Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026) (ongecorrigeerd)
Stenogram
Nummer: 2026D13447, datum: 2026-03-23, bijgewerkt: 2026-03-24 11:39, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-03-23 10:00: Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026) (Wetgevingsoverleg), vaste commissie voor Asiel en Migratie
Preview document (🔗 origineel)
Tweede Kamer, Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026)
VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEG
Concept
De vaste commissie voor Asiel en Migratie heeft op 23 maart 2026 overleg gevoerd met de heer Van den Brink, minister van Asiel en Migratie, viceminister-president, over:
het wetsvoorstel Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026) (36871).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De fungerend voorzitter van de vaste commissie voor Asiel en
Migratie,
Boomsma
De griffier van de vaste commissie voor Asiel en Migratie,
Nouse
Voorzitter: Ellian
Griffier: Nouse
Aanwezig zijn twaalf leden der Kamer, te weten: Van Asten, Boomsma, Ceder, Dassen, Diederik van Dijk, Ellian, Lammers, Van der Plas, Straatman, Teunissen, Vondeling en Westerveld,
en de heer Van den Brink, minister van Asiel en Migratie, viceminister-president.
Aanvang 10.01 uur.
De voorzitter:
Dames en heren, goedemorgen. Ik open deze vergadering van de vaste
commissie voor Asiel en Migratie. Op de agenda staat het
wetgevingsoverleg met als onderwerp Wijziging van de Vreemdelingenwet
2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en
implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026. Ik heet uiteraard
welkom: alle collega's, de minister van Asiel en Migratie en diens
ondersteuning, alle anderen geïnteresseerden in de zaal en alle anderen
die op andere wijze dit belangwekkende wetgevingsoverleg volgen.
Ik ga dit voorzitten en dit zo veel mogelijk in goede banen proberen te
leiden. Aan de voorkant heb ik dus een paar opmerkingen. U heeft allen
spreektijd doorgegeven. Ik hoop dat het lukt om binnen die spreektijd te
blijven. Ik kijk even rond. Ik zie dat dat moet lukken. We hebben tot
17.00 uur. Het is wetgeving en het is omvangrijk, dus het is van belang
dat we dit goed met elkaar doornemen. Ik wil de commissie in overweging
geven om het debat onderling een beetje te beperken, hoe aantrekkelijk
het ook is om dat niet te doen, zodat er meer ruimte is voor de
gedachtewisseling met de bewindspersoon. Dat vindt hij vast ook heel
prettig. Ik verwacht natuurlijk dat de meeste vragen richting de
bewindspersoon zullen zijn. Alhoewel het ongebruikelijk is, wil ik in
eerste instantie de interrupties maximeren. Anders is het onmogelijk om
het voor 17.00 uur te doen. Ik zou zeggen: laten we proberen om het met
drie interrupties te doen, zoals regulier.
De heer Dassen (Volt):
Voorzitter, drie interrupties voor deze enorme verandering van het
stelsel lijkt me echt niet oké. We moesten met alle spoed deze wet
behandelen. Daar hebben we veel tijd en ruimte voor genomen. Ik hoop dat
iedereen de hele dag de tijd heeft om dit te behandelen en dat we dus
ook de mogelijkheid hebben om elkaar aan te spreken op de keuzes die we
nu maken.
De voorzitter:
Tot uw dienst, meneer Dassen, maar we hebben tot 17.00 uur. Ik voorspel
u — ik mag veel voorzitten — dat als ik de interrupties onbeperkt laat,
de eerste termijn rond een uurtje of drie klaar is. Ik heb het ook maar
te doen met het tijdsblok dat ik gekregen heb. Ik kijk even rond. Zijn
er mensen die heel erg … Collega Dassen zegt: ik wil andere collega's
erop kunnen aanspreken.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dit is een belangrijk debat, dus ik kan in die zin wel meegaan met de
heer Dassen. De ervaring is dat in interrupties zowel de vraagsteller
als de beantwoorder vaak ellenlange betogen houdt. In sommige commissies
hebben we een 30 seconderegel: onder de 30 seconden is een interruptie
gratis. Dat beperkt de vragensteller echt. Boven de 30 seconden telt de
interruptie voor twee. Dan zou je wat meer interrupties kunnen toelaten,
maar dus wel met die 30 seconden. Dan kunnen mensen gewoon kort vragen
stellen. Ga je eroverheen, dan ben je gewoon twee interrupties kwijt. Ik
zou zeggen: bijvoorbeeld tien interrupties met de 30 seconderegel.
De voorzitter:
Dat is een concreet voorstel. Mevrouw Westerveld?
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik kan er prima mee leven dat we de interrupties kort houden.
De voorzitter:
Is iedereen het eens met het maximum dat mevrouw Van der Plas voorstelt?
Oké. Dan is een interruptie onder de 30 seconden gratis. Niets is gratis
in het leven, zo heb ik altijd geleerd. Desondanks doe ik een beroep op
u, want we kunnen gewoon niet al te veel uitlopen. Dat heeft overigens
ook te maken met de ondersteuning van de Tweede Kamer, die zich instelt
op een bepaald tijdstip.
Ik stel voor dat we snel gaan beginnen. Voor de goede orde: uiteraard ga
ik op een gegeven moment schorsen voor de lunch. Hopelijk hebben we de
eerste termijn dan af. Ik kijk even hoe dat gaat. Ik zie een heel pak
amendementen liggen. Ik wil de minister vragen om zijn beantwoording in
eerste termijn veel toe te spitsen op de appreciatie van de
amendementen, want dat is gewoon cruciaal voor de vele collega's.
All right, we gaan beginnen. Ik ga als allerlaatste, want dan kan ik mij
concentreren op het in goede banen leiden van de vergadering. Mevrouw
Van der Plas, ik geef u het woord.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u wel, voorzitter. Vandaag spreken wij over de implementatie van
het EU-Asiel- en Migratiepact. Dat is een pakket Europese regels dat
volgens de regering moet zorgen voor meer grip op migratie, snellere
procedures en een beter functionerende asielketen. Maar als we eerlijk
zijn, moeten we vaststellen dat er tussen ambitie en realiteit nog
altijd een groot gat gaapt. BBB kijkt nuchter naar dit pact: niet
ideologisch, maar praktisch. Werkt het? Wordt de instroom daadwerkelijk
beperkt? Verbetert de terugkeer? En vooral: krijgt Nederland
daadwerkelijk meer grip, of leveren we opnieuw nationale ruimte en
soevereiniteit in zonder harde garanties?
Voorzitter. De regering stelt dat het pact naar verwachting zal leiden
tot een relevante daling van de instroom. Tegelijkertijd lezen we keer
op keer dat de effecten niet te voorspellen zijn, dat veel afhangt van
geopolitiek en van de andere lidstaten. Dat is eerlijk, maar ook
zorgelijk. Waarop wordt dan gebaseerd dat de instroom daalt, zo vraag ik
de minister.
Wat BBB betreft is het probleem van dit pact dat het succes niet afhangt
van wat Nederland doet, maar van wat andere landen wel of juist niet
doen. Ik doel dan vooral op de landen aan de buitengrens. Als
registratie, screening en grensprocedures daar niet functioneren, komt
de instroom alsnog door en draait Nederland opnieuw op voor de gevolgen.
Dat is precies hetzelfde als wat we telkens zagen bij de
Dublinverordening. Dan is een pact geen vangnet, maar een papieren
belofte.
BBB heeft daarom kritisch gekeken naar de screening en de
grensprocedure. Op papier ziet het er strak uit: snelle screening,
identificatie, registratie in Eurodac en bij kansarme aanvragen
afhandeling en mogelijk detentie aan de buitengrens. In de beantwoording
lezen we echter dat er geen Europese infrastructuur is voor uitwisseling
van screeningsformulieren, dat screening een momentopname blijft en dat
Nederland nauwelijks kan controleren of andere lidstaten hun
verplichtingen nakomen. Mijn vraag aan de minister is dan ook: wat is
dan de harde garantie dat mensen die eigenlijk aan de buitengrens hadden
moeten blijven niet alsnog in Ter Apel of Budel belanden? Zonder
afdwinging, zonder sancties en zonder zicht op uitvoering bij andere
lidstaten blijft dit een systeem dat afhankelijk is van vertrouwen. Dat
vertrouwen — laten we daar eerlijk over zijn — is in het verleden te
vaak beschaamd; kijk naar de Dublinverordening.
Voorzitter. Dan het solidariteitsmechanisme, waar ook de Europese
spreidingswet in zit. De regering stelt dat alle vormen van solidariteit
gelijkwaardig zijn: het opnemen van asielzoekers, herplaatsing, het
leveren van een financiële bijdrage — afkopen met €20.000 — of
verantwoordelijkheidscompensatie, dus fysieke hulp bieden. Op papier
klinkt dat mooi. In de praktijk betekent het dat Nederland zolang de
opvang hier niet op orde is, betaalt in plaats van beslist. BBB begrijpt
die keuze, maar laten we ook hier eerlijk zijn: dit is geen structurele
oplossing; dit is het afkopen van een probleem dat we uiteindelijk
alsnog op ons bord krijgen als het systeem faalt. Daarom heb ik nog de
volgende vragen. Wat gebeurt er als structureel te weinig landen kiezen
voor herplaatsing? Wat gebeurt er als landen hun fair share niet
nakomen? Welke mogelijkheden heeft Nederland dan nog om bij te sturen?
Het antwoord van de regering blijft hierover te vrijblijvend, wat ons
betreft. Er is geen noodrem en geen harde correctie. Dat maakt Nederland
opnieuw kwetsbaar.
Ook wordt er hier verdeeld op basis van het bbp, het bruto binnenlands
product, en het inwonersaantal, en niet op basis van landoppervlakte.
Laat Nederland nu net een hoog bbp en relatief hoog inwonersaantal
hebben én een klein landoppervlak. We zijn dus zwaar de klos. Graag
krijg ik een reactie van de minister. Als solidariteit echt eerlijk was
geweest, kijk je naar ruimte, bevolkingsdruk en fysieke capaciteit. Dat
gebeurt dus niet.
Voorzitter. Als er een punt is waarop het pact zichzelf moet bewijzen,
dan is het terugkeer. Zonder effectieve terugkeer is elk asielsysteem
uiteindelijk een uitnodiging tot blijven. De regering erkent in haar
beantwoording dat terugkeer sterk afhankelijk blijft van factoren waarop
Nederland slechts een beperkte invloed heeft. Zo wordt aangegeven dat
terugkeer afhankelijk is van de medewerking van herkomstlanden, dat
doorlooptijden sterk uiteenlopen en dat er geen gemiddelde termijn kan
worden gegeven tussen definitieve afwijzing en daadwerkelijk vertrek. De
regering meldt dat in 2025 ongeveer 58% van de vertrokken vreemdelingen
aantoonbaar is vertrokken. Tegelijkertijd wordt erkend dat een
aanzienlijk deel van de vertrekplichtigen zelfstandig vertrekt, zonder
toezicht, waardoor niet kan worden vastgesteld waarheen zij zijn
vertrokken. Dat betekent dat terugkeer niet altijd gelijkstaat aan
controleerbaar vertrek. Is de minister het daarover met ons eens?
Ook bij gedwongen terugkeer blijven de beperkingen groot. De regering
stelt dat vreemdelingenbewaring alleen mogelijk is zolang er zicht is op
uitzetting. Zodra dat zicht ontbreekt, moet de bewaring worden opgeheven
en blijft de vertrekplicht bestaan.
Voorzitter. Ook de grensprocedure biedt geen harde garantie. De regering
erkent dat wanneer terugkeer niet binnen de maximale termijnen kan
worden gerealiseerd en zicht op uitzetting ontbreekt, bewaring moet
eindigen. Bovendien kiest Nederland ervoor om de toepassing van de
terugkeergrensprocedure grotendeels uit te sluiten. Ook hier is dus de
vraag: wat is dan de harde garantie dat mensen die eigenlijk weg hadden
gemoeten bij de buitengrens niet alsnog in Ter Apel of Budel belanden?
De regering verwijst naar de toekomstige Europese Terugkeerverordening
als mogelijke verbetering, maar die verordening is nog niet vastgesteld
en biedt op dit moment geen concrete oplossing, nog los van het feit dat
we elkaars terugkeerbesluiten gaan uitvoeren.
Voorzitter. BBB concludeert dat terugkeer ook onder dit pact een zwakke
schakel blijft. Kan de minister hierop reageren?
Voorzitter. Het EU-Asiel- en Migratiepact is geen doel op zichzelf, het
is slechts een middel. Dat middel is alleen geloofwaardig als het in de
praktijk doet wat het belooft. Uit de beantwoording van de regering
blijkt echter dat juist op cruciale punten, zoals de buitengrenzen, de
solidariteit en vooral de terugkeer, harde garanties ontbreken.
Terugkeer blijft afhankelijk van herkomstlanden, grensprocedures zijn
niet afdwingbaar en solidariteit kent geen noodrem als landen hun
verantwoordelijkheid niet nemen. Dat betekent dat dit pact alleen kan
werken als Nederland actief blijft sturen, nationaal waar het kan en
Europees waar het moet. Nederland moet niet afwachten, niet vertrouwen
op papieren afspraken, maar continu toetsen of afspraken ook
daadwerkelijk worden nagekomen. Dat gebeurt niet, maar misschien kan de
minister daar wat over zeggen om mij te overtuigen dat het wel
gebeurt.
Voorzitter, tot slot. Minder instroom begint bij echte grenscontrole.
Draagvlak begint bij een eerlijke en afdwingbare verdeling.
Geloofwaardigheid begint bij daadwerkelijke terugkeer. Zolang die drie
niet samenkomen, blijft dit pact vooral een belofte op papier. Daarvan
kan Nederland zich geen herhaling permitteren.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dat is een goed begin; dat gaat vlot. Dan mevrouw Westerveld namens
GroenLinks-PvdA.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. U ziet het dikke pak aan stukken voor mij liggen
en u hebt zelf ook zo'n dikke map, voorzitter. En dit zijn alleen nog
maar de oorspronkelijke stukken. Anderhalve week geleden kwam daar nog
een pak van 140 pagina's bij. Dat waren de antwoorden op onze
schriftelijke inbreng. En dan heb ik alle brieven en adviezen die we
kregen van experts en betrokken instanties en organisaties nog niet eens
meegeteld. Al die stukken horen bij het debat van vandaag, waarin we
spreken over een enorme systeemwijziging. Volgens de IND is het zelfs de
meest ingrijpende wijziging van het asielstelsel van de afgelopen 30
jaar. We behandelen negen verordeningen en één richtlijn in een
keer.
Ik begrijp natuurlijk dat er haast is geboden gezien de deadline van 12
juni waarop het Migratiepact in werking moet treden, maar ik wil wel
kwijt dat ik moeite heb met de gang van zaken. We weten inmiddels welke
gevolgen een onzorgvuldige wetsbehandeling kan hebben. Daar hebben we
het al vaak genoeg met elkaar over gehad. Ondanks de politieke
verschillen van mening die we soms, of beter gezegd vaak, met elkaar
hebben, lijkt me toch dat we allemaal moeten vinden dat wetgeving — toch
onze primaire taak — op een goede manier moet gebeuren. Dat doen we niet
alleen door stukken te lezen. Dat doen we ook door afstemming te zoeken
met de eigen achterban, door organisaties en deskundigen te raadplegen
en door met elkaar te zoeken naar punten waarop we kunnen samenwerken.
Ik heb in alle andere commissies waarin ik zit nog nooit meegemaakt dat
er nog geen anderhalve week, en dan tel ik het weekend mee, zit tussen
het krijgen van 140 pagina's aan antwoorden en het debat. Dat ons geen
tijd wordt gegund om dit fatsoenlijk te doen en om experts te
raadplegen, om hun de kans te geven ons hun input te sturen, vind ik
kwalijk. Dit is namelijk geen kleine wet, maar verreweg de grootste wet
die ik heb behandeld in al die negen jaar dat ik Kamerlid ben.
Ik zeg dit ook omdat deze implementatiewet grote gevolgen heeft voor de
uitvoeringsorganisaties. Daar moeten we echt alle oog voor hebben. Dat
zijn namelijk de mensen die het uiteindelijk moeten doen. In het rapport
dat we afgelopen weekend hebben ontvangen, zien we bijvoorbeeld hoezeer
die zorgvuldigheid van belang is voor uitvoeringsorganisaties als de
IND. Zij moeten zich immers kunnen voorbereiden op het werk. Zij moeten
systemen in orde brengen. Zij moeten mensen aannemen of mensen
bijscholen. Ik had eigenlijk gehoopt dat we het gedoe van de afgelopen
jaren achter ons hadden gelaten en nu op een zorgvuldige manier met
wetgeving om zouden gaan, zeker bij wetten die zo gecompliceerd zijn en
zo veel gevolgen hebben voor de uitvoering en voor de mensen om wie het
gaat.
Voorzitter. Ik heb als Nijmeegs raadslid van dichtbij meegemaakt …
De voorzitter:
Momentje, u heeft een interruptie van de heer Dassen.
De heer Dassen (Volt):
Ik vind het een volledig terecht punt van mevrouw Westerveld dat we goed
de tijd moeten nemen om tot zorgvuldige wetgeving te komen. Ik ben even
benieuwd naar het volgende. Zij maakte een terecht punt over de
antwoorden die nu gekomen zijn op de kritiek van de Raad van State. Is
zij dan van mening dat we goed bezig zijn met deze wet als het gaat om
de uitvoering?
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik heb het afgelopen weekend de 140 pagina's proberen door te nemen. Dat
is me in grote mate ook gelukt. Maar op een aantal punten was ik wel
teleurgesteld. We hebben heel specifiek gevraagd naar een aantal keuzes
die zijn gemaakt. We hebben, net als andere partijen, gevraagd waarom
bepaalde keuzes zijn gemaakt in dit voorstel, keuzes die niet
noodzakelijkerwijs voortvloeien uit het Europese Migratiepact. We hebben
gevraagd naar vergelijkingen met een aantal landen. We hebben wat
betreft de detentie van kinderen specifiek gevraagd welke alternatieven
daarvoor zijn bekeken. Op al die punten is geen afdoende antwoord
gekomen, dus ik had graag nog een extra ronde gehad, bijvoorbeeld een
rondetafelgesprek, een ronde met schriftelijke vragen of nog meer
gesprekken met experts, maar dat lukt fysiek gewoon niet in de korte
tijd die we hebben.
De heer Dassen (Volt):
Zeker. We zijn natuurlijk een Europees migratiepact aan het sluiten. Dit
moeten we in Europa gezamenlijk doen. Als overal nationale koppen op
komen, gaan we dit Migratiepact juist ondermijnen. Wellicht kan mevrouw
Westerveld daar nog een laatste reflectie op geven. Hoe ziet zij
dat?
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik kan me van de technische briefing nog herinneren dat een aantal
ambtenaren van het ministerie zelf vertelden wat nou het doel is van de
verordeningen die we bespreken. In principe is het doel dat die
een-op-een en beleidsneutraal worden doorgevoerd. Dat hoorde ik
natuurlijk ook van onze Europese fractie, die ditzelfde aangaf: het doel
van Europese wetgeving is dat je dat in Nederland met zo min mogelijk
koppen doorvoert. Je moet dus niet allemaal eigen zaken erin verwerken.
Ik ga straks, verderop in mijn tekst, ook nog aangeven waarom we vinden
dat het pact van belang is, maar waarom we op een aantal punten wel
flink moeite hebben met keuzes die zijn gemaakt. Dat gaat dus expliciet
om keuzes die niet voortvloeien uit het Europese Migratiepact, maar die
gemaakt zijn in de implementatiewet die vandaag voor ons ligt.
Voorzitter. Ik was aan het vertellen dat ik als Nijmeegs raadslid van
dichtbij heb meegemaakt wat het betekent als er in korte tijd een grote
groep vluchtelingen naar je land komt. Tijdens de oorlog in Syrië,
omstreeks 2015, verzochten tienduizenden vluchtelingen namelijk om
bescherming in Nederland, terwijl er te weinig opvangplekken waren.
Daarom besloot Nijmegen om een noodopvang te starten in Heumensoord,
midden op een grasvlakte in de bossen, die uiteindelijk veranderde in
modder. Er kwamen grote witte tenten, waarin zo'n 3.000 mensen werden
opgevangen: volwassenen, alleenstaanden en gezinnen met kinderen.
Ik ken de discussies in de gemeenteraad en met de inwoners van Nijmegen
goed. Er waren natuurlijk zorgen over de grote aantallen. Er waren
zorgen over het welzijn van deze vluchtelingen, in de winter, in
gehorige tenten, waar het steenkoud kon zijn, waar weinig privacy was en
wat al zeker geen geschikte plek voor kinderen was. Hoe moeilijk die
situatie ook was, het was wel heel mooi om te zien hoe veel mensen in
Nijmegen om hen heen gingen staan. Tijdens oud en nieuw was er
bijvoorbeeld een steunactie om ervoor te zorgen dat getraumatiseerde
vluchtelingen geen nieuwe trauma's zouden krijgen van al die knallen. Er
werd een eigen nieuwjaarsfeest georganiseerd, waar uiteindelijk
muziekcollectief Yalla Yalla is ontstaan. Die saamhorigheid was mooi,
maar de situatie was natuurlijk vreselijk. Dat soort situaties moeten we
echt proberen te voorkomen. Daarom is verandering nodig.
Het huidige Europese asielbeleid is volledig vastgelopen. Asielzoekers
worden niet eerlijk verspreid over EU-landen, zoals ooit was bedacht in
het Dublinakkoord. Uit onvrede lappen de overbelaste buitengrenslanden
de regels aan hun laars. Asielzoekers reizen door binnen Europa. Er is
een vrijbrief ontstaan voor landen om zichzelf steeds onaantrekkelijker
te maken. Dat is een race naar de bodem waarbij uiteindelijk iedereen
verliest. GroenLinks-PvdA staat voor Europese samenwerking, de
harmonisatie van regels om deze problemen het hoofd te bieden en regels
die gestoeld zijn op solidariteit. Het Asiel- en Migratiepact zet een
belangrijke eerste stap in die Europese aanpak. Ook is mijn partij
voorstander van snelle en zorgvuldige procedures aan de buitengrens van
de EU en van effectieve terugkeer van wie veilig terug kan, zodat mensen
snel duidelijkheid krijgen en het draagvlak in Europa en in Nederland
wordt behouden. Hierbij moeten natuurlijk wel de mensenrechten en de
internationale verdragen worden gerespecteerd.
Daartegenover staan ook de veilige routes die nodig zijn voor de
kwetsbaarste mensen die moeten vluchten voor oorlog en geweld. Laten we
vooral niet vergeten wie er baat hebben bij grote groepen mensen die op
de vlucht slaan. Dat zijn mensensmokkelaars die hiervan een verdienmodel
hebben gemaakt, met alle gevolgen van dien, waaronder uitbuiting,
seksueel geweld en verdrinkingen. Tienduizenden mensen zijn verdronken
op de Middellandse Zee, waaronder, ook hier weer, kinderen. Ik las
vorige week nog het bericht dat 2026 de dodelijkste start van het jaar
voor vluchtelingen kent en dat er alweer honderden mensen verdronken
zijn. Ook dat laat zien dat er haast is geboden bij nieuw beleid, want
dit kan zo niet doorgaan.
Het is geen geheim dat mijn partij bedenkingen heeft. Die hebben we ook
al in Europa laten horen bij de onderhandelingen en discussies over het
pact. Een voorbeeld is het systematisch gevangenzetten van gezinnen met
kinderen. Toch hebben we altijd gezegd dat het Migratiepact zelf, als
het er is, en wat erin staat, geïmplementeerd en nageleefd moet worden.
Dat moet gebeuren om solidariteit terug te brengen in het Europese
asielsysteem, om dat systeem zo beter te maken voor mensen.
De verordeningen leggen een groot aantal maatregelen dwingend op, maar
er is ook veel nationale ruimte om keuzes te maken die niet dwingend uit
het pact voortvloeien. Ik had het daar net al even over met de heer
Dassen. De Raad van State is hier ook helder over in zijn advies. Ik
parafraseer: de Raad van State zegt dat de regering op verschillende
punten keuzes maakt die niet dwingend uit de verordeningen en de
richtlijn volgen, maar waar het asiel- en migratierecht wel ruimte voor
laat. Sommige van deze maatregelen brengen een grote extra werklast voor
de IND en de rechtspraak met zich mee. Ook als het gaat over kinderen in
detentie is dit een nationale keuze. Het pact laat er ruimte voor, maar
een land kan er ook voor kiezen om het niet te doen. Gelukkig doen heel
veel andere landen dat.
De Raad van State stelt dat op het moment dat er een nationale keuze
gemaakt moet worden, dit expliciet in de toelichting bij het voorstel
moet worden vermeld. Zij noemen dan ook drie voorbeelden. Het eerste is
de invoering van het tweestatusstelsel. Daarvan zegt de Raad van State
dat we op dit moment voldoende onderscheid maken om te voldoen aan het
pact. De andere twee zijn het verkorten van de verblijfsvergunning en
het afschaffen van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Kan de
minister bevestigen dat er op de punten die ik net noemde inderdaad
nationale keuzes worden gemaakt die niet dwingend voortvloeien uit het
Asiel- en Migratiepact? Wat is de reden dat hierover geen duidelijkheid
wordt gegeven in de memorie van toelichting, zoals de Raad van State ook
benadrukt? Waarom heeft de regering ervoor gekozen om nationale keuzes,
nationale koppen, te maken? Dit is namelijk uitdrukkelijk niet de
bedoeling. Bovendien zijn er een aantal maatregelen die niet dwingend
voortvloeien uit het pact ook al verwerkt in de asielwetten van minister
Faber, die op 14 april besproken worden in de Eerste Kamer. Waarom is er
voor deze dubbeling gekozen door die maatregelen ook te verwerken in het
Migratiepact? Hoe lopen deze twee trajecten straks verder? Graag een
reactie.
Voorzitter. Ik zei al dat mijn fractie voorstander is van harmonisatie,
van betere en versnelde procedures en van solidariteit. Dat zijn
allemaal ook uitgangspunten van het Migratiepact. Maar juist bij die
extra nationale wetgeving die niet voortvloeit uit het Migratiepact
hebben we een aantal fundamentele bedenkingen, omdat deze schuurt met
kinder- en mensenrechten en omdat deze de uitvoeringsorganisaties extra
belast. Daarom hebben we op een aantal punten amendementen ingediend,
gedeeltelijk ook samen met Volt en de ChristenUnie, zoals over kinderen
in detentie en het systematisch in grensdetentie plaatsen van gezinnen
met kinderen. Ook is er een amendement over de obstakels die worden
opgeworpen voor de gezinshereniging voor oorlogsvluchtelingen, zoals de
twee jaar wachttijd, de inkomenseis en de huisvestingseis. Ons
amendement wil die obstakels tenietdoen. Daarnaast is er een amendement
over het afschaffen van de vergunning onbepaalde tijd. Ik wil nogmaals
zeggen dat het bij al die amendementen die we hebben ingediend gaat over
keuzes die het kabinet maakt en die niet dwingend volgen uit het
pact.
Voorzitter. Wat meer over de detentie van kinderen. Voor mijn fractie is
duidelijk dat kinderen niet in de cel thuishoren, want dat is schadelijk
en traumatiserend. Gezinnen die zijn verscheurd door oorlog horen weer
bij elkaar te kunnen komen zonder daar twee jaar op te moeten wachten.
Het is een Nederlandse keuze om de implementatiewet met deze twee
maatregelen hardvochtig te maken. Als er wordt gekeken naar een
meerderheid voor deze wet, wil ik benadrukken dat er een menselijker
alternatief is.
Voorzitter. Wie wil nalezen wat het met kinderen doet om in detentie te
zitten, zou ik willen aanraden om het rapport "Papa, hebben we iets ergs
gedaan?" te lezen. Dit rapport werd geschreven in 2014, uitdrukkelijk om
de stem van kinderen te laten doorklinken in het debat over kinderen in
vreemdelingendetentie. Het gevangenzetten van kinderen tast bij hen het
basisgevoel van veiligheid aan. Het bleek iets wat ook lange tijd
zichtbaar blijft bij kinderen, ook als zij maar kort vastzitten.
We kunnen ook dichter bij huis kijken. Ik ben al jarenlang woordvoerder
jeugdzorg voor onze fractie. Ik zie van dichtbij de diepe littekens en
de trauma's die kinderen en jongvolwassenen hebben door hun tijd in de
gesloten jeugdzorg. Niet voor niets heeft de Kamer al een aantal jaar
geleden besloten om de gesloten jeugdzorg af te bouwen, ook partijen als
CDA en D66, die daar samen met ons altijd voor pleitten. Dan is het
extra wrang om te bedenken dat VVD-staatssecretaris Teeven destijds
grensdetentie voor kinderen afschafte en het kabinet-Jetten
grensdetentie voor gezinnen met kinderen weer wil invoeren.
Voorzitter. Kan de minister bevestigen dat het inderdaad een nationale
keuze is om van de mogelijkheid tot het vastzetten van kinderen gebruik
te maken? Waarom kiest de regering daarvoor? Waarom is er ook geen
Kinderrechtentoets gedaan? Klopt het dat onder verschillende
omstandigheden wel dwingend uit het pact voortvloeit dat gezinnen met
kinderen in de versnelde grensprocedure terechtkomen, maar dat de
grensprocedure niet per definitie in een gesloten centrum dient plaats
te vinden en dat dit ook een keuze van het kabinet is?
Een van de gronden voor de versnelde grensprocedure is het misleiden van
autoriteiten, maar laten we eerlijk zijn: sommige mensen zijn door de
oorlogssituatie waar ze uit zijn gevlucht, hun persoonlijke documenten
verloren. Hoe gaat de minister borgen dat dit en soortgelijke
omstandigheden niet als misleiding gelden? Een van de andere gronden
voor grensdetentie is een EU-breed inwilligingspercentage van onder de
20%. Dat betekent dus dat gezinnen met kinderen die bijvoorbeeld
vluchten uit Turkije omdat ze om politieke redenen vervolgd worden, in
de versnelde grensprocedure terechtkomen, wat in Nederland met deze wet
gelijkstaat aan grensdetentie. Vindt de minister het terecht dat deze
gezinnen in detentie terechtkomen als ze uiteindelijk wel een grote kans
hebben om de vluchtelingstatus te krijgen? Hoelang zitten zij dan
waarschijnlijk in deze grensdetentie? De maximumtermijn voor het in
vreemdelingendetentie vastzetten van gezinnen waarvan de asielaanvraag
wordt afgekeurd, is nu twee weken, maar wat wordt met deze nieuwe wet de
maximumtermijn voor gezinnen met kinderen?
Heeft de minister het rapport "Papa, hebben we iets ergs gedaan?"
gelezen? Wat vindt hij van het feit dat kinderen langdurige en soms
levenslange schade oplopen van detentie? Hoe verkoopt de minister het
dat we in Nederland inmiddels allang tot de conclusie zijn gekomen dat
het opsluiten van kinderen schadelijk is, maar dat er nu plannen liggen
om dit wel te doen met kinderen die naar ons land zijn gevlucht? Hoe
ziet hij dit in het licht van het Kinderrechtenverdrag?
Op grond van de Opvangrichtlijn kan detentie slechts plaatsvinden in
noodzakelijke gevallen, op grond van individuele beoordeling en wanneer
andere, minder dwingende maatregelen niet effectief kunnen worden
toegepast. De Europese Commissie onderstreept dit en zegt dat er eerst
gekeken moet worden naar alle andere initiatieven voordat
vrijheidsbeperking mag worden toegepast. Welke alternatieven heeft het
kabinet onderzocht? Waarom zijn die uiteindelijk niet gekozen? We hebben
hier natuurlijk al eerder naar gevraagd, ook in het schriftelijk
overleg, maar ik heb daar geen afdoende antwoord op gekregen, dus ik
hoor graag een uitgebreide reactie van de minister op dit punt.
Voorzitter. Dan het versoberen van gezinshereniging. Een gezin dat is
verscheurd door oorlog en geweld hoort herenigd te kunnen worden als
iemand die vlucht voor oorlog en geweld hier een status krijgt. Voor
iemand die getraumatiseerd is door oorlog en bezorgd is over de
veiligheid van zijn of haar gezin, voelt een wachttijd van twee jaar
natuurlijk als een eeuwigheid. De versobering van de gezinshereniging is
weer een politieke wens, die op geen enkele manier voortkomt uit het
Asiel- en Migratiepact. Dat schrijft de minister ook in de beantwoording
van de schriftelijke vragen. Slechts het onderscheid in status komt
voort uit het pact, en de Raad van State schrijft dat Nederland daar nu
al aan voldoet. Het toeschrijven van verschillende rechten komt niet per
se voort uit het pact. Waarom is ook hier weer voor een hardvochtige
maatregel gekozen? Welke andere lidstaten kiezen voor deze maatregel?
Hoe staat dit in verhouding tot mensen- en kinderrechten?
In de implementatiewet zijn de wetsteksten van de
Asielnoodmaatregelenwet en de invoering van het tweestatusstelsel bijna
helemaal overgenomen. Deze wetten bevatten ook juridische
kwetsbaarheden, zoals onder andere door de IND in de uitvoeringstoetsen
is verwoord. Onderdeel hiervan was ook de inperking van
gezinshereniging. Vorige week kreeg ik het bericht dat in België het
Grondwettelijk Hof in zijn uitspraak van 26 februari een gelijksoortige
inperking van de gezinshereniging per direct buiten werking gesteld
heeft, omdat dit hof het in strijd acht met het recht op gezinsleven en
het belang van het kind, zoals vastgelegd in het Handvest van de
grondrechten van de Europese Unie. Ik wil de minister vragen of hij van
deze zaak heeft gehoord. Ik denk het eigenlijk wel. Wat is de kans dat
het helemaal niet blijkt te mogen, dus dat we hier wetgeving willen
invoeren die wordt teruggedraaid, die gewoon niet mag? Samen met de
ChristenUnie hebben we een amendement ingediend om dit terug te draaien.
Ik vraag de minister om deze hardvochtige maatregel te
heroverwegen.
Verder besluit het kabinet tot inperking van nareis door de definitie
van het kerngezin aan te passen. Er wordt gekozen voor de meest smalle
interpretatie van het kerngezin. Ook hiervoor geldt weer: dit hoeft dus
niet per se. Wat betekent dit voor pleegkinderen die niet officieel
geadopteerd konden worden in het land van herkomst? We weten ook
allemaal dat er juist in een land waar oorlog is nogal wat kinderen zijn
die geen ouders meer hebben.
Voorzitter. Ook voor lhbtiq+-personen wordt een extra drempel
opgeworpen. In de definitie staat "getrouwde stellen", maar in sommige
landen kán je niet trouwen met iemand van hetzelfde geslacht. Daar is
dat gewoon onmogelijk, ook al ben je langdurig elkaars partner. Het
stelt me ook weer teleur dat het kabinet daar geen oog voor heeft en dat
ook onze schriftelijke opmerkingen over de moeilijke praktijk waar deze
mensen in terechtkomen, worden afgedaan met procesmatige antwoorden. Het
kabinet schrijft in de schriftelijke antwoorden namelijk dat
lhbtiq+-personen zich kunnen blijven beroepen op artikel 8 van het EVRM,
maar ook dat alleen in uitzonderlijke gevallen de conclusie is dat moet
worden berust in toelating en verblijf in Nederland. Betekent dit dat
het voor partners van lhbtiq+-personen veel moeilijker zal zijn om in
aanmerking te komen voor gezinshereniging dan voor heterostellen, die
wel mogen trouwen in het land van herkomst? Samen met Volt hebben we
hierover ook een amendement ingediend waarin we deze omissie
rechtzetten. Ik hoop hierbij op steun van alle partijen die zeggen te
staan voor gelijke behandeling en voor emancipatie.
Voorzitter. Dan de vergunning onbepaalde tijd. Volgens de regering
vloeit het afschaffen van de vergunning onbepaalde tijd voort uit het
pact, maar volgens de Raad van State is dat niet het geval en heeft een
lidstaat zelf ruimte om de vergunning langer of voor onbepaalde tijd te
verlenen als de status is ingetrokken. We hadden daar eerder in de
verschillende rondetafelgesprekken ook al interessante discussies over.
Wat is volgens de minister de consequentie voor het inburgeren van
statushouders wanneer zij in onzekerheid blijven? Wat doet dit met
baankansen en de potentie om een nieuw leven op te bouwen? We kunnen
natuurlijk op onze klompen aanvoelen dat het voor werkgevers helemaal
niet aantrekkelijk is om iemand aan te nemen waarvan niet zeker is of
die langer kan blijven. Ik wil de minister ook vragen of dit niet ingaat
tegen de doelstellingen van het coalitieakkoord om ervoor te zorgen dat
nieuwkomers aan het werk kunnen. Dat is de doelstelling van het
coalitieakkoord, maar hier lijkt wat anders te gebeuren. Graag een
reactie.
Is het straks voor deze mensen ook nog mogelijk om te naturaliseren? Dat
vraag ik omdat minister Van Weel tijdens de behandeling van de
Asielnoodmaatregelenwet zei dat er een beleidswijziging nodig is om dit
mogelijk te maken, zodat er een nieuwe aanleiding is om naturalisering
wél mogelijk te maken. Is die beleidswijziging reeds gemaakt?
Voorzitter. Volgens mijn fractie is het belangrijk om vluchtelingen zo
snel mogelijk te laten meedoen en op een gegeven moment zekerheid te
geven. Daarom dienen we ook samen met Volt een amendement in voor het
handhaven van de vergunning onbepaalde tijd.
Voorzitter. Dan over solidariteit, ook een belangrijk uitgangspunt voor
mijn fractie. De hiervoor beschreven extra koppen op de Europese
asielwetten zorgen voor minder harmonisatie; het pact streeft juist naar
harmonisatie. Ook blijft solidariteit in het Nederlandse beleid achter
aangezien de minister ervoor kiest om die af te kopen. Waarom kiest
Nederland hiervoor terwijl de Europese Commissie Nederland geen
uitzondering verleent omdat de migratiedruk op Nederland te klein is? Is
de minister het met ons eens dat het afkopen ook de solidariteit
ondermijnt met landen die aan de buitengrenzen van Europa liggen? Zij
hebben immers te maken met veel grotere uitdagingen. Kijk naar de
hoeveelheid mensen die bij hen de grens met Europa passeren.
Mevrouw Straatman (CDA):
In het verhaal van mevrouw Westerveld is het helder dat nationale koppen
niet passen binnen het kader van harmonisatie, van de verordening. In
dat kader vraag ik me het volgende af. Ik hoor het betoog van mevrouw
Westerveld over bijvoorbeeld de definitie van "kerngezin". Dat is
gedefinieerd in de verordening. Als ik mevrouw Westerveld goed begrijp,
wil zij er op dat punt voor kiezen om wel een extra nationale kop toe te
voegen, die dan juist breder en gunstiger zou zijn. Heb ik dat juist
begrepen?
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Je kan er gewoon voor kiezen om bijvoorbeeld lhbtiq+-stellen naar
Nederland te halen. Dat is niet per se een extra kop. Dat is een andere
invulling van de implementatiewet die voor ons ligt. Dat past prima
binnen het pact. Mijn punt is juist dat er op andere vlakken echt extra
wetgeving toegepast is. Je hebt dus eigenlijk op een aantal punten
bandbreedtes waarbinnen je kan kiezen wat je doet. Als we dan ook kijken
naar de antwoorden op onze schriftelijke vragen, zien we de hele tijd
dat er is gekozen voor de meest sobere, de meest strenge invulling. Ik
zou het graag anders willen zien, maar dat kan allemaal. Mijn grootste
bezwaren zitten echt bij die extra wetgeving die er nog bij op is
geplakt, die niet uit het pact voortvloeit en waar Nederland bewust voor
heeft gekozen.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik begrijp de opmerking van mevrouw Westerveld zo dat zij nationale
koppen liever niet heeft op het moment dat die het Asiel- en
Migratiepact strenger maken, terwijl die nationale koppen natuurlijk
juist bedoeld zijn om het pact effectiever te laten zijn, om de instroom
te kunnen beperken. Maar op het moment dat het Asiel- en Migratiepact
iets van ruimte geeft om soepeler te zijn, grijpt mevrouw Westerveld die
punten aan. Ik denk dat dit niet past in het verhaal "laten we in alle
lidstaten dezelfde regels laten gelden". Ik zou dus zeggen: volg de
juiste lijn en voldoe dan overal aan de minimale eisen van het pact, óf
bied ruimte, hetzij om soepeler te zijn of, aan de andere kant, juist
strenger.
De voorzitter:
Het was overigens één interruptie, maar dat vindt u vast niet erg.
Mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Misschien heb ik het dan net niet goed uitgelegd. Het Europees Asiel- en
Migratiepact geeft op een heel aantal punten bandbreedtes, zeg maar
invulling, voor nationale wetgeving. Dat is ook logisch. Het staat ook
duidelijk in de memorie van toelichting en het bleek ook uit de
technische briefing. Je moet Europese wetgeving natuurlijk wel vertalen
naar de Nederlandse context en je moet die inpassen in een heel aantal
andere wetten. Je zult daar dus nationale wetgeving voor moeten hebben.
Maar daarbinnen zijn er op een heel aantal punten bandbreedtes. Bij
termijnen kiezen wij bijvoorbeeld bijna standaard voor de meest strenge
termijn als het gaat over beroep instellen. Dat geldt voor een heel
aantal andere punten. We zien voortdurend terug dat Nederland bij het
kiezen van bandbreedtes overwegend kiest voor het meest sobere of het
meest strenge.
Ons voornaamste bezwaar is dat er is gekozen voor een invulling, voor
allemaal extra wet- en regelgeving, die niet voortvloeit uit het pact.
Ik noemde net al de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering
tweestatusstelsel. Die vloeien niet voort uit het pact. Ik las in een
aantal inbrengen dat die eigenlijk niet zo veel met het pact te maken
hebben. En dat wordt toch hier in deze wet gefietst. Daar heb ik
problemen mee, want dat brengt verschillende partijen in een lastige
positie. Er worden allerlei extra zaken toegevoegd en er wordt bijna
gesuggereerd dat dat moet van Europa. Als we even doorvragen, horen we
van de Raad van State en eerder in de briefing en de antwoorden dat het
niet hoeft van het pact en dat we ervoor gekozen hebben om dat te doen.
Daar zit mijn grootste probleem. Ik zou graag willen dat we het Europees
Asiel- en Migratiepact zo veel mogelijk een-op-een uitvoeren, zoals ook
de bedoeling is.
De voorzitter:
Dan gaat mevrouw Westerveld door met haar betoog. Nee, sorry, er is een
interruptie van mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik ben wel even benieuwd hoe GroenLinks-PvdA aankijkt tegen de zorgen
van mensen die al in Nederland wonen over bijvoorbeeld gezinshereniging.
Tienduizenden mensen staan nog op een wachtlijst om hierheen te komen.
We hebben een woningtekort, een lerarentekort en een zorgtekort. Zou
mevrouw Westerveld kunnen aangeven hoe zij aankijkt tegen de zorgen van
Nederlandse mensen of in ieder geval mensen die in Nederland
wonen?
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik wijs in mijn tekst een aantal keren bewust op draagvlak. Ik ben me
ervan bewust dat je voor een goed asiel- en migratiebeleid draagvlak
moet hebben in de samenleving. Maar laten we niet vergeten dat het de
afgelopen jaren een bewuste politieke keuze was om te bezuinigen op
bijvoorbeeld uitvoeringsorganisaties zoals de IND. Het heeft heel lang
geduurd voordat er duidelijkheid was over de Spreidingswet. Gemeenten en
wethouders van verschillende politieke partijen, echt niet alleen van
mijn partij, klopten bij ons aan met de vraag: geef daar op tijd
duidelijkheid over, want dan weten we wat we moeten doen en hoeven we
niet telkens gebruik te maken van noodopvangvoorzieningen die niet
geschikt zijn voor kinderen, maar ook niet voor heel veel mensen, en die
een stuk duurder zijn.
We hebben in ons verkiezingsprogramma duidelijk gezegd dat we het
rapport van de commissie over demografische groei volgen en dat we ook
willen sturen op migratie, maar de focus leggen op arbeidsmigratie. Uit
verschillende rapporten blijkt dat die beter te sturen is, dat de
verhouding arbeidsmigranten … Het zijn er naar schatting 1,2 miljoen,
een veel grotere groep. Ook vanuit mijn portefeuille dakloosheid weet ik
waar deze mensen in belanden als er niet goed met hen wordt omgegaan. We
snappen die zorgen helemaal, maar heel veel van die zorgen over het
totaal vastgelopen asielstelsel komen voort uit politieke keuzes die de
afgelopen jaren zijn gemaakt. Ik vind het in deze discussie ingewikkeld
dat ik me soms lijk te moeten verantwoorden voor politieke keuzes die
niet de mijne zijn, terwijl we duidelijk aangeven dat wij alle zorgen
van mensen in de samenleving kennen en dat wij ook vinden dat er andere
politieke keuzes gemaakt moeten worden.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Mevrouw Westerveld gooit het op de arbeidsmigratie, maar de
arbeidsmigranten houden wel onze economie draaiende. We kunnen wel
zeggen dat we deze uitzendkrachten in sommige sectoren moeten verbieden
of dat we de inzet van deze mensen moeten indammen, maar een feit is dat
we in Nederland niet genoeg mensen hebben om spullen voor ons te maken,
voor onze ouderen te zorgen, kantoren schoon te maken en woningen te
bouwen. Dat zijn wel sectoren, net als de sector van de
voedselproductie, waar de meeste arbeidsmigranten werken. Ik ben
benieuwd hoe mevrouw Westerveld en haar partij ervoor gaan zorgen dat de
economie blijft draaien als we de arbeidsmigratie gaan inperken, en als
we daar de focus helemaal op leggen in plaats van op de
asielinstroom.
De voorzitter:
U zat overigens bij de eerste interruptie op 34 seconden en bij de
tweede op 50 seconden. Maar ik weet dat u dat kan redden.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik stel voor dat we hier geen debat over arbeidsmigratie van maken. Dit
staat duidelijk beschreven in ons verkiezingsprogramma. Het is ook
uitgebreid besproken in andere debatten. Ik probeer aan te geven dat we
altijd kijken naar draagvlak in onze samenleving. Draagvlak is ook een
gevolg van politieke keuzes. Misschien moet ik het daar even bij
laten.
O ja, nog even het volgende. De nieuwe coalitie heeft natuurlijk wel,
ook in het coalitieakkoord, opgeschreven dat ze wil dat mensen meedoen
vanaf dag één. Dat is een ambitie waar ik van harte achter sta. Ik heb
in de afgelopen jaren verschillende keren met vluchtelingen gesproken.
Zij willen heel graag iets doen en heel graag bijdragen aan onze
samenleving, en zij mogen dat niet. Dus dit is een ambitie die wij van
harte ondersteunen.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Even voor de Handelingen: ik ben zelf niet begonnen over
arbeidsmigratie; dat was mevrouw Westerveld zelf. Ik constateer dat
arbeidsmigranten wel gewoon deelnemen aan onze samenleving. Die werken
en dragen bij aan onze economie. Mijn vraag was: hoe gaan we dat dan
doen?
De voorzitter:
Ik zie mevrouw Westerveld knikken, dus dan ga ik naar de heer Van Dijk
voor een interruptie.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Mevrouw Westerveld had het een aantal keren over politieke keuzes. Daar
moeten we het inderdaad over hebben, juist als het gaat om fundamentele
wetgeving zoals die nu voorligt. Het is duidelijk dat bij
GroenLinks-PvdA stevige weerstand bestaat ten aanzien van een verdere
versobering en aanscherping van het asielbeleid. Dat is natuurlijk een
volstrekt legitiem standpunt. Tegelijkertijd is dezelfde partij
GroenLinks-PvdA mordicus tegen elke versobering van onze
verzorgingsstaat. Dat vind ik ingewikkeld. Er zijn inmiddels ontzettend
veel studies die laten zien dat relatief open grenzen en een luxe
verzorgingsstaat met elkaar schuren. Op dat punt zul je moeten kiezen.
Waar kiest van GroenLinks-PvdA uiteindelijk voor?
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Wij kiezen duidelijk voor sturen op migratie. Wij volgen het rapport van
de staatscommissie over de demografische groei. Daarin wordt volgens mij
gesproken over een bandbreedte van 40.000 tot 60.000. Wij hebben juist
altijd uitgedragen dat wij de aanbevelingen in dat rapport steunen. Ik
begrijp best wat de heer Van Dijk zegt, maar het gaat een beetje de kant
op dat hij suggereert dat wij hebben uitgedragen dat iedereen altijd
maar ons land mag binnenkomen. Dat is niet wat ik nu zeg en dat is ook
niet wat mijn voorganger Kati Piri in de afgelopen debatten de hele tijd
heeft gezegd. Dat is dus een beeld dat bij mijn weten niet klopt.
Waar wij enorme bezwaren bij hebben, is dat in de implementatiewet
keuzes worden gemaakt die niet voortvloeien uit het pact. Ik heb daar
een aantal bezwaren uitgelicht, waaronder de detentie van kinderen en de
enorm sobere regels die zijn opgelegd aan mensen op het punt van de
gezinshereniging. Dat zijn de zwaartepunten en daarom benoem ik die
uitdrukkelijk in mijn betoog. Daarom ook hebben wij op deze punten
amendementen ingediend. Wij kunnen heel goed het Migratiepact invoeren
zonder dat daarboven allerlei extra strenge en sobere keuzes worden
opgelegd.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank voor deze reactie, zeg ik tegen collega Westerveld. Ik denk dat het
beeld dat GroenLinks-PvdA bepaald niet voorop heeft gelopen om ons
asielbeleid strikter en realistischer te maken, niet helemaal uit de
lucht gegrepen is. Maar ik ben blij met de realistische toon die wordt
aangeslagen. Als er wordt erkend dat er echt wat moet gebeuren, ook om
onze verzorgingsstaat in de lucht te houden, dan vind ik het heel
moeilijk om te begrijpen dat ik nu vooral heel veel kritiek hoor op wat
er nu voorligt. Er zijn eigenlijk ook alleen maar amendementen en
voorstellen om het toch weer te versoepelen.
De voorzitter:
Dat was 35 seconden. Ik ben scheidsrechter vandaag, of de VAR; ik ben
gepromoveerd.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik was juist begonnen met aangeven waarom wij het zo belangrijk vinden
dat het Migratiepact er is. We zijn namelijk heel erg voor solidariteit.
We zijn voor eenduidige regels. We zijn voor landen die elkaar helpen en
voor snelle duidelijkheid aan de buitengrenzen. We zijn ook voor een
veel snellere, maar wel eerlijke, afhandeling van asielaanvragen, omdat
het onmenselijk is dat zo veel mensen hier moeten wachten. Dat komt
natuurlijk ook door de lange wachttijden bij de IND, waardoor mensen nu
gemiddeld vijftien maanden moeten wachten op hun tweede gehoor. Ik ben
dus juist begonnen met aangeven waarom wij het zo belangrijk vinden dat
er verdere stappen worden gezet.
Ik heb wel een aantal vragen over de extra nationale keuzes die worden
gemaakt. Daarom hebben wij ook amendementen ingediend. Er is duidelijk
te zien dat deze keuzes nog voortkomen uit wat het vorige kabinet heeft
gedaan. Een deel van de discussie overlapt natuurlijk met de discussies
die destijds zijn gevoerd over het tweestatusstelsel en de
Asielnoodmaatregelenwet. Die zien we hier nu weer terug. Daar hebben wij
bezwaren tegen, omdat die in deze wet worden ingevlochten. Daar gaan
onze amendementen over. Dat betekent absoluut niet dat wij tegen het
Migratiepact zijn. Sterker nog, wij zijn ervoor. Dat heb ik nu een paar
keer genoemd. Wij hebben alleen moeite met de nationale keuzes die
worden gemaakt.
De voorzitter:
Oké. U gaat verder, mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik was gebleven bij solidariteit. Dit is misschien wel een mooie
overgang. In het kader van solidariteit vindt mijn fractie het niet
gewenst om je als land in te spannen voor het strengste asielbeleid van
Europa in plaats van voor het harmoniseren van regels. Dat had de vorige
regering in de memorie van toelichting geschreven en dat wordt nu door
dit kabinet probleemloos overgenomen. Mijn vraag is of het inderdaad de
keuze is van deze regering om het strengste asielbeleid van Europa in te
voeren. Zo nee, dan zeg ik dat dat de facto wel voortvloeit uit het
pact, gezien er bij de keuzeruimte vaak is gekozen voor de strengste
variant. Daarover ging het ook al even in het interruptiedebatje.
Voorzitter. In de inleiding van mijn bijdrage had ik het over de
uitvoering. Ik wil daarbij nog een paar punten noemen. Afgelopen vrijdag
verscheen er een bericht in Trouw. Op verzoek van de Kamer kregen we
zaterdag het interne rapport van de IND te zien. Daarin worden grote
zorgen geuit over de vraag of de dienst klaar is voor de
inwerkingtreding van het pact. Die zorgen zijn logisch aangezien het een
grote stelselverandering betreft, maar onnodig omdat de invulling van de
implementatiewet veel beleidsarmer en minder complex in de uitvoering
was geweest als er dichter bij het strikt noodzakelijke van dit pact was
gebleven. Ik begrijp niet goed dat we nu een goed systeem hebben van
juridische counseling, juridisch advies, door VluchtelingenWerk en
gespecialiseerde advocaten, maar dat dat volledig wordt uitgekleed en
wordt belegd bij de IND. Mijn vraag aan de minister is of het niet veel
verstandiger zou zijn om de IND te ontlasten en de juridische counseling
te blijven beleggen bij de mensen die dat nu al doen. Doet het rapport
van afgelopen weekend, waarin we kunnen lezen dat de IND het extra werk
niet aankan, de minister nog van mening veranderen? Dat lijkt mij zeer
wijs, maar dat kan ook gewoon binnen het pact. Het is een keuze om de
IND deze taken te geven, die leiden tot een enorme extra werklast.
Ik zeg dit ook omdat wij begrepen dat het volgens de laatste schattingen
nog vijf jaar duurt voordat de huidige voorraad is behandeld. Dat vind
ik een naar woord, maar dat is een woord voor mensen in de wachtrij. Wat
gebeurt er met deze mensen? Gaan zij straks niet onnodig lang een plek
bezet houden binnen een COA-locatie? Dat is in de eerste plaats een naar
vooruitzicht voor hen, maar dat belast ook onnodig het draagvlak in onze
samenleving.
Graag hoor ik ook de reactie van de minister op de opmerking die onder
meer de Raad voor de rechtspraak maakte bij het rondetafelgesprek bij
ons. Zij gaan uit van 19.000 extra zaken per jaar in 2028. Zij zeiden
daarbij dat ongeveer de helft voortkomt uit de keuze die het kabinet
maakt om oorlogsvluchtelingen veel minder rechten toe te kennen dan
mensen die vanwege andere redenen bescherming zoeken. Zij stelden ook
dat het afschaffen van de voornemenprocedure leidt tot meer werk. En dan
citeer ik even: de voornemenprocedure zorgt er nu nog voor dat een
behoorlijk aantal beroepen bij de rechtbank wordt voorkomen, omdat
motiveringsgronden en fouten kunnen worden hersteld voorafgaande aan een
beroep bij de rechter.
In datzelfde gesprek vertelden ze ook dat de hoge werkdruk ertoe leidt
dat er keuzes gemaakt moeten worden over het inzetten van rechters en
dat dit ook gevolgen kan hebben voor andere terreinen. Daarbij werden
toen specifiek familierecht, bijvoorbeeld uithuisplaatsingen, en
situaties waarbij slachtoffers zijn, genoemd. Als er keuzes gemaakt
moeten worden, kan dit dus ook voor deze domeinen betekenen dat zaken
langer moeten wachten, zo gaven zij aan. Ook dat heeft natuurlijk
gevolgen voor het draagvlak in de samenleving. Daarover heb ik twee
vragen. Hoe ziet de minister de adviezen van de Raad voor de rechtspraak
ten aanzien van zijn keuzes om nationale maatregelen in te voeren in
deze implementatiewet? Wat gaat hij doen om de werkdruk te
verlichten?
Voorzitter. Dan rond ik af. Wij, GroenLinks-PvdA, zijn voor een
eerlijker systeem met duidelijke regels en snelle procedures, in het
belang van mensen zelf maar ook voor het draagvlak in de samenleving.
Wij willen af van het verdienmodel van mensensmokkelaars. We zijn voor
solidariteit tussen landen onderling en in onze samenleving. We willen
ook dat de uitvoeringsorganisaties worden ondersteund. Dat zijn de
mensen die het werk echt moeten doen. Maar in een democratische
rechtsstaat als de onze zijn kinder- en mensenrechten altijd leidend.
Daarom hoop ik dat de coalitiepartijen goed kijken naar de amendementen
die wij samen met Volt en de ChristenUnie hebben ingediend. Want wij
staan vandaag voor een keuze, zeg ik ook tegen mijn collega's: de keuze
voor een humaan en menswaardig beleid, met draagvlak maar ook zeker met
oog voor kinder- en mensenrechten.
De voorzitter:
Ik kijk even rond. Wij zijn aan het einde gekomen van de eerste termijn
van mevrouw Westerveld. We gaan naar mevrouw Vondeling, voor haar eerste
termijn namens de PVV.
Mevrouw Vondeling (PVV):
Voorzitter. Elke week melden zich nog steeds 800 tot 900 asielzoekers in
Nederland. Het asielbeleid is al jaren dweilen met de kraan wagenwijd
open. De kosten rijzen de pan uit. Een gemiddelde asielmigrant kost de
Nederlandse Staat volgens deskundigen als Jan van de Beek zo'n €800.000
over zijn hele leven. Inclusief nareizigers gaat het zelfs richting de
1,3 miljoen euro per asielmigrant. Dat betekent dat asielmigratie ons
land jaarlijks tussen de 20 en 25 miljard euro kost, miljarden die we
veel beter kunnen uitgeven aan onze eigen mensen, aan woningbouw, zorg,
veiligheid en lagere lasten voor Nederlanders.
Van de statushouders die drie jaar geleden begonnen zijn aan een
inburgeringstraject leeft driekwart nog steeds van een uitkering. Grote
aantallen mensen komen hiernaartoe en maken ten volle gebruik van onze
verzorgingsstaat, maar dragen er nooit aan bij. Mensenhandel, fraude,
overlast en criminaliteit gaan hand in hand met deze asielchaos. Azc's
schieten als paddenstoelen uit de grond in wijken waar niemand ze wil,
terwijl Nederlandse gezinnen jaren op een wachtlijst staan. Dit
asielbeleid is onhoudbaar. Het is een aanslag op Nederland.
Het asielbeleid van dit kabinet leunt zwaar op het Europees Asiel- en
Migratiepact, waarvan we vandaag de implementatiewet bespreken. Maar dit
pact is gebouwd op drijfzand. Het is een rampzalige papieren tijger, die
de massale instroom niet tegenhoudt maar alleen maar probeert te
verdelen over Europa. Het biedt nul komma nul antwoorden op de problemen
die Nederland al jaren teisteren: overlast, criminaliteit, islamisering,
en een enorme druk op onze verzorgingsstaat en cultuur. Het pact gaat
prat op de rechten van asielzoekers, met mooie woorden over bescherming,
procedures en menselijkheid. Maar waarom denken wij hier in deze Kamer
eigenlijk nooit aan de rechten van Nederlanders? Waarom worden keer op
keer de rechten van Nederlanders ondergeschikt gemaakt aan die van
gelukszoekers en criminelen?
Van links tot rechts in deze Kamer hebben we het continu over de rechten
van minderheden, over homo's, over Joden, over vrouwenrechten, maar
tegelijkertijd importeren we puur kwaad, islamitisch kwaad. Christelijke
immigranten uit Canada zouden dit niet doen. Het is de sloop van onze
identiteit en cultuur. Het is het buigen voor shariapraktijken. En wie
betaalt de prijs? Niet de mensen die hier veilig in hun ivoren toren
zitten. Nee, de gewone Nederlander. Dat meisje van 17 die in Hardenberg
van haar fiets is gesleurd door een asielzoeker terwijl hij haar
probeerde te verkrachten. Die jonge vrouw van 19 die in Rotterdam
seksueel werd belaagd en ernstig werd mishandeld door een asielzoeker.
De moeders en vaders die hun dochters niet meer alleen naar school
durven laten gaan. Heel Nederland betaalt de prijs voor dit naïeve en
laffe opengrenzenbeleid.
Dit pact gooit wel met mooie woorden over grensprocedures en terugkeer,
maar in de praktijk kunnen gelukszoekers gewoon doorlopen naar
Nederland. Vastzetten is nauwelijks mogelijk en de buitengrenzen blijven
zo lek als een mandje. Zoals de minister zelf in antwoord op onze vragen
heeft toegegeven: er komt geen hek om Europa. Zodra die mensen
ongescreend ons land binnen zijn gekomen, zou de minister natuurlijk
alles op alles moeten zetten om hun reisroute en hun identiteit te
traceren. Maar wat blijkt uit het rapport van de IND? Identificatie en
registratie zijn een puinhoop. Telefoons en andere gegevensdragers
worden niet uitgelezen. Dat is toch werkelijk van de gekke! Als er een
wetswijziging voor nodig is om die telefoons wél uit te kunnen lezen,
waarom ligt dat wetsvoorstel dan niet allang met spoed bij ons in de
Kamer? Waarom is er dit getreuzel? Ik zal hier een motie over
indienen.
In plaats van grip te krijgen op migratie, creëert dit pact alleen maar
meer bureaucratie en meer mogelijkheden om door te procederen. Het
verplicht Nederland om asielzoekers af te kopen of nog meer mensen op te
nemen. Dat is geen bescherming van Europa; dat is capitulatie. Europa
heeft op asielgebied nooit iets voor elkaar gekregen. Dit wordt de
zoveelste flop op rij. Polen, Hongarije en Slowakije hebben al keihard
aangegeven dat zij het pact niet gaan uitvoeren. Ze nemen geen extra
asielzoekers over en betalen geen cent extra. Ik roep de minister op:
doe hetzelfde. Betaal desnoods een boete, net als Hongarije doet. Dat is
namelijk een schrijntje vergeleken met de tientallen miljarden euro's
die de open grenzen de belastingbetaler jaarlijks kosten.
De voorzitter:
U heeft een interruptie van mevrouw Straatman.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik hoor mevrouw Vondeling zojuist zeggen: het pact creëert extra
mogelijkheden om te kunnen doorprocederen. Zou ze dat kunnen
toelichten?
Mevrouw Vondeling (PVV):
Ik was het wetsvoorstel en de memorie van toelichting aan het lezen en
echt om de pagina stond er wel een mogelijkheid voor asielzoekers om
door te procederen tegen een deelbesluit, of het nu gaat om
grensdetentie of om binnen de procedure. Er worden heel veel
mogelijkheden gecreëerd. Wij vinden dat gewoon gekkenwerk.
Mevrouw Straatman (CDA):
In uitspraken van de Raad van State lezen we vaak: doorprocederen
gebeurt met name omdat we het tweestatusstelsel invoeren. Oftewel,
mensen die een subsidiaire bescherming krijgen, gaan daarna
doorprocederen om hun A-status, hun vluchtelingenstatus, te krijgen.
Maar dat zijn de wetten die nota bene mevrouw Faber in het vorige
kabinet erdoor heeft gekregen. Maken de mogelijkheden om door te
procederen het juist niet mogelijk om het tweestatusstelsel in te
voeren?
Mevrouw Vondeling (PVV):
Het gaat om elk ander vlak waarop doorgeprocedeerd mag worden. Het gaat
dus niet alleen om het tweestatusstelsel. Ik vind het gewoon te gek voor
woorden dat er bijna op elk deelbesluit doorgeprocedeerd worden. Ik weet
niet of mevrouw Straatman zelf de memorie van toelichting heeft gelezen,
maar daar staat het letterlijk in.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik kan mevrouw Vondeling geruststellen: ik heb de memorie van
toelichting gelezen. In vorige wetgeving was er inderdaad minder
mogelijkheid om door te procederen als het gaat om dat
tweestatusstelsel. Dat wordt nu juist aangepast, om die strengere regels
te stellen op basis van nareis. Dat is volgens mij precies wat de PVV
wil. Sterker nog, dat zijn de wetten van Faber geweest. Als het hier
gaat over meer mogelijkheden die worden gecreëerd om door te procederen,
dan zou ik wel het hele verhaal vertellen, namelijk dat die het juist
mogelijk maken om de wetten strenger te maken. Ja, het pact biedt die
ruimte, maar ik kan me niet anders voorstellen dan dat mevrouw Vondeling
heel graag wil dat de wetten van mevrouw Faber ook worden
uitgevoerd.
De voorzitter:
Dat waren 39 seconden.
Mevrouw Vondeling (PVV):
U richt zich op één onderdeel van het pact, namelijk op het
tweestatusstelsel, terwijl ik het heb over het gehele pact en de
mogelijkheid om te procederen op elk deelbesluit. Daarnaast is dat niet
de enige kritiek die mijn fractie op dit pact heeft. Wij hebben
eigenlijk op elk punt kritiek, dus niet alleen wat betreft
doorprocederen. Maar mijn kritiek ziet zeker niet alleen op het
tweestatusstelsel.
De heer Ceder (ChristenUnie):
De ChristenUnie is altijd kritisch geweest op het tweestatusstelsel,
juist omdat je daarmee de beroepsmogelijkheden vergroot. Het CDA, de PVV
en de meerderheid van de Kamer hebben er willens en wetens voor gekozen.
Dat is geen keus van dit kabinet. Dat was een keus van mevrouw Faber,
die deze wetten zodanig ontworpen heeft. Mijn vraag aan u is: is het
voorstel voor de PVV van mevrouw Faber achteraf gezien een slim idee, of
een onverstandig idee? U heeft wel voorgestemd. Het komt uit de hand van
mevrouw Faber. Dan heb ik het specifiek over het tweestatusstelsel, met
als gevolg dat je moet doorprocederen. Deze discussie hebben we gehad
met elkaar.
De voorzitter:
Dat waren 44 seconden, maar meneer Ceder heeft de spelregel misschien
niet meegekregen: onder de 30 seconden is een interruptie gratis en
boven de 30 seconden telt die voor twee. U heeft er maximaal tien.
Mevrouw Vondeling (PVV):
Meneer Ceder gaat eigenlijk door op hetzelfde punt als mevrouw
Straatman. Mijn kritiek ziet op het doorprocederen in het gehele pact,
niet alleen op het tweestatusstelsel. Onze fractie vindt dat de
gezinshereniging heel erg moet worden beperkt. Wij zien gewoon het
liefst een stop. Het tweestatusstelsel is niet genoeg voor nu. Wij
willen gewoon een tijdelijke stop op gezinshereniging. Daar heb ik ook
een amendement voor ingediend. Ik heb het over alle punten waarop
doorgeprocedeerd kan worden. Als je kijkt naar het wetsvoorstel, zie je
dat op elk punt, tegen elk deelbesluit, of het nou gaat om een
grensprocedure of om inbewaringstelling, kan worden doorgeprocedeerd.
Daar heeft mijn fractie kritiek op.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Mijn vraag is niet beantwoord. Het tweestatusstelsel met de mogelijkheid
om door te procederen komt van mevrouw Faber. Vindt de PVV, die daarmee
heeft ingestemd, het nu een goed of een slecht besluit om dat zo te
doen?
Mevrouw Vondeling (PVV):
Zoals ik net heb aangegeven, is onze fractie natuurlijk voor het
beperken van gezinshereniging, dus voor een tweestatusstelsel. Alleen
vinden wij het eigenlijk niet genoeg. Wij willen dus een tijdelijke stop
op alle gezinshereniging. Er staan nu 53.000 nareizigers klaar in het
buitenland om naar Nederland te komen. Nederland kan dat niet aan. Waar
moeten we die mensen laten? Wij willen dus nog een stap verder gaan, en
dat is een tijdelijke stop op alle vormen van nareis.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dan concludeer ik dat de PVV het een goed besluit vond van mevrouw Faber
om met dit voorstel te komen, inclusief de mogelijkheid om door te
procederen. Dat wil ik even markeren, omdat het in de wirwar van
verschillende argumenten die aangedragen worden, klopt dat de PVV hier
gewoon voor heeft gestemd en dit waarschijnlijk ook een goed punt vindt,
zoals net uit de interruptie bleek. Dat wou ik even markeren.
Mevrouw Vondeling (PVV):
Dan wil ik eigenlijk ook nog even markeren dat wat de ChristenUnie en
kennelijk ook het CDA betreft gezinshereniging gewoon voor iedereen
ongelimiteerd mogelijk mag zijn, want als u zo veel kritiek heeft op dat
tweestatusstelsel, dan zegt u: iedereen mag ongelimiteerd een aantal
gezinsleden zonder voorwaarden naar Nederland halen. Daar is de PVV
inderdaad niet voor. Het doorprocederen vinden wij in het gehele pact
een probleem. Wat betreft die gezinshereniging zeggen wij: wij willen
het eigenlijk nog strenger.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Daarop wil ik reageren, want ik word aangesproken. Dat is niet waar. De
PVV heeft ingestemd met het tweestatusstelsel, wat een vertraging
oplevert, maar geen inperking. Na twee jaar en met huisvesting kunnen
gezinsleden alsnog komen. Het is wel waar dat er een minimumleeftijd is
ingesteld; daar was de ChristenUnie niet op tegen. Maar de PVV staat er
ook voor dat iedere persoon die aan die voorwaarden voldoet uiteindelijk
herenigd mag worden. Dat voorstel heeft mevrouw Faber ingediend. Daar
heeft de PVV mee ingestemd. U moet dus niet doen alsof u dat niet gedaan
heeft, zeg ik via de voorzitter.
Mevrouw Vondeling (PVV):
Ik wil niet de hele tijd reageren, hoor, maar ik wil wel even opmerken
dat wij daarna een tienpuntenplan hebben ingediend om een tijdelijke
stop op gezinshereniging in te voeren.
De voorzitter:
Mevrouw Vondeling gaat verder met haar bijdrage. Ze moet even kijken
waar ze was.
Mevrouw Vondeling (PVV):
Excuus, ik moest even kijken waar ik was gebleven.
