Wijziging van de Leerplichtwet 1969 en enige andere onderwijswetten in verband met het voorkomen en het terugdringen van verzuim in het funderend onderwijs en het beroepsonderwijs (Wet terugdringen schoolverzuim) (36663) (ongecorrigeerd)
Stenogram
Nummer: 2026D14388, datum: 2026-03-26, bijgewerkt: 2026-03-27 09:40, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-03-26 14:55: Wijziging van de Leerplichtwet 1969 en enige andere onderwijswetten in verband met het voorkomen en het terugdringen van verzuim in het funderend onderwijs en het beroepsonderwijs (Wet terugdringen schoolverzuim) (36663) (Plenair debat (wetgeving)), TK
Preview document (🔗 origineel)
Wet terugdringen schoolverzuim
Voorzitter: Krul
Wet terugdringen schoolverzuim
Aan de orde is de behandeling van:
het wetsvoorstel Wijziging van de Leerplichtwet 1969 en enige andere onderwijswetten in verband met het voorkomen en het terugdringen van verzuim in het funderend onderwijs en het beroepsonderwijs (Wet terugdringen schoolverzuim) (36663).
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de Wijziging van de
Leerplichtwet 1969 en andere onderwijswetten in verband met het
voorkomen en het terugdringen van verzuim in het funderend onderwijs en
het beroepsonderwijs, de Wet terugdringen schoolverzuim.
Ik heet de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de
leden van de Kamer en de mensen op de publieke tribune van harte welkom.
Het is wetgeving vandaag en dan mogen we het licht uitdoen. We hebben
het dus een beetje zelf in de hand tot hoe laat we het doen vanavond,
maar ik stel voor om te beginnen met zes interrupties in tweeën, dus
twaalf in totaal. Als dat nou heel goed en soepel verloopt, kunnen we
altijd kijken of we dat kunnen verruimen.
De algemene beraadslaging wordt geopend.
De voorzitter:
Ik wil gelijk beginnen met de eerste spreker van de zijde van de Kamer.
Dat is de heer Ceder, die spreekt namens de ChristenUnie. Aan u het
woord.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Voorzitter. In 2016 stond ik als advocaat een meisje bij. Ik zal haar
voor nu Lydia noemen. We zaten in een kamertje met de Kinderombudsman en
haar moeder, op het kantoor van de Kinderombudsman, met de vraag hoe we
dit kind weer onderwijs konden laten volgen. Dat was namelijk jarenlang
niet gelukt. Dit klinkt makkelijker dan het daadwerkelijk is. Het
gesteggel tussen scholen, Veilig Thuis, een persoonlijke coach, de
Kinderombudsman, de leerplichtambtenaar, de huisarts, de advocaat en
andere instanties was groot. Tussen al deze instanties en het gesteggel
zat een meisje, dat gewoon recht op onderwijs had en dat niet
kreeg.
Het verhaal van Lydia staat niet op zichzelf. Vele, vele kinderen zijn
momenteel zonder onderwijs thuis. De schattingen variëren. De
conservatieve officiële cijfers gaan uit van ongeveer 18.000, maar
oudervereniging Balans heeft berekend dat er wel 70.000 thuiszitters in
Nederland zijn: 70.000 kinderen en jongeren die noodgedwongen geen
onderwijs kunnen volgen. De urgentie om voor deze kinderen en jongeren
op te komen wordt breed in de Kamer gedeeld. Sowieso is elke leerling
die noodgedwongen geen onderwijs kan volgen er een te veel.
Voorzitter. Vandaag spreken we over het wetsvoorstel Terugdringen
schoolverzuim. De punten die in het wetsvoorstel staan, zijn belangrijk.
Maar eerlijk gezegd is dit niet een voorstel waarvoor bij de
ChristenUniefractie de vlag uit gaat. Veel liever had ik nu namelijk
gesproken over voorstellen die veel meer doen voor jongeren en kinderen
die thuiszitten. De kritiek op het wetsvoorstel wordt kernachtig
verwoord in het advies van de Raad van State: "Gezien de complexiteit
van de problematiek van thuiszitters mogen niet al te hoge verwachtingen
worden gekoesterd van het effect van verplichtingen inzake verzuimbeleid
en -registratie." Ook in vele brieven die we als parlement over dit
wetsvoorstel hebben gekregen, is dit een rode draad: betere
verzuimregistratie gaat niet veel bijdragen aan het oplossen van de
problematiek.
Voorzitter. Let wel, een school hoort zijn verzuimbeleid op orde te
hebben. Veel basisscholen hebben geen beleid dat gericht is op
zorgwekkend ziekteverzuim, zo liet onderzoek zien. Dat is niet goed. Dat
moet beter. Wat dat betreft is het goed als het wetsvoorstel ervoor
zorgt dat de registratie beter op orde komt en er betere opvolging aan
verzuim wordt gegeven. Hoeveel kinderen en jongeren krijgen er nu geen
onderwijs? Het antwoord is dat we het eigenlijk niet weten. Dat bleek al
uit de fors uiteenlopende schattingen die ik net noemde. Het
wetsvoorstel zou eraan moeten bijdragen om dit beter in beeld te
krijgen, maar slaagt het wetsvoorstel daar daadwerkelijk in? Daarover
heb ik twee vragen.
Verwacht de regering dat alle kinderen en jongeren die noodgedwongen
geen of geen volwaardig onderwijs krijgen middels dit wetsvoorstel nu
wel zichtbaar worden? Welke groepen blijven nog onzichtbaar? Dan denk ik
bijvoorbeeld aan kinderen die onderwijs krijgen via dagbesteding of
zorglocaties, of die ingeschreven staan bij een residentiële instelling.
Hoe gaat het wetsvoorstel om met leerlingen die geen of minder onderwijs
krijgen via de Beleidsregel afwijken onderwijstijd? Worden deze hiermee
in beeld gebracht?
Dan over het doel en de effecten van het wetsvoorstel. De regering hoopt
dat scholen en samenwerkingsverbanden met dit wetsvoorstel beter in
positie worden gebracht om verzuim te voorkomen en te verminderen. Ik
vrees helaas dat dit effect beperkt gaat zijn. Om echt te voorkomen dat
kinderen geen onderwijs volgen, is wat ons betreft namelijk echt een
fundamenteel andere aanpak nodig. Verzuim voorkomen vraagt om inzetten
op preventie. Het gaat erom dat er schoolbreed, van mentor tot
conciërge, wordt ingezet op preventie, dat er oprecht oog is voor
leerlingen en dat ze zich veilig voelen. Op het moment dat een leerling
eenmaal uit het schoolsysteem valt, zie je dat het gewoon heel lastig is
om weer aan te haken. Daarom is preventie zo belangrijk.
Kan de staatssecretaris uiteenzetten welk effect ze nu precies van het
wetsvoorstel verwacht? Kan ze haar verwachting ook onderbouwen? Hoe
wordt voorkomen dat het niet enkel een kwestie wordt van vinkjes zetten
door scholen en andere partijen? Verwacht de staatssecretaris dat dit
wetsvoorstel daadwerkelijk leidt tot een schoolbrede inzet om verzuim te
voorkomen en te verminderen? Hoe wordt geborgd dat er niet een
data-uitwisselingscircus ontstaat, terwijl een individueel kind er aan
het einde van de dag geen tot weinig baat bij heeft?
Voorzitter. Hoe voorkomt de staatssecretaris dat er een negatieve druk
op ouders en leerlingen ontstaat? Ik noem bijvoorbeeld de dreiging van
een melding bij Veilig Thuis of strafrechtelijke handhaving door de
leerplichtambtenaar, terwijl dat er in veel situaties echt niet voor
gaat zorgen dat een kind wel onderwijs kan volgen. Graag een
reflectie.
Voor preventie is in dit wetsvoorstel wat ons betreft nog te weinig
aandacht. Daarom heb ik een amendement ingediend dat regelt dat een
school ook in het verzuimbeleid duidelijk maakt hoe het schoolverzuim en
uitval wil voorkomen. Preventieve maatregelen zijn van groot belang. Dit
wetsvoorstel regelt daar momenteel nog niets voor. Dit amendement zorgt
voor een kleine maar fundamentele aanvulling op dit punt, omdat scholen
dan echt gaan nadenken en handelen wat betreft preventie. Ik hoor dan
ook graag de appreciatie van de staatssecretaris met betrekking tot dit
amendement.
In dit wetsvoorstel is nog steeds een strikt onderscheid tussen
geoorloofd en ongeoorloofd verzuim.
De heer Kisteman (VVD):
Als het goed is, ging dit over het amendement-Ceder op stuk nr. 11.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Vast wel.
De heer Kisteman (VVD):
Het gaat er in ieder geval om dat de heer Ceder vraagt om de
aanwezigheid van scholieren te stimuleren. Hij vraagt hoe scholen
langdurig verzuim gaan voorkomen. Uit de internetconsultatie is juist
naar voren gekomen dat we dit niet moeten doen. Daarom is dit uit de wet
geschrapt. Waarom wil de heer Ceder dit alsnog toevoegen aan deze
wet?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik heb in mijn inleiding aangegeven dat wij ervoor willen zorgen dat het
verzuim teruggedrongen wordt. Dat willen we volgens mij allemaal, de
heer Kisteman ook. Daarvoor is registratie belangrijk. Dat regelt dit
wetsvoorstel. Daar ben ik blij mee. Tegelijkertijd ben ik kritisch. Die
kritiek is niet nieuw. Die wordt ook niet alleen niet alleen door mij
geuit. Die wordt breed gedeeld door betrokken partners.
