Besluit houdende de aanwijzing van de diploma’s op basis waarvan een archivaris kan worden aangewezen (Besluit diploma’s archivarissen)
Bijlage
Nummer: 2026D14215, datum: 2026-03-26, bijgewerkt: 2026-03-26 15:15, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Bijlage bij: Ontwerpbesluit houdende de aanwijzing van de diploma’s op basis waarvan een archivaris kan worden aangewezen (Besluit diploma’s archivarissen) (2026D14214)
Preview document (🔗 origineel)
Besluit van …
houdende de aanwijzing van de diploma’s op basis waarvan een archivaris kan worden aangewezen (Besluit diploma’s archivarissen)
[KetenID WGK27552]
Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van <datum>, nr. WJZ/<Proza-doc.nr.> (ID27552);
Gelet op artikel 6.3, vijfde lid, van de Archiefwet 20..;
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van <datum>, nr. xxx);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, nr. WJZ/<Proza-doc.nr.> (ID27552);
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1. Begripsbepalingen
In dit besluit wordt verstaan onder:
onderwijseenheid: onderwijseenheid als bedoeld in artikel 7.3, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
opleiding in het hoger beroepsonderwijs: opleiding als bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
opleiding in het wetenschappelijk onderwijs: opleiding als bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
wet: Archiefwet 20...
Artikel 2. Diploma’s archivarissen
1. Een diploma als bedoeld in artikel 6.3, vierde lid, van de wet is in ieder geval:
a. het diploma archivistiek A, dat wordt verkregen door met goed gevolg een door Onze Minister aangewezen opleiding in het wetenschappelijk onderwijs af te ronden; en
b. het diploma archivistiek B, dat wordt verkregen door met goed gevolg een door Onze Minister aangewezen opleiding in het hoger beroepsonderwijs, hetzij een door Onze Minister aangewezen cursus af te ronden.
2. In aanvulling op het eerste lid is ook een diploma dat wordt verkregen door met goed gevolg een andere opleiding in het wetenschappelijk onderwijs of hoger beroepsonderwijs af te ronden, een diploma als bedoeld in artikel 6.3, vierde lid, van de wet, indien het diploma naar het oordeel van het verantwoordelijke overheidsorgaan dat de archivaris aanwijst in voldoende mate betrekking heeft op de kennis en kunde die voor de uitvoering van de functie van archivaris bij het overheidsorgaan benodigd is. Hierbij is in ieder geval vereist dat van de opleiding ten minste twee onderwijseenheden met ieder een studielast die gelijk is aan ten minste vijf studiepunten als bedoeld in artikel 7.4 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, betrekking hebben op:
a. archivistiek;
b. collectiebeheer;
c. informatiebeheer of digitaal informatiebeheer;
d. informatie- of data-architectuur;
e. informatie- of datamanagement;
f. informatierecht; of
g. toezicht op informatiebeheer.
3. Indien een verantwoordelijk overheidsorgaan een archivaris aanwijst op basis van een diploma als bedoeld in het tweede lid, motiveert het verantwoordelijk overheidsorgaan in het aanwijzingsbesluit dat het diploma in voldoende mate betrekking heeft op de kennis en kunde die voor de uitvoering van de functie van archivaris bij het overheidsorgaan benodigd is.
4. Op aanvraag van een instelling die een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs aanbiedt als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, kan Onze Minister die opleiding aanwijzen als opleiding ter verkrijging van het diploma archivistiek A, indien de onderwijseenheden van die opleiding de archivistiek naar zijn oordeel in voldoende mate betreffen.
5. Op aanvraag van een instelling die een opleiding in het hoger beroepsonderwijs aanbiedt als bedoeld in het eerste lid, onder b, kan Onze Minister die opleiding aanwijzen als opleiding ter verkrijging van het diploma archivistiek B, indien de onderwijseenheden van die opleiding de archivistiek naar zijn oordeel in voldoende mate betreffen.
6. Op aanvraag van een instelling die een cursus aanbiedt als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, kan Onze Minister die cursus aanwijzen als cursus ter verkrijging van het diploma archivistiek B, indien die cursus naar zijn oordeel van voldoende omvang is en in voldoende mate de archivistiek betreft.
Artikel 3. Overgangsbepalingen
1. Opleidingen die zijn aangewezen als opleiding ter verkrijging van het diploma archivistiek A of archivistiek B op grond van artikel 15, tweede onderscheidenlijk derde lid, van het Archiefbesluit 1995, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van dit besluit, worden geacht te zijn aangewezen op grond van artikel 2, vierde lid, onderscheidenlijk vijfde lid, van dit besluit.
2. Indien een diploma als bedoeld in artikel 2, tweede lid, voor een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs of hoger beroepsonderwijs is behaald vóór 1 augustus 1993, onderscheidenlijk vóór 1 september 1993, is in afwijking van de tweede volzin van artikel 2, tweede lid, vereist dat ten minste twee examenonderdelen van de desbetreffende opleiding betrekking hebben op de in dat lid genoemde kennisgebieden.
Artikel 4. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 5. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit diploma’s archivarissen.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
Nota van toelichting
I. Algemeen
1. Inleiding
Met de Archiefwet 20.. en de onderliggende regelgeving wordt de archiefwetgeving gemoderniseerd zodat deze beter aansluit bij de praktijk van het digitale informatiebeheer door overheidsorganen. ICT en internet zijn pijlers geworden onder zowel de interne bedrijfsvoering van de overheid als de publieke dienstverlening. De Archiefwet geeft het algemene kader voor het informatiebeheer door overheidsorganen, met als belangrijkste doel dat overheidsinformatie duurzaam toegankelijk is en blijft voor huidige en toekomstige generaties. Bij de uitvoering van de Archiefwet hebben de archivarissen die worden aangewezen door het Rijk en de decentrale overheden hierbij een belangrijke rol. Dat vraagt om archivarissen die goed zijn toegerust op hun taak, nu en in de toekomst.
Op grond van artikel 22 van de Archiefwet 1995 worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld omtrent de opleiding tot en het verkrijgen van diploma's in de archivistiek. Deze nadere regels zijn opgenomen in artikel 15 van het Archiefbesluit 1995. Op grond van dit artikel in het Archiefbesluit 1995 kan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) opleidingen aanwijzen, waarmee deze diploma’s kunnen worden behaald. De minister kan opleidingen aanwijzen, indien deze de archivistiek in voldoende mate betreffen. Tot op heden zijn drie opleidingen aangewezen: een wo-opleiding aan de Universiteit van Amsterdam (UvA) voor archivistiek A, een hbo-opleiding aan de Hogeschool van Amsterdam (HvA) en een hbo-opleiding aan de Reinwardt Academie (onderdeel van de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten) voor archivistiek B.