Stop met leunen op Brusselse luchtkastelen, zeg ik tegen de minister, en
neem nationale maatregelen om de instroom te stoppen. Stop met het
opofferen van Nederlandse meisjes en vrouwen op het altaar van Brusselse
mensenrechtenretoriek en stop met het importeren van dit kwaad. Doe wat
andere landen ook doen; dat werkt. Duitsland stuurt asielzoekers aan de
grens terug en voert gedwongen uitzettingen uit. Oostenrijk heeft een
stop op nareis ingevoerd en Polen een asielstop bij illegale
grensoverschrijdingen. België heeft eerder besloten geen alleenstaande
mannen meer op te vangen. Waarom doet Nederland nog steeds niets, vraag
ik de minister. Waarom blijven wij de enige sukkels in Europa die alles
maar slikken?
De PVV zegt: we moeten onze eigen grenzen bewaken en per direct een
asielstop invoeren; grenzen dicht en geen uitzonderingen. Laat geen
asielzoeker meer ons land binnen; stuur ze direct terug aan de grens. Ze
komen immers uit veilige landen. We kunnen ook niet meer wachten met het
nemen van maatregelen op nareis. Er staan 53.000 familieleden van
statushouders klaar in het buitenland om naar Nederland te komen. Er
moet daarom nu onmiddellijk een stop op nareis worden ingevoerd, in alle
gevallen. Sluit ook azc's. Gooi die vreselijke dwangwet vandaag nog de
prullenbak in. Trek verblijfsvergunningen direct in als het land van
herkomst weer veilig is. Begin met remigratieprogramma's, inclusief
gedwongen vertrek, bijvoorbeeld voor Syriërs. Laat ze teruggaan naar hun
eigen land om het te helpen opbouwen in plaats van hier de boel af te
breken. Stuur criminele vreemdelingen ons land uit en stel illegaliteit
strafbaar.
Voorzitter, ik zal afronden. Voor de PVV is duidelijk dat deze
implementatiewet verre van voldoende is om de instroom te stoppen. Ik
heb daarom ook een aantal amendementen opgesteld: één om de
Spreidingswet in te trekken, een amendement om onmiddellijk een
tijdelijke stop op nareis in te voeren en een amendement, dat straks
wordt ingediend, om illegaliteit strafbaar te stellen. Ook zal ik in de
tweede termijn een aantal moties indienen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dan kijk ik even rond of er nog interrupties zijn. Dat is niet het
geval. Dan gaan we naar meneer Van Asten, die spreekt namens D66, voor
zijn eerste termijn.
De heer Van Asten (D66):
Dank, voorzitter. De afgelopen periode hebben we eindeloos veel
politieke discussies gezien over asiel en migratie, maar de échte grote
oplossingen bleven uit. Wie zijn daarvan de dupe? Dat zijn de mensen die
resultaten willen zien van politiek, de mensen die oprecht controle
willen hebben over instroom en snelle afhandeling van aanvragen en
terugkeer van mensen die hier niet kunnen blijven, en natuurlijk de
mensen die vluchten voor oorlog en geweld en alles achter zich laten om
een vrij en veilig nieuw thuis te vinden. Voor al deze mensen wordt het
tijd dat de politiek niet langer eindeloos in cirkels blijft praten,
maar gaat leveren. Het Migratiepact biedt daarvoor flinke kansen: kansen
om een einde te maken aan een vastgelopen asielketen, kansen om te
voorkomen dat mensen met gevaar voor eigen leven hun lot in handen
moeten leggen van nietsontziende mensensmokkelaars, en kansen om
wachtlijsten te verkorten en de doorstroom op gang te brengen, zodat we
niet hoeven terug te vallen op dure noodopvang in boten en hotels, zoals
onder het vorige kabinet. Het biedt kansen om procedures te versnellen,
zodat vluchtelingen sneller kunnen starten met een nieuw leven in
Nederland, met mogelijkheden om te werken, te leren of de Nederlandse
taal snel onder de knie te krijgen. Met het Migratiepact kunnen we een
grote stap vooruitzetten voor vluchtelingen die jarenlang aan de zijlijn
staan, voor personen die moeten terugkeren en voor inwoners die gewoon
een goed werkend asielsysteem willen.
Voorzitter. In dit debat over het Migratiepact wil ik namens de fractie
van D66 drie uitgangspunten benadrukken: in Europa samenwerken aan een
migratieoplossing, snel aan de slag met een goede invoering en een wet
die mensen zekerheid biedt en hen verder brengt.
Voorzitter. Ik begin bij de samenwerking in Europa. Jarenlang heerste in
Europa het principe van ieder voor zich en sloot het migratiebeleid van
landen amper op elkaar aan. Voor het eerst in onze geschiedenis wordt
een asielsysteem gecreëerd dat op hoofdlijnen in heel Europa hetzelfde
is. Daar is tien jaar over onderhandeld. Als we nog verder terugkijken,
zien we misschien nog wel eerdere discussies. Nu gaan we als Europa
eindelijk samen stappen zetten om hiermee aan de slag te gaan. Dit is
een belangrijk resultaat van Europese samenwerking dat ook echt het
verschil kan maken. Zowel de IND als het COA geeft aan dat het pact de
wachttijden en procedures zal inkorten.
Voorzitter. We hoeven er niet omheen te draaien: het Migratiepact is een
behoorlijke kluif aan wetgeving, waar ook nog eens een enorme tijdsdruk
op staat omdat het hoe dan ook op 12 juni in zal gaan. Snelheid is dan
belangrijk. Onder het vorige kabinet, onder minister Faber, is er
onnodig veel tijd verloren gegaan. Ik wil de nieuwe minister vragen hoe
hij ervoor zorgt dat hij met de hele keten hier op 12 juni klaar voor
is. De IND heeft daarbij een spilfunctie. We lazen in hun brief van
afgelopen weekend dat zij in principe per 12 juni van start kunnen gaan.
Ik vraag de minister wat de IND nog van ons nodig heeft om de
implementatie van dit pact tot een succes te maken. Kan de minister
aangeven wat nog nodig is om de IT-structuur op tijd te starten? In het
rapport las ik ook over de discussie over Ter Apel en Budel. Eigenlijk
wordt alles op Ter Apel gesitueerd. De vraag is of dat voldoende is. Wat
betekent dat voor mensen die in procedure gaan in Budel zelf? Moeten die
voor screening et cetera allemaal op en neer van Budel naar Ter Apel?
Dat is een treinverbinding die niet direct is, zullen we maar
zeggen.
Voorzitter. Ik denk ook aan de rechtspraak. Die geeft aan extra zaken te
verwachten nadat het Migratiepact is ingevoerd. Ik wil voorkomen dat we
de verstopping in de asielketen gaan oplossen, maar dat we vervolgens
een verstopping is de rechtspraak veroorzaken waardoor procedures alsnog
uitlopen. In de nota naar aanleiding van het verslag staat dat de
minister hierover in periodiek overleg is met de rechtspraak. Wat kan
hij nu aan de voorkant al doen om ervoor te zorgen dat de druk op de
rechtspraak onder controle blijft? Houdt hij daarbij rekening met
voldoende opleidingscapaciteit en financiële middelen?
Voorzitter. Als ik kijk naar de investeringen van dit kabinet in de
asielketen, dan zie ik dat na de vorige kabinetsperiode eindelijk weer
de juiste randvoorwaarden worden neergelegd om mensen zekerheid te
bieden en verder te helpen. Daarbij mogen personen met een kansrijke
procedure ook direct meedoen door sneller aan het werk en naar school te
gaan. Want hoe frustrerend moet het zijn om zo lang te wachten voordat
je iets kan doen in dit land? Gezien de arbeidstekorten in ons land,
kunnen deze mensen juist een heel waardevolle toevoeging leveren aan
onze maatschappij. Denk aan het bouwen van wegen en woningen, het beter
maken van de zorg en vele andere sectoren. Dat is niet alleen goed voor
de mensen in de procedure zelf, maar ook voor Nederland. Wel ben ik
benieuwd hoe het zit met personen die niet uit een kansrijk land komen —
daar hebben we het net al kort over gehad — maar die wel een grote kans
hebben op een verblijfsstatus op basis van hun persoonlijke
omstandigheden. Zij vallen nu buitenboord om een bijdrage te kunnen
leveren aan bijvoorbeeld de woningbouw. Ik vraag de minister: kunnen we
voor deze groep mensen nog een oplossing bedenken? In het
coalitieakkoord is ook afgesproken om te kijken naar een alternatief
voor de tewerkstellingsvergunning, juist omdat die in de praktijk vaak
leidt tot veel administratief gedoe. Ik zie dat daar met de
inwerkingtreding van het Migratiepact echter nog geen stappen in worden
gezet. We verwachten wel dat dit ook op 12 juni klaar is. Kan de
minister dat bevestigen?
Voorzitter. Als je het hebt over vluchtelingen zekerheid bieden en
verder helpen, dan moet je ook goed kijken naar de omstandigheden in de
asielgrensprocedure en tijdens de screening. Laat ik helder zijn: het
waarborgen van mensenrechten moet het fundament van het Migratiepact
zijn. Dat betekent ook dat wij duidelijkheid willen voor mensen in deze
procedures. We hechten er veel waarde aan dat zij gewoon in goede
omstandigheden hun procedures kunnen doorlopen. Kan de minister ingaan
op de vraag hoe hij dat waarborgt voor gezinnen met kinderen? Kan hij
bevestigen dat hij alles op alles zal zetten om deze gezinnen in
beginsel in een regulier asielzoekerscentrum op te nemen, juist vanwege
het belang van de kinderen?
De voorzitter:
Eerst een interruptie van mevrouw Westerveld en daarna van de heer
Dassen.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik hoor D66 zeggen dat mensenrechten centraal zouden moeten staan. Nu
gaat mijn vraag ook over mensenrechten, over kinderrechten. Ik trek
namelijk al jaren samen met de collega's van D66 op om ervoor te zorgen
dat er wordt afgebouwd ten aanzien van kinderen die in Nederland in de
gesloten jeugdzorg zitten. Wat vindt D66 van de detentie van kinderen?
Zou dat onderdeel niet gewoon uit de implementatiewet moeten worden
gehaald?
De heer Van Asten (D66):
Ik vind het heel goed dat daar alle aandacht voor is. Er staat namelijk:
het gaat om het welzijn van kinderen; het belang van kinderen moet
vooropstaan. Dan moeten we heel goed bekijken of het nou in het belang
van kinderen is om zonder hun ouders in de procedure te zitten, of juist
met hun ouders. Daarom is mijn vraag aan de minister: hoe kunnen we
ervoor zorgen dat gezinnen indien mogelijk, zeker geredeneerd vanuit het
belang van de kinderen, behandeld worden vanuit een normaal azc? Als er
toch sprake van is dat een gezin in bewaring is, bijvoorbeeld omdat het
wordt uitgezet, en er iets is waardoor dat nodig is, dan moet je kijken
naar het belang van het kind: horen kinderen dan bij hun ouders te
blijven of zijn die beter af als ze los van elkaar zijn? Ik denk dat het
dan toch vaak in het belang van de kinderen is om dat in gezinsverband
te doen.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Het is nooit in het belang van kinderen dat ze worden opgesloten; dat
staat in ieder geval bovenaan. Maar laten we dan eens kijken naar de
grensdetentie. De grensdetentie van kinderen is door voormalig
staatssecretaris Teeven afgeschaft omdat die schadelijk was, maar dreigt
nu weer ingevoerd te worden. Dan is mijn vraag aan D66: waarom zouden we
dat moeten toelaten als we weten dat het schadelijk is voor kinderen en
dat dit straks systematisch kan gaan gebeuren?
De heer Van Asten (D66):
Als we kijken naar het hele pact, de doelstelling daarvan en de wijze
waarop we snel aan de mensen die ons land binnenkomen, inclusief
gezinnen, de duidelijkheid willen geven of ze daadwerkelijk wel of niet
mogen blijven, dan moeten we ook kijken op welke manier we dat het
snelste kunnen doen. Soms kan dat met zo'n grensprocedure zijn. Ook dan
is de vraag natuurlijk in welke omstandigheden gezinnen met kinderen
terechtkomen. Ik heb begrepen dat dat in de faciliteit in Zeist is. We
zullen er uiteraard goed oog voor moeten houden of dat een locatie is
waar kinderen voor de korte termijn goed kunnen verblijven. Dat is
natuurlijk heel iets anders dan het idee dat mensen vaak hebben van wat
"detentie" betekent. Mijn vraag aan de minister was dan ook: welke
stappen moeten we daarin zetten, beredeneerd vanuit het belang van
kinderen, en welke mogelijkheden hebben wij, als het ook maar enigszins
mogelijk is, om die mensen op te vangen in een regulier azc?
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Het punt is dat het precies hetzelfde is. Ook van de gesloten jeugdzorg
wordt gezegd dat het om kindvriendelijke settings gaat, maar we weten
dat het enorm diepe trauma's bij kinderen achterlaat. Detentie is
detentie en opsluiten is opsluiten; dat is precies het idee erachter.
Dat is dus schadelijk.
Dan een vervolgvraag. Het kan niet allebei waar zijn. Het kan niet zo
zijn dat én de mensenrechten vooropstaan én er ook wordt gekeken hoe we
snelle procedures kunnen bewerkstellingen. Dat hoorde ik namelijk als
tweede zijsprong. Dan is mijn vraag: als de mensenrechten vooropstaan,
zou D66 dan niet primair moeten kijken naar mensenrechten en
kinderrechten en daar vervolgens de procedures op moeten aanpassen in
plaats van andersom?
De heer Van Asten (D66):
Ik denk dat mevrouw Westerveld enkele zaken tegenover elkaar zet die
niet tegenover elkaar hoeven te staan. Op het moment dat mensen vluchten
en in Nederland terechtkomen, is hun eerste belang dat zij in een
veilige omgeving terechtkomen waar zij ook tot rust kunnen komen. Daar
hebben we in Nederland volgens mij prima faciliteiten voor. Over
mensenrechten gesproken: het is vervolgens ook in het belang van mensen
die hier komen dat zij snel duidelijkheid krijgen over wat de volgende
stap is. Mogen ze hier blijven, en zo ja, hoe werkt die procedure? Gaat
dat snel, zodat ze ook snel door kunnen gaan met hun leven, als het gaat
over onderwijs of het vinden van een baan? Maar op het moment dat mensen
hier niet mogen blijven, bijvoorbeeld omdat ze eerder in een ander
Europees land zijn geweest of omdat hun aanvraag niet wordt gehonoreerd,
is het ook in hun belang dat er zo snel mogelijk een procedure gestart
wordt om hen weer terug te brengen naar het land, zodat ze daar kunnen
blijven. Iemand hier tien jaar ergens in een wachtstadium laten zitten,
is volgens mij het meest schadelijke dat we mensen kunnen aandoen.
De voorzitter:
Oké. Eerst meneer Dassen, en dan meneer Ceder.
De heer Dassen (Volt):
Ik ben een beetje zoekende naar het antwoord. Wat is nou precies het
belang van een kind op het moment dat het in detentie wordt gezet? Kan
de heer Van Asten mij dat uitleggen?
De heer Van Asten (D66):
Het belang van het kind is dat het, na een vlucht weg van waar het dan
ook vandaan is gekomen, in een veilige en rustige omgeving terechtkomt,
en niet meer bedreigd wordt. Het belang van het kind kan dan te allen
tijde zijn dat het bij het gezin blijft. Daarom is de inzet van D66 om
er maximaal op in te zetten om, als het enigszins mogelijk is, mensen
toch in een regulier azc op te vangen. De vraag aan de minister is dan
ook of dat kan. En als dat niet kan, is de inzet om vanuit het belang
van het kind te kijken of het beter is dat het kind bij de ouders blijft
of dat het apart wordt opgevangen.
De heer Dassen (Volt):
De heer Van Asten begon zijn bijdrage met "mensen die alles achter zich
laten voor oorlog en geweld". Dan is het toch niet in het belang van het
kind om vervolgens in een detentiecentrum terecht te komen? Dat is toch
niet een plek waar kinderen zich vrij en veilig kunnen voelen? Dat
zouden we toch moeten voorkomen? We zouden er toch voor moeten zorgen
dat gezinnen dan juist niet in een detentiecentrum, maar gewoon in een
reguliere opvang terechtkomen? Is de heer Van Asten dat met mij
eens?
De heer Van Asten (D66):
Dat was precies mijn vraag aan de minister.
De heer Dassen (Volt):
Maar dit staat in de wet. Dat hebben we allemaal zelf kunnen lezen. Het
is natuurlijk makkelijk om het nu bij de minister neer te leggen, maar
mijn vraag aan de heer Van Asten is: is D66 het daarmee eens? We weten
dat kinderen die in detentie hebben gezeten, bang zijn voor de deurbel,
's nachts in hun bed plassen terwijl ze al zindelijk zijn en hun ouders
continu aan de hand vasthouden, omdat ze niet meer alleen durven te
zijn. Dat zijn de consequenties van kinderen in detentie plaatsen. Is
D66 het met mij eens dat we dit uit deze wet moeten halen, en dat die
wet anders niet oké is?
De heer Van Asten (D66):
Ik ben het daar niet mee eens, zoals ik al in meerdere
interruptiedebatten heb aangegeven. Ik denk dat het in het belang van
een kind is om in een rustige omgeving te zitten, juist ergens op een
plek zoals in Zeist, waar daar een goede opvang voor is. Dan denk ik dat
het eerder in het belang van het kind is dat we ervoor zorgen dat het
samen met de ouders opgevangen wordt dan dat zij van elkaar gescheiden
worden.
De voorzitter:
Dan gaan we naar de interruptie van de heer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
De ChristenUnie is een groot voorstander van het Migratiepact, zoals we
eerder ook hebben aangegeven. Wij zijn inderdaad wel best kritisch op
het punt van kinderen. Dat zal u niet verbazen. Met mijn jeugdzorgpet op
weet ik dat kinderen vaak niet gedijen in een gesloten setting. Verhalen
over zelfmutilatie en soms suïcide zijn de meest erge vormen, maar er
kunnen allerlei gedragsproblemen aan de orde zijn. Ik mis bij D66 een
geloofwaardig verhaal over hoe we dat tegengaan. Ik hoop dat na deze
interruptie alsnog te horen, want dat is voor ons wel belangrijk.
De heer Van Asten (D66):
D66 staat natuurlijk helemaal aan dezelfde zijde als het gaat over het
belang van het kind. Daarom moeten we ook goed bekijken welke
instellingen erbij betrokken zijn om te zorgen dat het welzijn van het
kind vooropstaat. Ik denk wel dat, in een vergelijking, een gesloten
opname voor de jeugdzorg en opvang voor korte tijd in deze procedure
echt twee verschillende zaken zijn.
De heer Ceder (ChristenUnie):
De aanname dat het kort is, ligt momenteel ook in de wet besloten,
namelijk dat een asielprocedure acht dagen duurt. Maar inmiddels kan die
jaren duren. Ik ben er dus nog niet van overtuigd dat het daadwerkelijk
tot een korte periode zal leiden als we afspreken dat het kort duurt. Ik
vraag me af hoe D66 dat gaat waarborgen door het in de wet te zetten of
er een beleidsregel op te plaatsen. Want we zien dat het tien- en soms
honderdvoudige van die tijd wel degelijk tot de mogelijkheden behoort.
Hoe borgen we dan dat het belang van het kind nog overeind blijft?
De heer Van Asten (D66):
Als het langer duurt dan de voorgeschreven periode, dan is het
natuurlijk niet meer in het belang van het kind om heel lang in zo'n
situatie te zitten. Dan zou je graag door willen gaan naar plaatsing in
een azc. Maar dan voldoen we niet meer aan het startpunt van het pact
dat zo'n procedure maar kort duurt.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dus om het even goed te begrijpen: wanneer de periode langer duurt dan
voorgeschreven, is D66 van mening dat dat niet meer in het belang van
het kind is en dat overplaatsing het geval zou moeten zijn. Is dat uw
standpunt, of hoopt u dat? Ik probeer even te achterhalen wat u precies
…
De heer Van Asten (D66):
Ik weet niet precies wat de termijn is waarop het belang van het kind
onder druk komt te staan. Ik heb al aangegeven dat ik denk dat het goed
is om een gezin in een regulier asielzoekerscentrum te plaatsen als er
geen zwaarwegende redenen voor verlenging zijn, maar dat zal vervolgens
wel moeten blijken. Hoe langer zo'n procedure duurt, hoe minder snel je
kunt zeggen dat het nog in het belang van het kind is om daar te zijn,
denk ik. Daar plaats ik wel de volgende kanttekening bij: als het leidt
tot het uit elkaar halen van een gezin, lijkt me dat zeer zwaarwegend en
totaal niet in het belang van een kind.
De voorzitter:
Dan mevrouw Westerveld nog een keer en ik zag dat mevrouw Van der Plas
ook nog een vraag wil stellen, maar dat is waarschijnlijk over hetzelfde
onderwerp. Ja, zie ik.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik wil even iets markeren. Detentie werd net aangeduid als een rustige
setting, maar detentie is geen rustige setting. Detentie is uiterst
traumatiserend, helemaal voor kinderen. Dat is één.
Twee is het punt dat gezinnen bij elkaar zouden moeten blijven. De
grensprocedure hoeft niet in een gesloten setting, maar kan ook in een
open setting. Er is nergens bewezen dat een gesloten setting bijdraagt
aan een sneller proces. Mijn vraag is dus: waarom zou D66 er dan niet
voor kiezen om de grensprocedures voor in ieder geval gezinnen met
kinderen in een open setting te doen?
De voorzitter:
Dat was 33 seconden. Ja, de VAR is erbij.
De heer Van Asten (D66):
Ik denk nog steeds dat we daar even een stap terug van moeten doen.
Wanneer mensen in een gezinssituatie in de grensprocedure komen, moeten
we idealiter bekijken of het, bezien vanuit het belang van het kind,
nodig is dat ze in die situatie zitten, of dat het dan beter is om ze in
een regulier asielzoekerscentrum te zetten, al dan niet met een bepaald
regime erop. Vandaar mijn vraag aan de minister; die stel ik niet voor
niks. Als het allemaal echt niet anders kan, zul je toch blijven zitten
met bijvoorbeeld de ruimte in de faciliteit in Zeist.
De voorzitter:
Dan is mevrouw Van der Plas aan de beurt voor een interruptie.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
De heer Van Asten zei net: vluchtelingen die in Nederland terechtkomen,
zullen we toch moeten opvangen. Maar er is maar een handjevol
vluchtelingen dat rechtstreeks vanuit hun herkomstland in Nederland
terechtkomt. Dat is dan via Schiphol. Alle anderen komen per definitie
via een ander land. Ik ben benieuwd of de heer Van Asten van D66 kan
aanscherpen hoe hij de Dublinverordening ziet. Eigenlijk hoeven we die
mensen namelijk niet op te vangen; ze moeten gewoon terug naar het land
waar ze asiel hebben aangevraagd of naar een van de landen die ze zijn
doorlopen voordat ze hier terechtkwamen. Dat was een te lange
interruptie, hè?
De voorzitter:
Ja.
De heer Van Asten (D66):
Als mensen zich hier melden, zal er altijd nog moeten worden
gecontroleerd in welke omstandigheid zij hier komen, dus of zij vanuit
een ander Dublinland komen of niet. Dat betekent dat je altijd te maken
hebt met een moment van opvang. Een opvangfaciliteit zul je dus altijd
nodig hebben.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Als ze met een bus ergens aankomen, in Ter Apel bijvoorbeeld, zijn ze
per definitie vaak via andere landen gekomen. Slechts een handjevol komt
via Schiphol. Daar is de heer Van Asten het toch wel mee eens?
De heer Van Asten (D66):
Ja.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik zal het heel kort proberen te houden. Mijn vraag is: hoe ziet de heer
Van Asten dan de Dublinverordening? Die mensen moeten gewoon terug naar
het land waar ze vandaan komen. Dat kan Duitsland, Oostenrijk of Italië
zijn, waar ze via hun reis ook maar vandaan komen.
De heer Van Asten (D66):
Uiteindelijk zal dus moeten worden geconcludeerd waar die bus vandaan
komt en waar de mensen die in die bus zitten, zijn ingestapt. Daar heb
je minimaal één nacht voor nodig, dus je zult altijd een opvanglocatie
voor minimaal die ene nacht moeten hebben.
De voorzitter:
Meneer Van Asten gaat door met zijn bijdrage, maar ik denk dat hij
richting een einde gaat. Ik wil u niet opjagen, hoor.
De heer Van Asten (D66):
Dank. Ik was bij de vragen over de opvang van kinderen.
VluchtelingenWerk heeft aangegeven graag een rol te spelen bij het
aankaarten van mogelijke verbeteringen daarin. Aangezien mensen van
VluchtelingenWerk op elke locatie aanwezig zijn, lijkt dat de
D66-fractie een goed idee. Nidos zou daarbij ook een mooie toevoeging
kunnen zijn. Hoe kijkt de minister naar een rol voor deze organisaties
binnen het toezichtmechanisme? Is hij bereid hun een adviesfunctie te
geven ten aanzien van jaarlijkse aanbevelingen?
Voorzitter. Tot slot. In dit Migratiepact zit een goed pak beleid:
snellere procedures, strikte grensbewaking en meer nadruk op terugkeer.
Daar ligt een doel onder om de instroom te beperken en dat is nodig om
de druk op de keten te verlichten en ook om het draagvlak in de
Nederlandse samenleving hoog te houden. Laat ik daarnaast benadrukken
dat we dit doen om een eerlijk asielsysteem te creëren om mensen te
beschermen, om ervoor te zorgen dat mensen die vluchten voor oorlog en
geweld of die doodsangsten uitstaan omdat zij worden vervolgd, hier
gewoon snel een veilige plek kunnen krijgen. Dat is ook wat veruit de
meeste Nederlanders gewoon vinden. Daar kunnen we met dit pact na jaren
van politieke discussie eindelijk mee aan het werk, door samen te werken
in Europa, snel aan de slag te gaan met de invoering en met oplossingen
te komen die zekerheid bieden aan mensen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Even kijken. Wie was er eerder? Dat was mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik heb nog een wat algemenere vraag. Er zijn door mijn partij
verschillende amendementen ingediend, met ChristenUnie, met Volt. Ik heb
ook amendementen van JA21 gezien. Misschien komen er vandaag nog wel een
aantal. Dit kabinet heeft natuurlijk steun nodig van een meerderheid van
de Kamer, dus ik vroeg me gewoon af welke kant jullie straks op kijken.
Is dat de kant van een humaner beleid of is dat de kant van nog meer
versobering?
De heer Van Asten (D66):
Dit wetsvoorstel zoals het er nu ligt, met de implementatie van deze
Europese verordeningen, leidt er volgens mij toe dat we in Europa één
systeem gaan hebben dat mensen snel duidelijkheid biedt. Ik denk dat
mensen die op de vlucht zijn voor oorlog en geweld snel duidelijk willen
hebben hoe zij door kunnen gaan met hun leven. Dat zie ik terug in dit
pact. Dat vind ik het belangrijke dat dit pact met zich meebrengt en dat
vind ik een grote verbetering ten opzichte van al die jaren dat we hier
eigenlijk maar hebben aangemodderd en we de boel bewust in het honderd
hebben laten lopen. Dat had te maken met het feit dat er opvanglocaties
werden gesloten, waardoor je — ik heb dat als wethouder in Den Haag
meegemaakt — 's avonds op het moment dat er bussen door Nederland reden
telefoontjes kreeg met de vraag of er nog érgens een plekje was om ook
die gezinnen onder te brengen. Ik vond het echt beschamend dat we in
Nederland zo'n systeem hadden. Met dit pact zorgen we tenminste weer
voor helderheid en duidelijkheid. We willen, denk ik, samen met
gemeentes gaan werken aan voldoende opvangplekken, met daarbij helderde
procedures die door heel Nederland gedragen kunnen worden.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik ben het helemaal eens met dit pleidooi. Het is een hartstikke goed
pleidooi, maar mijn vraag was een andere. Ik heb ook aangegeven waarom
wij dit pact heel belangrijk vinden, maar ook waarom wij op een aantal
punten — dan noem ik de detentie van kinderen en gezinshereniging —
moeite hebben met de extra keuzes die zijn gemaakt; die kunnen we er ook
uit halen. Onze steun hangt daar in ieder geval van af. Mijn vraag aan
D66 is dus wat D66 gaat doen als ze ziet dat onze steun en misschien ook
wel die van een aantal andere partijen aan de wat progressievere kant
daarvan afhangt.
De voorzitter:
Dat was 35 seconden.
De heer Van Asten (D66):
We zitten nu pas halverwege de eerste termijn van de Kamer en we krijgen
nog de beantwoording door de minister en nog bijdrages van de collega's.
We krijgen van de minister nog de appreciatie van de amendementen. En
dan gaan we volgende week waarschijnlijk stemmen over alles wat er
voorligt. Ik zal met mijn fractie zeer kritisch naar alles kijken en ook
de beantwoording daarvan volgen.
De heer Dassen (Volt):
Misschien één vraagje hierop doorgaand. We hebben bij de
asielnoodmaatregelen natuurlijk op een gegeven moment gezien dat daar
het amendement strafbaarstelling illegaliteit in werd gefietst. Is D66
van mening nog voor deze wet te kunnen stemmen op het moment dat er
amendementen worden aangenomen die deze wet nog strenger maken?
De heer Van Asten (D66):
Dat is eigenlijk dezelfde vraag, maar dan vanuit een ander perspectief.
Ik ga er dus hetzelfde antwoord op geven, namelijk dat ik echt eerst wil
gaan kijken wat de appreciatie van de minister is. Wij kijken uiteraard
zelf ook naar de amendementen. Ik wil ook eerst de beantwoording van de
minister zien van alles wat wordt ingebracht, door de collega's die het
eerste deel van dit debat hebben gevoerd en ook door de collega's die
dadelijk nog het woord voeren.
De heer Dassen (Volt):
Dat antwoord vind ik jammer, zeker ook gezien wat er gebeurd is. Ik denk
dat het goed is om duidelijkheid te geven over hoeveel je als partij
kunt dragen. Blijkbaar moeten we daar nog op wachten. Een andere vraag
is de volgende. De heer Van Asten begon ermee dat "samenwerken in
Europa" een uitgangspunt was. Nu zien we juist dat dit wetsvoorstel
additionele nationale koppen toevoegt. Is dat volgens de heer Van Asten
verstandig?
De heer Van Asten (D66):
Ik denk dat er absoluut waarde in zit om een goed Europees systeem te
hebben waarin we veel meer naar elkaar kijken om te zien hoe de
procedures zouden moeten lopen, zodat je elkaar sneller kunt ontlasten
doordat er minder aanvragen komen. Dat is, denk ik, het belang van
Europa. Je kunt daar als land nog andere maatregelen bovenop zetten, of
je kunt maatregelen versoepelen; die mogelijkheid zit er natuurlijk ook
in. We zijn nog niet één federaal Europa; we kunnen daar ook nog een
debat over voeren, maar we zijn het nog niet. Er zijn dus mogelijkheden
en dan moet je kijken wat nou in welk land de juiste maatregel is om te
nemen.
De heer Dassen (Volt):
Helaas zijn we nog geen federaal Europa. Als we het Europees
Migratiepact op deze manier gaan uitleggen is het probleem natuurlijk
dat elk land dadelijk weer afzonderlijke regels heeft. Dan krijgen we
die race to the bottom: nog strenger en nog soberder, waardoor landen
weer tegen elkaar aan het concurreren zijn. Dat ondermijnt het hele idee
van het Europese Asiel- en Migratiepact. Ik vraag toch of D66 het
verstandig vindt dat wij als Nederland deze stap zetten, wetende dat
andere landen dat waarschijnlijk ook gaan doen en dat dat het hele
systeem ondermijnt.
De heer Van Asten (D66):
Ik ben het er niet mee eens dat dit het systeem ondermijnt. Er liggen
namelijk hele duidelijke verordeningen voor, die voor iedereen precies
hetzelfde gelden. Daarmee ondermijnt een eventuele nationale kop dus
niet het hele systeem.
De voorzitter:
U was klaar? Dan gaan we naar de heer Van Dijk namens de SGP.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank u wel, voorzitter. De dingen slecht benoemen, wil zeggen dat we de
ellende in de wereld vermeerderen, aldus de vermaarde schrijver Albert
Camus. Dat geldt ook voor de asielproblematiek waarmee de EU, inclusief
Nederland, worstelt. Het is een complex hoofdpijndossier, maar wegkijken
is geen optie. Het huidige asielsysteem is uit de tijd. Het systeem
helpt lang niet altijd de meest kwetsbaren. Draagvlak onder de bevolking
verkruimelt en de aantallen lopen ons over de schoenen. Sociale cohesie
van onze eigen samenleving dreigt te eroderen. Dat kan zo niet doorgaan.
Daarom is het goed dat we nu spreken over een pact dat de instroom wil
beperken. Niet gemakkelijk, wel noodzakelijk.
Het Asiel- en Migratiepact helpt de asielinstroom te beperken door meer
opvang aan de Europese grenzen, strakkere termijnen voor asielaanvragen
en een versnelde grensprocedure voor kansarme asielzoekers. Na jarenlang
getouwtrek over het pact is dit in elk geval een stap in de goede
richting. De SGP had graag gezien dat deze procedure ruimer zou worden
toegepast, zodat asielzoekers sneller weten waar ze aan toe zijn en ook
versneld kunnen terugkeren als ze niet toegelaten worden. De hoop is dat
asielzoekers nu echt aan de Europese grens beoordeeld gaan worden, zodat
niet iedere migrant zomaar de EU kan binnenkomen. Uiteraard komt het nu
aan op de uitvoering in de praktijk.
Voorzitter. Vandaag spreken we over de uitvoerings- en
implementatiewetgeving waarmee het Asiel- en Migratiepact in de
Nederlandse wet wordt gemonteerd. Toch is dat niet het hele verhaal,
want het Migratiepact is veel breder. Er zijn ook onderdelen die niet in
deze wet zitten, maar waar Nederland wel degelijk mee te maken krijgt.
Een in het oog springend onderdeel is het solidariteitsmechanisme.
Asielzoekers worden evenredig verspreid over de EU-lidstaten wanneer het
asielsysteem van een ander EU-land onevenredig onder druk staat. Een
Europese spreidingswet dus. Nu is de SGP nooit een fan geweest van de
Nederlandse Spreidingswet, dus het laat zich raden hoe mijn partij kijkt
naar dit onderdeel. Dat kan niet los worden gezien van de nationale
draagkracht en juist daar wringt het.
Nederland kan de enorme druk op de asielketen en de woningmarkt niet
langer aan. Het is zaak de alarmsignalen die de kiezer hier keer op keer
over afgeeft, ter harte te nemen. Het wordt tijd dat in Brussel helder
wordt gemaakt dat de Nederlandse bevolkingsdichtheid heel anders is dan
die van Finland, waar slechts 18 inwoners op een vierkante kilometer
wonen. Ter vergelijking: in Nederland leven er gemiddeld 431 burgers op
diezelfde vierkante kilometer. Er zijn diverse moties van mijn hand
aangenomen om dit mee te wegen en dit expliciet voortdurend op de
EU-tafels te leggen. Blijft het kabinet dit onder de aandacht brengen in
Brussel en is de minister bereid toe te zeggen bij de eerstvolgende
afspraak over herverdeling van asielzoekers het meewegen van de
bevolkingsdichtheid als voorwaarde vanuit Nederland te stellen?
De SGP is daarnaast voorstander van EU-streefcijfers en een quotum op
het gebied van migratie. Zo stellen we grenzen aan de voortdurende
aanwas van asiel en migratie. Wil de minister in de EU op zoek gaan naar
draagvlak hiervoor?
Voor de SGP staat voorop dat we ons niet in een Europees keurslijf
moeten laten persen. Bij het aanpakken van de migratiedruk kunnen we
niet zonder de EU, maar de Europese samenwerking heeft ons niet alleen
positieve resultaten opgeleverd. Ik denk aan de migranten die op
bepaalde momenten massaal vanuit Zuid-Europa zijn doorgelaten naar
landen als Nederland. Ik noem ook het falen van Dublin. Iedereen weet
waar we het dan over hebben. Voldoende nationale beleidsruimte om eigen
keuzes te maken, is dus van groot belang, ook in de toekomst. In
hoeverre blijft die ruimte behouden, vraag ik de minister. Welke ruimte
is er om in crisissituaties een tijdelijke beperking of stop op een
bepaalde asielinstroom, bijvoorbeeld voor nareizigers, te zetten? Hoe
gaat dat in zijn werk? In hoeverre kan onze regering dat zelf
besluiten?
De SGP vindt het positief dat er bij de implementatie is gekozen voor de
Asielnoodmaatregelenwet en het tweestatusstelsel. Er ligt een aantal
voorstellen om zaken op onderdelen nog verder aan te scherpen en de
ruimte te benutten die het pact daarvoor biedt, waar de SGP sympathiek
tegenover staat. Ik hoor graag de reflectie van de minister
hierop.
Voorzitter. De uitvoerbaarheid weegt voor ons zwaar, net als voor de
minister. We komen tenslotte geen stap verder als we straks een nieuw
pact hebben, maar de uitvoering nog verder vastloopt. Trouw berichtte
vrijdag over een rapport — dat is inmiddels door de minister aan de
Kamer gestuurd — waaruit blijkt dat de IND nog niet klaar is voor de
inwerkingtreding van het pact op 12 juni. Ik vraag de minister hier
uitgebreid op in te gaan. De Kamer heeft er recht op om daar alle
informatie over te hebben, zodat we als medewetgever een goede afweging
kunnen maken. Ik heb daarover een aantal specifieke vragen.
In hoeverre klopt het dat de ICT-systemen niet tijdig gereed zouden zijn
voor implementatie? Kan de minister inzicht geven in de
capaciteitsraming voor dit traject? Hoeveel mensen zijn hiervoor nodig
in de komen de jaren en in hoeverre is het realistisch dat we die mensen
ook kunnen aantrekken? Welke consequenties heeft het als dit niet tijdig
lukt? Welke scenario's liggen hiervoor op tafel?
Voorzitter. De SGP maakt zich al geruime tijd zorgen over de situatie
bij de IND. Bij de invoering van de asielwetten en het Migratiepact komt
er een enorme opgave bij. Er ligt een aangenomen SGP-motie waarin wordt
gevraagd aanvullende maatregelen te treffen om de situatie bij de IND
los te trekken. Daarnaast vraagt de motie om een kwartaalrapportage over
de stand van zaken bij de dienst. Wil de minister toezeggen daarin ook
steeds in te gaan op de status van de implementatie van het pact?
Voorzitter. Over de uitvoerbaarheid gesproken: de IND smeekte ons al
jarenlang om afschaffing van de asieldwangsommen. Dat scheelt heel veel
capaciteit en heel veel geld. Vorig jaar kostte dat de Staat 79 miljoen
euro. Ons amendement op de Asielnoodmaatregelenwet om de rechterlijke
dwangsom af te schaffen is aangenomen, maar de wet ligt nog altijd bij
de Eerste Kamer. Het is helaas ook niet helemaal zeker dat die wet het
gaat halen. Wat de SGP betreft gebeurt dat overigens wel. Ik spoor de
minister graag aan om alles uit de kast te halen om de senatoren te
overtuigen.
Nu zit ik met een dilemma. We behandelen hier het migratiepact nog voor
de Eerste Kamer de behandeling van de asielwet heeft afgerond. Liefst
had ik gezien dat dit al gebeurd was en dat er al definitief een streep
door die dwangsommen zou zijn gegaan. Nu dat niet het geval is, heb ik
toch op deze wet hetzelfde amendement ingediend. Ik wil namelijk niet
het risico lopen dat de IND straks met lege handen staat doordat de
Asielnoodmaatregelenwet onverhoopt is verworpen en er in de onderhavige
wet geen amendement is opgenomen dat dit alsnog regelt.
Voorzitter. In Trouw las ik ook dat de IND zou stoppen met het uitlezen
van gegevensdragers, zoals smartphones, terwijl daar vaak belangrijke
informatie uit op te halen is voor de beoordeling van de asielaanvraag.
Er ligt nota bene een heel verstandige motie van de heer Brekelmans en
van deze minister, in zijn vorige leven als Kamerlid, waarin erop wordt
aangedrongen om hierop te blijven inzetten. Het kan toch niet zo zijn
dat deze werkwijze overboord gaat en de minister zijn eigen motie niet
uitvoert? Als ik het goed begrijp, ontbreekt op dit moment een
juridische grondslag, maar dat is al sinds begin vorig jaar bekend. Dit
gat in de wet moet echt snel gedicht worden, zodat we de IND in staat
stellen de benodigde informatie te verzamelen.
Voorzitter. Een nieuw Europees asielbeleid vereist onmiskenbaar een
stevige Europese terugkeerwet. De Kamer heeft in de afgelopen jaren de
regering steeds aangespoord om hierop in te zetten. De recente berichten
uit Brussel dat er een volgende stap is gezet richting een aangescherpte
EU-terugkeerverordening, zijn positief. Nederland moet daarbij
ondubbelzinnig blijven inzetten op het verplicht wederzijds erkennen en
uitvoeren van terugkeerbesluiten, in lijn met de motie-Diederik van
Dijk/Yeşilgöz. En de Dublinafspraken moeten blijven gaan boven nationale
keuzes van andere lidstaten, zodat we asielhoppen tegengaan. Kan ik
ervan uitgaan dat dit de inzet van het kabinet is voor de
trialoog?
Er wordt ook een coalitie gesmeed om terugkeerhubs te ontwikkelen. Wat
de SGP betreft is dit een belangrijke bouwsteen voor een terugkeerbeleid
dat echt werkt. Welke stappen gaat het kabinet concreet zetten, vanzelf
met respect voor mensenrechten, om deze hubs mogelijk te maken?
Voorzitter. Ik vertel niks nieuws als ik zeg dat de SGP in wonderen
gelooft. Maar wij zijn realisten: wij verwachten geen mirakels van het
Migratiepact. Migratie is niet maakbaar; verre van dat. Toch dragen we
de last om verantwoordelijkheid te nemen voor de opvang van
vluchtelingen en voor onze eigen samenleving. Het pact is geen
wondermiddel, maar we zien het als een noodzakelijke stap in het
aanscherpen van het Europese asielbeleid, dat overduidelijk
tekortschiet.
Dank u, voorzitter.
De voorzitter:
U bedankt, meneer Van Dijk. Dan gaan we door naar mevrouw Straatman
namens de CDA-fractie voor haar eerste termijn.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Het is geen geheim dat asiel en migratie de
samenleving al jaren onder grote druk zetten. Het onderwerp leidt tot
veel polarisatie, op verjaardagsfeesten, in gemeenteraden en ook in de
Tweede Kamer. Te vaak verwordt het tot een zwart-witdiscussie zonder
nuance. Dan verliezen we de mens uit het oog: de mens achter de
migratiecriticus, met begrijpelijke zorgen, en de mens achter de
asielzoeker. Het wordt tijd dat we de angel uit dit polariserende
wespennest halen. Hopelijk kan het pact die angel zijn.
Voordat we vooruitkijken naar het Europees Migratiepact, geef ik een
korte terugblik op de noodzaak ervan. De instroom van asielzoekers in
Nederland is te hoog. Het is geen rechtse hobby om dat te roepen. De
Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen onderstreept de noodzaak
van grip op migratie. Instroombeperkende maatregelen zijn nodig vanwege
de druk op de woningmarkt, de zorg, het onderwijs en de zorgen over
sociale cohesie in buurten en steden. Die grip op migratie vraagt om
samenwerking in Europa. Dat kan Nederland niet alleen. Grip op migratie
begint aan de Europese buitengrenzen, maar dat maakt het systeem
tegelijkertijd inherent kwetsbaar. Beslissingen in Griekenland, Italië,
Hongarije en Polen raken direct de weerbaarheid van onze eigen
asielketen. Laten we eerlijk zijn: de Europese samenwerking heeft tot nu
toe niet goed genoeg gewerkt. Het Dublinsysteem gold op papier, maar in
werkelijkheid bood het systeem onvoldoende weerstand tegen doorreizen
naar West-Europa en onvoldoende haakjes voor solidariteit.
Voorzitter. Deze terugblik kan cynisch maken, maar het kan hoop geven
dat het tegen deze achtergrond gelukt is om met het pact een doorbraak
te creëren. Dat gebeurt met evident strengere maatregelen, strengere
grensbewaking, betere identificatie en screening, snellere
asielprocedures, maar ook met een eerlijkere verdeling van
verantwoordelijkheid en met een afdwingbaar en met waarborgen omkleed
solidariteitsmechanisme. Voor het CDA is dit dan ook een grote stap in
de goede richting. We zijn optimistisch dat hiermee de instroom van
asielzoekers in Europa en in Nederland wordt teruggedrongen.
Een optimist zonder realisme kan echter naïviteit worden verweten. Het
eerlijke verhaal is natuurlijk ook dat dit nieuwe pact geen
wondermedicijn is. Mijn collega zijn dat zojuist ook al. Daarvoor is het
asielvraagstuk te complex. De uitvoering is ook nog in ontwikkeling. We
staan niet voor niets aan de vooravond van de grootste asielhervorming
in 25 jaar. De uitvoeringsorganisaties zullen tijd nodig hebben om er
met deze nieuwe regels en afspraken voor te zorgen dat de asielketen
weer beheersbaar wordt. Die tijd moeten we hun ook gunnen. Daarom wil ik
nadrukkelijk de medewerkers van het COA, Nidos, de IND,
VluchtelingenWerk, de Dienst Terugkeer en Vertrek en andere betrokken
organisaties danken voor hun harde werk nu en in de komende jaren. Ook
dank aan de minister voor de voortvarendheid waarmee hij dit dossier
heeft opgepakt.
Voorzitter. Het pact hangt nauw samen met de Asielnoodmaatregelenwet en
het tweestatusstelsel, die beide al door de Tweede Kamer zijn
aangenomen. Het CDA staat achter de keuzes in die beide wetten. Daarover
is ook uitgebreid het politieke debat gevoerd. Daarom gaat mijn focus
vandaag uit naar de andere elementen uit het pact: de Europese
samenwerking, de uitvoerbaarheid, de Opvangrichtlijn en de
terugkeer.
Allereerst de Europese samenwerking. Samenwerking is zo sterk als de
zwakste schakel. Dat geldt des te meer voor de succeskansen van het
pact. Implementatie door alle lidstaten op 12 juni 2026 van alle
kernafspraken is dan ook randvoorwaardelijk voor succes. Neem de
asielgrensprocedure voor kansarme asielzoekers. Die werkt natuurlijk
alleen als alle lidstaten die asielgrensprocedure minutieus en op
hetzelfde moment invoeren. Het CDA heeft al eerder zorgen uitgesproken
over het feit dat niet elke lidstaat even voortvarend aan de slag gaat
met de implementatie van het pact. Daarom is mijn vraag aan de minister:
hoe verloopt de Europese afstemming over het pact nu de deadline steeds
dichterbij komt? De Europese Commissie monitort de voortgang en de
uitvoering. Maar wanneer komt het verslag van deze monitoring? Kan de
minister al helderheid geven over welke lidstaten achterlopen op het
schema, en op welke onderdelen? Wat betekent dit bijvoorbeeld voor de
asielgrensprocedure, het solidariteitsmechanisme en de uitvoering en
naleving van overdrachtsbesluiten na juni 2026? Welke drukmiddelen heeft
de Europese Commissie om de druk op die lidstaten op te voeren om tijdig
te implementeren?
Dan wat betreft het solidariteitsmechanisme. De minister geeft aan dat
Nederland bilaterale afspraken heeft gemaakt met Griekenland over het
inzetten van de zogenaamde Dublincompensaties. Hierdoor hoeft Nederland
minder bij te dragen aan de financiële bijdrage. Maar de gesprekken over
de omvang van de vermindering lopen nog. Wanneer verwacht de minister
hierover duidelijkheid te verschaffen? Over welke orde van grootte aan
financiële vermindering hebben we het ongeveer? Geldt die vermindering
incidenteel of structureel?
Voorzitter. Dan de uitvoerbaarheid. Het CDA deelt de analyse dat een
goede uitvoering van het pact de druk op de asielketen en de rechtspraak
op termijn verlicht. Dat is belangrijk, niet in de laatste plaats voor
asielzoekers zelf, die sneller duidelijkheid krijgen over hun toekomst.
Maar zoals bij iedere grote hervorming kan verlichting op termijn ook
samengaan met tijdelijke verzwaring nu. Daarop moeten we bedacht zijn.
De Raad voor de rechtspraak verwacht de komende jaren een aanzienlijke
toename van het aantal zaken. Naar verwachting loopt dit op tot 19.000
extra zaken per jaar. Mijn vraag aan de minister: is de rechtspraak
hierop voorbereid? De minister heeft aangegeven dat de rechtspraak gaat
inzetten op de werving van vreemdelingenrechters en gerechtsjuristen,
plus extra werving in het strafrecht en het familie- en jeugdrecht. Wat
zijn de prognoses hiervoor? Hoeveel fte is er extra nodig? Hoe verloopt
de werving?
Voorzitter. Een deel van de extra rechtszaken …
De voorzitter:
Een momentje, mevrouw Straatman. Uw voorzitter probeert ondertussen nog
wat administratie te doen. Meneer Dassen, aan u.
De heer Dassen (Volt):
Het CDA heeft er elke keer een punt van gemaakt dat het belangrijk is
dat we zorgvuldigheid in de keten hebben en dat we het probleem niet
gaan verplaatsen. Dat was ook zo bij de Asielnoodmaatregelenwet. Nu zien
we dat de rechtspraak maar ook de IND verwachten dat dit te snel komt en
dat ze niet goed voorbereid zijn, zeker in samenhang met die
Asielnoodmaatregelenwet. Hoe kijkt het CDA daarnaar?
Mevrouw Straatman (CDA):
Dank aan de heer Dassen voor die vraag. Dat is denk ik de kernvraag die
ik zojuist ook aan de minister stelde: is de rechtspraak voorbereid op
die 19.000 extra zaken? We moeten de procedures bij de IND versnellen en
de opvang verlichten, maar bij de rechtspraak moeten de doorlooptijden
ook doorlopen. Dus vandaar mijn vraag op dit punt. Ik heb ook nog een
specifieke vraag over de schorsende werking, maar daar kom ik zo
op.
De heer Dassen (Volt):
De vraag stellen is in dezen volgens mij de vraag beantwoorden. We
wisten een jaar geleden dat de Asielnoodmaatregelenwet voor veel meer
problemen bij de rechtspraak zou zorgen. Ook nu worden we weer
gewaarschuwd. Dus we hebben het antwoord al. Wat is dan volgens het CDA
nodig om te voorkomen dat we dadelijk weer een groot probleem in de
asielketen krijgen, waar deze wet mogelijk weer voor gaat zorgen?
Mevrouw Straatman (CDA):
Voor een deel is het natuurlijk zaak om zo veel mogelijk mensen aan te
nemen. Daarom vraag ik ook aan de minister wat de prognoses zijn,
hoeveel mensen er al zijn aangenomen en hoeveel er nog worden
aangenomen. Een deel zit 'm natuurlijk ook in de herstructurering van
het proces. De IND gaat natuurlijk met de juridische afdeling, JZ, veel
meer aan de voorkant beoordelen of de dossiers op orde zijn. Dat moet
natuurlijk ook de doorstroom naar de rechtspraak ontlasten, waardoor de
dossiers van een hogere kwaliteit zijn. Dat draagt hopelijk ook bij aan
de doorlooptijden bij de rechtspraak.
De heer Dassen (Volt):
Volgens mij is het deels zo dat we, door de manier waarop we het nu gaan
inrichten, juist meer beroepszaken gaan krijgen, waardoor we de
rechtspraak zwaarder gaan belasten. Is het dan niet ijdele hoop van het
CDA dat we het kunnen oplossen door meer mensen aan te nemen? Mijn zorg
is heel erg dat we er als Kamer geen goede aandacht voor hebben, ook
gezien deze snelle behandeling, en straks weer met een probleem zitten.
Dan moeten we weer heel kritisch naar onszelf kijken. Ik dacht dat het
voor het CDA een ontzettend belangrijk punt was. Het verbaast mij dus
ook dat er niet een duidelijk antwoord komt over wat er dan moet
gebeuren.
De voorzitter:
Deze was 37 seconden.
Mevrouw Straatman (CDA):
Volgens mij was het antwoord duidelijk. Ik begrijp de zorgen van de heer
Dassen. Die zorgen heb ik ook. Daarom heb ik die vragen ook aan de
minister gesteld. Daarom is het zaak dat we zo veel mogelijk extra
mensen aannemen en dat in de inrichting van het systeem de IND de
kwaliteit van de dossiers op een hoog niveau of een nog hoger niveau
aanlevert, zodat er ook minder zaken vanuit de rechtspraak weer terug
moeten naar de IND. Het hele idee van dit pact is natuurlijk dat er op
korte termijn druk zou komen op de rechtspraak en de rechtspraak op
lange termijn ontlast wordt, omdat er minder instroom is en de
procedures sneller gaan. We zien nu natuurlijk dat heel veel procedures
bij de rechtbank alleen maar gaan om het feit dat de IND de termijnen
niet haalt. Laten we hopen dat die procedures met dit pact in ieder
geval van de baan zijn.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Mevrouw Straatman is een medejurist. Ik heb het debat over de
uitvoeringskant vaak gevoerd. Het is het CDA geweest dat ongeveer twee
jaar geleden is gaan pleiten voor het tweestatusstelsel, ondanks de
argumenten dat je daarmee de kans op het vastlopen van de
rechtspraakketen faciliteert. Dat heeft u ook in uw interruptie
aangegeven. Ik vind dat u daar nu te makkelijk over spreekt, ook gelet
op uw eigen ervaring en de ervaring die ik heb. Mijn vraag is: is het
niet een terechte zorg dat die keten vast gaat lopen door wat we hier
doen? Hoe beoordeelt u dat?
De voorzitter:
37 seconden.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik denk dat in de discussie over het tweestatusstelsel twee zaken door
elkaar lopen: de korte termijn en de lange termijn. U zegt: op korte
termijn kan de invoering van het tweestatusstelsel leiden tot extra druk
op de rechtsspraak. Ik denk dat heel veel mensen hier in de zaal,
misschien wel iedereen, het daarmee eens zijn, omdat er gewoon extra
grond bestaat om door te procederen. Daarom moet je ervoor zorgen dat er
zo veel mogelijk extra mensen worden aangenomen om die druk aan te
kunnen. Tegelijkertijd ben ik er ook van overtuigd — dat is de tweede
stap van de analyse — dat de invoering van het tweestatusstelsel er op
de lange termijn toe leidt dat er minder mensen naar Nederland komen en
de druk op de keten zal afnemen.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik snap niet wat u zegt over de lange termijn. Mensen komen niet naar
een land vanwege hun A- of B-status. Mensen zullen blijven procederen.
De B-status zorgt er niet voor dat mensen niet met hun gezin komen, maar
alleen dat je er vertraging in bouwt. Uiteindelijk zullen ze dan toch
komen. Mijn vraag is of mevrouw Straatman het daarmee eens is, en zo ja,
waarop ze baseert dat de instroom, mede gebaseerd op het
tweestatusstelsel, zou gaan dalen.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik deel de redenering van de heer Ceder niet dat ook met de wachttijd
per definitie alle nareizigers zullen komen, want het idee is dat het
een tijdelijke verblijfsvergunning is. Er wordt natuurlijk ook rekening
mee gehouden of de situatie in het land van herkomst wijzigt. Met het
invoeren van die wachttijd duurt het dus in ieder geval langer voordat
mensen komen. Dat zal in ieder geval de druk op de keten ontlasten.
Daarmee creëer je ook de mogelijkheid dat de situatie in het land van
herkomst tussentijds wijzigt en mensen helemaal niet meer hoeven af te
reizen naar Europa of naar Nederland.
De voorzitter:
Meneer Ceder, tot slot.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Nee, bedankt.
De voorzitter:
Oké. Mevrouw Straatman, gaat u verder.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik was bijna vergeten …
De voorzitter:
O, eerst mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik heb een andere vraag, over kinderen in detentie. Mijn vraag is wat
het CDA ervan vindt dat er is gekozen voor de mogelijkheid om kinderen
en gezinnen in grensdetentie te plaatsen, terwijl nergens is bewezen dat
dat leidt tot snellere procedures.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik kom later in mijn spreektekst terug op kinderen in detentie. Ik kan
nu ook de vraag beantwoorden.
De voorzitter:
Nee, dan wachten we wel. Dat is efficiënter.
Mevrouw Straatman (CDA):
Voorzitter. Ik kom op de rechtspraak en de uitvoerbaarheid. Een deel van
de extra zaken ontstaat niet alleen door het tweestatusstelsel, maar ook
door de verwachte toename van kortgedingen om een schorsende werking van
procedures te verzoeken en door spoedkortgedingen. Meer dan onder het
huidige recht zijn uitzonderingen gemaakt op de automatische schorsende
werking van het beroep, wat kortgedingen zal uitlokken om verblijf in
Nederland te behouden. In de tussentijd hebben asielzoekers geen recht
op verblijf in de opvang. Heeft de minister al met het COA gesproken
over hoe met deze tussenliggende periode moet worden omgegaan?
De verwachting is hierdoor ook dat het aantal spoedverzoeken zal
toenemen, om te voorkomen dat mensen in de tussenliggende periode
Nederland moeten verlaten. Hoe gaat de rechtspraak nu om met die
voorlopige voorzieningen bij het ontbreken van schorsende werking?
Voorkomen moet worden dat we schorsende werking op papier streng maken,
maar in de praktijk tandeloos. We moeten voorkomen dat we, zoals de heer
Dassen zojuist zei, met dit soort maatregelen de druk op de rechtspraak
onnodig laten toenemen.
Als het gaat over de uitvoerbaarheid, gaat het natuurlijk ook over de
uitvoering van ICT-systemen. Hoe staat het met de noodzakelijke
implementatie van die ICT-systemen? Hoewel systemen in een ideale wereld
natuurlijk allemaal op 12 juni helemaal gereed zijn, begrijpen wij ook
dat voor sommige systemen nog tijdelijke alternatieven gevonden kunnen
worden. Maar dat geldt in ieder geval niet voor een ICT-systeem dat
nodig is voor de ambtshalve toetsing van bewaringsbeslissingen. Wanneer
een asielzoeker in bewaring wordt gesteld, moet de rechter binnen een
finale termijn van 21 dagen de bewaring toetsen. Bij verloop van die
termijn wordt de bewaring opgeheven. Het is dus heel belangrijk dat het
bewaringsseintje van de IND automatisch doorschakelt naar de
rechtspraak. Hoe staat het met die technische doorschakeling? Is het
zeker dat die per 12 juni 2026 is ingeregeld?
De minister geeft ook aan dat nieuwe aanvragen prioriteit krijgen om te
voorkomen dat nieuwe achterstanden ontstaan, terwijl er ook nog een
bestaande voorraad is. Alleen de restcapaciteit zal worden ingezet om
asielaanvragen voor 12 juni 2026 te beoordelen. Voorziet de minister
niet dat er in de eerste periode na implementatie helemaal geen
restcapaciteit is bij de IND? Wat betekent dit dan voor de behandeling
van oude aanvragen?
Voorzitter. Dan kom ik nu bij de Opvangrichtlijn. In tegenstelling tot
de andere onderdelen van het pact geeft de Opvangrichtlijn meer ruimte
voor nationale beslissingen en voor verschillen met andere lidstaten.
Als het gaat om opvang, is het voor het CDA het allerbelangrijkste dat
die in alle gevallen humaan is. Het is een beschaafd land als Nederland
onwaardig dat asielzoekers in het verleden in het gras hebben moeten
slapen. Daarom moeten we haast maken om voldoende opvangplekken te
creëren, waarbij alle gemeenten hun verantwoordelijkheid moeten
nemen.
Voorzitter. Wat betreft de implementatie van de herschikte
Opvangrichtlijn kom ik nu bij kinderen in …
De voorzitter:
Momentje. U krijgt een interruptie van mevrouw Vondeling.
Mevrouw Vondeling (PVV):
Mevrouw Straatman van het CDA roept gemeenten eigenlijk op om
verantwoordelijkheid te nemen om asielopvang te regelen. Is mevrouw
Straatman van het CDA ook van mening dat gemeenten desnoods gedwongen
moeten worden tot asielopvang?
Mevrouw Straatman (CDA):
In de Spreidingswet zoals die nu voorligt, zijn gedwongen maatregelen
echt een laatste redmiddel. Laten we het alsjeblieft in Nederland zo
inregelen dat we daar ook alleen als laatste redmiddel naar moeten
grijpen. Als ik de analyse zie van wat er in Ter Apel, Hardenberg en
Budel gebeurt, denk ik dat we de druk op de asielketen alleen maar bij
een aantal gemeenten beleggen, terwijl als we op een fatsoenlijke manier
die solidariteit zouden hanteren, we dan de druk op heel veel gemeenten
zouden kunnen verlichten. Ik heb er alle vertrouwen in — op dit moment
zijn de provincies aan de slag om die ruimtes te zoeken — dat heel veel
gemeentes die verantwoordelijkheid willen nemen.
Mevrouw Vondeling (PVV):
Als ik het goed begrijp, zegt mevrouw Straatman van het CDA dus: als het
de minister niet lukt om voldoende opvangplekken te vinden — volgend
jaar moet hij er 38.000 vinden — dan steunen wij de minister als hij
gemeenten dwingt om asielopvang te realiseren. Klopt dat?
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik denk dat het totaal niet behulpzaam is in het proces dat provincies
op dit moment met gemeenten hebben om al te spreken over een scenario
dat zich nu nog helemaal niet voordoet. Ik heb er alle vertrouwen in dat
gemeenten die verantwoordelijkheid voelen. Ik ken het standpunt van de
PVV rondom de Spreidingswet, maar ik vraag me dan ook heel erg af hoe de
PVV dat uitlegt in gemeentes als Ter Apel, Budel en Hardenberg — ik kan
nog wel even doorgaan — die hun verantwoordelijkheid nemen, maar waar ze
er tegelijkertijd ook de last van ervaren dat we niet in heel Nederland
die solidariteit betrachten.
Mevrouw Vondeling (PVV):
Mevrouw Straatman draait er een beetje omheen, maar als ik het zo
begrijp, dan zegt ze: gemeentes moeten gewoon gedwongen worden. Nou, u
heeft de uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen gezien. Er zijn heel
veel partijen met veel zetels gekozen die ervoor pleiten om geen
asielopvang te realiseren. Nederlanders zijn het spuugzat. Er worden
meisjes van 19 van de fiets getrokken, mishandeld en verkracht door
asielzoekers. Nu zegt het CDA hier: nou, geen probleem, we gaan die
opvang gewoon door de strot duwen in heel veel gemeenten.
Mevrouw Straatman (CDA):
Volgens mij heb ik dat zojuist helemaal niet gezegd. Ik denk dat het
heel belangrijk is dat alle gemeentes hun verantwoordelijkheid nemen,
dat er bestuurlijk draagvlak is en dat de burgers in de gemeentes ook
tijdig worden meegenomen als er een asielzoekerscentrum komt. Ik vrees
ook dat een groot deel van de angsten bij mensen over asielzoekers
voortkomt uit de taal die mevrouw Vondeling zojuist bezigt, alsof iedere
asielzoeker een crimineel is. Dat slaat natuurlijk helemaal nergens op.
Laten we alsjeblieft nu gewoon die gemeentes bezig laten zijn om
coalities te vormen en de provincies aan de slag laten gaan om met
gemeentes in gesprek te gaan over waar er ruimte is voor extra
opvangplekken.
De voorzitter:
U continueert. Hoever bent u in uw betoog, mevrouw Straatman?
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik heb nog wel een stukje, voorzitter.
De voorzitter:
O jee! Dan gaan we aandachtig luisteren, mevrouw Straatman.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dan kom ik op kinderen in grensdetentie. Wat betreft de implementatie
van de herschikte Opvangrichtlijn valt op dat in die richtlijn staat dat
het uitgangspunt is dat kinderen alleen in uitzonderlijke situaties in
bewaring mogen worden gesteld. In de nota naar aanleiding van het
verslag lijkt het kabinet te suggereren dat dit de standaardpraktijk
wordt, in ieder geval bij grensprocedures, onder het mom van het belang
van eenheid van gezin. Mijn vraag aan de minister is hoe dit zich
verhoudt tot die uitzonderlijke situaties die de Opvangrichtlijn
voorschrijft. Waarom wordt de staande praktijk waarbij gezinnen met
kinderen in beginsel in de reguliere asielprocedure worden opgenomen,
niet voortgezet? Past de voortzetting van het staand beleid ook niet
gewoon binnen de implementatie van het pact? Ik kijk even naar mevrouw
Westerveld, al wil ik niks uitlokken.
De voorzitter:
U vraagt om een interruptie. Dat is wat nieuws.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Mijn vraag is natuurlijk: wat vindt het CDA hiervan? Wat vindt het CDA
ervan dat ervoor gekozen lijkt te zijn dat kinderen in detentie
geplaatst kunnen worden, terwijl dat niet noodzakelijk is. Sterker nog,
dat is helemaal niet wenselijk. Het is heel erg traumatisch voor
kinderen en het vloeit niet per se voort uit het pact.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik maak duidelijk …
De voorzitter:
U moet wel even uw microfoon aanzetten als u spreekt en uitzetten als
iemand anders spreekt, anders wordt het moeilijk voor de techniek.
Mevrouw Straatman (CDA):
Excuus. Wat betreft kinderen in detentie spelen er twee dingen. Daarom
stelde ik ook mijn vragen aan de minister. Zoals we de wet nu zien, is
het volgens mij een letterlijke vertaling van de verordening. Daar heeft
het CDA geen problemen mee: de letterlijke ruimte die de verordening
geeft om de mogelijkheid te creëren die verplichting op te nemen. Een
tweede vraag is hoe je daar in de praktijk mee omgaat. Als ik de
praktijk nu zie, is het in uitzonderlijke situaties ook al mogelijk om
kinderen in de gesloten instelling in Zeist te plaatsen. Maar wat mij
betreft moeten dat echt absoluut uitzonderingen zijn en is er alle
ruimte om het bestaande beleid op dit punt gewoon voort te zetten,
waarbij kinderen op het moment dat zij zich melden in een grensprocedure
niet naar Zeist gaan met het argument "eenheid van gezin". In beginsel
moeten kinderen gewoon naar de open procedure, de reguliere
opvangprocedure in Ter Apel. Alleen in uitzonderlijke situaties moet
daarop een uitzondering kunnen worden gemaakt. Vandaar ook mijn vraag
aan de minister. Volgens mij past dat ook gewoon helemaal binnen de
implementatie van het pact.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Als ik dit antwoord hoor, denk ik dat we dit wettelijk duidelijker
moeten vastleggen. Ik ben het met het CDA eens dat dit niet de normale
gang van zaken zou moeten zijn, maar ik lees in het voorstel dat het in
principe wel de normale gang van zaken wordt dat kinderen in
grensdetentie worden geplaatst. Als we allebei vinden dat dit niet zo
zou moeten zijn, steunt het CDA dan het amendement dat we afgelopen
vrijdag hebben ingediend om dit te voorkomen? Dat amendement zegt dat je
kinderen niet in detentie moet plaatsen omdat dat nooit in het belang
van kinderen is.
Mevrouw Straatman (CDA):
Twee dingen. Ten eerste de uitwerking in de wet. Dat is een
rechtstreekse uitwerking van de verordening. Ik verwijs naar considerans
69 van de verordening. Dat is een letterlijke vertaling van wat er nu in
de wet staat en van wat de verordening voorschrijft. Ik hoorde mevrouw
Westerveld in haar eigen bijdrage zeggen dat het belangrijk is om
eenheid te creëren en te harmoniseren. Dat we de ruimte die de
verordening biedt ook opnemen in de wet lijkt me niet vreemd. Dat past
helemaal in de gedachte van harmonisatie. Ten tweede is de vraag hoe je
daar in de praktijk mee omgaat. Dat is natuurlijk de ruimte die je hebt
in beleid en in de uitvoering. Dan heeft het bestaande beleid mijn
voorkeur, waarbij in feite eigenlijk alle kinderen die aan de grens
komen direct doorgaan naar Ter Apel, tenzij er sprake is van
uitzonderlijke omstandigheden, want dan gaan ze naar Zeist. Het is dus
een kwestie van de manier waarop je wettelijke mogelijkheden uitvoert.
Daarvoor hoeft wat mij betreft de wet niet veranderd te worden. Sterker
nog, dat zou ik zeker niet doen, want dat past helemaal niet in de
harmonisatiegedachte van de verordening.
De voorzitter:
U zat net op 35 seconden, mevrouw Westerveld. Mijn assistent fluisterde
mij dat in.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik begrijp het niet zo goed. Het CDA zegt: dit moeten we niet doen; dit
moeten we niet willen. We weten dat het schadelijk is, dat het zeer
ernstig traumatisch is en dat het levenslange gevolgen kan hebben. Dan
leggen we toch ook gewoon wettelijk vast dat we dit niet meer gaan doen?
Dat is dan toch de consequentie? Daar kan het CDA dan toch voor
stemmen?
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik denk dat we elkaar heel vergaand kunnen vinden. De enige vraag is:
wil je de verordening niet gewoon implementeren zoals die nu voorligt,
zoals het doel van verordeningen is? Er staat hier ook: er is een
mogelijkheid om in uitzonderlijke situaties, als maatregel van laatste
instantie, bij gebrek aan minder dwingende alternatieven et cetera, et
cetera, et cetera. Daar worden veel voorwaarden aan gekoppeld. Het lijkt
me prima dat je de mogelijkheid creëert. Dat is helemaal in lijn met de
gedachte van verordeningen dat je ze in alle lidstaten op dezelfde
manier implementeert. Dat doen we nu ook al. Ook in het huidige beleid
is er een haakje om in uitzonderlijke situaties kinderen in Zeist te
plaatsen. Heeft het mijn voorkeur? Nee. Ik vind dat de uitleg dat het
het uitgangspunt is dat kinderen niet in detentie worden geplaatst, zou
moeten betekenen dat we het bestaande beleid voortzetten en dat het gros
van de kinderen, praktisch iedereen, gewoon in Ter Apel terechtkan, in
een open setting.
