Verslag van een schriftelijk overleg Antwoorden op vragen commissie over o.a. verslag Eurogroep en Ecofinraad van 9 en 10 maart 2026 (Kamerstuk 21501-07-2176)
Raad voor Economische en Financiële Zaken
Verslag van een schriftelijk overleg
Nummer: 2026D14366, datum: 2026-03-27, bijgewerkt: 2026-03-30 09:18, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: C.A. (Chris) Jansen, voorzitter van de vaste commissie voor Financiën (PVV)
- Mede ondertekenaar: A.H.M. Weeber, griffier
- Aanbiedingsbrief
- Beslisnota bij het Verslag van een schriftelijk overleg Antwoorden op vragen commissie over o.a. verslag Eurogroep en Ecofinraad van 9 en 10 maart 2026 (Kamerstuk 21501-07-2176)
Onderdeel van kamerstukdossier 21501 07-2177 Raad voor Economische en Financiële Zaken.
Onderdeel van zaak 2026Z06366:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Financiën
Preview document (🔗 origineel)
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
II reactie minister
Ik heb met belangstelling kennisgenomen van de vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van D66, VVD, PVV, CDA inzake de geannoteerde agenda voor de vergaderingen van de Eurogroep d.d. 27 maart 2026. Bij de beantwoording is de volgorde van het schriftelijk overleg aangehouden.
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de stukken die zijn geagendeerd voor dit schriftelijke overleg. Zij hebben een aantal vragen en opmerkingen.
De leden van de D66-fractie constateren dat de huidige economische ontwikkelingen sterk worden beïnvloed door geopolitieke risico’s, waaronder het conflict in het Midden-Oosten en de oorlog in Oekraïne.
Deze leden vragen in hoeverre binnen de Eurogroep en Ecofinraad structureel wordt gewerkt met scenario-analyses voor verschillende geopolitieke en economische schokken. Welke gezamenlijke Europese scenario’s worden ontwikkeld voor bijvoorbeeld langdurig hoge energieprijzen, verstoringen in handelsstromen en financiële volatiliteit? Op welke manier wordt Nederland betrokken bij het ontwikkelen van deze scenario’s en de bijbehorende beleidsopties?
De vraag hoe om te gaan met recente stijgingen van energieprijzen als gevolg van het conflict in het Midden-Oosten, wordt in verschillende Europese gremia besproken. Niet alleen tijdens de Eurogroep, maar ook bij onder andere de Energieraad, de Europese Raad en op ambtelijk niveau in de Oil Coordination Group, de Gas Coordination Group en de Energy Union Task Force. Nederland is betrokken in deze Europese discussies en de ontwikkeling van beleidsopties. Dit gaat zowel om structurele maatregelen die energieprijzen op de lange termijn kunnen verlagen, als ook om kortetermijnmaatregelen zoals het vrijgeven van strategische olievoorraden onder coördinatie van het Internationaal Energie Agentschap (IEA).
Daarnaast vragen deze leden of het kabinet zich inzet voor een meer gezamenlijke Europese aanpak van crisisvoorbereiding, zodat lidstaten niet afzonderlijk optreden. Ook vragen deze leden in hoeverre de huidige geopolitieke ontwikkelingen aanleiding geven om te kijken naar snellere besluitvorming en flexibelere Europese instrumenten. Zijn er binnen de Eurogroep of Ecofinraad voorstellen in voorbereiding om in crisissituaties sneller gezamenlijk te kunnen optreden?
Het kabinet hecht waarde aan een gezamenlijke Europese aanpak, zodat lidstaten zoveel mogelijk in samenhang optreden. Tijdens de Eurogroep van 27 maart zal mogelijk gesproken worden hoe ook nationale maatregelen, die sommige lidstaten reeds genomen hebben, zo goed mogelijk op elkaar worden afgestemd. Dit gesprek vindt ook in andere Europese gremia plaats, zoals de Energieraad. Tevens heeft de Europese Raad van 19 maart jl. de Europese Commissie gevraagd met een ‘toolbox’ te komen met tijdelijke en gerichte maatregelen, specifiek gericht op het adresseren van recente stijgingen in de prijzen van geïmporteerde fossiele brandstoffen. Een belangrijke randvoorwaarde daarbij is dat het gelijke speelveld en interne markt gewaarborgd moeten worden. En dat deze maatregelen investeringsprikkels voor verduurzaming niet mogen wegnemen.
De leden van de D66-fractie constateren dat de gas- en energieprijzen opnieuw onder druk staan door geopolitieke ontwikkelingen. Deze leden vragen hoe het kabinet aankijkt tegen het risico van hoge prijzen en in hoeverre de EU hier gezamenlijke scenario’s voor heeft, en welke instrumenten dan beschikbaar zijn om snel en gecoördineerd op te treden.
