Wijziging van de Gemeentewet, Provinciewet, Waterschapswet, Wet gemeenschappelijke regelingen en Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in verband met een permanente regeling die beraadslagen en besluiten langs de elektronische weg voor decentrale volksvertegenwoordigingen mogelijk maakt (Wet digitaal vergaderen decentrale overheden) (36558) (ongecorrigeerd)
Stenogram
Nummer: 2026D13977, datum: 2026-03-25, bijgewerkt: 2026-03-26 09:27, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-03-25 10:15: Wijziging van de Gemeentewet, Provinciewet, Waterschapswet, Wet gemeenschappelijke regelingen en Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in verband met een permanente regeling die beraadslagen en besluiten langs de elektronische weg voor decentrale volksvertegenwoordigingen mogelijk maakt (Wet digitaal vergaderen decentrale overheden) (36558) (Plenair debat (wetgeving)), TK
Preview document (🔗 origineel)
Wet digitaal vergaderen decentrale overheden
Wet digitaal vergaderen decentrale overheden
Aan de orde is de behandeling van:
het wetsvoorstel Wijziging van de Gemeentewet, Provinciewet, Waterschapswet, Wet gemeenschappelijke regelingen en Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in verband met een permanente regeling die beraadslagen en besluiten langs de elektronische weg voor decentrale volksvertegenwoordigingen mogelijk maakt (Wet digitaal vergaderen decentrale overheden) (36558).
De voorzitter:
We gaan vandaag beginnen met het debat over de Wet digitaal vergaderen
decentrale overheden. Ik heet de minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties van harte welkom, evenals de leden. Acht leden
hebben zich ingeschreven voor spreektijd in de eerste termijn.
De algemene beraadslaging wordt geopend.
De voorzitter:
Ik geef als eerste het woord aan mevrouw Bikker. Zij gaat het woord
voeren namens de ChristenUnie. Ik wens iedereen die digitaal dit debat
volgt, en dat gaat lokaal vast gebeuren, veel genoegen.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Dank u wel, voorzitter. Onze democratie is prachtig. Vorige week nog
heeft heel Nederland nieuwe gemeenteraden gekozen. Raadsleden die met
elkaar het debat voeren over tal van onderwerpen. Van parkeren tot
jeugdzorg, afval, buurthuizen, fietspaden en de economie van je stad of
van je dorp. De diversiteit en tastbaarheid van de onderwerpen zijn
geweldig. Ik ben oud-raadslid en eerlijk waar: er is niks zo mooi als
volksvertegenwoordiger zijn in je eigen dorp of stad, de mensen te
spreken over welk onderwerp dan ook en met elkaar te zoeken naar goede
oplossingen. Ik kijk daar dan ook met veel genoegen op terug. Het is een
eer om volksvertegenwoordiger te zijn en het was mooi om dat zelf in
Utrecht te mogen zijn.
Voorzitter. Daarbij zeg ik dan ook wel, met veel respect, dat de
gemeenteraad, de Provinciale Staten en de waterschapsbesturen echt iets
anders zijn dan welk verenigingsleven dan ook. Je zit daar omdat je
namens veel mensen bent gekozen. Een lokale voetbalvereniging doet
ontzettend goed werk, maar het is toch net even wat anders als je als
volksvertegenwoordiger actief bent, gekozen namens veel mensen. Eerlijk
gezegd bekroop me bij het lezen van dit wetsvoorstel af en toe een
beetje het gevoel dat de regering te veel denkt dat gemeenteraden,
Provinciale Staten, waterschapsbesturen of eilandsraden te vergelijken
zijn met ander verenigingsleven in het maatschappelijk middenveld. Dat
zijn ze niet, want het zijn democratisch gekozen organen die namens
inwoners razend belangrijke en vaak heel ingewikkelde besluiten nemen.
Besluiten die grote gevolgen hebben, breder dan voor een kleine groep
mensen. Ze hebben gevolgen voor bedrijven, voor inwoners en voor
organisaties. Daarom moeten debatten daar wat mij betreft altijd fysiek
gevoerd worden, tenzij het echt niet anders kan.
Voorzitter. Dat brengt me bij de noodzaak van het wetsvoorstel. De
coronatijd maakte immers pijnlijk duidelijk dat ons staatsnoodrecht echt
aan herziening toe is. In allerijl is er toen een tijdelijke wet gekomen
die digitaal vergaderen voor decentrale overheden mogelijk maakte. De
democratie kan tijdens een crisis niet even op pauze; juist niet. Het
waarborgen van democratische besluitvorming in crisistijd, maar ook in
niet-crisistijd, is altijd cruciaal. De tijdelijke wet voorzag daarin.
De wet is geëvalueerd en de evaluatiecommissie adviseerde om een
structurele voorziening voor digitaal vergaderen te treffen. De
commissie was hierover ook duidelijk. Er is een bevoegdheid nodig die
alleen geldt in specifiek in de wet omschreven situaties. Juist dat is
in het wetsvoorstel uiteindelijk anders gelopen. Dit wetsvoorstel biedt
een veel ruimere mogelijkheid om digitaal te vergaderen.
Het frappante daarbij is dat raadsleden, de volksvertegenwoordigers, om
wie het hier draait wat mij betreft, de regering hebben verzocht om dat
niet te doen. Zij wilden vergelijkbaar met de coronatijd enkel de
mogelijkheid om digitaal te vergaderen in noodsituaties. Een belangrijk
signaal wat mij betreft.
In tegenstelling tot de wens van raadsleden wordt het met dit
wetsvoorstel mogelijk gemaakt voor gemeenteraden, Provinciale Staten,
waterschapsbesturen en eilandsraden om digitaal te vergaderen bij
bijzondere omstandigheden. Dat is een open norm, die niet wettelijk is
ingevuld; enkel in de de memorie van toelichting met wat vage
terminologie. Ik snap niet, ook na het lezen van de nota naar aanleiding
van het verslag, waarom daaraan wordt vastgehouden. Kan de minister dit
uitleggen?
De evaluatiecommissie van de tijdelijke wet adviseerde om te kiezen voor
een duidelijk wettelijk omschreven criterium op basis waarvan de
decentrale overheid een besluit neemt. Dit advies heeft de regering niet
opgevolgd. Ook de Raad van State wordt daarbij genegeerd, want die
schrijft: de afdeling adviseert, de mogelijkheid van digitaal vergaderen
toe te spitsen op wettelijk omschreven noodsituaties. Uitganspunt
daarbij dient te zijn dat het gaat om situaties waar zonder fysiek te
vergaderen door bepaalde omstandigheden in het geheel niet vergaderd kan
worden. Hoe beoordeelt de minister deze adviezen in het licht van het
voorliggende wetsvoorstel?
In de memorie van toelichting is duidelijk niet voor de term "crisis"
gekozen, omdat dit te smal is volgens de regering. Kan de regering mij
er dan voorbeelden van geven wanner iets geen crisis is, maar wel een
doorslaggevende reden is om gebruik te maken van de mogelijkheid om
digitaal te vergaderen? Hoe ziet de minister dit in relatie tot de
coronapandemie? Voor dat soort situaties, die per definitie niet lokaal
zijn, is deze wet toch bedoeld?
Een situatie kan ook lokaal zijn, waardoor er de noodzaak is om digitaal
te vergaderen. Waarom niet minstens gekozen voor een regionale situatie?
Ons land is toch niet zo groot dat er zulke grote verschillen zullen
zijn, waardoor er in Friesland wel wordt voldaan aan de voorwaarde van
bijzondere omstandigheden om digitaal te vergaderen en in Groningen
niet? Ik ben benieuwd.
Voorzitter, ik heb nog een paar voorbeelden. Maar als collega Heutink
eerst wil interrumperen, is dat ook prima.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Ze mag het wel eerst afmaken, hoor.
De voorzitter:
Oké, noemt u uw voorbeelden.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Wow, wat zijn we weer hoffelijk.
In de memorie worden voorbeelden als een sneeuwstorm, een griepgolf of
vogelgriep genoemd. Deze open invulling zou in de praktijk kunnen
betekenen dat elke winter tijdens de griepepidemie gemeenteraden
besluiten om digitaal te vergaderen. Dat is toch niet wat we zouden
moeten willen, vraag ik de minister. Een situatie moet volgens de
memorie onvoorspelbaar zijn, niet te beïnvloeden door het
gemeentebestuur en een daadwerkelijke belemmering vormen voor een
fysieke vergadering. Ik vind dit voer voor discussie en voor een eigen
invulling. De Nederlandse Vereniging voor Raadsleden waarschuwt daar in
haar consultatiereactie dan ook nadrukkelijk voor. Punt.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Klopt het dat mevrouw Bikker het eens is met de constatering van de Raad
van State dat de wijze van vergaderen, en dus de keuze tussen fysiek en
digitaal, niet aan de lokale autonomie zou moeten worden
overgelaten?
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik vind dat de Raad van State twee heel belangrijke opmerkingen maakt.
Allereerst dat de plek waar de volksvertegenwoordiging bijeenkomt en
fysiek vergadert in zichzelf ook iets markeert van de eenheid en
verscheidenheid in onze democratie. Dat is niet te vervangen als je
digitaal vergadert, omdat die eenheid in een andere vorm gestalte krijgt
in de daadwerkelijke zaal, met de rituelen die, zoals collega Heutink
weet uit de gemeenteraad, daarbij gebruikelijk zijn. Digitaal is dus
altijd echt een mindere variant. Dat is mijn eerste bevinding op basis
van de constatering van de Raad van State. Dan de tweede, ingaand op de
vraag van de collega. Ik zie ook dat de Raad van State heel duidelijk
maakt: zorg dat je wettelijk vast omschrijft in welke situaties dit
mogelijk is en ga niet het pad op van een heel open norm. Dan kan het
namelijk gebeuren dat de raad van Enschede bij iedere griepgolf niet
vergadert en dat in de raad van Almelo iedereen altijd moet komen, wat
er ook aan de hand is.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Ik ga hier even op door. Mevrouw Bikker stelt dus voor om het begrip
"bijzondere omstandigheid", dat inderdaad lastig te definiëren valt, te
vervangen door het begrip "crisis". Dat komt uit het ongevraagde advies
Van noodwet tot crisisrecht van de Raad van State. Daar wordt ook een
aantal voorbeelden in genoemd. Een van de voorbeelden van wat onder het
begrip crisis valt, is inbreuk of de dreiging van inbreuk op politieke
stabiliteit. Wat zou dat volgens mevrouw Bikker moeten zijn?
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Laten we hopen dat we het in Nederland nooit meemaken, maar je kunt je
dat voorstellen bij een staatsgreep. Dan heb je toch wel een vorm van
politieke instabiliteit die iets teweegbrengt. Laat helder zijn dat ik
er in mijn amendement juist naar gezocht heb om de hoofdregel en
eigenlijk ook de uitzondering veel duidelijker te maken: altijd vergader
je fysiek, tenzij het écht, écht, écht niet anders kan. Daarbij is het
heel eerlijk gezegd zoeken. Welk begrip kun je daaraan koppelen? Als wij
het aan de juristen en de experts vragen, zowel bij het ministerie als
bij Bureau Wetgeving, blijkt dat hier in de wet eigenlijk geen heel
scherpe definitie voor gevonden is. Ik hou me dus aanbevolen. Als
collega Heutink zegt: wij hebben heel goede ideeën over hoe je dat nog
beter kunt invullen, heel graag. Ik ben er namelijk nog steeds mee
bezig, ondanks de gemeenteraadsverkiezingen, waarbij we ook het een en
ander te doen hadden.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Zou het scenario van het ontbreken of de dreiging van het ontbreken van
politieke stabiliteit ook kunnen zijn dat er een grote demonstratie is,
waarbij men het fundamenteel oneens is met wat het gemeentebestuur
voorstelt en dus massaal voor een gemeentehuis gaat staan, waardoor de
toegang wordt geblokkeerd? Dan heb je ook een vorm van politieke
instabiliteit. Kan het zijn dat een gemeenteraad, als we uw amendement
en dus ook dit wetsvoorstel aannemen, dat gaat gebruiken om maar niet
fysiek te hoeven vergaderen?
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Dit is nou precies waar ik bang voor ben: dat we te snel de democratie
on hold zetten vanwege bedreigingen. Ik vind dat een democratie krachtig
moet staan, koste wat het kost. We hebben het niet nodig dat mensen op
zolderkamers gaan vergaderen. Zij moeten bijeenkomen in de raadszaal op
het moment dat er ingewikkelde besluiten te nemen zijn.
Laten we wel even het uitstapje maken naar deze eigenlijk bijna niet
meer hypothetische situatie, want dit komt voor. Daarbij gaat het erom
dat we met elkaar krachtig staan, ook hier, voor de voortgang van de
democratie. De ChristenUniemensen staan niet bekend als de grootste
hooligans, maar stel dat er mensen protesteren, dan zal ik ook hen
aanspreken op het gedrag dat er aan de hand is, zodat de democratie
voortgang kan vinden, want dáár horen de bezwaren te klinken. Dan is het
prachtig als mensen willen demonstreren — dat is een groot goed en dat
mag — maar het zal altijd zo moeten zijn dat een gemeentehuis gewoon
toegankelijk is om te vergaderen.
De voorzitter:
Afrondend.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Ja, tot slot. Nu komen we inderdaad tot de kern. Feitelijk laten we,
door het begrip te wijzigen, nog steeds de interpretatie over aan de
lokale autonomie. Ze kunnen het zelf invullen, wat voor begrip je er ook
aan koppelt. Dan zou het beter zijn … Dan hebben we wat ons betreft
eigenlijk twee keuzes en ik wil graag horen wat mevrouw Bikker daarvan
vindt. Enerzijds: we zeggen dat de lokale autonomie er niet over mag
beslissen, want dat doen wij dan. Of de minister doet dat; dat kan ik me
goed voorstellen. Of we zeggen: we houden toch vast aan de tijdelijke
regeling, die in principe ook gewoon goed werkte in tijden van corona;
dat hebben we gezien. Daar zullen vast wel wat lessen uit te trekken
zijn. Ik ben benieuwd hoe mevrouw Bikker naar die twee opties kijkt.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik heb een poging gedaan om de kern van deze wet in te perken. Zoals ik
al zei: ik ben nog steeds aan het studeren hoe dat beter kan, omdat ik
in het advies van de Raad van State eerlijk gezegd net onvoldoende
handvatten krijg om het stevig in de wet te regelen. Ik vind dat de wet
helder moet zijn en dat lokaal de afwegingsruimte beperkt moet zijn, in
deze zin. Als de minister erin volhardt dat het niet nodig is, dan kom
ik bij de andere afweging, namelijk: moeten we dit dan wel willen?
Daarom is het mooi dat we dit debat met elkaar voeren en de wet beter
gaan definiëren. Daar hoort wat we hier wisselen bij. Daar hoort ook
zo'n amendement bij. Dat kan dus ook nog wijzigen naar aanleiding van
dit debat, wat mij betreft. Ik sta er dus zeer open in, juist omdat ik
die zorgen voorop stel.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Ik voel na de inbreng van mevrouw Bikker wel een beetje dat zij het idee
heeft dat er misbruik gemaakt zou kunnen worden van deze wet door de
lokale bestuurders. Waar baseert ze dat op? Mijn ervaringen zijn
namelijk anders. Ik wil graag horen waarom zij denkt dat dat zou kunnen
gebeuren.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Laat ik het zo omschrijven. Tijdens de coronatijd zat ik zelf in de
Eerste Kamer. Ik heb in de eerste situaties gezien hoe ingewikkeld het
was om ook maar iets digitaal te doen. Tegelijkertijd heb ik er enorm
aan gehecht dat we wel bij elkaar kwamen, met alle voorwaarden die er
moesten worden gesteld, zoals over afstanden. Je ziet dat er een
gewenning ontstaat op het moment dat je ook de digitale optie hebt. Als
dat went, denk ik dat het afbreuk doet aan onze democratische cultuur,
waarin je elkaar blijft tegenkomen en ontmoet over partijgrenzen heen.
Dat is één. Dat gaat terug op het basisbezwaar van de Raad van State,
die aangeeft dat de fysieke vergadering de hoofdlijn moet zijn. Dan is
de vraag van de collega zeer terecht: waarom vertrouwt u dat niet toe
aan lokaal? Dat is eigenlijk uw vraag, als ik die goed versta. Dat is
omdat ik bezorgd ben over het grotere wegen van wat onze democratische
rechtsstaat en onze volksvertegenwoordiging voorstellen. Ik vind dat
iets wat we landelijk uit te leggen hebben aan de hand van de Grondwet.
Maar als we de Grondwet vervolgens alleen technocratisch interpreteren,
omdat er alleen maar twee technische eisen worden gesteld, hebben we het
niet over de democratische cultuur — in uw partij geheten "democratisch
ethos" — die daarbij past. Wat mij betreft is "fysiek" wat je hebt te
doen. Alleen in uiterste noodsituaties doe je dat niet. Als dat op de
ene plek anders wordt geïnterpreteerd dan op de andere, denk ik dat je
in the end een glijdende schaal krijgt. Dat is mijn veronderstelling en
dat kan de collega anders wegen.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Ik denk dat we het erover eens zijn dat fysiek vergaderen altijd de
voorkeur heeft. Daar is geen twijfel over mogelijk. Maar ik wil toch
even terugkomen op de vraag. U geeft aan "democratisch ethos", een mooi
begrip, maar heeft u dan niet het vertrouwen in de lokale overheid dat
zij dat ook zo belangrijk vindt en dat zij in de meeste situaties fysiek
vergaderen zal prefereren boven het digitaal vergaderen? Ik denk dat
onze medeoverheden datzelfde gevoel hebben en dat ook zullen toepassen,
maar ik voel bij u toch een beetje het gevoel dat ze dat op een andere
manier zouden doen dan wij nu met z'n tweeën in gedachten hebben.
De voorzitter:
Graag via de voorzitter de volgende keer.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik denk dat collega Heutink net een aardig voorbeeld gaf van
bedreigingen en toenemende polarisatie in ons land, die ook tot angst
kunnen leiden. Ik denk dat we juist krachtig hebben te staan om dat
soort situaties te voorkomen. Dan helpt een heldere regel die je met
elkaar hebt vast te houden. Als je iedere keer lokaal kan afwegen of je
het wel of niet gaat doen, dan is het even de interpretatie wat daar zal
gebeuren, maar gemeenteraden zijn heel verschillend. Het kan ook nog zo
zijn — maar dat zit niet in dit wetsvoorstel — dat het partijen politiek
goed uitkomt; dat wil je niet hebben. Dat zit er niet in, maar die
glijdende schaal is een van de zorgen die ik heb. Ik hecht er juist aan
om in dit debat met elkaar heel duidelijk te maken: in principe
vergadert onze volksvertegenwoordiging openbaar, op een fysiek
toegankelijke plek die is vastgesteld in onze gemeente, om daar namens
de hele bevolking de besluiten te nemen.
De heer Meulenkamp (VVD):
U geeft zelf aan dat het ook enigszins een worsteling is. Wat is dan een
crisissituatie? Wat is dan een bijzondere situatie? U geeft aan, via de
voorzitter, dat er een heldere richtlijn moet komen, maar eigenlijk
proef ik bij uzelf dat u er ook niet helemaal uitkomt wat die richtlijn
dan zou moeten zijn en hoe we dat dan gaan vastleggen. U bent zelf
gemeenteraadslid geweest, gaf u aan.
De voorzitter:
"Mevrouw Bikker is gemeenteraadslid geweest."
De heer Meulenkamp (VVD):
Mevrouw Bikker is gemeenteraadslid geweest. Voor mij is dan de vraag aan
mevrouw Bikker: is dan niet juist de gemeenteraad hét instituut om aan
te geven of hij wel of niet digitaal wil vergaderen? Daarbij is fysiek
vergaderen de norm, maar in tijden dat de gemeenteraad zegt "nu moeten
het echt digitaal", gaan we digitaal vergaderen.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Maar de gemeenteraadsleden hebben in de consultatie al iets heel anders
gezegd, namelijk: wij hoeven dit niet; wij hebben de voorkeur voor
fysiek. De NVR, de Nederlandse Vereniging voor Raadsleden, is uitermate
kritisch op dit wetsvoorstel. Volgens mij heb ik daar juist goed naar
geluisterd. Het zijn anderen, meer de bestuurders, die zeggen dat ze het
een goede aanvulling zouden vinden, maar de raadsleden zeggen juist: wij
willen dit niet.
De heer Meulenkamp (VVD):
Volgens mij hebben we gisteren of eergisteren een brief gekregen van de
Vereniging van Nederlandse Gemeenten, die juist heel erg pleit voor het
digitaal vergaderen. Die hadden het haast willen gelijkschakelen met
fysiek vergaderen. Het wetsvoorstel zoals het er nu ligt, is wat
afgezwakt. We gaan nu ook niet hybride vergaderen. Hoe kijkt mevrouw
Bikker dan naar de reactie van de VNG?