De heer Dassen (Volt):
De Raad van State geeft in het advies duidelijk aan dat Nederland hier
wel degelijk afwijkt van wat er in de Opvangrichtlijn staat en adviseert
ook de formulering aan te passen om in overeenstemming te komen met de
Opvangrichtlijn. Ik ben wel benieuwd waar mevrouw Straatman dat dan
vandaan haalt.
Mevrouw Straatman (CDA):
Wat mij betreft staat het nu in de wet zoals het letterlijk ook in de
verordening staat. Ik kan hier de paragraaf voorlezen waarin precies
dezelfde voorwaarden worden gecreëerd waaronder een kind in
uitzonderlijke situaties in detentie kan worden geplaatst. De vraag is
alleen: hoe leg je "uitzonderlijke situaties" uit? Dat is mijn vraag aan
de minister. In de nota naar aanleiding van het verslag lijkt het alsof
het al voldoende reden is om aan de drempel van uitzonderlijke situaties
te voldoen als een kind met een gezin aan de grens komt. Dat is niet de
situatie die ik graag zou hebben. Ik zou graag zeggen: nee, dat is echt
onvoldoende om iemand in Zeist te plaatsen; de gewone route naar Ter
Apel ligt dan meer voor de hand. Daarvoor hoef je de wet echter niet aan
te passen.
De heer Dassen (Volt):
Dit is volgens mij de reden waarom je dit soort zaken er niet doorheen
moet jassen, zoals we nu met elkaar aan het doen zijn, want hier is het
dus blijkbaar onduidelijk wat de Raad van State zegt. Ik lees het echt
totaal anders. De Raad van State schrijft: "In dat artikel ontbreekt
echter de toevoeging dat bewaring uitsluitend in het belang van een
minderjarige is als de ouder of hoofdverzorger die hem begeleidt ook in
bewaring is gesteld of als hij als niet-begeleide minderjarige door de
bewaring wordt beschermd." In het vervolgstuk staat dat deze wet daar
onvoldoende waarborg voor biedt, omdat het ook op een andere manier
uitgelegd kan worden. Dat is precies de zorg die wij hebben. Deze
minister legt het misschien op deze manier uit, maar een andere minister
kan het op een andere manier uitleggen. Dat is precies de reden dat je
zorgvuldige wetsbehandelingen moet hebben. Ik lees het anders en volgens
mij staat het er ook anders.
De voorzitter:
Deze interruptie was 48 seconden.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik kan het beroep op zorgvuldige wetsbehandeling alleen maar
onderschrijven. Zoals ik het lees, is dit een directe implementatie van
wat er in de wet staat. Ten tweede is de vraag: hoe voer je het uit? De
uitvoering zou zijn dat het uitgangspunt is dat een kind met een gezin
aan de grens gewoon naar Ter Apel gaat en in uitzonderingsgevallen naar
Zeist. Dat zou tenminste mijn voorkeur zijn. Mijn vraag aan de minister
is: zou het niet gewoon mogelijk moeten zijn binnen de implementatie van
dit pact dat we de staande praktijk voortzetten?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Vanwege de onduidelijkheid en de ruimte die de wet biedt, heb ik een
verduidelijkend amendement ingediend, zodat we de wettelijke
vertegenwoordiger, zoals je die ook op andere vlakken in de
Procedurerichtlijn ziet, er ook tussen zetten, zodat die beoordeelt wat
er in het belang van het kind is. Mijn vraag aan mevrouw Straatman is:
wie toetst er volgens de huidige wetstekst of iets in het belang van het
kind is?
Mevrouw Straatman (CDA):
Zoals ik de wet op dit moment lees, zijn er verschillende instanties
betrokken die controleren of het inderdaad in het belang is. Als u mij
vraagt wie dat dan in specifieke zin is, dan overvraagt u me. Ik weet
niet welke instanties dat zijn. Alleen, er moeten voldoende waarborgen
in het systeem zijn die beoordelen of iets wel of niet in het belang van
het kind is. Nogmaals, als het aan mij ligt, zou het alleen in
uitzonderlijke situaties in het belang van het kind zijn om het in Zeist
te plaatsen, zoals nu ook al het geval is.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Mevrouw Straatman geeft aan dat zij niet weet wie de check doet of het
in het uitzonderlijke belang is. Dat klopt ook, want het wordt niet in
de wet verduidelijkt, en ook niet in de memorie van toelichting. Daarom
heb ik er een aanvulling op gedaan door te zeggen dat het in ieder geval
iemand moet zijn die verstand heeft van de gedragswetenschappen rondom
kinderen. Het moet iemand zijn die dat zou kunnen toetsen en daarbij de
minister ook advies zou kunnen geven. De minister kan daar dan van
afwijken. Maar ook hier vindt een mogelijke procedurele toets plaats,
waarbij je ook weer beroep zou kunnen gaan. Mijn vraag is waarom mevrouw
Straatman dat wel of geen goede suggestie zou vinden.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik denk dat het heel belangrijk is om goed te toetsen of het wel of niet
in het belang van het kind is. Ik denk dat mevrouw Westerveld heel
duidelijk heeft aangegeven waarom dat heel belangrijk is. Dat
onderschrijf ik. Alleen, ik weet niet of het precies op de manier moet
zoals die u in uw amendement heeft voorgeschreven. Ik wacht ook even op
de appreciatie van de minister om te horen hoe hij naar dat voorstel
kijkt en welke ideeën hij verder heeft over de manier waarop die
toetsing zal plaatsvinden.
De voorzitter:
U wilt nog interrumperen, meneer Ceder? De vorige was 39 seconden, dus u
zit nu op tien interrupties.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dan laat ik het zo.
De voorzitter:
Oké. Mevrouw Straatman, continueert u uw betoog. Hoever bent u?
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik heb nog twee kopjes, maar ik zal proberen snel te zijn.
De voorzitter:
Oké.
Mevrouw Straatman (CDA):
Het is voor het CDA van belang dat de opvang sober is voor kansarme of
overlastgevende asielzoekers en gericht is op meedoen voor kansrijke
asielzoekers. Tegen die achtergrond heb ik de volgende vragen aan de
minister. Dublinvreemdelingen die in een andere Europese lidstaat asiel
moeten aanvragen, kunnen onder de Opvangrichtlijn maar beperkt
gebruikmaken van materiële voorzieningen. De minister geeft aan dat het
vormgeven, inrichten en realiseren van zo'n sobere nieuwe opvangvorm nog
meer tijd kost. Op welke termijn verwacht de minister die sobere
opvangplekken te kunnen realiseren?
Tegen overlastgevende asielzoekers kunnen vrijheidsbeperkende
maatregelen worden ingezet. De regering geeft aan te kijken naar een
uitbreiding van het aantal plekken. Dat is goed, maar kan de minister
hier al meer over zeggen?
Voor het CDA is het ook belangrijk dat kansrijke asielzoekers snel aan
het werk kunnen en snel kunnen deelnemen aan onze samenleving. Het UWV
geeft echter aan een minimale implementatietermijn van tien maanden
nodig te hebben voor aanpassingen in de Wet arbeid vreemdelingen. Wat
betekent dit per 12 juni '26 voor de kansrijke asielzoeker die graag aan
het werk wil?
Daarnaast is taal essentieel om mee te kunnen doen. De minister geeft
aan dat er op dit moment nog sprake is van een te versnipperd
taalaanbod. Welke stappen gaat de minister nemen om dit taalaanbod voor
alle opvangplekken te uniformeren? Als het taalaanbod uniform is, ziet
de minister dan ook ruimte om een eigen bijdrage te vragen voor die
cursussen?
Tot slot op dit punt, voorzitter, over de juridische counseling. Voor
een goede doorloop van de asielketen vinden we het begrijpelijk dat deze
taak bij de IND ondergebracht is. De IND geeft zelf aan op 12 juni '26
slechts een "minimale inrichting" te kunnen implementeren. Ik vraag de
minister: wat houdt dit in? De adviesfunctie en de beoordelingsfunctie
worden beide bij de IND belegd, uitgevoerd door verschillende
medewerkers. Hoe kan de minister niet alleen formeel op papier, maar ook
in de zichtbaarheid naar asielzoekers, duidelijk maken dat het juridisch
advies door IND-medewerkers onafhankelijk wordt verstrekt?
Voorzitter. Ik kom bij mijn laatste punt: terugkeer. Terugkeer is het
sluitstuk van een goedwerkend asielsysteem. Instroom door de voordeur
beperken heeft weinig zin als de achterdeur potdicht zit. Vorige week
heeft het Europees Parlement belangrijke stappen gezet om te komen tot
een pakket aan maatregelen voor terugkeer. Verwacht de minister dat de
Terugkeerverordening tegelijkertijd met de implementatiedeadline van 12
juni in werking kan treden? Wat betekent deze verordening voor de
uitvoeringswet en de nationale asielwetgeving?
Verder heb ik over terugkeer binnen het pact een aantal vragen.
Grensdetentie is aan een maximum en aan voorwaarden gekoppeld, maar wat
betekent dit voor een effectief terugkeerbeleid? Wat gebeurt er als een
asielzoeker die niet mag blijven geen uitzicht heeft op terugkeer maar
grensdetentie eindigt? Voorkomen moet worden dat asielzoekers die terug
moeten alsnog uit het zicht van de instanties raken.
Tot slot. De minister geeft ook aan dat hij voortdurend in gesprek is
met derde landen om terug- en overnameovereenkomsten te sluiten. Wat is
hiervan de stand van zaken?
Voorzitter, ik rond af. De uitvoeringswet van het pact is een
belangrijke stap om het asielsysteem beter te laten functioneren, zowel
voor de mensen in de opvang, voor de gemeenten als voor de samenleving.
Dat wil niet zeggen dat we met dit pact alle problemen gaan oplossen.
Het is, nogmaals, geen wondermiddel. Dat eerlijke verhaal moeten we ook
blijven vertellen, want de uitdagingen in de uitvoering zijn groot, de
afhankelijkheid van andere landen is groot en effectieve
terugkeerafspraken zijn essentieel. Maar het gezegde luidt: de wind kun
je niet veranderen, de stand van de zeilen wel. Migratiestromen laten
zich nu eenmaal niet sturen of voorspellen. Dat maakt ieder asiel- en
migratiesysteem complex en kwetsbaar. Juist daarom moeten we doen wat
wél binnen onze invloed ligt: zorgen voor strenge grensregels, snellere
procedures en betere samenwerking in Europa. Dit pact zet een
belangrijke stap daarin. Het helpt om meer grip te krijgen op migratie
zonder weg te kijken van de verantwoordelijkheid die we hebben voor
mensen die vluchten voor oorlog en geweld. Dat is precies de balans die
nodig is om het vertrouwen in een werkend asielsysteem te
herstellen.
Dank u wel.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Nog een andere vraag. Het CDA profileert zich graag als gezinspartij. Ik
vraag mij of hoe zij staat ten opzichte van de keuze om bij
oorlogsvluchtelingen een wachttijd van twee jaar te hanteren.
Mevrouw Straatman (CDA):
Het CDA heeft in het verkiezingsprogramma staan dat wij voor het
tweestatusstelsel en de daaraan gekoppelde nareisvoorwaarden zijn. De
reden is dat we zien dat de asielketen helemaal vastloopt en volzit. We
moeten meer lucht creëren voor instanties om zaken aan te kunnen. We
geloven dat de wachttijd daarbij kan helpen. Bovendien, zoals ik in een
eerder interruptiedebatje met de heer Ceder heb aangegeven, past het
binnen het tijdelijke karakter van een vergunning, omdat je daarmee
ruimte creëert om op een later moment te kunnen beoordelen of de
omstandigheden in het land van herkomst gewijzigd zijn. Als die na twee
jaar nog steeds niet gewijzigd zijn, is dat een andere reden om
gezinsleden te laten overkomen dan om dat direct op moment nul al te
doen.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Dat is een duidelijk antwoord. Geldt dat dan ook voor de voorstellen, de
amendementen, die wij hebben ingediend om lhbtiq+-vluchtelingen die in
het land van herkomst niet kunnen trouwen, uit te sluiten van de sobere
voorwaarden waar nu voor is gekozen?
Mevrouw Straatman (CDA):
Zij worden daar niet van uitgesloten, want als je niet aan een van de
eisen van het kerngezin voldoet, staat de route van artikel 8 EVRM open.
Zoals de minister in de nota naar aanleiding van het verslag heeft
aangegeven, wordt in de artikel 8 EVRM-toets ook gekeken naar de
specifieke omstandigheden. Als het dan gaat om een lhbtiq+-persoon die
niet kan trouwen, heeft dat zwaarwegende invloed. In feite hebben die
mensen dus via artikel 8 EVRM in het gros van de gevallen, tenzij er
uitzonderlijke situaties spelen, ook gewoon toegang tot Nederland.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Een opmerking: ik vind het ingewikkeld om deugdelijke wetgeving uit te
besteden aan het EVRM. Daar maakt de Raad van State ook geregeld een
opmerking over, maar goed, dat terzijde. Mijn vraagt gaat over de
gezinshereniging en de vertraging daarin. Gezinsleden die alsnog komen,
maar wel vertraagd, lopen een achterstand op. Denk aan het ontstaan van
eventuele gedragsproblemen in het land van herkomst, omdat ze daar
langer blijven, maar ook aan uitgestelde integratie, wat ook weer
doorwerkt in andere domeinen. Mijn vraag is hoe dit zich volgens het CDA
tot elkaar verhoudt.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik denk niet dat ik het met die analyse eens ben, want de voorwaarden —
niet alleen de wachttijd, maar ook de eis dat er voldoende inkomen is en
dat er huisvesting is — helpen volgens mij juist bij een betere
integratie. Wat je nu ziet, is dat mensen overkomen en veel te lang
vastzitten in een azc, ook wanneer ze al een status hebben gekregen. Dat
helpt zeker niet om te integreren. De extra voorwaarden die nu aan
nareis worden gekoppeld, maken het juist veel makkelijker om op het
moment dat je naar Nederland komt, meteen eigen onderdak te hebben en
voldoende eigen middelen te hebben om mee te kunnen doen. Ik denk dus
dat het de integratie juist kan bevorderen.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik vind het een wonderlijke vergelijking dat subsidiair beschermden in
oorlogsgebieden die daar langer zijn, er voordeel van hebben dat ze daar
langer blijven, omdat er hier dan inmiddels een inkomen en een thuis is.
Ik denk dat die dingen niet tegen elkaar weggestreept kunnen worden.
Mijn vraag richtte zich erop of het CDA heeft nagedacht over mogelijke
stappen om de integratie in het land van herkomst of op andere plekken
zodanig in te richten dat daarmee al gestart kan worden, wetende dat de
wachttijden best wel lang kunnen zijn.
Mevrouw Straatman (CDA):
Voor het CDA is het heel belangrijk — dat staat ook in het
coalitieakkoord — dat mensen die naar Nederland komen en kansrijk zijn,
vanaf dag één kunnen meedoen, dus dat ze vanaf dag één taalonderwijs
krijgen en dat ze binnen of na drie maanden aan het werk kunnen. Dat is
denk ik de verantwoordelijkheid van Nederland op het moment dat ze de
Nederlandse grens over zijn. Ik denk niet dat wij de
verantwoordelijkheid hebben om mensen buiten Europa of in de landen van
herkomst op die manier voor te bereiden op hun komst naar Nederland,
juist vanwege het tijdelijke karakter. Het kan dan ook zomaar zo zijn
dat de situatie in het land van herkomst anders is wanneer die wachttijd
verstreken is en dat nareis dan helemaal niet meer aan de orde is.
De heer Dassen (Volt):
Er werd net gezegd: meer lucht creëren voor instanties. Het ging net ook
nog even over ondersteuning bij de juridische procedures. Daardoor wordt
het namelijk op dit moment extra druk voor de IND. De minister zegt dan:
dat doen we vanwege sober beleid. Is dat dan wel verstandig volgens het
CDA?
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik heb het rapport van de IND, dat dit weekend naar buiten kwam, ook
gelezen. Daarin geeft de IND juist zelf aan dat ze heel graag die taak
bij zich houden, omdat ze dan het proces veel integraler kunnen
doorlopen. Nu loopt het proces veel vertraging op, omdat men afhankelijk
is van andere ketenpartners. In die zin begrijp ik waarom deze functie
bij de IND belegd is. De capaciteitsproblemen bij de IND baren mij
natuurlijk ook zorgen en er moet dus wel voldoende capaciteit voor zijn.
Maar daarover zijn volgens mij al meerdere vragen aan de minister
gesteld.
De heer Dassen (Volt):
Dat begrijp ik, maar daarom ben ik even zoekende. De minister geeft aan
dat hij dit doet vanwege de sobere uitstraling. "Dat is de reden waarom
ik dit doe." Hij doet het niet om de keten op orde te krijgen; dat was
volgens mij wel altijd het uitgangspunt van het CDA. Zouden we de
minister dan nu niet moeten oproepen om in ieder geval door te gaan met
het beleid dat het mogelijk maakt dat de ngo's deze ondersteuning
bieden? Daarmee voorkomen we namelijk dat we nu onevenredig grote druk
op de IND zetten. Is het CDA dat met mij eens?
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik ben het niet eens met de analyse van de heer Dassen dat de juridische
counseling wordt belegd bij de IND om soberder beleid vorm te geven. Ik
denk dat de juridische counseling op zichzelf wel een versobering is,
maar of die nu bij de IND belegd wordt of bij een andere organisatie, is
echt een andere discussie. Ik denk dat het juist efficiënt is om het bij
de IND te beleggen, iets wat de IND zelf ook vraagt, om te voorkomen dat
je te afhankelijk bent van verschillende ketenpartners. Dat is op
zichzelf geen versobering en daar heb ik dan ook geen kritiek op.
De heer Dassen (Volt):
Dat was niet helemaal een antwoord op mijn vraag. "Sober beleid" komt
van de minister, hè, en niet van mij. Mijn vraag was: zouden we de
minister nu niet de opdracht moeten geven om ervoor te zorgen dat dit
niet alleen bij de IND belegd wordt, omdat de IND aangeeft dat de druk
te hoog wordt? Zouden we niet, zoals mevrouw Straatman zelf ook zegt,
instanties meer lucht kunnen geven door deze mogelijkheid juist wel open
te houden?
Mevrouw Straatman (CDA):
Dan is mijn antwoord dat de IND zelf aangeeft dat in het verleden
gebleken is dat het veel vertraging in het systeem oplevert als je die
taak bij heel veel verschillende instanties belegt. Efficiency in het
proces maakt het juist noodzakelijk dat die taak bij de IND belegd
wordt. Daarom lijkt het mij zeker een goede zaak dat die taak bij de IND
wordt belegd. Maar we moeten er dan wel voor zorgen dat er voldoende
capaciteit is en dat er ten tweede voor wordt gezorgd dat de
onafhankelijke adviesfunctie van de IND ook duidelijk is voor
asielzoekers.
De voorzitter:
Meneer Ceder. Wel graag binnen 30 seconden, want u zit aan uw max.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik heb nog één vraag. Er is een amendement binnengekomen van Vondeling
en Wilders dat opnieuw regelt dat het in de wet strafbaar wordt gesteld.
De kritiek op het amendement, dat mede door het CDA aan een meerderheid
is geholpen, is niet verstomd. De katholieke kerk, de PKN en andere
organisaties hebben zich hierover vorige week uitgelaten en mijn vraag
is of dat nog iets doet met het standpunt van uw fractie in de Tweede
Kamer. Of zult u ook nu voor dit amendement stemmen?
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik denk dat het verleden heeft geleerd dat je niet heel snel ja of nee
tegen een amendement moet zeggen. Je moet het eerst gelezen hebben! Ik
heb er nog niet naar kunnen kijken en ik weet dus ook niet hoe mevrouw
Vondeling en de heer Wilders dit amendement vorm hebben gegeven. Voor
het CDA is het heel belangrijk dat medemenselijkheid nooit strafbaar mag
zijn. Maar wij staan wel positief tegenover de strafbaarstelling van
illegaliteit in het omkaderde amendement, zoals dat nu via een novelle
bij de Eerste Kamer ligt. Daar hebben wij voor gestemd en in de
tussenliggende periode is daar niets aan veranderd. Maar ik moet dus
eerst rustig naar dit amendement kijken om te zien hoe het precies is
geformuleerd.
De voorzitter:
Oké, mevrouw Straatman was aan het einde van haar bijdrage. We zijn
inmiddels bijna tweeëneenhalf uur verder en ik vraag me af of de
behoefte bestaat om even een paar minuutjes te schorsen. Ik zie dat
iedereen dat graag wil. Sorry, mevrouw Lammers, want u bent bijna aan de
beurt. Ik schors vijf minuten voor een snelle pitstop.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik verzoek de collega's die er al zijn om te gaan zitten. Kijk, mevrouw
Lammers gaat nu wel gewoon zitten om te beginnen met haar eerste
termijn! En dat kan, want de minister is er nu ook weer. Kamer en
kabinet zijn er en we gaan nu gewoon aan de slag! Mevrouw Lammers, gaat
uw gang.
Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
Voorzitter. Jarenlang is in Brusselse achterkamertjes gebakkeleid over
een nieuw Migratiepact. Vandaag ligt de implementatiewet voor. Op papier
oogt dit pact strenger dan de huidige wet- en regelgeving en dat is
goed. Denk daarbij aan de verplichte grensprocedure en de screening.
Maar het laat de kern van het asielprobleem intact. Asiel aanvragen
binnen de Europese Unie blijft mogelijk, met alle aanzuigende werking
van dien. De realiteit is namelijk dat de komende jaren nog honderden
miljoenen mensen uit Afrika, Azië en het Midden-Oosten richting Europa
willen komen. Die werkelijkheid heeft dit pact allang ingehaald.
Voorzitter. Ik wil drie punten over dit pact in dit wetgevingsoverleg
benoemen. Allereerst de soevereiniteitsoverdracht als gevolg van dit
pact. Onder de streep is dit pact vooral een verdere overdracht van
zeggenschap aan Brussel, terwijl onze asielwetgeving nu al voor 90%
wordt bepaald door Europese of internationale verdragen. Neem de
crisisverordening van het pact. Waar lidstaten eerder zelf instrumenten
hadden om nationale noodmaatregelen te nemen, worden die nu zwaar
ingeperkt.
Alleen onder strenge Europese voorwaarden en toetsing door de Europese
Commissie mogen lidstaten in uitzonderlijke situaties afwijken, en zelfs
dan slechts beperkt. Dat is kwalijk, want wij willen niet méér Europa.
Wij willen méér Nederland! Daar komt bij dat lidstaten verplicht worden
om mee te doen aan herverdeling of om dat af te kopen voor wel €20.000
per asielzoeker. Maar wij willen geen van beide. Dit pact dwingt echter
tot een keuze: of betalen voor herverdeling of betalen voor opvang. Dat
is kiezen tussen twee kwaden.
Dan het tweede punt. Dit pact gaat op essentiële punten voor ons niet
ver genoeg. De kern van het asielprobleem blijft namelijk onaangetast.
Asielaanvragen vinden nog steeds plaats binnen de Europese Unie. Slechts
voor kansarme aanvragen komt er een grensprocedure. De rest vindt op
Europees grondgebied plaats.
Maar Europa zou Europa niet zijn als er geen uitzonderingsgronden waren.
Alleenstaande minderjarige vreemdelingen mogen onder dit pact niet in de
grensprocedure worden geplaatst en zij kunnen dus doorreizen. Een
simpele optelsom leert wat de uitkomst daarvan zal zijn. Deze kinderen
worden vooruitgestuurd, reizen door naar rijke landen zoals Nederland en
niemand die ze iets kan maken. Uiteindelijk kan de grensprocedure
daarmee feitelijk "leeg" blijven, als alle kansarme migranten hun
kinderen vooruitsturen. Klinkt dit als een succesvol pact, vraag ik de
minister.
Zolang mensen Europa bereiken en hier een procedure kunnen starten,
blijft de instroom doorgaan en blijft het probleem voortduren. Er is een
fundamenteel andere keuze nodig. Asielaanvragen dienen uitsluitend
buiten de Europese Unie plaats te vinden en, ja, het mag duidelijk zijn
dat er wat ons betreft geen enkele status meer wordt toegekend en er een
totale asielstop komt. Maar ten minste moeten alle aanvragen buiten het
EU-grondgebied plaatsvinden, zodat doorreizen wordt voorkomen. Kan de
minister zich hierin vinden? En is hij bereid om in Europa te
onderhandelen over een nieuw wetsvoorstel waarin alle aanvragen buiten
de EU worden behandeld?
Daarnaast blijft in dit pact het meest fundamentele punt liggen,
namelijk effectieve terugkeer. Zonder terugkeer heeft geen enkel
migratieplan zin. In dit nieuwe pact zal de instroom blijven en is de
uitstroom niet voldoende geregeld. Wij zeggen het de Britten na: if
millions come, millions have to go. Vindt de minister dit ook? Waarom
heeft dit kabinet er dan nog niet voor gekozen om bijvoorbeeld Syriërs
gedwongen uit te zetten? Het kan! Het mag namelijk en andere
EU-lidstaten doen het al, bijvoorbeeld Oostenrijk.
Voorzitter. Mijn derde en laatste punt is de uitvoerbaarheid van dit
pact. Dit pact lijkt in de praktijk niet te gaan werken. De Europese
buitengrenzen zijn duizenden kilometers lang en worden nu al onvoldoende
bewaakt. Ook Frontex gaat dat probleem niet oplossen, zelfs niet met
extra budget. Zonder fysieke grensbescherming blijft de uitkomst
hetzelfde: meer illegale instroom, meer doorreis en dus meer druk op
Nederland. Ondertussen geven landen zoals Polen en Hongarije al aan
helemaal niets met het pact te gaan doen. Dan rijst onmiddellijk de
vraag wat er dan met Dublinclaimanten uit die landen gebeurt en vooral
hoe de verdeelsleutel wordt aangepast. Kan de minister mij daar een
antwoord op geven? De kans is namelijk groot dat Nederland zoals altijd
het braafste jongetje van de klas wordt en alle klappen moet opvangen.
Migratie-expert Gerald Knaus, de bedenker van de Turkijedeal,
waarschuwde in de uitzending van Nieuwsuur van 17 februari dat het pact
op één grote mislukking zal uitlopen. Ik citeer: "Er wordt heel veel
beloofd, maar deze zomer gaan we waarschijnlijk zien dat het faliekant
misgaat, want de beloftes die zijn gedaan — betere grensbewaking, minder
illegale migratie, meer terugzendingen — kunnen niet worden waargemaakt.
Zelfs als we heel optimistisch zijn en het zou werken, dan zou nog
vrijwel niemand worden teruggestuurd. Precies hetzelfde als we de
afgelopen twintig jaar hebben gezien, zal opnieuw gebeuren. Asielzoekers
verdwijnen in de zwarte markt of reizen door naar Noord-Europa."
Voorzitter. Toch is dit kabinet positief over het Europese Migratiepact.
Ik vraag de minister: waarom toch? Nederland hééft helemaal geen
Europees Migratiepact nodig en al helemaal geen pact dat op een
mislukking dreigt uit te lopen. Wat Nederland nodig heeft, is een
Nederlands migratiepact, met grenscontroles, zonder Spreidingswet en met
een asielstop. De mensen thuis willen dit ook. Bij de afgelopen
gemeenteraadsverkiezingen is er opnieuw een ruk naar rechts gemaakt.
Nederlanders hebben er genoeg van. Steeds meer gemeenten willen geen azc
en al helemaal geen dwang vanuit Den Haag. Het draagvlak brokkelt
zichtbaar af. Dat is niet houdbaar, ook niet voor een minister die stoer
"wet is wet" roept. De wet is de wet zolang je hem niet aanpast. Die
aanpassing kan vandaag nog.
Wij komen daarom met enkele voorstellen als onderdeel van dat
Nederlandse migratiepact. Allereerst noem ik ons meest essentiële punt:
ons amendement om het dwangelement uit de Spreidingswet te halen.
Gemeenten mogen nooit gedwongen worden om asielzoekers op te vangen
omdat Den Haag de kraan niet dichtdraait. Dat is voor ons een no-go.
Haal alle dwang uit die wet. Dat is ook een duidelijk signaal naar de
kiezers. Ik vertrouw dan ook op brede steun van deze Kamer voor ons
voorstel, mede gelet op de uitspraken van bijvoorbeeld de heer Klaver
van GroenLinks-PvdA in de campagne voor de gemeenteraadsverkiezingen,
waarbij hij zelf zei dat gemeentes zelf gaan over hun eigen opvang en
dat we daar als Den Haag naar hebben te luisteren. Ik noem ook de
uitspraak van Dilan Yeşilgöz bij Buitenhof waarin ze zei dat het voor
gemeenten te veel wordt en het draagvlak voor de opvang van asielzoekers
wordt weggenomen als er geen dwang wordt toegepast bij de aanhoudende
instroom. Bij dit pact zal de doorreis blijven. Op het punt van de
uitstroom is bijna niets geregeld. Een migratie-expert waarschuwt voor
een ramp komende zomer. Ik zeg dus: haal de dwang weg. Graag ook uw
reactie, minister, op ons amendement.
Een ander voorstel dat wij zullen doen is het afschaffen van de
voorlopige voorziening in asielzaken. Nu kan de rechter op basis van
individuele casuïstiek een asielbesluit laten schorsen. Dat moeten we
niet willen. België heeft die mogelijkheid niet en Duitsland ook niet.
Het zorgt voor chaos. Daarnaast is het ook niet aan de rechter om ons
asielbeleid te bepalen, maar aan de regering en aan ons als Kamer, de
gekozen vertegenwoordigers van het volk.
Voorzitter. Tot slot. Dit pact draagt soevereiniteit over aan Brussel,
beperkt de instroom onvoldoende en lijkt in de praktijk niet te gaan
werken. Dit kabinet kiest voor meer Europa, terwijl Nederland vraagt om
minder. Dat is de kern van dit debat. Laat ik daarbij het volgende
zeggen. Onze fractie beoordeelt dit pact uiteindelijk op wat er concreet
verandert. Wij doen serieuze voorstellen. Als het kabinet en de Kamer
bereid zijn om op fundamentele punten bij te sturen, zullen wij daar
serieus naar kijken.
Dank u wel.
De voorzitter:
Oké. Dan gaan we luisteren naar de heer Boomsma, voor zijn eerste
termijn. Hij spreekt namens JA21.
De heer Boomsma (JA21):
Dank u wel, voorzitter. Het huidige Europese asielbeleid is failliet,
kapot en zelfs pervers. Wij doen alsof het humaan is, maar het levert
ons uit aan mensensmokkelaars. Duizenden mensen sterven op zee. De
armste mensen blijven achter. De kosten zijn onhoudbaar en de gevolgen
voor Nederland onaanvaardbaar. Dit moet dus stoppen, maar het juridische
moeras dat is ontstaan door internationale verdragen, Europees recht en
ook door nationaal asielactivisme, frustreert de legitieme democratische
wens om verandering.
Die spanning vreet aan het vertrouwen in onze samenleving en in onze
rechtsstaat. Het nieuwe Asiel- en Migratiepact gaat dat helaas niet
oplossen, vrezen wij. Het is inderdaad, zoals gezegd, geen wondermiddel,
maar het lijkt ons vooral een poging om het kapotte systeem met
pleisters en draadjes nog overeind te houden om nog maar even de
pretentie vol te houden dat het houdbaar is. JA21 zal daarom blijven
pleiten voor een fundamentele herziening van het hele asielstelsel. We
moeten van asiel hier naar hulp daar, buiten de EU. Opvang en vestiging
in Nederland moeten een gunst zijn en geen recht. Dat is de enige manier
waarop wij zelf weer controle kunnen krijgen over wie zich hier
vestigt.
De voorzitter:
Er is een interruptie van de heer Dassen.
De heer Dassen (Volt):
Is de heer Boomsma het met mij eens dat als je dat wil, we er in ieder
geval voor moeten zorgen dat we meer gaan investeren in
ontwikkelingssamenwerking?
De heer Boomsma (JA21):
Nee, want het is niet zo dat ontwikkelingssamenwerking — daar kun je
voor of tegen zijn — ertoe zal leiden dat de migratiestromen zullen
afnemen of dat de wens om zich in Europa te vestigen op korte termijn
zal afnemen. Sterker nog, uit veel onderzoek blijkt ook dat als in
bepaalde landen mensen meer geld hebben, ze ook makkelijker hiernaartoe
kunnen reizen. Ik zei net al: de armste mensen blijven achter. Dus er
kunnen hele goede redenen zijn om meer aan ontwikkelingssamenwerking te
doen, maar dat staat los van dit streven.
De voorzitter:
U continueert.
De heer Boomsma (JA21):
Voor die fundamentele herziening zullen wij ons de komende tijd blijven
inzetten. Het belangrijkste is dat de regering de komende tijd zo snel
mogelijk afspraken gaat maken met die derde landen voor opvang daar. De
mogelijkheden daartoe nemen sterk toe door de wijziging van het
bandencriterium per 12 juni. Eerder is bij de begroting onze motie
aangenomen om een plan van aanpak te maken en daar voor de zomer mee te
komen. Ik weet overigens dat de minister zelf in 2023 een vergelijkbare
motie heeft ingediend om dat zo te gaan inrichten. Het is voor hem ook
een goede zaak dat dat nu eindelijk kan. Hoe staat het met de
uitvoering? Daar zien we naar uit. We willen graag ook structurele
updates over de voortgang op dat plan, ook als het gaat om het
realiseren van terugkeerhubs en andere zaken met derde landen. Opvang
elders is waar we naartoe moeten.
Dat neemt niet weg dat Nederland nu verplicht is om het pact te
implementeren. Wat JA21 betreft moeten we dat op zo'n manier doen dat we
de instroom naar Nederland zo veel mogelijk beperken. Mensen hebben het
over nationale koppen, maar ik zie juist dat heel veel Europese landen
steeds maar strenger worden en dat Nederland achterblijft. In Zweden
bijvoorbeeld is de asielinstroom dit jaar opnieuw met 40% gedaald. In
het afgelopen jaar was er een enorme daling in Zweden te zien, terwijl
dat juist een van de meest ruimhartige landen was. Nederland blijft
achter, want in week 12 zien we dat er weer 1.000 per week kwamen.
Cruciale vragen zijn: in hoeverre doen we dat nu met die instroom met de
voorliggende wet en in hoeverre zijn Nederland en de uitvoeringsdiensten
klaar om dat goed uit te voeren?
We zijn bij de implementatie natuurlijk ook sterk afhankelijk van wat
andere landen doen. Velen hebben het daar al over gehad. Daar wil ik dan
ook mee beginnen, want daar hebben we nog wel wat zorgen over. Het hele
idee is dat het Dublinstelsel, dat de meeste EU-landen nu al jaren aan
hun laars lappen, nu wel weer gaat werken en dat Italië, Griekenland en
Spanje niet meer tegen mensen zeggen: toe maar, ga maar lekker naar
Noord-Europa. Ze moeten nu mensen wél gaan registreren en in de
procedure gaan nemen. Hoe kun je controleren of die landen dat
daadwerkelijk gaan doen en hoe gaat Nederland daarop toezien? Dat is
natuurlijk wel cruciaal.
Als het duidelijk is dat iemand niet via een luchthaven is gekomen, wat
geldt voor een grote meerderheid, zoals mevrouw Van der Plas ook al
aangaf, ben je dus over land gekomen en dan ben je eerst in een veilig
land geweest. Dan moet je dus terug. Hoe gaan we daarmee om? In dat
kader lijkt het ons ook zinnig om de grenscontroles nog even voort te
zetten. Wat gaan andere landen die zijn begonnen met grenscontroles, na
12 juni doen?
Als ruil voor de herstart van het Dublinsysteem volgt nu het
solidariteitsmechanisme. JA21 is geen voorstander van die Europese
spreidingswet. In ieder geval moet Nederland conform de motie-Eerdmans
zo veel mogelijk afkopen in plaats van opvangen. Het gaat nu volgens de
wet om minimaal 30.000 mensen, maar de Europese Commissie kan volgend
jaar ook besluiten om voor 2027 te gaan voor 200.000 of 400.000 mensen.
Wat verwacht de minister? Welke invloed probeert Nederland daarop uit te
oefenen? JA21 blijft van mening, net als de SGP, dat niet alleen bbp en
bevolking moeten worden meegenomen in de bijdrage, maar ook de
bevolkingsdichtheid, dus het feit dat Nederland het meest dichtbevolkte
land van Europa is.
Wat is de stand van zaken ten aanzien van de inzet van het kabinet voor
Dublincompensaties uit het verleden als solidariteitsbijdrage? Wij
zouden zeggen: neem ze allemaal en doe dat zo volledig mogelijk, ook
voor de afgelopen jaren. Hoeveel mensen die eigenlijk Dublinclaimanten
waren maar die niet konden worden teruggestuurd, heeft Nederland
eigenlijk de laatste tijd opgevangen? Is het nu de inzet om dat allemaal
te verrekenen?
Dan de implementatie door Nederland, te beginnen bij de nieuwe
procedureverordening. Ik ga niet opnieuw in op het beperken van de
nareis, het overgangsrecht en de zaken die al geregeld zijn bij de
Asielnoodmaatregelenwet en de Wet tweestatusstelsel. Daarover hebben we
al uitgebreid gedebatteerd. Die wetten zijn aangenomen door de Tweede
Kamer. Er is nu een uitgebreid onderzoek gekomen naar de nieuwe
werkwijze. Dat heeft de IND opgesteld en dat hebben wij zaterdag
gekregen, maar dat rapport is van 9 maart. Ik had het op zich wel prima
gevonden om dat op 10 maart te krijgen, gezien de drukte waarmee we nu
te maken hebben en juist gezien het beroep van velen op ons om de wet zo
snel mogelijk te behandelen. Ik hoor graag een reactie van de minister
op de risico's die daarin worden aangekaart.
In alle besluiten zit natuurlijk een spanning tussen snelheid en
zorgvuldigheid in de asielprocedure. Je wilt een snel besluit maar ook
een zorgvuldig besluit. Nu wordt de procedure sneller en efficiënter
gemaakt, maar wordt die daardoor ook minder zorgvuldig? Dat is een zorg
die wij hebben. Ik wil graag dat de minister daar even op ingaat.
Specifiek vreest JA21, zeker gezien het terechte streven om al die
achterstanden weg te werken, dat de neiging dan nog groter kan worden om
dan maar asiel te verlenen, omdat je snel een beslissing wilt. Een
vergunning geven kost gewoon de minste tijd en procedures. We willen wel
de duidelijke toezegging dat er geen concessies worden gedaan aan de
zorgvuldigheid en aan de belangrijke wens om echt alleen asiel te
verlenen als de noodzakelijkheid daarvan hard is aangetoond. Liever
wachtlijsten dan hoge toekenningen. We willen dan ook dat na de
invoering van het pact en de werkwijze de toekenningspercentages goed
worden gemonitord, ook bij het land van herkomst, zodat wij dat kunnen
volgen. Snelheid in die eerste fase mag niet niet leiden tot meer fouten
of onzorgvuldigheden, met juist meer problemen en kosten naderhand. Ik
hoor graag hoe de minister het laatste wil voorkomen.
Bij de aanvang van de procedure wordt de juridische bijstand door een
advocaat vervangen door counseling. Dat kunnen wij steunen; dat lijkt
ons goed. Het is zaak dat mensen een eerlijk verhaal gaan vertellen en
er goed en feitelijk geïnformeerd wordt. Hoe ziet de regering het risico
dat mensen voor de formele aanvraag al juridisch advies van advocaten
gaan inwinnen? Gaan ze dat niet gewoon van tevoren al doen? Er gaan nu
al handleidingen rond met instructies over wat je precies wel en niet
moet zeggen. Hoe wordt dat bestreden? Daarbij is ook van belang, lijkt
ons, dat de meest gevoelige aspecten van landenberichten niet openbaar
zijn. Hoe ziet de minister dat?
De voorzitter:
Een interruptie van de heer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik haak even aan op het laatste punt. Ik denk inderdaad dat er een
verschuiving plaatsvindt als het gaat om juridisch advies. De mensen
zijn niet gek en laten zich goed informeren. Ik vraag me alleen af wat
de heer Boomsma bedoelt met zijn vraag hoe we dit kunnen voorkomen. Het
staat eenieder toch vrij om juridisch advies in te winnen? Ik ben
benieuwd wat JA21 op dit punt zou willen. Zou JA21 willen dat mensen
geen juridisch advies mogen inwinnen?
De heer Boomsma (JA21):
Dat is een heel terechte vraag. Mensen hebben zeker het recht om
juridisch advies in te winnen. Alleen horen en zien wij in de praktijk
dat het vaak voorkomt dat mensen worden gedrild en geïnformeerd over hoe
je het systeem kunt omzeilen en welk verhaal je moet houden om de kans
op asiel zo hoog mogelijk te maken. Daarmee wordt dus op een bepaalde
manier misbruik gemaakt van het systeem. Dat willen wij voorkomen. Er
gaan instructies rond over hoe je je verhaal het beste kunt houden en
wat je moet zeggen om de kans op asiel te vergroten. Wij willen dat
mensen gewoon eerlijk hun verhaal vertellen. Als ze dan recht hebben op
asiel, hebben ze dat. Maar er zouden niet allerlei trucjes mogen worden
gebruikt om die kans zo hoog mogelijk te maken, als dat erop neerkomt
dat het systeem wordt misbruikt.
Voorzitter. Mevrouw Straatman sprak er ook al over: de IND kan enkel
minimale inrichting implementeren. Ook ik begreep dat niet. Wat betekent
"minimale inrichting" precies? Hoeveel fte wordt daarvoor dan
vrijgemaakt? Hoeveel is er nodig en wat er gaat er dan later nog
veranderen?
Mensen moeten nu op een tablet hun gegevens invullen. Het COA vreest
problemen met de zelfredzaamheid, maar de IND niet. Graag een
toelichting daarop. Is het risico van het wegvallen van het
intakeverhoor niet dat er minder zicht komt op mogelijke fraude of
kwetsbaarheden? Vaak genoeg zegt iemand "Ik kom uit Syrië", terwijl die
later uit Marokko blijkt te komen. Ik spreek mensen die dat honderden
keren voorbij hebben zien komen. Is dus het werken met tablets niet
gevoeliger voor fraude, of fouten per ongeluk? Het laatste is natuurlijk
ook mogelijk, want niet iedereen is digitaal handig. Wat zijn de
gevolgen als de informatie onvolledig of onjuist is?
Dan de volgende vraag. Wordt er ook meer gebruik gemaakt van AI,
bijvoorbeeld om taal of accenten te analyseren? Het lijkt mij dat dit
kansen biedt.
De Dienst Terugkeer en Vertrek vreest dat het misschien juist moelijker
wordt om mensen later terug te sturen als die mensen de gegevens zelf op
een tablet mogen invullen. Dat moeten we natuurlijk niet willen. Ik hoor
dan ook graag een reactie daarop van de minister.
Er wordt asielzoekers nog tijdens de screeningsfase gevraagd naar hun
reisgegevens en naar de wijze waarop ze hier zijn gekomen. Is dat een
vraag die wordt opgenomen in die tablets? Hoe wordt dat dan
gecontroleerd? Als blijkt dat mensen bijvoorbeeld via Italië of
Duitsland zijn gekomen, maar daar niet zijn geregistreerd, kunnen ze dan
alsnog worden teruggestuurd?
Natuurlijk is het essentieel — de SGP begon daar ook over — om gegevens
uit te kunnen lezen. Dat maakt alles veel effectiever. De rechter heeft
geoordeeld dat daarvoor een wettelijke grondslag moet worden opgenomen.
Het wetsvoorstel daartoe zou in het najaar van 2025 in consultatie gaan.
Waar blijft dat wetsvoorstel? Het lijkt me ook veel beter om die
wettelijke grondslag meteen te implementeren, om te voorkomen dat je
later, als die wetgeving er wel is, je werkwijze moet aanpassen. Wij
zijn dus bezig te bekijken of we dat via een amendement nu al naar voren
kunnen halen.
Het geheel zal leiden tot meer beroepsprocedures. Daarvoor heeft de IND
meer mensen nodig. Hoeveel meer mensen heeft de IND nodig? Ligt het
aannemen van die mensen inderdaad op schema?
JA21 wil de juridisering van het asielbeleid zo veel mogelijk
terugdringen. Daarom willen we ook dat juridische bijstand zo veel
mogelijk wordt beperkt, ook in de beroepsfase. De mate van kans van
slagen van een beroep lijkt slechts een beperkte rol te spelen bij het
in beroep gaan, constateert de regering zelf. Daarom hebben wij daar een
amendement voor opgesteld. De IND komt dus met een aparte screening
voordat zaken in beroep gaan. Hoe ziet die screening eruit? Wordt er
alleen gekeken of de IND zelf iets heeft gemist of ook naar de kans van
slagen van zo'n beroep?
Voorzitter. Al die wijzigingen vragen natuurlijk enorm veel van de
uitvoeringsorganisaties, met name van de IND. Groot respect voor wat de
IND allemaal doet en waar ze mee bezig zijn. Laat ik dan ook in algemene
zin aan de minister vragen of de IND klaar is om de stelselwijziging
door te voeren. Een jaar geleden is er nog een motie ingediend door
mijzelf, gesteund door de heer Bontenbal en de heer Van Dijk, om alle
stappen te zetten om de IND klaar te maken, zodat de voorwaarden er zijn
voor een succesvolle implementatie. Wat ziet de minister nu nog als de
grootste risico's?
JA21 wil dat er voldoende capaciteit overblijft voor alles eronder, ook
voor onderzoek naar mogelijke fraude en de opvolging van zaken, om te
kijken of alles wat mensen hebben gezegd, wel klopt. Dat is ook om op te
kunnen treden als mensen terugreizen naar het land van herkomst of als
mensen zaken verkeerd hebben voorgesteld en voor de herbeoordeling van
statussen. De minister heeft in antwoord op onze vragen aangegeven dat
het achterhouden van relevante feiten voor de IND aanleiding kan zijn om
een herbeoordelingsprocedure op te starten. Hoe vaak is dat gedaan? En
hoe vaak verwacht de minister dit na juni nog te kunnen doen?
Het antwoord op onze vraag 435 stelt ons niet helemaal gerust en ik
begrijp dat ook niet helemaal. De IND zegt tot een instroom van 25.000
aanvragen de wettelijke termijn te kunnen naleven. Is er daarbij
rekening gehouden met de capaciteit voor herbeoordelen, bijvoorbeeld van
de Syriërs? Wat JA21 betreft is dat heel cruciaal en extreem urgent. Dat
mag niet in gevaar komen omdat we de achterstanden moeten wegwerken.
Daar moet gewoon echt voldoende capaciteit voor blijven. Het antwoord
van de minister is: we hebben geen rekening gehouden met eventualiteiten
met een niet aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid. Ik begrijp
gewoon niet wat dat betekent.
Voorzitter. Ik kom tot de Opvangrichtlijn. Wanneer komt er duidelijkheid
over de opvang van Dublinclaimanten en de invulling daarvan? Dat betreft
inderdaad de versoberde opvang. België heeft besloten om die mensen
überhaupt geen opvang meer te bieden, om zo asielhoppen te voorkomen.
Hoe ziet de minister dat? Wat zijn de gevolgen van al deze wijzigingen
voor de procesbeschikbaarheidsaanpak die is ontwikkeld?
Voorzitter. Het wordt voor asielzoekers mogelijk om eerder te werken.
Enerzijds biedt dat kansen, omdat er arbeidstekorten zijn en het
doorgaans veel beter en gezonder is voor mensen om aan de slag te gaan
dan om te zitten niksen en wachten. Bovendien kunnen ze dan een bijdrage
leveren aan de kosten van de opvang. Maar dit mag natuurlijk niet een
extra motief worden om asiel aan te vragen in Nederland omdat je zo al
vrij snel geld kunt gaan verdienen. Dit mag natuurlijk ook nooit een
factor worden in het beoordelen van asielaanvragen. Hoe gaat de minister
dat voorkomen? Wij willen dat verduidelijkt wordt dat de termijn van
drie maanden, als die er komt, alleen gaat gelden voor de meest
kansrijke asielzoekers en niet voor de andere groepen. Daarom hebben wij
een amendement ingediend. Ik hoor graag hoe de minister dat ziet.
De afgelopen jaren liepen werkgevers aan tegen allerlei bureaucratische
beperkingen. Zijn de gemeenten klaar met de inrichting van de
BRP-straten, zodat dit geen bottleneck wordt? Dan kun je ervoor zorgen
dat de IND proactief een signaal geeft als iemand een bsn kan krijgen om
te werken. Dan wordt dat automatisch opgelijnd.
Voorzitter. We hebben ook een ... O, ik zie dat er een vraag is.
De heer Van Asten (D66):
Ik hoor de collega een vraag stellen over het punt dat mensen in een
niet-kansrijke positie niet aan de slag zouden mogen gaan. Ik ben even
benieuwd waarom dat eigenlijk een probleem zou zijn. Het gaat dan om
mensen die bijdragen aan een vermindering van het arbeidstekort dat wij
hier hebben.
De heer Boomsma (JA21):
Als het gaat om mensen van wie de asielaanvraag zeer kansarm is, dan
betekent dat dat er mensen komen terwijl ze geen recht hebben op asiel.
Dan komen ze dus om een andere reden. Dat zijn hele groepen. Daar hebben
we ook veel last van. Dat zijn bijvoorbeeld de veiligelanders. Die moet
je natuurlijk niet het recht geven om te gaan werken, want je wil niet
dat je mensen stimuleert om hiernaartoe te komen met dat doel. Dan
misbruik je eigenlijk de mogelijkheden voor asielopvang om hier te
kunnen gaan werken. Ik denk dat dat geen denkbeeldig risico is, want
voor veel mensen kan het aantrekkelijk zijn om dan alvast wat geld te
gaan verdienen. Je wil dus geen extra motief geven om hiernaartoe te
komen. Dat is het eigenlijk; vandaar dat amendement.
We hebben inmiddels een behoorlijk aantal azc's bezocht. Ik heb
directeuren gesproken die aangaven dat het wat hen betreft heel
wenselijk zou zijn als er een wettelijke mogelijkheid komt om mensen een
sollicitatieplicht te geven of een verplichting om deel te nemen aan
cursussen. Op dit moment kan dat niet. Hoewel veel asielzoekers
natuurlijk willen werken, zijn er ook mensen die dat niet willen en die
met een bepaalde drang daartoe gemaand moeten worden, als steuntje in de
rug. Als mensen gaan werken, wordt natuurlijk ook een behoorlijk deel
van hun inkomsten afgeroomd om bij te dragen aan de kosten van de
opvang. Dat is natuurlijk ook goed. Maar dat kan ook een reden zijn voor
mensen om te zeggen: ik wil dat niet; ik doe er niet aan mee. Dan is het
heel handig voor directeuren dat ze iets van een middel hebben om mensen
ertoe aan te zetten, is ons ook verteld vanuit het veld. Dus vandaar dat
amendement.
De voorzitter:
Er is een interruptie van mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
"Asielzoekers aan het werk laten gaan" klinkt op zich allemaal mooi,
maar dat betekent ook dat zij zich gaan hechten en vrienden en collega's
krijgen. Als ze dan alsnog terug moeten, is dat natuurlijk wel vrij
pijnlijk. Hoe ziet JA21 dat?
De heer Boomsma (JA21):
Dat is de reden dat wij tot nu toe ook altijd kritisch zijn geweest over
het verruimen van de mogelijkheden om te gaan werken. Er zijn natuurlijk
een aantal rechterlijke uitspraken over geweest. In het Asiel- en
Migratiepact wordt die termijn van zes maanden in ieder geval verplicht.
In het voorstel van de regering wordt dit aangegrepen om het nog verder
te verruimen. Er zijn natuurlijk ook voordelen, dus dat is een afweging
die je moet maken. Daarom heb ik ook aan de minister gevraagd om te
bevestigen dat dit nooit een rol mag spelen in het verlenen van asiel en
dat dit er ook niet toe mag leiden dat meer mensen hiernaartoe komen
specifiek met dat doel. Dat zullen we ook goed moeten monitoren, want
dat is wel degelijk de kanttekening hierbij.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Onwillige mensen die helemaal geen zin hebben om te werken en die er
gewoon niet aan mee willen doen, ga je dan dwingen of verplichten om aan
het werk te gaan. Wat betekent dat voor werknemers als je mensen
compleet ongemotiveerd aan het werk laat gaan?
De heer Boomsma (JA21):
Er zijn heel veel mensen die moeten werken en daar niet per se heel blij
mee zijn. Dat geldt natuurlijk voor heel veel mensen in de hele
samenleving. Het is ook niet zo absoluut. Het is niet zo dat mensen die
met een bepaalde mate van drang ertoe worden aangezet, zich vervolgens
alleen maar onwillig opstellen. Kijk, als mensen alleen maar gaan
schreeuwen en dwars gaan liggen, dan kan er misschien een maatregel
volgen. Maar ik denk dat er best veel mensen zijn die er even toe
gebracht moeten worden en die, als ze eenmaal aan de slag zijn, ook zien
dat het gewoon beter is.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Als asielzoekers dan aan het werk gaan, maar niet willen of zich op dag
één al ziek melden om wat voor reden dan ook, is er dan ook nagedacht
over hoe dat bij werkgevers terecht gaat komen?
De heer Boomsma (JA21):
Dat kan overal. Dat kan ook als het gaat om anderen en niet om
asielzoekers. Het kan dat mensen zich op dag één ziek melden. Er zijn
ook mensen die in de bijstand zitten. Die hebben een sollicitatieplicht.
Daarbij kunnen er ook mensen zijn die aan het werk gaan en daar
aanvankelijk niet op zaten te wachten. Ik denk dus dat dat veel breder
speelt. Als je in de praktijk merkt dat dat echt niet werkt, kun je
mensen moeilijk fysiek verplichten om te gaan werken. Dan zullen ze dat
kunnen verhinderen. Zoals ik al zei, begrijp ik vanuit het veld dat er
best kansen liggen om mensen daartoe te manen en om enige drang uit te
oefenen. Ik begrijp dat dat voor veel mensen uiteindelijk beter is en
dat men zich dat gaat realiseren.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik heb een vraag over dat punt. Natuurlijk is het goed om mensen aan te
sporen om te gaan werken. Alleen, voor mij is dit punt ondoordacht. Dat
vind ik vaker als we het met elkaar over migratie hebben. We zitten
inderdaad met elkaar in een situatie waarin je werkgevers belast.
Mevrouw Van der Plas heeft een punt. Als je je ziek meldt, ontstaan er
vervolgens bepaalde verplichtingen voor werkgevers. Ik zie dat niet
terug in het amendement. Ik zie ook geen opt-out voor azc-directeuren.
Kunt u dus uitleggen wat in principe uw plan is, ook op het moment dat
er weigeringen plaatsvinden?
De heer Boomsma (JA21):
De vraag verbaast me wel een beetje, want de heer Ceder doet net alsof
asielzoekers hele andere mensen zijn dan andere mensen in Nederland. Er
zijn ook allerlei mensen in Nederland die inderdaad moeten werken om aan
geld te komen. Als ze echt willen, kunnen die zich ook ziek melden. Dat
gebeurt inderdaad. Laten we niet meteen uitgaan van het slechtste in de
mens. Dit amendement schept een wettelijke grondslag voor directeuren
van het azc om het te kunnen doen. Het stelt het niet verplicht. In veel
gevallen zal het ook niet nodig zijn. In veel gevallen zullen mensen
zelf willen werken of zijn er andere redenen om ervan af te zien. Het
amendement voorziet ook in wettelijke grondslag om mensen te vragen,
maar ook te kunnen verplichten om deel te nemen aan cursussen. Daar ligt
ook nog een keuze in. Als mensen echt niet willen werken, zou je kunnen
zeggen: wil je dan wel deze cursus gaan volgen? Er zijn dus meerdere
opties mogelijk. Het gaat erom dat het managen van een azc lastig is.
Het schept allerlei uitdagingen. Als je mensen hebt die niks te doen
hebben en die dwarsliggen, dan kan het handig zijn om ze op deze manier
te manen om aan de slag te gaan, wat vervolgens voor de andere bewoners
van het azc gewoon een goed idee is.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik snap de goede bedoelingen van de heer Boomsma. Ik ben het ook met u
eens: werken helpt. Het helpt ook om mensen aan te sporen. Alleen, u
treedt op als medewetgever. U dient een amendement in zonder
consequenties. Als dit artikel namelijk niet wordt nageleefd door de
ander, zie ik daarin geen verplichting. Ik doe een beroep op u, als
medewetgever, om uit te leggen wat de gevolgen zijn als iemand uitvalt,
niet alleen voor de directeurs, maar ook voor degene die de oproep
krijgt en voor een potentiële werkgever. Als je dat niet kunt, snap ik
dat. Maar ik zou voorzichtig zijn met het indienen van het amendement,
als dat ondoordacht is.
De heer Boomsma (JA21):
De heer Ceder moet even goed het amendement lezen. Er staat helemaal
niet in dat het voor iedereen verplicht wordt, want dat kun je inderdaad
helemaal niet handhaven. Er staat alleen dat er een wettelijke grondslag
wordt opgenomen om het te kunnen doen. Dat is dus iets anders.
Directeuren van azc's hebben ook altijd de mogelijkheid om er geen
gehoor aan te geven, om die verplichting niet op te leggen. Dat is
wezenlijk anders dan hoe de heer Ceder het nu schetst.
De voorzitter:
Kort, meneer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik ga dit toch doen. We doen dit te vaak als het om asiel gaat. Ik doel
op het indienen van slechte wetten, die dan ook nog worden aangenomen.
Achteraf heeft de uitvoering daar de gevolgen van te dragen. Stel dat
een directeur zegt: ik leg dit op en ga hiervan gebruikmaken, als dit
wordt aangenomen. Stel dat een asielzoeker zegt, om welke reden dan ook:
dat ga ik niet doen. Wat zijn volgens de heer Boomsma dan het gevolg en
de meerwaarde van deze wet, afgezien van de situatie waarin een
directeur het zelf probeert zonder wetgeving? Wat gebeurt er volgens de
heer Boomsma als dit niet wordt nageleefd?
De heer Boomsma (JA21):
Ik zie de zorg van de heer Ceder als het gaat om ondoordachte wetgeving.
Alleen, ik denk dat daar in dit geval helemaal geen sprake van is. Het
amendement heb ik overigens een jaar geleden ook ingediend, bij de
Asielnoodmaatregelenwet. Dat heb ik daarna ingetrokken, omdat ik dacht:
laten we niet allerlei nieuwe amendementen indienen die de wet
veranderen; het is al belangrijk genoeg dat die twee wetten er nu komen.
Dat hebben we geweten. Helaas heeft niet iedereen dat gedaan. Maar er is
dus wel degelijk langer over nagedacht. Ik heb dit overlegd met het
veld. Ik wacht op de reactie van de minister zo meteen. Nogmaals, het
schept alleen een wettelijke mogelijkheid om het te doen. Als het in de
uitvoering op problemen stuit, zou men er gewoon vanaf kunnen zien. Dat
risico zie ik dus niet. Maar als de heer Ceder nog andere risico's ziet,
hoor ik het graag. Dan kunnen we daar alsnog over in gesprek.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
De heer Boomsma zei net: alsof asielzoekers andere mensen zijn dan
mensen die nu in Nederland wonen. Het zijn misschien geen andere mensen,
maar het zijn wel veel mensen met een getraumatiseerd verleden. Als een
directeur dan aankondigt dit te gaan doen, dan vraag ik me wel af welke
gevolgen dit voor de werkgever heeft, maar ook voor de asielzoeker in
kwestie. Welke rechten en plichten gaan hier dan uit voortvloeien voor
iedereen? Ik zou daar toch wel wat duidelijker antwoord op willen
hebben, want dit lijkt me een beetje vaag op deze manier.
De heer Boomsma (JA21):
Vaag? Mevrouw Van der Plas zegt: asielzoekers hebben vaak een
getraumatiseerd verleden. Dat klopt, maar de hele wetgeving is er nu op
gericht dat veel mensen na drie maanden kunnen werken. Dat verander ik
nu dus niet. Als mensen vervolgens asiel krijgen en in een
bijstandsuitkering komen, dan wordt er ook gevraagd om te gaan werken.
Mevrouw Van der Plas doet nu alsof er een enorm verschil bestaat, maar
die situatie verandert helemaal niet door dit amendement. In de praktijk
zul je er natuurlijk rekening mee moeten houden. Als mensen echt
getraumatiseerd zijn, dan zullen ze hulp moeten krijgen om daarmee om te
gaan. Er zullen ook mensen zijn die inderdaad misschien niet kunnen
werken. Die ga je natuurlijk niet zo'n verplichting opleggen. Daarom
staat in het amendement ook dat je kunt kiezen en dat je een keer kunt
zeggen: ik neem deel aan een cursus. Dus ja, volgens mij is dit gewoon
een goed idee. Dat is ook wat wij terughoren uit het veld.
De voorzitter:
Mevrouw Van der Plas, kort.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik zeg ook niet dat het per se een slecht idee is. Ik wil er gewoon voor
waken dat als een directeur bijvoorbeeld zegt dat hij dit wil toepassen,
hij dan wel goed genoeg weet welke rechten en plichten er voor hem, voor
de asielzoeker en voor de werkgever zijn, en dat dit goed genoeg is
uitgedacht op die manier. Dat is mijn enige zorg. Nou ja, het is niet
mijn enige, maar een van de zorgen.
De voorzitter:
Meneer Boomsma, kort nog een keer.
De heer Boomsma (JA21):
De wet voorziet er nu in dat mensen kunnen werken. Mensen die in een
uitkeringssituatie zitten, kunnen ook een sollicitatieplicht worden
opgelegd. Die kunnen dan dus ook met enige drang worden gemaand om te
werken. Ons hele stelsel is daar dus op ingericht. Daar zitten risico's
aan verbonden; die zul je moeten managen. Dat er ook rechten en plichten
aan verbonden zitten, is hier inderdaad het geval, maar dat is ook het
geval zonder sollicitatieplicht. Daar zal men inderdaad een weg in
moeten vinden. Als mensen hier gaan werken, mag dat wat ons betreft —
dat heb ik herhaaldelijk gezegd — niet in de weg staan voor of van
invloed zijn op de beslissing om al dan niet asiel te verlenen. Iemand
kan dus aan het werk zijn gegaan, maar vervolgens toch geen asiel
verleend worden, omdat hij daar geen recht op heeft. Dan moet hij alsnog
terug. Dan zal daar rekening mee moeten worden gehouden in de relatie
met de werkgever. Maar dit is misschien ook een goede vraag om aan de
minister te stellen: welke risico's ziet hij op dat vlak? Daar kunnen
namelijk inderdaad wel knelpunten ontstaan. Die veranderen niet
specifiek door dit amendement, maar wel door de wijziging dat mensen na
drie maanden al kunnen werken.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dan wil ik de minister inderdaad vragen om hier wel echt even heel goed
op in te gaan, want zomaar even een amendement aannemen met straks
verstrekkende gevolgen, willen we natuurlijk niet.
De voorzitter:
Ik wil me nergens mee bemoeien, maar ik kan me indenken dat hier ook wat
SZW-aspecten aan zitten. Dat gaan we zo van de minister horen. Meneer
Boomsma, hoever bent u in uw betoog?
De heer Boomsma (JA21):
Ik ben redelijk aan het einde.
De voorzitter:
Redelijk aan het einde. Gaat u verder.
De heer Boomsma (JA21):
Ik wil verder nog ingaan op de crisisverordening. Die maakt het nu dus
expliciet mogelijk dat noodmaatregelen worden genomen, maar wanneer kan
die worden ingeroepen? Dat staat niet echt gespecificeerd. Ik vraag dit
ook in het licht van wat het coalitieakkoord stelt over aanvullende
maatregelen om bijvoorbeeld nareis tijdelijk te stoppen. Wat ons betreft
is de nood nu al aan de man. We hebben nu al een groot probleem. We
zouden nu al noodmaatregelen moeten nemen, want Nederland kan het nu ook
al niet meer aan. We waren op werkbezoek in Polen. Daarbij bleek dat de
Poolse regering dit nu ook al doet. In dat land hebben ze gewoon een
asielstop aangekondigd bij de grens, sinds maart vorig jaar. Blijkbaar
kan dat. Ze worden niet teruggefloten door de Europese Commissie of door
wie dan ook. Hoe ziet de minister dat dan? Ik wilde ook het volgende
vragen. Welke andere Europese landen beroepen zich nu al op deze gronden
of op andere gronden om af te wijken van de Europese regels? Welke
landen houden zich nu ook niet aan de Europese regels? Duitsland houdt
zich aan de grenzen volgens mij niet aan de Europese regels. U kent
natuurlijk allemaal Hongarije. Maar ook België vangt alleenstaande
mannelijke asielzoekers niet meer op. Allerlei landen nemen dus al
verdergaande maatregelen dan Nederland en wij blijven steeds maar
achter. Ik heb het idee dat dat er dus ook mee te maken heeft dat wij
nog steeds met die hoge instroom zitten, terwijl die in andere landen
wel omlaaggaat.
Tot zover.
De heer Dassen (Volt):
Een korte vraag over dat laatste. Is dit niet precies het probleem
waarmee we te maken krijgen als we een Europees Migratiepact met elkaar
afsluiten en alle landen vervolgens toch weer heel strenge eigen
nationale maatregelen gaan implementeren? Daardoor krijgen we die race
to the bottom. Daardoor zitten we straks in de situatie dat we weliswaar
een pact hebben, maar iedereen in elk land toch zelf maar wat
doet.
De heer Boomsma (JA21):
Inderdaad. We hebben een Europese race to the bottom qua asielbeleid en
dat is verschrikkelijk. Dat vind ik ook het funeste en hypocriete aan
het hele huidige asielsysteem. Daarom vinden wij dat er een fundamentele
verandering moet komen. Wij doen nu inderdaad alsof we een heel humaan
stelsel hebben, maar omdat allerlei landen het eigenlijk niet willen,
gaan ze allerlei manieren bedenken om asielzoekers alsnog te ontmoedigen
en in sommige gevallen zelfs weg te pesten. Dat alles om maar onder die
regels uit te komen. Dat vind ik onderdeel van het probleem en daarom
denk ik dat een veel fundamentelere herziening van het hele asielstelsel
nodig is. Maar nu we in dit systeem zitten, kan Nederland ook niet
achterblijven. Het kan ook niet zo zijn dat allerlei andere landen
verdergaan en wij als Nederland dat niet doen, met als gevolg dat de
instroom in Nederland hoog blijft. Wij hebben ook nog het meest
dichtbevolkte land van Europa. Ons hele asielstelsel piept en kraakt.
Onze opvang kan het ook niet aan. In die tragische situatie bevinden we
ons nu inderdaad.
De heer Dassen (Volt):
Dit is natuurlijk een probleem. We zouden in plaats van meedoen aan die
race to the bottom er als Nederland ook voor kunnen kiezen andere landen
erop aan te spreken dat het onacceptabel is. We hebben een pact
afgesloten met elkaar dat ervoor moet zorgen dat we een gezamenlijk
Europees asielbeleid krijgen, maar we zien dat andere landen
eigenstandig zaken aan het doorvoeren zijn. Daardoor krijgen we, precies
zoals de heer Boomsma zei, een race to the bottom. Zouden we de minister
niet mee moeten geven dat hij hier in Europa kritischer op zou moeten
zijn richting collega-landen?
De heer Boomsma (JA21):
Ik denk niet dat we kritischer moeten zijn richting andere landen. Ik
denk dat wij ook dergelijke stappen moeten zetten. Dat klinkt inderdaad
als iets onwenselijks, maar ik denk dat het onvermijdelijk is. Het hele
punt is dat het huidige systeem allerlei perverse prikkels bevat. Wij
zeggen tegen mensen over de hele wereld: "Kom naar de EU, want wij zijn
zo humaan dat we u asiel verlenen als u in de problemen zit. U moet
alleen wel eerst illegaal hiernaartoe reizen via een gevaarlijke route."
Dat deugt niet. Het is ook een soort openeinderegeling. Er zijn heel
veel mensen op aarde die natuurlijk liever naar Europa zouden willen
komen en die worden gestimuleerd om dat te doen of die hiernaartoe
worden gelokt. Omdat wij en heel veel andere landen dat eigenlijk
helemaal niet aankunnen, verzinnen we allerlei manieren om daar onderuit
te komen, in plaats van dat we die realiteit onder ogen zien en tot een
fundamentele herziening van het asielstelsel komen. Dat is waar we nu in
zitten. Nogmaals, ik denk dus dat we daarom echt naar een fundamenteel
ander stelsel moeten.
De heer Dassen (Volt):
Laatste vraag. Misschien interpreteer ik de heer Boomsma verkeerd, maar
pleit hij in dat andere stelsel dat er zou moeten komen dan ook voor
legale migratieroutes? Dan hoeven mensen die oversteek niet meer te
maken en krijgen ze in het land van herkomst al meer duidelijkheid. Dat
is uiteindelijk goed voor de mensen die daadwerkelijk op de vlucht zijn.
Dat is ook goed voor de mensen die hier uiteindelijk geen
asielvergunning zouden krijgen. Dat kunnen ze dan daar al achterhalen.
Dat haalt ook meteen het verdienmodel van mensensmokkelaars
onderuit.
De heer Boomsma (JA21):
Wij willen dat we voorlopig stoppen met asielopvang in Europa. Dat stelt
je in staat om op termijn zelf de keuze te maken. Op dit moment kunnen
wij niet zelf bepalen wie hiernaartoe komen. Dat wordt bepaald door
mensensmokkelaars. Daardoor krijg je een selectie van mensen die dat
kunnen betalen, terwijl de armsten achterblijven. In het coalitieakkoord
staan plannen om dat te veranderen en om buiten Europa asiel aan te
kunnen vragen. Het nadeel daarvan is dat dat het ook veel makkelijker
maakt en dat dus ook veel meer mensen asiel zullen gaan aanvragen.
Als we echt willen dat we zelf weer de controle krijgen over wie zich in
onze landen vestigen, dan zullen we af moeten van het hele stelsel dat
je zicht hebt op opvang en verblijf in onze welvarende verzorgingsstaat
als je illegaal hiernaartoe reist en hier asiel aanvraagt. Dan zul je
daarvan af moeten. Dan moet je dus af van een recht op asiel, maar moet
je mensen in plaats daarvan elders gaan helpen. Vervolgens, als je het
eenmaal echt onder controle hebt, kun je kijken welke mensen onze hulp
echt het hardste nodig hebben, welke mensen we alsnog hiernaartoe kunnen
halen, welke mensen goed passen bij onze economie en culturen en welke
mensen we op die gronden hiernaartoe kunnen halen. Dan heb je echter
zelf de controle.
