[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Verslag van een schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda informele Raad voor Concurrentievermogen van 31 maart 2026 (Kamerstuk 21501-30-689)

Verslag van een schriftelijk overleg

Nummer: 2026D13904, datum: 2026-03-25, bijgewerkt: 2026-03-25 17:38, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van zaak 2026Z06131:

Preview document (🔗 origineel)


De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Postbus 20018

2500 EA DEN HAAG

Datum 25 maart 2026
Betreft Reactie op Schriftelijk Overleg informele Raad voor Concurrentievermogen 31 maart 2026

Onderzoek en Wetenschapsbeleid

Rijnstraat 50

Den Haag

Postbus 16375

2500 BJ Den Haag

www.rijksoverheid.nl

Contactpersoon

Onze referentie

62886539

Uw brief

23 maart 2026

Uw referentie

21501 - Verslag van een schriftelijk overleg

Hierbij stuur ik u, mede namens de minister van Economische Zaken en Klimaat, de antwoorden op de vragen van de commissie naar aanleiding mijn brief van 18 maart 2026 inzake de Geannoteerde Agenda informele Raad voor Concurrentievermogen van 31 maart 2026 en de brief van de minister van Economische Zaken van 12 februari 2026 inzake het verslag van de informele Raad voor Concurrentievermogen van 2 en 3 februari 2026.

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Rianne Letschert

I Vragen en opmerkingen uit de fracties

Inbreng van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de volgende Raad voor Concurrentievermogen en hebben hierover enkele vragen. Deze leden zijn zeer verheugd dat er weer een kabinet zit dat inziet dat investeringen in vervolgonderwijs, onderzoek en wetenschap essentieel zijn om als innovatief land voorop te kunnen blijven lopen. Zij vragen in dat kader of de minister kansen ziet om deze investeringen verder te verstevigen via de Europese matching van onderzoeksfinanciering. Zij vragen ook of de minister kan toelichten hoe deze matching wordt meegenomen in de Nederlandse onderhandelingsinzet voor het nieuwe kaderprogramma van Horizon Europe en het meerjarig financieel kader (MFK) en welke plaats fundamenteel onderzoek daarin krijgt.

De leden van de D66-fractie steunen de lijn die het kabinet wil inzetten om de regeldruk te verlagen. Deze leden zien met name problemen rond het verkrijgen van kapitaal en de verschillen in regelgeving bij opschaling van innovatieve bedrijven. Zij vragen welke regelgeving voor het kabinet prioriteit heeft om zo snel mogelijk te harmoniseren.

De leden van de D66-fractie lezen dat het kabinet wil inzetten op open science om ruimte te creëren voor fundamenteel onderzoek. Deze leden zien het belang hiervan, maar zien tegelijkertijd ook dat het behoud wetenschappelijke kennis de strategische autonomie van Nederland kan versterken in een geopolitiek instabiele tijd. Zij vragen dan ook welke afweging de minister maakt tussen deze belangen.

De leden van de D66-fractie constateren dat structurele investeringen in onderzoek en ontwikkeling noodzakelijk zijn voor ons concurrentievermogen. Ook Neth-ER heeft in een reactie op de consultatie van het European Research Area Act het belang hiervan benoemd. Op hoeveel procent van de Lissabondoelstelling zit Nederland nu, voor zowel publieke als private investeringen, vragen deze leden, en hoe verhoudt dat zich tot de inspanningen van andere Europese landen?

De leden van de D66-fractie benadrukken tot slot het belang van een zelfstandig kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (KP10). Deze leden constateren dat in het Commissievoorstel veel nadruk ligt op de verbinding tussen KP10 en het Europees Concurrentievermogenfonds (ECF), terwijl de precieze verhouding tussen beide instrumenten onduidelijk is. De leden van de D66-fractie onderschrijven het belang van een goed functionerende keten van fundamenteel onderzoek tot innovatieve toepassingen, maar vrezen dat een te nauwe koppeling aan het ECF ertoe kan leiden dat KP10 in de praktijk ten koste gaat van ongebonden onderzoek waaruit baanbrekende innovaties voortkomen. Deelt de minister deze zorg? Deze leden vragen de minister hoe zij zich in de Raadsonderhandelingen inzet voor het waarborgen van de ruimte voor alle vormen van onderzoek. Deze leden wijzen in dit verband op voorstellen om de programmering van KP10 en het ECF gescheiden te houden, met elk hun eigen bestuursorganen, terwijl de inhoudelijke koppeling wel in stand blijft. Kan de minister aangeven hoe zij dit ziet, zo vragen zij.

Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de informele Raad voor Concurrentievermogen van 31 maart a.s. Deze leden hechten zeer groot belang aan een goede regeling voor excellent onderzoek en innovatiepotentie. Het gaat hier niet alleen over één van de belangrijkste economische verdienmodellen, maar vooral ook over ontwikkelingskansen voor talentvolle studenten en onderzoekers en over het vinden van oplossingen voor de grote uitdagingen waarvoor Nederland en de Europese Unie zich gesteld zien. Deze leden hebben nog enkele vragen.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de mogelijke structurele korting op de afdracht aan de Europese Unie van €1,6 miljard vanaf 2028 ten koste zou kunnen gaan van de onderzoeksfinanciering die volgens de rapporten van Draghi, Letta, Heitor en Wennink nodig zal zijn om de concurrentiekracht van Europa zeker te stellen. Graag een inhoudelijke reactie op dit punt. Kan worden toegelicht of wordt vastgehouden aan een structurele korting op de Nederlandse EU-afdracht vanaf 2028, in het licht van de toenemende (Europese) ambities op het gebied van onderzoek en innovatie?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat Nederland uitstekend presteert in het huidige onderzoekskaderprogramma. Is de vrees terecht dat dit zal worden aangegrepen om dit als bezuinigingsoptie aan te wijzen? Zo ja, hoe verhoudt u zich hiertoe? En hoe verhoudt deze inzet zich tot signalen uit diverse Europese rapporten (zoals Draghi, Letta en Heitor) over de noodzaak tot opschaling van investeringen in onderzoek en innovatie? Welke reactie is van andere lidstaten te verwachten op de voorgenomen korting op de EU-afdrachten? Acht de minister het waarschijnlijk dat deze korting gerealiseerd wordt zonder gevolgen voor onderzoeks- en innovatiebudgetten? Zal worden gegarandeerd dat voldoende financiering voor Europees onderzoek binnen Horizon Europe beschikbaar is in het geval van een korting op de EU-afdracht vanaf 2028? Zo nee, waarom niet?

