Vragenuur (ongecorrigeerd)
Stenogram
Nummer: 2026D13684, datum: 2026-03-24, bijgewerkt: 2026-03-25 09:14, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-03-24 14:00: Vragenuur (Vragenuur), TK
Preview document (š origineel)
Aan de orde is het mondelinge vragenuur, overeenkomstig artikel 12.3 van het Reglement van Orde.
Vragen Wilders
Vragen van het lid Wilders aan de minister van
Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening over het bericht
"Kabinet zet streep door wet die voorrang voor statushouders in sociale
huur moest verbieden".
De voorzitter:
Aan de orde is het vragenuur. Daarvoor geef ik als eerste het woord aan
de heer Wilders voor zijn vragen aan de minister van Volkshuisvesting en
Ruimtelijke Ordening. Ik heet haar van harte welkom in vak K. Het woord
is aan de heer Wilders.
De heer Wilders (PVV):
Voorzitter. Het is ongelofelijk, maar vorige week vrijdag zetten dit
kabinet en deze minister een streep door de wet die voorrang voor
statushouders op sociale huurwoningen moest verbieden. Het
kabinet-Jetten laat die voorrang voor statushouders dus doodleuk
bestaan. Dat is niets anders dan een dolk in de rug van miljoenen
Nederlanders die al jaren op een huurwoning wachten en nu dus nog langer
moeten wachten, omdat gelukszoekers blijven voorgaan. Dat is een
ongekende schande en pure discriminatie van Nederlanders. Het is ook
ontzettend laf dat dit kabinetsbesluit twee dagen, twƩƩ dagen, na de
gemeenteraadsverkiezingen bekend is gemaakt. Bang voor een politieke
afrekening als dit voor de verkiezingen bekend zou worden, hielden het
kabinet en deze minister het tot na de verkiezingen onder de pet.
Voorzitter. Als er iets is waar miljoenen Nederlanders nu meteen,
vandaag nog, vanaf willen, dan is het die idiote voorrangsregeling voor
statushouders. Het is echt geen dag langer te verkopen dat vreemdelingen
voorrang krijgen op een huurwoning, terwijl we in dit land kampen met
een gigantisch woningtekort.
Voorzitter. Er zijn sinds 2010 al zo'n 200.000 huurwoningen met voorrang
aan statushouders weggegeven. Dat gaat nu dus gewoon door. Dan moet de
minister in haar brief niet gaan piepen dat er een te hoge instroom van
asielzoekers is, want als je dat niet wil, dan moet je maar een
asielstop invoeren, zoals mijn partij wil. Doe je dat niet, dan komen er
ieder jaar opnieuw zo'n 100.000 asielzoekers Nederland binnen, evenveel
als een stad als Alkmaar, Delft of Deventer. Die asielzoekers willen
allemaal een woning en die krijgen ze ook van deze regering, en ook nog
eens met voorrang. Dat moet nu stoppen. Daarom zeg ik tegen deze
minister: maak vandaag nog uw besluit ongedaan om de wet in te trekken
die het verbiedt om statushouders voorrang te geven. Met minder nemen
wij geen genoegen. Dus niet "zodra het kan" of dat soort onzinteksten,
maar nu en wel meteen. Graag een toezegging.
De voorzitter:
Het woord is aan de minister.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Dank u wel, voorzitter. Ook ik wil iets doen aan de lange wachttijden
voor mensen die wachten op een sociale huurwoning. De groep die hier nu
gebruik van maakt, is te groot. Een van deze groepen zijn de
statushouders. Dat is de reden dat we de voorrangspositie van
statushouders net als u willen laten verdwijnen, maar wel op een manier
die uitvoerbaar is en recht doet aan de grondbeginselen die we met
elkaar hebben. Dat betekent dat we hier alleen toe kunnen komen als we
ook nadenken over de weg ernaartoe. De weg ernaartoe betekent dat je een
oplossing moet hebben voor de situatie waarin je het voorrangschap
ervanaf haalt en je niet wil dat de azc's nog voller lopen en deze
mensen op straat belanden of dat we crisisnoodhuisvesting moeten zoeken
die dezelfde maatschappij ongelofelijk veel geld gaat kosten. We willen
dus hetzelfde, maar de weg ernaartoe is anders. Ik kies voor een weg die
uitvoerbaar is en die ervoor zorgt dat we met tijdelijke huisvesting de
statushouders een plek kunnen geven om te wonen en ze vanuit daar een
gelijke behandeling krijgen op de lijst om te komen tot een sociale
huurwoning.
De heer Wilders (PVV):
We willen helemaal niet hetzelfde! Deze minister wil doorgaan met de
discriminatie van Nederlanders, en dat willen wij niet. Wij zijn die
discriminatie van onze eigen mensen spuugzat. Nederlandse starters,
jongeren, werkende gezinnen, Henk en Ingrid, die soms tien, twaalf,
vijftien, vaak zelfs twintig jaar op een wachtlijst moeten staan, hebben
nu opnieuw het nakijken, terwijl Mohammed en Fatima, die net ons land
zijn binnengedrongen en meteen vooraan in de rij staan, wƩl met voorrang
een huurwoning krijgen. Zet de Nederlanders eindelijk een keer op ƩƩn,
mevrouw de minister! Nederlanders zijn door dit nu al waardeloze
kabinet-Jetten niet alleen vreemden in hun eigen land geworden, maar ook
een soort tweederangsburgers. Hoe kunt u, zeg ik tegen de minister, uw
eigen mensen, Nederlanders, zo behandelen? U moet zich daarvoor kapot
schamen. Tijdens de verkiezingen beloofden de coalitiepartijen allemaal
minder asiel en meer woningen, maar in de praktijk laten ze onze grenzen
gewoon wagenwijd openstaan voor nog meer gelukszoekers. Dit kabinet
bouwt geen huizen voor Nederlanders, maar geeft onze woningen gratis
cadeau aan gelukszoekers. Dit kabinet is er niet voor de Nederlander,
maar is er voor de asielzoeker. Mijn fractie, de PVV, heeft daar meer
dan genoeg van. Nederland wil geen asielvoorrang meer. Nederland wil
Nederlanders op ƩƩn. Het zijn nota bene Nederlanders. Het zou logisch
zijn als we onze eigen mensen voorrang geven. Waarom geeft u de
Nederlander geen voorrang en die asielzoeker wel? Als de minister voet
bij stuk houdt ā er komt hopelijk nog een debat ā zij haar incompetentie
op dit dossier laat zien en onze eigen mensen in het moeras laat zakken
om statushouders te matsen, kan zij beter vandaag dan morgen haar biezen
pakken.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ja, er moet grip komen op het asielvraagstuk. Volgens mij is dat een
debat dat u ook met andere bewindspersonen voert. Zoals in het
coalitieakkoord staat, is dat een van de onderwerpen die een hoge
prioriteit hebben gekregen en in de taskforce nader worden
behandeld.
De heer Wilders (PVV):
Voorzitter, ik kan het ā¦
De voorzitter:
Neeneenee.
De heer Wilders (PVV):
⦠niet verstaan.
De voorzitter:
De minister is aan het woord, meneer Wilders.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Hier gaat het over huisvesting. Daarvoor willen we hetzelfde, namelijk
dat mensen niet zo lang op een wachtlijst hoeven te staan om in
aanmerking te komen voor een sociale huurwoning. Daarvoor moeten we
oplossingen zoeken die uitvoerbaar zijn en waarvan de VNG, de gemeentes
en Aedes zeggen: dit kunnen wij in de praktijk uitvoeren. We moeten
voorkomen dat mensen op straat of in overvolle daklozencentra belanden,
dat we de asielzoekerscentra nog verder vullen en dat we tot
noodhuisvesting moeten komen, wat enorm veel zal vragen van het
maatschappelijke geld. Ik sta voor het vinden van manieren die
uitvoerbaar zijn en recht doen aan de beginselen die we nou eenmaal met
elkaar hebben afgesproken in Nederland. Het is een wettelijke
verplichting om ook statushouders een dak boven het hoofd te bieden.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Wat een ambtelijk gibberish hoor ik hier. Ik hoor volledig ingestudeerde
antwoorden. Het gaat erom dat de wet over het verbod op voorrang voor
statushouders ómdat ze statushouders zijn, volledig recht doet aan al
onze mensen in Nederland die op een andere manier spoedzoeker zijn. Bij
de gemeente wordt wel tegen de gescheiden moeder gezegd: u gaat maar bij
uw familie of uw vrienden wonen.