De voorzitter:
Meneer Boomsma, hoeveel had u nog?
De heer Boomsma (JA21):
Ik ben klaar.
De voorzitter:
U bent klaar. Ik doe even snel een tusseninventarisatie. Hoeveel
collega's hebben moties? Weet u dat al? Kunt u even duidelijk uw hand
opsteken? Dank u wel. U kunt allemaal net zo goed klokkijken als ik dat
kan. Het is niet zo dat wij hier onbeperkt door kunnen. Dat heeft niets
te maken met mijn arbeidsethos, maar heeft ermee te maken dat er
allerlei mensen moeten werken om deze vergadering voor ons mogelijk te
maken en dat zij gewoon een eindtijd hebben. Ik voorzie dat we pas rond
drieën met de termijn van de minister kunnen gaan beginnen, maar daar
had ik u voor gewaarschuwd.
Meneer Dassen, het woord is aan u voor uw eerste termijn. O, meneer
Ceder?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Mag ik wel alvast het voorstel doen om in de pauze na te gaan denken
over mogelijke scenario's? Dit is volgens mij de grootste hervorming op
dit onderwerp die we in deze Kamer ooit behandeld hebben. Er waren al
wat kritiekpunten dat een WGO misschien niet de meest passende setting
zou zijn. Die zorgen lijken nu uit te komen. We willen ook de ruimte
geven aan alle Kamerleden om hun vragen te stellen, ook gezien de vragen
die nog op tafel liggen. Ik wil nu geen concreet voorstel doen, want ik
denk dat we dat met z'n allen moeten doen, maar ik zou toch wel willen
vragen om dat niet pas aan het einde te doen. Ik zou het namelijk een
van de grootste blamages vinden die we als medewetgever in de afgelopen
jaren hebben meegemaakt als we het Migratiepact hier door tijdsgebrek
onvoldoende zorgvuldig behandeld hebben met elkaar.
De voorzitter:
Ik hoor wat u zegt. Ik ben ook maar een eenvoudige inspringend
voorzitter, die dit inderdaad zag aankomen. We hebben een eindtijd. Ik
ga die tijd niet meteen verklappen, want anders gaat iedereen ... Maar
er is echt een eindtijd en die is minder laat dan u denkt. We hebben
echter wat speling, maar niet heel veel. Dat is ook gecheckt bij de
minister, waarvoor dank. Wat betreft voorstellen ten aanzien van het
vervolg: dan zal er straks een concreet ordevoorstel moeten komen. Mijn
advies zou toch zijn om dit vandaag te proberen af te ronden. Ik heb
daar nu geen oordeel over.
Meneer Dassen, aan u het woord.
De heer Dassen (Volt):
Dank, voorzitter. Strenge controles aan de buitengrenzen, screenings,
beperkingen van doorreis: we spreken vandaag over de implementatie van
richtlijnen en verordeningen. We spreken over verdeelsleutels, cijfers
en aantallen, maar laten we vooral niet vergeten dat dit over mensen
gaat. Dit gaat over mensen op de vlucht en over kinderen, in een opvang
aan de grens, in onzekerheid over hun gezin dat een gevaarlijke
oversteek waagt omdat er geen veilige andere manier is. Dit gaat over
een gezin dat jarenlang gescheiden is, omdat een wachttermijn dat zo
bepaalt. Het Asiel- en Migratiepact is bedoeld om de instroom van mensen
te beperken en migratie te beheersen, maar de vraag is natuurlijk of het
ook rechtvaardig en menswaardig is. Ik heb daar op dit moment grote
vraagtekens bij.
Voorzitter. Dit kabinet zegt onnodige nationale koppen op Europese
regels te willen schrappen, maar bij de uitvoering van dit pact doet het
precies het tegenovergestelde. De Raad van State constateert het ook: de
nationale invulling volgt niet rechtstreeks uit het Asiel- en
Migratiepact. Toch kiest Nederland voor een tweestatusstelsel, strengere
nareisvoorwaarden, kortere verblijfstitels en de afschaffing van de
verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Juist in de manier waarop we
procedures inrichten, maken we keuzes die verder gaan dan Europa van ons
vraagt. Zo komen we weer in een race to the bottom: landen die elkaar
beconcurreren om het strengste asielbeleid in plaats van echt
gezamenlijk Europees beleid. Zo wordt het Migratiepact direct
ondermijnd, zoals we net ook concludeerden in het interruptiedebat dat
ik met de heer Boomsma had. Waarom kiest het kabinet ervoor om de
grensprocedure strenger toe te passen in situaties waarin dat niet
verplicht is? Is dit een zuivere implementatie of komt de strenge
insteek het kabinet juist uit in het kader van andere landen die dit ook
doen?
Het blijft onverteerbaar dat het kabinet voornemens is om kinderen in
detentie te plaatsen. Ik vraag de minister: wat hebben zij misdaan dat
het rechtvaardigt dat ze in de gevangenis komen te zitten? Kan de
minister aangeven hoe dit in verhouding staat tot het
VN-Kinderrechtenverdrag? Daarnaast zouden alleenstaande kinderen niet in
een versnelde procedure moeten zitten, omdat ze kind zijn en daarmee
kwetsbaar. Kan de minister daarop reflecteren? Waarom wordt de wachttijd
bij grensprocedures in ieder geval niet beperkt tot de
screeningsfase?
Voorzitter. Voor de screening en de procedure moet een onafhankelijke
toezichthouder komen. Het kabinet legt deze taak bij de minister neer.
Kan de minister uitleggen waarom hij de onafhankelijke toezichthouder
kan zijn, en of dat in dit geval logisch is? In mijn ogen klinkt het
namelijk alsof de slager zijn eigen vlees gaat keuren.
Voorzitter. Er liggen momenteel wetten voor in de Eerste Kamer. Hoe gaat
de samenhang eruitzien, bijvoorbeeld als beide wetten worden aangenomen
door de Eerste Kamer? Zorgt dit niet juist voor onduidelijkheid en
problemen in de uitvoering? Of wordt er straks op alle mogelijke
manieren gezegd dat iets van Europa moest?
Volt gelooft in een gemeenschappelijk Europees asielbeleid met oog voor
mensen. Maar dan moet het ook werkelijk gemeenschappelijk zijn, en dat
is het nu niet. Het solidariteitsmechanisme functioneert alleen als
lidstaten hun verantwoordelijkheid nemen. Nederland kiest ervoor om die
verantwoordelijkheid financieel af te kopen: €20.000 per persoon en
daarmee is het klaar. Dat is geen solidariteit; dat is afkopen van
betrokkenheid. Is het kabinet van plan om het op dezelfde manier te
blijven regelen? Als alle lidstaten die keuze maken, stort het
mechanisme in. Tot zover de harmonisatie en solidariteit in
Europa.
Voorzitter. Het plan voor de terugkeerhubs is: ver weg en buiten zicht.
Maar we weten dat een opvang niet zomaar een opvang is; het is een
risico op langdurig verblijf zonder duidelijke status en perspectief.
Opvang wordt daarmee detentie. Hoe gaan we ervoor zorgen dat de
externalisatie van asielprocedures naar derde landen niet ten koste gaat
van mensenrechten? We weten dat er in Europa wordt gekeken naar veilige
derde landen, maar wat is veilig? Kan de minister hierop reflecteren?
Aan welke landen denkt hij dan concreet? Hoe garandeert het kabinet dat
we onze verantwoordelijkheid niet simpelweg buiten onze grenzen
parkeren?
Voorzitter. Ondertussen is het de realiteit: crisis of oorlog dwingt
mensen om te vluchten. Wat doen we met de mensen die toch hierheen
komen? Is goede opvang dan geborgd? Voldoen we dan aan de
verplichtingen? Is onze keten erop voorbereid, zeker nu de praktijk laat
zien dat systemen onder druk staan en mensen moeite hebben om hun weg te
vinden? Zonder goede begeleiding wordt de procedure niet sneller, maar
juist onzorgvuldiger. Daarom is mijn vraag waarom de toegang tot
juridische begeleiding niet steviger in de wet verankerd wordt. Mijn
oproep aan het kabinet is om dit pact juist ook te gebruiken om te
zorgen dat we dat onderdeel van het systeem beter maken.
Voorzitter. Dan kom ik bij de uitvoering. We hebben namelijk gezien dat
de rechtspraak nu al aan de alarmbel trekt, omdat de verwachting is dat
er veel meer procedures gestart zullen worden. Kan de minister daarop
reflecteren en reageren? Dit weekend kwam namelijk naar buiten dat de
IND niet klaar is voor de veranderingen die op stapel staan. Het rapport
leest als een kroniek van een ongeluk dat onherroepelijk gaat
plaatsvinden, lazen we in de krant. De minister gaf geen antwoord op de
vragen, dus ik vraag me af: waarom niet? Waarom hield de minister ook
dit rapport voor de Kamer verborgen? Waarom wil de minister liever dat
de IND in de problemen komt dan dat ngo's die nu al veel werk doen dit
blijven doen? Kan de minister aangeven wanneer de ICT-problemen opgelost
zijn en wat dit in de tussentijd betekent? Voor het CDA was zorgvuldige
wetgeving en rust in de keten een belangrijk punt. Daarom verbaast het
mij dat hier weinig op gedaan wordt, zoals ik net ook met de collega van
het CDA heb uitgewisseld.
Hetzelfde geldt voor gezinshereniging. De minister kiest voor een
nationale kop op het Europees Migratiepact, terwijl we in andere landen
hebben gezien dat de rechter daar een streep door zet. Waarom kiest het
kabinet hier dan toch voor, terwijl de kans groot is dat de rechter, of
mogelijk het Hof, hier een streep door gaat zetten? Ook hiervan zou je
kunnen zeggen: waarom zijn we nu al bezig met wetgeving waarvan we weten
dat die dadelijk gaat stranden? Graag een reflectie van de
minister.
Voorzitter. Dit kabinet heeft de wens om mensen die naar Nederland komen
vanaf dag één te betrekken bij de samenleving. Zorgen dat mensen
daadwerkelijk in staat zijn om een leven op te bouwen en onderdeel te
worden van de maatschappij is een mooi voornemen. Ik kan het alleen maar
onderstrepen. Daarom verbaast het me dat er keuzes worden gemaakt die
het tegenovergestelde doen, zoals het afschaffen van de vergunning voor
onbepaalde tijd. Hoe denkt de minister dat integreren gaat als je elke
drie jaar opnieuw een vergunning moet aanvragen? Ik vraag de minister
ook: waarom krijgt niet iedereen vanaf dag één toegang tot
talencursussen?
Voorzitter. Is de minister het met mij eens dat de ingangsdatum de datum
van de aanvraag moet zijn en niet de dag van de beschikking, zoals de
Raad van State ook aangeeft? Ik zie de minister al knikken, maar ik hoor
dadelijk toch graag zijn argumentatie daarbij.
Voorzitter, concluderend. Het is goed dat er een Europees Asiel- en
Migratiepact is. We hebben jarenlang in deze Kamer aangegeven dat het
wenselijk is dat we migratie samen met andere Europese landen aanpakken.
De grote zorg die we nu hebben, is dat veel landen bezig zijn met
additionele wet- en regelgeving toe te passen op dit pact. Dat
ondermijnt het hele pact. Er zit amper solidariteit in. Je zou zeggen:
je wilt juist ook een Europese spreidingswet. Het ondermijnt het pact
als je gaat afkopen. Mijn vraag aan de minister is dus: hoe wordt er in
Europa gesproken over de vraag of dit pact een succes gaat worden? Als
dit debat namelijk in elk land op deze manier gevoerd wordt, kan ik u
garanderen dat we straks 27 verschillende asiel- en migratiepacten
hebben. Dat zorgt ervoor dat er veel onduidelijkheid is en dat er
eigenlijk nog steeds geen solidariteit en geen rechtvaardige,
menswaardige manier om met asiel om te gaan zijn.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Oké. Dan gaan we naar mevrouw Teunissen voor haar eerste termijn. Zij
spreekt namens de Partij voor de Dieren.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Voorzitter, dank u wel. De intenties van het Migratiepact klinken in
eerste instantie redelijk: een eerlijke verdeling van vluchtelingen over
Europa, een snelle afhandeling van asielaanvragen en harmonisering van
de regels. Maar in de praktijk schendt het pact de mensenrechten en is
het onrechtvaardig. €20.000: dat is het bedrag per vluchteling waarmee
landen, onder andere Nederland, hun plicht kunnen afkopen om
asielzoekers in Europa op een eerlijke manier op te vangen. De waarde
van een mensenleven uitgedrukt in geld. Vluchtelingen worden gezien als
last en niet als medemensen in nood. Dat is een van de vele voorbeelden
van wat er fundamenteel mis is met het EU-Migratiepact.
Het pact zet zeer sterk in op grensprocedures en versnelde afhandeling.
Dat betekent dat mensen in kwetsbare situaties aan de buitengrenzen
worden opgesloten, met beperkte toegang tot rechtsbijstand. Kinderen
kunnen in detentie worden geplaatst, met alle traumatische gevolgen van
dien. Daarnaast krijgen mensen minder tijd om hun verhaal te doen,
minder mogelijkheden om bewijzen aan te leveren en minder ruimte om hun
rechten uit te oefenen. Daarmee ontstaat een grote kans dat mensen
onterecht worden teruggestuurd naar onveilige situaties. Dat raakt aan
de kern van het vluchtelingenrecht en het Kinderrechtenverdrag. Wij
hebben de plicht om mensen te beschermen die vluchten voor oorlog en
geweld, vanwege hun geaardheid of vanwege hun geloof.
Voorzitter. Extra problematisch is het dat Nederland ervoor kiest om
nationale koppen boven op dit pact te zetten. Het kabinet zet in op een
race naar de bodem met andere EU-landen door bij het pact allerlei
aanvullende nationale maatregelen in te voeren: het tweestatusstelsel,
strengere voorwaarden voor gezinshereniging, het verkorten van de
verblijfstitel en het afschaffen van de verblijfsvergunning voor
onbepaalde tijd. Zo blijft er niets over van solidariteit en
medemenselijkheid, waar het EU-Migratiepact oorspronkelijk voor bedoeld
was. De Raad van State stelt dat dit in strijd is met het beginsel van
beleidsarme implementatie van het EU-recht, ook met het oog op het niet
extra belasten van de uitvoering en de rechterlijke macht. Mijn vraag is
dus: hoe gaat de minister voorkomen dat de nationale koppen een
zorgvuldige implementatie van het pact juist in de weg staan? De IND
kampt nu namelijk al met overbelasting. Vrijdag hebben we het rapport
gezien: de IND is er niet klaar voor. Kan de minister dus toelichten hoe
hij omgaat met de inzichten uit dat rapport?
De Nederlandse aanvullende maatregelen zijn geen juridisch noodzakelijke
keuzes, maar politieke keuzes. Ze zijn vooral het gevolg van ophitserij
en angst, met grote gevolgen voor mensen in kwetsbare posities. Gezinnen
worden langer gescheiden, procedures worden complexer en de
rechtsbescherming wordt verder uitgekleed. Tegelijkertijd leidt het niet
tot een beter functionerend systeem; integendeel.
Uitvoeringsorganisaties waarschuwen juist voor meer procedures, meer
werkdruk en meer onzekerheid. Het is niet alleen onrechtvaardige
wetgeving, maar het is waarschijnlijk ook nog onuitvoerbare wetgeving.
Graag een reactie daarop.
Voorzitter. Dan een paar opmerkingen over de specifieke Nederlandse
maatregelen. Kinderen kunnen in detentie worden geplaatst, met alle
traumatische gevolgen van dien. Door de formulering die het kabinet
kiest, ontstaat het risico dat kinderen automatisch kunnen worden
opgesloten onder uitzonderlijke omstandigheden, zonder een individuele
toets. Is de minister bereid om de wet te wijzigen zodat detentie van
kinderen wordt uitgesloten? Het opsluiten van kinderen gaat regelrecht
in tegen het Kinderrechtenverdrag.
Dan nog een vraag over lhbtiq-personen. Erkent het kabinet dat er een
extra drempel wordt opgeworpen door voor nareis de eis te stellen dat
partners getrouwd moeten zijn?
Voorzitter, tot slot. Het zijn lapmiddelen van het kabinet, die
averechts werken. Als we serieus willen spreken over migratie, zal het
kabinet aan de slag moeten met de grondoorzaken. Doe eindelijk iets aan
de klimaatcrisis. We hebben vandaag nog het rapport gezien van de Wereld
Meteorologische Organisatie, die zegt dat de aarde veel meer warmte
vasthoudt dan ooit. Guterres, de chef van de VN, zegt: het mondiale
klimaat bevindt zich in een noodsituatie. Snapt de minister wat dit
betekent, ook met het oog op grotere aantallen vluchtelingen die deze
kant op zullen komen? Ga pal staan voor het internationaal recht. Spreek
je uit tegen landen die genocide plegen en tegen de VS, die illegaal
landen binnenvallen, waardoor mensen gedwongen worden om te vluchten.
Investeer in ontwikkelingssamenwerking en doe iets aan de sociale
ongelijkheid in plaats van vluchtelingen de schuld van alles te geven.
Belast de superrijken en de grote vervuilers en doe er iets goeds mee.
Dan neem je ook onvrede weg, die zich nu keert tegen een van de meest
kwetsbare groepen in de samenleving, namelijk vluchtelingen. Tot slot:
reguleer arbeidsmigratie. In sectoren zoals de vleesindustrie, de
logistiek en de tuinbouw draait onze economie op goedkope arbeid van
mensen van buiten Nederland. Dat zijn industrieën die de natuur
vervuilen en waardoor de dierenrechten worden genegeerd. Daar wordt
nauwelijks over gesproken, terwijl juist daar de structurele keuzes in
moeten worden gemaakt.
Voorzitter. Tot slot. Dit pact en deze implementatie zetten de deur open
naar een onrechtvaardig, juridisch kwetsbaar en onuitvoerbaar systeem.
Het risico op mensenrechtenschendingen neemt toe, terwijl de problemen
niet worden opgelost.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dan gaan we naar meneer Ceder voor zijn eerste termijn namens de fractie
van de ChristenUnie.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel, voorzitter. Asielmigratie kan niet doorgaan op de wijze
waarop die nu gaat. Dat is al een tijdje duidelijk. De ChristenUnie
onderschrijft dan ook het rapport van de Staatscommissie Demografische
Ontwikkelingen en heeft al eerder gezegd op het gebied van de migratie
voor een bandbreedte te zijn. De route naar een rechtvaardig, logisch en
menswaardig asielstelsel begint niet in Nederland, maar buiten onze
grenzen, internationaal. De ChristenUnie heeft daarom vorig jaar een
motie ingediend, die aangenomen is, waarin wordt gevraagd om hervorming
van het Vluchtelingenverdrag, dat al meer dan 75 jaar dezelfde tekst
heeft. In die motie wordt gevraagd om daar dit jaar nog over te spreken,
het liefst in Den Haag. Mijn vraag is hoe het staat met de uitvoering
van die motie. Ik denk dat die ook past bij een modernisering van dat
verdrag, waarbij ook de huidige en toekomstige ontwikkelingen meegenomen
worden.
Tevens moet Europa zijn migratiestelsel wijzigen. Landen wijzen naar
elkaar en schuiven de verantwoordelijkheid op elkaar af; dat moet
stoppen. Voor vluchtelingen die hun heil in Europa zoeken en die hier al
zijn, moeten we gezamenlijk onze verantwoordelijkheid nemen. Voor mensen
die geen toekomst in Europa hebben, geldt dit ook. We kunnen ze niet
onder de radar van land naar land laten gaan zonder dat ze ergens een
bestaan kunnen opbouwen. Zij hebben duidelijkheid nodig en moeten ook
terug. Het is duidelijk dat hun toekomst niet in Europa ligt. Daar
moeten we ook geloofwaardige stappen in zetten.
Voorzitter. De ChristenUnie is van mening dat de Kamer te lang heeft
gesukkeld met het migratieonderwerp, onder andere door meerdere
nationale voorstellen en beloftes de voorrang te geven ten opzichte van
internationale ontwikkelingen. Vele beloftes die hier in de Kamer gedaan
zijn, zouden het aantal aanvragen en de asielinstroom wel verlagen, maar
laten we eerlijk zijn: deze beloftes hebben weinig uitgehaald maar
hebben in de debatten wel veel tijd gekost. In mijn interruptie met de
PVV van daarnet, bijvoorbeeld, had ik het al over het volgende. Er werd
gezegd dat het "strengste asielbeleid ooit", zoals het geframed werd, en
— die zet ik tussen aanhalingstekens — het "Fabereffect", zoals het in
de communicatie werd gepresenteerd, zouden leiden tot verlaging van de
instroom en ook tot een verlaging hébben geleid. Nu is de PVV plotseling
kritisch op de huidige cijfers en blijkt het — dat zijn mijn eigen
woorden — "slappe hap" te zijn geweest. Dit soort dubbeldenken zien we
op meerdere niveaus bij het onderwerp "migratie". Wensdenken boven
oplossingen stellen heeft helaas het debat gedomineerd. Ik moet wel
constateren dat we als Kamerleden, als medewetgever, daar helaas ook
vatbaar voor zijn geworden.
Mevrouw Vondeling (PVV):
Even ter verduidelijking. U zegt nu iets over de PVV en over mevrouw
Faber. Wij stonden achter de maatregelen van het kabinet-Schoof. We
hadden ook afgesproken dat we het strengste land in de EU zouden zijn
wat betreft asielregels. Dat waren we niet, dus wilden we extra
maatregelen. Dat is ook de reden dat het zo is afgelopen. Dit dus even
voor de Handelingen.
De voorzitter:
Meneer Ceder gaat verder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik constateer dat de maatregelen die mevrouw Faber had opgesteld en die
vervolgens ook naar de Kamer zijn gekomen, niet de maatregelen omvatten
die de PVV vandaag aanstipt. Daardoor bestaat er een discrepantie tussen
dat beleid en het beleid dat nu op tafel ligt. Dat constateer ik. Dat
laat zien dat of mevrouw Faber gelijk had en de PVV nu dingen verkondigt
die men niet kan waarmaken, of dat de PVV dingen verkondigt die men wel
kan waarmaken en dat het Fabereffect dus een frame was en niet klopte.
Het is een van de twee, en volgens mij sluiten ze elkaar logischerwijs
uit.
Voorzitter. Ik ga door. Een ander voorbeeld ligt in het gegeven dat er
inmiddels amendementen worden ingediend die het
asielnoodmaatregelenpakket opnieuw lijken te behandelen. De volgende
vraag stelde ik al eerder. Waarom hebben we ambtenaren aan het werk
gezet met het noodmaatregelenpakket terwijl de noodzaak voor "nood"
inmiddels weggevallen leek, en waarom gaan we hier opnieuw ditzelfde
debat met elkaar voeren? Waarom gaan we opnieuw dezelfde amendementen en
punten behandelen die we hier pakweg twee, drie maanden geleden ook
hebben behandeld?
Voorzitter. Het gevolg is groot. Allereerst zien we dat het voorstel nog
in de Eerste Kamer ligt. We zien tegelijkertijd ook dat we opnieuw op
een aantal punten hetzelfde debat aan het voeren zijn. We zien ook — zo
concludeerde de IND — dat het ook nog maar de vraag is of we op tijd
klaar zijn om het Migratiepact in te voeren. De kritiek van vorig jaar
was dan ook logisch. Die was duidelijk: laten we de voorkeur geven aan
het op een goede manier behandelen en implementeren van het Migratiepact
en stoppen met de Asielnoodmaatregelenwet. Daar heeft de Kamer in
meerderheid niet voor gekozen, met als gevolg dat beide wetten mogelijk
niet op tijd ingevoerd kunnen worden, even los van de vraag of we hier
voldoende tijd hebben om het zorgvuldig te behandelen. We hebben dus een
andere aanpak nodig waarbij we serieus gaan nadenken over een manier
waarop we met elkaar de vertaling in nationale wetgeving
implementeren.
Ik vroeg eerder aan de voorganger van deze minister wat de meerwaarde
was van het asielnoodmaatregelenpakket ten opzichte van het
Migratiepact, ook omdat er volgens mij maar een aantal weken tussen de
implementatie van die wet en deze zit. Ik heb destijds, een paar weken
geleden, geen antwoord gekregen van zijn voorganger. Ik hoop dat de
minister de vraag nu wél kan beantwoorden, ook om ons als medewetgever
mee te nemen in de vraag wat daar de meerwaarde van was en misschien
momenteel nog is.
Tevens hoop ik dat de Kamer niet opnieuw dezelfde fout maakt. Er lijkt
een herhaling van zetten te ontstaan. Er is namelijk een vrees in deze
Kamer dat de Eerste Kamer tegen de wet stemt. Maar een van de redenen
waarom de Eerste Kamer mogelijk kritisch naar de wet kijkt, is
bijvoorbeeld het strafbaar stellen van illegaliteit. Om te voorkomen dat
die wet weggestemd wordt terwijl deze het wel haalt, wordt een
amendement ingediend om het argument waarmee de Eerste Kamer moeite
lijkt te hebben, opnieuw te implementeren in het Migratiepact. Daardoor
ontstaat de kans — ik hoop het niet — dat twee wetten weggestemd worden
omdat er een cirkelredenering wordt gevolgd. Ik hoop dat de minister er
duidelijk over kan zijn dat we dat niet moeten willen en daar
klip-en-klaar antwoord op kan geven. We kijken ook naar de
medewetgevers. Ik heb aan het CDA gevraagd en vraag dat ook aan de
andere partijen: als deze amendementen ingediend worden omdat de vrees
is dat in de Eerste Kamer de wet wordt weggestemd, wat bereik je dan
door opnieuw te amenderen en opnieuw de Eerste Kamer hetzelfde dilemma
voor te leggen? Daarmee verklein je de kans dat het Migratiepact wordt
aangenomen en volgens mij moeten we dat allemaal niet willen. Dat geef
ik even mee ter overweging.
Voorzitter. Dan het Migratiepact. De ChristenUnie is voor het
Migratiepact. Er zijn wel een aantal onderdelen waar we kritisch op
zijn. U heeft ons bijvoorbeeld al gehoord over de detentie van kinderen.
Hoe gaat die er in een land als Griekenland of Italië uitzien, als de
opvang nu al ver onder de maat is? Hoe borgen we dat er ondanks snellere
en efficiëntere procedures voldoende rechtsbescherming is voor
asielzoekers, zodat zij een eerlijke kans krijgen om hun verhaal te
doen?
De nationale uitwerking van het pact ligt nu bij ons in de Kamer. Ik wil
er een aantal punten uitlichten. Daar heb ik een aantal amendementen
over ingediend. Ik zou er kort even bij stil willen staan om context en
uitleg te geven.
Allereerst zie ik dat het kabinet afwijkt ten aanzien van een aantal
maatregelen die niet dwingend volgen uit het pact. Ik zie dat als een
nationale kop. Ik vraag me af wat de meerwaarde is van het
coalitieakkoord en daarmee ook de uitwerking van dit kabinet ten aanzien
van nationale koppen als het per keer anders uitgelegd wordt. Betekent
een nationale kop dat wij niet meer doen dan wat er in Europa is
geregeld of leggen we dat per geval in ons voordeel uit? Zo ja, dan wil
ik dat graag weten, omdat dit vaker speelt. Ik merk dat er nu nationale
koppen in zitten, die er niet in hadden mogen zitten, tenzij de minister
daar een andere uitleg aan geeft. Die hoor ik dan graag, want ik ben
inmiddels een beetje in de war.
Dat er nu op de verantwoordelijkheid van de Kamer wordt gewezen om deze
wet snel te behandelen, snap ik, maar het is wel de omgekeerde wereld.
Als het allemaal te krap was geweest, hadden we de nationale asielwetten
moeten uitstellen of op een andere manier moeten behandelen en de
prioriteit bij het pact moeten leggen. Mijn vraag is of de minister dat
erkent, want de druk wordt nu bij de Kamer neergelegd. Ik denk dat het
ministerie andere keuzes had moeten maken en hier ook door de Kamer op
is gewezen, maar willens en wetens dit proces heeft doorgezet.
De heer Boomsma (JA21):
De heer Ceder heeft het over nationale koppen. Anderen deden dat ook al.
Alleen zie ik helemaal niet zo veel nationale koppen. Ik vraag me dus af
wat hij daar precies mee bedoelt. Ik weet dat allerlei landen om ons
heen juist nog veel strenger zijn geworden en dat dit heeft geleid tot
een nog veel grotere daling van de instroom. Ik noem Zweden, België,
Duitsland en ook Polen, waar we ook waren. Dus over welke nationale
koppen heeft de heer Ceder het dan?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Een nationale kop betekent: daar waar afgeweken wordt van onderdelen die
niet dwingend voortvloeien uit Europese regels. Daar staat het pact vol
van. De heer Boomsma probeert te zeggen dat andere landen dat ook doen.
Dat snap ik. Dat argument kan ik ook volgen. Maar dat betekent niet dat
mijn conclusie is dat een verbod op nationale koppen daarmee ook
geëffectueerd wordt. Ik snap dat u wilt aansluiten bij andere landen,
maar die wijken af van wat dwingend uit het pact voortvloeit.
Daarmee kom ik terug op het punt dat ik heb aangekaart — want we gaan
dit vaker meemaken in de komende jaren — namelijk: wat is een nationale
kop? Wat is een verbod op een nationale kop? Uw uitleg snap ik, maar dat
is geen verbod op een nationale kop. Als u het ermee eens bent dat er
geen verboden op nationale koppen zouden moeten zijn, zou u het eens
moeten zijn met mijn amendementen, die proberen dat terug te draaien.
Maar dat bent u niet, omdat u wel degelijk voor nationale koppen bent
zodra het u uitkomt. Dat is niet erg; dat is uw democratisch recht. Maar
laten we dan wel helder zijn over de definiëring.
De heer Boomsma (JA21):
Ik zet wel vraagtekens bij het gebruik van de term "nationale kop" als
het gaat om de invulling die expliciet mogelijk wordt gemaakt bij de
uitwerking van al deze verordeningen. Verordeningen hebben naar hun aard
een bepaalde ruimte die ze aan de lidstaten laten. In deze verordening
is dat tenminste het geval. Natuurlijk geldt dat helemaal bij
richtlijnen. Het is dan aan de verschillende lidstaten om daar invulling
aan te geven. Nederland is helemaal niet het strengste land op dit
moment. Ik denk dus dat we het niet moeten hebben over nationale koppen,
maar gewoon over implementatie van deze Europese wetgeving.
De heer Ceder (ChristenUnie):
De heer Boomsma hanteert een verkeerde definitie van "nationale kop".
Daardoor ontstaat een discrepantie tussen wat ik probeer te zeggen en
wat de heer Boomsma probeert te zeggen. Ik snap vanuit zijn redenering
dat hij dat heel wenselijk vindt. Misschien valt er ook iets voor te
zeggen als je het hebt over uniformering. Een nationale kop is de extra
beleidsruimte die niet uit het pact volgt, maar die je wel neemt. Prima
als dat het geval is, maar dan moeten we dat ook voor handelsverdragen
en andere zaken op die manier uitleggen. De heer Boomsma doet dat niet.
Hij wil afwijken omdat hij vanuit zijn partijkleur andere voordelen
ziet, wat niet erg is. Maar ik denk wel dat dit opnieuw de noodzaak
benadrukt dat we moeten definiëren wat een nationale kop is, wat
verondersteld wordt onder het verbod onder een nationale kop, en of zo'n
nationale kop een dode letter is, dan wel dat de coalitiepartijen zich
daar inderdaad aan gehouden voelen. Volgens mij is het belangrijk om dit
op te helderen. Ik wil er geen waardeoordeel aan geven, maar voor mij is
het belangrijk om het wat scherper met elkaar te krijgen, zodat er niet
twee definities gehanteerd worden, wat ook leidt tot twee verschillende
uitkomsten. Ik wil gewoon graag weten waar ik de coalitiepartijen aan
kan houden.
De voorzitter:
Oké. De heer Ceder gaat verder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Voorzitter. Ik wil ingaan op een paar punten. Ik heb op die punten ook
een aantal amendementen ingediend. De reden daarvoor is dat wij de wet
willen verbeteren. Nogmaals, de ChristenUnie is voor het Migratiepact,
maar er zijn voor ons nog wat losse eindjes dan wel onduidelijkheden,
een black box, waardoor we niet weten wat de uitkomst is. We denken dat
het zowel voor de linker- als de rechterkant van de Kamer goed is om te
weten wat we gaan doen met elkaar en dat we kunnen beoordelen of dat ook
leidt tot het gewenste effect dat we met elkaar beogen.
Allereerst een opmerking over de rechtsbescherming. Juridische
counseling wordt de verantwoordelijkheid van de IND. Maar nu blijkt dat
de IND daar nog niet klaar voor is en dat er hiervoor zelfs nog geen
vacature is opengezet. Mijn vraag is wat de minister ervan vindt dat we
een goed functionerende asieladvocatuur en kundige mensen bij
VluchtelingenWerk hebben, die straks allemaal op het tweede spoor worden
gezet, terwijl de IND alles nog moet optuigen in een paar maanden tijd.
Laten we eerlijk zijn, als we die personele bezetting wel konden
invullen, hadden we dat toch al geregeld? Kan de minister erkennen dat
het waarschijnlijk niet gaat lukken en dat dit dus leidt tot een
onzekerheid over wat er gaat gebeuren na juli 2026?
Voorzitter. Het initiatief voor de juridische counseling komt straks
meer bij de vreemdeling zelf te liggen dan nu het geval is. Na het
registratieproces en de meest basic voorlichting ligt het bij de
vreemdeling om contact op te nemen. Hoe zorgt de minister ervoor dat de
meest kwetsbare groepen een zo laag mogelijke drempel ervaren wat
betreft legal counseling? Hoe wordt er bijvoorbeeld voorzien in
tolken?
Voorzitter. Dan het overgangsrecht. De aanspraak op gezinshereniging
verandert met deze wet drastisch voor subsidiair beschermden. Deze wet
bevat nauwelijks overgangsrecht, terwijl dat in het geval van
gezinshereniging kan zorgen voor grote rechtsongelijkheid, hoe je ook
kijkt naar het systeem en naar migratie. Als twee mensen in dezelfde
situatie op hetzelfde moment de aanvraag doen, maar de een vóór 12 juni
2026 en de ander erna, dan kan de uitkomst totaal verschillend zijn. Ik
vind die rechtsongelijkheid onrechtvaardig, ongeacht het politieke
spectrum en hoe je naar deze wet kijkt. Daarom heb ik een amendement
ingediend om dat te fiksen.
Voorzitter. Dan de ingangsdatum ten aanzien van het verlenen van een
verblijfsvergunning. Zonder dat het pact hierom vraagt, wijzigt de
regering de ingangsdatum voor de verblijfsvergunning. Dat is niet op het
moment van aanvraag, maar op het moment van beschikking. Dat lijkt een
formaliteit, maar zeker in het geval van gezinshereniging en subsidiair
beschermden maakt dit nogal uit. Gaan de twee jaar wachttijd in op het
moment van de beschikking of op het moment van de aanvraag? Ik vind het
niet te verkopen dat we de aanvraag voor gezinshereniging ook nog eens
afhankelijk maken van de lange wachttijden bij de IND, waardoor het
langer duurt. Dat druist ook in tegen wat een aantal coalitiepartijen
aangaven: men moet twee jaar wachten en daarmee vinden we het acceptabel
om vervolgens voor deze wet te gaan. Als je dit met elkaar zo regelt,
dan weet je volgens mij helemaal niet of dat twee jaar duurt. Dat kan
ook veel langer duren. Dat ondergraaft het argument van een aantal
coalitiepartijen die zeggen dat ze die twee jaar acceptabel vinden. Dan
lees ik dat ze een langere periode dus niet acceptabel vinden. Door
hiermee in te stemmen wordt dit wel degelijk afhankelijk van de
wachttijden van de IND en gaat het om andere tijden dan die twee jaar.
Daarom stel ik een amendement voor om dat terug te draaien, zodat je
weet dat die twee jaar ook echt twee jaar is.
Voorzitter. De positie van minderjarigen. Er is geen verschil in hoe we
de kwetsbaarheid van kinderen zien, ongeacht hun nationaliteit. Klopt
dat? Zo ja, hoe wordt de kwetsbaarheid van asielzoekers voldoende in
beeld gehouden in de opvang en in de detentie? Zoals de minister weet,
vinden wij kinderen in detentie moeilijk te rijmen met het IVRK. De
keuze voor detentie hoeft niet gemaakt te worden; dat is een afweging
die het kabinet-Jetten maakt. Waarom kiest de regering er niet voor om
dit duidelijker te verwoorden? De Afdeling adviseert ook dat bewaring
uitsluitend in het belang van het kind is als de ouder of hoofdverzorger
die het begeleid ook in bewaring is gesteld of als een niet-begeleide
minderjarige door de bewaring wordt beschermd.
Het meekijken door een expert vind ik belangrijk. In mijn
interruptiedebat met het CDA bleek net — dat onderschrijf ik ook — dat
we niet weten wie die toets doet, wie daarvoor gekwalificeerd is en
welke mening we daar überhaupt over hebben als medewetgever. Die
onzekerheid vind ik onwenselijk. Dit lijkt me ook kwetsbaar, ook ten
aanzien van juridische procedures tegen de Staat. Daarom heb ik een
amendement ingediend om aan te haken bij artikel 26 van de
Opvangrichtlijn. Daarin staat dat een vertegenwoordiger — dat is iemand
met expertise op dit vlak — meekijkt en de minister adviseert over de
vraag of er sprake is van het belang van het kind. Als er een beroep
tegen de Staat, tegen de minister, wordt ingediend, maakt dit dat hij
zich kan beroepen op een argumentatie, een document of een verklaring
van een expert. Daardoor is de rechtspositie van de Staat beter
beschermd als die voor de rechter staat om uit te leggen waarom er wel
of geen sprake was van het belang van het kind. Om die reden heb ik een
amendement ingediend. Ik denk dat dit punt verstandig wordt gevonden van
links tot rechts, want hiermee versterk je de rechtspositie van de
Staat. Je krijgt hiermee een uniform advies vanuit een persoon. Ik denk
dat we allemaal kunnen volgen dat het zwaarwegend meegerekend dient te
worden als die persoon een advies geeft.
Voorzitter. Er wordt veel doorgeschoven naar lagere regelgeving. Voor de
Raad van State is dat een zonde. Wat je niet in lagere regelgeving hoeft
op te schrijven, moet je gewoon in de wet opschrijven. Dan is het
voorzienbaar voor mensen wat er precies gedaan wordt. Er wordt in het
Migratiepact wel heel veel doorgeschoven naar lagere regelgeving. Aan de
ene kant snap ik dat, want veel was nog onduidelijk en er was tijdsdruk.
Daardoor is er de gedachte dat we later nog heel veel gaan uitwerken.
Dat snap ik, maar inmiddels voelt het wel een beetje als een black box.
Er is namelijk wel heel veel waarvan ik niet weet waarmee ik instem.
Daarom heb ik een aantal delegatiebepalingen en een aantal
voorhangprocedures geamendeerd. Ter verduidelijking: dit zorgt niet voor
een vertraging van het wetsvoorstel. Dit zorgt er alleen voor dat de
minister aan de Kamer laat weten dat hij eruit is, voordat er
onomkeerbare stappen gezet worden. Dan weten we dat in ieder geval.
Mocht er een ramp gebeuren, dan kunnen we altijd aan de bel trekken,
maar het is niet zo dat hiermee een extra goedkeuring van de Kamer
verwacht wordt. Het is een lichte voorhangprocedure. Het lijkt me ook
voor links en rechts heel belangrijk, omdat je weet wat de minister
uitspookt. Dat lijkt me belangrijk om te weten, ongeacht het politieke
spectrum.
Voorzitter. Dan ten aanzien van gezinshereniging. De keuze van de
regering om aan de twee statussen, die het pact verlichten, ook
verschillende rechten te verbinden, vinden we als ChristenUnie
ingewikkeld, niet omdat we principieel tegen zijn, maar omdat we
voorzien dat dit in de uitvoering knelpunten oplevert. Dat is ook al een
aantal keren erkend door een aantal partijen, ook partijen die juist
voor het stelsel waren. Ik heb de PVV gehoord, maar ook het CDA. Zo
waren er ook een paar andere. Nu het pact dichterbij lijkt te komen,
lijkt het mij dat we daar iets mee moeten. Daarom ben ik benieuwd of de
minister kan reageren op de vraag hoe we het gaan regelen als we extra
personele bezetting nodig hebben, in een tijd waarvan we weten dat
personeel zeer schaars is.
Daarnaast vinden wij ook de principiële keuze om gezinnen uit elkaar te
houden, niet voor eeuwig maar voor twee jaar, en om daar extra
voorwaarden aan te koppelen, niet alleen onlogisch maar als ChristenUnie
ook onwenselijk. Dit zijn waarschijnlijk ook mensen die gewoon
Nederlandse staatsburgers worden. Waarom zou je hen voor twee jaar lang
in een oorlogsgebied houden, wetende dat de kans op gedragsproblemen
groeit en men traumazorg en aanvullende gezondheidszorg nodig heeft? Die
zorg zullen ze in Nederland moeten krijgen. Daarmee worden er problemen
gecreëerd in onze eigen zorg en ontstaan er integratieproblemen. Het
argument dat we hiermee de instroom verlagen, volgt nergens uit. Sterker
nog, die mensen komen gewoon. Ze hebben alleen een vertraging van twee
jaar en extra kans op gezondheidsschade en psychische schade, waarbij
wij vervolgens in Nederland de zorg moeten leveren. Die discussie hebben
we gehad met elkaar. Om die reden hebben we een amendement ingediend om
in ieder geval verlichting te bieden bij een aantal punten, ook omdat we
denken dat we hiermee zorgen voor een zachtere landing voor degenen die,
nogmaals, toch komen, en ook voor de omgeving die hen moet
opvangen.
Voorzitter. Ik ga wat sneller erdoorheen. Ik kom op de
Dublinopvanglocaties. De sobere opvang kost het COA alleen maar extra
werk. Waarom sluiten we niet aan bij bestaande opvang? We lezen dat de
bestaande voorraad bevroren wordt. Ik maak me zorgen over de oude
voorraad. Ik snap wel dat de regering nieuwe achterstanden wil
voorkomen, maar ik voorzie dat vrijwel alle capaciteit van de IND naar
de nieuwe aanvragen zal gaan. De aanvragen voor 12 juni hebben dan het
nakijken. Dat vind ik ingewikkeld en onrechtvaardig. Het zorgt ook voor
opstopping in de opvang. Het zorgt voor onrust, en daarmee mogelijk ook
voor maatschappelijke ontwrichting. Welke stappen zet de minister om de
oude voorraad weg te werken?
Voorzitter. Dan dit rapport. Mijn allereerste vraag was: wanneer was de
minister van plan om dit naar de Kamer te sturen als er geen
e-mailprocedure was gestart? Het lijkt me best relevant voor de Kamer om
te weten, als we zo'n grote stelselwijziging behandelen. Er staat best
wat fundamentele informatie in. Ik vind het eigenlijk ingewikkeld dat de
minister dit niet proactief naar de Kamer heeft gestuurd en dat een lek
in een krant ertoe heeft geleid dat we dit nu hebben kunnen lezen. Ik
vraag me toch af wanneer de minister van plan was om dit te delen. Als
hij van plan was om dit niet te delen, waarom achtte hij de informatie
die hierin staat niet voldoende of niet zwaar genoeg om met de Kamer te
delen?
Voorzitter. Hierin staat onder andere dat er een aantal randvoorwaarden
nodig zijn. Ook zijn er een aantal zorgen, met name over een toename van
spoedverzoeken om voorlopige voorzieningen. Dat deel ik. Ik denk nog
steeds dat het aantal procedures in het nieuwe stelsel gaat oplopen. Ik
heb geen argumentatie gehoord waaruit blijkt dat dit niet het geval is,
behalve dat het op de langere termijn vast minder zal worden. Die volg
ik niet, zeg ik ook uit eigen ervaring, wetende hoeveel
beroepsmogelijkheden er hierdoor ontstaan. Hoe gaan we specifiek om met
de voorlopige voorzieningen?
In het rapport wordt aangegeven dat een goede afstemming tussen de
IND-rechtbanken en het COA nodig is. Ik vraag me af hoe dat eruit gaat
zien. Daarnaast worden andere randvoorwaarden meegegeven, bijvoorbeeld
dat er voldoende expertise en capaciteit bij de IND moet zijn voor de
leeftijdsschouw. Dat snap ik, maar wat is er nu geïmplementeerd om
ervoor te zorgen dat we over drie maanden die leeftijdsschouw voldoende
kunnen uitvoeren? Ik lees het namelijk niet terug. Daarnaast wordt er
gezegd dat de randvoorwaarde voor een goede effectuering is dat Nidos
voldoende capaciteit en financiering heeft om de nieuwe voorfase te
kunnen uitvoeren. Voor zover ik lees, is die capaciteit qua financiële
middelen niet vrijgegeven. Ik kan me vergissen, maar als dit een
randvoorwaarde is, hoe gaan we daar dan mee om? Kortom, ik heb een
aantal voorstellen waarvan ik echt denk dat we daarmee het Migratiepact
beter kunnen laten implementeren. Dat is goed voor de Nederlandse
bevolking, de Kamer, de uitvoering en uiteindelijk de asielzoekers zelf,
omdat we graag willen dat het Migratiepact werkt.
Voorzitter. Mijn laatste vraag gaat over terugkeer. Het pact voorziet
namelijk in heel veel, maar niet in hoe we ervoor gaan zorgen dat de
terugkeer soepeler verloopt. Daar voorziet het Migratiepact te weinig
in. Daar maak ik me ook wel zorgen om. Hoe zorgen we er effectief voor
dat, terwijl we dit goed regelen aan de achterkant, de terugkeercijfers
structureel toenemen?
Tot zover, voorzitter. Dank u wel.
De voorzitter:
Oké, dan ga ik de bijdrage doen namens de VVD. Mevrouw Van der Plas, zou
u het voorzitterschap even willen overnemen?
Voorzitter: Van der Plas
De voorzitter:
Dat wil ik zeker. Ik geef het woord aan de heer Ellian namens de
VVD.
De heer Ellian (VVD):
Dank, voorzitter. Er is al heel veel gezegd, dus ik ga er zelf wat
sneller doorheen. Ik dacht: laat ik beginnen met een woord van dank
richting al diegenen die aan deze wet geschreven hebben. Dit hele pakket
is namelijk nogal wat. Het is een klus van twee jaar, geloof ik,
gecombineerd met de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering
tweestatusstelsel. Het is bepaald geen eenvoudige materie. Ik wil dus
toch even mijn dank uitspreken aan al diegenen die daaraan gewerkt
hebben. Ik ben wat minder blij met het tijdsbestek dat we hebben om dit
met elkaar door te nemen, zeker als je nu woordvoerder bent. Maar oké,
we doen ons best.
De eerste vraag die ik heb, heb ik nog niemand horen stellen. Ik hoop
dus niet dat het een rookie-vraag is. Het nieuwe systeem maakt een
onderscheid tussen de verblijfsvergunning en de verblijfstitel. Uit de
vergunning vloeit dan de beschermde status voort. De titel is dan het
document waaruit blijkt dat je in Nederland mag zijn. Maar als je
eenmaal de beschermde status hebt, dan mag je op het Nederlands
grondgebied verblijven, ook al heb je die titel niet, neem ik aan. Ik
zoek er dus even naar of het nou nodig was om dit onderscheid op deze
manier te maken. Ik vond dat ook de toelichting niet helemaal uitblonk
qua duidelijkheid.
Een aantal collega's hebben terecht vragen gesteld over de IND. Dat
waren uiteraard vragen over de uitvoeringscapaciteit en het rapport, dat
vrij belangrijk is en dat we pas laat hebben mogen ontvangen. Een ander
punt dat ik zelf wat onderbelicht vind, is dat het superessentieel is om
deze stap vooruit te zetten om dit gehele pact — om in de woordkeus van
de christelijke partijen te blijven: het zal niet zaligmakend zijn — een
succes te maken. Dat is wat de VVD wil, want je wil uiteindelijk de
instroom naar beneden krijgen.
Kijk bijvoorbeeld naar de ICT die nodig is om voortvarend de procedures
te kunnen afhandelen. Ik heb me laten vertellen dat de ICT bij de IND
vrij oud is. Die van de rechtspraak is tegenwoordig beter, maar ook de
koppeling daartussen is superbelangrijk. Je wilt uiteindelijk snelle
procedures, zodat je snel duidelijkheid kan geven over wie hier mag
blijven en wie niet. Als je hier niet mag blijven, dan ga je ook snel
terug. Dat "snel terug" is natuurlijk geen onderdeel van hetgeen we hier
vandaag bespreken, maar er zijn meerdere collega's die hebben aangegeven
dat je dat sluitstuk ook zal moeten regelen. Daar sluit ik me bij aan.
Maar goed, ik maak me wel wat zorgen over de ICT. Ik ben benieuwd hoe de
minister dat ziet. Kijk bijvoorbeeld naar de problemen in de
strafrechtelijke keten. Daar heeft de ICT-problematiek rechtstreeks
invloed op hoe snel strafzaken afgehandeld kunnen worden.
Dan over de rechtspraak. Ik heb lang getwijfeld over of ik dit moest
doen. De vraag is of de rechtspraak in eerste instantie een toename van
beroepszaken aankan. Ik sluit mij aan bij degenen die zeggen: maar
uiteindelijk wordt het minder. Dat is de hele essentie. Dat is wat we
met elkaar voor ogen moeten houden, denk ik. Ik zie het meer als volgt.
Er komt misschien wat meer druk, maar dat is op zich alleen maar goed,
als de instroom uiteindelijk minder wordt.
Wat ik nu ga doen, heb ik niet eerder gedaan. Er is een interview
geweest met een rechter. Daar zijn Kamervragen over gesteld, ik geloof
door collega Boomsma en anderen. Daar is op gereageerd door de NVvR. Zij
weten dat ik als justitiewoordvoerder altijd in goed contact met hen
sta. Nu zag ik een vrij defensieve reactie, waarin eigenlijk werd
gezegd: dit moet de Tweede Kamer niet doen; het is raar als er vragen
worden gesteld over dit interview. In dit interview staat — ik zeg het
echt met alle respect voor de rechter in kwestie — dat je fysieke en
juridische muren kunt bouwen, maar dat mensen zullen blijven komen. Dat
is een mening, dat is een beschouwing. Ik vind dat eerlijk gezegd wel
opmerkelijk. Dit is de rechter die zeven van de vijftien prejudiciële
vragen aan het Hof stelt. Als dat zo is, zou ik zeggen: ga dan op deze
stoel zitten. Kandideer je voor een politieke partij. Als ik mijn mening
niet meer wil geven — ik kan dat niet zo heel goed — word ik misschien
wel een magistraat. Maar een publieke mening zo op die manier uiten … Ik
zie de minister een beetje … Ik vind dit interview zo fundamenteel dat
ik het toch aan de minister wil voorleggen.
De voorzitter:
U heeft een aantal interrupties. Ik zag even niet wie er als eerst was:
de heer Ceder of de heer Dassen. Ik geef de heer Ceder het woord. Meneer
Ceder, u heeft, denk ik, al twintig interrupties gehad, terwijl we er
tien hadden afgesproken.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dan is dit een punt van orde! Nee, u heeft gelijk.
De voorzitter:
De voorzitter is heel coulant geweest. Ik wil u vragen om het heel erg
kort te houden.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik vind de tijdelijke voorzitter streng doch rechtvaardig; dat wil ik
even meegeven. De heer Ellian snapt natuurlijk dat dit een reactie
oproept. Ik zal even achterwege laten wat ik van dat artikel vind. De
opmerking dat migratie iets is wat niet op nul gezet worden, wat je ook
qua regelgeving doet, is een feit van algemene bekendheid. Dat weet u
ook, u bent ook advocaat geworden. Je kunt de grenzen opzoeken. Is de
heer Ellian ook van mening dat als ik dit zo verwoord — hij kent de term
— dit daaronder valt en of het niet onnodig is om dit erbij te pakken?
Ik denk namelijk dat we ons hiermee op glad ijs begeven. U was nog
binnen de grenzen, denk ik, maar als u zo doorgaat, overschrijdt u de
grenzen. Dat vind ik persoonlijk. Ik ben benieuwd naar uw reflectie
daarop.
De heer Ellian (VVD):
Nee, ik vind niet dat ik een grens overschrijd. Ik heb goed nagedacht of
ik dit nou moest vragen. Ik heb ook even gekeken ... Ik heb het geluk
dat ik wel wat magistraten in mijn omgeving heb. Ik ben niet de enige
die verbaasd is over dit interview. Ik weet dat sommige collega's er
anders naar kijken. Dat mag. Achter de alinea die ik net voorlas — ik
heb 'm niet helemaal voorgelezen — zit wel degelijk een mening. De heer
Ceder zei dat dit een feit van algemene bekendheid was, maar door het zo
te poneren, in combinatie met het pact, neem je als rechter feitelijk
een mening in over iets wat jij nog beoordelen, over iets waar de Tweede
en de Eerste Kamer nog over moeten beslissen. Ik vind het mooi als
rechters een inkijk geven in hun werk, maar ten aanzien van zo'n
maatschappelijk onderwerp, waarbij je als rechter zelf een prominente
positie hebt, was het denk ik beter geweest om dit interview niet te
doen. Het geeft mij ook een wat unheimisch gevoel, in die zin dat ik
denk dat wat wij hier ook bedenken, er dus een rechter is die per
definitie niet gelooft in dit pact. Dat vind ik ingewikkeld. Dat is wel
de strekking. Dan moet je geen interviews geven.
De voorzitter:
De heer Dassen ziet van zijn interruptie af, dus u mag verder.
De heer Ellian (VVD):
Dan ga ik verder. Ik ben benieuwd of de minister mijn zorgen deelt.
Nogmaals, alle respect voor de zittende magistratuur.
Dan de Dublinclaimanten. Dit onderwerp is vaak langskomen. Als ik het
goed begrijp, komen er straks beslissingen over Dublinoverdracht. Dat
klinkt al wat steviger. Dat is mooi; hoe steviger, hoe beter. Maar goed,
dan moeten die andere landen natuurlijk wel die personen daadwerkelijk
terugnemen en een vorm van sobere opvang realiseren. Ik ben benieuwd hoe
de minister daarnaar kijkt. Wat is zijn indruk in Europees verband?
Landen die relatief vrij veel Dublinclaimanten binnenkrijgen zullen wel
vaart moeten maken met die wat ons betreft hele sobere opvang. Anders
heeft het geen zin. Dan is het oude wijn in nieuwe zakken en dat is nou
net niet de bedoeling. Je wilt een overdrachtsbesluit. Je gaat terug
naar het land waar je al bent geweest en daar zit je dan, wat ons
betreft buitengewoon sober.
Dan die sobere opvang in het licht van het solidariteitsmechanisme. Ik
denk dat we er niet omheen hoeven te draaien met elkaar: op Italië en
Griekenland ligt een hele zware druk. We zullen met elkaar hiernaar
moeten kijken en misschien ook een handje moeten helpen. Zij zullen hulp
nodig hebben bij het realiseren van die sobere opvanglocaties. Ik noem
het "locaties" en geef er geen bepaalde kwalificaties aan, anders wordt
het weer spannend. Daar moeten we wel naartoe. Hoe kijkt de minister
daartegenaan?
Het volgende punt vraagt wel om reflectie. Wij kopen nu af. Wij zeggen
dat de asielketen niet op orde is. Dat is denk ik een feit. Meerdere
landen vinden dat. Als iedereen gaat afkopen, ligt het hele probleem bij
Griekenland en Italië, maar dat ontslaat ons en hen nog steeds niet van
de plicht om hiervan een succes te maken en ervoor te zorgen dat daar
grenscentra zijn. Zijn er ook andere manieren om als Nederland te
helpen, vraag ik de minister. Dat kan met de KMar, dat misschien met
IND-medewerkers. Het hele idee is dat de beoordeling voor een groot deel
straks daar moet plaatsvinden. Als het straks allemaal nog steeds in
Nederland gaat gebeuren, dan hebben we natuurlijk nog steeds niks
opgelost. Zijn er dus andere manieren? We kopen nu, geloof ik, voor
€20.000 af. Laten we eerlijk zijn … Nou ja, dat is het bedrag. Maar wat
kunnen we meer doen, juist vanuit de gedachte om ervoor te zorgen dat
het systeem gaat werken, en niet om mensen hier op te nemen?
Ik weet niet welke collega er al had gevraagd naar de
bevolkingsdichtheid. Ik geloof dat het kabinet-Schoof … Was het dat nog
wel? In ieder geval is het geprobeerd, maar niet gelukt. Maar wij zijn
niet van de school opgeven. Laten we het dan nog een keer proberen. Ik
denk namelijk wel dat bevolkingsdichtheid een superrelevant argument is
voor Nederland. Het is tot de dienst van anderen dat ze dat niet willen,
maar ik denk dat wij die poging nog wel kunnen doen. Ik denk dat dat in
de verdeelsleutel wel superessentieel is, want het roept gewoon de vraag
op of je tot het onredelijke eraan gehouden bent.
Dan zag ik dat 16% van de aanvragen, gemiddeld genomen in Europees
verband, kansarm is. Oké. Dat betekent dan dat die per definitie dus in
de grensprocedures zitten. Dat moet dus allemaal rapido. Dat moet dus
ook allemaal sober. Ik ben benieuwd naar het volgende. Wij gaan dat
inregelen — dat is logisch — maar een groot deel komt dus op andere
plekken binnen. Hoe kijkt de minister er nou naar? Het heeft natuurlijk
geen zin als het ene land een ruimhartiger of een warmer soort opvang
voor de grensprocedure kent dan het andere. Ik herhaal mezelf een
beetje, maar die 16% viel me wel op. Voor die 16% zou het moeten
betekenen: je zit op een sobere plek, de procedure gaat supersnel, hops
en uiteindelijk terug. Over terug hebben we het vandaag niet, maar dit
is wel wat de essentie zou moeten zijn. Maar dan moeten wel al die
landen het op dezelfde manier inrichten, want de essentie van dit alles
is wat de VVD betreft — daarover kun je met elkaar van mening
verschillen — dat dit uiteindelijk het effect moet hebben dat mensen
snappen dat het geen zin heeft om te komen. Die mensensmokkelaars moeten
ook doorhebben: het heeft geen zin meer. Als je het allemaal warmer en
vriendelijker inricht, dan kun je ervan op aan dat het mislukt.
Ik kijk even naar mijn tekst, want er is al zo veel gezegd. Als het gaat
om de grensprocedure, ben ik ook benieuwd naar het volgende. Er zijn
natuurlijk ook gewoon veel gevallen bekend van mensen die hun paspoort
weggooien of gewoon al hun documenten expres weggooien; die zitten vaak
in die 16%, maar ik denk dat die categorie nog groter is. Oké, maar dat
zou dan geen reden moeten zijn om langer dan nodig in die versnelde
procedure te zitten. Het is dan je eigen schuld als je dat hebt gedaan,
want vaak wordt het gedaan … Natuurlijk zijn er hele schrijnende
gevallen van mensen die geen andere keus hadden, maar er zijn ook zat
gevallen waarin mensen gewoon die documenten in het zand of in het water
gooien en denken: het duurt allemaal lang; ik zie wel hoe het loopt. De
essentie moet natuurlijk ook zijn dat die groep in de versnelde
procedure zit, maar ook soberder dan sober, want anders schrikt het nog
steeds niet af.
De mensensmokkelaars heb ik genoemd.
Over de onafhankelijke counseling wilde ik juist meegeven dat mijn
indruk is, ook naar aanleiding van de nota naar aanleiding van het
verslag, dat het juist goed ingericht is. Het zijn niet de
beslismedewerkers; het is een aparte groep. Oké, ze zijn werkzaam voor
hetzelfde logo. Ik denk juist dat het op zo'n manier wordt ingericht dat
je voldoende objectieve informatie geeft aan iemand om te snappen wat de
procedure is. Voor de rest — we moeten ook niet flauw doen — wordt de
advocaat heus wel gevonden. Ik wilde de minister dus eigenlijk een hart
onder de riem steken in die zin dat ik de juridische counseling juist
heel ordentelijk ingericht vind. Dat is, denk ik, een slimme stap om die
procedure uiteindelijk sneller te laten verlopen. Die snelheid zou je
uiteindelijk moeten willen met elkaar.
Er is een hele hoop gezegd. Voor mij is, denk ik, de belangrijkste
vraag: heeft de minister voldoende vertrouwen, comfort en zekerheid dat
we voor die snelheid en die sobere opvanglocaties uiteindelijk snel
stappen kunnen zetten vanaf 12 juni om die instroom de komende jaren
naar beneden te brengen?
Ik dacht: ik doe het een beetje snel. Er werd mij namelijk ingefluisterd
dat we tot 14.30 uur nog kunnen lunchen; daarna zult u het moeten doen
met andere dingen.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw bijdrage. Dan geef ik het voorzitterschap weer terug
aan de heer Ellian.
Voorzitter: Ellian
De voorzitter:
Uitstekend. Collega's, het is — mijn telefoon is ondertussen zelfs
uitgevallen — 14.10 uur. De minister verzocht mij om een uur; dat heb ik
geweigerd. We doen dus 45 minuten. We treffen elkaar om 14.45 uur.
Kunnen we dat afspreken? Is dat te kort? Dan doen we 15.00 uur, vooruit
maar. We komen om 15.00 uur terug. We gaan dan kijken hoe we
verdergaan.
De vergadering wordt van 14.09 uur tot 15.00 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. We zijn aanbeland bij de eerste termijn van
de zijde van het kabinet. Ik geef het woord graag aan de minister voor
zijn eerste termijn. Ik doe een beroep op iedereen: laten we proberen om
met elkaar vandaag zo ver mogelijk te komen. Dat zou voor iedereen goed
zijn.
Minister Van den Brink:
Dank u wel. Ik zal straks nog kort toelichten hoe de systematiek die ik
voor me heb liggen, eruitziet. Maar allereerst dank voor alle vragen die
zijn gesteld. Ik realiseer mij heel goed dat wij veel vragen van u en
van de senaat, waar ik ook nog naartoe hoop te gaan, maar natuurlijk
bovenal van de uitvoeringsorganisaties die hier de afgelopen maanden en
jaren aan hebben gewerkt.
Soms zou je de indruk kunnen krijgen dat ze twee jaar geleden in Europa
al klaar waren met die asielwetgeving en zou je je kunnen afvragen
waarom die dan nu pas in de Tweede Kamer ligt. Ik kan u inmiddels
verzekeren dat het niet mals is wat achter zo'n enorm omvangrijke
operatie wegkomt. Er is dus met man en macht gewerkt. Ik denk ook dat
het geen enkele invloed heeft gehad wat we in de Kamer wat dit betreft
ook nog aan andere trajecten hebben gehad, omdat er natuurlijk gewoon
wetgeving moest worden ontwikkeld en uitvoeringstoetsen moesten worden
gemaakt, maar dit diende natuurlijk wel een hoger doel, want meer grip
op migratie was al langere tijd een wens van meerdere kabinetten en ook
van deze Tweede Kamer. Verschillende sprekers noemden de Staatscommissie
Demografische Ontwikkelingen, die in 2024 met haar conclusies kwam. Die
zijn breed omarmd in de Tweede Kamer, want nergens ter wereld kan
migratie ongeremd zijn. De conclusies van dit rapport kregen brede steun
in de Tweede Kamer, ook van de partijen die hier vandaag bij elkaar
zijn. De conclusie van ons als kabinet is dat ons migratiebeleid en
uiteindelijk ook het internationale vluchtelingenrecht aan modernisering
toe zijn en dat we daar ook nog veel werk te doen hebben. Daar hebben
vandaag ook verschillende mensen naar gevraagd. Ik ga daar straks meer
over zeggen.
Het EU-Migratiepact is een belangrijke stap om hier meer grip op te
krijgen door te kijken wie naar Nederland komt. Tegelijkertijd is dat
wel iets op termijn. Ik vind de opmerking van mevrouw Van der Plas dat
we hier op een nuchtere en ook een beetje praktische manier naar moeten
kijken, heel terecht, want het pact is geen wondermiddel. Er is nog
enorm veel te doen. De asielketen staat er op zichzelf natuurlijk ook
niet zo voor dat we dit morgen even hebben ingevoerd, want we komen ook
ergens vandaan; ook daar hebben verschillende partijen op gewezen.
We zullen vandaag veel thema's voorbij zien komen, soms ook complexe en
technische thema's; dat hebben we ook gezien in de gestelde vragen. Op
12 juni van dit jaar zal het Europese Asiel- en Migratiepact van
toepassing worden in ons land. Dat is dus nog maar enkele maanden
verwijderd van nu. Het is van groot belang dat we onze nationale
wetgeving voor die datum hebben aangepast aan het pact. Met het
wetsvoorstel dat we vandaag bespreken, wordt het hele Asiel- en
Migratiepact eigenlijk in het nieuwe vreemdelingenrecht geïncorporeerd.
Het is de meest ingrijpende herziening van het Nederlandse
vreemdelingenrecht in bijna 30 jaar. Daarbij komt dat de operatie van
het pact binnen een zeer korte termijn werd vastgesteld, namelijk in de
twee jaar die ik net al noemde. Ik wil daarom nu al een groot compliment
geven aan alle betrokken organisaties en medewerkers in de asielketen
die hier de afgelopen twee jaar aan hebben gewerkt en die daar ook de
komende jaren nog voor aan de lat staan, zoals de heer Ellian ook al
verwoordde in zijn bijdrage.
Het Asiel- en Migratiepact bestaat in totaal uit negen verordeningen en
een herziene richtlijn. Voor de verordeningen die onderdeel zijn van het
pact, geldt dat zij vanaf 12 juni rechtstreeks zullen werken. Dat
betekent dat een groot deel van het vreemdelingenrecht vanaf die datum
in de verordeningen moet worden teruggevonden. Er wordt op 12 juni dus
eigenlijk een extra laag aan het Nederlandse vreemdelingenrecht
toegevoegd. Ik snap alle zorgen die daar door verschillende partijen
over zijn uitgesproken. Ik hoorde van de BBB, het CDA, de SGP en ook
andere partijen dat we dit misschien niet direct als een wondermiddel
moeten zien, maar ik zou ook tegen onszelf willen zeggen: laten we niet
al te cynisch worden. Want na tien jaar discussies in Europa over het
Europese migratiebeleid zijn er natuurlijk wel degelijk stappen gezet.
Partijen hebben elkaar gevonden en spreken elkaar nu aan met
verordeningen, waardoor er in alle lidstaten van Europa niet aan kan
worden ontkomen om hiermee aan de slag te gaan. Daardoor kunnen we meer
grip krijgen op migratie, maar dat laat onverlet dat voor een goede
werking van het Asiel- en Migratiepact alle uitvoerings- en
implementatiekeuzes moeten worden gemaakt die ook in dit wetsvoorstel
zitten.
Bij het maken van die keuzes heeft de regering zich laten leiden door de
wens om de asielketen zo snel mogelijk te ontlasten en op orde te
krijgen en om onze asielketen te harmoniseren naar de standaard uit het
Europese recht, zoals die nu moet worden ingevoerd. Ja, daar komen ook
politieke discussies achter weg over de keuzes die we hebben gemaakt of
die in het vorige kabinet zijn gemaakt. Ook die zullen we vandaag ter
hand nemen. Onderdeel van de wet zijn dus ook de Asielnoodmaatregelenwet
en de Wet tweestatusstelsel, waarbij we een onderscheid maken in de
nareisvoorwaarden van erkende vluchtelingen en subsidiair beschermden.
Het kabinet zal deze maatregelen na aanvaarding in de Eerste Kamer
onverkort uitvoeren. Daarmee zijn ze ook verankerd in de wetgeving die
vandaag voorligt. Materieel gaat het om dezelfde maatregelen, maar
niettemin was dit nodig om meer technische redenen zodat de maatregelen
aansluiten bij de terminologie van het pact en de regels die daaruit
voortvloeien.
Wij gaan dus voor de verdere harmonisatie van regels omtrent asiel en
migratie binnen de Europese Unie. Het pact moet tot gevolg hebben dat de
buitengrenzen van de Europese Unie worden verstevigd. Daartoe
introduceert het pact onder andere een Europese asielgrensprocedure en
een intensivering van de screeningsprocedure. Zoals ook de heer Van
Asten van D66 al zei, denk ik dat het aan de politiek is om te gaan
leveren op asiel. Dat is de afgelopen jaren te weinig gebeurd. Met dit
pact in de hand kunnen we daar een begin mee maken. Dit is een goede
stap in de goede richting.
Ook al hebben we deze afspraken nu gemaakt, we gaan natuurlijk wel door
met asielwetgeving voor de verdere toekomst. JA21 en mevrouw Lammers
vroegen daarnaar. Buiten Europa asiel aanvragen is een volgende stap en
daarover hebben we in dit coalitieakkoord ook afspraken gemaakt. Daarmee
zullen we aan de slag gaan.
Ten slotte realiseren wij ons zeker wat dit van u vraagt. Het is nog 81
dagen vanaf vandaag. De Eerste Kamer is mij net zo lief als de Tweede
Kamer. Daarom heb ik geprobeerd de kerk in het midden te brengen voor de
behandeling van dit wetsvoorstel. Daarom ben ik vandaag bij u en ben ik
hopelijk in mei in de Eerste Kamer. Aangezien ik op mijn eerste dag al
in de Eerste Kamer stond om te horen dat zoiets nooit meer mocht
gebeuren, ben ik sindsdien banger voor de Eerste Kamer. Maar misschien
ben ik na vandaag banger voor u. We gaan het ontdekken.
De voorzitter:
U zegt gevaarlijke dingen!
Minister Van den Brink:
Ik zal snel overgaan tot de beantwoording van de vragen. Dat doe ik in
zes blokjes, plus een zevende blokje, want ik moet ook de amendementen
nog doen. Ik begin met de asielprocedure. Daarna kom ik op bewaring,
grensprocedure en screening. Solidariteit en Dublin vormen het derde
blokje. De uitvoerbaarheid is het vierde blokje. Daarin kom ik ook op de
IND en het rapport van afgelopen week. Dan kom ik op de wetstechniek, de
onmiddellijke werking en de verhouding tot de eerder behandelde wetten.