Inbreng van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de informele Raad voor Concurrentievermogen (onderzoek en innovatie) d.d. 31 maart 2026. Deze leden ondersteunen de inzet van de Commissie en het kabinet om de innovatiekracht van Europa en Nederland te versterken door internationaal talent weg te nemen en innovatieve bedrijven te helpen met opschalen. Wel hebben zij nog een aantal vragen met betrekking tot de Nederlandse inzet.

Internationaal onderzoekstalent

De leden van de CDA-fractie ondersteunen de inzet van de Europese Commissie om actief werk te maken van het aantrekken van wetenschappelijk talent via het Choose Europe-initiatief. Nu wetenschap, met name in de Verenigde Staten, steeds vaker onder druk staat, kan Europa profiteren van het aantrekken van toponderzoekers. Kan de minister aangeven wat de effectiviteit is van dit in 2025 gepresenteerde plan ter waarde van €500 miljoen? Tevens vragen deze leden of de minister een uitsplitsing kan maken van de werking van het initiatief naar nationaliteit en vakgebied.

Daarnaast vragen de leden van de CDA-fractie hoe de minister aankijkt tegen de spanning tussen internationale wetenschappelijke samenwerking en het borgen van kennisveiligheid. Op welke wijze zetten Nederland en Europa in op effectieve screening om kennislekkage naar buitenlandse mogendheden te voorkomen? Kan de minister dit betrekken bij haar inzet ten aanzien van het aantrekken van internationaal onderzoekstalent?

De leden van de CDA-fractie waarderen het dat de Europese Commissie niet uitsluitend aandacht heeft voor onderzoekstalent, maar ook voor talent met gespecialiseerde vaardigheden. Beide groepen zijn onmisbaar voor een innovatieve en concurrerende economie. Het is daarom positief dat de EU stappen wil zetten om de wederzijdse erkenning van arbeidsvoorwaarden en doctorale graden tussen verschillende instellingen en landen te verbeteren. Deze leden roepen echter op om deze inzet niet te beperken tot onderzoeksuniversiteiten, maar ook hogescholen en beroepsonderwijsinstellingen hierbij te betrekken. Juist in grensregio’s ligt er immers aanzienlijke potentie voor het wederzijds erkennen van onderwijsprogramma’s en diploma’s.

Inbreng van de leden van de JA21-fractie

De leden van de JA21-fractie hebben met veel interesse kennisgenomen van deze stukken. Het is essentieel voor de toekomst van Europa om de concurrentiepositie te verbeteren. Nu dreigen wij steeds verder achterop te raken. Het onderwerp van dit beleidsdebat is “Van excellent onderzoek naar mondiale schaal: het Europese innovatiepotentieel ontsluiten.” Wat wordt nu de belangrijkste inzet van de minister in deze discussie? In hoeverre deelt de minister de conclusies en aanbevelingen van het Heitor-rapport over Europees onderzoek- en innovatiebeleid? Welke punten wil de minister inbrengen?

Tijdens de Raad voor Concurrentievermogen van 29 mei 2026 beoogt Cyprus als huidige voorzitter een gedeeltelijk akkoord te bereiken voor het tiende kaderprogramma voor Horizon Europe. Kan de minister aangeven op welke punten nu overeenstemming kan worden bereikt en wat de belangrijkst overgebleven twistpunten zullen zijn? Kan de minister bevestigen dat Nederland pal blijft staan voor de inzet op excellentie als leidend criterium en niet in te zullen stemmen met geografische (“widening”) criteria?

Onlangs verscheen het rapport van rapporteur Ehler over het Horizon-programma. Wat vindt de minister van dit rapport en in hoeverre steunt zij deze voorstellen?

Kan de minister aangeven dat zij de inzet van de JA21-fractie steunt om er zorg voor te dragen dat voldoende ruimte blijft voor fundamenteel onderzoek binnen het Horizon programma?

Hoe ziet de minister de verhouding tussen het Horizon-programma en het Europees Concurrentiefonds? Wat moet er gebeuren om daarin synergie te bewerkstelligen maar wel voldoende ruimte te laten voor fundamenteel onderzoek?

In hoeverre acht de minister de huidige programma’s zoals die nu voorliggen voldoende en effectief voor de concurrentiepositie van Europa specifiek ten aanzien van het aantrekken van wetenschappelijk talent en het stimuleren van onderzoek? Graag een toelichting.

In hoeverre is “Choose Europe” gekoppeld aan het versoepelen van toelatingsregels voor derdelanders?

Hoe groot schat de minister het risico dat kennis die hier met Europese fondsen wordt ontwikkeld verdwijnt of wordt gebruikt door ons minder gunstig gezinde regimes? Hoe wil de minister ervoor zorgen dat de inzet op meer internationale samenwerking niet ten koste gaat van de kennisveiligheid? Hoe verhoudt het ideaal van open-acces zich tot het belang van kennisveiligheid?

Hoe ziet de minister de aangekondigde ERA-act en wat worden de Nederlandse prioriteiten daarin?