Zoals ook hierboven aangegeven hecht het kabinet waarde aan een gezamenlijke Europese aanpak, zodat lidstaten zoveel mogelijk in samenhang optreden. De Europese Raad van 19 maart jl. heeft de Europese Commissie gevraagd met een ‘toolbox’ te komen met tijdelijke en gerichte maatregelen, specifiek gericht op het adresseren van recente stijgingen in de prijzen van geïmporteerde fossiele brandstoffen. Zoals ook in de geannoteerde agenda voor de Eurogroep van 27 maart 2026 opgenomen zijn vooral structurele maatregelen nodig om energieprijzen te verlagen, waaronder een sterkere integratie van de Europese energiemarkt met voldoende interconnectie, het versterken van flexibiliteit in het systeem, bevordering van energiebesparing en verduurzaming. Prijs- en marktprikkels en de efficiënte werking van de interne markt zijn belangrijk om energiekosten betaalbaar te houden en efficiënte investeringen te stimuleren. Andere ingrepen op de werking van de energiemarkt, bijvoorbeeld door aanpassingen aan het elektriciteitsmarktontwerp, het instellen van prijslimieten of een infra-marginale elektriciteitsheffing beziet Nederland kritisch.
Daarnaast vragen deze leden in hoeverre het kabinet mogelijkheden ziet om de volatiliteit van gasprijzen structureel te dempen, bijvoorbeeld via gezamenlijke opslag, gezamenlijke inkoop of betere afstemming tussen lidstaten.
Het is uiteindelijk aan lidstaten zelf om keuzes te maken op welke manier ze de gestegen energiekosten op de korte termijn mitigeren, bijvoorbeeld met maatregelen gericht op verlichting voor huishoudens en bedrijven, mits dit gebeurt op een wijze die de markt niet verstoort. In de Eurogroep van 27 maart zal mogelijk wel stilgestaan worden bij wat voor lessen we kunnen trekken uit de eerdere stijging in energieprijzen in 2022/2023, en wat de onderliggende principes zijn die daarbij van belang zijn. Daarbij kan gedacht worden aan de tijdelijkheid en gerichtheid van maatregelen, en dat deze maatregelen prikkels om de vraag structureel te verminderen en te investeren in schone energie niet tegen dienen te gaan. Daarnaast moeten verstoringen van de interne markt worden voorkomen.
De leden van de D66-fractie vragen in het kader van diversificatie en het versterken van interconnecties hoe de rol eruit zou zien voor Nederland in het voorgestelde Multilateraal Defensiemechanisme (MDM) bij het bundelen van vraag en gezamenlijke aanbesteding. Hoe wordt voorkomen dat versnippering tussen nationale initiatieven blijft bestaan? Welke concrete stappen zet Nederland om dit soort samenwerking op Europees niveau te versnellen?
In lijn met het coalitieakkoord verkent het kabinet de mogelijkheid voor het oprichten van een intergouvernementeel defensiemechanisme (Multilateraal Defensiemechanisme, MDM) ten behoeve van gezamenlijke financiering van aanbestedingen van defensiematerieel, vraagbundeling en harmonisatie van productstandaarden. Hierbij wordt nauw opgetrokken met NAVO-partners binnen en buiten de Europese Unie. Hiermee geeft het kabinet tevens invulling aan de motie Van der Werf/Paternotte over een actieve rol in de discussie over een intergouvernementeel Europees defensiemechanisme.1
Het doel van een MDM is het bieden van financiering ter stimulering van vraagbundeling en gezamenlijke aanbestedingen van defensieprojecten. Gezamenlijke aanschaf en vraagbundeling kan bijdragen aan efficiëntere defensiesamenwerking en schaalvoordelen. Dit kan ook bijdragen aan het verminderen van fragmentatie. Het MDM kan daarnaast financiering bieden aan het midden- en kleinbedrijf in de toeleveringsketen, waar momenteel een knelpunt ligt voor verdere opschaling van de Europese defensie-industrie.