De voorzitter:
Uw vraag?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Waarom kunnen we dat niet ook met statushouders doen? Tegen al onze
andere mensen in Nederland wordt gewoon gezegd: ga maar ergens anders
zoeken, want u bent nog niet aan de beurt. En dan geven we statushouders
wel voorrang. Dat kan toch niet?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
U vraagt aan mij of er genoeg huizen zijn, en die zijn er niet. Daarom
moeten we vooral huizen bijbouwen, zodat we ervoor zorgen dat al die
Nederlanders die bij elkaar intrekken, aan een eigen huis kunnen komen.
Daarnaast hebben we de wettelijke verplichting om ervoor te zorgen dat
statushouders ā daar gaat het hier om ā in aanmerking kunnen komen voor
een woning. Zij hebben in veel gevallen in Nederland niet de
mogelijkheden of het netwerk om daar gebruik van te maken. Daarom zeggen
we: we moeten zorgen voor tijdelijke huisvesting waar ze gebruik van
kunnen maken, om vervolgens op dezelfde wachtlijst te belanden en dan
aan de beurt te komen.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik heb helemaal niet gevraagd of er genoeg huizen zijn. We weten dat er
niet genoeg huizen zijn. Dat is helemaal niet mijn vraag. Mijn vraag is
als volgt. Andere mensen in Nederland, die ook al jaren op een
wachtlijst staan, soms wel tien tot vijftien jaar, zien een huis aan
zich voorbijgaan omdat een statushouder voorrang krijgt, puur vanwege
het feit dat diegene een statushouder is. Dat is alleen maar omdat
diegene een statushouder is! Een statushouder kan prima aan een woning
komen als die op een urgentielijst staat, bijvoorbeeld als die een
medische aandoening heeft of op een andere manier urgent is. Maar dat
moet wel gelijk met alle andere mensen in Nederland. Het is helemaal
niet zo dat we statushouders een huis ontzeggen, maar we willen niet dat
ze voorrang krijgen puur en alleen op basis van het feit dat ze
statushouder zijn. De minister kan dit toch niet ontkennen?
Tot slot. De meeste mensen geven aan hiernaartoe te komen ā dat is ook
zo bij statushouders ā omdat er al vrienden en familie in Nederland
wonen. We moeten ze niet gaan behandelen alsof ze allemaal heel
kwetsbaar zijn omdat ze hier niemand hebben. Heel veel mensen hebben
hier gewoon vrienden en familie. Dan kunnen ze ook daar gaan wonen in de
tussentijd.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik blijf erbij: dit gaat over het hebben van voldoende woonruimte zodat
mensen een dak boven het hoofd kunnen hebben. Ik ben het er ook mee eens
dat die voorrangspositie eraf moet. In mijn brief staat ook dat ik voor
de zomer met een convenant kom waar we met Aedes en de VNG over
gesproken hebben. Voor het einde van het jaar dien ik een nieuw
wetsvoorstel in. Ik wil hetzelfde. Ik ben net zo begaan met al die
mensen. De mensen die u spreekt, heb ik ook gesproken. We kennen
allemaal de mensen over wie dit gaat. Wel wil ik het graag op een manier
doen die uitvoerbaar is, langs de Raad van State komt en waarvan de VNG
en de woningcorporaties zeggen: op deze manier kan het ook. Ik wil
namelijk graag resultaten boeken op basis van wat we hier met elkaar
afspreken of op basis van wat wij vanuit de coalitie inzetten.
De heer Van Leijen (D66):
Ik wil toch zeggen dat ik het heel bijzonder vind om de heer Wilders
hier te horen klagen over een tekort van 100.000 betaalbare woningen,
terwijl hij toen hij zelf aan de macht was een dubbele bouwbevriezing
wilde invoeren, waarmee hij juist een streep door 150.000 betaalbare
woningen zette. Dat is dus echt heel apart.
De voorzitter:
Wat is uw vraag?
De heer Van Leijen (D66):
Minister, ik ben het volledig met u eens. Volgens mij is het gewoon heel
erg belangrijk dat er veel meer woningen bij komen. Dan zou er überhaupt
voor niemand meer urgentie nodig zijn. Ik zou dan ook graag van u horen
welke acties u gaat ondernemen om ervoor te zorgen dat er op korte
termijn meer woningen bij komen.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Zoals u weet, zijn we bezig met de Wet versterking regie
volkshuisvesting. Daarmee moeten we echt regie voeren op hoe we het in
Nederland verdelen en hoe het tot stand komt. We gaan het aantal
grootschalige woningbouwlocaties verhogen van 21 naar 30. We gaan het
woningdelen stimuleren. Dat betekent dat we meer gebruik gaan maken van
de bestaande bouw. Ook gaan we aansturen op minder regels en minder
bezwaarmomenten. Dat is allemaal al in gang gezet door de vorige
minister. Ik zet dat gewoon voort. Ik hoop dat we hier rond de zomer een
positief akkoord over hebben gekregen, waardoor we regie kunnen voeren
op het hele vraagstuk.
De heer Van Leijen (D66):
Hoor ik de minister nou ook zeggen dat ze tegelijkertijd gaat werken aan
een alternatief voor statushouders dat wel werkt?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Jazeker. Voor de zomer komt er een convenant en voor het einde van het
jaar een nieuw wetsvoorstel.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Na deze leuke vriendendienst over en weer heb ik toch ook een kritische
vraag. Ik heb de antwoorden op de vragen van de heer Wilders gehoord.
Niemand in Nederland snapt wat daar het verhaal achter is. Nederland
snapt ook niet ā daarom ga ik deze vraag stellen ā waarom u de
Nederlanders haat en waarom u de statushouders knuffelt met dit beleid.
Leg het mij en de mensen in Nederland maar uit.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik rond net na 31 jaar en 8 maanden een loopbaan bij Defensie af. Ik
werp "haat voor de Nederlanders" verre van mij af.
De heer Flach (SGP):
In een week tijd is de hoop van jonge mensen die nog dachten een
huurwoning te kunnen krijgen compleet weggevaagd. Maandag is het
amendement-Mooiman verdwenen in een discussie. Woensdag hadden we de
verkiezingen. Vrijdag is de alternatieve wet die dat dan zou moeten
regelen ook verdwenen. Waarom heeft de minister hier überhaupt voor
gekozen, zo kort na de verkiezingen? Waarom heeft de minister er niet
voor gekozen om de wet die er al lag, de wet van haar voorganger,
zodanig aan te passen? Wat waren dan de grote verschillen waarom die wet
niet kon worden omgebouwd? Waarom moest die wet van tafel?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Het aanpassen van de wet zoals die er lag versus het indienen van een
wet waarin we onmiddellijk de bezwaren kunnen meenemen van de VNG, de
wooncorporaties en de Raad van State heeft eenzelfde tijdslijn. Ik kies
er dan voor om met een schone lei te beginnen en dat in dezelfde
tijdslijn voor elkaar te krijgen. Voor de zomer ligt er dus een
convenant en voor het einde van het jaar ligt er een nieuw
wetsvoorstel.