Dan komt er nog een klein blokje overige vragen. Ten slotte kom ik op de
25 amendementen. En dat voor 17.00 uur vanmiddag …
Ik begin gewoon met mevrouw Van der Plas. Waarop wordt gebaseerd dat de
instroom zal dalen? Ik snap die vraag heel goed. Dat is natuurlijk een
vraag die ook in andere debatten al vaker naar voren is gekomen.
Tegelijkertijd weten we ook dat de complexiteit van het vraagstuk groot
is. De instroom van asielzoekers is namelijk afhankelijk van een groot
aantal interne en externe factoren. We nemen nationale maatregelen omdat
we niet geloven dat het voldoende is om alleen vanuit Europa maatregelen
te nemen. Deze complexiteit betekent niet dat sturen op asielmigratie
onmogelijk is, maar wel dat sturing niet alleen moet plaatsvinden met
enkel afzonderlijke maatregelen, maar met een samenhangend pakket.
Eerder hebben andere lidstaten ook laten zien dat van nationale
maatregelen een sterk effect kan uitgaan. Verschillende van die landen
zijn hier ook al aangehaald vandaag. Deze voorbeelden maken duidelijk
dat het met een krachtige inzet mogelijk is om een groot verschil te
maken als het gaat om de asielinstroom. Daarom zal het kabinet de wetten
die nu voorliggen, dus de hele Asiel- en Migratiepactwet, maar ook de
wetten waar BBB eerder aan heeft bijgedragen, onverkort uitvoeren.
Daarnaast vroeg zij of we daarmee soevereiniteit inleveren en vroeg ze
naar het gat tussen de ambitie en de realiteit. Om grip te krijgen op de
asielinstroom naar de Europese Unie en op de irreguliere asielstromen
binnen de Europese Unie, dus ook op secundaire migratie, is een
goedwerkend Europees asielstelsel essentieel. Als we willen dat er goede
en snelle procedures komen aan de buitengrens van de Europese Unie, dan
moeten we dat op Europees niveau regelen. Ook voor het harmoniseren van
asielprocedures zijn Europese regels noodzakelijk evenals het efficiënte
Dublinstelsel dat we de afgelopen jaren niet hebben gekend. Dat kunnen
we als Nederland niet in ons eentje. Dat moet via Europese regels. Het
is een Europees probleem, dus zal het ook Europees moeten worden
aangepakt. De relevantie is naar mijn mening in zeer overtuigende mate
aanwezig. Natuurlijk is het belangrijk dat al die maatregelen ook echt
worden uitgevoerd en dat daar ook op wordt toegezien.
Mevrouw Vondeling stelde een beetje in het verlengde daarvan ...
De voorzitter:
Een momentje. Mevrouw Van der Plas heeft een interruptie. We hebben
dezelfde regels als net: 30 seconden.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ja. Mijn vraag was vooral: krijgt Nederland er daadwerkelijk meer grip
bij of leveren we opnieuw nationale ruimte en soevereiniteit in zonder
harde garanties? De minister vertelt een wat wollig verhaal, maar dit is
een hele concrete vraag. Ik zou daar toch een wat duidelijker antwoord
op willen.
Minister Van den Brink:
We spreken met elkaar af dat een aantal zaken vanaf nu door Europa
bepaald worden. Dat geldt dus ook voor Nederland. Neem de
asielgrensprocedure, als ik een voorbeeld mag noemen. De lidstaten aan
de buitengrenzen wordt verplicht gesteld om die procedure in te richten.
Dat is een procedure die we in Nederland al kennen. In die zin is er op
dat vlak geen overdracht van soevereiniteit. Er is wel overdracht van
soevereiniteit op het vlak van verplichtingen in de Procedureverordening
en de Kwalificatieverordening. Dat waren in het verleden richtlijnen,
maar worden nu verordeningen. We verplichten onszelf dus tot een aantal
hele specifieke procedures, maar ik denk dat we er ook een enorm
verbeterde procedure aan de grens voor terugkrijgen, die Nederland nu al
kent. Het is dus een beetje een balanceerverhaal, zou ik zeggen, maar
het is absoluut een noodzakelijke verandering, wat dit kabinet
betreft.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik vraag dit ook omdat Nederland natuurlijk een heel specifiek land is,
met zijn bevolkingsdichtheid en kleine oppervlakte. Misschien zijn er
voor Nederland dus toch wat andere dingen nodig om de asielinstroom
verder te beperken dan bijvoorbeeld voor een heel groot land, dat ook
minder dichtbevolkt is. Zou de minister daar ook nog wat over kunnen
zeggen? Misschien zit het al in de beantwoording, want ik had het
gevraagd, maar dit haakt hier wel op aan.
Minister Van den Brink:
Ja, zeker. Fijn dat u dit hier al noemt. Misschien mag ik dan straks een
vraag overslaan van de voorzitter. Verschillenden van u hebben vragen
gesteld over de bevolkingsdichtheid. Daar is natuurlijk door het vorige
kabinet ook bij herhaling naar gevraagd, maar dan moet je het binnen
Europa met elkaar eens zien te worden. Dat is niet gelukt. Het is echter
wel degelijk een factor die meespeelt. Wij hebben een van de hoogste
bevolkingsdichtheden van Europa. Tegelijkertijd hebben wij weer niet de
enorme overlast van asielmigratie, om het zo maar even te zeggen, die de
zuidelijke lidstaten hebben. Wij zullen ons echter blijven inzetten, ook
in Europa, op het mee laten wegen van de bevolkingsdichtheid. Bij
gelegenheden waar evaluaties of aanpassingen aan de orde zijn, zal het
kabinet dat blijven inbrengen.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
De minister zegt: daar hebben we over gesproken, maar het is niet
gelukt. Waarom is dat niet gelukt?
Minister Van den Brink:
In mijn vijf weken als minister ben ik nog niet in dat gesprek geraakt.
Dat is in die zin natuurlijk bij het vorige kabinet aan de orde geweest.
Uiteindelijk is het, denk ik, een weging geweest van allerlei factoren
in Europa, maar het is tot op heden niet gelukt. Ik zal me daarvoor
blijven inzetten, ook vanuit mijn nieuwe rol.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dan zou ik het wel op prijs stellen als we daarover wat meer te horen
krijgen. We krijgen dagelijks natuurlijk honderden brieven en
toelichtingen, maar ik zou er wel graag even dieper in duiken. Dat mag
ook in de tweede termijn.
Minister Van den Brink:
Ik kan daar nu gelijk antwoord op geven. Wij gaan dat gesprek vervolgen
als we hier in Europa weer over komen te spreken; dat komen we bij
evaluaties over de voortgang van het pact. Dat zullen momenten zijn
waarbij ik dit ter sprake kan brengen. Bij de terugkoppeling daarvan aan
de Kamer zal ik verslag doen van hoe dat is verlopen.
De heer Boomsma (JA21):
Ik begrijp dat dat nu niet in de regels is opgenomen en dat er bij de
verdeelsleutel voor het solidariteitsmechanisme nu alleen naar de twee
genoemde factoren wordt gekeken en niet naar de bevolkingsdichtheid,
maar dat staat toch niet in de weg aan het feit dat het wel kán worden
meegewogen, ook al staat het niet in de genoemde gronden? Europese
landen kunnen dat wel degelijk doen, zoals ze ook voor dit jaar bepaalde
afwegingen hebben gemaakt. Begrijp ik dat goed? Zo ja, is de minister
dan inderdaad bereid om dat blijvend onder de aandacht te brengen?
Minister Van den Brink:
Ik kom straks nog op het hele solidariteitsmechanisme. Het klopt dat er
op dit moment ook politieke afspraken zijn die niet zozeer in het pact
zitten, bijvoorbeeld over hoe je omgaat met Dublin, de offsets daarvan,
de financiële aftrek en wat je daarvoor moet betalen. Er zijn dus ook
politieke afspraken. Daaronder zou je ook een afspraak zoals deze kunnen
scharen, maar die heeft natuurlijk pas een materieel effect als andere
landen hem ook met ons willen maken. We kunnen daar dus op blijven
doorvragen, maar u heeft zeker gelijk dat dat niet per se hoeft te
betekenen dat de wetgeving hoeft te worden aangepast. Op die manier
kunnen we dat gesprek dus blijven voeren.
De voorzitter:
U continueert.
Minister Van den Brink:
Ik kom bij een aantal losse vragen, die hier al bij zitten, over de
asielketen. De heer Van Asten vraagt, over de investeringen in de
asielketen, waardoor mensen sneller aan het werk en naar school mogen,
hoe het zit met personen die niet uit landen met een grote kans komen,
en of we voor deze personen een oplossing kunnen bedenken. Wij zijn
voornemens dat kansarme asielzoekers zo snel mogelijk duidelijkheid
krijgen over hun perspectief in Nederland. Het pact schrijft voor dat
deze groep een korte procedure krijgt. We zien geen aanleiding om
participatie door middel van werk en scholing te stimuleren indien
verblijf in Nederland niet aan de orde is. Als iemand uit de korte
procedure wegvalt omdat die proceduretijd overschreden wordt, valt
diegene wel weer in de reguliere procedure. Maar we zijn niet voornemens
om mensen met kansarme asielaanvragen ook de ruimte te geven om te gaan
werken. We bieden natuurlijk wel ruimte voor de kinderen, want je krijgt
in Nederland gewoon de ruimte om onderwijs te volgen, ongeacht in welke
procedure je zit. Daarvoor volgen er ook verplichtingen uit de
verordeningen die vandaag voorliggen.
De heer Dassen (Volt):
De minister heeft het een aantal keer over een korte procedure. Hoelang
kan deze korte procedure maximaal zijn?
Minister Van den Brink:
Het duizelt mij soms qua weken en maanden in deze nieuwe wet. De
verkorte procedure is drie maanden. De reguliere procedure is zes
maanden. In de reguliere procedure krijgen mensen dus na drie maanden de
ruimte om te gaan werken. Dat voorstel is volgens mij afgelopen vrijdag
door mijn collega van SZW ter consultatie naar buiten gebracht.
De heer Dassen (Volt):
Wat gebeurt er op het moment dat we, net als nu, zien dat procedures
vele malen langer duren? Ik vraag dat juist voor de kansarme
asielzoekers. Zij mogen dan niet de taal leren en niet werken. Wat
gebeurt er dan?
Minister Van den Brink:
Dat is natuurlijk een van de volgende discussies over het pact: de
voorraden en hoe dat verder bij de IND gaat. De inzet is er volledig op
gericht om de pacttermijnen te gaan halen. We gaan niet, vooruitlopend
op het geval dat dit eventueel niet gaat gebeuren, nu al uitzonderingen
creëren. Dat is niet waar dit kabinet zich op richt. Het kabinet richt
zich er met de IND op om de termijnen van het pact volledig te gaan
halen en om dus niet in die situatie terecht te komen.
De heer Dassen (Volt):
Dat is natuurlijk een buitengewoon mooi streven. De realiteit laat,
zeker ook met de uitvoeringsproblematiek die op ons afkomt, volgens mij
zien dat het nog maar de vraag is of het kabinet dat gaat halen. Zou het
juist niet mooi zijn als de mensen die uiteindelijk teruggaan, de
vaardigheden die ze op kunnen doen met werken, en het inkomen dat ze
ermee vergaren, mee terug kunnen nemen?
Minister Van den Brink:
Laat ik zeggen: theoretisch zie ik dat, maar tegelijkertijd zou het
natuurlijk wel degelijk ook een effect hebben als er in Nederland voor
iedereen werk zou mogen zijn, ongeacht in welke procedure je zit. Dit
kabinet vindt dat geen goed idee.
De voorzitter:
Gaat u verder. Nee, eerst meneer Van Asten, zie ik vanuit mijn
ooghoek.
De heer Van Asten (D66):
Dank. Ik had ook nog een vraag over vluchtelingen die komen uit landen
met een inwilligingspercentage van lager dan 20%. Zij kunnen natuurlijk
op individuele gronden best een heel goede kans maken om hier wel te
mogen blijven. Die groep blijft dus ook buiten de mogelijkheid om
versneld aan het werk te gaan of de taal te leren. Klopt dat, of is er
nog een mogelijkheid om die juist wel die kans te gunnen?
Minister Van den Brink:
Laten we het zo zeggen: als iemand eerst is gescreend op een afkomst uit
een land met een laag inwilligingspercentage, dan komt die in die
procedure. Als in die procedure persoonlijke omstandigheden naar voren
komen waarvan de IND zegt dat diegene wel degelijk een inwilliging
krijgt, dan gebeurt dat binnen drie maanden; dat is dan binnen drie
maanden ingewilligd. Als het ingewilligd is, is diegene statushouder en
kan hij gaan werken, of hij komt vanuit die procedure in de reguliere
procedure terecht, en dan kan hij ook na drie maanden werken. Er zijn
dus meerdere routes om dat te ondervangen.
De voorzitter:
Gaat u verder.
Minister Van den Brink:
Dan heb ik hier een vraag van mevrouw Straatman over de schorsende
werking en het recht op opvang. Ik denk dat dit later ook nog terugkomt,
maar ik ga toch maar even door, want anders gaat het in mijn
beantwoording een beetje een rotzooi worden. De Procedureverordening
bepaalt inderdaad dat beroep in een aantal situaties geen automatisch
schorsende werking zal hebben. In deze situaties volgt alleen dat een
asielzoeker in afwachting van de uitspraak op het verzoek om voorlopige
voorzieningen niet mag worden uitgezet. Niet mogen uitzetten betekent
echter niet dat er geen recht is op opvang. Momenteel leidt het enkel
indienen van een verzoek om een voorlopige voorziening al tot
voortduring van het recht op opvang. Voor de rechtspraak is er dan ook
geen spoedeisend belang bij het eerder doen van een uitspraak over een
verzoek om voorlopige voorzieningen. Dat zou anders zijn wanneer de
asielzoeker het recht op opvang verliest. Dat zou consequenties hebben
voor de rechtspraak, maar ook voor de IND en het COA. Uit onze nationale
regelgeving volgt al, aanvullend op de Asielprocedureverordening, dat
het recht op opvang niet eindigt wanneer een vreemdeling niet mag worden
uitgezet. Over de te maken keuzes hierin en de consequenties daarvan
wordt momenteel met relevante ketenpartijen het gesprek gevoerd. Ik zal
hier schriftelijk bij uw Kamer op terugkomen als we uitsluitsel hebben
over hoe dat er in de praktijk komt uit te zien.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dat zou, denk ik, veel van de druk op de rechtspraak al wegnemen. Ik las
in het IND-rapport wel dat voor de Dublinclaimanten het recht op opvang
wegvalt en dat de IND daarom verwacht dat er veel spoedverzoeken zullen
komen. Klopt dat?
Minister Van den Brink:
Wat ik daarvan heb begrepen — die vraag heb ik namelijk ook gesteld — is
het volgende. Omdat de termijnen in de Dublinroute al zo kort zijn,
wordt op die manier geborgd dat ze worden nageleefd. Als we dat niet
zouden mogen doen, zouden we ook daar weer in de termijnen ... Als je je
niet aan de termijnen houdt, kom je weer in een andere procedure. Dat
zijn dus de redenen die daarachter weg zijn gekomen.
Een van de vragen van de heer Boomsma ging over de gevoelige informatie
uit de landenberichten, die niet openbaar worden. Dat is een bekend
onderwerp. Daar ben ik in het verleden zelf ook weleens mee bezig
geweest. Dat betreft de uitvoering van uitspraken die hierover zijn
gedaan. Mijn ambtsvoorganger heeft u hierover in september 2025
geïnformeerd. De praktische uitwerking van de rechterlijke uitspraken en
de diverse Woo-verzoeken leidden tot de conclusie dat ambtsberichten
vanaf dat moment weer openbaar moesten worden.
U had ook gevraagd naar de procedure. De bijstand wordt vervangen door
counseling. Hoe ziet de minister het risico dat asielzoekers al voor de
aanvraag juridisch advies gaan aanvragen? Zoals door u al is aangehaald,
wordt onder het nieuwe stelsel pas vanaf het moment dat de correcties en
aanvullingen op het gehoor over de asielmotieven zijn gedaan, voorzien
in kosteloze rechtsbijstand door een advocaat. Een asielzoeker mag
altijd op eigen kosten een asieladvocaat inschakelen, maar deze kosten
zullen dan niet door de Nederlandse Staat worden vergoed. Het is een
eigen keuze.
De heer Dassen vroeg om een antwoord op de vraag of alleenstaande
kinderen niet in een versnelde procedure kunnen komen. De
Asielprocedureverordening bewaakt in meerdere bepalingen de
procedurewaarborgen die voor alleenstaande minderjarigen gelden. De
eisen die worden gesteld aan de behandeling van een versnelde en
niet-versnelde procedure zijn hetzelfde. Alleen de voorgeschreven
behandelduur is anders. In allebei de procedures moet altijd rekening
worden gehouden met een eventuele behoefte aan bijzondere
procedurewaarborgen. De verordening schrijft ook voor dat afdoening in
de versnelde procedure bij niet-begeleide minderjarigen slechts in een
strikt omschreven aantal gevallen is toegestaan. Dat zal dan ook op
individuele basis worden nagegaan. Het is dus geen vanzelfsprekendheid
dat kinderen in de versnelde procedure komen.
Daarnaast had de heer Dassen de volgende vraag. Mensen willen graag een
onderdeel worden van de maatschappij. Dat ging over de vergunning voor
onbepaalde tijd. Die vraag leg ik even opzij. Daar kom ik straks nog op
terug als ik kom te spreken over de vergunning voor onbepaalde
tijd.
Er waren ook nog een aantal vragen over de terugkeerhubs. Die zitten ook
niet in dit stapeltje, dus die hoef ik nu ook nog niet te
behandelen.
De voorzitter:
Wel onthouden, hè?
Minister Van den Brink:
Ja, dat komt straks wel terug, en anders herhalen de leden hun vragen
wel.
De voorzitter:
Ik probeer dus te voorkomen dat vragen herhaald moeten worden, maar
goed. Gaat u verder.
Minister Van den Brink:
Ik ga verder met een vraag van mevrouw Lammers, over een andere keuze
die nodig zou zijn voor asielaanvragen buiten de EU. Zij vroeg in
hoeverre dat al in dit pact zit. Meer grip op migratie was gedurende
eerdere kabinetsperiodes al een wens die breed gedeeld werd, in de
Tweede Kamer en in de samenleving. Ook dit kabinet heeft de
onontkoombare conclusie getrokken dat uiteindelijk ook het
internationale vluchtelingenrecht aan modernisering toe is. Het
EU-Migratiepact is daarom juist een belangrijke stap om meer grip te
krijgen op wie er naar Nederland komt. De buitengrenzen van de Europese
Unie worden namelijk verstevigd. Daarvoor introduceert het pact onder
andere de asielgrensprocedure en de screening, waardoor de asielzoeker
alleen aan de buitengrens een asielverzoek kan indienen. Tegelijkertijd
zullen we blijven werken aan en blijven spreken over een herziening van
het vluchtelingenrecht op de langere termijn. Daar zullen we andere
landen natuurlijk in mee moeten krijgen. Zoals we nu met 27 landen deze
afspraak hebben gemaakt, zullen we dat met nog veel meer landen moeten
zien te bereiken als we dat buiten de EU zouden moeten regelen.
U vraagt waarom wij toch positief zijn over het pact. Het Europese
stelsel dat we nu hebben, werkt ook niet voldoende. Dat hebben meerdere
leden ook uiteengezet. Het hoge aantal ongeregistreerde asielzoekers dat
van Europese aankomstlanden naar de bestemmingslanden komt, waaronder
Nederland, en het niet-functioneren van het Dublinstelsel zijn daar
voorbeelden van. Het nieuwe pact zorgt voor een duidelijke verbetering
op deze punten, met een betere registratie aan de buitengrenzen en het
toepassen van de nieuwe regels, inclusief Dublin, waaraan ook landen als
Italië en Griekenland zich hebben gecommitteerd. Maar nieuwe afspraken
werken natuurlijk alleen als die in de praktijk ook goed worden
toegepast. Daar ligt in eerste instantie een rol voor de Europese
Commissie.
Meerdere partijen hebben ook gevraagd wie erop toeziet en hoe dat
eruitziet. Dat is dus de Europese Commissie, die nauw toeziet op de
implementatie. Er is ook een taak voor het Europese Asielagentschap, dat
een nieuwe monitorende rol heeft gekregen. Lidstaten kunnen
ondersteuning krijgen van dit agentschap, maar moeten ook de
aanbevelingen oppakken die uit de monitoring volgen. Als dat niet
gebeurt, kan de Europese Commissie ingrijpen, waar nodig door delen van
de procedure te laten overnemen. Zoals eerder genoemd, is het geen
aanspraak kunnen doen op solidariteit door een lidstaat die de
Dublinafspraken niet nakomt, een van de redenen. Daarom zit er ook een
stimulans in om dat uit te voeren. Zoals ik eerder zei, is het een
Europees probleem, dus zullen we het ook met elkaar in Europa moeten
oplossen. We denken kort na de introductie van het Asiel- en
Migratiepact in juli, in oktober de eerste rapportages te krijgen vanuit
de Europese Commissie, die uitspraken gaan doen over hoe het
functioneert. Dan kan ik u meer vertellen over wat het in andere landen
betekent. Dat was mijn eerste blok.
Ik ga over naar het tweede blok, over bewaring en de grensprocedure.
Daar zijn veel vragen over gesteld. Ik denk dat het eerlijk is om te
zeggen dat ik goed begrijp dat daar, na antwoorden die daarover gegeven
waren, vragen over zijn. Het eerlijke antwoord daarop is weer dat ik nog
maar net vijf weken minister ben. Vorige week heb ik alle gesprekken
hierover gevoerd. In die zin kwam richting de behandeling de vraag aan
mij als minister: "Hoe wilt u hiermee omgaan? Er liggen een aantal
keuzes voor." Die keuzes zijn er omdat Nederland al meerdere jaren een
asielgrensprocedure kent. Die functioneert goed. De asielgrensprocedure
ziet op asielverzoeken die aan de buitengrens worden ingediend. Met
andere woorden: het gaat om asielzoekers die nog niet op het grondgebied
van een van de lidstaten zijn geweest. In de Nederlandse situatie gaat
het dus om asielzoekers die hun asielverzoek indienen op Schiphol of in
de haven van Rotterdam. De essentie van de asielgrensprocedure is dus
dat niet slechts onderzoek wordt gedaan naar de inwilligbaarheid van het
asielverzoek, maar ook naar het recht van de verzoeker om het
grondgebied van de EU te mogen betreden. De maximale termijn voor de
asielgrensprocedure wordt onder het pact twaalf weken. Dat geldt ook
voor gezinnen met minderjarige kinderen. De termijn waarin zij kunnen
worden uitgezet, is in beginsel twee weken.
In de Nederlandse situatie is de asielgrensprocedure altijd gekoppeld
geweest aan grensbewaring. Dat is ook het geval omdat er geen effectieve
alternatieven zijn. Als er een lichtere maatregel dan grensbewaring zou
worden opgelegd, zoals een vrijheidsbeperkende maatregel of een
meldplicht, zou dat immers tot gevolg kunnen hebben dat de asielzoeker
tijdens de behandeling van zijn asielverzoek alsnog het grondgebied
betreedt en zichzelf daardoor toegang tot Nederland en daarmee de hele
Europese Unie verschaft. Zoals gezegd kennen wij dus al sinds vele jaren
een goed functionerende asielgrensprocedure. Die bestaande
grensprocedure wordt niet toegepast op gezinnen met minderjarige
kinderen, tenzij er twijfels zijn over een gezinsband, er indicaties
zijn van mensenhandel of er sprake is van gevaar voor de openbare orde
of de nationale veiligheid. In die uitzonderlijke situaties wordt
grensbewaring opgelegd in de gesloten gezinsvoorziening in Zeist, een
locatie die is ingericht op een kort verblijf en zo is ingericht dat het
gevoel van detentie minimaal is. Asielverzoeken van gezinnen met
minderjarige kinderen waarbij er geen twijfel is aan de gezinsband en er
geen indicaties zijn van mensenhandel of nationale
openbareveiligheidsaspecten, zullen we ook in het huidige beleid dus
niet in de grensprocedure in detentie gaan behandelen. Aan hen wordt
toegang tot Nederland verleend, waarna zij kunnen doorgaan naar Ter
Apel, waar hun asielverzoek wordt behandeld.
Bij de implementatie van het pact is goed gekeken wat de nieuwe
regelgeving betekent voor de praktijk. Aan de ene kant hebben we de
Asielprocedureverordening, die dat wel oplegt, want die verplicht om de
grensprocedure toe te passen. Aan de andere kant hebben we de herziene
Opvangrichtlijn, waarin artikel 13, dat door velen van u is genoemd,
stelt dat minderjarigen in de regel niet een vrijheidsontnemende
maatregel mag worden opgelegd, maar dat dit in uitzonderlijke gevallen
wel mogelijk is. De spanning tussen die bepalingen komt ook doordat er
in Europa voor de herziene Opvangrichtlijn al een voorlopig politiek
akkoord lag en de grensprocedureverordening pas veel later tot stand is
gekomen. Naar aanleiding van het advies van de Raad van State, dat de
heer Dassen in zijn citaat over de Raad van State ook noemde, is het
wetsvoorstel op dit punt aangepast. De huidige wet gaat volledig
een-op-een uit van de Opvangrichtlijn zoals die voor minderjarigen
geldt. We kiezen er nu dus ook voor om ons huidige beleid voort te
zetten, ook met het oog op de stabiliteit en de uitvoering. Daarbij zal
nauwlettend in de gaten worden gehouden of er aan de grens
ontwikkelingen zijn wat betreft de instroom van gezinnen met
minderjarige kinderen, hoe dat ook in andere Europese landen verloopt en
welke jurisprudentie daarover tot stand komt, om dat ook te kunnen
betrekken bij de toepassing van dit onderdeel van de verordening.
De voorzitter:
Dat wilde ik ook zeggen. Het ging nu over kinderen en bewaring.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Volgens mij lopen er een paar begrippen door elkaar. Er moeten
grensprocedures plaatsvinden, maar daarbij hoeft het niet per definitie
om grensdetentie te gaan. Volgens mij is er daarbij sprake van een
verwarring: in de Nederlandse context wordt het vertaald als
grensdetentie en daarbij wordt gezegd dat die mogelijkheid uitdrukkelijk
onderdeel van deze implementatie is. Mijn vraag aan de minister is: dat
hoeft toch niet grensdetentie te zijn? Is hij het dan ook met me eens
dat we dat gewoon uit de wet zouden moeten halen?
Minister Van den Brink:
De bedoeling van de grensprocedure was volgens mij, als ik breder kijk
dan de betrokkenheid van kinderen, dat als er mensen aan de grens komen,
je de fictie van non-entry wilde creëren. Dat was de hele discussie in
Europa: zodra je als vluchteling, zoals door anderen ook al is gezegd,
voet op Europese bodem zet en het woord "asiel" gebruikt, kom je in de
hele procedure terecht die daarvoor geldt. Daarvoor is deze procedure
ontwikkeld. Je stelt dus eerst vast of iemand überhaupt de toegang tot
Europa zou moeten krijgen. Dat is afhankelijk van een aantal criteria.
Als je binnen die criteria valt, moet je dus in die grensprocedure
blijven. Aan die grensprocedure is verbonden dat die voor die groep
mensen in detentie moet plaatsvinden. Daar zijn dan weer uitzonderingen
op, namelijk ten aanzien van minderjarigen. Die uitzonderingen, zoals
wij die nu in onze huidige grensprocedure kennen, zullen wij dus ook
toepassen. Wij zullen minderjarige kinderen die hier met hun ouders
aankomen dus gewoon naar Ter Apel laten gaan.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Maar dan kan de minister dat toch in de wet wijzigen? Hij gaf zelf in
zijn inleiding aan dat het even wat langer duurde voordat hij met
antwoorden kwam. Kennelijk hangt het ervan af welke minister hier zit en
welk beleid de minister wil hanteren. Als hij zegt dat het beleid is dat
we ervoor willen zorgen dat kinderen gewoon kunnen doorgaan en niet in
detentie worden geplaatst, kan hij dat toch net zo goed gewoon in de wet
vastleggen, zoals trouwens ook in heel veel andere landen gebeurt?
Minister Van den Brink:
Daarom is het zo goed — mevrouw Straatman haalde dat ook al aan — dat de
Opvangrichtlijn een-op-een in de Nederlandse wetgeving is verankerd. Als
ik die zou wijzigen, dan zou ik de verordening niet meer toepassen zoals
die bedoeld is. Dan zou ik daarin de Opvangrichtlijn ook wijzigen. Het
kabinet is er niet van overtuigd dat dat noodzakelijk is, ook omdat het
huidige grensbeleid van Nederland goed werkt. Dat is ook in
jurisprudentie en uitspraken van de Raad van State als voldoende
beschouwd. Ook de locatie in Zeist — dat is door anderen al aangehaald —
is , gezien de omstandigheden waarin detentie plaats zou moeten vinden,
een geschikte locatie.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik had ook nog een heel aantal andere vragen gesteld, zoals welke
alternatieven er onderzocht zijn. Ik heb ook gevraagd of de minister het
rapport uit 2014 heeft gelezen: Papa, hebben we iets ergs gedaan? Gaat
de minister daar nog op antwoorden, of niet?
Minister Van den Brink:
Ik kom zeker nog wel op heel veel andere vragen die u heeft gesteld,
maar ik kan u al wel vertellen dat ik tijdens het debat ben gaan
googelen op het boek dat u noemde. Ik heb het in de tussentijd nog niet
gelezen, maar ik ben er wel benieuwd naar. Als boeken je namelijk een
goed inzicht verschaffen over hoe iets zit, dan ben ik altijd
benieuwd.
U had ook nog een losse vraag over hoe het zit met de afwijzing van de
bewaring van gezinnen. Dat gaat om twee weken. Voor de grensprocedure is
het alternatief dat de bewaring in Ter Apel plaatsvindt. Voor mensen die
dienen te vertrekken — dat is niet zozeer een onderdeel van dit
wetsvoorstel, maar dat is wel de staande praktijk — is er sprake van dat
er af en toe gezinnen met kinderen in Zeist in detentie worden gehouden,
net voordat zij de terugkeerprocedure afronden. Daarvan vindt het
kabinet dat dat een goede maatregel is op het moment dat daarvoor een
noodzaak bestaat. Er is altijd een individuele toetsing en er wordt niet
licht toe overgegaan.
Dan vroeg de heer Van Asten over …
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik stelde ook uitdrukkelijk de vraag hoe zich dit verhoudt tot het
Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind. Daarin staat dat
altijd het belang van het kind voorop moet staan. Ook in het
schriftelijk overleg hebben we daarnaar gevraagd. Toen werd als antwoord
gegeven dat de regering ook vindt dat dit alleen maar mag gebeuren als
het belang van het kind vooropstaat. Mijn reactie daarop was nu — mijn
vraag ging daar ook over — dat detentie nooit in het belang is van
kinderen en dat onderzoeken in Nederland naar hoeveel kinderen we in de
gesloten jeugdzorg plaatsen, dat laten zien, evenals het rapport waar ik
net al op wees. Wat is dan het belang van het kind en hoe verhoudt dit
zich tot het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind?
Sorry, voorzitter, dit was langer dan 30 seconden.
Minister Van den Brink:
Laat ik het zo zeggen: de toetsing van het Europees recht is altijd aan
het internationaal recht, dus daarmee ook aan andere internationale
verdragen. In die zin kan dat niet strijdig zijn. Het Unierecht van
Europa is daarmee voor Nederland leidend. Wij passen dat hier ook toe.
Het kinderrechtenverdrag wordt door Nederland betrokken in de
voorbereiding van wetgeving. Ook daarin wordt dat dus betrokken. De
situatie in Zeist is door de Raad van State beoordeeld als voldoende. In
die zin is er geen reden om daarvan af te wijken. Ik begrijp uw
vergelijkingen, maar ik denk dat deze situatie echt anders is dan die
bij de gesloten jeugdzorg, alhoewel u daar veel meer kennis over bezit
dan ik.
De heer Van Asten vroeg mij naar de waarborg van kinderrechten tijdens
de screening en hoe die eruitziet. Bij de implementatie van het pact en
de screeningsverordening is het belang van het kind een essentiële
overweging. Artikel 13 van de screeningsverordening bevat ten aanzien
van de waarborg bepalingen die gelden voor minderjarigen tijdens de
screening. De screeningsautoriteiten zullen hier onder meer in de
bejegening en communicatie rekening mee houden en dit op een
kindvriendelijke en leeftijdsgeschikte wijze uitvoeren. Voor zover
iemand als minderjarige hier alleen is, zal een vertegenwoordiger van
Nidos aangewezen worden die beschikt over de nodige vaardigheden en
deskundigheid om in het belang en welzijn van de minderjarige op te
treden.
Mevrouw Straatman vroeg wat er gebeurt als een asielzoeker die hier niet
mag blijven, geen uitzicht heeft op terugkeer en de grensdetentie
eindigt. We hebben al de grensprocedure. De ervaring leert dat ten
aanzien van de meeste personen van wie het asielverzoek in de
grensprocedure is afgewezen, het vertrek kan worden gerealiseerd vanuit
die grensdetentie. Daar zijn op dit moment hele goede ervaringen
mee.
Mevrouw Lammers vraagt hoe het zit met doorreis door Europa van
alleenstaande minderjarige asielzoekers. De regels van het pact zijn de
uitkomst van een lang en complex onderhandelingsproces, zoals ik al
eerder zei. De alleenstaande minderjarige is inderdaad uitgesloten van
de grensprocedure, tenzij hij een gevaar is voor de nationale
veiligheid. Bij een doorreis naar een andere lidstaat kan hij onder de
Dublinregels wel worden teruggeleid naar de lidstaat van binnenkomst.
Het is dus niet zo dat daarmee alle doorreizende amv's de
verantwoordelijkheid van Nederland zijn. Dan gelden gewoon de
Dublinregels.
Mevrouw Van der Plas vraagt: moet de bewaring eindigen als niet binnen
de maximale termijn gedwongen terugkeer kan plaatsvinden? De maximale
termijn die geldt voor bewaring en het kunnen weigeren van mensen aan de
buitengrens zijn twee verschillende dingen. Dat geldt ook voor de
bewaring in de asielgrensprocedure, die maximaal twaalf weken mag duren.
Pas als de asielprocedure niet binnen die twaalf weken kan worden
afgerond, moet toegang worden verleend. Een harde garantie dat mensen
die daaruit vallen, niet kunnen doorreizen, kun je dus niet geven, maar
alles op alles gezet is twaalf weken op zich best een termijn voor
detentie om mensen in terugkeer te brengen.
De heer Van Dijk vroeg naar de terugkeerverordening en of we ons
daarvoor blijven inzetten. Ja, daar zetten wij ons voor in. De
terugkeerverordening is cruciaal voor een simpeler en effectiever
terugkeerbeleid. Wij blijven dan ook oproepen tot het bereiken van een
snel en stevig resultaat in de triloog. Daar blijven we ons actief voor
inzetten, met name vanwege de terugkeerhub waar u naar vraagt. We werken
samen met Duitsland, Denemarken, Griekenland en Oostenrijk. Ik heb u
onlangs in de JBZ-raad geïnformeerd over mijn laatste gesprek. Als ik
voor woensdag klaar ben met dit debat, ben ik van plan om naar Duitsland
af te reizen om met mijn collega aldaar hier verder over te
spreken.
De heer Dassen vroeg ook of de terugkeerhub niet ten koste zal gaan van
mensenrechten. Het langetermijndoel van het kabinet is dat de
asielprocedures niet meer in Europa hoeven plaats te vinden. Daarom is
de innovatieve oplossing die in de Terugkeerverordening wordt geboden
iets wat wij toejuichen. Maar vanzelfsprekend moeten zulke oplossingen
altijd binnen de grenzen van het nationaal, het Europese en het
internationaal recht vallen. We zullen dan ook toezien op de waarborgen
van de rechten van de migranten bij de uitwerking en de
operationalisering. Het mooie is — dat is volgens mij anders dan in de
afgelopen jaren — dat bij de ontwikkeling hiervan ook internationale
organisaties zoals de UNHCR en de IOM betrokken zijn. Ik denk dat dit
ook waarborgen geeft.
Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
Ik had toch nog een vraag over het antwoord op mijn vraag. Maar ik weet
niet of het handiger is om eerst even het blokje af te maken.
De voorzitter:
Stelt u de vraag nu maar. Dan kan de minister die vraag uit het blokje
halen.
Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
De minister zegt dat voor de amv'ers, de niet begeleide minderjarigen,
gewoon de Dublinregels gelden. Maar die Dublinregels gelden nu ook voor
heel veel mensen en dat werkt gewoon niet. Waarom zou dat dan straks wel
gaan werken? Het gaat mij er vooral om dat die amv'ers vanuit de
herkomstlanden vooruit worden gestuurd. Dat is het probleem. Het lijkt
dat dit onder het pact wel gebeurt.
De voorzitter:
38 seconden. De VAR is gewoon even …
Minister Van den Brink:
Ik begrijp de vraag heel goed. Ik denk dat dit ook de zoektocht van
meerdere partijen is hoe we dit kunnen voorkomen. Die mensonterende
situaties op zee, met minderjarige kinderen die daartoe aangezet worden,
wens je echt helemaal niemand toe. We moeten toe naar een systeem dat
dit onmogelijk maakt, dan wel ontmoedigt. Ik denk dat dit systeem het op
z'n best ontmoedigt, maar nog niet onmogelijk maakt. Voor dat onmogelijk
maken zijn volgende stappen nodig.
Die volgende stappen zitten overigens ook in de Terugkeerverordening,
omdat daarin het bandencriterium is aangepast. Daardoor heb je, ook als
je door landen heen bent gereisd die als veilig waren te beschouwen,
mogelijk geen recht op asiel in Europa. Dat geldt natuurlijk ook de voor
de groep die mogelijk uit dat soort landen komt. Richting de toekomst
zijn daar dus mogelijkheden voor, maar op dit moment kunnen we niet alle
situaties uitsluiten. Tegelijkertijd zeg ik: laten we wel hopen dat
Dublin gewoon weer gaat functioneren. Ik snap dat u daar op basis van uw
ervaringen in het verleden misschien niet de meeste overtuiging vandaan
haalt, maar dit is wel een nieuwe start.
Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
Dat is niet alleen op basis van het verleden, maar ook op basis van wat
experts zeggen. Die zeggen: de Dublinverordening gaat nu ook niet
werken. Die amv'ers kunnen dus gewoon weer los door Europa reizen. Ik
zie niet in hoe de Dublinverordening dat nu opeens gaat verhelpen.
Minister Van den Brink:
De afspraak is dat we op die manier mensen die al eerder een verzoek
hebben gedaan in een andere lidstaat, gewoon terugsturen naar dat land.
Daarvoor hebben we een hele procedure ingericht, met een versnelde
procedure ten opzichte van de huidige procedure. Ik denk dat die in de
toekomst in ieder geval door Nederland wel degelijk actief zal worden
ingezet.
Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
Ik heb daar een hard hoofd in. Ik heb zelf ook bij de IND gewerkt. Daar
heb ik gezien dat mensen soms acht keer terugkomen en acht keer weer
moeten worden uitgezet. Ik zie dus niet in wat dit gaat oplossen.
Minister Van den Brink:
Laten we dan hopen dat uw ervaringen uit het verleden bij de IND ook tot
het verleden gaan behoren als we dit pact hebben ingevoerd in de komende
tijd. Tegelijkertijd doe ik daarbij de waarschuwing dat we nog wel even
bezig zijn om dat allemaal te realiseren. Maar de afspraken die nu
gemaakt zijn, zijn in ieder geval beter dan ze in het verleden
waren.
De voorzitter:
Sorry, meneer Dassen. Ik keek even of mevrouw Lammers nog iets ging
zeggen. Gaat uw gang, meneer Dassen.
De heer Dassen (Volt):
Toch nog even terug naar de kinderdetentie. Ik probeer de woorden van de
minister een beetje op me te laten inwerken. Hij geeft aan: dat gaat
bijna nooit gebeuren. Maar mijn vraag blijft toch hangen wanneer het wel
proportioneel is om dat te doen. Is daar een voorbeeld van?
De voorzitter:
Laten we dat doen, maar de minister komt ook nog bij de amendementen die
hierover gaan. We kunnen het altijd daarna nog even doen, want ik vond
dat de vaart er goed in zat.
Minister Van den Brink:
Mooi, dank u wel. De situaties waarin dat van toepassing is, zijn: als
er twijfels zijn over de gezinsband, als er indicaties van mensenhandel
zijn of vanwege de openbare orde of de nationale veiligheid. Dat zijn de
drie categorieën.
De heer Dassen (Volt):
Wat is bij die eerste twee categorieën de reden om een kind in detentie
te zetten? Ik begrijp 'm nog steeds niet, om eerlijk te zijn. Ga je dan
een kind in detentie zetten omdat het mogelijk slachtoffer is van
mensenhandel?
Minister Van den Brink:
Ik moet u eerlijk zeggen dat ik in de vijf weken dat ik hier zit deze
casuïstiek gelukkig nog niet op mijn bureau heb gehad. Laat ik het zo
zeggen: er zijn experts bij betrokken die dit in het verleden, de
afgelopen elf of twaalf jaar, al hebben gedaan. De situatie die wij
kennen in Zeist, bestaat namelijk vanaf 2014. Ik heb dus de overtuiging
dat dat op een zorgvuldige manier gebeurt. Die wijze is getoetst door de
Raad van State en is juridisch akkoord bevonden. Ik heb daarover dus
geen twijfels. Ik heb alleen geen casuïstiek die ik u nu zo kan
voorleggen die daar een antwoord op geeft.
De heer Dassen (Volt):
Ik vind het problematisch dat de minister daar geen goed antwoord op kan
geven. Ik heb namelijk niet de vijf weken gehad die de minister heeft
gehad voor deze wetsbehandeling. Ik heb niet met al die mensen kunnen
spreken. Het is wel lastig als ik geen antwoord krijg op deze vraag, die
volgens mij vrij fundamenteel is in deze wetsbehandeling. Ik vind dat
dus wel problematisch.
Minister Van den Brink:
Laat ik zeggen: ik heb u net de juridische ruimte voor de detentie
geschetst. Dat zijn de drie criteria die daarvoor gelden. Die kennen wij
al in de huidige grensprocedure. Die zijn dus niet nieuw. Daarmee is dat
de feitelijke situatie.
De heer Boomsma vroeg hoever de andere landen op dit moment zijn. Hij
vroeg ook naar de registratie. De Europese Commissie monitort dat. In de
aankomende week publiceert de Europese Commissie een nieuwe
voortgangsrapportage. Op basis daarvan kan ik u verder informeren over
de stand van zaken en over de vraag hoe dat op dit moment in die landen
wordt toegepast.
Dan de screeningsprocedure. Hoe wordt er gecheckt als ze in het land van
aankomst nog niet goed geregistreerd zijn, vraagt de heer Boomsma. De
verplichte screeningsprocedure omvat onder andere meer identificatie, de
afname van biometrische gegevens, de Eurodacregistratie en consultatie
van de veiligheidsdatabases. Dat systeem zal voor lidstaten de primaire
manier zijn om kunnen concluderen of een derdelander die onder de
reikwijdte van de screeningsverordening valt, al is gescreend in een
andere lidstaat. In de situatie dat iemand niet in Eurodac geregistreerd
staat maar wel aan een screening moet worden onderworpen, zal de
screeningsautoriteit de screening in Nederland uitvoeren. We zullen zo
mogelijk onderzoeken uit welk land die persoon is gekomen, omdat je in
Europa met elkaar moet willen weten hoe dat is gegaan en hoe vaak dat
voorkomt.
De voorzitter:
Mevrouw Vondeling. Ik vond u al zo stil.
Mevrouw Vondeling (PVV):
Ja, hè? Dit is waarschijnlijk vooruitlopen op de vragen die ik heb
gesteld over het uitlezen van gegevensdragers. U heeft het namelijk over
"onderzoek doen". Daarbij is het natuurlijk heel belangrijk dat er een
telefoon kan worden uitgelezen. Mijn vraag is: hoe staat het daarmee? Is
daar een wetswijziging voor nodig? Wanneer komt die naar de Kamer?
Minister Van den Brink:
Ook dat antwoord heb ik langs zien komen, maar ik ga het nu alvast even
uit mijn hoofd doen. Dat wetsvoorstel is in de maak. De consultatie
start in Q2 van dit jaar. Dat is dus bijna, want het is bijna april. Als
het wetsvoorstel in consulatie gaat, zal ik u daarover informeren. Het
vergt een wetswijziging. Dat is de reden dat daar nu nog niet in wordt
voorzien in de screeningsomgeving waar de IND mee gaat werken.
Mevrouw Vondeling (PVV):
U zegt: dat is bijna. Maar ik denk dat het toch nog heel lang duurt
totdat zo'n wetsvoorstel uiteindelijk door de Eerste en Tweede Kamer is
gegaan. Dit is natuurlijk wel heel belangrijk, juist om de reisroutes en
de identiteit te achterhalen, ook voor de veiligheid. Ik ga dus wel een
motie indienen om dat te versnellen.
Minister Van den Brink:
Aanmoedigingen kan ik in die zin altijd gebruiken. Tegelijkertijd gaat
het hier om een advies dat we van de Autoriteit Persoonsgegevens moeten
ontvangen, want dit vraagt om de verwerking van gegevens. Dat is een
extra zorgvuldigheidscheck in de route; vandaar dat daar ook tijd voor
nodig is.
De voorzitter:
Ik vermoedde al dat dit een vraag zou oproepen. Even kijken. Ik zag
eerst meneer Van Dijk en daarna meneer Boomsma.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Het is een wat flauwe vraag, maar dat die juridische grondslag ervoor
ontbreekt, weten we al sinds begin vorig jaar. Dan is toch wel de heel
eenvoudige vraag: waarom heeft dit in vredesnaam zo lang geduurd? En ik
weet dat deze minister nog maar vijf weken aan de gang is.
De voorzitter:
Dus dat mag de minister niet meer herhalen. De minister.
Minister Van den Brink:
Dat ga ik ook niet doen. Ik weet gewoon dat eraan gewerkt wordt en dat
die nu bijna in consultatie gaat. Dat zal afstemming hebben gevergd in
de afgelopen periode, naast wat er nog aan uitvoering lag.
De heer Boomsma (JA21):
Ik zat al dagenlang een amendement hierop voor te bereiden. Gaat het in
de wetsvoorbereiding dan om een algemene bevoegdheid om gegevensdragers
uit te lezen, in alle gevallen? Ik heb me verdiept in de jurisprudentie
en de gevolgen van die uitspraak. Er moet dus een onderbouwing
plaatsvinden. Zou je niet nu al eerder een wettelijke grondslag kunnen
opnemen die in ieder geval voorziet in bepaalde gevallen, bijvoorbeeld
als er duidelijke aanwijzingen zijn voor fraude of om te kunnen
controleren of er sprake is van smokkelaarsroutes en dergelijke? Dan doe
je het dus nog niet in generieke zin. Ik snap dat dat meer werk zou
vergen. Maar dan doe je het wel voor deze specifieke gevallen, zodat je
daar dan per 12 juni, als dat lukt, mee kunt beginnen.
Minister Van den Brink:
Dat laatste, 12 juni, zou ik u niet kunnen toezeggen. Het gaat om het
verwerken van gegevens. De laatste keer dat ik over biometrie sprak, heb
ik gemerkt hoe gecompliceerd dat is en hoeveel partijen daarvoor nodig
zijn om dat goed afgestemd te krijgen, waaronder de Autoriteit
Persoonsgegevens. We zijn dat op dit moment aan het doorlopen, maar de
consultatie is in Q2.
De voorzitter:
Vinden de collega's het goed als ik een vraag stel? Ik vond de vraag van
mevrouw Vondeling wel terecht. Ik beluister bij de minister dat hij dit
belangrijk vindt. Hij zegt dat die wet er komt. Het is vrij technisch.
Maar ik hoorde de minister ook zeggen dat de screeningsomgeving hier nu
niet op ingericht gaat worden. Het is toch jammer om dat niet te
doen?
Minister Van den Brink:
O, sorry, voordat u dat verkeerd begrijpt: ik bedoel vooral dat de IND
het ook kan uitvoeren als de grondslag er is. Dat zei ik, maar dan moet
die grondslag er eerst zijn.
Even kijken. De heer Boomsma vraagt: wordt er in de beroepsprocedure op
screening ook gekeken naar de kans van slagen? De uitkomst van de
screeningschecks worden feitelijk samengevat in een screeningsformulier.
De screeningsautoriteit zal de vreemdeling de gelegenheid geven om aan
te geven of de informatie op het screeningsformulier juist of onjuist
is. Na afronding van de screening wordt de vreemdeling doorverwezen naar
de passende vervolgprocedure. Dat kan dus een asiel- of een
terugkeerprocedure zijn. De kans van slagen van asielverzoeken is dus
pas in de vervolgprocedure aan de orde en wordt niet bekeken bij een
eventueel beroep op screening. Bij een beroep op screening vanwege
bijvoorbeeld onjuist vastgestelde personalia kan er tijdens een
asielgehoor aandacht aan worden besteed. Dat verloopt dus via die
procedure.
De heer Dassen vroeg mij of ik zelf wel de juiste onafhankelijke
toezichthouder kan zijn in dezen. Tijdens de screening in de
asielgrensprocedure is voorzien in de inrichting van een onafhankelijk
toezichtmechanisme, dat toeziet op grondrechten van vreemdelingen en
naleving van het Unierecht en het internationaal recht. De Inspectie
Justitie en Veiligheid en het College voor de Rechten van de Mens zijn
elk vanuit hun eigen deskundigheid en in lijn met bestaande taken en
bevoegdheden de geschikte partijen. We zullen dat toezicht dus gaan
vormgeven. De inspectie en het college hebben gelukkig een
onafhankelijke positie ten opzichte van mij als minister. Dus die zien
daarop toe.
Er was nog een vraag van de heer Dassen en volgens mij ook van de heer
Boomsma over hoe het nu verdergaat met de binnengrenscontroles in
Europa. Verschillende lidstaten hebben binnengrenscontroles ingesteld.
Zij moeten ook zelf weer het moment kiezen waarop ze daarover
rapporteren aan Europa dan wel wanneer ze aan de maximale termijn
zitten. Dus dat blijf ik volgen. Daar zal ik hopelijk van de week meer
over horen als ik bij mijn collega in Duitsland op bezoek ben. De
Nederlandse binnengrenscontroles zijn tot 8 juni ingesteld. Richting 8
juni zal ik een besluit nemen over hoe we daarmee verdergaan. Dat is het
antwoord op dat onderwerp.
De heer Boomsma (JA21):
Maar kunnen we het daar met elkaar van tevoren ook nog over hebben,
voordat de minister definitief dat besluit neemt?
De voorzitter:
U onderling of Kamer en minister?
De heer Boomsma (JA21):
Ik bedoel als Kamer.
Minister Van den Brink:
Ik ben op iedere plek waar de Kamer mij vraagt te zijn en ik geef een
antwoord op iedere vraag die u daarover stelt. Volgens mij heb ik de
verantwoordelijkheid om keuzes te maken en controleert u mij daarop.
Volgens mij is dat de volgorde. Maar er liggen allemaal moties, dus ik
weet wat ongeveer het beeld is.
De voorzitter:
Als wij moeten helpen om een afspraak tussen u tot stand te brengen, dan
doen we dat graag.
Minister Van den Brink:
Ik ben eigenlijk door mijn tweede blok heen.
De voorzitter:
Dat is mooi, want in dit tempo … U doet uw best, minister. Blokje
drie.
Minister Van den Brink:
Dat is het minste compliment dat ik kan krijgen.
De voorzitter:
Nee, u doet het echt … Dat waardeer ik.
De heer Dassen (Volt):
Ik had nog een vraag over dat toezichtmechanisme. Ik probeer dat toch
iets beter te bekijken. De Raad van State had er ook kritiek op. Die
geeft aan: hoe waarborg je dat onafhankelijke karakter als de minister
hier zelf onderdeel van is? Ik ben zelf benieuwd hoe de minister dat
ziet.
Minister Van den Brink:
Ik veronderstel dat de Inspectie Justitie en Veiligheid zichzelf altijd
in staat stelt om ieder onderzoek te doen naar zaken waarvan zij het
noodzakelijk vinden om toezicht op te houden dan wel onderzoek naar te
doen. Dat geldt ook voor het College voor de Rechten van de Mens. Beide
hebben dus volgens mij alle ruimte om mij te wijzen op onvolkomenheden,
zouden die zich voordoen, en om daar onderzoek naar te doen. Ik moet dan
weer op tijd het rapport naar u sturen en daar op tijd een reactie bij
geven. Toen ik het las, dacht ik: dat is goed geborgd.
De heer Dassen (Volt):
In mijn ogen kun je daar vraagtekens bij zetten, omdat de minister aan
de ene kant dus verantwoordelijk is voor de uitvoering en aan de andere
kant voor het toezicht daarop. Dat is hoe ik het in ieder geval begrijp
uit de kritiek van de Raad van State, die daar een uitspraak over doet.
Die vraagt ook naar de toelichting. Daar ben ik zelf ook benieuwd
naar.
De voorzitter:
Minister, kort.
Minister Van den Brink:
In mijn beleving zijn de Inspectie Justitie en Veiligheid en het College
voor de Rechten van de Mens onafhankelijk van mij. Ik heb daar helemaal
geen invloed op. Zij kunnen toezien op hoe het werk wordt gedaan. Dat
werk wordt wel gedaan onder mijn verantwoordelijkheid, omdat de IND in
dezen natuurlijk de screening doet. Dat doet de IND dus onder mijn
verantwoordelijkheid. Daarop kunnen zij toezien en daarover kunnen zij
rapporteren. Dat lijkt mij goed geborgd.
De voorzitter:
U gaat naar blokje drie. Dat was … O, meneer Dassen.
De heer Dassen (Volt):
Ik had nog één andere vraag, omdat in dit blokje ook de
Eurodacverordening besproken wordt. Of komt die in een ander blokje
terug?
Minister Van den Brink:
Die komt nog wel terug, hoor ik naast me.
De heer Dassen (Volt):
Dan wacht ik, voorzitter.
De voorzitter:
Die komt in het blokje overige belangrijke zaken.
Minister Van den Brink:
Screening, het mechanisme, solidariteit en Dublin. Dat zijn allemaal
zaken die deels langs zijn gekomen.
De heer Ellian had een vraag gesteld over het solidariteitsmechanisme en
de druk die op Griekenland ligt. Zij zullen hulp nodig hebben. De
verschillende vormen van solidariteit zijn wettelijk vastgelegd. Het
gaat daarbij om een financiële bijdrage, herplaatsing of alternatieve
solidariteit. Alle opties zijn gelijkwaardig aan elkaar. Elke
EU-lidstaat maakt hierin een eigen afweging. Uiteindelijk is de
solidariteitspool een combinatie van al deze vormen van solidariteit. Er
wordt natuurlijk wel bekeken welke steun lidstaten met migratiedruk
nodig hebben. Daarnaast ondersteunt Nederland Griekenland door daar
projecten uit te voeren. Denk aan de opvang van alleenstaande
minderjarige vreemdelingen en het verbeteren van het voogdijsysteem. Ook
staat het kabinet ervoor open om, als Italië en Griekenland daarom
verzoeken, verdere ondersteuning te bieden via de pools van Europese
agentschappen. Via Frontex wordt er praktische hulp geboden bij de
grens.
De voorzitter:
Als de collega's het goed vinden, stel ik een snelle vraag: kan de
minister hier bijvoorbeeld op terugkomen, bijvoorbeeld na de volgende
JBZ? Ik bedoel dat we periodiek een beetje op de hoogte worden gehouden
van hoe het gaat met Griekenland. Dat hoeft geen heel epistel te zijn.
Dat kan gewoon in een paar zinnen.
Minister Van den Brink:
Ja. Er is ook een moment voor het Migratiepact, dus dat kan op een van
beide momenten.
De heer Boomsma heeft een ambitieuze gedachte en vroeg of het aantal van
30.000 mensen in de procedure naar 200.000 of 400.000 kan. Hij vroeg
welke invloed Nederland daarin kan uitoefenen. In principe zou het
kunnen. De solidariteitspool voor 2026 is vastgesteld, rekening houdend
met seizoenspatronen in asielstromen. We kunnen nog niet vooruitlopen op
de omvang van die pool voor 2027, maar deze kan volgend jaar groter
zijn, afhankelijk van de migratiedruk in de lidstaten. De Raad stelt dit
uiteindelijk vast via een gekwalificeerde meerderheid. Dat gaat in dit
geval dus via de Raad. Daarom zullen wij ons actief inzetten voor een
redelijke omvang van de solidariteitspool en hier met gelijkgezinde
landen in optrekken. Ik noemde net al even de bevolkingsdichtheid. We
zullen ons op dat punt blijven inzetten wanneer we daar de gelegenheid
voor krijgen.
Dan zei mevrouw Vondeling dat Hongarije en Polen al hebben aangegeven
bezwaar te hebben tegen dit pact. Wij hebben zelf die afspraken heel
nadrukkelijk wel gemaakt. Wij willen die ook met elkaar maken omdat wij
zien dat het een Europees probleem is dat nationaal niet valt op te
lossen. Dus moet je in Europa samenwerken. Willen wij van dit pact een
succes maken, dan moet je alle afspraken die erin staan gestand doen.
Wij willen ook dat de Commissie hierop toeziet richting andere
lidstaten, dat zij lidstaten aanspreekt en ook oplossingen aanreikt om
landen te helpen die hulp nodig hebben.
Dan vraagt mevrouw Westerveld waarom Nederland kiest voor financiële
compensatie als manier om de solidariteit in te vullen. Wij hebben
daarvoor gekozen omdat wij vinden dat onze opvangketen in Nederland niet
op orde is en de druk te hoog is. Daarom vullen wij het
solidariteitsmechanisme financieel in. Dat is niet in de tijd bepaald,
zeg ik tegen de heer Dassen. Wij hebben niet onderling afgesproken voor
hoelang dat is. In die zin is het ook een politieke weging wanneer we
daarvan af zouden zien. Als u mij af en toe in het nieuws hoort over de
opvangproblematiek, zult u begrijpen dat ik niet verwacht dat dat al op
heel korte termijn is.
Wat gebeurt er met de Dublinclaimanten uit land als Polen en Hongarije,
vraagt mevrouw Lammers.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
We gaan er in een sneltreinvaart doorheen, wat ik ook snap gezien de
tijd, maar ik had over solidariteit nog een paar aanvullende vragen. Ik
vroeg ook of de minister het met ons eens is dat afkopen ook
ondermijnend kan zijn voor de solidariteit met landen die aan de
buitengrenzen liggen en die te maken hebben met een veel grotere
uitdaging als we kijken naar het aantal mensen dat bij hen de grens met
Europa passeert. Begrijpt hij dat die andere landen vinden dat het
afkopen de uitgangspunten van het pact ondermijnt? Dat waren de twee
aanvullende vragen die ik ook had gesteld.
Minister Van den Brink:
Alle lidstaten waren natuurlijk betrokken bij het maken van de
afspraken. In die zin is dit ook iets van alle 27 leden. In de
zuidelijke lidstaten is de vraag verschillend. Spanje heeft bijvoorbeeld
gezegd: alsjeblieft, doe het financieel. Dat land heeft dus al
aangegeven graag de betaling te ontvangen. Met bijvoorbeeld Griekenland
hebben we nog hele discussies over de voorraden van de Dublin, waarvan
wij vinden dat die door Griekenland in het verleden zijn benut. Daar heb
je dus weer een ander gesprek. De gesprekken met de lidstaten zijn dus
best wel verschillend, maar in Spanje wordt voor het financiële gekozen.
Als er uiteindelijk op geen enkele manier meer, door wie dan ook,
geholpen wordt, dan komt het hele systeem onder druk te staan; dat snap
ik ook. Maar daar is op dit moment nog geen sprake van, gelet op hoe er
op dit moment mee om wordt gegaan in Europa. Vooralsnog geloven wij dus
dat het systeem zoals het bedacht is, ook kan gaan functioneren.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dat klinkt heel mooi, "vooralsnog hopen we dat", maar het lijkt me dat
de regering eigenlijk al een plan klaar moet hebben liggen voor het
geval het niet werkt. Hopen dat het allemaal wel goedkomt, lijkt mij
niet zo verstandig.
Minister Van den Brink:
Een van de afspraken — in die zin zijn er ook fallbackafspraken — is dat
als de Commissie oordeelt dat landen zich niet houden aan de afspraken
uit het pact, ook andere delen van het mechanisme vervallen. In die zin
zijn er dus al afspraken gemaakt. Als de Commissie oordeelt dat een
lidstaat — ik ga geen landen noemen, want dat zou misschien iets zeggen
over wat ik van die landen vind — niet voldoet aan de afspraken, dan
zijn wij ook niet gehouden om die lidstaat te betalen of op een andere
manier aan de solidariteit bij te dragen. Daar is dus in voorzien.
De heer Boomsma vroeg nog hoeveel Dublinclaimanten Nederland de
afgelopen jaren heeft opgevangen. Nederland heeft in 2025 voor 8.000
vreemdelingen een Dublinclaim ingediend bij een andere lidstaat.
De heer Van Dijk vroeg, ook vanuit het Europese toekomstidee, naar een
streefcijfer en een quotum. Hoe willen we daarnaar streven in Europa? We
hebben dus andere lidstaten nodig om meer grip te krijgen op onze
migratie, maar we gaan echt eerst met het Europese Migratiepact aan de
slag. We moeten eerst alle zeilen bij zetten, zoals iemand hier vandaag
al zei, om dit tot een succes te maken. Quota hebben we daarbij
eigenlijk nu nog niet op de agenda staan. Ik denk dus ook, als ik het
een beetje zo inschat, dat alle lidstaten voorlopig volop bezig zijn met
de invoering van dit pact, maar mogelijk gaat dit op een later moment
wel terugkomen in de discussies als we ook de innovatieve vormen van
asielopvang buiten Europa met elkaar misschien op een andere manier gaan
invullen.
Mevrouw Straatman vroeg hoe het nou is verlopen met de
Dublincompensaties. De uiteindelijke vermindering van het financiële
aandeel is afhankelijk van de uiteindelijke verdeling tussen de
bijdragen van de lidstaten en de ontvangende lidstaten. We zijn daar nog
over in gesprek met de Commissie, maar ik verwacht wel dat we daar voor
12 juni duidelijkheid over krijgen, dus dan zal ik u ook of via de JBZ
of via de voortgangsrapportage erover informeren hoe dat is
verlopen.
De voorzitter:
Momentje. Meneer Boomsma.
De heer Boomsma (JA21):
De minister zei dat er 8.000 Dublinaanvragen waren in 2025, maar mijn
vraag was er ook op gericht om te achterhalen welke aantallen
Dublinclaimanten uiteindelijk in Nederland konden blijven omdat ze niet
terug konden naar Griekenland, Italië of andere landen, want dat zijn,
denk ik, de relevantere getallen om in gedachten te hebben voor die
offsets.
Minister Van den Brink:
Die ga ik even na voor de tweede termijn. Ik weet wel dat er met
Griekenland inmiddels afspraken zijn gemaakt over die offset. Maar laat
ik dat niet vanuit mijn parate kennis doen, want het gevaar is altijd
dat je net naast getallen zit. Dat doe ik dus even in de tweede termijn,
met uw goedvinden.
De voorzitter:
Ja.
Minister Van den Brink:
Dan was er ook nog een vraag van verschillende partijen over de
Dublinclaimanten en het versoberde regime. Meneer Ellian vroeg daarnaar,
mevrouw Straatman vroeg daarnaar en JA21 heeft ernaar gevraagd. Vanaf 12
juni geldt dus voor de Dublinclaimanten na dat overdrachtsbesluit een
versoberd regime. Dat houdt in dat vanaf dat moment voor deze groep
asielzoekers het verstrekkingenregime wijzigt en dat ze op een apart
gedeelte van een bestaand azc onderdak kunnen krijgen. Daar zijn ze nu
zeg maar een soort van pilotlocaties voor aan het draaien, maar dat moet
echt nog wel van de grond komen. Dat is natuurlijk ook afhankelijk van
hoeveel Dublinclaimanten straks, na het overdrachtsbesluit, in de opvang
zitten. Maar we zijn daarover in gesprek met het COA. Laat ik ook hierop
toezeggen dat als we meer duidelijkheid hebben over op hoeveel plekken
we dan uit gaan komen, hoe we dat inrichten en wat "versoberd" dan
betekent — dat is, denk ik, ook nog iets waar interesse voor bestaat —
ik u daarover zal informeren.
De voorzitter:
Als niemand wat vraagt, dan heb ik een korte vraag. Is de minister
bereid om "versoberd" hier in te vullen als "zo versoberd als
mogelijk"?
Minister Van den Brink:
Ja, ik denk dat de Opvangrichtlijn ons daar ook weer allerlei dingen in
voorschrijft. Het minimum is uiteindelijk bed, bad en brood, niet met de
politieke connotatie die daarmee bedoeld wordt, maar gewoon dat je
altijd gehouden bent aan opvang, in welke situatie dan ook; dat is ook
de jurisprudentie uit Europa. Die biedt Nederland ook altijd. Maar het
is wel versoberd bedoeld, omdat je natuurlijk als Dublinclaimant hier
niet hoort te zijn en terug moet naar de plek waar je je aanvraag hebt
gedaan, dus in die zin zullen wij dat ook op die manier inrichten.
De heer Boomsma (JA21):
Ik begrijp dat dat versoberd moet, maar ik heb best wel wat azc's
bezocht, dus ik denk: op heel veel plekken kan het niet heel veel
soberder dan wat je daar ziet, tenzij je heel erg veel mensen in
stapelbedden op één kamer gaat zetten, maar ik weet niet of dat dan per
se de zaak verbetert. Ik heb ook gezien dat sommige mensen juist
aangeven dat versobering juist duurder wordt. Waarom dat zo is, kan ik
niet helemaal overzien, maar zit het 'm niet veel meer in het feit dat
er toezicht is en dat er een meldplicht is dan dat de voorzieningen ook
daadwerkelijk worden afgeschaald?
Minister Van den Brink:
De heer Boomsma is in die zin echt goed op de hoogte van de situatie bij
het COA en de opvanglocaties. Het klopt wat u zegt, namelijk dat het
toezicht toeneemt, omdat je het tegelijkertijd sober wil houden en omdat
je toezicht wil houden. De toezichtkosten zorgen voor de hogere
opvangkosten die daar dan mee gepaard gaan, dus het klopt dat dat er
eigenlijk ook achter wegkomt.
Mevrouw Straatman vroeg naar terugkeerafspraken met derde landen. Daar
zijn we volop mee bezig. We hebben verschillende instrumenten om de
terugkeersamenwerking te verbeteren, zowel bilateraal als in Europees
verband. Onderdeel hiervan is het ontwikkelen van brede, gelijkwaardige
en duurzame partnerschappen met voor Nederland belangrijke landen van
herkomst en transit. Zowel in EU-verband als in Benelux-verband wordt
daar overleg over gevoerd en worden overnameovereenkomsten gesloten met
landen buiten Europa. Voor landen die onvoldoende meewerken, kan het
kabinet ook negatieve maatregelen nemen, zoals EU-visummaatregelen. Dit
doen we in EU-verband, omdat dat meer gewicht in de schaal legt. Daar
zetten wij ons ook voor in.
Dan vroeg JA21 tot slot in dit blokje wat de gevolgen van al deze
wijzigingen zijn voor de procesbeschikbaarheidsaanpak. De huidige pilot
procesbeschikbaarheidsaanpak, met een van de mooie afkortingen in dit
werkveld, richt zich op aanvragers met een kansarme aanvraag.
Dublinclaimanten kunnen alleen in de procesbeschikbaarheidslocatie als
zij snel door de procedure kunnen gaan. Daarnaast kunnen zij in de
verscherpttoezichtlocatie. Op de huidige praktijk hebben de wijzigingen
geen invloed, want onder het huidige Migratiepact zullen
Dublinclaimanten de nieuwe procedure volgen en niet de versnelde
procedure. Je moet het niet meer "een apart spoor" noemen, want zo
heette het vroeger; het is een aparte procedure. De pilot
procesbeschikbaarheidsaanpak wordt op dit moment geëvalueerd en zal
daarna een vervolg krijgen als we daarover hebben gerapporteerd.
Dat waren mijn antwoorden op het punt van solidariteit en Dublin.
De heer Dassen (Volt):
Ik vroeg aan het einde van mijn betoog een reflectie van de minister op
grond van al deze maatregelen, ook wetende dat al die andere landen
nationale maatregelen aan het nemen zijn, waardoor we nog steeds een
race to the bottom in Europa krijgen. Wat gaat dit volgens de minister
doen met de uitvoering van het Europees Migratiepact?
Minister Van den Brink:
Ik denk dat de twee belangrijkste zaken waar we binnen Europa met elkaar
naar kijken om te beoordelen in hoeverre dit pact succesvol is, de
asielgrensprocedure aan de buitengrens en het herleven van de
Dublinafspraken zijn. Ik denk dat dat de twee belangrijkste pijlers van
dit pact zijn waar heel Europa naar gaat kijken om te zien of het pact
gaat functioneren, omdat daar ook de afhankelijkheden tussen de
verschillende lidstaten zitten. Waar u op wijst, gaat natuurlijk ook
over de vraag hoe we onze eigen nationale keuzes maken. Daarin zie je
volgens mij een heel geschakeerd landschap in Europa. Er zijn lidstaten
die dit al tien jaar geleden hebben ontwikkeld naar een
tweestatusstelsel en er zijn landen die dat nu pas gaan doen, zoals
Nederland. Om ons heen zien we dat Duitsland en België natuurlijk keuzes
hebben gemaakt. Je zou kunnen zeggen dat we daarmee in de pas komen te
lopen. Ik denk dus dat Dublin en de asielgrensprocedure de twee grote
ijkpunten gaan worden in de Europese context.