In het wetsvoorstel voor de Archiefwet 20.., zoals dat bij de Tweede Kamer werd ingediend, werd voorgesteld om de diploma-eis en de aanwijzing van opleidingen te laten vervallen ten gunste van een bredere beoordeling van geschiktheid voor de functie van archivaris door het desbetreffende verantwoordelijk overheidsorgaan, dan alleen op basis van een diploma archivistiek.1 Het wetsontwerp bevatte, in tegenstelling tot de Archiefwet 1995, wel een verplichting tot aanwijzing van een archivaris door provincies, gemeenten en waterschappen.2
Bij de stemmingen over het wetsvoorstel voor de Archiefwet 20.. in de Tweede Kamer is het amendement-Mohandis c.s.3 aangenomen. Met dit amendement wordt ook in de Archiefwet 20.. een diploma-eis gehandhaafd voor de aangewezen archivaris, met een delegatiegrondslag op basis waarvan bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld over het diploma waarover een (rijks)archivaris die is aangewezen door een overheidsorgaan, moet beschikken. Samen met de expliciete wettelijke eis dat de archivaris op basis van zijn kennis en kunde wordt aangewezen, vormen deze regels de kwaliteitsborging die is vastgelegd in wet- en regelgeving voor deze functie. Met deze algemene maatregel van bestuur (hierna: deze AMvB) is invulling gegeven aan deze delegatiegrondslag.
2. Hoofdlijnen van het voorstel
De juridische grondslag voor deze AMvB is artikel 6.3, vierde en vijfde lid, van de Archiefwet 20... Op grond van het vierde lid wordt een (rijks)archivaris aangewezen “in elk geval op grond van zijn professionele kwaliteiten, in het bijzonder zijn deskundigheid op het gebied van de wetgeving en de praktijk inzake archivistiek, alsmede zijn vermogen de taken te vervullen die voortvloeien uit het bepaalde bij of krachtens deze wet”. Daarnaast moet de (rijks)archivaris op grond van dit lid beschikken over een diploma. Het vijfde lid bepaalt dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur over deze diploma’s nadere regels kunnen worden gesteld.
2.1 Twee categorieën diploma’s
Deze AMvB wijst twee categorieën diploma’s aan die geschikt zijn voor de aanwijzing van een (rijks)archivaris:
diploma’s van opleidingen aangewezen als archivistiek A of opleidingen of cursussen aangewezen als archivistiek B; en
diploma’s van hbo- en wo-opleidingen die niet zijn aangewezen als archivistiek A of archivistiek B, maar waarbij het verantwoordelijke overheidsorgaan dat de archivaris aanwijst van oordeel is dat het diploma in voldoende mate betrekking heeft op de kennis en kunde die voor de uitvoering van de functie van archivaris bij dat overheidsorgaan benodigd is. Hierbij is in ieder geval vereist dat ten minste twee van de onderwijseenheden van ieder minimaal vijf studiepunten van de opleiding betrekking hebben op:
archivistiek;
collectiebeheer;
informatiebeheer of digitaal informatiebeheer;
informatie- of data-architectuur;
informatie- of datamanagement;
informatierecht; of
toezicht op informatiebeheer.
2.1.1 Diploma’s archivistiek A en archivistiek B
De diploma’s archivistiek A (wetenschappelijk onderwijs) en B (hoger beroepsonderwijs) maken duidelijk dat de gediplomeerde kennis en vaardigheden op het gebied van archivistiek heeft opgedaan. Dit kan van waarde zijn voor de professional zelf, maar ook voor het overheidsorgaan dat een archivaris moet aanwijzen. Daarom wordt voor archivistiek A en B de bestaande systematiek voortgezet, die voortvloeit uit de Archiefwet 1995 en het Archiefbesluit 1995. Instellingen met één of meerdere opleidingen waarvan zij willen dat daarvoor het diploma archivistiek A of B kan worden uitgereikt, kunnen daartoe voor die opleiding(en) een aanvraag doen bij de minister. De aanwijzingsbevoegdheid van de minister blijft hiermee bestaan. Ook de bestaande aanwijzingen van opleidingen blijven van kracht.
Het diploma archivistiek B kan daarnaast ook behaald worden met de voltooiing van een cursus die in voldoende mate de archivistiek betreft. Ook deze cursussen moeten door de minister worden aangewezen. De mogelijkheid om cursussen aan te wijzen is nieuw ten opzichte van het Archiefbesluit 1995. Hiervoor is gekozen om ruimte te bieden aan bijvoorbeeld zijscholingstrajecten. Een cursus, bijvoorbeeld in de vorm van een post-hbo, kan immers eveneens een grondige, praktische scholing aan de toekomstige archivaris bieden en kan daarom ook als geschikte opleiding dienen. Omdat cursussen – anders dan opleidingen in het hoger onderwijs – geen vaste omvang hebben, geldt als extra vereiste dat de minister een opleiding alleen kan aanwijzen, indien zij naar zijn mening van voldoende omvang is. Daarmee wordt voorkomen dat ook cursussen die weliswaar grotendeels of volledig op archivistiek betrekking hebben, maar van te korte duur zijn, als opleiding archivistiek B zouden kunnen worden aangewezen.
2.1.2 Andere hbo- of wo-diploma’s
De tweede categorie diploma’s is met deze AMvB geïntroduceerd, en verruimt de opleidingsmogelijkheden. Deze categorie betreft diploma’s van andere hbo- of wo- opleidingen, die naar het oordeel van het verantwoordelijk overheidsorgaan dat de archivaris aanwijst in voldoende mate betrekking hebben op de kennis en kunde die voor de uitvoering van de functie van archivaris bij dit overheidsorgaan benodigd is. Een cruciale voorwaarde daarbij is dat ten minste twee van de onderwijseenheden, van ieder minimaal vijf studiepunten, van de opleiding betrekking hebben op archivistiek, collectiebeheer, informatiebeheer of digitaal informatiebeheer, informatie- of data-architectuur, informatie- of datamanagement, informatierecht of toezicht op informatiebeheer. Deze twee onderwijseenheden kunnen zowel binnen hetzelfde vakgebied (verdieping) als binnen twee verschillende in dit lid genoemde vakgebieden (verbreding) zijn behaald. De aan te wijzen (rijks)archivaris dient uiteraard aantoonbaar deze onderwijseenheden met goed gevolg te hebben afgesloten.
De keuze voor het vastleggen van vakgebieden geeft richting en duiding. Tegelijkertijd wordt de toekomstbestendigheid van deze regelgeving gewaarborgd door te kiezen voor het hogere niveau van vakgebieden en niet voor concrete vakken. De keuze voor deze vakgebieden is gebaseerd op de curricula van de aangewezen opleidingen, vacatureomschrijvingen en de competentie- en kennisprofielen van KVAN.
In deze tweede categorie vallen enkel diploma’s van hbo- of wo-opleidingen en dus geen cursussen. De omschrijving van vakgebieden betekent ook dat diploma’s van (archivistiek)opleidingen die niet meer worden aangeboden, zoals de specialisatie Archival Studies binnen de master Geschiedenis van de Universiteit Leiden of de opleidingen van de inmiddels opgeheven Archiefschool, geschikt blijven voor de aanwijzing als archivaris.