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Dat zijn dus vooral de bestuurders, de burgemeester en de wethouders,
die daarin hun reactie geven. Ik heb daarnaast de reactie van de
raadsleden gezien. Uiteindelijk hebben wij als volksvertegenwoordiging
een afweging te maken. Die ligt hier en niet bij degene die vanuit zijn
belang de laatste brief heeft gestuurd. Mijn afweging is: kijk uit met
wat we hier doen. Fysiek vergaderen is iets kostbaars. Mijn zorg is dat
op het moment dat we onvoldoende belijnd laten zien wanneer je daarvan
mag afwijken, het fysiek vergaderen langzaam maar zeker een andere
waarde gaat krijgen in het staatsrecht als geheel. Ik ben in coronatijd
ook Tweede Kamerlid geweest. Dat was niet makkelijk, maar we deden het
wel. En dat was goed, omdat je elkaar blijft tegenkomen en blijft
spreken, en je niet alleen in je partijbubbel vooroverleg hebt en
vervolgens op het schermpje een vervolg doet. Ik denk dat je ook voor de
democratie de eenheid in verscheidenheid uitstraalt op het moment dat
het fysiek is. De verscheidenheid zit er ook nog eens in dat je elkaar
ontmoet, dat ik met meneer Bosma ook een grapje kan maken en het even
kan hebben over de dingen die verder spelen. We hebben net best wel een
grapje gemaakt; dat moet u toegeven. Dat heb je niet als je digitaal met
elkaar vergadert. Dat heeft in die zin dus ook echt grote nadelen.
De voorzitter:
Mevrouw Bikker vervolgt haar betoog.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Mijn zorg is dat democratische meerderheden naar verwachting minder
ruimte geven aan democratische minderheden en dat het besluit om fysiek
of digitaal te vergaderen onnodig gepolitiseerd wordt met de open norm.
Graag een reactie. Hoe ziet de minister het risico op grote verschillen
tussen gemeenten, Provinciale Staten en waterschappen? Een open norm met
grote vrijheid voor lokale invulling past toch niet bij onze open
democratie en toegankelijkheid van het bestuur? Is de minister het met
mij eens dat het, hoe graag gemeenten ook gaan experimenteren met
hybride of digitaal vergaderen, aan de wetgever is om te bepalen hoe de
kern van onze democratie wordt vormgegeven? Ook de Raad van State is
hier kritisch over en schrijft: "Gelet op het belang van het
democratische besluitvormingsproces en het gegeven dat fysiek vergaderen
door de volksvertegenwoordiging een wezenlijk onderdeel vormt, behoort
de wijze van vergaderen, fysiek of digitaal, niet aan de lokale
autonomie te worden overgelaten. Het is de wetgever die op dergelijke
wezenlijke onderdelen het lokale democratische besluitvormingsproces
dient te waarborgen." Waarom houdt de minister vast aan de lokale
autonomie, ondanks dit kraakheldere advies van de Raad van State?
Voorzitter. Ik zei het al: vorige week heeft heel Nederland haar eigen
gemeenteraad mogen kiezen. In elke gemeente is er een gemeenteraad, die
een aantal keer per jaar vergadert. Die vergaderingen zijn fysiek, zo
goed als altijd openbaar en vrij toegankelijk voor iedereen. Wat mij
betreft houden we dat in principe echt zo. Graag een reactie van de
minister.
Als u mij goed verstaat, hoort u dat ik dit wetsvoorstel in de huidige
vorm eigenlijk geen goed idee vind, terwijl ik de noodzaak van het
wetsvoorstel voor echte crisissituaties wel zie. Daarom heb ik het
wetsvoorstel onthamerd en zitten we hier nu. Daarom heb ik een
amendement ingediend om de mogelijkheden om digitaal te vergaderen echt
drastisch in te perken tot enkele situaties die zijn aan te merken als
crisis. Ook voor het gezaghebbend functioneren van decentrale overheden,
zoals gemeenteraden, is het in mijn ogen noodzakelijk dat zij fysiek
vergaderen. Zeg nou zelf: het beeld van een digitale vergadering die te
volgen is, waarbij iedereen aan zijn eigen keukentafel zit — een
enkeling heeft schreeuwende kinderen op de achtergrond en een ander een
hond die door het scherm loopt — draagt absoluut niet bij aan het
respect en het gezag dat het ambt van gekozen volksvertegenwoordiger
verdient.
Ik heb voor de term "crisis" gekozen — het is mijn beste kunnen tot nu
toe, zeg ik tegen de heer Heutink — om aansluiting te zoeken bij het
advies "Van noodwet tot crisisrecht" van de Raad van State en de
toelichting op artikel 1 van de Wet veiligheidsregio's. Ook hier laat
het weer de noodzaak zien van harmonisering van ons staatsnoodrecht, zeg
ik tegen de minister, want één goede bindende terminologie ontbreekt
helaas nog. Ik vraag de minister in zijn eigen termijn in te gaan op wat
daarvan nu de stand van zaken is.
Voorzitter, tot slot. Met veel pijn en moeite heeft de voorvorige
minister de experimenteerbepaling uit het wetsvoorstel gehaald. Ik ben
benieuwd hoe de huidige minister naar deze experimenteerbepaling kijkt.
In de nota van wijziging is namelijk aangekondigd dat de minister zou
onderzoeken hoe aan de behoefte van een deel van de decentrale praktijk
om ervaring op te doen met hybride vergaderen tegemoet kan worden
gekomen. Wat is daarvan de stand van zaken? Ziet de minister voordelen
aan hybride vergaderen en de noodzaak tot experimenteren daarmee?
Voorzitter. U heeft het wel gehoord: voor de ChristenUnie is het
wetsvoorstel in de huidige vorm geen goed idee. Nota bene de raadsleden,
de volksvertegenwoordiging waar het toch hoofdzakelijk om draait, zien
het niet zitten en plaatsen terechte kanttekeningen bij het
wetsvoorstel. Dat bestuurders en VNG het wetsvoorstel wel zien zitten,
zonder zich daarbij in mijn ogen voldoende rekenschap te geven van onze
Grondwet en democratische waarborgen, is voor mij eigenlijk een
onderstreping van de grote vraag: brengt dit wetsvoorstel nu meer
technocratie of een op waarden gebaseerde democratie? Als we die vraag
met elkaar goed kunnen beantwoorden, hebben we, volgens mij, een heel
goed debat gehad op deze woensdagochtend.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank voor uw inbreng. Nog een interruptie van de heer Heutink.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Ik zal het kort houden. Wij zijn ook aan het zoeken naar een oplossing
voor hoe we dit goed kunnen doen. Op zich is een wet die we structureel
kunnen inrichten altijd beter dan tijdelijke wetgeving. In dit geval is
het amendement dat mevrouw Bikker heeft voorgesteld een stapje in de
goede richting, omdat we toch iets meer gaan definiëren, maar de kern
van de wet zegt nog steeds dat de interpretatie van dat begrip een
politieke afweging zou kunnen zijn. We laten het besluit om al dan niet
over te gaan tot digitaal vergaderen dan namelijk aan de gemeenteraad
met het argument, als het amendement wordt aangenomen, dat het mag als
er sprake is van een crisis. Mijn vraag is als volgt. Op het moment dat
we dat amendement aannemen, klopt het dan dat we nog steeds de kern van
die wet, namelijk dat we de autonomie bij de gemeenteraden laten en het
dus mogelijk onderdeel kan worden van het politieke spel, hiermee niet
wegnemen?
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Met mijn amendement sluit ik nadrukkelijk aan bij de terminologie die de
Raad van State gekozen heeft met betrekking tot hoe het staatsnoodrecht
eruit moet zien. Dat is eerlijk gezegd behoorlijk out-of-date. Dat is
echt verouderd. Ik vind dat opeenvolgende kabinetten dat huiswerk veel
te lang hebben laten liggen. Eigenlijk maak ik een beetje het huiswerk
dat het kabinet had moeten maken, en dan moet het bredere huiswerk nog
gemaakt worden. Dat is één.
Twee. Als het gaat om kiezen voor het woord "crisis", zei ik: ik geef
het voor beter. Maar waar het om gaat, ziet u ook in de memorie van
toelichting. Dat is de uitleg van dat begrip. Daar kan een rechter aan
toetsen. Als we dat zo stevig definiëren, dan is dat echt iets anders
dan bijzondere omstandigheden. Ik noemde al de jaarlijks terugkerende
griepgolf. Dat kan geen crisis zijn. Het is een crisis als je complete
dorp is overstroomd. Je komt dus in een andere situatie, waarbij zich
ook wel daadwerkelijk situaties hebben voorgedaan die je zo kan
definiëren. Uiteindelijk heeft de gemeenteraad de keuze te maken, maar
de rechter kan aan de hand van het staatsnoodrecht toetsen of het klopt.
Mochten er mensen zijn die zeggen dat het niet willen … De drempel ligt
zo hoog. Daarmee heb ik een hele andere drempel geïntroduceerd dan dit
wetsvoorstel doet. Dat is ook te merken aan de gesprekken met het
ministerie. Tot nu toe hebben we elkaar nog niet gevonden.
De voorzitter:
Nogmaals dank voor uw inbreng. We gaan door naar mevrouw Tseggai. Zij
gaat het woord voeren namens de fractie van GroenLinks-PvdA.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Ook GroenLinks-PvdA vindt het van belang dat de
regionale en lokale democratie ook tijdens bijvoorbeeld een pandemie op
een goede manier blijft functioneren. We vinden het daarom ook goed dat
er met dit wetsvoorstel een wettelijke mogelijkheid komt om af te wijken
van het uitgangspunt dat besluitvormende vergaderingen fysiek
plaatsvinden. Mijn fractie staat dus zeer positief tegenover dit
wetsvoorstel. Echter, net als anderen heb ik een flink aantal vragen
over de uitvoering.
Vandaag — dat kwam in het interruptiedebat al naar voren — staat de
vraag centraal: wat zijn nu precies de bijzondere omstandigheden waarbij
deze wettelijke mogelijkheid gebruikt mag worden? Ik denk dat voorkomen
moet worden dat er te snel naar een digitale vergadering wordt
uitgeweken. Dit komt de politieke besluitvorming namelijk niet ten goede
en is niet passend in de belangrijke rol die volksvertegenwoordigers
hebben in onze democratische rechtsstaat. GroenLinks-PvdA neigt er
daarom naar om voor het amendement van de ChristenUnie te stemmen. Ik
zou dus als eerste van de minister willen weten hoe hij naar het
amendement van collega Bikker kijkt.
De regering schrijft in de schriftelijke beantwoording op vragen van de
Kamer dat fysiek vergaderen het uitgangspunt is en dat alleen in
bijzondere omstandigheden digitaal vergaderd kan worden. Het is goed dat
de regering helder aangeeft dat fysiek vergaderen het uitgangspunt
blijft, maar dan rijst toch de vraag waarom de regering naar aanleiding
van het advies van de Raad van State de wettelijke norm niet heeft
aangescherpt. Kan de minister aangeven hoe hij aankijkt tegen de kritiek
van de Raad van State dat de norm die nu in het wetsvoorstel staat
opgenomen te ruim is? Waarom is er niet gekozen voor een wettelijke
bepaling dat er alleen in crisissituaties kan worden overgegaan tot
digitaal vergaderen, zoals in het amendement van collega Bikker? Kan de
minister preciezer aangeven wat volgens hem het verschil is tussen het
nu in het wetsvoorstel opgenomen criterium van "bijzondere
omstandigheden" en het criterium van een "crisissituatie", zoals in het
amendement van collega Bikker? Bij "bijzondere omstandigheden" zijn heel
veel omstandigheden voor te stellen. Een raadsvergadering midden in het
reces omdat er bijvoorbeeld een fout in een omgevingsplan is gemaakt die
moet worden gecorrigeerd, is gelukkig in veel gemeenten een
bijzonderheid. Je zou ook kunnen betogen dat er sprake is van een
bijzonderheid wanneer een substantieel deel van de gemeenteraad griep
heeft, omdat dit niet zo vaak zal voorkomen tijdens een raadsperiode. In
zulke gevallen zouden gemeenten kunnen stellen dat er voldaan wordt aan
de wettelijke vereiste van een bijzondere omstandigheid, terwijl dit
volgens mij niet de bedoeling is van dit wetsvoorstel.
In de schriftelijke beantwoording stelt de regering dat uit de evaluatie
van de tijdelijke wet die tijdens de covidperiode gold niet kan worden
geconcludeerd dat er onaanvaardbare verschillen waren tussen gemeenten.
Dat is op zich goed te begrijpen, omdat er toen sprake was van een
landelijke crisissituatie. Nu er een permanente wet komt, is het
allerminst gezegd dat de verschillen tussen gemeenten niet alsnog groot
zullen worden. Graag een reflectie hierop van de minister. Hoe gaat het
kabinet, als het amendement van collega Bikker niet wordt aangenomen,
monitoren of decentrale overheden niet te lichtzinnig gebruikmaken van
de wettelijke mogelijkheid om digitaal te vergaderen als de mijns
inziens nu wat vage norm van "bijzondere omstandigheid" in de wet blijft
staan?
Er is in de wet dus heel beperkt voorgeschreven wanneer er digitaal
vergaderd zou kunnen worden en hoe decentrale overheden dan besluiten om
al dan niet digitaal te vergaderen. Ik heb dus zorgen over verschillen
die ontstaan tussen gemeenten, tussen provincies en tussen
waterschappen. In de ene gemeente kan de lat om digitaal te vergaderen
heel laag komen te liggen, en in de andere veel hoger. Waarom heeft de
regering ervoor gekozen om hierover en over hoe deze besluitvorming tot
stand komt geen nadere regels voor te schrijven? Het Nederlands
Genootschap van Burgemeesters heeft bijvoorbeeld geadviseerd dat
gemeenteraden uitdrukkelijk vastleggen in welke situaties er digitaal
vergaderd kan worden om te voorkomen dat er politieke discussies over
ontstaan. Waarom heeft de regering dit advies niet overgenomen in het
wetsvoorstel?
Voorzitter. Er is daarnaast een belangrijke rol in onze democratie
weggelegd voor de journalistiek. Zij volgen vanzelfsprekend al die
vergaderingen en doen daar verslag van. Lokale journalistiek staat al
onder druk. Het is voor hen daarbij ook van belang dat zij in de
wandelgangen nog eens met politici kunnen bespreken wat die uit de
vergadering hebben meegenomen. Wanneer er digitaal vergaderd wordt, is
dat vaak een stuk lastiger, overigens ook voor burgers die de
vergadering volgen. Erkent de regering dit ook? Op welke manier is er
bij dit wetsvoorstel rekening gehouden met het belang van het werk van
journalisten?
Voorzitter. Dan vervolg ik met toegankelijkheid. Elke vergadering moet
voor zowel volksvertegenwoordigers als belangstellenden toegankelijk
zijn, zowel fysiek als digitaal. In 2025 publiceerde Stem op een Vrouw
een onderzoek waaruit bleek dat niet alleen een goede verlofregeling
voor politici die ziek of zwanger zijn goed is voor de toegankelijkheid
van de lokale democratie, maar ook dat de terugkeer na verlof nu te
wensen overlaat. Politici die na uitval terugkeren in de politiek moeten
namelijk heel snel weer van nul naar honderd, om het maar even zo te
zeggen, terwijl zij misschien niet volledig zijn hersteld, een baby
thuis hebben of chronisch ziek zijn, et cetera. Daardoor missen zij soms
belangrijke stemmingen of ervaren zij sterk fysiek ongemak bij aanwezig
zijn. Het mogelijk maken van hybride stemmingen zou hiervoor een
oplossing kunnen zijn. Tijdens de coronapandemie werd dit ook gedaan,
dus we weten dat de techniek beschikbaar is.
Dit is een kleine ingreep die de politiek in één keer toch wat
toegankelijker maakt. Het is daarmee, denk ik, een goede stap naar een
democratie waarin elke volksvertegenwoordiger volwaardig mee kan doen,
zeker in de wetenschap dat vrouwen in de politiek nu sneller uitvallen
dan mannen, mensen met een beperking sterk ondervertegenwoordigd zijn,
mensen met zorgtaken het moeilijk te combineren vinden et cetera. Ik
vraag me dus eigenlijk af of deze optie van het hybride stemmen ook is
overwogen bij dit wetsvoorstel. Hoe kijkt de minister naar dit rapport
en naar toegankelijkheid in brede zin? Heeft hij een goed beeld van
welke problemen daarbij spelen? Wat gaat de minister doen om de
toegankelijkheid van vergaderingen te verbeteren voor
volksvertegenwoordigers?
Voorzitter. Dan heb ik twee laatste dingen. Allereerst de digitale kant
van dit wetsvoorstel. De regering schrijft dat het wetsvoorstel bewust
technisch neutraal geformuleerd is. Gelet op de snelle digitale
ontwikkelingen in de wereld om ons heen is dat op zich begrijpelijk,
maar ik denk wel dat het belangrijk is dat alle decentrale overheden
zich bewust zijn van het belang van goede en veilige applicaties. Is de
regering het met ons eens dat eventuele digitale vergaderingen zo veel
mogelijk plaats moeten vinden met tools van Europese oorsprong? Wat gaat
de minister hiermee doen?
Als laatste een vraag die niet zozeer over dit wetsvoorstel gaat maar
daar een beetje aan raakt. Wij maken ons al langere tijd zorgen over de
toegankelijkheid van besluitvorming in gemeenschappelijke regelingen.
Veel decentrale overheden hebben belangrijke taken op afstand belegd bij
die gemeenschappelijke regelingen. Voor raadsleden is het vaak al
ingewikkeld om dit allemaal goed te kunnen volgen, maar dit geldt zeker
voor belangstellenden. Kan de minister aangeven wat hij de komende
periode wil gaan doen om de betrokkenheid van raadsleden en inwoners bij
besluitvorming in gemeenschappelijke regelingen ook te versterken?
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Hartelijk dank voor uw inbreng. We gaan luisteren naar mevrouw
Boelsma-Hoekstra. Zij voert het woord namens de CDA-fractie.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Voorzitter. Als wethouder in coronatijd heb ik ruime ervaring met
digitaal vergaderen; het werd net al even genoemd. Ik neem u even mee in
mijn ervaringen. Hoewel ik echt wel goed oplet, kon ik het niet laten om
mijn was even te doen tijdens het digitaal vergaderen en is het me ooit
eens gelukt om een digitale vergadering te combineren met een
voetbalwedstrijd. Het waren geen raadsvergaderingen, zeg ik er even bij,
maar toch. Dat zijn de luchtige verhalen. Maar bij spannende onderwerpen
kwam de stoom bijna letterlijk uit het scherm en misten we de
interactie. We konden niet goed zien hoe de non-verbale communicatie was
en we hadden geen fysiek gesprek in de schorsing.
Voorzitter. Voor het CDA is fysiek vergaderen de absolute norm; dat kunt
u opmaken uit mijn intro. Wij zien een enorme meerwaarde van fysiek
vergaderen ten opzichte van digitaal vergaderen. Sociaal contact in de
schorsingen tussen de debatten, elkaar even in de ogen kijken en de
reacties van anderen mee kunnen nemen wanneer je spreekt. Dat maakt het
vergaderen menselijker. Er is ruimte voor de-escalatie en de toon
verhardt minder. In eerste instantie hield dit wetsvoorstel in dat
digitaal vergaderen gelijk werd gesteld aan fysiek vergaderen. Dat zou
dus mogelijk maken dat gemeenteraden wanneer ze willen een digitale
vergadering konden uitroepen. Gelukkig is dat inmiddels aangepast.
Fysiek vergaderen is in dit wetsvoorstel de norm, waarvan alleen
afgeweken kan worden in bijzondere omstandigheden; dat is net ook al
genoemd. Wat deze bijzondere omstandigheden inhouden, blijft enigszins
onduidelijk. Ik lees dat de regering denkt aan een onvoorspelbare en
niet door het gemeentebestuur beïnvloedbare situatie die daadwerkelijk
een belemmering vormt voor de fysieke vergadering, zoals de uitbraak van
een griepgolf, een zware storm, een grote brand, de dreiging van een
aanslag of de uitval van vitale infrastructuur. Ik vraag me af of je bij
een uitbraak van de griep of een zware storm de raadsvergadering niet
een week uit kunt stellen. Ik mis de definitie van urgentie. Ik ben
benieuwd hoe de minister hiernaar kijkt. Moet de gemeenteraad in een
dergelijk geval digitaal vergaderen of heeft een week later fysiek
vergaderen de voorkeur?