De verkenning van het MDM richt zich op de vormgeving van een internationale financiële instelling, waarbij de betrokken landen naar rato (een percentage van het bruto binnenlands product) kapitaal inleggen op basis waarvan privaat kapitaal wordt opgehaald. Landen kunnen vervolgens financiering uit het MDM ontvangen in de vorm van een niet-concessionele lening. Deelnemende landen kunnen niet meer lenen dan hun relatieve kapitaalaandeel. Het uitgangspunt is dat het MDM een prudent risico- en financieringsbeleid voert. Financiële deelname aan het MDM wordt op basis van het uiteindelijke instrument beoordeeld. Voor het kabinet is het randvoorwaardelijk dat een MDM meerwaarde biedt t.o.v. bestaande instrumenten voor gezamenlijke inkoop en vraagbundeling. Nederland trekt samen met andere NAVO-partners, waaronder het Verenigd Koninkrijk en Finland, nauw op in de verkenning van het MDM. Uw Kamer wordt op de hoogte gehouden zodra er relevante stappen worden gezet richting besluitvorming.
De leden van de D66-fractie steunen de ambitie om de kapitaalmarktunie te verdiepen en marktbarrières weg te nemen. Deze leden lezen ook dat ECB en ESM de grotere beursvolatiliteit benadrukken vergeleken met andere regio’s. Deze leden vragen zich af hoe een kapitaalmarktunie kan bijdragen aan het beter opvangen van economische schokken binnen de EU. Op welke wijze kan de kapitaalmarktunie worden ingezet om investeringen in bijvoorbeeld energie en defensie te verhogen en versnellen?
Betere integratie van nationale kapitaalmarkten en verdieping van deze kapitaalmarkten zorgt ervoor dat er meer vormen van financiering beschikbaar worden voor bedrijven. Op dit moment komen veel bedrijven in Europa aan financiering via bankleningen. Als deze bankfinanciering beter in balans is met andere vormen van financiering zoals de uitgifte van aandelen, obligaties of middels durfkapitaal, vermindert dit de kans dat krediet-schaarste bij banken een economische neergang versterkt. Immers, bedrijven kunnen bij krediet-schaarste ook kijken naar andere vormen van financiering.
Een grotere verscheidenheid aan financieringsvormen geeft bedrijven de mogelijkheid om voor verschillende opschalingsactiviteiten passende financiering te vinden. Juist bij innovaties blijkt bankfinanciering niet altijd passend te zijn en zullen bedrijven eerder kijken naar durfkapitaal of andere vormen van financiering. Daarnaast zorgt een diepere kapitaalmarkt ervoor dat er meer financiering beschikbaar is. Op deze manier draagt een sterkere Europese kapitaalmarkt bij aan de benodigde investeringen in bijvoorbeeld energie en defensie.
Daarnaast vragen deze leden hoe Nederland zich inzet om voldoende draagvlak te creëren bij terughoudende lidstaten, met een minder ontwikkelde kapitaalmarkt of kleine lidstaten met zeer ontwikkelde financiële sector.
Nederland stelt zich ambitieus op in de onderhandelingen over de verschillende voorstellen die volgen uit de Commissiemededeling over de Spaar- en Investeringsunie.2 Dat uit zich onder meer in het snel willen komen tot akkoorden op de voorstellen van de Europese Commissie. Op politiek niveau, zoals opgenomen in de conclusies van de Europese Raad en verklaringen van de Eurogroep, is er brede steun bij alle lidstaten om de Spaar- en Investeringsunie snel verder te ontwikkelen.3
Het kabinet zet zich ervoor in dat deze, op politiek niveau uitgesproken ambitie, vertaald wordt naar de besprekingen op technisch niveau van de concrete voorstellen. Het kabinet is van mening dat de huidige situatie, waarbij sommige lidstaten vasthouden aan eigenbelang ter bescherming van een nationale kleinere en inefficiëntere kapitaalmarkt, de EU collectief armer maakt dan het geval is bij een diepe, gezamenlijke Europese kapitaalmarkt.
Om deze ambitie verder te concretiseren zoekt het kabinet de samenwerking op met andere lidstaten.4 Zo is Nederland onder meer betrokken bij het European Competitiveness Lab, dat zich richt op nationale maatregelen. Ook neemt het kabinet, zoals vastgelegd in het coalitieakkoord en in lijn met aangenomen Kamermoties, deel aan kopgroepen. Een voorbeeld is de samenwerking van de zes grootste lidstaten (E6).5 Met een gezamenlijke agenda willen deze lidstaten het momentum vergroten en richting geven aan de onderhandelingen op de verschillende deelterreinen. Daarbij ziet het kabinet het belang om, waar relevant, ook bilateraal in contact te blijven met lidstaten die niet bij deze samenwerkingen betrokken zijn, en te verkennen waar een gedeelde visie bestaat en gezamenlijk opgetrokken kan worden bij de onderhandelingen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de Eurogroep van 27 maart 2026. Ook hebben deze leden kennisgenomen van het verslag van de afgelopen Eurogroep/Ecofinraad. Deze leden hebben hierover nog enkele vragen.