Inbreng van de leden van de BBB-fractie

De leden van de BBB‑fractie hebben kennisgenomen van de stukken voor het schriftelijk overleg over de informele Raad voor Concurrentievermogen (onderzoek en innovatie). Deze leden hebben vooralsnog geen vragen.

II Reactie van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Vraag 1

De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de volgende Raad voor Concurrentievermogen en hebben hierover enkele vragen. Deze leden zijn zeer verheugd dat er weer een kabinet zit dat inziet dat investeringen in vervolgonderwijs, onderzoek en wetenschap essentieel zijn om als innovatief land voorop te kunnen blijven lopen. Zij vragen in dat kader of de minister kansen ziet om deze investeringen verder te verstevigen via de Europese matching van onderzoeksfinanciering. Zij vragen ook of de minister kan toelichten hoe deze matching wordt meegenomen in de Nederlandse onderhandelingsinzet voor het nieuwe kaderprogramma van Horizon Europe en het meerjarig financieel kader (MFK) en welke plaats fundamenteel onderzoek daarin krijgt.

Zoals aangegeven in het coalitieakkoord willen we waar mogelijk gebruik maken van Europese cofinanciering. Bij bepaalde Europese onderzoeksfinanciering, zoals sommige partnerschappen binnen Horizon Europe, is nationale cofinanciering vereist. Dat biedt kansen om investeringen vanuit nationale middelen te verstevigen met Europese middelen. Het zo aantrekkelijk mogelijk maken van de voorwaarden om nationale cofinanciering te verschaffen is dan ook onderdeel van de Nederlandse onderhandelingsinzet voor het nieuwe Horizon Europe.

Daarnaast zet het kabinet zich ervoor in dat het programma in financiering zal blijven voorzien voor de gehele innovatieketen, van fundamenteel onderzoek tot marktintroductie.

Vraag 2

De leden van de D66-fractie steunen de lijn die het kabinet wil inzetten om de regeldruk te verlagen. Deze leden zien met name problemen rond het verkrijgen van kapitaal en de verschillen in regelgeving bij opschaling van innovatieve bedrijven. Zij vragen welke regelgeving voor het kabinet prioriteit heeft om zo snel mogelijk te harmoniseren.

Voor het kabinet heeft het verlagen van regeldruk voor ondernemers een hoge prioriteit, niet alleen op nationaal maar vooral ook op Europees niveau. Toegang tot de Europese markt is een belangrijke factor voor bedrijven die internationaal willen opereren. Het kabinet ziet de grote voordelen van een diepere Europese kapitaalmarkt voor de verdere ontwikkeling van de Nederlandse kapitaalmarkt. Verdere integratie van nationale kapitaalmarkten en eenduidigere regelgeving is hiervoor belangrijk. In de praktijk gaat het primair om het vereenvoudigen van administratieve procedures, harmoniseren van regelgeving en versterken van samenwerking met andere lidstaten.

In de Kamerbrief “Kabinetsinzet kapitaalmarktunie” van 17 maart 2025 heeft het vorige kabinet drie pijlers gepresenteerd waarop ingezet wordt om een sterke kapitaalmarktunie te helpen creëren: sterker toezicht, meer en divers kapitaalaanbod en eenduidige regels. Een belangrijk instrument om dit te bereiken is onder andere het ontwikkelen van een 28ste regime. De Europese Commissie heeft op 18 maart jongstleden haar voorstel voor het 28ste regime gepresenteerd, genaamd EU-Inc. Daarin worden concrete voorstellen gedaan voor verdere harmonisatie van regelgeving voor bedrijven.

Het kabinet is het voorstel momenteel aan het beoordelen, de Kamer zal hier op korte termijn over geïnformeerd worden. Daarnaast zet het kabinet zich in voor de verruiming van de staatssteunregels in het kader van de lopende herziening van de GBER (General Block Exemption Regulation): Europese wetgeving die bepaalt onder welke condities staatssteun gegund mag worden aan bedrijven en wanneer bedrijven als “Onderneming in Moeilijkheden” worden beoordeeld.

Vraag 3

De leden van de D66-fractie lezen dat het kabinet wil inzetten op open science om ruimte te creëren voor fundamenteel onderzoek. Deze leden zien het belang hiervan, maar zien tegelijkertijd ook dat het behoud wetenschappelijke kennis de strategische autonomie van Nederland kan versterken in een geopolitiek instabiele tijd. Zij vragen dan ook welke afweging de minister maakt tussen deze belangen.

Open science is een randvoorwaarde voor wetenschappelijk onderzoek. Ik herken dat het open ontwikkelen en delen van kennis in sommige gevallen op gespannen voet kan staan met het versterken van de strategische autonomie. Daarom is het uitgangspunt ‘open waar mogelijk, gesloten waar nodig’ cruciaal. Voor het versterken van strategische autonomie is het belangrijk om het risico op ongewenste overdracht van strategisch inzetbare kennis en technologie te verkleinen. Het hoort bij de verantwoordelijkheid van kennisinstellingen en wetenschappers om hier rekening mee te houden. Zeker omdat we weten dat deze risico’s er zijn.

Open science heeft onder meer als doelstelling dat onderzoeksdata- en software vindbaar, toegankelijk, interoperabel en herbruikbaar zijn. Echter niet alle data is hiervoor geschikt. Om te voorkomen dat gevoelige data open wordt gedeeld, hanteren universiteiten en financiers als NWO, ZonMw en ook de Europese Commissie verschillende waarborgen en uitzonderingsgronden. Als waarborg geldt bijvoorbeeld dat onderzoekers, wanneer zij een research data management plan (DMP) opstellen, erop worden gewezen dat zij zorgvuldig met hun data moeten omgaan en dat gevoelige data niet mag worden gedeeld. Een van de belangrijkste uitzonderingsgronden voor het delen van onderzoeksdata is Kennisveiligheid.1

Vraag 4

De leden van de D66-fractie constateren dat structurele investeringen in onderzoek en ontwikkeling noodzakelijk zijn voor ons concurrentievermogen. Ook Neth-ER heeft in een reactie op de consultatie van het European Research Area Act het belang hiervan benoemd. Op hoeveel procent van de Lissabondoelstelling zit Nederland nu, voor zowel publieke als private investeringen, vragen deze leden, en hoe verhoudt dat zich tot de inspanningen van andere Europese landen?