Voorzitter. De digitale vergadering moet zes uur van tevoren uitgeroepen
zijn. Daar hebben we het nog niet over gehad. Hoe verhoudt zich dat tot
een acute dreiging? Ligt het in eerste instantie uitgaan van uitstel van
de vergadering bij bijzondere omstandigheden niet eerder in de rede? Ik
worstel er trouwens wel mee dat bijzondere omstandigheden niet
gedefinieerd zijn; daar hebben we het net ook al over gehad.
Gemeenteraden, provinciale staten, eilandraden en waterschappen zullen
zelf moeten bekijken of er sprake is van een bijzondere omstandigheid.
Daarover kan discussie ontstaan. Maar toch overheerst bij mijn fractie
het vertrouwen in lokale volksvertegenwoordigers dat ze dit op een
verantwoorde manier op zullen pakken. Daar wil het CDA ruimte voor
geven. Zoals ik al eerder aangaf, ziet het CDA fysiek vergaderen als de
absolute norm.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Je ziet nu al tal van scenario's waarin gemeenteraden als het
bijvoorbeeld gaat om boerenprotesten of de plaatsing van een azc,
zeggen: we gaan besloten vergaderen. Dat doen ze dan gewoon omdat ze
zichzelf niet veilig zouden voelen. Daar kun je ook allemaal maatregelen
voor nemen in het gemeentehuis; dat begrijpt denk ik iedereen. Maar wat
mevrouw Boelsma-Hoekstra hier nu zegt, ook richting het kabinet als ze
het heeft over deze wet, zet de deur rechtstreeks open om niet meer
besloten te vergaderen maar dat dan maar ergens op een zolderkamer bij
de gemeenteraadsleden thuis te doen. Zulke onderwerpen, die van
fundamenteel belang zijn voor de inwoners en die zich daar ook grote
zorgen over maken, moet je toch niet op zolderkamertjes afhandelen?
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Ik mis in de interruptie van de heer Heutink het vertrouwen in onze
medeoverheden. Ik begon mijn betoog met te zeggen dat ik zelf ook
deelgenomen heb aan dit soort vergaderingen. Ik heb ook voor moeilijke
besluiten gestaan. Er is niks minder aan dat digitaal doen. Wat je mist,
is de interactie. In het vervolg van mijn betoog ga ik ook vragen om een
evaluatie, om te kijken of er daadwerkelijk misbruik van deze wet wordt
gemaakt. Ik heb ook nog wat vragen over de aanvulling van mevrouw
Bikker. Daar wil ik wel even antwoord op hebben om te kijken wat we daar
verder mee gaan doen. Maar ik mis bij de sprekers tot nu wel een beetje
het vertrouwen in de medeoverheden. Daar heeft het CDA toch wel
vertrouwen in.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Volgens mij heeft het CDA er zelf ook geen vertrouwen in. Ze zegt
namelijk net dat ze een amendement indient om het te evalueren, om te
kijken of er geen misbruik van wordt gemaakt. Dus als het CDA zo veel
vertrouwen heeft in medeoverheden, dan is dat hele amendement niet
nodig. Volgens mij hebben we genoeg ervaring en kunnen we genoeg
casussen oplepelen waarin dit soort dingen, dit soort besluiten
onderdeel gaan worden van het politieke spel. Dat is geen wantrouwen.
Dat is gewoon de realiteit. Dat is hoe het gaat. Ik zou wel aan mevrouw
Boelsma-Hoekstra en de CDA-fractie willen vragen om daar serieus naar te
gaan kijken. Het is namelijk een grote hiaat in het wetsvoorstel. We
moeten voorkomen dat dit soort grote besluiten onderdeel worden van het
politieke spel. Dat gaat namelijk gebeuren.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Ik hoor de heer Heutink. Het amendement wordt ook ingediend omdat ik
voel in deze Kamer dat er zorgen zijn omtrent het misbruik maken van het
wetsvoorstel. Zelf denk ik dat het in de praktijk mee gaat vallen, maar
we gaan nu met elkaar in gesprek over een hypothetische situatie. De
heer Heutink zegt dat hij verwacht dat er bij politiek moeilijke
onderwerpen misbruik van zal worden gemaakt. Het CDA, bij monde van mij,
denkt daar net wat anders over. Hoe mooi is het dat je dat met een
evaluatie kunt bekijken? Mocht de heer Heutink toch gelijk hebben, dan
bevestigt de evaluatie dat. Maar tot nu toe heb ik niet het idee dat
daar misbruik van zou kunnen worden gemaakt. Er is wel een lastig
stukje, namelijk de vraag wat dan een bijzondere gebeurtenis is. Daarom
heb ik straks nog wat vragen over het amendement van mevrouw Bikker aan
de minister, om daar wat meer vat op te krijgen.
De voorzitter:
Mevrouw Boelsma vervolgt haar betoog.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Ja. Zoals ik al aangaf, ziet het CDA fysiek vergaderen als de absolute
norm. Wij geloven dat het menselijk contact dat het met zich meebrengt,
essentieel is voor een gezond politiek debat. We zien het hier al. We
willen dus terughoudend zijn in het mogelijk maken van digitaal
vergaderen. Het moet niet te pas en te onpas.
Daarmee kom ik dus even bij de vraag over het amendement van mevrouw
Bikker om het digitaal vergaderen te beperken tot een crisis, om even te
kijken of dat een verbetering zou kunnen zijn. In het amendement wordt
voorgesteld om aan te sluiten bij een bestaande definitie uit de Wet
veiligheidsregio's. Mijn vraag aan de minister is de volgende. Indien
het amendement doorgang vindt, wie bepaalt dan of er sprake is van een
crisis? Als het ook bij de lokale volksvertegenwoordigers ligt, welk
verschil is er dan met de huidige vorm van het wetsvoorstel?
Afsluitend, voorzitter. Het CDA heeft vertrouwen in onze lokale
volksvertegenwoordigers. Als ik de balans opmaak bij dit wetsvoorstel,
dan vind ik dat we uit moeten gaan van dit vertrouwen en dat de
mogelijkheid geboden moet worden aan decentrale volksvertegenwoordigers
om deze afweging te maken. Wel ben ik benieuwd hoe dit gaat uitpakken
wanneer volksvertegenwoordigers voor deze optie gaan kiezen. Wanneer
gaan ze dat doen? In het wetsvoorstel is er niet in een evaluatie
voorzien. Ik denk wel dat het waardevol is om in kaart te brengen
wanneer dit gebeurt, ook voor ons als Kamer hier. Daarom heb ik een
amendement hierover opgesteld, waarmee ik voorstel om na vijf jaar te
kijken hoe hiervan gebruik wordt gemaakt en wat de bijzondere
omstandigheid — of crisis, als het amendement wordt aangenomen — is
geweest.
Tot slot zou ik willen vragen om de toezegging dat er jaarlijks een
beknopt overzicht komt van de mate waarin gebruik is gemaakt van deze
mogelijkheid.
Tot zover.
De voorzitter:
Hartelijk dank voor uw inbreng. Mevrouw Bikker heeft nog een
interruptie.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Dank voor het evaluatie-amendement. Ik denk dat dat een heel goede
aanvulling is. Ik was net het debat en de inbreng van de collega aan het
beluisteren en ik dacht: laat ik het eens andersom vragen. In welk geval
ziet de collega voor zich dat er niet fysiek vergaderd kan worden? Over
welke situaties hebben we het dan volgens de CDA-fractie?
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Ik kan wel putten uit mijn eigen ervaring. Ik weet niet of mevrouw
Bikker nog weet dat er een storm Poly was. Die ging nogal tekeer in
Fryslân. Wij als gemeente — ik was wethouder — gingen fysiek vergaderen,
met als gevolg dat op de terugweg de bomen me letterlijk voor en achter
de auto om de oren vlogen. Dat was wel een situatie waarin ik heb
gedacht: was dit nou daadwerkelijk nodig? Daarbij zeg ik wel — dat heb
ik ook in mijn inbreng aangegeven — dat dat misschien ook een week
uitgesteld had kunnen worden. Dat is voor mij nog wel even de vraag, ook
naar de minister toe. Ik denk zelf dat het in heel weinig situaties voor
zal komen dat er gekozen wordt voor digitaal vergaderen. Ik denk dus dat
wat hier geschetst wordt, in de praktijk mee zal vallen.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Precies daarom is dit debat ook zo goed. Dit geeft verder invulling aan
wat dit wetsartikel inhoudt. Ik vind het al heel mooi om te horen dat in
heel veel situaties uitstel bijvoorbeeld ook prima kan. Alleen, je wil
ook niet hebben dat eindeloos wordt uitgesteld, ook vanwege allerlei
andere redenen dan een storm. Dat is precies wat ik gezocht heb met mijn
amendement. Ik heb gekozen voor het woord "crisis". Wie bepaalt of het
een crisis is? Dat is de veiligheidsregio, die gewend is om met dat
bijltje te hakken. Voor mij was dat het meest logische, ook omdat ik in
het huis van Thorbecke geen andere opschalingsmogelijkheden zie. Maar ik
zou wel aan de collega willen vragen of zij het met mij eens is dat de
woorden "bijzondere omstandigheden" wel heel breed gedefinieerd kunnen
worden. Voelt zij met mij mee dat bijvoorbeeld de jaarlijkse griepgolf
eigenlijk niet zou moeten vallen onder bijzondere omstandigheden?
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Het is inderdaad breed gedefinieerd, maar ook niet alles is te vatten.
Wat in de ene gemeente een bijzondere omstandigheid is, kan in een
andere gemeente op dat moment niet plaatsvinden. Dat is dus ook even de
vraag die ik heb uitgezet over een crisis: waar baken je die af? Ik denk
dat de basis van mijn betoog is dat ik snap dat er een afbakening wordt
gezocht, maar dat ik ook vertrouwen heb in de decentrale overheden. Ik
voel gewoon — daar hebben we het net ook al even over gehad — dat ze
niet te pas en te onpas een digitale vergadering gaan uitschrijven. Die
balans zijn we nu even aan het zoeken. Het stukje van mijn kant is dat
ik denk dat dat niet gaat gebeuren. Er zijn anderen die daar anders over
denken. Laten we het evalueren en kijken wie het bij het rechte eind had
in dit debat. Dan maakt die definiëring iets minder uit. Maar ik snap
wel het gevoel dat er een beetje grip op moet worden gekregen, zodat je,
mochten er situaties voorkomen waarin het wel een politieke discussie
wordt, een handvat hebt. Maar ik ben nog wat zoekende naar of het
amendement dat u voorstelt, dat oplost. Vandaar ook de vraag aan de
minister.
De voorzitter:
Mevrouw Bikker, afrondend.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Mijn laatste; afrondend, hoor. Ik denk dat het amendement de situatie
wat strakker neerzet. Als de minister in het huis van Thorbecke andere
manieren heeft om voor elkaar te krijgen wat wij beogen, dan sta ik daar
ook voor open. Natuurlijk is daar het gesprek over te voeren, maar wel
met nadrukkelijk ook de wens dat we het volgende voorkomen. Neem nu alle
protesten tegen de Spreidingswet. We moeten niet hebben dat een
gemeenteraad daardoor uiteindelijk niet meer fysiek bij elkaar gaat
komen. Sterker nog, dit kabinet staat ervoor en ik sta ervoor dat dat
lokale proces absoluut doorgang vindt. Mijn zorg is dat als we
"bijzondere omstandigheden" volgens de huidige open norm blijven
definiëren, gemeenteraden ook in dat soort situaties een verschillende
uitleg gaan geven, terwijl het ook weer gaat over landelijk opgelegde
normen waar een gemeenteraad aan moet voldoen. Ik zou dat heel kwetsbaar
vinden. Deelt de collega dat? Dan gaan we wel kijken of we het probleem
samen kunnen oplossen, maar voelt u met mij die urgentie?
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Ik denk dat wij het er samen over eens zijn dat gewoon fysiek vergaderen
de voorkeur heeft, vooral in omstandigheden, zoals ik net in mijn
inleiding ook al schetste, waarin anders de stoom uit het scherm spat en
waarin je elkaar in de ogen moet kijken. Maar ik denk dat de lokale
overheden dat zelf ook zien en echt niet bij elke kwestie die lastig
wordt zullen besluiten om digitaal te gaan vergaderen. Vandaar dat ik
aan de minister gevraagd heb om na één jaar een overzicht te geven
waaruit blijkt hoe vaak het daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Wij
hebben het met elkaar over iets wat nog in gang moet worden gezet. Het
was immers een tijdelijke wet en het was toen coronatijd, dus we konden
even niet anders. Laat het even. Gun het de tijd en kijk hoe het
beklijft. Daarna kunnen we met z'n allen kijken waar we over
gedebatteerd hebben en hoe het in de praktijk uitpakt. Ik moet de
antwoorden op de vragen over het amendement echt afwachten, maar die
komen in de tweede termijn.
De voorzitter:
Meneer Heutink, u heeft er zin in. Dit wordt uw achtste interruptie.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Ja, maar hierna ga ik het beperken, hoor. Ik verbaas mij gewoon hogelijk
over de opstelling van het CDA. Ik ken het CDA natuurlijk als een
traditionele bestuurderspartij die voor duidelijke wetten is. In dit
geval staat hier toch een CDA-Kamerlid dat een beetje achterover gaat
leunen en denkt: als we deze wet aannemen, dan hoop ik maar dat het goed
gaat. Maar dat weten we niet. Mevrouw Boelsma-Hoekstra weet het zelf ook
niet, want daarom wil zij die evalueren. Maar moeten wij in dit huis
niet wetten maken die niet voor meerdere interpretaties vatbaar zijn,
die gewoon duidelijk zijn en die uniform zijn voor iedereen in dit land?
Mevrouw Boelsma-Hoekstra kan het toch niet met mij oneens zijn dat dat
bij deze wet gewoon echt niet het geval is.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
U kent het CDA ook als een partij die vertrouwen heeft in de lokale
overheden. Daarnaast heb ik in de eerste termijn heel helder aangegeven
dat ik wacht op het antwoord van de minister over het amendement van
mevrouw Bikker. Eenieder hier zoekt naar de afbakening. Kijk, er zijn
twee situaties. Je wilt een duidelijke afbakening, maar geen van de
Kamerleden zegt in dit debat vertrouwen te hebben in de lokale
overheden, maar dat wil ik wel benadrukken. Vandaar dat ik daar de focus
op wil leggen en het antwoord wil afwachten op de vraag wat het
amendement van mevrouw Bikker aan deze wet zou kunnen toevoegen. Ik snap
uw zorg, maar ik denk dat het CDA ook bekendstaat om zijn vertrouwen in
de lokale overheden. In de tweede termijn zullen we de antwoorden van de
minister horen en dan zullen we zeggen waar wij mee verdergaan.
De voorzitter:
Dank u wel. We gaan door naar mevrouw Huizenga. Zij spreekt namens de
D66-fractie.
Mevrouw Huizenga (D66):
Voorzitter. Digitaal vergaderen: ik heb het uren gedaan voor mijn werk
en als Statenlid, net als vele raadsleden. We zijn inmiddels ervaren.
Tijdens een digitale raadsvergadering verscheen een raadslid met vilten
kattenoortjes. Een Statenlid hield minutenlang een vurig betoog met zijn
microfoon op mute. Iemand deelde per ongeluk zijn scherm met een half
afgemaakte onlinebestelling: chips en wijn. Een ander bleek nog in de
sportbroek te zitten; de camera stond net iets te laag. Ondertussen
blaft tijdens een stemming een hond, een blaf die verrassend veel op een
tegenstem leek. Inmiddels zijn het echt klassiekers uit de categorie
"oeps!". "U bent nog niet hoorbaar" vijf keer achter elkaar zeggen.
Vastlopen, net voor je belangrijkste punt. Iemand die enthousiast knikt,
terwijl zijn verbinding al weg is.
Maar wat ontbrak werkelijk? De informele overleggen bij de
koffieautomaat, het snelle aftasten van draagvlak, de subtiele
lichaamstaal én de verbinding tussen fracties, maar ook binnen fracties.
Daar zat je alleen op je zolderkamer. Maar eerlijk gezegd: zonder deze
digitale acrobatiek had de besluitvorming stilgelegen. In crisistijd
bleek dat Nederland best flexibel is. Al ging het soms met een
hakkelende wifi en kwam "kun je me horen?" verrassend veel voor: de
democratie draaide door. Een tikje stuntelig, maar wel vastberaden. Dus
prachtig! Prachtig dat we nu ook echt verdergaan met deze mogelijkheid
van vergaderen.
Voorzitter. Vorige week verscheen het nieuwste V-Dem-rapport, oftewel
het rapport over de liberale democratie. Dat liet zien dat op dit moment
nog maar 7% van de wereldbevolking in een liberale democratie leeft. Wij
zijn dus in ieder opzicht bofkonten. En we kiezen vol overtuiging voor
onze democratie, juist omdat we geloven dat een democratie het beste
bestuur voor de meeste mensen oplevert. Daarom is het zo belangrijk om
te laten zien dat onze democratie rechtovereind blijft staan, ook in
tijden van crisis.
Voorzitter. Dat is voor mij het uitgangspunt bij dit wetsvoorstel. Het
is goed dat de regering met dit voorstel tegemoetkomt aan een wens van
lokale volksvertegenwoordigers. Ook mijn fractie vindt dat digitaal
vergaderen een mogelijkheid moet zijn. Maar ik wil ook duidelijk zijn:
fysiek vergaderen moet wel de standaard blijven, juist vanwege de zorgen
voor verbinding — en niet alleen die digitale verbinding. Die hebben we
heel hard nodig. Ik ben blij dat de regering die mening deelt. Mijn
fractie heeft twee aandachtspunten bij het voorliggende wetsvoorstel.
Ten eerste de bijzondere omstandigheden waarin digitaal mag worden
vergaderd. De regering kiest ervoor om die niet te strak te formuleren.
Ik snap de afweging; als je dat wel doet, dan ben je niet goed
voorbereid op een onverwachte situatie waarin digitaal vergaderen ook
wenselijk zou zijn. De regering heeft er ook voor gekozen om niet de
formulering van "crisis" te hanteren zoals de Raad van State die noemde.
Kan de minister een voorbeeld geven van een omstandigheid die wel binnen
die reikwijdte valt, maar niet binnen die van de Raad van State?
Het wetsvoorstel laat het oordeel of er sprake is van bijzondere
omstandigheden over aan de decentrale volksvertegenwoordiging zelf. Dat
vind ik begrijpelijk in het belang van de lokale autonomie en vanwege
onvoorspelbaarheid. Maar we hebben de afgelopen jaren in Den Haag gezien
dat er meningsverschillen kunnen ontstaan en — we hebben dat net ook
weer gezien — verschillen in de interpretatie van begrippen als "crises"
of "bijzondere omstandigheden". Die ruimte laat deze wet ook open. Op
lokaal niveau zou een meerderheidscoalitie kunnen besluiten dat er een
langere tijd digitaal wordt vergaderd, met alle nadelige gevolgen voor
het debat, terwijl tegelijkertijd de oppositie vindt dat er geen sprake
is van bijzondere omstandigheden. Dat is misschien onwaarschijnlijk,
maar niet volledig ondenkbaar. Ziet de minister dat als een
kwetsbaarheid? Zo ja, welke waarborgen heeft hij dan overwogen die het
voorstel niet gehaald hebben, en waarom? Zou aansluiten bij de term
"crisis", zoals ook het amendement van mevrouw Bikker voorstelt, iets
aan deze situatie veranderen? De regering werkt ook aan een
modernisering van het staatsnoodrecht. En niet lang geleden werd hier
een wet voor digitale aandeelhoudersvergaderingen behandeld, waarin ook
over uitzonderlijke omstandigheden gesproken wordt. Kan de minister
ingaan op hoe de definitie van "bijzondere omstandigheden" in dit
voorstel zich verhoudt tot deze twee andere wetgevingsprocessen?
Voorzitter. Een tweede aandachtspunt is het waarborgen van gelijke
digitale toegankelijkheid voor alle deelnemers aan vergaderingen. Waar
de een moeiteloos inlogt en zijn microfoon aanzet, kan dat voor een
ander een lastige opgave zijn. Volgens het CBS beschikt nog altijd zo'n
een op de vijf Nederlanders niet over digitale basisvaardigheden.
Wanneer is besloten om digitaal te vergaderen, heeft dat mogelijk grote
gevolgen voor hen en daarmee voor hun toegang tot de democratie. Dus
daarover nog de volgende vragen. Hoe gaat de minister voorkomen dat
digitaal minder vaardige volksvertegenwoordigers op achterstand komen te
staan? Ervaart hij dat primair als zijn eigen verantwoordelijkheid of
als die van de decentrale overheden? En in geval van het laatste: hoe
kunnen we dan voorkomen dat verschillen in lokale aanpak leiden tot
verschillen in de toegang tot de democratie?
Dank u wel.