De leden van de VVD-fractie constateren dat tijdens de aankomende Eurogroep gesproken zal worden over de impact van het conflict in het Midden-Oosten op de Europese economie. Deze leden juichen het toe dat de Europese ministers hier voortdurend en in constructief contact met elkaar over staan. Op 25 maart 2026 is een plenair debat gepland in de Kamer over de economische impact van dit conflict voor Nederland, waarbij het ook de verwachting is dat de minister van Financiën aanwezig is. Daardoor hebben deze leden op dit punt momenteel geen vragen.
Er klonk bij de afgelopen Eurogroep/Ecofinraad met betrekking tot de Market Integration and supervision package (MISP) enige steun om elementen uit het pakket waarover sneller consensus mogelijk is, versneld in te voeren, waaronder de voorstellen rondom distributed ledger technologie (DLT), zo lezen de leden van de VVD-fractie. Deze leden begrijpen de redenatie voor snellere invoering van onderdelen waarover relatief gezien eenvoudig consensus bereikt kan worden. Echter, dit kan er ook toe leiden dat geen échte doorbraken worden bereikt in de voortgang op het dossier van de Europese kapitaalmarktunie, omdat de druk om met de omvangrijkere voorstellen in te stemmen van de ketel is (het is niet meer alles of niets bij instemming of afwijzing van het voorstel). Hoe heeft het kabinet zich tijdens de Raad verhouden tot deze discussie?
Het kabinet acht het van groot belang dat er voortgang gemaakt wordt op alle elementen in het Market Integration and Supervision Package (MISP), omdat het separaat behandelen van elementen tot vertraging van het gehele pakket kan leiden. Dat betekent dat er niet selectief gekozen moet worden binnen dit pakket en dat alle lidstaten over de eigen schaduw heen stappen om tot een goed resultaat te komen. Alleen wanneer op alle elementen voortgang wordt geboekt kunnen de baten worden gerealiseerd. Het kabinet is daarom geen voorstander van snellere invoering van onderdelen, zoals de voorstellen rondom distributed ledger technologie (DLT).
Als er een politiek akkoord komt op het pakket van de gemeenschappelijke munt, zal het Eurosysteem in de tweede helft van 2027 beginnen met een pilot voor de digitale euro, zo lezen de leden van de VVD-fractie daarnaast in het verslag van de afgelopen Eurogroep/Ecofinraad. Graag ontvangen deze leden meer informatie over deze pilot. In welk(e) land(en) wordt deze pilot bijvoorbeeld gehouden? Hoe worden de resultaten van deze pilot meegenomen in de verdere vormgeving van de munt? Hoe omvangrijk wordt deze pilot?
De Europese Centrale Bank en nationale centrale banken (gezamenlijk het Eurosysteem genoemd) starten in de tweede helft van 2027 met een test van de infrastructuur voor de digitale euro. Die pilot duurt ongeveer één jaar en bereidt het Eurosysteem technisch en praktisch voor op een mogelijk besluit over de digitale euro. Tijdens de pilot wordt in een afgebakende testomgeving gekeken hoe onderdelen van de digitale euro in de praktijk werken. Daarbij wordt getest of betalingen snel en veilig verlopen, hoe gebruikers dit ervaren en hoe de uitvoering verloopt voor betrokken partijen. De pilot vindt plaats in meerdere landen van het eurogebied en is dus niet beperkt tot één lidstaat. Nationale centrale banken kunnen deelnemen, samen met geselecteerde banken, betaaldienstverleners en winkeliers. Via de website van de ECB is een oproep gepubliceerd voor geïnteresseerde banken en betaaldienstverleners. Nederlandse partijen kunnen zich tot 14 mei 2026 hiervoor aanmelden bij De Nederlandsche Bank. De inzichten uit de pilot worden gebruikt om het ontwerp en de technische specificaties verder te verfijnen en om eventuele knelpunten tijdig te identificeren. De pilot leidt niet automatisch tot invoering van een digitale euro. Het Eurosysteem kan pas besluiten over de invoering wanneer er een politiek akkoord is tussen medewetgevers over de verordeningen die de juridische basis vormen voor de digitale euro. Op dit moment is het Europees Parlement nog bezig met de behandeling van de wetsvoorstellen, waarna nog trilogen volgen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de stukken aangaande de Eurogroep van 27 maart 2026. Naar aanleiding hiervan hebben de leden van de PVV-fractie nog enkele vragen.
Wat betreft de impact van het conflict in het Midden-Oosten, vragen de leden van de PVV-fractie naar een overzicht van de maatregelen die andere lidstaten hebben getroffen om de economische gevolgen voor de burgers te mitigeren. Kan de minister daarbij tevens specifiek ingaan op de maatregelen die Spanje, Italië en Griekenland hebben getroffen, inclusief het budgettair belang daarvan?