De heer Flach (SGP):
De SGP is hier echt heel teleurgesteld over. In de verkiezingscampagne
komen we dit als een van de allergrootste ergernissen van de Nederlander
tegen. Er ligt een wet die een heel eind gekomen is. Er is al een advies
van de Raad van State over. Dan moet je de wet aanpassen of helemaal
opnieuw aan een wetstraject beginnen. De minister zegt daarover dat dat
even lang duurt. Dat gelooft helemaal niemand hier in de Kamer. Een
nieuwe wet maken en het hele traject doorlopen, duurt namelijk per
definitie langer. Dat doet toch vermoeden dat er voor de minister
elementen in zaten die ze niet voor haar rekening wilde nemen, dat we
dus een heel ander soort wet kunnen verwachten en dat daarmee de hoop
voor mensen die al tien jaar op een wachtlijst staan opnieuw vervliegt
in goede bedoelingen die nergens toe leiden.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
De voorrang voor de statushouders, ook met het convenant en het
wetsvoorstel dat we gaan indienen, heeft dezelfde uitkomst, namelijk dat
die status eraf gaat zodat er een gelijk speelveld is voor alle mensen
die aanspraak maken op een sociale huurwoning. Dit is een van de groepen
die ook aanspraak maakt op deze categorie. Ik heb u zojuist antwoord
gegeven op de vraag, namelijk dat het dezelfde tijdslijn is. Ik kan dat
antwoord nog een keer herhalen, maar wellicht is dat niet nodig.
De heer Russcher (FVD):
Voor Forum voor Democratie is het ook onacceptabel dat statushouders
voorrang krijgen op Nederlanders, die vaak wel vijftien, twintig jaar op
een woning moeten wachten. Het heeft mij ook verbaasd dat een optie als
woningdelen werd genoemd. We hebben natuurlijk allemaal het voorbeeld
van Stek Oost in Amsterdam gezien. Zo zijn er meerdere dingen
voorgevallen: Nederlanders die werden bespuugd, geslagen en mishandeld
en vrouwen die verkracht werden. Ik wil graag van de minister weten hoe
ze gaat voorkomen dat het op de locatie die zij voorstelt, ook gaat
gebeuren.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Die voorbeelden ken ik ook, maar ik ken gelukkig ook andere voorbeelden,
zoals Stek West. Daar heb ik binnen mogen kijken. Zo zijn er veel meer
initiatieven in Nederland waar het goed gaat, waar ze ook geleerd hebben
van wat er mis is gegaan, wat overigens verschrikkelijk is, in Stek
Oost. Dat zijn niet de voorbeelden die we willen kopiƫren; dat willen we
wƩl met de voorbeelden waar het goed gaat. Die willen we opschalen in
Nederland. Er zijn verschillende gemeentes die hieraan willen meewerken,
waar het ook goed gaat. Daar zit de oplossing voor dit vraagstuk.
De heer Russcher (FVD):
Ik hoor eigenlijk geen antwoord op mijn vraag. Mijn vraag was wat ze
concreet gaat doen. We zien nu natuurlijk al dat Nederlanders überhaupt
geen woning kunnen krijgen door de massale immigratie. U gaf het zelf
ook al aan: de Nederlandse bevolking groeit voor 95% door migratie en de
helft van de woningen die wij bouwen, is voor migranten. En nu moeten
Nederlanders ook nog eens gedwongen gaan samenwonen met statushouders. U
noemt een aantal plekjes waar het goed gegaan zou zijn, maar mijn vraag
is gewoon: wat gaat u concreet doen om de veiligheid van Nederlanders te
waarborgen?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
De veiligheid van Nederland waarborgen we met elkaar. Ik ga niemand
dwingen om in die tijdelijke huisvesting in te trekken. Dat zal een
vrijwillige keus zijn, als daar sprake van is. Dit gaat over het vinden
van tijdelijke huisvesting, zodat uiteindelijk die voorrangspositie
ervan af kan. Dat lukt alleen met oplossingsrichtingen die daaraan
bijdragen, en dat is ook het vinden van tijdelijke huisvesting voor
statushouders, zodat zij gelijk, net als alle andere inwoners van
Nederland, op de wachtlijst komen te staan.
De heer Clemminck (JA21):
Voor heel veel Nederlanders, ook voor JA21, is de voorrang voor
statushouders onrechtvaardig. Ik hoor de minister tot nu toe alleen maar
ambtelijk, technisch taalgebruik hanteren. Ook in de brief heeft ze het
er alleen maar over dat het knelt omdat de wachtlijsten toenemen. Het
knelt. Ik zou de minister willen vragen om ook eens een moreel antwoord
te geven over het feit dat Nederlanders die jarenlang ingeschreven
staan, links worden ingehaald door statushouders.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik leef net zo mee met al die Nederlanders als u dat doet. Ik spreek
dezelfde of andere Nederlanders die in dezelfde positie zitten. Ik heb
ja tegen dit ambt gezegd, omdat ik geloof dat we op het gebied van wonen
echt iets te doen hebben in Nederland. De woningvoorraad is gewoon te
klein voor de hoeveelheid mensen die in Nederland recht hebben op een
woning. Daar zit mijn inzet.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Ik hoor in dit vragenuur tot nu toe heel veel frustratie en woede. Om
heel eerlijk te zijn, begrijp ik die ook. Er zijn namelijk ontzettend
veel Nederlanders die wachten op een betaalbare woning, die daar niet
aan toekomen. De vraag is wel: ga je alleen die woede vertalen, of ga je
met elkaar zorgen voor een oplossing? Daar heb ik een vraag over aan de
minister. De minister gaf zelf in haar eerste debat, over de Staat van
de Volkshuisvesting, aan dat we 124.000 woningen meer zouden kunnen
bouwen in Nederland als we de winstbelasting van corporaties zouden
afschaffen. Ik vraag aan haar: waarom doen we dat dan niet?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik heb het gevoel dat ik nu in een ander debat beland. Dit gaat over de
huisvesting van statushouders. Die kunnen we verzorgen door voor hen
tijdelijke huisvesting te organiseren. Als we dat doen, dan kunnen we
zorgen dat de voorrangspositie van statushouders eraf gaat. We moeten
veel meer doen dan alleen maar aan ƩƩn knop draaien. Er is niet ƩƩn
dominosteentje te vinden dat we een tik kunnen geven waardoor het
woonprobleem in Nederland wordt opgelost en iedereen automatisch aan een
woning kan komen. Daarvoor zijn er op meerdere vlakken interventies
nodig. Dat doen we. Dat doen we met de Wet regie, dat doen we door naar
de regelgeving te kijken, dat doen we door naar de bezwaarprocedures te
kijken en dat doen we door meer locaties aan te wijzen. Dat is om te
kijken op welke manier we de corporaties kunnen helpen om dingen voor
elkaar te krijgen. We pakken het allemaal beet en willen met alles aan
de slag. Dit is daar een onderdeel van.
Mevrouw Steen (CDA):
Het CDA heeft eigenlijk altijd gepleit voor meer mogelijkheden voor
gemeenten om inwoners uit de eigen gemeente voorrang te geven op de
urgentieregeling in de Huisvestingswet. De minister heeft nu nieuwe
plannen aangekondigd. Kan zij iets vertellen over hoe zij die
gelijkwaardigheid in haar nieuwe plannen wil organiseren?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Jazeker. Dat doen we samen. Dat is ook wat we hebben afgesproken. Zowel
de corporaties als de VNG hebben laten weten erg dankbaar te zijn voor
het intrekken van deze wet, omdat die voor hen niet uitvoerbaar was. We
hebben met hen afgesproken dat zij inspraak hebben in het convenant, dat
er voor de zomer moet liggen, om samen te komen tot iets wat we daarna
ook daadwerkelijk gaan uitvoeren.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Alleen een punt van orde, voorzitter. Iedereen die kritische vragen
heeft gesteld, is van harte uitgenodigd om samen met mij het
wetsvoorstel als initiatiefwetsvoorstel in te dienen.
De voorzitter:
Dat is geen punt van orde, mevrouw Keijzer.
De heer Wilders (PVV):
Voorzitter, ik zou via u aan de minister willen zeggen: u zit hier voor
de Nederlanders; als u dat niet kan, dan moet u wegwezen. Dat zeg ik via
u, meneer de voorzitter. U heeft niet de taak in dit huis om ervoor te
zorgen dat, nog langer dan al het geval is, de Nederlander moet wachten.