Met de introductie van deze categorie sluit de AMvB aan bij de huidige werkpraktijk van archivistiek en informatiebeheer bij de overheid. De opmars van digitalisering (en daarmee de noodzaak om informatie al vanaf creatie of ontvangst duurzaam toegankelijk te maken) heeft ervoor gezorgd dat de archivaris is uitgegroeid tot een informatieprofessional die interdisciplinair werkt en samenwerkt in een veranderend landschap met andere informatieprofessionals. De archivaris weet zich omringd door functionarissen op het vlak van gegevensbeheer, ICT, informatiebeveiliging en privacywetgeving.
Het vak van archivaris is hiermee veelzijdiger, dynamischer en complexer geworden, en een archivaris dient van een breed palet aan kennisgebieden verstand te hebben. Daarom is ervoor gekozen om het mogelijk te maken dat ook professionals die niet beschikken over een diploma archivistiek, maar wel een andere relevante hbo- of wo-opleiding met ten minste twee relevante onderwijseenheden hebben afgerond, het vak van archivaris kunnen uitoefenen. De verwachting is dat daarmee het potentieel aan opleidingsmogelijkheden wordt vergroot, evenals de mogelijkheden voor landelijke spreiding van het opleidingsaanbod. Ook krijgen verantwoordelijke overheidsorganen daarmee de mogelijkheid een archivaris te selecteren met een andere relevante opleiding die, mogelijk in combinatie met andere kennis en ervaring, voor dat orgaan gewenst is.
Om zowel de kwaliteit van de archivarissen als de handhaafbaarheid en duidelijkheid te borgen is in artikel 2, tweede lid, van deze AMvB de randvoorwaarde opgenomen dat de andere relevante hbo- of wo-opleiding ten minste twee onderwijseenheden van minimaal vijf studiepunten uit zes voor het vak relevante vakgebieden moet bevatten. Aan de hand hiervan kan het verantwoordelijke overheidsorgaan vaststellen dat het behaalde diploma in voldoende mate betrekking heeft op de kennis en kunde die voor de uitvoering van de functie van archivaris bij het overheidsorgaan benodigd is. Hierbij is bewust gekozen voor een brede, maar limitatieve formulering. Dit komt tegemoet aan het door digitalisering breder geworden vak van de archivaris, zorgt voor een groter potentieel aan archivarissen en biedt tegelijkertijd de benodigde duidelijkheid om de kwaliteitseisen aan de archivaris te kunnen toetsen.
De eis dat minstens twee onderwijseenheden van minimaal vijf studiepunten betrekking moeten hebben op vakgebieden relevant voor de archivaris, betekent dat een ondergrens ontstaat van 140 studie-uren per onderwijseenheid. Daarmee wordt geborgd dat de aangewezen archivaris gedegen kennis en kunde in het relevante vakgebied heeft opgedaan. Om recht te doen aan de variëteit aan opleidingen en de vrijheid die zij hebben om hun programma vorm te geven voor aansluiting bij de praktijk, geeft deze AMvB geen regels voor bijvoorbeeld de vorm van onderwijs waaruit de onderwijseenheid moet bestaan (zoals werkgroepen of stages) of de manier van toetsen.
Hoewel verantwoordelijke overheidsorganen als gezegd zelf kunnen beoordelen of een wo- of hbo-diploma in voldoende mate betrekking heeft op de kennis en kunde die voor de uitvoering van de functie van archivaris bij het overheidsorgaan benodigd is, kunnen zij daarbij gebruikmaken van de competentie- en kennisprofielen die in opdracht van het Ministerie van OCW worden ontwikkeld door de Koninklijke Vereniging Archiefsector Nederland (KVAN). Deze competentie- en kennisprofielen geven duiding aan wat een archivaris moet kennen en kunnen (zie nader paragraaf 2.4). De profielen kunnen tevens richting geven aan onderwijsinstellingen die archiefonderwijs willen organiseren.
2.2 Motivering in aanwijzingsbesluit
Voorwaarde bij de aanwijzing van een archivaris op basis van een diploma als bedoeld in artikel 2, tweede lid, is een motivering door het verantwoordelijk overheidsorgaan. In het aanwijzingsbesluit zet het overheidsorgaan uiteen hoe het diploma in voldoende mate betrekking heeft op de kennis en kunde die voor de uitvoering van de functie van archivaris bij het overheidsorgaan benodigd is. Dit gemotiveerde aanwijzingsbesluit borgt zowel de kwalitatieve verantwoording als de handhaafbaarheid.
2.3 Deze AMvB in context implementatie Archiefwet
Deze AMvB is onderdeel van een breder pakket aan maatregelen in het kader van de implementatie van de Archiefwet 20... De regering vindt het belangrijk om de verdere professionalisering van de archivaris te stimuleren. Enerzijds gebeurt dat door samen met de sector en de branche- en beroepsvereniging helder te maken over welke kennis en competenties een archivaris moet beschikken. Anderzijds door het stimuleren van voldoende passend onderwijs- en ontwikkelaanbod om deze kennis en competenties ook te verwerven.
Concreet wordt naast de uitwerking van de diploma-eis in deze AMvB ingezet op de volgende aanvullende maatregelen:
Het stimuleren van een passend onderwijsaanbod in het bekostigd onderwijs;
Het stimuleren van na- en bijscholingsaanbod voor omscholers en archivarissen bij overheidsorganen die hun kennis actueel willen houden;
Het ontwikkelen van competentie- en kennisprofielen door de beroepsvereniging KVAN, waarbij de profielen – voor zowel de archivaris als de (decentrale) overheid – verder inzichtelijk maken wat een archivaris moet kennen en kunnen. Deze profielen zijn richtinggevend voor verdere professionalisering, ook tijdens de loopbaan, en voor borging van de kwaliteit.
2.4 Deze AMvB in de context van leven lang ontwikkelen
In het kader van de uitwerking van deze AMvB is verkend of werkervaring en expertise die zijn opgedaan tijdens non-formele scholing gevalideerd konden worden en ook een plek konden krijgen in deze AMvB. Hoewel praktijkervaring cruciaal is om de rol van archivaris goed te kunnen vervullen, bieden de huidige juridische kaders geen mechanismen waarmee archivarissen hun ervaring kunnen valideren op zo’n manier dat het daarmee gelijk staat aan het behalen van een diploma zoals de Archiefwet 20.. vereist. Los van de hoeveelheid praktijkervaring dient de aan te wijzen archivaris dus altijd over een diploma te beschikken. Voor expertise die is verkregen door non-formele scholing, is plek ingeruimd via de mogelijkheid om ook het diploma archivistiek B te behalen via een aangewezen cursus (zie nader paragraaf 2.1.1). Overige na- en bijscholing na het behalen van de startkwalificatie is geen onderdeel van de diploma-eis uit de Archiefwet 20.. en valt daarmee buiten het bestek van deze AMvB. Vanwege het belang ervan is stimulering van het aanbod onderdeel van de maatregelen in het kader van de implementatie van de Archiefwet 20.. (zie nader paragraaf 2.3).