Verschillende lidstaten hebben, net als Nederland, deelgenomen aan de gecoördineerde vrijgave van strategische oliereserves via het Internationaal Energie Agentschap (IEA). Daarnaast hebben meerdere lidstaten uiteenlopende nationale maatregelen genomen of aangekondigd, variërend van prijsregulering tot steun voor huishoudens en bedrijven. Deze variëren van steunmaatregelen (zoals gerichte steun aan kwetsbare huishoudens en accijnsverlagingen) tot extra inzet op structurele maatregelen om bijvoorbeeld elektrificatie te bevorderen en gebruik van fossiele brandstoffen te verminderen.
Spanje heeft een pakket aan steunmaatregelen aangekondigd met onder meer belastingverlagingen, sociale bescherming voor kwetsbare huishoudens en steun aan de industrie. Daarnaast zet Spanje in op versterking van het elektriciteitsnet en hernieuwbare energie en neemt Spanje fiscale maatregelen om het gebruik van elektriciteit ten opzichte van fossiele brandstoffen aantrekkelijker te maken. Italië heeft gekozen voor tijdelijke accijnsverlagingen op brandstoffen en gerichte fiscale steun, onder meer via belastingkredieten voor sectoren zoals transport en landbouw. Griekenland heeft maatregelen genomen gericht op het beperken van winstmarges op brandstoffen en basisgoederen, waarbij onder meer een maximummarge geldt voor brandstoffen.
De kosten van deze pakketten variëren van enkele honderden miljoenen (de kosten voor de accijnsverlaging voor 20 dagen op benzine in Italië wordt geraamd op 418 miljoen euro) tot enkele miljarden (de kosten van het Spaanse steunpakket zijn geraamd op ruim 5 miljard euro).6 Daarbij dient te worden opgemerkt dat de effectiviteit van de verschillende maatregelen onzeker is.
Voorts vragen de leden van de PVV-fractie naar een overzicht van de kosten van tanken in Nederland (benzine E5, benzine E10 en diesel) vergeleken met in ieder geval Duitsland, België, Frankrijk en Spanje. Hoe kan het verschil qua kosten worden verklaard? Kan de minister tevens per lidstaat aangeven met hoeveel de kosten van tanken sinds het conflict in het Midden-Oosten zijn gestegen?
In tabel 1 en 2 zijn de gemiddelde brandstofprijs voor Nederland en een aantal andere Europese landen weergegeven voor maandag 16 maart en maandag 2 februari. Deze cijfers zijn gebaseerd op het Weekly Oil Bulletin van de Europese Commissie. Het verschil in pompprijs heeft een aantal verklaringen. Ten eerste verschilt de belastingdruk per land (zie tabel 3). Met name het accijnstarief voor benzine ligt in Nederland hoger dan in omringende landen. Bij diesel zijn de verschillen veel kleiner en ligt het accijnstarief in Nederland lager dan in België en Frankrijk. Spanje heeft het btw-tarief voor brandstof tijdelijk verlaagd. Ten tweede wordt in België gewerkt met een systeem van maximumprijzen, waardoor snelle prijsschokken worden gedempt en distributiemarges/winsten worden beperkt. Daarnaast heeft Totalenergies in Frankrijk een eigen prijsplafond aangekondigd. Tot slot kunnen verschillen in brandstofprijzen ook komen door verschillen in overige kosten zoals bijvoorbeeld raffinagekosten, transportkosten, loonkosten en kosten voor grond en kapitaal.