Gezinnen, jonge mensen, oude mensen, mensen die werken, mensen met een
uitkering en mensen die een huis willen, komen gewoon niet aan de bak,
omdat u het in uw hoofd haalt die Nederlanders te discrimineren en
asielzoekers en die statushouders voorrang te geven!
De voorzitter:
Uw vraag?
De heer Wilders (PVV):
Als u dat echt vindt, moet u gaan, opstappen, wegwezen en hoort u niet
thuis in vak K!
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Om dit vraagstuk waar de heer Wilders naar verwijst op te lossen is het
nodig dat we daadwerkelijk op zoek gaan naar oplossingen. Het is nodig
dat we weggaan van voortdurend groepen mensen tegenover elkaar zetten.
We hebben een wettelijke verplichting om ook voor de statushouders een
dak boven het hoofd te organiseren. Dat is wat we met elkaar moeten
doen. Daar moeten we onze aandacht op richten, zodat die wachtlijst naar
beneden gaat, die voorrangspositie ervanaf kan en alle Nederlanders die
wachten op een huis, in aanmerking komen voor een huis met een kortere
wachttijd.
De voorzitter:
Ik dank de minister voor haar beantwoording.
Vragen Van Meijeren
Vragen van het lid Van Meijeren aan de minister van
Asiel en Migratie over het bericht "Azc Hardenberg blijft open,
COA betaalt na dinsdag dwangsom".
De voorzitter:
Ik geef het woord aan de heer Van Meijeren, voor zijn vraag aan de
minister van Asiel en Migratie. Ook de minister heet ik van harte welkom
in de Kamer. Het woord is aan de heer Van Meijeren.
De heer Van Meijeren (FVD):
Voorzitter. De ongecontroleerde massa-immigratie van de afgelopen
decennia heeft ervoor gezorgd dat Nederland volledig uit zijn voegen
barst. Er is een woningtekort van 400.000 woningen. De zorgkosten rijzen
de pan uit. Schoolklassen worden steeds voller, met rampzalige gevolgen
voor de kwaliteit van het onderwijs. Het socialezekerheidsstelsel staat
enorm onder druk. Als we het hebben over de bijstand, komt meer dan de
helft van alle uitkeringsgerechtigden uit een land buiten Europa.
Ondertussen blijft de bevolking explosief groeien met ongeveer 100.000
mensen per jaar, puur en alleen door immigratie.
In plaats van de maatregelen te treffen om die instroom volledig terug
te dringen en een asielstop in te voeren, kiest dit kabinet ervoor om
Nederland nog verder vol te proppen met immigranten, met alle rampzalige
gevolgen van dien. Volgens officiƫle prognoses van het CBS is het niet
de vraag óf maar wannéér Nederlanders een minderheid in eigen land
worden. In de grote steden is het al zover, maar als het aan dit kabinet
ligt, moeten ieder dorp en iedere stad eraan geloven.
We bespreken vandaag in het bijzonder de situatie in Hardenberg. Tien
jaar geleden ging de gemeente akkoord met de afspraak om een azc te
plaatsen voor ten hoogste tien jaar. Dat was de afspraak. Die tien jaar
zijn inmiddels verstreken; het COA houdt zich er niet aan en kiest
ervoor om maar gewoon een dwangsom te betalen die oploopt tot ā¬55.000
per dag. Dat is lekker makkelijk praten voor het COA; die dwangsommen
worden betaald uit belastinggeld. De begroting van het COA is al
gestegen naar 4,2 miljard, dus er is geen enkele prikkel voor het COA om
afspraken na te komen. Wat zegt dit over de betrouwbaarheid van de
overheid?
Dat brengt me ook bij de vragen aan deze minister. Wanneer is hij erover
geĆÆnformeerd dat de situatie dreigt dat in Hardenberg de deadline niet
gehaald wordt? Wat heeft hij concreet gedaan om dit te voorkomen?
Hoeveel gemeenten in Nederland zitten op dit moment in een vergelijkbaar
conflict met het COA? Hoe gaat de minister ervoor zorgen dat het COA
afspraken gaat nakomen?
De voorzitter:
Het woord is aan de minister.
Minister Van den Brink:
Voorzitter, dank u wel. Fijn om hier weer bij het vragenuur aanwezig te
zijn. De gemeente Hardenberg heeft de afgelopen tien jaar veel
asielzoekers opgevangen in twee asielzoekerscentra. Daarmee heeft de
gemeente meer aan de opvang bijgedragen dan veel andere gemeenten in
Nederland. Daarom snap ik de frustratie die er in Hardenberg en ook op
andere plekken in Nederland is heel goed, nu de afspraak om op 8 maart
te sluiten niet is doorgegaan. Daarom heeft de gemeente besloten een
dwangsom op te leggen aan het COA. De afgelopen weken heb ik al op veel
plekken buiten deze Kamer toegelicht wat daar de achtergrond van is.
Daarom is het goed dat ik dat ook hier in de plenaire zaal doe.
We hebben in Nederland namelijk een groot probleem. We hebben een tekort
aan opvangplekken, omdat er door gemeenten onvoldoende nieuwe plekken
zijn aangeleverd. Daar is Hardenberg de dupe van. In Ter Apel is het
aantal al weken niet onder de 2.000 gekomen, wat het afgesproken
maximale aantal is. In meerdere gemeenten kunnen locaties niet sluiten,
simpelweg omdat er geen plek is om de mensen naartoe te brengen. Laat ik
daarom ook hier zeggen dat dat ook iets betekent voor de mensen Ćn de
asielzoekerscentra. Asielzoekers die vaak al van plek zijn gebracht,
moeten met hun koffers klaarstaan en krijgen een seintje om naar een
andere plek gebracht te worden. Ook dat is onwenselijk.
Daarom heeft dit kabinet keuzes gemaakt die deze problemen moeten
oplossen. Denk aan het beperken van de instroom en het versnellen van de
terugkeer. Daarom hebben we gisteren ook een debat gehad over het
Migratiepact; dat was met bijna alle partijen. Denk ook aan voldoende
financiering voor het COA om daarmee langjarig opvangplekken te
realiseren. De vragen die de heer Van Meijeren stelt, gaan over
Hardenberg. Daar heb ik al op verschillende plekken toelichting op
gegeven. De dag nadat de situatie in Hardenberg duidelijk werd, een paar
dagen voor 8 maart, wat ook het moment was dat ik dat hoorde, was er al
gelijk contact met de gemeente Hardenberg. De gemeente Hardenberg heeft
natuurlijk bezwaar gemaakt en gezegd: wij willen dit niet; wij willen
gestand doen aan de afspraak van tien jaar. Ik was daar ook een groot
voorstander van geweest, maar er is gewoon geen plek. Er is in Nederland
geen plek om die mensen naartoe te brengen. Dat komt doordat we de
afgelopen tijd gewoon te weinig opvangplekken aangeleverd hebben
gekregen. Vanuit die positie probeer ik dat te herstellen. Daarom vraag
ik gemeenten op dit moment om nieuwe noodopvanglocaties beschikbaar te
stellen, omdat we dit probleem alleen met elkaar kunnen oplossen. Een
landelijk probleem kan niet alleen op Hardenberg worden afgewenteld en
kan niet alleen op Ter Apel worden afgewenteld. We zullen dit met elkaar
moeten oplossen.