Volgens voorlopige cijfers van het CBS over 2024 bedroegen de R&D-uitgaven in Nederland 2,29% van het bbp in 2024. Daarbij bevindt Nederland zich op 76% van de Lissabon-doelstelling voor R&D in 2030 (3% van het bbp). Het percentage in Nederland ligt iets hoger dan het EU-gemiddelde, dat volgens voorlopige cijfers van Eurostat op 2,24% van het bbp uitkomt in 2024. Nederland blijft echter achter bij hoogontwikkelde Europese landen waar we ons graag mee vergelijken. Zo is het percentage 3,36 in België, 3,01 in Denemarken, 3,13 in Duitsland, 3,22 in Finland en 3,56 in Zweden.

Voor het jaar 2023 zijn cijfers beschikbaar over private en publieke financiering van R&D. Dat zijn definitieve cijfers. In Nederland bedroeg de private financiering van R&D in dat jaar 1,41% van het bbp en de publieke financiering 0,89% van het bbp. De fiscale R&D-faciliteit WBSO, ten bedrage van 0,13% van het bbp in 2023, is hierbij meegerekend als publieke financiering van R&D.

Voor het bereiken van de Lissabondoelstelling geldt als uitgangspunt dat het private aandeel investeringen binnen de beoogde 3% van het bbp aan R&D-uitgaven ongeveer twee derde bedraagt, neerkomend op ongeveer 2% van het bbp. De percentages private en de publieke financiering van R&D in Nederland liggen dicht bij de EU-gemiddelden, die op respectievelijk 1,36% en 0,90% van het bbp zijn te berekenen in 2023 (op basis van R&D-cijfers van Eurostat in combinatie met gegevens over fiscale R&D-faciliteiten van de OECD). In de eerder genoemde landen met veel hogere R&D-uitgaven is de publieke financiering ruim hoger dan in Nederland, namelijk rond de 1,00% van het bbp. Bij de private financiering is het verschil met Nederland veel groter in die landen. Die varieert van 2,03% van het bbp in Denemarken tot 2,65% van het bbp in Zweden.

Vraag 5

De leden van de D66-fractie benadrukken tot slot het belang van een zelfstandig kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (KP10). Deze leden constateren dat in het Commissievoorstel veel nadruk ligt op de verbinding tussen KP10 en het Europees Concurrentievermogenfonds (ECF), terwijl de precieze verhouding tussen beide instrumenten onduidelijk is. De leden van de D66-fractie onderschrijven het belang van een goed functionerende keten van fundamenteel onderzoek tot innovatieve toepassingen, maar vrezen dat een te nauwe koppeling aan het ECF ertoe kan leiden dat KP10 in de praktijk ten koste gaat van ongebonden onderzoek waaruit baanbrekende innovaties voortkomen. Deelt de minister deze zorg? Deze leden vragen de minister hoe zij zich in de Raadsonderhandelingen inzet voor het waarborgen van de ruimte voor alle vormen van onderzoek. Deze leden wijzen in dit verband op voorstellen om de programmering van KP10 en het ECF gescheiden te houden, met elk hun eigen bestuursorganen, terwijl de inhoudelijke koppeling wel in stand blijft. Kan de minister aangeven hoe zij dit ziet, zo vragen zij.

Het kaderprogramma dient op een samenhangende en integrale wijze het hele spectrum van onderzoek en innovatie (O&I) te ondersteunen: van fundamenteel onderzoek tot innovatie, commercialisatie en maatschappelijke impact en van nieuwsgierigheid-gedreven tot thematisch gestuurd O&I.

De pijlerstructuur van Horizon Europe faciliteert de ondersteuning van de gehele kennisketen. Ik verwelkom daarbij de verwevenheid tussen Horizon Europe als zelfstandig programma en het voorgestelde Europese Concurrentievermogenfonds (ECF). Deze verbinding uit zich vooral in de tweede pijler van Horizon Europe, waarin thematisch gestuurde, samenwerkingsgerichte onderzoek en innovatie plaatsvindt.

De verbinding tussen de twee programma’s heeft de potentie om de gehele ‘investment journey’ van ideeën en innovaties gestroomlijnd en effectief te ondersteunen. Uit de evaluaties van voorgaande kaderprogramma’s en rapporten zoals die van Draghi bleek dit een belangrijk aandachtspunt dat nodig is voor het versterken van het concurrentievermogen. Door de voorziene verbinding tussen het ECF en Horizon Europe kunnen de O&I-activiteiten met betrekking tot fundamenteel onderzoek, samenwerkingsgericht onderzoek en de ondersteuning van hoogtechnologische startups aansluiting vinden bij het ECF-beleid.

De voorstellen voor zowel het ECF als Horizon Europe schetsen echter voornamelijk de hoofdlijnen, waardoor de uitwerking via werkprogramma’s een bepalendere rol krijgt. Hier heeft het kabinet als aandachtspunt dat er voldoende aansluiting met het nationale O&I-beleid van lidstaten moet zijn en dat lidstaten voldoende inspraak hebben bij de nadere uitwerking, prioritering en programmering, in lijn met de relevante BNC-fiches.

Betrokkenheid van lidstaten borgt een effectieve en samenhangende Europese inzet. Nederland stuurt daarom aan op een governance-structuur en programmering die de gezamenlijke verantwoordelijkheid tussen lidstaten en de Commissie reflecteert en de O&I-belangen borgt. Voor de link tussen ECF en Horizon Europe acht het kabinet tevens een governance van belang die een gezamenlijke prioriteitssetting tussen O&I (vanuit Horizon Europe) en de opschaling en commercialisatie (vanuit het ECF) beter borgt en waar O&I-experts goed betrokken zijn. Zo kan een gezamenlijke koppeling en programmering vorm krijgen die de kenmerken van beide programma’s in zijn kracht zet.