Een van de punten is als volgt. Scholen kunnen registeren. De
verwachting is echter dat als we niet wettelijk neerleggen dat scholen
nadenken over hoe ze preventie kunnen regelen, daar met elkaar het
gesprek over voeren en daar vervolgens op handelen, we met de invoering
van deze wet niet alleen te weinig regelen, maar dat dan zelfs de druk
op scholen groter wordt — want dit vraagt toch weer om papierwerk — en
dat de negatieve gevolgen daarvan uiteindelijk bij ouders en leerlingen
terechtkomen. Ik voel me daarom gesterkt door het werkveld, dat juist
aangeeft dat het belangrijk is om preventie erin te leggen, omdat dit te
weinig doet. Ja, er zijn scholen die bezig zijn om dat te doen, maar als
je het niet wettelijk verplicht, zal niet elke school dat doen. Het
getal van 70.000 is in een land als Nederland voor mij te fors om deze
omissie buiten beschouwing te laten.
De voorzitter:
Het mag bondiger, meneer Ceder. Een vervolgvraag.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Excuses, voorzitter, maar het is een belangrijk punt. Dat is de reden
waarom ik het heb ingevoegd.
De voorzitter:
Maar we gaan nu even luisteren naar de vervolgvraag, met uw
goedvinden.
De heer Kisteman (VVD):
Die 30 seconden werkten gisteren toch best goed; ik moest even aan ons
commissiedebat van gisteren terugdenken.
Is de heer Ceder er niet bang voor dat dit juist voor een enorme
stapeling aan regels gaat zorgen voor het onderwijs, terwijl we dat
juist willen voorkomen? De ChristenUnie vindt het ook heel belangrijk om
dat te voorkomen. Is de heer Ceder niet bang dat je door dit in de wet
vast te leggen — wij hebben het er juist speciaal uit gehaald — juist
zorgt voor onnodige regels?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Nee, daar ben ik het zeer mee oneens. Ik vind het niet onnodig om na te
denken over hoe je uitval kan voorkomen. Sterker nog — misschien ga ik
nu badinerend zijn richting de ambtenaren; dat wil ik niet — ik zou
bereid zijn om dit hele wetsvoorstel achterwege te laten, als ik dit
punt er maar doorheen zou krijgen. Zo belangrijk vind ik het. We zien
namelijk dat we het, door te weinig effectief te handhaven op het
voorkomen van verzuim, mogelijk hebben gemaakt dat 70.000 kinderen — dat
is gewoon een kleine stad — momenteel thuiszitten. Door dit niet te
verplichten, hebben scholen eigenlijk te veel vrijheid op dit
punt.
Ik ben het met de heer Kisteman eens dat dit niet een circus aan regels
en administratie moet worden. Daarom heb ik mijn amendement zo ingericht
dat het heel clean aangeeft dat hier in het plan aandacht aan moet
worden besteed. Daarmee dwing je scholen om het gesprek aan te gaan. Ik
heb nadrukkelijk en expres geen nadere verplichting neergelegd ten
aanzien van de vraag hoe dat vervolgens uitgevoerd moet worden, omdat
anders inderdaad de regeldruk wordt verhoogd. Ik ben het dus eens met uw
punt dat de hoeveelheid administratie en de regeldruk niet te groot
moeten worden, maar juist daarom heb ik het ook zo clean mogelijk
geformuleerd.
De voorzitter:
Dit was in ieder geval 20 seconden korter dan het vorige antwoord, maar
het was nog steeds anderhalve minuut. De heer Kisteman heeft weer een
vervolgvraag.
De heer Kisteman (VVD):
Dit is de laatste, voorzitter. Het is precies zoals de heer Ceder zegt:
het doel, het idee, is om niet voor te veel regeldruk te zorgen. Maar ik
krijg toch het idee dat dit amendement daar wel voor gaat zorgen. Ik
kijk dan even naar het verkiezingsprogramma van de ChristenUnie: "We
hebben een dienstbare overheid." "Geen onnodige regelruk." "(…)
voorkomen dat mensen worden overladen met onnodige regeldruk." "De
overheid reduceert de regeldruk." Jullie noemen het meerdere malen;
volgens mij staat het er zelfs vaker in. Nu komt u toch met een
amendement en hoopt u dat het niet voor extra regeldruk gaat zorgen,
maar dat lijkt wel het geval te zijn.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik snap de poging van de heer Kisteman om een goeie discussie op gang te
krijgen. Ik ben het ermee eens dat je niet te veel regeldruk moet
hebben. Maar laten we 'm afpellen. Ik voel me hierin ook gewoon gesteund
door het maatschappelijk veld, dat al vaker pijnpunten ten aanzien van
dit wetsvoorstel heeft neergelegd. Het veld geeft aan dat als je verzuim
registreert zonder ook maatregelen te nemen om dat te voorkomen, je aan
het eind van de dag te weinig dan wel niets doet voor die 70.000
kinderen. Je kan ze dan wel in beeld hebben, maar als je vervolgens geen
beleid hebt om verzuim te verminderen, staan we hier volgend jaar
opnieuw. Dat willen we voorkomen. Maar u heeft gelijk: dat moet regelluw
gebeuren. Volgens mij voorziet mijn amendement daar juist in. Volgens
mij voegen we maar één regel toe. We laten scholen vrij om het verder in
te vullen.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ik sluit even bij deze discussie aan, omdat die best wel fundamenteel
is. Het amendement-Ceder waarnaar verwezen wordt, zegt dat er gestuurd
moet worden op aanwezigheid en het voorkomen van verzuim. De zorg die ik
daarbij heb — die zorg heb niet alleen ik, maar ook een groot deel van
het veld, waaronder ouderorganisaties; daarom is de wet ook aangepast —
heeft te maken met het feit dat sturen op aanwezigheid niet past bij
kinderen die het bijvoorbeeld nodig hebben om vanuit huis, via een
computerverbinding of anderszins, onderwijs te krijgen. Dat sturen op
verzuim past niet bij de visie die we hebben op passend onderwijs,
waarbij men zich juist moet richten op het vinden van een passende plek,
in plaats van alleen maar op dwang en drang richting verzuim. Ziet de
heer Ceder deze bezwaren van ouders ook?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik begrijp het, maar ik ben het er niet mee eens, omdat dat niet het
doel is van dit amendement. Wat wij proberen te doen, is het volgende.
Als we scholen verplichten om te registreren hoe het verzuim in elkaar
steekt, geven we ook de opdracht mee om met elkaar na te denken en in
overleg te treden over hoe je dat recht op onderwijs kan borgen. Ik denk
dat dat heel erg nodig is. Ik ben het met mevrouw Rooderkerk eens dat
dat in de meeste gevallen, vrijwel alle gevallen, door fysiek onderwijs
op school is, maar er zijn ook situaties — daar ga ik nog nader op in in
mijn tekst — waarin het recht op onderwijs op een andere manier ingevuld
zou moeten worden, dan wel tijdelijk, dan wel langer. Denk aan digitaal
onderwijs als je in een residentiële instelling zit. Die vraag heb ik
net ook aan de staatssecretaris gesteld. Ik ben het dus met u eens dat
je daar ruimte voor moet laten. Ik ben wel van mening dat ik die ruimte
ook laat door hoe ik dat nu omschreven heb. Als ik hiermee wat ruis kan
weghalen: het is geenszins mijn bedoeling dat het einddoel is om
aanwezigheid te stimuleren. Het einddoel is om het recht op onderwijs,
dat kinderen hebben, te borgen. Er zijn uitzonderingen of situaties
waarbij dat niet kan door fysiek aanwezig te zijn, maar ook dan heeft
een school een opgave om erover na te denken. Die opgave om na te denken
leg ik in de wet vast, want we zien dat die opgave om na te denken er
helaas niet toe geleid heeft dat het aantal thuiszitters verminderd is,
maar juist dat die explosief toegenomen is.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dank voor deze reactie. We delen inderdaad het belang van het recht op
onderwijs, dat er nu feitelijk niet is — er zitten namelijk heel veel
kinderen thuis — maar ook wettelijk niet. We doen daar zelf ook
voorstellen voor. Ik denk dat het heel belangrijk is dat we elkaar als
Kamer daarin vinden en kijken wat de beste manier is. Sturen op
aanwezigheid of verzuim terugdringen lijkt mij echter een lastige route,
omdat je daarmee dus heel erg de nadruk op die punten legt en niet op
het aanpassen van de school of op een plek in de regio voor het kind,
wat natuurlijk vaak wel nodig is om ervoor te zorgen dat een kind mee
kan doen aan het onderwijs. Zo zullen wij de amendementen bekijken. Ik
denk dat we met elkaar moeten zoeken naar de beste manier om dat ook in
de wet goed te regelen.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik ben het eens met mevrouw Rooderkerk dat scholen ook moeten nadenken
over hoe je passend onderwijs of onderwijs op afstand mogelijk moet
maken. Ik ben wel van mening dat het amendement dat wetstechnisch niet
uitsluit. Volgens mij verplicht het om na te gaan denken. Dat klinkt
gek, maar kennelijk zien we dat de negatieve effecten momenteel te fors
zijn om dit niet in de wet te borgen. Ik ben het met u eens dat het niet
alleen om fysieke aanwezigheid gaat. Het is wel zo dat het merendeel van
de kinderen die leerplichtig zijn wel degelijk fysiek op school aanwezig
kunnen zijn, maar dat veronderstelt niet dat dat ook geldt voor de groep
waar u het over heeft, waar ik ook vaak op werkbezoek ben geweest, ook
vanuit mijn portefeuille Jeugdzorg. Ik begrijp dat ook. Ik heb er ook
voor gepleit om dat op meerdere manieren mogelijk te kunnen maken,
bijvoorbeeld met digitaal onderwijs in jeugdinstellingen.
De voorzitter:
Ja. De heer Ceder vervolgt zijn betoog.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik ben het dus met u eens. Als u daar nog over wil sparren, dan sta ik
daarvoor open. Ik hoop hiermee even goed de tijd genomen te hebben om te
kunnen betogen wat ik hiermee bedoel …
De voorzitter:
Zeker.
De heer Ceder (ChristenUnie):
… omdat het ook voor mij een best fundamenteel punt is.