De voorzitter:
Hartelijk dank voor uw inbreng. We gaan nu luisteren naar de heer
Meulenkamp. Hij voert het woord namens de VVD-fractie.
De heer Meulenkamp (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Tijdens de coronapandemie was ik zelf werkzaam
als wethouder. En ook al leek het buiten en in het gemeentehuis soms
alsof de wereld stilstond, daar werd aan alle kanten gewoon doorgewerkt
om plannen uit te werken en te realiseren. Als gemeente kun je niet
zomaar even zeggen dat je er niet voor je inwoners bent. Huizen moeten
vergund worden en wegen moeten worden aangelegd; ook in bijzondere
tijden gaat het leven op veel vlakken gewoon door. Tijdens de
coronaperiode was ik dan ook blij met de Tijdelijke wet digitale
beraadslaging en besluitvorming. Zo konden gemeenteraden en andere
decentrale overheden via de digitale snelweg gewoon besluiten blijven
nemen en er gewoon voor hun inwoners zijn. Je kreeg trouwens ook veel
meer inzicht in het interieur van verschillende raadsleden.
Het vergde wat aanpassing en gewenning, maar de ervaringen met deze
tijdelijke wet waren overwegend positief. Als VVD zijn we dan ook blij
dat er nu een wetsvoorstel ligt om digitaal vergaderen voor decentrale
overheden permanent in de wet te verankeren. Daarbij willen we, evenals
de voorgangers, heel duidelijk aangeven dat nu fysiek vergaderen, nu en
ook in de toekomst, wat ons betreft de norm moet blijven. Moeilijke
besluiten worden beter genomen als mensen elkaar even goed in de ogen
kijken. Het is ook belangrijk dat inwoners, en ook de pers, gewoon in de
zaal aanwezig kunnen zijn om te horen en te zien wat er besloten wordt.
Fysiek is de regel, en bij bijzondere omstandigheden kan er een digitale
uitzondering gemaakt worden.
Dan komen we bij het punt dat heel veel voorgangers hebben gemaakt. Wil
de minister nog even heel goed aangeven wat voor hem dan de bijzondere
omstandigheden zijn? Ik vraag dat ook in het licht van het amendement
van mevrouw Bikker en de vergelijking met de crisissituatie die zij
benoemt. We zitten hier vandaag volgens mij heel dicht bij elkaar als
het gaat over wat nou een crisis is, wat bijzondere omstandigheden zijn
en hoe we die wet zo kunnen maken dat we er een grote meerderheid hier
in de Kamer voor krijgen. Ik denk dat het namelijk toch een hele
belangrijke wet is.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we luisteren naar de heer Clemminck. Hij voert het
woord namens JA21. Gaat uw gang.
De heer Clemminck (JA21):
Dank u wel, voorzitter. Je hebt af en toe het idee dat we al hybride aan
het vergaderen zijn, met al die collega's die op hun telefoon en op de
laptop zitten. Maar volgens mij is dat nog niet het experiment waar we
voor zitten. Ik zou het me nu heel erg makkelijk kunnen maken door te
verwijzen naar het betoog van mevrouw Bikker. Dat was namelijk
uitstekend. Maar ik ga toch een aantal zaken benoemen. Ik wil mevrouw
Bikker overigens bedanken voor het "onthameren" — die term had ik nog
niet gehoord — van dit wetsvoorstel en het amendement. Dit wetsvoorstel
kent namelijk een lange geschiedenis: eerst was er een tijdelijke wet,
toen een evaluatie en nu dit voorstel. Ik pak nu slechts een staartje
van het hele proces mee.
Voorzitter. Dit wetsvoorstel roept bij mijn fractie gemengde gevoelens
op. Het is goed dat er een wettelijke basis voor digitaal vergaderen
komt, maar eerlijk is eerlijk: daar houdt wat JA21 betreft het goede
eigenlijk wel op. De kern van onze kritiek is eigenlijk iets wat we hier
vandaag al vaker hoorden: digitaal vergaderen moet alleen bij uiterste
noodzaak, in een crisissituatie, een optie zijn. Dit wetsvoorstel laat
veel ruimte over om te kiezen voor digitaal vergaderen. Dat kan leiden
tot politisering en zorgen voor grote verschillen tussen decentrale
overheden. De manier waarop de regering omgaat met fysiek vergaderen is
bijna achteloos. Pas na kritiek van de Raad van State stelt de regering
dat digitaal vergaderen niet gelijkwaardig is aan fysiek vergaderen en
na kritische vragen van collega's wordt het experiment voor hybride
vergaderen uit de wet gehaald. Voor JA21 moet fysiek vergaderen altijd
de standaard blijven. Alleen bij een crisissituatie kan dat anders. De
keuze neerleggen bij de decentrale volksvertegenwoordiging zelf is voor
ons te vrijblijvend. We kunnen het amendement van collega Bikker dan ook
goed volgen, maar we hebben ook een aantal vragen.
Onze vragen — de heer Heutink heeft die eigenlijk al gesteld — gaan over
demonstraties bij raadsvergaderingen. Een van de zorgen van JA21 is dat
gemeenteraden bij demonstraties te snel geneigd zijn om dit als een
uitzonderlijke of bijzondere situatie te zien en over te gaan tot
digitaal vergaderen. Dat terwijl het fysiek kenbaar maken van
opvattingen rondom raadsvergaderingen belangrijk is voor het
democratisch proces. Het zou niet zo moeten zijn dat gemeenteraden niet
geconfronteerd willen worden met demonstraties of met media-aandacht en
daarom kiezen voor digitaal vergaderen. Kan de minister aangeven hoe
digitaal vergaderen zich verhoudt tot het demonstratierecht, waarbij de
regel "binnen hoor- en zichtafstand" geldt? De memorie van toelichting
geeft daar geen uitleg over. Ik ben benieuwd naar de reactie van de
minister.
Voorzitter. Hoe vrij, zonder last en ruggespraak of, ernstiger, zonder
directe bedreiging, zijn raadsleden op het moment dat zij vergaderen op
een andere locatie? We weten immers niet wat de omstandigheden van de
deelnemers zijn. Ziet de minister dit als een reëel risico? Hoe borgt de
minister dat raadsleden zonder dreiging op locatie kunnen deelnemen aan
vergaderingen? Doordenkend: is het voor de minister acceptabel, onder
andere vanwege het veiligheidsaspect, dat raadsleden vanuit het
buitenland deelnemen aan vergaderingen? Is het inloggen vanuit Ankara
voor een raadsvergadering in Gorinchem nou wel zo'n goed idee?
Voorzitter. Ten slotte enkele losse vragen. Het poststemmen,
bijvoorbeeld in crisissituaties, wordt niet direct opgenomen in deze
wet. Daar is dan weer aparte noodwetgeving voor nodig. Waarom kiest de
minister er niet voor om dat nu al in deze wet te regelen?
Nu echt ten slotte, voorzitter. De kwaliteit van digitaal vergaderen
betekent voor mijn fractie ook dat het minimale vereiste is dat alle
deelnemers zichtbaar in één beeld zijn. Is de minister voornemens om dit
als technische eis op te nemen in een onderliggende regeling?
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Hartelijk dank. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Bosma, die het
woord voert namens de PVV-fractie. Ga uw gang.
De heer Martin Bosma (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Om te beginnen heet ik de minister natuurlijk
van harte welkom. Hij maakt vandaag zijn debuut met een debat. Hij was
al wel even bij het vragenuurtje, maar nu heeft hij voor het eerst een
debat. De minister en ik kennen elkaar al heel lang. In de tijd dat ik
onderknuppel was bij de Groep Wilders — ik spreek over een periode vlak
na de Tweede Wereldoorlog — was hij onderknuppel bij het CDA en kwamen
we elkaar nog weleens tegen, bijvoorbeeld in de trein et cetera. Soms
hadden we dezelfde portefeuille. We hebben allebei de mediaportefeuille
mogen doen. Dat was altijd een groot plezier. Ik herinner me natuurlijk
dat de heer Heerma, ondanks het feit dat hij hoorbaar is opgegroeid in
Amsterdam-Noord, waar hij "de son vaak in de see heeft sien sakken", er
toch in slaagde om met een flair alsof hij de dag ervoor nog aan het
fierljeppen was "Omrop Fryslân" uit te spreken. Daarmee heeft hij
ongetwijfeld heel veel voorkeursstemmen veroverd. Ik wens hem veel
succes.
Althans, laat ik het goed zeggen: ik wens hem een beetje succes. Een
aantal dingen die hij moet gaan doen, zoals constitutionele toetsing en
het opgeven van het vetorecht binnen Europa, zijn dingen waar we
natuurlijk niet aan moeten beginnen. Ik stel vast dat het eerste
plannetje uit het regeerakkoord, de kiesdrempel, inmiddels al is
gesneuveld. Ik ben benieuwd wat hij verder allemaal gaat doen. Ik blijf
het zeggen: onze democratie werkt niet, omdat er steeds één groep mensen
is die altijd zijn zin krijgt, namelijk universitair geschoold
Nederland. Die groep zou je ook de "laptoppende klasse" kunnen noemen.
Die dreigen we vandaag weer eens op een voorsprong te zetten.
Voorzitter. Digitaal vergaderen gun je je ergste vijand niet. Soms loop
je weleens langs zo'n cafeetje waar de cappuccino €8,50 kost. Daar
zitten van die mensen op die laptopjes tegen plastic te praten en dat is
dan hun leven. Ik krijg meteen medelijden met ze. Ik denk al 40 jaar
lang dat je nog beter aan de lopende band kunt werken. Dat is toch
verschrikkelijk? We hebben het in de coronaperiode zelf mogen meemaken.
Wat een doffe ellende. Wat een doffe ellende om zo te moeten
communiceren met onze medemensen.
In die coronaperiode hebben we heel veel slechte ervaringen gehad. Het
was gewoon waardeloos om dat te moeten doen. Gisteren — de stemmingen
duurden twee uur en een kwartier, dus we hadden even een beetje tijd —
heb ik een korte enquête uitgezet onder PVV-gemeenteraadsleden,
oud-gemeenteraadsleden, met de vraag: wat waren jouw ervaringen? Eén
iemand appte meteen terug. Toevallig zat die ook in de bankjes, dus de
lijntjes waren kort. Die persoon had aan vier letters genoeg om zijn
ervaringen te kenschetsen; die letters vormden samen het woord "prut".
Zo waren er velen uit mijn partij die zeiden: waardeloos.
Mijn ervaring in de coronatijd, ik citeer nu, is "dat er geen onderling
contact meer was in de wandelgangen, dus het normale netwerken rond
voorstellen en moties ontbrak volledig. Dit kwam de onderlinge
verhoudingen niet ten goede. De non-verbale communicatie zie je niet als
je digitaal vergadert. Dit leidt tot misverstanden in het debat." Iemand
anders uit Rotterdam zei het volgende. "Nuances gaan bij het
video-overleg verloren. Je spreekt elkaar niet, ook niet meer in de
marge van de vergadering. Verder letten veel mensen niet op tijdens een
videogesprek; ze zijn ander werk aan het doen of ze boeken ondertussen
een vakantie." Dat heeft ook te maken met respect voor en de waarde van
echt overleg.
Verder wonen gemeenteraadsleden volgens de wet in hun eigen gemeente. De
vergaderingen behoren daar plaats te vinden. Het ideaalplaatje van
D66'ers is dat ze straks met z'n allen vanuit Amsterdam alle
gemeentelijke debatten kunnen voeren. Ik citeer slechts, voorzitter. Uit
Zaanstad krijg ik het volgende te horen. "We hebben natuurlijk die ramp
meegemaakt tijdens de coronapandemie. De onbekendheid met het fenomeen
van onlinevergaderen zorgde voor dolkomische, maar ook schokkende
situaties. Zo gebeurde het dat iemand vergaderde via zijn iPad en
probeerde zijn microfoon aan te zetten, maar per ongeluk zijn camera
omdraaide, die hij op zijn schoot had liggen. Hij bleek in zijn
onderbroek te zitten." Daarnaast blijkt het aanzetten van een microfoon
hogere wiskunde te zijn. "We horen u niet" en "Verstaat u mij?" zijn de
meest gesproken zinnen. Dat is hoe het gaat.
Het hele digitaal vergaderen staat haaks op het decorum van de
gemeenteraad of de andere lichamen die we bespreken. Ik herinner me nog
— ik mocht toen voorzitter zijn van de vaste Kamercommissie voor
Binnenlandse Zaken — dat we een procedurevergadering digitaal deden. Eén
iemand had niet de video aanstaan, maar deed wel mee via het geluid. Ik
zei: wat een ongelofelijke herrie is het bij jou. Die persoon bleek
gewoon door Den Haag te fietsen. Dat zijn allemaal dingen die wij straks
in de gemeenteraden en in de andere lichamen kunnen krijgen. Het decorum
zou nog weleens goed kunnen verdwijnen, en dat is toch echt niet zoals
Thorbecke het heeft bedoeld.
De verhalen die we horen, zijn schokkend. In Amersfoort bevroor het
beeld elke vijf seconden. De toeschouwers konden het niet volgen. Er
zijn klachten over geluid dat rondzingt, dat het asynchroon is. Je komt
op vragen als: mag je roken en drinken in die vergadering? Mensen
realiseren zich niet dat ze constant in beeld zijn en houden zich bezig
met neuspeuteren. Ik vond de bijdrage van mevrouw Boelsma net heel
interessant, want zij heeft een vergadering gecombineerd met een
voetbalwedstrijd en het doen van de was. Ik weet niet of dat alle drie
tegelijkertijd ging, maar het is een eervolle vermelding waard.
Mensen hebben allerlei dingen op de achtergrond hangen, zoals posters en
vlaggen, in het linkse gekkenhuis dat "gemeenteraad van Amsterdam" heet.
Ik zie een interrumpant staan, maar ik maak het even af, voorzitter. Ze
zijn daar gek op de meest gekke wereldverbeteraars. Dan hebben we straks
misschien Marx en Che Guevara op de achtergrond. In West Betuwe werd de
vergadering doorbroken door porno en hakenkruizen.
Het is ook zeer vermoeiend — dat blijkt gewoon uit onderzoek — omdat je
steeds naar het schermpje moet kijken. Je wordt hoorndol. In Zaanstad
duurde al die ellende zo lang dat men tot diep in de nacht zat te
vergaderen. De fractie van de PVV heeft daarom gezegd: dat doen we niet
langer.
De heer Meulenkamp (VVD):
Volgens mij hebben alle partijen hiervoor gezegd dat ze groot
voorstander zijn van fysiek vergaderen. Gaat u er met ons als VVD in mee
dat het digitaal vergaderen tijdens de coronaperiode in ieder geval
beter was dan niet vergaderen?
De heer Martin Bosma (PVV):
Ja. Ja, digitaal vergaderen moet natuurlijk mogelijk zijn — zo simpel is
het — maar wel alleen in uiterste noodsituaties. Dat moet echt het
uitgangspunt zijn. Er moet echt sprake zijn van zeer schokkende dingen.
De essentie moet zijn dat de gemeenteraadsleden niet naar het
gemeentehuis kunnen. Dan heb je het echt over zeer zware dingen, zoals
oorlogssituaties, pandemieën, natuurrampen et cetera. Het moet echt een
uitzondering zijn op het normale functioneren, want het uitgangspunt
moet natuurlijk gewoon zijn: fysiek bij elkaar komen, elkaar in de ogen
kunnen kijken en dingen kunnen uitwisselen. De drempel moet wat mijn
fractie betreft fors hoger liggen dan wat deze minister schrijft.
"Bijzondere omstandigheden", wat is dat nou weer? Slapper en vager dan
dat kan het eigenlijk niet. Wat is "bijzonder"? Is het bijzonder als
veel mensen griep hebben? Ja, dat is best bijzonder, want op het
ogenblik hebben niet heel veel mensen griep, dus dan is het bijzonder
als veel mensen griep hebben. Is het feit dat iedereen op vakantie gaat
bijzonder? Ja, dat is ook wel weer bijzonder. Dit geeft dus allerlei
mogelijkheden om met deze boterzachte criteria het fysieke vergaderen
uit te stellen of onmogelijk te maken.
Het is heel gevaarlijk dat het ook een politiek instrument kan zijn. Wat
nou als de oppositie zegt "nou, wij vinden dit helemaal niet bijzonder"
maar het college van B en W het wel bijzonder vindt? Wat dan? Dan heb je
de oppositie op een achterstand gezet. Het biedt ruimte voor lokale
interpretaties. Wat nou als er een grote demonstratie aan de gang is
tegen een azc? Is dat bijzonder? Gaat de gemeenteraad dan zeggen: nou,
we gaan het nu even digitaal doen? Je kunt die vergadering ook
uitstellen. Ik vind de criteria boterzacht. Ik hoor graag van de
minister hoe hij daarin staat en of hij die gevaren ook ziet. Ik ben erg
benieuwd hoe hij tegemoetkomt aan bezwaren tegen die hele boterzachte
criteria en of hij bereid is om daar iets mee te doen.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Hartelijk dank. Tot slot in deze eerste termijn van de Kamer is het
woord aan de heer Heutink. Hij voert het woord namens de Groep
Markuszower. Gaat uw gang.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Voorzitter, als ik eerlijk ben, hebben wij best wel wat moeite met dit
wetsvoorstel. Dat is juist zo omdat hier iets fundamenteels gebeurt,
waar volgens mij te licht over wordt gedacht.
Laten we beginnen bij dat eerste punt. In het eerste voorstel werd
eigenlijk gezegd dat digitaal en fysiek vergaderen gewoon twee
gelijkwaardige opties zijn, maar politiek is geen teamsmeeting. Het is
geen overleg dat je zo efficiënt mogelijk moet afhandelen. Het is een
proces van debat, van overtuigen, van het zichtbaar maken waar je voor
staat. Precies daar wringt het. Een fysieke vergadering is niet zomaar
een plek waar besluiten worden genomen; het is een publieke ruimte. Je
zit daar met elkaar, je kijkt elkaar aan, je voelt spanning in de zaal,
je merkt hoe standpunten botsen of juist naar elkaar toe groeien. Ook
voor het publiek is dat zichtbaar en voelbaar. Dat maakt ook dat zo'n
vergadering, dé vergadering, gezag heeft. Digitaal valt daar een groot
deel van weg. Je ziet vooral hoofden op een scherm. De non-verbale
communicatie verdwijnt grotendeels, evenals het informele contact, het
even iemand aanspreken en de sfeer peilen. Dat is er gewoon niet meer
bij. Technisch gezien kun je nog steeds stemmen en praten, maar dat
betekent niet dat het hetzelfde is. Het idee dat die twee vormen
gelijkwaardig zijn, vinden wij niet overtuigend. Daarom is het ook goed
dat dat uit de wet is.
Voorzitter. Dat idee zit er nog wel steeds onder. Als je zegt dat we het
aan de raad zelf laten om te bepalen wanneer we digitaal kunnen
vergaderen, dan behandel je het in feite nog steeds als een volwaardig
alternatief. Daar zit meteen ons tweede en misschien wel belangrijkste
punt. Als je die keuze bij de raad zelf legt, maak je de vergadervorm
onderdeel van het politieke spel. Dat is voor ons echt een heel erg
groot probleem. Stel je een gevoelig dossier voor, iets waar veel
weerstand tegen is, iets waar de publieke tribune normaal gesproken
overvol voor zou zitten. Het kan dan in één keer aantrekkelijk worden om
digitaal te gaan vergaderen. Dat is dan niet per se zo omdat het moet,
maar omdat het dan rustiger is en misschien wel de meest veilige optie.
Er is dan minder druk, minder zichtbaarheid, minder directe
confrontatie, minder controle. Dat is dus ook precies waar het mis kan
gaan. Daarom moeten we vragen hoe de minister voorkomt dat raden juist
bij dit soort gevoelige onderwerpen digitaal gaan vergaderen. De wet
zegt dat digitaal vergaderen alleen mag bij bijzondere omstandigheden.
We hebben het net al gezegd: wat zijn dat dan precies? Het is bewust
vrij open gelaten. Er ontstaat daarom dus ruimte om dat begrip op te
rekken. En ik zeg u: dat gaat gebruikt worden. Dat ondermijnt het
vertrouwen in het proces, want burgers zien misschien wel dat een
besluit genomen is, maar ze zien niet meer goed hoe dat tot stand is
gekomen. De zichtbaarheid van het debat neemt af en juist bij
controversiële besluiten is dat een probleem. Democratisch gezag zit
namelijk niet alleen in de uitkomst, in het feit dat er een meerderheid
is, maar ook in het proces, in de manier waarop een besluit tot stand
komt: of dat open, zichtbaar en ook daadwerkelijk controleerbaar
gebeurt. Daar lever je met digitaal vergaderen gewoon op in, hoe je het
ook wendt of keert. Wat ons betreft zit de kern van de kritiek er dus in
dat dit wetsvoorstel een element introduceert dat op papier neutraal
lijkt, maar dat in de praktijk niet zal zijn. Het raakt namelijk ingebed
in politieke afwegingen en strategisch gedrag. Kan de minister duidelijk
zeggen wanneer digitaal vergaderen wel mag en wanneer niet? Waarom komt
dit niet duidelijk naar voren in de wet? Waarom is deze ruimte zo open
gelaten en waarom laten we de invulling van dit begrip over aan de
lokale autonomie?