| Tabel 1 - Gemiddelde brandstofprijs Nederland en omringende landen op 16 maart (bron: Weekly Oil Bulletin) | ||
|---|---|---|
| Benzine (E10) | Diesel (B7) | |
| Nederland | 2,26 euro/liter | 2,26 euro/liter |
| België | 1,69 euro/liter | 1,97 euro/liter |
| Duitsland | 2,085 euro/liter | 2,146 euro/liter |
| Frankrijk | 1,90 euro/liter | 2,02 euro/liter |
| Spanje | 1,71 euro/liter | 1,84 euro/liter |
Tabel 2 - Gemiddelde brandstofprijs Nederland en omringende landen op 2 februari (bron: Weekly Oil bulletin) |
||
|---|---|---|
| Benzine (E10) | Diesel (B7) | |
| Nederland | 2,03 euro/liter | 1,82 euro/liter |
| België | 1,50 euro/liter | 1,64 euro/liter |
| Duitsland | 1,80 euro/liter | 1,72 euro/liter |
| Frankrijk | 1,73 euro/liter | 1,66 euro/liter |
| Spanje | 1,45 euro/liter | 1,40 euro/liter |
| Tabel 3 - Belastingen op motorbrandstoffen in Nederland en omringende landen, stand 25 maart | |||
|---|---|---|---|
| Benzine (E10) | Diesel (B7) | Btw-tarief | |
| Nederland | 84,5 cent/liter | 55,2 cent/liter | 21% |
| België | 60 cent/liter | 60 cent/liter | 21% |
| Duitsland | 65,45 cent/liter | 47 cent/liter | 19% |
| Frankrijk | 69 cent/liter | 60,75 cent/liter | 20% |
| Spanje | 35,9 cent/liter | 33 cent/liter | 10% |
Ook vragen de leden van de PVV-fractie naar een vergelijking van de energierekening in Nederland met in ieder geval Duitsland, België, Frankrijk en Spanje. Kan de minister ook hierbij een verklaring geven voor het verschil qua kosten? Kan de minister tevens per genoemde lidstaat aangeven met hoeveel de energierekening sinds het conflict in het Midden-Oosten is gestegen?
Ik beschik niet over recente informatie om deze vraag voor wat betreft de snelle marktontwikkelingen sinds de aanvang van het conflict in Iran volledig te kunnen beantwoorden. In algemene zin is het zo dat de prijzen in alle Europese landen bepaald worden door de ontwikkelingen op de groothandelsmarkten voor gas en elektriciteit. De schaarste op de mondiale gasmarkt die daar de laatste weken aanleiding geeft voor een stijgende prijs werkt door in de tarieven die afnemers betalen in al deze landen. In welke landen de rekening sneller stijgt in verband met de stijgende gasprijzen is sterk afhankelijk van onder andere de energiemix die het land gebruikt en in hoeverre de leveranciers gebruik maken van lange termijn inkoopcontracten. Verschillen tussen deze landen op langere termijn kunnen daarnaast voortkomen uit nationale keuzes die gemaakt worden rondom bijvoorbeeld de hoogte van belastingen of die samenhangen met de kosten van nettarieven, maar deze staan los van de huidige stijging in de gasprijzen. De Europese Commissie heeft in 2025 voor de laatste keer een uitgebreide vergelijking tussen landen onderling gedeeld. Deze studie laat zien dat de groep huishoudens met laag inkomen in Nederland ongeveer dezelfde uitgaven heeft aan energie als een vergelijkbare groep in Frankrijk en Duitsland. In Spanje lag de rekening voor de groep huishoudens met een laag inkomen lager dan in Nederland en in België juist hoger.
Vervolgens vragen de leden van de PVV-fractie naar een reactie op de woorden van de voorzitter van de Eurogroep, Kyriakos Pierrakakis, dat de EU voorbereid moet zijn op een langere periode van instabiliteit met mogelijke verstoringen in de scheepvaart, stijgingen van de energieprijzen en gevolgen voor de inflatie. Welk plan heeft het kabinet opgesteld om de genoemde negatieve gevolgen met name voor de burgers te mitigeren?
Het kabinet houdt de gevolgen van de situatie in het Midden-Oosten nauwlettend in de gaten. Hierbij bekijkt het kabinet wat nodig is, afhankelijk van de situatie, en houdt het daarbij oog voor de gevolgen voor burgers en bedrijven.
Daarenboven vragen de leden van de PVV-fractie naar een reactie op de voorstellen die Von der Leyen heeft aangekondigd om lagere energieprijzen te bewerkstelligen.
De brief van Commissievoorzitter Von der Leyen bevat een combinatie van korte- en langetermijnmaatregelen gericht op het verlagen van energieprijzen, waarbij versnelling van de uitrol van schone energie en infrastructuur als structurele oplossing wordt gezien. Dit sluit aan bij de Nederlandse inzet, met name waar het gaat om het versnellen van vergunningverlening, het versterken van elektriciteitsnetten en het beter benutten van bestaande instrumenten zoals Power Purchase Agreements en Contracts for Difference. Tegelijkertijd bevat de brief ook voorstellen die minder goed aansluiten bij de Nederlandse positie. Zo is Nederland terughoudend op het toestaan van subsidies of prijsplafonds voor gasgestookte elektriciteitsproductie. Ook is Nederland kritisch ten aanzien van een mogelijk tijdelijk overbruggingsinstrument gefinancierd uit ETS-middelen, mede vanwege onduidelijkheid over de financiering en mogelijke gevolgen voor de begroting.
Ten slotte vragen de leden van de PVV-fractie in te gaan op het nieuwe vrijhandelsakkoord tussen de EU en Australië. Op welke wijze komt dit akkoord de EU, en meer specifiek Nederland, ten goede?