De heer Van Meijeren (FVD):
De minister erkent dat er sprake is van een probleem, maar hij ziet niet
de daadwerkelijke oorzaak van dit probleem. Als primaire oorzaak geeft
hij aan dat er te weinig opvangplekken zijn. Er zijn te veel
immigranten; er zijn te veel asielzoekers. Hoe legt deze minister aan de
gemeente Hardenberg uit dat die paar honderd asielzoekers die daar al
weg hadden moeten zijn, daar nog steeds zitten, terwijl er alleen in de
afgelopen week alweer 1.000 nieuwe asielzoekers naar Nederland zijn
gekomen? De oplossing is niet om gemeenten te dwingen om meer
opvangplaatsen te realiseren. De oplossing is om die asielstroom aan te
pakken. Dat gaat niet met die laffe asielwet die nu in de Eerste Kamer
ligt. We moeten een asielstop invoeren. Dat moet vandaag nog, want op
deze manier dreigt de situatie volledig uit de hand te lopen. Kinderen
die vandaag in Nederland geboren worden, worden een minderheid in eigen
land. Daar hou ik deze minister medeverantwoordelijk voor. Ik vraag me
af of hij dit überhaupt een probleem vindt. Erkent hij ook dat probleem,
ook met het oog op de sociale cohesie en alle spanningen die dit
veroorzaakt? En is hij bereid om het probleem echt bij de bron aan te
pakken door een asielstop in te voeren, de grenzen te sluiten voor
asielzoekers en geen nieuwe aanvragen meer in behandeling te nemen in
plaats van alleen maar gemeenten te dwingen om nog meer mensen op te
vangen, terwijl die gemeenten dat niet aankunnen? Nederland kan dit niet
aan.
Minister Van den Brink:
Ik denk dat het heel goed is dat de heer Van Meijeren zo zijn zorgen
uit. Ik denk dat die zorgen de afgelopen jaren al zijn geuit door heel
veel mensen, politiek breed, ook bij de aanvaarding van het rapport over
demografie, waarin dit ook heel goed is neergelegd. Maar dit is ook de
plek waar we met elkaar wetten maken. Ik hoor de heer Van Meijeren
weinig aangeven over in welke wet hij dit gaat regelen of op welk moment
hij daar zelf bij betrokken zou willen zijn als wij daar een debat over
hebben, zoals gisteren over het Europees Migratiepact. Uiteindelijk is
dit de plek waar we in Nederland wetten vaststellen die voor heel
Nederland gelden. Dat geldt voor de Spreidingswet. Dat geldt voor de wet
die nu in de Eerste Kamer ligt. Dat geldt voor het Europees
Migratiepact. Dat zijn wetten waarmee we aan Nederland laten zien welke
verantwoordelijkheid wij nemen. Op die manier ga ik ook mijn werk doen.
Ik zal uitvoering geven aan wetten die hier liggen, als ze de instroom
beperken en als ze de opvang mogelijk moeten maken. Maar ik doe het
alleen langs die lijn en niet door te zeggen hoe het zou moeten zonder
er een wet bij te leveren.
De voorzitter:
Afrondend.
De heer Van Meijeren (FVD):
Dat roept de vraag op: waarom zouden gemeenten zich aan de Spreidingswet
moeten houden als het COA zich niet eens aan de wet houdt? De oplossing
van Forum is duidelijk: direct uit het Vluchtelingenverdrag stappen,
grenscontroles uitvoeren, asielaanvragen stoppen, het voor lief nemen
als de EU boetes wil opleggen, uit de EU, de instroom aanpakken en niet
met dit laffe beleid komen waardoor heel Nederland te gronde wordt
gericht.
Dank u wel.
Mevrouw Vondeling (PVV):
Ik hoor de minister over het beperken van de instroom, maar wat doet de
minister nu concreet om de grenzen te sluiten? Er worden meisjes van 17
en 19 jaar ⦠In Hardenberg is er een meisje van 17 van haar fiets
gesleurd en aangerand door een asielzoeker. Wat doet u nu om dit tuig
uit Nederland te houden?
Minister Van den Brink:
Voor ieder tuig dat dit soort verschrikkelijke dingen doet, is er maar
een plek: de cel. Vanuit die cel kan gewerkt worden aan terugkeer en dat
is ook wat wij doen als we dit soort mensen aantreffen.
Mevrouw Straatman (CDA):
Er moet mij allereerst wel een ding van het hart. Wij hebben gisteren
tien uur lang gedebatteerd over de grootste asielhervorming in 25 jaar
tijd. Bijna alle partijen, van rechts tot links, van groot tot klein,
waren daarbij aanwezig. Forum voor Democratie schitterde in afwezigheid.
Tegelijkertijd hoor ik hier de heer Van Meijeren zijn zorgen uiten over
wat er allemaal mis is met het systeem. Ik zou hem willen zeggen: wees
dan ook aanwezig wanneer we ā¦
De voorzitter:
Uw vraag aan de minister?
Mevrouw Straatman (CDA):
⦠een van de grootste asielwetten in Nederland bespreken. Verder heb ik
een vraag aan de minister. Ik begrijp de zorgen en de frustraties van de
Hardenbergers heel goed. Tegelijkertijd begrijp ik ook de spagaat waarin
het COA zit. Mijn vraag is: hoe kunnen we de lokale gemeenschap meenemen
in deze beslissingen, zodat zij niet het gevoel hebben dat zij
overvallen worden met een asielzoekerscentrum dat eerst zou sluiten en
nu toch langer openblijft?
Minister Van den Brink:
Dat is een terechte vraag. Ik weet ook dat er vanuit het COA richting de
gemeente Hardenberg is aangegeven dat het in deze situatie niet op een
goede wijze is gegaan; het werd pas op zo'n korte termijn voor de
sluiting bekend. Ik heb het COA gevraagd in situaties waarin het in
overmacht verkeert, dat op een nette manier, op tijd, kenbaar te maken
aan gemeenten. Daarnaast proberen we dat natuurlijk ook te voorkomen
door nu op zoek te gaan naar nieuwe noodopvanglocaties.
De heer Ceder (ChristenUnie):
De situatie in Hardenberg baart mij zorgen. Ik heb hier ook Kamervragen
over gesteld. Het gaat namelijk veel verder dan wat hier is gebeurd. Een
afspraak tussen gemeenten en het COA wordt niet nagekomen. Dit is funest
voor de verdere ontwikkeling van bijvoorbeeld de Spreidingswet, waar de
minister mee aan de slag wil gaan. Het is funest voor het al lage
vertrouwen in de overheid. En het weerhoudt gemeenten om überhaupt zaken
te willen doen, nota bene omdat ik begrijp dat er al een persbericht was
uitgestuurd dat ze gingen sluiten en de gehele gemeente en de inwoners
een paar dagen van te voren overvallen werden met de boodschap dat dat
toch niet doorging.
De voorzitter:
Uw vraag?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Mijn vraag aan de minister is hoe hij denkt deze situatie op te lossen,
maar ook hoe wij voorkomen dat dit bij de uitrol van de Spreidingswet
vaker gaat voorkomen. Daarbij wil ik ook graag dat de minister inzoomt
op de rol van het COA. Als dit namelijk vaker gebeurt, hebben we
gemeenten die het gesprek en het contract met de overheid niet willen
aangaan omdat er geen vertrouwen meer is. En dat kan ik ook ergens wel
begrijpen.
Minister Van den Brink:
Ik snap heel goed de vraag "als je een afspraak hebt, waarom wordt die
dan niet nagekomen?". Dat is in dit geval ook echt een vorm van
overmacht. Daarmee is het natuurlijk wel totaal onwenselijk en is de
frustratie in Hardenberg totaal begrijpelijk. We moeten, denk ik, ook
erkennen dat de gemeente Hardenberg de dupe is geworden doordat er de
afgelopen jaren te weinig plekken zijn aangeleverd. Als er in een
normale periode voldoende plekken zouden zijn geweest, kunnen we ook wat
er is afgesproken gestand doen. Maar zolang we dat opvangprobleem niet
beter oplossen en aan de andere kant de instroom niet voldoende
beperken, moeten ik roeien met de riemen die we hebben. Maar in de
ideale situatie, als de Spreidingswet goed functioneert, komt het COA al
zijn afspraken na. Dat is ook wat het COA natuurlijk zelf wil. Het COA
is wel de laatste die blij wordt van het afgeven van dit soort
berichten.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik vind het antwoord nog onvoldoende, want de minister zegt: als die wet
goed gaat werken, dan moet het goedkomen. Ik ben mij serieus de vraag
aan het stellen of we, als de overheid, of in dit geval het COA, die
afspraak niet nakomt, niet in de vicieuze cirkel belanden dat gemeenten
minder gewillig zijn om contracten aan te gaan, dat er daardoor
vervolgens minder opvangplekken zijn en dat we dit eigenlijk door het
hele land gaan zien. Mijn vraag is dus opnieuw de volgende. Stel je voor
dat er een kink in de kabel komt. Wat gaat de minister doen om het
vertrouwen tussen gemeenten en het COA, en daarmee de overheid, te
herstellen de komende tijd?