Dan wil ik nog één punt maken dat onze fractie heel belangrijk vindt. We
hebben namelijk al gezien dat in echte noodsituaties, zoals tijdens
corona, de wetgever prima in staat is om een tijdelijke regeling te
treffen. Dat is ook precies wat er toen is gebeurd en dat werkte. Het
gaf ruimte waar nodig, maar zonder structureel iets te veranderen aan de
manier waarop onze democratie functioneert. Als het echt nodig is,
hebben we het instrument dus al: een tijdelijke wet gericht op een
concrete noodsituatie, met duidelijke grenzen en een einddatum. Waarom
is een permanente regeling nodig? Waarom kiest de minister niet gewoon
voor tijdelijke wetgeving als er echt een noodsituatie is? Welke
moeilijkheden ziet de minister bij de vorige tijdelijke wet? Kunnen
daaruit geen lessen getrokken worden waardoor het de volgende keer nog
beter gaat, zonder dat we hiervoor een permanente regeling hoeven te
introduceren?
Mevrouw Huizenga (D66):
U geeft het gevoel dat de lokale autonomie onder druk staat. U geeft
eigenlijk aan ...
De voorzitter:
"De heer Heutink geeft aan ..."
Mevrouw Huizenga (D66):
De heer Heutink, zeg ik via de voorzitter, geeft aan dat de
volksvertegenwoordigers in de gemeenteraden en de Staten niet zelf dat
besluit kunnen nemen. Waarom bent u ervan overtuigd dat we dat hier
moeten doen, meneer Heutink?
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Wij bepalen hier de wet en wij bepalen hier de kaders waarbinnen we die
ruimte ook daadwerkelijk geven. Het gaat ons niet om vertrouwen, het
gaat ons om het systeem. Juist als we dat systeem de ruimte laten, komt
er een politieke afweging bij. Dat zal in elke gemeenteraad zo zijn.
Iedereen zit daar om politiek te bedrijven. Dat kunnen wij hier niet in
beton gieten, tenzij we deze wet hier klakkeloos aannemen. Want dan gaat
dat gewoon gebeuren.
Mevrouw Huizenga (D66):
Denkt u dat ze daar lokaal geen afweging in kunnen maken?
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Dat zou kunnen, maar nogmaals, wij maken hier wetten. Die wetten moeten
eenduidig zijn. Die wetten moeten gericht zijn en die wetten moeten niet
voor interpretatie vatbaar zijn. Het feit dat D66 dus zegt — ik hoorde
net het CDA dit ook zeggen — dat we maar hopen dat het dan goed gaat …
Ja, sorry! Ik hoop niet en ik wil er niet eens over hoeven nadenken of
het goed gaat. Ik wil het gewoon voorkomen.
Mevrouw Huizenga (D66):
Het gaat er niet om dat wij hopen dat het goed gaat. Wij vertrouwen erop
dat het goed gaat. Dat als eerste. Dat wou ik nog even benadrukken.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Ik vond net de collega mooi afsluiten. We zijn het denk ik met zijn
allen hier er wel redelijk over eens hoe we naar het wetsvoorstel
kijken, maar aan de ene kant hebben we het stukje vertrouwen en aan de
andere kant de vraag hoe je het goed afbakent. Ik denk dat de heer
Heutink het nu uit elkaar gaat trekken. Het zou mooi zijn als we straks
met zijn allen gaan kijken hoe we het vertrouwen en de kaders sterk
kunnen krijgen. Heeft hij er zelf ook ideeën bij, nu hij het vertrouwen
niet heeft, hoe hij een en ander beter zou willen borgen zodat het
wettelijk wel goed in elkaar zit?
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Er is wat ons betreft helemaal geen wet nodig. We hebben al een wet,
namelijk de tijdelijke wet die in coronatijd is gebruikt en prima
functioneerde. Die gaf de gemeenteraden en Provinciale Staten al de
bevoegdheid om daadwerkelijk digitaal te vergaderen. Dus ik snap niet
waarom we dit nu permanent moeten vastleggen. We hebben hier al een
forse discussie gehad over de vraag hoe we dit moeten gaan interpreteren
en hoe de gemeenteraden dat moeten gaan interpreteren. Als wij met z'n
allen hier al deze discussie hebben over die begrippen, kan ik u op een
briefje meegeven dat gemeenteraden die ook gaan hebben. Dat is politiek,
zeg ik tegen het CDA. Dus wat ons betreft hoeft er helemaal geen wet te
komen. We zijn het niet met elkaar eens. Wij zullen tegen deze wet
stemmen. Ik ga ervan uit dat het CDA, zoals ik net heb begrepen,
waarschijnlijk voor deze wet zal stemmen. Dus we zijn het ook niet met
elkaar eens.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Dat is dan helder. Ik denk dat de vorige sprekers het redelijk met
elkaar eens zijn dat ze tot een oplossing willen komen. De voorbeelden
die genoemd zijn, laten zien dat digitaal vergaderen niet de voorkeur
heeft en fysiek vergaderen wel, maar dat, mocht het voorkomen, we wel de
mogelijkheid hebben om digitaal te vergaderen. Ik hoor dat de heer
Heutink niet naar een oplossing wil zoeken. Dan is dat ook helder.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Dan plakt het CDA een onterecht frame op mijn voorhoofd. Als mevrouw
Boelsma-Hoekstra goed heeft geluisterd: ik heb net gezegd dat we wel
degelijk naar een oplossing willen zoeken op het moment dat dat nodig
is, maar dat die oplossing er al is. We kunnen binnen no time een
tijdelijke wet of regeling optuigen, waardoor we digitaal vergaderen in
echte noodsituaties mogelijk maken. Dat is de oplossing, zeg ik tegen
het CDA. Als we deze wet in de Kamer aannemen, kan iedereen in de regio,
iedereen in de gemeenteraden en iedereen in al die provincies zelf
beslissen wanneer er wel of niet vergaderd mag worden. Dat maakt het
amendement van mevrouw Bikker al een stuk beter. Ik zie dat zij een
vraag wil stellen. Maar we laten het nog steeds over aan de lokale
gemeenteraden en dus wordt dit onderdeel van het politieke spel. Dat
moeten we niet willen.
De voorzitter:
Mevrouw Boelsma toch nog.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Ik vind het wel jammer — dan zeg ik het nog netjes — dat de heer Heutink
niet openstaat voor het stukje vertrouwen en het met z'n allen willen
nadenken om tot een oplossing te komen. Dat is mijn gevoel.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Ik heb dan het gevoel dat mevrouw Boelsma-Hoekstra niet goed luistert.
Ik heb wel degelijk een oplossing aangeboden. Die zit 'm er namelijk in
dat we al een oplossing hebben. Dat is een tijdelijke wet. Ik hoop dat
het amendement van mevrouw Bikker het haalt, want dat maakt het iets
minder schadelijk. Desalniettemin hopen we dat deze hele wet het niet
haalt.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik heb ook nog eens naar de tijdelijke wet gekeken. Ik heb er ook
levendige herinneringen aan dat we die behandelden. Die moeten we niet
mooier maken dan hij was. Eerlijk gezegd was dat ook een bulldozer,
zonder afweging of het overal nodig was om digitaal te vergaderen. Het
was keihard werken voor het parlement: hoe hou je die wet zo tijdelijk
mogelijk en hoe schaal je weer af op het moment dat het niet meer nodig
is? Ik zou aan de heer Heutink willen vragen, als hij daarop terugblikt,
of dat nou wel zo'n precisie-instrument is. Of pakken we dan op een
andere manier een bulldozer?
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Volgens mij is van hard werken nog nooit iemand slechter geworden. Dat
wil ik even zeggen. Maar goed, we kunnen mevrouw Bikker daar niks over
verwijten, want als er iemand hard werkt, is dat volgens mij mevrouw
Bikker. Het werkte gewoon. En ja, je moest daarvoor in actie komen en
extra stappen zetten. Natuurlijk, dat begrijpen we allemaal. Als er
sprake is van een crisissituatie en als echt de nood aan de man is, dan
mag je van dit parlement verwachten dat we hier met elkaar voor gaan
staan en zeggen: dat gaan we gewoon voor elkaar boksen. Onze fractie
denkt dat de wet zoals die nu voorligt, met alle hiaten die hij met zich
meedraagt, uiteindelijk voor te veel verscheidenheid gaat zorgen bij al
die lokale gemeenten en al die Provinciale Staten. We denken dat hij te
veel ruimte voor interpretatie geeft aan het begrip "crisis", maar ook
aan het begrip "bijzondere omstandigheden". Wij denken dat het een gebed
zonder einde gaat worden en dat we er uiteindelijk spijt van krijgen dat
we het op deze manier hebben gedaan en niet hebben teruggegrepen naar de
tijdelijke wet. Ondanks zijn hiaten werkte die wel goed.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Het ging mij niet om hard werken, want dat doe ik toch wel. Het ging mij
erom wat de impact was van de tijdelijke wet. Ook op plekken waar het
niet nodig was, gold de wet wel. Daarmee ben je net zo goed niet zo
precies als je in het ideale geval zou zijn. Ik heb daar eerst wel naar
gekeken. Ik herinner me heel veel debatten met de voor-voorganger van
deze minister, minister De Jonge, maar ook met de minister van
Binnenlandse Zaken. Ik zag namelijk telkens opnieuw dat ook een
parlement enorm onder de indruk kan zijn van een naderende of aanwezige
pandemie en te ver kan gaan in het nemen van stappen. Ik heb heel hard
moeten werken om al die maatregelen tijdelijk te houden en een
Bikkertoets te krijgen waardoor iedere drie maanden werd getoetst of we
er wel mee door moesten gaan. Dat was niet vanzelfsprekend. Dus: je kop
erbij houden en de Grondwet hoog houden vraagt van ons allemaal
wat.
Terug naar dit debat. Daarom heb ik in mijn amendement gekozen voor het
begrip "crisis", maar ik heb ook gezegd dat ik het voor beter geef. Wat
is daarvan het voordeel? Het grijpt terug op de Wet veiligheidsregio's.
Dat betekent dat ook een veiligheidsregio een besluit zal moeten nemen
of er sprake is van een crisis, ja dan nee. Stel, er is regionaal een
pandemische uitbraak in Zeeland, dan hoeft die geen gevolgen te hebben
voor Noordoost-Groningen. De Wet op de veiligheidsregio's kan daarin een
drempel zijn. Ik geef dat nog mee aan collega Heutink voor zijn
eindafweging. Ik hoorde dat de eindafweging al bijna is gemaakt, maar
het debat is nog niet halverwege, dus ik hoop dat hij dat wil
meewegen.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Ik wil alles meewegen, maar het voordeel van die tijdelijke regeling was
juist dat iedereen precies wist waar hij aan toe was. Was het overal
nodig? Misschien niet. Ik zeg tegen mevrouw Bikker: wat krijg je in het
geval van de veiligheidsregio's op het moment dat er wel een landelijke
grote ramp is, een landelijke crisissituatie? Moet dan elke
veiligheidsregio dat apart gaan doen? Is dat dan wenselijk? Nogmaals, we
willen voorkomen dat door deze wet iedereen zelf mag bepalen wat de
definitie is van een crisis en wanneer iemand een vergadering al dan
niet digitaal zou moeten kunnen houden. Wij zeggen: laten we dat hier
landelijk regelen, we hebben die regelingen met elkaar. Volgens mij is
dat de manier waarop we het moeten gaan doen.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Nu hopt collega Heutink van argument naar argument, maar even terug naar
de kern. Hij, althans Groep Markuszower, zegt: we zijn tegen deze wet,
dan gaat de wet niet door en mocht er een pandemie uitbreken, dan hebben
we eerst weer met elkaar vast te stellen wat het betekent voor onze
gemeenteraden. Ik constateer wel dat in zo'n geval de democratie lokaal
een poosje ernstig gemankeerd is, want bij een pandemie is het ook niet
de eerste prio van het kabinet om dit te regelen, maar gaat het
bijvoorbeeld over een ic of andere zaken. Dus dat is wel een aantal
prijzen dat collega Heutink met zijn keuze betaalt. Ik denk dat het goed
is om daar rekenschap van te geven. Nogmaals, ik sta open voor
verbetering, maar beter dan het woord "crisis" heb ik nog niet
gevonden.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Het siert mevrouw Bikker ook, dat ze op zoek is naar een goede term. Dat
waardeer ik zeer. Als je kijkt naar de prijs die wij hiervoor betalen:
ja, het is dan wel crisis. Dat kost ons altijd iets, dat zal altijd zo
zijn. Maar als je het afzet tegen de prijs die we moeten betalen voor
deze wet … Met de wet maken we het als Kamer namelijk mogelijk dat
gemeenteraden, provinciale staten en waterschappen bepalen wanneer iets
wel of niet digitaal kan gaan, welk begrip je dan ook hanteert, en
daarmee maak je hen onderdeel van het politieke spel. Dat is voor ons
een te grote aantasting van de democratie. Dan heb ik liever dat we op
dat moment hier met elkaar als Kamer gaan kijken wat er dan nodig is om
het voor elkaar te boksen, dan dat we het nu permanent onderdeel laten
uitmaken van het politieke spel.
Voorzitter. Volgens mij heb ik dan ook eigenlijk alles gezegd. Ik heb
nog wel wat tekst, maar ons standpunt is wel duidelijk, denk ik, dus ik
wil het hier graag bij laten.
De voorzitter:
Goed, dank. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn
van de zijde van de Kamer.
De algemene beraadslaging wordt geschorst.
De voorzitter:
Ik stel voor dat we gaan schorsen, zodat de minister zich kan
voorbereiden op zijn eerste termijn. Ik wil dat tevens combineren met de
lunchpauze en om 12.15 uur de vergadering vervolgen. We hebben hier
later op de dag ook nog een belangrijk debat over de gevolgen van de
oorlog in het Midden-Oosten. We gaan dus een halfuur schorsen, tot 12.15
uur.
De vergadering wordt van 11.45 uur tot 12.31 uur geschorst.
Wet digitaal vergaderen decentrale overheden
Wet digitaal vergaderen decentrale overheden
Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:
het wetsvoorstel Wijziging van de Gemeentewet, Provinciewet, Waterschapswet, Wet gemeenschappelijke regelingen en Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in verband met een permanente regeling die beraadslagen en besluiten langs de elektronische weg voor decentrale volksvertegenwoordigingen mogelijk maakt (Wet digitaal vergaderen decentrale overheden) (36558).
De voorzitter:
Dan zijn we toe aan de eerste termijn van de zijde van de regering in de
behandeling van het wetsvoorstel dat het mogelijk maakt voor decentrale
overheden om digitaal te vergaderen.
De algemene beraadslaging wordt hervat.
De voorzitter:
Het woord is aan de minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties.
Minister Heerma:
Dank u wel, voorzitter. Ik wil de heer Bosma sowieso danken voor zijn
warme woorden over debatten die wij vroeger als mediawoordvoerders met
elkaar gedaan hebben. Dit is inderdaad mijn vuurdoop aan deze kant van
Kamer, als minister. Ik wil daarom mevrouw Bikker, die er nog niet is,
bedanken voor het onthameren van dit wetsvoorstel, wat mij in de
gelegenheid stelde om deze vuurdoop te hebben. Als je het debat
vanochtend heb gehoord, heb je misschien gehoord dat er toch vrij veel
fundamentele discussies achter dit wetsvoorstel vandaan komen die je bij
het lezen van de titel misschien niet direct zou verwachten. Dat is ook
mooi.
Dit wetsvoorstel gaat terug naar de coronaperiode. We hebben toen gezien
dat de mogelijkheid om digitaal te vergaderen een uitkomst kon zijn bij
een onverwachte, ingrijpende gebeurtenis die het ineens onmogelijk maakt
om fysiek bij elkaar te komen. Dat hebben we in de hele samenleving
gezien, maar zeker ook bij de gemeenteraden, Provinciale Staten,
algemene besturen van waterschappen en eilandraden. Om dat toen mogelijk
te maken — daar ging een debatje over aan het einde van de eerste
termijn van de Kamer — is er met stoom en kokend water tijdelijke
wetgeving tot stand gekomen, die soms inderdaad wel heel snel ging,
zonder allerlei waarborgen. Eigenlijk ontstond er elke twee à drie
maanden opnieuw een discussie over de verlenging daarvan in het
landelijke debat daarover. Je zag echter dat er in de lokale en
regionale volksvertegenwoordiging veel waardering was voor het feit dat
de mogelijkheid er was. Uit de evaluatie kwam ook nadrukkelijk de wens
naar voren om met een permanente regeling te komen. Destijds is daaraan
gewerkt. Het oorspronkelijke wetsvoorstel maakte geen onderscheid tussen
fysiek en digitaal vergaderen. Daar kom ik zo op terug.
Ik denk dat het van groot belang is dat er, in situaties waarin er niet
fysiek vergaderd kan worden, een mogelijkheid is dat er voor inwoners
toch belangrijke besluiten kunnen worden genomen op een democratisch
gelegitimeerde wijze, waar de spreker van D66 zojuist ook al aan
refereerde. Daar was in de coronatijd namelijk ook sprake van. Die
gewenste permanente regeling, die dus ook uit die evaluatie naar voren
komt, komt er met dit wetsvoorstel. Het heeft lang geduurd, maar het
ligt er nu.
Mevrouw Bikker gaf al aan: de wetsbehandeling is er ook een onderdeel
van. Ik wil heel duidelijk zijn. Fysieke raadsvergaderingen blijven het
uitgangspunt. Dat is zo en dat blijft zo. Het meest rijke en levendige
debat vindt immers plaats in die fysieke setting en als men elkaar in de
ogen kan kijken. Ik zie dat mevrouw Bikker er weer is — welkom, mevrouw
Bikker. De overgrote meerderheid van de volksvertegenwoordigers geeft
dat ook aan. Bij de evaluatie gaf een overgrote meerderheid van rond de
90% — het verschilde 1% of 2% per type volksvertegenwoordiger — aan dat
ze een permanente regeling willen. Net zo'n overdonderende meerderheid
gaf aan dat fysiek het uitgangspunt is en dat ook moet blijven. Ik
geloof dat maar 2% aangaf digitaal liever als de norm te willen zien.
Het wetsvoorstel is aangepast en stelt dus duidelijk dat fysiek de norm
is. Ik heb volgens mij van heel de Kamer gehoord dat dat de wens is. Dat
is ook mijn wens.
Tegelijkertijd is ervoor gekozen om het met dit wetsvoorstel mogelijk te
maken dat digitaal vergaderen alleen onder bijzondere omstandigheden
kan. Ik heb hier allerlei zorgen over gehoord, tot de term "boterzacht"
aan toe. Daar ben ik het niet mee eens. Dit geldt als uitzondering op de
hoofdregel, want die is en blijft dat fysiek vergaderen de norm is. In
de memorie van toelichting zijn handvatten meegenomen die bepalen
wanneer er sprake is van zo'n bijzondere omstandigheid. Het moet een
onvoorspelbare omstandigheid zijn die niet beïnvloedbaar is door het
gemeentebestuur. Het moet daarnaast een belemmering vormen voor de
fysieke raadsvergadering. De beoordeling van wanneer er sprake is van
een bijzondere omstandigheid wordt nadrukkelijk neergelegd bij de
decentrale volksvertegenwoordiging zelf. Zij zijn immers het beste in
staat om aan de hand van de lokale omstandigheden af te wegen of
digitaal vergaderen in een specifiek geval noodzakelijk is.
Tegelijkertijd heb ik hier in de Kamer veel fracties vragen horen
stellen of zorgen horen uiten over dat criterium en over of dat niet te
ruim is. Dat dilemma herken ik. Ik wil daar in mijn beantwoording graag
uitgebreid op ingaan. Ik denk dat ons dat ook bij het centrale punt van
dit debat brengt, namelijk het amendement van mevrouw Bikker. Laat ik
daarmee beginnen. Het amendement van mevrouw Bikker spreekt van
"crises". Zij refereert ook aan de Wet veiligheidsregio's. Als ik
eerlijk ben, zit daar ook een deel van het probleem met dit amendement.
Mevrouw Bikker heeft zich daar volgens mij ook rekenschap van gegeven,
aangezien ze in haar termijn ook meerdere keren aangaf dat ze nog
zoekende is.