Bij inwerkintreding van het handelsakkoord met Australië wordt bijna 100% van de EU-export naar Australië vrijgesteld van importheffingen, wat in vijf jaar wordt ingefaseerd. Hierdoor zal de Europese uitvoer naar Australië naar verwachting toenemen, waarbij de Europese Commissie uitgaat van een stijging van maximaal 33% op jaarbasis in het komende decennium.7 Volgens de Commissie zullen met name exporteurs van machines, motorvoertuigen en chemicaliën profiteren van de afschaffing van tarieven, maar ook voor bv. de landbouwsector nemen exportmogelijkheden toe. Ook voor NL geldt dat exportkansen toenemen, onder meer in de genoemde sectoren. Daarnaast krijgen Europese bedrijven verbeterde toegang tot dienstensectoren. Tot slot bevat het handelsakkoord een uitgebreid hoofdstuk over energie en grondstoffen, waardoor Europese investeringen in de Australische grondstoffensector worden gefaciliteerd en bedrijven betere toegang krijgen tot kritieke grondstoffen die nodig zijn voor onze economie, zoals voor de groene en digitale transitie en voor onze defensie-industrie.
In een fragmenterende wereld, waarin het multilaterale, op regels-gebaseerde handelsorde onder druk staat, is het cruciaal om het geopolitiek handelingsvermogen van de EU te versterken. Dit vereist brede economische samenwerking met derde landen, en het handelsakkoord met Australië is een manier om dit te realiseren. Het handelsakkoord biedt niet alleen exportkansen voor Nederlandse en Europese bedrijven, maar draagt ook bij aan diversificatie van handelspartners en verbeterde toegang tot strategisch belangrijke markten. Daarmee draagt het bij aan het verdienvermogen en de economische weerbaarheid van Nederland en de EU. De Commissie verwacht dat het Europese bbp met €4 mld. zal toenemen als gevolg van het handelsakkoord. Zodra de Europese Commissie het definitieve onderhandelingsresultaat ter besluitvorming aan de EU-lidstaten in de Raad voorlegt zult u, zoals bij alle handelsakkoorden, een beschrijving van de inhoud met bijbehorende kabinetsappreciatie van het akkoord ontvangen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de Eurogroep van 27 maart 2026 en hebben daarbij enkele vragen.
De leden van de CDA-fractie kijken uit naar de stukken van de voorjaarsvergadering van het IMF, inclusief de kabinetsreactie die t.z.t. zal worden meegestuurd. In tijden van geopolitieke onrust is het des te belangrijker om het gesprek te voeren over de mondiale groei en de impact van inflatie. Wanneer zal de Kamer deze stukken ontvangen?
Zoals gebruikelijk wordt de Kamer via de Geannoteerde Agenda geïnformeerd over de inzet van het Koninkrijk bij de Voorjaarsvergadering van het IMF. Deze inzet wordt naar verwachting eind maart met uw Kamer gedeeld.
De leden van de CDA-fractie geven voorafgaand aan deze vergadering alvast mee dat het lange termijneffect van inflatie meegenomen dient te worden in de discussie. In eerdere inbrengen hebben de leden van de CDA-fractie al vaker een punt gemaakt van het feit dat in Nederland de inflatie langer lijkt door te werken dan in andere landen. Analyses van DNB wijzen er bijvoorbeeld op dat bepaalde factoren, zoals lonen, huren en prijzen, traag maar groots doorwerken in Nederland. Ook zijn er aanwijzingen dat het ruimere begrotingsbeleid heeft bijgedragen aan langdurigere inflatie. Daarnaast zien we dat in periodes van inflatie investeringen vaak het kind van de rekening worden, terwijl juist in dergelijke gevallen behoefte is aan structurele investeringen in het verdienvermogen van de economie. Deelt de minister de analyse dat in tijden van inflatie investeringen vaak onder druk komen te staan, terwijl deze juist essentieel zijn voor het verlagen van structurele inflatiedruk? Op welke wijze borgt het kabinet dat publieke investeringen in bijvoorbeeld infrastructuur, innovatie en energie niet worden uitgesteld in economisch onzekere tijden? Kan de minister zich hard blijven maken voor deze structurele investeringen in de economie?
Afgelopen jaren bleef de inflatie in Nederland langer hoog dan gemiddeld in de eurozone. Dit kwam onder andere vanwege de ontwikkeling van de conjunctuur in Nederland. Zo stegen de lonen ook harder en groeide de economie sterker, wat meer opwaartse druk op de inflatie gaf.
