[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Amendement van de leden Ceder en Westerveld over een voorhang bij de inwerkingtredingsbepaling

Wijziging van de Leerplichtwet 1969 en enige andere onderwijswetten in verband met het voorkomen en het terugdringen van verzuim in het funderend onderwijs en het beroepsonderwijs (Wet terugdringen schoolverzuim)

Amendement

Nummer: 2026D14114, datum: 2026-03-26, bijgewerkt: 2026-03-26 13:10, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen:

Onderdeel van kamerstukdossier 36663 -16 Wijziging van de Leerplichtwet 1969 en enige andere onderwijswetten in verband met het voorkomen en het terugdringen van verzuim in het funderend onderwijs en het beroepsonderwijs (Wet terugdringen schoolverzuim) .

Onderdeel van zaak 2026Z06270:

Preview document (🔗 origineel)


TWEEDE KAMER DER STATEN-GENERAAL 2
Vergaderjaar 2025-2026
36 663 Wijziging van de Leerplichtwet 1969 en enige andere onderwijswetten in verband met het voorkomen en het terugdringen van verzuim in het funderend onderwijs en het beroepsonderwijs (Wet terugdringen schoolverzuim)
Nr. 16 AMENDEMENT VAN de leden CEDER en WEsterveld
Ontvangen 26 maart 2026
De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:

Artikel XI wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding “1.” geplaatst.

Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

2. De voordracht voor een koninklijk besluit als bedoeld in het eerste lid wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. Indien een der kamers der Staten-Generaal besluit niet in te stemmen met het ontwerp, wordt er geen voordracht gedaan en kan niet eerder dan zes weken na het besluit van die kamer der Staten-Generaal een nieuw ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal worden overgelegd.

Toelichting

Dit amendement regelt dat de Kamer op een later moment bepaalt of de Wet terugdringen schoolverzuim in werking kan treden, nadat de regering op geloofwaardige wijze heeft uiteengezet dat de randvoorwaarden voor een effectieve aanpak van het verminderen en voorkomen van schoolverzuim beter op orde zijn dan nu het geval is. Indieners verwachten dat dit de doeltreffendheid van het voorstel in het terugdringen van het schoolverzuim uiteindelijk ten goede zal komen. Dit amendement zorgt ervoor dat het wetgevingsproces doorgang kan vinden, waarna op een later moment, als de Kamer de noodzakelijke randvoorwaarden wél op orde acht, de wet alsnog in werking kan treden.

Indieners beseffen dat dit een ingrijpende procedure en licht daarom hieronder uitgebreid de noodzaak voor het amendement toe.

Het wetsvoorstel heeft primair tot doel, zo stelt de regering in de Memorie van Toelichting, de noodzakelijke voorwaarden te creëren om langdurig schoolverzuim van leerlingen en studenten te kunnen voorkomen en verminderen. Indieners steunen dit doel. Elk kind heeft recht op onderwijs, maar helaas zitten veel kinderen en jongeren ongewild thuis. Oudervereniging Balans schat het aantal thuiszitters op minimaal 70.000.1 Deze aantallen zetten aan tot urgentie.

Het is echter volgens indieners de vraag hoe doeltreffend onderhavig wetsvoorstel daadwerkelijk gaat zijn in het verminderen en voorkomen van thuiszitten. Indieners wijzen hiervoor op de kritiek die naar de Kamer is gekomen. De Afdeling Advisering van de Raad van State merkt al op dat gezien ‘de complexiteit van de problematiek van thuiszitters niet al te hoge verwachtingen [mogen] worden gekoesterd van het effect van verplichtingen inzake verzuimbeleid en -registratie.’ Ook wijzen indieners naar de vele reacties die veldpartijen naar de Kamer hebben gestuurd over dit wetsvoorstel. Hoewel de precieze bewoordingen en oplossingsrichtingen verschillen, wijzen vele reacties op de lage verwachtingen die er zijn over dat betere registratie thuiszitten daadwerkelijk zal terugdringen, en wijzen te meer op andere oplossingsrichtingen die veel doeltreffender zouden zijn omdat die onderliggende problemen aanpakken. Al met al zien indieners weinig uitgesproken voorstanders van het wetsvoorstel.

In het Nader Rapport (als antwoord op het advies van de Afdeling Advisering) stelt de regering dat het wetsvoorstel procedurele voorwaarden bevat ‘die nodig zijn om zicht te krijgen op (langdurig) verzuim en schooluitval en maatregelen [behelst] die voorwaardelijk zijn om effectieve interventies voor toekomstige thuiszittende jongeren in te kunnen zetten.’ De regering wijst erop dat het wetsvoorstel onderdeel is van een breder wetgevingsprogramma en bijvoorbeeld, middels een ander voorgenomen wetsvoorstel, meer maatwerk mogelijk wil maken.

