder sollicitatieplicht. Daar zal men inderdaad een weg in moeten vinden. Als mensen hier gaan werken, mag dat wat ons betreft — dat heb ik herhaaldelijk gezegd — niet in de weg staan voor of van invloed zijn op de beslissing om al dan niet asiel te verlenen. Iemand kan dus aan het werk zijn gegaan, maar vervolgens toch geen asiel verleend worden, omdat hij daar geen recht op heeft. Dan moet hij alsnog terug. Dan zal daar rekening mee moeten worden gehouden in de relatie met de werkgever. Maar dit is misschien ook een goede vraag om aan de minister te stellen: welke risico's ziet hij op dat vlak? Daar kunnen namelijk inderdaad wel knelpunten ontstaan. Die veranderen niet specifiek door dit amendement, maar wel door de wijziging dat mensen na drie maanden al kunnen werken.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dan wil ik de minister inderdaad vragen om hier wel echt even heel goed op in te gaan, want zomaar even een amendement aannemen met straks verstrekkende gevolgen, willen we natuurlijk niet.

De voorzitter:
Ik wil me nergens mee bemoeien, maar ik kan me indenken dat hier ook wat SZW-aspecten aan zitten. Dat gaan we zo van de minister horen. Meneer Boomsma, hoever bent u in uw betoog?

De heer Boomsma (JA21):
Ik ben redelijk aan het einde.

De voorzitter:
Redelijk aan het einde. Gaat u verder.

De heer Boomsma (JA21):
Ik wil verder nog ingaan op de crisisverordening. Die maakt het nu dus expliciet mogelijk dat noodmaatregelen worden genomen, maar wanneer kan die worden ingeroepen? Dat staat niet echt gespecificeerd. Ik vraag dit ook in het licht van wat het coalitieakkoord stelt over aanvullende maatregelen om bijvoorbeeld nareis tijdelijk te stoppen. Wat ons betreft is de nood nu al aan de man. We hebben nu al een groot probleem. We zouden nu al noodmaatregelen moeten nemen, want Nederland kan het nu ook al niet meer aan. We waren op werkbezoek in Polen. Daarbij bleek dat de Poolse regering dit nu ook al doet. In dat land hebben ze gewoon een asielstop aangekondigd bij de grens, sinds maart vorig jaar. Blijkbaar kan dat. Ze worden niet teruggefloten door de Europese Commissie of door wie dan ook. Hoe ziet de minister dat dan? Ik wilde ook het volgende vragen. Welke andere Europese landen beroepen zich nu al op deze gronden of op andere gronden om af te wijken van de Europese regels? Welke landen houden zich nu ook niet aan de Europese regels? Duitsland houdt zich aan de grenzen volgens mij niet aan de Europese regels. U kent natuurlijk allemaal Hongarije. Maar ook België vangt alleenstaande mannelijke asielzoekers niet meer op. Allerlei landen nemen dus al verdergaande maatregelen dan Nederland en wij blijven steeds maar achter. Ik heb het idee dat dat er dus ook mee te maken heeft dat wij nog steeds met die hoge instroom zitten, terwijl die in andere landen wel omlaaggaat.

Tot zover.

De heer Dassen (Volt):
Een korte vraag over dat laatste. Is dit niet precies het probleem waarmee we te maken krijgen als we een Europees Migratiepact met elkaar afsluiten en alle landen vervolgens toch weer heel strenge eigen nationale maatregelen gaan implementeren? Daardoor krijgen we die race to the bottom. Daardoor zitten we straks in de situatie dat we weliswaar een pact hebben, maar iedereen in elk land toch zelf maar wat doet.

De heer Boomsma (JA21):
Inderdaad. We hebben een Europese race to the bottom qua asielbeleid en dat is verschrikkelijk. Dat vind ik ook het funeste en hypocriete aan het hele huidige asielsysteem. Daarom vinden wij dat er een fundamentele verandering moet komen. Wij doen nu inderdaad alsof we een heel humaan stelsel hebben, maar omdat allerlei landen het eigenlijk niet willen, gaan ze allerlei manieren bedenken om asielzoekers alsnog te ontmoedigen en in sommige gevallen zelfs weg te pesten. Dat alles om maar onder die regels uit te komen. Dat vind ik onderdeel van het probleem en daarom denk ik dat een veel fundamentelere herziening van het hele asielstelsel nodig is. Maar nu we in dit systeem zitten, kan Nederland ook niet achterblijven. Het kan ook niet zo zijn dat allerlei andere landen verdergaan en wij als Nederland dat niet doen, met als gevolg dat de instroom in Nederland hoog blijft. Wij hebben ook nog het meest dichtbevolkte land van Europa. Ons hele asielstelsel piept en kraakt. Onze opvang kan het ook niet aan. In die tragische situatie bevinden we ons nu inderdaad.

De heer Dassen (Volt):
Dit is natuurlijk een probleem. We zouden in plaats van meedoen aan die race to the bottom er als Nederland ook voor kunnen kiezen andere landen erop aan te spreken dat het onacceptabel is. We hebben een pact afgesloten met elkaar dat ervoor moet zorgen dat we een gezamenlijk Europees asielbeleid krijgen, maar we zien dat andere landen eigenstandig zaken aan het doorvoeren zijn. Daardoor krijgen we, precies zoals de heer Boomsma zei, een race to the bottom. Zouden we de minister niet mee moeten geven dat hij hier in Europa kritischer op zou moeten zijn richting collega-landen?

De heer Boomsma (JA21):
Ik denk niet dat we kritischer moeten zijn richting andere landen. Ik denk dat wij ook dergelijke stappen moeten zetten. Dat klinkt inderdaad als iets onwenselijks, maar ik denk dat het onvermijdelijk is. Het hele punt is dat het huidige systeem allerlei perverse prikkels bevat. Wij zeggen tegen mensen over de hele wereld: "Kom naar de EU, want wij zijn zo humaan dat we u asiel verlenen als u in de problemen zit. U moet alleen wel eerst illegaal hiernaartoe reizen via een gevaarlijke route." Dat deugt niet. Het is ook een soort openeinderegeling. Er zijn heel veel mensen op aarde die natuurlijk liever naar Europa zouden willen komen en die worden gestimuleerd om dat te doen of die hiernaartoe worden gelokt. Omdat wij en heel veel andere landen dat eigenlijk helemaal niet aankunnen, verzinnen we allerlei manieren om daar onderuit te komen, in plaats van dat we die realiteit onder ogen zien en tot een fundamentele herziening van het asielstelsel komen. Dat is waar we nu in zitten. Nogmaals, ik denk dus dat we daarom echt naar een fundamenteel ander stelsel moeten.

De heer Dassen (Volt):
Laatste vraag. Misschien interpreteer ik de heer Boomsma verkeerd, maar pleit hij in dat andere stelsel dat er zou moeten komen dan ook voor legale migratieroutes? Dan hoeven mensen die oversteek niet meer te maken en krijgen ze in het land van herkomst al meer duidelijkheid. Dat is uiteindelijk goed voor de mensen die daadwerkelijk op de vlucht zijn. Dat is ook goed voor de mensen die hier uiteindelijk geen asielvergunning zouden krijgen. Dat kunnen ze dan daar al achterhalen. Dat haalt ook meteen het verdienmodel van mensensmokkelaars onderuit.

De heer Boomsma (JA21):
Wij willen dat we voorlopig stoppen met asielopvang in Europa. Dat stelt je in staat om op termijn zelf de keuze te maken. Op dit moment kunnen wij niet zelf bepalen wie hiernaartoe komen. Dat wordt bepaald door mensensmokkelaars. Daardoor krijg je een selectie van mensen die dat kunnen betalen, terwijl de armsten achterblijven. In het coalitieakkoord staan plannen om dat te veranderen en om buiten Europa asiel aan te kunnen vragen. Het nadeel daarvan is dat dat het ook veel makkelijker maakt en dat dus ook veel meer mensen asiel zullen gaan aanvragen.

Als we echt willen dat we zelf weer de controle krijgen over wie zich in onze landen vestigen, dan zullen we af moeten van het hele stelsel dat je zicht hebt op opvang en verblijf in onze welvarende verzorgingsstaat als je illegaal hiernaartoe reist en hier asiel aanvraagt. Dan zul je daarvan af moeten. Dan moet je dus af van een recht op asiel, maar moet je mensen in plaats daarvan elders gaan helpen. Vervolgens, als je het eenmaal echt onder controle hebt, kun je kijken welke mensen onze hulp echt het hardste nodig hebben, welke mensen we alsnog hiernaartoe kunnen halen, welke mensen goed passen bij onze economie en culturen en welke mensen we op die gronden hiernaartoe kunnen halen. Dan heb je echter zelf de controle.

De voorzitter:
Meneer Boomsma, hoeveel had u nog?

De heer Boomsma (JA21):
Ik ben klaar.

De voorzitter:
U bent klaar. Ik doe even snel een tusseninventarisatie. Hoeveel collega's hebben moties? Weet u dat al? Kunt u even duidelijk uw hand opsteken? Dank u wel. U kunt allemaal net zo goed klokkijken als ik dat kan. Het is niet zo dat wij hier onbeperkt door kunnen. Dat heeft niets te maken met mijn arbeidsethos, maar heeft ermee te maken dat er allerlei mensen moeten werken om deze vergadering voor ons mogelijk te maken en dat zij gewoon een eindtijd hebben. Ik voorzie dat we pas rond drieën met de termijn van de minister kunnen gaan beginnen, maar daar had ik u voor gewaarschuwd.

Meneer Dassen, het woord is aan u voor uw eerste termijn. O, meneer Ceder?

De heer Ceder (ChristenUnie):
Mag ik wel alvast het voorstel doen om in de pauze na te gaan denken over mogelijke scenario's? Dit is volgens mij de grootste hervorming op dit onderwerp die we in deze Kamer ooit behandeld hebben. Er waren al wat kritiekpunten dat een WGO misschien niet de meest passende setting zou zijn. Die zorgen lijken nu uit te komen. We willen ook de ruimte geven aan alle Kamerleden om hun vragen te stellen, ook gezien de vragen die nog op tafel liggen. Ik wil nu geen concreet voorstel doen, want ik denk dat we dat met z'n allen moeten doen, maar ik zou toch wel willen vragen om dat niet pas aan het einde te doen. Ik zou het namelijk een van de grootste blamages vinden die we als medewetgever in de afgelopen jaren hebben meegemaakt als we het Migratiepact hier door tijdsgebrek onvoldoende zorgvuldig behandeld hebben met elkaar.

De voorzitter:
Ik hoor wat u zegt. Ik ben ook maar een eenvoudige inspringend voorzitter, die dit inderdaad zag aankomen. We hebben een eindtijd. Ik ga die tijd niet meteen verklappen, want anders gaat iedereen ... Maar er is echt een eindtijd en die is minder laat dan u denkt. We hebben echter wat speling, maar niet heel veel. Dat is ook gecheckt bij de minister, waarvoor dank. Wat betreft voorstellen ten aanzien van het vervolg: dan zal er straks een concreet ordevoorstel moeten komen. Mijn advies zou toch zijn om dit vandaag te proberen af te ronden. Ik heb daar nu geen oordeel over.

Meneer Dassen, aan u het woord.

De heer Dassen (Volt):
Dank, voorzitter. Strenge controles aan de buitengrenzen, screenings, beperkingen van doorreis: we spreken vandaag over de implementatie van richtlijnen en verordeningen. We spreken over verdeelsleutels, cijfers en aantallen, maar laten we vooral niet vergeten dat dit over mensen gaat. Dit gaat over mensen op de vlucht en over kinderen, in een opvang aan de grens, in onzekerheid over hun gezin dat een gevaarlijke oversteek waagt omdat er geen veilige andere manier is. Dit gaat over een gezin dat jarenlang gescheiden is, omdat een wachttermijn dat zo bepaalt. Het Asiel- en Migratiepact is bedoeld om de instroom van mensen te beperken en migratie te beheersen, maar de vraag is natuurlijk of het ook rechtvaardig en menswaardig is. Ik heb daar op dit moment grote vraagtekens bij.

Voorzitter. Dit kabinet zegt onnodige nationale koppen op Europese regels te willen schrappen, maar bij de uitvoering van dit pact doet het precies het tegenovergestelde. De Raad van State constateert het ook: de nationale invulling volgt niet rechtstreeks uit het Asiel- en Migratiepact. Toch kiest Nederland voor een tweestatusstelsel, strengere nareisvoorwaarden, kortere verblijfstitels en de afschaffing van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Juist in de manier waarop we procedures inrichten, maken we keuzes die verder gaan dan Europa van ons vraagt. Zo komen we weer in een race to the bottom: landen die elkaar beconcurreren om het strengste asielbeleid in plaats van echt gezamenlijk Europees beleid. Zo wordt het Migratiepact direct ondermijnd, zoals we net ook concludeerden in het interruptiedebat dat ik met de heer Boomsma had. Waarom kiest het kabinet ervoor om de grensprocedure strenger toe te passen in situaties waarin dat niet verplicht is? Is dit een zuivere implementatie of komt de strenge insteek het kabinet juist uit in het kader van andere landen die dit ook doen?

Het blijft onverteerbaar dat het kabinet voornemens is om kinderen in detentie te plaatsen. Ik vraag de minister: wat hebben zij misdaan dat het rechtvaardigt dat ze in de gevangenis komen te zitten? Kan de minister aangeven hoe dit in verhouding staat tot het VN-Kinderrechtenverdrag? Daarnaast zouden alleenstaande kinderen niet in een versnelde procedure moeten zitten, omdat ze kind zijn en daarmee kwetsbaar. Kan de minister daarop reflecteren? Waarom wordt de wachttijd bij grensprocedures in ieder geval niet beperkt tot de screeningsfase?

Voorzitter. Voor de screening en de procedure moet een onafhankelijke toezichthouder komen. Het kabinet legt deze taak bij de minister neer. Kan de minister uitleggen waarom hij de onafhankelijke toezichthouder kan zijn, en of dat in dit geval logisch is? In mijn ogen klinkt het namelijk alsof de slager zijn eigen vlees gaat keuren.

Voorzitter. Er liggen momenteel wetten voor in de Eerste Kamer. Hoe gaat de samenhang eruitzien, bijvoorbeeld als beide wetten worden aangenomen door de Eerste Kamer? Zorgt dit niet juist voor onduidelijkheid en problemen in de uitvoering? Of wordt er straks op alle mogelijke manieren gezegd dat iets van Europa moest?

Volt gelooft in een gemeenschappelijk Europees asielbeleid met oog voor mensen. Maar dan moet het ook werkelijk gemeenschappelijk zijn, en dat is het nu niet. Het solidariteitsmechanisme functioneert alleen als lidstaten hun verantwoordelijkheid nemen. Nederland kiest ervoor om die verantwoordelijkheid financieel af te kopen: €20.000 per persoon en daarmee is het klaar. Dat is geen solidariteit; dat is afkopen van betrokkenheid. Is het kabinet van plan om het op dezelfde manier te blijven regelen? Als alle lidstaten die keuze maken, stort het mechanisme in. Tot zover de harmonisatie en solidariteit in Europa.

Voorzitter. Het plan voor de terugkeerhubs is: ver weg en buiten zicht. Maar we weten dat een opvang niet zomaar een opvang is; het is een risico op langdurig verblijf zonder duidelijke status en perspectief. Opvang wordt daarmee detentie. Hoe gaan we ervoor zorgen dat de externalisatie van asielprocedures naar derde landen niet ten koste gaat van mensenrechten? We weten dat er in Europa wordt gekeken naar veilige derde landen, maar wat is veilig? Kan de minister hierop reflecteren? Aan welke landen denkt hij dan concreet? Hoe garandeert het kabinet dat we onze verantwoordelijkheid niet simpelweg buiten onze grenzen parkeren?

Voorzitter. Ondertussen is het de realiteit: crisis of oorlog dwingt mensen om te vluchten. Wat doen we met de mensen die toch hierheen komen? Is goede opvang dan geborgd? Voldoen we dan aan de verplichtingen? Is onze keten erop voorbereid, zeker nu de praktijk laat zien dat systemen onder druk staan en mensen moeite hebben om hun weg te vinden? Zonder goede begeleiding wordt de procedure niet sneller, maar juist onzorgvuldiger. Daarom is mijn vraag waarom de toegang tot juridische begeleiding niet steviger in de wet verankerd wordt. Mijn oproep aan het kabinet is om dit pact juist ook te gebruiken om te zorgen dat we dat onderdeel van het systeem beter maken.

Voorzitter. Dan kom ik bij de uitvoering. We hebben namelijk gezien dat de rechtspraak nu al aan de alarmbel trekt, omdat de verwachting is dat er veel meer procedures gestart zullen worden. Kan de minister daarop reflecteren en reageren? Dit weekend kwam namelijk naar buiten dat de IND niet klaar is voor de veranderingen die op stapel staan. Het rapport leest als een kroniek van een ongeluk dat onherroepelijk gaat plaatsvinden, lazen we in de krant. De minister gaf geen antwoord op de vragen, dus ik vraag me af: waarom niet? Waarom hield de minister ook dit rapport voor de Kamer verborgen? Waarom wil de minister liever dat de IND in de problemen komt dan dat ngo's die nu al veel werk doen dit blijven doen? Kan de minister aangeven wanneer de ICT-problemen opgelost zijn en wat dit in de tussentijd betekent? Voor het CDA was zorgvuldige wetgeving en rust in de keten een belangrijk punt. Daarom verbaast het mij dat hier weinig op gedaan wordt, zoals ik net ook met de collega van het CDA heb uitgewisseld.

Hetzelfde geldt voor gezinshereniging. De minister kiest voor een nationale kop op het Europees Migratiepact, terwijl we in andere landen hebben gezien dat de rechter daar een streep door zet. Waarom kiest het kabinet hier dan toch voor, terwijl de kans groot is dat de rechter, of mogelijk het Hof, hier een streep door gaat zetten? Ook hiervan zou je kunnen zeggen: waarom zijn we nu al bezig met wetgeving waarvan we weten dat die dadelijk gaat stranden? Graag een reflectie van de minister.

Voorzitter. Dit kabinet heeft de wens om mensen die naar Nederland komen vanaf dag één te betrekken bij de samenleving. Zorgen dat mensen daadwerkelijk in staat zijn om een leven op te bouwen en onderdeel te worden van de maatschappij is een mooi voornemen. Ik kan het alleen maar onderstrepen. Daarom verbaast het me dat er keuzes worden gemaakt die het tegenovergestelde doen, zoals het afschaffen van de vergunning voor onbepaalde tijd. Hoe denkt de minister dat integreren gaat als je elke drie jaar opnieuw een vergunning moet aanvragen? Ik vraag de minister ook: waarom krijgt niet iedereen vanaf dag één toegang tot talencursussen?

Voorzitter. Is de minister het met mij eens dat de ingangsdatum de datum van de aanvraag moet zijn en niet de dag van de beschikking, zoals de Raad van State ook aangeeft? Ik zie de minister al knikken, maar ik hoor dadelijk toch graag zijn argumentatie daarbij.

Voorzitter, concluderend. Het is goed dat er een Europees Asiel- en Migratiepact is. We hebben jarenlang in deze Kamer aangegeven dat het wenselijk is dat we migratie samen met andere Europese landen aanpakken. De grote zorg die we nu hebben, is dat veel landen bezig zijn met additionele wet- en regelgeving toe te passen op dit pact. Dat ondermijnt het hele pact. Er zit amper solidariteit in. Je zou zeggen: je wilt juist ook een Europese spreidingswet. Het ondermijnt het pact als je gaat afkopen. Mijn vraag aan de minister is dus: hoe wordt er in Europa gesproken over de vraag of dit pact een succes gaat worden? Als dit debat namelijk in elk land op deze manier gevoerd wordt, kan ik u garanderen dat we straks 27 verschillende asiel- en migratiepacten hebben. Dat zorgt ervoor dat er veel onduidelijkheid is en dat er eigenlijk nog steeds geen solidariteit en geen rechtvaardige, menswaardige manier om met asiel om te gaan zijn.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:
Oké. Dan gaan we naar mevrouw Teunissen voor haar eerste termijn. Zij spreekt namens de Partij voor de Dieren.

Mevrouw Teunissen (PvdD):
Voorzitter, dank u wel. De intenties van het Migratiepact klinken in eerste instantie redelijk: een eerlijke verdeling van vluchtelingen over Europa, een snelle afhandeling van asielaanvragen en harmonisering van de regels. Maar in de praktijk schendt het pact de mensenrechten en is het onrechtvaardig. €20.000: dat is het bedrag per vluchteling waarmee landen, onder andere Nederland, hun plicht kunnen afkopen om asielzoekers in Europa op een eerlijke manier op te vangen. De waarde van een mensenleven uitgedrukt in geld. Vluchtelingen worden gezien als last en niet als medemensen in nood. Dat is een van de vele voorbeelden van wat er fundamenteel mis is met het EU-Migratiepact.

Het pact zet zeer sterk in op grensprocedures en versnelde afhandeling. Dat betekent dat mensen in kwetsbare situaties aan de buitengrenzen worden opgesloten, met beperkte toegang tot rechtsbijstand. Kinderen kunnen in detentie worden geplaatst, met alle traumatische gevolgen van dien. Daarnaast krijgen mensen minder tijd om hun verhaal te doen, minder mogelijkheden om bewijzen aan te leveren en minder ruimte om hun rechten uit te oefenen. Daarmee ontstaat een grote kans dat mensen onterecht worden teruggestuurd naar onveilige situaties. Dat raakt aan de kern van het vluchtelingenrecht en het Kinderrechtenverdrag. Wij hebben de plicht om mensen te beschermen die vluchten voor oorlog en geweld, vanwege hun geaardheid of vanwege hun geloof.

Voorzitter. Extra problematisch is het dat Nederland ervoor kiest om nationale koppen boven op dit pact te zetten. Het kabinet zet in op een race naar de bodem met andere EU-landen door bij het pact allerlei aanvullende nationale maatregelen in te voeren: het tweestatusstelsel, strengere voorwaarden voor gezinshereniging, het verkorten van de verblijfstitel en het afschaffen van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Zo blijft er niets over van solidariteit en medemenselijkheid, waar het EU-Migratiepact oorspronkelijk voor bedoeld was. De Raad van State stelt dat dit in strijd is met het beginsel van beleidsarme implementatie van het EU-recht, ook met het oog op het niet extra belasten van de uitvoering en de rechterlijke macht. Mijn vraag is dus: hoe gaat de minister voorkomen dat de nationale koppen een zorgvuldige implementatie van het pact juist in de weg staan? De IND kampt nu namelijk al met overbelasting. Vrijdag hebben we het rapport gezien: de IND is er niet klaar voor. Kan de minister dus toelichten hoe hij omgaat met de inzichten uit dat rapport?

De Nederlandse aanvullende maatregelen zijn geen juridisch noodzakelijke keuzes, maar politieke keuzes. Ze zijn vooral het gevolg van ophitserij en angst, met grote gevolgen voor mensen in kwetsbare posities. Gezinnen worden langer gescheiden, procedures worden complexer en de rechtsbescherming wordt verder uitgekleed. Tegelijkertijd leidt het niet tot een beter functionerend systeem; integendeel. Uitvoeringsorganisaties waarschuwen juist voor meer procedures, meer werkdruk en meer onzekerheid. Het is niet alleen onrechtvaardige wetgeving, maar het is waarschijnlijk ook nog onuitvoerbare wetgeving. Graag een reactie daarop.

Voorzitter. Dan een paar opmerkingen over de specifieke Nederlandse maatregelen. Kinderen kunnen in detentie worden geplaatst, met alle traumatische gevolgen van dien. Door de formulering die het kabinet kiest, ontstaat het risico dat kinderen automatisch kunnen worden opgesloten onder uitzonderlijke omstandigheden, zonder een individuele toets. Is de minister bereid om de wet te wijzigen zodat detentie van kinderen wordt uitgesloten? Het opsluiten van kinderen gaat regelrecht in tegen het Kinderrechtenverdrag.

Dan nog een vraag over lhbtiq-personen. Erkent het kabinet dat er een extra drempel wordt opgeworpen door voor nareis de eis te stellen dat partners getrouwd moeten zijn?

Voorzitter, tot slot. Het zijn lapmiddelen van het kabinet, die averechts werken. Als we serieus willen spreken over migratie, zal het kabinet aan de slag moeten met de grondoorzaken. Doe eindelijk iets aan de klimaatcrisis. We hebben vandaag nog het rapport gezien van de Wereld Meteorologische Organisatie, die zegt dat de aarde veel meer warmte vasthoudt dan ooit. Guterres, de chef van de VN, zegt: het mondiale klimaat bevindt zich in een noodsituatie. Snapt de minister wat dit betekent, ook met het oog op grotere aantallen vluchtelingen die deze kant op zullen komen? Ga pal staan voor het internationaal recht. Spreek je uit tegen landen die genocide plegen en tegen de VS, die illegaal landen binnenvallen, waardoor mensen gedwongen worden om te vluchten. Investeer in ontwikkelingssamenwerking en doe iets aan de sociale ongelijkheid in plaats van vluchtelingen de schuld van alles te geven. Belast de superrijken en de grote vervuilers en doe er iets goeds mee. Dan neem je ook onvrede weg, die zich nu keert tegen een van de meest kwetsbare groepen in de samenleving, namelijk vluchtelingen. Tot slot: reguleer arbeidsmigratie. In sectoren zoals de vleesindustrie, de logistiek en de tuinbouw draait onze economie op goedkope arbeid van mensen van buiten Nederland. Dat zijn industrieën die de natuur vervuilen en waardoor de dierenrechten worden genegeerd. Daar wordt nauwelijks over gesproken, terwijl juist daar de structurele keuzes in moeten worden gemaakt.

Voorzitter. Tot slot. Dit pact en deze implementatie zetten de deur open naar een onrechtvaardig, juridisch kwetsbaar en onuitvoerbaar systeem. Het risico op mensenrechtenschendingen neemt toe, terwijl de problemen niet worden opgelost.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dan gaan we naar meneer Ceder voor zijn eerste termijn namens de fractie van de ChristenUnie.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel, voorzitter. Asielmigratie kan niet doorgaan op de wijze waarop die nu gaat. Dat is al een tijdje duidelijk. De ChristenUnie onderschrijft dan ook het rapport van de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen en heeft al eerder gezegd op het gebied van de migratie voor een bandbreedte te zijn. De route naar een rechtvaardig, logisch en menswaardig asielstelsel begint niet in Nederland, maar buiten onze grenzen, internationaal. De ChristenUnie heeft daarom vorig jaar een motie ingediend, die aangenomen is, waarin wordt gevraagd om hervorming van het Vluchtelingenverdrag, dat al meer dan 75 jaar dezelfde tekst heeft. In die motie wordt gevraagd om daar dit jaar nog over te spreken, het liefst in Den Haag. Mijn vraag is hoe het staat met de uitvoering van die motie. Ik denk dat die ook past bij een modernisering van dat verdrag, waarbij ook de huidige en toekomstige ontwikkelingen meegenomen worden.

Tevens moet Europa zijn migratiestelsel wijzigen. Landen wijzen naar elkaar en schuiven de verantwoordelijkheid op elkaar af; dat moet stoppen. Voor vluchtelingen die hun heil in Europa zoeken en die hier al zijn, moeten we gezamenlijk onze verantwoordelijkheid nemen. Voor mensen die geen toekomst in Europa hebben, geldt dit ook. We kunnen ze niet onder de radar van land naar land laten gaan zonder dat ze ergens een bestaan kunnen opbouwen. Zij hebben duidelijkheid nodig en moeten ook terug. Het is duidelijk dat hun toekomst niet in Europa ligt. Daar moeten we ook geloofwaardige stappen in zetten.

Voorzitter. De ChristenUnie is van mening dat de Kamer te lang heeft gesukkeld met het migratieonderwerp, onder andere door meerdere nationale voorstellen en beloftes de voorrang te geven ten opzichte van internationale ontwikkelingen. Vele beloftes die hier in de Kamer gedaan zijn, zouden het aantal aanvragen en de asielinstroom wel verlagen, maar laten we eerlijk zijn: deze beloftes hebben weinig uitgehaald maar hebben in de debatten wel veel tijd gekost. In mijn interruptie met de PVV van daarnet, bijvoorbeeld, had ik het al over het volgende. Er werd gezegd dat het "strengste asielbeleid ooit", zoals het geframed werd, en — die zet ik tussen aanhalingstekens — het "Fabereffect", zoals het in de communicatie werd gepresenteerd, zouden leiden tot verlaging van de instroom en ook tot een verlaging hébben geleid. Nu is de PVV plotseling kritisch op de huidige cijfers en blijkt het — dat zijn mijn eigen woorden — "slappe hap" te zijn geweest. Dit soort dubbeldenken zien we op meerdere niveaus bij het onderwerp "migratie". Wensdenken boven oplossingen stellen heeft helaas het debat gedomineerd. Ik moet wel constateren dat we als Kamerleden, als medewetgever, daar helaas ook vatbaar voor zijn geworden.

Mevrouw Vondeling (PVV):
Even ter verduidelijking. U zegt nu iets over de PVV en over mevrouw Faber. Wij stonden achter de maatregelen van het kabinet-Schoof. We hadden ook afgesproken dat we het strengste land in de EU zouden zijn wat betreft asielregels. Dat waren we niet, dus wilden we extra maatregelen. Dat is ook de reden dat het zo is afgelopen. Dit dus even voor de Handelingen.

De voorzitter:
Meneer Ceder gaat verder.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik constateer dat de maatregelen die mevrouw Faber had opgesteld en die vervolgens ook naar de Kamer zijn gekomen, niet de maatregelen omvatten die de PVV vandaag aanstipt. Daardoor bestaat er een discrepantie tussen dat beleid en het beleid dat nu op tafel ligt. Dat constateer ik. Dat laat zien dat of mevrouw Faber gelijk had en de PVV nu dingen verkondigt die men niet kan waarmaken, of dat de PVV dingen verkondigt die men wel kan waarmaken en dat het Fabereffect dus een frame was en niet klopte. Het is een van de twee, en volgens mij sluiten ze elkaar logischerwijs uit.

Voorzitter. Ik ga door. Een ander voorbeeld ligt in het gegeven dat er inmiddels amendementen worden ingediend die het asielnoodmaatregelenpakket opnieuw lijken te behandelen. De volgende vraag stelde ik al eerder. Waarom hebben we ambtenaren aan het werk gezet met het noodmaatregelenpakket terwijl de noodzaak voor "nood" inmiddels weggevallen leek, en waarom gaan we hier opnieuw ditzelfde debat met elkaar voeren? Waarom gaan we opnieuw dezelfde amendementen en punten behandelen die we hier pakweg twee, drie maanden geleden ook hebben behandeld?

Voorzitter. Het gevolg is groot. Allereerst zien we dat het voorstel nog in de Eerste Kamer ligt. We zien tegelijkertijd ook dat we opnieuw op een aantal punten hetzelfde debat aan het voeren zijn. We zien ook — zo concludeerde de IND — dat het ook nog maar de vraag is of we op tijd klaar zijn om het Migratiepact in te voeren. De kritiek van vorig jaar was dan ook logisch. Die was duidelijk: laten we de voorkeur geven aan het op een goede manier behandelen en implementeren van het Migratiepact en stoppen met de Asielnoodmaatregelenwet. Daar heeft de Kamer in meerderheid niet voor gekozen, met als gevolg dat beide wetten mogelijk niet op tijd ingevoerd kunnen worden, even los van de vraag of we hier voldoende tijd hebben om het zorgvuldig te behandelen. We hebben dus een andere aanpak nodig waarbij we serieus gaan nadenken over een manier waarop we met elkaar de vertaling in nationale wetgeving implementeren.

Ik vroeg eerder aan de voorganger van deze minister wat de meerwaarde was van het asielnoodmaatregelenpakket ten opzichte van het Migratiepact, ook omdat er volgens mij maar een aantal weken tussen de implementatie van die wet en deze zit. Ik heb destijds, een paar weken geleden, geen antwoord gekregen van zijn voorganger. Ik hoop dat de minister de vraag nu wél kan beantwoorden, ook om ons als medewetgever mee te nemen in de vraag wat daar de meerwaarde van was en misschien momenteel nog is.

Tevens hoop ik dat de Kamer niet opnieuw dezelfde fout maakt. Er lijkt een herhaling van zetten te ontstaan. Er is namelijk een vrees in deze Kamer dat de Eerste Kamer tegen de wet stemt. Maar een van de redenen waarom de Eerste Kamer mogelijk kritisch naar de wet kijkt, is bijvoorbeeld het strafbaar stellen van illegaliteit. Om te voorkomen dat die wet weggestemd wordt terwijl deze het wel haalt, wordt een amendement ingediend om het argument waarmee de Eerste Kamer moeite lijkt te hebben, opnieuw te implementeren in het Migratiepact. Daardoor ontstaat de kans — ik hoop het niet — dat twee wetten weggestemd worden omdat er een cirkelredenering wordt gevolgd. Ik hoop dat de minister er duidelijk over kan zijn dat we dat niet moeten willen en daar klip-en-klaar antwoord op kan geven. We kijken ook naar de medewetgevers. Ik heb aan het CDA gevraagd en vraag dat ook aan de andere partijen: als deze amendementen ingediend worden omdat de vrees is dat in de Eerste Kamer de wet wordt weggestemd, wat bereik je dan door opnieuw te amenderen en opnieuw de Eerste Kamer hetzelfde dilemma voor te leggen? Daarmee verklein je de kans dat het Migratiepact wordt aangenomen en volgens mij moeten we dat allemaal niet willen. Dat geef ik even mee ter overweging.

Voorzitter. Dan het Migratiepact. De ChristenUnie is voor het Migratiepact. Er zijn wel een aantal onderdelen waar we kritisch op zijn. U heeft ons bijvoorbeeld al gehoord over de detentie van kinderen. Hoe gaat die er in een land als Griekenland of Italië uitzien, als de opvang nu al ver onder de maat is? Hoe borgen we dat er ondanks snellere en efficiëntere procedures voldoende rechtsbescherming is voor asielzoekers, zodat zij een eerlijke kans krijgen om hun verhaal te doen?

De nationale uitwerking van het pact ligt nu bij ons in de Kamer. Ik wil er een aantal punten uitlichten. Daar heb ik een aantal amendementen over ingediend. Ik zou er kort even bij stil willen staan om context en uitleg te geven.

Allereerst zie ik dat het kabinet afwijkt ten aanzien van een aantal maatregelen die niet dwingend volgen uit het pact. Ik zie dat als een nationale kop. Ik vraag me af wat de meerwaarde is van het coalitieakkoord en daarmee ook de uitwerking van dit kabinet ten aanzien van nationale koppen als het per keer anders uitgelegd wordt. Betekent een nationale kop dat wij niet meer doen dan wat er in Europa is geregeld of leggen we dat per geval in ons voordeel uit? Zo ja, dan wil ik dat graag weten, omdat dit vaker speelt. Ik merk dat er nu nationale koppen in zitten, die er niet in hadden mogen zitten, tenzij de minister daar een andere uitleg aan geeft. Die hoor ik dan graag, want ik ben inmiddels een beetje in de war.

Dat er nu op de verantwoordelijkheid van de Kamer wordt gewezen om deze wet snel te behandelen, snap ik, maar het is wel de omgekeerde wereld. Als het allemaal te krap was geweest, hadden we de nationale asielwetten moeten uitstellen of op een andere manier moeten behandelen en de prioriteit bij het pact moeten leggen. Mijn vraag is of de minister dat erkent, want de druk wordt nu bij de Kamer neergelegd. Ik denk dat het ministerie andere keuzes had moeten maken en hier ook door de Kamer op is gewezen, maar willens en wetens dit proces heeft doorgezet.

De heer Boomsma (JA21):
De heer Ceder heeft het over nationale koppen. Anderen deden dat ook al. Alleen zie ik helemaal niet zo veel nationale koppen. Ik vraag me dus af wat hij daar precies mee bedoelt. Ik weet dat allerlei landen om ons heen juist nog veel strenger zijn geworden en dat dit heeft geleid tot een nog veel grotere daling van de instroom. Ik noem Zweden, België, Duitsland en ook Polen, waar we ook waren. Dus over welke nationale koppen heeft de heer Ceder het dan?

De heer Ceder (ChristenUnie):
Een nationale kop betekent: daar waar afgeweken wordt van onderdelen die niet dwingend voortvloeien uit Europese regels. Daar staat het pact vol van. De heer Boomsma probeert te zeggen dat andere landen dat ook doen. Dat snap ik. Dat argument kan ik ook volgen. Maar dat betekent niet dat mijn conclusie is dat een verbod op nationale koppen daarmee ook geëffectueerd wordt. Ik snap dat u wilt aansluiten bij andere landen, maar die wijken af van wat dwingend uit het pact voortvloeit.

Daarmee kom ik terug op het punt dat ik heb aangekaart — want we gaan dit vaker meemaken in de komende jaren — namelijk: wat is een nationale kop? Wat is een verbod op een nationale kop? Uw uitleg snap ik, maar dat is geen verbod op een nationale kop. Als u het ermee eens bent dat er geen verboden op nationale koppen zouden moeten zijn, zou u het eens moeten zijn met mijn amendementen, die proberen dat terug te draaien. Maar dat bent u niet, omdat u wel degelijk voor nationale koppen bent zodra het u uitkomt. Dat is niet erg; dat is uw democratisch recht. Maar laten we dan wel helder zijn over de definiëring.

De heer Boomsma (JA21):
Ik zet wel vraagtekens bij het gebruik van de term "nationale kop" als het gaat om de invulling die expliciet mogelijk wordt gemaakt bij de uitwerking van al deze verordeningen. Verordeningen hebben naar hun aard een bepaalde ruimte die ze aan de lidstaten laten. In deze verordening is dat tenminste het geval. Natuurlijk geldt dat helemaal bij richtlijnen. Het is dan aan de verschillende lidstaten om daar invulling aan te geven. Nederland is helemaal niet het strengste land op dit moment. Ik denk dus dat we het niet moeten hebben over nationale koppen, maar gewoon over implementatie van deze Europese wetgeving.

De heer Ceder (ChristenUnie):
De heer Boomsma hanteert een verkeerde definitie van "nationale kop". Daardoor ontstaat een discrepantie tussen wat ik probeer te zeggen en wat de heer Boomsma probeert te zeggen. Ik snap vanuit zijn redenering dat hij dat heel wenselijk vindt. Misschien valt er ook iets voor te zeggen als je het hebt over uniformering. Een nationale kop is de extra beleidsruimte die niet uit het pact volgt, maar die je wel neemt. Prima als dat het geval is, maar dan moeten we dat ook voor handelsverdragen en andere zaken op die manier uitleggen. De heer Boomsma doet dat niet. Hij wil afwijken omdat hij vanuit zijn partijkleur andere voordelen ziet, wat niet erg is. Maar ik denk wel dat dit opnieuw de noodzaak benadrukt dat we moeten definiëren wat een nationale kop is, wat verondersteld wordt onder het verbod onder een nationale kop, en of zo'n nationale kop een dode letter is, dan wel dat de coalitiepartijen zich daar inderdaad aan gehouden voelen. Volgens mij is het belangrijk om dit op te helderen. Ik wil er geen waardeoordeel aan geven, maar voor mij is het belangrijk om het wat scherper met elkaar te krijgen, zodat er niet twee definities gehanteerd worden, wat ook leidt tot twee verschillende uitkomsten. Ik wil gewoon graag weten waar ik de coalitiepartijen aan kan houden.

De voorzitter:
Oké. De heer Ceder gaat verder.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Voorzitter. Ik wil ingaan op een paar punten. Ik heb op die punten ook een aantal amendementen ingediend. De reden daarvoor is dat wij de wet willen verbeteren. Nogmaals, de ChristenUnie is voor het Migratiepact, maar er zijn voor ons nog wat losse eindjes dan wel onduidelijkheden, een black box, waardoor we niet weten wat de uitkomst is. We denken dat het zowel voor de linker- als de rechterkant van de Kamer goed is om te weten wat we gaan doen met elkaar en dat we kunnen beoordelen of dat ook leidt tot het gewenste effect dat we met elkaar beogen.

Allereerst een opmerking over de rechtsbescherming. Juridische counseling wordt de verantwoordelijkheid van de IND. Maar nu blijkt dat de IND daar nog niet klaar voor is en dat er hiervoor zelfs nog geen vacature is opengezet. Mijn vraag is wat de minister ervan vindt dat we een goed functionerende asieladvocatuur en kundige mensen bij VluchtelingenWerk hebben, die straks allemaal op het tweede spoor worden gezet, terwijl de IND alles nog moet optuigen in een paar maanden tijd. Laten we eerlijk zijn, als we die personele bezetting wel konden invullen, hadden we dat toch al geregeld? Kan de minister erkennen dat het waarschijnlijk niet gaat lukken en dat dit dus leidt tot een onzekerheid over wat er gaat gebeuren na juli 2026?

Voorzitter. Het initiatief voor de juridische counseling komt straks meer bij de vreemdeling zelf te liggen dan nu het geval is. Na het registratieproces en de meest basic voorlichting ligt het bij de vreemdeling om contact op te nemen. Hoe zorgt de minister ervoor dat de meest kwetsbare groepen een zo laag mogelijke drempel ervaren wat betreft legal counseling? Hoe wordt er bijvoorbeeld voorzien in tolken?

Voorzitter. Dan het overgangsrecht. De aanspraak op gezinshereniging verandert met deze wet drastisch voor subsidiair beschermden. Deze wet bevat nauwelijks overgangsrecht, terwijl dat in het geval van gezinshereniging kan zorgen voor grote rechtsongelijkheid, hoe je ook kijkt naar het systeem en naar migratie. Als twee mensen in dezelfde situatie op hetzelfde moment de aanvraag doen, maar de een vóór 12 juni 2026 en de ander erna, dan kan de uitkomst totaal verschillend zijn. Ik vind die rechtsongelijkheid onrechtvaardig, ongeacht het politieke spectrum en hoe je naar deze wet kijkt. Daarom heb ik een amendement ingediend om dat te fiksen.

Voorzitter. Dan de ingangsdatum ten aanzien van het verlenen van een verblijfsvergunning. Zonder dat het pact hierom vraagt, wijzigt de regering de ingangsdatum voor de verblijfsvergunning. Dat is niet op het moment van aanvraag, maar op het moment van beschikking. Dat lijkt een formaliteit, maar zeker in het geval van gezinshereniging en subsidiair beschermden maakt dit nogal uit. Gaan de twee jaar wachttijd in op het moment van de beschikking of op het moment van de aanvraag? Ik vind het niet te verkopen dat we de aanvraag voor gezinshereniging ook nog eens afhankelijk maken van de lange wachttijden bij de IND, waardoor het langer duurt. Dat druist ook in tegen wat een aantal coalitiepartijen aangaven: men moet twee jaar wachten en daarmee vinden we het acceptabel om vervolgens voor deze wet te gaan. Als je dit met elkaar zo regelt, dan weet je volgens mij helemaal niet of dat twee jaar duurt. Dat kan ook veel langer duren. Dat ondergraaft het argument van een aantal coalitiepartijen die zeggen dat ze die twee jaar acceptabel vinden. Dan lees ik dat ze een langere periode dus niet acceptabel vinden. Door hiermee in te stemmen wordt dit wel degelijk afhankelijk van de wachttijden van de IND en gaat het om andere tijden dan die twee jaar. Daarom stel ik een amendement voor om dat terug te draaien, zodat je weet dat die twee jaar ook echt twee jaar is.

Voorzitter. De positie van minderjarigen. Er is geen verschil in hoe we de kwetsbaarheid van kinderen zien, ongeacht hun nationaliteit. Klopt dat? Zo ja, hoe wordt de kwetsbaarheid van asielzoekers voldoende in beeld gehouden in de opvang en in de detentie? Zoals de minister weet, vinden wij kinderen in detentie moeilijk te rijmen met het IVRK. De keuze voor detentie hoeft niet gemaakt te worden; dat is een afweging die het kabinet-Jetten maakt. Waarom kiest de regering er niet voor om dit duidelijker te verwoorden? De Afdeling adviseert ook dat bewaring uitsluitend in het belang van het kind is als de ouder of hoofdverzorger die het begeleid ook in bewaring is gesteld of als een niet-begeleide minderjarige door de bewaring wordt beschermd.