Minister Van den Brink:
Ik denk dat het vanaf dag ƩƩn dat ik deze verantwoordelijkheid heb
helder is dat er op een andere manier naar gemeenten wordt gekeken en
dat er op een andere manier wordt gesproken met gemeenten. Dat begint
ermee dat we als ƩƩn overheid optreden. We hebben een Rijksoverheid, een
gemeentelijke overheid en een provinciale overheid, maar voor de burgers
in dit land is dat ƩƩn overheid. Die ene overheid heeft met elkaar
bedacht dat er in dit land een instroomprobleem is. Dat proberen wij
vanuit Den Haag te beperken. Er is een opvangprobleem en daarvoor hebben
we een Spreidingswet. Daarmee proberen we het op lokaal niveau op te
lossen. Pas als we dat met elkaar als ƩƩn verantwoordelijkheid zien en
niet als een probleem van Den Haag of als een probleem van alleen
Hardenberg, dan gaan we deze problemen oplossen. Als we naar elkaar
blijven kijken en iedereen zegt "doe jij je ding; ik doe effe niet mee",
dan houden we dit probleem en is er geen Spreidingswet die dat gaat
oplossen.
De heer Ceulemans (JA21):
Ik heb hier schriftelijke vragen over gesteld en heb ook geprobeerd hier
een plenair debat over aan te vragen. Het is dus goed dat we het er
vandaag wel over hebben. Hardenberg en de inwoners van Hardenberg voelen
zich namelijk enorm belazerd. Dat is ook enorm begrijpelijk wanneer een
afspraak zo geschonden wordt. Tegelijkertijd zijn we nu de tweede cyclus
van de Spreidingswet in gegaan. Wat ons betreft gaat die van tafel; wij
hebben daar een intrekkingswet voor liggen. Maar even los daarvan: is de
minister het met mij eens dat er überhaupt geen enkele sprake van kan
zijn dat hij straks met de Spreidingswet in de hand gemeenten gaat
aanspreken of zelfs gaat dwingen op het moment dat het COA zelf zulke
harde afspraken met gemeenten met voeten treedt?
Minister Van den Brink:
Ik zou dit kwalificeren als een kip-eidiscussie, want er is natuurlijk
een probleem dat we ergens moeten gaan oplossen en dat moet met de
gemeente en het COA samen. Zeggen dat het COA nooit meer in zo'n
situatie mag komen, kan ik dus alleen maar doen als ik weet dat er
voldoende opvangplekken vanuit de gemeenten zijn om die op te lossen. Ik
zal er dus voor zorgen dat dat gesprek op een goede manier verloopt. Ik
zal het COA erop blijven aanspreken dat het wat het heeft afgesproken zo
veel mogelijk gestand moet doen. Tegelijkertijd ga ik met al die
gemeenten in gesprek om voldoende opvangplekken te realiseren.
De heer Ellian (VVD):
De minister spreekt van een overmachtssituatie, maar daar hebben de
mensen in Hardenberg natuurlijk niks aan. Deze overmachtssituatie lijkt
wel een permanente, waar het COA niet uit lijkt te komen. Dus wat gaat
de minister dan doen om ervoor te zorgen dat ofwel de instroom meteen
naar beneden gaat ofwel die overmachtssituatie opgelost wordt?
Minister Van den Brink:
We doen het allebei. We werken aan het beperken van de instroom en dat
doen we ook door de afspraken die mevrouw Keijzer heeft gemaakt gestand
te doen, dus dat nareizigers in hotels geplaatst worden zodat de
opvanglocaties minder vol komen te zitten. We zijn op dit moment wel
degelijk bezig, ook in Hardenberg, met het uitplaatsen van de mensen.
Dat gaat nog lang niet snel genoeg, maar we zijn een eind op weg. Op die
manier probeer ik dit probleem aan te pakken.
De voorzitter:
Ik dank de minister voor zijn aanwezigheid en het beantwoorden van de
gestelde vragen.
Vragen van Baarle
Vragen van het lid Van Baarle aan de minister van
Buitenlandse Zaken over het bericht "Een Nederlands schip zou
deze week wapens hebben afgeleverd in Israƫl. Is het daarom niet meer
traceerbaar?".
De voorzitter:
Ik geef het woord aan de heer Van Baarle voor zijn vragen aan de
minister van Buitenlandse Zaken namens de fractie van DENK. Ik heet ook
de minister van Buitenlandse Zaken van harte welkom in het parlement.
Gaat uw gang.
De heer Van Baarle (DENK):
De minister zit er klaar voor, zie ik.
Voorzitter. Volgens berichtgeving in Trouw heeft een schip dat vaart
onder de Nederlandse vlag mogelijk wapens afgeleverd in Israƫl. Het
schip, de Rijnvliet, arriveerde waarschijnlijk in Haifa met een lading
bomhulzen en patronen uit de Verenigde Staten. Voor het European Legal
Support Center is het naar verluidt duidelijk dat het schip inderdaad
naar Israƫl ging, ondanks dat er een andere bestemming werd opgegeven.
Volgens deze ngo komt het vaker voor dat schepen die eigenlijk naar
Israƫl gaan, met een zogenoemde spookbestemming varen om zodoende wapens
aan Israƫl te kunnen blijven leveren.
Voorzitter. Israƫl pleegt aan de lopende band misdaden: een genocide in
Gaza, verschrikkelijke onderdrukking en moorden op de Westelijke
Jordaanoever, etnische zuivering, illegale bezetting, moorden in Libanon
en illegale bezetting in Syriƫ. Deelt de minister dat er onder geen
beding wapens mogen gaan naar deze misdadige staat, ook niet via
spookroutes? En wat gaat de minister hiertegen doen?
De voorzitter:
Het woord is aan de minister.
Minister Berendsen:
Dank u wel, voorzitter. Dank ook aan de heer Van Baarle voor de vraag.
De berichtgeving waarop de vragensteller de vraag baseert, is een
artikel over een schip dat vanuit de Verenigde Staten naar
waarschijnlijk Israƫl is gevaren onder Nederlandse vlag. Dat betekent
dat dit schip niet door Nederland of via Nederland is gegaan, maar
louter onder Nederlandse vlag vaart. Daarom is ons exportcontrolebeleid
niet van toepassing. Dat richt zich namelijk alleen op de export vanuit
Nederland of de eventuele doorvoer vanuit Nederland. Over schepen die
onder Nederlandse vlag varen, hebben wij wel rechtsmacht, maar dat gaat
dan over toezicht op de administratie en op technische en sociale zaken
aan boord, en eventueel ook op het overtreden van eventuele
sanctieverboden. Maar aangezien die voor Israƫl niet van toepassing zijn
op dit moment, is dat de situatie voor wat betreft deze casus uit
Trouw.
De heer Van Baarle (DENK):
Deze reactie van de minister is echt schrikken. Al die misdaden die door
Israƫl gepleegd worden, schuift de minister maar een beetje weg, van: we
hebben hier geen verantwoordelijkheid voor; we gaan er niks tegen doen.
Op grond van het Genocideverdrag is Nederland verplicht om te doen wat
mogelijk is om een genocide te voorkomen. Deze minister wuift het
allemaal maar weg. Waarom? Waarom wuift deze minister dit weg?
Minister Berendsen:
Ik wuif helemaal niets weg. Ik richt me op de casus die ons voorgelegd
is en de handelingsmogelijkheden die wij als kabinet hebben in een zaak
zoals deze. Dit is de situatie zoals die is. Ons exportcontrolebeleid
als het gaat om dit soort schepen varend onder Nederlandse vlag richt
zich, zoals ik zojuist ook gezegd heb, alleen op de export en eventuele
doorvoer via Nederland. Dat is nu niet het geval. Voor schepen varend
onder Nederlandse vlag hanteren wij de criteria die ik zojuist gesteld
heb.