Bovenstaande laat onverlet dat werkervaring en doorlopende na- en bijscholing nadrukkelijk onmisbaar zijn naast het diploma. De archivaris werkt in een sector waarin ontwikkelingen elkaar snel opvolgen. Daarom schrijft de Archiefwet 20.. ook een algemene deskundigheidseis voor: een archivaris moet (naast een diploma), ook in elk geval op grond van zijn of haar professionele kwaliteiten worden aangesteld.4 De competentie- en kennisprofielen van KVAN bieden handvatten om deze algemene deskundigheidseis te vertalen naar specifieke eisen en wensen die aansluiten bij wat het overheidsorgaan nodig heeft, bijvoorbeeld op het gebied van het toegankelijk maken van overheidsinformatie, digitaal informatiebeheer en collectiebeheer, toezichtstaken, en dienstverlening en educatie richting burgers. Op deze manier weten ook de (toekomstig) archivarissen wat van hen verwacht wordt, en bieden deze profielen inzicht in de na- en bijscholing die nodig is om de functie goed te (blijven) vervullen.
Beoogd is om deze profielen ook een rol te laten spelen bij de inschatting van de benodigde kennis en kunde tijdens het wervingsproces van een archivaris en als richtsnoeren voor de ontwikkeling van curricula voor opleidingen en voor bij- en nascholing. Bestuurlijke afspraken met in ieder geval KVAN, onderwijsaanbieders en koepelorganisaties van de decentrale overheden zijn hiervoor nodig. Met het oog hierop zal dan ook een overlegtafel worden ingericht. Deze tafel kan tevens worden benut voor regelmatige afstemming tussen werkveld en scholingsaanbieders om te zorgen dat het aanbod steeds voorziet in de vraag.
De verwachting is dat deze AMvB en de genoemde profielen ook richting bieden voor professionals met een mbo-diploma die zich in de toekomst willen laten bijscholen tot aangewezen archivaris.
2.5 Toepassing in Caribisch Nederland
Deze AMvB is niet van toepassing in Caribisch Nederland. De grondslag voor deze AMvB is namelijk de Archiefwet 20.., die niet in Caribisch Nederland van toepassing is. Voor Saba, Sint Eustatius en Bonaire geldt aparte wetgeving, namelijk de Archiefwet BES.
3. Verhouding tot hoger recht
Het feit dat voor het werken als archivaris een diploma-eis van toepassing blijft, betekent dat de (rijks)archivaris de status van gereglementeerd beroep blijft houden in de zin van de Richtlijn 2005/36/EG5 en de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties. Dat betekent dat Nederland voor wat betreft de (rijks)archivaris onder de Archiefwet 20.. en deze AMvB dezelfde rapportage- en evaluatieverplichtingen heeft als onder de Archiefwet 1995. Ook dient de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) nog steeds aanvragen te blijven behandelen tot het verlenen van erkenning van beroepskwalificaties voor de toegang tot of uitoefening van het beroep van (rijks)archivaris, conform de Regeling erkenning EU-beroepskwalificaties cultuurberoepen.
Naast voor de (rijks)archivaris, is de diploma-eis vanwege de systematiek van de Archiefwet 20.. ook van toepassing op de hoofdinspecteur overheidsinformatie van de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed.6 De functie is met de Archiefwet 20.. dus ook onder het regime van gereglementeerde beroepen gebracht. In het kader van deze wijzigingen wordt de Regeling erkenning EU-beroepskwalificaties cultuurberoepen aangepast, om haar in lijn brengen met de nieuwe Archiefwet 20.. en met deze AMvB.
4. Gevolgen
Met deze AMvB worden nadere regels gesteld aan de diploma’s die geschikt zijn om als (rijks)archivaris aangesteld te kunnen worden door een verantwoordelijk overheidsorgaan. Het verwachte gevolg van de uitbreiding van het aantal geschikte diploma’s is dat ook archivarissen met een passend diploma anders dan archivistiek A of B zullen worden aangesteld. Een neveneffect is de uitbreiding van het aantal opleidingen in Nederland dat leidt tot een diploma waarbij de gediplomeerde als archivaris aangewezen kan worden.
4.1 Gevolgen voor overheidsorganen
Overheidsorganen kunnen onder de Archiefwet 1995 alleen een archivaris aanwijzen die beschikt over het diploma archivistiek A of B. Met deze AMvB wordt het aantal geschikte vooropleidingen verruimd. Daardoor ontstaat de mogelijkheid om gemotiveerd een archivaris aan te wijzen die weliswaar niet beschikt over een diploma archivistiek A of B, maar wel over een diploma dat in voldoende mate betrekking heeft op de kennis en kunde die voor de uitvoering van de functie van archivaris bij het overheidsorgaan benodigd is. De verwachting is dat hierdoor het aantal geschikte kandidaten toeneemt, en het dus ook eenvoudiger wordt om een archivaris aan te wijzen. Uiteraard staat het een overheidsorgaan vrij om zelf het diploma archivistiek A of B als voorwaarde te blijven hanteren voor de aanwijzing van een archivaris.
Onder de Archiefwet 20.. zijn de provincies, gemeenten en waterschappen verplicht om een archivaris aan te wijzen. Dit is een wijziging ten opzichte van de Archiefwet 1995, die mogelijk maakte dat het beheer van de archiefbewaarplaats van een provincie, gemeente of waterschap wordt uitgeoefend door de secretaris, indien geen archivaris is benoemd. Nu deze mogelijkheid met de Archiefwet 20.. vervalt, kan verwacht worden dat de vraag naar archivarissen toeneemt. Het verruimen van het aantal mogelijk geschikte kandidaten voor deze functie op basis van hun diploma kan de decentrale overheden helpen om aan deze verplichting te voldoen. Overigens is het goed om hierbij op te merken dat ook de aangewezen archivaris van een provincie, gemeente of waterschap taken binnen de organisatie kan mandateren, op de manier zoals onder de Archiefwet 1995 de secretaris die mogelijkheid heeft.7
4.2 Gevolgen voor (toekomstige) (rijks)archivarissen
Ook voor toekomstige (rijks)archivarissen wordt het aantal geschikte vooropleidingen verruimd door de introductie van de tweede categorie diploma’s. Waar onder de Archiefwet 1995 alleen personen met het diploma archivistiek A en B als archivaris konden worden aangewezen, worden nu ook andere diploma’s als geschikt aangemerkt mits deze de relevante onderwijseenheden bevatten. Professionals met een dergelijk diploma kunnen zich nu ook als (rijks)archivaris laten aanwijzen, zonder eerst het diploma archivistiek A of B te behalen.
4.3 Gevolgen voor onderwijsinstellingen
Voor onderwijsinstellingen zijn er geen directe gevolgen. De systematiek voor aanwijzing tot archivistiek A of B wordt ongewijzigd gehandhaafd. Indirect gaan meer opleidingen fungeren als geschikte vooropleiding voor de aan te wijzen archivaris. Dit verbreedt dus het beroepenveld waarin de gediplomeerden van onderwijsinstellingen kunnen uitstromen.