De heer Dassen (Volt):
Deelt de minister in ieder geval mijn zorg dat op het moment dat je nu
als Europa een kans hebt om te zeggen dat migratie een Europees
vraagstuk is en dat we dat gezamenlijk gaan oplossen, er vervolgens in
elk land een debat is met het nationale parlement en dat in elk land
waarschijnlijk Kamerleden zitten die zeggen dat het strenger en soberder
moet omdat ook andere landen strenger en soberder zijn? Zojuist werd nog
gevraagd om "zo streng als mogelijk". Deelt de minister de zorg dat dit
juist een averechts effect kan hebben op de hele uitvoering van dit
pact?
Minister Van den Brink:
Nee, toch niet, omdat dat uiteindelijk niet uit het pact volgt. Het pact
harmoniseert ontzettend veel. Ik denk dat dat goed is. Nederland sluit
zich aan bij die harmonisatie. De toepassing daarvan is ook nodig, omdat
we in onze nationale procedures al tegen de grenzen aan waren gelopen,
ook in de doorlooptijden. Los van de nationale keuzes juicht de IND
allerlei keuzes die hieruit volgen, maar ook door de IND voorgestelde
keuzes in de vorige wetgeving, waaronder het schrappen van de
voornemenprocedure, ontzettend toe omdat de procedure daarmee wordt
versneld. Bij de grote aantallen die we in de asielketen dan wel in de
voorraden hebben, is de doorlooptijd dus ontzettend belangrijk. Deze
nieuwe procedureverordening biedt wel veel mogelijkheden om daarin
dingen te verbeteren. Ik denk dus dat dat het belangrijkste onderdeel
is.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Maar dan vind ik het wel opvallend waarom het vorige kabinet in de
memorie van toelichting heeft opgeschreven dat een van de doelen is om
het strengste asielbeleid ooit in te voeren en waarom deze minister
namens dit kabinet dat probleemloos overneemt. Dat was ook mijn vraag in
de eerste termijn: waarom is daarvoor gekozen als we nu tegelijkertijd
horen dat het doel is dat landen zo veel mogelijk dezelfde regels gaan
hanteren en dat solidariteit een van de uitgangspunten is? Dat kan
volgens mij niet samengaan.
Minister Van den Brink:
Ik denk het wel. Wat u vraagt is een terechte vraag. Laat ik eerlijk
zijn: volgens mij heb ik nog geen enkele kwalificatie gebruikt voor het
asielbeleid. Ik ga dat ook niet doen. Ik ben wel echt overtuigd van de
harmonisatie op het niveau waarop we het nu inregelen omdat we in het
verleden ook dingen in ons nationale stelsel hadden die niet
verplichtend waren, die ruimer waren of die vertragend waren. Er zijn
allerlei onderdelen waarvan we als kabinet overtuigd zijn en waarvan
alle partijen in de gesprekken rondom de coalitievorming overtuigd zijn
geraakt. Wij denken dat dit echt een verbetering is ten opzichte van wat
we hadden.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
De minister zegt: ik heb geen kwalificaties gebruikt. Maar dit staat
gewoon in de memorie van toelichting. Dat is erin gefietst door het
vorige kabinet en dat wordt nu overgenomen. Als deze minister consequent
zou zijn met wat hij nu zegt, dan had dit er als doel uit gehaald moeten
worden, lijkt mij. We gaan voor solidariteit, gelijkwaardigheid en
gelijke regels. Dan begrijp ik niet waarom dit er als doel in blijft
staan en dus ook onderdeel is van de wetsgeschiedenis.
Minister Van den Brink:
Het belangrijkste zijn de maatregelen die daaronder vandaan komen. Die
maatregelen steun ik van harte omdat die de harmonisering brengen in
Europa die noodzakelijk is. Uiteindelijk is de wet veel meer dan de
exacte artikelen, maar zijn het wel de exacte artikelen en de toepassing
van de artikelen waarop we de uitvoering gaan toetsen. Ik ben er echt
vol van overtuigd dat de maatregelen die we hierin treffen noodzakelijk
zijn.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ook daar valt wel het een en ander op af te dingen. Dat zat in mijn
kritiek, maar ik heb het van een heel aantal collega's gehoord. Het gaat
om nationale koppen. Er is niet gekozen voor een enkel zuivere
implementatie van het Europese Migratiepact. Er is voor gekozen om daar
een aantal zaken aan toe te voegen. Dat beweren trouwens niet alleen
wij, dat zegt ook de Raad van State. Wil de minister in ieder geval
erkennen dat er ook nationale keuzes zijn gemaakt die niet voortvloeien
uit het Migratiepact?
Minister Van den Brink:
Er zijn een heel aantal maatregelen die rechtstreeks werken vanuit de
verordening. Er zijn maatregelen die wij hadden, die niet in de
verordening zitten en die wij er nu uit halen. De discussie over de
titel die je daaraan moet geven, vind ik intellectueel heel interessant.
Is dat een nationale kop of is dat geen nationale kop? Ik heb daar
zostraks naar zitten luisteren en toen dacht ik: ik zou beide kanten op
kunnen redeneren. Ik weet dat we als coalitie hebben afgesproken "geen
onnodige nationale koppen" te plaatsen. Dat is in ieder geval een manier
om daarin een keuze te maken, laat ik het zo zeggen. Maar u heeft zeker
gelijk als u zegt dat daar verschillen zitten. Maar voordat ik me laat
verleiden … Dit wordt het meest politieke deel van het debat, voel ik
zomaar aan. Ik heb dit punt later in mijn inbreng zitten, dus ik kom
daar nog op terug. Ja?
De voorzitter:
Ja. Dan wil ik zelf nog een vraag stellen over die Dublinclaimanten en
de soberheid. Ik denk dat collega Boomsma gelijk heeft als hij zegt dat
het al vrij sober is. In mijn andere rol, namelijk als
justitiewoordvoerder, zeg ik altijd dat het er niet om gaat hoe sober je
iets ín de gevangenis doet, maar om wat je mag. Het punt is hier
natuurlijk dat ze eigenlijk nog steeds continu Nederlands grondgebied in
mogen, althans, dat doen ze. Ik wil dus wel tegen de minister zeggen dat
als blijkt dat Italië en Griekenland Dublinclaimanten niet overnemen,
wij wel meer richting detentie moeten durven gaan.
Minister Van den Brink:
Ik zit even te denken. U zag mij bevestigend knikken. Ik zit nu na te
denken over de vraag welke ruimte er is bij de overdrachtsbesluiten en
detentie. Zit daar bewaring aan gekoppeld?
De voorzitter:
Ik help u: u bent bereid dit uit te zoeken.
Minister Van den Brink:
Ja, ik ben zeker bereid dit uit te zoeken.
Dan de IND en het rapport en eerdere uitvoeringstoetsen die daarover
verschenen zijn.
De voorzitter:
Dan zijn we bij het blokje uitvoerbaarheid en de IND. Top. Hartstikke
goed, gaat u verder.
Minister Van den Brink:
Ja. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik dat rapport ook met heel
veel belangstelling heb gelezen. Het gaf namelijk een enorm inkijkje in
wat er allemaal aan variabelen en afhankelijkheden speelt in de
asielketen. Dus is het ook hartstikke goed dat dat er nu ligt. De
eerlijkheid gebiedt ook te zeggen dat de ontwikkeling van dat rapport
uit een periode stamt met interviews uit september en oktober, in ieder
geval bij de IND. Daarna wordt zo'n rapport natuurlijk gewoon heel
netjes afgerond. Vorige week is het bij ons op het ministerie
binnengekomen. Laat ik het zo zeggen. Soms word je een beetje verrast
door de media, maar dat is op zich een dynamiek die er in dit werk soms
bij hoort. Maar ik was blij dat het rapport in die zin nu ook gelijk in
de Kamer ligt, want ik had het vele malen erger gevonden als het pas ná
het debat aan uw Kamer was aangeboden. De regel bij dit soort rapporten
is eigenlijk dat wij daar een reactie op schrijven als we ze ontvangen
en daarbij gelijk antwoord geven op alle dingen die daarin staan. Dat
hebben we nu dus niet kunnen doen. De antwoorden over de manier waarop
hiermee wordt omgegaan, ga ik deels in het debat geven. Deels zullen die
bij de voortgang van het Migratiepact komen.
De hoofdvraag blijft natuurlijk: is de IND klaar om de stelselwijziging
door te voeren? Het antwoord daarop is: ja, de IND is daar klaar voor,
maar er zullen na 12 juni natuurlijk nog wel doorontwikkelingen
plaatsvinden. Dat stond ook in het rapport. Er komen ongetwijfeld nog
onvoorziene zaken aan het licht die de IND zal moeten aanpassen. Dat is
onvermijdelijk bij zo'n grote stelselwijziging.
Er waren ook vragen over de IND en de ICT. De vraag van de heer Van
Asten was wat de IND nodig heeft om dit tot een succes te maken. De IND
heeft vooral nodig dat de wetten tijdig door de beide Kamers worden
aangenomen. Wijzigingen in de wet die nog zouden leiden tot enorme
aanpassingen in het werkproces van de IND zouden dan mogelijk niet door
de IND uitgevoerd kunnen worden. Ze vragen natuurlijk ook rust en ruimte
om het Migratiepact na 12 juni uit te kunnen voeren. Ze zullen mij dus
vaker vragen: wilt u niet nog allerlei extra beleidswijzigingen
doorvoeren in het komende halfjaar?
Het ICT-systeem is op 12 juni nog niet volledig gerealiseerd, want het
huidige systeem wordt momenteel aangepast, zodat het Migratiepact op 12
juni kan worden uitgevoerd. Het ICT-systeem zal daarna verder worden
ontwikkeld. Dat was ook al voorzien. U gaf het ook al aan. De IND was al
bezig om zijn IV-systemen aan te passen en combineert dat nu met de
invoering van het pact, maar heeft daar meer tijd voor nodig dan tot 12
juni. Op dit moment vindt dat proces alleen in Ter Apel plaats om
asielzoekers te kunnen screenen, maar we zijn wel bezig om dat op een
later moment ook op andere locaties te kunnen gaan uitvoeren. Daar zijn
we nu nog over in gesprek. Zoals iemand al noemde, is Budel niet de
meest logische locatie, niet alleen vanwege de locatie, qua treinen en
ov, maar ook omdat er in Budel misschien op termijn een andere invulling
komt. We zijn bezig en zijn in gesprek om te kijken waar dat buiten Ter
Apel verder nog mogelijk is.
Dan over de juridische counseling. Het is duidelijk dat het nieuwe
screeningsproces en de juridische counseling extra capaciteit bij de IND
vragen. Dat gaat echter niet ten koste van de besliscapaciteit. De extra
capaciteit die nodig is om op 12 juni 2026 te kunnen starten met de
screening en de juridische counseling in Ter Apel zal tijdig geworven
zijn. Het is echter ook duidelijk dat er extra capaciteit nodig is bij
andere processen, zoals bij de juridische zaken, want er zijn in de
voorraden natuurlijk ook nog flinke klussen te doen. De IND is
natuurlijk bezig om zijn personeel efficiënter in te plannen. De dienst
is klaar om vanaf 12 juni het Migratiepact uit te voeren.
Mevrouw Straatman vroeg of de automatische omzetting van de
bewaringsmaatregel op tijd klaar is. Deze is volgens de planning in juni
2026 gereed. De IND werkt op dit moment aan het realiseren van de
kennisgeving. Dit wordt in het huidige ICT-systeem ingebouwd. Dat is dus
wel voorzien. Tot zover even de antwoorden op wat er over het rapport is
gevraagd.
Dan kom ik nu bij de vragen over de voorraden. Daar zijn natuurlijk ook
vragen over gesteld met betrekking tot de IND. Met het pact zullen
meerdere kortere behandeltermijnen gaan gelden in de asielprocedure. Het
bijhouden van deze termijnen vind ik ontzettend belangrijk. Dit komt de
werking van het pact ten goede en daarmee dus ook de beheersbaarheid van
asielmigratie. Om een beroep te kunnen doen op de goede werking van het
pact in andere lidstaten moeten we zelf in Nederland het goede voorbeeld
geven en het pact op een goede manier invoeren en op orde hebben. De IND
kan de nieuwe beslistermijnen en de instroom alleen bijhouden als
daarvoor voldoende capaciteit wordt vrijgemaakt die zich daar specifiek
op richt. Dat heeft consequenties voor de capaciteit die de IND
daarnaast kan inzetten voor de behandeling van de aanvragen die zijn
ingediend voor 12 juni. Deze voorraad bedraagt naar verwachting in juni
2026 nog steeds 50.000 aanvragen. Zonder extra maatregelen zou de
wachttermijn voor deze aanvragen met meerdere jaren verder oplopen.
Zeker voor de mensen die dat betreft is dat natuurlijk niet acceptabel.
Ook voor alle andere ketenpartners zou dit vergaande consequenties
hebben. Daarom zal ik voor de inwerkingtreding op 12 juni met een plan
van aanpak komen. Daarmee kom ik ook tegemoet aan de
motie-Westerveld/Ceder, waarin u als Kamer het kabinet heeft opgeroepen
om tot een realistisch plan van aanpak te komen voor het wegwerken van
de achterstanden en het verkorten van de doorlooptijden bij de IND. In
die zin wordt er dus ook nog gewoon gelijk doorgewerkt aan die
voorraden. Het is niet zo dat alle capaciteit opgemaakt wordt aan het
Migratiepact. Er zal, naast de invoering van het Migratiepact, ook
capaciteit zijn voor het wegwerken van de voorraden. De IND is daar
volop mee bezig, maar het vraagt wel om het maken van keuzes. Die keuzes
zal ik ook aan uw Kamer toesturen.
Mevrouw Straatman (CDA):
Goed om te horen dat er ook capaciteit wordt vrijgemaakt. In het kader
van efficiency ook het volgende. Als ik de nota van wijziging goed lees,
treedt het grootste deel van het pact onmiddellijk in werking, maar
blijft een deel van de oude regels nog gelden, voor zover die al in de
procedure zitten. Om te voorkomen dat de IND een te lange periode met
twee verschillende wettenstelsels moet zitten, zou het dus, los van alle
menselijke argumenten, ook vanuit dat oogpunt prioriteit moeten hebben
om de oude voorraad zo snel mogelijk weg te werken. Is de minister dat
met mij eens?
Minister Van den Brink:
Zeker. Dat kan ik alleen maar bevestigen. Het lastige is natuurlijk wel
dat als je naar een nieuw stelsel overgaat, je ook nog te maken hebt met
het oude stelsel dan wel met de oude aanvragen. Tegelijkertijd kiezen we
op een aantal onderdelen wel voor die onmiddellijke werking, om het
gelijk in één keer te harmoniseren. Dat wordt dus op meerdere manieren
ingevuld.
Dan waren er nog een aantal vragen over de uitvoerbaarheid, waaronder
van de heer Boomsma. Hij vroeg wat de gevolgen zijn als iemand onjuiste
informatie vertelt of zelf verschaft. Als een onjuiste nationaliteit
wordt opgegeven, is dat altijd een reden om de asielaanvraag af te
wijzen. Bij de vraag of de opgegeven nationaliteit geloofwaardig is, is
het allereerst van belang of de vreemdeling deze bewering heeft
ondersteund met een identiteitsdocument of een paspoort. Documenten die
worden ingebracht, worden altijd onderzocht op echtheid. Bij de IND
geldt het uitgangspunt dat er bij ongedocumenteerde asielzoekers altijd
nader onderzoek wordt gedaan naar de opgegeven nationaliteit. In het
nieuwe screeningsproces worden er bij ongedocumenteerde asielzoekers al
voorbereidende vragen over de nationaliteit gesteld.
Dan de vraag hoeveel meer personeel daarvoor nodig is en hoe die
screeningsprocedure eruitziet. De IND heeft voor het uitvoeren van de
screeningsprocedure ongeveer 100 fte nodig. De verwachting is dat dat op
12 juni gerealiseerd is. In de screeningsprocedure wordt, indien
mogelijk, de identiteit en nationaliteit vastgesteld. In die procedure
wordt ook gekeken naar veiligheidsaspecten en of de vreemdeling
kwetsbaar is. Indien de identiteit niet in de screening vastgesteld kan
worden, gebeurt dit later in de asielprocedure. In de nieuwe
screeningsprocedure wordt informatie opgehaald die nodig is voor die
asielprocedure. Dat is onderdeel van het asieldossier en zal intern
onderdeel zijn van kwaliteitsmetingen.
Mevrouw Teunissen vroeg naar de waarschuwing van uitvoeringsorganisaties
over de onuitvoerbaarheid. De IND heeft meermaals aangegeven dat de
invoering van het Migratiepact een enorme uitdaging voor de IND is. Er
is al vaak gezegd dat het de grootste asielhervorming is, maar ze zien
het ook als een enorme kans om het vastgelopen asielsysteem te
vernieuwen met nieuwe doorlooptijden en procedures, wat ze vanaf 12 juni
kunnen doen.
Even kijken. De heer Boomsma vroeg of er rekening is gehouden met de
capaciteitsinzet voor de herbeoordelingen. De IND kan met een deel van
zijn capaciteit de nieuwe instroom onder het Migratiepact tot 25.000
zaken bijhouden. Daarboven zal dus aan de huidige voorraad worden
gewerkt. Aan het begin zal het natuurlijk niet gelijk op die aantallen
rusten. De herbeoordeling is een integraal onderdeel van de
werkzaamheden van de IND, waarvoor ook capaciteit beschikbaar is, maar
als het gaat om een herbeoordeling van grote groepen mensen die hier al
zijn, kost het de IND natuurlijk veel capaciteit. Dan zullen er keuzes
moeten worden gemaakt in waar de IND zijn capaciteit inzet, want die kan
immers niet alles. Dan is de vraag hoe die wordt ingezet en welke
voorstellen de IND zelf doet voor hoe die dat gaat doen.
Even kijken welke vraag ik ... De sturing op instroom moet plaatsvinden
met een samenhangend pakket aan maatregelen, zoals we nu zowel nationaal
als in Europa doen. Dat gaan we natuurlijk verbeteren door de
asielwetten, is onze veronderstelling. Ten behoeve van een goede
implementatie en uitvoering zijn diverse uitvoeringstoetsen al gemaakt
door de IND. De laatste heeft u de afgelopen weken ontvangen. De
voorbereidingen vinden plaats en de diensten worden daarbij onder meer
met financiën ondersteund. De uitvoering is er klaar voor om het pact en
de wetten vanaf de start ten uitvoer te brengen.
Dan ga ik naar de juridische counseling. Daar zijn door verschillende
partijen vragen over gesteld. We hebben nu een goed systeem, zo wordt
door meerdere partijen gezegd, dus waarom zou je het nu bij de IND gaan
neerleggen? Moet je die juist niet ontlasten? De uitvoering van deze
taken zal zeker impact hebben op de IND, maar niet op de medewerkers die
nu horen en beslissen. De belegging van deze taken bij de IND ligt
immers in het verlengde van de huidige taak met betrekking tot
voorlichting en dienstverlening. Die taak staat los van de medewerkers
die beslissingen nemen — mevrouw Straatman vroeg daarnaar — en bovendien
maakt dit dat de IND niet van een andere partij afhankelijk is voor de
voortgang van de asielprocedure. Dit is een van de belangrijkste redenen
waarom de IND heeft aangegeven dit zelf te willen en kunnen doen.
Ook de IND heeft belang bij een zo efficiënt mogelijke en juiste
procedure. In de praktijk betekent dit dat de juridische counseling al
vanaf de screeningsprocedure wordt aangeboden. Dat begint in Ter Apel.
Dat betekent dat iedereen die van counseling gebruik wil maken, een
individueel gesprek met de IND krijgt, waarin wordt voorzien in uitleg
over de procedures. Wat gaat u in de procedure tegenkomen? Welke vragen
krijgt u? Hoe verloopt zo'n procedure? Over dat soort vragen gaat het
dan. Ook kunnen asielzoekers vragen stellen over de asielprocedure. De
onafhankelijkheid van de counselors wordt geborgd doordat deze
IND-medewerkers geen toegang hebben tot het asieldossier. Ook zal
duidelijk worden gemaakt dat het geen onderdeel is van het hoor- en
beslisproces en zal dit waar mogelijk worden aangeboden in aparte
ruimtes.
Wij hechten natuurlijk aan een goed functionerende asieladvocatuur.
Daarom heeft die ook nog steeds een rol in de asielprocedure. De
advocatuur kan in de nieuwe asielprocedure nog steeds een reactie geven
op het gehoor van de IND. Een verschil met de huidige asielprocedure is
dat de advocatuur niet meer eerst een asielzoeker gaat voorbereiden op
het asielgehoor. Dat vindt plaats in de juridische counseling. Hiervoor
is gekozen om meer snelheid in het proces te brengen, zodat de IND na
het aanbieden van counseling meteen kan starten met de asielprocedure.
Daar is de IND klaar voor vanaf het moment dat dat nodig is.
De heer Ceder vroeg hoe wordt voorzien in tolken. Hoe wordt voorkomen
dat de meest kwetsbare mensen het slachtoffer worden van de wijzigingen?
Tolken zullen telefonisch of in uitzonderlijke gevallen fysiek
beschikbaar zijn tijdens de counseling, maar alleen als de communicatie
in het Engels of in het Nederlands niet zou lukken. Dat wijkt overigens
niet af van hoe het aanmeldproces nu is ingericht. Het bewaken van de
positie van de kwetsbare aanvragers en de waarborgen die daaromtrent
gelden, ligt momenteel niet zozeer bij de asieladvocatuur, maar is nu
ook al een taak waar zowel het COA als de IND alert op is. Ook de
IND-counselors zullen signalen van kwetsbaarheid kunnen opmerken. Dit is
ook in lijn met de verplichting dat alle medewerkers in de voorfase
alert moeten zijn op signalen van kwetsbaarheid. Aanvullend beoordeelt
de IND of dan ook procedurele waarborgen geboden moeten worden, zoals
extra tijd of een individueel gesprek. Dat zijn oordelen die de IND zich
in die procedure kan vormen.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank voor het antwoord. Even praktisch: als de legal counseling vanuit
IND of COA belast is met het faciliteren van tolken, hoe wordt dan aan
de voorkant gewaarborgd dat er een tolk aanwezig is bij zo'n fysiek
moment? Hoe wordt voorkomen dat pas ter plekke duidelijk wordt dat die
tolk nodig is? Bij wie ligt het initiatief? Hoe wordt dat gewaarborgd?
Dat vraag ik even ter verduidelijking.
Minister Van den Brink:
Dat initiatief ligt bij de IND. Op basis van de data die zij hebben van
hoeveel mensen instromen en wat hun nationaliteit is, kunnen ze een
inschatting maken van de tolken die daarbij noodzakelijk zijn. Dat
richten zij in hun werkproces gewoon in. Dat is flexibel en telefonisch
oproepbaar. Op die manier wordt er veel gewerkt in deze keten. Ook bij
de Dienst Terugkeer en Vertrek is dat een manier die gebruikelijk
is.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik heb nog een korte vraag over de onafhankelijkheid van de juridische
counseling. Goed dat de minister zegt dat het op papier onafhankelijk is
ingericht en dat het echt Chinese walls zijn, dus dat men niet in
elkaars dossiers kan kijken. Kan de minister toezeggen dat hij met de
IND in gesprek gaat om die onafhankelijkheid duidelijk en zichtbaar te
maken voor de asielzoeker? Want uiteindelijk zal die toch twee
medewerkers van de IND zien. Het moet expliciet benoemd worden dat dit
een onafhankelijke rol is, zodat iedereen zich vrij voelt om alles te
vragen en te zeggen.
Minister Van den Brink:
Dat is een goeie vraag. Die neem ik even mee. Ik weet wel uit de
praktijk dat het grote verschil met vroeger is dat het de AVIM en de
politie waren die de screening deden. Dat had best wel een impact op de
asielzoeker die in een screening kwam. Daar is nu al geen sprake meer
van. In dat opzicht zijn de signalen al wel veel beter dan in het
verleden.
De heer Ellian had een vraag. Hij zei: 16% is kansarm en een groot deel
komt op andere opvangplekken. Er wordt op basis van data verwacht dat de
totale omvang van de instroom die straks in Nederland volgens versnelde
procedure zou moeten worden afgedaan, tussen de 15% en 20% is. De
introductie van die versnelde procedure zorgt er in zijn aard al voor
dat er in alle lidstaten een vergelijkbare snelle procedure zal komen te
gelden voor asielzoekers die geen grote kans maken op bescherming. Het
staat lidstaten vrij om zelf te bepalen hoe die opvang voor deze
doelgroepen eruitziet, maar het punt dat over deze kansarme aanvragen
binnen drie maanden moet zijn besloten, bewaakt al dat deze groepen in
de hele Unie snel en doelmatig worden afgedaan.
Dan kom ik bij de druk op de rechtspraak, waar mevrouw Westerveld en het
CDA vragen over hebben gesteld. De keuze voor de inzet van
vreemdelingenrechters heeft volgens de Raad voor de rechtspraak invloed
op andere rechtsgebieden; er werd mij gevraagd om een reactie op de
vraag hoe we de werkdruk gaan verlichten. De rechtspraak werkt met
meerjarige capaciteitsplanningen, waarbij personeel over verschillende
rechtsgebieden herverdeeld kan worden. Daarmee kan het invloed hebben op
alle rechtsgebieden. De daadwerkelijke werklast hangt af van de
instroom, de inwilligings- en afwijzingspercentages en de prioritering
die de IND vanaf juni 2026 zal hanteren; daar sprak ik net over.
Maar de opschaling is wel nodig, want jaarlijks kunnen maximaal 140
nieuwe rechters en raadsheren worden geworven en opgeleid, maar dat is
grotendeels ook ter vervanging van de uitstroom, die wordt voorzien op
een aantal tussen de 100 en 125 per jaar in de periode tot 2030. De
opleiding duurt één tot vier jaar. De netto extra capaciteit wordt dus
flexibel ingezet waar de behoefte het grootst is. Ik heb vorige week ook
kennisgemaakt met de betreffende mensen; dat is voor mij best wel een
nieuw terrein. Ik begreep van hen dat het ook een beetje een
schuifpaneel is tussen vreemdelingen-, straf-, familie- en jeugdrecht.
Zij proberen de informatie vanuit het ministerie van Justitie zo goed
mogelijk tot zich te nemen en op basis daarvan een planning te maken,
maar die opgave is natuurlijk groot.
Wat betreft de vragen van mevrouw Straatman, en trouwens ook van u,
mevrouw Westerveld: er is natuurlijk gewoon een toename door het
invoeren van het tweestatusstelsel. Dat is door ons ook voorzien en
onderkend, in afstemming met de Raad voor de rechtspraak. Ik snap dat
daar veel vragen over zijn. Tegelijkertijd is het een weging met
meerdere factoren. Er is namelijk voor gekozen om het tweestatusstelsel
in te voeren omdat we meer grip op migratie willen krijgen. Ja, dat
leidt mogelijk tot meer zaken in de procedure bij de rechtbanken.
Daartegenover staat weer een verlichting bij de IND door het afschaffen
van de voornemenprocedure. Zo is afgewogen wat daar de beste balans in
is, maar het is absoluut waar dat het een grote impact gaat hebben op de
Raad voor de rechtspraak. Maar dat heeft sowieso dit hele pact, omdat
het ook gewoon een hele nieuwe manier van werken is, met nieuwe
beroepstermijnen. In die zin verandert er dus veel. Daarom bereidt de
rechtspraak zich voor op die veranderingen. Daarbij is alles afhankelijk
van de daadwerkelijke instroom van beroepszaken bij de rechtspraak en
van de werving van nieuwe rechters. Er worden echter wel meerdere sporen
tegelijkertijd bewandeld. Aan de kant van besluitvorming: sneller en
eerder beslissen door het afschaffen van de voornemenprocedure en
vroegtijdige dossierscreening door de IND om herstel of intrekking van
gebrekkige besluiten voor de zitting te realiseren. Dat werd ook door
anderen gevraagd.
Een aanzienlijk deel van de voorraad vreemdelingenzaken betreft beroepen
wegens niet tijdig beslissen. Deze zaken veroorzaken hoge werkdruk en
bemoeilijken prioritering. Dan is de afschaffing van de rechterlijke
dwangsom natuurlijk een belangrijk instrument omdat daarmee de
rechtspraak in de praktijk meer ruimte kan worden geboden om zich te
concentreren op de inhoudelijke beoordeling van zaken in plaats van
zaken enkel te beslissen op beroepen wegens niet tijdig beslissen.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Het is goed dat de minister aangeeft dat dit het gevolg is van
bijvoorbeeld het afschaffen van de voornemenprocedure en het invoeren
van het tweestatusstelsel. Wat ik dan niet goed begrijp, is het
volgende. Als in de loop van de tijd duidelijk wordt dat dit zo'n extra
druk geeft op de rechtspraak … Het gaat om 19.000 zaken waarvan ze
schatten dat de helft komt door het voorstel tweestatusstelsel. Als dit
blijkt, waarom wordt dan op geen enkel moment toch overwogen — dit zijn
namelijk twee keuzes die niet noodzakelijk uit het pact voortvloeien —
om dit niet in te voeren en om wat anders te doen zodat er niet zoveel
druk is op de rechtspraak?
Minister Van den Brink:
Omdat, zoals ik net al aangaf, dit de weging is tussen de verschillende
belangen die we hier proberen te dienen. Het ene belang is dus dat we
willen proberen de instroom te beperken. De andere kant is dat deze
keuzes deels te maken hebben met een overvolle opvang. De andere kant is
ook harmonisatie binnen Europa: het bij elkaar brengen van dingen, zoals
andere lidstaten om ons heen, Duitsland en België, ook al hadden gedaan.
De consequentie daarvan is wel — daar heeft u gelijk in — dat dat flink
drukt op de uitvoerbaarheid bij de rechtspraak. De verlichting ligt dus
op andere terreinen, is de veronderstelling, namelijk aan de opvangkant,
de instroomkant en aan de kant van de IND. De verzwaring ligt bij de
Raad voor de rechtspraak. Dat is geen keuze die we maken omdat we dat
heel fijn vinden, maar het is wel een bewuste keuze omdat het de
consequentie is van de afweging op die andere domeinen: instroom, opvang
en het ontlasten van de IND.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Daar valt best iets tegen in te brengen. Mensen komen hier niet vanwege
de statussen die we hebben en de verschillende rechten die daaraan
worden toegekend, maar veel eerder omdat ze bekenden hier hebben wonen.
Maar die discussies zijn allemaal geweest en die gaan we niet opnieuw
voeren. De vraag die daaronder ligt … In de loop van de tijd wordt
duidelijk — dat zegt de Raad voor de rechtspraak ook — dat dit zo'n
enorme extra werklast is dat het ook gevolgen heeft voor andere
gebieden. Ik noem de uithuisplaatsingen, familierecht en de gevolgen
voor slachtoffers. Wordt er dan op geen enkel moment overwogen om dit
anders te gaan regelen, ook omdat dit niet noodzakelijkerwijs
voortvloeit uit het pact en we wél zien welke gevolgen het heeft in al
die andere domeinen?
Minister Van den Brink:
Daarvoor geldt uiteindelijk de afweging dat we onderaan de streep de
overtuiging hebben dat het wel degelijk een bijdrage levert die op de
langere termijn verstandig is. We zullen dat continu monitoren met de
Raad voor de rechtspraak en het evalueren. Door het vorige kabinet zijn
daarvoor middelen ter beschikking gesteld. Tegelijkertijd erkennen we
dat er druk zal blijven bestaan vanwege de opleidingscapaciteiten en hoe
snel dat opleiden gaat.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Nog even over dit punt. Dit antwoord overtuigt mij niet helemaal. Ik wil
voorkomen dat we volgend jaar in een spoeddebat in de plenaire zaal
zitten omdat de rechterlijke capaciteit volledig is overgelopen, met als
gevolg opstoppingen in de procedures en een opvang die niet leegloopt.
Die kans lijkt me zeer aannemelijk. Volgens mij wil niemand hier dat. De
gevolgtrekking dat het aantal procedures dat stijgt op langere termijn
tot minder zaken zal leiden, volg ik nog niet helemaal. Ik vraag me af
of de minister het reëel acht dat het aannemelijk is dat er tussen nu en
een jaar een blik opengetrokken gaat worden via de RIO-opleiding, de
rechtersopleiding. Die aanwijzingen heb ik niet. Ik wil voorkomen dat we
hier wensdenken. Dat is mijn eerste vraag. De minister verwijst naar die
opleiding. Is er zicht op dat het aantal juniorrechters of rechters in
opleiding de komende maanden of het komend jaar fors zal stijgen?
Minister Van den Brink:
Ik weet dat er jaarlijks maximaal 140 nieuwe rechters en raadsheren
kunnen worden geworven en opgeleid. Tegelijkertijd is dat maar net boven
de uitstroomcijfers. In die zin is het geen blik, om maar even dat woord
te gebruiken. De huidige situatie verdient echter de erkenning dat het
nu ook is vastgelopen. Ook nu is het vastgelopen en zitten veel van de
rechters te besluiten over uit de tijd gelopen procedures. We zitten met
een enorme voorraad, die ook een geschiedenis kent. Ik ga er niet voor
weglopen dat die geschiedenis allerlei factoren kent waarop wel of geen
invloed is uitgeoefend. Vanuit die positie werk ik nu. Ik ga geen
beloftes doen dat er in de invoering van het pact nergens
uitvoeringsproblemen in de keten zullen ontstaan, want die zullen er wel
degelijk zijn. Die worden ook al onderkend in de rapporten die er nu
liggen. Tegelijkertijd zullen we met elkaar moeten zorgen voor een
maximale inzet om daar weer uit te komen. Een van de aspecten die
daarbij van belang is — dat is ook de inzet van dit kabinet — is rust,
reinheid en regelmaat. Dus op een normale manier het overleg voeren en
voldoende structurele financiën beschikbaar stellen aan die delen van de
keten die dat nodig hebben. Op die manier hoop ik daaraan bij te
dragen.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik deel de doelstelling van de minister, maar met mantra's als "rust,
reinheid en regelmaat" trekken we dat blik niet open, want dat is er
niet, zoals de minister erkent. Ik kan niet anders dan concluderen dat
we geen enkele houvast hebben, behalve de hoop dat we over een jaar niet
een spoeddebat met elkaar hebben. Door de oploop van voorlopige
voorzieningen, die zijn toegenomen omdat we het aantal vergunningen of
het aantal jaren waarin die vernieuwd zouden moeten worden, verkorten,
kan er vaker een beslissing worden genomen en is er vaker een kans dat
ertegen in beroep zal worden gegaan en dat mensen die een B-status
krijgen vervolgens niet gaan procederen. Boven op de nu vastgelopen
keten wordt dat steeds erger. Ik hoor niet van de minister dat hij het
vertrouwen heeft, behalve de wens en de mantra, dat we het
instrumentarium hebben om er iets aan te doen. Ik zou graag van de
minister willen horen dat het echt zo is, omdat wij wel voor het pact
moeten gaan stemmen. Volgens mij is dit gewoon een trein die, in ieder
geval op dit punt en voor zover ik het kan overzien, over een jaartje
tegen een muur aan rijdt. Mijn vraag is of de minister dat deelt.
De voorzitter:
Deze interruptie duurde 1,5 minuut.
Minister Van den Brink:
De realiteit is gewoon dat het pact vanaf 12 juni geldt. In die zin is
het een trein die rijdt. Met elkaar, met alle ketenpartners, moeten wij
nu proberen alles zo goed mogelijk in te richten, zodat het vanaf 12
juni ook gaat functioneren. Daar zitten heel veel afhankelijkheden in
die deels beïnvloedbaar zijn en deels niet. We zijn dus met al die
ketenpartijen continu in overleg om de randvoorwaarden maximaal te
creëren, zodat ze daarmee aan de slag kunnen gaan. Tegelijkertijd zijn
er nooit garanties in het leven, en in de asielketen al helemaal niet.
Maar wel zijn er de wil, en de noodzaak dan wel de verplichting, om het
pact op 12 juni in te voeren. Dat is de realiteit waarmee ik zal moeten
werken en waarmee ik ook zal werken.
De voorzitter:
Voordat ik naar de heer Dassen ga, wil ik eerst constateren dat dit,
ondanks het feit dat de minister echt zijn best doet — wat ik echt
waardeer — niet te doen is in de tijd. Dit wordt vrij ingewikkeld, vrees
ik. We moeten dus zo meteen even kijken hoe we dit verder gaan doen om
de fatale termijn te halen. Maar daar kom ik zo op. Meneer Dassen.
De heer Dassen (Volt):
Het antwoord "nooit garantie in het leven" klinkt in mijn oren een
beetje als: "Ik weet het ook niet. We gaan het zien. Ik kan er in ieder
geval nu niks aan doen". Is de minister het niet met me eens dat we, nu
we dit zien aankomen en zien dat dit helemaal fout gaat, daar dan ook
een bepaalde actie op moeten ondernemen, om te kijken hoe we dit te
allen tijde kunnen voorkomen? Dit is gewoon het verplaatsen van de
problemen in de keten en vervolgens zeggen: ik kan er ook niks aan
doen.
Minister Van den Brink:
Zoals ik net aangaf, is dat precies de reden waarom we volop in gesprek
zijn met de Raad voor de Rechtspraak en andere ketenpartijen om de
doorlooptijden te verkorten en de procedures te versnellen. Dat gesprek
blijven we ook voeren. Vanaf 12 juni hebben we een pact dat met directe
werking wordt ingevoerd. Dat leidt tot nieuwe doorlooptijden en nieuwe
procedures. Die zullen we gewoon met elkaar invoeren. Daar zal ik met al
die partijen over in gesprek blijven, ook na 12 juni.
De voorzitter:
De heer Ceder? Eerst de heer Dassen nog.
De heer Dassen (Volt):
"In gesprek blijven met" is uiteindelijk geen oplossing. De minister,
dit kabinet, kiest er zelf voor om bepaalde maatregelen nationaal in te
voeren. Deze maatregelen zullen de druk op de rechtspraak extra
vergroten. Dat is een weloverwogen keuze die hier gemaakt wordt en die
met instemming van meerdere partijen in dit parlement aangenomen wordt.
De mensen die voorstemmen, accepteren dus dat die druk daar komt te
liggen. Dan vind ik het iets te makkelijk als de minister zegt dat hij
erover in gesprek blijft en dat hij ziet wat de mogelijkheden zijn,
terwijl hij daarvoor heeft aangegeven dat het eigenlijk geen oplossing
is. Ik ben dus zoekende naar wat de minister nog wél kan doen. Anders
staan we voor het voldongen feit dat we hier een ongeluk gaan
krijgen.
Minister Van den Brink:
Ik geef net aan dat het niet alleen gaat om de weging van de procedures
die hieruit voortvloeien. We hebben ook te maken met een opvangstelsel
en een asielketen die al vastzit. We proberen op al die terreinen
maatregelen te nemen die de boel ontlasten. Tegelijkertijd zorgt het op
sommige plekken voor meer druk. Dat is de realiteit van de keuze die wij
maken. We zijn ons daar ten volle van bewust, want we geven zelf de
cijfers die daarmee samenhangen. Tegelijkertijd is dat een keuze waar we
vol achter staan. We werken er met elkaar aan om die keuze zo goed
mogelijk te implementeren. Dat is waar ik voor sta.
De heer Dassen (Volt):
Het is dan in ieder geval duidelijk dat de minister daarvoor gaat staan.
Dan markeren we dat luid en duidelijk voor het debat dat in de toekomst
zal plaatsvinden.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik ga dit debat natuurlijk aan, maar alle Kamerleden wisten door alle
rondetafelgesprekken vorig jaar al dat het op dit deelaspect zou
vastlopen. Het valt me daarom een beetje tegen dat er geen maatregelen
voorhanden zijn om dit te voorkomen.
Ik ben nog wel even benieuwd naar de gevolgtrekking voor de opvang. Op
het moment dat een beroep nog plaatsvindt, zitten mensen ook nog langer
in de opvang. Als blijkt dat boven op de huidige voorraad het aantal
beroepszaken toeneemt, dan gaat ook de verstopping in de opvang
toenemen. Mijn vraag is even of die conclusie klopt. Is dat de
gevolgtrekking? Zo ja, wat betekent dit dan voor de opvang, ook gezien
de uitdagingen die we daarbij hebben?
Minister Van den Brink:
Dat hangt natuurlijk heel erg af van de besluitvorming die op dat punt
plaatsvindt. Als er een status wordt verleend, dan is iemand daarna
statushouder en zal hij op een gegeven moment uit de opvang gaan. In die
zin verschilt dat in de groep heel erg per categorie. Tegelijkertijd
hopen we natuurlijk dat we met het plan van aanpak vanuit de IND, waarop
ik later zal terugkomen, de voorraden kunnen wegwerken. Wat is de
termijn waarop dat kan? Ook dat ligt er nu natuurlijk al. Het is dus een
complex geheel van voorraden en verschuivingen in de keten dat maakt dat
we hier voor een flinke uitdaging staan, maar we weten wel waar we voor
staan.
De heer Ceder (ChristenUnie):
De minister heeft het over het wegwerken van de voorraad bij de IND. Dat
snap ik. Ik ga er ook van uit dat dat gaat lukken, maar ik heb het over
de beroepszaken die bij de rechter liggen. Als iemand bijvoorbeeld
procedeert omdat hij een B-status heeft gekregen, dan is hij toch in
ieder geval zolang als dat voortduurt, verzekerd van opvang? Als dat
boven op de huidige voorraad aan zaken bij de rechterlijke macht komt,
dan betekent dat toch een extra opstopping in de opvangketen? Mijn vraag
is: klopt dat? Als dat klopt, hoe voorkomen we dan dat dit neveneffect
van onze opdracht om de asielketen vlot te trekken, ook tot verstopping
leidt?
Minister Van den Brink:
Zoals gezegd hangt dat heel erg af van de situatie waarin de asielzoeker
zit. Als hij een B-status heeft gekregen en daarna naar een A-status
wil, dan heeft hij al geen recht meer op opvang. Daarnaast willen we met
het inperken van de nareis de opvang zien te ontlasten. Verschillende
maatregelen hebben dus verschillende effecten. Dat is de realiteit, denk
ik. De optelsom is een flinke opgave.
De voorzitter:
Ik kijk even naar de collega's. We hebben wat uitloop. Het is niet heel
veel, maar we hebben wel wat uitloop. Is dit nog een mapje met allemaal
vragen, minister?
Minister Van den Brink:
Ik denk dat de vragen redelijk snel gaan, maar dit zijn de amendementen.
Dat is gewoon ...
De voorzitter:
De amendementen, check. Dat is een flink pak.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
...
De voorzitter:
Daar ga ik allemaal niet over, mevrouw Westerveld. We kunnen nu snel
overgaan tot de amendementen. Als iedereen zich in de tweede termijn
beperkt tot de moties, dan kunnen we het volgens mij nog redden met de
uitloop die we hebben. Anders hoor ik graag ordevoorstellen, waarbij de
meerderheid in deze ruimte zal moeten beslissen. Dat hoort ook bij ons
werk. Ik kijk eerst even naar mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik hecht eraan dat we dit gewoon afmaken zoals het nu gaat, omdat er
heel veel te bediscussiëren is en er hier best wat fundamentele
vraagstukken voorliggen. Zouden we de tweede termijn later deze week of
volgende week kunnen doen, gewoon in de plenaire zaal? Dat betekent dus
dat we de tweede termijn op een ander moment doen. Ik weet niet hoeveel
tijd "wat extra tijd" is, maar het zou fijn zijn als we deze discussie
gewoon verder kunnen afmaken, omdat het wel ergens over gaat, zeg ik met
enig gevoel voor understatement.
De voorzitter:
Oké. Ik kijk even rond; ik ga even een rondje doen.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Ik wil ook wel graag reageren. Ik vind dat het debat gewoon ordentelijk
moet worden afgemaakt. Wat geeft de doorslag om niet door te gaan? Als
het gaat over de medewerkers, dan zeg ik in alle voorzichtigheid:
overwerken hoort een beetje bij het bedrijf. Als de minister iets anders
in zijn agenda heeft ... Ik kan me niet voorstellen dat er nu iets
belangrijker is dan dit pact. Ik zou dus gewoon zeggen: doorgaan tot het
netjes af is.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Daar wil ik me eigenlijk wel bij aansluiten. Laten we gewoon proberen om
dit vanavond nog af te ronden. Volgens mij moet dat lukken, ook gezien
de vragen. Ik zag dat dat nog wel redelijk te doen is. Dus volgens mij
kan het makkelijk afgemaakt worden.
De heer Boomsma (JA21):
Ik zou ook het liefst nu doorgaan, maar hoelang hebben we dan?
De voorzitter:
Ons is indicatief aangegeven: 18.30 uur. Maar ik hoor wat de collega's
zeggen. Ik kan me voorstellen dat je ten aanzien van de amendementen
even kort vraag en antwoord met de minister wilt hebben. Ik denk ook dat
het moet kunnen, maar we kunnen denk ik niet tot 22.00 of 23.00 uur
doorgaan. Ik wil dat best toelichten, maar ik vind het ook niet helemaal
netjes om dat in het openbaar … Het heeft met medewerkers te maken die
hier ook al vanaf vroeg zijn en die niet continu, non-stop, kunnen
werken. Het heeft onder andere te maken met de verslaglegging. Dus daar
heeft het mee te maken, maar ik denk dat we best … Hoe sneller, hoe
beter, als we ons best doen. Dan gaan we gewoon door.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik stel voor dat we de minister zijn beantwoording laten doen, ook over
de amendementen, en dat we dan kort, vijf minuten, schorsen om even te
overleggen. Dan kunt u misschien privé wat toelichten wat niet in het
openbaar kan. Dan kunnen we tot een conclusie komen. Want wie weet duurt
dit ook weer een uur. Dan weten we in ieder geval waar we aan toe
zijn.
De voorzitter:
Ik hoor de intentie van iedereen. Laten we gewoon zo snel mogelijk
doorgaan. De minister was goed op dreef, dus dan gaan we dat zo
doen.
Minister Van den Brink:
Dank u wel. Ik kom bij de vraag van de heer Van Asten over of het
alternatief voor de tewerkstellingsvergunning op 12 juni klaar is. De
toegang tot de arbeidsmarkt valt onder verantwoordelijkheid van de
minister van SZW. Met de implementatie van de herschikte Opvangrichtlijn
is er op dit moment voor gekozen om de tewerkstellingsvergunningplicht
in stand te houden. Als wij deze vergunningplicht afschaffen, moet de
werkgever kunnen beoordelen of de asielzoeker mag werken. Het is op dit
moment niet mogelijk om deze informatie direct beschikbaar te stellen
aan de werkgever. Maar het kabinet heeft in het coalitieakkoord
aangekondigd dat het gaat verkennen hoe het dit kan oplossen, zodat er
geen vergunning meer nodig is. We moeten daarbij letten op de privacy
van de asielzoeker en bekijken wat technisch mogelijk is. Dan komen we
bij de systemen van het UWV en de IND aan. Die oplossing zal niet
gevonden worden voor de Opvangrichtlijn in werking is. Daarom is er nu
voor gekozen om de vergunningplicht in stand te laten, maar we zijn er
wel volop mee bezig.
Dan had mevrouw Straatman, en volgens mij ook de heer Boomsma, een vraag
over …
De voorzitter:
Momentje. De heer Van Asten.
De heer Van Asten (D66):
Ik was er al een beetje bang voor dat het niet voor 12 juni zou lukken.
Nou is er natuurlijk ook nog een taskforcebrief gekomen, om voor de
zomer daar een heel verhaal neer te zetten. Volgens mij werd die daar
ook in genoemd. Dus daar komt dan wel echt het verhaal over de
onmogelijkheden en de mogelijkheden, en vooral over wanneer die
verandering gaat plaatsvinden, want het is natuurlijk niet voor niets
opgeschreven.
Minister Van den Brink:
Nee. Dat is een terechte vraag en toevoeging. Dat huiswerk zal ik ook
meenemen in de uitwerking van de taskforce met mijn collega's. Dan zal
ik voor de zomer inzichtelijk maken wat … Ja.
Mevrouw Straatman vroeg wat dit betekent … Even nog in aanvulling op wat
afgelopen week bekend is gemaakt over de inwerkingtreding van de lagere
regelgeving: asielzoekers voor wie de toegang tot de arbeidsmarkt niet
is uitgesloten mogen na zes maanden werken. De komende tijd verkennen we
met het UWV en IND gezamenlijk op welke wijze de uitvoering van dit
proces in de tussenliggende periode op een zorgvuldige manier kan worden
voortgezet om naar die drie maanden te komen. Dus daar zijn we nu mee
bezig. Ik zal er ook verder over spreken met mijn collega.
Dan is er nog de vraag van mevrouw Straatman, mevrouw Van der Plas en de
heer Van Dijk over de monitoring ten aanzien van de Europese afstemming
over het pact. Ik heb er volgens mij net ook al wat over gezegd. Die
voortgang vindt dus plaats met allerlei rapportages. De plek waar ik dat
bespreek, is de Europese JBZ-Raad. Daar spreken we er met elkaar over.
De Europese Commissie monitort de voortgang. Dat heb ik eerder ook al
gezegd.
Ik heb al iets gezegd over de versoberde opvang.
Dan had de heer Ellian een vraag over het onderscheid dat we maken
tussen de titel en de vergunning. Dat was zeker geen rookievraag, want
ik heb hier ook op zitten studeren nadat ik het Raad van Stateadvies had
gelezen. Dit is eigenlijk het huidige stelsel dat wij kennen in het
vreemdelingenrecht. We hebben dus de titel en de vergunning. Daarbij is
eigenlijk aangesloten bij de toepassing uit de Kwalificatieverordening.
De verblijfstitel is dus het document waaruit het rechtmatige verblijf
blijkt. Aan de verblijfstitel is een geldigheidsduur gekoppeld. De
verblijfsvergunning is de status waarmee de vreemdeling is erkend als
vluchteling of subsidiair beschermde. Aan de verblijfsvergunning is dus
eigenlijk geen geldigheidsduur gekoppeld. Het verlopen van de
verblijfstitel leidt niet automatisch tot het verlies van het
verblijfsrecht, zoals u zelf ook al aangaf. Je kan dat pasje kwijtraken,
net als dat je je paspoort kan kwijtraken, maar dan ben je nog steeds
toegelaten als vluchteling of subsidiair beschermde. De toepassing die
hierin is gekozen, is eigenlijk in lijn met hoe we het hadden. Er is
voor de uitvoering gekozen om dat zo te laten.
De voorzitter:
Ik heb een rookievervolgvraag, als het mag van de collega's. Het
verliezen van de verblijfstitel sorteert dus niet echt voor op een
rechtsgevolg, toch?
Minister Van den Brink:
U ziet dat ik naar rechts kijk. De titel kun je alleen verliezen op het
moment dat de gronden voor de asielstatus niet meer geldig zijn. Dat kan
het meest voorkomen bij een subsidiair beschermde. Die heeft namelijk te
horen gekregen: "U mag hier blijven, want u bent op de vlucht voor een
conflict in uw land. Daarom heeft u de titel van subsidiair beschermde
gekregen." Die kan pas vervallen als uit het landenbeleid blijkt dat er
in de regio waar die vandaan kwam, geen oorlog meer is. De Syrische
situatie is daarbij het meest praktische voorbeeld van nu. Daarmee
vervalt zijn titel. Daardoor vervalt dan de vergunning na de periode dat
die verlopen is. Excuus, ik bedoel: daarmee wordt de vergunning
ingetrokken.
De voorzitter:
Ik geloof dat ik het begrijp. Gelet op de tijd zoeken we een ander
moment.
Minister Van den Brink:
We gaan er allebei verder op studeren.
Ik kom aan bij de wetstechniek. Daarin zitten ook allerlei zaken die de
politieke discussie raken over wat een nationale kop is. Mevrouw
Westerveld vraagt: "De regering maakt op verschillende punten keuzes die
niet dwingend voortvloeien uit het pact. Klopt dit? Wat is de reden
waarom de regering hiervoor gekozen heeft?" Ondanks de vele
verplichtingen die worden voorgeschreven in het pact, is het nodig dat
lidstaten een aantal nationale operationele uitvoeringskeuzes maken, om
in de praktijk tot een werkend asiel- en migratiestelsel te komen. Daar
waar ruimte zit voor nationale uitvoeringskeuzes heeft het kabinet
ervoor gekozen deze zo doelmatig en efficiënt mogelijk in te voegen in
het Nederlandse systeem. Daarnaast hebben we ook keuzes gemaakt over het
beperken van de instroom, het ontlasten van de asielketen en het niet
onnodig aantrekkelijker maken van ons als bestemmingsland dan andere
landen. Voorbeelden van ruimte binnen het pact zijn de versobering van
de asielprocedure, de inrichting van de counseling, de aanscherping van
de voorwaarden voor nareis, het verkorten van de geldige duur van de
verblijfstitel en de verkorting van de beroepstermijnen. Daar zitten dus
zeker al die keuzes in.
Een van de keuzes waar al langere tijd discussie over is geweest, ook in
de vorige asielwetgeving, betreft de vergunning voor onbepaalde tijd.
Het onderscheid tussen de asielvergunning voor bepaalde tijd en de
asielvergunning voor onbepaalde tijd kent het Unierecht zelf niet. In
het Unierecht wordt daar dus niet over gesproken. Internationale
bescherming blijft bestaan totdat deze wet wordt ingetrokken. Ik
probeerde net uit te leggen hoe dat zit met de titel, als je een
verblijfstitel hebt. Dit volgt ook uit de jurisprudentie van het Hof van
Justitie van de Europese Unie, met arresten met prachtige namen, zeg ik
tegen degenen die daarom hebben verzocht. Het verstrekken van een
verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, die niet meer kan worden
ingetrokken, doet afbreuk aan de verplichting om een verblijfsvergunning
in te trekken indien daar noodzaak toe is. Ik moet het goed zeggen: de
Kwalificatieverordening verplicht ons om 'm in te trekken op het moment
dat de reden voor bescherming is vervallen. Je kan iets waar je een
vergunning voor onbepaalde tijd hebt afgegeven, niet intrekken. Dat is
de reden waarom het vorige kabinet vooruitlopend op dit pact heeft
besloten om de vergunning voor onbepaalde tijd af te schaffen en die om
te zetten naar een tijdelijke vergunning van drie jaar.
De vervolgvraag is wat dit betekent voor de naturalisatie. Daarom is in
dit coalitieakkoord afgesproken wat bij de bespreking van de vorige
wetgeving nog niet duidelijk was, namelijk dat naturalisatie mogelijk is
na twee tijdelijke vergunningen van drie jaar, indien de persoon een
taalniveau van B1 heeft weten te bereiken in de inburgering. Dat zijn
allemaal dingen die nog moeten worden gewijzigd, maar dat is het
voornemen van dit kabinet.
De heer Dassen vroeg of het uitvoeringsproblemen oplevert met de andere
asielwetten. Er ontstaan geen problemen met de wetgeving of de
uitvoering ervan als de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering
tweestatusstelsel worden aangenomen. Er is namelijk voorzien in
samenloopbepalingen in deze wetgeving, zodat onderwerpen die in deze
asielwetten zijn geregeld, ook na inwerkingtreding van de uitvoeringswet
bij het pact hun werking behouden. Daar is dus in voorzien. Daar zitten
natuurlijk wel dubbelingen in. Daarvan heb ik net aangegeven dat het
noodzakelijk was om het pact op een goede manier neer te zetten, ook met
de twee asielwetten die we al kenden.
Dan kom ik bij de vragen over de nareis.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik had nog een hele praktische vraag gesteld, namelijk over het kunnen
meedoen, waar het coalitieakkoord het over het heeft. Voor een werkgever
is het niet heel aantrekkelijk om iemand in dienst te nemen als niet
zeker is hoelang deze persoon kan blijven.
Minister Van den Brink:
We hebben op dit moment een vorm van vertraagd meedoen, pas na zes
maanden. Pas sinds kort zien we daarvan af. Ik denk dat het feit dat we
naar drie maanden gaan, sowieso al een enorme verbetering is voor de
positie van mensen die hier zijn, ook voor hun integratie, het meedoen
en het kunnen leveren van een bijdrage — alleen als je kansrijk bent. Ik
zie dus vooral voordelen aan de kant van de asielzoeker. Ik kan nog niet
helemaal overzien hoe dat aan werkgeverskant moet worden gelezen, omdat
we nog niet zover zijn. Soms denk ik zelf nog: hoe gaan we dat op een
goede manier begeleiden? Op zich denk ik dat het de integratie van de
mensen die hier mogen blijven alleen maar versterkt. Als mensen
uiteindelijk weer terug zouden moeten gaan omdat de subsidiaire
bescherming vervalt, hebben ze hier toch mogelijk skills opgedaan die ze
weer kunnen gebruiken in het land van herkomst.
Net heb ik al aangegeven hoe we naturalisatie voor ons zien.
Dan de versobering van de gezinshereniging. Dit Asiel- en Migratiepact
gaat uit van het tweestatusstelsel. Zo bepaalt de procedureverordening
dat vreemdelingen die een subsidiaire beschermingsstatus krijgen, de
mogelijkheid moeten hebben om naar de rechter te stappen om het
niet-verkrijgen van de vluchtelingenstatus aan te vechten. Dat is echt
nieuw ten opzichte van het verleden. Wij hebben daar zelf met het
tweestatusstelsel nareisbeperkingen aan gekoppeld. Dat heeft ermee te
maken dat we hiermee harmoniseren met de ons omliggende landen en
anderzijds een bijdrage hopen te leveren aan het verminderen van de
instroom en tegelijkertijd de opvang willen ontlasten. Dat zijn de
redenen waarom daarvoor is gekozen, waarom het kabinet daarvoor
kiest.
Dat geldt ook voor het inperken van het kerngezin. Dat is teruggebracht
tot de verplichtingen zoals ze volgen uit de Gezinsherenigingsrichtlijn.
Er is enkel een plicht ten aanzien van nareis van gehuwde partners en
minderjarige kinderen. Ook hierover is in de vorige wetgevingsronde al
veel en uitvoerig gedebatteerd. Hierover is toen gezegd, en dat geldt
nog steeds, dat wij de 8 EVRM-toets onverkort handhaven. Dus: de
aanvraag komt en daarna zal de IND moeten toetsten aan 8 EVRM. Op die
manier zal tot een belangenafweging en een oordeel worden gekomen.
Hier kom ik nog een keer de wetswijziging ten aanzien van de telefoons
tegen. Die vraag heb ik al beantwoord.
De heer Van Asten (D66):
Ik heb een vraag over de toetsing aan 8 EVRM. Kan dat automatisch worden
gedaan, of moet er apart een beroep op worden gedaan?
Minister Van den Brink:
Dat is automatisch, ja.
De voorzitter:
Ambtshalve; mijn juridische hart gaat ...
Minister Van den Brink:
Ambtshalve.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Over dat laatste punt hebben we inderdaad een debat gehad, maar
uitbesteden aan het EVRM wordt eigenlijk wel als zwaktebod gezien. Elk
land wordt geacht deugdelijke wetgeving op te stellen. Daarin niet
voorzien in de verwachting dat een andere rechter dat wel rechttrekt,
getuigt niet van goede wetskwaliteit. Is de minister het daarmee eens?
Geeft dat reden om bepaalde zaken waarvan we weten dat een beroep op 8
EVRM wel degelijk succesvol kan zijn, nu al in de wet of in het beleid
te implementeren?
Minister Van den Brink:
Deels ziet dat op uw amendement, waar ik straks ook op terugkom.
Uiteindelijk doet de IND die toets. In de regel is het niet gelijk de
rechter, maar is het gewoon de IND die de ambtshalve toets zal
toepassen. In die zin ligt dat als een belangenafweging bij de IND, ook
op basis van alle jurisprudentie die daarover bekend is. Dat is gek
genoeg al best een kader, want de IND weet natuurlijk in welk kader die
belangenafweging moet worden gemaakt.
De voorzitter:
Meneer Ceder, heel kort.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Klopt het dat voor de IND … IND is gehouden aan wetgeving en uiteraard
ook aan beleidskaders. Dan is alsnog de vraag — die loopt misschien
vooruit op het amendement, maar er zit wel een principiële vraag onder,
namelijk de kwestie van wetskwaliteit — of we daar waar we weten dat een
mogelijk EVRM-beroep succesvol kan zijn, al niet eraan gehouden zijn om
dat in wetgeving op te nemen zodra het kan. Ik denk dat de wetskwaliteit
in ons land überhaupt een belangrijke afweging is.
Minister Van den Brink:
De keuze is geweest — die hebben verschillende partijen eerder gemaakt
en wordt nu ook in dit coalitieakkoord herbevestigd — om de
Gezinsherenigingsrichtlijn daarop van toepassing te laten zijn. Dat gaat
dus om de gehuwde partners en de minderjarige kinderen. Uiteindelijk is
het natuurlijk een individuele toetsing. In die zin wordt die altijd
individueel getoetst aan de omstandigheden en de belangen van de
aanvrager, in de situatie waarin hij of zij leeft en met wie hij wel of
niet samenwoont of duurzaam …
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Dan even praktisch; dat zat ook in mijn vraag. Wordt het dan de facto
moeilijker voor iemand die samen is met iemand van hetzelfde geslacht en
bijvoorbeeld niet in het land van herkomst kan trouwen dan voor partners
die wel getrouwd zijn?
Minister Van den Brink:
De Opvangrichtlijn zegt over de eerste categorie, van mensen die gehuwd
zijn, al gelijk: dat is een kwalificatie. Dan moet je dat natuurlijk nog
steeds bewijzen, dus het is niet zo dat het onmiddellijk wordt
aangenomen; daar hoort een hele procedure bij. Voor de tweede groep moet
het dan doorgetoetst worden op 8 EVRM, zoals dat heet. Dan komt in die
situatie eigenlijk dezelfde vraag op tafel. Alleen moet daar dan wel ook
een toets op plaatsvinden. Die is niet automatisch vanwege de wettelijke
vrijheid van de Gezinsherenigingsrichtlijn, maar dan op basis van 8
EVRM. Het gebeurt dus eigenlijk via een ander kader.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Maar ook hiervoor geldt: dat zouden we dan toch, als Nederland als
voorlopersland dat we ooit waren, gelijk moeten willen? We zouden toch
helemaal geen onderscheid moeten maken tussen mensen die met iemand van
hetzelfde geslacht samen zijn, of ze nou getrouwd zijn of niet, en
iemand die wel getrouwd is? Daar zou toch geen onderscheid in moeten
zitten? Dat kunnen we dan toch ook gewoon regelen in Nederland?
Minister Van den Brink:
Daarvoor hebben we dus de Gezinsherenigingsrichtlijn gevolgd, waarin het
kerngezin is geformuleerd zoals het nu in de wetgeving is vastgesteld.
Tegelijkertijd maakt die het niet onmogelijk en zal het dus via die 8
EVRM-route nog steeds mogelijk blijven. In die zin is het een andere
route, maar is het nog steeds mogelijk.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ja, maar dan komen we weer terug op het punt dat de heer Ceder maakte.
Het is nog steeds mogelijk, maar het is wel een andere route, die de
facto meer barrières oplevert en waarbij we mensen dus ook niet gelijk
behandelen. Dat is hier volgens mij het hele punt.
Minister Van den Brink:
Volgens mij zit de behandeling verankerd in de
Gezinsherenigingsrichtlijn, die wij hebben overgenomen. Tegelijkertijd
voeren we het 8 EVRM-kader onverkort uit. In die zin komt dat dus in de
belangenafweging uiteindelijk bij elkaar.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Als ik de argumentatie van de minister volg, dan is er dus geen gevaar
als de amendementen die ik met mevrouw Westerveld heb ingediend, worden
aangenomen, omdat er daarmee de facto niets verandert, behalve dat je in
plaats van je te werpen op een 8 EVRM-toets, het gewoon deugdelijk in de
wet inbouwt. Klopt dat, of zit er toch een verschil in? Zo ja, kan de
minister dat dan aangeven? Dat bleek namelijk niet uit de
beantwoording.
De voorzitter:
In het licht van de efficiëntie gaan we deze discussie niet bij het
amendement nog een keer voeren, toch? Dan kijk ik de collega's wel
aan.
Minister Van den Brink:
Ik wil er ook wel bij de amendementen op ingaan.
De voorzitter:
Daarom vraag ik even of we het nu doen.
Minister Van den Brink:
Laten we 'm dan bij de amendementen doen.
De voorzitter:
Gaan we het bij de amendementen doen dan? Oké.
Minister Van den Brink:
Dan heb ik nog de vraag of ook de Terugkeerverordening op 12 juni 2026
in werking kan treden als zij binnenkort via de triloog al zou zijn
afgedaan. Die verordening is nog niet vastgesteld. De triloog loopt. Er
is een implementatietermijn van twee jaar opgenomen, maar we maken ons
natuurlijk hard voor de Terugkeerverordening in aanvulling op het pact
en we sturen op een zo spoedig mogelijke invoering. We zijn natuurlijk
ook al bezig met zaken waarmee we gewoon aan de slag kunnen, waaronder
de terugkeerhubs, maar hiervoor geldt dat een goede en zorgvuldige
implementatie zowel voor de uitvoering als voor het wetgevingstraject
van groot belang is, want een te korte implementatietermijn leidt tot
het risico dat de Nederlandse wetgeving niet tijdig is aangepast. Ook in
deze procedure moeten we ons al behoorlijk haasten om die rond te maken.
We zullen ons dus inzetten voor een passende invoeringstermijn.
Hoe zorgen we dat de rechtsbescherming van asielzoekers is geborgd? Dat
was een vraag van de heer Ceder. Een aantal maatregelen in het
wetsvoorstel hebben als doel om de asielprocedure efficiënter te maken
en de vreemdeling sneller duidelijkheid te bieden over zijn aanvraag,
bijvoorbeeld door de snellere toets op nieuwe feiten en omstandigheden
bij opeenvolgende aanvragen en het schrappen van onverplichte nationale
procedurestappen, zoals de voornemenprocedure. Dat laat onverlet dat een
zorgvuldige asielprocedure gewaarborgd blijft, ook via het Unierecht. De
mogelijkheid blijft bestaan om via gemachtigden correcties en
aanvullingen in te dienen op het verhoor. Daardoor is er in deze
procedure nog steeds sprake van hoor en wederhoor.
Dan nog de vraag van de heer Ceder wat de verhouding is tussen die twee
wetten en deze wet. Daar hebben we al een beetje over gesproken. Er is
door het vorige kabinet voor gekozen om die twee wetten al in procedure
te brengen. Ik denk dat je ook verschillende momenten kan aanwijzen die
ervoor hebben gezorgd dat die wetten niet al verder zijn. Een novelle
zorgt ook niet echt voor een versnelling van de procedure. In die zin
zouden onderdelen van deze wetten volgens mij anders al in werking
getreden kunnen zijn en zouden zij dan ook al het effect hebben gehad
waar de IND op hoopte, met name op het punt van de voornemenprocedure.
Ik ben nu bezig om deze route netjes af te lopen en in de Eerste Kamer
de route gewoon af te maken. Dat komt ergens in de komende periode bij
elkaar, maar ze zijn in ieder geval op 12 juni allebei van kracht.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik ben blij dat het geblunder in de Tweede Kamer er eigenlijk voor
gezorgd heeft dat strengere asielmaatregelen langer op zich hebben laten
wachten dan nodig; de minister zegt dit wat diplomatieker, maar ik
vertaal dat tussen de regels door. Maar mijn vraag is niet beantwoord:
wat is tussen 12 juni en het aannemen van die andere wet materieel het
verschil als de Noodmaatregelenwet wordt weggestemd? Kunt u aangeven wat
het belang daarvan is?
Minister Van den Brink:
Een aantal procedurele stappen waar de IND al lange tijd om vraagt,
zullen direct toegepast worden; dan hebben we het alleen over de
Asielnoodmaatregelenwet. Het verschil betreft natuurlijk de drie
elementen die geamendeerd zijn: een deel van de ongewenstverklaring, de
dwangsommen en de strafbaarstelling van illegaliteit ofwel het niet
meewerken aan terugkeer. Die drie zaken zitten niet in dit traject van
het Migratiepact. Voor het tweestatusstelsel geldt natuurlijk de
onmiddellijke werking, waardoor de nareisbeperkingen kunnen worden
toegepast, wat natuurlijk wel weer effect heeft op de opvang. U merkte
terecht op dat dat effect natuurlijk tijdelijk is, want het is een
beperking van nareizen in de tijd, dus niet het uitschakelen van
nareizen. Dat zijn dus de verschillen.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Voor de verslaggeving: heb ik het goed begrepen dat zonder die drie
amendementen, dus met het originele voorstel van het kabinet, het
materiële effect een tijdswinst van pakweg 28 dagen is en dat alle
capaciteit en mankracht daarvoor zijn opgetuigd ten behoeve van drie
verschillende wetstrajecten, namelijk allereerst het Migratiepact, dan
het tweestatusstelsel en dan het andere noodmaatregelenpakket? Klopt
mijn constatering? Terugkijkend wil ik weten of dit aan het eind van de
streep wel degelijk het materieel effect is.
Minister Van den Brink:
Dat is moeilijk te veronderstellen, omdat de rekensom in de toekomst
zit. Ik weet niet precies wanneer deze wetten wel of niet worden
aangenomen. Met terugwerkende kracht denk ik dat op dat moment iets
anders is verondersteld, namelijk dat die wetgeving wel degelijk al voor
de zomer rond zou zijn. Ik heb dat altijd zo begrepen en in de rol die
ik toen aan uw kant had, heb ik dat ook zo gelezen. Dat is de
verandering die zich in de tijd heeft voorgedaan en waarom we nog steeds
met man en macht werken om die asielwetgeving nu toch zo snel mogelijk
aangenomen te krijgen. Ook hier geldt immers dat elke dag eerder winst
in de uitvoering is.
De voorzitter:
Meneer Ceder, u kent mij als iemand die graag veel ruimte geeft voor
debat, maar u heeft by far de meeste en de langste interrupties gedaan.
Ik weet dat dit onderwerp u enorm aan het hart gaat, dus daarom sta ik
deze interruptie toe, maar ik zie u al knikken. Ja? Dank u.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik zal het inderdaad kort houden, voorzitter. Klopt mijn
veronderstelling dat met de kennis van nu het Migratiepact veel eerder
af had kunnen zijn als wij dat traject van het tweestatusstelsel en die
andere niet gevolgd hadden, en dat zodoende de knelpunten die nu
verwoord worden door onder andere de IND waarschijnlijk niet of minder
van toepassing zouden zijn geweest?