Het meekijken door een expert vind ik belangrijk. In mijn interruptiedebat met het CDA bleek net — dat onderschrijf ik ook — dat we niet weten wie die toets doet, wie daarvoor gekwalificeerd is en welke mening we daar überhaupt over hebben als medewetgever. Die onzekerheid vind ik onwenselijk. Dit lijkt me ook kwetsbaar, ook ten aanzien van juridische procedures tegen de Staat. Daarom heb ik een amendement ingediend om aan te haken bij artikel 26 van de Opvangrichtlijn. Daarin staat dat een vertegenwoordiger — dat is iemand met expertise op dit vlak — meekijkt en de minister adviseert over de vraag of er sprake is van het belang van het kind. Als er een beroep tegen de Staat, tegen de minister, wordt ingediend, maakt dit dat hij zich kan beroepen op een argumentatie, een document of een verklaring van een expert. Daardoor is de rechtspositie van de Staat beter beschermd als die voor de rechter staat om uit te leggen waarom er wel of geen sprake was van het belang van het kind. Om die reden heb ik een amendement ingediend. Ik denk dat dit punt verstandig wordt gevonden van links tot rechts, want hiermee versterk je de rechtspositie van de Staat. Je krijgt hiermee een uniform advies vanuit een persoon. Ik denk dat we allemaal kunnen volgen dat het zwaarwegend meegerekend dient te worden als die persoon een advies geeft.

Voorzitter. Er wordt veel doorgeschoven naar lagere regelgeving. Voor de Raad van State is dat een zonde. Wat je niet in lagere regelgeving hoeft op te schrijven, moet je gewoon in de wet opschrijven. Dan is het voorzienbaar voor mensen wat er precies gedaan wordt. Er wordt in het Migratiepact wel heel veel doorgeschoven naar lagere regelgeving. Aan de ene kant snap ik dat, want veel was nog onduidelijk en er was tijdsdruk. Daardoor is er de gedachte dat we later nog heel veel gaan uitwerken. Dat snap ik, maar inmiddels voelt het wel een beetje als een black box. Er is namelijk wel heel veel waarvan ik niet weet waarmee ik instem. Daarom heb ik een aantal delegatiebepalingen en een aantal voorhangprocedures geamendeerd. Ter verduidelijking: dit zorgt niet voor een vertraging van het wetsvoorstel. Dit zorgt er alleen voor dat de minister aan de Kamer laat weten dat hij eruit is, voordat er onomkeerbare stappen gezet worden. Dan weten we dat in ieder geval. Mocht er een ramp gebeuren, dan kunnen we altijd aan de bel trekken, maar het is niet zo dat hiermee een extra goedkeuring van de Kamer verwacht wordt. Het is een lichte voorhangprocedure. Het lijkt me ook voor links en rechts heel belangrijk, omdat je weet wat de minister uitspookt. Dat lijkt me belangrijk om te weten, ongeacht het politieke spectrum.

Voorzitter. Dan ten aanzien van gezinshereniging. De keuze van de regering om aan de twee statussen, die het pact verlichten, ook verschillende rechten te verbinden, vinden we als ChristenUnie ingewikkeld, niet omdat we principieel tegen zijn, maar omdat we voorzien dat dit in de uitvoering knelpunten oplevert. Dat is ook al een aantal keren erkend door een aantal partijen, ook partijen die juist voor het stelsel waren. Ik heb de PVV gehoord, maar ook het CDA. Zo waren er ook een paar andere. Nu het pact dichterbij lijkt te komen, lijkt het mij dat we daar iets mee moeten. Daarom ben ik benieuwd of de minister kan reageren op de vraag hoe we het gaan regelen als we extra personele bezetting nodig hebben, in een tijd waarvan we weten dat personeel zeer schaars is.

Daarnaast vinden wij ook de principiële keuze om gezinnen uit elkaar te houden, niet voor eeuwig maar voor twee jaar, en om daar extra voorwaarden aan te koppelen, niet alleen onlogisch maar als ChristenUnie ook onwenselijk. Dit zijn waarschijnlijk ook mensen die gewoon Nederlandse staatsburgers worden. Waarom zou je hen voor twee jaar lang in een oorlogsgebied houden, wetende dat de kans op gedragsproblemen groeit en men traumazorg en aanvullende gezondheidszorg nodig heeft? Die zorg zullen ze in Nederland moeten krijgen. Daarmee worden er problemen gecreëerd in onze eigen zorg en ontstaan er integratieproblemen. Het argument dat we hiermee de instroom verlagen, volgt nergens uit. Sterker nog, die mensen komen gewoon. Ze hebben alleen een vertraging van twee jaar en extra kans op gezondheidsschade en psychische schade, waarbij wij vervolgens in Nederland de zorg moeten leveren. Die discussie hebben we gehad met elkaar. Om die reden hebben we een amendement ingediend om in ieder geval verlichting te bieden bij een aantal punten, ook omdat we denken dat we hiermee zorgen voor een zachtere landing voor degenen die, nogmaals, toch komen, en ook voor de omgeving die hen moet opvangen.

Voorzitter. Ik ga wat sneller erdoorheen. Ik kom op de Dublinopvanglocaties. De sobere opvang kost het COA alleen maar extra werk. Waarom sluiten we niet aan bij bestaande opvang? We lezen dat de bestaande voorraad bevroren wordt. Ik maak me zorgen over de oude voorraad. Ik snap wel dat de regering nieuwe achterstanden wil voorkomen, maar ik voorzie dat vrijwel alle capaciteit van de IND naar de nieuwe aanvragen zal gaan. De aanvragen voor 12 juni hebben dan het nakijken. Dat vind ik ingewikkeld en onrechtvaardig. Het zorgt ook voor opstopping in de opvang. Het zorgt voor onrust, en daarmee mogelijk ook voor maatschappelijke ontwrichting. Welke stappen zet de minister om de oude voorraad weg te werken?

Voorzitter. Dan dit rapport. Mijn allereerste vraag was: wanneer was de minister van plan om dit naar de Kamer te sturen als er geen e-mailprocedure was gestart? Het lijkt me best relevant voor de Kamer om te weten, als we zo'n grote stelselwijziging behandelen. Er staat best wat fundamentele informatie in. Ik vind het eigenlijk ingewikkeld dat de minister dit niet proactief naar de Kamer heeft gestuurd en dat een lek in een krant ertoe heeft geleid dat we dit nu hebben kunnen lezen. Ik vraag me toch af wanneer de minister van plan was om dit te delen. Als hij van plan was om dit niet te delen, waarom achtte hij de informatie die hierin staat niet voldoende of niet zwaar genoeg om met de Kamer te delen?

Voorzitter. Hierin staat onder andere dat er een aantal randvoorwaarden nodig zijn. Ook zijn er een aantal zorgen, met name over een toename van spoedverzoeken om voorlopige voorzieningen. Dat deel ik. Ik denk nog steeds dat het aantal procedures in het nieuwe stelsel gaat oplopen. Ik heb geen argumentatie gehoord waaruit blijkt dat dit niet het geval is, behalve dat het op de langere termijn vast minder zal worden. Die volg ik niet, zeg ik ook uit eigen ervaring, wetende hoeveel beroepsmogelijkheden er hierdoor ontstaan. Hoe gaan we specifiek om met de voorlopige voorzieningen?

In het rapport wordt aangegeven dat een goede afstemming tussen de IND-rechtbanken en het COA nodig is. Ik vraag me af hoe dat eruit gaat zien. Daarnaast worden andere randvoorwaarden meegegeven, bijvoorbeeld dat er voldoende expertise en capaciteit bij de IND moet zijn voor de leeftijdsschouw. Dat snap ik, maar wat is er nu geïmplementeerd om ervoor te zorgen dat we over drie maanden die leeftijdsschouw voldoende kunnen uitvoeren? Ik lees het namelijk niet terug. Daarnaast wordt er gezegd dat de randvoorwaarde voor een goede effectuering is dat Nidos voldoende capaciteit en financiering heeft om de nieuwe voorfase te kunnen uitvoeren. Voor zover ik lees, is die capaciteit qua financiële middelen niet vrijgegeven. Ik kan me vergissen, maar als dit een randvoorwaarde is, hoe gaan we daar dan mee om? Kortom, ik heb een aantal voorstellen waarvan ik echt denk dat we daarmee het Migratiepact beter kunnen laten implementeren. Dat is goed voor de Nederlandse bevolking, de Kamer, de uitvoering en uiteindelijk de asielzoekers zelf, omdat we graag willen dat het Migratiepact werkt.

Voorzitter. Mijn laatste vraag gaat over terugkeer. Het pact voorziet namelijk in heel veel, maar niet in hoe we ervoor gaan zorgen dat de terugkeer soepeler verloopt. Daar voorziet het Migratiepact te weinig in. Daar maak ik me ook wel zorgen om. Hoe zorgen we er effectief voor dat, terwijl we dit goed regelen aan de achterkant, de terugkeercijfers structureel toenemen?

Tot zover, voorzitter. Dank u wel.

De voorzitter:
Oké, dan ga ik de bijdrage doen namens de VVD. Mevrouw Van der Plas, zou u het voorzitterschap even willen overnemen?

Voorzitter: Van der Plas

De voorzitter:
Dat wil ik zeker. Ik geef het woord aan de heer Ellian namens de VVD.

De heer Ellian (VVD):
Dank, voorzitter. Er is al heel veel gezegd, dus ik ga er zelf wat sneller doorheen. Ik dacht: laat ik beginnen met een woord van dank richting al diegenen die aan deze wet geschreven hebben. Dit hele pakket is namelijk nogal wat. Het is een klus van twee jaar, geloof ik, gecombineerd met de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel. Het is bepaald geen eenvoudige materie. Ik wil dus toch even mijn dank uitspreken aan al diegenen die daaraan gewerkt hebben. Ik ben wat minder blij met het tijdsbestek dat we hebben om dit met elkaar door te nemen, zeker als je nu woordvoerder bent. Maar oké, we doen ons best.

De eerste vraag die ik heb, heb ik nog niemand horen stellen. Ik hoop dus niet dat het een rookie-vraag is. Het nieuwe systeem maakt een onderscheid tussen de verblijfsvergunning en de verblijfstitel. Uit de vergunning vloeit dan de beschermde status voort. De titel is dan het document waaruit blijkt dat je in Nederland mag zijn. Maar als je eenmaal de beschermde status hebt, dan mag je op het Nederlands grondgebied verblijven, ook al heb je die titel niet, neem ik aan. Ik zoek er dus even naar of het nou nodig was om dit onderscheid op deze manier te maken. Ik vond dat ook de toelichting niet helemaal uitblonk qua duidelijkheid.

Een aantal collega's hebben terecht vragen gesteld over de IND. Dat waren uiteraard vragen over de uitvoeringscapaciteit en het rapport, dat vrij belangrijk is en dat we pas laat hebben mogen ontvangen. Een ander punt dat ik zelf wat onderbelicht vind, is dat het superessentieel is om deze stap vooruit te zetten om dit gehele pact — om in de woordkeus van de christelijke partijen te blijven: het zal niet zaligmakend zijn — een succes te maken. Dat is wat de VVD wil, want je wil uiteindelijk de instroom naar beneden krijgen.

Kijk bijvoorbeeld naar de ICT die nodig is om voortvarend de procedures te kunnen afhandelen. Ik heb me laten vertellen dat de ICT bij de IND vrij oud is. Die van de rechtspraak is tegenwoordig beter, maar ook de koppeling daartussen is superbelangrijk. Je wilt uiteindelijk snelle procedures, zodat je snel duidelijkheid kan geven over wie hier mag blijven en wie niet. Als je hier niet mag blijven, dan ga je ook snel terug. Dat "snel terug" is natuurlijk geen onderdeel van hetgeen we hier vandaag bespreken, maar er zijn meerdere collega's die hebben aangegeven dat je dat sluitstuk ook zal moeten regelen. Daar sluit ik me bij aan. Maar goed, ik maak me wel wat zorgen over de ICT. Ik ben benieuwd hoe de minister dat ziet. Kijk bijvoorbeeld naar de problemen in de strafrechtelijke keten. Daar heeft de ICT-problematiek rechtstreeks invloed op hoe snel strafzaken afgehandeld kunnen worden.

Dan over de rechtspraak. Ik heb lang getwijfeld over of ik dit moest doen. De vraag is of de rechtspraak in eerste instantie een toename van beroepszaken aankan. Ik sluit mij aan bij degenen die zeggen: maar uiteindelijk wordt het minder. Dat is de hele essentie. Dat is wat we met elkaar voor ogen moeten houden, denk ik. Ik zie het meer als volgt. Er komt misschien wat meer druk, maar dat is op zich alleen maar goed, als de instroom uiteindelijk minder wordt.

Wat ik nu ga doen, heb ik niet eerder gedaan. Er is een interview geweest met een rechter. Daar zijn Kamervragen over gesteld, ik geloof door collega Boomsma en anderen. Daar is op gereageerd door de NVvR. Zij weten dat ik als justitiewoordvoerder altijd in goed contact met hen sta. Nu zag ik een vrij defensieve reactie, waarin eigenlijk werd gezegd: dit moet de Tweede Kamer niet doen; het is raar als er vragen worden gesteld over dit interview. In dit interview staat — ik zeg het echt met alle respect voor de rechter in kwestie — dat je fysieke en juridische muren kunt bouwen, maar dat mensen zullen blijven komen. Dat is een mening, dat is een beschouwing. Ik vind dat eerlijk gezegd wel opmerkelijk. Dit is de rechter die zeven van de vijftien prejudiciële vragen aan het Hof stelt. Als dat zo is, zou ik zeggen: ga dan op deze stoel zitten. Kandideer je voor een politieke partij. Als ik mijn mening niet meer wil geven — ik kan dat niet zo heel goed — word ik misschien wel een magistraat. Maar een publieke mening zo op die manier uiten … Ik zie de minister een beetje … Ik vind dit interview zo fundamenteel dat ik het toch aan de minister wil voorleggen.

De voorzitter:
U heeft een aantal interrupties. Ik zag even niet wie er als eerst was: de heer Ceder of de heer Dassen. Ik geef de heer Ceder het woord. Meneer Ceder, u heeft, denk ik, al twintig interrupties gehad, terwijl we er tien hadden afgesproken.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Dan is dit een punt van orde! Nee, u heeft gelijk.

De voorzitter:
De voorzitter is heel coulant geweest. Ik wil u vragen om het heel erg kort te houden.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik vind de tijdelijke voorzitter streng doch rechtvaardig; dat wil ik even meegeven. De heer Ellian snapt natuurlijk dat dit een reactie oproept. Ik zal even achterwege laten wat ik van dat artikel vind. De opmerking dat migratie iets is wat niet op nul gezet worden, wat je ook qua regelgeving doet, is een feit van algemene bekendheid. Dat weet u ook, u bent ook advocaat geworden. Je kunt de grenzen opzoeken. Is de heer Ellian ook van mening dat als ik dit zo verwoord — hij kent de term — dit daaronder valt en of het niet onnodig is om dit erbij te pakken? Ik denk namelijk dat we ons hiermee op glad ijs begeven. U was nog binnen de grenzen, denk ik, maar als u zo doorgaat, overschrijdt u de grenzen. Dat vind ik persoonlijk. Ik ben benieuwd naar uw reflectie daarop.

De heer Ellian (VVD):
Nee, ik vind niet dat ik een grens overschrijd. Ik heb goed nagedacht of ik dit nou moest vragen. Ik heb ook even gekeken ... Ik heb het geluk dat ik wel wat magistraten in mijn omgeving heb. Ik ben niet de enige die verbaasd is over dit interview. Ik weet dat sommige collega's er anders naar kijken. Dat mag. Achter de alinea die ik net voorlas — ik heb 'm niet helemaal voorgelezen — zit wel degelijk een mening. De heer Ceder zei dat dit een feit van algemene bekendheid was, maar door het zo te poneren, in combinatie met het pact, neem je als rechter feitelijk een mening in over iets wat jij nog beoordelen, over iets waar de Tweede en de Eerste Kamer nog over moeten beslissen. Ik vind het mooi als rechters een inkijk geven in hun werk, maar ten aanzien van zo'n maatschappelijk onderwerp, waarbij je als rechter zelf een prominente positie hebt, was het denk ik beter geweest om dit interview niet te doen. Het geeft mij ook een wat unheimisch gevoel, in die zin dat ik denk dat wat wij hier ook bedenken, er dus een rechter is die per definitie niet gelooft in dit pact. Dat vind ik ingewikkeld. Dat is wel de strekking. Dan moet je geen interviews geven.

De voorzitter:
De heer Dassen ziet van zijn interruptie af, dus u mag verder.

De heer Ellian (VVD):
Dan ga ik verder. Ik ben benieuwd of de minister mijn zorgen deelt. Nogmaals, alle respect voor de zittende magistratuur.

Dan de Dublinclaimanten. Dit onderwerp is vaak langskomen. Als ik het goed begrijp, komen er straks beslissingen over Dublinoverdracht. Dat klinkt al wat steviger. Dat is mooi; hoe steviger, hoe beter. Maar goed, dan moeten die andere landen natuurlijk wel die personen daadwerkelijk terugnemen en een vorm van sobere opvang realiseren. Ik ben benieuwd hoe de minister daarnaar kijkt. Wat is zijn indruk in Europees verband? Landen die relatief vrij veel Dublinclaimanten binnenkrijgen zullen wel vaart moeten maken met die wat ons betreft hele sobere opvang. Anders heeft het geen zin. Dan is het oude wijn in nieuwe zakken en dat is nou net niet de bedoeling. Je wilt een overdrachtsbesluit. Je gaat terug naar het land waar je al bent geweest en daar zit je dan, wat ons betreft buitengewoon sober.

Dan die sobere opvang in het licht van het solidariteitsmechanisme. Ik denk dat we er niet omheen hoeven te draaien met elkaar: op Italië en Griekenland ligt een hele zware druk. We zullen met elkaar hiernaar moeten kijken en misschien ook een handje moeten helpen. Zij zullen hulp nodig hebben bij het realiseren van die sobere opvanglocaties. Ik noem het "locaties" en geef er geen bepaalde kwalificaties aan, anders wordt het weer spannend. Daar moeten we wel naartoe. Hoe kijkt de minister daartegenaan?

Het volgende punt vraagt wel om reflectie. Wij kopen nu af. Wij zeggen dat de asielketen niet op orde is. Dat is denk ik een feit. Meerdere landen vinden dat. Als iedereen gaat afkopen, ligt het hele probleem bij Griekenland en Italië, maar dat ontslaat ons en hen nog steeds niet van de plicht om hiervan een succes te maken en ervoor te zorgen dat daar grenscentra zijn. Zijn er ook andere manieren om als Nederland te helpen, vraag ik de minister. Dat kan met de KMar, dat misschien met IND-medewerkers. Het hele idee is dat de beoordeling voor een groot deel straks daar moet plaatsvinden. Als het straks allemaal nog steeds in Nederland gaat gebeuren, dan hebben we natuurlijk nog steeds niks opgelost. Zijn er dus andere manieren? We kopen nu, geloof ik, voor €20.000 af. Laten we eerlijk zijn … Nou ja, dat is het bedrag. Maar wat kunnen we meer doen, juist vanuit de gedachte om ervoor te zorgen dat het systeem gaat werken, en niet om mensen hier op te nemen?

Ik weet niet welke collega er al had gevraagd naar de bevolkingsdichtheid. Ik geloof dat het kabinet-Schoof … Was het dat nog wel? In ieder geval is het geprobeerd, maar niet gelukt. Maar wij zijn niet van de school opgeven. Laten we het dan nog een keer proberen. Ik denk namelijk wel dat bevolkingsdichtheid een superrelevant argument is voor Nederland. Het is tot de dienst van anderen dat ze dat niet willen, maar ik denk dat wij die poging nog wel kunnen doen. Ik denk dat dat in de verdeelsleutel wel superessentieel is, want het roept gewoon de vraag op of je tot het onredelijke eraan gehouden bent.

Dan zag ik dat 16% van de aanvragen, gemiddeld genomen in Europees verband, kansarm is. Oké. Dat betekent dan dat die per definitie dus in de grensprocedures zitten. Dat moet dus allemaal rapido. Dat moet dus ook allemaal sober. Ik ben benieuwd naar het volgende. Wij gaan dat inregelen — dat is logisch — maar een groot deel komt dus op andere plekken binnen. Hoe kijkt de minister er nou naar? Het heeft natuurlijk geen zin als het ene land een ruimhartiger of een warmer soort opvang voor de grensprocedure kent dan het andere. Ik herhaal mezelf een beetje, maar die 16% viel me wel op. Voor die 16% zou het moeten betekenen: je zit op een sobere plek, de procedure gaat supersnel, hops en uiteindelijk terug. Over terug hebben we het vandaag niet, maar dit is wel wat de essentie zou moeten zijn. Maar dan moeten wel al die landen het op dezelfde manier inrichten, want de essentie van dit alles is wat de VVD betreft — daarover kun je met elkaar van mening verschillen — dat dit uiteindelijk het effect moet hebben dat mensen snappen dat het geen zin heeft om te komen. Die mensensmokkelaars moeten ook doorhebben: het heeft geen zin meer. Als je het allemaal warmer en vriendelijker inricht, dan kun je ervan op aan dat het mislukt.

Ik kijk even naar mijn tekst, want er is al zo veel gezegd. Als het gaat om de grensprocedure, ben ik ook benieuwd naar het volgende. Er zijn natuurlijk ook gewoon veel gevallen bekend van mensen die hun paspoort weggooien of gewoon al hun documenten expres weggooien; die zitten vaak in die 16%, maar ik denk dat die categorie nog groter is. Oké, maar dat zou dan geen reden moeten zijn om langer dan nodig in die versnelde procedure te zitten. Het is dan je eigen schuld als je dat hebt gedaan, want vaak wordt het gedaan … Natuurlijk zijn er hele schrijnende gevallen van mensen die geen andere keus hadden, maar er zijn ook zat gevallen waarin mensen gewoon die documenten in het zand of in het water gooien en denken: het duurt allemaal lang; ik zie wel hoe het loopt. De essentie moet natuurlijk ook zijn dat die groep in de versnelde procedure zit, maar ook soberder dan sober, want anders schrikt het nog steeds niet af.

De mensensmokkelaars heb ik genoemd.

Over de onafhankelijke counseling wilde ik juist meegeven dat mijn indruk is, ook naar aanleiding van de nota naar aanleiding van het verslag, dat het juist goed ingericht is. Het zijn niet de beslismedewerkers; het is een aparte groep. Oké, ze zijn werkzaam voor hetzelfde logo. Ik denk juist dat het op zo'n manier wordt ingericht dat je voldoende objectieve informatie geeft aan iemand om te snappen wat de procedure is. Voor de rest — we moeten ook niet flauw doen — wordt de advocaat heus wel gevonden. Ik wilde de minister dus eigenlijk een hart onder de riem steken in die zin dat ik de juridische counseling juist heel ordentelijk ingericht vind. Dat is, denk ik, een slimme stap om die procedure uiteindelijk sneller te laten verlopen. Die snelheid zou je uiteindelijk moeten willen met elkaar.

Er is een hele hoop gezegd. Voor mij is, denk ik, de belangrijkste vraag: heeft de minister voldoende vertrouwen, comfort en zekerheid dat we voor die snelheid en die sobere opvanglocaties uiteindelijk snel stappen kunnen zetten vanaf 12 juni om die instroom de komende jaren naar beneden te brengen?

Ik dacht: ik doe het een beetje snel. Er werd mij namelijk ingefluisterd dat we tot 14.30 uur nog kunnen lunchen; daarna zult u het moeten doen met andere dingen.

De voorzitter:
Dank u wel voor uw bijdrage. Dan geef ik het voorzitterschap weer terug aan de heer Ellian.

Voorzitter: Ellian

De voorzitter:
Uitstekend. Collega's, het is — mijn telefoon is ondertussen zelfs uitgevallen — 14.10 uur. De minister verzocht mij om een uur; dat heb ik geweigerd. We doen dus 45 minuten. We treffen elkaar om 14.45 uur. Kunnen we dat afspreken? Is dat te kort? Dan doen we 15.00 uur, vooruit maar. We komen om 15.00 uur terug. We gaan dan kijken hoe we verdergaan.

De vergadering wordt van 14.09 uur tot 15.00 uur geschorst.

De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. We zijn aanbeland bij de eerste termijn van de zijde van het kabinet. Ik geef het woord graag aan de minister voor zijn eerste termijn. Ik doe een beroep op iedereen: laten we proberen om met elkaar vandaag zo ver mogelijk te komen. Dat zou voor iedereen goed zijn.

Minister Van den Brink:
Dank u wel. Ik zal straks nog kort toelichten hoe de systematiek die ik voor me heb liggen, eruitziet. Maar allereerst dank voor alle vragen die zijn gesteld. Ik realiseer mij heel goed dat wij veel vragen van u en van de senaat, waar ik ook nog naartoe hoop te gaan, maar natuurlijk bovenal van de uitvoeringsorganisaties die hier de afgelopen maanden en jaren aan hebben gewerkt.

Soms zou je de indruk kunnen krijgen dat ze twee jaar geleden in Europa al klaar waren met die asielwetgeving en zou je je kunnen afvragen waarom die dan nu pas in de Tweede Kamer ligt. Ik kan u inmiddels verzekeren dat het niet mals is wat achter zo'n enorm omvangrijke operatie wegkomt. Er is dus met man en macht gewerkt. Ik denk ook dat het geen enkele invloed heeft gehad wat we in de Kamer wat dit betreft ook nog aan andere trajecten hebben gehad, omdat er natuurlijk gewoon wetgeving moest worden ontwikkeld en uitvoeringstoetsen moesten worden gemaakt, maar dit diende natuurlijk wel een hoger doel, want meer grip op migratie was al langere tijd een wens van meerdere kabinetten en ook van deze Tweede Kamer. Verschillende sprekers noemden de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen, die in 2024 met haar conclusies kwam. Die zijn breed omarmd in de Tweede Kamer, want nergens ter wereld kan migratie ongeremd zijn. De conclusies van dit rapport kregen brede steun in de Tweede Kamer, ook van de partijen die hier vandaag bij elkaar zijn. De conclusie van ons als kabinet is dat ons migratiebeleid en uiteindelijk ook het internationale vluchtelingenrecht aan modernisering toe zijn en dat we daar ook nog veel werk te doen hebben. Daar hebben vandaag ook verschillende mensen naar gevraagd. Ik ga daar straks meer over zeggen.

Het EU-Migratiepact is een belangrijke stap om hier meer grip op te krijgen door te kijken wie naar Nederland komt. Tegelijkertijd is dat wel iets op termijn. Ik vind de opmerking van mevrouw Van der Plas dat we hier op een nuchtere en ook een beetje praktische manier naar moeten kijken, heel terecht, want het pact is geen wondermiddel. Er is nog enorm veel te doen. De asielketen staat er op zichzelf natuurlijk ook niet zo voor dat we dit morgen even hebben ingevoerd, want we komen ook ergens vandaan; ook daar hebben verschillende partijen op gewezen.

We zullen vandaag veel thema's voorbij zien komen, soms ook complexe en technische thema's; dat hebben we ook gezien in de gestelde vragen. Op 12 juni van dit jaar zal het Europese Asiel- en Migratiepact van toepassing worden in ons land. Dat is dus nog maar enkele maanden verwijderd van nu. Het is van groot belang dat we onze nationale wetgeving voor die datum hebben aangepast aan het pact. Met het wetsvoorstel dat we vandaag bespreken, wordt het hele Asiel- en Migratiepact eigenlijk in het nieuwe vreemdelingenrecht geïncorporeerd. Het is de meest ingrijpende herziening van het Nederlandse vreemdelingenrecht in bijna 30 jaar. Daarbij komt dat de operatie van het pact binnen een zeer korte termijn werd vastgesteld, namelijk in de twee jaar die ik net al noemde. Ik wil daarom nu al een groot compliment geven aan alle betrokken organisaties en medewerkers in de asielketen die hier de afgelopen twee jaar aan hebben gewerkt en die daar ook de komende jaren nog voor aan de lat staan, zoals de heer Ellian ook al verwoordde in zijn bijdrage.

Het Asiel- en Migratiepact bestaat in totaal uit negen verordeningen en een herziene richtlijn. Voor de verordeningen die onderdeel zijn van het pact, geldt dat zij vanaf 12 juni rechtstreeks zullen werken. Dat betekent dat een groot deel van het vreemdelingenrecht vanaf die datum in de verordeningen moet worden teruggevonden. Er wordt op 12 juni dus eigenlijk een extra laag aan het Nederlandse vreemdelingenrecht toegevoegd. Ik snap alle zorgen die daar door verschillende partijen over zijn uitgesproken. Ik hoorde van de BBB, het CDA, de SGP en ook andere partijen dat we dit misschien niet direct als een wondermiddel moeten zien, maar ik zou ook tegen onszelf willen zeggen: laten we niet al te cynisch worden. Want na tien jaar discussies in Europa over het Europese migratiebeleid zijn er natuurlijk wel degelijk stappen gezet. Partijen hebben elkaar gevonden en spreken elkaar nu aan met verordeningen, waardoor er in alle lidstaten van Europa niet aan kan worden ontkomen om hiermee aan de slag te gaan. Daardoor kunnen we meer grip krijgen op migratie, maar dat laat onverlet dat voor een goede werking van het Asiel- en Migratiepact alle uitvoerings- en implementatiekeuzes moeten worden gemaakt die ook in dit wetsvoorstel zitten.

Bij het maken van die keuzes heeft de regering zich laten leiden door de wens om de asielketen zo snel mogelijk te ontlasten en op orde te krijgen en om onze asielketen te harmoniseren naar de standaard uit het Europese recht, zoals die nu moet worden ingevoerd. Ja, daar komen ook politieke discussies achter weg over de keuzes die we hebben gemaakt of die in het vorige kabinet zijn gemaakt. Ook die zullen we vandaag ter hand nemen. Onderdeel van de wet zijn dus ook de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet tweestatusstelsel, waarbij we een onderscheid maken in de nareisvoorwaarden van erkende vluchtelingen en subsidiair beschermden. Het kabinet zal deze maatregelen na aanvaarding in de Eerste Kamer onverkort uitvoeren. Daarmee zijn ze ook verankerd in de wetgeving die vandaag voorligt. Materieel gaat het om dezelfde maatregelen, maar niettemin was dit nodig om meer technische redenen zodat de maatregelen aansluiten bij de terminologie van het pact en de regels die daaruit voortvloeien.

Wij gaan dus voor de verdere harmonisatie van regels omtrent asiel en migratie binnen de Europese Unie. Het pact moet tot gevolg hebben dat de buitengrenzen van de Europese Unie worden verstevigd. Daartoe introduceert het pact onder andere een Europese asielgrensprocedure en een intensivering van de screeningsprocedure. Zoals ook de heer Van Asten van D66 al zei, denk ik dat het aan de politiek is om te gaan leveren op asiel. Dat is de afgelopen jaren te weinig gebeurd. Met dit pact in de hand kunnen we daar een begin mee maken. Dit is een goede stap in de goede richting.

Ook al hebben we deze afspraken nu gemaakt, we gaan natuurlijk wel door met asielwetgeving voor de verdere toekomst. JA21 en mevrouw Lammers vroegen daarnaar. Buiten Europa asiel aanvragen is een volgende stap en daarover hebben we in dit coalitieakkoord ook afspraken gemaakt. Daarmee zullen we aan de slag gaan.

Ten slotte realiseren wij ons zeker wat dit van u vraagt. Het is nog 81 dagen vanaf vandaag. De Eerste Kamer is mij net zo lief als de Tweede Kamer. Daarom heb ik geprobeerd de kerk in het midden te brengen voor de behandeling van dit wetsvoorstel. Daarom ben ik vandaag bij u en ben ik hopelijk in mei in de Eerste Kamer. Aangezien ik op mijn eerste dag al in de Eerste Kamer stond om te horen dat zoiets nooit meer mocht gebeuren, ben ik sindsdien banger voor de Eerste Kamer. Maar misschien ben ik na vandaag banger voor u. We gaan het ontdekken.

De voorzitter:
U zegt gevaarlijke dingen!

Minister Van den Brink:
Ik zal snel overgaan tot de beantwoording van de vragen. Dat doe ik in zes blokjes, plus een zevende blokje, want ik moet ook de amendementen nog doen. Ik begin met de asielprocedure. Daarna kom ik op bewaring, grensprocedure en screening. Solidariteit en Dublin vormen het derde blokje. De uitvoerbaarheid is het vierde blokje. Daarin kom ik ook op de IND en het rapport van afgelopen week. Dan kom ik op de wetstechniek, de onmiddellijke werking en de verhouding tot de eerder behandelde wetten. Dan komt er nog een klein blokje overige vragen. Ten slotte kom ik op de 25 amendementen. En dat voor 17.00 uur vanmiddag …

Ik begin gewoon met mevrouw Van der Plas. Waarop wordt gebaseerd dat de instroom zal dalen? Ik snap die vraag heel goed. Dat is natuurlijk een vraag die ook in andere debatten al vaker naar voren is gekomen. Tegelijkertijd weten we ook dat de complexiteit van het vraagstuk groot is. De instroom van asielzoekers is namelijk afhankelijk van een groot aantal interne en externe factoren. We nemen nationale maatregelen omdat we niet geloven dat het voldoende is om alleen vanuit Europa maatregelen te nemen. Deze complexiteit betekent niet dat sturen op asielmigratie onmogelijk is, maar wel dat sturing niet alleen moet plaatsvinden met enkel afzonderlijke maatregelen, maar met een samenhangend pakket. Eerder hebben andere lidstaten ook laten zien dat van nationale maatregelen een sterk effect kan uitgaan. Verschillende van die landen zijn hier ook al aangehaald vandaag. Deze voorbeelden maken duidelijk dat het met een krachtige inzet mogelijk is om een groot verschil te maken als het gaat om de asielinstroom. Daarom zal het kabinet de wetten die nu voorliggen, dus de hele Asiel- en Migratiepactwet, maar ook de wetten waar BBB eerder aan heeft bijgedragen, onverkort uitvoeren.

Daarnaast vroeg zij of we daarmee soevereiniteit inleveren en vroeg ze naar het gat tussen de ambitie en de realiteit. Om grip te krijgen op de asielinstroom naar de Europese Unie en op de irreguliere asielstromen binnen de Europese Unie, dus ook op secundaire migratie, is een goedwerkend Europees asielstelsel essentieel. Als we willen dat er goede en snelle procedures komen aan de buitengrens van de Europese Unie, dan moeten we dat op Europees niveau regelen. Ook voor het harmoniseren van asielprocedures zijn Europese regels noodzakelijk evenals het efficiënte Dublinstelsel dat we de afgelopen jaren niet hebben gekend. Dat kunnen we als Nederland niet in ons eentje. Dat moet via Europese regels. Het is een Europees probleem, dus zal het ook Europees moeten worden aangepakt. De relevantie is naar mijn mening in zeer overtuigende mate aanwezig. Natuurlijk is het belangrijk dat al die maatregelen ook echt worden uitgevoerd en dat daar ook op wordt toegezien.

Mevrouw Vondeling stelde een beetje in het verlengde daarvan ...

De voorzitter:
Een momentje. Mevrouw Van der Plas heeft een interruptie. We hebben dezelfde regels als net: 30 seconden.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ja. Mijn vraag was vooral: krijgt Nederland er daadwerkelijk meer grip bij of leveren we opnieuw nationale ruimte en soevereiniteit in zonder harde garanties? De minister vertelt een wat wollig verhaal, maar dit is een hele concrete vraag. Ik zou daar toch een wat duidelijker antwoord op willen.

Minister Van den Brink:
We spreken met elkaar af dat een aantal zaken vanaf nu door Europa bepaald worden. Dat geldt dus ook voor Nederland. Neem de asielgrensprocedure, als ik een voorbeeld mag noemen. De lidstaten aan de buitengrenzen wordt verplicht gesteld om die procedure in te richten. Dat is een procedure die we in Nederland al kennen. In die zin is er op dat vlak geen overdracht van soevereiniteit. Er is wel overdracht van soevereiniteit op het vlak van verplichtingen in de Procedureverordening en de Kwalificatieverordening. Dat waren in het verleden richtlijnen, maar worden nu verordeningen. We verplichten onszelf dus tot een aantal hele specifieke procedures, maar ik denk dat we er ook een enorm verbeterde procedure aan de grens voor terugkrijgen, die Nederland nu al kent. Het is dus een beetje een balanceerverhaal, zou ik zeggen, maar het is absoluut een noodzakelijke verandering, wat dit kabinet betreft.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik vraag dit ook omdat Nederland natuurlijk een heel specifiek land is, met zijn bevolkingsdichtheid en kleine oppervlakte. Misschien zijn er voor Nederland dus toch wat andere dingen nodig om de asielinstroom verder te beperken dan bijvoorbeeld voor een heel groot land, dat ook minder dichtbevolkt is. Zou de minister daar ook nog wat over kunnen zeggen? Misschien zit het al in de beantwoording, want ik had het gevraagd, maar dit haakt hier wel op aan.

Minister Van den Brink:
Ja, zeker. Fijn dat u dit hier al noemt. Misschien mag ik dan straks een vraag overslaan van de voorzitter. Verschillenden van u hebben vragen gesteld over de bevolkingsdichtheid. Daar is natuurlijk door het vorige kabinet ook bij herhaling naar gevraagd, maar dan moet je het binnen Europa met elkaar eens zien te worden. Dat is niet gelukt. Het is echter wel degelijk een factor die meespeelt. Wij hebben een van de hoogste bevolkingsdichtheden van Europa. Tegelijkertijd hebben wij weer niet de enorme overlast van asielmigratie, om het zo maar even te zeggen, die de zuidelijke lidstaten hebben. Wij zullen ons echter blijven inzetten, ook in Europa, op het mee laten wegen van de bevolkingsdichtheid. Bij gelegenheden waar evaluaties of aanpassingen aan de orde zijn, zal het kabinet dat blijven inbrengen.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
De minister zegt: daar hebben we over gesproken, maar het is niet gelukt. Waarom is dat niet gelukt?

Minister Van den Brink:
In mijn vijf weken als minister ben ik nog niet in dat gesprek geraakt. Dat is in die zin natuurlijk bij het vorige kabinet aan de orde geweest. Uiteindelijk is het, denk ik, een weging geweest van allerlei factoren in Europa, maar het is tot op heden niet gelukt. Ik zal me daarvoor blijven inzetten, ook vanuit mijn nieuwe rol.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dan zou ik het wel op prijs stellen als we daarover wat meer te horen krijgen. We krijgen dagelijks natuurlijk honderden brieven en toelichtingen, maar ik zou er wel graag even dieper in duiken. Dat mag ook in de tweede termijn.

Minister Van den Brink:
Ik kan daar nu gelijk antwoord op geven. Wij gaan dat gesprek vervolgen als we hier in Europa weer over komen te spreken; dat komen we bij evaluaties over de voortgang van het pact. Dat zullen momenten zijn waarbij ik dit ter sprake kan brengen. Bij de terugkoppeling daarvan aan de Kamer zal ik verslag doen van hoe dat is verlopen.

De heer Boomsma (JA21):
Ik begrijp dat dat nu niet in de regels is opgenomen en dat er bij de verdeelsleutel voor het solidariteitsmechanisme nu alleen naar de twee genoemde factoren wordt gekeken en niet naar de bevolkingsdichtheid, maar dat staat toch niet in de weg aan het feit dat het wel kán worden meegewogen, ook al staat het niet in de genoemde gronden? Europese landen kunnen dat wel degelijk doen, zoals ze ook voor dit jaar bepaalde afwegingen hebben gemaakt. Begrijp ik dat goed? Zo ja, is de minister dan inderdaad bereid om dat blijvend onder de aandacht te brengen?

Minister Van den Brink:
Ik kom straks nog op het hele solidariteitsmechanisme. Het klopt dat er op dit moment ook politieke afspraken zijn die niet zozeer in het pact zitten, bijvoorbeeld over hoe je omgaat met Dublin, de offsets daarvan, de financiële aftrek en wat je daarvoor moet betalen. Er zijn dus ook politieke afspraken. Daaronder zou je ook een afspraak zoals deze kunnen scharen, maar die heeft natuurlijk pas een materieel effect als andere landen hem ook met ons willen maken. We kunnen daar dus op blijven doorvragen, maar u heeft zeker gelijk dat dat niet per se hoeft te betekenen dat de wetgeving hoeft te worden aangepast. Op die manier kunnen we dat gesprek dus blijven voeren.

De voorzitter:
U continueert.

Minister Van den Brink:
Ik kom bij een aantal losse vragen, die hier al bij zitten, over de asielketen. De heer Van Asten vraagt, over de investeringen in de asielketen, waardoor mensen sneller aan het werk en naar school mogen, hoe het zit met personen die niet uit landen met een grote kans komen, en of we voor deze personen een oplossing kunnen bedenken. Wij zijn voornemens dat kansarme asielzoekers zo snel mogelijk duidelijkheid krijgen over hun perspectief in Nederland. Het pact schrijft voor dat deze groep een korte procedure krijgt. We zien geen aanleiding om participatie door middel van werk en scholing te stimuleren indien verblijf in Nederland niet aan de orde is. Als iemand uit de korte procedure wegvalt omdat die proceduretijd overschreden wordt, valt diegene wel weer in de reguliere procedure. Maar we zijn niet voornemens om mensen met kansarme asielaanvragen ook de ruimte te geven om te gaan werken. We bieden natuurlijk wel ruimte voor de kinderen, want je krijgt in Nederland gewoon de ruimte om onderwijs te volgen, ongeacht in welke procedure je zit. Daarvoor volgen er ook verplichtingen uit de verordeningen die vandaag voorliggen.

De heer Dassen (Volt):
De minister heeft het een aantal keer over een korte procedure. Hoelang kan deze korte procedure maximaal zijn?

Minister Van den Brink:
Het duizelt mij soms qua weken en maanden in deze nieuwe wet. De verkorte procedure is drie maanden. De reguliere procedure is zes maanden. In de reguliere procedure krijgen mensen dus na drie maanden de ruimte om te gaan werken. Dat voorstel is volgens mij afgelopen vrijdag door mijn collega van SZW ter consultatie naar buiten gebracht.

De heer Dassen (Volt):
Wat gebeurt er op het moment dat we, net als nu, zien dat procedures vele malen langer duren? Ik vraag dat juist voor de kansarme asielzoekers. Zij mogen dan niet de taal leren en niet werken. Wat gebeurt er dan?

Minister Van den Brink:
Dat is natuurlijk een van de volgende discussies over het pact: de voorraden en hoe dat verder bij de IND gaat. De inzet is er volledig op gericht om de pacttermijnen te gaan halen. We gaan niet, vooruitlopend op het geval dat dit eventueel niet gaat gebeuren, nu al uitzonderingen creëren. Dat is niet waar dit kabinet zich op richt. Het kabinet richt zich er met de IND op om de termijnen van het pact volledig te gaan halen en om dus niet in die situatie terecht te komen.

De heer Dassen (Volt):
Dat is natuurlijk een buitengewoon mooi streven. De realiteit laat, zeker ook met de uitvoeringsproblematiek die op ons afkomt, volgens mij zien dat het nog maar de vraag is of het kabinet dat gaat halen. Zou het juist niet mooi zijn als de mensen die uiteindelijk teruggaan, de vaardigheden die ze op kunnen doen met werken, en het inkomen dat ze ermee vergaren, mee terug kunnen nemen?