4.4 Gevolgen voor houders buitenlandse diploma’s
Voor houders van (archivistiek)diploma’s behaald buiten Nederland die in Nederland aangewezen willen worden als archivaris verandert de procedure voor erkenning van buitenlandse diploma’s niet. De route voor erkenning van hun diploma blijft lopen via DUO (zie hierboven onder ‘Verhouding tot hoger recht’).
5. Uitvoering
De minister, gedeputeerde staten, de colleges van burgemeester en wethouders, en de dagelijkse besturen van de waterschappen zijn de uitvoerders van deze AMvB. Deze verantwoordelijke overheidsorganen zijn op grond van de Archiefwet 20.. bevoegd om een (rijks)archivaris aan te wijzen, en zij zijn er ook verantwoordelijk voor om te toetsen of het diploma van de beoogde archivaris voldoet aan de diploma-eis. Dit uitgangspunt is ongewijzigd ten opzichte van de Archiefwet 1995 en het Archiefbesluit 1995. Nieuw is wel dat naast de diploma’s archivistiek A of B ook andere diploma’s als geschikt kunnen gelden mits deze aan de gestelde voorwaarden voldoen (zie nader de toelichting hierboven).
Deze toetsing op het diploma vindt plaats in aanvulling op de toetsing die het verantwoordelijke overheidsorgaan doet op geschiktheid van de (rijks)archivaris op grond van dienst professionele kwaliteiten, zoals vastgelegd in artikel 6.3, vierde lid, van de Archiefwet 20.. De (rijks)archivaris dient dus zowel aan de diploma-eis te voldoen, als door het verantwoordelijke overheidsorgaan op geschiktheid te worden beoordeeld om te mogen worden aangewezen.
Ter verduidelijking wordt benadrukt dat de diploma-eis alleen geldt voor de aangewezen archivaris in de zin van de Archiefwet 20.., en dus niet voor andere functionarissen die werkzaamheden in het archiefdomein verrichten maar niet de aangewezen archivaris van een verantwoordelijk overheidsorgaan zijn. Een voorbeeld van dergelijke werkzaamheden is het uitvoeren van interbestuurlijk toezicht.
5.1 Uitvoerbaarheid voor decentrale overheden
In het kader van de Uitvoeringstoets Decentrale Overheden is in een vroeg stadium de dialoog opgestart met de koepelorganisaties die deze medeoverheden vertegenwoordigen: de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG), het Interprovinciaal Overleg (hierna: IPO) en de Unie van Waterschappen (hierna: UvW). De hoofdlijnen van het voorstel zijn met hen besproken om te toetsen welke impact deze AMvB op de overheden zou hebben. De mogelijkheid om uit een bredere groep gediplomeerden te kunnen selecteren, wordt door de medeoverheden toegejuicht.
Uitvoerbaarheidstoetsen
Tegelijk met de internetconsultatie (zie nader paragraaf 9.3) zijn de decentrale overheden gevraagd een uitvoerbaarheidstoets uit te voeren op de AMvB in de versie die voor consultatie is gepubliceerd. Die versie verschilde op de volgende onderdelen van de huidige AMvB: artikel 2, tweede lid, bood maximale verbreding van de kring aan diploma’s waarbij het verantwoordelijk overheidsorgaan zelf oordeelde of het diploma in voldoende mate betrekking had op de kennis en kunde die voor de uitvoering van de functie van archivaris bij dat overheidsorgaan benodigd is, het Besluit kende nog geen verplichting tot het motiveren van het aanwijzingsbesluit en in de lijst van (in die versie van de AMvB nog niet-bindende) vakgebieden in artikel 2, tweede lid, ontbraken informatie-architectuur en niet-digitaal informatiebeheer.
Provincies en waterschappen
OCW heeft Berenschot gevraagd een uitvoeringstoets uit te voeren naar de gevolgen van deze AMvB voor provincies en waterschappen. De invoering van de AMvB wordt door een ruime meerderheid van de provincies en waterschappen als uitvoerbaar beoordeeld. De AMvB sluit bovendien aan bij de wens tot verdere professionalisering van het vakgebied. Voor provincies verandert er weinig: zij voldoen grotendeels al aan de nieuwe eisen. Voor enkele waterschappen betekent de AMvB dat zij een archivaris moeten aanwijzen die aan de diploma-eis voldoet.
Voor provincies en waterschappen legt de gekozen invulling – een verbrede diploma-eis – een noodzakelijke kwaliteitslat, maar laat ruimte voor uiteenlopende interpretaties, mede doordat de beoordeling van de geschiktheid van een diploma in de internetconsultatieversie volledig belegd was bij het verantwoordelijk overheidsorgaan. Mede op basis van deze inbreng (samen met de inbreng van de uitvoeringstoets voor gemeenten en de internetconsultatie) is besloten artikel 2, tweede lid aan te scherpen, zie nader paragraaf 9.3. De uitvoeringstoets beveelt verder aan de reikwijdte en interpretatie van de diploma-eis te verduidelijken. Dit is ter harte genomen door de toelichting te verduidelijken, onder meer op het punt dat de diploma-eis niet geldt voor interbestuurlijke toezichthouders.
Volgens de uitvoeringstoets hangt de effectiviteit van de AMvB wel af van de wijze waarop de ruimte in de regelgeving wordt benut: als middel om kwaliteit te verhogen, en niet slechts om formeel te voldoen. De regering herkent dit punt, en neemt de diverse aanbevelingen om het bredere opleidingslandschap te stimuleren mee in verdere beleidsontwikkeling rond de implementatie van de Archiefwet en leven lang ontwikkelen.
Gemeenten
OCW en VNG hebben VNG Realisatie gevraagd een uitvoeringstoets uit te voeren naar de gevolgen van deze AMvB voor gemeenten. De VNG geeft aan dat, hoewel de verruiming van de diploma-eis aan de ene kant positief wordt ontvangen, gemeenten zich ook afvragen of het van het oordeel van het verantwoordelijke overheidsorgaan te laten afhangen wel de juiste manier is om te bepalen of iemand geschikt is voor de functie van archivaris. VNG beveelt daarom aan om nadere duiding te geven bij de verruimde eisen, zodat gemeenten meer houvast hebben en zodat er minder interpretatieverschillen tussen organen kunnen ontstaan in de praktijk. Deze aanbeveling is opgevolgd, ten eerste door artikel 2, tweede lid, aan te scherpen zodat de beoordeling niet langer volledig aan het verantwoordelijk overheidsorgaan is (zie nader de toelichting hierboven). Ten tweede is een lid toegevoegd (artikel 2, derde lid), dat organen verplicht een motivering over de relevantie van het diploma op te nemen in het aanwijzingsbesluit.
Daarnaast beveelt VNG aan om de effecten van de invulling van de diploma-eis op de arbeidsmarkt, het opleidingsaanbod en de kwaliteit van het archiefbeheer te monitoren. Deze AMvB (en ook de verplichte aanwijzing van een archivaris uit het wetsvoorstel voor de Archiefwet 20..) maakt onderdeel uit van de tussentijdse beoordeling en de wetsevaluaties en de effecten van deze AMvB zullen in dat kader worden gemonitord (zie nader paragraaf 8).