De voorzitter:
U heeft nog negen minuten van uw indicatieve spreektijd, dus u heeft nog
voldoende tijd om dat punt nog een keer te maken.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel dat u dat nog even onder de aandacht brengt,
voorzitter.
Voorzitter. Ik kom op het volgende punt. In het wetsvoorstel is ook nog
steeds een strikt onderscheid opgenomen tussen geoorloofd en
ongeoorloofd verzuim, wat niet altijd helpt. Als het gaat om
ongeoorloofd verzuim is actie op individueel niveau geborgd en wordt dat
middels dit wetsvoorstel zelfs aangescherpt, maar wat is wettelijk
geborgd voor kinderen die geoorloofd verzuimen door bijvoorbeeld ziekte?
Het opstellen van een ontwikkelingsperspectief is niet verplicht en er
hoeft geen melding plaats te vinden bij de inspectie of bij leerplicht
voor afwijkende onderwijstijd, terwijl de kinderen misschien wel aan
onderwijs kunnen deelnemen, bijvoorbeeld via afstandsonderwijs. Is het
dan niet beter dat scholen in alle gevallen van verzuim een
ontwikkelingsperspectief zouden moeten opstellen of op z'n minst zouden
moeten aanbieden aan ouders of leerlingen? Waarom wordt bijvoorbeeld
niet vastgelegd dat ook jeugdgezondheidszorg een rol kan hebben bij
vroegtijdse begeleiding, zoals onderdeel is van de MAZL-methodiek? En is
er voldoende capaciteit bij de jeugdgezondheidszorg, zodat er goede
opvolging kan plaatsvinden als dat nodig is?
Ook merk ik op dat het wetsvoorstel nog erg uitgaat van aanwezigheid
binnen het schoolgebouw. Voor veruit de meeste leerlingen is dat
inderdaad het geval, maar zoals mevrouw Rooderkerk terecht aanstipt,
zijn er ook leerlingen die erg gebaat zouden zijn bij op een andere
manier onderwijs kunnen krijgen, bijvoorbeeld via afstandsonderwijs. Dan
denk ik bijvoorbeeld ook aan kinderen met PAIS of longcovid. Erkent de
staatssecretaris dat om het aantal thuiszitters echt te verminderen, er
ook veel meer op onderwijsdeelname moet worden gefocust in plaats van op
aanwezigheid in het schoolgebouw? Welke inzet hierop kunnen we van de
staatssecretaris verwachten? Ik benadruk nogmaals dat mijn amendement
juist op deze categorie inspeelt en daarin voorziet.
Graag zou ik ook deze nieuwe staatssecretaris op het hart willen drukken
hoe belangrijk het is om oog te hebben voor de onzichtbare groep
kinderen en jongeren met PAIS. Ik hoop op een snelle uitvoering van de
eerder aangenomen motie over duidelijke richtlijnen en mogelijk
knellende wet- en regelgeving. Gaat u snel in gesprek met deze kinderen
en de organisaties die de kinderen vertegenwoordigen, en ervoor zorgen
dat deze kinderen in hun moeilijke situatie zo goed mogelijk onderwijs
kunnen volgen, ook als er wet- en regelgeving voor moet worden
aangepast?
Deze fundamentele aandachtspunten zijn niet middels een aantal simpele
amendementen in de wetgeving aan te brengen. Geloof me, ik heb het
geprobeerd. Ze geven wel de koers aan die volgens de ChristenUnie
ingeslagen moet worden. Ik zou die opdracht graag aan het kabinet willen
geven, omdat er een systematiek en samenhang aan wetten gewijzigd zou
moeten worden om dat wetstechnisch goed te kunnen borgen. Zolang deze
losse eindjes er nog zijn, vraag ik me af of het goed is om dit
wetsvoorstel, als het wordt aangenomen, direct in werking te laten
treden. Laat het duidelijk zijn: de ChristenUnie is niet tegen het
wetsvoorstel als zodanig, maar vraagt zich af of het niet beter is om
eerst de andere zaken, die wat ons betreft meer prioriteit hebben, aan
te pakken. Daarmee sluit ik ook aan bij het interruptiedebat dat ik met
mevrouw Rooderkerk heb gehad, want volgens mij delen we daarin dezelfde
zorg. Ik heb hierop een amendement ingediend met een uitgebreide
toelichting. Ik ben namelijk niet tegen de wet, maar deze zaken moeten
we met elkaar wel nog even goed hernemen, voordat de wet in werking
treedt, omdat het een met het ander verband houdt. Ik hoop dat de
staatssecretaris bij haar appreciatie uitvoerig ingaat op de
afwegingen.
Voorzitter. Voor nu licht ik nog de twee laatste amendementen toe en
daarna heb ik nog twee gerichte vragen. Het amendement dat ik heb
ingediend, regelt dat de tussenevaluatie binnen drie jaar na de
inwerkingtreding wordt uitgevoerd. Juist gezien de verwachtingen en de
zorgen rondom het wetsvoorstel en omdat het wel enigszins regeldruk
veroorzaakt — dat merkte de heer Kisteman al terecht op — vinden we het
belangrijk om de vinger aan de pols te houden. Ik begrijp dat drie jaar
te kort is voor een uitgebreide evaluatie, maar ik vind het wel
belangrijk dat de Kamer wordt geïnformeerd, zodat ze eventueel kan
bijsturen waar nodig, juist omdat het precair is. Ik ben ook benieuwd
naar de appreciatie van dit amendement.
Ik heb ook nog een derde amendement ingediend. De Raad van State wijst
er onder meer op dat het belangrijk is om hoofdelementen van
gegevenslevering op wetsniveau te regelen. Ik vind dat dit onvoldoende
gebeurd is in dit wetsvoorstel, terwijl het wel gaat om
persoonsgegevens, waarmee je zorgvuldig moet omgaan. Het gaat ook om de
gegevens van minderjarigen. Dit amendement zorgt voor een
voorhangbepaling voor de AMvB die de regels stelt voor de
gegevenslevering en zet de bewaartermijn op wetsniveau op drie jaar.
Graag een reactie van de staatssecretaris hierop. Het viel mij op, omdat
ik toevallig ook woordvoerder Digitale Zaken ben en daardoor zie en
scherp heb waarom dit belangrijk is in het kader van de afspraken die we
met elkaar hebben gemaakt ten aanzien van digitale
gegevenslevering.
Voorzitter, tot slot. Het wetsvoorstel regelt dat de school naast een
melding ook het signaal zorgelijk verzuim naar de leerplichtambtenaar
kan sturen. Het is echter onduidelijk wat precies het verschil is
hiertussen. Ook de Raad van State wees hierop. Voor een melding moet er
een minimum van zestien uur of meer ongeoorloofd verzuim binnen vier
weken zijn. De school kan nu zelf bepalen wanneer die een melding doet.
Dat zou in theorie kunnen betekenen dat de leerplichtambtenaar al vanaf
één uur ongeoorloofd verzuim een strafrechtelijke procedure zou kunnen
starten. En ja, de regering erkent dit. Toch kan ik me niet voorstellen
dat in de meeste gevallen de strafrechtelijke weg de meest passende weg
is, terwijl die dreiging nu bij een signaal wel boven de markt blijft
hangen. Klopt het dat dit wetsvoorstel gewoon regelt dat de school in
feite kan bepalen voortaan eerder een melding te doen dan bij die
zestien uur? Kan de staatssecretaris meer duiding geven van de bedoeling
van het signaal? Is de verwachting van de staatssecretaris dat dit zal
leiden tot meer strafrechtelijke procedures? Of is het veel meer de
bedoeling om vroegtijdig verzuim te registreren, zodat de juiste zorg en
begeleiding vroegtijdig op gang kunnen komen? Ik ga ervan uit dat dat
laatste het geval is, maar ik hoor graag wat meer duiding van de
staatssecretaris.
Voorzitter, met nog drie minuten op de klok ben ik klaar.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Ceder. De volgende spreker van de zijde van de Kamer
is de heer Kisteman, die spreekt namens de fractie van de VVD. Het woord
is aan u.
De heer Kisteman (VVD):
Voorzitter. Op school leer je rekenen, spreken en schrijven, hoe de
wereld en ons land in elkaar steken, hoe je omgaat met anderen en nog zo
veel meer. Daarom zeggen we bij de VVD dat het onderwijs een springplank
is naar een mooie toekomst. Je ontdekt wie je bent, wat je kunt en waar
je heen wil met je leven. Naar school gaan is dus meer dan een
leerplicht; het is een kans om te groeien, om te leren en om vol op de
springplank te springen richting een mooie toekomst. Het is nog mooier
als je onderwijs volgt op een school bij jou in de buurt, bijvoorbeeld
in je wijk of in je dorp. Het is namelijk goed voor de sociale
ontwikkeling van kinderen als ze naar school gaan in de buurt waarin ze
wonen.
Volgens de wet moet elke gemeente in Nederland openbaar onderwijs
aanbieden. Daarnaast hebben ouders in Nederland de keuze om hun kinderen
naar het bijzonder onderwijs te laten gaan. In theorie zou je zeggen dat
er voor elk kind een passende school in de omgeving te vinden is en dat
alle kinderen naar school kunnen gaan. Hoewel de exacte cijfers
ontbreken — de heer Ceder refereerde daar al aan — zitten ongeveer
70.000 kinderen thuis. Dat vindt de VVD echt veel te veel en dat is ook
onnodig in ons onderwijssysteem. Het is daarom goed dat we vandaag de
Wet terugdringen schoolverzuim behandelen. Inhoudelijk heeft mijn
fractie geen bezwaren tegen de wet die nu voorligt, maar wij vragen ons
wel af of die de hoeveelheid thuiszitters gaat oplossen. Onder de grote
groep thuiszitters zit namelijk een groep kinderen waarvan de ouders
richtingsbezwaren hebben. Deze ouders vinden dat er geen school is in de
omgeving die aansluit bij hun levensbeschouwelijke opvattingen.