Minister Van den Brink:
Laat ik zeggen: theoretisch zie ik dat, maar tegelijkertijd zou het natuurlijk wel degelijk ook een effect hebben als er in Nederland voor iedereen werk zou mogen zijn, ongeacht in welke procedure je zit. Dit kabinet vindt dat geen goed idee.

De voorzitter:
Gaat u verder. Nee, eerst meneer Van Asten, zie ik vanuit mijn ooghoek.

De heer Van Asten (D66):
Dank. Ik had ook nog een vraag over vluchtelingen die komen uit landen met een inwilligingspercentage van lager dan 20%. Zij kunnen natuurlijk op individuele gronden best een heel goede kans maken om hier wel te mogen blijven. Die groep blijft dus ook buiten de mogelijkheid om versneld aan het werk te gaan of de taal te leren. Klopt dat, of is er nog een mogelijkheid om die juist wel die kans te gunnen?

Minister Van den Brink:
Laten we het zo zeggen: als iemand eerst is gescreend op een afkomst uit een land met een laag inwilligingspercentage, dan komt die in die procedure. Als in die procedure persoonlijke omstandigheden naar voren komen waarvan de IND zegt dat diegene wel degelijk een inwilliging krijgt, dan gebeurt dat binnen drie maanden; dat is dan binnen drie maanden ingewilligd. Als het ingewilligd is, is diegene statushouder en kan hij gaan werken, of hij komt vanuit die procedure in de reguliere procedure terecht, en dan kan hij ook na drie maanden werken. Er zijn dus meerdere routes om dat te ondervangen.

De voorzitter:
Gaat u verder.

Minister Van den Brink:
Dan heb ik hier een vraag van mevrouw Straatman over de schorsende werking en het recht op opvang. Ik denk dat dit later ook nog terugkomt, maar ik ga toch maar even door, want anders gaat het in mijn beantwoording een beetje een rotzooi worden. De Procedureverordening bepaalt inderdaad dat beroep in een aantal situaties geen automatisch schorsende werking zal hebben. In deze situaties volgt alleen dat een asielzoeker in afwachting van de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorzieningen niet mag worden uitgezet. Niet mogen uitzetten betekent echter niet dat er geen recht is op opvang. Momenteel leidt het enkel indienen van een verzoek om een voorlopige voorziening al tot voortduring van het recht op opvang. Voor de rechtspraak is er dan ook geen spoedeisend belang bij het eerder doen van een uitspraak over een verzoek om voorlopige voorzieningen. Dat zou anders zijn wanneer de asielzoeker het recht op opvang verliest. Dat zou consequenties hebben voor de rechtspraak, maar ook voor de IND en het COA. Uit onze nationale regelgeving volgt al, aanvullend op de Asielprocedureverordening, dat het recht op opvang niet eindigt wanneer een vreemdeling niet mag worden uitgezet. Over de te maken keuzes hierin en de consequenties daarvan wordt momenteel met relevante ketenpartijen het gesprek gevoerd. Ik zal hier schriftelijk bij uw Kamer op terugkomen als we uitsluitsel hebben over hoe dat er in de praktijk komt uit te zien.

Mevrouw Straatman (CDA):
Dat zou, denk ik, veel van de druk op de rechtspraak al wegnemen. Ik las in het IND-rapport wel dat voor de Dublinclaimanten het recht op opvang wegvalt en dat de IND daarom verwacht dat er veel spoedverzoeken zullen komen. Klopt dat?

Minister Van den Brink:
Wat ik daarvan heb begrepen — die vraag heb ik namelijk ook gesteld — is het volgende. Omdat de termijnen in de Dublinroute al zo kort zijn, wordt op die manier geborgd dat ze worden nageleefd. Als we dat niet zouden mogen doen, zouden we ook daar weer in de termijnen ... Als je je niet aan de termijnen houdt, kom je weer in een andere procedure. Dat zijn dus de redenen die daarachter weg zijn gekomen.

Een van de vragen van de heer Boomsma ging over de gevoelige informatie uit de landenberichten, die niet openbaar worden. Dat is een bekend onderwerp. Daar ben ik in het verleden zelf ook weleens mee bezig geweest. Dat betreft de uitvoering van uitspraken die hierover zijn gedaan. Mijn ambtsvoorganger heeft u hierover in september 2025 geïnformeerd. De praktische uitwerking van de rechterlijke uitspraken en de diverse Woo-verzoeken leidden tot de conclusie dat ambtsberichten vanaf dat moment weer openbaar moesten worden.

U had ook gevraagd naar de procedure. De bijstand wordt vervangen door counseling. Hoe ziet de minister het risico dat asielzoekers al voor de aanvraag juridisch advies gaan aanvragen? Zoals door u al is aangehaald, wordt onder het nieuwe stelsel pas vanaf het moment dat de correcties en aanvullingen op het gehoor over de asielmotieven zijn gedaan, voorzien in kosteloze rechtsbijstand door een advocaat. Een asielzoeker mag altijd op eigen kosten een asieladvocaat inschakelen, maar deze kosten zullen dan niet door de Nederlandse Staat worden vergoed. Het is een eigen keuze.

De heer Dassen vroeg om een antwoord op de vraag of alleenstaande kinderen niet in een versnelde procedure kunnen komen. De Asielprocedureverordening bewaakt in meerdere bepalingen de procedurewaarborgen die voor alleenstaande minderjarigen gelden. De eisen die worden gesteld aan de behandeling van een versnelde en niet-versnelde procedure zijn hetzelfde. Alleen de voorgeschreven behandelduur is anders. In allebei de procedures moet altijd rekening worden gehouden met een eventuele behoefte aan bijzondere procedurewaarborgen. De verordening schrijft ook voor dat afdoening in de versnelde procedure bij niet-begeleide minderjarigen slechts in een strikt omschreven aantal gevallen is toegestaan. Dat zal dan ook op individuele basis worden nagegaan. Het is dus geen vanzelfsprekendheid dat kinderen in de versnelde procedure komen.

Daarnaast had de heer Dassen de volgende vraag. Mensen willen graag een onderdeel worden van de maatschappij. Dat ging over de vergunning voor onbepaalde tijd. Die vraag leg ik even opzij. Daar kom ik straks nog op terug als ik kom te spreken over de vergunning voor onbepaalde tijd.

Er waren ook nog een aantal vragen over de terugkeerhubs. Die zitten ook niet in dit stapeltje, dus die hoef ik nu ook nog niet te behandelen.

De voorzitter:
Wel onthouden, hè?

Minister Van den Brink:
Ja, dat komt straks wel terug, en anders herhalen de leden hun vragen wel.

De voorzitter:
Ik probeer dus te voorkomen dat vragen herhaald moeten worden, maar goed. Gaat u verder.

Minister Van den Brink:
Ik ga verder met een vraag van mevrouw Lammers, over een andere keuze die nodig zou zijn voor asielaanvragen buiten de EU. Zij vroeg in hoeverre dat al in dit pact zit. Meer grip op migratie was gedurende eerdere kabinetsperiodes al een wens die breed gedeeld werd, in de Tweede Kamer en in de samenleving. Ook dit kabinet heeft de onontkoombare conclusie getrokken dat uiteindelijk ook het internationale vluchtelingenrecht aan modernisering toe is. Het EU-Migratiepact is daarom juist een belangrijke stap om meer grip te krijgen op wie er naar Nederland komt. De buitengrenzen van de Europese Unie worden namelijk verstevigd. Daarvoor introduceert het pact onder andere de asielgrensprocedure en de screening, waardoor de asielzoeker alleen aan de buitengrens een asielverzoek kan indienen. Tegelijkertijd zullen we blijven werken aan en blijven spreken over een herziening van het vluchtelingenrecht op de langere termijn. Daar zullen we andere landen natuurlijk in mee moeten krijgen. Zoals we nu met 27 landen deze afspraak hebben gemaakt, zullen we dat met nog veel meer landen moeten zien te bereiken als we dat buiten de EU zouden moeten regelen.

U vraagt waarom wij toch positief zijn over het pact. Het Europese stelsel dat we nu hebben, werkt ook niet voldoende. Dat hebben meerdere leden ook uiteengezet. Het hoge aantal ongeregistreerde asielzoekers dat van Europese aankomstlanden naar de bestemmingslanden komt, waaronder Nederland, en het niet-functioneren van het Dublinstelsel zijn daar voorbeelden van. Het nieuwe pact zorgt voor een duidelijke verbetering op deze punten, met een betere registratie aan de buitengrenzen en het toepassen van de nieuwe regels, inclusief Dublin, waaraan ook landen als Italië en Griekenland zich hebben gecommitteerd. Maar nieuwe afspraken werken natuurlijk alleen als die in de praktijk ook goed worden toegepast. Daar ligt in eerste instantie een rol voor de Europese Commissie.

Meerdere partijen hebben ook gevraagd wie erop toeziet en hoe dat eruitziet. Dat is dus de Europese Commissie, die nauw toeziet op de implementatie. Er is ook een taak voor het Europese Asielagentschap, dat een nieuwe monitorende rol heeft gekregen. Lidstaten kunnen ondersteuning krijgen van dit agentschap, maar moeten ook de aanbevelingen oppakken die uit de monitoring volgen. Als dat niet gebeurt, kan de Europese Commissie ingrijpen, waar nodig door delen van de procedure te laten overnemen. Zoals eerder genoemd, is het geen aanspraak kunnen doen op solidariteit door een lidstaat die de Dublinafspraken niet nakomt, een van de redenen. Daarom zit er ook een stimulans in om dat uit te voeren. Zoals ik eerder zei, is het een Europees probleem, dus zullen we het ook met elkaar in Europa moeten oplossen. We denken kort na de introductie van het Asiel- en Migratiepact in juli, in oktober de eerste rapportages te krijgen vanuit de Europese Commissie, die uitspraken gaan doen over hoe het functioneert. Dan kan ik u meer vertellen over wat het in andere landen betekent. Dat was mijn eerste blok.

Ik ga over naar het tweede blok, over bewaring en de grensprocedure. Daar zijn veel vragen over gesteld. Ik denk dat het eerlijk is om te zeggen dat ik goed begrijp dat daar, na antwoorden die daarover gegeven waren, vragen over zijn. Het eerlijke antwoord daarop is weer dat ik nog maar net vijf weken minister ben. Vorige week heb ik alle gesprekken hierover gevoerd. In die zin kwam richting de behandeling de vraag aan mij als minister: "Hoe wilt u hiermee omgaan? Er liggen een aantal keuzes voor." Die keuzes zijn er omdat Nederland al meerdere jaren een asielgrensprocedure kent. Die functioneert goed. De asielgrensprocedure ziet op asielverzoeken die aan de buitengrens worden ingediend. Met andere woorden: het gaat om asielzoekers die nog niet op het grondgebied van een van de lidstaten zijn geweest. In de Nederlandse situatie gaat het dus om asielzoekers die hun asielverzoek indienen op Schiphol of in de haven van Rotterdam. De essentie van de asielgrensprocedure is dus dat niet slechts onderzoek wordt gedaan naar de inwilligbaarheid van het asielverzoek, maar ook naar het recht van de verzoeker om het grondgebied van de EU te mogen betreden. De maximale termijn voor de asielgrensprocedure wordt onder het pact twaalf weken. Dat geldt ook voor gezinnen met minderjarige kinderen. De termijn waarin zij kunnen worden uitgezet, is in beginsel twee weken.

In de Nederlandse situatie is de asielgrensprocedure altijd gekoppeld geweest aan grensbewaring. Dat is ook het geval omdat er geen effectieve alternatieven zijn. Als er een lichtere maatregel dan grensbewaring zou worden opgelegd, zoals een vrijheidsbeperkende maatregel of een meldplicht, zou dat immers tot gevolg kunnen hebben dat de asielzoeker tijdens de behandeling van zijn asielverzoek alsnog het grondgebied betreedt en zichzelf daardoor toegang tot Nederland en daarmee de hele Europese Unie verschaft. Zoals gezegd kennen wij dus al sinds vele jaren een goed functionerende asielgrensprocedure. Die bestaande grensprocedure wordt niet toegepast op gezinnen met minderjarige kinderen, tenzij er twijfels zijn over een gezinsband, er indicaties zijn van mensenhandel of er sprake is van gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid. In die uitzonderlijke situaties wordt grensbewaring opgelegd in de gesloten gezinsvoorziening in Zeist, een locatie die is ingericht op een kort verblijf en zo is ingericht dat het gevoel van detentie minimaal is. Asielverzoeken van gezinnen met minderjarige kinderen waarbij er geen twijfel is aan de gezinsband en er geen indicaties zijn van mensenhandel of nationale openbareveiligheidsaspecten, zullen we ook in het huidige beleid dus niet in de grensprocedure in detentie gaan behandelen. Aan hen wordt toegang tot Nederland verleend, waarna zij kunnen doorgaan naar Ter Apel, waar hun asielverzoek wordt behandeld.

Bij de implementatie van het pact is goed gekeken wat de nieuwe regelgeving betekent voor de praktijk. Aan de ene kant hebben we de Asielprocedureverordening, die dat wel oplegt, want die verplicht om de grensprocedure toe te passen. Aan de andere kant hebben we de herziene Opvangrichtlijn, waarin artikel 13, dat door velen van u is genoemd, stelt dat minderjarigen in de regel niet een vrijheidsontnemende maatregel mag worden opgelegd, maar dat dit in uitzonderlijke gevallen wel mogelijk is. De spanning tussen die bepalingen komt ook doordat er in Europa voor de herziene Opvangrichtlijn al een voorlopig politiek akkoord lag en de grensprocedureverordening pas veel later tot stand is gekomen. Naar aanleiding van het advies van de Raad van State, dat de heer Dassen in zijn citaat over de Raad van State ook noemde, is het wetsvoorstel op dit punt aangepast. De huidige wet gaat volledig een-op-een uit van de Opvangrichtlijn zoals die voor minderjarigen geldt. We kiezen er nu dus ook voor om ons huidige beleid voort te zetten, ook met het oog op de stabiliteit en de uitvoering. Daarbij zal nauwlettend in de gaten worden gehouden of er aan de grens ontwikkelingen zijn wat betreft de instroom van gezinnen met minderjarige kinderen, hoe dat ook in andere Europese landen verloopt en welke jurisprudentie daarover tot stand komt, om dat ook te kunnen betrekken bij de toepassing van dit onderdeel van de verordening.

De voorzitter:
Dat wilde ik ook zeggen. Het ging nu over kinderen en bewaring.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Volgens mij lopen er een paar begrippen door elkaar. Er moeten grensprocedures plaatsvinden, maar daarbij hoeft het niet per definitie om grensdetentie te gaan. Volgens mij is er daarbij sprake van een verwarring: in de Nederlandse context wordt het vertaald als grensdetentie en daarbij wordt gezegd dat die mogelijkheid uitdrukkelijk onderdeel van deze implementatie is. Mijn vraag aan de minister is: dat hoeft toch niet grensdetentie te zijn? Is hij het dan ook met me eens dat we dat gewoon uit de wet zouden moeten halen?

Minister Van den Brink:
De bedoeling van de grensprocedure was volgens mij, als ik breder kijk dan de betrokkenheid van kinderen, dat als er mensen aan de grens komen, je de fictie van non-entry wilde creëren. Dat was de hele discussie in Europa: zodra je als vluchteling, zoals door anderen ook al is gezegd, voet op Europese bodem zet en het woord "asiel" gebruikt, kom je in de hele procedure terecht die daarvoor geldt. Daarvoor is deze procedure ontwikkeld. Je stelt dus eerst vast of iemand überhaupt de toegang tot Europa zou moeten krijgen. Dat is afhankelijk van een aantal criteria. Als je binnen die criteria valt, moet je dus in die grensprocedure blijven. Aan die grensprocedure is verbonden dat die voor die groep mensen in detentie moet plaatsvinden. Daar zijn dan weer uitzonderingen op, namelijk ten aanzien van minderjarigen. Die uitzonderingen, zoals wij die nu in onze huidige grensprocedure kennen, zullen wij dus ook toepassen. Wij zullen minderjarige kinderen die hier met hun ouders aankomen dus gewoon naar Ter Apel laten gaan.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Maar dan kan de minister dat toch in de wet wijzigen? Hij gaf zelf in zijn inleiding aan dat het even wat langer duurde voordat hij met antwoorden kwam. Kennelijk hangt het ervan af welke minister hier zit en welk beleid de minister wil hanteren. Als hij zegt dat het beleid is dat we ervoor willen zorgen dat kinderen gewoon kunnen doorgaan en niet in detentie worden geplaatst, kan hij dat toch net zo goed gewoon in de wet vastleggen, zoals trouwens ook in heel veel andere landen gebeurt?

Minister Van den Brink:
Daarom is het zo goed — mevrouw Straatman haalde dat ook al aan — dat de Opvangrichtlijn een-op-een in de Nederlandse wetgeving is verankerd. Als ik die zou wijzigen, dan zou ik de verordening niet meer toepassen zoals die bedoeld is. Dan zou ik daarin de Opvangrichtlijn ook wijzigen. Het kabinet is er niet van overtuigd dat dat noodzakelijk is, ook omdat het huidige grensbeleid van Nederland goed werkt. Dat is ook in jurisprudentie en uitspraken van de Raad van State als voldoende beschouwd. Ook de locatie in Zeist — dat is door anderen al aangehaald — is , gezien de omstandigheden waarin detentie plaats zou moeten vinden, een geschikte locatie.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik had ook nog een heel aantal andere vragen gesteld, zoals welke alternatieven er onderzocht zijn. Ik heb ook gevraagd of de minister het rapport uit 2014 heeft gelezen: Papa, hebben we iets ergs gedaan? Gaat de minister daar nog op antwoorden, of niet?

Minister Van den Brink:
Ik kom zeker nog wel op heel veel andere vragen die u heeft gesteld, maar ik kan u al wel vertellen dat ik tijdens het debat ben gaan googelen op het boek dat u noemde. Ik heb het in de tussentijd nog niet gelezen, maar ik ben er wel benieuwd naar. Als boeken je namelijk een goed inzicht verschaffen over hoe iets zit, dan ben ik altijd benieuwd.

U had ook nog een losse vraag over hoe het zit met de afwijzing van de bewaring van gezinnen. Dat gaat om twee weken. Voor de grensprocedure is het alternatief dat de bewaring in Ter Apel plaatsvindt. Voor mensen die dienen te vertrekken — dat is niet zozeer een onderdeel van dit wetsvoorstel, maar dat is wel de staande praktijk — is er sprake van dat er af en toe gezinnen met kinderen in Zeist in detentie worden gehouden, net voordat zij de terugkeerprocedure afronden. Daarvan vindt het kabinet dat dat een goede maatregel is op het moment dat daarvoor een noodzaak bestaat. Er is altijd een individuele toetsing en er wordt niet licht toe overgegaan.

Dan vroeg de heer Van Asten over …

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik stelde ook uitdrukkelijk de vraag hoe zich dit verhoudt tot het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind. Daarin staat dat altijd het belang van het kind voorop moet staan. Ook in het schriftelijk overleg hebben we daarnaar gevraagd. Toen werd als antwoord gegeven dat de regering ook vindt dat dit alleen maar mag gebeuren als het belang van het kind vooropstaat. Mijn reactie daarop was nu — mijn vraag ging daar ook over — dat detentie nooit in het belang is van kinderen en dat onderzoeken in Nederland naar hoeveel kinderen we in de gesloten jeugdzorg plaatsen, dat laten zien, evenals het rapport waar ik net al op wees. Wat is dan het belang van het kind en hoe verhoudt dit zich tot het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind? Sorry, voorzitter, dit was langer dan 30 seconden.

Minister Van den Brink:
Laat ik het zo zeggen: de toetsing van het Europees recht is altijd aan het internationaal recht, dus daarmee ook aan andere internationale verdragen. In die zin kan dat niet strijdig zijn. Het Unierecht van Europa is daarmee voor Nederland leidend. Wij passen dat hier ook toe. Het kinderrechtenverdrag wordt door Nederland betrokken in de voorbereiding van wetgeving. Ook daarin wordt dat dus betrokken. De situatie in Zeist is door de Raad van State beoordeeld als voldoende. In die zin is er geen reden om daarvan af te wijken. Ik begrijp uw vergelijkingen, maar ik denk dat deze situatie echt anders is dan die bij de gesloten jeugdzorg, alhoewel u daar veel meer kennis over bezit dan ik.

De heer Van Asten vroeg mij naar de waarborg van kinderrechten tijdens de screening en hoe die eruitziet. Bij de implementatie van het pact en de screeningsverordening is het belang van het kind een essentiële overweging. Artikel 13 van de screeningsverordening bevat ten aanzien van de waarborg bepalingen die gelden voor minderjarigen tijdens de screening. De screeningsautoriteiten zullen hier onder meer in de bejegening en communicatie rekening mee houden en dit op een kindvriendelijke en leeftijdsgeschikte wijze uitvoeren. Voor zover iemand als minderjarige hier alleen is, zal een vertegenwoordiger van Nidos aangewezen worden die beschikt over de nodige vaardigheden en deskundigheid om in het belang en welzijn van de minderjarige op te treden.

Mevrouw Straatman vroeg wat er gebeurt als een asielzoeker die hier niet mag blijven, geen uitzicht heeft op terugkeer en de grensdetentie eindigt. We hebben al de grensprocedure. De ervaring leert dat ten aanzien van de meeste personen van wie het asielverzoek in de grensprocedure is afgewezen, het vertrek kan worden gerealiseerd vanuit die grensdetentie. Daar zijn op dit moment hele goede ervaringen mee.

Mevrouw Lammers vraagt hoe het zit met doorreis door Europa van alleenstaande minderjarige asielzoekers. De regels van het pact zijn de uitkomst van een lang en complex onderhandelingsproces, zoals ik al eerder zei. De alleenstaande minderjarige is inderdaad uitgesloten van de grensprocedure, tenzij hij een gevaar is voor de nationale veiligheid. Bij een doorreis naar een andere lidstaat kan hij onder de Dublinregels wel worden teruggeleid naar de lidstaat van binnenkomst. Het is dus niet zo dat daarmee alle doorreizende amv's de verantwoordelijkheid van Nederland zijn. Dan gelden gewoon de Dublinregels.

Mevrouw Van der Plas vraagt: moet de bewaring eindigen als niet binnen de maximale termijn gedwongen terugkeer kan plaatsvinden? De maximale termijn die geldt voor bewaring en het kunnen weigeren van mensen aan de buitengrens zijn twee verschillende dingen. Dat geldt ook voor de bewaring in de asielgrensprocedure, die maximaal twaalf weken mag duren. Pas als de asielprocedure niet binnen die twaalf weken kan worden afgerond, moet toegang worden verleend. Een harde garantie dat mensen die daaruit vallen, niet kunnen doorreizen, kun je dus niet geven, maar alles op alles gezet is twaalf weken op zich best een termijn voor detentie om mensen in terugkeer te brengen.

De heer Van Dijk vroeg naar de terugkeerverordening en of we ons daarvoor blijven inzetten. Ja, daar zetten wij ons voor in. De terugkeerverordening is cruciaal voor een simpeler en effectiever terugkeerbeleid. Wij blijven dan ook oproepen tot het bereiken van een snel en stevig resultaat in de triloog. Daar blijven we ons actief voor inzetten, met name vanwege de terugkeerhub waar u naar vraagt. We werken samen met Duitsland, Denemarken, Griekenland en Oostenrijk. Ik heb u onlangs in de JBZ-raad geïnformeerd over mijn laatste gesprek. Als ik voor woensdag klaar ben met dit debat, ben ik van plan om naar Duitsland af te reizen om met mijn collega aldaar hier verder over te spreken.

De heer Dassen vroeg ook of de terugkeerhub niet ten koste zal gaan van mensenrechten. Het langetermijndoel van het kabinet is dat de asielprocedures niet meer in Europa hoeven plaats te vinden. Daarom is de innovatieve oplossing die in de Terugkeerverordening wordt geboden iets wat wij toejuichen. Maar vanzelfsprekend moeten zulke oplossingen altijd binnen de grenzen van het nationaal, het Europese en het internationaal recht vallen. We zullen dan ook toezien op de waarborgen van de rechten van de migranten bij de uitwerking en de operationalisering. Het mooie is — dat is volgens mij anders dan in de afgelopen jaren — dat bij de ontwikkeling hiervan ook internationale organisaties zoals de UNHCR en de IOM betrokken zijn. Ik denk dat dit ook waarborgen geeft.

Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
Ik had toch nog een vraag over het antwoord op mijn vraag. Maar ik weet niet of het handiger is om eerst even het blokje af te maken.

De voorzitter:
Stelt u de vraag nu maar. Dan kan de minister die vraag uit het blokje halen.

Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
De minister zegt dat voor de amv'ers, de niet begeleide minderjarigen, gewoon de Dublinregels gelden. Maar die Dublinregels gelden nu ook voor heel veel mensen en dat werkt gewoon niet. Waarom zou dat dan straks wel gaan werken? Het gaat mij er vooral om dat die amv'ers vanuit de herkomstlanden vooruit worden gestuurd. Dat is het probleem. Het lijkt dat dit onder het pact wel gebeurt.

De voorzitter:
38 seconden. De VAR is gewoon even …

Minister Van den Brink:
Ik begrijp de vraag heel goed. Ik denk dat dit ook de zoektocht van meerdere partijen is hoe we dit kunnen voorkomen. Die mensonterende situaties op zee, met minderjarige kinderen die daartoe aangezet worden, wens je echt helemaal niemand toe. We moeten toe naar een systeem dat dit onmogelijk maakt, dan wel ontmoedigt. Ik denk dat dit systeem het op z'n best ontmoedigt, maar nog niet onmogelijk maakt. Voor dat onmogelijk maken zijn volgende stappen nodig.

Die volgende stappen zitten overigens ook in de Terugkeerverordening, omdat daarin het bandencriterium is aangepast. Daardoor heb je, ook als je door landen heen bent gereisd die als veilig waren te beschouwen, mogelijk geen recht op asiel in Europa. Dat geldt natuurlijk ook de voor de groep die mogelijk uit dat soort landen komt. Richting de toekomst zijn daar dus mogelijkheden voor, maar op dit moment kunnen we niet alle situaties uitsluiten. Tegelijkertijd zeg ik: laten we wel hopen dat Dublin gewoon weer gaat functioneren. Ik snap dat u daar op basis van uw ervaringen in het verleden misschien niet de meeste overtuiging vandaan haalt, maar dit is wel een nieuwe start.

Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
Dat is niet alleen op basis van het verleden, maar ook op basis van wat experts zeggen. Die zeggen: de Dublinverordening gaat nu ook niet werken. Die amv'ers kunnen dus gewoon weer los door Europa reizen. Ik zie niet in hoe de Dublinverordening dat nu opeens gaat verhelpen.

Minister Van den Brink:
De afspraak is dat we op die manier mensen die al eerder een verzoek hebben gedaan in een andere lidstaat, gewoon terugsturen naar dat land. Daarvoor hebben we een hele procedure ingericht, met een versnelde procedure ten opzichte van de huidige procedure. Ik denk dat die in de toekomst in ieder geval door Nederland wel degelijk actief zal worden ingezet.

Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
Ik heb daar een hard hoofd in. Ik heb zelf ook bij de IND gewerkt. Daar heb ik gezien dat mensen soms acht keer terugkomen en acht keer weer moeten worden uitgezet. Ik zie dus niet in wat dit gaat oplossen.

Minister Van den Brink:
Laten we dan hopen dat uw ervaringen uit het verleden bij de IND ook tot het verleden gaan behoren als we dit pact hebben ingevoerd in de komende tijd. Tegelijkertijd doe ik daarbij de waarschuwing dat we nog wel even bezig zijn om dat allemaal te realiseren. Maar de afspraken die nu gemaakt zijn, zijn in ieder geval beter dan ze in het verleden waren.

De voorzitter:
Sorry, meneer Dassen. Ik keek even of mevrouw Lammers nog iets ging zeggen. Gaat uw gang, meneer Dassen.

De heer Dassen (Volt):
Toch nog even terug naar de kinderdetentie. Ik probeer de woorden van de minister een beetje op me te laten inwerken. Hij geeft aan: dat gaat bijna nooit gebeuren. Maar mijn vraag blijft toch hangen wanneer het wel proportioneel is om dat te doen. Is daar een voorbeeld van?

De voorzitter:
Laten we dat doen, maar de minister komt ook nog bij de amendementen die hierover gaan. We kunnen het altijd daarna nog even doen, want ik vond dat de vaart er goed in zat.

Minister Van den Brink:
Mooi, dank u wel. De situaties waarin dat van toepassing is, zijn: als er twijfels zijn over de gezinsband, als er indicaties van mensenhandel zijn of vanwege de openbare orde of de nationale veiligheid. Dat zijn de drie categorieën.

De heer Dassen (Volt):
Wat is bij die eerste twee categorieën de reden om een kind in detentie te zetten? Ik begrijp 'm nog steeds niet, om eerlijk te zijn. Ga je dan een kind in detentie zetten omdat het mogelijk slachtoffer is van mensenhandel?

Minister Van den Brink:
Ik moet u eerlijk zeggen dat ik in de vijf weken dat ik hier zit deze casuïstiek gelukkig nog niet op mijn bureau heb gehad. Laat ik het zo zeggen: er zijn experts bij betrokken die dit in het verleden, de afgelopen elf of twaalf jaar, al hebben gedaan. De situatie die wij kennen in Zeist, bestaat namelijk vanaf 2014. Ik heb dus de overtuiging dat dat op een zorgvuldige manier gebeurt. Die wijze is getoetst door de Raad van State en is juridisch akkoord bevonden. Ik heb daarover dus geen twijfels. Ik heb alleen geen casuïstiek die ik u nu zo kan voorleggen die daar een antwoord op geeft.

De heer Dassen (Volt):
Ik vind het problematisch dat de minister daar geen goed antwoord op kan geven. Ik heb namelijk niet de vijf weken gehad die de minister heeft gehad voor deze wetsbehandeling. Ik heb niet met al die mensen kunnen spreken. Het is wel lastig als ik geen antwoord krijg op deze vraag, die volgens mij vrij fundamenteel is in deze wetsbehandeling. Ik vind dat dus wel problematisch.

Minister Van den Brink:
Laat ik zeggen: ik heb u net de juridische ruimte voor de detentie geschetst. Dat zijn de drie criteria die daarvoor gelden. Die kennen wij al in de huidige grensprocedure. Die zijn dus niet nieuw. Daarmee is dat de feitelijke situatie.

De heer Boomsma vroeg hoever de andere landen op dit moment zijn. Hij vroeg ook naar de registratie. De Europese Commissie monitort dat. In de aankomende week publiceert de Europese Commissie een nieuwe voortgangsrapportage. Op basis daarvan kan ik u verder informeren over de stand van zaken en over de vraag hoe dat op dit moment in die landen wordt toegepast.

Dan de screeningsprocedure. Hoe wordt er gecheckt als ze in het land van aankomst nog niet goed geregistreerd zijn, vraagt de heer Boomsma. De verplichte screeningsprocedure omvat onder andere meer identificatie, de afname van biometrische gegevens, de Eurodacregistratie en consultatie van de veiligheidsdatabases. Dat systeem zal voor lidstaten de primaire manier zijn om kunnen concluderen of een derdelander die onder de reikwijdte van de screeningsverordening valt, al is gescreend in een andere lidstaat. In de situatie dat iemand niet in Eurodac geregistreerd staat maar wel aan een screening moet worden onderworpen, zal de screeningsautoriteit de screening in Nederland uitvoeren. We zullen zo mogelijk onderzoeken uit welk land die persoon is gekomen, omdat je in Europa met elkaar moet willen weten hoe dat is gegaan en hoe vaak dat voorkomt.

De voorzitter:
Mevrouw Vondeling. Ik vond u al zo stil.

Mevrouw Vondeling (PVV):
Ja, hè? Dit is waarschijnlijk vooruitlopen op de vragen die ik heb gesteld over het uitlezen van gegevensdragers. U heeft het namelijk over "onderzoek doen". Daarbij is het natuurlijk heel belangrijk dat er een telefoon kan worden uitgelezen. Mijn vraag is: hoe staat het daarmee? Is daar een wetswijziging voor nodig? Wanneer komt die naar de Kamer?

Minister Van den Brink:
Ook dat antwoord heb ik langs zien komen, maar ik ga het nu alvast even uit mijn hoofd doen. Dat wetsvoorstel is in de maak. De consultatie start in Q2 van dit jaar. Dat is dus bijna, want het is bijna april. Als het wetsvoorstel in consulatie gaat, zal ik u daarover informeren. Het vergt een wetswijziging. Dat is de reden dat daar nu nog niet in wordt voorzien in de screeningsomgeving waar de IND mee gaat werken.

Mevrouw Vondeling (PVV):
U zegt: dat is bijna. Maar ik denk dat het toch nog heel lang duurt totdat zo'n wetsvoorstel uiteindelijk door de Eerste en Tweede Kamer is gegaan. Dit is natuurlijk wel heel belangrijk, juist om de reisroutes en de identiteit te achterhalen, ook voor de veiligheid. Ik ga dus wel een motie indienen om dat te versnellen.

Minister Van den Brink:
Aanmoedigingen kan ik in die zin altijd gebruiken. Tegelijkertijd gaat het hier om een advies dat we van de Autoriteit Persoonsgegevens moeten ontvangen, want dit vraagt om de verwerking van gegevens. Dat is een extra zorgvuldigheidscheck in de route; vandaar dat daar ook tijd voor nodig is.

De voorzitter:
Ik vermoedde al dat dit een vraag zou oproepen. Even kijken. Ik zag eerst meneer Van Dijk en daarna meneer Boomsma.

De heer Diederik van Dijk (SGP):
Het is een wat flauwe vraag, maar dat die juridische grondslag ervoor ontbreekt, weten we al sinds begin vorig jaar. Dan is toch wel de heel eenvoudige vraag: waarom heeft dit in vredesnaam zo lang geduurd? En ik weet dat deze minister nog maar vijf weken aan de gang is.

De voorzitter:
Dus dat mag de minister niet meer herhalen. De minister.

Minister Van den Brink:
Dat ga ik ook niet doen. Ik weet gewoon dat eraan gewerkt wordt en dat die nu bijna in consultatie gaat. Dat zal afstemming hebben gevergd in de afgelopen periode, naast wat er nog aan uitvoering lag.

De heer Boomsma (JA21):
Ik zat al dagenlang een amendement hierop voor te bereiden. Gaat het in de wetsvoorbereiding dan om een algemene bevoegdheid om gegevensdragers uit te lezen, in alle gevallen? Ik heb me verdiept in de jurisprudentie en de gevolgen van die uitspraak. Er moet dus een onderbouwing plaatsvinden. Zou je niet nu al eerder een wettelijke grondslag kunnen opnemen die in ieder geval voorziet in bepaalde gevallen, bijvoorbeeld als er duidelijke aanwijzingen zijn voor fraude of om te kunnen controleren of er sprake is van smokkelaarsroutes en dergelijke? Dan doe je het dus nog niet in generieke zin. Ik snap dat dat meer werk zou vergen. Maar dan doe je het wel voor deze specifieke gevallen, zodat je daar dan per 12 juni, als dat lukt, mee kunt beginnen.

Minister Van den Brink:
Dat laatste, 12 juni, zou ik u niet kunnen toezeggen. Het gaat om het verwerken van gegevens. De laatste keer dat ik over biometrie sprak, heb ik gemerkt hoe gecompliceerd dat is en hoeveel partijen daarvoor nodig zijn om dat goed afgestemd te krijgen, waaronder de Autoriteit Persoonsgegevens. We zijn dat op dit moment aan het doorlopen, maar de consultatie is in Q2.

De voorzitter:
Vinden de collega's het goed als ik een vraag stel? Ik vond de vraag van mevrouw Vondeling wel terecht. Ik beluister bij de minister dat hij dit belangrijk vindt. Hij zegt dat die wet er komt. Het is vrij technisch. Maar ik hoorde de minister ook zeggen dat de screeningsomgeving hier nu niet op ingericht gaat worden. Het is toch jammer om dat niet te doen?

Minister Van den Brink:
O, sorry, voordat u dat verkeerd begrijpt: ik bedoel vooral dat de IND het ook kan uitvoeren als de grondslag er is. Dat zei ik, maar dan moet die grondslag er eerst zijn.

Even kijken. De heer Boomsma vraagt: wordt er in de beroepsprocedure op screening ook gekeken naar de kans van slagen? De uitkomst van de screeningschecks worden feitelijk samengevat in een screeningsformulier. De screeningsautoriteit zal de vreemdeling de gelegenheid geven om aan te geven of de informatie op het screeningsformulier juist of onjuist is. Na afronding van de screening wordt de vreemdeling doorverwezen naar de passende vervolgprocedure. Dat kan dus een asiel- of een terugkeerprocedure zijn. De kans van slagen van asielverzoeken is dus pas in de vervolgprocedure aan de orde en wordt niet bekeken bij een eventueel beroep op screening. Bij een beroep op screening vanwege bijvoorbeeld onjuist vastgestelde personalia kan er tijdens een asielgehoor aandacht aan worden besteed. Dat verloopt dus via die procedure.

De heer Dassen vroeg mij of ik zelf wel de juiste onafhankelijke toezichthouder kan zijn in dezen. Tijdens de screening in de asielgrensprocedure is voorzien in de inrichting van een onafhankelijk toezichtmechanisme, dat toeziet op grondrechten van vreemdelingen en naleving van het Unierecht en het internationaal recht. De Inspectie Justitie en Veiligheid en het College voor de Rechten van de Mens zijn elk vanuit hun eigen deskundigheid en in lijn met bestaande taken en bevoegdheden de geschikte partijen. We zullen dat toezicht dus gaan vormgeven. De inspectie en het college hebben gelukkig een onafhankelijke positie ten opzichte van mij als minister. Dus die zien daarop toe.

Er was nog een vraag van de heer Dassen en volgens mij ook van de heer Boomsma over hoe het nu verdergaat met de binnengrenscontroles in Europa. Verschillende lidstaten hebben binnengrenscontroles ingesteld. Zij moeten ook zelf weer het moment kiezen waarop ze daarover rapporteren aan Europa dan wel wanneer ze aan de maximale termijn zitten. Dus dat blijf ik volgen. Daar zal ik hopelijk van de week meer over horen als ik bij mijn collega in Duitsland op bezoek ben. De Nederlandse binnengrenscontroles zijn tot 8 juni ingesteld. Richting 8 juni zal ik een besluit nemen over hoe we daarmee verdergaan. Dat is het antwoord op dat onderwerp.

De heer Boomsma (JA21):
Maar kunnen we het daar met elkaar van tevoren ook nog over hebben, voordat de minister definitief dat besluit neemt?

De voorzitter:
U onderling of Kamer en minister?

De heer Boomsma (JA21):
Ik bedoel als Kamer.

Minister Van den Brink:
Ik ben op iedere plek waar de Kamer mij vraagt te zijn en ik geef een antwoord op iedere vraag die u daarover stelt. Volgens mij heb ik de verantwoordelijkheid om keuzes te maken en controleert u mij daarop. Volgens mij is dat de volgorde. Maar er liggen allemaal moties, dus ik weet wat ongeveer het beeld is.

De voorzitter:
Als wij moeten helpen om een afspraak tussen u tot stand te brengen, dan doen we dat graag.

Minister Van den Brink:
Ik ben eigenlijk door mijn tweede blok heen.

De voorzitter:
Dat is mooi, want in dit tempo … U doet uw best, minister. Blokje drie.

Minister Van den Brink:
Dat is het minste compliment dat ik kan krijgen.

De voorzitter:
Nee, u doet het echt … Dat waardeer ik.

De heer Dassen (Volt):
Ik had nog een vraag over dat toezichtmechanisme. Ik probeer dat toch iets beter te bekijken. De Raad van State had er ook kritiek op. Die geeft aan: hoe waarborg je dat onafhankelijke karakter als de minister hier zelf onderdeel van is? Ik ben zelf benieuwd hoe de minister dat ziet.

Minister Van den Brink:
Ik veronderstel dat de Inspectie Justitie en Veiligheid zichzelf altijd in staat stelt om ieder onderzoek te doen naar zaken waarvan zij het noodzakelijk vinden om toezicht op te houden dan wel onderzoek naar te doen. Dat geldt ook voor het College voor de Rechten van de Mens. Beide hebben dus volgens mij alle ruimte om mij te wijzen op onvolkomenheden, zouden die zich voordoen, en om daar onderzoek naar te doen. Ik moet dan weer op tijd het rapport naar u sturen en daar op tijd een reactie bij geven. Toen ik het las, dacht ik: dat is goed geborgd.

De heer Dassen (Volt):
In mijn ogen kun je daar vraagtekens bij zetten, omdat de minister aan de ene kant dus verantwoordelijk is voor de uitvoering en aan de andere kant voor het toezicht daarop. Dat is hoe ik het in ieder geval begrijp uit de kritiek van de Raad van State, die daar een uitspraak over doet. Die vraagt ook naar de toelichting. Daar ben ik zelf ook benieuwd naar.

De voorzitter:
Minister, kort.

Minister Van den Brink:
In mijn beleving zijn de Inspectie Justitie en Veiligheid en het College voor de Rechten van de Mens onafhankelijk van mij. Ik heb daar helemaal geen invloed op. Zij kunnen toezien op hoe het werk wordt gedaan. Dat werk wordt wel gedaan onder mijn verantwoordelijkheid, omdat de IND in dezen natuurlijk de screening doet. Dat doet de IND dus onder mijn verantwoordelijkheid. Daarop kunnen zij toezien en daarover kunnen zij rapporteren. Dat lijkt mij goed geborgd.

De voorzitter:
U gaat naar blokje drie. Dat was … O, meneer Dassen.

De heer Dassen (Volt):
Ik had nog één andere vraag, omdat in dit blokje ook de Eurodacverordening besproken wordt. Of komt die in een ander blokje terug?

Minister Van den Brink:
Die komt nog wel terug, hoor ik naast me.

De heer Dassen (Volt):
Dan wacht ik, voorzitter.

De voorzitter:
Die komt in het blokje overige belangrijke zaken.

Minister Van den Brink:
Screening, het mechanisme, solidariteit en Dublin. Dat zijn allemaal zaken die deels langs zijn gekomen.

De heer Ellian had een vraag gesteld over het solidariteitsmechanisme en de druk die op Griekenland ligt. Zij zullen hulp nodig hebben. De verschillende vormen van solidariteit zijn wettelijk vastgelegd. Het gaat daarbij om een financiële bijdrage, herplaatsing of alternatieve solidariteit. Alle opties zijn gelijkwaardig aan elkaar. Elke EU-lidstaat maakt hierin een eigen afweging. Uiteindelijk is de solidariteitspool een combinatie van al deze vormen van solidariteit. Er wordt natuurlijk wel bekeken welke steun lidstaten met migratiedruk nodig hebben. Daarnaast ondersteunt Nederland Griekenland door daar projecten uit te voeren. Denk aan de opvang van alleenstaande minderjarige vreemdelingen en het verbeteren van het voogdijsysteem. Ook staat het kabinet ervoor open om, als Italië en Griekenland daarom verzoeken, verdere ondersteuning te bieden via de pools van Europese agentschappen. Via Frontex wordt er praktische hulp geboden bij de grens.

De voorzitter:
Als de collega's het goed vinden, stel ik een snelle vraag: kan de minister hier bijvoorbeeld op terugkomen, bijvoorbeeld na de volgende JBZ? Ik bedoel dat we periodiek een beetje op de hoogte worden gehouden van hoe het gaat met Griekenland. Dat hoeft geen heel epistel te zijn. Dat kan gewoon in een paar zinnen.

Minister Van den Brink:
Ja. Er is ook een moment voor het Migratiepact, dus dat kan op een van beide momenten.