Verder brengt de uitvoeringstoets op dat de combinatie van een verplichte diploma-eis en een tekort aan gekwalificeerde kandidaten kan leiden tot een uitvoeringsuitdaging: gemeenten die nu geen archivaris hebben aangewezen kunnen mogelijk niet voldoen aan de wettelijke verplichting om een archivaris met het juiste diploma aan te stellen. Omdat het aantal archivarissen dat bij gemeenten moet worden aangewezen of bijgeschoold nog niet bekend is, is deze uitdaging nu niet te mitigeren. OCW blijft daarom met VNG in gesprek over monitoring van dit mogelijke scenario.
VNG doet ook een aantal aanbevelingen voor het opleidingslandschap in brede zin. Deze vallen buiten de delegatiegrondslag voor deze AMvB, maar zullen worden meegenomen in de verdere beleidsontwikkeling rond de implementatie van de Archiefwet 20.. en leven lang ontwikkelen.
Naast deze uitvoeringstoets heeft VNG ook beleidsinhoudelijk gereageerd op het Besluit in de versie waarin het voor internetconsultatie is gepubliceerd. Dit is verwerkt in de algemene reactie op de inbreng in de internetconsultatie (zie nader paragraaf 9.3).
5.2 Gevolgen voor DUO
DUO behandelt aanvragen voor de erkenning van beroepskwalificaties behaald in andere EU-landen die in Nederland toegang zouden moeten geven tot het beroep van archivaris bij een overheidsorgaan (zie hierboven onder ‘Verhouding tot hoger recht’). De procedure die DUO hanteert om een besluit te nemen over eventuele erkenning, wijzigt niet met de instelling van deze AMvB. Wel zal – zoals ook toegelicht in paragraaf 3 – de Regeling erkenning EU-beroepskwalificaties cultuurberoepen worden geactualiseerd.
5.3 Regeldruk
Met deze AMvB ontstaat geen regeldruk voor particulieren of bedrijven. De uitwerking van de diploma-eis heeft immers uitsluitend betrekking op een verplichting van de minister en de provincies, gemeenten en waterschappen. Een concept van deze AMvB is ter advisering aan het Adviescollege Toetsing Regeldruk voorgelegd. Het ATR heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen gevolgen voor de regeldruk heeft.
6. Toezicht en handhaving
6.1 Toezichtssystematiek
De toezichtssystematiek ten aanzien van de diploma-eis vloeit voort uit de Archiefwet 20... Dat wil zeggen dat de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed toezicht zal houden op de naleving van de diploma-eis voor het Rijk (concreet: voor de functies van rijksarchivaris en hoofdinspecteur), alsmede – uit hoofde van het interbestuurlijk toezicht – op de naleving van de diploma-eis door gedeputeerde staten van de provincies. Gedeputeerde staten houden toezicht op de naleving van de diploma-eis door de dagelijks besturen van de waterschappen en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten.
6.2 Handhaafbaarheidstoets Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed
De Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed (hierna: de Inspectie) is gevraagd een handhaafbaarheidstoets uit te voeren op het Besluit in de versie waarin het voor consultatie is gepubliceerd. De Inspectie onderschrijft dat naast archivistiek A of B ook andere opleidingen relevante opleidingen kunnen zijn voor de archivaris. De handhaafbaarheid van deze AMvB wordt volgens de Inspectie bemoeilijkt door het open karakter van artikel 2, tweede lid, waarin beoordeling van het diploma wordt overgelaten aan het verantwoordelijk overheidsorgaan. De Inspectie adviseert daarom om de open norm uit dit tweede lid nader in te vullen, en daarnaast om een verantwoordingsplicht voor het verantwoordelijk overheidsorgaan op te nemen. Hierin legt de organisatie vast waarom het diploma van de archivaris (indien niet archivistiek A of B) in haar ogen voldoet.
Aan beide aanbevelingen is gehoor gegeven, ten eerste door artikel 2, tweede lid, aan te scherpen zodat de beoordeling niet langer volledig aan het verantwoordelijk overheidsorgaan is. Ten tweede is een lid toegevoegd (artikel 2, derde lid), dat verantwoordelijke overheidsorganen verplicht om de relevantie van het diploma van de aangewezen archivaris te motiveren in het aanwijzingsbesluit. Beide maatregelen moeten bijdragen aan een uniformere praktijk en betere handhaafbaarheid.
7. Financiële gevolgen
Deze AMvB heeft geen financiële gevolgen voor overheidsorganen. De systematiek voor het aanwijzen van een archivaris wijzigt immers niet met dit voorstel, alleen de kring aan diploma’s wordt verruimd.
Deze AMvB heeft ook geen financiële gevolgen voor de archivaris. De op dit moment aangewezen archivarissen hebben al een passend diploma, want de Archiefwet 1995 en het Archiefbesluit 1995 vereisen een diploma Archivistiek A of B. Deze zijn onderdeel van deze AMvB, dus verdere scholing is niet vereist om aan de diploma-eis te voldoen. Voor toekomstige archivarissen is er meer vrijheid in de keuze van een vooropleiding, maar dat heeft geen financiële impact.
Deze AMvB heeft ook geen financiële gevolgen voor onderwijsinstellingen. Aangezien de bestaande aanwijzingen van opleidingen voor archivistiek A en B gehandhaafd blijven, zitten hier geen financiële wijzigingen aan vast.
8. Evaluatie
Deze AMvB geeft nadere regels bij artikel 6.3, vijfde lid, van de Archiefwet 20... Zoals in het wetsvoorstel aangegeven, zal de nieuwe Archiefwet na vijf en na vijftien jaar worden geëvalueerd. Tijdens het debat in de Tweede Kamer over het wetsvoorstel voor de Archiefwet 20.. heeft de minister daarnaast een beperkte tussentijdse beoordeling van de wet toegezegd, 2,5 jaar na inwerkingtreding. Deze AMvB maakt onderdeel uit van deze tussentijdse beoordeling en de evaluaties.
9. Advies en consultatie
9.1 Bespreking hoofdlijnen met belanghebbenden
Deze AMvB is opgesteld na een cyclus van overleggen met een doorsnede van aangewezen archivarissen en informatieprofessionals uit verschillende delen van Nederland, en met vertegenwoordigers van:
de koepelorganisaties van de decentrale overheden (VNG, IPO, UvW);
de onderwijsinstellingen met een opleiding die is aangewezen om het diploma archivistiek A of B uit te reiken (Universiteit van Amsterdam, Hogeschool van Amsterdam, Reinwardt Academie);
de KVAN als belangenbehartiger van de sector en de beroepsgroep van archivarissen;
het Nationaal Archief;
het Adviescollege Openbaarheid en Informatiehuishouding (hierna: ACOI);
de Inspectie.