De heer Van Baarle (DENK):
Vindt de minister het wenselijk dat een schip dat vaart onder de
Nederlandse vlag wapens levert aan Israƫl?
Minister Berendsen:
Deze minister vindt het wenselijk dat wij het beleid en de regels die
wij stellen, ook voor de maritieme scheepvaart, goed navolgen. In de
casus die ons voorgelegd is via Trouw is dit de situatie. Dat betekent
dat dat mijn antwoord is.
De heer Van Baarle (DENK):
Ik vraag niet naar een cursus internationaal recht of scheepvaartrecht.
Ik vraag naar een opvatting van deze minister. We hebben een regering
die in heel veel andere gevallen prat gaat op maatschappelijk
verantwoord ondernemen. Vindt deze minister het wenselijk dat een schip
onder de Nederlandse vlag munitie aflevert aan de staat Israƫl?
Minister Berendsen:
Nogmaals, deze minister vindt het wenselijk dat we het beleid dat we
hebben als het gaat om maritieme scheepvaart uitvoeren. Niet gerelateerd
aan deze casus, maar in algemene zin vindt dit kabinet inderdaad dat wij
druk uit moeten oefenen op Israƫl daar waar er zorgen zijn. Dat doen we
ook. We kijken ook hoe wij het internationaal recht kunnen bevorderen.
Dat hebben we al op meerdere manieren gedaan. Maar dat vraagt wel een
veel breder debat dan dat we op dit moment op basis van deze
berichtgeving kunnen voeren.
De heer Van Baarle (DENK):
Ik heb deze minister nu twee keer de kans gegeven om gewoon een
opvatting te hebben. Als het gaat om Israƫl is de regering of is deze
minister blijkbaar niet in staat om een opvatting te hebben. Dat
verbaast mij ten zeerste. Heeft deze minister de afgelopen tijd de
beelden gezien van de misdaden die gepleegd worden in Gaza en de
misdaden die gepleegd zijn op de Westelijke Jordaanoever? Ik wijs ook op
de etnische zuivering die zich nu voor onze ogen ontspint in Libanon. Ik
vraag daarom nog ƩƩn keer: heeft de minister een opvatting over het feit
dat een schip onder de Nederlandse vlag wapens levert aan een staat die
beschuldigd wordt van de meest verschrikkelijke misdaden?
Minister Berendsen:
Nogmaals ... Laat ik het anders formuleren. Ik heb daar natuurlijk wel
degelijk een opvatting over. Dat heb ik niet alleen. Dit kabinet kijkt
ook met grote zorgen naar wat plaatsvindt in Gaza, wat plaatsvindt op de
Westelijke Jordaanoever en naar de ontwikkelingen die we in Libanon
zien. Dit kabinet heeft daar op meerdere manieren al uiting aan gegeven.
Ook in internationaal verband voeren wij daarover de gesprekken en
kijken we hoe we situaties kunnen voorkomen of druk kunnen uitoefenen.
Maar ik hecht er in deze casus wel waarde aan om te verwijzen naar het
beleid dat wij hebben en de mogelijkheden die we hebben als het gaat om
het vervoer van dit soort schepen dat onder Nederlandse vlag vaart, maar
van de VS naar waarschijnlijk Israƫl is gevaren.
De heer Van Baarle (DENK):
Dat is weer prietpraat en een college over hoe dingen werken, maar het
is nog niet eens het begin van een antwoord op mijn vraag over de
opvatting van het kabinet. Dus nogmaals, het kabinet is blijkbaar niet
in staat om een opvatting te hebben over een schip dat onder de
Nederlandse vlag wapens levert aan een staat die de meest
verschrikkelijke misdaden pleegt. Is de Nederlandse regering bereid om
de rederij aan te spreken en aan te geven dat dit onwenselijk is?
Minister Berendsen:
Wij voeren met heel veel bedrijven gesprekken over wat wenselijk en niet
wenselijk zou zijn, maar ik hecht er wel waarde aan om dat soort
gesprekken te voeren op basis van de regels die wij samen stellen. Varen
onder Nederlandse vlag betekent dat we op basis van eventueel
sanctiebeleid zouden moeten optreden. Dat sanctiebeleid is er op dit
moment niet richting Israƫl als het gaat om dit soort transporten. Dat
betekent dat wij handelen in lijn met de regels die er zijn.
De heer Van Baarle (DENK):
Is de minister dan op zijn minst bereid de maatschappij uit Ierland, die
ook bij deze constructie betrokken is, hierop aan te spreken?
Minister Berendsen:
Wij baseren dit gesprek op berichtgeving uit een krant. Andere
informatie over deze casus heb ik niet, behalve dus wat ik uit de krant
moet vernemen. Dat betekent dat ik de basis waarop ik dit soort
toezeggingen zou moeten doen, wel erg wankel vind, want dat is dan puur
de informatie die in een krantenartikel staat.
De heer Van Baarle (DENK):
Is de minister dan bereid om met het European Legal Support Center in
gesprek te gaan om de onderliggende feiten te krijgen zodat hij
misschien wƩl mensen durft aan te spreken?
Minister Berendsen:
Ik weet ook niet ... Kijk, ik vervang mijn collega op deze plek. Als dat
soort gesprekken moeten plaatsvinden, dan zal mijn collega dat moeten
doen. Maar ik zal dit verzoek in ieder geval onder zijn aandacht
brengen. Mag ik het misschien zo formuleren?
De heer Van Baarle (DENK):
Is de minister dan bereid om Israƫl hier hard op aan te spreken en om
aan te geven dat het gebruik van dit soort spookbestemmingen niet te
tolereren is?
Minister Berendsen:
Het veranderen of het aanpassen van bestemmingen gedurende de reis zien
we vaker voorkomen in de maritieme sector. Dat is niet specifiek voor
dit type bestemming. Dat geldt voor meer bestemmingen, omdat reizen
kunnen veranderen door keuzes van de schepen of de rederijen zelf.
Tegelijkertijd wil ik er ook op wijzen dat als het gaat om het
wapenexportbeleid ā nogmaals, dat is dus niet van toepassing op deze
casus, omdat het niet vanuit Nederland of via Nederland is gegaan ā
Nederland en dit kabinet wel degelijk een bepaalde mate van strengheid
hebben richting Israƫl. De vergunningen die ons voorgelegd worden, mogen
de facto alleen worden goedgekeurd als het voor defensief gebruik is,
dus voor de Iron Dome. Allerlei andere materialen die zouden worden
geƫxporteerd vanuit Nederland of via Nederland, krijgen geen vergunning.
Ik vind het wel belangrijk om dat beeld nog even toe te voegen, ondanks
dat het bij deze casus niet van toepassing is.
De heer Van Baarle (DENK):
Het gaat om munitie in een schip onder Nederlandse vlag: munitie die
mogelijk gebruikt wordt door Israƫl om Palestijnen af te knallen in Gaza
of op de Westelijke Jordaanoever. En deze minister kan daar niet eens
een opvatting over hebben? Hij komt alleen maar met colleges om de boel
voor zich uit te schuiven. Nederland is verplicht alles te doen om een
genocide te voorkomen, maar deze minister faalt voor die test. Dat is
schandalig.
De voorzitter:
Wenst u daar nog op te reageren, minister?
Minister Berendsen:
Nee, behalve dan op het feit dat er door de spreker steeds wordt gezegd
dat ik college geef. Ik wens ieder van ons en al onze studenten
inhoudelijker colleges toe dan wat ik zeg in de beperkte tijd die ik
heb.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
De genocide in Gaza sluimert door. Israƫl bombardeert onschuldige
burgers in Libanon. Tegelijkertijd zien we ook oorlogsmisdaden door
Israƫl op de Westelijke Jordaanoever. Nou is er een schip met bomhulzen
en patroonhulzen dat onder Nederlandse vlag vaart en waarschijnlijk
richting Israƫl is gegaan. Hoe gaat Nederland daar nou tegen optreden?