In april 2025 kwam het bericht naar buiten dat ouders die hun kinderen
ongeoorloofd thuislaten vanwege richtingsbezwaren niet meer worden
vervolgd door het Openbaar Ministerie. In 2014 zaten ruim 600 kinderen
thuis vanwege richtingsbezwaren. Dat liep op naar 2.500 in 2024. Het is
niet zo dat deze ouders daadwerkelijk richtingsbezwaren hebben. Het
excuus "richtingsbezwaar" wordt namelijk misbruikt als haakje om
thuisonderwijs te kunnen geven. Hoewel mijn fractie begrip kan opbrengen
voor de argumenten van het OM, is het niet vervolgen van dit soort
gevallen wat de VVD betreft totaal verkeerd. Mijn fractie ontvangt ook
signalen dat het OM überhaupt niet meer overgaat tot vervolging van
ouders als zij hun kind onterecht thuislaten. Mijn eerste vraag aan de
staatssecretaris is dan ook: klopt dit? Is het zo dat het OM heeft
besloten om geen enkele ouder meer te vervolgen als zij hun kind
ongeoorloofd thuislaten? En als dit zo is, wat is dan het nut van de
leerplicht? En als het OM niet meer tot vervolging overgaat, wie gaat
dan handhaven?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Het klopt dat er momenteel een lacune in de wet zit als het gaat om
thuisonderwijs. Het kabinet is al een tijdje bezig om dat te repareren.
Ik hoop dat we dat deze periode kunnen behandelen. Maar volgens mij
maakt de VVD wel een redenatiefout. Er zijn twee categorieën. Het zijn
er eigenlijk drie, maar ik houd het even bij twee. Ik wil kijken of de
heer Kisteman het met mij eens is. Thuisonderwijs veronderstelt niet dat
iemand geen onderwijs krijgt. Ik heb net in mijn bijdrage het aantal van
70.000 kinderen genoemd. Dat zijn kinderen die thuiszitten zonder een
vorm van onderwijs. Zij willen heel graag onderwijs krijgen, maar zitten
om wat voor reden dan ook thuis zonder onderwijs. U heeft mijn betoog
net gehoord. Dat is kwalijk. Zij moeten onderwijs krijgen. Maar er zit
een vermenging in het betoog van de heer Kisteman die ik qua redenatie
best ingewikkeld vind. Hij vermengt twee groepen: kinderen die
thuiszitten en kinderen die thuisonderwijs krijgen. Mijn vraag is:
erkent de heer Kisteman dat kinderen die thuisonderwijs krijgen, mits ze
aan voorwaarden voldoen, wel degelijk onderwijs krijgen en dat dat een
andere categorie is dan thuiszitters? Dat zeg ik ook in het kader van de
zuiverheid van het debat dat we vandaag voeren.
De heer Kisteman (VVD):
Ik snap die vraag zeker. In die groep met richtingsbezwaren zitten
kinderen die wel en kinderen die geen thuisonderwijs krijgen. Dat is een
grijs gebied. Het is moeilijk te zien of het klopt dat zij
richtingsbezwaren hebben en of zij wel of geen thuisonderwijs krijgen.
Het OM heeft gezegd: we gaan dat niet meer onderzoeken; we stoppen
daarmee. Daar hebben wij vragen over. Het is dus een grijs gebied. Ik
snap de vraag van de heer Ceder zeker.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dat grijze gebied zit 'm volgens mij in de mate waarin mensen die thuis
onderwijs krijgen — want dat krijgen ze — kwalitatief hoogwaardig
onderwijs krijgen. Dat vind ik een legitieme vraag. Wat geen grijs
gebied is, is het verschil tussen aan de ene kant de kinderen die
thuiszitten, waarbij zowel de ouders als het kind zelf willen dat er
onderwijs wordt gegeven, en aan de andere kant de kinderen die onderwijs
krijgen van ouders of op een andere manier; die krijgen dus wel degelijk
onderwijs. Ik denk dat die ouders het ook belangrijk vinden dat dat
verschil gemaakt wordt, want het gaat om twee verschillende groepen. De
ene groep vraagt namelijk om ander beleid dan de andere. Mijn vraag is
dus of de heer Kisteman het ermee eens is dat dit twee verschillende
groepen zijn, die daardoor ook twee verschillende vormen van beleid
nodig hebben.
De heer Kisteman (VVD):
Ik snap die vraag. Ik ga verderop in mijn betoog ook in op die grote
groep thuiszitters die wat ons betreft naar school zouden moeten kunnen
in hun omgeving. Ook belangrijk vinden wij echter die groep met
richtingsbezwaren die eigenlijk onterecht thuisonderwijs krijgt. Daarvan
zeggen wij: zorg er nou voor dat iedereen zo veel mogelijk samen naar
school kan, zodat zij samen onderwijs kunnen krijgen en zich samen
kunnen ontwikkelen. Het zijn deels twee verschillende groepen. Het is
een grijs gebied, maar we vinden het wel belangrijk om dat vandaag te
benoemen.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Afsluitend wil ik toch zeggen dat ik wil voorkomen dat dit debat niet
gaat over de groep waar we het vandaag over zouden moeten hebben, dus
dat het debat gekaapt wordt en er vermenging plaatsvindt. We hebben twee
jaar geleden een rondetafelgesprek gehad over thuiszitters en
thuisonderwijs. Volgens mij was de heer Kisteman toen nog geen Kamerlid.
Dat was juist bedoeld om te voorkomen dat we in dit soort warrige
discussies belandden. Ik wil voorkomen dat we dat nu hier plenair gaan
doen en dat er na afloop best wat mensen zijn die zeggen: weet de Kamer
waar ze het met elkaar over hebben? Ik stel dus nogmaals de volgende
vraag, los van hoe we er ideologisch in staan. Is de heer Kisteman het
ermee eens dat de groep die thuiszit, die geen onderwijs krijgt maar die
dat wel graag zou willen, een andere groep, een andere categorie, is dan
de groep kinderen die wél onderwijs krijgt? Dat onderwijs wordt
misschien niet in een gemeenschappelijke setting gegeven, maar ze
krijgen wel degelijk onderwijs. Bent u het er in ieder geval mee eens
dat dat twee verschillende groepen zijn?
De heer Kisteman (VVD):
Ik snap de vraag van de heer Ceder zeker. Verderop ga ik ook in op dat
andere stuk. Maar ik val in herhaling: ik snap dat er verschil is, maar
er is ook een grijs gebied. We weten niet of die kinderen met
richtingsbezwaren die thuiszitten allemaal wel onderwijs krijgen.
Volgens mij is dit een goed moment om dat te benoemen, want het blijft
een heel belangrijk onderwerp.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.
De heer Kisteman (VVD):
Voorzitter. Ook de leerplichtambtenaren geven aan minder of geen
aandacht te geven aan de leerlingen die thuiszitten vanwege
richtingsbezwaren. Mijn vraag aan de staatssecretaris is dan ook hoe zij
hiertegen aankijkt. Wordt dit voor ouders een vrijbrief om hun kinderen
niet meer samen naar school te laten gaan? Wat gaat de staatssecretaris
hieraan doen? Is de staatssecretaris het ook met mijn fractie eens dat
het voor kinderen gewoon het beste is als ze samen naar school gaan,
zodat hun sociale vaardigheden worden ontwikkeld?
Voorzitter. Dan naar een thema dat het probleem van de thuiszitters zou
moeten oplossen. Ik verwees er net al naar: de samenwerkingsverbanden
passend onderwijs. Deze moeten zorgen voor een samenhangend geheel van
ondersteunende voorzieningen binnen en tussen de scholen. Leerlingen
kunnen dan een ononderbroken ontwikkelingsproces doormaken en leerlingen
die extra ondersteuning nodig hebben, krijgen een zo passend mogelijke
plaats in het onderwijs. Samenwerking is een voorwaarde voor
schoolbesturen om hun zorgplicht waar te kunnen maken, en daarmee ook
een voorwaarde voor het succes van passend onderwijs. Ook dit klinkt in
theorie heel goed, maar de praktijk geeft toch wel andere signalen af.
De onderwijsinspectie concludeerde in 2025 dat 7 van de 28 onderzochte
samenwerkingsverbanden een onvoldoende scoorden. Een groot probleem was
het ontbreken van een dekkend aanbod van passend onderwijs.
Voorzitter. Ik heb veel ouders van hoogbegaafde kinderen gesproken.
Velen van hen lopen vast. Scholen verwijzen naar de
samenwerkingsverbanden; samenwerkingsverbanden erkennen het probleem
niet en het kind komt thuis te zitten. Maar dit gaat verder dan een zoon
of dochter die thuiszit. Ouders gaan er mentaal aan onderdoor, komen
zelf ziek thuis te zitten en raken soms hun baan kwijt. Ouders moeten
zelfs verhuizen om hun kind het passende onderwijs te kunnen laten
volgen dat het nodig heeft. In het regeerakkoord is afgesproken dat we
meer gaan kijken naar wat kinderen nodig hebben om zich te ontwikkelen
en dat we flexibeler omgaan met kinderen die dreigen uit te vallen.
Daarnaast stimuleren we dat er in elke regio voldoende
hoogbegaafdheidsonderwijs is. Mijn vraag aan de staatssecretaris is hoe
zij dit voor zich ziet en hoe ze het gaat uitwerken.
Daarnaast is recent het rapport Over de lijnen en grenzen aan
vrijblijvendheid naar buiten gekomen, een advies aan het Overkoepelend
Netwerk Samenwerkingsverbanden. In dit rapport staan heel veel adviezen.