De heer Boomsma heeft een ambitieuze gedachte en vroeg of het aantal van 30.000 mensen in de procedure naar 200.000 of 400.000 kan. Hij vroeg welke invloed Nederland daarin kan uitoefenen. In principe zou het kunnen. De solidariteitspool voor 2026 is vastgesteld, rekening houdend met seizoenspatronen in asielstromen. We kunnen nog niet vooruitlopen op de omvang van die pool voor 2027, maar deze kan volgend jaar groter zijn, afhankelijk van de migratiedruk in de lidstaten. De Raad stelt dit uiteindelijk vast via een gekwalificeerde meerderheid. Dat gaat in dit geval dus via de Raad. Daarom zullen wij ons actief inzetten voor een redelijke omvang van de solidariteitspool en hier met gelijkgezinde landen in optrekken. Ik noemde net al even de bevolkingsdichtheid. We zullen ons op dat punt blijven inzetten wanneer we daar de gelegenheid voor krijgen.

Dan zei mevrouw Vondeling dat Hongarije en Polen al hebben aangegeven bezwaar te hebben tegen dit pact. Wij hebben zelf die afspraken heel nadrukkelijk wel gemaakt. Wij willen die ook met elkaar maken omdat wij zien dat het een Europees probleem is dat nationaal niet valt op te lossen. Dus moet je in Europa samenwerken. Willen wij van dit pact een succes maken, dan moet je alle afspraken die erin staan gestand doen. Wij willen ook dat de Commissie hierop toeziet richting andere lidstaten, dat zij lidstaten aanspreekt en ook oplossingen aanreikt om landen te helpen die hulp nodig hebben.

Dan vraagt mevrouw Westerveld waarom Nederland kiest voor financiële compensatie als manier om de solidariteit in te vullen. Wij hebben daarvoor gekozen omdat wij vinden dat onze opvangketen in Nederland niet op orde is en de druk te hoog is. Daarom vullen wij het solidariteitsmechanisme financieel in. Dat is niet in de tijd bepaald, zeg ik tegen de heer Dassen. Wij hebben niet onderling afgesproken voor hoelang dat is. In die zin is het ook een politieke weging wanneer we daarvan af zouden zien. Als u mij af en toe in het nieuws hoort over de opvangproblematiek, zult u begrijpen dat ik niet verwacht dat dat al op heel korte termijn is.

Wat gebeurt er met de Dublinclaimanten uit land als Polen en Hongarije, vraagt mevrouw Lammers.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
We gaan er in een sneltreinvaart doorheen, wat ik ook snap gezien de tijd, maar ik had over solidariteit nog een paar aanvullende vragen. Ik vroeg ook of de minister het met ons eens is dat afkopen ook ondermijnend kan zijn voor de solidariteit met landen die aan de buitengrenzen liggen en die te maken hebben met een veel grotere uitdaging als we kijken naar het aantal mensen dat bij hen de grens met Europa passeert. Begrijpt hij dat die andere landen vinden dat het afkopen de uitgangspunten van het pact ondermijnt? Dat waren de twee aanvullende vragen die ik ook had gesteld.

Minister Van den Brink:
Alle lidstaten waren natuurlijk betrokken bij het maken van de afspraken. In die zin is dit ook iets van alle 27 leden. In de zuidelijke lidstaten is de vraag verschillend. Spanje heeft bijvoorbeeld gezegd: alsjeblieft, doe het financieel. Dat land heeft dus al aangegeven graag de betaling te ontvangen. Met bijvoorbeeld Griekenland hebben we nog hele discussies over de voorraden van de Dublin, waarvan wij vinden dat die door Griekenland in het verleden zijn benut. Daar heb je dus weer een ander gesprek. De gesprekken met de lidstaten zijn dus best wel verschillend, maar in Spanje wordt voor het financiële gekozen. Als er uiteindelijk op geen enkele manier meer, door wie dan ook, geholpen wordt, dan komt het hele systeem onder druk te staan; dat snap ik ook. Maar daar is op dit moment nog geen sprake van, gelet op hoe er op dit moment mee om wordt gegaan in Europa. Vooralsnog geloven wij dus dat het systeem zoals het bedacht is, ook kan gaan functioneren.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dat klinkt heel mooi, "vooralsnog hopen we dat", maar het lijkt me dat de regering eigenlijk al een plan klaar moet hebben liggen voor het geval het niet werkt. Hopen dat het allemaal wel goedkomt, lijkt mij niet zo verstandig.

Minister Van den Brink:
Een van de afspraken — in die zin zijn er ook fallbackafspraken — is dat als de Commissie oordeelt dat landen zich niet houden aan de afspraken uit het pact, ook andere delen van het mechanisme vervallen. In die zin zijn er dus al afspraken gemaakt. Als de Commissie oordeelt dat een lidstaat — ik ga geen landen noemen, want dat zou misschien iets zeggen over wat ik van die landen vind — niet voldoet aan de afspraken, dan zijn wij ook niet gehouden om die lidstaat te betalen of op een andere manier aan de solidariteit bij te dragen. Daar is dus in voorzien.

De heer Boomsma vroeg nog hoeveel Dublinclaimanten Nederland de afgelopen jaren heeft opgevangen. Nederland heeft in 2025 voor 8.000 vreemdelingen een Dublinclaim ingediend bij een andere lidstaat.

De heer Van Dijk vroeg, ook vanuit het Europese toekomstidee, naar een streefcijfer en een quotum. Hoe willen we daarnaar streven in Europa? We hebben dus andere lidstaten nodig om meer grip te krijgen op onze migratie, maar we gaan echt eerst met het Europese Migratiepact aan de slag. We moeten eerst alle zeilen bij zetten, zoals iemand hier vandaag al zei, om dit tot een succes te maken. Quota hebben we daarbij eigenlijk nu nog niet op de agenda staan. Ik denk dus ook, als ik het een beetje zo inschat, dat alle lidstaten voorlopig volop bezig zijn met de invoering van dit pact, maar mogelijk gaat dit op een later moment wel terugkomen in de discussies als we ook de innovatieve vormen van asielopvang buiten Europa met elkaar misschien op een andere manier gaan invullen.

Mevrouw Straatman vroeg hoe het nou is verlopen met de Dublincompensaties. De uiteindelijke vermindering van het financiële aandeel is afhankelijk van de uiteindelijke verdeling tussen de bijdragen van de lidstaten en de ontvangende lidstaten. We zijn daar nog over in gesprek met de Commissie, maar ik verwacht wel dat we daar voor 12 juni duidelijkheid over krijgen, dus dan zal ik u ook of via de JBZ of via de voortgangsrapportage erover informeren hoe dat is verlopen.

De voorzitter:
Momentje. Meneer Boomsma.

De heer Boomsma (JA21):
De minister zei dat er 8.000 Dublinaanvragen waren in 2025, maar mijn vraag was er ook op gericht om te achterhalen welke aantallen Dublinclaimanten uiteindelijk in Nederland konden blijven omdat ze niet terug konden naar Griekenland, Italië of andere landen, want dat zijn, denk ik, de relevantere getallen om in gedachten te hebben voor die offsets.

Minister Van den Brink:
Die ga ik even na voor de tweede termijn. Ik weet wel dat er met Griekenland inmiddels afspraken zijn gemaakt over die offset. Maar laat ik dat niet vanuit mijn parate kennis doen, want het gevaar is altijd dat je net naast getallen zit. Dat doe ik dus even in de tweede termijn, met uw goedvinden.

De voorzitter:
Ja.

Minister Van den Brink:
Dan was er ook nog een vraag van verschillende partijen over de Dublinclaimanten en het versoberde regime. Meneer Ellian vroeg daarnaar, mevrouw Straatman vroeg daarnaar en JA21 heeft ernaar gevraagd. Vanaf 12 juni geldt dus voor de Dublinclaimanten na dat overdrachtsbesluit een versoberd regime. Dat houdt in dat vanaf dat moment voor deze groep asielzoekers het verstrekkingenregime wijzigt en dat ze op een apart gedeelte van een bestaand azc onderdak kunnen krijgen. Daar zijn ze nu zeg maar een soort van pilotlocaties voor aan het draaien, maar dat moet echt nog wel van de grond komen. Dat is natuurlijk ook afhankelijk van hoeveel Dublinclaimanten straks, na het overdrachtsbesluit, in de opvang zitten. Maar we zijn daarover in gesprek met het COA. Laat ik ook hierop toezeggen dat als we meer duidelijkheid hebben over op hoeveel plekken we dan uit gaan komen, hoe we dat inrichten en wat "versoberd" dan betekent — dat is, denk ik, ook nog iets waar interesse voor bestaat — ik u daarover zal informeren.

De voorzitter:
Als niemand wat vraagt, dan heb ik een korte vraag. Is de minister bereid om "versoberd" hier in te vullen als "zo versoberd als mogelijk"?

Minister Van den Brink:
Ja, ik denk dat de Opvangrichtlijn ons daar ook weer allerlei dingen in voorschrijft. Het minimum is uiteindelijk bed, bad en brood, niet met de politieke connotatie die daarmee bedoeld wordt, maar gewoon dat je altijd gehouden bent aan opvang, in welke situatie dan ook; dat is ook de jurisprudentie uit Europa. Die biedt Nederland ook altijd. Maar het is wel versoberd bedoeld, omdat je natuurlijk als Dublinclaimant hier niet hoort te zijn en terug moet naar de plek waar je je aanvraag hebt gedaan, dus in die zin zullen wij dat ook op die manier inrichten.

De heer Boomsma (JA21):
Ik begrijp dat dat versoberd moet, maar ik heb best wel wat azc's bezocht, dus ik denk: op heel veel plekken kan het niet heel veel soberder dan wat je daar ziet, tenzij je heel erg veel mensen in stapelbedden op één kamer gaat zetten, maar ik weet niet of dat dan per se de zaak verbetert. Ik heb ook gezien dat sommige mensen juist aangeven dat versobering juist duurder wordt. Waarom dat zo is, kan ik niet helemaal overzien, maar zit het 'm niet veel meer in het feit dat er toezicht is en dat er een meldplicht is dan dat de voorzieningen ook daadwerkelijk worden afgeschaald?

Minister Van den Brink:
De heer Boomsma is in die zin echt goed op de hoogte van de situatie bij het COA en de opvanglocaties. Het klopt wat u zegt, namelijk dat het toezicht toeneemt, omdat je het tegelijkertijd sober wil houden en omdat je toezicht wil houden. De toezichtkosten zorgen voor de hogere opvangkosten die daar dan mee gepaard gaan, dus het klopt dat dat er eigenlijk ook achter wegkomt.

Mevrouw Straatman vroeg naar terugkeerafspraken met derde landen. Daar zijn we volop mee bezig. We hebben verschillende instrumenten om de terugkeersamenwerking te verbeteren, zowel bilateraal als in Europees verband. Onderdeel hiervan is het ontwikkelen van brede, gelijkwaardige en duurzame partnerschappen met voor Nederland belangrijke landen van herkomst en transit. Zowel in EU-verband als in Benelux-verband wordt daar overleg over gevoerd en worden overnameovereenkomsten gesloten met landen buiten Europa. Voor landen die onvoldoende meewerken, kan het kabinet ook negatieve maatregelen nemen, zoals EU-visummaatregelen. Dit doen we in EU-verband, omdat dat meer gewicht in de schaal legt. Daar zetten wij ons ook voor in.

Dan vroeg JA21 tot slot in dit blokje wat de gevolgen van al deze wijzigingen zijn voor de procesbeschikbaarheidsaanpak. De huidige pilot procesbeschikbaarheidsaanpak, met een van de mooie afkortingen in dit werkveld, richt zich op aanvragers met een kansarme aanvraag. Dublinclaimanten kunnen alleen in de procesbeschikbaarheidslocatie als zij snel door de procedure kunnen gaan. Daarnaast kunnen zij in de verscherpttoezichtlocatie. Op de huidige praktijk hebben de wijzigingen geen invloed, want onder het huidige Migratiepact zullen Dublinclaimanten de nieuwe procedure volgen en niet de versnelde procedure. Je moet het niet meer "een apart spoor" noemen, want zo heette het vroeger; het is een aparte procedure. De pilot procesbeschikbaarheidsaanpak wordt op dit moment geëvalueerd en zal daarna een vervolg krijgen als we daarover hebben gerapporteerd.

Dat waren mijn antwoorden op het punt van solidariteit en Dublin.

De heer Dassen (Volt):
Ik vroeg aan het einde van mijn betoog een reflectie van de minister op grond van al deze maatregelen, ook wetende dat al die andere landen nationale maatregelen aan het nemen zijn, waardoor we nog steeds een race to the bottom in Europa krijgen. Wat gaat dit volgens de minister doen met de uitvoering van het Europees Migratiepact?

Minister Van den Brink:
Ik denk dat de twee belangrijkste zaken waar we binnen Europa met elkaar naar kijken om te beoordelen in hoeverre dit pact succesvol is, de asielgrensprocedure aan de buitengrens en het herleven van de Dublinafspraken zijn. Ik denk dat dat de twee belangrijkste pijlers van dit pact zijn waar heel Europa naar gaat kijken om te zien of het pact gaat functioneren, omdat daar ook de afhankelijkheden tussen de verschillende lidstaten zitten. Waar u op wijst, gaat natuurlijk ook over de vraag hoe we onze eigen nationale keuzes maken. Daarin zie je volgens mij een heel geschakeerd landschap in Europa. Er zijn lidstaten die dit al tien jaar geleden hebben ontwikkeld naar een tweestatusstelsel en er zijn landen die dat nu pas gaan doen, zoals Nederland. Om ons heen zien we dat Duitsland en België natuurlijk keuzes hebben gemaakt. Je zou kunnen zeggen dat we daarmee in de pas komen te lopen. Ik denk dus dat Dublin en de asielgrensprocedure de twee grote ijkpunten gaan worden in de Europese context.

De heer Dassen (Volt):
Deelt de minister in ieder geval mijn zorg dat op het moment dat je nu als Europa een kans hebt om te zeggen dat migratie een Europees vraagstuk is en dat we dat gezamenlijk gaan oplossen, er vervolgens in elk land een debat is met het nationale parlement en dat in elk land waarschijnlijk Kamerleden zitten die zeggen dat het strenger en soberder moet omdat ook andere landen strenger en soberder zijn? Zojuist werd nog gevraagd om "zo streng als mogelijk". Deelt de minister de zorg dat dit juist een averechts effect kan hebben op de hele uitvoering van dit pact?

Minister Van den Brink:
Nee, toch niet, omdat dat uiteindelijk niet uit het pact volgt. Het pact harmoniseert ontzettend veel. Ik denk dat dat goed is. Nederland sluit zich aan bij die harmonisatie. De toepassing daarvan is ook nodig, omdat we in onze nationale procedures al tegen de grenzen aan waren gelopen, ook in de doorlooptijden. Los van de nationale keuzes juicht de IND allerlei keuzes die hieruit volgen, maar ook door de IND voorgestelde keuzes in de vorige wetgeving, waaronder het schrappen van de voornemenprocedure, ontzettend toe omdat de procedure daarmee wordt versneld. Bij de grote aantallen die we in de asielketen dan wel in de voorraden hebben, is de doorlooptijd dus ontzettend belangrijk. Deze nieuwe procedureverordening biedt wel veel mogelijkheden om daarin dingen te verbeteren. Ik denk dus dat dat het belangrijkste onderdeel is.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Maar dan vind ik het wel opvallend waarom het vorige kabinet in de memorie van toelichting heeft opgeschreven dat een van de doelen is om het strengste asielbeleid ooit in te voeren en waarom deze minister namens dit kabinet dat probleemloos overneemt. Dat was ook mijn vraag in de eerste termijn: waarom is daarvoor gekozen als we nu tegelijkertijd horen dat het doel is dat landen zo veel mogelijk dezelfde regels gaan hanteren en dat solidariteit een van de uitgangspunten is? Dat kan volgens mij niet samengaan.

Minister Van den Brink:
Ik denk het wel. Wat u vraagt is een terechte vraag. Laat ik eerlijk zijn: volgens mij heb ik nog geen enkele kwalificatie gebruikt voor het asielbeleid. Ik ga dat ook niet doen. Ik ben wel echt overtuigd van de harmonisatie op het niveau waarop we het nu inregelen omdat we in het verleden ook dingen in ons nationale stelsel hadden die niet verplichtend waren, die ruimer waren of die vertragend waren. Er zijn allerlei onderdelen waarvan we als kabinet overtuigd zijn en waarvan alle partijen in de gesprekken rondom de coalitievorming overtuigd zijn geraakt. Wij denken dat dit echt een verbetering is ten opzichte van wat we hadden.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
De minister zegt: ik heb geen kwalificaties gebruikt. Maar dit staat gewoon in de memorie van toelichting. Dat is erin gefietst door het vorige kabinet en dat wordt nu overgenomen. Als deze minister consequent zou zijn met wat hij nu zegt, dan had dit er als doel uit gehaald moeten worden, lijkt mij. We gaan voor solidariteit, gelijkwaardigheid en gelijke regels. Dan begrijp ik niet waarom dit er als doel in blijft staan en dus ook onderdeel is van de wetsgeschiedenis.

Minister Van den Brink:
Het belangrijkste zijn de maatregelen die daaronder vandaan komen. Die maatregelen steun ik van harte omdat die de harmonisering brengen in Europa die noodzakelijk is. Uiteindelijk is de wet veel meer dan de exacte artikelen, maar zijn het wel de exacte artikelen en de toepassing van de artikelen waarop we de uitvoering gaan toetsen. Ik ben er echt vol van overtuigd dat de maatregelen die we hierin treffen noodzakelijk zijn.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ook daar valt wel het een en ander op af te dingen. Dat zat in mijn kritiek, maar ik heb het van een heel aantal collega's gehoord. Het gaat om nationale koppen. Er is niet gekozen voor een enkel zuivere implementatie van het Europese Migratiepact. Er is voor gekozen om daar een aantal zaken aan toe te voegen. Dat beweren trouwens niet alleen wij, dat zegt ook de Raad van State. Wil de minister in ieder geval erkennen dat er ook nationale keuzes zijn gemaakt die niet voortvloeien uit het Migratiepact?

Minister Van den Brink:
Er zijn een heel aantal maatregelen die rechtstreeks werken vanuit de verordening. Er zijn maatregelen die wij hadden, die niet in de verordening zitten en die wij er nu uit halen. De discussie over de titel die je daaraan moet geven, vind ik intellectueel heel interessant. Is dat een nationale kop of is dat geen nationale kop? Ik heb daar zostraks naar zitten luisteren en toen dacht ik: ik zou beide kanten op kunnen redeneren. Ik weet dat we als coalitie hebben afgesproken "geen onnodige nationale koppen" te plaatsen. Dat is in ieder geval een manier om daarin een keuze te maken, laat ik het zo zeggen. Maar u heeft zeker gelijk als u zegt dat daar verschillen zitten. Maar voordat ik me laat verleiden … Dit wordt het meest politieke deel van het debat, voel ik zomaar aan. Ik heb dit punt later in mijn inbreng zitten, dus ik kom daar nog op terug. Ja?

De voorzitter:
Ja. Dan wil ik zelf nog een vraag stellen over die Dublinclaimanten en de soberheid. Ik denk dat collega Boomsma gelijk heeft als hij zegt dat het al vrij sober is. In mijn andere rol, namelijk als justitiewoordvoerder, zeg ik altijd dat het er niet om gaat hoe sober je iets ín de gevangenis doet, maar om wat je mag. Het punt is hier natuurlijk dat ze eigenlijk nog steeds continu Nederlands grondgebied in mogen, althans, dat doen ze. Ik wil dus wel tegen de minister zeggen dat als blijkt dat Italië en Griekenland Dublinclaimanten niet overnemen, wij wel meer richting detentie moeten durven gaan.

Minister Van den Brink:
Ik zit even te denken. U zag mij bevestigend knikken. Ik zit nu na te denken over de vraag welke ruimte er is bij de overdrachtsbesluiten en detentie. Zit daar bewaring aan gekoppeld?

De voorzitter:
Ik help u: u bent bereid dit uit te zoeken.

Minister Van den Brink:
Ja, ik ben zeker bereid dit uit te zoeken.

Dan de IND en het rapport en eerdere uitvoeringstoetsen die daarover verschenen zijn.

De voorzitter:
Dan zijn we bij het blokje uitvoerbaarheid en de IND. Top. Hartstikke goed, gaat u verder.

Minister Van den Brink:
Ja. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik dat rapport ook met heel veel belangstelling heb gelezen. Het gaf namelijk een enorm inkijkje in wat er allemaal aan variabelen en afhankelijkheden speelt in de asielketen. Dus is het ook hartstikke goed dat dat er nu ligt. De eerlijkheid gebiedt ook te zeggen dat de ontwikkeling van dat rapport uit een periode stamt met interviews uit september en oktober, in ieder geval bij de IND. Daarna wordt zo'n rapport natuurlijk gewoon heel netjes afgerond. Vorige week is het bij ons op het ministerie binnengekomen. Laat ik het zo zeggen. Soms word je een beetje verrast door de media, maar dat is op zich een dynamiek die er in dit werk soms bij hoort. Maar ik was blij dat het rapport in die zin nu ook gelijk in de Kamer ligt, want ik had het vele malen erger gevonden als het pas ná het debat aan uw Kamer was aangeboden. De regel bij dit soort rapporten is eigenlijk dat wij daar een reactie op schrijven als we ze ontvangen en daarbij gelijk antwoord geven op alle dingen die daarin staan. Dat hebben we nu dus niet kunnen doen. De antwoorden over de manier waarop hiermee wordt omgegaan, ga ik deels in het debat geven. Deels zullen die bij de voortgang van het Migratiepact komen.

De hoofdvraag blijft natuurlijk: is de IND klaar om de stelselwijziging door te voeren? Het antwoord daarop is: ja, de IND is daar klaar voor, maar er zullen na 12 juni natuurlijk nog wel doorontwikkelingen plaatsvinden. Dat stond ook in het rapport. Er komen ongetwijfeld nog onvoorziene zaken aan het licht die de IND zal moeten aanpassen. Dat is onvermijdelijk bij zo'n grote stelselwijziging.

Er waren ook vragen over de IND en de ICT. De vraag van de heer Van Asten was wat de IND nodig heeft om dit tot een succes te maken. De IND heeft vooral nodig dat de wetten tijdig door de beide Kamers worden aangenomen. Wijzigingen in de wet die nog zouden leiden tot enorme aanpassingen in het werkproces van de IND zouden dan mogelijk niet door de IND uitgevoerd kunnen worden. Ze vragen natuurlijk ook rust en ruimte om het Migratiepact na 12 juni uit te kunnen voeren. Ze zullen mij dus vaker vragen: wilt u niet nog allerlei extra beleidswijzigingen doorvoeren in het komende halfjaar?

Het ICT-systeem is op 12 juni nog niet volledig gerealiseerd, want het huidige systeem wordt momenteel aangepast, zodat het Migratiepact op 12 juni kan worden uitgevoerd. Het ICT-systeem zal daarna verder worden ontwikkeld. Dat was ook al voorzien. U gaf het ook al aan. De IND was al bezig om zijn IV-systemen aan te passen en combineert dat nu met de invoering van het pact, maar heeft daar meer tijd voor nodig dan tot 12 juni. Op dit moment vindt dat proces alleen in Ter Apel plaats om asielzoekers te kunnen screenen, maar we zijn wel bezig om dat op een later moment ook op andere locaties te kunnen gaan uitvoeren. Daar zijn we nu nog over in gesprek. Zoals iemand al noemde, is Budel niet de meest logische locatie, niet alleen vanwege de locatie, qua treinen en ov, maar ook omdat er in Budel misschien op termijn een andere invulling komt. We zijn bezig en zijn in gesprek om te kijken waar dat buiten Ter Apel verder nog mogelijk is.

Dan over de juridische counseling. Het is duidelijk dat het nieuwe screeningsproces en de juridische counseling extra capaciteit bij de IND vragen. Dat gaat echter niet ten koste van de besliscapaciteit. De extra capaciteit die nodig is om op 12 juni 2026 te kunnen starten met de screening en de juridische counseling in Ter Apel zal tijdig geworven zijn. Het is echter ook duidelijk dat er extra capaciteit nodig is bij andere processen, zoals bij de juridische zaken, want er zijn in de voorraden natuurlijk ook nog flinke klussen te doen. De IND is natuurlijk bezig om zijn personeel efficiënter in te plannen. De dienst is klaar om vanaf 12 juni het Migratiepact uit te voeren.

Mevrouw Straatman vroeg of de automatische omzetting van de bewaringsmaatregel op tijd klaar is. Deze is volgens de planning in juni 2026 gereed. De IND werkt op dit moment aan het realiseren van de kennisgeving. Dit wordt in het huidige ICT-systeem ingebouwd. Dat is dus wel voorzien. Tot zover even de antwoorden op wat er over het rapport is gevraagd.

Dan kom ik nu bij de vragen over de voorraden. Daar zijn natuurlijk ook vragen over gesteld met betrekking tot de IND. Met het pact zullen meerdere kortere behandeltermijnen gaan gelden in de asielprocedure. Het bijhouden van deze termijnen vind ik ontzettend belangrijk. Dit komt de werking van het pact ten goede en daarmee dus ook de beheersbaarheid van asielmigratie. Om een beroep te kunnen doen op de goede werking van het pact in andere lidstaten moeten we zelf in Nederland het goede voorbeeld geven en het pact op een goede manier invoeren en op orde hebben. De IND kan de nieuwe beslistermijnen en de instroom alleen bijhouden als daarvoor voldoende capaciteit wordt vrijgemaakt die zich daar specifiek op richt. Dat heeft consequenties voor de capaciteit die de IND daarnaast kan inzetten voor de behandeling van de aanvragen die zijn ingediend voor 12 juni. Deze voorraad bedraagt naar verwachting in juni 2026 nog steeds 50.000 aanvragen. Zonder extra maatregelen zou de wachttermijn voor deze aanvragen met meerdere jaren verder oplopen. Zeker voor de mensen die dat betreft is dat natuurlijk niet acceptabel. Ook voor alle andere ketenpartners zou dit vergaande consequenties hebben. Daarom zal ik voor de inwerkingtreding op 12 juni met een plan van aanpak komen. Daarmee kom ik ook tegemoet aan de motie-Westerveld/Ceder, waarin u als Kamer het kabinet heeft opgeroepen om tot een realistisch plan van aanpak te komen voor het wegwerken van de achterstanden en het verkorten van de doorlooptijden bij de IND. In die zin wordt er dus ook nog gewoon gelijk doorgewerkt aan die voorraden. Het is niet zo dat alle capaciteit opgemaakt wordt aan het Migratiepact. Er zal, naast de invoering van het Migratiepact, ook capaciteit zijn voor het wegwerken van de voorraden. De IND is daar volop mee bezig, maar het vraagt wel om het maken van keuzes. Die keuzes zal ik ook aan uw Kamer toesturen.

Mevrouw Straatman (CDA):
Goed om te horen dat er ook capaciteit wordt vrijgemaakt. In het kader van efficiency ook het volgende. Als ik de nota van wijziging goed lees, treedt het grootste deel van het pact onmiddellijk in werking, maar blijft een deel van de oude regels nog gelden, voor zover die al in de procedure zitten. Om te voorkomen dat de IND een te lange periode met twee verschillende wettenstelsels moet zitten, zou het dus, los van alle menselijke argumenten, ook vanuit dat oogpunt prioriteit moeten hebben om de oude voorraad zo snel mogelijk weg te werken. Is de minister dat met mij eens?

Minister Van den Brink:
Zeker. Dat kan ik alleen maar bevestigen. Het lastige is natuurlijk wel dat als je naar een nieuw stelsel overgaat, je ook nog te maken hebt met het oude stelsel dan wel met de oude aanvragen. Tegelijkertijd kiezen we op een aantal onderdelen wel voor die onmiddellijke werking, om het gelijk in één keer te harmoniseren. Dat wordt dus op meerdere manieren ingevuld.

Dan waren er nog een aantal vragen over de uitvoerbaarheid, waaronder van de heer Boomsma. Hij vroeg wat de gevolgen zijn als iemand onjuiste informatie vertelt of zelf verschaft. Als een onjuiste nationaliteit wordt opgegeven, is dat altijd een reden om de asielaanvraag af te wijzen. Bij de vraag of de opgegeven nationaliteit geloofwaardig is, is het allereerst van belang of de vreemdeling deze bewering heeft ondersteund met een identiteitsdocument of een paspoort. Documenten die worden ingebracht, worden altijd onderzocht op echtheid. Bij de IND geldt het uitgangspunt dat er bij ongedocumenteerde asielzoekers altijd nader onderzoek wordt gedaan naar de opgegeven nationaliteit. In het nieuwe screeningsproces worden er bij ongedocumenteerde asielzoekers al voorbereidende vragen over de nationaliteit gesteld.

Dan de vraag hoeveel meer personeel daarvoor nodig is en hoe die screeningsprocedure eruitziet. De IND heeft voor het uitvoeren van de screeningsprocedure ongeveer 100 fte nodig. De verwachting is dat dat op 12 juni gerealiseerd is. In de screeningsprocedure wordt, indien mogelijk, de identiteit en nationaliteit vastgesteld. In die procedure wordt ook gekeken naar veiligheidsaspecten en of de vreemdeling kwetsbaar is. Indien de identiteit niet in de screening vastgesteld kan worden, gebeurt dit later in de asielprocedure. In de nieuwe screeningsprocedure wordt informatie opgehaald die nodig is voor die asielprocedure. Dat is onderdeel van het asieldossier en zal intern onderdeel zijn van kwaliteitsmetingen.

Mevrouw Teunissen vroeg naar de waarschuwing van uitvoeringsorganisaties over de onuitvoerbaarheid. De IND heeft meermaals aangegeven dat de invoering van het Migratiepact een enorme uitdaging voor de IND is. Er is al vaak gezegd dat het de grootste asielhervorming is, maar ze zien het ook als een enorme kans om het vastgelopen asielsysteem te vernieuwen met nieuwe doorlooptijden en procedures, wat ze vanaf 12 juni kunnen doen.

Even kijken. De heer Boomsma vroeg of er rekening is gehouden met de capaciteitsinzet voor de herbeoordelingen. De IND kan met een deel van zijn capaciteit de nieuwe instroom onder het Migratiepact tot 25.000 zaken bijhouden. Daarboven zal dus aan de huidige voorraad worden gewerkt. Aan het begin zal het natuurlijk niet gelijk op die aantallen rusten. De herbeoordeling is een integraal onderdeel van de werkzaamheden van de IND, waarvoor ook capaciteit beschikbaar is, maar als het gaat om een herbeoordeling van grote groepen mensen die hier al zijn, kost het de IND natuurlijk veel capaciteit. Dan zullen er keuzes moeten worden gemaakt in waar de IND zijn capaciteit inzet, want die kan immers niet alles. Dan is de vraag hoe die wordt ingezet en welke voorstellen de IND zelf doet voor hoe die dat gaat doen.

Even kijken welke vraag ik ... De sturing op instroom moet plaatsvinden met een samenhangend pakket aan maatregelen, zoals we nu zowel nationaal als in Europa doen. Dat gaan we natuurlijk verbeteren door de asielwetten, is onze veronderstelling. Ten behoeve van een goede implementatie en uitvoering zijn diverse uitvoeringstoetsen al gemaakt door de IND. De laatste heeft u de afgelopen weken ontvangen. De voorbereidingen vinden plaats en de diensten worden daarbij onder meer met financiën ondersteund. De uitvoering is er klaar voor om het pact en de wetten vanaf de start ten uitvoer te brengen.

Dan ga ik naar de juridische counseling. Daar zijn door verschillende partijen vragen over gesteld. We hebben nu een goed systeem, zo wordt door meerdere partijen gezegd, dus waarom zou je het nu bij de IND gaan neerleggen? Moet je die juist niet ontlasten? De uitvoering van deze taken zal zeker impact hebben op de IND, maar niet op de medewerkers die nu horen en beslissen. De belegging van deze taken bij de IND ligt immers in het verlengde van de huidige taak met betrekking tot voorlichting en dienstverlening. Die taak staat los van de medewerkers die beslissingen nemen — mevrouw Straatman vroeg daarnaar — en bovendien maakt dit dat de IND niet van een andere partij afhankelijk is voor de voortgang van de asielprocedure. Dit is een van de belangrijkste redenen waarom de IND heeft aangegeven dit zelf te willen en kunnen doen.

Ook de IND heeft belang bij een zo efficiënt mogelijke en juiste procedure. In de praktijk betekent dit dat de juridische counseling al vanaf de screeningsprocedure wordt aangeboden. Dat begint in Ter Apel. Dat betekent dat iedereen die van counseling gebruik wil maken, een individueel gesprek met de IND krijgt, waarin wordt voorzien in uitleg over de procedures. Wat gaat u in de procedure tegenkomen? Welke vragen krijgt u? Hoe verloopt zo'n procedure? Over dat soort vragen gaat het dan. Ook kunnen asielzoekers vragen stellen over de asielprocedure. De onafhankelijkheid van de counselors wordt geborgd doordat deze IND-medewerkers geen toegang hebben tot het asieldossier. Ook zal duidelijk worden gemaakt dat het geen onderdeel is van het hoor- en beslisproces en zal dit waar mogelijk worden aangeboden in aparte ruimtes.

Wij hechten natuurlijk aan een goed functionerende asieladvocatuur. Daarom heeft die ook nog steeds een rol in de asielprocedure. De advocatuur kan in de nieuwe asielprocedure nog steeds een reactie geven op het gehoor van de IND. Een verschil met de huidige asielprocedure is dat de advocatuur niet meer eerst een asielzoeker gaat voorbereiden op het asielgehoor. Dat vindt plaats in de juridische counseling. Hiervoor is gekozen om meer snelheid in het proces te brengen, zodat de IND na het aanbieden van counseling meteen kan starten met de asielprocedure. Daar is de IND klaar voor vanaf het moment dat dat nodig is.

De heer Ceder vroeg hoe wordt voorzien in tolken. Hoe wordt voorkomen dat de meest kwetsbare mensen het slachtoffer worden van de wijzigingen? Tolken zullen telefonisch of in uitzonderlijke gevallen fysiek beschikbaar zijn tijdens de counseling, maar alleen als de communicatie in het Engels of in het Nederlands niet zou lukken. Dat wijkt overigens niet af van hoe het aanmeldproces nu is ingericht. Het bewaken van de positie van de kwetsbare aanvragers en de waarborgen die daaromtrent gelden, ligt momenteel niet zozeer bij de asieladvocatuur, maar is nu ook al een taak waar zowel het COA als de IND alert op is. Ook de IND-counselors zullen signalen van kwetsbaarheid kunnen opmerken. Dit is ook in lijn met de verplichting dat alle medewerkers in de voorfase alert moeten zijn op signalen van kwetsbaarheid. Aanvullend beoordeelt de IND of dan ook procedurele waarborgen geboden moeten worden, zoals extra tijd of een individueel gesprek. Dat zijn oordelen die de IND zich in die procedure kan vormen.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank voor het antwoord. Even praktisch: als de legal counseling vanuit IND of COA belast is met het faciliteren van tolken, hoe wordt dan aan de voorkant gewaarborgd dat er een tolk aanwezig is bij zo'n fysiek moment? Hoe wordt voorkomen dat pas ter plekke duidelijk wordt dat die tolk nodig is? Bij wie ligt het initiatief? Hoe wordt dat gewaarborgd? Dat vraag ik even ter verduidelijking.

Minister Van den Brink:
Dat initiatief ligt bij de IND. Op basis van de data die zij hebben van hoeveel mensen instromen en wat hun nationaliteit is, kunnen ze een inschatting maken van de tolken die daarbij noodzakelijk zijn. Dat richten zij in hun werkproces gewoon in. Dat is flexibel en telefonisch oproepbaar. Op die manier wordt er veel gewerkt in deze keten. Ook bij de Dienst Terugkeer en Vertrek is dat een manier die gebruikelijk is.

Mevrouw Straatman (CDA):
Ik heb nog een korte vraag over de onafhankelijkheid van de juridische counseling. Goed dat de minister zegt dat het op papier onafhankelijk is ingericht en dat het echt Chinese walls zijn, dus dat men niet in elkaars dossiers kan kijken. Kan de minister toezeggen dat hij met de IND in gesprek gaat om die onafhankelijkheid duidelijk en zichtbaar te maken voor de asielzoeker? Want uiteindelijk zal die toch twee medewerkers van de IND zien. Het moet expliciet benoemd worden dat dit een onafhankelijke rol is, zodat iedereen zich vrij voelt om alles te vragen en te zeggen.

Minister Van den Brink:
Dat is een goeie vraag. Die neem ik even mee. Ik weet wel uit de praktijk dat het grote verschil met vroeger is dat het de AVIM en de politie waren die de screening deden. Dat had best wel een impact op de asielzoeker die in een screening kwam. Daar is nu al geen sprake meer van. In dat opzicht zijn de signalen al wel veel beter dan in het verleden.

De heer Ellian had een vraag. Hij zei: 16% is kansarm en een groot deel komt op andere opvangplekken. Er wordt op basis van data verwacht dat de totale omvang van de instroom die straks in Nederland volgens versnelde procedure zou moeten worden afgedaan, tussen de 15% en 20% is. De introductie van die versnelde procedure zorgt er in zijn aard al voor dat er in alle lidstaten een vergelijkbare snelle procedure zal komen te gelden voor asielzoekers die geen grote kans maken op bescherming. Het staat lidstaten vrij om zelf te bepalen hoe die opvang voor deze doelgroepen eruitziet, maar het punt dat over deze kansarme aanvragen binnen drie maanden moet zijn besloten, bewaakt al dat deze groepen in de hele Unie snel en doelmatig worden afgedaan.

Dan kom ik bij de druk op de rechtspraak, waar mevrouw Westerveld en het CDA vragen over hebben gesteld. De keuze voor de inzet van vreemdelingenrechters heeft volgens de Raad voor de rechtspraak invloed op andere rechtsgebieden; er werd mij gevraagd om een reactie op de vraag hoe we de werkdruk gaan verlichten. De rechtspraak werkt met meerjarige capaciteitsplanningen, waarbij personeel over verschillende rechtsgebieden herverdeeld kan worden. Daarmee kan het invloed hebben op alle rechtsgebieden. De daadwerkelijke werklast hangt af van de instroom, de inwilligings- en afwijzingspercentages en de prioritering die de IND vanaf juni 2026 zal hanteren; daar sprak ik net over.

Maar de opschaling is wel nodig, want jaarlijks kunnen maximaal 140 nieuwe rechters en raadsheren worden geworven en opgeleid, maar dat is grotendeels ook ter vervanging van de uitstroom, die wordt voorzien op een aantal tussen de 100 en 125 per jaar in de periode tot 2030. De opleiding duurt één tot vier jaar. De netto extra capaciteit wordt dus flexibel ingezet waar de behoefte het grootst is. Ik heb vorige week ook kennisgemaakt met de betreffende mensen; dat is voor mij best wel een nieuw terrein. Ik begreep van hen dat het ook een beetje een schuifpaneel is tussen vreemdelingen-, straf-, familie- en jeugdrecht. Zij proberen de informatie vanuit het ministerie van Justitie zo goed mogelijk tot zich te nemen en op basis daarvan een planning te maken, maar die opgave is natuurlijk groot.

Wat betreft de vragen van mevrouw Straatman, en trouwens ook van u, mevrouw Westerveld: er is natuurlijk gewoon een toename door het invoeren van het tweestatusstelsel. Dat is door ons ook voorzien en onderkend, in afstemming met de Raad voor de rechtspraak. Ik snap dat daar veel vragen over zijn. Tegelijkertijd is het een weging met meerdere factoren. Er is namelijk voor gekozen om het tweestatusstelsel in te voeren omdat we meer grip op migratie willen krijgen. Ja, dat leidt mogelijk tot meer zaken in de procedure bij de rechtbanken. Daartegenover staat weer een verlichting bij de IND door het afschaffen van de voornemenprocedure. Zo is afgewogen wat daar de beste balans in is, maar het is absoluut waar dat het een grote impact gaat hebben op de Raad voor de rechtspraak. Maar dat heeft sowieso dit hele pact, omdat het ook gewoon een hele nieuwe manier van werken is, met nieuwe beroepstermijnen. In die zin verandert er dus veel. Daarom bereidt de rechtspraak zich voor op die veranderingen. Daarbij is alles afhankelijk van de daadwerkelijke instroom van beroepszaken bij de rechtspraak en van de werving van nieuwe rechters. Er worden echter wel meerdere sporen tegelijkertijd bewandeld. Aan de kant van besluitvorming: sneller en eerder beslissen door het afschaffen van de voornemenprocedure en vroegtijdige dossierscreening door de IND om herstel of intrekking van gebrekkige besluiten voor de zitting te realiseren. Dat werd ook door anderen gevraagd.

Een aanzienlijk deel van de voorraad vreemdelingenzaken betreft beroepen wegens niet tijdig beslissen. Deze zaken veroorzaken hoge werkdruk en bemoeilijken prioritering. Dan is de afschaffing van de rechterlijke dwangsom natuurlijk een belangrijk instrument omdat daarmee de rechtspraak in de praktijk meer ruimte kan worden geboden om zich te concentreren op de inhoudelijke beoordeling van zaken in plaats van zaken enkel te beslissen op beroepen wegens niet tijdig beslissen.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Het is goed dat de minister aangeeft dat dit het gevolg is van bijvoorbeeld het afschaffen van de voornemenprocedure en het invoeren van het tweestatusstelsel. Wat ik dan niet goed begrijp, is het volgende. Als in de loop van de tijd duidelijk wordt dat dit zo'n extra druk geeft op de rechtspraak … Het gaat om 19.000 zaken waarvan ze schatten dat de helft komt door het voorstel tweestatusstelsel. Als dit blijkt, waarom wordt dan op geen enkel moment toch overwogen — dit zijn namelijk twee keuzes die niet noodzakelijk uit het pact voortvloeien — om dit niet in te voeren en om wat anders te doen zodat er niet zoveel druk is op de rechtspraak?

Minister Van den Brink:
Omdat, zoals ik net al aangaf, dit de weging is tussen de verschillende belangen die we hier proberen te dienen. Het ene belang is dus dat we willen proberen de instroom te beperken. De andere kant is dat deze keuzes deels te maken hebben met een overvolle opvang. De andere kant is ook harmonisatie binnen Europa: het bij elkaar brengen van dingen, zoals andere lidstaten om ons heen, Duitsland en België, ook al hadden gedaan. De consequentie daarvan is wel — daar heeft u gelijk in — dat dat flink drukt op de uitvoerbaarheid bij de rechtspraak. De verlichting ligt dus op andere terreinen, is de veronderstelling, namelijk aan de opvangkant, de instroomkant en aan de kant van de IND. De verzwaring ligt bij de Raad voor de rechtspraak. Dat is geen keuze die we maken omdat we dat heel fijn vinden, maar het is wel een bewuste keuze omdat het de consequentie is van de afweging op die andere domeinen: instroom, opvang en het ontlasten van de IND.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Daar valt best iets tegen in te brengen. Mensen komen hier niet vanwege de statussen die we hebben en de verschillende rechten die daaraan worden toegekend, maar veel eerder omdat ze bekenden hier hebben wonen. Maar die discussies zijn allemaal geweest en die gaan we niet opnieuw voeren. De vraag die daaronder ligt … In de loop van de tijd wordt duidelijk — dat zegt de Raad voor de rechtspraak ook — dat dit zo'n enorme extra werklast is dat het ook gevolgen heeft voor andere gebieden. Ik noem de uithuisplaatsingen, familierecht en de gevolgen voor slachtoffers. Wordt er dan op geen enkel moment overwogen om dit anders te gaan regelen, ook omdat dit niet noodzakelijkerwijs voortvloeit uit het pact en we wél zien welke gevolgen het heeft in al die andere domeinen?