Vraag 6

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de mogelijke structurele korting op de afdracht aan de Europese Unie van €1,6 miljard vanaf 2028 ten koste zou kunnen gaan van de onderzoeksfinanciering die volgens de rapporten van Draghi, Letta, Heitor en Wennink nodig zal zijn om de concurrentiekracht van Europa zeker te stellen. Graag een inhoudelijke reactie op dit punt. Kan worden toegelicht of wordt vastgehouden aan een structurele korting op de Nederlandse EU-afdracht vanaf 2028, in het licht van de toenemende (Europese) ambities op het gebied van onderzoek en innovatie?

In de kabinetsappreciatie van de Commissievoorstellen voor het volgend Meerjarig Financieel Kader (MFK) en het eigenmiddelenbesluit (EMB) van 12 september jongstleden heeft het kabinet zijn positie met betrekking tot het voorstel van de Europese Commissie uiteengezet. Deze vormt de basis voor de Nederlandse inzet bij de onderhandelingen. Het kabinet zal inzetten op een verlaging van het voorgestelde MFK waarbij de modernisering overeind dient te blijven. Dat wil zeggen dat de EU-begroting meer gericht moet zijn op concurrentievermogen met een sterke interne markt en inzet op O&I als fundament, asiel en migratie en veiligheid en defensie.

Het kabinet zal zijn finale positie bepalen op basis van het onderhandelingsresultaat, voorafgaand aan de laatste besprekingen in de Europese Raad en de uiteindelijke stemming in de Raad over het MFK en het EMB. Hierop kan niet vooruit worden gelopen.

Vraag 7

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat Nederland uitstekend presteert in het huidige onderzoekskaderprogramma. Is de vrees terecht dat dit zal worden aangegrepen om dit als bezuinigingsoptie aan te wijzen? Zo ja, hoe verhoudt u zich hiertoe? En hoe verhoudt deze inzet zich tot signalen uit diverse Europese rapporten (zoals Draghi, Letta en Heitor) over de noodzaak tot opschaling van investeringen in onderzoek en innovatie?

Nederlandse deelnemers zijn zeer succesvol in het huidige en voorgaande kaderprogramma’s voor onderzoek en innovatie. Het kaderprogramma is daarmee van groot belang voor de Nederlandse kennispositie. Het kabinet steunt de prioriteit die via het MFK wordt gegeven aan het versterken van het concurrentievermogen, met een sterke interne markt en inzet op O&I als fundament, vaardigheden, verduurzaming en (economische) veiligheid en defensie in het nieuwe MFK. Zoals uit de rapporten van Draghi en Letta blijkt, is het versterken van de Europese concurrentiepositie essentieel voor de toekomst van de EU. Nederland zal zich, conform de MFK-inzet zoals beschreven in het antwoord op vraag 6, inzetten voor middelen voor deze programma’s.

Vraag 8

Welke reactie is van andere lidstaten te verwachten op de voorgenomen korting op de EU-afdrachten?

Voor de beantwoording op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 6.

Vraag 9

Acht de minister het waarschijnlijk dat deze korting gerealiseerd wordt zonder gevolgen voor onderzoeks- en innovatiebudgetten? Zal worden gegarandeerd dat voldoende financiering voor Europees onderzoek binnen Horizon Europe beschikbaar is in het geval van een korting op de EU-afdracht vanaf 2028? Zo nee, waarom niet?

Voor de beantwoording op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 7.

Vraag 10

De leden van de CDA-fractie ondersteunen de inzet van de Europese Commissie om actief werk te maken van het aantrekken van wetenschappelijk talent via het Choose Europe-initiatief. Nu wetenschap, met name in de Verenigde Staten, steeds vaker onder druk staat, kan Europa profiteren van het aantrekken van toponderzoekers. Kan de minister aangeven wat de effectiviteit is van dit in 2025 gepresenteerde plan ter waarde van €500 miljoen? Tevens vragen deze leden of de minister een uitsplitsing kan maken van de werking van het initiatief naar nationaliteit en vakgebied.

De Europese Commissie zet op verschillende manieren in op het verbeteren van de aantrekkingskracht van Europa op toptalent, waaronder via het initiatief Choose Europe for Science. Het in 2025 aangekondigde budget voor dit initiatief wordt ingezet via de eerste pijler van het huidige kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, Horizon Europe (2021-2027).

Dit gebeurt onder meer via een ‘Plus Grant’ van de Europese Onderzoeksraad (ERC) om baanbrekend onderzoek te financieren met een langere maximum looptijd en hoger projectbudget. De eerste oproep voor voorstellen voor deze nieuwe beursvorm zal pas later dit jaar openen. Daarnaast is een nieuw co-financieringsinstrument binnen de Marie Skłodowska-Curie acties opgezet dat loopbaantrajecten met langere termijn perspectief biedt voor jonge onderzoekers. De evaluatie van voorstellen onder de eerste financieringsronde is momenteel gaande. Er is dus nog geen informatie beschikbaar over de effectiviteit, de nationaliteiten van indieners of de betrokken vakgebieden van beide instrumenten.

Vraag 11

Daarnaast vragen de leden van de CDA-fractie hoe de minister aankijkt tegen de spanning tussen internationale wetenschappelijke samenwerking en het borgen van kennisveiligheid. Op welke wijze zetten Nederland en Europa in op effectieve screening om kennislekkage naar buitenlandse mogendheden te voorkomen? Kan de minister dit betrekken bij haar inzet ten aanzien van het aantrekken van internationaal onderzoekstalent?