Dit overleg startte direct bij de uitwerking van het Besluit door reikwijdte, hoofdlijnen en uitgangspunten te bespreken. Uit deze gesprekken kwam naar voren dat de verbreding van kring aan diploma’s in beginsel positief werd ontvangen. Aandachtspunten waren de gevolgen voor overheidsorganen, en de invulling van de verruimde diploma-eis en de AMvB in de context van leven lang leren. Dit heeft geresulteerd in de versie van de AMvB die voor internetconsultatie is gepubliceerd. Hierna is opnieuw gesproken met de betrokken partijen. Er is opnieuw gesproken over spanningsvelden in de afweging, namelijk verbreding van de kring aan diploma’s versus de behoefte aan duidelijkheid en houvast. Op basis hiervan is in deze AMvB gekozen voor aanscherping van artikel 2, tweede lid (minimaal twee afgeronde onderwijseenheden inclusief een ondergrens van vijf studiepunten per onderwijseenheid) en de toevoeging van een nieuw lid (artikel 2, derde lid) inzake het gemotiveerde aanwijzingsbesluit.
9.2 Advies ACOI
Daarnaast is het ACOI om wetgevingsadvies gevraagd. Het ACOI steunt verruiming van de diploma-eis. Het college meent dat een verbrede eis beter aansluit bij de digitale praktijk, overheidsorganen de kans biedt om uit een grotere pool van geschiktere kandidaten te selecteren en onderwijsinstellingen aanmoedigt ook aanbod voor potentiële archivarissen te ontwikkelen.
Wel adviseert het ACOI de verruiming goed af te bakenen, door de in artikel 2, tweede lid opgenomen lijst van vakgebieden alsnog limitatief te maken. Daarnaast adviseert het ACOI aanvullend een vangnetbepaling op te nemen (ook relevante vakgebieden die wel geschikt zijn maar nu niet in de lijst staan mogen ook). Het advies van het ACOI heeft mede geleid tot een aanscherping van artikel 2, tweede lid, waarbij de beoordeling van geschiktheid niet meer volledig bij het verantwoordelijk overheidsorgaan is gelaten. Van de vangnetbepaling is afgezien, omdat anders het aangescherpte artikel alsnog een opener karakter zou krijgen. Bovendien borgt de keuze voor vakgebieden (in tegenstelling tot het verplichten van opleidingen) flexibiliteit richting de toekomst: op basis van consultatie en gesprek met onderwijsaanbieders en het veld, is het in de toekomst mogelijk de lijst vakgebieden aan te passen.
9.3 Internetconsultatie
Deze AMvB is van 15 september tot en met 31 oktober 2025 voor internetconsultatie aangeboden. Er zijn 29 reacties ontvangen. De meeste reacties zijn afkomstig van (archiefdiensten en archiefvormers van) gemeenten en provincies. Daarna volgen reacties van landelijke organisaties, scholingsaanbieders, bedrijven en burgers. De consultatieversie verschilde op de volgende onderdelen van de huidige AMvB: artikel 2, tweede lid, bood maximale verbreding van de kring aan diploma’s waarbij het verantwoordelijk overheidsorgaan zelf kon beoordelen of het diploma in voldoende mate betrekking had op de kennis en kunde die voor de uitvoering van de functie van archivaris bij dat overheidsorgaan benodigd is, de AMvB kende nog geen verplichting tot het motiveren van het aanwijzingsbesluit en in de lijst van (in die versie van de AMvB nog niet-bindende) vakgebieden in artikel 2, tweede lid, ontbraken informatie-architectuur en niet-digitaal informatiebeheer.
De belangrijkste feedback uit de internetconsultatie ziet op de formulering van artikel 2, tweede lid. Dit artikellid verbreedt de kring aan diploma’s. Niet meer alleen Archivistiek A en B leiden tot een diploma in de zin der wet, maar ook andere hbo- of wo-opleidingen indien het diploma naar het oordeel van het verantwoordelijk overheidsorgaan dat de archivaris aanwijst in voldoende mate betrekking heeft op de kennis en kunde die voor de uitvoering van de functie benodigd is.
Deze formulering van een (bijna volledige) open norm bood flexibiliteit en ruimte voor het overheidsorgaan en zorgt voor maximale verbreding van de beroepsgroep. Maar deze voordelen worden in de consultatie niet herkend als een pluspunt, behalve vanuit het perspectief van uitvoeringskosten (namelijk geen kosten, want geen verplichte opleiding nodig). Uit deze inbreng spreekt meer vraag naar richting en duidelijkheid dan naar differentiatiemogelijkheden.
Daarnaast wordt in de consultatie gevraagd om duidelijkheid omtrent diploma’s van opgeheven opleidingen die als relevant worden beschouwd, maar die nu niet expliciet worden genoemd.
Aanpassingen aan de AMvB naar aanleiding van de internetconsultatie
Naar aanleiding van de inbreng (in combinatie met bovengenoemde toetsen en adviezen) is artikel 2, tweede lid, op verschillende manieren aangescherpt. Ten eerste zijn nadere eisen gesteld aan het diploma dat door het verantwoordelijk orgaan op geschiktheid kan worden beoordeeld, namelijk dat voor het behalen van het diploma ten minste twee onderwijseenheden uit de genoemde lijst vakgebieden met goed gevolg moeten zijn afgelegd. Ten tweede is aan de omvang van deze onderwijseenheden een ondergrens gesteld, namelijk ten minste 5 studiepunten.
Daarnaast is aan artikel 2 een nieuw derde lid toegevoegd, dat het verantwoordelijk overheidsorgaan verplicht om te motiveren dat het diploma in voldoende mate betrekking heeft op de kennis en kunde die voor de uitvoering van de functie van archivaris bij het overheidsorgaan benodigd is, en om deze motivering vast te leggen in het aanwijzingsbesluit.
Aan de vraag naar duidelijkheid omtrent diploma’s van relevante maar opgeheven opleidingen is tegemoetgekomen door hier expliciet aandacht aan te besteden in de toelichting.
Inbreng die niet tot aanpassing heeft geleid
Diverse indieners hebben inbreng geleverd die buiten de delegatiegrondslag van deze AMvB valt. Het gaat onder meer over opmerkingen over de kwaliteit, landelijke spreiding of het curriculum van het archivistiekonderwijs; opmerkingen over noodzakelijke na- en bijscholing na het behalen van het vereiste diploma; het voorschrijven van andere eisen dan een diploma (zoals een beroepsprofiel); of het instellen van een register voor archivarissen. Dit geldt ook voor voorstellen die een nieuwe wijziging van het wetsvoorstel voor de Archiefwet 20.. zouden vereisen, zoals het opnieuw afschaffen van de diploma-eis of het instellen van trajecten waarbij archivarissen alvast worden aangewezen door een verantwoordelijk overheidsorgaan maar nog niet aan de diploma-eis hoeven te voldoen zolang zij bezig zijn om een diploma te halen.