Minister Van den Brink:
Daarvoor geldt uiteindelijk de afweging dat we onderaan de streep de overtuiging hebben dat het wel degelijk een bijdrage levert die op de langere termijn verstandig is. We zullen dat continu monitoren met de Raad voor de rechtspraak en het evalueren. Door het vorige kabinet zijn daarvoor middelen ter beschikking gesteld. Tegelijkertijd erkennen we dat er druk zal blijven bestaan vanwege de opleidingscapaciteiten en hoe snel dat opleiden gaat.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Nog even over dit punt. Dit antwoord overtuigt mij niet helemaal. Ik wil voorkomen dat we volgend jaar in een spoeddebat in de plenaire zaal zitten omdat de rechterlijke capaciteit volledig is overgelopen, met als gevolg opstoppingen in de procedures en een opvang die niet leegloopt. Die kans lijkt me zeer aannemelijk. Volgens mij wil niemand hier dat. De gevolgtrekking dat het aantal procedures dat stijgt op langere termijn tot minder zaken zal leiden, volg ik nog niet helemaal. Ik vraag me af of de minister het reëel acht dat het aannemelijk is dat er tussen nu en een jaar een blik opengetrokken gaat worden via de RIO-opleiding, de rechtersopleiding. Die aanwijzingen heb ik niet. Ik wil voorkomen dat we hier wensdenken. Dat is mijn eerste vraag. De minister verwijst naar die opleiding. Is er zicht op dat het aantal juniorrechters of rechters in opleiding de komende maanden of het komend jaar fors zal stijgen?

Minister Van den Brink:
Ik weet dat er jaarlijks maximaal 140 nieuwe rechters en raadsheren kunnen worden geworven en opgeleid. Tegelijkertijd is dat maar net boven de uitstroomcijfers. In die zin is het geen blik, om maar even dat woord te gebruiken. De huidige situatie verdient echter de erkenning dat het nu ook is vastgelopen. Ook nu is het vastgelopen en zitten veel van de rechters te besluiten over uit de tijd gelopen procedures. We zitten met een enorme voorraad, die ook een geschiedenis kent. Ik ga er niet voor weglopen dat die geschiedenis allerlei factoren kent waarop wel of geen invloed is uitgeoefend. Vanuit die positie werk ik nu. Ik ga geen beloftes doen dat er in de invoering van het pact nergens uitvoeringsproblemen in de keten zullen ontstaan, want die zullen er wel degelijk zijn. Die worden ook al onderkend in de rapporten die er nu liggen. Tegelijkertijd zullen we met elkaar moeten zorgen voor een maximale inzet om daar weer uit te komen. Een van de aspecten die daarbij van belang is — dat is ook de inzet van dit kabinet — is rust, reinheid en regelmaat. Dus op een normale manier het overleg voeren en voldoende structurele financiën beschikbaar stellen aan die delen van de keten die dat nodig hebben. Op die manier hoop ik daaraan bij te dragen.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik deel de doelstelling van de minister, maar met mantra's als "rust, reinheid en regelmaat" trekken we dat blik niet open, want dat is er niet, zoals de minister erkent. Ik kan niet anders dan concluderen dat we geen enkele houvast hebben, behalve de hoop dat we over een jaar niet een spoeddebat met elkaar hebben. Door de oploop van voorlopige voorzieningen, die zijn toegenomen omdat we het aantal vergunningen of het aantal jaren waarin die vernieuwd zouden moeten worden, verkorten, kan er vaker een beslissing worden genomen en is er vaker een kans dat ertegen in beroep zal worden gegaan en dat mensen die een B-status krijgen vervolgens niet gaan procederen. Boven op de nu vastgelopen keten wordt dat steeds erger. Ik hoor niet van de minister dat hij het vertrouwen heeft, behalve de wens en de mantra, dat we het instrumentarium hebben om er iets aan te doen. Ik zou graag van de minister willen horen dat het echt zo is, omdat wij wel voor het pact moeten gaan stemmen. Volgens mij is dit gewoon een trein die, in ieder geval op dit punt en voor zover ik het kan overzien, over een jaartje tegen een muur aan rijdt. Mijn vraag is of de minister dat deelt.

De voorzitter:
Deze interruptie duurde 1,5 minuut.

Minister Van den Brink:
De realiteit is gewoon dat het pact vanaf 12 juni geldt. In die zin is het een trein die rijdt. Met elkaar, met alle ketenpartners, moeten wij nu proberen alles zo goed mogelijk in te richten, zodat het vanaf 12 juni ook gaat functioneren. Daar zitten heel veel afhankelijkheden in die deels beïnvloedbaar zijn en deels niet. We zijn dus met al die ketenpartijen continu in overleg om de randvoorwaarden maximaal te creëren, zodat ze daarmee aan de slag kunnen gaan. Tegelijkertijd zijn er nooit garanties in het leven, en in de asielketen al helemaal niet. Maar wel zijn er de wil, en de noodzaak dan wel de verplichting, om het pact op 12 juni in te voeren. Dat is de realiteit waarmee ik zal moeten werken en waarmee ik ook zal werken.

De voorzitter:
Voordat ik naar de heer Dassen ga, wil ik eerst constateren dat dit, ondanks het feit dat de minister echt zijn best doet — wat ik echt waardeer — niet te doen is in de tijd. Dit wordt vrij ingewikkeld, vrees ik. We moeten dus zo meteen even kijken hoe we dit verder gaan doen om de fatale termijn te halen. Maar daar kom ik zo op. Meneer Dassen.

De heer Dassen (Volt):
Het antwoord "nooit garantie in het leven" klinkt in mijn oren een beetje als: "Ik weet het ook niet. We gaan het zien. Ik kan er in ieder geval nu niks aan doen". Is de minister het niet met me eens dat we, nu we dit zien aankomen en zien dat dit helemaal fout gaat, daar dan ook een bepaalde actie op moeten ondernemen, om te kijken hoe we dit te allen tijde kunnen voorkomen? Dit is gewoon het verplaatsen van de problemen in de keten en vervolgens zeggen: ik kan er ook niks aan doen.

Minister Van den Brink:
Zoals ik net aangaf, is dat precies de reden waarom we volop in gesprek zijn met de Raad voor de Rechtspraak en andere ketenpartijen om de doorlooptijden te verkorten en de procedures te versnellen. Dat gesprek blijven we ook voeren. Vanaf 12 juni hebben we een pact dat met directe werking wordt ingevoerd. Dat leidt tot nieuwe doorlooptijden en nieuwe procedures. Die zullen we gewoon met elkaar invoeren. Daar zal ik met al die partijen over in gesprek blijven, ook na 12 juni.

De voorzitter:
De heer Ceder? Eerst de heer Dassen nog.

De heer Dassen (Volt):
"In gesprek blijven met" is uiteindelijk geen oplossing. De minister, dit kabinet, kiest er zelf voor om bepaalde maatregelen nationaal in te voeren. Deze maatregelen zullen de druk op de rechtspraak extra vergroten. Dat is een weloverwogen keuze die hier gemaakt wordt en die met instemming van meerdere partijen in dit parlement aangenomen wordt. De mensen die voorstemmen, accepteren dus dat die druk daar komt te liggen. Dan vind ik het iets te makkelijk als de minister zegt dat hij erover in gesprek blijft en dat hij ziet wat de mogelijkheden zijn, terwijl hij daarvoor heeft aangegeven dat het eigenlijk geen oplossing is. Ik ben dus zoekende naar wat de minister nog wél kan doen. Anders staan we voor het voldongen feit dat we hier een ongeluk gaan krijgen.

Minister Van den Brink:
Ik geef net aan dat het niet alleen gaat om de weging van de procedures die hieruit voortvloeien. We hebben ook te maken met een opvangstelsel en een asielketen die al vastzit. We proberen op al die terreinen maatregelen te nemen die de boel ontlasten. Tegelijkertijd zorgt het op sommige plekken voor meer druk. Dat is de realiteit van de keuze die wij maken. We zijn ons daar ten volle van bewust, want we geven zelf de cijfers die daarmee samenhangen. Tegelijkertijd is dat een keuze waar we vol achter staan. We werken er met elkaar aan om die keuze zo goed mogelijk te implementeren. Dat is waar ik voor sta.

De heer Dassen (Volt):
Het is dan in ieder geval duidelijk dat de minister daarvoor gaat staan. Dan markeren we dat luid en duidelijk voor het debat dat in de toekomst zal plaatsvinden.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik ga dit debat natuurlijk aan, maar alle Kamerleden wisten door alle rondetafelgesprekken vorig jaar al dat het op dit deelaspect zou vastlopen. Het valt me daarom een beetje tegen dat er geen maatregelen voorhanden zijn om dit te voorkomen.

Ik ben nog wel even benieuwd naar de gevolgtrekking voor de opvang. Op het moment dat een beroep nog plaatsvindt, zitten mensen ook nog langer in de opvang. Als blijkt dat boven op de huidige voorraad het aantal beroepszaken toeneemt, dan gaat ook de verstopping in de opvang toenemen. Mijn vraag is even of die conclusie klopt. Is dat de gevolgtrekking? Zo ja, wat betekent dit dan voor de opvang, ook gezien de uitdagingen die we daarbij hebben?

Minister Van den Brink:
Dat hangt natuurlijk heel erg af van de besluitvorming die op dat punt plaatsvindt. Als er een status wordt verleend, dan is iemand daarna statushouder en zal hij op een gegeven moment uit de opvang gaan. In die zin verschilt dat in de groep heel erg per categorie. Tegelijkertijd hopen we natuurlijk dat we met het plan van aanpak vanuit de IND, waarop ik later zal terugkomen, de voorraden kunnen wegwerken. Wat is de termijn waarop dat kan? Ook dat ligt er nu natuurlijk al. Het is dus een complex geheel van voorraden en verschuivingen in de keten dat maakt dat we hier voor een flinke uitdaging staan, maar we weten wel waar we voor staan.

De heer Ceder (ChristenUnie):
De minister heeft het over het wegwerken van de voorraad bij de IND. Dat snap ik. Ik ga er ook van uit dat dat gaat lukken, maar ik heb het over de beroepszaken die bij de rechter liggen. Als iemand bijvoorbeeld procedeert omdat hij een B-status heeft gekregen, dan is hij toch in ieder geval zolang als dat voortduurt, verzekerd van opvang? Als dat boven op de huidige voorraad aan zaken bij de rechterlijke macht komt, dan betekent dat toch een extra opstopping in de opvangketen? Mijn vraag is: klopt dat? Als dat klopt, hoe voorkomen we dan dat dit neveneffect van onze opdracht om de asielketen vlot te trekken, ook tot verstopping leidt?

Minister Van den Brink:
Zoals gezegd hangt dat heel erg af van de situatie waarin de asielzoeker zit. Als hij een B-status heeft gekregen en daarna naar een A-status wil, dan heeft hij al geen recht meer op opvang. Daarnaast willen we met het inperken van de nareis de opvang zien te ontlasten. Verschillende maatregelen hebben dus verschillende effecten. Dat is de realiteit, denk ik. De optelsom is een flinke opgave.

De voorzitter:
Ik kijk even naar de collega's. We hebben wat uitloop. Het is niet heel veel, maar we hebben wel wat uitloop. Is dit nog een mapje met allemaal vragen, minister?

Minister Van den Brink:
Ik denk dat de vragen redelijk snel gaan, maar dit zijn de amendementen. Dat is gewoon ...

De voorzitter:
De amendementen, check. Dat is een flink pak.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
...

De voorzitter:
Daar ga ik allemaal niet over, mevrouw Westerveld. We kunnen nu snel overgaan tot de amendementen. Als iedereen zich in de tweede termijn beperkt tot de moties, dan kunnen we het volgens mij nog redden met de uitloop die we hebben. Anders hoor ik graag ordevoorstellen, waarbij de meerderheid in deze ruimte zal moeten beslissen. Dat hoort ook bij ons werk. Ik kijk eerst even naar mevrouw Westerveld.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik hecht eraan dat we dit gewoon afmaken zoals het nu gaat, omdat er heel veel te bediscussiëren is en er hier best wat fundamentele vraagstukken voorliggen. Zouden we de tweede termijn later deze week of volgende week kunnen doen, gewoon in de plenaire zaal? Dat betekent dus dat we de tweede termijn op een ander moment doen. Ik weet niet hoeveel tijd "wat extra tijd" is, maar het zou fijn zijn als we deze discussie gewoon verder kunnen afmaken, omdat het wel ergens over gaat, zeg ik met enig gevoel voor understatement.

De voorzitter:
Oké. Ik kijk even rond; ik ga even een rondje doen.

De heer Diederik van Dijk (SGP):
Ik wil ook wel graag reageren. Ik vind dat het debat gewoon ordentelijk moet worden afgemaakt. Wat geeft de doorslag om niet door te gaan? Als het gaat over de medewerkers, dan zeg ik in alle voorzichtigheid: overwerken hoort een beetje bij het bedrijf. Als de minister iets anders in zijn agenda heeft ... Ik kan me niet voorstellen dat er nu iets belangrijker is dan dit pact. Ik zou dus gewoon zeggen: doorgaan tot het netjes af is.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Daar wil ik me eigenlijk wel bij aansluiten. Laten we gewoon proberen om dit vanavond nog af te ronden. Volgens mij moet dat lukken, ook gezien de vragen. Ik zag dat dat nog wel redelijk te doen is. Dus volgens mij kan het makkelijk afgemaakt worden.

De heer Boomsma (JA21):
Ik zou ook het liefst nu doorgaan, maar hoelang hebben we dan?

De voorzitter:
Ons is indicatief aangegeven: 18.30 uur. Maar ik hoor wat de collega's zeggen. Ik kan me voorstellen dat je ten aanzien van de amendementen even kort vraag en antwoord met de minister wilt hebben. Ik denk ook dat het moet kunnen, maar we kunnen denk ik niet tot 22.00 of 23.00 uur doorgaan. Ik wil dat best toelichten, maar ik vind het ook niet helemaal netjes om dat in het openbaar … Het heeft met medewerkers te maken die hier ook al vanaf vroeg zijn en die niet continu, non-stop, kunnen werken. Het heeft onder andere te maken met de verslaglegging. Dus daar heeft het mee te maken, maar ik denk dat we best … Hoe sneller, hoe beter, als we ons best doen. Dan gaan we gewoon door.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik stel voor dat we de minister zijn beantwoording laten doen, ook over de amendementen, en dat we dan kort, vijf minuten, schorsen om even te overleggen. Dan kunt u misschien privé wat toelichten wat niet in het openbaar kan. Dan kunnen we tot een conclusie komen. Want wie weet duurt dit ook weer een uur. Dan weten we in ieder geval waar we aan toe zijn.

De voorzitter:
Ik hoor de intentie van iedereen. Laten we gewoon zo snel mogelijk doorgaan. De minister was goed op dreef, dus dan gaan we dat zo doen.

Minister Van den Brink:
Dank u wel. Ik kom bij de vraag van de heer Van Asten over of het alternatief voor de tewerkstellingsvergunning op 12 juni klaar is. De toegang tot de arbeidsmarkt valt onder verantwoordelijkheid van de minister van SZW. Met de implementatie van de herschikte Opvangrichtlijn is er op dit moment voor gekozen om de tewerkstellingsvergunningplicht in stand te houden. Als wij deze vergunningplicht afschaffen, moet de werkgever kunnen beoordelen of de asielzoeker mag werken. Het is op dit moment niet mogelijk om deze informatie direct beschikbaar te stellen aan de werkgever. Maar het kabinet heeft in het coalitieakkoord aangekondigd dat het gaat verkennen hoe het dit kan oplossen, zodat er geen vergunning meer nodig is. We moeten daarbij letten op de privacy van de asielzoeker en bekijken wat technisch mogelijk is. Dan komen we bij de systemen van het UWV en de IND aan. Die oplossing zal niet gevonden worden voor de Opvangrichtlijn in werking is. Daarom is er nu voor gekozen om de vergunningplicht in stand te laten, maar we zijn er wel volop mee bezig.

Dan had mevrouw Straatman, en volgens mij ook de heer Boomsma, een vraag over …

De voorzitter:
Momentje. De heer Van Asten.

De heer Van Asten (D66):
Ik was er al een beetje bang voor dat het niet voor 12 juni zou lukken. Nou is er natuurlijk ook nog een taskforcebrief gekomen, om voor de zomer daar een heel verhaal neer te zetten. Volgens mij werd die daar ook in genoemd. Dus daar komt dan wel echt het verhaal over de onmogelijkheden en de mogelijkheden, en vooral over wanneer die verandering gaat plaatsvinden, want het is natuurlijk niet voor niets opgeschreven.

Minister Van den Brink:
Nee. Dat is een terechte vraag en toevoeging. Dat huiswerk zal ik ook meenemen in de uitwerking van de taskforce met mijn collega's. Dan zal ik voor de zomer inzichtelijk maken wat … Ja.

Mevrouw Straatman vroeg wat dit betekent … Even nog in aanvulling op wat afgelopen week bekend is gemaakt over de inwerkingtreding van de lagere regelgeving: asielzoekers voor wie de toegang tot de arbeidsmarkt niet is uitgesloten mogen na zes maanden werken. De komende tijd verkennen we met het UWV en IND gezamenlijk op welke wijze de uitvoering van dit proces in de tussenliggende periode op een zorgvuldige manier kan worden voortgezet om naar die drie maanden te komen. Dus daar zijn we nu mee bezig. Ik zal er ook verder over spreken met mijn collega.

Dan is er nog de vraag van mevrouw Straatman, mevrouw Van der Plas en de heer Van Dijk over de monitoring ten aanzien van de Europese afstemming over het pact. Ik heb er volgens mij net ook al wat over gezegd. Die voortgang vindt dus plaats met allerlei rapportages. De plek waar ik dat bespreek, is de Europese JBZ-Raad. Daar spreken we er met elkaar over. De Europese Commissie monitort de voortgang. Dat heb ik eerder ook al gezegd.

Ik heb al iets gezegd over de versoberde opvang.

Dan had de heer Ellian een vraag over het onderscheid dat we maken tussen de titel en de vergunning. Dat was zeker geen rookievraag, want ik heb hier ook op zitten studeren nadat ik het Raad van Stateadvies had gelezen. Dit is eigenlijk het huidige stelsel dat wij kennen in het vreemdelingenrecht. We hebben dus de titel en de vergunning. Daarbij is eigenlijk aangesloten bij de toepassing uit de Kwalificatieverordening. De verblijfstitel is dus het document waaruit het rechtmatige verblijf blijkt. Aan de verblijfstitel is een geldigheidsduur gekoppeld. De verblijfsvergunning is de status waarmee de vreemdeling is erkend als vluchteling of subsidiair beschermde. Aan de verblijfsvergunning is dus eigenlijk geen geldigheidsduur gekoppeld. Het verlopen van de verblijfstitel leidt niet automatisch tot het verlies van het verblijfsrecht, zoals u zelf ook al aangaf. Je kan dat pasje kwijtraken, net als dat je je paspoort kan kwijtraken, maar dan ben je nog steeds toegelaten als vluchteling of subsidiair beschermde. De toepassing die hierin is gekozen, is eigenlijk in lijn met hoe we het hadden. Er is voor de uitvoering gekozen om dat zo te laten.

De voorzitter:
Ik heb een rookievervolgvraag, als het mag van de collega's. Het verliezen van de verblijfstitel sorteert dus niet echt voor op een rechtsgevolg, toch?

Minister Van den Brink:
U ziet dat ik naar rechts kijk. De titel kun je alleen verliezen op het moment dat de gronden voor de asielstatus niet meer geldig zijn. Dat kan het meest voorkomen bij een subsidiair beschermde. Die heeft namelijk te horen gekregen: "U mag hier blijven, want u bent op de vlucht voor een conflict in uw land. Daarom heeft u de titel van subsidiair beschermde gekregen." Die kan pas vervallen als uit het landenbeleid blijkt dat er in de regio waar die vandaan kwam, geen oorlog meer is. De Syrische situatie is daarbij het meest praktische voorbeeld van nu. Daarmee vervalt zijn titel. Daardoor vervalt dan de vergunning na de periode dat die verlopen is. Excuus, ik bedoel: daarmee wordt de vergunning ingetrokken.

De voorzitter:
Ik geloof dat ik het begrijp. Gelet op de tijd zoeken we een ander moment.

Minister Van den Brink:
We gaan er allebei verder op studeren.

Ik kom aan bij de wetstechniek. Daarin zitten ook allerlei zaken die de politieke discussie raken over wat een nationale kop is. Mevrouw Westerveld vraagt: "De regering maakt op verschillende punten keuzes die niet dwingend voortvloeien uit het pact. Klopt dit? Wat is de reden waarom de regering hiervoor gekozen heeft?" Ondanks de vele verplichtingen die worden voorgeschreven in het pact, is het nodig dat lidstaten een aantal nationale operationele uitvoeringskeuzes maken, om in de praktijk tot een werkend asiel- en migratiestelsel te komen. Daar waar ruimte zit voor nationale uitvoeringskeuzes heeft het kabinet ervoor gekozen deze zo doelmatig en efficiënt mogelijk in te voegen in het Nederlandse systeem. Daarnaast hebben we ook keuzes gemaakt over het beperken van de instroom, het ontlasten van de asielketen en het niet onnodig aantrekkelijker maken van ons als bestemmingsland dan andere landen. Voorbeelden van ruimte binnen het pact zijn de versobering van de asielprocedure, de inrichting van de counseling, de aanscherping van de voorwaarden voor nareis, het verkorten van de geldige duur van de verblijfstitel en de verkorting van de beroepstermijnen. Daar zitten dus zeker al die keuzes in.

Een van de keuzes waar al langere tijd discussie over is geweest, ook in de vorige asielwetgeving, betreft de vergunning voor onbepaalde tijd. Het onderscheid tussen de asielvergunning voor bepaalde tijd en de asielvergunning voor onbepaalde tijd kent het Unierecht zelf niet. In het Unierecht wordt daar dus niet over gesproken. Internationale bescherming blijft bestaan totdat deze wet wordt ingetrokken. Ik probeerde net uit te leggen hoe dat zit met de titel, als je een verblijfstitel hebt. Dit volgt ook uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, met arresten met prachtige namen, zeg ik tegen degenen die daarom hebben verzocht. Het verstrekken van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, die niet meer kan worden ingetrokken, doet afbreuk aan de verplichting om een verblijfsvergunning in te trekken indien daar noodzaak toe is. Ik moet het goed zeggen: de Kwalificatieverordening verplicht ons om 'm in te trekken op het moment dat de reden voor bescherming is vervallen. Je kan iets waar je een vergunning voor onbepaalde tijd hebt afgegeven, niet intrekken. Dat is de reden waarom het vorige kabinet vooruitlopend op dit pact heeft besloten om de vergunning voor onbepaalde tijd af te schaffen en die om te zetten naar een tijdelijke vergunning van drie jaar.

De vervolgvraag is wat dit betekent voor de naturalisatie. Daarom is in dit coalitieakkoord afgesproken wat bij de bespreking van de vorige wetgeving nog niet duidelijk was, namelijk dat naturalisatie mogelijk is na twee tijdelijke vergunningen van drie jaar, indien de persoon een taalniveau van B1 heeft weten te bereiken in de inburgering. Dat zijn allemaal dingen die nog moeten worden gewijzigd, maar dat is het voornemen van dit kabinet.

De heer Dassen vroeg of het uitvoeringsproblemen oplevert met de andere asielwetten. Er ontstaan geen problemen met de wetgeving of de uitvoering ervan als de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel worden aangenomen. Er is namelijk voorzien in samenloopbepalingen in deze wetgeving, zodat onderwerpen die in deze asielwetten zijn geregeld, ook na inwerkingtreding van de uitvoeringswet bij het pact hun werking behouden. Daar is dus in voorzien. Daar zitten natuurlijk wel dubbelingen in. Daarvan heb ik net aangegeven dat het noodzakelijk was om het pact op een goede manier neer te zetten, ook met de twee asielwetten die we al kenden.

Dan kom ik bij de vragen over de nareis.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik had nog een hele praktische vraag gesteld, namelijk over het kunnen meedoen, waar het coalitieakkoord het over het heeft. Voor een werkgever is het niet heel aantrekkelijk om iemand in dienst te nemen als niet zeker is hoelang deze persoon kan blijven.

Minister Van den Brink:
We hebben op dit moment een vorm van vertraagd meedoen, pas na zes maanden. Pas sinds kort zien we daarvan af. Ik denk dat het feit dat we naar drie maanden gaan, sowieso al een enorme verbetering is voor de positie van mensen die hier zijn, ook voor hun integratie, het meedoen en het kunnen leveren van een bijdrage — alleen als je kansrijk bent. Ik zie dus vooral voordelen aan de kant van de asielzoeker. Ik kan nog niet helemaal overzien hoe dat aan werkgeverskant moet worden gelezen, omdat we nog niet zover zijn. Soms denk ik zelf nog: hoe gaan we dat op een goede manier begeleiden? Op zich denk ik dat het de integratie van de mensen die hier mogen blijven alleen maar versterkt. Als mensen uiteindelijk weer terug zouden moeten gaan omdat de subsidiaire bescherming vervalt, hebben ze hier toch mogelijk skills opgedaan die ze weer kunnen gebruiken in het land van herkomst.

Net heb ik al aangegeven hoe we naturalisatie voor ons zien.

Dan de versobering van de gezinshereniging. Dit Asiel- en Migratiepact gaat uit van het tweestatusstelsel. Zo bepaalt de procedureverordening dat vreemdelingen die een subsidiaire beschermingsstatus krijgen, de mogelijkheid moeten hebben om naar de rechter te stappen om het niet-verkrijgen van de vluchtelingenstatus aan te vechten. Dat is echt nieuw ten opzichte van het verleden. Wij hebben daar zelf met het tweestatusstelsel nareisbeperkingen aan gekoppeld. Dat heeft ermee te maken dat we hiermee harmoniseren met de ons omliggende landen en anderzijds een bijdrage hopen te leveren aan het verminderen van de instroom en tegelijkertijd de opvang willen ontlasten. Dat zijn de redenen waarom daarvoor is gekozen, waarom het kabinet daarvoor kiest.

Dat geldt ook voor het inperken van het kerngezin. Dat is teruggebracht tot de verplichtingen zoals ze volgen uit de Gezinsherenigingsrichtlijn. Er is enkel een plicht ten aanzien van nareis van gehuwde partners en minderjarige kinderen. Ook hierover is in de vorige wetgevingsronde al veel en uitvoerig gedebatteerd. Hierover is toen gezegd, en dat geldt nog steeds, dat wij de 8 EVRM-toets onverkort handhaven. Dus: de aanvraag komt en daarna zal de IND moeten toetsten aan 8 EVRM. Op die manier zal tot een belangenafweging en een oordeel worden gekomen.

Hier kom ik nog een keer de wetswijziging ten aanzien van de telefoons tegen. Die vraag heb ik al beantwoord.

De heer Van Asten (D66):
Ik heb een vraag over de toetsing aan 8 EVRM. Kan dat automatisch worden gedaan, of moet er apart een beroep op worden gedaan?

Minister Van den Brink:
Dat is automatisch, ja.

De voorzitter:
Ambtshalve; mijn juridische hart gaat ...

Minister Van den Brink:
Ambtshalve.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Over dat laatste punt hebben we inderdaad een debat gehad, maar uitbesteden aan het EVRM wordt eigenlijk wel als zwaktebod gezien. Elk land wordt geacht deugdelijke wetgeving op te stellen. Daarin niet voorzien in de verwachting dat een andere rechter dat wel rechttrekt, getuigt niet van goede wetskwaliteit. Is de minister het daarmee eens? Geeft dat reden om bepaalde zaken waarvan we weten dat een beroep op 8 EVRM wel degelijk succesvol kan zijn, nu al in de wet of in het beleid te implementeren?

Minister Van den Brink:
Deels ziet dat op uw amendement, waar ik straks ook op terugkom. Uiteindelijk doet de IND die toets. In de regel is het niet gelijk de rechter, maar is het gewoon de IND die de ambtshalve toets zal toepassen. In die zin ligt dat als een belangenafweging bij de IND, ook op basis van alle jurisprudentie die daarover bekend is. Dat is gek genoeg al best een kader, want de IND weet natuurlijk in welk kader die belangenafweging moet worden gemaakt.

De voorzitter:
Meneer Ceder, heel kort.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Klopt het dat voor de IND … IND is gehouden aan wetgeving en uiteraard ook aan beleidskaders. Dan is alsnog de vraag — die loopt misschien vooruit op het amendement, maar er zit wel een principiële vraag onder, namelijk de kwestie van wetskwaliteit — of we daar waar we weten dat een mogelijk EVRM-beroep succesvol kan zijn, al niet eraan gehouden zijn om dat in wetgeving op te nemen zodra het kan. Ik denk dat de wetskwaliteit in ons land überhaupt een belangrijke afweging is.

Minister Van den Brink:
De keuze is geweest — die hebben verschillende partijen eerder gemaakt en wordt nu ook in dit coalitieakkoord herbevestigd — om de Gezinsherenigingsrichtlijn daarop van toepassing te laten zijn. Dat gaat dus om de gehuwde partners en de minderjarige kinderen. Uiteindelijk is het natuurlijk een individuele toetsing. In die zin wordt die altijd individueel getoetst aan de omstandigheden en de belangen van de aanvrager, in de situatie waarin hij of zij leeft en met wie hij wel of niet samenwoont of duurzaam …

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Dan even praktisch; dat zat ook in mijn vraag. Wordt het dan de facto moeilijker voor iemand die samen is met iemand van hetzelfde geslacht en bijvoorbeeld niet in het land van herkomst kan trouwen dan voor partners die wel getrouwd zijn?

Minister Van den Brink:
De Opvangrichtlijn zegt over de eerste categorie, van mensen die gehuwd zijn, al gelijk: dat is een kwalificatie. Dan moet je dat natuurlijk nog steeds bewijzen, dus het is niet zo dat het onmiddellijk wordt aangenomen; daar hoort een hele procedure bij. Voor de tweede groep moet het dan doorgetoetst worden op 8 EVRM, zoals dat heet. Dan komt in die situatie eigenlijk dezelfde vraag op tafel. Alleen moet daar dan wel ook een toets op plaatsvinden. Die is niet automatisch vanwege de wettelijke vrijheid van de Gezinsherenigingsrichtlijn, maar dan op basis van 8 EVRM. Het gebeurt dus eigenlijk via een ander kader.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Maar ook hiervoor geldt: dat zouden we dan toch, als Nederland als voorlopersland dat we ooit waren, gelijk moeten willen? We zouden toch helemaal geen onderscheid moeten maken tussen mensen die met iemand van hetzelfde geslacht samen zijn, of ze nou getrouwd zijn of niet, en iemand die wel getrouwd is? Daar zou toch geen onderscheid in moeten zitten? Dat kunnen we dan toch ook gewoon regelen in Nederland?

Minister Van den Brink:
Daarvoor hebben we dus de Gezinsherenigingsrichtlijn gevolgd, waarin het kerngezin is geformuleerd zoals het nu in de wetgeving is vastgesteld. Tegelijkertijd maakt die het niet onmogelijk en zal het dus via die 8 EVRM-route nog steeds mogelijk blijven. In die zin is het een andere route, maar is het nog steeds mogelijk.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ja, maar dan komen we weer terug op het punt dat de heer Ceder maakte. Het is nog steeds mogelijk, maar het is wel een andere route, die de facto meer barrières oplevert en waarbij we mensen dus ook niet gelijk behandelen. Dat is hier volgens mij het hele punt.

Minister Van den Brink:
Volgens mij zit de behandeling verankerd in de Gezinsherenigingsrichtlijn, die wij hebben overgenomen. Tegelijkertijd voeren we het 8 EVRM-kader onverkort uit. In die zin komt dat dus in de belangenafweging uiteindelijk bij elkaar.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Als ik de argumentatie van de minister volg, dan is er dus geen gevaar als de amendementen die ik met mevrouw Westerveld heb ingediend, worden aangenomen, omdat er daarmee de facto niets verandert, behalve dat je in plaats van je te werpen op een 8 EVRM-toets, het gewoon deugdelijk in de wet inbouwt. Klopt dat, of zit er toch een verschil in? Zo ja, kan de minister dat dan aangeven? Dat bleek namelijk niet uit de beantwoording.

De voorzitter:
In het licht van de efficiëntie gaan we deze discussie niet bij het amendement nog een keer voeren, toch? Dan kijk ik de collega's wel aan.

Minister Van den Brink:
Ik wil er ook wel bij de amendementen op ingaan.

De voorzitter:
Daarom vraag ik even of we het nu doen.

Minister Van den Brink:
Laten we 'm dan bij de amendementen doen.

De voorzitter:
Gaan we het bij de amendementen doen dan? Oké.

Minister Van den Brink:
Dan heb ik nog de vraag of ook de Terugkeerverordening op 12 juni 2026 in werking kan treden als zij binnenkort via de triloog al zou zijn afgedaan. Die verordening is nog niet vastgesteld. De triloog loopt. Er is een implementatietermijn van twee jaar opgenomen, maar we maken ons natuurlijk hard voor de Terugkeerverordening in aanvulling op het pact en we sturen op een zo spoedig mogelijke invoering. We zijn natuurlijk ook al bezig met zaken waarmee we gewoon aan de slag kunnen, waaronder de terugkeerhubs, maar hiervoor geldt dat een goede en zorgvuldige implementatie zowel voor de uitvoering als voor het wetgevingstraject van groot belang is, want een te korte implementatietermijn leidt tot het risico dat de Nederlandse wetgeving niet tijdig is aangepast. Ook in deze procedure moeten we ons al behoorlijk haasten om die rond te maken. We zullen ons dus inzetten voor een passende invoeringstermijn.

Hoe zorgen we dat de rechtsbescherming van asielzoekers is geborgd? Dat was een vraag van de heer Ceder. Een aantal maatregelen in het wetsvoorstel hebben als doel om de asielprocedure efficiënter te maken en de vreemdeling sneller duidelijkheid te bieden over zijn aanvraag, bijvoorbeeld door de snellere toets op nieuwe feiten en omstandigheden bij opeenvolgende aanvragen en het schrappen van onverplichte nationale procedurestappen, zoals de voornemenprocedure. Dat laat onverlet dat een zorgvuldige asielprocedure gewaarborgd blijft, ook via het Unierecht. De mogelijkheid blijft bestaan om via gemachtigden correcties en aanvullingen in te dienen op het verhoor. Daardoor is er in deze procedure nog steeds sprake van hoor en wederhoor.

Dan nog de vraag van de heer Ceder wat de verhouding is tussen die twee wetten en deze wet. Daar hebben we al een beetje over gesproken. Er is door het vorige kabinet voor gekozen om die twee wetten al in procedure te brengen. Ik denk dat je ook verschillende momenten kan aanwijzen die ervoor hebben gezorgd dat die wetten niet al verder zijn. Een novelle zorgt ook niet echt voor een versnelling van de procedure. In die zin zouden onderdelen van deze wetten volgens mij anders al in werking getreden kunnen zijn en zouden zij dan ook al het effect hebben gehad waar de IND op hoopte, met name op het punt van de voornemenprocedure. Ik ben nu bezig om deze route netjes af te lopen en in de Eerste Kamer de route gewoon af te maken. Dat komt ergens in de komende periode bij elkaar, maar ze zijn in ieder geval op 12 juni allebei van kracht.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik ben blij dat het geblunder in de Tweede Kamer er eigenlijk voor gezorgd heeft dat strengere asielmaatregelen langer op zich hebben laten wachten dan nodig; de minister zegt dit wat diplomatieker, maar ik vertaal dat tussen de regels door. Maar mijn vraag is niet beantwoord: wat is tussen 12 juni en het aannemen van die andere wet materieel het verschil als de Noodmaatregelenwet wordt weggestemd? Kunt u aangeven wat het belang daarvan is?

Minister Van den Brink:
Een aantal procedurele stappen waar de IND al lange tijd om vraagt, zullen direct toegepast worden; dan hebben we het alleen over de Asielnoodmaatregelenwet. Het verschil betreft natuurlijk de drie elementen die geamendeerd zijn: een deel van de ongewenstverklaring, de dwangsommen en de strafbaarstelling van illegaliteit ofwel het niet meewerken aan terugkeer. Die drie zaken zitten niet in dit traject van het Migratiepact. Voor het tweestatusstelsel geldt natuurlijk de onmiddellijke werking, waardoor de nareisbeperkingen kunnen worden toegepast, wat natuurlijk wel weer effect heeft op de opvang. U merkte terecht op dat dat effect natuurlijk tijdelijk is, want het is een beperking van nareizen in de tijd, dus niet het uitschakelen van nareizen. Dat zijn dus de verschillen.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Voor de verslaggeving: heb ik het goed begrepen dat zonder die drie amendementen, dus met het originele voorstel van het kabinet, het materiële effect een tijdswinst van pakweg 28 dagen is en dat alle capaciteit en mankracht daarvoor zijn opgetuigd ten behoeve van drie verschillende wetstrajecten, namelijk allereerst het Migratiepact, dan het tweestatusstelsel en dan het andere noodmaatregelenpakket? Klopt mijn constatering? Terugkijkend wil ik weten of dit aan het eind van de streep wel degelijk het materieel effect is.

Minister Van den Brink:
Dat is moeilijk te veronderstellen, omdat de rekensom in de toekomst zit. Ik weet niet precies wanneer deze wetten wel of niet worden aangenomen. Met terugwerkende kracht denk ik dat op dat moment iets anders is verondersteld, namelijk dat die wetgeving wel degelijk al voor de zomer rond zou zijn. Ik heb dat altijd zo begrepen en in de rol die ik toen aan uw kant had, heb ik dat ook zo gelezen. Dat is de verandering die zich in de tijd heeft voorgedaan en waarom we nog steeds met man en macht werken om die asielwetgeving nu toch zo snel mogelijk aangenomen te krijgen. Ook hier geldt immers dat elke dag eerder winst in de uitvoering is.

De voorzitter:
Meneer Ceder, u kent mij als iemand die graag veel ruimte geeft voor debat, maar u heeft by far de meeste en de langste interrupties gedaan. Ik weet dat dit onderwerp u enorm aan het hart gaat, dus daarom sta ik deze interruptie toe, maar ik zie u al knikken. Ja? Dank u.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik zal het inderdaad kort houden, voorzitter. Klopt mijn veronderstelling dat met de kennis van nu het Migratiepact veel eerder af had kunnen zijn als wij dat traject van het tweestatusstelsel en die andere niet gevolgd hadden, en dat zodoende de knelpunten die nu verwoord worden door onder andere de IND waarschijnlijk niet of minder van toepassing zouden zijn geweest?

Minister Van den Brink:
Die overtuiging heb ik niet, bijvoorbeeld doordat ik zie hoe hard er vanaf het moment dat het Migratiepact in Europa is aangenomen — dat was, uit mijn hoofd, in mei 2024 — aan gewerkt is. Toen is er gelijk gestart met de uitvoering, uitvoeringstoetsen en gesprekken. In december van dat jaar lag er een consultatieversie van de wet. Die is in consultatie gegaan. Dat is verwerkt. Daarop is een Raad van Stateadvies gevraagd. Er is een nader rapport gekomen. Dat lag toen in december hier in de Kamer. Vanuit het oogpunt van wetgevingstermijnen voor een Europese verordening is dit een snelwegroute geweest, met dank aan de enorme inzet van heel veel mensen. Die liep bovendien parallel aan alle andere inzet die er is geweest. Dat is ook waar, maar er had in die zin geen versnelling in kunnen zitten, verwacht ik.

De voorzitter:
Bon. Waar was u, minister?

Minister Van den Brink:
Bij overig.

De voorzitter:
"Overige belangrijke zaken" heet dat tegenwoordig. Dat is een dun mapje, toch?

Minister Van den Brink:
Ja.

De voorzitter:
Mooi. Daar gaan we dan vliegensvlug doorheen.

Minister Van den Brink:
Ik begin bij het onderwerpje taal, een vraag van mevrouw Straatman. Taal is essentieel om mee te kunnen doen. Wat is de ruimte om daar een eigen bijdrage voor te vragen, vraagt mevrouw Straatman. Een van de oorzaken van een versnipperd taalaanbod, want dat hebben we natuurlijk wel, is dat op dit moment veel gebruik wordt gemaakt van noodopvang, waardoor het moeilijker is om dat aan te bieden. Daarnaast verblijven er veel statushouders in de opvang die vanuit de voorinburgering ook al bezig zijn met taallessen op een opvanglocatie. Ook dat maakt het aanbod versnipperd. Daarom wil het kabinet de plek voor noodopvang in de komende periode vervangen door gewone opvangplekken. We zijn volop in gesprek met gemeenten over de vraag hoe we dat op een goede manier kunnen spreiden over het land. Daarnaast wil het kabinet meer inzetten op taalles vanaf de start van de asielprocedure. Ook dat punt komt in de uitwerking van de Taskforce Migratie, waarnaar de heer Van Asten net vroeg. Daarmee kunnen we het taalaanbod echt verbeteren. Als op een zeker moment het taalaanbod uniform en stabieler is, zal er worden bekeken of het opportuun is daar een bijdrage voor te vragen. Die ruimte is er namelijk wel in de Opvangrichtlijn.

Mevrouw Lammers vroeg naar de gedwongen uitzetting van mensen die hier niet meer mogen blijven. Ik denk dat mevrouw Vondeling die vraag ook heeft gesteld; dat heeft zij in ieder geval eerder ook gevraagd. Een klein aantal — echt een heel klein aantal — Europese landen is heel in het klein begonnen met een beperkt aantal Syriërs gedwongen te laten terugkeren. Syrië is op dit moment nog in een fase van reconstructie en wederopbouw. Van grootschalige gedwongen terugkeer is op dit moment nog geen sprake. Nederland zet in op terugkeer van vertrekplichtige Syrische vreemdelingen naar Syrië. Vorig jaar zijn er meer dan 1.000 Syriërs vrijwillig teruggegaan. Er vinden wel doorlopend gesprekken plaats met de Syrische autoriteiten om gedwongen terugkeer mogelijk te maken, maar aan hun kant wordt dat nog helemaal opgebouwd. De overheid daar is nog in ontwikkeling. We hebben wel geïnvesteerd in een brede samenwerking met Syrië die bijdraagt aan het verbeteren van de omstandigheden om duurzame terugkeer mogelijk te maken, zowel vrijwillig als gedwongen. Zodra de mogelijkheid zich aandient, zullen wij daar gebruik van maken, maar de Dient Terugkeer en Vertrek is echt afhankelijk van de capaciteit bij de Syrische autoriteiten, ook voor het afgeven van de nodige documenten.

Mevrouw Lammers vroeg nog naar het voorstel tot afschaffing van de voorlopige voorziening. Zou dat kunnen, want België en Duitsland hebben die ook niet, was haar vraag. De hoofdregel is dat een door de asielzoeker ingesteld beroep opschortende werking heeft. Dit betekent dat hij de behandeling van zijn beroep in Nederland mag afwachten. Maar onder de nieuwe regels van het pact zijn daar wel een aantal uitzonderingen op. In die situaties mag de asielzoeker de behandeling van zijn beroep niet automatisch afwachten. De Asielprocedureverordening schrijft in dat geval voor dat de asielzoeker in die situatie de rechter middels een voorlopige voorziening dient te vragen zijn beroep toch te mogen afwachten. Dan mag hij dus niet worden uitgezet. Afschaffing van de voorlopige voorziening is onder het pact dan ook niet mogelijk. Ook andere lidstaten zijn aan de Asielprocedureverordening gehouden, dus ook in die landen zou dat niet meer moeten kunnen onder de werking van dit pact.

De binnengrenscontroles heb ik al gedaan.

De heer Boomsma (JA21):
Nog even over Syrië. Er is een motie aangenomen om daar een actieplan voor op te stellen om daaraan te gaan werken. De minister zegt nu: 1.000 mensen zijn vrijwillig teruggekeerd. Dat zegt natuurlijk al heel veel. Dat betekent dat het voor bepaalde groepen veilig is. Ik denk dat er ook groepen zijn voor wie dat niet geldt, bijvoorbeeld bepaalde minderheden. De minister zegt: we zijn in overleg met de autoriteiten om daar afspraken over te maken. Kan hij iets nader duiden wat nou de tijdlijn daarvan is? Waar stuurt men op aan? Wij vinden het echt belangrijk dat hier zo snel mogelijk mee wordt begonnen.