Laat ik beginnen bij de wet zoals die nu voorligt. We hebben de keuze
gemaakt dat die afweging lokaal het beste gemaakt kan worden, omdat de
overgrote meerderheid van de raadsleden juist ook zélf aangeeft dat te
willen. Ik ben niet zo bezorgd als sommige anderen; die zorgen zijn hier
in dit debat in verschillende gradaties geuit. Ik denk dat ze dat lokaal
heel goed kunnen. Het past ook in de aard van onze Gemeentewet dat dat
lokaal in de raad goed afgewogen kan worden. Ik snap de wens tot een
evaluatie. Ik zou daarom zeggen dat je een evaluatiebepaling toe kan
voegen, zoals het amendement van het CDA voorstelt. Dat amendement wil
ik graag oordeel Kamer geven. Ik heb verschillende fracties de wens
horen uiten om gedurende de komende jaren bijvoorbeeld jaarlijks op te
halen hoe vaak er nou gebruik van wordt gemaakt. Dat werd door
verschillende sprekers aangegeven. Ik vind dat een goed idee. Ik ben
bereid toe te zeggen dat we dat jaarlijks gaan doen. Er werd hier ook
gezegd dat het dan vanzelfsprekend veel vaker gebruikt gaat worden. Ik
durf te voorspellen dat dat in de praktijk niet gaat gebeuren. Waarom
niet? Omdat raadsleden dat zelf ook niet willen.
Mevrouw Bikker begon net in het laatste interruptiedebat al met de
opmerking niet alleen met warmte terug te denken aan de tijd van de
tijdelijke wet. Terwijl de tijdelijke wet nog gold, gingen raden alweer
fysiek vergaderen, omdat zij daar allemaal als stelregel de voorkeur
voor hadden. De suggestie dat het allemaal mis zou gaan en dat het
sluipend de norm zou worden, miskent volgens mij dat de raadsleden daar
zelf ook niet op zitten te wachten. Ik ga ook terug naar het begin van
het betoog van mevrouw Bikker, waarin zij aangaf dat het niet zomaar het
bestuur van een vereniging is. De raadsleden en Statenleden weten dat
zelf ook. Met het zijn van volksvertegenwoordiger komt dus ook die
verantwoordelijkheid. Vanuit die verantwoordelijkheid en het feit dat
wij vertrouwen moeten hebben in onze medeoverheden zou ik zeggen dat
mijn eerste voorkeur uitgaat naar een vinger aan de pols houden en
kijken hoe het gaat, maar hun ook het vertrouwen geven dat hun
toekomt.
Dan ga ik naar het amendement van mevrouw Bikker. Vanuit de VVD-fractie
werd het aan het einde van het betoog ook al aangegeven, maar ook
volgens mij zitten we met een groot deel vrij dicht bij elkaar. Daarom
wil ik er ook naar kijken vanuit dat vertrekpunt. Dat past misschien ook
bij de stijl van politiek bedrijven in een minderheidskabinet. Het zou
dus mijn voorkeur hebben om een vinger aan de pols te houden en
vertrouwen te geven. Mevrouw Bikker preludeerde er ook al op: als de
Kamer zegt dat niet over te willen laten aan het vertrouwen en het nader
in te willen kaderen, dan wil ik eerst schetsen wat daar het nadeel van
is.
Dan is er meer. Hier in dit huis jarenlang geopereerd hebbende, heb ik
heel veel wetsbehandelingen meegemaakt waarbij zorgen over wat er kán
gebeuren met een wet leiden tot amendementen die allerlei waarborgen
inbouwen: wat nou bij misbruik en wat nou bij gevallen die er net buiten
vallen? Vaak is bij deze amendementen en wijzigingen in de wet daarna de
conclusie dat het wetsvoorstel minder goed is gaan werken, omdat andere
risico's als gevolg van die amendementen niet voldoende gewogen zijn.
Dat wil ik hier toch zeggen. Het risico dat alle raadsleden — ik zou
bijna zeggen dat ze nu met bijna Oost-Europese cijfers willen dat fysiek
de norm is — sluipenderwijs iets anders gaan doen … Het risico dat
daartegenover staat, als we het te veel insnoeren en beperken, is dat er
straks in theorie een wettelijke mogelijkheid is die op het moment dat
zich een onvoorziene omstandigheid voordoet, niet gebruikt kan worden
omdat die te veel ingeperkt is in de mogelijkheden. Dat is het risico
aan de andere kant. Dat risico moet iedere fractie in de Kamer voor
zichzelf in de afweging meenemen. Ik denk dat iedereen die hier langer
rondloopt weet van wetsvoorstellen waarbij amendementen soms het ene
risico insnoerden maar een nieuw risico creëerden.
Dan ga ik naar het amendement zoals het er nu ligt. Dat gaat dus over de
Wet veiligheidsregio's. Mevrouw Bikker heeft in haar termijn aangegeven
dat het besluit dan ook daar komt te liggen. Maar ik bekijk het
amendement zo dat het nog steeds de gemeenteraad is die, ook met dit
amendement in handen, zou moeten bepalen wanneer er sprake is van een
crisis. De vraag is of dat tot meer of tot minder duidelijkheid gaat
leiden. Het staatsnoodrecht is ook aangehaald. Het staatsnoodrecht is
hier überhaupt niet van toepassing. Ook de notitie van de Raad van State
over het staatsnoodrecht gaat niet over dit wetsvoorstel. Het
staatsnoodrecht gaat over heel vergaande zaken die, overigens ook bij
crises en crisisbesluitvorming, met overdracht van bevoegdheden en
allemaal dat soort dingen gepaard gaan. Het gaat hier om iets veel
kleiners, iets veel simpelers, namelijk over de vraag: wanneer wordt
besloten om af te wijken van die hoofdregel en toch digitaal te gaan
vergaderen? Mocht de Kamer zeggen niet te willen kiezen voor de optie
van een evaluatie en jaarlijks monitoren, dan zou ik de suggestie willen
doen, niet omdat ik er voorstander van ben, maar gehoord de discussie,
om dan een amendement in te dienen om ook specifiek daarop toe te zien.
Dan zou je dus kunnen denken aan een amendement dat zegt dat digitaal
vergaderen alleen mogelijk is indien het fysiek niet mogelijk is en
uitstel geen optie is. Daarbinnen zijn er dan ook altijd nog variaties
wat betreft de reden dat uitstel niet mogelijk is, maar dat zou mijn
suggestie zijn.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Ik waardeer de suggestie van de minister en dat hij meedenkt. Ik denk
dat het goed is hij dat in een minderheidskabinet op deze manier doet.
Daar heb ik waardering voor. Maar ik kom toch even terug op de suggestie
die hij nu doet. Wat gebeurt er nou in het geval dat er wel een
demonstratie is voor een heel groot onderwerp in een gemeente? Neem
bijvoorbeeld een azc-beslissing. We hebben gezien dat de toegang tot een
gemeentehuis misschien geblokkeerd kan worden. Dat kan. Als ik deze
suggestie — dat lijkt dit namelijk bijna te zijn — hoor, dan is mijn
vraag: zou dat dan voldoende aanleiding zijn voor de minister om
digitaal te vergaderen? Zou dat kunnen?
Minister Heerma:
Er is ook al de suggestie in het debat gewekt dat het een alternatief
zou zijn voor besloten vergaderen. Dat is niet zo. Op het moment dat er
niet veilig openbaar vergaderd kan worden, dan gaan er allerlei andere
zaken spelen. Besloten vergaderen is juist weer uitgezonderd als een van
de zaken die hier juist niet kunnen. Ik vind dat onze gemeenteraden
veilig moeten kunnen vergaderen. Dat is de norm. Daarvoor staan we aan
de lat. De suggestie dat gemeenteraden bij een simpele demonstratie wel
makkelijk over zouden gaan op digitaal vergaderen omdat dat ze goed
uitkomt, herken ik niet. Die suggestie wil ik ook verre van me werpen.
De kern is: bij een demonstratie moet er gewoon fysiek vergaderd kunnen
worden. Daarvoor is dit wetsvoorstel niet bedoeld. Fysiek vergaderen
blijft namelijk de norm.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Dat is fijn en ik denk ook dat dat goed is. De minister hoeft niks verre
van zich te werpen, want volgens mij zeg ik niet zo heel erg veel
spannende dingen. Ik wil gewoon voorkomen dat een besluit om al dan niet
digitaal te vergaderen, onderdeel wordt van een politieke discussie. Als
ik de suggestie hoor van de minister om een amendement in te dienen, dan
ben ik wel bang — dat heeft niets met "niet vertrouwen" te maken — dat
het gaat leiden tot een politieke discussie. Mijn vraag aan de minister
is: is dat nou wat we moeten willen toelaten?
Minister Heerma:
Volgens mij wordt hier weer van het ene argument naar het andere
gesprongen. We moeten hier wel scherp blijven. Het tweede vraagstuk gaat
namelijk over iets anders dan het eerste vraagstuk. De heer Heutink
heeft in zijn betoog ook gesteld dat het gáát gebeuren. Dat is niet zo.
Er is niets wat daarop wijst. Hij heeft ook gezegd dat wetsvoorstellen
strak, duidelijk en ingesnoerd moeten zijn. Juist medeoverheden zijn
geen uitvoeringsloketten van de rijksoverheid. Als wij hier alleen maar
wetten maken die alles tot in elk detail voor medeoverheden regelen, dan
kun je ze net zo goed afschaffen. Dus ik ben het met de insteek van de
heer Heutink niet eens. Ik denk overigens dat voor veel aanwezigen hier
geldt dat we iets meer vertrouwen in het verantwoordelijkheidsbesef van
volksvertegenwoordigers moeten hebben. Zijn er demonstraties, gewone
demonstraties waarbij de veiligheid van mensen niet in het geding is,
dan moet er gewoon fysiek vergaderd worden. Dat is de norm. Dat is in
het wetsvoorstel ook zo. De aanname dat sluipenderwijs wordt omgegaan
met digitaal vergaderen omdat het politiek goed uitkomt, zie ik niet
uitkomen bij onze lokale volksvertegenwoordigers. Ik zie ook niet dat
dit de consequentie is van het wetsvoorstel dat er nu ligt. Ik denk dat
we daarop kunnen vertrouwen tot dit geëvalueerd wordt.
Als mevrouw Bikker echter schetst dat zij ertoe neigt tegen de huidige
wet te stemmen, dan geef ik de Kamer ter overweging mee dat het
verwerpen van dit wetsvoorstel betekent dat we weer teruggaan naar de
situatie van de tijdelijke wet. Het beginsel was dat we dat niet wilden;
dat komt ook heel duidelijk uit de evaluatie. Ik denk dat het amendement
dat van "crisis" spreekt, eerder tot meer verwarring gaat leiden dan tot
minder, terwijl de zoektocht is: hoe kunnen we naar dat vertrouwen
toegaan en het toch waarborgen? Daarom haalde ik de VVD-fractie net
aan.
Ik ga nogmaals zeggen dat ik eigenlijk ook geen voorstander ben van een
aangepast amendement, want ik denk dat je daarmee het risico loopt dat
de wet zo wordt ingesnoerd dat die niet meer gebruikt kan worden in een
situatie waarin we zelf denken dat dat mogelijk wel nodig is. Overigens
vind ik het voorbeeld dat naar voren kwam in het debat tussen mevrouw
Bikker en de CDA-fractie misschien wel het meest pregnante voorbeeld
daarvan. Er kunnen lokaal ook weersomstandigheden zijn waardoor het
onveilig is om de weg op te gaan. Dan is de vraag: is het niet mogelijk?
Theoretisch is het wel mogelijk. Er is dan sowieso niet sprake van een
crisis in termen van de wet, zoals mevrouw Bikker dat aangeeft. Nog
steeds is dan de vraag: kan het niet uitgesteld worden? Soms niet. Mijn
zorg is dat we door de angst dat we te veel ruimte geven, te weinig
ruimte geven. Als de Kamer echter meer waarborgen wil, dan zou ik daar
de voorkeur aan geven en niet aan de situatie waarin we de gemeenteraden
laten gaan bepalen wanneer er sprake is van een crisis. Dat zou de
consequentie zijn van het amendement dat er nu ligt.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Dank aan de minister voor het hier vurig verdedigen van het wetsvoorstel
— het is mooi om dat te zien — terwijl er tegelijk de zoektocht is: hoe
gaan we dat met deze Kamer doen? Maar belangrijker is nog: hoe bereiken
we wat we gezamenlijk beogen?
Ik ga toch even in op het traject dat ik met het amendement heb
doorlopen. Ik ben ook begonnen met naar het staatsnoodrecht te kijken.
Ik zie dat dat niet voldoet. Dat is echt geschreven voor andere
situaties. Dat is ook de reden dat ik hier een keer eerder — vergeef
mij, voorzitter — uit mijn plaat ging toen een andere minister dacht dat
wél van toepassing te verklaren. Dat verklaar je immers niet zomaar van
toepassing. Dan constateer ik dat ons crisisrecht niet op orde is. Dat
is niet aan deze minister te wijten. Dat komt gewoon doordat we langere
tijd alleen geleund hebben op het staatsnoodrecht. Volgens mij zitten we
juist daarom nu in de schimmige omstandigheid: tot welke definities ga
je terug? Ik voel met de minister mee. Ik kom tot mijn vraag, hoor,
voorzitter. Ik voel met de minister mee als hij zegt dat iedere
inkadering nieuwe situaties met zich mee zal brengen waarvan je denkt:
hadden we dat toch niet moeten fiksen? Maar dat geldt ook andersom, zeg
ik tegen de minister. Dat geldt ook bij die griepepidemie. Misschien
zegt een gemeenteraad dan wel: dit is een bijzondere omstandigheid.
Kunnen wij in ieder geval met elkaar vaststellen dat de wet nu niet
inkadert — als ik goed luister naar de minister, zou dat wel het geval
moeten zijn — als het gaat om vergaderingen die een week of twee
uitgesteld kunnen worden, en dat die sowieso niet vallen … Daar zou het
amendement een inperking op kunnen maken. Begrijpt de minister mijn
vraag?
Minister Heerma:
Ja. Ik gaf net ook aan dat als de Kamer niet wil meegaan in het
jaarlijks monitoren of de risico's die gezien worden wel zo groot zijn
als die hier beleefd worden … Nogmaals, wij hebben beide veel ervaring
met wetsvoorstellen. De angst dat er iets gebeurt, leidt tot
amendementen, maar als je later ziet wat er in de praktijk gebeurt, denk
je soms: was het middel niet erger dan de kwaal? Maar als de Kamer
daarvoor kiest, dan zul je volgens mij specifieker moeten zijn en moeten
zeggen wat wel en wat niet, en dan zou ik nog steeds zeggen dat
situationeel is of uitstel kan of niet. Dat heeft zowel te maken met de
aard van de besluiten die voorliggen, en dus met de verantwoordelijkheid
die de medeoverheid daarvoor heeft, als met de inschatting van de tijd
dat iets gaat duren.
Fysiek heeft het primaat, de voorkeur, en uitstellen kan altijd. Dus ik
ga het nogmaals zeggen: hoe vaak gaat dit in de praktijk echt gebeuren?
Maar als de Kamer dit wil inperken, zou dat een van de twee elementen
zijn waarbij je, overigens in weerwil van wat de VNG zegt ... Ik vond
dat mevrouw Bikker daarbij misschien iets te veel de toon koos van de
lokale vertegenwoordigers die het wel met haar eens waren, maar we
moeten ook de VNG wel serieus nemen. Dat zijn echt niet zomaar wat
bestuurders ten opzichte van de raadsleden wier argumenten dan meer
zouden moeten tellen. Volgens mij moeten we de VNG iets meer respect
geven. Het is een feit dat er verschillend over gedacht wordt.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ja, dat is een feit. Daarom heb ik daarna ook gezegd dat de
volksvertegenwoordiging hierin vervolgens een afweging heeft te maken,
gehoord de verschillende belangen en wetend dat eenieder die inspraak
heeft gedaan in de consultatie zich van harte inzet voor een goed
bestuur in Nederland. Dus laat dat sowieso ook opgemerkt zijn.
Minister Heerma:
Waarvan akte.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Terug naar mijn wisseling met de minister. Kijk, ik vind dat in de
huidige situatie het onvoldoende uit de wettekst spreekt, ook al zegt de
minister het hier wel nog een keer nadrukkelijk, maar de wettekst is wat
uiteindelijk gaat gelden als mensen die lezen, dat fysiek eigenlijk
altijd, altijd, altijd de voorkeur heeft. De minister zal zo reageren
met dat hij dat iets anders ziet, schat ik in, maar dat is wel mijn
lezing van de wet, en ook van hetgeen eromheen geschreven is en de
wetshistorie zoals we die tot nu toe kennen. Dan zie ik eigenlijk twee
punten waarvan ik denk dat we daarop steviger moeten schakelen om te
voorkomen dat dat "bijzondere omstandigheden" te gemakkelijk wordt
aangewend om een fysieke vergadering te voorkomen.
Het ene is: dingen zijn in de tijd anders te regelen. Ik ben het met de
minister eens dat lokale volksvertegenwoordigers dat moeten beslissen;
volgens mij kan ik niet hiervandaan beslissen hoe heftig storm Poly, of
het kleinkind van storm Poly ooit, is. Die afweging heb je dus ook
altijd dáár te maken. En die andere kant is voor mij toch ook wel de
fysieke verhindering om daadwerkelijk bij een vergadering te komen. Ik
vind dat ook een hele belangrijke. Als het fysiek, door een
overstroming, niet mogelijk is, snappen we allebei dat we de democratie
willen laten doorgaan en dat we dan niet gaan wachten op een tijdelijke
wet die hier in Den Haag gemaakt wordt. Voor mij zijn dat hele
duidelijke bijzondere kenmerken, die volgens mij een inperking betekenen
zonder dat we samen een duidelijke lijn neerzetten, al zullen er altijd
wel weer omstandigheden zijn die daar dan net niet onder vallen. Dat zou
ik beogen in dit debat. Excuus dat dit wat langer duurt, voorzitter,
maar het is de wetstechniek die iets meer woorden vraagt.
Minister Heerma:
Als we teruggaan naar het begin van het jaar en de weerssituatie
daarvan: je kunt dan wel weer discussiëren over hoe lokaal of regionaal
het is, maar we hebben al vastgesteld dat de afweging van wat een crisis
is, ook met het amendement zoals het nu voorligt nog steeds bij de
gemeenteraad ligt, gewoon in de techniek zoals die er nu ligt. Het
voorbeeld kwam volgens mij aan op omwaaiende bomen op auto's. In deze
situatie was er daadwerkelijk een weerswaarschuwing die serieus was. Ik
werkte toevallig in een omgeving waarin het voor mensen uit het noorden,
verschillende mensen, daadwerkelijk fysiek onveilig was op straat.
Kinderen konden niet naar school gebracht worden. In de formulering die
mevrouw Bikker nu hanteert, is het wel mogelijk om naar de raadszaal te
gaan. Daarom hebben wij voor "belemmering" gekozen. Dat biedt meer
ruimte. Maar als je de lokale afweging van "is deze weersituatie
dusdanig dat het onveilig is om naar de raadszaal te komen?" te strak
inkadert, vind ik ... Ik zou zeggen: geef die gemeenteraden nou iets
meer krediet, iets meer ruimte. Ik snap de zoektocht. En nogmaals, ik
heb mijn eigen positie en ik denk oprecht dat die zorg eigenlijk niet
nodig en te groot is. Maar mevrouw Bikker geeft aan dat ze aan het
nadenken is: kan ik met een alternatief komen? Dan zou ik haar dit
willen meegeven. Als het echt, strikt, niet mogelijk is, dan zijn er
situaties waardoor we straks in discussies gaan komen over waarom er een
wetsvoorstel ligt dat niet gebruikt kan worden in de situatie waarvoor
dit eigenlijk bedoeld is.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik vind het dan altijd prettig om gewoon even voorbeelden erbij te
pakken. Dan zien we het namelijk allebei iets concreter en ook voor de
wetsgeschiedenis is dat denk ik goed. Als ik de minister goed begrijp,
zegt hij dat als bijvoorbeeld code rood op een gegeven moment ingaat, je
je kan voorstellen dat er op zo'n moment geen gemeenteraadsvergadering
is. Maar je hebt natuurlijk ook altijd de aanlopende uren naar code
rood. Dan gaan we niet hier via een wetsvoorstel bepalen op welk moment
dat het geval zal zijn. Begrijp ik goed dat dit het type afweging is
waar de minister op doelt en waar voor hem de zorg zit, waardoor hij mij
vraagt om het amendement niet te strak te maken? Andersom zit mijn zorg
in de mogelijkheid dat als we het te open maken, het straks bij code
donkergeel al zo is dat er niet vergaderd wordt. Ik zit dus even fijn te
proeven of we elkaar hebben begrepen.