Minister Van den Brink:
Die overtuiging heb ik niet, bijvoorbeeld doordat ik zie hoe hard er
vanaf het moment dat het Migratiepact in Europa is aangenomen — dat was,
uit mijn hoofd, in mei 2024 — aan gewerkt is. Toen is er gelijk gestart
met de uitvoering, uitvoeringstoetsen en gesprekken. In december van dat
jaar lag er een consultatieversie van de wet. Die is in consultatie
gegaan. Dat is verwerkt. Daarop is een Raad van Stateadvies gevraagd. Er
is een nader rapport gekomen. Dat lag toen in december hier in de Kamer.
Vanuit het oogpunt van wetgevingstermijnen voor een Europese verordening
is dit een snelwegroute geweest, met dank aan de enorme inzet van heel
veel mensen. Die liep bovendien parallel aan alle andere inzet die er is
geweest. Dat is ook waar, maar er had in die zin geen versnelling in
kunnen zitten, verwacht ik.
De voorzitter:
Bon. Waar was u, minister?
Minister Van den Brink:
Bij overig.
De voorzitter:
"Overige belangrijke zaken" heet dat tegenwoordig. Dat is een dun mapje,
toch?
Minister Van den Brink:
Ja.
De voorzitter:
Mooi. Daar gaan we dan vliegensvlug doorheen.
Minister Van den Brink:
Ik begin bij het onderwerpje taal, een vraag van mevrouw Straatman. Taal
is essentieel om mee te kunnen doen. Wat is de ruimte om daar een eigen
bijdrage voor te vragen, vraagt mevrouw Straatman. Een van de oorzaken
van een versnipperd taalaanbod, want dat hebben we natuurlijk wel, is
dat op dit moment veel gebruik wordt gemaakt van noodopvang, waardoor
het moeilijker is om dat aan te bieden. Daarnaast verblijven er veel
statushouders in de opvang die vanuit de voorinburgering ook al bezig
zijn met taallessen op een opvanglocatie. Ook dat maakt het aanbod
versnipperd. Daarom wil het kabinet de plek voor noodopvang in de
komende periode vervangen door gewone opvangplekken. We zijn volop in
gesprek met gemeenten over de vraag hoe we dat op een goede manier
kunnen spreiden over het land. Daarnaast wil het kabinet meer inzetten
op taalles vanaf de start van de asielprocedure. Ook dat punt komt in de
uitwerking van de Taskforce Migratie, waarnaar de heer Van Asten net
vroeg. Daarmee kunnen we het taalaanbod echt verbeteren. Als op een
zeker moment het taalaanbod uniform en stabieler is, zal er worden
bekeken of het opportuun is daar een bijdrage voor te vragen. Die ruimte
is er namelijk wel in de Opvangrichtlijn.
Mevrouw Lammers vroeg naar de gedwongen uitzetting van mensen die hier
niet meer mogen blijven. Ik denk dat mevrouw Vondeling die vraag ook
heeft gesteld; dat heeft zij in ieder geval eerder ook gevraagd. Een
klein aantal — echt een heel klein aantal — Europese landen is heel in
het klein begonnen met een beperkt aantal Syriërs gedwongen te laten
terugkeren. Syrië is op dit moment nog in een fase van reconstructie en
wederopbouw. Van grootschalige gedwongen terugkeer is op dit moment nog
geen sprake. Nederland zet in op terugkeer van vertrekplichtige Syrische
vreemdelingen naar Syrië. Vorig jaar zijn er meer dan 1.000 Syriërs
vrijwillig teruggegaan. Er vinden wel doorlopend gesprekken plaats met
de Syrische autoriteiten om gedwongen terugkeer mogelijk te maken, maar
aan hun kant wordt dat nog helemaal opgebouwd. De overheid daar is nog
in ontwikkeling. We hebben wel geïnvesteerd in een brede samenwerking
met Syrië die bijdraagt aan het verbeteren van de omstandigheden om
duurzame terugkeer mogelijk te maken, zowel vrijwillig als gedwongen.
Zodra de mogelijkheid zich aandient, zullen wij daar gebruik van maken,
maar de Dient Terugkeer en Vertrek is echt afhankelijk van de capaciteit
bij de Syrische autoriteiten, ook voor het afgeven van de nodige
documenten.
Mevrouw Lammers vroeg nog naar het voorstel tot afschaffing van de
voorlopige voorziening. Zou dat kunnen, want België en Duitsland hebben
die ook niet, was haar vraag. De hoofdregel is dat een door de
asielzoeker ingesteld beroep opschortende werking heeft. Dit betekent
dat hij de behandeling van zijn beroep in Nederland mag afwachten. Maar
onder de nieuwe regels van het pact zijn daar wel een aantal
uitzonderingen op. In die situaties mag de asielzoeker de behandeling
van zijn beroep niet automatisch afwachten. De Asielprocedureverordening
schrijft in dat geval voor dat de asielzoeker in die situatie de rechter
middels een voorlopige voorziening dient te vragen zijn beroep toch te
mogen afwachten. Dan mag hij dus niet worden uitgezet. Afschaffing van
de voorlopige voorziening is onder het pact dan ook niet mogelijk. Ook
andere lidstaten zijn aan de Asielprocedureverordening gehouden, dus ook
in die landen zou dat niet meer moeten kunnen onder de werking van dit
pact.
De binnengrenscontroles heb ik al gedaan.
De heer Boomsma (JA21):
Nog even over Syrië. Er is een motie aangenomen om daar een actieplan
voor op te stellen om daaraan te gaan werken. De minister zegt nu: 1.000
mensen zijn vrijwillig teruggekeerd. Dat zegt natuurlijk al heel veel.
Dat betekent dat het voor bepaalde groepen veilig is. Ik denk dat er ook
groepen zijn voor wie dat niet geldt, bijvoorbeeld bepaalde minderheden.
De minister zegt: we zijn in overleg met de autoriteiten om daar
afspraken over te maken. Kan hij iets nader duiden wat nou de tijdlijn
daarvan is? Waar stuurt men op aan? Wij vinden het echt belangrijk dat
hier zo snel mogelijk mee wordt begonnen.
Minister Van den Brink:
Daar zal ik u, denk ik, bij de volgende JBZ-Raad over kunnen informeren.
Het is ook iets praktisch, in die zin dat Syrië helemaal niet veel
ambassadelocaties heeft. De enige plek die zij hebben, is in Brussel.
Alle lidstaten proberen dus via die route in contact te komen en dit
soort aanvragen af te stemmen. Er zit ook echt een logistiek en
praktisch onderdeel aan de situatie. Ik zal daar bij de volgende
JBZ-Raad opnieuw verslag van doen.
De heer Boomsma vroeg naar eerder werken. Hij zei: het mag niet een
extra motief worden om extra asiel aan te vragen. Dat zijn wij ook niet
voornemens. Maar ik moet dit verplaatsen, want dit zit ook in uw
amendement verpakt. Dat doe ik dus zo meteen even.
De heer Boomsma vroeg ook of gemeenten klaar zijn met de inrichting van
de BRP-straten. Er heeft een uitbreiding plaatsgevonden van de
BRP-straten. De achterstanden die er waren, zijn ingehaald. Er zijn
negen gemeenten met een BRP-inschrijfvoorziening. Op dit moment wordt
een asielzoeker uitgenodigd voor een afspraak bij zo'n BRP-straat na een
verblijf van zes maanden in Nederland. De identiteit van de asielzoeker
moet zijn aangetoond voordat diegene daar kan worden ingeschreven. Na 12
juni wordt de termijn voor de inschrijving verkort van zes naar drie
maanden. Dat is natuurlijk ook weer heel handig, omdat ook de termijn om
te gaan werken drie maanden is. Daarvoor heb je die inschrijving met je
bsn-nummer nodig.
Meerdere mensen hebben gevraagd: wat is er nou nog mogelijk als we toch
nog Crisisverordeningen en noodmaatregelen zouden moeten inroepen dan
wel treffen, ook in Europees verband? In de Crisisverordening is een
kwalitatieve definitie opgenomen van een crisissituatie. Dat gaat dus
niet om een getal, maar om een uitzonderlijke situatie van massale
aankomst van onderdanen van derde landen in een lidstaat, van een
zodanige omvang en aard, rekening houdend met onder meer de bevolking,
het bbp en specifieke geografische kenmerken van de lidstaat, waaronder
de omvang van het grondgebied, dat ze daar zelfs het goed voorbereide
asielstelsel en opvangstelsel niet meer in stand kunnen houden en
vastlopen. Dat is de titel waaronder dit kan worden ingeroepen, maar
daarna is nog steeds een gesprek met de Commissie noodzakelijk om te
bepalen wat het vervolg daarop gaat zijn. Op dit moment is dus eigenlijk
nog helemaal niet uitgewerkt hoe dat eruit komt te zien, dus dat zal,
denk ik, echt nog een politieke weging krijgen zodra we daar een keer
bij komen.
Mevrouw Teunissen merkte nog op dat er heel veel aan de hand is in de
wereld, niet alleen wat betreft vluchtelingen, maar ook wat betreft
klimaat, oorlogen en al het andere wat er speelt. Dat is natuurlijk
terecht. Tegelijkertijd voel ik mij wat betreft klimaat niet gelijk
degene die daar beschouwingen over zou moeten geven in dit debat, dus
dat laat ik even voor een andere plek.
De heer Ceder heeft nog gevraagd hoe het zit met de uitvoering van de
motie over de modernisering van het Vluchtelingenverdrag. De verkenning
naar de noodzaak van de modernisering of herziening van de verdragen is
momenteel in een afrondende fase, dus ik zal u op korte termijn
informeren over hoe wij daartegen aankijken. We hebben met dit kabinet
natuurlijk opnieuw afgesproken dat we daarover in gesprek gaan. Dat
gesprek voer ik ook met mijn internationale collega's.
Dan voor mij onbekend terrein: het interview met de rechter. Dat heb ik
zeker gelezen, maar daar zijn ook vragen over gesteld door de heren
Ceulemans en Boomsma. Daar zal ik op korte termijn op reageren. Ik zal
daar ook overleg over hebben met de collega's van Justitie. Ik wilde mij
vandaag dus redden met: daarom ga ik daar niet op vooruitlopen. Dat is
eigenlijk mijn reactie voor vandaag. Voor de rest denk ik dat ik niet in
de positie ben dat ik ga over hoe er binnen de rechterlijke macht
onderling met elkaar gediscussieerd of van gedachten gewisseld wordt
over hoe men daartegen aankijkt. Ik denk dat het goed is om mij ook niet
in die positie te gaan begeven.
De voorzitter:
Ik zal het kort doen, als de collega's het goedvinden. In het interview
wordt ook gerefereerd aan een brief van oud-premier Schoof, die aangeeft
dat als nationale rechters steeds via Luxemburg aanpassingen aan
migratiebeleid afdwingen, hetgeen wij hier doen, even vrij vertaald,
vrij weinig zin heeft. Is de minister in ieder geval bereid om deze hele
belangrijke notie mee te nemen? Ik wacht de antwoorden wel af, want dan
kunnen we het er daarna nog een keer met elkaar over hebben.
Minister Van den Brink:
In algemene zin — dan zoom ik even uit — geldt dat wij, ook met dit
kabinet, natuurlijk wel het gesprek in Europa voeren over de toepassing
van het EVRM en het Unierecht. Er wordt op dit moment dus ook overleg
gevoerd over het EVRM-interpretatieprotocol. Ik verwacht daar overigens
in mei duidelijkheid over. Het zijn natuurlijk wel elementen die raken
aan de vraag wat ooit de bedoeling van het internationaal recht is
geweest en hoe het op dit moment wordt toegepast in de situatie waarin
we zitten. Er is absoluut reden om daar af en toe opnieuw met elkaar bij
stil te staan en daar, als het kan, ook nieuwe afspraken over te
maken.
De voorzitter:
Heel kort. Waar het mij in de kern om gaat — ik vind dat ik het moet
opnemen voor de collega's van JA21 — is dat een rechter een interview
geeft en dat vervolgens, als de Kamer reageert, wordt teruggezegd tegen
de Kamer … In dat interview wordt de Kamer geadresseerd over iets wat —
ik heb iedereen gehoord — superfundamenteel is. U ziet dat dit voor mij
een vrij principiële kwestie is. Ik weet heel goed hoe de spreiding der
machten werkt. Ik geef de minister tijd en dan komen we hier later wel
op terug. Meneer Boomsma zegt dat het "scheiding" en niet "spreiding"
is. Montesquieu heeft "spreiding" geschreven.
Minister Van den Brink:
Dit is een interessant debat. Ik heb weer wat geleerd.
In dat kader misschien nog een aanvulling. Wij zijn bekend met de
prejudiciële vragen die vanuit België zijn gesteld. Wij zullen daar
mogelijk ook bij betrokken zijn, want het wordt vaak in samenwerking met
verschillende lidstaten gedaan. We gaan dus afwachten welke uitspraak
daarop komt.
Ten slotte de vraag van de heer Ceder over de nationale koppen, de
maatregelen die niet volgen uit het pact. Ik heb die tot nu toe in de
hele discussie vermeden, maar ik zei eerder al dat het kabinet over
"onnodige nationale koppen" spreekt. Wij zijn ervan overtuigd dat de
nationale maatregelen die wij toepassen, een bijdrage leveren aan de
werking van ons nationale asielstelsel: het verbeteren van de opvang en
het beperken van de instroom. Wij zijn er dus van overtuigd dat die
maatregelen echt goed zijn om te nemen op nationaal terrein.
Ik denk dat ik dan een heel eind ben.
De voorzitter:
Dat zou top zijn, want dan kunnen we door naar de amendementen. Laten we
niet een heel debat gaan voeren over de nationale koppen. Meneer Ceder
was eerst voor een interruptie en daarna is mevrouw Westerveld.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik ga dat debat overslaan, mits de minister kan toezeggen namens het
kabinet hier nog met een nadere toelichting op te komen. De reden is dat
op het gebied van landbouw, op het gebied van handel, op het gebied van
imvo en op het gebied van asiel wij continu hiermee te maken gaan
krijgen. Ik constateer dat elke minister hier vervolgens een andere
interpretatie aan geeft, terwijl ministers toch met één mond dienen te
praten. Ik vind dat ingewikkeld en het doet volgens mij ook geen recht
aan de eenheid van het kabinet. Mijn vraag is dus of het kabinet de
Kamer een dienst zou kunnen doen door met een toelichting op dit punt te
komen, zodat we in ieder geval weten waar we aan toe zijn en de debatten
die te maken hebben met Europese wetgeving ook zuiver kunnen voeren met
elkaar.
Minister Van den Brink:
Voor mij is de definitie heel helder. Het is namelijk in het
coalitieakkoord afgesproken onder de noemer "onnodige nationale koppen."
Dat is dus de eenheid van kabinetsbeleid op dat vlak. In de inkleuring
zal misschien de ene keer door u worden verondersteld dat het wél een
nationale kop is en een andere keer misschien weer niet. Ik denk dat er
ruimte is in het politieke debat om met elkaar stil te staan bij het
politieke oordeel dat we daarover vellen.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Maar het ingewikkelde is wel dat een onnodige kop op een
klimaatrichtlijn voor de Partij voor de Dieren iets anders dan voor
bijvoorbeeld BBB als het om landbouw gaat. Ik vind dit een belangrijk
punt omdat ik denk dat we de komende jaren bij de implementatie van al
de richtlijnen vaak hierover het debat zullen voeren met elkaar. Het is
ook belangrijk om coalitiepartijen ergens aan te kunnen houden ten
opzichte van een minderheidskabinet. Ik wil dus toch nogmaals het
verzoek doen om hier nader op terug te komen. Dan kan er ook goed over
nagedacht worden. Ik denk dat dit in de verhouding tussen kabinet en
Kamer wat ruis van de lijn af zou halen.
De voorzitter:
Volgens mij is dat een vraag, minister.
Minister Van den Brink:
Ik ben nog niet echt overtuigd van de noodzaak, maar omdat u dit een
belangrijk punt vindt, zal ik het op z'n minst overbrengen aan mijn
collega die ook over de slagvaardige overheid gaat en die hier
ongetwijfeld ook tegen aan gaat lopen in discussies in de Kamer. Ik zal
dus in ieder geval de wens overbrengen, maar ik ga niet toezeggen dat er
een studie op wordt verricht.
De voorzitter:
Oké. Mevrouw Westerveld was eerst.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik zou het ook op prijs stellen, ook al omdat de minister aanvoelt dat
de kritiek van een aantal collega's echt ligt op de extra punten die
erop zijn gezet, dus de punten die niet noodzakelijkerwijze voortvloeien
uit het Migratiepact. Ik heb ook nog een onbeantwoorde vraag.
De voorzitter:
Oké. Ik ga zo een rondje …
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Volgens mij ziet de minister al waar …
De voorzitter:
Dat ga ik zo doen. Eerst mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
De nationale koppen zijn inderdaad voor heel veel interpretaties
vatbaar. Dat hebben we de afgelopen maanden, toen BBB in het kabinet
zat, ook gezien. De ene keer vond iemand het wel een nationale kop en de
andere keer weer niet. Het was eigenlijk maar net zoals het uitkwam. Dat
staat inderdaad iedereen vrij, maar ik heb er toch behoefte aan dat de
Kamer vanuit het kabinet een soort richtlijn krijgt voor wat er precies
onder "nationale koppen" wordt verstaan, ook omdat in het
coalitieakkoord staat: "waar mogelijk geen nationale koppen". Kijk,
uiteindelijk beslist de Kamer zelf; middels moties en bij
wetsvoorstellen kan de Kamer zelf beslissen ergens toch voor of juist
toch tegen te zijn ondanks dat het een nationale kop betreft. Dat is
altijd aan de Kamer. Maar nu wordt het echt op honderdvijftig
verschillende manieren uitgelegd. Ik zou dus de toezegging willen hebben
van de minister dat er een goede richtlijn komt met daarin wat het
kabinet precies wel of niet verstaat onder "nationale koppen".
De voorzitter:
Nogmaals deze vraag, minister.
Minister Van den Brink:
Ik ga het meenemen naar mijn collega die over de slagvaardige overheid
gaat en die hier denk ik vaak over in debat zal gaan. Maar ik ga nog
niet toezeggen op welke manier we er invulling aan gaan geven.
De voorzitter:
Dat antwoord is duidelijk. Heeft iemand nog een interruptie op dit punt?
Op dit punt niet.
Minister Van den Brink:
Ik ben wel iets vergeten bij mevrouw Westerveld.
De voorzitter:
Ik ga een heel snel rondje doen. Dat betekent niet dat nu alles van stal
mag worden gehaald. Wie heeft er nog een onbeantwoorde vraag? Wat wilt u
inbrengen, meneer Dassen?
De heer Dassen (Volt):
Ik had eerder gevraagd naar de Eurodac-verordening en hoe biometrische
gegevens worden afgenomen bij kinderen. Op dat punt wordt de verordening
helemaal overgenomen, zoals ik het begrijp. In de verordening staat dat
dat met professionele dwang kan gebeuren. Ik ben van mening dat het
onverstandig is om dat te doen. Ik wil de minister vragen of hij daarvan
kan afzien en kan toezeggen, en in wet- en regelgeving kan opnemen, dat
het zonder dwang gebeurt en dat ambtenaren daartoe worden
opgeleid.
Minister Van den Brink:
Ik herinner me — ik heb hier namelijk over gesproken — dat we niet af
kunnen van de verordening. Die bepaalt hoe je de screening moet
verrichten. Dat is verplichtend. Die screening moet worden toegepast
zodat de biometrische gegevens worden vastgelegd. Er is dus geen
mogelijkheid van een asielprocedure zonder biometrische gegevens. Maar
mensen die weigeren of kinderen … Ik was in Ter Apel en toen hebben ze
me helemaal uit de doeken gedaan hoe ze dit gaan inrichten. Bij kinderen
wordt daar heel zorgvuldig mee omgegaan, zodat dat niet leidt tot schrik
of allerlei onvoorspelbare situaties. Daar zijn dus ook mensen bij
betrokken die daarin getraind zijn. Dat is een verplichting die
voortvloeit uit de Opvangrichtlijn: bij de omgang met kinderen moet je
daarvoor gekwalificeerd zijn en moet je daarvoor opleidingen hebben
gevolgd. Dat is ook al een beetje een antwoord op de vraag van de heer
Ceder. Er zijn dus voldoende waarborgen aanwezig in de wijze waarop wij
daar uitvoering aan gaan geven. Wij geloven dat we niet te maken krijgen
met een uitvoeringsmanier waar u misschien zorgen over hebt.
De voorzitter:
Mevrouw Westerveld, u had … Ja, meneer Dassen?
De heer Dassen (Volt):
Het wordt verlaagd naar 6 jaar. Dat is echt heel jong. Naar ik begrijp,
onder andere uit de kritiek van de Raad van State, is dat niet in de
lagere wet- en regelgeving opgeschreven, waardoor we wel ruimte
overlaten om eventueel dwang te gebruiken. Ik ben van mening dat dat bij
6-jarigen niet zou moeten kunnen. Daarover gaat mijn vraag dus. Kan de
minister dit toezeggen?
Minister Van den Brink:
Het is terecht dat u nog even noemt dat het ook om 6-jarige kinderen kan
gaan. Je mag natuurlijk hopen dat die altijd met hun ouders in zo'n
situatie zitten, maar sowieso geldt ook hierbij weer het belang van het
kind. Ik ga ervan uit, vanwege de wijze waarop daarover wordt gesproken
en daaraan invulling wordt gegeven, dat dit echt met alle waarborgen
wordt omkleed. Voor uw vraag hoe de lagere regelgeving zich hiertoe
verhoudt, wil ik nog heel even iets checken, dus dan kan ik in tweede
termijn misschien nog even specifiek terugkomen op die vraag.
De voorzitter:
Oké. Mevrouw Westerveld, u had een belangrijke onbeantwoorde vraag. Kunt
u die kort herhalen?
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ja, die gaat over de versobering van gezinshereniging. Ik verwees naar
het Grondwettelijk Hof van België. Dat heeft op 26 februari uitspraak
gedaan over …
De voorzitter:
Ik zie de minister knikken.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Wat betekent dit? Waarom doen wij hetzelfde als de kans bestaat dat deze
wetgeving helemaal niet mag?
Minister Van den Brink:
Wij hebben de keuze voor de nareisbeperkingen gemaakt, omdat we daarmee
harmoniseren met een aantal lidstaten in onze directe omgeving,
waaronder België, Duitsland, Zweden, Denemarken en Oostenrijk, zeg ik
even uit mijn hoofd; die landen sowieso. Het is dus een vorm van
harmonisatie en een instroombeperkende maatregel, enkel ziend op de
subsidiair beschermden. Er is eigenlijk nog geen duidelijkheid over wat
die situatie in België gaat betekenen, omdat het op dit moment in
meerdere lidstaten wordt toegepast. Om die reden zijn er ook
prejudiciële vragen gesteld. Dat zijn eigenlijk niets anders dan
voorlichtingsvragen, maar dan wel bij het Europees Hof. Dat is
belangrijk, want dat hof geeft interpretatie aan het Europees recht. Wij
zijn erbij betrokken om daar duidelijkheid over te krijgen, want dat is
ook voor Nederland van belang en relevant. Dat is de situatie voor nu.
Wij zijn nu dus nog niet in de veronderstelling dat het de consequentie
zal krijgen die nu in België is bepaald. We zullen het nauwgezet volgen
en uw Kamer informeren zodra daar meer over bekend is.
De voorzitter:
Mevrouw Westerveld en dan meneer Boomsma.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Maar dan nog, als we iets gaan doen wat lijkt op wat men in België doet
… Er worden voorlichtingsvragen over gesteld. Dan kunnen we, denk ik, op
z'n minst met elkaar constateren dat het nogal schuurt met het EVRM, met
het recht op gezinsleven. Dan is de vraag toch: waarom kiest Nederland
ervoor om dit te doen? Er zou ook een andere keuze gemaakt kunnen worden
die, vind ik, politiek wenselijker is maar die ook veiliger is, omdat
die gewoon wel mag. Toch?
Minister Van den Brink:
U heeft gelijk in die zin dat die ruimte bestaat. U heeft er ook gelijk
in dat dit een politieke keuze is. Maar goed, we zitten in een
politiek-bestuurlijke omgeving, dus eigenlijk is alles politiek. Maar er
zit ook een noodzaak achter, namelijk een vastgelopen asielsysteem met
een hoge instroom en een opvang die helemaal vol zit en die ook nog
steeds voller komt te zitten vanwege de nareizigers. Dat is een van de
redenen die al vaker is bepleit. Dit is een van de beperkingen die wij
willen instellen, omdat we verwachten daarmee meer grip op migratie te
krijgen. Dat is de keuze die dit kabinet maakt.
De voorzitter:
Meneer Boomsma op dit punt.
De heer Boomsma (JA21):
Mij verbaast dit een beetje, omdat het toch al jarenlang staande
praktijk is in allerlei Europese landen om extra voorwaarden te
verbinden aan de gezinshereniging van subsidiair beschermden. Dat doen
die landen al jaren. Denk aan Denemarken en Zweden; zelfs Duitsland
heeft het onder Merkel een tijd gedaan. Ik begrijp dus niet zo goed waar
deze prejudiciële vragen over gaan. Zien die op het feit dat je
onderscheid maakt tussen vluchtelingen en subsidiair beschermden of zien
die op specifieke voorwaarden?
De voorzitter:
Die prejudiciële vragen, hè.
Minister Van den Brink:
Houd u mij ten goede wat precies … Het gaat om de voorwaarden voor de
nareisbeperking, maar meer dan dat is mij op dit moment nog niet
geworden. U bent iemand die zich daar goed in verdiept en het is dus
mogelijk dat we daar nog met u …
De voorzitter:
Die kan de heer Boomsma in zijn zak steken. De minister zit klaar voor
de amendementen en dat zijn er inmiddels 28.
Minister Van den Brink:
Ik krijg de extra amendementen nu aangereikt. Mag ik daar twee minuten
een blik op werpen, voordat ik iets begin op te lezen?
De voorzitter:
Ik wilde eigenlijk voorstellen dat als er staande de vergadering
amendementen worden ingediend … Ik vind het niet erg dat er dan
schriftelijk op wordt teruggekomen, want ik kan me voorstellen dat daar
even rustig naar gekeken moeten worden.
Minister Van den Brink:
Ik kan het wel gelijk doen, hoor. Dat is het probleem niet.
De voorzitter:
Oké. Nou ja, dan gaan we dat regelen. We gaan deze vergadering afmaken,
maar ik doe wel écht een beroep op iedereen om het dan een beetje … Hoe
noem je dat? Om het beetje vlot te doen met elkaar. Maar we gaan het
afmaken. De minister zit er klaar voor.
Minister, zou u alstublieft voor onze administratie duidelijk het nummer
willen noemen van het amendement dat u beoordeelt?
Minister Van den Brink:
Zeker.
Ik begin met een algemene opmerking die ziet op het feit dat er door een
aantal partijen voor is gekozen om amendementen in te dienen die
rechtstreeks raken aan wetgeving die hier eerder is behandeld en op dit
moment in een ander deel van het parlement ligt. Ik ga zo meteen een
paar van de amendementen langs waar dit op ziet, maar ik ga nu al heel
eerlijk zeggen: in het verleden is er op dezelfde amendementen een
oordeel gegeven door het vorige kabinet. Inhoudelijk en technisch waren
die op orde, maar het heeft ook geleid tot heel veel discussie. Om te
voorkomen dat het pact, de urgentie van het pact, wat ik van u vraag en
wat ik van de Eerste Kamer in het vervolg ga vragen … Daarom ga ik u
alvast aankondigen dat ik amendementen die een herhaling zijn van
eerdere amendementen op een ander wetsvoorstel, een wetsvoorstel dat nu
in de Eerste Kamer ligt, allemaal ga ontraden, omdat ik dat voor de
zuiverheid van de behandeling juist vind. Ik doe dat verder ook om te
voorkomen dat ik in dezelfde situatie kom als een van mijn voorgangers.
Deze algemene opmerking wilde ik nu alvast maken, want ik hoop dat u
daardoor iets minder schrikt als ik zo meteen "ontraden" zeg bij een
amendement waarvan u allemaal denkt "de vorige keer waren we het daar
allemaal nog mee eens".
Ik begin met het amendement op stuk nr. 8 van mevrouw Vondeling en de
heer Wilders. Daarin wordt gevraagd om intrekking van de Spreidingswet.
Dit kabinet zet juist in op het behoud van de Spreidingswet, omdat wij
het noodzakelijk achten voor de spreiding van voldoende asielopvang over
Nederland om deze te behouden. Om die reden ontraad ik het amendement op
stuk nr. 8.
Het amendement van mevrouw Vondeling op stuk nr. 9 voert een tijdelijke
stop in voor gezinshereniging. De stop die hier wordt voorgesteld, is
niet binnen het Europees recht mogelijk. Het is daarmee in strijd en dus
ontraad ik dit amendement.
De voorzitter:
Natuurlijk mag u interrumperen, mevrouw Vondeling; u bent zo bescheiden
geweest! Gaat uw gang.
Mevrouw Vondeling (PVV):
De minister zegt dat het in strijd is met het EU-recht, maar als ik het
goed heb — als ik het mis heb, moet u dat vooral ook zeggen — heeft
Oostenrijk ook een stop op nareis ingevoerd, ook voor personen met een
vluchtelingenstatus. Waarom zou dat dan in Nederland niet kunnen?
De voorzitter:
Een duidelijke vraag.
Minister Van den Brink:
Voor u ook niet onbekend, want uw partijleider heeft dat in zijn
tienpuntenplan opgenomen. Het vorige kabinet brak op dat plan, doordat
daarin artikel 72 van het Werkingsverdrag van de Unie werd aangeroepen.
Nederland ziet dat niet als een passende invulling van het Europees
recht. Maar u heeft er gelijk in dat Oostenrijk stelt dat het kan. Maar
daar is heel veel discussie over en wij zijn daar niet van
overtuigd.
Mevrouw Vondeling (PVV):
U zegt: Oostenrijk stelt dat het kan. Maar zij voeren het op dit moment
toch ook al uit? En ze zijn tot nu toe ook nog niet teruggeroepen.
Verder spreekt het coalitieakkoord ook over een tijdelijke stop op
nareis, maar alleen voor subsidiair beschermden. Wat houdt dat dan
in?
Minister Van den Brink:
Het eerste wat u zei, klopt. Oostenrijk heeft dat ingeroepen, maar
volgens mij heeft toch best wel een aantal van mijn voorgangers in
Kamerbrieven uitgelegd dat wat Oostenrijk doet, artikel 72
Werkingsverdrag inroepen, niet kan. Wij hebben verder in dit
coalitieakkoord met elkaar opgeschreven dat als we door geopolitieke
redenen weer met een enorme asielinstroom zouden zitten en we de
situatie weer niet aankunnen, we wel het gesprek gaan voeren in Europa.
Dat zien we ook in de Crisisverordening, zoals die hier ligt. Dat
betreft dan ook de nareis die we dan hebben. Maar verder dan dat is die
invulling nog niet gebracht. Dat zal ook nog een gesprek in Europa
worden.
Mevrouw Vondeling (PVV):
Sorry, nog één keer. Ik vraag me dan wel af: hoe ver moet die crisis nog
gaan? Er wachten nu in het buitenland 53.000 mensen om naar Nederland te
komen. Er zijn geen huizen, er is geen plek en de azc's zitten overvol.
Wat moet er dan nog gebeuren voordat het kabinet zegt extra maatregelen
te zullen nemen?
Minister Van den Brink:
De maatregel die het snelst effect kan hebben, is de nareisbeperking die
volgt uit het tweestatusstelsel, met een wachttijd van twee jaar. Dat is
dus vooralsnog de maatregel die, denk ik, het meest effect gaat hebben
op de opvang.
Ik kom bij het amendement op stuk nr. 10. Er zijn een aantal
amendementen die een beetje met dezelfde logica zijn vormgegeven. Ik
denk dat ik iets uitvoeriger stilsta bij het eerste en iets minder bij
de volgende amendementen.
De voorzitter:
Laten we dat afspreken. U bent bij het amendement op stuk nr. 10, en dan
noemt u daarna de nummers …
Minister Van den Brink:
Ja, die een beetje op hetzelfde zien.
De voorzitter:
Ja, gaat u verder.
Minister Van den Brink:
Het zijn amendementen van de heer Ceder en mevrouw Westerveld. Die
vragen om voorhangprocedures. In dit geval gaat het over de aanwijzing
van autoriteiten of instanties die een of meerdere taken van de
screeningsautoriteit mogen uitvoeren. Even in het algemeen over de
voorhangprocedures: er is in dit wetsvoorstel bewust voor gekozen om
geen voorhang- of nahangbepaling op te nemen. Dat sluit ook aan bij het
algemene wetgevingsbeleid om zeer terughoudend te zijn met dergelijke
procedures. Tegelijkertijd was het natuurlijk wel een zoektocht: hoe ga
je dit inrichten met zo'n pact dat zo omvangrijk is en dat zo snel tot
stand gebracht moest worden?
In dit wetsvoorstel is de bestaande ruime delegatiesystematiek die nu al
in de Vreemdelingenwet is neergelegd, behouden. Ik vind het belangrijk
om die flexibiliteit te behouden om snel aan onze Europese
verplichtingen te kunnen voldoen. Als jurisprudentie daar bijvoorbeeld
om vraagt — het kan namelijk ook gaan om zaken die gewoon direct van ons
worden gevraagd — dan is het wijzigen van een besluit natuurlijk
makkelijker en sneller uitvoerbaar. Dat is belangrijk voor de
uitvoering. Daarnaast kan ik u het volgende zeggen. Als wij overgaan tot
nieuw beleid dat meer is dan een verandering van techniek — u weet ook
wel hoe dat in wetgeving werkt — dan komen wij natuurlijk gewoon met een
brief naar deze Kamer toe. Dan is er een consultatieprocedure van een
besluit en wordt er ook door het veld op gereageerd. Dat wil ik u ook
toezeggen. Over meerdere amendementen ga ik zeggen dat ik ze ga
ontraden, ook vanwege het feit dat de Raad van State de besluiten die we
klaar hebben liggen pas wil behandelen na aanvaarding van dit
wetsvoorstel door de Tweede Kamer. Laten we hopen dat dat op z'n minst
ergens in de komende tijd is. Daarna moet er dan een voorhangprocedure
plaatsvinden, wat voor 12 juni niet haalbaar is. Aan die kant zit ik dus
ook klem qua tijd. Er is straks ook sprake van een voorhang op iets wat
we eigenlijk nog niet hebben uitontwikkeld. Ik wil u toezeggen dat ik
eerst naar de Kamer kom met een brief voordat ik iets in een besluit ga
vastleggen. Ik zoek een beetje naar een manier om dit bij elkaar te
brengen. Om die reden ontraad ik het amendement op stuk nr. 10.
De voorzitter:
Voor de administratie: dat geldt voor ...
Minister Van den Brink:
Het amendement op stuk nr. 10 en het amendement op stuk nr. 11. Het
geldt ook voor het amendement op stuk nr. 12, het geldt voor het
amendement op stuk nr. 13 en het geldt voor het amendement op stuk nr.
14. Over het amendement op stuk nr. 14 zeg ik dat dit rechtstreeks uit
de Kwalificatieverordening aan ons is opgelegd. Daar kunnen we dus
eigenlijk niet eens iets op doen. Het geldt verder voor het amendement
op stuk nr. 15 en het geldt voor het amendement op stuk nr. 16, wat
overigens gewoon invulling van het coalitieakkoord is. Dus ook om
politieke redenen zou ik die niet ...
De voorzitter:
Oké. Dan ga ik nu naar de heer Ceder voor een interruptie. Dank,
minister.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Die toezegging neem ik graag aan, maar er zitten in de beantwoording
door de minister een aantal veronderstellingen die ik niet helemaal
volg. Ik stel een lichte voorhangprocedure voor. Dat betekent dat er
geen onderbreking van de voortgang is. We hoeven als Kamer ook niet
eerst een debat te hebben. Het gaat erom dat, voordat er invulling wordt
gegeven aan een wet waarvan de minister volgens mij erkent dat heel veel
nog in een black box zit en nog uitontwikkeld moet worden, de Kamer op
de hoogte wordt gehouden. Dit lijkt me van links tot rechts van belang.
Dit is immers een heel explosief dossier. Dan is het belangrijk dat de
Kamer van tevoren, voordat er verstrekkende stappen worden gezet, weet
wat de minister überhaupt van plan is. Mocht het zo zijn dat de Kamer in
meerderheid over een punt zegt "daar moeten we toch even met elkaar over
praten", dan kan dat. Deze voorhangprocedure zit de implementatie van de
wet niet in de weg. Dat klopt toch? Dat zou ook helemaal niet de
bedoeling zijn. Bij een zware voorhangprocedure zou dat wel het geval
zijn geweest, maar die heb ik niet geëffectueerd. Het nadeel van
niet-voorleggen is dat de minister wel gaat uitleggen wat hij gaat doen,
maar dat er geen gelegenheid is om erop terug te komen. Het gaat om best
verstrekkende bevoegdheden die bij de minister liggen, terwijl de Kamer
niet weet welke stappen de minister van plan is te gaan zetten. Kan de
minister daarop reageren?
De voorzitter:
Wel weer anderhalve minuut.
Minister Van den Brink:
Ik snap in zijn algemeenheid uw redenering. Daar stel ik tegenover dat
er wel sprake is van een voorhang, in die zin dat het hier vier weken
hangt. Als een van uw leden — dat hoeft er maar 1 van de 150 te zijn —
vindt dat er toch nog iets moet worden besproken, dan wordt het hele
besluit opgehouden. Dat risico wil ik niet nemen bij de invoering van
het pact voor 12 juni. Onder de redenering zitten een aantal aannames
die ik bestrijd omdat een aantal zaken gewoon rechtstreeks werken uit de
verordening en ook al in de wet zijn opgenomen. Daarmee heb ik helemaal
geen ruimte om daarvan af te wijken, bijvoorbeeld in het geval van
beperkingen of nareis. Die zaken zijn immers al in de wet verankerd. Dat
stel ik daartegenover. Ik handhaaf dus mijn ... Ja, appreciatie. Dat is
het goede woord. Als je zo lang aan het woord bent, raak je op een
gegeven moment woorden kwijt. "Appreciatie", dank u wel.
De voorzitter:
Heel kort, meneer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Heel kort, voorzitter. Volgens mij moet niet één Kamerlid maar minimaal
een vijfde van de Kamer daar iets van vinden. Klopt het dat een aantal
nadere regels die moeten worden uitgewerkt, vanwege de lichtere variant
waarmee de IND gaat werken, helemaal niet voor 12 juni uitgewerkt hoeven
te worden, maar pas bij de implementatie van het daadwerkelijke plan?
Volgens mij gaan we nu met de lightversie werken, omdat de tijd kort is.
Dat snap ik en dat steun ik ook; laat ik dat vooropstellen. Maar voor de
verdere ontwikkeling betekent dit dat er gigantisch veel regelgeving op
ons afkomt. De minister heeft nu heel veel macht naar zich toegetrokken.
De Raad van State heeft daar ook kritiek op geuit. Het enige wat ik
vraag, is om voordat het stelsel verder wordt ingevoerd, de Kamer op de
hoogte te stellen. Mocht een vijfde zeggen "wacht even, wat gebeurt er
nou?", dan kunnen we daar het gesprek over voeren. Klopt het dat dit de
inwerkingtreding op 12 juni 2026 niet in de weg hoeft te staan? Zo ja,
kan de minister dan aangeven op welk amendement het wel van toepassing
is? Dan kan ik kijken of ik het kan intrekken, want dit is geenszins
mijn bedoeling.
Minister Van den Brink:
Nee, dat snap ik.
De voorzitter:
Met het risico dat ik een mopperkont word gevonden: weer ruim een
minuut.
Minister Van den Brink:
De ervaring leert dat het goed is om even stil te staan bij
amendementen. Het verschilt wel per amendement en dan kom ik toch in de
situatie dat ik per ... Neem het amendement over de
screeningsautoriteit. Ik moet die autoriteit echt hebben aangewezen. Dat
moet echt voor 12 juni duidelijk zijn; daar mag geen licht tussen
zitten. De geldigheidsduur van de verblijfstitel en de gevallen waarin
de verblijfstitel een kortere geldigheidsduur van drie jaar heeft,
hebben wij bij wet geregeld. Dat gaat alleen over detailaspecten op het
punt van de uitvoering. Drie jaar is dus gewoon drie jaar. Dit betreft
het amendement op stuk nr. 11; sorry dat ik nu te snel ga.
Het amendement op stuk nr. 12 gaat over de toekenning van taken en
bevoegdheden uit de procedure voor de asielbeslisautoriteit. Die
toekenning moet 12 juni klaar zijn.
Wat het amendement op stuk nr. 13 betreft: ik heb de nareis zojuist
genoemd. Dit zijn zaken die natuurlijk echt al bij wet bepaald
zijn.
Het amendement op stuk nr. 14 ziet echt op materiële criteria die
rechtstreeks uit de Kwalificatieverordening voortvloeien. Daar zit dus
geen enkele ruimte op.
Het amendement op stuk nr. 15 gaat over het toewijzen van vreemdelingen
van een geografisch gebied. Ik zeg toe dat ik, indien wij daartoe
overgaan, eerst naar de Kamer kom met een brief voordat ik hier
invulling aan geef, want hier heeft u een punt. Op dit punt is eigenlijk
nog onvoldoende nagedacht over hoe dat eruitziet. Ik ga dat dus niet op
een achternamiddag doen, zonder dat ik mezelf op die manier wil
kwalificeren.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 15 blijft ontraden, maar u zegt een brief
toe.
Minister Van den Brink:
Ja, en het amendement op stuk nr. 16 idem.
De voorzitter:
Wat bedoelt u met "idem"?
Minister Van den Brink:
Sorry, wat het amendement op stuk nr. 16 betreft: coalitieakkoord; er
zijn al verplichtingen. Ik ga naar het amendement op stuk nr. 17.
De voorzitter:
Graag.
Minister Van den Brink:
Het amendement op stuk nr. 17 van de heer Ceder stelt dat de beoordeling
van de vraag of een kind in bewaring kan worden gesteld, plaatsvindt na
advies van een vertegenwoordiger van het kind of een persoon met
expertise. Ik hoop dat u mij goed verstaan heeft over de wijze waarop
wij omgaan met kinderen en dat daar dus op geen enkele reguliere basis
sprake van zal zijn, omdat we de huidige grensprocedure handhaven en op
die manier hier dus niet mee te maken krijgen. Af en toe komen kinderen
wel in de situatie van Zeist, maar dat gebeurt door mensen die daar met
expertise bij betrokken zijn. Dat vloeit ook voort uit artikel 26 van de
Opvangrichtlijn, die opdraagt om kennis van omgang met kinderen en
minderjarigen te hebben en om je daar ook in te laten scholen en
opleiden. Om die reden ontraad ik het amendement op stuk nr. 17.
Het amendement op stuk nr. 18 vraagt een hardheidsclausule voor …
De voorzitter:
Een momentje. Meneer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik ben het eens met de minister. Daarom verwees ik in mijn toelichting
naar die procedurelijn, maar kan de minister uitleggen wat er verandert
als mijn amendement wel degelijk wordt aangenomen? Volgens mij is het
een bestendiging van wat daarin staat en voorkomt dit ook dat daar later
van afgeweken kan worden. Ik ben benieuwd waarom dit amendement dan in
materiële zin toch ontraden wordt.
Minister Van den Brink:
Laat ik het zo zeggen: dan creëer je een situatie waarin de beoordeling
en het belang van het kind helemaal apart staan van de rest, maar zij
zitten in de procedure. In de procedure werken mensen die het belang van
het kind integraal op het oog hebben, daarvoor opgeleid zijn en ook
worden geschoold. Ik heb er dus geen twijfels over dat daar voldoende
mensen met voldoende kennis zitten. Het moet dus een integraal onderdeel
van de procedure zijn. Het kan nooit iets zijn wat daarnaast komt te
staan, omdat dat de integraliteit van die beoordeling zou
compliceren.
Ik ga naar het amendement op stuk nr. 18. Daarin wordt een
hardheidsclausule voorgesteld die niet in lijn is met wat wij als
invulling kiezen voor het kerngezin. Het is ook niet nodig, omdat er op
een andere route ook al acht EVRM-aanvragen zijn. Ik denk ook dat de
uitvoering hier eerder mee belast wordt dan dat zij hiermee geholpen zal
zijn. Ook dit amendement ontraad ik dus.
Het amendement op stuk nr. 19 betreft een debat dat we nog niet hebben
gevoerd. De heer Dassen vroeg ook naar een andere ingangsdatum van de
verblijfsvergunning, namelijk niet de dag na het besluit maar op de
datum van aanvraag. Dat klopt. Wij brengen ook dit in lijn met het
Europese minimum, namelijk het beslismoment en niet het aanvraagmoment.
Dat volgt uit die Europeesrechtelijke verplichting. Het is voor de
toekomst ook wenselijk om vanaf dat moment de twee jaar te laten tellen
als die procedure gewoon netjes op orde is. Ook dit amendement ontraad
ik dus.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik begrijp de redenering van de minister op het moment dat je een
werkend systeem hebt. Maar de minister is het toch met mij eens dat, als
we dit zouden invoeren, die twee jaar — waarvan sommige partijen zeggen
dat die noodzakelijk zijn, maar voor ons is dat wel het uiterste — de
komende jaren bij lange na niet gehaald gaan worden? Mensen zullen de
facto dus soms drie, vier, vijf jaar op gezinshereniging moeten wachten
voordat het, hopelijk, vlot getrokken is, nog even afgezien van de
situatie rondom de rechtspraak. Is de minister het ermee eens dat dat de
facto is waar we straks in die eerste periode mee instemmen?
Minister Van den Brink:
De facto niet, maar daarvan kan in uitzonderlijke situaties misschien
sprake zijn. Maar dan nog is dit een invulling die wij wel voornemens
zijn te handhaven, ja.
De voorzitter:
U gaat verder. Nee, mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ja, voortbouwend op wat de heer Ceder zegt. We hebben net met elkaar een
debat gehad over hoe ontzettend ingewikkeld het is voor de uitvoering.
We weten allemaal dat er enorme wachtlijsten zijn. Daar gaat het
amendement natuurlijk over, over de uitvoering van de wet in de
praktijk: wat betekent dit voor mensen in de praktijk? Dan is het toch
zo dat er een hele grote groep is die nog veel langer moet wachten? Dan
begrijp ik dus niet dat, wanneer een voorstel wordt ingediend om het
leed enigszins te verzachten, daar op deze manier op wordt
gereageerd.
Minister Van den Brink:
In aanvulling daarop: we zijn ervan overtuigd dat deze maatregel voor nu
verstandig is, omdat de huidige situatie dan daadwerkelijk zou zijn dat
de nareisbeperking geen effect zou sorteren omdat er natuurlijk al
sprake is van een groep die bijna twee jaar in die asielprocedure zit.
Dan hebben we dus nog steeds met de opvangproblematiek te maken waar we
nu mee zitten, ook door de nareizigers die er zijn. We doen er alles aan
om de voorraad weg te werken, zo snel als dat kan. Ook hierbij is
uiteindelijk de artikel 8 EVRM-toets natuurlijk mogelijk, maar we
handhaven wel ons voorstel om het te doen op de datum van het besluit.
Om die reden ontraad ik het amendement op stuk nr. 19.
Ik kom bij het amendement op stuk nr. 20 over het overgangsrecht.
Eigenlijk is dat dezelfde discussie als die we net hadden over
onmiddellijke werking. We zijn wel degelijk van mening dat we die
onmiddellijke werking van toepassing moeten verklaren om het effect
ervan te kunnen hanteren. Dus ook dit ontraad ik.
Bij het amendement op stuk nr. 21 ...
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 21 is het amendement op stuk nr. 35
geworden.
Minister Van den Brink:
Dan mag ik dit laten gaan; daar kom ik dan straks op terug bij het
amendement op stuk nr. 35.
Zo kom ik bij het amendement op stuk nr. 22. Dat was nog best een
puzzel, dat aanscherpen van de regels voor rechtsbijstand, in het
amendement van de heren Boomsma en Ceulemans. Het onthouden van
rechtsbijstand in niet-kansrijke procedures moet dan worden getoetst
door een rechter. Dat is wat is voorgeschreven. De procedure voor
rechtsbijstand moet mogelijk blijven. Die procedures zullen veel
plaatsvinden. Dat maakt de asielprocedure dus langer. Dat is dus
contraproductief. Wat betreft de vergoedingen van een
rechtsbijstandsverlener: die worden nu al bepaald aan de hand van een
puntenstelsel; meer claimen dan daarin is geregeld, is nu ook al niet
mogelijk. Een dergelijke regeling is dus overbodig. Wat betreft het
terugvorderen van rechtsbijstand als later blijkt dat er meer vermogen
was: het is nu reeds mogelijk om terug te vorderen als er onjuiste
gegevens zijn verstrekt. Het is dit samenstel van argumenten, maar met
name het eerste: als we dit zouden doen, het onthouden van
rechtsbijstand in niet-kansrijke procedures, dan moet dat ook weer
worden getoetst door een rechter. Zo raken de rechters dus nog meer
belast met zaken. Om die reden ontraden wij dit amendement.
De heer Boomsma (JA21):
Wat ik beoogde, was om de ruimte die de verordening nu biedt, meer te
gebruiken. Maar is het zeker dat daarvoor een extra toets door de
rechter nodig is? De IND doet al een screening bij een hoger beroep. Kan
het daar dan niet in worden meegenomen? Is het absoluut noodzakelijk dat
dat langs de rechter gaat?
Minister Van den Brink:
Mijn introductie was dat hier lang op is gestudeerd en dat was precies
om deze reden. Het oordeel was dat die extra beoordeling een
rechterlijke toets vergt. Ik moet u op een bepaalde manier ook
complimenteren voor het goed doorzoeken hiervan, want de ruimte is er
wel in die zin, theoretisch.
Ik kom bij het amendement op stuk nr. 23 van de heer Boomsma en de heer
Ceulemans: toegang tot de arbeidsmarkt alleen voor kansrijke
asielzoekers. Er is onderzocht of het mogelijk is om een nader
onderscheid in die wachttermijn op te nemen, maar zowel UWV als IND
heeft ernstige bezwaren geuit tegen het maken van een nader onderscheid.
Dit zou de regelgeving nog complexer en moeilijker uitvoerbaar maken.
Het is ook de vraag of dit onderscheid juridisch houdbaar is, omdat het
mogelijk zou leiden tot een onderscheid op basis van nationaliteit. De
minister van SZW zal binnenkort een AMvB met enkele aanpassingen omtrent
de wachttermijn aan uw Kamer voorleggen. Ik zou willen voorstellen om
dit debat daar te hernemen, omdat ik de uitvoeringsorganisaties op dit
onderdeel niet zwaarder wil belasten met dit onderwerp. Om die reden
moet ik ook dit amendement ontraden; ik ben wel erg saai vandaag.
Ik kom bij het amendement op stuk nr. 24.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 24 is vervangen door het amendement op stuk
nr. 33.
Minister Van den Brink:
Dan ben ik bij het amendement op stuk nr. 25 over het schrappen van de
mogelijkheid om kinderen in detentie te plaatsen. Ook daarbij hoop ik
dat u mij verstaan heeft. Wij zetten de huidige grensprocedure voort,
waarbij gezinnen met minderjarigen niet vanzelfsprekend … Er kan alleen
sprake zijn van de drie uitzonderingscategorieën die ik eerder genoemd
heb. Dat komt amper voor. Daarnaast is de richtlijn letterlijk in onze
wetgeving vertaald zoals die moet worden vertaald. Daar is wat ons
betreft geen aanpassing voor nodig en dus ontraad ik het amendement op
stuk nr. 25.
De voorzitter:
Mevrouw Westerveld, maar we gaan niet het hele debat opnieuw doen.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik begrijp op geen enkele manier waarom dit amendement ontraden wordt.
Als de minister zegt dat het niet de bedoeling is, kan ons amendement
gewoon worden aangenomen. Laten we het dan wettelijk verankeren als het
niet de bedoeling is dat kinderen in detentie geplaatst worden. Want nu
staat die mogelijkheid wél open.
Minister Van den Brink:
De ruimte die er nu al is, willen we laten bestaan in de wetgeving. Die
wordt op deze manier helemaal dichtgezet. Daarmee wordt de
grensprocedure die wij nu kennen, ook met de drie uitzonderingen rondom
mensenhandel, de gezinsband en nationale veiligheid en openbare orde,
onmogelijk gemaakt. Die toepassing willen we behouden.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik hoorde de minister dat ook antwoorden. Een van de voorbeelden is
mensenhandel. Mensenhandel is bijvoorbeeld seksuele uitbuiting of
arbeidsuitbuiting. Maar als een kind daar het slachtoffer van is, is het
laatste wat je moet doen dat kind in een gesloten setting in een cel
plaatsen. Nog steeds begrijp ik niet waarom deze mogelijkheid wordt
opengelaten. De cel of welke setting dan ook, iets met hekken eromheen
is geen geschikte plek voor kinderen.
Minister Van den Brink:
Ik zit even uit te zoomen op wat u zegt. De situatie waarover wij
spreken, gaat uiteindelijk over ouders met kinderen. Als die band er
gewoon is, wil je op een zorgvuldige manier tot vervolgingsbeleid over
kunnen gaan en dat onderzoeken. Dan zoek je naar een plek waar dat op
een zorgvuldige manier kan worden toegepast. Daar is in het verleden de
gezinslocatie van Zeist als zeer adequaat voor beschouwd en ik heb geen
reden om daar nu een aanpassing in aan te brengen.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Er zijn genoeg redenen om daar wel aan te twijfelen. Als nu ineens de
band met ouders het argument wordt, begrijp ik niet waarom er een
wachttijd is van twee jaar voor gezinshereniging. Dan is dit op dit
moment een gelegenheidsargument. Er worden verschillende argumenten
gehanteerd en die kloppen niet met elkaar.
Minister Van den Brink:
Nou, ik had iets meer … Nee, laat ik het bij mezelf houden. Toen ik hier
vorige week voor het eerst over werd bevraagd, was de centrale vraag:
hoe werkt het nu en werkt het nu goed? Hoe het nu werkt, heb ik net
uitgelegd. En ja, het werkt goed. Ik heb er dus voor gekozen om de
huidige grensprocedure te handhaven zoals die is. Ik doe geen afbreuk
aan hoe die nu werkt en ik hoef die niet op een andere manier wettelijk
te verankeren, omdat die via de huidige verordening en richtlijn netjes
in deze implementatiewet zit. Volgens mij doe ik helemaal wat iedereen
die hier zorgen over heeft, hoopte dat ik zou gaan doen, namelijk op een
zorgvuldige manier omgaan met kwetsbare minderjarigen.
De voorzitter:
Ik sta een heel debat toe. Ja, ik snap het. Mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik begrijp de intentie van deze minister wel, maar het zou natuurlijk
kunnen dat er over een aantal jaren een andere minister zit, die andere
intenties heeft. Ook dan zou ik niet willen dat de wet deze mogelijkheid
heeft. Dat is de reden waarom ik er zo op aandring om dit wettelijk vast
te leggen.
Minister Van den Brink:
Dat is dan weer een ander argument, dat ik tot nu toe niet in dit debat
heb gehoord. Laat ik daarvan zeggen dat de huidige opvangrichtlijn zo
duidelijk is als die is: het is niet de vanzelfsprekendheid, maar de
uitzondering op de uitzondering als er geen andere mogelijkheden zijn —
ik zeg het even in mijn eigen woorden. Dat is dus ook de jurisprudentie
waarbinnen de richtlijn is ingekaderd. Dus ik heb ook om die reden niet
de zorg die u daarover hebt. Die zorg deel ik in die zin niet. Ook naar
de toekomst toe is daar die ruimte niet.
De voorzitter:
De minister gaat verder.
Minister Van den Brink:
Dan het amendement op stuk nr. 26. Wij hebben het debat gevoerd over de
keuzes die eerder zijn gemaakt ten aanzien van de beperking tot het
kerngezin en de ruimte die daar nog steeds voor blijft via artikel 8 van
het EVRM. Om die reden ontraad ik dit amendement.
Dezelfde discussie hebben wij gevoerd over het amendement op stuk nr.
27, om de asielvergunning voor onbepaalde tijd te handhaven. Onze
stelling is dat dit niet kan binnen het nieuwe pact. Om die reden
ontraad ik dit amendement.
Het amendement op stuk nr. 28 gaat over de afschaffing van de
rechterlijke dwangsommen in vreemdelingenzaken, het amendement van de
heer Van Dijk c.s. De bijzonderheid is dat ik het oordeel van mijn
voorganger over dit amendement ga wijzigen in ontraden, onder verwijzing
naar wat ik in mijn inleiding heb gezegd, namelijk dat ik niet de
amendering van de Asielnoodmaatregelenwet opnieuw in dit pact wil
opnemen. Ik wil niet de risico's lopen die daarmee kunnen
samenhangen.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank voor de appreciatie, maar ik begrijp nu dat de wens van de minister
om één lijn te trekken ertoe leidt dat mijn uitgebalanceerde amendement
over één kam wordt geschoren met allerlei wilde politieke amendementen.
In alle ernst: mijn amendement over de dwangsommen ziet natuurlijk op de
uitvoerbaarheid, waarover we het hier de hele dag hebben gehad. Mocht de
Asielnoodmaatregelenwet onverhoopt niet doorgaan, dan zal dat een enorme
domper zijn voor de IND, die erom smeekt dat wij ervoor zorgen dat dit
nu geregeld wordt. Het is ook het enige amendement dat ik heb ingediend.
Ik begrijp het idee van de minister wel, maar het gaat ook om een
amendement dat destijds op een politiek zeer breed draagvlak kon
rekenen. Daar stonden meer dan 100 zetels achter. Wil de minister zijn
oordeel over het amendement toch heroverwegen?
Minister Van den Brink:
Het ongemak is er zeker. Dat wil ik wel erkennen. Tegelijkertijd — ik
heb er echt wel even over nagedacht — handhaaf ik mijn oordeel. Ik denk
dat ik de druk op de beide Kamers minder groot maak door dit oordeel te
geven. Uiteindelijk is het aan uw Kamer om in de stemming te oordelen
hoe u daarmee omgaat. Maar dit oordeel handhaaf ik.
Ik kom dan bij het amendement op stuk nr. 29, ingediend door mevrouw
Lammers en de heer Markuszower, over de Spreidingswet. In het amendement
wordt het enkele onderdeel van de dwang eruit gehaald. Wij zijn van
mening dat deze dwang gewoon aan deze taak gekoppeld is. Aan gemeenten
worden taken toebedeeld. Dan gaat het niet alleen om de taak in het
kader van de Spreidingswet; er worden heel veel taken aan gemeenten
toebedeeld. Inherent daaraan is het interbestuurlijk toezicht. Ik heb
volgens mij de afgelopen weken geprobeerd op heel veel manieren uit te
drukken dat ik met gemeenten in gesprek ga, in gesprek ga en in gesprek
ga. Hier zit geen minister die op die manier met gemeenten wil werken.
Tegelijkertijd is die verplichting wel verplicht. Om die reden ontraad
ik het amendement.
In het amendement op stuk nr. 30, van mevrouw Vondeling en de heer
Wilders, gaat het om dezelfde situatie als in het amendement inzake de
strafbaarstelling van illegaal verblijf. Ik moet er wel bij zeggen dat
het knap in deze wet is gebracht. Dat was nog niet makkelijk, als ik de
wetgevingsjuristen daarover hoorde. Ook dit amendement ontraad ik, onder
verwijzingen naar de Asielnoodmaatregelenwetdiscussie.
Dan kom ik nu op de inhaalamendementen, zoals ik ze even noem.
In het amendement op stuk nr. 31 wordt de toepassing van de
grensprocedure beperkt tot de drie situaties. Dat is niet mogelijk via
de procedureverordening zoals we die hebben ontvangen. Die verordening
is uitonderhandeld. Om die reden onraad ik dit amendement.
Voor het amendement op stuk nr. 32 geldt hetzelfde. Op grond van de
Asiel- en migratieverordening hebben asielzoekers met een dubbele claim
geen recht meer op een opvangvoorziening. De regering acht het in dat
kader niet doelmatig en wenselijk om wel toegang te blijven bieden tot
taalonderwijs. Deze asielzoekers mogen immers niet duurzaam in Nederland
blijven. Om die reden ontraad ik het amendement op stuk nr. 32.
Ik zit hier nu even met verbazing. Omdat ik deze amendementen nog niet
ken, zit ik gewoon hardop te lezen. Dit is het amendement van de heren
Boomsma, Ceulemans, Ellian en Diederik van Dijk, dat de wettelijke
grondslag regelt voor het uitlezen van gegevensdragers. Zoals u weet,
werk ik zelf ook aan een regeling voor deze grondslag. Dat is nodig,
nadat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft
geoordeeld dat de huidige wettelijke grondslag niet volstaat. Zoals u
weet, is het ontwerpen van die regeling geen eenvoudige opgave, omdat er
een groot aantal privacyvragen moet worden beantwoord. Ook moet worden
bezien welke elementen van de regeling op het niveau van de wet een plek
moeten krijgen en welke elementen in een Algemene Maatregel van Bestuur
moeten worden geregeld. Ik ben van plan dat zorgvuldig te doen. Dat
betekent bijvoorbeeld ook dat de AP om advies zal worden gevraagd. Dat
is ook echt verplicht op grond van de AVG. Hoezeer ik ook meeleef en
meevoel en dit ook liever gisteren dan vandaag had geregeld, ik kan dus
niets anders doen dan dit amendement ontraden.
Mij valt ook nog op dat een groot deel van de juridische vragen in dit
amendement naar het niveau van de Algemene Maatregel van Bestuur wordt
gedelegeerd zonder dat duidelijk is of de grondslagen volstaan. Ik kan u
het volgende verzekeren. Als je in de Eerste Kamer staat met een wet
omtrent biometrie — dat heb ik pas gedaan — waarbij er een grondslag
ontbreekt voor iets wat wij over een tijdje gaan regelen, dan is dat
geen heel fijn debat; laat ik het zo zeggen. Met alle serieusheid zeg ik
dat ik snap wat er hier gebeurt, maar dit gaat echt te snel.
De heer Boomsma (JA21):
Ik denk dat dit wel kan. Wij hebben ons er natuurlijk ook in verdiept.
We hebben gewoon de uitspraak van de Raad van State bestudeerd. Er moet
een wettelijke grondslag voor worden opgenomen. Er staat in het
amendement juist heel zorgvuldig uitgelegd dat dat aan allerlei
beperkingen is gebonden en dat een goeie afweging van belangen moet
worden gemaakt door de ambtenaren. Het is dus onze inschatting dat dit
nu kan. Laat ik het dan als volgt vragen. Als wij wachten op de
minister, wat zou dan de kortst mogelijke termijn zijn waarop dit
wetsvoorstel zou kunnen worden aangenomen? Het zou namelijk heel fijn
zijn als je hier meteen mee aan de slag kan als je toch alle procedures
verandert.
Minister Van den Brink:
Laat ik u het volgende toezeggen. Dit is voor mij in die zin ook deels
nieuw. Wij zijn klaar om in consultatie te gaan, maar die consultatie
betekent de Autoriteit Persoonsgegevens. Je hebt er van tevoren niet
gelijk zicht op hoe snel dat gaat. Dat is dus niet toe te zeggen, maar
ik kan u natuurlijk wel toezeggen dat ik daarover zelf met de Autoriteit
Persoonsgegevens in contact ga treden om te proberen daarvoor een
fatsoenlijke termijn af te spreken. Dan kan ik daarna gelijk naar de
Raad van State, zodat het wetsvoorstel mogelijk kort na de zomer hier
ligt. Als ik daar niet toe in staat ben, zal ik u daar ook eerlijk over
informeren.
De voorzitter:
Meneer Boomsma knikt.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ter dubbelcheck: betekent dit dat het amendement ingetrokken wordt? Ik
vraag dit omdat we al een paar keer hebben meegemaakt dat we stemmen
over van alles wat los en vast zit en daarmee de asielketen verder
verstoppen. Ik wil dus even dubbelchecken wat hier nu gebeurt. De
minister heeft iets toegezegd. Is die toezegging voldoende voor de heer
Boomsma? Of gaan we hierover alsnog volgende week stemmen?
De voorzitter:
De minister heeft inderdaad toegezegd met de AP, de Autoriteit
Persoonsgegevens, te gaan praten. Als het niet lukt om het wetsvoorstel
na de zomer in te dienen bij de Tweede Kamer, dan horen wij dat van hem.
Meneer Boomsma knikte dat hij daar kennis van nam en hij wil daar even
over nadenken.
Minister Van den Brink:
Mag ik u dan nog eenmaal meegeven dat dit soort kwesties in de Eerste
Kamer echt heel zwaar liggen? Mag ik dat pleidooi nog een keer houden?
Ik voorzie namelijk ... Dit meen ik in alle ernst. Voor de Eerste Kamer
zijn dit redenen om heel zwaar over een wetsvoorstel te gaan doen. Dit
heb ik alleen gezegd.
Het amendement op stuk nr. 34 is een vervangend amendement van de heren
Boomsma en Ceulemans over de bevoegdheid voor locaties van het COA om
een sollicitatieplicht en een taalcursus op te leggen. Er werd net ook
al een heel debat gevoerd over de sollicitatieplicht. Dat is voor de
uitvoering niet goed te doen, omdat daar geen sanctie aan te koppelen
is. Je kunt niet iemand iets verplichten wat daarna niet te sanctioneren
is. In de uitvoerbaarheid is dat dus echt heel ingewikkeld. Er is wel
ruimte wat betreft de uitvoerbaarheid van de taalcursussen. Op grond van
de Opvangrichtlijn hebben wij geen mogelijkheden om een sanctie op te
leggen bij de sollicitatieplicht. Om die reden moet ik het amendement
ontraden, hoewel ik wel heel veel sympathie heb voor het taaldeel. U
heeft beide delen in één amendement zitten, wat maakt dat ik dit toch
moet ontraden.
De heer Boomsma (JA21):
Ik heb het aangepast om juist een grondslag op te kunnen nemen voor een
maatregel. Het is natuurlijk niet de bedoeling dat je 'm verplicht door
mensen uit de opvang te zetten of zo. Maar zoals bij allerlei andere
zaken kun je toch wel een maatregel opleggen? Dat gebeurt ook op andere
fronten. Zegt de minister nu dat dat wettelijk niet mogelijk is?
Minister Van den Brink:
Nee. De Opvangrichtlijn bevat allerlei criteria waarop je maatregelen
mag opleggen. Die zien ook op taal. Als iemand dus niet aan taal
meedoet, mag je een maatregel opleggen, maar dat mag niet op
sollicitatieplicht. Ik heb dus geen wettelijke grondslag in het Europees
recht om een maatregel op te leggen op sollicitatieplicht. Dus om die
reden …
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik sta ook sympathiek tegenover het amendement van de heer Boomsma, maar
uit mijn interruptiedebatje met hem heeft u ook kunnen opmaken dat ik
het juridisch een beetje wankel vind, ook omdat er geen
handhavingsmechanisme in het amendement is opgenomen. Daardoor wordt
wetgeving namelijk de facto zwak. Kunt u mij aangeven wat er vervolgens
gebeurt als het van de richtlijn wel mag? De Kamer heeft weleens de
neiging om over amendementen te stemmen waar ik mijn bedenkingen bij
heb. Daarom vraag ik toch maar wat het gevolg is voor de azc's op het
moment dat iemand dit wil inroepen. Wat is dan het
handhavingsmechanisme? Als dat er niet is, kan de minister dan
klip-en-klaar aangeven dat we dit gewoon niet moeten doen?
Minister Van den Brink:
Dat laatste is uw conclusie. Ik kan alleen maar zeggen dat er geen
handhavingsinstrumentarium is op de sollicitatieplicht. En die kan ik
dus ook niet verstrekken aan locatiemanagers ter plaatse. De
Opvangrichtlijn biedt er geen ruimte voor en om die reden moet ik het
amendement ontraden.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Een aanvullende vraag. Als mensen gaan werken, wat betekent dat dan voor
hun rechten en plichten en voor de werkgevers? Daar heb ik nog niet
genoeg duidelijkheid over. Ik zou er graag wat meer over willen weten om
dit amendement goed af te kunnen wegen.
De voorzitter:
Het wordt zo een beetje een gekke figuur, maar …
De heer Boomsma (JA21):
Voordat we een hele discussie gaan voeren over een amendement dat ik
niet meer ga indienen: als dit echt niet kan, heeft het natuurlijk geen
enkele zin. Dan ga ik het op die manier dus ook niet doen. Ik ga het dan
opknippen en ervoor zorgen dat er wel een wettelijke grondslag komt voor
die taalcursus. Het lijkt me belangrijk dat in ieder geval die
mogelijkheid er komt.
De voorzitter:
Voor de administratie: u knipt 'm op? Ik zie iedereen knikken.
Oké.
Minister Van den Brink:
Ik zeg alvast toe dat als dat amendement deugdelijk is … Nou, dat zijn
ze altijd. Maar als het deugdelijk is in die zin dat het passend is
binnen de opvangrichtlijn, dan geef ik 'm oordeel Kamer op de
taal.
De voorzitter:
Een faire manier om met elkaar om te gaan.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik denk dat ik 'm dan kan onderschrijven. Maar ik blijf wel vragen om
dan ook de azc-medewerkers te beschermen, want volgens het
handhavingsmechanisme is op het moment dat …
Minister Van den Brink:
Terecht. U heeft een terecht punt. Ik moet even … Laat ik het zo zeggen:
dan is de bevoegdheid gecreëerd. Maar de eerlijkheid gebiedt dan ook om
te zeggen: taalonderwijs op COA-locaties is nu niet "van dien mate" dat
we kunnen zeggen dat we dat dan ook gelijk even op hele korte termijn al
toepassen. Er zitten dus wel een paar stappen voor. We moeten het
taalonderwijs op COA-locaties op orde krijgen en daarna kan je
natuurlijk ook zeggen: u bent verplicht om daarbij aanwezig te zijn.