Minister Van den Brink:
Daar zal ik u, denk ik, bij de volgende JBZ-Raad over kunnen informeren. Het is ook iets praktisch, in die zin dat Syrië helemaal niet veel ambassadelocaties heeft. De enige plek die zij hebben, is in Brussel. Alle lidstaten proberen dus via die route in contact te komen en dit soort aanvragen af te stemmen. Er zit ook echt een logistiek en praktisch onderdeel aan de situatie. Ik zal daar bij de volgende JBZ-Raad opnieuw verslag van doen.

De heer Boomsma vroeg naar eerder werken. Hij zei: het mag niet een extra motief worden om extra asiel aan te vragen. Dat zijn wij ook niet voornemens. Maar ik moet dit verplaatsen, want dit zit ook in uw amendement verpakt. Dat doe ik dus zo meteen even.

De heer Boomsma vroeg ook of gemeenten klaar zijn met de inrichting van de BRP-straten. Er heeft een uitbreiding plaatsgevonden van de BRP-straten. De achterstanden die er waren, zijn ingehaald. Er zijn negen gemeenten met een BRP-inschrijfvoorziening. Op dit moment wordt een asielzoeker uitgenodigd voor een afspraak bij zo'n BRP-straat na een verblijf van zes maanden in Nederland. De identiteit van de asielzoeker moet zijn aangetoond voordat diegene daar kan worden ingeschreven. Na 12 juni wordt de termijn voor de inschrijving verkort van zes naar drie maanden. Dat is natuurlijk ook weer heel handig, omdat ook de termijn om te gaan werken drie maanden is. Daarvoor heb je die inschrijving met je bsn-nummer nodig.

Meerdere mensen hebben gevraagd: wat is er nou nog mogelijk als we toch nog Crisisverordeningen en noodmaatregelen zouden moeten inroepen dan wel treffen, ook in Europees verband? In de Crisisverordening is een kwalitatieve definitie opgenomen van een crisissituatie. Dat gaat dus niet om een getal, maar om een uitzonderlijke situatie van massale aankomst van onderdanen van derde landen in een lidstaat, van een zodanige omvang en aard, rekening houdend met onder meer de bevolking, het bbp en specifieke geografische kenmerken van de lidstaat, waaronder de omvang van het grondgebied, dat ze daar zelfs het goed voorbereide asielstelsel en opvangstelsel niet meer in stand kunnen houden en vastlopen. Dat is de titel waaronder dit kan worden ingeroepen, maar daarna is nog steeds een gesprek met de Commissie noodzakelijk om te bepalen wat het vervolg daarop gaat zijn. Op dit moment is dus eigenlijk nog helemaal niet uitgewerkt hoe dat eruit komt te zien, dus dat zal, denk ik, echt nog een politieke weging krijgen zodra we daar een keer bij komen.

Mevrouw Teunissen merkte nog op dat er heel veel aan de hand is in de wereld, niet alleen wat betreft vluchtelingen, maar ook wat betreft klimaat, oorlogen en al het andere wat er speelt. Dat is natuurlijk terecht. Tegelijkertijd voel ik mij wat betreft klimaat niet gelijk degene die daar beschouwingen over zou moeten geven in dit debat, dus dat laat ik even voor een andere plek.

De heer Ceder heeft nog gevraagd hoe het zit met de uitvoering van de motie over de modernisering van het Vluchtelingenverdrag. De verkenning naar de noodzaak van de modernisering of herziening van de verdragen is momenteel in een afrondende fase, dus ik zal u op korte termijn informeren over hoe wij daartegen aankijken. We hebben met dit kabinet natuurlijk opnieuw afgesproken dat we daarover in gesprek gaan. Dat gesprek voer ik ook met mijn internationale collega's.

Dan voor mij onbekend terrein: het interview met de rechter. Dat heb ik zeker gelezen, maar daar zijn ook vragen over gesteld door de heren Ceulemans en Boomsma. Daar zal ik op korte termijn op reageren. Ik zal daar ook overleg over hebben met de collega's van Justitie. Ik wilde mij vandaag dus redden met: daarom ga ik daar niet op vooruitlopen. Dat is eigenlijk mijn reactie voor vandaag. Voor de rest denk ik dat ik niet in de positie ben dat ik ga over hoe er binnen de rechterlijke macht onderling met elkaar gediscussieerd of van gedachten gewisseld wordt over hoe men daartegen aankijkt. Ik denk dat het goed is om mij ook niet in die positie te gaan begeven.

De voorzitter:
Ik zal het kort doen, als de collega's het goedvinden. In het interview wordt ook gerefereerd aan een brief van oud-premier Schoof, die aangeeft dat als nationale rechters steeds via Luxemburg aanpassingen aan migratiebeleid afdwingen, hetgeen wij hier doen, even vrij vertaald, vrij weinig zin heeft. Is de minister in ieder geval bereid om deze hele belangrijke notie mee te nemen? Ik wacht de antwoorden wel af, want dan kunnen we het er daarna nog een keer met elkaar over hebben.

Minister Van den Brink:
In algemene zin — dan zoom ik even uit — geldt dat wij, ook met dit kabinet, natuurlijk wel het gesprek in Europa voeren over de toepassing van het EVRM en het Unierecht. Er wordt op dit moment dus ook overleg gevoerd over het EVRM-interpretatieprotocol. Ik verwacht daar overigens in mei duidelijkheid over. Het zijn natuurlijk wel elementen die raken aan de vraag wat ooit de bedoeling van het internationaal recht is geweest en hoe het op dit moment wordt toegepast in de situatie waarin we zitten. Er is absoluut reden om daar af en toe opnieuw met elkaar bij stil te staan en daar, als het kan, ook nieuwe afspraken over te maken.

De voorzitter:
Heel kort. Waar het mij in de kern om gaat — ik vind dat ik het moet opnemen voor de collega's van JA21 — is dat een rechter een interview geeft en dat vervolgens, als de Kamer reageert, wordt teruggezegd tegen de Kamer … In dat interview wordt de Kamer geadresseerd over iets wat — ik heb iedereen gehoord — superfundamenteel is. U ziet dat dit voor mij een vrij principiële kwestie is. Ik weet heel goed hoe de spreiding der machten werkt. Ik geef de minister tijd en dan komen we hier later wel op terug. Meneer Boomsma zegt dat het "scheiding" en niet "spreiding" is. Montesquieu heeft "spreiding" geschreven.

Minister Van den Brink:
Dit is een interessant debat. Ik heb weer wat geleerd.

In dat kader misschien nog een aanvulling. Wij zijn bekend met de prejudiciële vragen die vanuit België zijn gesteld. Wij zullen daar mogelijk ook bij betrokken zijn, want het wordt vaak in samenwerking met verschillende lidstaten gedaan. We gaan dus afwachten welke uitspraak daarop komt.

Ten slotte de vraag van de heer Ceder over de nationale koppen, de maatregelen die niet volgen uit het pact. Ik heb die tot nu toe in de hele discussie vermeden, maar ik zei eerder al dat het kabinet over "onnodige nationale koppen" spreekt. Wij zijn ervan overtuigd dat de nationale maatregelen die wij toepassen, een bijdrage leveren aan de werking van ons nationale asielstelsel: het verbeteren van de opvang en het beperken van de instroom. Wij zijn er dus van overtuigd dat die maatregelen echt goed zijn om te nemen op nationaal terrein.

Ik denk dat ik dan een heel eind ben.

De voorzitter:
Dat zou top zijn, want dan kunnen we door naar de amendementen. Laten we niet een heel debat gaan voeren over de nationale koppen. Meneer Ceder was eerst voor een interruptie en daarna is mevrouw Westerveld.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik ga dat debat overslaan, mits de minister kan toezeggen namens het kabinet hier nog met een nadere toelichting op te komen. De reden is dat op het gebied van landbouw, op het gebied van handel, op het gebied van imvo en op het gebied van asiel wij continu hiermee te maken gaan krijgen. Ik constateer dat elke minister hier vervolgens een andere interpretatie aan geeft, terwijl ministers toch met één mond dienen te praten. Ik vind dat ingewikkeld en het doet volgens mij ook geen recht aan de eenheid van het kabinet. Mijn vraag is dus of het kabinet de Kamer een dienst zou kunnen doen door met een toelichting op dit punt te komen, zodat we in ieder geval weten waar we aan toe zijn en de debatten die te maken hebben met Europese wetgeving ook zuiver kunnen voeren met elkaar.

Minister Van den Brink:
Voor mij is de definitie heel helder. Het is namelijk in het coalitieakkoord afgesproken onder de noemer "onnodige nationale koppen." Dat is dus de eenheid van kabinetsbeleid op dat vlak. In de inkleuring zal misschien de ene keer door u worden verondersteld dat het wél een nationale kop is en een andere keer misschien weer niet. Ik denk dat er ruimte is in het politieke debat om met elkaar stil te staan bij het politieke oordeel dat we daarover vellen.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Maar het ingewikkelde is wel dat een onnodige kop op een klimaatrichtlijn voor de Partij voor de Dieren iets anders dan voor bijvoorbeeld BBB als het om landbouw gaat. Ik vind dit een belangrijk punt omdat ik denk dat we de komende jaren bij de implementatie van al de richtlijnen vaak hierover het debat zullen voeren met elkaar. Het is ook belangrijk om coalitiepartijen ergens aan te kunnen houden ten opzichte van een minderheidskabinet. Ik wil dus toch nogmaals het verzoek doen om hier nader op terug te komen. Dan kan er ook goed over nagedacht worden. Ik denk dat dit in de verhouding tussen kabinet en Kamer wat ruis van de lijn af zou halen.

De voorzitter:
Volgens mij is dat een vraag, minister.

Minister Van den Brink:
Ik ben nog niet echt overtuigd van de noodzaak, maar omdat u dit een belangrijk punt vindt, zal ik het op z'n minst overbrengen aan mijn collega die ook over de slagvaardige overheid gaat en die hier ongetwijfeld ook tegen aan gaat lopen in discussies in de Kamer. Ik zal dus in ieder geval de wens overbrengen, maar ik ga niet toezeggen dat er een studie op wordt verricht.

De voorzitter:
Oké. Mevrouw Westerveld was eerst.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik zou het ook op prijs stellen, ook al omdat de minister aanvoelt dat de kritiek van een aantal collega's echt ligt op de extra punten die erop zijn gezet, dus de punten die niet noodzakelijkerwijze voortvloeien uit het Migratiepact. Ik heb ook nog een onbeantwoorde vraag.

De voorzitter:
Oké. Ik ga zo een rondje …

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Volgens mij ziet de minister al waar …

De voorzitter:
Dat ga ik zo doen. Eerst mevrouw Van der Plas.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
De nationale koppen zijn inderdaad voor heel veel interpretaties vatbaar. Dat hebben we de afgelopen maanden, toen BBB in het kabinet zat, ook gezien. De ene keer vond iemand het wel een nationale kop en de andere keer weer niet. Het was eigenlijk maar net zoals het uitkwam. Dat staat inderdaad iedereen vrij, maar ik heb er toch behoefte aan dat de Kamer vanuit het kabinet een soort richtlijn krijgt voor wat er precies onder "nationale koppen" wordt verstaan, ook omdat in het coalitieakkoord staat: "waar mogelijk geen nationale koppen". Kijk, uiteindelijk beslist de Kamer zelf; middels moties en bij wetsvoorstellen kan de Kamer zelf beslissen ergens toch voor of juist toch tegen te zijn ondanks dat het een nationale kop betreft. Dat is altijd aan de Kamer. Maar nu wordt het echt op honderdvijftig verschillende manieren uitgelegd. Ik zou dus de toezegging willen hebben van de minister dat er een goede richtlijn komt met daarin wat het kabinet precies wel of niet verstaat onder "nationale koppen".

De voorzitter:
Nogmaals deze vraag, minister.

Minister Van den Brink:
Ik ga het meenemen naar mijn collega die over de slagvaardige overheid gaat en die hier denk ik vaak over in debat zal gaan. Maar ik ga nog niet toezeggen op welke manier we er invulling aan gaan geven.

De voorzitter:
Dat antwoord is duidelijk. Heeft iemand nog een interruptie op dit punt? Op dit punt niet.

Minister Van den Brink:
Ik ben wel iets vergeten bij mevrouw Westerveld.

De voorzitter:
Ik ga een heel snel rondje doen. Dat betekent niet dat nu alles van stal mag worden gehaald. Wie heeft er nog een onbeantwoorde vraag? Wat wilt u inbrengen, meneer Dassen?

De heer Dassen (Volt):
Ik had eerder gevraagd naar de Eurodac-verordening en hoe biometrische gegevens worden afgenomen bij kinderen. Op dat punt wordt de verordening helemaal overgenomen, zoals ik het begrijp. In de verordening staat dat dat met professionele dwang kan gebeuren. Ik ben van mening dat het onverstandig is om dat te doen. Ik wil de minister vragen of hij daarvan kan afzien en kan toezeggen, en in wet- en regelgeving kan opnemen, dat het zonder dwang gebeurt en dat ambtenaren daartoe worden opgeleid.

Minister Van den Brink:
Ik herinner me — ik heb hier namelijk over gesproken — dat we niet af kunnen van de verordening. Die bepaalt hoe je de screening moet verrichten. Dat is verplichtend. Die screening moet worden toegepast zodat de biometrische gegevens worden vastgelegd. Er is dus geen mogelijkheid van een asielprocedure zonder biometrische gegevens. Maar mensen die weigeren of kinderen … Ik was in Ter Apel en toen hebben ze me helemaal uit de doeken gedaan hoe ze dit gaan inrichten. Bij kinderen wordt daar heel zorgvuldig mee omgegaan, zodat dat niet leidt tot schrik of allerlei onvoorspelbare situaties. Daar zijn dus ook mensen bij betrokken die daarin getraind zijn. Dat is een verplichting die voortvloeit uit de Opvangrichtlijn: bij de omgang met kinderen moet je daarvoor gekwalificeerd zijn en moet je daarvoor opleidingen hebben gevolgd. Dat is ook al een beetje een antwoord op de vraag van de heer Ceder. Er zijn dus voldoende waarborgen aanwezig in de wijze waarop wij daar uitvoering aan gaan geven. Wij geloven dat we niet te maken krijgen met een uitvoeringsmanier waar u misschien zorgen over hebt.

De voorzitter:
Mevrouw Westerveld, u had … Ja, meneer Dassen?

De heer Dassen (Volt):
Het wordt verlaagd naar 6 jaar. Dat is echt heel jong. Naar ik begrijp, onder andere uit de kritiek van de Raad van State, is dat niet in de lagere wet- en regelgeving opgeschreven, waardoor we wel ruimte overlaten om eventueel dwang te gebruiken. Ik ben van mening dat dat bij 6-jarigen niet zou moeten kunnen. Daarover gaat mijn vraag dus. Kan de minister dit toezeggen?

Minister Van den Brink:
Het is terecht dat u nog even noemt dat het ook om 6-jarige kinderen kan gaan. Je mag natuurlijk hopen dat die altijd met hun ouders in zo'n situatie zitten, maar sowieso geldt ook hierbij weer het belang van het kind. Ik ga ervan uit, vanwege de wijze waarop daarover wordt gesproken en daaraan invulling wordt gegeven, dat dit echt met alle waarborgen wordt omkleed. Voor uw vraag hoe de lagere regelgeving zich hiertoe verhoudt, wil ik nog heel even iets checken, dus dan kan ik in tweede termijn misschien nog even specifiek terugkomen op die vraag.

De voorzitter:
Oké. Mevrouw Westerveld, u had een belangrijke onbeantwoorde vraag. Kunt u die kort herhalen?

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ja, die gaat over de versobering van gezinshereniging. Ik verwees naar het Grondwettelijk Hof van België. Dat heeft op 26 februari uitspraak gedaan over …

De voorzitter:
Ik zie de minister knikken.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Wat betekent dit? Waarom doen wij hetzelfde als de kans bestaat dat deze wetgeving helemaal niet mag?

Minister Van den Brink:
Wij hebben de keuze voor de nareisbeperkingen gemaakt, omdat we daarmee harmoniseren met een aantal lidstaten in onze directe omgeving, waaronder België, Duitsland, Zweden, Denemarken en Oostenrijk, zeg ik even uit mijn hoofd; die landen sowieso. Het is dus een vorm van harmonisatie en een instroombeperkende maatregel, enkel ziend op de subsidiair beschermden. Er is eigenlijk nog geen duidelijkheid over wat die situatie in België gaat betekenen, omdat het op dit moment in meerdere lidstaten wordt toegepast. Om die reden zijn er ook prejudiciële vragen gesteld. Dat zijn eigenlijk niets anders dan voorlichtingsvragen, maar dan wel bij het Europees Hof. Dat is belangrijk, want dat hof geeft interpretatie aan het Europees recht. Wij zijn erbij betrokken om daar duidelijkheid over te krijgen, want dat is ook voor Nederland van belang en relevant. Dat is de situatie voor nu. Wij zijn nu dus nog niet in de veronderstelling dat het de consequentie zal krijgen die nu in België is bepaald. We zullen het nauwgezet volgen en uw Kamer informeren zodra daar meer over bekend is.

De voorzitter:
Mevrouw Westerveld en dan meneer Boomsma.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Maar dan nog, als we iets gaan doen wat lijkt op wat men in België doet … Er worden voorlichtingsvragen over gesteld. Dan kunnen we, denk ik, op z'n minst met elkaar constateren dat het nogal schuurt met het EVRM, met het recht op gezinsleven. Dan is de vraag toch: waarom kiest Nederland ervoor om dit te doen? Er zou ook een andere keuze gemaakt kunnen worden die, vind ik, politiek wenselijker is maar die ook veiliger is, omdat die gewoon wel mag. Toch?

Minister Van den Brink:
U heeft gelijk in die zin dat die ruimte bestaat. U heeft er ook gelijk in dat dit een politieke keuze is. Maar goed, we zitten in een politiek-bestuurlijke omgeving, dus eigenlijk is alles politiek. Maar er zit ook een noodzaak achter, namelijk een vastgelopen asielsysteem met een hoge instroom en een opvang die helemaal vol zit en die ook nog steeds voller komt te zitten vanwege de nareizigers. Dat is een van de redenen die al vaker is bepleit. Dit is een van de beperkingen die wij willen instellen, omdat we verwachten daarmee meer grip op migratie te krijgen. Dat is de keuze die dit kabinet maakt.

De voorzitter:
Meneer Boomsma op dit punt.

De heer Boomsma (JA21):
Mij verbaast dit een beetje, omdat het toch al jarenlang staande praktijk is in allerlei Europese landen om extra voorwaarden te verbinden aan de gezinshereniging van subsidiair beschermden. Dat doen die landen al jaren. Denk aan Denemarken en Zweden; zelfs Duitsland heeft het onder Merkel een tijd gedaan. Ik begrijp dus niet zo goed waar deze prejudiciële vragen over gaan. Zien die op het feit dat je onderscheid maakt tussen vluchtelingen en subsidiair beschermden of zien die op specifieke voorwaarden?

De voorzitter:
Die prejudiciële vragen, hè.

Minister Van den Brink:
Houd u mij ten goede wat precies … Het gaat om de voorwaarden voor de nareisbeperking, maar meer dan dat is mij op dit moment nog niet geworden. U bent iemand die zich daar goed in verdiept en het is dus mogelijk dat we daar nog met u …

De voorzitter:
Die kan de heer Boomsma in zijn zak steken. De minister zit klaar voor de amendementen en dat zijn er inmiddels 28.

Minister Van den Brink:
Ik krijg de extra amendementen nu aangereikt. Mag ik daar twee minuten een blik op werpen, voordat ik iets begin op te lezen?

De voorzitter:
Ik wilde eigenlijk voorstellen dat als er staande de vergadering amendementen worden ingediend … Ik vind het niet erg dat er dan schriftelijk op wordt teruggekomen, want ik kan me voorstellen dat daar even rustig naar gekeken moeten worden.

Minister Van den Brink:
Ik kan het wel gelijk doen, hoor. Dat is het probleem niet.

De voorzitter:
Oké. Nou ja, dan gaan we dat regelen. We gaan deze vergadering afmaken, maar ik doe wel écht een beroep op iedereen om het dan een beetje … Hoe noem je dat? Om het beetje vlot te doen met elkaar. Maar we gaan het afmaken. De minister zit er klaar voor.

Minister, zou u alstublieft voor onze administratie duidelijk het nummer willen noemen van het amendement dat u beoordeelt?

Minister Van den Brink:
Zeker.

Ik begin met een algemene opmerking die ziet op het feit dat er door een aantal partijen voor is gekozen om amendementen in te dienen die rechtstreeks raken aan wetgeving die hier eerder is behandeld en op dit moment in een ander deel van het parlement ligt. Ik ga zo meteen een paar van de amendementen langs waar dit op ziet, maar ik ga nu al heel eerlijk zeggen: in het verleden is er op dezelfde amendementen een oordeel gegeven door het vorige kabinet. Inhoudelijk en technisch waren die op orde, maar het heeft ook geleid tot heel veel discussie. Om te voorkomen dat het pact, de urgentie van het pact, wat ik van u vraag en wat ik van de Eerste Kamer in het vervolg ga vragen … Daarom ga ik u alvast aankondigen dat ik amendementen die een herhaling zijn van eerdere amendementen op een ander wetsvoorstel, een wetsvoorstel dat nu in de Eerste Kamer ligt, allemaal ga ontraden, omdat ik dat voor de zuiverheid van de behandeling juist vind. Ik doe dat verder ook om te voorkomen dat ik in dezelfde situatie kom als een van mijn voorgangers. Deze algemene opmerking wilde ik nu alvast maken, want ik hoop dat u daardoor iets minder schrikt als ik zo meteen "ontraden" zeg bij een amendement waarvan u allemaal denkt "de vorige keer waren we het daar allemaal nog mee eens".

Ik begin met het amendement op stuk nr. 8 van mevrouw Vondeling en de heer Wilders. Daarin wordt gevraagd om intrekking van de Spreidingswet. Dit kabinet zet juist in op het behoud van de Spreidingswet, omdat wij het noodzakelijk achten voor de spreiding van voldoende asielopvang over Nederland om deze te behouden. Om die reden ontraad ik het amendement op stuk nr. 8.

Het amendement van mevrouw Vondeling op stuk nr. 9 voert een tijdelijke stop in voor gezinshereniging. De stop die hier wordt voorgesteld, is niet binnen het Europees recht mogelijk. Het is daarmee in strijd en dus ontraad ik dit amendement.

De voorzitter:
Natuurlijk mag u interrumperen, mevrouw Vondeling; u bent zo bescheiden geweest! Gaat uw gang.

Mevrouw Vondeling (PVV):
De minister zegt dat het in strijd is met het EU-recht, maar als ik het goed heb — als ik het mis heb, moet u dat vooral ook zeggen — heeft Oostenrijk ook een stop op nareis ingevoerd, ook voor personen met een vluchtelingenstatus. Waarom zou dat dan in Nederland niet kunnen?

De voorzitter:
Een duidelijke vraag.

Minister Van den Brink:
Voor u ook niet onbekend, want uw partijleider heeft dat in zijn tienpuntenplan opgenomen. Het vorige kabinet brak op dat plan, doordat daarin artikel 72 van het Werkingsverdrag van de Unie werd aangeroepen. Nederland ziet dat niet als een passende invulling van het Europees recht. Maar u heeft er gelijk in dat Oostenrijk stelt dat het kan. Maar daar is heel veel discussie over en wij zijn daar niet van overtuigd.

Mevrouw Vondeling (PVV):
U zegt: Oostenrijk stelt dat het kan. Maar zij voeren het op dit moment toch ook al uit? En ze zijn tot nu toe ook nog niet teruggeroepen. Verder spreekt het coalitieakkoord ook over een tijdelijke stop op nareis, maar alleen voor subsidiair beschermden. Wat houdt dat dan in?

Minister Van den Brink:
Het eerste wat u zei, klopt. Oostenrijk heeft dat ingeroepen, maar volgens mij heeft toch best wel een aantal van mijn voorgangers in Kamerbrieven uitgelegd dat wat Oostenrijk doet, artikel 72 Werkingsverdrag inroepen, niet kan. Wij hebben verder in dit coalitieakkoord met elkaar opgeschreven dat als we door geopolitieke redenen weer met een enorme asielinstroom zouden zitten en we de situatie weer niet aankunnen, we wel het gesprek gaan voeren in Europa. Dat zien we ook in de Crisisverordening, zoals die hier ligt. Dat betreft dan ook de nareis die we dan hebben. Maar verder dan dat is die invulling nog niet gebracht. Dat zal ook nog een gesprek in Europa worden.

Mevrouw Vondeling (PVV):
Sorry, nog één keer. Ik vraag me dan wel af: hoe ver moet die crisis nog gaan? Er wachten nu in het buitenland 53.000 mensen om naar Nederland te komen. Er zijn geen huizen, er is geen plek en de azc's zitten overvol. Wat moet er dan nog gebeuren voordat het kabinet zegt extra maatregelen te zullen nemen?

Minister Van den Brink:
De maatregel die het snelst effect kan hebben, is de nareisbeperking die volgt uit het tweestatusstelsel, met een wachttijd van twee jaar. Dat is dus vooralsnog de maatregel die, denk ik, het meest effect gaat hebben op de opvang.

Ik kom bij het amendement op stuk nr. 10. Er zijn een aantal amendementen die een beetje met dezelfde logica zijn vormgegeven. Ik denk dat ik iets uitvoeriger stilsta bij het eerste en iets minder bij de volgende amendementen.

De voorzitter:
Laten we dat afspreken. U bent bij het amendement op stuk nr. 10, en dan noemt u daarna de nummers …

Minister Van den Brink:
Ja, die een beetje op hetzelfde zien.

De voorzitter:
Ja, gaat u verder.

Minister Van den Brink:
Het zijn amendementen van de heer Ceder en mevrouw Westerveld. Die vragen om voorhangprocedures. In dit geval gaat het over de aanwijzing van autoriteiten of instanties die een of meerdere taken van de screeningsautoriteit mogen uitvoeren. Even in het algemeen over de voorhangprocedures: er is in dit wetsvoorstel bewust voor gekozen om geen voorhang- of nahangbepaling op te nemen. Dat sluit ook aan bij het algemene wetgevingsbeleid om zeer terughoudend te zijn met dergelijke procedures. Tegelijkertijd was het natuurlijk wel een zoektocht: hoe ga je dit inrichten met zo'n pact dat zo omvangrijk is en dat zo snel tot stand gebracht moest worden?

In dit wetsvoorstel is de bestaande ruime delegatiesystematiek die nu al in de Vreemdelingenwet is neergelegd, behouden. Ik vind het belangrijk om die flexibiliteit te behouden om snel aan onze Europese verplichtingen te kunnen voldoen. Als jurisprudentie daar bijvoorbeeld om vraagt — het kan namelijk ook gaan om zaken die gewoon direct van ons worden gevraagd — dan is het wijzigen van een besluit natuurlijk makkelijker en sneller uitvoerbaar. Dat is belangrijk voor de uitvoering. Daarnaast kan ik u het volgende zeggen. Als wij overgaan tot nieuw beleid dat meer is dan een verandering van techniek — u weet ook wel hoe dat in wetgeving werkt — dan komen wij natuurlijk gewoon met een brief naar deze Kamer toe. Dan is er een consultatieprocedure van een besluit en wordt er ook door het veld op gereageerd. Dat wil ik u ook toezeggen. Over meerdere amendementen ga ik zeggen dat ik ze ga ontraden, ook vanwege het feit dat de Raad van State de besluiten die we klaar hebben liggen pas wil behandelen na aanvaarding van dit wetsvoorstel door de Tweede Kamer. Laten we hopen dat dat op z'n minst ergens in de komende tijd is. Daarna moet er dan een voorhangprocedure plaatsvinden, wat voor 12 juni niet haalbaar is. Aan die kant zit ik dus ook klem qua tijd. Er is straks ook sprake van een voorhang op iets wat we eigenlijk nog niet hebben uitontwikkeld. Ik wil u toezeggen dat ik eerst naar de Kamer kom met een brief voordat ik iets in een besluit ga vastleggen. Ik zoek een beetje naar een manier om dit bij elkaar te brengen. Om die reden ontraad ik het amendement op stuk nr. 10.

De voorzitter:
Voor de administratie: dat geldt voor ...

Minister Van den Brink:
Het amendement op stuk nr. 10 en het amendement op stuk nr. 11. Het geldt ook voor het amendement op stuk nr. 12, het geldt voor het amendement op stuk nr. 13 en het geldt voor het amendement op stuk nr. 14. Over het amendement op stuk nr. 14 zeg ik dat dit rechtstreeks uit de Kwalificatieverordening aan ons is opgelegd. Daar kunnen we dus eigenlijk niet eens iets op doen. Het geldt verder voor het amendement op stuk nr. 15 en het geldt voor het amendement op stuk nr. 16, wat overigens gewoon invulling van het coalitieakkoord is. Dus ook om politieke redenen zou ik die niet ...

De voorzitter:
Oké. Dan ga ik nu naar de heer Ceder voor een interruptie. Dank, minister.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Die toezegging neem ik graag aan, maar er zitten in de beantwoording door de minister een aantal veronderstellingen die ik niet helemaal volg. Ik stel een lichte voorhangprocedure voor. Dat betekent dat er geen onderbreking van de voortgang is. We hoeven als Kamer ook niet eerst een debat te hebben. Het gaat erom dat, voordat er invulling wordt gegeven aan een wet waarvan de minister volgens mij erkent dat heel veel nog in een black box zit en nog uitontwikkeld moet worden, de Kamer op de hoogte wordt gehouden. Dit lijkt me van links tot rechts van belang. Dit is immers een heel explosief dossier. Dan is het belangrijk dat de Kamer van tevoren, voordat er verstrekkende stappen worden gezet, weet wat de minister überhaupt van plan is. Mocht het zo zijn dat de Kamer in meerderheid over een punt zegt "daar moeten we toch even met elkaar over praten", dan kan dat. Deze voorhangprocedure zit de implementatie van de wet niet in de weg. Dat klopt toch? Dat zou ook helemaal niet de bedoeling zijn. Bij een zware voorhangprocedure zou dat wel het geval zijn geweest, maar die heb ik niet geëffectueerd. Het nadeel van niet-voorleggen is dat de minister wel gaat uitleggen wat hij gaat doen, maar dat er geen gelegenheid is om erop terug te komen. Het gaat om best verstrekkende bevoegdheden die bij de minister liggen, terwijl de Kamer niet weet welke stappen de minister van plan is te gaan zetten. Kan de minister daarop reageren?

De voorzitter:
Wel weer anderhalve minuut.

Minister Van den Brink:
Ik snap in zijn algemeenheid uw redenering. Daar stel ik tegenover dat er wel sprake is van een voorhang, in die zin dat het hier vier weken hangt. Als een van uw leden — dat hoeft er maar 1 van de 150 te zijn — vindt dat er toch nog iets moet worden besproken, dan wordt het hele besluit opgehouden. Dat risico wil ik niet nemen bij de invoering van het pact voor 12 juni. Onder de redenering zitten een aantal aannames die ik bestrijd omdat een aantal zaken gewoon rechtstreeks werken uit de verordening en ook al in de wet zijn opgenomen. Daarmee heb ik helemaal geen ruimte om daarvan af te wijken, bijvoorbeeld in het geval van beperkingen of nareis. Die zaken zijn immers al in de wet verankerd. Dat stel ik daartegenover. Ik handhaaf dus mijn ... Ja, appreciatie. Dat is het goede woord. Als je zo lang aan het woord bent, raak je op een gegeven moment woorden kwijt. "Appreciatie", dank u wel.

De voorzitter:
Heel kort, meneer Ceder.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Heel kort, voorzitter. Volgens mij moet niet één Kamerlid maar minimaal een vijfde van de Kamer daar iets van vinden. Klopt het dat een aantal nadere regels die moeten worden uitgewerkt, vanwege de lichtere variant waarmee de IND gaat werken, helemaal niet voor 12 juni uitgewerkt hoeven te worden, maar pas bij de implementatie van het daadwerkelijke plan? Volgens mij gaan we nu met de lightversie werken, omdat de tijd kort is. Dat snap ik en dat steun ik ook; laat ik dat vooropstellen. Maar voor de verdere ontwikkeling betekent dit dat er gigantisch veel regelgeving op ons afkomt. De minister heeft nu heel veel macht naar zich toegetrokken. De Raad van State heeft daar ook kritiek op geuit. Het enige wat ik vraag, is om voordat het stelsel verder wordt ingevoerd, de Kamer op de hoogte te stellen. Mocht een vijfde zeggen "wacht even, wat gebeurt er nou?", dan kunnen we daar het gesprek over voeren. Klopt het dat dit de inwerkingtreding op 12 juni 2026 niet in de weg hoeft te staan? Zo ja, kan de minister dan aangeven op welk amendement het wel van toepassing is? Dan kan ik kijken of ik het kan intrekken, want dit is geenszins mijn bedoeling.

Minister Van den Brink:
Nee, dat snap ik.

De voorzitter:
Met het risico dat ik een mopperkont word gevonden: weer ruim een minuut.

Minister Van den Brink:
De ervaring leert dat het goed is om even stil te staan bij amendementen. Het verschilt wel per amendement en dan kom ik toch in de situatie dat ik per ... Neem het amendement over de screeningsautoriteit. Ik moet die autoriteit echt hebben aangewezen. Dat moet echt voor 12 juni duidelijk zijn; daar mag geen licht tussen zitten. De geldigheidsduur van de verblijfstitel en de gevallen waarin de verblijfstitel een kortere geldigheidsduur van drie jaar heeft, hebben wij bij wet geregeld. Dat gaat alleen over detailaspecten op het punt van de uitvoering. Drie jaar is dus gewoon drie jaar. Dit betreft het amendement op stuk nr. 11; sorry dat ik nu te snel ga.

Het amendement op stuk nr. 12 gaat over de toekenning van taken en bevoegdheden uit de procedure voor de asielbeslisautoriteit. Die toekenning moet 12 juni klaar zijn.

Wat het amendement op stuk nr. 13 betreft: ik heb de nareis zojuist genoemd. Dit zijn zaken die natuurlijk echt al bij wet bepaald zijn.

Het amendement op stuk nr. 14 ziet echt op materiële criteria die rechtstreeks uit de Kwalificatieverordening voortvloeien. Daar zit dus geen enkele ruimte op.

Het amendement op stuk nr. 15 gaat over het toewijzen van vreemdelingen van een geografisch gebied. Ik zeg toe dat ik, indien wij daartoe overgaan, eerst naar de Kamer kom met een brief voordat ik hier invulling aan geef, want hier heeft u een punt. Op dit punt is eigenlijk nog onvoldoende nagedacht over hoe dat eruitziet. Ik ga dat dus niet op een achternamiddag doen, zonder dat ik mezelf op die manier wil kwalificeren.

De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 15 blijft ontraden, maar u zegt een brief toe.

Minister Van den Brink:
Ja, en het amendement op stuk nr. 16 idem.

De voorzitter:
Wat bedoelt u met "idem"?

Minister Van den Brink:
Sorry, wat het amendement op stuk nr. 16 betreft: coalitieakkoord; er zijn al verplichtingen. Ik ga naar het amendement op stuk nr. 17.

De voorzitter:
Graag.

Minister Van den Brink:
Het amendement op stuk nr. 17 van de heer Ceder stelt dat de beoordeling van de vraag of een kind in bewaring kan worden gesteld, plaatsvindt na advies van een vertegenwoordiger van het kind of een persoon met expertise. Ik hoop dat u mij goed verstaan heeft over de wijze waarop wij omgaan met kinderen en dat daar dus op geen enkele reguliere basis sprake van zal zijn, omdat we de huidige grensprocedure handhaven en op die manier hier dus niet mee te maken krijgen. Af en toe komen kinderen wel in de situatie van Zeist, maar dat gebeurt door mensen die daar met expertise bij betrokken zijn. Dat vloeit ook voort uit artikel 26 van de Opvangrichtlijn, die opdraagt om kennis van omgang met kinderen en minderjarigen te hebben en om je daar ook in te laten scholen en opleiden. Om die reden ontraad ik het amendement op stuk nr. 17.

Het amendement op stuk nr. 18 vraagt een hardheidsclausule voor …

De voorzitter:
Een momentje. Meneer Ceder.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik ben het eens met de minister. Daarom verwees ik in mijn toelichting naar die procedurelijn, maar kan de minister uitleggen wat er verandert als mijn amendement wel degelijk wordt aangenomen? Volgens mij is het een bestendiging van wat daarin staat en voorkomt dit ook dat daar later van afgeweken kan worden. Ik ben benieuwd waarom dit amendement dan in materiële zin toch ontraden wordt.

Minister Van den Brink:
Laat ik het zo zeggen: dan creëer je een situatie waarin de beoordeling en het belang van het kind helemaal apart staan van de rest, maar zij zitten in de procedure. In de procedure werken mensen die het belang van het kind integraal op het oog hebben, daarvoor opgeleid zijn en ook worden geschoold. Ik heb er dus geen twijfels over dat daar voldoende mensen met voldoende kennis zitten. Het moet dus een integraal onderdeel van de procedure zijn. Het kan nooit iets zijn wat daarnaast komt te staan, omdat dat de integraliteit van die beoordeling zou compliceren.

Ik ga naar het amendement op stuk nr. 18. Daarin wordt een hardheidsclausule voorgesteld die niet in lijn is met wat wij als invulling kiezen voor het kerngezin. Het is ook niet nodig, omdat er op een andere route ook al acht EVRM-aanvragen zijn. Ik denk ook dat de uitvoering hier eerder mee belast wordt dan dat zij hiermee geholpen zal zijn. Ook dit amendement ontraad ik dus.

Het amendement op stuk nr. 19 betreft een debat dat we nog niet hebben gevoerd. De heer Dassen vroeg ook naar een andere ingangsdatum van de verblijfsvergunning, namelijk niet de dag na het besluit maar op de datum van aanvraag. Dat klopt. Wij brengen ook dit in lijn met het Europese minimum, namelijk het beslismoment en niet het aanvraagmoment. Dat volgt uit die Europeesrechtelijke verplichting. Het is voor de toekomst ook wenselijk om vanaf dat moment de twee jaar te laten tellen als die procedure gewoon netjes op orde is. Ook dit amendement ontraad ik dus.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik begrijp de redenering van de minister op het moment dat je een werkend systeem hebt. Maar de minister is het toch met mij eens dat, als we dit zouden invoeren, die twee jaar — waarvan sommige partijen zeggen dat die noodzakelijk zijn, maar voor ons is dat wel het uiterste — de komende jaren bij lange na niet gehaald gaan worden? Mensen zullen de facto dus soms drie, vier, vijf jaar op gezinshereniging moeten wachten voordat het, hopelijk, vlot getrokken is, nog even afgezien van de situatie rondom de rechtspraak. Is de minister het ermee eens dat dat de facto is waar we straks in die eerste periode mee instemmen?

Minister Van den Brink:
De facto niet, maar daarvan kan in uitzonderlijke situaties misschien sprake zijn. Maar dan nog is dit een invulling die wij wel voornemens zijn te handhaven, ja.

De voorzitter:
U gaat verder. Nee, mevrouw Westerveld.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ja, voortbouwend op wat de heer Ceder zegt. We hebben net met elkaar een debat gehad over hoe ontzettend ingewikkeld het is voor de uitvoering. We weten allemaal dat er enorme wachtlijsten zijn. Daar gaat het amendement natuurlijk over, over de uitvoering van de wet in de praktijk: wat betekent dit voor mensen in de praktijk? Dan is het toch zo dat er een hele grote groep is die nog veel langer moet wachten? Dan begrijp ik dus niet dat, wanneer een voorstel wordt ingediend om het leed enigszins te verzachten, daar op deze manier op wordt gereageerd.

Minister Van den Brink:
In aanvulling daarop: we zijn ervan overtuigd dat deze maatregel voor nu verstandig is, omdat de huidige situatie dan daadwerkelijk zou zijn dat de nareisbeperking geen effect zou sorteren omdat er natuurlijk al sprake is van een groep die bijna twee jaar in die asielprocedure zit. Dan hebben we dus nog steeds met de opvangproblematiek te maken waar we nu mee zitten, ook door de nareizigers die er zijn. We doen er alles aan om de voorraad weg te werken, zo snel als dat kan. Ook hierbij is uiteindelijk de artikel 8 EVRM-toets natuurlijk mogelijk, maar we handhaven wel ons voorstel om het te doen op de datum van het besluit. Om die reden ontraad ik het amendement op stuk nr. 19.

Ik kom bij het amendement op stuk nr. 20 over het overgangsrecht. Eigenlijk is dat dezelfde discussie als die we net hadden over onmiddellijke werking. We zijn wel degelijk van mening dat we die onmiddellijke werking van toepassing moeten verklaren om het effect ervan te kunnen hanteren. Dus ook dit ontraad ik.

Bij het amendement op stuk nr. 21 ...

De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 21 is het amendement op stuk nr. 35 geworden.

Minister Van den Brink:
Dan mag ik dit laten gaan; daar kom ik dan straks op terug bij het amendement op stuk nr. 35.

Zo kom ik bij het amendement op stuk nr. 22. Dat was nog best een puzzel, dat aanscherpen van de regels voor rechtsbijstand, in het amendement van de heren Boomsma en Ceulemans. Het onthouden van rechtsbijstand in niet-kansrijke procedures moet dan worden getoetst door een rechter. Dat is wat is voorgeschreven. De procedure voor rechtsbijstand moet mogelijk blijven. Die procedures zullen veel plaatsvinden. Dat maakt de asielprocedure dus langer. Dat is dus contraproductief. Wat betreft de vergoedingen van een rechtsbijstandsverlener: die worden nu al bepaald aan de hand van een puntenstelsel; meer claimen dan daarin is geregeld, is nu ook al niet mogelijk. Een dergelijke regeling is dus overbodig. Wat betreft het terugvorderen van rechtsbijstand als later blijkt dat er meer vermogen was: het is nu reeds mogelijk om terug te vorderen als er onjuiste gegevens zijn verstrekt. Het is dit samenstel van argumenten, maar met name het eerste: als we dit zouden doen, het onthouden van rechtsbijstand in niet-kansrijke procedures, dan moet dat ook weer worden getoetst door een rechter. Zo raken de rechters dus nog meer belast met zaken. Om die reden ontraden wij dit amendement.

De heer Boomsma (JA21):
Wat ik beoogde, was om de ruimte die de verordening nu biedt, meer te gebruiken. Maar is het zeker dat daarvoor een extra toets door de rechter nodig is? De IND doet al een screening bij een hoger beroep. Kan het daar dan niet in worden meegenomen? Is het absoluut noodzakelijk dat dat langs de rechter gaat?

Minister Van den Brink:
Mijn introductie was dat hier lang op is gestudeerd en dat was precies om deze reden. Het oordeel was dat die extra beoordeling een rechterlijke toets vergt. Ik moet u op een bepaalde manier ook complimenteren voor het goed doorzoeken hiervan, want de ruimte is er wel in die zin, theoretisch.

Ik kom bij het amendement op stuk nr. 23 van de heer Boomsma en de heer Ceulemans: toegang tot de arbeidsmarkt alleen voor kansrijke asielzoekers. Er is onderzocht of het mogelijk is om een nader onderscheid in die wachttermijn op te nemen, maar zowel UWV als IND heeft ernstige bezwaren geuit tegen het maken van een nader onderscheid. Dit zou de regelgeving nog complexer en moeilijker uitvoerbaar maken. Het is ook de vraag of dit onderscheid juridisch houdbaar is, omdat het mogelijk zou leiden tot een onderscheid op basis van nationaliteit. De minister van SZW zal binnenkort een AMvB met enkele aanpassingen omtrent de wachttermijn aan uw Kamer voorleggen. Ik zou willen voorstellen om dit debat daar te hernemen, omdat ik de uitvoeringsorganisaties op dit onderdeel niet zwaarder wil belasten met dit onderwerp. Om die reden moet ik ook dit amendement ontraden; ik ben wel erg saai vandaag.