Investeringen in Nederland zijn relatief ongevoelig voor de conjunctuur.8 Het is dus niet zo dat in periodes van inflatie structurele investeringen per definitie in Nederland onder druk staan. Wel is het zo dat sinds 2009 publieke investeringen in Nederland een dalende trend laten zien.
Het kabinet hecht er sterk aan dat we ook in economisch onzekere tijden fors blijven investeren in het structurele verdienvermogen van ons land, waardoor de economie weerbaarder wordt tegen hoge inflatie. Zo investeert het kabinet in het Coalitieakkoord 20 miljard euro in het behalen van de stikstofdoelen, 3,3 miljard euro in startkapitaal voor een Nationale Investeringsinstelling en structureel ruim 1,5 miljard euro per jaar in onderwijs. Het CPB raamt dat de publieke investeringen de komende jaren weer gaan stijgen richting het langjarig gemiddelde.
De leden van de CDA-fractie ondersteunen de inzet van het kabinet om te komen tot verdere integratie van de Europese energiemarkt en het nemen van structurele maatregelen die bijdragen aan een stabiel en toekomstbestendig energiesysteem. Deze leden constateren dat het kabinet zich kritisch opstelt ten aanzien van de gesprekken over het elektriciteitsmarktontwerp.
Tegen deze achtergrond vragen deze leden welke randvoorwaarden voor het kabinet leidend zijn in de onderhandelingen over het elektriciteitsmarktontwerp, in het bijzonder ten aanzien van het behoud van het marginale prijsmechanisme en de vormgeving van eventuele instrumenten zoals een marginale elektriciteitsheffing.
Het marginale prijsmechanisme zorgt voor een efficiënte, betrouwbare en transparante werking van de elektriciteitsmarkt. Dit marktmodel is de meest efficiënte manier om ervoor te zorgen dat de goedkoopste elektriciteit als eerste in de markt wordt geïntegreerd. Ook zorgt het huidige marktmechanisme voor voldoende prikkels voor investeringen in nieuwe schone elektriciteitsproductie. Ingrijpen hierop gaat volgens het kabinet gepaard met risico’s voor de leveringszekerheid, het kan prikkels voor de ontwikkeling van flexibiliteit, zoals opslag, verminderen en het kan leiden tot stijgende prijzen.
Het kabinet ziet bezwaren in het invoeren van een inframarginale heffing, zoals in 2022 in EU-verband is gedaan. In de eerste plaats is dit voorbarig want de huidige prijsstijging is qua ordegrootte niet vergelijkbaar met de enorme prijsstijging in 2022. Een dergelijke heffing, die neerkomt op het afromen van winsten van producenten met terugwerkende kracht, is een zware marktingreep die leidt tot veel investeringsonzekerheid bij marktpartijen en producenten en brengt daarmee risico’s mee voor de leveringszekerheid. Daarnaast is de inframarginale heffing een bijna onuitvoerbaar en complex instrument gebleken, zoals ook blijkt uit de evaluatie die de Europese Commissie hierover heeft uitgevoerd.9
Voorts vragen deze leden hoe het kabinet de Nederlandse inzet in deze discussie positioneert ten opzichte van andere lidstaten. In hoeverre bestaat het risico dat Nederland in deze discussie een geïsoleerde positie inneemt, en hoe wordt voorkomen dat dit de onderhandelingspositie van Nederland verzwakt?
In aanloop naar en tijdens de Europese Raad van 19 maart stond Nederland niet geïsoleerd. Het belang van marktwerking, structurele maatregelen en het behouden van prikkels voor lange termijn investeringen in de productie van schone energie wordt door meerdere lidstaten gedragen. Nederland blijft zich hierover inzetten in nauwe samenwerking met gelijkgezinde lidstaten.
Kamerstuknummer 22112, nr. 4037↩︎
COM(2025) 124; Kamerstukken II 2024-2025, 22 112, nr. 4043.↩︎
https://www.consilium.europa.eu/nl/press/press-releases/2024/04/18/european-council-conclusions-17-and-18-april-2024/; Statement of the Eurogroup in inclusive format on the future of Capital Markets Union - Consilium↩︎
Kamerstukken II 2024-2025, 21 507-07 nr. 2099.↩︎
Kamerstukken II 2024-2025 21 501-20 nr. 2112; Kamerstukken II 2025-2026 22 112 nr. 4293.↩︎
Financial Times, 19 maart 2026 (link); Financial Times, 20 maart 2026 (link)↩︎
https://commission.europa.eu/topics/trade/eu-australia-trade-agreement_en↩︎
Zie EC AMECO database, publieke investeringen als percentage van het bbp en de output gap↩︎