Een daarvan is: versterk de positie van de samenwerkingsverbanden in de
route naar inclusie tot 2035 en hef ze daarna als construct op. Ik wil
hier geen debat passend onderwijs van gaan maken, maar de vele
thuiszitters hebben hier natuurlijk wel iets mee te maken. Mijn vraag
aan de staatssecretaris is dan ook: is zij bekend met dit rapport en het
advies en hoe reflecteert zij hierop?
Daar wou ik het bij laten.
De voorzitter:
U heeft toch nog een interruptie.
De heer Kisteman (VVD):
Ik dacht: ik zeg het even.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Als ik zo de heer Kisteman hoor met veel terechte punten, dan zou ik
bijna denken: wat zou het toch handig zijn als je partij de
bewindspersoon levert. Ik tel in ieder geval sinds 2015, de invoering
van de Wet passend onderwijs, met mevrouw Tielen erbij volgens mij de
vijfde bewindspersoon op dit vlak. Mijn vraag aan de VVD is: wat gaat de
VVD de komende tijd dan anders doen als we moeten constateren dat het
aantal thuiszittende leerlingen zo enorm is gestegen?
De heer Kisteman (VVD):
Dat is een terechte vraag. Ik denk dat we het met elkaar eens zijn dat
het idee van het passend onderwijs in theorie een goed idee is. Op
papier klopt het, alleen is de praktijk anders. De heer Ceder zei dat ik
nog geen Kamerlid was, maar ik was in ieder geval nog geen woordvoerder
Onderwijs. Ik ben daar ingedoken. Ik heb daarnaar gekeken. Ik heb veel
mensen gesproken. Het gaat niet overal goed met de manier van
samenwerkingsverbanden in het passend onderwijs. Ik denk dat we daar
kritisch naar mogen kijken. Waarom werkt het niet? Wat kan er anders?
Moet alles via het samenwerkingsverband of kan het op een andere manier?
U heeft zelf nog een keer een motie ingediend over de ernstig meervoudig
beperkte kinderen. Moet dat gefinancierd worden via het
samenwerkingsverband, of zouden we die scholen zelf rechtstreeks moeten
financieren? Ik denk dat we daar een goede discussie over kunnen voeren.
Ik wilde er vandaag een aanzet toe geven. We krijgen het commissiedebat
Passend onderwijs natuurlijk nog, maar volgens mij kunnen we hier best
wel kritisch op zijn.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Mijn vraag is niet welke discussies we nog meer gaan voeren. Volgens mij
weten we al heel goed hoe het anders zou moeten. Ik verwees niet voor
niets naar de invoering van de Wet passend onderwijs in 2015. Toen al
lagen er verschillende beleidsadviezen en gaven ook leraren adviezen
over hoe het anders zou moeten, maar het onderwijsveld heeft volgens mij
de afgelopen tien, elf jaar last gehad van flinke bezuinigingen, maar
ook van knopen die niet werden doorgehakt doordat elke keer in de Kamer
weer dezelfde discussies werden gevoerd. Mijn vraag is dus vooral: wat
gaan we dan nu ook anders dóén en welke stappen worden er echt gezet om
niet alleen elke discussie elk jaar te herhalen — ik overdrijf een
beetje, maar ook weer niet helemaal — maar vervolgens ook knopen door te
hakken? Kunnen we de VVD daar ook in vinden?
De heer Kisteman (VVD):
Ik verwees naar dat rapport met het advies aan de
samenwerkingsverbanden. U heeft het vast gelezen. Daarin staat ook: hef
in 2035 het construct op. Ik weet nog niet zo goed wat ik daar nu van
vind, want het is best wel een grote stap. Daarom vraag ik ook aan de
staatssecretaris hoe zij hiernaar kijkt. Maar we moeten daar wel stappen
in zetten. Waarom werkt het ene samenwerkingsverband wel goed en het
andere niet? Hoe kan dat nou? Moeten we strengere eisen aan ze stellen?
Moeten we dat harder afspreken met elkaar? Volgens mij gaat dat verder
dan de discussie die wij zelf de laatste tijd hebben gevoerd. Volgens
mij moeten we daar nu de volgende stap in zetten. Stel nu dat de
staatssecretaris straks zegt: de stip op de horizon wordt om het in 2035
anders te gaan doen of het construct op te heffen. Volgens mij hebben we
dan met z'n allen een heel mooi doel waar we naartoe kunnen werken.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Maar met het anders inrichten van samenwerkingsverbanden, waar ik ook
genoeg kritische vragen over heb gesteld, zijn we er natuurlijk nog
steeds niet. Laten we kijken naar het aantal thuiszitters. Dat zijn er
naar schatting 70.000. Er zijn 280.000 kinderen die geen passend
onderwijs krijgen, zegt Oudervereniging Balans. Dan is er veel meer aan
de hand. Dan vraagt dat volgens mij om ingrijpen. Dan vraagt dat om
keuzes maken. Dat is de afgelopen tien jaar nauwelijks gedaan, waardoor
het uit de pas is gelopen. Mijn vraag is dus: gaat de VVD de komende
jaren echt stappen zetten om in te grijpen, om ervoor te zorgen dat er
fors wordt geïnvesteerd in de leerkrachten die het werk moeten doen en
in de scholen die het werk moeten doen, en om te voorkomen dat nog meer
kinderen straks thuis komen te zitten omdat er geen passend
onderwijsaanbod is?
De heer Kisteman (VVD):
Volgens mij hebben we in het regeerakkoord afgesproken om 1,5 miljard
euro vrij te maken, onder andere om te investeren in leraren. Belangrijk
in deze discussie is dat de samenwerkingsverbanden financiële middelen
krijgen om leerlingen passend onderwijs te kunnen bieden, hetzij in het
reguliere onderwijs, hetzij in het speciaal onderwijs. Toch blijft er
soms geld over. Hoe kan dat dan? Er worden soms toch keuzes gemaakt om
bepaalde dingen niet te doen. Volgens mij moeten we daar stappen op gaan
zetten en moeten we daar de discussie met elkaar over gaan voeren.
De voorzitter:
Dank u wel. De volgende spreker pakt nu snel haar spreektekst. Dat is
mevrouw Westerveld. Zij spreekt nog namens de fractie van
GroenLinks-Partij van de Arbeid. Gaat uw gang.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Dank, voorzitter. Ik kwam net iets later binnen, omdat er ook een
commissiedebat over de ggz was; dat is ook een belangrijk
onderwerp.
Voorzitter. Dit debat gaat over meer dan een technische wijziging. Het
gaat ook over een betrouwbare overheid en over de vraag of de
Nederlandse overheid zich aan de eigen beloften en de eigen
doelstellingen houdt en of Nederland ook staat voor fundamentele mensen-
en kinderrechten. Ik weet het nog goed: het kernpunt van de beloften die
zijn gedaan bij de invoering van de Wet passend onderwijs, was dat alle
kinderen een passend aanbod zouden krijgen en dat scholen extra
ondersteuning zou worden geboden als dat nodig zou zijn. Of neem het
Thuiszitterspact, dat in 2016 is ondertekend, met daaronder de
handtekening van drie ministeries, waaronder het ministerie van OCW.
Daarin was het doel dat in 2020 geen enkel kind thuis zou zitten zonder
passend onderwijs. U hoort het goed: 2020; dat was zes jaar geleden.
Ruim tien jaar na de invoering van passend onderwijs en zes jaar nadat
geen enkel kind nog thuis zou moeten zitten zonder passend onderwijs,
zitten nu meer leerlingen dan ooit thuis. Zij krijgen geen goed
onderwijs dat aansluit bij wat zij nodig hebben. Er gaan ook steeds meer
kinderen naar het speciaal onderwijs, waardoor er zelfs wachtlijsten
zijn. Er zijn ook steeds meer problemen met het leerlingenvervoer. Er
worden ook steeds meer kinderen, onder meer kinderen met een beperking,
geweigerd en vrijgesteld van onderwijs.
Het schrijnende hieraan vind ik dat de overheid zelf de eigen
doelstellingen heeft ondermijnd door bij de invoering van de Wet passend
onderwijs stelselmatig niet te luisteren naar de inbreng van leraren en
onderwijsbonden. Niet voor niets was de Amsterdam ArenA destijds
helemaal vol met leraren die zagen aankomen dat zij met een onmogelijke
taak opgezadeld zouden worden. Ik weet dat goed, want ik werkte destijds
bij de Algemene Onderwijsbond. Ik ken die kant van het verhaal dus heel
goed. Maar er is de afgelopen jaren ook te weinig ingegrepen in het
stelsel van jeugdhulp, dat steeds vaster komt te zitten. Dat onderwerp
gaat de huidige staatssecretaris nauw aan het hart; zij heeft daar in
haar vorige functie veel mee te maken gehad.
Voorzitter. Het meest schrijnende in dat kader werd afgelopen dinsdag
duidelijk, toen de OCW-begroting werd aangenomen met bijna 800 miljoen
aan bezuinigingen in het onderwijs. Ja, ik heb de heer Kisteman zojuist
gehoord; hij zegt "we investeren", maar dat betekent feitelijk dat
volgend jaar de bezuinigingen van het vorige kabinet worden
teruggedraaid, dat het onderwijsniveau nog steeds niet op peil wordt
gebracht en dat nog steeds niet wordt gedaan wat nodig is in het
onderwijs. De afgelopen jaren hebben ook coalitiepartijen enorm veel
schade aangebracht in het onderwijs. We hadden echt gehoopt, met ook D66
in de coalitie, dat het onderwijs deze keer en ook volgend jaar gespaard
zou blijven, maar we komen van een koude kermis thuis. Het is een
politieke keuze om die bezuiniging van 2026 te laten staan.
Mijn eerste vragen aan de staatssecretaris zijn als volgt. Staan die
doelen van de Wet passend onderwijs eigenlijk nog overeind? Zo ja, wat
gaat de staatssecretaris doen om deze te halen? Wat is er eigenlijk
gebeurd met de afspraken in het Thuiszitterspact uit 2016? Hoe kan het
dat dergelijke convenanten worden getekend en dat daar handtekeningen
van werkgeversorganisaties en ministeries onder staan, maar dat zij
daarna in een diepe la lijken te belanden? Hoe kan het ook dat het
VN-verdrag Handicap en het Kinderrechtenverdrag op een aantal
fundamentele punten, zoals het recht op onderwijs en het recht van
kinderen om hun stem te laten horen, niet worden nagekomen?