Ik kom bij het amendement op stuk nr. 24.

De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 24 is vervangen door het amendement op stuk nr. 33.

Minister Van den Brink:
Dan ben ik bij het amendement op stuk nr. 25 over het schrappen van de mogelijkheid om kinderen in detentie te plaatsen. Ook daarbij hoop ik dat u mij verstaan heeft. Wij zetten de huidige grensprocedure voort, waarbij gezinnen met minderjarigen niet vanzelfsprekend … Er kan alleen sprake zijn van de drie uitzonderingscategorieën die ik eerder genoemd heb. Dat komt amper voor. Daarnaast is de richtlijn letterlijk in onze wetgeving vertaald zoals die moet worden vertaald. Daar is wat ons betreft geen aanpassing voor nodig en dus ontraad ik het amendement op stuk nr. 25.

De voorzitter:
Mevrouw Westerveld, maar we gaan niet het hele debat opnieuw doen.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik begrijp op geen enkele manier waarom dit amendement ontraden wordt. Als de minister zegt dat het niet de bedoeling is, kan ons amendement gewoon worden aangenomen. Laten we het dan wettelijk verankeren als het niet de bedoeling is dat kinderen in detentie geplaatst worden. Want nu staat die mogelijkheid wél open.

Minister Van den Brink:
De ruimte die er nu al is, willen we laten bestaan in de wetgeving. Die wordt op deze manier helemaal dichtgezet. Daarmee wordt de grensprocedure die wij nu kennen, ook met de drie uitzonderingen rondom mensenhandel, de gezinsband en nationale veiligheid en openbare orde, onmogelijk gemaakt. Die toepassing willen we behouden.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik hoorde de minister dat ook antwoorden. Een van de voorbeelden is mensenhandel. Mensenhandel is bijvoorbeeld seksuele uitbuiting of arbeidsuitbuiting. Maar als een kind daar het slachtoffer van is, is het laatste wat je moet doen dat kind in een gesloten setting in een cel plaatsen. Nog steeds begrijp ik niet waarom deze mogelijkheid wordt opengelaten. De cel of welke setting dan ook, iets met hekken eromheen is geen geschikte plek voor kinderen.

Minister Van den Brink:
Ik zit even uit te zoomen op wat u zegt. De situatie waarover wij spreken, gaat uiteindelijk over ouders met kinderen. Als die band er gewoon is, wil je op een zorgvuldige manier tot vervolgingsbeleid over kunnen gaan en dat onderzoeken. Dan zoek je naar een plek waar dat op een zorgvuldige manier kan worden toegepast. Daar is in het verleden de gezinslocatie van Zeist als zeer adequaat voor beschouwd en ik heb geen reden om daar nu een aanpassing in aan te brengen.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Er zijn genoeg redenen om daar wel aan te twijfelen. Als nu ineens de band met ouders het argument wordt, begrijp ik niet waarom er een wachttijd is van twee jaar voor gezinshereniging. Dan is dit op dit moment een gelegenheidsargument. Er worden verschillende argumenten gehanteerd en die kloppen niet met elkaar.

Minister Van den Brink:
Nou, ik had iets meer … Nee, laat ik het bij mezelf houden. Toen ik hier vorige week voor het eerst over werd bevraagd, was de centrale vraag: hoe werkt het nu en werkt het nu goed? Hoe het nu werkt, heb ik net uitgelegd. En ja, het werkt goed. Ik heb er dus voor gekozen om de huidige grensprocedure te handhaven zoals die is. Ik doe geen afbreuk aan hoe die nu werkt en ik hoef die niet op een andere manier wettelijk te verankeren, omdat die via de huidige verordening en richtlijn netjes in deze implementatiewet zit. Volgens mij doe ik helemaal wat iedereen die hier zorgen over heeft, hoopte dat ik zou gaan doen, namelijk op een zorgvuldige manier omgaan met kwetsbare minderjarigen.

De voorzitter:
Ik sta een heel debat toe. Ja, ik snap het. Mevrouw Westerveld.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik begrijp de intentie van deze minister wel, maar het zou natuurlijk kunnen dat er over een aantal jaren een andere minister zit, die andere intenties heeft. Ook dan zou ik niet willen dat de wet deze mogelijkheid heeft. Dat is de reden waarom ik er zo op aandring om dit wettelijk vast te leggen.

Minister Van den Brink:
Dat is dan weer een ander argument, dat ik tot nu toe niet in dit debat heb gehoord. Laat ik daarvan zeggen dat de huidige opvangrichtlijn zo duidelijk is als die is: het is niet de vanzelfsprekendheid, maar de uitzondering op de uitzondering als er geen andere mogelijkheden zijn — ik zeg het even in mijn eigen woorden. Dat is dus ook de jurisprudentie waarbinnen de richtlijn is ingekaderd. Dus ik heb ook om die reden niet de zorg die u daarover hebt. Die zorg deel ik in die zin niet. Ook naar de toekomst toe is daar die ruimte niet.

De voorzitter:
De minister gaat verder.

Minister Van den Brink:
Dan het amendement op stuk nr. 26. Wij hebben het debat gevoerd over de keuzes die eerder zijn gemaakt ten aanzien van de beperking tot het kerngezin en de ruimte die daar nog steeds voor blijft via artikel 8 van het EVRM. Om die reden ontraad ik dit amendement.

Dezelfde discussie hebben wij gevoerd over het amendement op stuk nr. 27, om de asielvergunning voor onbepaalde tijd te handhaven. Onze stelling is dat dit niet kan binnen het nieuwe pact. Om die reden ontraad ik dit amendement.

Het amendement op stuk nr. 28 gaat over de afschaffing van de rechterlijke dwangsommen in vreemdelingenzaken, het amendement van de heer Van Dijk c.s. De bijzonderheid is dat ik het oordeel van mijn voorganger over dit amendement ga wijzigen in ontraden, onder verwijzing naar wat ik in mijn inleiding heb gezegd, namelijk dat ik niet de amendering van de Asielnoodmaatregelenwet opnieuw in dit pact wil opnemen. Ik wil niet de risico's lopen die daarmee kunnen samenhangen.

De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank voor de appreciatie, maar ik begrijp nu dat de wens van de minister om één lijn te trekken ertoe leidt dat mijn uitgebalanceerde amendement over één kam wordt geschoren met allerlei wilde politieke amendementen. In alle ernst: mijn amendement over de dwangsommen ziet natuurlijk op de uitvoerbaarheid, waarover we het hier de hele dag hebben gehad. Mocht de Asielnoodmaatregelenwet onverhoopt niet doorgaan, dan zal dat een enorme domper zijn voor de IND, die erom smeekt dat wij ervoor zorgen dat dit nu geregeld wordt. Het is ook het enige amendement dat ik heb ingediend. Ik begrijp het idee van de minister wel, maar het gaat ook om een amendement dat destijds op een politiek zeer breed draagvlak kon rekenen. Daar stonden meer dan 100 zetels achter. Wil de minister zijn oordeel over het amendement toch heroverwegen?

Minister Van den Brink:
Het ongemak is er zeker. Dat wil ik wel erkennen. Tegelijkertijd — ik heb er echt wel even over nagedacht — handhaaf ik mijn oordeel. Ik denk dat ik de druk op de beide Kamers minder groot maak door dit oordeel te geven. Uiteindelijk is het aan uw Kamer om in de stemming te oordelen hoe u daarmee omgaat. Maar dit oordeel handhaaf ik.

Ik kom dan bij het amendement op stuk nr. 29, ingediend door mevrouw Lammers en de heer Markuszower, over de Spreidingswet. In het amendement wordt het enkele onderdeel van de dwang eruit gehaald. Wij zijn van mening dat deze dwang gewoon aan deze taak gekoppeld is. Aan gemeenten worden taken toebedeeld. Dan gaat het niet alleen om de taak in het kader van de Spreidingswet; er worden heel veel taken aan gemeenten toebedeeld. Inherent daaraan is het interbestuurlijk toezicht. Ik heb volgens mij de afgelopen weken geprobeerd op heel veel manieren uit te drukken dat ik met gemeenten in gesprek ga, in gesprek ga en in gesprek ga. Hier zit geen minister die op die manier met gemeenten wil werken. Tegelijkertijd is die verplichting wel verplicht. Om die reden ontraad ik het amendement.

In het amendement op stuk nr. 30, van mevrouw Vondeling en de heer Wilders, gaat het om dezelfde situatie als in het amendement inzake de strafbaarstelling van illegaal verblijf. Ik moet er wel bij zeggen dat het knap in deze wet is gebracht. Dat was nog niet makkelijk, als ik de wetgevingsjuristen daarover hoorde. Ook dit amendement ontraad ik, onder verwijzingen naar de Asielnoodmaatregelenwetdiscussie.

Dan kom ik nu op de inhaalamendementen, zoals ik ze even noem.

In het amendement op stuk nr. 31 wordt de toepassing van de grensprocedure beperkt tot de drie situaties. Dat is niet mogelijk via de procedureverordening zoals we die hebben ontvangen. Die verordening is uitonderhandeld. Om die reden onraad ik dit amendement.

Voor het amendement op stuk nr. 32 geldt hetzelfde. Op grond van de Asiel- en migratieverordening hebben asielzoekers met een dubbele claim geen recht meer op een opvangvoorziening. De regering acht het in dat kader niet doelmatig en wenselijk om wel toegang te blijven bieden tot taalonderwijs. Deze asielzoekers mogen immers niet duurzaam in Nederland blijven. Om die reden ontraad ik het amendement op stuk nr. 32.

Ik zit hier nu even met verbazing. Omdat ik deze amendementen nog niet ken, zit ik gewoon hardop te lezen. Dit is het amendement van de heren Boomsma, Ceulemans, Ellian en Diederik van Dijk, dat de wettelijke grondslag regelt voor het uitlezen van gegevensdragers. Zoals u weet, werk ik zelf ook aan een regeling voor deze grondslag. Dat is nodig, nadat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld dat de huidige wettelijke grondslag niet volstaat. Zoals u weet, is het ontwerpen van die regeling geen eenvoudige opgave, omdat er een groot aantal privacyvragen moet worden beantwoord. Ook moet worden bezien welke elementen van de regeling op het niveau van de wet een plek moeten krijgen en welke elementen in een Algemene Maatregel van Bestuur moeten worden geregeld. Ik ben van plan dat zorgvuldig te doen. Dat betekent bijvoorbeeld ook dat de AP om advies zal worden gevraagd. Dat is ook echt verplicht op grond van de AVG. Hoezeer ik ook meeleef en meevoel en dit ook liever gisteren dan vandaag had geregeld, ik kan dus niets anders doen dan dit amendement ontraden.

Mij valt ook nog op dat een groot deel van de juridische vragen in dit amendement naar het niveau van de Algemene Maatregel van Bestuur wordt gedelegeerd zonder dat duidelijk is of de grondslagen volstaan. Ik kan u het volgende verzekeren. Als je in de Eerste Kamer staat met een wet omtrent biometrie — dat heb ik pas gedaan — waarbij er een grondslag ontbreekt voor iets wat wij over een tijdje gaan regelen, dan is dat geen heel fijn debat; laat ik het zo zeggen. Met alle serieusheid zeg ik dat ik snap wat er hier gebeurt, maar dit gaat echt te snel.

De heer Boomsma (JA21):
Ik denk dat dit wel kan. Wij hebben ons er natuurlijk ook in verdiept. We hebben gewoon de uitspraak van de Raad van State bestudeerd. Er moet een wettelijke grondslag voor worden opgenomen. Er staat in het amendement juist heel zorgvuldig uitgelegd dat dat aan allerlei beperkingen is gebonden en dat een goeie afweging van belangen moet worden gemaakt door de ambtenaren. Het is dus onze inschatting dat dit nu kan. Laat ik het dan als volgt vragen. Als wij wachten op de minister, wat zou dan de kortst mogelijke termijn zijn waarop dit wetsvoorstel zou kunnen worden aangenomen? Het zou namelijk heel fijn zijn als je hier meteen mee aan de slag kan als je toch alle procedures verandert.

Minister Van den Brink:
Laat ik u het volgende toezeggen. Dit is voor mij in die zin ook deels nieuw. Wij zijn klaar om in consultatie te gaan, maar die consultatie betekent de Autoriteit Persoonsgegevens. Je hebt er van tevoren niet gelijk zicht op hoe snel dat gaat. Dat is dus niet toe te zeggen, maar ik kan u natuurlijk wel toezeggen dat ik daarover zelf met de Autoriteit Persoonsgegevens in contact ga treden om te proberen daarvoor een fatsoenlijke termijn af te spreken. Dan kan ik daarna gelijk naar de Raad van State, zodat het wetsvoorstel mogelijk kort na de zomer hier ligt. Als ik daar niet toe in staat ben, zal ik u daar ook eerlijk over informeren.

De voorzitter:
Meneer Boomsma knikt.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Ter dubbelcheck: betekent dit dat het amendement ingetrokken wordt? Ik vraag dit omdat we al een paar keer hebben meegemaakt dat we stemmen over van alles wat los en vast zit en daarmee de asielketen verder verstoppen. Ik wil dus even dubbelchecken wat hier nu gebeurt. De minister heeft iets toegezegd. Is die toezegging voldoende voor de heer Boomsma? Of gaan we hierover alsnog volgende week stemmen?

De voorzitter:
De minister heeft inderdaad toegezegd met de AP, de Autoriteit Persoonsgegevens, te gaan praten. Als het niet lukt om het wetsvoorstel na de zomer in te dienen bij de Tweede Kamer, dan horen wij dat van hem. Meneer Boomsma knikte dat hij daar kennis van nam en hij wil daar even over nadenken.

Minister Van den Brink:
Mag ik u dan nog eenmaal meegeven dat dit soort kwesties in de Eerste Kamer echt heel zwaar liggen? Mag ik dat pleidooi nog een keer houden? Ik voorzie namelijk ... Dit meen ik in alle ernst. Voor de Eerste Kamer zijn dit redenen om heel zwaar over een wetsvoorstel te gaan doen. Dit heb ik alleen gezegd.

Het amendement op stuk nr. 34 is een vervangend amendement van de heren Boomsma en Ceulemans over de bevoegdheid voor locaties van het COA om een sollicitatieplicht en een taalcursus op te leggen. Er werd net ook al een heel debat gevoerd over de sollicitatieplicht. Dat is voor de uitvoering niet goed te doen, omdat daar geen sanctie aan te koppelen is. Je kunt niet iemand iets verplichten wat daarna niet te sanctioneren is. In de uitvoerbaarheid is dat dus echt heel ingewikkeld. Er is wel ruimte wat betreft de uitvoerbaarheid van de taalcursussen. Op grond van de Opvangrichtlijn hebben wij geen mogelijkheden om een sanctie op te leggen bij de sollicitatieplicht. Om die reden moet ik het amendement ontraden, hoewel ik wel heel veel sympathie heb voor het taaldeel. U heeft beide delen in één amendement zitten, wat maakt dat ik dit toch moet ontraden.

De heer Boomsma (JA21):
Ik heb het aangepast om juist een grondslag op te kunnen nemen voor een maatregel. Het is natuurlijk niet de bedoeling dat je 'm verplicht door mensen uit de opvang te zetten of zo. Maar zoals bij allerlei andere zaken kun je toch wel een maatregel opleggen? Dat gebeurt ook op andere fronten. Zegt de minister nu dat dat wettelijk niet mogelijk is?

Minister Van den Brink:
Nee. De Opvangrichtlijn bevat allerlei criteria waarop je maatregelen mag opleggen. Die zien ook op taal. Als iemand dus niet aan taal meedoet, mag je een maatregel opleggen, maar dat mag niet op sollicitatieplicht. Ik heb dus geen wettelijke grondslag in het Europees recht om een maatregel op te leggen op sollicitatieplicht. Dus om die reden …

De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik sta ook sympathiek tegenover het amendement van de heer Boomsma, maar uit mijn interruptiedebatje met hem heeft u ook kunnen opmaken dat ik het juridisch een beetje wankel vind, ook omdat er geen handhavingsmechanisme in het amendement is opgenomen. Daardoor wordt wetgeving namelijk de facto zwak. Kunt u mij aangeven wat er vervolgens gebeurt als het van de richtlijn wel mag? De Kamer heeft weleens de neiging om over amendementen te stemmen waar ik mijn bedenkingen bij heb. Daarom vraag ik toch maar wat het gevolg is voor de azc's op het moment dat iemand dit wil inroepen. Wat is dan het handhavingsmechanisme? Als dat er niet is, kan de minister dan klip-en-klaar aangeven dat we dit gewoon niet moeten doen?

Minister Van den Brink:
Dat laatste is uw conclusie. Ik kan alleen maar zeggen dat er geen handhavingsinstrumentarium is op de sollicitatieplicht. En die kan ik dus ook niet verstrekken aan locatiemanagers ter plaatse. De Opvangrichtlijn biedt er geen ruimte voor en om die reden moet ik het amendement ontraden.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Een aanvullende vraag. Als mensen gaan werken, wat betekent dat dan voor hun rechten en plichten en voor de werkgevers? Daar heb ik nog niet genoeg duidelijkheid over. Ik zou er graag wat meer over willen weten om dit amendement goed af te kunnen wegen.

De voorzitter:
Het wordt zo een beetje een gekke figuur, maar …

De heer Boomsma (JA21):
Voordat we een hele discussie gaan voeren over een amendement dat ik niet meer ga indienen: als dit echt niet kan, heeft het natuurlijk geen enkele zin. Dan ga ik het op die manier dus ook niet doen. Ik ga het dan opknippen en ervoor zorgen dat er wel een wettelijke grondslag komt voor die taalcursus. Het lijkt me belangrijk dat in ieder geval die mogelijkheid er komt.

De voorzitter:
Voor de administratie: u knipt 'm op? Ik zie iedereen knikken. Oké.

Minister Van den Brink:
Ik zeg alvast toe dat als dat amendement deugdelijk is … Nou, dat zijn ze altijd. Maar als het deugdelijk is in die zin dat het passend is binnen de opvangrichtlijn, dan geef ik 'm oordeel Kamer op de taal.

De voorzitter:
Een faire manier om met elkaar om te gaan.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik denk dat ik 'm dan kan onderschrijven. Maar ik blijf wel vragen om dan ook de azc-medewerkers te beschermen, want volgens het handhavingsmechanisme is op het moment dat …

Minister Van den Brink:
Terecht. U heeft een terecht punt. Ik moet even … Laat ik het zo zeggen: dan is de bevoegdheid gecreëerd. Maar de eerlijkheid gebiedt dan ook om te zeggen: taalonderwijs op COA-locaties is nu niet "van dien mate" dat we kunnen zeggen dat we dat dan ook gelijk even op hele korte termijn al toepassen. Er zitten dus wel een paar stappen voor. We moeten het taalonderwijs op COA-locaties op orde krijgen en daarna kan je natuurlijk ook zeggen: u bent verplicht om daarbij aanwezig te zijn. Maar wel in die volgorde. Dus daar heeft u helemaal gelijk in.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Voor de zuiverheid: wat betekent dit voor dit amendement als we 'm aannemen? De heer Boomsma knipt 'm op. Nogmaals, ik sta er sympathiek tegenover. Als het wordt aangenomen, hebben azc-directeuren de mogelijkheid om dit op te leggen. Eén: ik begrijp van de minister dat er onvoldoende beschikbaarheid is. Twee: als die er wel is en het wordt opgelegd, dan ontstaat de situatie, als iemand nee zegt, dat diezelfde persoon, die wel een grondslag heeft, vervolgens vanuit de wet geen handhavingsmechanisme kent. Klopt dat of zie ik iets over het hoofd?

Minister Van den Brink:
Op de taal is er dus wel ruimte vanuit de Opvangrichtlijn om maatregelen op te leggen. Maar laat ik in ieder geval toezeggen … Dit is weer zo'n typisch voorbeeld van een besluit waar ik dan invulling aan ga geven, maar dat wel weer nieuw beleid is. Dus zodra we de taalcursussen op COA's, een van de sporen in het beleid van het kabinet, verder op orde hebben gebracht, kom ik bij uw Kamer terug met een uitwerking van die plicht op taalcursussen en de maatregelen waarmee dat gepaard gaat.

De voorzitter:
Meneer Boomsma zei dat hij het amendement gaat opknippen. We zien dus een gewijzigde versie tegemoet. We kunnen nu niet aan de voorkant een oordeel opschrijven, maar dat gaan we in de administratie allemaal regelen.

Minister Van den Brink:
Sorry, ik ben soms iets te praktisch.

De voorzitter:
Ik denk dat we nog even schriftelijk appreciëren, maar dat gaan we regelen.

Minister Van den Brink:
Dan kom ik bij het amendement op stuk nr. 35 van de heer Ceder, dat vraagt om een evaluatie na vijf jaar van maatregelen uit de wetsvoorstellen, in ieder geval van de nareismaatregel van subsidiair beschermden en bewaring van minderjarigen. Ik vind dat een goed idee. Ik denk dat die evaluatie breder zou moeten zijn en dat het goed is als we op enig moment richting die vijf jaar terugkomen bij de Kamer. Op onderwerpen waarvan we nu denken dat daarop geëvalueerd moet worden, zullen we over drie jaar concluderen "nou, dat ging eigenlijk wel aardig", maar er zijn ook zaken die we nog even tegen het licht willen houden. Ik zeg toe dat ik, voordat die evaluatie start, eerst de Kamer informeer op welke onderdelen die evaluatie zal zien. Oordeel Kamer.

De voorzitter:
Oordeel Kamer. Kijk, de eerste van de avond.

Minister Van den Brink:
Het amendement op stuk nr. 36 beoogt, zo lees ik in de toelichting, op wetsniveau te regelen dat kosteloze juridische counseling uitsluitend wordt verstrekt door geaccrediteerde onafhankelijke maatschappelijke organisaties en expliciet niet door de IND. Dit amendement is ingediend door mevrouw Westerveld en de heer Dassen. Ik moet het ontraden. De medewerkers van de IND zijn onafhankelijk en er bestaat een strikte scheiding tussen medewerkers die op aanvragen beslissen en medewerkers die voorzien in juridische counseling. Daarnaast wil ik de IND niet afhankelijk maken van externe partijen om de proceduretijd die zo wordt ingekort verder onder druk te zetten. Om die reden ontraad ik dit amendement.

De voorzitter:
Helder. Dan zijn we door de amendementen heen. Wat mij betreft gaan we direct door. Ik weet niet of iedereen zijn moties gereed heeft? Een plaspauze. Vijf minuten? Ik schors voor vijf minuten.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Dat doe ik niet zonder namens iedereen, denk ik, dank te zeggen aan de ondersteuning van de Tweede Kamer, die langer voor ons blijft. Dat waarderen we. Mijn beveiliging staat voor de deur. Zij horen mij niet, maar ook dank aan hen. Mevrouw Van der Plas, u laat zich zo meteen excuseren, want u moet weg. Aan u het woord voor de tweede termijn. Ik hoop dat de collega's elkaar nu niet willen ... Ja, het mag, maar alsjeblieft!

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u wel. Voorzitter. Dit hele debat gevolgd hebbend over een fundamentele wijziging ben ik er nog niet helemaal gerust op. Wat we gaan doen, moeten we zien. De ene kant vindt het allemaal te streng en de andere kant vindt het allemaal te slap. Ik denk dat er in de Kamer nog best veel vraagtekens zijn, zeker ook bij ons. Dat zegt nog niks over ons stemgedrag, maar ik wil wel alvast meegeven dat ik er nog niet helemaal gerust op ben. Dat heeft er ook mee te maken dat we niet zeker weten dat andere landen zich zullen houden aan de afspraken. De minister heeft gezegd "we hopen dat de afspraken worden nagekomen", maar ik heb nog geen duidelijke noodrem gezien voor het geval dat landen zich daar niet aan houden.

Daarom probeer ik nog wat te doen met moties.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het EU-Asiel- en Migratiepact alleen kan functioneren als alle lidstaten hun verplichtingen daadwerkelijk nakomen;

constaterende dat eerdere Europese afspraken, zoals de Dublinverordening, structureel zijn ondermijnd doordat lidstaten hun verplichtingen niet naleefden, terwijl Nederland zich wel aan de regels hield en daardoor onevenredig werd belast;

overwegende dat ook onder het huidige pact afdwinging en sancties ontbreken wanneer lidstaten hun verantwoordelijkheden niet nakomen;

overwegende dat het onaanvaardbaar is dat Nederland opnieuw de gevolgen draagt van het falen van andere lidstaten;

verzoekt de regering te komen met een plan van aanpak voor het geval andere lidstaten het pact niet of niet volledig naleven, en indien structurele niet-naleving aanhoudt en Nederland daardoor onevenredig wordt belast, niet langer onvoorwaardelijk uitvoering te geven aan het pact,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.

Zij krijgt nr. 37 (36871) (#1).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het solidariteitsmechanisme binnen het Migratiepact is gebaseerd op het bruto binnenlands product en het inwonersaantal van een lidstaat;

overwegende dat Nederland een relatief hoog bruto binnenlands product heeft en een groot aantal inwoners op een relatief klein oppervlak;

overwegende dat dit ertoe leidt dat Nederland naar verhouding een onevenredig aandeel levert in de opvang binnen de solidariteitspool;

overwegende dat relevante factoren voor een eerlijke spreiding, zoals landoppervlak en bevolkingsdichtheid, momenteel geen onderdeel uitmaken van dit mechanisme;

verzoekt de regering zich er in Europees verband voor in te spannen dat naast het bbp en het inwonersaantal ook landoppervlak en bevolkingsdichtheid in belangrijke mate worden meegewogen in het solidariteitsmechanisme,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Plas en Ceder.

Zij krijgt nr. 38 (36871) (#2).

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dan laat ik mij inderdaad nu verexcuseren vanwege een andere afspraak, maar ik dank de minister en zijn staf voor de beantwoording van de vragen en natuurlijk ook de medewerkers die vandaag allemaal langer hebben moeten blijven.

Dank u wel.

De voorzitter:
U bedankt, mevrouw Van der Plas. We gaan naar mevrouw Westerveld.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Bij die dankwoorden sluit ik me aan. Ik heb in mijn inleiding al aangegeven, heel duidelijk zelfs, dat GroenLinks-PvdA voor de doelstellingen van het Europese Migratiepact, voor meer harmonisatie tussen de landen en voor solidariteit is, maar dat we moeite hebben met een aantal extra maatregelen die zijn toegevoegd. Daarbij heb ik het in het bijzonder over twee zaken, namelijk de onnodige versobering voor de gezinshereniging, met bijvoorbeeld een wachttijd van twee jaar, en het in detentie kunnen plaatsen van kinderen. Dat vinden we echt twee hele zwaarwegende zaken. Daar zal straks onze steun ook van afhangen.

Ik heb nog twee moties.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering ervoor kiest om gezinnen met kinderen in grensdetentie in een aantal gevallen systematisch in grensdetentie te stellen;

constaterende dat de detentie van kinderen schadelijk en traumatiserend is en bovendien in strijd is met het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind;

overwegende dat onvoldoende is gekeken naar mogelijke alternatieve maatregelen voor detentie van kinderen;

verzoekt de regering voorafgaand aan de inwerkingtreding een kinderrechtentoets uit te voeren over deze wet,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Westerveld, Ceder en Dassen.

Zij krijgt nr. 39 (36871) (#3).

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Dan de tweede motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het Europese Asiel- en Migratiepact alleen kan werken wanneer solidariteit het fundament vormt van beleid;

constaterende dat Nederland kiest om het solidariteitsmechanisme af te kopen in 2026;

verzoekt de regering alles in het werk te stellen om de uitvoering op orde te brengen zodat het solidariteitsmechanisme dit jaar niet afgekocht wordt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Westerveld en Dassen.

Zij krijgt nr. 40 (36871) (#4).

Oké. Mevrouw Vondeling.

Mevrouw Vondeling (PVV):
Ik zal gelijk starten met de moties.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het Europese Asiel- en Migratiepact een grote flop is en de massale instroom van gelukszoekers niet stopt, maar alleen probeert te verdelen over Europa of af te kopen met ons belastinggeld;

van mening dat herverdelen en afkopen capitulatie is aan Brussel en de asielindustrie, terwijl een asielstop gratis is en instroom stopt;

verzoekt de regering per direct onze eigen grenzen te sluiten, een volledige asielstop af te kondigen en alle vormen van herverdeling en afkoop in het Europese Asiel- en Migratiepact af te wijzen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Vondeling en Wilders.

Zij krijgt nr. 41 (36871) (#5).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering onmiddellijk over te gaan tot het intrekken van alle tijdelijke verblijfsvergunningen van Syriërs en ervoor te zorgen dat Syriërs direct terugkeren naar Syrië,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Vondeling.

Zij krijgt nr. 42 (36871) (#6).

Mevrouw Vondeling (PVV):
Dan nog één motie, ondanks dat de minister net is ingegaan op het wetsvoorstel over die gegevens uitlezen. Toch nog één motie om hem te stimuleren om dat snel te doen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de identificatie en registratie van asielzoekers niet op orde zijn en dat gegevensdragers van asielzoekers, zoals mobiele telefoons, nog niet worden uitgelezen;

overwegende dat het uitlezen van telefoons en andere gegevensdragers essentieel is om reisroutes en identiteiten van asielzoekers te verifiëren;

overwegende dat het niet uitlezen van telefoons en andere gegevensdragers van asielzoekers Nederland blootstelt aan enorme veiligheidsrisico's, fraude, misbruik en dat dit de terugkeer van asielzoekers ernstig belemmert;

verzoekt de regering om met spoed een wetsvoorstel naar de Kamer te sturen dat het uitlezen van gegevensdragers bij asielzoekers wettelijk verplicht stelt en dit beleid per direct uit te voeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Vondeling.

Zij krijgt nr. 43 (36871) (#7).

Mevrouw Vondeling (PVV):
Dank u wel.

De voorzitter:
U bedankt. De heer Van Asten.

De heer Van Asten (D66):
Dank. Geen moties van D66. Ik wil de minister bedanken voor de beantwoording. Wat D66 betreft gaan we aan de slag met het Migratiepact, dat ervoor zorgt dat we eindelijk een Europese aanpak hebben van migratie, we snel aan de slag kunnen met de invoering daarvan en we eindelijk een wet gaan krijgen die mensen zekerheid gaat bieden over de procedures.

Dank u wel.

De voorzitter:
U bedankt. De heer Van Dijk.

De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank u, voorzitter. Het Asiel- en Migratiepact reflecteert de nieuwe wind die binnen Europa waait om te komen tot een beperking van de asiel- en migratiestromen. Het is niet ideaal; het is niet voorkomen, het is geen wondermiddel, maar wel een stap in de goede richting wat betreft de SGP. Zo kijken wij naar dit pact en naar de wetgeving waarmee het wordt geïmplementeerd. Er moet nog meer gebeuren. Ik herhaal nog even het punt van de bevolkingsdichtheid. We zullen goed volgen of de minister dat ook op het juiste moment inbrengt.

Ik heb één motie. Die luidt als volgt.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat implementatie van het Asiel- en Migratiepact moet bijdragen aan het krijgen van grip op migratie;

overwegende dat het migratiesaldo van Nederland en de Europese Unie op dit moment structureel te hoog is en dat de draagkracht van de samenleving hiermee onder grote druk staat;

verzoekt de regering voortdurend te monitoren in hoeverre het pact ook daadwerkelijk bijdraagt aan de beperking van de asielinstroom;

verzoekt de regering indien dit tot onvoldoende grip op migratie leidt op EU-niveau zich in te zetten voor het treffen van aanvullende, instroombeperkende maatregelen en de mogelijkheid van een quotum of richtgetal met een duidelijke bovengrens daarbij te betrekken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Diederik van Dijk en Boomsma.

Zij krijgt nr. 44 (36871) (#8).

Bedankt. De minister gaat zo meteen vrolijk de moties appreciëren. Het komt allemaal goed. Mevrouw Straatman.

Mevrouw Straatman (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Namens mij geen moties. Rest mij alleen de minister te bedanken voor de uitvoerige beantwoording en de collega's voor het goede debat. Voor het CDA is het essentieel dat dit pact wordt ingevoerd en ook op een wijze door het kabinet wordt geïmplementeerd die nodig is voor een werkend asielsysteem. Dat het niet volmaakt is, erkennen wij ook, maar wij zien ook dat het een hele belangrijke stap is in de juiste richting. Bij iedere fundamentele asielwijziging of wijzigingen in het algemeen, zeker ook hier, is de uitvoering spannend. Dat is hier dus niet anders, maar dat maakt dat ik extra mijn dank uitspreek aan alle medewerkers van de IND en alle ketenpartners, die zich voor de volle honderd procent inzetten om dit pact ten uitvoer te brengen.

De voorzitter:
Mevrouw Lammers.

Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
Ook ik dank de minister voor de beantwoording. Ik heb drie moties.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het Europese Migratiepact alleen voorziet in een grensprocedure voor kansarme aanvragen en dat minderjarigen daarvan zijn uitgezonderd;

overwegende dat mensensmokkel hiermee in stand blijft en asielaanvragen en illegale doorreis in Europa blijven plaatsvinden;

overwegende dat de kans groot is dat kinderen vooruit worden gestuurd en hiermee de hele functie van de grensprocedure wordt ondermijnd;

verzoekt de regering om met gelijkgezinde landen binnen een jaar te komen tot een voorstel waarbij asielaanvragen uitsluitend buiten de EU worden behandeld,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Lammers.

Zij krijgt nr. 45 (36871) (#9).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het nieuwe migratiepact de illegale instroom van asielzoekers niet effectief zal terugdringen;

overwegende dat Duitsland de grenzen bewaakt en asielzoekers terugstuurt;

verzoekt de regering onze grenscontroles maximaal te intensiveren en net als Duitsland asielzoekers niet binnen te laten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Lammers.

Zij krijgt nr. 46 (36871) (#10).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er wekelijks gemiddeld 800 asielaanvragen worden ingediend;

constaterende dat er naar schatting tussen de 20.000 en 60.000 mensen illegaal in Nederland verblijven;

overwegende dat het Migratiepact het probleem van illegaliteit niet aanpakt noch oplost;

verzoekt de regering een uitzetprogramma te starten en wekelijks 800 illegalen uit te zetten, en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Lammers.

Zij krijgt nr. 47 (36871) (#11).

Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
Dank u wel.

De voorzitter:
Oké, u ook bedankt. De heer Boomsma.

De heer Boomsma (JA21):
Dank, voorzitter. Dank aan de minister voor de beantwoording. Over ons amendement over de termijn van drie maanden voor werk: Nederland kiest ervoor om een termijn te hanteren van drie maanden voor bepaalde groepen, terwijl de richtlijn na zes maanden verplicht toegang geeft tot de arbeidsmarkt. Ik weet niet of de heer Ceder dit als een nationale kop zou zien. Ik begrijp niet waarom dit amendement het ingewikkelder zou maken. In het huidige voorstel is het ook al zo dat er onderscheid wordt gemaakt en dat de mensen met een kansarme aanvraag niet al in aanmerking komen voor werk na die drie maanden. Dat onderscheid wordt toch al gemaakt? Voor welke groepen zou die termijn van drie maanden in de huidige situatie zoals de minister beoogt dan niet gelden?

Hoe dan ook vindt JA21 dat dit niet mag leiden tot een extra asielmotief. Ik vind de term "aanzuigende werking" altijd heel lelijk, dus die gebruik ik niet, maar de betekenis is natuurlijk helder. Ons amendement was juist bedoeld om het om te draaien en niet om het complexer te maken. Ik vraag me af of, als je werkt, dat kan worden gebruikt in de belangenafweging bij artikel 8 EVRM-procedures. Ik ben benieuwd of het dan wel wordt gehanteerd als extra reden om mee te wegen.

Dan over het amendement over het uitlezen van de mobiele telefoons. Het blijft natuurlijk heel erg wrang. Volgens mij vindt ongeveer iedereen het een goed idee om dit te doen. Als mensen een beroep doen op ons voor opvang en hulp, dan is het volstrekt logisch dat je ook kunt kijken of dat asielrelaas klopt en dat je dat dan ook gewoon toelaat. Als iedereen het wil, waarom is het dan zo ontzettend moeilijk en zitten we er al jaren over te steggelen? Wat is nou het ergste dat er kan gebeuren als je dit aanneemt? Je kunt gewoon gaan proberen om die telefoons uit te lezen. Als er dan toch een rechter is die iets heeft bedacht waardoor het niet zou kunnen, heb je altijd nog het andere traject waar de minister over sprak. Ik twijfel nog of ik het amendement moet intrekken.

Dan heb ik tot slot nog drie moties. Eentje over aanvullende maatregelen bij achterblijvende instroomdaling.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het urgent en noodzakelijk is om de instroom van asielzoekers naar Nederland drastisch te beperken;

overwegende dat de regering zelf ook aangeeft dat het Nederlandse asielsysteem in de huidige vorm onhoudbaar is;

overwegende dat onze Europese buurlanden strengere maatregelen treffen;

verzoekt de regering, indien de instroom van asielzoekers zes maanden na de invoering van het Asiel- en Migratiepact op 12 juni niet drastisch is gedaald ten opzichte van het gemiddelde van afgelopen twee jaar, aanvullende maatregelen voor te leggen aan de Tweede Kamer om de instroom te beperken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Boomsma en Diederik van Dijk.

Zij krijgt nr. 48 (36871) (#12).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het overgrote deel van de asielzoekers via een fysieke buitengrens naar de EU komt en niet via een luchthaven;

overwegende dat deze landen in het verleden ervoor hebben gekozen om asielzoekers niet te registreren maar door te laten reizen naar Noord-Europa;

overwegende dat het solidariteitsmechanisme kan motiveren om Dublin beter na te leven maar nog altijd van belang kan zijn om mensen niet tijdelijk op te vangen;

overwegende dat de werking van het Migratiepact afhankelijk is van de bereidheid van andere EU-landen met buitengrenzen om de grensprocedure, eerste screening en registratie succesvol te implementeren;

verzoekt de regering:

  • in overleg te treden met de Europese Commissie en landen met een buitengrens waaronder in ieder geval Italië, Spanje en Griekenland over afspraken over naleving van het pact en specifiek de Dublinprincipes en het toezicht daarop;

  • indien noodzakelijk daartoe zelf aanvullende maatregelen te nemen en ondersteuning te bieden ter naleving van de regels van het pact;

  • daarover afspraken te maken en die terug te koppelen aan de Tweede Kamer,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Boomsma en Diederik van Dijk.

Zij krijgt nr. 49 (36871) (#13).

De heer Boomsma (JA21):
Tot slot.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de IND kampt met grote achterstanden in het verwerken van asielaanvragen, nareisaanvragen en andere zaken terwijl de instroom nog altijd hoog is;

overwegende dat het wegwerken van die achterstanden en bijhouden van nieuwe aanvragen kan leiden tot druk op de organisatie om sneller te besluiten, ook als dit leidt tot het makkelijker verlenen van asielvergunningen;

overwegende dat het cruciaal is dat de IND voldoende capaciteit houdt voor het herbeoordelen van asielvergunningen indien de omstandigheden in het land van herkomst zijn veranderd;

verzoekt de regering:

  • voldoende aparte capaciteit bij de IND vrij te maken en te houden voor het starten van herbeoordelingsprocedures wanneer relevante feiten zijn achtergehouden of omdat de omstandigheden in landen van herkomst terugkeer mogelijk maken, en de Kamer te informeren over de uitvoering hiervan;

  • er aanhoudend zorg voor te dragen dat het streven naar het wegwerken van achterstanden en verwerken van nieuwe aanvragen nooit ten koste mag gaan van de zorgvuldigheid van beoordelingen en in geen geval ertoe mag leiden dat eerder en sneller asielvergunningen worden verleend,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Boomsma en Diederik van Dijk.

Zij krijgt nr. 50 (36871) (#14).

De heer Boomsma (JA21):
Dank u wel.

De voorzitter:
Meneer Dassen.

De heer Dassen (Volt):
Dank, voorzitter. Dank ook aan de bewindspersoon voor de beantwoording.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de herziene Eurodacverordening de leeftijdsgrens voor biometrische gegevens verlaagt naar zes jaar en dat minderjarigen als uiterste middel aan dwang mogen worden onderworpen;

overwegende dat het belang van het kind vooropstaat en dat dwang bij jonge kinderen zo veel mogelijk voorkomen dient te worden;

verzoekt de regering in de uitvoeringsregelgeving vast te leggen dat biometrie bij minderjarigen uitsluitend plaatsvindt indien dit noodzakelijk en proportioneel is, zonder dwang en op kindvriendelijke wijze wordt uitgevoerd, en dat betrokken ambtenaren hiervoor een verplichte kindgerichte opleiding hebben gevolgd,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Dassen.

Zij krijgt nr. 51 (36871) (#15).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het gerechtshof Den Haag in 2022 heeft vastgesteld dat de asielopvang niet voldoet aan de minimumnormen van de Opvangrichtlijn, met name voor kwetsbare personen en kinderen, en dat dit zich dreigt te herhalen;

constaterende dat een concreet plan en tijdpad voor de afbouw van noodopvang en de realisatie van voldoende reguliere opvang ontbreekt;

verzoekt de regering een gedetailleerd plan met tijdpad te presenteren voor de afbouw van (crisis)noodopvang en het realiseren van reguliere opvangplekken die voldoen aan de Opvangrichtlijn,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Dassen.

Zij krijgt nr. 52 (36871) (#16).

De heer Dassen (Volt):
Voorzitter. Ik heb nog één vraag over de appreciatie van het amendement op stuk nr. 31. De minister zei dat dit niet kon vanwege het pact. Dit gaat echter over de additionele categorieën die Nederland hierbovenop doet. Dus volgens mij kan het amendement wel degelijk uitgevoerd worden.

Dan wil ik nog een keer mijn zorg herhalen over de uitvoering van dit pact, waarbij elk land zijn eigen maatregelen gaat toevoegen. Daardoor wordt het uiteindelijk toch nog steeds een race to the bottom en zal de echte Europese aanpak, waar wij volgens mij allemaal naar snakken, heel moeilijk behaald worden op deze manier. Ik vind het zonde dat Nederland daar wederom in meegaat.

Dan nog één laatste punt: het belang van taal. Ik denk dat we als politici allemaal weten wat taal doet. Het valt mij ook vandaag weer op dat wij bepaalde woorden gebruiken — ik heb er zelf ook niet direct andere woorden voor — waar we volgens mij op moeten reflecteren. Ik doel dan op woorden als "voorraden wegwerken" en "quota". Ik ben mijn bijdrage begonnen met de opmerking dat het hier over mensen gaat. Ik denk dat we nog eens kritisch op onszelf moeten reflecteren als we dit soort woorden kiezen, want dat zorgt er juist voor dat we het menselijke en menswaardige aspect weghalen met elkaar. Ik daag de collega's, maar zeker ook de minister, uit om daar nog eens kritisch naar te kijken.

Dank u wel.

De voorzitter:
De heer Ceder.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Voorzitter. Dank u wel voor de uitwisseling die u mogelijk hebt gemaakt. Ik denk dat wij wel een debat hebben kunnen voeren. Het debat had naar mijn gevoel toch nog wat verder uitgediept kunnen worden. Ik betreur het dat dit niet is gebeurd. In ieder geval dank ik u voor het leiden van dit debat. Ik dank ook de minister voor zijn beantwoording.

Ik heb een aantal amendementen ingediend. Waar die direct voortvloeien uit richtlijnen die niet aangepast zullen worden, zal ik ze waarschijnlijk intrekken. Er zijn een of twee amendementen waarop wel degelijk na 12 juni 2026 een verdere invulling volgt. Ik denk dat het zeer wenselijk is dat wij van links tot rechts tijdig weten waar de minister mee komt, zodat we daar ook iets van kunnen vinden. Ik denk dat ik die amendementen handhaaf. Het gaat om een of twee amendementen, maar de administratie daarvan zal nog volgen.