Hoe gaat de minister voorkomen dat we medeplichtig worden aan de
mensenrechtenschendingen die Israƫl pleegt?
Minister Berendsen:
Zoals ik net al gezegd heb, is de inzet van dit kabinet op dat gebied
duidelijk. Wij hebben grote zorgen over de humanitaire situatie in Gaza
en grote zorgen over wat er gebeurt op de Westelijke Jordaanoever. We
hebben ook grote zorgen over wat er in Libanon gebeurt, met name over de
humanitaire effecten daarvan. Dat laten we op verschillende plekken en
op verschillende manieren blijken. Ik denk dat de Kamer ook heeft gezien
dat wij als het gaat om het bevorderen van internationaal recht ook
bereid zijn om uitermate gevoelige stappen te zetten, zoals de
interventie bij het Internationaal Gerechtshof. Ook die keuze hebben we
gemaakt vanuit het kader van neutraliteit, dus niet ter ondersteuning
van partijen, maar wel ter bevordering van het internationaal recht. Dat
betekent dat we die stappen zetten. Nogmaals, de casus die voorligt gaat
over een schip dat onder Nederlandse vlag vaart. Daar hebben wij een
aantal mogelijkheden voor. Zolang er geen sanctiebeleid is op export
naar Israƫl en dus ook een schip dat onder Nederlandse vlag vaart moet
voldoen aan de vergunningverplichting van het land dat exporteert ⦠In
dit geval is dat de VS, als ik op de informatie over de
vergunningsplicht van Trouw mag afgaan. Dat zijn de mogelijkheden die we
hebben. Dat is de situatie die hier voorligt.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Er wordt ƩƩn ding heel erg duidelijk uit het antwoord en dat is dat het
kabinet volledig duikt voor zijn verantwoordelijkheid om betrokkenheid
bij mensenrechtenschendingen te voorkomen. Het kabinet kan natuurlijk
wel extra gaan controleren, want het is hoogst zorgelijk dat een schip
onder Nederlandse vlag mogelijk bijdraagt aan oorlogsmisdaden. Mijn
vraag aan de minister is heel concreet. Hij noemt nu allemaal dingen op
die hij niet kan doen. Wat zijn de mogelijkheden van het kabinet om
extra te controleren of inderdaad klopt wat er gemeld wordt over dit
schip en of er ook meerdere schepen zijn die gewoon wapens naar Israƫl
vervoeren
Minister Berendsen:
Dit komt zelden voor, zeg ik op basis van de informatie die wij hebben.
Dat is denk ik goed om als eerste te melden. Het tweede is, zoals ik al
heb gezegd, dat de mogelijkheden die wij hebben, gebaseerd zijn op het
varen onder Nederlandse vlag. Dat betekent dat ze moeten voldoen aan
vergunningen en moeten voldoen aan financiƫle en sociale verplichtingen,
et cetera. Daar controleren we op. Op basis van deze casus zijn er niet
heel veel meer redenen om dat schip te controleren, want dat schip vaart
van de ene naar de andere bestemming. Wat daar geldt, zijn de
exportvergunning van de VS en de ontvangst door, in dit geval,
Israƫl.
Daar voeg ik aan toe dat wij natuurlijk in algemene zin met bedrijven
het gesprek voeren over hun rol in geopolitieke conflicten en de
eventuele effecten daarvan. In algemene zin klopt dat, maar dat wil ik
niet plakken op deze specifieke zaak, vanwege de casus die voorligt.
Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):
Volgens mij stelt de minister terecht dat hij zorgen heeft over wat
Israƫl doet in Gaza, op de Westbank en in Libanon. Volgens mij erkent de
minister ook dat er nog steeds de facto een wapenembargo is tegen Israƫl
vanuit het Nederlandse kabinet. Wat mensen thuis dan niet begrijpen,
denk ik, is dat de minister geen zorgen heeft als blijkt dat een
Nederlands schip onder Nederlandse vlag wapens levert aan Israƫl. Heeft
de minister daar ook zorgen over?
Minister Berendsen:
Afgezien van terechte emoties die hierbij spelen en de grote zorgen over
wat zich daar afspeelt, zeg ik vanuit mijn rol als minister dat het
uiteindelijk ook voor de mensen thuis belangrijk is dat ik het houd bij
de mogelijkheden, het instrumentarium en het beleid dat wij hebben. In
dit geval is het een schip dat vaart onder Nederlandse vlag. Dat
betekent dat we op een aantal dingen kunnen controleren, maar niet per
se op de lading, omdat die lading op dit moment onderdeel is van
sancties. Als die lading niet zou voldoen aan het sanctiebeleid, hebben
we een reden om in te grijpen. Maar als er vanuit de VS een
exportvergunning wordt verleend voor de export naar Israƫl, hebben wij
voor een schip dat vaart onder de Nederlandse vlag geen extra
controlemogelijkheden in dit kader.
De heer Van Baarle (DENK):
Netanyahu is trots op deze minister, heel trots op deze minister. Waarom
is deze minister bij dit onderwerp zo formalistisch, terwijl je ziet dat
de Palestijnen worden afgeslacht? Waarom is deze minister niet bereid om
het af te keuren en dingen te doen buiten zijn formalistische kader om
een schip onder Nederlandse vlag ervan te weerhouden om patronen aan het
Israƫlische leger te geven? Waarom doet hij dat niet?
Minister Berendsen:
Het is mijn rol als minister om te wijzen op het beleid dat wij hebben
en uitleg te geven bij de vragen die de Kamer stelt. Daarnaast word ik
als minister natuurlijk gecontroleerd door de Kamer en voer ik beleid
uit dat de Kamer gezamenlijk vormgeeft. Als de hele Kamer dit signaal
zou geven, zou de situatie wellicht anders zijn, maar dat is natuurlijk
niet het geval. Ik denk dat we ook realistisch moeten zijn over de
ruimte die het kabinet heeft in samenwerking met de Kamer en de
opdrachten die de Kamer aan dit kabinet geeft, ook over dit soort
gevoelige geopolitieke thema's.
De heer Van Baarle (DENK):
Die genocide die Israƫl pleegt in Gaza en alle andere misdaden die
Israƫl pleegt, komen niet uit de lucht vallen. Dat gebeurt omdat de
internationale gemeenschap wegkijkt. Dat gebeurt omdat de internationale
gemeenschap toestaat dat de misdadige regering van Israƫl gesteund
blijft worden, financieel, met wapens en op andere manieren. De reactie
van deze minister is het schoolvoorbeeld van wegkijken. Dit is niet wat
een Nederlands bedrijf zou moeten doen in het kader van maatschappelijk
verantwoord en ethisch ondernemen. Dan ga je geen patronen geven aan een
leger dat Palestijnen afschiet.
De voorzitter:
Uw vraag?
De heer Van Baarle (DENK):
Nogmaals in de richting van deze minister: keur het af! Doe alles wat
buiten uw formele mogelijkheden ligt om dit te stoppen.
Minister Berendsen:
Ik denk dat ik duidelijk heb gemaakt waar dit kabinet staat ten aanzien
van de grote zorgen die er zijn. Op basis van de
wapenexportcontrolevergunningen die we op dit moment hebben, is het
duidelijk dat we alleen materialen goedkeuren die bedoeld zijn voor de
defensieve mogelijkheden van Israƫl, want Israƫl heeft het recht om
zichzelf te verdedigen. Offensief is een andere zaak. Dat betekent dat
dit kabinet doet wat het kan binnen zijn mogelijkheden. Dat doen we ook
in samenwerking met de internationale partners.
De voorzitter:
Ik dank de minister voor zijn aanwezigheid en voor de beantwoording van
de gestelde vragen. Daarmee zijn we aan het einde van het vragenuur
gekomen. Ik schors de vergadering tot 15.00 uur, waarna we gaan stemmen.
De vergadering is tot 15.00 uur geschorst.