Het gaat vandaag niet over uitzonderingen. In al die jaren waarin ik
Kamerlid ben, krijg ik nog steeds voortdurend berichten van ouders maar
ook van leraren en onderwijsondersteuners die met de handen in het haar
zitten, maar ook van kinderen die vertellen wat thuiszitten met hen
doet. Zij hebben het gevoel dat zij voortdurend falen, dat zij ergens
niet bij horen en dat ze niet goed genoeg zijn, maar zij voelen ook
eenzaamheid, die voortvloeit uit dat thuiszitten en niet je klasgenoten
tegenkomen. Specifiek tegen deze kinderen wil ik zeggen: het ligt niet
aan jullie; het ligt echt niet aan jullie. Het ligt aan een
onderwijssysteem waarin voortdurend wordt geprobeerd om kinderen door
dezelfde mal te drukken. Het ligt trouwens ook niet aan de
onderwijsondersteuners en de leraren, die ontzettend hard hun best doen
maar die ook te dealen hebben met de verschillen die er zijn in de klas
en vaak ook nog met onzekerheid, ook met onzekere contracten, en met
volle klassen waarin zij niet elke leerling de aandacht kunnen geven die
de leerling verdient. Het ligt zeker niet aan het onderwijs, de ouders
of de leerlingen; het ligt aan politieke keuzes.
Oudervereniging Balans heeft onderzocht om hoeveel kinderen het zou
gaan. Het getal kwam hier al een paar keer naar voren. Uit hun rapport
Thuiszitters tellen, dat vorig jaar is gepresenteerd, blijkt dat meer
dan 70.000 kinderen langer dan drie maanden thuiszitten en dat meer dan
280.000 kinderen geen volwaardig onderwijs krijgen. Laat dat even tot u
doordringen: 280.000 kinderen! Daar zitten inderdaad kinderen bij die
hoogbegaafd zijn, die geen passend aanbod hebben. Er zitten kinderen met
een beperking tussen, evenals kinderen met mentale problemen, kinderen
met PAIS of met long covid. Destijds hebben we wat deze laatsten betreft
trouwens in alle coronadebatten gevraagd: "Let specifiek op deze groep.
Zorg dat ze straks niet buiten de boot vallen." En toch gebeurt het.
Vandaar ook de agitatie in mijn stem, voorzitter.
Heel veel van deze discussies voeren we gewoon elke keer weer, ieder
jaar opnieuw. Maar ook deze aantallen laten zien dat er haast gemaakt
moet worden. Ik zei het net al: dit is niet de eerste keer dat we dit
vragen. In de afgelopen jaren deden we met meerdere partijen in de Kamer
voortdurend voorstellen om leraren beter te ondersteunen, ruimte te
geven aan initiatieven die op het snijvlak van zorg en onderwijs zitten.
Het probleem daarbij is dan dat het dan net geen zorg is en dus geen
zorgfinanciering kunnen krijgen, maar ook dat het geen onderwijs is en
dus geen onderwijsfinanciering kunnen krijgen. En dat met alle
bureaucratie van dien, waar al deze initiatieven, en trouwens ook ouders
en leerkrachten, tegen aanlopen, terwijl ze gewoon hun best willen doen
om ervoor te zorgen dat kinderen weer naar school kunnen gaan.
We hebben voorstellen gedaan om de structuur aan te passen, met minder
bureaucratie en regeldruk, en om de financiële reserves van
samenwerkingsverbanden terug te brengen en die juist te investeren in
projecten zodat kinderen naar school kunnen gaan. We hebben voorstellen
gedaan om het leerlingenvervoer te verbeteren. Ik heb zelf ook weleens
gesuggereerd om dan maar samenwerkingsverbanden af te schaffen. Dat was
een nogal wild voorstel. Ik begrijp ook wel dat dat niet zonder
consequenties is. Maar het bredere punt is wel dat ik niet begrijp,
zoals net ook bleek in het interruptiedebatje, waarom er op dit thema de
afgelopen jaren geen echte keuzes zijn gemaakt. Er moeten een aantal
fundamentele beleidskeuzes worden gemaakt in het belang van het kind en
in het belang van iedereen die in het onderwijs werkt.
Dat is ook ons kritiekpunt op deze wet. De Wet terugdringen
schoolverzuim regelt een paar dingen: het versterken van verzuimbeleid,
het verbeteren van het zicht op verzuim, het tijdig betrekken van de
leerplichtambtenaar bij ongeoorloofd verzuim en het verbeteren van de
procedure rondom de vrijstelling op grond van lichamelijke of psychische
gronden. Dat zijn allemaal maatregelen waar wij natuurlijk helemaal niet
tegen zijn. Sterker nog, daar zijn we voor. Maar we zijn wel kritisch op
het doel dat de regering zegt te beogen met dit wetsvoorstel. De
regering stelt dat met dit wetsvoorstel langdurig schoolverzuim wordt
voorkomen en kan worden verminderd, hoewel de memorie van toelichting
daar wel al meteen een kanttekening bij zet. Die kanttekening snap ik,
want dit wetsvoorstel is voor dat doel echt veel te slap; er is echt
veel en veel meer nodig. Kinderen zitten natuurlijk niet thuis vanwege
een gebrek aan registratie. Kinderen zitten thuis vanwege het gebrek aan
goede onderwijsplekken en het gebrek aan ondersteuning. Aan dat gebrek
doet dit wetsvoorstel niets.
Ik noemde net ook al de knelpunten op het gebied van passend onderwijs,
die al jaren bekend zijn, maar waar veel te weinig aan wordt gedaan. Ik
noem bijvoorbeeld het knelpunt dat de geldstromen tussen zorg en
onderwijs twee verschillende dingen zijn: dat zorggeld niet mag worden
ingezet voor onderwijs en dat onderwijsgeld niet aan zorg mag worden
besteed. Ik las in de voorbereiding van dit debat ook weer eens de
brieven terug van de toenmalige bewindspersonen Arie Slob en Hugo de
Jonge. In 2018 schreven zij een brief waarin dit knelpunt al duidelijk
werd benoemd. We hebben toen ook de bewindspersonen voor Zorg en
Onderwijs bij elkaar gezet in een debat om te voorkomen dat er naar
elkaar zou worden gewezen en dat "dit is de verantwoordelijkheid van
mijn collega" zou worden gezegd.
We zijn nu acht jaar verder, en er is op dat vlak weer veel te weinig
gebeurd, terwijl de hele Kamer wil dat dit wordt aangepast en ik
eigenlijk ook alle bewindspersonen hoor zeggen dat we dit natuurlijk
moeten aanpassen. Mijn vraag is dan: waarom is er in die acht jaar zo
weinig gebeurd? Of wat zie ik dan over het hoofd? Waarom zijn in ieder
geval de problemen groter geworden en hoor ik van dezelfde mensen nog
dat ze tegen dezelfde bureaucratische rompslomp aanlopen? Er zijn door
het hele land heel veel goede initiatieven waardoor kinderen wel naar
school kunnen. Samen naar School-klassen zijn hier vaak genoemd, maar
ook Digibende. Maar nog steeds krijg ik van deze organisaties verhalen
dat ze tegen allerlei gedoe aanlopen. Dat willen we niet. Dat wil
niemand. We willen gewoon dat kinderen naar school kunnen, maar ze lopen
aan tegen heel veel gedoe. Of het ontbreekt aan structurele
financiering. Projecten worden dan wel tijdelijk gefinancierd, maar dat
is natuurlijk ook geen permanente oplossing. Hierop aansluitend vraag ik
mij nu ook af hoe het gaat met bijvoorbeeld het "rommelpotje" van
collega-Kamerlid Kwint. Ik zie mevrouw Beckerman daar ook zitten. Die
gaat daar misschien ook nog wel iets over vragen. Dat potje was juist
bedoeld om goedlopende initiatieven te ondersteunen voor kinderen die
thuiszitten en die nu tussen wal en schip vallen.
Ook de problemen rondom het leerlingenvervoer zijn al heel lang bekend.
Ook daar zien we niet dat er echt wordt ingegrepen in de manier waarop
het is georganiseerd, terwijl dat wel nodig is. De problemen rondom het
leerlingenvervoer of het ontbreken van leerlingenvervoer zorgen er ook
voor dat kinderen thuiszitten of dat ze vaak veel te laat op school
komen. Dan zou je denken dat alles op alles wordt gezet om dit te
regelen met gemeenten, maar dat lijkt niet te gebeuren. Ik hoor nog
steeds, ook niet lang geleden nog, tijdens werkbezoeken op scholen van
kinderen dat ze heel lang moeten wachten, dat de bus te laat is of dat
ze soms heel lang in een volgestopt busje zitten. Dat is ook weer niet
de schuld van die chauffeurs, maar dat laat wel zien dat er toch ergens
regie nodig is. Dus ik hoop dat de staatssecretaris daar ook op in wil
gaan.
Het is ook een gevolg van deze wet dat veel meer geregistreerd gaat
worden over kinderen. Daarin zit ook een risico, want gegevens over
verzuim zijn natuurlijk heel gevoelig en kunnen misschien herleidbaar
zijn tot één leerling. Hoe gaat worden geborgd dat er zorgvuldig wordt
omgegaan met de gegevens van leerlingen? En hoe wordt ervoor gezorgd dat
dit inzicht niet ten koste gaat van de privacy van leerlingen?