Ik heb daarnaast een aantal moties en ik verzoek om een toezegging. Ik begin met een motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het Europees Migratiepact gericht is op een gezamenlijke en duurzame aanpak van migratie binnen de Europese Unie;

overwegende dat effectieve migratiebeheersing niet alleen ziet op instroom, maar ook op terugkeer en perspectief voor personen zonder verblijfsrecht;

overwegende dat vrijwillige remigratie kan bijdragen aan een humane en duurzame oplossing voor migratievraagstukken;

overwegende dat vrijwillige remigratie kan toenemen met doelmatige en rechtmatige maatregelen, onder andere financiële prikkels;

verzoekt de regering om, in het kader van de uitwerking en implementatie van het Europees Migratiepact, te onderzoeken op welke wijze remigratie ten aanzien van alle vormen van verschillende verblijfstitels verder gestimuleerd kan worden en daarbij expliciet in te gaan op de voorwaarden waaronder financiële prikkels een effectieve en verantwoorde bijdrage kunnen leveren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder en Diederik van Dijk.

Zij krijgt nr. 53 (36871) (#17).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat gezinsleden van een al erkende statushouder in het kader van gezinshereniging twee jaar moeten wachten buiten Nederland voordat zij kunnen nareizen;

constaterende dat deze wachttijd kan leiden tot vertraging in de integratie van gezinsleden in de Nederlandse samenleving en daar vervolgens negatieve neveneffecten uit kunnen voortvloeien;

overwegende dat het benutten van de wachttijd in het land van herkomst kan bijdragen aan het verkleinen van de afstand tot de Nederlandse samenleving;

verzoekt de regering om te onderzoeken hoe gezinsleden die wachten op gezinshereniging al in het land van herkomst kunnen starten met integratie, waaronder taalonderwijs en voorbereiding op de Nederlandse samenleving;

verzoekt de regering tevens om daarbij te bezien hoe deze voorbereiding toegankelijk en effectief kan worden ingericht,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ceder.

Zij krijgt nr. 54 (36871) (#18).

De heer Ceder (ChristenUnie):
Voorzitter. We hebben een discussie gevoerd over nationale koppen. De minister kon geen toezegging doen. In het kader van niet alleen dit pact, maar ook andere Europese regelgeving, vind ik het belangrijk om dat toch wat verder uit te werken. Daarom de volgende motie over de nationale koppen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat bij de implementatie van Europese regelgeving soms sprake is van aanvullende nationale regels, boven op al bestaande Europese regels, ook wel aangeduid als "nationale koppen";

overwegende dat het voor de voorspelbaarheid en controle op wet- en regelgeving door de Kamer belangrijk is dat duidelijk wordt wanneer en waarom er wordt gekozen voor een nationale kop en wanneer deze "onnodig" is;

overwegende dat het uiteindelijk aan de Kamer zelf is om voor of tegen nationale koppen te stemmen;

verzoekt de regering om een heldere en voor eenieder begrijpelijke definitie en een afwegingskader te formuleren voor hoe zij Europese regelgeving implementeren, en die binnen twee weken naar de Kamer toe te sturen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder en Van der Plas.

Zij krijgt nr. 55 (36871) (#19).

De heer Ceder (ChristenUnie):
Voorzitter. De laatste motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat uit het debat blijkt dat de druk op de rechtspraak mogelijk toeneemt en er signalen zijn dat de rechtspraak dreigt vast te lopen;

overwegende dat vertragingen in de rechtspraak grote gevolgen kunnen hebben voor betrokkenen en de uitvoering van beleid, waaronder het migratiebeleid;

verzoekt de regering om alles op alles te zetten om te voorkomen dat de rechtspraak vastloopt;

verzoekt de regering tevens om de Kamer tijdig te informeren over (dreigende) knelpunten en, indien nodig, direct met concrete noodmaatregelen te komen om de continuïteit van de rechtspraak te waarborgen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder en Westerveld.

Zij krijgt nr. 56 (36871) (#20).

De heer Ceder (ChristenUnie):
Tot slot, voorzitter. De IND begint met een dunnere schil ten aanzien van de implementatie. Later zal dat verder opgebouwd worden. Ik zou graag willen vragen of de minister kan toezeggen om ons tijdig te informeren over de implementatie en over mogelijke uitvoeringstoetsen ten aanzien van ICT en andere zaken. Dan kunnen wij onze controlerende taak uitvoeren wat betreft hetgeen waar we nu al mee instemmen, maar waarvan we pas later de uitwerking kunnen meemaken. Op dat punt dien ik geen motie in, maar ik vertrouw erop dat de minister daarop een toezegging kan doen.

Voorzitter, ik sluit af. We hebben veel interrupties gehad en veel debatten. In principe steunt de ChristenUnie de gedachte van het Migratiepact. Ik hoop dus ook dat we voortvarend aan de slag kunnen gaan. We hebben voorstellen gedaan om deze wet beter en toegankelijker te maken en hopelijk ook voor het faciliteren van een betere doorstroming en een betere regelgeving ten aanzien van de kwetsbaarheid van kinderen. Dat wou ik nog gezegd hebben.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:
Dat gaat goed. Dank iedereen.

Voorzitter: Westerveld

De heer Ellian (VVD):
Als jullie het goedvinden, zal ik snel en kort mijn eigen tweede termijn doen namens de VVD-fractie. Ook nu is er weer een hoop gezegd. Uiteraard dank ik de minister voor zijn beantwoording, maar ook zijn ondersteuning. Zij hebben toch geprobeerd ons op een hele korte termijn te bedienen van vrij moeilijke wetstechnische vraagstukken. Dank daarvoor.

Een paar opmerkingen van mijn kant. Ik voorspel iedereen het volgende. Dat is iets waar de VVD zich de komende tijd echt op zal richten. Je kunt het "detentieachtig" noemen, of "sober". De heer Boomsma zei mooi: soberder kan niet. Toen besefte ik dat dat klopt, maar dat "sober" misschien niet eens meer het goede woord is voor mij om te gebruiken. Het gaat om de vraag: hoe vrij vinden we dat bijvoorbeeld Dublinclaimanten zich nog mogen bewegen? En: wat staan we nog toe bij de grenslocaties, niet alleen in Nederland maar ook aan de grens van de EU? Ik verwacht dat dat een hele belangrijke discussie gaat worden, want anders blijft het bij een hoop techniek. Ik denk dat je uiteindelijk iets zult moeten doen om een bepaald effect te bereiken. Dat is helaas ook met een afschrikwekkende werking, denk ik zelf.

Over de bevolkingsdichtheid is gesproken. Ik ben daar heel benieuwd naar. De minister heeft toegezegd dat we daarover vaker iets terug gaan horen. Dat is fijn. Ik begreep ook van de minister dat hij de aansporing vanuit onze zijde richting Griekenland en Italië ziet. Dat is niet alleen om met de vinger te wijzen, maar ook vanwege de vraag hoe wij hen gaan helpen als zij uiteindelijk zo'n belangrijke rol spelen in het vervolmaken van dit pact. Ook over het solidariteitsmechanisme hebben we veel gesproken. Uiteindelijk wil je dat dit een succes wordt. Zo beluister ik de minister ook. Daar zal de VVD het kabinet op controleren. Dat is ons werk, dus dat zullen we ook gaan doen.

Tot slot zeg ik uiteraard dat wij elkaar nog gaan spreken over de kwestie rondom de rechter. Dat spijt me enorm. Ondertussen krijg ik allemaal berichten van mensen die zeggen: Ellian, het is top dat je dat inbrengt. Het kan niet dat één persoon op deze manier een bom onder een pact legt terwijl dat niet bij haar functie zou moeten horen.

Voorzitter: Ellian

De voorzitter:
Minister, ik zag u dringend pennen. Hoeveel tijd heeft u nodig?

Minister Van den Brink:
Tien minuutjes.

De voorzitter:
Dan schors ik tien minuten en dan doen we snel de appreciaties. Dan gaan we het daarna afronden. Ik dank de collega's voor hun discipline in de tweede termijn. Komen jullie er met het printen uit ook, bodes, met tien minuten? Ik hoor dat dat het geval is. Toppie, dank jullie wel. Dan schors ik voor tien minuten.

De vergadering wordt van 18.57 uur tot 19.11 uur geschorst.

De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. We zijn nog steeds bezig met het wetgevingsoverleg over de uitvoering van het Migratiepact. Ik geef het woord aan de minister voor zijn tweede termijn, waarin we de appreciaties van de ingediende moties doen. Aan u het woord.

Minister Van den Brink:
Dank u wel, voorzitter, en dank voor de reactie in de tweede termijn. Ook mijn dank voor jullie dankzegging aan de organisatie en de mensen hierachter. Dat is meer dan terecht. Nogmaals dank voor de ruimte die er vandaag was om dit grote wetsvoorstel met elkaar te kunnen bespreken. Ik ben van plan om eerst de moties te doen en daarna nog even door de losse vragen heen te lopen, als dat deze keer in de goede volgorde mag.

Ik begin met de motie van mevrouw Van der Plas op stuk nr. 37. Zij drukt een zorg uit die, denk ik, veel partijen vandaag hebben geuit. Die zorg is dat er op papier veel verbetert, maar dat het zich in de praktijk nog wel moet bewijzen. Indien daar zorgen over zijn, zijn wij daar als kabinet op aanspreekbaar. Wij spreken daar anderen ook op aan en dat is, denk ik, wat deze motie op een mooie manier onder woorden brengt. Als er onvolkomenheden in zitten, dan gaan we het gesprek aan met alle andere lidstaten om die uitvoering dan weer onvoorwaardelijk met elkaar op de goede manier ten uitvoer te brengen. Ik ga deze motie daarom oordeel Kamer geven.

De tweede motie van mevrouw Van der Plas op stuk nr. 38 benoemt, denk ik, iets wat veel partijen vandaag hebben genoemd, namelijk dat we ons moeten blijven inspannen om ons bijzondere aantal inwoners op het kleine stukje land dat we hebben gekregen, wat "bevolkingsdichtheid" heet, mee te laten wegen. Ook die motie geef ik daarom oordeel Kamer.

Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 39 waarin mevrouw Westerveld, Ceder en Dassen nogmaals de zorgen over kinderen en grensdetentie onder woorden brengen. Ik vond dat niet meer helemaal in lijn met hoe ik volgens mij heb uitgelegd hoe dat eruit komt te zien. Ik kan 'm dus alleen al vanwege de overwegingen niet steunen. De kinderrechtentoets is onderdeel … Laat ik het zo zeggen: het belang van het kind wordt al meegewogen in de staande wetgeving. Het is al afgewogen bij de totstandkoming van deze wet. Om die reden moet ik deze motie ontraden. Voor de rest houd ik staande dat wij op een hele zorgvuldige wijze omgaan met minderjarigen. Gezinnen die in de grensprocedure komen, gaan dus door naar Ter Apel. Alleen als er om zwaarwegende redenen anders zou moeten worden besloten … Maar dat is zeer gelimiteerd.

De motie op stuk nr. 40 verzoekt de regering alles in het werk te stellen om de uitvoering op orde te brengen, zodat het solidariteitsmechanisme dit jaar niet afgekocht wordt. Ik zou willen dat wij de opvang zo snel op orde zouden kunnen hebben dat dat kon. Ook die motie moet ik om die reden ontraden.

De motie op stuk nr. 41 van mevrouw Vondeling en de heer Wilders. Deze motie ontraad ik onder verwijzing naar het debat. Wij geloven wel dat we met dit pact een aantal goede stappen zetten.

De motie op stuk nr. 42 verzoekt alle tijdelijke verblijfsvergunningen van Syriërs in te trekken en te zorgen dat Syriërs direct terugkeren naar Syrië. Dat is niet aan de orde. Die motie moet ik dan ook ontraden. Wij wachten de adviezen daarover gewoon af. En hoe dat er in de toekomst uit gaat zien … Er gaat op dit moment geen onmiddellijke werking van uit.

De motie op stuk nr. 43 verwoordt, denk ik, iets wat wij allen willen. Die aanmoediging neem ik dus graag ter harte. Ik zal mij inspannen om het wetsvoorstel snel in gang te zetten en naar de Kamer te sturen. Ik geef de motie dus oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 44. De mensen die mijn non-verbale reactie zagen, zeiden dat ik echt zat te genieten van deze motie. De motie werd mooier en mooier, maar op het einde dacht ik opeens: "Quotum? Richtgetal? Mmm." Maar, maar! Ik denk dat u hierin ook tot uitdrukking brengt wat mevrouw Van der Plas ook al zei, namelijk dat we dit alles doen om grip te krijgen. Daarnaast hebben we een demografierapport waar we ons nog steeds toe gesteld zien en waar ook quota, richtgetallen en bandbreedtes in zitten. De hele, om het zo maar te zeggen, umwelt die daarbij hoort, is daarin ondergebracht. Ik denk daarom toch dat ik mijzelf een dienst bewijs door deze opgave op mij te nemen. Maar ik doe dat wel in de beperkingen die daarin zitten binnen het Europese, en zoals we weten hoe dat werkt. We gaan ons dus op Europees niveau inzetten voor het treffen van aanvullende instroombeperkende maatregelen, indien daar onvoldoende grip is. Maar dat blijft natuurlijk een politiek oordeel. Maar dat heb ik dan hierbij gezegd. Ik geef de motie dus oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 45.

De voorzitter:
Momentje. Meneer Van Asten.

De heer Van Asten (D66):
Dit gaat wel heel snel. Er wordt gevraagd om een quotum als we onvoldoende grip hebben. Wanneer is er dan sprake van onvoldoende grip en wat lost een quotum dan op? Als het ergens misgaat in de wereld en er een grote vluchtelingenstroom op gang komt, hebben we dan geen grip meer en zeggen we dan "quotum"? Ik ben nogal verrast door dit "oordeel Kamer".

Minister Van den Brink:
Ik heb de motie gelezen in het licht van de opdracht die het rapport demografie ons heeft gegeven. Daar hebben we ons achter geschaard. Daarbij zoeken we naar een manier om die grip onder woorden te brengen. In dit coalitieakkoord zijn afspraken gemaakt over een asielstelsel buiten Europa. Dan kom je sowieso in de situatie terecht dat je gaat werken met hervestiging en dan heb je weer te maken met quota en aantallen. Ik zie dit niet op de korte termijn. U merkt terecht op dat indien er internationale geopolitieke spanningen zijn waardoor vluchtelingenstromen ontstaan, Europa altijd een taak heeft. Die zal Europa in de toekomst ook blijven houden. Ik zie dit meer als een soort agenda voor de langere termijn, zoals ook verwoord in ons coalitieakkoord.

De heer Dassen (Volt):
Dit is een heel rekbare uitleg van de minister, maar dat is volgens mij niet precies wat er in de motie staat. Ik snap dat de minister de Kamerleden graag enigszins tegemoet wil komen, maar ik vind wel dat wat er in de motie concreet staat heel ver wordt opgerekt. Wij moeten dadelijk stemmen over wat er in de motie staat. Enige uitleg daarbij kan ik begrijpen, maar dit gaat mij echt te ver. Kan de minister aangeven waarom hij wat hier staat oordeel Kamer wil geven, of zijn oordeel wellicht heroverwegen?

Minister Van den Brink:
Ik heb het volgens mij ingekaderd en gezegd dat wij onszelf tot doel hebben gesteld uitvoering te geven aan het demografierapport. Als je dat in Nederland doet, doe je dat ook in een groter geheel. Ik voel mezelf hierdoor niet geremd in de zin dat ik mijn rol niet zou kunnen uitvoeren zoals door ons beoogd. In Europa zal dit gesprek toch blijven bestaan, ook omdat we met elkaar hebben afgesproken dat wij boven op de invoering van het Migratiepact zullen blijven werken aan asiel buiten Europa. In dat kader kom je in de situatie dat je nog steeds de verantwoordelijkheid wilt nemen met elkaar. De verantwoordelijkheid die Nederland heeft genomen en zal blijven nemen voor asiel, zal in de toekomst altijd blijven bestaan. In het verleden hebben we gesproken over Canadese modellen en er zijn allerlei andere vergelijkingen gemaakt. Als je het asielrecht buiten Europa gaat invullen, wat de langetermijndoelstelling is, komen dit soort zaken op je pad.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik wil heel graag voor deze motie stemmen, maar dan krijg ik wel alle juristen op mijn dak.

Minister Van den Brink:
O!

De heer Ceder (ChristenUnie):
Ja, en waarschijnlijk ook binnen uw ministerie zelfs. Binnen het huidige stelsel en met de huidige verdragen kan een quotum gewoon niet. Een quotum is een harde grens: tot hier en niet verder. Dat weet de minister ook. Ik wil graag voorstemmen, maar dan kom ik terecht in de spagaat dat ik stem voor iets waarvan ik weet dat de minister het niet kan toezeggen of uitvoeren en dat als ik daarom niet voorstem, dat vervolgens weer wordt uitgelegd als zouden sommige partijen niet willen. Ik snap de uitleg van de minister. Hij filosofeert ook over het Canadese model en toekomstige omstandigheden en zelf heb ik niet voor niets een hervorming van het VN-Vluchtelingenverdrag voorgesteld. Kan ik de motie zo lezen dat het altijd binnen de bestaande juridische kaders is en, zo ja, dat ze ook zo geïnterpreteerd zou moeten worden? Anders wordt het mij en anderen waarschijnlijk ook heel moeilijk gemaakt ...

Minister Van den Brink:
Dat snap ik wel. Ik denk dat u het beter formuleert dan ik in mijn eigen ronde deed. Dit is precies wat ik hiermee beoog. Een quotum binnen het bestaande Europese en internationale asielrecht is niet mogelijk, maar we werken toe naar een hervorming van het Europese en het internationale asielrecht en dan krijg je ook met deze opgave te maken. Ik realiseer me dat woorden soms ... Dat heeft de heer Dassen daarstraks al gezegd. Dat woorden ertoe doen, neem ik nu nog meer ter harte. Maar ik houd het bij oordeel Kamer.

De voorzitter:
Oké. De motie op stuk nr. 44: oordeel Kamer.

Minister Van den Brink:
De motie op stuk nr. 45 van mevrouw Lammers vraagt om iets wat niet binnen een jaar mogelijk is. We stelden zojuist al vast dat dit binnen het huidige asielrecht niet kan. Om die reden moet ik deze motie ontraden.

De motie op stuk nr. 46 verzoekt de regering onze grenscontroles maximaal te intensiveren en net als Duitsland asielzoekers niet binnen te laten. Ook die moet ik ontraden, trouwens met de opmerking dat Duitsland misschien wel grenscontroles heeft, maar dat dit niet betekent dat Duitsland op dit moment geen asielverzoeken meer heeft.

De motie op stuk nr. 47 verzoekt de regering een uitzetprogramma te starten en wekelijks 800 illegalen uit te zetten. Ook die motie moet ik ontraden.

Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 48, waarin wordt verzocht om aanvullende maatregelen als de instroom van asielzoekers zes maanden na de invoering van het Asiel- en Migratiepact niet drastisch is gedaald ten opzichte van het gemiddelde. Deze motie wil ik ontraden, omdat ik dit geen reële termijn vind om het Asiel- en Migratiepact te beoordelen. We mogen daar veel van verwachten, maar ik wil niet aan zo'n termijn gekoppeld zijn. Deze motie ga ik dus ontraden.

De heer Boomsma (JA21):
Dit verbaast me een beetje, want de hele inzet van het Asiel- en Migratiepact is natuurlijk dat Dublin weer gaat werken. Als dat gaat werken, zal dat toch leiden tot een drastische daling van de migratie naar Nederland, omdat op dit moment 90% vanaf de buitengrenzen komt? Als het daadwerkelijk werkt zoals beoogd, worden die mensen toch opgenomen in Italië en Griekenland en worden zij toch in een procedure gebracht? Als het werkelijk gaat werken, moet dat dus toch direct of al vrij snel leiden tot een drastische daling? Als de minister zegt dat zes maanden te weinig is, snap ik dat dus niet, maar wat is volgens hem dan wél een realistische termijn?

Minister Van den Brink:
Op zich klopt het dat Dublin effect gaat hebben. Gelet op de tijd ga ik misschien soms net te snel. Het is een combinatie van factoren, heet dat dan. De motie stelt dat er aanvullende maatregelen moeten komen als de instroom na zes maanden niet drastisch is gedaald, maar we hebben vandaag juist in het hele debat besproken dat we ongeveer alles doen wat in Europa mogelijk is. Ik zie dus ook niet welke aanvullende maatregelen dat dan zouden moeten zijn. Om die reden handhaaf ik mijn ontraden.

De voorzitter:
Heel kort, meneer Boomsma.

De heer Boomsma (JA21):
Ik had ook gevraagd wat de minister als realistische termijn ziet voordat we wat hem betreft daadwerkelijk effecten mogen verwachten.

De voorzitter:
Minister, wat is een realistische termijn?

Minister Van den Brink:
Nee, daar ga ik zo voor de vuist weg geen data voor noemen.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 48 blijft ontraden, maar ik wil nog even terug naar de motie op stuk nr. 47 van mevrouw Lammers. Mevrouw Lammers zei niks, maar u ontraadde de motie en zei daar niet bij waarom.

Minister Van den Brink:
O, sorry. De motie op stuk nr. 47 gaat over het uitzetten van 800 illegalen en het informeren van de Kamer daarover. Wij hebben gewoon een functionerende Dienst Terugkeer en Vertrek, die werkt op basis van uitgeprocedeerde asielzoekers die een vertrekplicht hebben en die ook kúnnen vertrekken. Daarvoor heb je andere landen nodig waarmee je afspraken maakt. Dat is wat wij nu al doen. Wat hier wordt gevraagd, is volgens mij iets anders dan waar wij op dit moment uitvoering aan geven.

De voorzitter:
Dan de motie op stuk nr. 49.

Minister Van den Brink:
De motie op stuk nr. 49 vraagt het kabinet om in overleg te treden met de Europese Commissie en landen met een buitengrens, waaronder de in de motie genoemde landen, over naleving van het pact en specifiek de Dublinprincipes en het toezicht daarop. De motie vraagt ook om ondersteuning te bieden en aanvullende maatregelen te nemen om die landen daartoe in staat te stellen. Dat wil ik zeker doen en ik wil u daar ook over terugkoppelen als ik daarover heb gesproken in het verband van de JBZ-Raad of op andere plekken, want ik denk dat dit een regulier gesprek zal worden.

De voorzitter:
Dus oordeel Kamer.

Minister Van den Brink:
Ja, sorry.

De motie op stuk nr. 50 vraagt iets wat ik nu nog niet kan toezeggen. Er wordt gevraagd om capaciteit van de IND vrij te maken en te gebruiken voor het starten van herbeoordelingsprocedures. Daarnaast wordt er iets gezegd over het wegwerken van de achterstanden; dat deel ik overigens wel. Dat zal zorgvuldig blijven gaan, maar ik heb de tijd nu eerst nodig om de gesprekken met de IND af te ronden rondom de voorraad. Ik gebruik nog even het woord "voorraad", maar ik zal straks in zijn algemeenheid iets zeggen over taal. Ik moet dat gesprek eerst afronden om hier iets over te kunnen zeggen. Ik weet dat er bij de IND al een enorme opgave ligt op basis van wat er uit het verleden is gekomen en wat er nu met het pact komt. En als u ziet op een herbeoordelingsprocedure, dan gaat het ook over een hele grote groep Syriërs die hier in het land is. Ik kan daar niet zomaar even iets over zeggen. Daarvoor moet ik echt een dieper gesprek met de IND hebben gehad over waar zij staan, waar zij naar onderweg zijn en wat we daarbovenop nog van ze kunnen vragen. Om die reden ga ik deze dus ontraden, maar ik kom wel met het plan van aanpak dat ik u heb toegezegd. Mogelijk heb ik dan in ieder geval beter in beeld gebracht wat de consequenties van wat u hier vraagt zouden kunnen zijn, maar dat zeg ik u zeker niet met een impliciete toezegging.

In de motie op stuk nr. 51 vraagt de heer Dassen om biometrie bij minderjarigen alleen maar noodzakelijk, proportioneel en zonder dwang en op kindvriendelijke wijze toe te passen, en dat daarvoor verplicht een kindgerichte opleiding is gevolgd. Ik denk dat ik daarstraks heb uitgedrukt hoe zorgvuldig wij daarmee proberen om te gaan. Tegelijkertijd heeft de Eurodac-verordening een rechtstreekse werking. Daarin staat die proportionele dwang; die is gewoon onderdeel van die verordening en die hebben wij toegepast in onze wet. Het is een uiterst redmiddel. We gaan dat gewoon op een hele normale wijze proberen vorm te geven. Maar de verordening veronderstelt dat wij die biometrie afnemen. We willen dus alles in het werk stellen zodat dat gebeurt, maar het is op geen enkele manier de bedoeling dat we dat op manieren doen die die kinderen onder dwang zetten; laat ik het zo zeggen. Maar die woorden worden wel in die verordening gebruikt, dus ik kan er niets anders van maken dan wat er in die verordening ligt. Om die reden ontraad ik deze motie.

Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 52. Die gaat over de zorgen die er zijn over de noodopvang en de realisatie. Laat ik het zo zeggen: ik ga deze motie nu ontraden, omdat ik dat gedetailleerde plan nu nog niet zou kunnen presenteren. Natuurlijk heeft het kabinet wel de opgave op zich genomen om die noodopvang, die crisisopvang, af te gaan bouwen. Dus waar we kunnen, zullen wij natuurlijk in de hele uitvoering van ook de Spreidingswet die we met elkaar gaan aanpakken, regelen dat we minder crisis- en noodopvangplekken hebben. Dat is voor iedereen het beste. Ik wil daar zelf ook graag zo snel mogelijk vanaf. Maar ik kan niet nu al een gedetailleerd tijdplan geven van hoe dat eruit gaat zien; dat kan ik niet waarmaken.

De heer Dassen (Volt):
Ik snap wel dat dat nu niet kan, want het moet nog gemaakt worden. Ik verzoek u om tot een gedetailleerd plan te komen, zodat we daar zo snel mogelijk mee aan de slag kunnen. Ik vraag niet dat de minister nu wonderen verricht die niet haalbaar zijn, maar het lijkt me wel verstandig dat er een plan komt.

De voorzitter:
Het hangt ervan af of je in wonderen gelooft, natuurlijk. Nou ja. De minister.

Minister Van den Brink:
Ik ben hierin misschien ... Nou ja, ik snap het wel. U hoort mijn ambitie. Dan denkt u "pak deze handschoen dan ook op", maar ik ben hierin zo afhankelijk van allerlei factoren waarvan ik de afgelopen jaren heb gezien dat die heel moeilijk zijn te beïnvloeden vanuit Den Haag, dat ik hier gewoon niet iets wil beloven wat ik niet kan waarmaken. U kunt me dus aanspreken op de ambitie dat ik de noodopvang ga verminderen, maar ik zou niet weten hoe ik dat nu al in een gedetailleerd plan zou moeten gieten als ik niet weet waar ik aan toe ben met de gemeentes.

"Verzoekt de regering om, in het kader van de uitwerking en implementatie van het Europees Migratiepact, te onderzoeken op welke wijze remigratie ten aanzien van alle vormen van verschillende verblijfstitels verder gestimuleerd kan worden ..." en daarbij in te gaan op voorwaarden. Die is interessant om ermee aan de slag te gaan, dus die wil ik oordeel Kamer geven. We hebben natuurlijk in het verleden ook voorbeelden daarvan gezien, dus we gaan daarmee verder aan de slag. Dat was de motie op stuk nr. 53.

De voorzitter:
Gaat u verder.

Minister Van den Brink:
De motie op stuk nr. 54 gaat over de beperking van de nareisstatus. Die moet ik ontraden.

De motie op stuk nr. 55 vraagt de regering om een heldere en begrijpelijke definitie en afwegingskader te formuleren voor hoe zij Europese regelgeving implementeert en om die binnen twee weken naar de Kamer te sturen. Die discussie hebben wij uitvoerig gehad. Ik heb gezegd dat ik dat aan mijn collega ga meegeven, maar dat ik daar geen toezegging op ga doen. Dus ook die ga ik ontraden.

De voorzitter:
Minister, wat zei u nou bij de achttiende motie, die op stuk nr. 54? Waarom was die ontraden?

Minister Van den Brink:
O, sorry.

De voorzitter:
Nee, maakt niet uit.

Minister Van den Brink:
Het gaat over de taal en het land van herkomst. Laat ik het zo zeggen: of je bent in het land van herkomst met een ingewilligd nareisverzoek en kunt deze kant op komen nadat je die periode hebt afgewacht, of je hebt nog niet die status. Er is niet een soort tussenfase. Wij zien niet op mensen die nog niet die status hebben in het land. Wij nemen de verplichting op ons op het moment waarop zij die status hebben gekregen. Om die reden is het oordeel: ontraden.

De voorzitter:
Meneer Ceder.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Dat kan ik enigszins begrijpen vanuit het perspectief van de Asielminister, maar als kabinet is dat totaal onbegrijpelijk. Het gaat om erkende statushouders. Iemand die in Nederland een paspoort krijgt en hier de samenleving gaat opbouwen, heeft kinderen. Die kinderen, zolang ze niet sterven, zullen over twee jaar alsnog een kind zijn van die persoon. Daarmee is het al overduidelijk dat ook zij zullen nareizen. Wat we nu doen ten opzichte van de huidige praktijk, is dat we een integratievertraging inbouwen van twee jaar. Mijn vraag is of het kabinet bij gevallen waarin het evident is dat zij naar Nederland zullen komen als aan de voorwaarden is voldaan, de gap die we nu creëren, die integratiegap, kan dichten door de mensen alvast voor te bereiden op de Nederlandse samenleving, overwegende dat verschillende culturen mogelijk soms om aanpassingen vragen die niet van de ene op de andere dag te overbruggen zijn. In dat licht denk ik dat het in het kader van het bredere integratieverhaal best onbegrijpelijk is dat het kabinet-Jetten zegt: wij gaan dit niet doen voor mensen die evident uiteindelijk, met of zonder vertraging, Nederlanders zullen worden en zich in deze samenleving zullen vestigen.

De voorzitter:
De minister. Kort alstublieft.

Minister Van den Brink:
Dan is de vraag wanneer die "evidentie" zich voordoet. De evidentie is in principe na de nareisbeperkende maatregelen na twee jaar wonen en een inkomen. Ik bedoelde in mijn reactie dat er op dat moment nog geen status is. Maar u bedoelt: waarom doe je, als die zekerheid er wel bijna honderd procent is, niet iets meer als je weet dat die mensen later moeten integreren? Ik kan niet toezeggen dat ik zou weten hoe ik dit zou moeten inrichten, terwijl we in Nederland nog kijken hoe we ons taalonderwijs op afstand gaan krijgen. We kennen natuurlijk wel inburgering in het buitenland. Misschien is er iets wat daarmee te vergelijken is. Ik zou moeten onderzoeken hoe dat verder in te vullen is.

De heer Ceder (ChristenUnie):


Minister Van den Brink:
Ik lees soms dingen alsof ik ze morgen moet regelen, want ik weet wat er achter de onderzoeken wegkomt. Met deze uitleg zou ik de motie oordeel Kamer kunnen geven.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Deze uitleg was de bedoeling van de motie.

Minister Van den Brink:
Oké, dank u wel.

De voorzitter:
Voor de administratie: de motie op stuk nr. 54 krijgt oordeel Kamer.

Minister Van den Brink:
Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 55. O, dat heb ik net verteld. Die krijgt het oordeel ontraden.

Ik kom dan bij de motie op stuk nr. 56. Die vraagt de regering om tijdig te informeren over dreigende knelpunten in de rechtspraak. Dat is een terechte vraag en ook iets waar ik zelf zicht op wil hebben, overigens met de rechtspraak. Die wil ik oordeel Kamer geven.

Dan had ik nog een vraag van de heer Dassen. Hij vroeg waarom de ruimte in het amendement op stuk nr. 31 niet zou kunnen. U haalt de 20% uit de grensprocedure. Het kabinet wil de beperking niet op deze manier inregelen, want we willen natuurlijk … Of zeg ik nu dingen die niet … Ja, het is toch goed. De grensprocedure en beperking van de immigratie zijn noodzakelijk om de ruimte te behouden die we in deze wet hebben. Die perkt u in op een manier die voor ons onwenselijk is. Om die reden ontraad ik de motie.

Dan ten slotte, als ik helemaal aan het einde ben … Toch niet.

De voorzitter:
Sorry, ik ben met meerdere dingen tegelijk bezig. De heer Ceder.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik had nog een toezegging gevraagd. Wanneer komt de volgende implementatie? O, daar komt u nu op? Excuus.

Minister Van den Brink:
Ik loop nog even langs enkele vragen die volgens mij niet in moties zaten.

De heer Ceder heeft gevraagd om ook op het vlak van implementatie en ICT op tijd bij de Kamer terug te komen. Dat zullen wij doen bij de voortgangsmomenten van het pact. Als ik mijn plan van aanpak presenteer over hoe de IND gaat werken, kan ik daar ook bij stilstaan. Ik zal die momenten aangrijpen om u daarover te informeren.

De heer Ellian heeft nog gevraagd: Italië en Griekenland helpen zeker? Een van de moties zag daar ook een beetje op.

Over de bevolkingsdichtheid hebben we gesproken.

De heer Boomsma heeft nog een vraag gesteld over de Dublinclaimanten. In 2025 zijn er 8.000 Dublinaanvragen gedaan. In 2025 heeft de IND 880 Griekse Dublinzaken geregistreerd. Deze aanvragen zijn in een nationale procedure behandeld. De IND beschikt niet over cijfers over het aantal Dublinclaimanten dat niet terug kon naar Italië. We beschikken alleen over de cijfers over aanvragen waarbij daadwerkelijk een claimverzoek is ingediend. Dat waren 160 zaken. De IND heeft de capaciteit ingezet op het indienen van claimverzoeken waar een overdracht wel mogelijk was. Dit zijn de getallen die ik op dit moment tevoorschijn kan toveren. Maar het zullen hogere cijfers zijn dan die hier over Italië worden genoemd.

De voorzitter:
De heer Dassen heeft een vraag.

De heer Dassen (Volt):
Toch nog even door over dat amendement. De minister zegt dat ik het heb over die 20% van de EU, maar daar gaat mijn amendement niet over. Dat percentage laat ik intact. Het gaat mij over de additionele categorieën, de optionele categorieën. Die haal ik eruit. Dus de drie die volgens de procedureverordening verplicht zijn, laat ik intact en de andere niet. Als de minister dat als kwalijk punt zag, zijn we het daarover eens en is de motie volgens mij oordeel Kamer.

Minister Van den Brink:
Sorry, excuus. Ik wil de procedureverordening laten zoals die is. Ik wil die in zijn volledigheid in onze nationale wetgeving hebben opgenomen. Dat laat ik dus overeind.

De voorzitter:
Nog één keer, de heer Dassen.

De heer Dassen (Volt):
Dan nog één keer. Misschien leg ik het niet goed uit. Ik laat in dit amendement de procedureverordening overeind. Daarin zitten additionele categorieën, aanvullende categorieën, die in het pact niet verplicht zijn. Die haal ik eruit.

Minister Van den Brink:
Ja, er zijn meerdere categorieën. Ik ga nu toch aan de grenzen van mijn eigen brein komen, en ook die van het brein naast mij, hoor ik. Ik heb geprobeerd dit debat af te maken zonder een toezegging dat ik nog met een brief zal komen, maar ik ga dan toch nog een briefje sturen om u hierover bij te praten.

De voorzitter:
Om welk amendement gaat het?

Minister Van den Brink:
Het amendement op stuk nr. 31. Anders ga ik freestylen en dat is nooit goed.

De voorzitter:
Oké. Maar op zich was het oordeel: ontraden.

Minister Van den Brink:
Maar de toelichting verdient iets meer reflectie dan ik nu heb gezegd.

De voorzitter:
All right. Dan komt daar een brief over.

Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
Ik heb nog een vraag van mijn collega Boomsma. Er werd net een antwoord gegeven, maar volgens mij was dat nog steeds niet het antwoord op de vraag. De vraag was hoeveel Dublinclaimanten uiteindelijk door het niet op tijd overdragen aan andere EU-landen in de nationale procedure zijn opgenomen.

Minister Van den Brink:
Dit zijn de cijfers die ik op dit moment daarover kan vermelden. Ik heb geen andere cijfers tot mijn beschikking. Ik zal bij de voortgangsmomenten de cijfers toesturen die dan beschikbaar zijn. Ik weet niet of er andere cijfers over beschikbaar zijn dan de cijfers die ik hier nu heb.

Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
Maar wat is dan nu het aantal Dublinclaimanten dat in de nationale procedure is opgenomen? Wat is dan het aantal waarvan u zegt dat u dat nu heeft?

De voorzitter:
Hoeveel ...

Minister Van den Brink:
Dat zijn er 8.000.

De voorzitter:
8.000.

Minister Van den Brink:
In 2025.

De voorzitter:
Dus 8.000 Dublinclaimanten zijn nu opgenomen in de nationale procedure, is het antwoord van de minister. Dan ...

Minister Van den Brink:
Mag ik afsluiten ...

De voorzitter:
De minister, kort.

Minister Van den Brink:
Mag ik afsluiten met zeggen dat ik bij meerdere partijen heb geproefd dat zij hechten aan het pact en tegelijkertijd soms ook nog twijfelen aan een aantal nationale invullingen? Ik hoop dat u heeft gezien dat wij met dit pact de stappen zetten die Europa van ons vraagt en het pact op een hele zorgvuldige manier proberen in te voeren, terwijl er tegelijkertijd nog steeds een hele korte termijn is. Dank dus voor de ruimte die daarvoor bestaat. Ik hoop dat we dit pact op een goede manier weten in te voeren, en ook met een brede parlementaire meerderheid.

Daarbij wil ik nog benoemd hebben dat ik zeker begrijp wat de heer Dassen zei over taal. Qua taal heeft dit debat juist al genoeg polarisatie veroorzaakt. Dat is dus geenszins mijn bedoeling. Soms zijn er begrippen qua taal die er hier insluipen die soms iets praktisch uitdrukken, zoals het woord "voorraad". Dat heeft dus geenszins een andere bedoeling dan gewoon uitleggen hoe iets werkt.

Dank u wel.

De voorzitter:
Meneer Dassen, ik denk op dit punt.

De heer Dassen (Volt):
Dat snap ik, alleen is "voorraad" niks anders dan mensen die wachten op een besluit over hun toekomst. We kunnen dus ook met elkaar zeggen: er is een lijst met mensen die we zo snel mogelijk moeten helpen met het nemen van een besluit, zodat ze verder kunnen met hun toekomst. Dat is een hele andere manier van praten over dit onderwerp. Ik denk dat we daar allemaal flink wat verbetering in kunnen laten zien.

De voorzitter:
Daar ben ik het niet mee eens, maar dan laat ik de minister antwoorden. Dan ga ik toch een interruptie plegen, als de rest dat ... Wat er nu gezegd wordt, vind ik echt onzin. In de strafrechtelijke keten wordt er ook gesproken over "voorraden", "detentiecapaciteit" en "geprioriteerde zaken". Dat is helemaal niet persoonlijk bedoeld; dat is hoe wij praten. Ik snap dat de tribune, die meneer Dassen continu souffleert, het hier niet mee eens is, maar ik vind dit een vreemd punt. Dat wij in de Kamer op onze taal moeten letten, is een gegeven. Ik hoop dat de minister nu niet opeens het woord "voorraad" wil schrappen, want dat is gewoon een volstrekt normaal woord in de politieke gang van zaken.

Minister Van den Brink:
Ik bedoelde ook alleen maar een soort brug te slaan richting de mensen die taal belangrijk vinden en die als ernaar wordt gevraagd denken te horen dat ik met dat woord iets politieks bedoel. Ik wil uitleggen dat dat niet zo is. Ik ga dus geen woorden aanpassen die gewoon common sense zijn in het beleid.

De voorzitter:
Fijn. Dan meneer Dassen, tot slot.

De heer Dassen (Volt):
Even een persoonlijk feit. Ik vind het allereerst bijzonder lelijk dat u zegt dat de mensen die op de tribune zitten, mij zouden souffleren. Ik zit hier net als alle andere Kamerleden met veel werk ...

De voorzitter:
Maak uw punt, want ik ga er nu ook gewoon iets over zeggen. De tribune reageert continu op wat de minister zegt en op wat andere collega's zeggen. Ik heb niets gezegd uit respect voor de organisatie waar zij voor werken, maar ik heb het als voorzitter erg storend gevonden dat er gelachen werd en continu nee werd geschud. Dat is eigenlijk niet gebruikelijk. Ik zie een aantal collega's nu ook knikken. Ik heb dat toegestaan. Meneer Dassen, ik adviseer u dus: maak uw punt kort. Ik kan me hier namelijk aardig kwaad om maken, want ik heb juist uit respect voor u dit punt niet eerder gemaakt.

De heer Dassen (Volt):
Met alle respect, voorzitter. U heeft zich gestoord aan wat er op de publieke tribune heeft plaatsgevonden. Het is aan u om daar wat aan te doen. Dan gaat u dat niet op deze manier op mij afschuiven.

De voorzitter:
Dat was ...

De heer Dassen (Volt):
U gaat zeker niet nog een keer het woord op die manier terugnemen, want dat vind ik echt bijzonder lelijk. Ik verwacht eigenlijk ook dat u die woorden terugneemt.

De voorzitter:
Dat ga ik niet ...

De heer Dassen (Volt):
Daar wilde ik niet op doorgaan, maar als u het op deze manier nog groter gaat maken, dan vind ik dat kwalijk.

De voorzitter:
Nee, dat ga ik niet doen.

De heer Dassen (Volt):
Dan zou u bij ...

De voorzitter:
Ik heb oogcontact gezien tussen u en ...

De heer Dassen (Volt):
Dat u mij nu voor de derde keer onderbreekt ...

De voorzitter:
Volgens mij ben ik ...

De heer Dassen (Volt):
Dat vind ik getuigen van weinig respect, wat u wel zegt te hebben ...

De voorzitter:
Nou, laten wij dit op een ander moment uitpraten. Ik zou dit nu niet doen, want er zijn meerdere collega's die het gezien hebben. Wij kunnen dit rustig uitpraten. Ik maakte een interruptie op iets wat u net zei. Laten wij het rustig uitpraten buiten deze vergadering om. Dan niet, ook goed.

De heer Dassen (Volt):
Voorzitter, ik zal er verder geen punt van maken. Ik blijf er wel bij dat het bijzonder lelijk is als je het op deze manier, zo, in deze vergadering brengt. Dat had geenszins gehoeven.

De voorzitter:
Daarover verschillen we van mening, denk ik. Op het moment dat ik reageerde, zag ik interactie tussen jullie. Dat komt bijzonder storend over. Dat hebben meerdere collega's ook zo ervaren, maar ik laat het nu. Laten wij het uitspreken.

Ik ga de minister en diens ondersteuning hartelijk danken voor de toch enigszins voortvarende behandeling van dit uitgebreide, uitgebreide wetgevingsproces en -overleg. Ik dank uiteraard de collega's voor hun aanwezigheid, de ondersteuning die langer is gebleven en uiteraard alle geïnteresseerden in de zaal. Ik zal hen zo ook nog even een hand geven.

Ik sluit de vergadering. O, ik moet nog iets heel belangrijks zeggen. Dinsdag 31 maart stemmen wij — let alstublieft goed op — over alle ingediende moties, alle ingediende amendementen en het wetsvoorstel. Mocht iemand dat anders willen, dan moet dat uiteraard plenair worden aangegeven. Ik sluit de vergadering.

Sluiting 19.45 uur.

ONGECORRIGEERD STENOGRAM
Verslag OSV 33 (2025-2026) van 23 maart 2026

Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: verslagdienst@tweedekamer.nl