Nederland werkt aan een screening om ongewenste overdracht van kennis en technologie te voorkomen. Een uitgangspunt hierbij is dat Nederland open blijft voor internationaal onderzoekstalent en tegelijkertijd dat de grootste risico’s voor de nationale veiligheid worden gemitigeerd.

Een belangrijke randvoorwaarde bij de screening is een gelijk speelveld tussen kennisinstellingen en het kennisintensieve bedrijfsleven. Ook houd ik rekening met de internationale praktijk en zet ik in op een gelijk speelveld binnen de EU en met gelijkgezinde landen. Ik informeer uw Kamer dit voorjaar over de voornemens van de invoering van screening ter voorkoming van ongewenste overdracht van sensitieve kennis en technologie.

Vraag 12

De leden van de CDA-fractie waarderen het dat de Europese Commissie niet uitsluitend aandacht heeft voor onderzoekstalent, maar ook voor talent met gespecialiseerde vaardigheden. Beide groepen zijn onmisbaar voor een innovatieve en concurrerende economie. Het is daarom positief dat de EU stappen wil zetten om de wederzijdse erkenning van arbeidsvoorwaarden en doctorale graden tussen verschillende instellingen en landen te verbeteren. Deze leden roepen echter op om deze inzet niet te beperken tot onderzoeksuniversiteiten, maar ook hogescholen en beroepsonderwijsinstellingen hierbij te betrekken. Juist in grensregio’s ligt er immers aanzienlijke potentie voor het wederzijds erkennen van onderwijsprogramma’s en diploma’s.

Het kabinet staat positief tegenover een faciliterende rol voor de Europese Commissie bij de ontwikkeling van instrumenten voor de (h)erkenning van (beroeps-)vaardigheden. Hiermee kunnen werknemers en werkgevers beter kansen benutten op de Europese interne markt binnen de Unie.

Daarom kijkt het kabinet met interesse naar instrumenten die het mogelijk maken om werkervaring beter inzichtelijk te maken voor werkgevers en onderwijsinstellingen, zoals het aangekondigde initiatief voor Skills Portability.

Tegelijkertijd staat het kabinet terughoudend tegenover automatische wederzijdse erkenning van mbo-diploma’s. Dit zal gelet op de grote diversiteit aan nationale mbo-onderwijssystemen moeilijk realiseerbaar zijn. Diploma’s zijn niet één op één vergelijkbaar, ook niet met onze buurlanden. Daarom ziet het kabinet voor het mbo vooral toegevoegde waarde in het valideren en erkennen van specifieke vaardigheden en kijkt daardoor met interesse uit naar het hiervoor al genoemde aangekondigde Skills Portability Initiative.

Wat betreft de wederzijdse automatische diplomaerkenningen in het hoger onderwijs is Nederland een voorloper binnen Europa. Naast het feit dat Nederland het erkenningsverdrag van Lissabon volledig heeft geïmplementeerd, heeft Nederland ook samen met de andere Benelux-landen en de Baltische Staten in 2021 het initiatief genomen voor een open multilateraal verdrag voor wederzijdse automatische erkenning van diploma’s in het hoger onderwijs. Hierdoor kunnen studenten die hoger onderwijsdiploma behalen in één van de landen uit de beide regio’s, rekenen op een automatische erkenning van hun diploma in de andere vijf landen. Professional Doctorale graden uitgegeven door een hogeschool (PD’s) vallen hier echter nu nog niet onder, aangezien de verlening voor doctorale graden op dit moment in de WHW is voorbehouden aan universiteiten (7.18 WHW).

Vraag 13

De leden van de JA21-fractie hebben met veel interesse kennisgenomen van deze stukken. Het is essentieel voor de toekomst van Europa om de concurrentiepositie te verbeteren. Nu dreigen wij steeds verder achterop te raken. Het onderwerp van dit beleidsdebat is “Van excellent onderzoek naar mondiale schaal: het Europese innovatiepotentieel ontsluiten.” Wat wordt nu de belangrijkste inzet van de minister in deze discussie? In hoeverre deelt de minister de conclusies en aanbevelingen van het Heitor-rapport over Europees onderzoek- en innovatiebeleid? Welke punten wil de minister inbrengen?

Ik zal in mijn inbreng ingaan op het belang van innovatieve bedrijven om op te kunnen schalen, waarbij zowel het bieden van financieringsmogelijkheden als het tegengaan van fragmentatie in de regelgeving van belang is.

Ook wil ik ingaan op hoe onderzoeksresultaten beter vermarkt kunnen worden en daarbij wil ik noemen dat het bouwen en verbinden van O&I-ecosystemen van belang is.

Als laatste wil ik de nadruk leggen op het belang van stabiliteit, voorspelbaarheid en betrouwbaar beleid voor het aantrekken van talent naar Europa. Excellentie, open samenwerking en waarden als bijvoorbeeld academische vrijheid zijn daarbij van groot belang en moeten behouden worden om talent te blijven aantrekken. Het aantrekken van talent is immers goed voor ons concurrentievermogen.

Dit sluit deels aan op aanbeveling 5 uit het advies van de high-level expert group voor de interim evaluatie van Horizon Europe (‘Heitor rapport’) dat in de deelaanbevelingen ingaat op excellentie en het aantrekken van talent.

Ook gaat dit advies onder andere in op het belang van het vereenvoudigen van regelgeving.

Vraag 14

Tijdens de Raad voor Concurrentievermogen van 29 mei 2026 beoogt Cyprus als huidige voorzitter een gedeeltelijk akkoord te bereiken voor het tiende kaderprogramma voor Horizon Europe. Kan de minister aangeven op welke punten nu overeenstemming kan worden bereikt en wat de belangrijkst overgebleven twistpunten zullen zijn? Kan de minister bevestigen dat Nederland pal blijft staan voor de inzet op excellentie als leidend criterium en niet in te zullen stemmen met geografische (“widening”) criteria?