Minister Heerma:
Ik kan niet anders dan toch de zorg weerspreken. Wanneer gaan
raadsleden, die met meer dan 90% aangeven dat zij fysiek willen
vergaderen, nou bij twee raadsleden met griep of bij code geel zeggen
dat ze echt niet kunnen vergaderen? Dit wetsvoorstel gaat juist over
onvoorziene omstandigheden. Dat is ook de reden waarom we, in
tegenstelling tot wat de Raad van State zegt, geen limitatieve lijst
hebben. Dat is nu namelijk net het probleem van onvoorziene
omstandigheden. Mijn oproep richting de Kamer is als volgt. Ik snap de
zorg. Daarom vond ik het einde van het betoog van de collega van de VVD,
die zoektocht naar de middenweg tussen én de ruimte geven én toch
waarborgen … Ik denk echt dat als je dat heel precies probeert in te
kaderen, we toch weer in de buurt gaan komen van de conclusie dat het
niet te voorzien is. Ik zie mevrouw Bikker ook zoeken. Als een
amendement aangeeft dat het erom gaat dat het niet uitgesteld kan
worden, waarvoor de afweging altijd bij de raad ligt, en het onmogelijk
is om veilig bij elkaar te komen of iets in die hoek, snap ik het heel
erg. Maar als het aangeeft dat het écht onmogelijk is, wordt het volgens
mij zo ingeperkt dat het risico bestaat dat de wet een theoretische
mogelijkheid creëert die nét niet bruikbaar is in de situatie waar die
eigenlijk voor bedoeld is.
De voorzitter:
Mevrouw Bikker.
De heer Martin Bosma (PVV):
Mevrouw Bikker heeft niks meer te zeggen.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Nou, als meneer Bosma dat zegt, weet hij altijd wat er gebeurt. Dank aan
de minister. Ik begrijp nu, nog beter dan uit de schriftelijke
beantwoording bleek, waar zijn zorg zit. Andersom heeft hij ook mijn
zorg gehoord. Ik ga even nadenken. Ik heb het gevoel dat we hieruit
moeten kunnen komen, maar ik wil niet dat we daarmee achteraf … Er zijn
zo veel situaties denkbaar. Bij een hele hoop denk ik: ja, helemaal
logisch. Maar mijn zoektocht zit ook in de casuïstiek, dus daar wil ik
even goed over nadenken.
Minister Heerma:
Ik heb ook overwogen of ik zou vasthouden aan mijn eigen positie, of zou
meedenken over het dilemma dat er is. De reden om dat laatste te doen,
hoewel ik echt denk dat het niet nodig is … Ik denk echt dat we de raden
en de Statenleden kunnen vertrouwen hiermee. Dat zeg ik juist vanwege
het betoog van mevrouw Bikker. Ik wil echter voorkomen dat fracties voor
een amendement gaan stemmen waarvan ik denk dat de oogst het probleem
niet kleiner maar groter maakt — dat denk ik oprecht. Ik wil ook
voorkomen dat fracties voor een dilemma komen te staan en tegen het
wetsvoorstel stemmen met de argumentatie: dan doen we toch weer een
tijdelijke wet? Die tijdelijke wet wil volgens mij niemand herhalen.
Vanuit dat principe probeer ik dus mee te denken over een middenweg,
waar ik tegelijkertijd niet helemaal voor ben.
De heer Martin Bosma (PVV):
Dat is een mooie formulering. De minister is nogal negatief over het
amendement-Bikker. Hij zegt dat het voor meer verwarring zorgt en dat
het medicijn erger is dan de kwaal. Acht hij het amendement-Bikker een
destructief amendement?
Minister Heerma:
Nee, ik acht het geen destructief amendement. Zoals ik al aangaf, is het
ook bij het amendement zo dat de afweging bij de raad ligt, niet bij de
veiligheidsregio. Wat het ingewikkeld maakt, is dat crises — het
staatsnoodrecht werd al aangehaald — echt over iets anders gaan. Het
risico dat je juist dan verschillen krijgt tussen hoe raden ermee
omgaan, acht ik groter. De verantwoordelijkheid om te bepalen of dit
doorgang kan vinden langs de, door sommige "boterzacht" genoemde,
criteria in de wet, is duidelijker dan de afweging of er nou sprake is
van een crisis. Ik denk dat je met het amendement in zijn huidige vorm
een groter risico loopt dat er verschillen gaan ontstaan tussen
gemeenteraden en Provinciale Staten, omdat het onduidelijker wordt. Ik
vind het amendement dus niet destructief, maar ik denk wel dat het een
goede werking van het wetsvoorstel eerder verder weg brengt dan
dichterbij.
De voorzitter:
De minister vervolgt zijn betoog. Wil hij trouwens nog een oordeel geven
over het amendement?
Minister Heerma:
Het moge duidelijk zijn dat ik het amendement in zijn huidige vorm moet
ontraden.
De voorzitter:
De minister vervolgt zijn betoog. O, ik zie dat mevrouw Tseggai nog een
vraag heeft.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Bij mij ontstaat verwarring over waarom de minister tegen het amendement
is. Zijn beantwoording maakt namelijk juist dat ik denk dat het
amendement een heel goed idee is. Een crisis is namelijk een disruptie
van het normale functioneren. Het is een gevaarlijke situatie waardoor
dat niet meer kan, terwijl "een bijzondere omstandigheid" een brede
definitie is. Ik zou denken: door het woord "crisis" te gebruiken, kader
je het precies goed in. Het is namelijk een negatieve disruptie van het
functioneren, bijvoorbeeld van het vergaderen, van een gemeenteraad.
"Een bijzondere omstandigheid" laat daar veel te veel ruimte, en dus
verwarring, over bestaan.
Minister Heerma:
Dit is de eerste wet die ik hier sta te verdedigen, maar op het moment
dat mijn antwoorden precies het omgekeerde bereiken van wat ik ermee
bedoel te bereiken, leidt dat tot zelfevaluatie. Wat ik heb proberen uit
te leggen, is dat het gebruik van "crisis" ziet op de Wet
veiligheidsregio's, waar dit niet voor bedoeld is. Mevrouw Bikker gaf in
haar eerste termijn aan, ik denk ook in een zoektocht naar iets, dat het
dan bij de veiligheidsregio komt te liggen. Dat is niet zo. Het is zo
dat de gemeenteraden dan een afweging moeten maken of er sprake is van
een crisis. Zo werkt de Gemeentewet ook niet. Het haalt een wet naar
binnen waar zij niets mee van doen hebben. Overigens is de manier waarop
wij omgaan met staatszorgen en crises, zoals mevrouw Bikker aangaf,
überhaupt ... Maar het maakt het onduidelijker voor gemeenteraden waar
de grens dan ligt. Dat is precies de zorg die hier in de Kamer wordt
neergelegd. Mijn stelling is dat het bij de afbakening van de wet die
eraan komt, nog ingewikkelder voor raden wordt om de afweging te maken
wanneer er sprake is van een crisis. De uitweg daaruit is niet — dat is
wat mevrouw Bikker in eerste termijn suggereerde — dat de
veiligheidsregio dat gaat bepalen. Dat is niet zo.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Deze argumentatie kan natuurlijk ook dienen voor de term "bijzondere
omstandigheid". Een gemeenteraad moet dat hoe dan ook gaan beslissen,
want wat is dan een bijzondere omstandigheid? Ik ben daar wel benieuwd
naar. Waarom zou dat het dan makkelijker maken?
Minister Heerma:
De bijzondere omstandigheid is ingekaderd langs drie voorwaarden waar
die aan moet voldoen: het moet onvoorzien zijn, het moet niet maakbaar
zijn voor het bestuur en als laatste moet het de daadwerkelijke fysieke
vergadering belemmeren. Dat zijn zaken op basis waarvan een gemeenteraad
of de Provinciale Staten kunnen bepalen of hier sprake van is. Er kwam
overigens nog een andere vraag op. Het is heel goed — dat is volgens mij
ook wel door burgemeesters gesuggereerd — dat in het reglement van orde
wordt vastgesteld hoe een gemeente of provincie hiermee omgaat, om te
voorkomen dat de discussie politiseert op dat moment. Hiermee leg je de
verantwoordelijkheid voor die afweging bij de raad neer; dat is de keuze
die wij met dit wetsvoorstel maken.
Door het woord "crisis" te gebruiken introduceer je een begrip uit een
andere wet, die hierop niet van toepassing is. Dan leg je dus iets bij
hen neer, terwijl ze daar niet over gaan en terwijl dit daar ook niet
voor bedoeld is. Het gaat namelijk niet over de overdracht van
verantwoordelijkheden. Daarmee wordt dus ambigu waar de
verantwoordelijkheid ligt. Het wetsvoorstel zoals het er nu ligt, legt
die verantwoordelijkheid bij de raad neer. Het kan zijn dat de Kamer dat
niet ingeperkt genoeg vindt. Dat kan, maar dat is wel de keuze die het
kabinet maakt.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
We komen nu terecht in een discussie over de juridische definitie van
het woord "crisis", maar de drie voorwaarden die de minister schetste
voor het begrip "bijzondere omstandigheid" klinken voor mij, als
niet-jurist, zeg ik er even bij, bij elkaar toch als een crisis. Het is
namelijk onvoorzien, je kunt niet normaal vergaderen en … De derde ben
ik nu even vergeten, maar ik denk dan: dat is een crisis.
Minister Heerma:
Dat is bij wetgeving altijd heel gevaarlijk. De semantiek van woorden
kan in een politiek debat ... Ik vind die criteria niet optellen tot een
crisis. We hadden het net over het voorbeeld van een storm. Daarbij is
in juridische zin geen sprake van een crisis. De kans dat een
veiligheidsregio daarvoor overgaat tot overdracht van bevoegdheden is
niet aanwezig. Maar er is wel sprake van een bijzondere omstandigheid,
waardoor je kunt zeggen: in deze specifieke, theoretische
uitzonderingssituatie, bij zo'n zware storm, of het nu code oranje of
code rood is, is het niet veilig om naar de raadsvergadering te komen.
Ik ga het nogmaals zeggen: het woord "crisis" maakt het in de situatie
van zo'n storm, waarin mensen een aantal dagen niet veilig over straat
kunnen ... "Crisis" perkt dat in of maakt dat ambigu. Dan blijft staan
dat als de Kamer vindt dat er nu te veel ruimte wordt gegeven aan
gemeenteraden om dat in te vullen, het de Kamer vrijstaat om dat verder
in te perken. Ik zou dat dan wel op een duidelijke manier doen.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Om verdere verwarring te voorkomen spoel ik even terug: ik heb het woord
"crisis" gepakt omdat het een van de weinige woorden is die ik ergens in
het crisisrecht kan vinden dat gedefinieerd is. Bij "bijzondere
omstandigheden" was de kritiek van de Raad van State ook dat het te wijd
is. Daarom heb ik me aanbevolen gehouden voor andere woorden of
hetzelfde woord dat anders is gedefinieerd in een andere wet, zoekend
naar juridisch stabiele grond en iets van ruimte voor de gemeenteraad om
te zeggen: dit is nou zo'n situatie waarin het niet anders kan. Ik heb
de definitie van "crisis" uit de Wet veiligheidsregio's gepakt omdat het
de enige mij bekende vorm is van een nadere invulling van bijzondere
omstandigheden. Voor de staatsrechtjuristen die dit teruglezen is het
smullen en voor de rest is het abracadabra, maar daar gaat het om. Als
de minister zegt dat hij een andere nadere invulling in het crisisrecht
heeft gezien die passend is, hoor ik het graag, maar volgens mij is die
er niet. Dat is dus de reden en niet per se omdat ik wil dat de
veiligheidsregio erover gaat. Het ging mij puur om de juridische
definitie en die heeft daar haar basis.
Minister Heerma:
Ik snap het. Het is ook niet mijn intentie om hier minachtend te doen
over de zoektocht van mevrouw Bikker. Ik denk alleen niet dat dit
amendement, hoewel ik de zoektocht begrijp, de duidelijkheid gaat bieden
waar mevrouw Bikker naar op zoek is. Ze gaf zelf in eerste termijn bij
herhaling aan die zoektocht te ervaren. Ik wil één stap verder gaan dan
hier zeggen: het is ons voorstel of het is iets waarvan ik denk dat het
minder goed gaat werken dan een zoektocht naar een alternatief. Daar heb
ik suggesties voor willen doen. Nogmaals, dat is niet zo omdat ik er
zelf de grootste voorstander van ben.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Mijn takeaway is dan — ook maar even gewoon om de tussenstand te geven —
dat ik denk dat we iets moeten doen met de tijd. Als iets is uit te
stellen, vind ik dat bijzondere omstandigheden niet van toepassing zijn.
We moeten ook iets doen met toegankelijkheid en fysieke omstandigheden.
Ik zit dan denk ik net wat strikter in de wedstrijd dan de minister,
maar ik wil ook luisteren naar zijn bezwaren, want volgens mij is dat
juist ook het nut van dit debat. Ik verwacht het amendement dus wel aan
te passen, maar ik wil daar ook even de collega's over horen en dat
gewoon goed sonderen.
Minister Heerma:
Helder. Dat zal ongetwijfeld niet binnen de termijnen van dit debat
komen. Mocht dat amendement komen, dan zullen wij daar ook schriftelijk
op reageren, maar ik begrijp de zoektocht van mevrouw Bikker heel goed
en ook hoe dat tot een beter functionerende inperking kan leiden dan er
nu ligt. Fracties zullen dan ook de afweging moeten maken of ze die
inperking een verbetering vinden of dat ze toch willen gaan voor
jaarlijks bekijken hoe het in de praktijk gaat en dan mogelijk daarop
acteren.
Volgens mij hebben we de kern van het debat hiermee te pakken. Er zijn
allerlei andere vragen gesteld. Diverse daarvan heb ik behandeld. Er
zijn ook vragen gesteld rondom de fysieke toegankelijkheid van
raadszalen en over belemmeringen voor journalisten. Natuurlijk is het zo
dat een digitale vergadering voor de journalistiek meer belemmerend is
dan een fysieke vergadering waarin je de non-verbale interactie hebt en
het napraten. Voor journalisten is het dus ook niet optimaal en daarom
moet digitaal vergaderen de uitzondering zijn; daar zijn we het geloof
ik allemaal over eens.
Wat betreft het experiment met hybride stemmen — dat werd ook aangeraakt
— zeg ik het volgende. Dat is halverwege het afgelopen jaar door mijn …
Ik wilde ambtsvoorganger zeggen, maar het was de ambtsvoorganger van
mijn ambtsvoorganger. Dat is eruit gehaald nadat er onder andere door de
Nederlandse Vereniging voor Raadsleden, maar ook door diverse fracties
in dit huis, zorgen zijn geuit over het feit of dat experiment wel
helemaal vormvrij was en of het niet eigenlijk ongelimiteerd was.
Gegeven de aard van de discussie hier, denk ik dat de discussie nog een
stuk ingewikkelder was geweest als dat experiment er nog wel in had
gezeten. Ik denk dus dat het verstandig is om dat niet te doen.
Tegelijkertijd zijn er ook medeoverheden, raden, die zeggen dat ze
hiermee wel willen experimenteren. In de nota naar aanleiding van het
verslag is volgens mij gezegd dat we dat gaan onderzoeken. Dat gaan we
nog steeds doen. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de
mogelijkheid om te experimenteren met commissievergaderingen. Om met
echte raadsvergaderingen te kunnen experimenteren, zal een echt
wetsvoorstel gemaakt worden. Dat is mogelijk bij commissievergaderingen
niet zo. Wij onderzoeken de mogelijkheden nog. In een brief aan de Kamer
kom ik terug op de mogelijkheid daartoe.
Het is wel zo dat de zorgen die hier in de Kamer worden geuit over
digitaal vergaderen niet afnemen met hybride vergaderen. Ze nemen eerder
toe, omdat er een reëel risico is dat er verschil gaat ontstaan tussen
fysiek aanwezig zijn en digitaal aanwezig zijn wat betreft de mate
waarin raadsleden gehoord en argumenten gewogen kunnen worden. Ik heb
niemand horen vragen om dit weer terug te brengen in het wetsvoorstel.
Op verschillende plekken wordt gezegd dat het ook voordelen heeft.
Daarom is in de nota naar aanleiding van het verslag al aangegeven dat
we gaan onderzoeken hoe het wél kan, maar niet in dit wetsvoorstel.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ik heb dat dilemma ook. Daarom heb ik zelf geen amendement geschreven om
dit terug te brengen in het wetsvoorstel. Ik ben op zoek naar aspecten
van bijvoorbeeld het raadswerk waardoor het soms minder toegankelijk is
voor vrouwen na het zwangerschapsverlof, mensen met een beperking,
chronisch zieken et cetera. Misschien kan de minister in zijn brief ook
terugkomen op de andere aspecten uit het rapport waaraan ik
refereerde.
Minister Heerma:
Er komt nog een mogelijkheid om met elkaar een debat te voeren over
diversiteit en inclusie, ook in de lokale politiek. Het is interessant
om het daar met elkaar over te hebben. Ik zal hier specifiek aandacht
aan besteden in de brief over het onderzoek dat nu loopt over de
mogelijkheid om hybride te vergaderen.
De voorzitter:
De minister vervolgt zijn betoog.
Minister Heerma:
Volgens mij heb ik het meeste gehad. Ik kijk nog heel even. Dat is weer
de onervarenheid, voorzitter. Excuus.
Volgens mij heb ik het gehad. Maar de heer Bosma vindt van niet.
De voorzitter:
Die grijpt zijn kans. Meneer Bosma, gaat uw gang.
De heer Martin Bosma (PVV):
Een punt dat ook nog is gemaakt door de gewaardeerde collega van D66, is
het feit dat sommige mensen heel handig zijn met digitale zaken en
apparatuur en andere mensen niet. Voor een gedeelte van de Nederlandse
bevolking zijn computers en het werken daarmee gewoon zes bruggen te
ver. Dat geldt zeker voor ouderen en voor mensen die niet hoog zijn
opgeleid. Is de minister van mening dat digitaal vergaderen sommige
mensen — ik had het over de "laptoppende klasse" — een voorsprong geeft
ten detrimente van anderen?
Minister Heerma:
Het is heel chic van de heer Bosma dat hij refereert aan een vraag van
de collega van D66. Dat is inderdaad een vraag waar ik nog niet op was
ingegaan. Ik weet niet of hij met zijn laatste statement, over de
"laptoppende klasse", de aard van de vraag helemaal rechtgedaan heeft.
Ten eerste is het zo dat het tijdens de coronacrisis wennen en zoeken
was. Diverse sprekers hebben daar voorbeelden van gegeven.
Tegelijkertijd bleek uit de evaluatie dat het in grote lijnen heel goed
is gegaan. Ik kan me wel heel goed voorstellen dat, mocht dit
wetsvoorstel aangenomen worden, we kijken hoe we gemeentes kunnen helpen
zodat het voor iedereen toegankelijk is. Want dat moet natuurlijk zo
zijn.
De heer Martin Bosma (PVV):
Dat is natuurlijk leuk, een cursusje of zo, of een gebruiksaanwijzing.
Maar sommige mensen zijn gewoon ontzettend handig met laptopjes en
computers en andere mensen zijn dat niet. Dat zorgt voor een ongelijk
speelveld. Volgens mij moeten we dat in onze democratie niet willen.
Minister Heerma:
Dit is volgens mij een andere vraag dan de collega van D66 probeerde te
stellen. Het is zo dat mensen handig of minder handig zijn met techniek.
Daar kan ik ook zelf over meepraten. Tegelijkertijd kan, zoals de heer
Bosma zegt, een "cursusje" ervoor zorgen dat het laagdrempelig wordt,
zodat mensen daarmee geholpen zijn en barrières significant worden
weggenomen. Volgens mij is het niet zo dat er per definitie een
tweedeling blijft, zoals de heer Bosma suggereert. Tegelijkertijd heb ik
heel goed gehoord dat we dat moeten voorkomen en dat we inzet moeten
tonen om te voorkomen dat het gebeurt.
De heer Clemminck (JA21):
Ik had aan de minister nog twee reflecties gevraagd, waarop hij nog niet
is teruggekomen. De eerste betrof de relatie tussen de afweging wel of
niet digitaal en het demonstratierecht. En ik had de minister nog een
vraag gesteld over deelnemen aan de vergadering vanuit het
buitenland.
Minister Heerma:
De eerste heb ik wel beantwoord. Ik ben duidelijk geweest dat een
demonstratie geen reden is om digitaal te gaan vergaderen. Ik heb dat
vrij aan het begin van mijn betoog aangeraakt. Dan de tweede. Het
wetsvoorstel is er niet op geënt om vergaderen vanuit het buitenland
mogelijk te maken. Het wetsvoorstel in zijn huidige vorm bevat "de
bijzondere omstandigheden". Het is op basis van die bijzondere
omstandigheden dat er wordt bepaald of een vergadering digitaal wordt.