Maar wel in die volgorde. Dus daar heeft u helemaal gelijk in.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Voor de zuiverheid: wat betekent dit voor dit amendement als we 'm
aannemen? De heer Boomsma knipt 'm op. Nogmaals, ik sta er sympathiek
tegenover. Als het wordt aangenomen, hebben azc-directeuren de
mogelijkheid om dit op te leggen. Eén: ik begrijp van de minister dat er
onvoldoende beschikbaarheid is. Twee: als die er wel is en het wordt
opgelegd, dan ontstaat de situatie, als iemand nee zegt, dat diezelfde
persoon, die wel een grondslag heeft, vervolgens vanuit de wet geen
handhavingsmechanisme kent. Klopt dat of zie ik iets over het
hoofd?
Minister Van den Brink:
Op de taal is er dus wel ruimte vanuit de Opvangrichtlijn om maatregelen
op te leggen. Maar laat ik in ieder geval toezeggen … Dit is weer zo'n
typisch voorbeeld van een besluit waar ik dan invulling aan ga geven,
maar dat wel weer nieuw beleid is. Dus zodra we de taalcursussen op
COA's, een van de sporen in het beleid van het kabinet, verder op orde
hebben gebracht, kom ik bij uw Kamer terug met een uitwerking van die
plicht op taalcursussen en de maatregelen waarmee dat gepaard
gaat.
De voorzitter:
Meneer Boomsma zei dat hij het amendement gaat opknippen. We zien dus
een gewijzigde versie tegemoet. We kunnen nu niet aan de voorkant een
oordeel opschrijven, maar dat gaan we in de administratie allemaal
regelen.
Minister Van den Brink:
Sorry, ik ben soms iets te praktisch.
De voorzitter:
Ik denk dat we nog even schriftelijk appreciëren, maar dat gaan we
regelen.
Minister Van den Brink:
Dan kom ik bij het amendement op stuk nr. 35 van de heer Ceder, dat
vraagt om een evaluatie na vijf jaar van maatregelen uit de
wetsvoorstellen, in ieder geval van de nareismaatregel van subsidiair
beschermden en bewaring van minderjarigen. Ik vind dat een goed idee. Ik
denk dat die evaluatie breder zou moeten zijn en dat het goed is als we
op enig moment richting die vijf jaar terugkomen bij de Kamer. Op
onderwerpen waarvan we nu denken dat daarop geëvalueerd moet worden,
zullen we over drie jaar concluderen "nou, dat ging eigenlijk wel
aardig", maar er zijn ook zaken die we nog even tegen het licht willen
houden. Ik zeg toe dat ik, voordat die evaluatie start, eerst de Kamer
informeer op welke onderdelen die evaluatie zal zien. Oordeel
Kamer.
De voorzitter:
Oordeel Kamer. Kijk, de eerste van de avond.
Minister Van den Brink:
Het amendement op stuk nr. 36 beoogt, zo lees ik in de toelichting, op
wetsniveau te regelen dat kosteloze juridische counseling uitsluitend
wordt verstrekt door geaccrediteerde onafhankelijke maatschappelijke
organisaties en expliciet niet door de IND. Dit amendement is ingediend
door mevrouw Westerveld en de heer Dassen. Ik moet het ontraden. De
medewerkers van de IND zijn onafhankelijk en er bestaat een strikte
scheiding tussen medewerkers die op aanvragen beslissen en medewerkers
die voorzien in juridische counseling. Daarnaast wil ik de IND niet
afhankelijk maken van externe partijen om de proceduretijd die zo wordt
ingekort verder onder druk te zetten. Om die reden ontraad ik dit
amendement.
De voorzitter:
Helder. Dan zijn we door de amendementen heen. Wat mij betreft gaan we
direct door. Ik weet niet of iedereen zijn moties gereed heeft? Een
plaspauze. Vijf minuten? Ik schors voor vijf minuten.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Dat doe ik niet zonder namens iedereen, denk
ik, dank te zeggen aan de ondersteuning van de Tweede Kamer, die langer
voor ons blijft. Dat waarderen we. Mijn beveiliging staat voor de deur.
Zij horen mij niet, maar ook dank aan hen. Mevrouw Van der Plas, u laat
zich zo meteen excuseren, want u moet weg. Aan u het woord voor de
tweede termijn. Ik hoop dat de collega's elkaar nu niet willen ... Ja,
het mag, maar alsjeblieft!
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u wel. Voorzitter. Dit hele debat gevolgd hebbend over een
fundamentele wijziging ben ik er nog niet helemaal gerust op. Wat we
gaan doen, moeten we zien. De ene kant vindt het allemaal te streng en
de andere kant vindt het allemaal te slap. Ik denk dat er in de Kamer
nog best veel vraagtekens zijn, zeker ook bij ons. Dat zegt nog niks
over ons stemgedrag, maar ik wil wel alvast meegeven dat ik er nog niet
helemaal gerust op ben. Dat heeft er ook mee te maken dat we niet zeker
weten dat andere landen zich zullen houden aan de afspraken. De minister
heeft gezegd "we hopen dat de afspraken worden nagekomen", maar ik heb
nog geen duidelijke noodrem gezien voor het geval dat landen zich daar
niet aan houden.
Daarom probeer ik nog wat te doen met moties.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het EU-Asiel- en Migratiepact alleen kan functioneren
als alle lidstaten hun verplichtingen daadwerkelijk nakomen;
constaterende dat eerdere Europese afspraken, zoals de
Dublinverordening, structureel zijn ondermijnd doordat lidstaten hun
verplichtingen niet naleefden, terwijl Nederland zich wel aan de regels
hield en daardoor onevenredig werd belast;
overwegende dat ook onder het huidige pact afdwinging en sancties
ontbreken wanneer lidstaten hun verantwoordelijkheden niet
nakomen;
overwegende dat het onaanvaardbaar is dat Nederland opnieuw de gevolgen
draagt van het falen van andere lidstaten;
verzoekt de regering te komen met een plan van aanpak voor het geval
andere lidstaten het pact niet of niet volledig naleven, en indien
structurele niet-naleving aanhoudt en Nederland daardoor onevenredig
wordt belast, niet langer onvoorwaardelijk uitvoering te geven aan het
pact,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.
Zij krijgt nr. 37 (36871) (#1).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het solidariteitsmechanisme binnen het Migratiepact is
gebaseerd op het bruto binnenlands product en het inwonersaantal van een
lidstaat;
overwegende dat Nederland een relatief hoog bruto binnenlands product
heeft en een groot aantal inwoners op een relatief klein
oppervlak;
overwegende dat dit ertoe leidt dat Nederland naar verhouding een
onevenredig aandeel levert in de opvang binnen de
solidariteitspool;
overwegende dat relevante factoren voor een eerlijke spreiding, zoals
landoppervlak en bevolkingsdichtheid, momenteel geen onderdeel uitmaken
van dit mechanisme;
verzoekt de regering zich er in Europees verband voor in te spannen dat
naast het bbp en het inwonersaantal ook landoppervlak en
bevolkingsdichtheid in belangrijke mate worden meegewogen in het
solidariteitsmechanisme,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Plas en Ceder.
Zij krijgt nr. 38 (36871) (#2).
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dan laat ik mij inderdaad nu verexcuseren vanwege een andere afspraak,
maar ik dank de minister en zijn staf voor de beantwoording van de
vragen en natuurlijk ook de medewerkers die vandaag allemaal langer
hebben moeten blijven.
Dank u wel.
De voorzitter:
U bedankt, mevrouw Van der Plas. We gaan naar mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Bij die dankwoorden sluit ik me aan. Ik heb in mijn inleiding al
aangegeven, heel duidelijk zelfs, dat GroenLinks-PvdA voor de
doelstellingen van het Europese Migratiepact, voor meer harmonisatie
tussen de landen en voor solidariteit is, maar dat we moeite hebben met
een aantal extra maatregelen die zijn toegevoegd. Daarbij heb ik het in
het bijzonder over twee zaken, namelijk de onnodige versobering voor de
gezinshereniging, met bijvoorbeeld een wachttijd van twee jaar, en het
in detentie kunnen plaatsen van kinderen. Dat vinden we echt twee hele
zwaarwegende zaken. Daar zal straks onze steun ook van afhangen.
Ik heb nog twee moties.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de regering ervoor kiest om gezinnen met kinderen in
grensdetentie in een aantal gevallen systematisch in grensdetentie te
stellen;
constaterende dat de detentie van kinderen schadelijk en traumatiserend
is en bovendien in strijd is met het Internationaal Verdrag inzake de
Rechten van het Kind;
overwegende dat onvoldoende is gekeken naar mogelijke alternatieve
maatregelen voor detentie van kinderen;
verzoekt de regering voorafgaand aan de inwerkingtreding een
kinderrechtentoets uit te voeren over deze wet,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Westerveld, Ceder en
Dassen.
Zij krijgt nr. 39 (36871) (#3).
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Dan de tweede motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat het Europese Asiel- en Migratiepact alleen kan werken
wanneer solidariteit het fundament vormt van beleid;
constaterende dat Nederland kiest om het solidariteitsmechanisme af te
kopen in 2026;
verzoekt de regering alles in het werk te stellen om de uitvoering op
orde te brengen zodat het solidariteitsmechanisme dit jaar niet
afgekocht wordt,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Westerveld en Dassen.
Zij krijgt nr. 40 (36871) (#4).
Oké. Mevrouw Vondeling.
Mevrouw Vondeling (PVV):
Ik zal gelijk starten met de moties.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het Europese Asiel- en Migratiepact een grote flop is
en de massale instroom van gelukszoekers niet stopt, maar alleen
probeert te verdelen over Europa of af te kopen met ons
belastinggeld;
van mening dat herverdelen en afkopen capitulatie is aan Brussel en de
asielindustrie, terwijl een asielstop gratis is en instroom stopt;
verzoekt de regering per direct onze eigen grenzen te sluiten, een
volledige asielstop af te kondigen en alle vormen van herverdeling en
afkoop in het Europese Asiel- en Migratiepact af te wijzen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Vondeling en Wilders.
Zij krijgt nr. 41 (36871) (#5).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt de regering onmiddellijk over te gaan tot het intrekken van
alle tijdelijke verblijfsvergunningen van Syriërs en ervoor te zorgen
dat Syriërs direct terugkeren naar Syrië,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Vondeling.
Zij krijgt nr. 42 (36871) (#6).
Mevrouw Vondeling (PVV):
Dan nog één motie, ondanks dat de minister net is ingegaan op het
wetsvoorstel over die gegevens uitlezen. Toch nog één motie om hem te
stimuleren om dat snel te doen.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de identificatie en registratie van asielzoekers niet
op orde zijn en dat gegevensdragers van asielzoekers, zoals mobiele
telefoons, nog niet worden uitgelezen;
overwegende dat het uitlezen van telefoons en andere gegevensdragers
essentieel is om reisroutes en identiteiten van asielzoekers te
verifiëren;
overwegende dat het niet uitlezen van telefoons en andere
gegevensdragers van asielzoekers Nederland blootstelt aan enorme
veiligheidsrisico's, fraude, misbruik en dat dit de terugkeer van
asielzoekers ernstig belemmert;
verzoekt de regering om met spoed een wetsvoorstel naar de Kamer te
sturen dat het uitlezen van gegevensdragers bij asielzoekers wettelijk
verplicht stelt en dit beleid per direct uit te voeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Vondeling.
Zij krijgt nr. 43 (36871) (#7).
Mevrouw Vondeling (PVV):
Dank u wel.
De voorzitter:
U bedankt. De heer Van Asten.
De heer Van Asten (D66):
Dank. Geen moties van D66. Ik wil de minister bedanken voor de
beantwoording. Wat D66 betreft gaan we aan de slag met het Migratiepact,
dat ervoor zorgt dat we eindelijk een Europese aanpak hebben van
migratie, we snel aan de slag kunnen met de invoering daarvan en we
eindelijk een wet gaan krijgen die mensen zekerheid gaat bieden over de
procedures.
Dank u wel.
De voorzitter:
U bedankt. De heer Van Dijk.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank u, voorzitter. Het Asiel- en Migratiepact reflecteert de nieuwe
wind die binnen Europa waait om te komen tot een beperking van de asiel-
en migratiestromen. Het is niet ideaal; het is niet voorkomen, het is
geen wondermiddel, maar wel een stap in de goede richting wat betreft de
SGP. Zo kijken wij naar dit pact en naar de wetgeving waarmee het wordt
geïmplementeerd. Er moet nog meer gebeuren. Ik herhaal nog even het punt
van de bevolkingsdichtheid. We zullen goed volgen of de minister dat ook
op het juiste moment inbrengt.
Ik heb één motie. Die luidt als volgt.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat implementatie van het Asiel- en Migratiepact moet
bijdragen aan het krijgen van grip op migratie;
overwegende dat het migratiesaldo van Nederland en de Europese Unie op
dit moment structureel te hoog is en dat de draagkracht van de
samenleving hiermee onder grote druk staat;
verzoekt de regering voortdurend te monitoren in hoeverre het pact ook
daadwerkelijk bijdraagt aan de beperking van de asielinstroom;
verzoekt de regering indien dit tot onvoldoende grip op migratie leidt
op EU-niveau zich in te zetten voor het treffen van aanvullende,
instroombeperkende maatregelen en de mogelijkheid van een quotum of
richtgetal met een duidelijke bovengrens daarbij te betrekken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Diederik van Dijk en
Boomsma.
Zij krijgt nr. 44 (36871) (#8).
Bedankt. De minister gaat zo meteen vrolijk de moties appreciëren. Het
komt allemaal goed. Mevrouw Straatman.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Namens mij geen moties. Rest mij alleen de
minister te bedanken voor de uitvoerige beantwoording en de collega's
voor het goede debat. Voor het CDA is het essentieel dat dit pact wordt
ingevoerd en ook op een wijze door het kabinet wordt geïmplementeerd die
nodig is voor een werkend asielsysteem. Dat het niet volmaakt is,
erkennen wij ook, maar wij zien ook dat het een hele belangrijke stap is
in de juiste richting. Bij iedere fundamentele asielwijziging of
wijzigingen in het algemeen, zeker ook hier, is de uitvoering spannend.
Dat is hier dus niet anders, maar dat maakt dat ik extra mijn dank
uitspreek aan alle medewerkers van de IND en alle ketenpartners, die
zich voor de volle honderd procent inzetten om dit pact ten uitvoer te
brengen.
De voorzitter:
Mevrouw Lammers.
Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
Ook ik dank de minister voor de beantwoording. Ik heb drie moties.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het Europese Migratiepact alleen voorziet in een
grensprocedure voor kansarme aanvragen en dat minderjarigen daarvan zijn
uitgezonderd;
overwegende dat mensensmokkel hiermee in stand blijft en asielaanvragen
en illegale doorreis in Europa blijven plaatsvinden;
overwegende dat de kans groot is dat kinderen vooruit worden gestuurd en
hiermee de hele functie van de grensprocedure wordt ondermijnd;
verzoekt de regering om met gelijkgezinde landen binnen een jaar te
komen tot een voorstel waarbij asielaanvragen uitsluitend buiten de EU
worden behandeld,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Lammers.
Zij krijgt nr. 45 (36871) (#9).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het nieuwe migratiepact de illegale instroom van
asielzoekers niet effectief zal terugdringen;
overwegende dat Duitsland de grenzen bewaakt en asielzoekers
terugstuurt;
verzoekt de regering onze grenscontroles maximaal te intensiveren en net
als Duitsland asielzoekers niet binnen te laten,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Lammers.
Zij krijgt nr. 46 (36871) (#10).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er wekelijks gemiddeld 800 asielaanvragen worden
ingediend;
constaterende dat er naar schatting tussen de 20.000 en 60.000 mensen
illegaal in Nederland verblijven;
overwegende dat het Migratiepact het probleem van illegaliteit niet
aanpakt noch oplost;
verzoekt de regering een uitzetprogramma te starten en wekelijks 800
illegalen uit te zetten, en de Kamer hierover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Lammers.
Zij krijgt nr. 47 (36871) (#11).
Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
Dank u wel.
De voorzitter:
Oké, u ook bedankt. De heer Boomsma.
De heer Boomsma (JA21):
Dank, voorzitter. Dank aan de minister voor de beantwoording. Over ons
amendement over de termijn van drie maanden voor werk: Nederland kiest
ervoor om een termijn te hanteren van drie maanden voor bepaalde
groepen, terwijl de richtlijn na zes maanden verplicht toegang geeft tot
de arbeidsmarkt. Ik weet niet of de heer Ceder dit als een nationale kop
zou zien. Ik begrijp niet waarom dit amendement het ingewikkelder zou
maken. In het huidige voorstel is het ook al zo dat er onderscheid wordt
gemaakt en dat de mensen met een kansarme aanvraag niet al in aanmerking
komen voor werk na die drie maanden. Dat onderscheid wordt toch al
gemaakt? Voor welke groepen zou die termijn van drie maanden in de
huidige situatie zoals de minister beoogt dan niet gelden?
Hoe dan ook vindt JA21 dat dit niet mag leiden tot een extra
asielmotief. Ik vind de term "aanzuigende werking" altijd heel lelijk,
dus die gebruik ik niet, maar de betekenis is natuurlijk helder. Ons
amendement was juist bedoeld om het om te draaien en niet om het
complexer te maken. Ik vraag me af of, als je werkt, dat kan worden
gebruikt in de belangenafweging bij artikel 8 EVRM-procedures. Ik ben
benieuwd of het dan wel wordt gehanteerd als extra reden om mee te
wegen.
Dan over het amendement over het uitlezen van de mobiele telefoons. Het
blijft natuurlijk heel erg wrang. Volgens mij vindt ongeveer iedereen
het een goed idee om dit te doen. Als mensen een beroep doen op ons voor
opvang en hulp, dan is het volstrekt logisch dat je ook kunt kijken of
dat asielrelaas klopt en dat je dat dan ook gewoon toelaat. Als iedereen
het wil, waarom is het dan zo ontzettend moeilijk en zitten we er al
jaren over te steggelen? Wat is nou het ergste dat er kan gebeuren als
je dit aanneemt? Je kunt gewoon gaan proberen om die telefoons uit te
lezen. Als er dan toch een rechter is die iets heeft bedacht waardoor
het niet zou kunnen, heb je altijd nog het andere traject waar de
minister over sprak. Ik twijfel nog of ik het amendement moet
intrekken.
Dan heb ik tot slot nog drie moties. Eentje over aanvullende maatregelen
bij achterblijvende instroomdaling.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat het urgent en noodzakelijk is om de instroom van
asielzoekers naar Nederland drastisch te beperken;
overwegende dat de regering zelf ook aangeeft dat het Nederlandse
asielsysteem in de huidige vorm onhoudbaar is;
overwegende dat onze Europese buurlanden strengere maatregelen
treffen;
verzoekt de regering, indien de instroom van asielzoekers zes maanden na
de invoering van het Asiel- en Migratiepact op 12 juni niet drastisch is
gedaald ten opzichte van het gemiddelde van afgelopen twee jaar,
aanvullende maatregelen voor te leggen aan de Tweede Kamer om de
instroom te beperken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Boomsma en Diederik van
Dijk.
Zij krijgt nr. 48 (36871) (#12).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat het overgrote deel van de asielzoekers via een fysieke
buitengrens naar de EU komt en niet via een luchthaven;
overwegende dat deze landen in het verleden ervoor hebben gekozen om
asielzoekers niet te registreren maar door te laten reizen naar
Noord-Europa;
overwegende dat het solidariteitsmechanisme kan motiveren om Dublin
beter na te leven maar nog altijd van belang kan zijn om mensen niet
tijdelijk op te vangen;
overwegende dat de werking van het Migratiepact afhankelijk is van de
bereidheid van andere EU-landen met buitengrenzen om de grensprocedure,
eerste screening en registratie succesvol te implementeren;
verzoekt de regering:
in overleg te treden met de Europese Commissie en landen met een buitengrens waaronder in ieder geval Italië, Spanje en Griekenland over afspraken over naleving van het pact en specifiek de Dublinprincipes en het toezicht daarop;
indien noodzakelijk daartoe zelf aanvullende maatregelen te nemen en ondersteuning te bieden ter naleving van de regels van het pact;
daarover afspraken te maken en die terug te koppelen aan de Tweede Kamer,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Boomsma en Diederik van
Dijk.
Zij krijgt nr. 49 (36871) (#13).
De heer Boomsma (JA21):
Tot slot.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de IND kampt met grote achterstanden in het verwerken
van asielaanvragen, nareisaanvragen en andere zaken terwijl de instroom
nog altijd hoog is;
overwegende dat het wegwerken van die achterstanden en bijhouden van
nieuwe aanvragen kan leiden tot druk op de organisatie om sneller te
besluiten, ook als dit leidt tot het makkelijker verlenen van
asielvergunningen;
overwegende dat het cruciaal is dat de IND voldoende capaciteit houdt
voor het herbeoordelen van asielvergunningen indien de omstandigheden in
het land van herkomst zijn veranderd;
verzoekt de regering:
voldoende aparte capaciteit bij de IND vrij te maken en te houden voor het starten van herbeoordelingsprocedures wanneer relevante feiten zijn achtergehouden of omdat de omstandigheden in landen van herkomst terugkeer mogelijk maken, en de Kamer te informeren over de uitvoering hiervan;
er aanhoudend zorg voor te dragen dat het streven naar het wegwerken van achterstanden en verwerken van nieuwe aanvragen nooit ten koste mag gaan van de zorgvuldigheid van beoordelingen en in geen geval ertoe mag leiden dat eerder en sneller asielvergunningen worden verleend,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Boomsma en Diederik van
Dijk.
Zij krijgt nr. 50 (36871) (#14).
De heer Boomsma (JA21):
Dank u wel.
De voorzitter:
Meneer Dassen.
De heer Dassen (Volt):
Dank, voorzitter. Dank ook aan de bewindspersoon voor de
beantwoording.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de herziene Eurodacverordening de leeftijdsgrens voor
biometrische gegevens verlaagt naar zes jaar en dat minderjarigen als
uiterste middel aan dwang mogen worden onderworpen;
overwegende dat het belang van het kind vooropstaat en dat dwang bij
jonge kinderen zo veel mogelijk voorkomen dient te worden;
verzoekt de regering in de uitvoeringsregelgeving vast te leggen dat
biometrie bij minderjarigen uitsluitend plaatsvindt indien dit
noodzakelijk en proportioneel is, zonder dwang en op kindvriendelijke
wijze wordt uitgevoerd, en dat betrokken ambtenaren hiervoor een
verplichte kindgerichte opleiding hebben gevolgd,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Dassen.
Zij krijgt nr. 51 (36871) (#15).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat het gerechtshof Den Haag in 2022 heeft vastgesteld dat
de asielopvang niet voldoet aan de minimumnormen van de Opvangrichtlijn,
met name voor kwetsbare personen en kinderen, en dat dit zich dreigt te
herhalen;
constaterende dat een concreet plan en tijdpad voor de afbouw van
noodopvang en de realisatie van voldoende reguliere opvang
ontbreekt;
verzoekt de regering een gedetailleerd plan met tijdpad te presenteren
voor de afbouw van (crisis)noodopvang en het realiseren van reguliere
opvangplekken die voldoen aan de Opvangrichtlijn,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Dassen.
Zij krijgt nr. 52 (36871) (#16).
De heer Dassen (Volt):
Voorzitter. Ik heb nog één vraag over de appreciatie van het amendement
op stuk nr. 31. De minister zei dat dit niet kon vanwege het pact. Dit
gaat echter over de additionele categorieën die Nederland hierbovenop
doet. Dus volgens mij kan het amendement wel degelijk uitgevoerd
worden.
Dan wil ik nog een keer mijn zorg herhalen over de uitvoering van dit
pact, waarbij elk land zijn eigen maatregelen gaat toevoegen. Daardoor
wordt het uiteindelijk toch nog steeds een race to the bottom en zal de
echte Europese aanpak, waar wij volgens mij allemaal naar snakken, heel
moeilijk behaald worden op deze manier. Ik vind het zonde dat Nederland
daar wederom in meegaat.
Dan nog één laatste punt: het belang van taal. Ik denk dat we als
politici allemaal weten wat taal doet. Het valt mij ook vandaag weer op
dat wij bepaalde woorden gebruiken — ik heb er zelf ook niet direct
andere woorden voor — waar we volgens mij op moeten reflecteren. Ik doel
dan op woorden als "voorraden wegwerken" en "quota". Ik ben mijn
bijdrage begonnen met de opmerking dat het hier over mensen gaat. Ik
denk dat we nog eens kritisch op onszelf moeten reflecteren als we dit
soort woorden kiezen, want dat zorgt er juist voor dat we het menselijke
en menswaardige aspect weghalen met elkaar. Ik daag de collega's, maar
zeker ook de minister, uit om daar nog eens kritisch naar te
kijken.
Dank u wel.
De voorzitter:
De heer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Voorzitter. Dank u wel voor de uitwisseling die u mogelijk hebt gemaakt.
Ik denk dat wij wel een debat hebben kunnen voeren. Het debat had naar
mijn gevoel toch nog wat verder uitgediept kunnen worden. Ik betreur het
dat dit niet is gebeurd. In ieder geval dank ik u voor het leiden van
dit debat. Ik dank ook de minister voor zijn beantwoording.
Ik heb een aantal amendementen ingediend. Waar die direct voortvloeien
uit richtlijnen die niet aangepast zullen worden, zal ik ze
waarschijnlijk intrekken. Er zijn een of twee amendementen waarop wel
degelijk na 12 juni 2026 een verdere invulling volgt. Ik denk dat het
zeer wenselijk is dat wij van links tot rechts tijdig weten waar de
minister mee komt, zodat we daar ook iets van kunnen vinden. Ik denk dat
ik die amendementen handhaaf. Het gaat om een of twee amendementen, maar
de administratie daarvan zal nog volgen.
Ik heb daarnaast een aantal moties en ik verzoek om een toezegging. Ik
begin met een motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het Europees Migratiepact gericht is op een
gezamenlijke en duurzame aanpak van migratie binnen de Europese
Unie;
overwegende dat effectieve migratiebeheersing niet alleen ziet op
instroom, maar ook op terugkeer en perspectief voor personen zonder
verblijfsrecht;
overwegende dat vrijwillige remigratie kan bijdragen aan een humane en
duurzame oplossing voor migratievraagstukken;
overwegende dat vrijwillige remigratie kan toenemen met doelmatige en
rechtmatige maatregelen, onder andere financiële prikkels;
verzoekt de regering om, in het kader van de uitwerking en implementatie
van het Europees Migratiepact, te onderzoeken op welke wijze remigratie
ten aanzien van alle vormen van verschillende verblijfstitels verder
gestimuleerd kan worden en daarbij expliciet in te gaan op de
voorwaarden waaronder financiële prikkels een effectieve en verantwoorde
bijdrage kunnen leveren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder en Diederik van
Dijk.
Zij krijgt nr. 53 (36871) (#17).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat gezinsleden van een al erkende statushouder in het
kader van gezinshereniging twee jaar moeten wachten buiten Nederland
voordat zij kunnen nareizen;
constaterende dat deze wachttijd kan leiden tot vertraging in de
integratie van gezinsleden in de Nederlandse samenleving en daar
vervolgens negatieve neveneffecten uit kunnen voortvloeien;
overwegende dat het benutten van de wachttijd in het land van herkomst
kan bijdragen aan het verkleinen van de afstand tot de Nederlandse
samenleving;
verzoekt de regering om te onderzoeken hoe gezinsleden die wachten op
gezinshereniging al in het land van herkomst kunnen starten met
integratie, waaronder taalonderwijs en voorbereiding op de Nederlandse
samenleving;
verzoekt de regering tevens om daarbij te bezien hoe deze voorbereiding
toegankelijk en effectief kan worden ingericht,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ceder.
Zij krijgt nr. 54 (36871) (#18).
De heer Ceder (ChristenUnie):
Voorzitter. We hebben een discussie gevoerd over nationale koppen. De
minister kon geen toezegging doen. In het kader van niet alleen dit
pact, maar ook andere Europese regelgeving, vind ik het belangrijk om
dat toch wat verder uit te werken. Daarom de volgende motie over de
nationale koppen.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat bij de implementatie van Europese regelgeving soms
sprake is van aanvullende nationale regels, boven op al bestaande
Europese regels, ook wel aangeduid als "nationale koppen";
overwegende dat het voor de voorspelbaarheid en controle op wet- en
regelgeving door de Kamer belangrijk is dat duidelijk wordt wanneer en
waarom er wordt gekozen voor een nationale kop en wanneer deze "onnodig"
is;
overwegende dat het uiteindelijk aan de Kamer zelf is om voor of tegen
nationale koppen te stemmen;
verzoekt de regering om een heldere en voor eenieder begrijpelijke
definitie en een afwegingskader te formuleren voor hoe zij Europese
regelgeving implementeren, en die binnen twee weken naar de Kamer toe te
sturen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder en Van der Plas.
Zij krijgt nr. 55 (36871) (#19).
De heer Ceder (ChristenUnie):
Voorzitter. De laatste motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat uit het debat blijkt dat de druk op de rechtspraak
mogelijk toeneemt en er signalen zijn dat de rechtspraak dreigt vast te
lopen;
overwegende dat vertragingen in de rechtspraak grote gevolgen kunnen
hebben voor betrokkenen en de uitvoering van beleid, waaronder het
migratiebeleid;
verzoekt de regering om alles op alles te zetten om te voorkomen dat de
rechtspraak vastloopt;
verzoekt de regering tevens om de Kamer tijdig te informeren over
(dreigende) knelpunten en, indien nodig, direct met concrete
noodmaatregelen te komen om de continuïteit van de rechtspraak te
waarborgen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder en Westerveld.
Zij krijgt nr. 56 (36871) (#20).
De heer Ceder (ChristenUnie):
Tot slot, voorzitter. De IND begint met een dunnere schil ten aanzien
van de implementatie. Later zal dat verder opgebouwd worden. Ik zou
graag willen vragen of de minister kan toezeggen om ons tijdig te
informeren over de implementatie en over mogelijke uitvoeringstoetsen
ten aanzien van ICT en andere zaken. Dan kunnen wij onze controlerende
taak uitvoeren wat betreft hetgeen waar we nu al mee instemmen, maar
waarvan we pas later de uitwerking kunnen meemaken. Op dat punt dien ik
geen motie in, maar ik vertrouw erop dat de minister daarop een
toezegging kan doen.
Voorzitter, ik sluit af. We hebben veel interrupties gehad en veel
debatten. In principe steunt de ChristenUnie de gedachte van het
Migratiepact. Ik hoop dus ook dat we voortvarend aan de slag kunnen
gaan. We hebben voorstellen gedaan om deze wet beter en toegankelijker
te maken en hopelijk ook voor het faciliteren van een betere
doorstroming en een betere regelgeving ten aanzien van de kwetsbaarheid
van kinderen. Dat wou ik nog gezegd hebben.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dat gaat goed. Dank iedereen.
Voorzitter: Westerveld
De heer Ellian (VVD):
Als jullie het goedvinden, zal ik snel en kort mijn eigen tweede termijn
doen namens de VVD-fractie. Ook nu is er weer een hoop gezegd. Uiteraard
dank ik de minister voor zijn beantwoording, maar ook zijn
ondersteuning. Zij hebben toch geprobeerd ons op een hele korte termijn
te bedienen van vrij moeilijke wetstechnische vraagstukken. Dank
daarvoor.
Een paar opmerkingen van mijn kant. Ik voorspel iedereen het volgende.
Dat is iets waar de VVD zich de komende tijd echt op zal richten. Je
kunt het "detentieachtig" noemen, of "sober". De heer Boomsma zei mooi:
soberder kan niet. Toen besefte ik dat dat klopt, maar dat "sober"
misschien niet eens meer het goede woord is voor mij om te gebruiken.
Het gaat om de vraag: hoe vrij vinden we dat bijvoorbeeld
Dublinclaimanten zich nog mogen bewegen? En: wat staan we nog toe bij de
grenslocaties, niet alleen in Nederland maar ook aan de grens van de EU?
Ik verwacht dat dat een hele belangrijke discussie gaat worden, want
anders blijft het bij een hoop techniek. Ik denk dat je uiteindelijk
iets zult moeten doen om een bepaald effect te bereiken. Dat is helaas
ook met een afschrikwekkende werking, denk ik zelf.
Over de bevolkingsdichtheid is gesproken. Ik ben daar heel benieuwd
naar. De minister heeft toegezegd dat we daarover vaker iets terug gaan
horen. Dat is fijn. Ik begreep ook van de minister dat hij de aansporing
vanuit onze zijde richting Griekenland en Italië ziet. Dat is niet
alleen om met de vinger te wijzen, maar ook vanwege de vraag hoe wij hen
gaan helpen als zij uiteindelijk zo'n belangrijke rol spelen in het
vervolmaken van dit pact. Ook over het solidariteitsmechanisme hebben we
veel gesproken. Uiteindelijk wil je dat dit een succes wordt. Zo
beluister ik de minister ook. Daar zal de VVD het kabinet op
controleren. Dat is ons werk, dus dat zullen we ook gaan doen.
Tot slot zeg ik uiteraard dat wij elkaar nog gaan spreken over de
kwestie rondom de rechter. Dat spijt me enorm. Ondertussen krijg ik
allemaal berichten van mensen die zeggen: Ellian, het is top dat je dat
inbrengt. Het kan niet dat één persoon op deze manier een bom onder een
pact legt terwijl dat niet bij haar functie zou moeten horen.
Voorzitter: Ellian
De voorzitter:
Minister, ik zag u dringend pennen. Hoeveel tijd heeft u nodig?
Minister Van den Brink:
Tien minuutjes.
De voorzitter:
Dan schors ik tien minuten en dan doen we snel de appreciaties. Dan gaan
we het daarna afronden. Ik dank de collega's voor hun discipline in de
tweede termijn. Komen jullie er met het printen uit ook, bodes, met tien
minuten? Ik hoor dat dat het geval is. Toppie, dank jullie wel. Dan
schors ik voor tien minuten.
De vergadering wordt van 18.57 uur tot 19.11 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. We zijn nog steeds bezig met het
wetgevingsoverleg over de uitvoering van het Migratiepact. Ik geef het
woord aan de minister voor zijn tweede termijn, waarin we de
appreciaties van de ingediende moties doen. Aan u het woord.
Minister Van den Brink:
Dank u wel, voorzitter, en dank voor de reactie in de tweede termijn.
Ook mijn dank voor jullie dankzegging aan de organisatie en de mensen
hierachter. Dat is meer dan terecht. Nogmaals dank voor de ruimte die er
vandaag was om dit grote wetsvoorstel met elkaar te kunnen bespreken. Ik
ben van plan om eerst de moties te doen en daarna nog even door de losse
vragen heen te lopen, als dat deze keer in de goede volgorde mag.
Ik begin met de motie van mevrouw Van der Plas op stuk nr. 37. Zij drukt
een zorg uit die, denk ik, veel partijen vandaag hebben geuit. Die zorg
is dat er op papier veel verbetert, maar dat het zich in de praktijk nog
wel moet bewijzen. Indien daar zorgen over zijn, zijn wij daar als
kabinet op aanspreekbaar. Wij spreken daar anderen ook op aan en dat is,
denk ik, wat deze motie op een mooie manier onder woorden brengt. Als er
onvolkomenheden in zitten, dan gaan we het gesprek aan met alle andere
lidstaten om die uitvoering dan weer onvoorwaardelijk met elkaar op de
goede manier ten uitvoer te brengen. Ik ga deze motie daarom oordeel
Kamer geven.
De tweede motie van mevrouw Van der Plas op stuk nr. 38 benoemt, denk
ik, iets wat veel partijen vandaag hebben genoemd, namelijk dat we ons
moeten blijven inspannen om ons bijzondere aantal inwoners op het kleine
stukje land dat we hebben gekregen, wat "bevolkingsdichtheid" heet, mee
te laten wegen. Ook die motie geef ik daarom oordeel Kamer.
Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 39 waarin mevrouw Westerveld, Ceder
en Dassen nogmaals de zorgen over kinderen en grensdetentie onder
woorden brengen. Ik vond dat niet meer helemaal in lijn met hoe ik
volgens mij heb uitgelegd hoe dat eruit komt te zien. Ik kan 'm dus
alleen al vanwege de overwegingen niet steunen. De kinderrechtentoets is
onderdeel … Laat ik het zo zeggen: het belang van het kind wordt al
meegewogen in de staande wetgeving. Het is al afgewogen bij de
totstandkoming van deze wet. Om die reden moet ik deze motie ontraden.
Voor de rest houd ik staande dat wij op een hele zorgvuldige wijze
omgaan met minderjarigen. Gezinnen die in de grensprocedure komen, gaan
dus door naar Ter Apel. Alleen als er om zwaarwegende redenen anders zou
moeten worden besloten … Maar dat is zeer gelimiteerd.
De motie op stuk nr. 40 verzoekt de regering alles in het werk te
stellen om de uitvoering op orde te brengen, zodat het
solidariteitsmechanisme dit jaar niet afgekocht wordt. Ik zou willen dat
wij de opvang zo snel op orde zouden kunnen hebben dat dat kon. Ook die
motie moet ik om die reden ontraden.
De motie op stuk nr. 41 van mevrouw Vondeling en de heer Wilders. Deze
motie ontraad ik onder verwijzing naar het debat. Wij geloven wel dat we
met dit pact een aantal goede stappen zetten.
De motie op stuk nr. 42 verzoekt alle tijdelijke verblijfsvergunningen
van Syriërs in te trekken en te zorgen dat Syriërs direct terugkeren
naar Syrië. Dat is niet aan de orde. Die motie moet ik dan ook ontraden.
Wij wachten de adviezen daarover gewoon af. En hoe dat er in de toekomst
uit gaat zien … Er gaat op dit moment geen onmiddellijke werking van
uit.
De motie op stuk nr. 43 verwoordt, denk ik, iets wat wij allen willen.
Die aanmoediging neem ik dus graag ter harte. Ik zal mij inspannen om
het wetsvoorstel snel in gang te zetten en naar de Kamer te sturen. Ik
geef de motie dus oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 44. De mensen die mijn non-verbale reactie zagen,
zeiden dat ik echt zat te genieten van deze motie. De motie werd mooier
en mooier, maar op het einde dacht ik opeens: "Quotum? Richtgetal? Mmm."
Maar, maar! Ik denk dat u hierin ook tot uitdrukking brengt wat mevrouw
Van der Plas ook al zei, namelijk dat we dit alles doen om grip te
krijgen. Daarnaast hebben we een demografierapport waar we ons nog
steeds toe gesteld zien en waar ook quota, richtgetallen en bandbreedtes
in zitten. De hele, om het zo maar te zeggen, umwelt die daarbij hoort,
is daarin ondergebracht. Ik denk daarom toch dat ik mijzelf een dienst
bewijs door deze opgave op mij te nemen. Maar ik doe dat wel in de
beperkingen die daarin zitten binnen het Europese, en zoals we weten hoe
dat werkt. We gaan ons dus op Europees niveau inzetten voor het treffen
van aanvullende instroombeperkende maatregelen, indien daar onvoldoende
grip is. Maar dat blijft natuurlijk een politiek oordeel. Maar dat heb
ik dan hierbij gezegd. Ik geef de motie dus oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 45.
De voorzitter:
Momentje. Meneer Van Asten.
De heer Van Asten (D66):
Dit gaat wel heel snel. Er wordt gevraagd om een quotum als we
onvoldoende grip hebben. Wanneer is er dan sprake van onvoldoende grip
en wat lost een quotum dan op? Als het ergens misgaat in de wereld en er
een grote vluchtelingenstroom op gang komt, hebben we dan geen grip meer
en zeggen we dan "quotum"? Ik ben nogal verrast door dit "oordeel
Kamer".
Minister Van den Brink:
Ik heb de motie gelezen in het licht van de opdracht die het rapport
demografie ons heeft gegeven. Daar hebben we ons achter geschaard.
Daarbij zoeken we naar een manier om die grip onder woorden te brengen.
In dit coalitieakkoord zijn afspraken gemaakt over een asielstelsel
buiten Europa. Dan kom je sowieso in de situatie terecht dat je gaat
werken met hervestiging en dan heb je weer te maken met quota en
aantallen. Ik zie dit niet op de korte termijn. U merkt terecht op dat
indien er internationale geopolitieke spanningen zijn waardoor
vluchtelingenstromen ontstaan, Europa altijd een taak heeft. Die zal
Europa in de toekomst ook blijven houden. Ik zie dit meer als een soort
agenda voor de langere termijn, zoals ook verwoord in ons
coalitieakkoord.
De heer Dassen (Volt):
Dit is een heel rekbare uitleg van de minister, maar dat is volgens mij
niet precies wat er in de motie staat. Ik snap dat de minister de
Kamerleden graag enigszins tegemoet wil komen, maar ik vind wel dat wat
er in de motie concreet staat heel ver wordt opgerekt. Wij moeten
dadelijk stemmen over wat er in de motie staat. Enige uitleg daarbij kan
ik begrijpen, maar dit gaat mij echt te ver. Kan de minister aangeven
waarom hij wat hier staat oordeel Kamer wil geven, of zijn oordeel
wellicht heroverwegen?
Minister Van den Brink:
Ik heb het volgens mij ingekaderd en gezegd dat wij onszelf tot doel
hebben gesteld uitvoering te geven aan het demografierapport. Als je dat
in Nederland doet, doe je dat ook in een groter geheel. Ik voel mezelf
hierdoor niet geremd in de zin dat ik mijn rol niet zou kunnen uitvoeren
zoals door ons beoogd. In Europa zal dit gesprek toch blijven bestaan,
ook omdat we met elkaar hebben afgesproken dat wij boven op de invoering
van het Migratiepact zullen blijven werken aan asiel buiten Europa. In
dat kader kom je in de situatie dat je nog steeds de
verantwoordelijkheid wilt nemen met elkaar. De verantwoordelijkheid die
Nederland heeft genomen en zal blijven nemen voor asiel, zal in de
toekomst altijd blijven bestaan. In het verleden hebben we gesproken
over Canadese modellen en er zijn allerlei andere vergelijkingen
gemaakt. Als je het asielrecht buiten Europa gaat invullen, wat de
langetermijndoelstelling is, komen dit soort zaken op je pad.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik wil heel graag voor deze motie stemmen, maar dan krijg ik wel alle
juristen op mijn dak.
Minister Van den Brink:
O!
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ja, en waarschijnlijk ook binnen uw ministerie zelfs. Binnen het huidige
stelsel en met de huidige verdragen kan een quotum gewoon niet. Een
quotum is een harde grens: tot hier en niet verder. Dat weet de minister
ook. Ik wil graag voorstemmen, maar dan kom ik terecht in de spagaat dat
ik stem voor iets waarvan ik weet dat de minister het niet kan toezeggen
of uitvoeren en dat als ik daarom niet voorstem, dat vervolgens weer
wordt uitgelegd als zouden sommige partijen niet willen. Ik snap de
uitleg van de minister. Hij filosofeert ook over het Canadese model en
toekomstige omstandigheden en zelf heb ik niet voor niets een hervorming
van het VN-Vluchtelingenverdrag voorgesteld. Kan ik de motie zo lezen
dat het altijd binnen de bestaande juridische kaders is en, zo ja, dat
ze ook zo geïnterpreteerd zou moeten worden? Anders wordt het mij en
anderen waarschijnlijk ook heel moeilijk gemaakt ...
Minister Van den Brink:
Dat snap ik wel. Ik denk dat u het beter formuleert dan ik in mijn eigen
ronde deed. Dit is precies wat ik hiermee beoog. Een quotum binnen het
bestaande Europese en internationale asielrecht is niet mogelijk, maar
we werken toe naar een hervorming van het Europese en het internationale
asielrecht en dan krijg je ook met deze opgave te maken. Ik realiseer me
dat woorden soms ... Dat heeft de heer Dassen daarstraks al gezegd. Dat
woorden ertoe doen, neem ik nu nog meer ter harte. Maar ik houd het bij
oordeel Kamer.
De voorzitter:
Oké. De motie op stuk nr. 44: oordeel Kamer.
Minister Van den Brink:
De motie op stuk nr. 45 van mevrouw Lammers vraagt om iets wat niet
binnen een jaar mogelijk is. We stelden zojuist al vast dat dit binnen
het huidige asielrecht niet kan. Om die reden moet ik deze motie
ontraden.
De motie op stuk nr. 46 verzoekt de regering onze grenscontroles
maximaal te intensiveren en net als Duitsland asielzoekers niet binnen
te laten. Ook die moet ik ontraden, trouwens met de opmerking dat
Duitsland misschien wel grenscontroles heeft, maar dat dit niet betekent
dat Duitsland op dit moment geen asielverzoeken meer heeft.
De motie op stuk nr. 47 verzoekt de regering een uitzetprogramma te
starten en wekelijks 800 illegalen uit te zetten. Ook die motie moet ik
ontraden.
Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 48, waarin wordt verzocht om
aanvullende maatregelen als de instroom van asielzoekers zes maanden na
de invoering van het Asiel- en Migratiepact niet drastisch is gedaald
ten opzichte van het gemiddelde. Deze motie wil ik ontraden, omdat ik
dit geen reële termijn vind om het Asiel- en Migratiepact te beoordelen.
We mogen daar veel van verwachten, maar ik wil niet aan zo'n termijn
gekoppeld zijn. Deze motie ga ik dus ontraden.
De heer Boomsma (JA21):
Dit verbaast me een beetje, want de hele inzet van het Asiel- en
Migratiepact is natuurlijk dat Dublin weer gaat werken. Als dat gaat
werken, zal dat toch leiden tot een drastische daling van de migratie
naar Nederland, omdat op dit moment 90% vanaf de buitengrenzen komt? Als
het daadwerkelijk werkt zoals beoogd, worden die mensen toch opgenomen
in Italië en Griekenland en worden zij toch in een procedure gebracht?
Als het werkelijk gaat werken, moet dat dus toch direct of al vrij snel
leiden tot een drastische daling? Als de minister zegt dat zes maanden
te weinig is, snap ik dat dus niet, maar wat is volgens hem dan wél een
realistische termijn?
Minister Van den Brink:
Op zich klopt het dat Dublin effect gaat hebben. Gelet op de tijd ga ik
misschien soms net te snel. Het is een combinatie van factoren, heet dat
dan. De motie stelt dat er aanvullende maatregelen moeten komen als de
instroom na zes maanden niet drastisch is gedaald, maar we hebben
vandaag juist in het hele debat besproken dat we ongeveer alles doen wat
in Europa mogelijk is. Ik zie dus ook niet welke aanvullende maatregelen
dat dan zouden moeten zijn. Om die reden handhaaf ik mijn
ontraden.
De voorzitter:
Heel kort, meneer Boomsma.
De heer Boomsma (JA21):
Ik had ook gevraagd wat de minister als realistische termijn ziet
voordat we wat hem betreft daadwerkelijk effecten mogen
verwachten.
De voorzitter:
Minister, wat is een realistische termijn?
Minister Van den Brink:
Nee, daar ga ik zo voor de vuist weg geen data voor noemen.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 48 blijft ontraden, maar ik wil nog even terug naar
de motie op stuk nr. 47 van mevrouw Lammers. Mevrouw Lammers zei niks,
maar u ontraadde de motie en zei daar niet bij waarom.
Minister Van den Brink:
O, sorry. De motie op stuk nr. 47 gaat over het uitzetten van 800
illegalen en het informeren van de Kamer daarover. Wij hebben gewoon een
functionerende Dienst Terugkeer en Vertrek, die werkt op basis van
uitgeprocedeerde asielzoekers die een vertrekplicht hebben en die ook
kúnnen vertrekken. Daarvoor heb je andere landen nodig waarmee je
afspraken maakt. Dat is wat wij nu al doen. Wat hier wordt gevraagd, is
volgens mij iets anders dan waar wij op dit moment uitvoering aan
geven.
De voorzitter:
Dan de motie op stuk nr. 49.
Minister Van den Brink:
De motie op stuk nr. 49 vraagt het kabinet om in overleg te treden met
de Europese Commissie en landen met een buitengrens, waaronder de in de
motie genoemde landen, over naleving van het pact en specifiek de
Dublinprincipes en het toezicht daarop. De motie vraagt ook om
ondersteuning te bieden en aanvullende maatregelen te nemen om die
landen daartoe in staat te stellen. Dat wil ik zeker doen en ik wil u
daar ook over terugkoppelen als ik daarover heb gesproken in het verband
van de JBZ-Raad of op andere plekken, want ik denk dat dit een regulier
gesprek zal worden.
De voorzitter:
Dus oordeel Kamer.
Minister Van den Brink:
Ja, sorry.
De motie op stuk nr. 50 vraagt iets wat ik nu nog niet kan toezeggen. Er
wordt gevraagd om capaciteit van de IND vrij te maken en te gebruiken
voor het starten van herbeoordelingsprocedures. Daarnaast wordt er iets
gezegd over het wegwerken van de achterstanden; dat deel ik overigens
wel. Dat zal zorgvuldig blijven gaan, maar ik heb de tijd nu eerst nodig
om de gesprekken met de IND af te ronden rondom de voorraad. Ik gebruik
nog even het woord "voorraad", maar ik zal straks in zijn algemeenheid
iets zeggen over taal. Ik moet dat gesprek eerst afronden om hier iets
over te kunnen zeggen. Ik weet dat er bij de IND al een enorme opgave
ligt op basis van wat er uit het verleden is gekomen en wat er nu met
het pact komt. En als u ziet op een herbeoordelingsprocedure, dan gaat
het ook over een hele grote groep Syriërs die hier in het land is. Ik
kan daar niet zomaar even iets over zeggen. Daarvoor moet ik echt een
dieper gesprek met de IND hebben gehad over waar zij staan, waar zij
naar onderweg zijn en wat we daarbovenop nog van ze kunnen vragen. Om
die reden ga ik deze dus ontraden, maar ik kom wel met het plan van
aanpak dat ik u heb toegezegd. Mogelijk heb ik dan in ieder geval beter
in beeld gebracht wat de consequenties van wat u hier vraagt zouden
kunnen zijn, maar dat zeg ik u zeker niet met een impliciete
toezegging.
In de motie op stuk nr. 51 vraagt de heer Dassen om biometrie bij
minderjarigen alleen maar noodzakelijk, proportioneel en zonder dwang en
op kindvriendelijke wijze toe te passen, en dat daarvoor verplicht een
kindgerichte opleiding is gevolgd. Ik denk dat ik daarstraks heb
uitgedrukt hoe zorgvuldig wij daarmee proberen om te gaan.
Tegelijkertijd heeft de Eurodac-verordening een rechtstreekse werking.
Daarin staat die proportionele dwang; die is gewoon onderdeel van die
verordening en die hebben wij toegepast in onze wet. Het is een uiterst
redmiddel. We gaan dat gewoon op een hele normale wijze proberen vorm te
geven. Maar de verordening veronderstelt dat wij die biometrie afnemen.
We willen dus alles in het werk stellen zodat dat gebeurt, maar het is
op geen enkele manier de bedoeling dat we dat op manieren doen die die
kinderen onder dwang zetten; laat ik het zo zeggen. Maar die woorden
worden wel in die verordening gebruikt, dus ik kan er niets anders van
maken dan wat er in die verordening ligt. Om die reden ontraad ik deze
motie.
Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 52. Die gaat over de zorgen die er
zijn over de noodopvang en de realisatie. Laat ik het zo zeggen: ik ga
deze motie nu ontraden, omdat ik dat gedetailleerde plan nu nog niet zou
kunnen presenteren. Natuurlijk heeft het kabinet wel de opgave op zich
genomen om die noodopvang, die crisisopvang, af te gaan bouwen. Dus waar
we kunnen, zullen wij natuurlijk in de hele uitvoering van ook de
Spreidingswet die we met elkaar gaan aanpakken, regelen dat we minder
crisis- en noodopvangplekken hebben. Dat is voor iedereen het beste. Ik
wil daar zelf ook graag zo snel mogelijk vanaf. Maar ik kan niet nu al
een gedetailleerd tijdplan geven van hoe dat eruit gaat zien; dat kan ik
niet waarmaken.
De heer Dassen (Volt):
Ik snap wel dat dat nu niet kan, want het moet nog gemaakt worden. Ik
verzoek u om tot een gedetailleerd plan te komen, zodat we daar zo snel
mogelijk mee aan de slag kunnen. Ik vraag niet dat de minister nu
wonderen verricht die niet haalbaar zijn, maar het lijkt me wel
verstandig dat er een plan komt.
De voorzitter:
Het hangt ervan af of je in wonderen gelooft, natuurlijk. Nou ja. De
minister.
Minister Van den Brink:
Ik ben hierin misschien ... Nou ja, ik snap het wel. U hoort mijn
ambitie. Dan denkt u "pak deze handschoen dan ook op", maar ik ben
hierin zo afhankelijk van allerlei factoren waarvan ik de afgelopen
jaren heb gezien dat die heel moeilijk zijn te beïnvloeden vanuit Den
Haag, dat ik hier gewoon niet iets wil beloven wat ik niet kan
waarmaken. U kunt me dus aanspreken op de ambitie dat ik de noodopvang
ga verminderen, maar ik zou niet weten hoe ik dat nu al in een
gedetailleerd plan zou moeten gieten als ik niet weet waar ik aan toe
ben met de gemeentes.
"Verzoekt de regering om, in het kader van de uitwerking en
implementatie van het Europees Migratiepact, te onderzoeken op welke
wijze remigratie ten aanzien van alle vormen van verschillende
verblijfstitels verder gestimuleerd kan worden ..." en daarbij in te
gaan op voorwaarden. Die is interessant om ermee aan de slag te gaan,
dus die wil ik oordeel Kamer geven. We hebben natuurlijk in het verleden
ook voorbeelden daarvan gezien, dus we gaan daarmee verder aan de slag.
Dat was de motie op stuk nr. 53.
De voorzitter:
Gaat u verder.
Minister Van den Brink:
De motie op stuk nr. 54 gaat over de beperking van de nareisstatus. Die
moet ik ontraden.
De motie op stuk nr. 55 vraagt de regering om een heldere en
begrijpelijke definitie en afwegingskader te formuleren voor hoe zij
Europese regelgeving implementeert en om die binnen twee weken naar de
Kamer te sturen. Die discussie hebben wij uitvoerig gehad. Ik heb gezegd
dat ik dat aan mijn collega ga meegeven, maar dat ik daar geen
toezegging op ga doen. Dus ook die ga ik ontraden.
De voorzitter:
Minister, wat zei u nou bij de achttiende motie, die op stuk nr. 54?
Waarom was die ontraden?
Minister Van den Brink:
O, sorry.
De voorzitter:
Nee, maakt niet uit.
Minister Van den Brink:
Het gaat over de taal en het land van herkomst. Laat ik het zo zeggen:
of je bent in het land van herkomst met een ingewilligd nareisverzoek en
kunt deze kant op komen nadat je die periode hebt afgewacht, of je hebt
nog niet die status. Er is niet een soort tussenfase. Wij zien niet op
mensen die nog niet die status hebben in het land. Wij nemen de
verplichting op ons op het moment waarop zij die status hebben gekregen.
Om die reden is het oordeel: ontraden.
De voorzitter:
Meneer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dat kan ik enigszins begrijpen vanuit het perspectief van de
Asielminister, maar als kabinet is dat totaal onbegrijpelijk. Het gaat
om erkende statushouders. Iemand die in Nederland een paspoort krijgt en
hier de samenleving gaat opbouwen, heeft kinderen. Die kinderen, zolang
ze niet sterven, zullen over twee jaar alsnog een kind zijn van die
persoon. Daarmee is het al overduidelijk dat ook zij zullen nareizen.
Wat we nu doen ten opzichte van de huidige praktijk, is dat we een
integratievertraging inbouwen van twee jaar. Mijn vraag is of het
kabinet bij gevallen waarin het evident is dat zij naar Nederland zullen
komen als aan de voorwaarden is voldaan, de gap die we nu creëren, die
integratiegap, kan dichten door de mensen alvast voor te bereiden op de
Nederlandse samenleving, overwegende dat verschillende culturen mogelijk
soms om aanpassingen vragen die niet van de ene op de andere dag te
overbruggen zijn. In dat licht denk ik dat het in het kader van het
bredere integratieverhaal best onbegrijpelijk is dat het kabinet-Jetten
zegt: wij gaan dit niet doen voor mensen die evident uiteindelijk, met
of zonder vertraging, Nederlanders zullen worden en zich in deze
samenleving zullen vestigen.
De voorzitter:
De minister. Kort alstublieft.
Minister Van den Brink:
Dan is de vraag wanneer die "evidentie" zich voordoet. De evidentie is
in principe na de nareisbeperkende maatregelen na twee jaar wonen en een
inkomen. Ik bedoelde in mijn reactie dat er op dat moment nog geen
status is. Maar u bedoelt: waarom doe je, als die zekerheid er wel bijna
honderd procent is, niet iets meer als je weet dat die mensen later
moeten integreren? Ik kan niet toezeggen dat ik zou weten hoe ik dit zou
moeten inrichten, terwijl we in Nederland nog kijken hoe we ons
taalonderwijs op afstand gaan krijgen. We kennen natuurlijk wel
inburgering in het buitenland. Misschien is er iets wat daarmee te
vergelijken is. Ik zou moeten onderzoeken hoe dat verder in te vullen
is.
De heer Ceder (ChristenUnie):
…
Minister Van den Brink:
Ik lees soms dingen alsof ik ze morgen moet regelen, want ik weet wat er
achter de onderzoeken wegkomt. Met deze uitleg zou ik de motie oordeel
Kamer kunnen geven.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Deze uitleg was de bedoeling van de motie.
Minister Van den Brink:
Oké, dank u wel.
De voorzitter:
Voor de administratie: de motie op stuk nr. 54 krijgt oordeel
Kamer.
Minister Van den Brink:
Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 55. O, dat heb ik net verteld. Die
krijgt het oordeel ontraden.
Ik kom dan bij de motie op stuk nr. 56. Die vraagt de regering om tijdig
te informeren over dreigende knelpunten in de rechtspraak. Dat is een
terechte vraag en ook iets waar ik zelf zicht op wil hebben, overigens
met de rechtspraak. Die wil ik oordeel Kamer geven.
Dan had ik nog een vraag van de heer Dassen. Hij vroeg waarom de ruimte
in het amendement op stuk nr. 31 niet zou kunnen. U haalt de 20% uit de
grensprocedure. Het kabinet wil de beperking niet op deze manier
inregelen, want we willen natuurlijk … Of zeg ik nu dingen die niet …
Ja, het is toch goed. De grensprocedure en beperking van de immigratie
zijn noodzakelijk om de ruimte te behouden die we in deze wet hebben.
Die perkt u in op een manier die voor ons onwenselijk is. Om die reden
ontraad ik de motie.
Dan ten slotte, als ik helemaal aan het einde ben … Toch niet.
De voorzitter:
Sorry, ik ben met meerdere dingen tegelijk bezig. De heer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik had nog een toezegging gevraagd. Wanneer komt de volgende
implementatie? O, daar komt u nu op? Excuus.
Minister Van den Brink:
Ik loop nog even langs enkele vragen die volgens mij niet in moties
zaten.
De heer Ceder heeft gevraagd om ook op het vlak van implementatie en ICT
op tijd bij de Kamer terug te komen. Dat zullen wij doen bij de
voortgangsmomenten van het pact. Als ik mijn plan van aanpak presenteer
over hoe de IND gaat werken, kan ik daar ook bij stilstaan. Ik zal die
momenten aangrijpen om u daarover te informeren.
De heer Ellian heeft nog gevraagd: Italië en Griekenland helpen zeker?
Een van de moties zag daar ook een beetje op.
Over de bevolkingsdichtheid hebben we gesproken.
De heer Boomsma heeft nog een vraag gesteld over de Dublinclaimanten. In
2025 zijn er 8.000 Dublinaanvragen gedaan. In 2025 heeft de IND 880
Griekse Dublinzaken geregistreerd. Deze aanvragen zijn in een nationale
procedure behandeld. De IND beschikt niet over cijfers over het aantal
Dublinclaimanten dat niet terug kon naar Italië. We beschikken alleen
over de cijfers over aanvragen waarbij daadwerkelijk een claimverzoek is
ingediend. Dat waren 160 zaken. De IND heeft de capaciteit ingezet op
het indienen van claimverzoeken waar een overdracht wel mogelijk was.
Dit zijn de getallen die ik op dit moment tevoorschijn kan toveren. Maar
het zullen hogere cijfers zijn dan die hier over Italië worden
genoemd.
De voorzitter:
De heer Dassen heeft een vraag.
De heer Dassen (Volt):
Toch nog even door over dat amendement. De minister zegt dat ik het heb
over die 20% van de EU, maar daar gaat mijn amendement niet over. Dat
percentage laat ik intact. Het gaat mij over de additionele categorieën,
de optionele categorieën. Die haal ik eruit. Dus de drie die volgens de
procedureverordening verplicht zijn, laat ik intact en de andere niet.
Als de minister dat als kwalijk punt zag, zijn we het daarover eens en
is de motie volgens mij oordeel Kamer.
Minister Van den Brink:
Sorry, excuus. Ik wil de procedureverordening laten zoals die is. Ik wil
die in zijn volledigheid in onze nationale wetgeving hebben opgenomen.
Dat laat ik dus overeind.
De voorzitter:
Nog één keer, de heer Dassen.
De heer Dassen (Volt):
Dan nog één keer. Misschien leg ik het niet goed uit. Ik laat in dit
amendement de procedureverordening overeind. Daarin zitten additionele
categorieën, aanvullende categorieën, die in het pact niet verplicht
zijn. Die haal ik eruit.
Minister Van den Brink:
Ja, er zijn meerdere categorieën. Ik ga nu toch aan de grenzen van mijn
eigen brein komen, en ook die van het brein naast mij, hoor ik. Ik heb
geprobeerd dit debat af te maken zonder een toezegging dat ik nog met
een brief zal komen, maar ik ga dan toch nog een briefje sturen om u
hierover bij te praten.
De voorzitter:
Om welk amendement gaat het?
Minister Van den Brink:
Het amendement op stuk nr. 31. Anders ga ik freestylen en dat is nooit
goed.
De voorzitter:
Oké. Maar op zich was het oordeel: ontraden.
Minister Van den Brink:
Maar de toelichting verdient iets meer reflectie dan ik nu heb
gezegd.
De voorzitter:
All right. Dan komt daar een brief over.
Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
Ik heb nog een vraag van mijn collega Boomsma. Er werd net een antwoord
gegeven, maar volgens mij was dat nog steeds niet het antwoord op de
vraag. De vraag was hoeveel Dublinclaimanten uiteindelijk door het niet
op tijd overdragen aan andere EU-landen in de nationale procedure zijn
opgenomen.
Minister Van den Brink:
Dit zijn de cijfers die ik op dit moment daarover kan vermelden. Ik heb
geen andere cijfers tot mijn beschikking. Ik zal bij de
voortgangsmomenten de cijfers toesturen die dan beschikbaar zijn. Ik
weet niet of er andere cijfers over beschikbaar zijn dan de cijfers die
ik hier nu heb.
Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
Maar wat is dan nu het aantal Dublinclaimanten dat in de nationale
procedure is opgenomen? Wat is dan het aantal waarvan u zegt dat u dat
nu heeft?
De voorzitter:
Hoeveel ...
Minister Van den Brink:
Dat zijn er 8.000.
De voorzitter:
8.000.
Minister Van den Brink:
In 2025.
De voorzitter:
Dus 8.000 Dublinclaimanten zijn nu opgenomen in de nationale procedure,
is het antwoord van de minister. Dan ...
Minister Van den Brink:
Mag ik afsluiten ...
De voorzitter:
De minister, kort.
Minister Van den Brink:
Mag ik afsluiten met zeggen dat ik bij meerdere partijen heb geproefd
dat zij hechten aan het pact en tegelijkertijd soms ook nog twijfelen
aan een aantal nationale invullingen? Ik hoop dat u heeft gezien dat wij
met dit pact de stappen zetten die Europa van ons vraagt en het pact op
een hele zorgvuldige manier proberen in te voeren, terwijl er
tegelijkertijd nog steeds een hele korte termijn is. Dank dus voor de
ruimte die daarvoor bestaat. Ik hoop dat we dit pact op een goede manier
weten in te voeren, en ook met een brede parlementaire
meerderheid.
Daarbij wil ik nog benoemd hebben dat ik zeker begrijp wat de heer
Dassen zei over taal. Qua taal heeft dit debat juist al genoeg
polarisatie veroorzaakt. Dat is dus geenszins mijn bedoeling. Soms zijn
er begrippen qua taal die er hier insluipen die soms iets praktisch
uitdrukken, zoals het woord "voorraad". Dat heeft dus geenszins een
andere bedoeling dan gewoon uitleggen hoe iets werkt.
Dank u wel.
De voorzitter:
Meneer Dassen, ik denk op dit punt.
De heer Dassen (Volt):
Dat snap ik, alleen is "voorraad" niks anders dan mensen die wachten op
een besluit over hun toekomst. We kunnen dus ook met elkaar zeggen: er
is een lijst met mensen die we zo snel mogelijk moeten helpen met het
nemen van een besluit, zodat ze verder kunnen met hun toekomst. Dat is
een hele andere manier van praten over dit onderwerp. Ik denk dat we
daar allemaal flink wat verbetering in kunnen laten zien.
De voorzitter:
Daar ben ik het niet mee eens, maar dan laat ik de minister antwoorden.
Dan ga ik toch een interruptie plegen, als de rest dat ... Wat er nu
gezegd wordt, vind ik echt onzin. In de strafrechtelijke keten wordt er
ook gesproken over "voorraden", "detentiecapaciteit" en "geprioriteerde
zaken". Dat is helemaal niet persoonlijk bedoeld; dat is hoe wij praten.
Ik snap dat de tribune, die meneer Dassen continu souffleert, het hier
niet mee eens is, maar ik vind dit een vreemd punt. Dat wij in de Kamer
op onze taal moeten letten, is een gegeven. Ik hoop dat de minister nu
niet opeens het woord "voorraad" wil schrappen, want dat is gewoon een
volstrekt normaal woord in de politieke gang van zaken.
Minister Van den Brink:
Ik bedoelde ook alleen maar een soort brug te slaan richting de mensen
die taal belangrijk vinden en die als ernaar wordt gevraagd denken te
horen dat ik met dat woord iets politieks bedoel. Ik wil uitleggen dat
dat niet zo is. Ik ga dus geen woorden aanpassen die gewoon common sense
zijn in het beleid.
De voorzitter:
Fijn. Dan meneer Dassen, tot slot.
De heer Dassen (Volt):
Even een persoonlijk feit. Ik vind het allereerst bijzonder lelijk dat u
zegt dat de mensen die op de tribune zitten, mij zouden souffleren. Ik
zit hier net als alle andere Kamerleden met veel werk ...
De voorzitter:
Maak uw punt, want ik ga er nu ook gewoon iets over zeggen. De tribune
reageert continu op wat de minister zegt en op wat andere collega's
zeggen. Ik heb niets gezegd uit respect voor de organisatie waar zij
voor werken, maar ik heb het als voorzitter erg storend gevonden dat er
gelachen werd en continu nee werd geschud. Dat is eigenlijk niet
gebruikelijk. Ik zie een aantal collega's nu ook knikken. Ik heb dat
toegestaan. Meneer Dassen, ik adviseer u dus: maak uw punt kort. Ik kan
me hier namelijk aardig kwaad om maken, want ik heb juist uit respect
voor u dit punt niet eerder gemaakt.
De heer Dassen (Volt):
Met alle respect, voorzitter. U heeft zich gestoord aan wat er op de
publieke tribune heeft plaatsgevonden. Het is aan u om daar wat aan te
doen. Dan gaat u dat niet op deze manier op mij afschuiven.
De voorzitter:
Dat was ...
De heer Dassen (Volt):
U gaat zeker niet nog een keer het woord op die manier terugnemen, want
dat vind ik echt bijzonder lelijk. Ik verwacht eigenlijk ook dat u die
woorden terugneemt.
De voorzitter:
Dat ga ik niet ...
De heer Dassen (Volt):
Daar wilde ik niet op doorgaan, maar als u het op deze manier nog groter
gaat maken, dan vind ik dat kwalijk.
De voorzitter:
Nee, dat ga ik niet doen.
De heer Dassen (Volt):
Dan zou u bij ...
De voorzitter:
Ik heb oogcontact gezien tussen u en ...
De heer Dassen (Volt):
Dat u mij nu voor de derde keer onderbreekt ...
De voorzitter:
Volgens mij ben ik ...
De heer Dassen (Volt):
Dat vind ik getuigen van weinig respect, wat u wel zegt te hebben
...
De voorzitter:
Nou, laten wij dit op een ander moment uitpraten. Ik zou dit nu niet
doen, want er zijn meerdere collega's die het gezien hebben. Wij kunnen
dit rustig uitpraten. Ik maakte een interruptie op iets wat u net zei.
Laten wij het rustig uitpraten buiten deze vergadering om. Dan niet, ook
goed.
De heer Dassen (Volt):
Voorzitter, ik zal er verder geen punt van maken. Ik blijf er wel bij
dat het bijzonder lelijk is als je het op deze manier, zo, in deze
vergadering brengt. Dat had geenszins gehoeven.
De voorzitter:
Daarover verschillen we van mening, denk ik. Op het moment dat ik
reageerde, zag ik interactie tussen jullie. Dat komt bijzonder storend
over. Dat hebben meerdere collega's ook zo ervaren, maar ik laat het nu.
Laten wij het uitspreken.
Ik ga de minister en diens ondersteuning hartelijk danken voor de toch
enigszins voortvarende behandeling van dit uitgebreide, uitgebreide
wetgevingsproces en -overleg. Ik dank uiteraard de collega's voor hun
aanwezigheid, de ondersteuning die langer is gebleven en uiteraard alle
geïnteresseerden in de zaal. Ik zal hen zo ook nog even een hand
geven.
Ik sluit de vergadering. O, ik moet nog iets heel belangrijks zeggen.
Dinsdag 31 maart stemmen wij — let alstublieft goed op — over alle
ingediende moties, alle ingediende amendementen en het wetsvoorstel.
Mocht iemand dat anders willen, dan moet dat uiteraard plenair worden
aangegeven. Ik sluit de vergadering.
Sluiting 19.45 uur.
ONGECORRIGEERD STENOGRAM Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: verslagdienst@tweedekamer.nl |
|---|