Een andere zorg gaat over de vraag hoe we ervoor zorgen dat de extra
registratie er niet juist toe leidt dat scholen terughoudend worden in
het aannemen van kinderen met een extra ondersteuningsbehoefte. We zien
namelijk ook bij scholen die inclusief onderwijs aanbieden dat hun
leerlingenpopulatie slecht past in de modellen van bijvoorbeeld de
inspectie, waardoor ze worden afgerekend op het bieden van inclusief
onderwijs. Op dit punt hebben we gelukkig een motie aangenomen, maar ik
zie wel eenzelfde soort prikkel in dit wetsvoorstel. Dus mijn vraag aan
de staatssecretaris is hoe ze gaat zorgen dat door die betere
registratie van verzuim scholen geen kinderen gaan weren met een risico
op verzuim. Dus laat hen daar alsjeblieft niet op afgerekend
worden.
Voorzitter. Verder lees ik op de site van de onderwijsinspectie — ik heb
dat weleens eerder aangekaart — dat het in principe nu al de bedoeling
is dat samenwerkingsverbanden elke drie maanden hun
thuiszittersregistratie bijwerken en aanbieden aan de inspectie. Er
staat dat deze thuiszittersregistratie wordt opgevraagd, zodat we ook
zicht krijgen op het vermogen van de samenwerkingsverbanden om dat
aantal thuiszitters terug te dringen. Dan heb ik toch weer vraagtekens
als ik dit lees. Blijkbaar worden er al gegevens verzameld over
thuiszitters. Maar ik heb hier ook in de Tweede Kamer vaak gehoord dat
we niet precies weten hoe groot die aantallen zijn. Dan noemen wij weer
dat rapport van Balans over die 70.000. Dan horen we van de voorganger
van deze staatssecretaris dat het er veel minder zijn, maar dat niet
precies duidelijk is hoeveel. Als deze cijfers al worden verzameld, hoe
kan het dan dat wij die niet krijgen? Het zou namelijk elke drie maanden
per samenwerkingsverband gewoon inzichtelijk moeten zijn hoeveel
thuiszitters er zijn.
Als ik dan ook dat registratieformulier download, dan zie ik dat op
leerling- en schoolniveau verzuim moet worden geregistreerd. Ik heb daar
eerder vragen over gesteld. Ik ben gewoon benieuwd hoe dat dan zit,
waarom we dit inzicht niet hebben elke drie maanden en waarom we niet
exact weten hoeveel leerlingen met welke reden thuiszitten. Ik heb deze
vraag weleens eerder gesteld en heb volgens mij destijds ook een
toezegging gehad. De site OCW in cijfers is een hele handige website,
waar je heel veel informatie vandaan kan halen, maar niet de gegevens
over de samenwerkingsverbanden. Destijds is toegezegd dat ook gekeken
zou worden of op deze website meer inzicht gegeven zou kunnen worden in
hoe samenwerkingsverbanden het doen. Ik hoop toch dat dat mogelijk is.
Ik wil hierop graag een reactie van de staatssecretaris, zodat wij als
Kamer dit gewoon beter kunnen controleren.
Dan ga ik verder over samenwerkingsverbanden. Ik zei net al dat ik daar
best wel kritisch op ben, niet op het werk dat de mensen daar doen, maar
wel op de manier waarop we het hebben georganiseerd. Ik ben ook kritisch
op de problemen die ik zie rondom passend onderwijs, die sinds de
invoering niet zijn opgelost, waarbij er wel op sommige plekken hele
hoge financiële reserves zijn, waarvan we als hele Kamer ook zeggen dat
dat geld naar kinderen moet gaan. Ik lees op bladzijde 19 van de memorie
van toelichting ook van alles terug over wat een samenwerkingsverband
kán doen, met de nadruk op "kan". Dan lees ik: "Een samenwerkingsverband
kán een gesprek aangaan met een school over hoe verzuim kan worden
teruggedrongen. Een samenwerkingsverband kán kijken of er een noodzaak
is voor aanvullende ondersteuningsvoorzieningen. De extra informatie kán
een aanknopingspunt zijn voor verdere analyse en onderzoek." Maar dat
lijkt me eigenlijk allemaal best wel vrijblijvend. Waarom wordt er niet
veel duidelijker opgeschreven wie nou welke verantwoordelijkheid heeft?
Wij krijgen namelijk ook terug van mensen die in het onderwijs werken,
maar ook van ouders, dat ze heel vaak van het kastje naar de muur worden
gestuurd en dat het niet precies duidelijk is waar nou die
verantwoordelijkheid ligt. Ik heb het idee dat die vrijblijvendheid een
reden hiervan kan zijn. Graag een reactie dus van de
staatssecretaris.
In artikel 7, waarin het gaat over de vrijstelling, wordt ook toegelicht
dat de arts, de pedagoog of de psycholoog het onderwijskundige
perspectief betrekt bij de verklaring die nodig is voor een vrijstelling
van de leer- of kwalificatieplicht. Dan gaat het dus over die
lichamelijke of psychische gronden. Dat was al zo — de arts had daar al
een rol in — maar ik vraag de staatssecretaris om straks nog toe te
lichten welke rol dat precies is, en ook hoe het zit met de werkdruk.
Daarover hoor ik huisartsen en andere mensen in de zorg namelijk. Kan de
staatssecretaris daar straks op ingaan?
Voorzitter. Zoals bij elk wetsvoorstel zijn er oordelen gekomen van de
Raad van State en het Adviescollege toetsing regeldruk. Daar schrokken
we eigenlijk wel van, want de Raad van State gaf in december 2023 het
dictum a, en het Adviescollege toetsing regeldruk een dictum 4, en die
zeiden eigenlijk: niet indienen. Dit is misschien iets te kort door de
bocht gezegd en daar zal de staatssecretaris straks vast op ingaan, maar
zo lazen wij het. Het kabinet is bij de bijstelling van deze wet nog wel
tegemoetgekomen aan kritiekpunten van deze adviesraden, maar lang niet
aan alle. Kan de staatssecretaris verduidelijken of zij vindt dat er
genoeg tegemoetgekomen is aan de kritiekpunten van deze belangrijke
adviesorganen?
Voorzitter. Als fractie wilden wij ook nog wel een aantal voorstellen
doen om de wet te verbeteren, maar ik had eigenlijk hetzelfde dilemma
als de heer Ceder. Deze wet is niet geschikt om er meteen hele grote
voorstellen voor te doen, want dan komen we aan de wet. Eigenlijk vragen
een aantal voorstellen bijna om een eigen initiatiefwet. Ik vind het dus
best een dilemma hoe we daarmee moeten omgaan, maar we tekenen wel het
amendement van de heer Ceder mee.
Ook hebben wij een amendement ingediend dat vraagt om het wettelijk
verankeren van de preventieve rol van de leerplichtambtenaar. In veel
gemeenten pakt de leerplichtambtenaar namelijk op dit moment ook een
preventieve rol om schoolverzuim te voorkomen, in plaats van alleen
achteraf te handelen, dus curatief. We zien ook dat de
leerplichtambtenaar in steeds meer gemeenten fungeert als ondersteuner,
als schakel en als regisseur binnen de brede verzuimketen. Dat lijkt ons
een goede ontwikkeling. Alleen is deze preventieve rol niet vastgelegd
in de wet en verschilt die ook heel sterk per gemeente. Ik hoor
leerplichtambtenaren zeggen dat ze in verschillende gemeenten hun taken
heel anders invullen.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Deze interruptie gaat over het laatste, over het amendement. Ik heb dit
ook overwogen, maar ik heb er uiteindelijk geen amendement voor gemaakt.
U heeft het wel gedaan. Ik maakte die afweging, omdat ik me afvroeg of
de leerplichtambtenaar de casus aan de voorkant niet te veel in het
strafrechtelijke trekt. De leerplichtambtenaar heeft nu een andere rol
dan een preventieve rol of een meedenkrol. Als dit amendement wordt
aangenomen, vereist dit dat de rol van de leerplichtambtenaar
fundamenteel wijzigt. Dat kan. Dat kunnen we met z'n allen besluiten en
vinden. Volgens mij moet je dan nog meer wijzigen dan alleen wat dit
amendement regelt. Ik ben even benieuwd of mevrouw Westerveld mijn zorg
deelt. Als je als leerplichtambtenaar aan de voorkant doet wat je
primair doet, breng je misschien juist de casussen die je in een
ontspannen setting wilt bespreken, gelijk in een bepaalde gespannen
setting, in ieder geval voor de ouders. Dat brengt het kind misschien
niet verder.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik begrijp deze vraag heel goed. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling
om de spanning te verhogen. De bedoeling is juist dat de
leerplichtambtenaar op een vaak laagdrempelige, informele manier aan de
voorkant al mee kan helpen en mee kan denken. Op die manier kan de
leerplichtambtenaar bekijken wat er nodig is om ervoor te zorgen dat een
kind onderwijs kan volgen. Dat is specifiek de bedoeling. Ik hoor van
leerplichtambtenaren dat ze graag die rol zouden willen hebben, want zij
zitten helemaal niet te wachten op conflicten met ouders of anderen. Zij
willen dat er een oplossing komt en zij geven juist aan: laat ons al aan
de voorkant, aan de preventieve kant, meedenken. Zij denken namelijk dat
ze een heel belangrijke rol kunnen vervullen om juist te voorkomen dat
het misgaat, dat het straks een zaak wordt en dat partijen helemaal
tegenover elkaar komen te staan. Dat is de bedoeling van dit
amendement.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank voor de verheldering. Het gaat me er niet zozeer om hoe
leerplichtambtenaren ernaar kijken, want ik ken de argumenten. Zij zijn
daarvoor. Op zich zeg ik: oké, mooi. Het gaat mij meer om de
beleefwereld van ouder en kind. Of je het nu wilt of niet, een
leerplichtambtenaar roept bepaalde associaties op, net zoals wanneer een
deurwaarder voor de deur staat. Misschien is dit een kans om een wat
positievere reputatie te creëren voor de leerplichtambtenaren. Mijn zorg
ligt hem in de perceptie. Als ouders en kinderen horen dat de
leerplichtambtenaar aan de voorkant erbij betrokken is, dan schrikt dat
af, waardoor de communicatie minder effectief tot stand komt. Mijn vraag
is even of mevrouw Westerveld dat ook ziet of deelt en hoe we dat kunnen
voorkomen. Ik sta namelijk niet negatief tegenover het amendement, maar
dit is wel de reden waarom ik dacht: oei, moeten we het nu zo via een
amendement regelen?