De discussie over de pijlerstructuur en de inhoud van de eerste pijler (excellente wetenschap) is wat veel lidstaten betreft vrijwel afgerond, maar over de rest van het programma zijn nog onderhandelingen nodig.

De nog openstaande punten van discussie relateren onder andere aan de voorgestelde verbinding tussen Horizon Europe (2028-2034) en het Europees Concurrentievermogenfonds (ECF), het instrument voor partnerschappen, de inbedding van dual-use en defensiegerelateerde O&I en kennisveiligheid.

Ook de inzet op excellentie en impact als leidende criteria, in plaats van geografische criteria, is nog onderwerp van discussie. Hierbij kan ik bevestigen pal te zullen blijven staan voor excellentie en impact. Alleen inzet op O&I dat excellent is, is zinvol.

Vraag 15

Onlangs verscheen het rapport van rapporteur Ehler over het Horizon-programma. Wat vindt de minister van dit rapport en in hoeverre steunt zij deze voorstellen?

Ik heb met interesse kennisgenomen van de verschijning van het concept-rapport van rapporteur Ehler over het Horizon-programma. Aangezien dit rapport nog geen formele positie betreft van het Europees Parlement, wil ik op dit moment niet ingaan op de inhoud van het rapport.

Vraag 16

Kan de minister aangeven dat zij de inzet van de JA21-fractie steunt om er zorg voor te dragen dat voldoende ruimte blijft voor fundamenteel onderzoek binnen het Horizon programma?

Ook het volgende kaderprogramma (Horizon Europe 2028-2034) bevat een aparte pijler gericht op excellente, fundamentele wetenschap. Dit is de kraamkamer van maatschappelijke en economische innovatie en daarmee essentieel voor ons concurrentievermogen.

In de voorstellen voor Horizon Europe en het ECF wordt meer nadruk gelegd op innovatie en opschaling. Ik onderschrijf het belang om daarnaast aan de excellente kennisbasis te blijven bouwen, om ook in de toekomst innovatief te blijven, academische vrijheid en nieuwsgierigheids-gedreven onderzoek te garanderen en te zorgen dat het benodigde talent in de EU blijft.

Ik steun dan ook het voorstel van de Commissie om de rol van de Europese Onderzoeksraad (ERC) te verstevigen. Ik zie het bottom-up karakter, de focus op excellentie en de onafhankelijkheid van de ERC als diens voornaamste succesfactoren en zal me inzetten om deze te waarborgen.

Vraag 17

Hoe ziet de minister de verhouding tussen het Horizon-programma en het Europees Concurrentiefonds? Wat moet er gebeuren om daarin synergie te bewerkstelligen maar wel voldoende ruimte te laten voor fundamenteel onderzoek?

Het kaderprogramma dient op een samenhangende en integrale wijze het hele spectrum van onderzoek en innovatie (O&I) te ondersteunen: van fundamenteel onderzoek tot innovatie, commercialisatie en maatschappelijke impact en van nieuwsgierigheid-gedreven tot thematisch gestuurd O&I.

De pijlerstructuur van Horizon Europe faciliteert de ondersteuning van de gehele kennisketen. Ik verwelkom daarbij de verwevenheid tussen Horizon Europe als zelfstandig programma en het voorgestelde Europese Concurrentievermogenfonds (ECF). Deze verbinding uit zich vooral in de tweede pijler van Horizon Europe, waarin thematisch gestuurde, samenwerkingsgerichte onderzoek en innovatie plaatsvindt.

De verbinding tussen de twee programma’s heeft de potentie om de gehele ‘investment journey’ van ideeën en innovaties gestroomlijnd en effectief te ondersteunen. Uit de evaluaties van voorgaande kaderprogramma’s en rapporten zoals die van Draghi bleek dit een belangrijk aandachtspunt dat nodig is voor het versterken van het concurrentievermogen. Door de voorziene verbinding tussen het ECF en Horizon Europe kunnen de O&I-activiteiten met betrekking tot fundamenteel onderzoek, samenwerkingsgericht onderzoek en de ondersteuning van hoogtechnologische startups aansluiting vinden bij het ECF-beleid.

De voorstellen voor zowel het ECF als Horizon Europe schetsen echter voornamelijk de hoofdlijnen, waardoor de uitwerking via werkprogramma’s een bepalendere rol krijgt. Hier heeft het kabinet als aandachtspunt dat er voldoende aansluiting met het nationale O&I-beleid van lidstaten moet zijn en dat lidstaten voldoende inspraak hebben bij de nadere uitwerking, prioritering en programmering, in lijn met de relevante BNC-fiches.

Betrokkenheid van lidstaten borgt een effectieve en samenhangende Europese inzet. Nederland stuurt daarom aan op een governance-structuur en programmering die de gezamenlijke verantwoordelijkheid tussen lidstaten en de Commissie reflecteert en de O&I-belangen borgt. Voor de link tussen ECF en Horizon Europe acht het kabinet tevens een governance van belang die een gezamenlijke prioriteitssetting tussen O&I (vanuit Horizon Europe) en de opschaling en commercialisatie (vanuit het ECF) beter borgt en waar O&I-experts goed betrokken zijn. Zo kan een gezamenlijke koppeling en programmering vorm krijgen die de kenmerken van beide programma’s in zijn kracht zet.

Vraag 18

In hoeverre acht de minister de huidige programma’s zoals die nu voorliggen voldoende en effectief voor de concurrentiepositie van Europa specifiek ten aanzien van het aantrekken van wetenschappelijk talent en het stimuleren van onderzoek? Graag een toelichting.

De Europese Commissie heeft voorgesteld om voor het volgende Europese kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, Horizon Europe (2028–2034), 175 miljard euro te reserveren onder het volgende Meerjarig Financieel Kader.