Deze AMvB geeft enkel nadere regels bij de diploma-eis uit de Archiefwet 20… en beperkt zich daar dus ook toe. Desalniettemin verwelkomt de regering deze brede inbreng. De hoeveelheid en aard van de suggesties laten zien dat er grote bevlogenheid en betrokkenheid is bij het archiefstelsel. De regering neemt de ideeën mee in het verder uitwerken van de aanvullende maatregelen ter stimulering van het bredere opleidingslandschap die ze neemt bij de implementatie van de wet (zie nader paragraaf 2.3).
10. Voorhangprocedure
[PM – verwerking voorhang]
11. Overgangsrecht en inwerkingtreding
Deze AMvB treedt tegelijk in werking met de Archiefwet 20.., de Archiefregeling 20.. en het Archiefbesluit 20... Vanaf dat moment moet iedere aangewezen (rijks)archivaris beschikken over een diploma zoals gespecificeerd in deze AMvB. Er is geen overgangsrecht. In dit kader wordt wel opgemerkt dat artikel 12.6, tweede lid van de Archiefwet 20.. voorziet in een overgangsbepaling voor de verplichte aanwijzing van de archivaris bij decentrale overheden: provincies, gemeenten en waterschappen die op het moment van inwerkingtreding van de wet niet beschikken over een archivaris, moeten er binnen twee jaar één aanwijzen.
II. Artikelsgewijs
Artikel 1
In artikel 1 zijn de begripsbepalingen opgenomen. Omdat een groot deel van de diploma’s die op grond van deze AMvB worden aangewezen, diploma’s zijn die worden behaald met een opleiding in het wetenschappelijk of hoger beroepsonderwijs, wordt verwezen naar verschillende begrippen uit de Wet op het hoger en wetenschappelijk onderwijs.
Artikel 2
In artikel 2 zijn de diploma’s geregeld op basis waarvan een persoon als archivaris kan worden aangewezen. Zoals in het algemene deel van deze nota van toelichting is toegelicht (zie nader de toelichting in paragraaf 2), is de kring aan diploma’s verruimd ten opzichte van artikel 15 van het Archiefbesluit 1995. Op basis van artikel 15 van het Archiefbesluit 1995 kan een persoon uitsluitend als archivaris worden aangewezen, indien hij beschikt over het diploma van een door de minister aangewezen opleiding archivistiek in het wetenschappelijk onderwijs (archivistiek A) of het hoger beroepsonderwijs (archivistiek B).
De kring aan diploma’s wordt in artikel 2 op twee punten verruimd. Ten eerste wordt mogelijk dat de minister ook cursussen die naar zijn oordeel van voldoende omvang zijn en in voldoende mate de archivistiek betreffen, worden aangewezen als cursus ter verkrijging van het diploma archivistiek B (artikel 2, eerste en zesde lid). Ten tweede is mogelijk gemaakt dat een persoon als archivaris wordt aangewezen, indien hij over een ander hbo- of wo-diploma beschikt dat naar het oordeel van het verantwoordelijke overheidsorgaan dat de archivaris aanwijst in voldoende mate betrekking heeft op de kennis en kunde die voor de uitvoering van de functie van archivaris bij het overheidsorgaan benodigd is (artikel 2, tweede lid). Dit is enkel mogelijk indien van de opleiding ten minste twee onderwijseenheden met ieder een studieomvang die gelijk is aan ten minste vijf studiepunten betrekking hebben op de in artikel 2, tweede lid, genoemde vakgebieden. Zoals tevens is toegelicht in paragraaf 2.1.2 kunnen deze twee onderwijseenheden zowel op één genoemd vakgebied, als op twee verschillende genoemde vakgebieden betrekking hebben.
De bewoordingen dat de twee onderwijseenheden een studielast moeten hebben ‘die gelijk is aan ten minste studiepunten’, zijn gekozen om ook ruimte te bieden aan opleidingen die zijn afgerond voorafgaand aan de invoering van de ECTS-studiepuntensystematiek met ingang van 1 september 2002.8 Op basis van de thans geldende ECTS-systematiek is één studiepunt gelijk aan een studielast van 28 uur,9 terwijl op basis van de voordien geldende systematiek één studiepunt gelijk was aan een studielast van 40 uur.10 Met de gekozen bewoordingen wordt tot uitdrukking gebracht dat de omvang van de studielast bepalend is. Omdat het vereiste van vijf studiepunten per onderwijseenheid staat voor een studielast van 140 uur, kan voor diploma’s die vóór de inwerkingtreding van de ECTS-systematiek zijn behaald, met 3,5 studiepunten per onderwijseenheid (oude berekening) aan het gestelde vereiste worden voldaan.
Artikel 3
In artikel 3 zijn twee overgangsbepalingen opgenomen. Met het eerste lid wordt geregeld dat de aanwijzing op grond van het Archiefbesluit 1995 van de opleidingen ter verkrijging van het diploma archivistiek A of archivistiek B, geldig blijven en gelden als aanwijzingen op grond van deze AMvB. Het tweede lid bevat een overgangsbepaling voor diploma’s die zijn behaald voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Omdat de studielast van examenonderdelen voorafgaand aan de inwerkingtreding van die wet niet altijd (eenduidig) werd gekwantificeerd, kan voor dergelijke diploma’s niet de eis worden gesteld dat de examenonderdelen ten minste vijf studiepunten moeten bedragen. Daarom is voor dergelijke diploma’s in een uitzondering op dit vereiste voorzien.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
Rianne Letschert
Zie Kamerstukken II 2021/22, 35968, nr. 3, p. 39 e.v.↩︎
Op basis van de Archiefwet 1995 is mogelijk dat bij decentrale overheden geen archivaris wordt aangesteld. In dat geval worden de taken van de archivaris vervuld door de provinciesecretaris, gemeentesecretaris, onderscheidenlijk de waterschapssecretaris. Zie de artikelen 29, eerste lid, 32, eerste lid, en 37, eerste lid, van de Archiefwet 1995.↩︎
Kamerstukken II 2023/24, 35968, nr. 32.↩︎
Zie artikel 6.3, vierde lid, van de Archiefwet 20..: “De rijksarchivaris of een archivaris […] wordt aangewezen in elk geval op grond van zijn professionele kwaliteiten, in het bijzonder zijn deskundigheid op het gebied van de wetgeving en praktijk inzake archivistiek, alsmede zijn vermogen de taken te vervullen die voortvloeien uit het bepaalde bij of krachtens deze wet”.↩︎
Richtlijn nr. 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PbEU L 255).↩︎
Ref Huidig voorstel van wet, art 10.1 lid 2: “Ten aanzien van de aanwijzing van de hoofdinspecteur is artikel 6.3,vierde lid, van overeenkomstige toepassing.”↩︎
Zie nader afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht.↩︎
Wet van 6 juni 2002 tot wijziging van onder meer de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet studiefinanciering 2000 in verband met de invoering van de bachelor-masterstructuur in het hoger onderwijs (Stb. 2002, 303).↩︎
Artikel 7.4, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.↩︎
Artikel 7.4, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, zoals dat luidde op 31 augustus 2002.↩︎