Indieners betwisten niet de noodzaak voor de procedurele voorwaarden per se. Het wetsvoorstel biedt volgens indieners wellicht een wettelijke basis om het verzuimbeleid beter vorm te geven, maar zonder het oplossen van overige knelpunten, zoals goed flankerend beleid en toereikende financiering, zorgt het wetsvoorstel vooral voor meer administratieve druk bij scholen en een mogelijk negatieve druk op kinderen en jongeren bij ziekteverzuim, waarbij dat meestal niet de oplossing is om verzuim daadwerkelijk terug te dringen.

Indieners beogen met dit amendement dat het wetsvoorstel op een later moment in werking treedt, als volgens de Eerste en Tweede Kamer aan de noodzakelijke voorwaarden is voldaan. Indieners zien als proces voor zich dat de regering, als deze meent dat aan de voorwaarden is voldaan, de voordracht voor een koninklijk besluit naar de Eerste en Tweede Kamer stuurt om de artikelen van de wet in werking te laten treden. Deze voordracht wordt vergezeld met een argumentatie van de regering waarin op geloofwaardige wijze uiteen wordt gezet dat aan de noodzakelijke voorwaarden is voldaan. Dit biedt de Eerste en de Tweede Kamer de gelegenheid om zich opnieuw uit te spreken en zo te bepalen of de artikelen van de wet inderdaad in werking kunnen treden.

Noodzakelijke voorwaarden

Indieners denken aan diverse voorwaarden voordat er overgegaan kan worden tot inwerkingtreding van het wetsvoorstel. De regering dient op geloofwaardige wijze te onderbouwen dat aan deze voorwaarden is voldaan.

Ten eerste dient de regering meer werk te maken van het stimuleren en faciliteren van de omslag naar aanwezigheidsdenken. De regering stelt op basis van het genoemde onderzoek dat veel scholen nog niet klaar zijn voor het maken van de omslag naar aanwezigheidsbeleid, maar dat er wel brede overeenstemming is om die omslag stapsgewijs te maken. Indieners zien een rol voor de overheid om hiervoor bij scholen bewustwording te creëren en te faciliteren waar nodig zodat preventieve maatregelen bij scholen op orde zijn. Op deze wijze kan mogelijk verzuim vroegtijdig worden gesignaleerd en voorkomen. Zonder een schoolbreed bewustzijn – van mentor tot conciërge tot directeur – vrezen indieners dat het wetsvoorstel voornamelijk leidt tot ‘vinkjes zetten’.

Ten tweede dient de regering aannemelijk te maken dat dit wetsvoorstel daadwerkelijk zorgt voor het beter in beeld brengen van het aantal kinderen en jongeren dat noodgedwongen niet of niet volwaardig onderwijs zorgt. Er zijn zorgen of jongeren die bijvoorbeeld ingeschreven zijn bij een residentiële instelling, die via een zorglocatie of dagbesteding onderwijs volgen of bijvoorbeeld minder onderwijs krijgen via de beleidsregel afwijking onderwijstijd, wel voldoende in beeld zijn. Dit dient wel te gebeuren. Via het wetsvoorstel of via een andere weg.

Ten derde menen indieners dat het strikte onderscheid tussen geoorloofd en ongeoorloofd verzuim niet per se helpend is in het voorkomen en verminderen van schoolverzuim. Dit wetsvoorstel borgt niet dat op individueel niveau actie wordt ondernomen bij geoorloofd verzuim bij ziekte, te meer bij ongeoorloofd verzuim. Indieners zien graag concrete voorstellen van de regering tegemoet waarbij geborgd wordt dat ook bij zorgelijk geoorloofd verzuim actie wordt ondernomen. Gebruik van methodieken als MAZL zijn hierbij helpend. De regering hoort scholen hierbij volgens indieners beter te faciliteren. Toereikende financiering voor bijvoorbeeld de jeugdgezondheidszorg hoort hier ook bij.

Ten vierde merken indieners op dat in onderwijswetgeving zeer gefocust wordt op aanwezigheid in het schoolgebouw, terwijl voor een specifieke groep leerling focus op onderwijsdeelname veel beter zou zijn. Denk bijvoorbeeld aan kinderen die te maken hebben met PAIS/post-covid, die zeer gebaat zouden zijn bij een goede vorm van afstandsonderwijs. Indieners vragen de regering geloofwaardig te onderbouwen dat essentiële randvoorwaarden voor het kunnen volgen van onderwijs op orde zijn (denk daarbij bijvoorbeeld ook aan leerlingenvervoer), zodat verzuim wordt voorkomen.

Ten overvloede merken indieners op dat het in de rede ligt dat de regering goed contact houdt met relevante partijen, waaronder organisaties die kinderen en jongeren vertegenwoordigen, om te beoordelen of de essentiële randvoorwaarden op orde zijn. Ook als zaken nog niet op orde zijn, maar de regering meent dat deze de doeltreffendheid van het wetsvoorstel niet in de weg staan, kan ze dat in de brief aan het parlement onderbouwen.

Ceder
Westerveld


  1. https://balansdigitaal.nl/thuiszitters-tellen↩︎