Het is dan wel zo dat, als dat zo is, iemand vanuit het buitenland aan
die vergadering zou kunnen meedoen. Dat wordt niet afgesloten door het
wetsvoorstel, maar de suggestie dat het wetsvoorstel erop gericht is om
dat mogelijk te maken, klopt niet.
De heer Clemminck (JA21):
Mijn vraag over het demonstratierecht was niet of het een
uitzonderingsmogelijkheid zou zijn. Het was meer de vraag of het
principe en de waarde van het demonstratierecht eigenlijk niet te
belangrijk zijn en te zwaarwegend om überhaupt naar digitaal te gaan.
Dat is een iets ander abstractieniveau van de vraag.
Dan reageer ik nog op het onderwerp deelnemen vanuit het buitenland.
Nee, dat zegt deze wet natuurlijk niet, maar ik vroeg meer naar het
oordeel van de minister, namelijk of hij het wenselijk vindt dat
raadsleden of andere volksvertegenwoordigers deelnemen vanuit het
buitenland.
Minister Heerma:
Feit is dat het nooit een reden kan zijn om een vergadering naar
digitaal te verplaatsen. In theorie is het wel mogelijk dat het gebeurt.
Het is op dat moment ook niet te controleren. Ik denk dat als er vanwege
een noodsituatie digitaal vergaderd wordt je in de praktijk zult zien
dat de raadsleden … Want die waren anders ook naar een fysieke
vergadering gekomen. Dus het is een zeer theoretische discussie.
Rondom het demonstratierecht was het mijn intentie om iets meer te
zeggen op een hoger abstractieniveau dan de heer Clemminck heeft
gehoord. Een demonstratie kan onderdeel zijn van het democratisch
proces, die meningen mogen gehoord worden. Het kan geen reden zijn om te
zeggen: daarom gaan we naar een digitale vergadering toe. Dan hebben we
het over reguliere demonstraties. Er werd eerder door sprekers gezegd
dat het een alternatief zou zijn voor besloten vergaderingen. Dan hebben
we het over hele andere typen acties die plaatsvinden. Dan raakt het
weer aan veiligheid. Ook daarvoor geldt dat veilig kunnen vergaderen de
norm moet zijn en dat je dan niet naar digitaal zou moeten.
De heer Martin Bosma (PVV):
Dat ging over demonstraties en bij demonstraties denk ik aan mensen die
een optocht houden met spandoeken. Maar we zien ook heel veel blokkades,
zoals die bijvoorbeeld worden gepleegd door klimaatgelovigen, Extinction
Rebellion. Is dat wel een reden om niet fysiek bij elkaar te komen?
Minister Heerma:
Ik vind dat een raadsvergadering gewoon fysiek moet kunnen plaatsvinden.
Los van dit wetsvoorstel zijn er allerlei maatregelen die genomen moeten
worden zodat het democratisch proces vrij en open in fysieke vorm kan
plaatsvinden. Het is dus niet zo dat we met dit wetsvoorstel een escape
bieden om daarvan weg te komen. Voor je het weet zijn we weer terug in
de discussie over wanneer er sprake is van een crisis, maar er zijn ook
situaties — en het gaat dan misschien minder over blokkades — waarin er
bijvoorbeeld een aanslag is gepleegd. Dat is theoretisch denkbaar. Dan
zou het zo kunnen zijn dat op dat moment niet fysiek bijeengekomen kan
worden. Dat is niet waar de heer Bosma het over heeft, maar er zijn dus
situaties denkbaar waarbij het niet mogelijk is om fysiek bijeen te
komen, en dan is digitaal een alternatief. Maar het uitgangspunt moet
zijn dat een democratisch proces moet plaatsvinden en het niet zo is dat
als iemand een blokkade neerlegt, er wordt gezegd: dan gaan we maar naar
digitaal. Dat is niet de bedoeling.
De heer Martin Bosma (PVV):
Wat we ook gezien hebben, is dat klimaatgelovigen
gemeenteraadsvergaderingen verstoren, zodat de gemeenteraad niet kan
vergaderen. Dat zou ook een reden kunnen zijn voor een college van B en
W om te zeggen: sorry, we kunnen over dit onderwerp blijkbaar niet
fysiek vergaderen, dat moet digitaal. Is dat een glijdende schaal waar
de minister bang voor is?
Minister Heerma:
Ik ga niet mijn hele betoog van het begin overdoen. Mijn uitgangspunt is
dat ik niet bang ben voor de glijdende schaal. Waarom ben ik er niet
bang voor? Omdat raadsleden en Statenleden zich zeer bewust zijn van het
feit dat ze een democratische verantwoordelijkheid hebben. Ze zijn zelf
dus ook in overgrote meerderheid van mening dat het fysiek plaats moet
vinden. U heeft het over een glijdende schaal en een andere spreker had
het over "het gaat per definitie gebeuren", maar dat zie ik in de
praktijk niet gebeuren. In de coronacrisis zag je dat ook: de seconde
dat het weer kon, ging iedereen weer fysiek vergaderen.
De heer Martin Bosma (PVV):
Nog even iets heel interessants. De minister zei eerder: de gemeenten
zijn geen uitvoeringsloketten van de Rijksoverheid. Betekent dit dat hij
ook afstand neemt van de Spreidingswet in casu artikel 5?
Minister Heerma:
Nee.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Er schoot mij nog iets te binnen wat wel over deze wet gaat. Ik had nog
een vraag gesteld over het volgende. Als we dan digitaal gaan vergaderen
— voor de goede orde: niet wij, maar de decentrale overheden — moet dat
wel veilig en het liefst met tools van Europese oorsprong, zou ik
zeggen. Zou de minister daar nog iets over kunnen zeggen?
Minister Heerma:
Gelukkig bent u scherper dan ik. Het wetsvoorstel laat men vrij met
betrekking tot welke tools gebruikt moeten worden. Ik ben een groot
voorstander van het gebruik van Europese tools, maar gemeenteraden
kunnen daar zelf keuzes in maken. Het is wel mogelijk — er werd ook aan
veiligheid geraakt — dat met de stand van techniek bepaalde extra
randvoorwaarden gesteld moeten worden om dat dan ook veilig te kunnen
doen. Dan kunnen er bij ministeriële regeling zaken aangepast
worden.
De voorzitter:
Heel goed. Volgens mij hebben we daarmee de eerste termijn van de zijde
van de regering gehad. Ik stel voor dat we gelijk doorgaan naar de
tweede termijn en dan beginnen we weer bij mevrouw Bikker, die namens de
ChristenUnie het woord gaat voeren. Ga uw gang.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. Ik bedank ook de minister voor zijn eerste
inbreng als minister van Binnenlandse Zaken bij het meest kostbare wat
we kunnen doen: goede wetgeving maken. Allereerst mijn complimenten en
dank voor de uitgebreide beantwoording.
Voorzitter. Ik zat net nog even terug te bladeren in de memorie van
toelichting. Hoe is dit wetsvoorstel nu tot stand gekomen? Dat is
misschien ook wel waarom mijn amendement er ligt. Dat weet ik eigenlijk
wel zeker. Het wetsvoorstel kwam namelijk tot stand doordat een deel van
de Kamer zei: we moeten gewoon meer gaan zien in de voordelen van
digitaal vergaderen en we moeten dat meer mogelijk maken. Als ik deze
hele Kamer beluister, hoor ik unisono wel een ander geluid dan wat er
ten tijde van die memorie van toelichting nog vervat werd in de tekst.
Dat is wel iets wat meeademt in een wetsuitleg, ook als we later gaan
kijken welke bepalingen we hebben vastgesteld.
Juist daarom heb ik dat amendement opgesteld. Daar hebben we het vrij
veel over gehad, met allerlei vormen van waardering of mindere
waardering. Voor mij is het helder. Ik vind dat er, door hoe het nu in
het wetsvoorstel verwoord is, onvoldoende is ingeperkt en dat bijzondere
omstandigheden, zoals die nu in de wet staan, een te makkelijke en te
ruime uitleg kunnen krijgen. Als we dat pas over vijf jaar gaan
evalueren en tussentijds op casuïstiek alleen gaan oordelen, vind ik dat
onverstandig. Dat maakt dat ik een amendement nog steeds noodzakelijk
vind om dit bijzondereomstandighedendeel nader te definiëren en ook in
te kaderen als het gaat om de tijd. Als je een vergadering iets kan
uitstellen heeft het voor mij namelijk meer de voorkeur dat je dan
fysiek bij elkaar komt dan dat je op dat moment digitaal gaat
vergaderen. Het gaat voor mij ook om de omstandigheden waardoor het
onmogelijk is om fysiek bijeen te komen. Ik heb goed geluisterd naar de
minister. Ik zie ook de andere kant van zijn bezwaar. Neem zo'n
terroristische aanslag. We hopen dat die zich niet voordoet in
Nederland, maar je wilt wel dat de wetgeving daarop voorbereid is. Daar
ga ik dus even op studeren.
Ik weet dat we in dit huis eerst over amendementen stemmen en dan pas
over wetgeving. Ik zal er dus voor zorgen dat het er voor dinsdag ligt.
Mocht dat nog om nadere bestudering door fracties vragen, is het wat mij
betreft prima om even te kijken welke tijd daarvoor nodig is.
De heer Martin Bosma (PVV):
Mevrouw Bikker heeft gelijk: we stemmen eerst over de amendementen. Als
haar amendement, het huidige of wellicht een nieuwe, niet wordt
aangenomen, stemt zij dan voor de wet?
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Dank voor deze goede vraag. Nee, en dat heeft te maken met het
toeleidende pad naar dit wetsvoorstel. Dat heeft echt een andere
gedachte dan de minister zojuist duidelijk heeft uitgelegd. In dat pad
zou digitaal vergaderen — ik zeg het nu iets gechargeerd — ook een
fantastische, prachtige uitkomst zijn. Daar is mijn fractie per
definitie tegenstander van, want ik vind dat juist het fysiek
bijeenkomen, of dat nou hier is of in de raadszaal van Heerenveen of
Gouda, een kracht heeft in zichzelf. Ik noemde al die eenheid in
verscheidenheid. Volgens mij is dat een van de democratische waarborgen
die ons land sterker maakt. Als het meer die kant op gaat, ondanks de
fantastische verdediging van de minister, zal mijn fractie daar dus niet
vóór stemmen. Ik hoop met het amendement een inperking te kunnen doen
die laat zien wat de nieuwe uitleg van de wet is. Daarmee hebben we dan
een andere situatie.
Voorzitter, ik rond af. Ik wil de minister danken. Ik wil alle mensen
die hier keihard aan hebben gewerkt ook danken. Tegelijkertijd wil ik
ook aangeven: onze democratie is een kostbaar goed. We hebben net een
heel aantal situaties benoemd waarbij het lastig is om te vergaderen,
omdat er tegenwind is of omdat er veel demonstranten staan. Maar dat
zijn wat mij betreft ook juist de momenten dat de kern en de kracht van
de democratie zich laten zien en dat een gemeenteraad bij elkaar heeft
te komen.
Ik zou hier hartgrondig het volgende willen uitspreken. Volgens mij
delen we dat ook allemaal. Maak mogelijk dat de gemeenteraad kan
vergaderen. Zie de rijkdom in dat we van mening kunnen verschillen, maar
ook in dat we vreedzaam proberen tot oplossingen te komen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we naar mevrouw Tseggai. Zij spreekt haar tweede
termijn uit namens GroenLinks-Partij van de Arbeid. Gaat uw gang.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Ik dank de minister voor zijn beantwoording. Wat
mij betreft is heel veel zelfevaluatie ook weer niet nodig. Dat
compliment wil ik hem dus ook graag geven. Ik heb de discussie, zeker in
de eerste termijn van de zijde van de minister, met veel interesse
gevolgd. Volgens mij hebben we daarmee de kern van dit wetsvoorstel, of
de twijfels daarbij, geraakt. Ik kijk uit naar de oplossing die mevrouw
Bikker gaat vinden voor de juridische definitie van het woord "crisis".
Mijn fractie zal dan waarschijnlijk ook voor het amendement stemmen.
Indien andere fracties dat nodig achten, lijkt het mij prima om daar
eventueel iets meer tijd voor te nemen. Mijn fractie is in principe
positief over dit wetsvoorstel.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we naar mevrouw Boelsma-Hoekstra van de
CDA-fractie. Gaat uw gang.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Voorzitter. Fysiek vergaderen is en blijft de norm; ik denk dat we het
daar vandaag met z'n allen over eens waren. Ik wil de minister danken
voor de toezegging om, als deze wet doorgang vindt, elk jaar met een
lijstje te komen van situaties waarin wordt benoemd in welke situatie
digitaal vergaderen is toegepast. Ook dank ik de minister voor de
positieve reactie, "oordeel Kamer", op het amendement voor een evaluatie
over vijf jaar. Ik wacht met belangstelling af met wat voor amendement
mevrouw Bikker komt. Dat zullen wij dan ook beoordelen. Maar ik denk dat
voor iedereen duidelijk is dat fysiek vergaderen de norm is en dat we
onze medeoverheden vertrouwen moeten geven. Als we het iets kunnen
aanscherpen, zijn we benieuwd hoe dat tot uiting komt.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we luisteren naar mevrouw Huizenga namens D66. Gaat
uw gang.
Mevrouw Huizenga (D66):
Voorzitter, dank u wel. Collega's, dank u wel voor het goede debat. We
hebben een goede discussie gehad over belangrijke zaken. Wat ons betreft
steunen we onze lokale overheden, zodat zij ook echt goede besluiten
kunnen nemen. Laten we dat onderstrepen.
Met betrekking tot digitale vaardigheden hebben wij nog wel onze zorgen.
Daarom heb ik de volgende motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het voorliggende wetsvoorstel digitaal vergaderen in
bijzondere omstandigheden mogelijk maakt;
overwegende dat niet alle (potentiële) volksvertegenwoordigers
beschikken over digitale basisvaardigheden;
overwegende dat dit gegeven nadelige gevolgen met zich mee kan brengen
voor de toegankelijkheid van de democratie wanneer een decentrale
volksvertegenwoordiging besluit digitaal te vergaderen;
van mening dat onderlinge verschillen tussen de toegankelijkheid van de
lokale democratie onwenselijk zijn;
verzoekt de regering in gesprek met vertegenwoordigers van decentrale
overheden zich in te spannen voor ondersteuning op het gebied van
digitale vaardigheden in het geval er besloten wordt digitaal te
vergaderen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Huizenga.
Zij krijgt nr. 10 (36558) (#1).
Mevrouw Huizenga (D66):
Dank u wel.
De voorzitter:
Hartelijk dank. Dan gaan we luisteren naar de heer Meulenkamp, die het
woord voert namens de VVD-fractie.
De heer Meulenkamp (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Ik wil de minister bedanken voor zijn heldere
beantwoording en zijn vurige pleidooi voor de lokale democratie. Dat
spreekt mij enorm aan. Ik ben bijna tien jaar wethouder geweest in de
gemeente Hof van Twente. Ik heb best wel regelmatig gedacht: Den Haag,
jullie mogen je weleens wat minder met ons bemoeien. Dat neem ik mee in
mijn overwegingen rondom dit wetsvoorstel. Ik zei het al: ik vond het
een vurig pleidooi. Ik begrijp de zorgen van mevrouw Bikker echter ook,
dus die kijk ik ook even aan. Ik ga even kijken hoe we hier met elkaar
uit gaan komen. Bedankt voor deze goede discussie.
De voorzitter:
Hartelijk dank. De heer Clemminck namens JA21.
De heer Clemminck (JA21):
Voorzitter, dank u wel. Dank aan de minister voor dit debat en zijn
antwoorden. Het is eigenlijk een dilemma. Volgens mij gaat het om
terechte of onterechte zorgen. De zorgen heb ik nog steeds, ondanks het
goede betoog en de argumenten van de minister, al dan niet terecht. U
zei inderdaad dat dit een te open normering is wat betreft de keuze voor
digitaal vergaderen. Daar ben ik dus benieuwd naar en dat neem ik
natuurlijk ook graag mee in de overweging over het amendement van
mevrouw Bikker.
Onze belangrijke zorg in de open norm zit 'm in het demonstratierecht,
dat ook moet kunnen plaatsvinden bij aanvang en bij de fysieke
bijeenkomst van een raadsvergadering. Nu zou je op basis van deze wet
kunnen zeggen: een uitzonderlijke situatie is onvoorspelbaar.
Demonstraties zijn dat in principe niet. Je zou kunnen zeggen: het is
niet te beïnvloeden. Demonstraties en de manier waarop die plaatsvinden,
zijn wel degelijk te beïnvloeden. Het derde criterium gaat over een
daadwerkelijke belemmering. Ook dat is natuurlijk wat ingewikkelder.
Tegelijkertijd moet een vergadering zes uur van tevoren worden
aangekondigd als digitaal. Misschien kan de minister nog iets meer
reflectie geven op de vraag of dat eigenlijk al voldoende waarborgen
zijn, en op het statement dat een demonstratie nooit een argument kan
zijn om van fysiek naar digitaal te gaan. Wat mijn fractie betreft gaan
we verder kijken naar het amendement van mevrouw Bikker. Mocht dat het
niet halen, dan zullen we helaas tegen deze wet stemmen.
De voorzitter:
Dank voor uw inbreng. Dat was de tweede termijn van de zijde van de
Kamer. We kunnen direct door. Ik geef de minister van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties het woord voor zijn tweede termijn.
Minister Heerma:
Ik dank de Kamer voor het debat, voor de principiële reflecties die hier
zijn gemaakt, voor de zoektocht naar het voorkomen van zorgen in de
Kamer over risico's de andere kant op en voor de bereidheid om te
voorkomen dat die risico's de andere kant op gaan ontstaan.
Ik begrijp dat mevrouw Bikker daarover na gaat denken. Mijn oproep
daarbij is: kijk goed naar de ruimte die gemeentes, provincies en
waterschappen moeten hebben om lokaal die afweging te kunnen maken. Ik
ben er namelijk echt van overtuigd dat ze dat op een verantwoordelijke
manier zullen doen. Als we dat te veel inperken, is de wet niet
bruikbaar op het moment dat die nodig is.
De motie op stuk nr. 10, van mevrouw Huizenga van D66, wil ik oordeel
Kamer geven, maar wel onder de premisse dat de lokale voorzieningen bij
uitstek een uiting zijn van gemeentelijke autonomie om zelf regels te
stellen om te bepalen welke voorzieningen men belangrijk vindt en welke
middelen men daarvoor overheeft. In de motie wordt echter gevraagd om
daarover het gesprek aan te gaan en te kijken hoe er geholpen kan worden
bij de ondersteuning van volksvertegenwoordigers met mogelijk minder
digitale vaardigheden.
De voorzitter:
De heer Bosma.
Minister Heerma:
Over deze motie?
De voorzitter:
Dat denk ik wel. Hij heeft 'm namelijk vast.
De heer Martin Bosma (PVV):
Ik hou het een beetje spannend. Deze motie is toch gewoon overbodig? In
antwoord op mijn interruptie heeft de minister dat toch al lang en breed
toegezegd?
Minister Heerma:
Als ik de motie overbodig zou vinden, zou ik dat uitspreken. Ik geef de
motie oordeel Kamer, omdat het wel degelijk een zorg is die geuit is.
Maar dank voor het meedenken, meneer Bosma.
Dan wat betreft de demonstraties. Volgens mij heb ik in de eerste
termijn duidelijk uitgelegd dat een demonstratie onderdeel kan zijn van
het democratisch proces en dat een normale demonstratie an sich geen
reden is om naar een digitale vergadering toe te gaan. Het
zesuursprincipe heeft daar heel weinig mee te maken. Het zesuursprincipe
is er ook gewoon omdat je tijdig moet kunnen weten dat er digitaal
vergaderd gaat worden. Anders is het gewoon niet te doen. Dit is dus
juist een waarborg waardoor digitale vergaderingen niet op zo'n manier
ingepland gaan worden dat mensen er vervolgens niet bij aanwezig kunnen
zijn in die uitzonderingssituaties.
De voorzitter:
Hartelijk dank aan de minister.
De algemene beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
Mevrouw Bikker, u heeft iets meer tijd dan u misschien denkt, want we
hebben de afspraak dat we niet onmiddellijk gaan stemmen over wetgeving.
Dat doen we pas op 14 april, als het gaat om deze wet. In principe
stemmen we dan over zowel de amendementen als de wet. Als een fractie er
behoefte aan heeft om daar bedenktijd bij te hebben, dan kan er altijd
nog een week tussen komen.
Dan sluit ik de beraadslaging over dit debat. Ik schors kort. Daarna
gaan we door met een tweeminutendebat. Dank aan de leden en iedereen die
dit debat met belangstelling heeft gevolgd. We zijn geschorst.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.