Het budget voor het huidige kaderprogramma Horizon Europe (2021–2027) was bij aanvang van het programma 95,5 miljard euro. Uit de interim-evaluatie van het huidige programma2 blijkt dat elke geïnvesteerde euro 11 euro bijdraagt aan economische groei in 2045. Daarmee levert het programma een belangrijke bijdrage aan de verbetering van Europese concurrentiekracht.

Het voorgestelde volgende kaderprogramma stimuleert net als het huidige programma internationale samenwerking en de mobiliteit van onderzoekers. Het stimuleert en faciliteert daarmee toegang tot nieuwe kennis en netwerken, de beste ideeën, de beste mensen en de beste infrastructuur. Het draagt daarmee sterk bij aan de aantrekkelijkheid van Europa voor talent om hier te blijven of om zich hier te vestigen.

Het volgende programma zal zich daarnaast, nog meer dan het huidige programma, richten op belangrijke strategische O&I-prioriteiten die bijdragen aan het concurrentievermogen van de Europese Unie, onder andere door een nauwe verbinding met het voorgestelde Europese Concurrentiefonds.

Vraag 19

In hoeverre is “Choose Europe” gekoppeld aan het versoepelen van toelatingsregels voor derdelanders?

Bij de lancering van het Choose Europe initative is aangekondigd dat de Commissie ook wil kijken naar de mogelijkheden om het gemakkelijker te maken voor internationaal talent om naar Europa te komen.

In de recent uitgekomen Commissieaanbeveling over het aantrekken van talent voor innovatie3 gaat de Commissie hier verder op in en benoemt daarbij onder andere het vereenvoudigen van toelatingsprocedures voor derdelanders voor studie, onderzoek en hooggekwalificeerde arbeid. Van versoepelen van toelatingsregels is geen sprake.

Vraag 20

Hoe groot schat de minister het risico dat kennis die hier met Europese fondsen wordt ontwikkeld verdwijnt of wordt gebruikt door ons minder gunstig gezinde regimes? Hoe wil de minister ervoor zorgen dat de inzet op meer internationale samenwerking niet ten koste gaat van de kennisveiligheid? Hoe verhoudt het ideaal van open-acces zich tot het belang van kennisveiligheid?

Internationale samenwerking, onder andere het aantrekken van internationaal onderzoekstalent, is van groot belang voor de kennisontwikkeling in de Nederlandse wetenschap. Dit kabinet zet dan ook in op een talentstrategie. Tegelijkertijd brengt internationale samenwerking risico’s met zich mee in bijvoorbeeld de vorm van ongewenste kennisoverdracht van militaire of strategisch inzetbare kennis of technologie.

Daarom is het uitgangspunt ‘open waar mogelijk, gesloten waar nodig’ cruciaal. Het hoort bij de verantwoordelijkheid van kennisinstellingen dat van veiligheidsrisico’s bij internationale samenwerking proactief rekenschap wordt gegeven. Ik ondersteun kennisinstellingen hierbij met onder andere het loket kennisveiligheid. Daarnaast heb ik samen met de wetenschapssector Indicatoren voor Risico-inschatting Internationale Samenwerkingen Kennisveiligheid en de Leidraad Kennisveiligheid opgesteld.

De cruciale balans tussen kansen en risico’s bij internationale samenwerking geldt ook voor onderzoek dat gefinancierd wordt via Europese fondsen. Voor het beschermen van de kennisveiligheid is een gelijk speelveld binnen Europa belangrijk. De Europese Commissie heeft hiervoor en Raadsaanbeveling Onderzoeksveiligheid gepubliceerd op 23 mei 2024. Daarnaast heeft mijn voorganger dit onderwerp eerder onder andere in de Raad voor Concurrentievermogen geagendeerd. Ik blijf inzetten op het bevorderen van een gelijk speelveld.

Ook bij open access is het afwegen van kansen en risico’s cruciaal. Ik herken dat het open ontwikkelen en delen van kennis in sommige gevallen op gespannen voet kan staan met het versterken van de strategische autonomie. Voor het versterken van strategische autonomie is het belangrijk om het risico op ongewenste overdracht van strategisch inzetbare kennis en technologie te verkleinen. Het hoort bij de verantwoordelijkheid van kennisinstellingen en wetenschappers om hier rekening mee te houden. Zeker omdat we weten dat deze risico’s er zijn.

Vraag 21

Hoe ziet de minister de aangekondigde ERA-act en wat worden de Nederlandse prioriteiten daarin?

Een goed functionerende interne markt voor onderzoek, wetenschap en innovatie is nodig voor een sterke, concurrerende Europese economie, zo betogen ook de adviezen van Draghi en Letta.

De wet op de Europese onderzoeksruimte (de zogenoemde European Research Area Act) wordt momenteel door de Europese Commissie ontworpen. Dit is een belangrijk middel om deze Europese interne markt voor onderzoek, wetenschap en innovatie te verwezenlijken zodat onderzoekers en innovatieve bedrijven in de gehele Europese Unie kunnen samenwerken zonder obstakels van grenzen, uiteenlopende regelgeving of tegenstrijdige systemen.

Het kabinet heeft in het coalitieakkoord aangegeven een aanjagersrol te willen spelen bij de snelle implementatie van de rapporten van Draghi en Letta. Het kabinet is daarom benieuwd naar de concrete uitwerking van de wet op de Europese onderzoeksruimte en zal dit voorstel te zijner tijd van een appreciatie voorzien. Uw Kamer zal dan via het BNC-fiche worden geïnformeerd over het standpunt van het kabinet en de Nederlandse prioriteiten ten aanzien van het wetsvoorstel.


  1. https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-31288-1030.html, beantwoording Kamervragen 5 april 2023.↩︎

  2. Horizon Europe: Research and Innovation at the heart of competitiveness↩︎

  3. Commission recommendation on attracting talent for innovation↩︎