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Dat is een zeer terechte vraag. Ik denk dat het deels ligt in de term
"leerplichtambtenaar". De Kamer heeft heel vaak gezegd dat het
"leerrecht" zou moeten zijn in plaats van de nadruk te leggen op de
"plicht". Dat heeft vast een historische achtergrond. Daar kan de
staatssecretaris ons misschien ook meer over vertellen. Daar zit 'm dat
natuurlijk in. Als ik met leerplíchtambtenaren praat, dan valt me op dat
de term bijna niet aansluit bij het werk dat zij doen. Het werk dat zij
doen, ligt veel meer in het voeren van gesprekken en in het voorkomen
dat het misgaat. Ze geven echter ook aan — en dat heb ik bewust een
beetje uit dit debat gehouden — dat het aantal kinderen dat niet naar
school gaat omdat de ouders bijvoorbeeld zeggen dat geen enkele school
past bij de manier waarop zij hun kind willen opvoeden, hun wel zorgen
baart. Het kan namelijk ook gebeuren dat de ouders redenen aangeven
zoals: we vertrouwen de overheid niet meer. Leerplichtambtenaren
worstelen ook met hoe ze daarmee moeten omgaan. De zaken kunnen weleens
escaleren, kunnen vóórkomen en uiteindelijk bij een rechter belanden.
Dat is eigenlijk niet hoe je het wilt hebben. Je wilt juist dat er aan
de voorkant een laagdrempelig gesprek gevoerd kan worden. Ik hoop dat
deze verduidelijking al bijdraagt aan begrip van de bedoeling van dit
amendement.
Mevrouw Raijer (PVV):
Ik hoor mevrouw Westerveld zeggen dat er een rol is weggelegd voor de
leerplichtambtenaar, maar ik vraag me toch af welke rol zij in dit
verhaal ziet voor de ouders zelf.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ouders hebben in principe gewoon de plicht om ervoor te zorgen dat hun
kind naar school gaat, tenzij ... Er kunnen een aantal redenen zijn,
bijvoorbeeld dat een kind lichamelijk of psychisch ziek is, waardoor een
kind niet naar school kan. Ouders kunnen ook aangeven dat ze bezwaren
hebben tegen scholen in de omgeving. Een kind kan dan een vrijstelling
worden verleend. Maar in principe moeten alle ouders in Nederland ervoor
zorgen dat hun kind onderwijs krijgt.
Mevrouw Raijer (PVV):
Er is ook nog het absolute verzuim, met kinderen die dus helemaal niet
staan ingeschreven op scholen en van wie we helemaal niet weten of ze
ziek zijn of iets dergelijks. Hoe wilt u dat gaan aanpakken, juist voor
die specifieke doelgroep?
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik weet niet zo goed waarom die vraag aan mij wordt gesteld, want ik heb
het net over die groepen gehad, over de kinderen die worden vrijgesteld
van de leerplicht. Dat betekent dus dat ze niet naar school gaan en niet
naar school hoeven te gaan; die worden dus vrijgesteld. Over een deel
van deze jongeren en kinderen maak ik me wel degelijk zorgen. Denk aan
kinderen met een beperking die graag naar school willen, maar voor wie
geen passend aanbod is en die eigenlijk tegen hun zin of tegen de zin
van hun ouders niet naar school gaan. Maar er zijn ook ouders — dat gaf
ik net aan — die een bezwaar hebben en op die manier een vrijstelling
krijgen van de leerplicht. Dat staat nu ook al in de wet. Dat zijn die
vrijstellingsgronden a, b en c. Dat is dus niets nieuws of zo.
Mevrouw Raijer (PVV):
Ik heb het niet over de doelgroep die een vrijstelling heeft, maar over
de doelgroep die helemaal verdwenen is en die eigenlijk nog nooit
ingeschreven heeft gestaan in het onderwijs. Dat zijn dus kinderen van
wie we helemaal niet weten wie of waar ze zijn. Hoe gaan we om met die
doelgroep? Dat betreft dus niet de doelgroep die al vrijstellingen heeft
of de kinderen met een beperking, want wat hen betreft begrijp ik wat u
zegt. Het gaat dus echt om de doelgroep die totaal niet staat
ingeschreven, van wie we echt niet weten wie ze zijn.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Dat is deze doelgroep. Dit is de groep kinderen die niet is
ingeschreven. Dat noemen we zo. Ze krijgen dan een vrijstelling van
onderwijs en dan hoeven ze niet naar school. Dat is deze doelgroep. Ik
zie mevrouw … Misschien kan de staatssecretaris daar straks op ingaan.
Dat gaat over de groepen waar ik het net over heb.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog. Ik geef aan dat u nog ongeveer negen minuten
indicatieve spreektijd heeft.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Het komt ook wel mooi uit, want ik wilde het hierover hebben. Ik had het
net over de preventieve rol van de leerplichtambtenaar. Dan over deze
groep. Nederland telt steeds meer kinderen die niet naar school gaan
omdat hun ouders een beroep doen op artikel 5b van de Leerplichtwet. Er
stond volgens mij een paar maanden geleden een interessant artikel in
het onderwijsblad van de Algemene Onderwijsbond. Dat artikel ging over
die 5b-vrijstelling, die inhoudt dat een kind vrijstelling krijgt van de
leerplicht omdat er binnen een redelijke afstand geen school te vinden
is die bijvoorbeeld past bij de geloofs- en levensovertuiging van de
ouders. De groei van die 5b-vrijstellingen baart ook onze fractie
zorgen. Waar het in 2016 en 2017 nog ging over 813 kinderen, ging het in
2023 en 2024 om 2.475; dat is een flinke groei. Wat ons zorgen baart, is
dat de huidige Leerplichtwet alleen bepaalt dat een kind met een
vrijstelling niet meer naar school hoeft, en daar houdt het dan ook bij
op. Dan is er dus — dat zeg ik ook even tegen mevrouw Raijer — geen
instantie die zicht houdt op de vraag of deze kinderen daadwerkelijk
kwalitatief goed onderwijs ontvangen. Dat is ook schrijnend omdat we van
al deze kinderen in principe niet weten of ze wel of geen onderwijs
krijgen en of er dus eventueel ook een risico is voor hun
ontwikkeling.
Nou weet ik echt dat verreweg de meeste ouders die hun kind bijvoorbeeld
niet naar school laten gaan, wel thuisonderwijs geven op een hele goede
manier, waarbij ze erover hebben nagedacht, er contact is met andere
ouders die datzelfde doen, er uitwisselingsprojecten worden
georganiseerd, ze vaak met de kinderen naar evenementen gaan, buiten in
de natuur zijn en ze hun kinderen goed alle basisvaardigheden leren,
zoals lezen en schrijven enzovoort. De meeste ouders doen dat op een
hele goede manier en die leren ook van elkaar, maar dat is niet de groep
waarover ik me zorgen maak; dat bleek net ook al. Er is ook een groep
kinderen van wie we dit gewoon niet weten. Dan weet ik vanuit mijn rol
als woordvoerder jeugdzorg van heel dichtbij af van situaties waarbij
kinderen verwaarloosd worden, waarbij ouders hun kinderen opvoeden met
een eenzijdige blik of waarbij kinderen soms ook slachtoffer zijn van
misbruik of mishandeling. Als er geen zicht is op die groep kinderen,
maak ik me daar wel zorgen over. Voor hen vind ik het namelijk
essentieel dat ze naar school gaan.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Het is terecht dat mevrouw Westerveld dat punt aanstipt. In mijn
interruptie op de heer Kisteman ging het daar ook over. Volgens mij is
dat onderscheid ook wel goed en scherp gemaakt. Je hebt kinderen die
geen onderwijs krijgen en waarbij de ouders en de kinderen dat
betreuren. Je hebt een groep die wel onderwijs krijgt maar waarbij er
momenteel geen zicht is op de kwaliteit daarvan, hoewel er
ouderverenigingen zijn; die hebben ook contact met de
leerplichtambtenareninstanties. Ik weet dat het kabinet bezig is om te
kijken hoe je dit goed kan regelen dan wel formaliseren, maar er zijn
geluiden vanuit bijvoorbeeld de leerplichtambtenareninstantie Ingrado.
Ingrado zegt: geef ons nou de taak om ook toezicht te houden op de
kwaliteit van het thuisonderwijs — dat kan via een vereniging et cetera
— waardoor dat meestal kwalitatief in orde is doordat het onder toezicht
staat. Ik ben er nog niet helemaal over uit, maar dit is een
gedachtegang. Zo maak je in ieder geval een onderscheid en is er een
veel gerichtere benadering van kinderen die geen onderwijs krijgen. Mijn
vraag is hoe mevrouw Westerveld naar die suggestie van Ingrado kijkt. Ik
denk te weten dat ze in België al zo'n systeem hebben. Voor zover ik
begrijp is het aantal thuiszitters daar relatief gezien veel lager.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik wilde daar nog op ingaan. Ik denk dat dit niet het moment is om daar
uitgebreid een discussie over te voeren, maar het raakt wel aan dit
thema. We hebben jaren geleden ook al eens in de Kamer aan het kabinet
gevraagd om eens richtingen uit te werken en duidelijk te maken wat we
kunnen doen. Afgelopen december lag er een brief van staatssecretaris
Becking die vertelde dat hij aan de slag wilde gaan. Hij schetste
eigenlijk een aantal scenario's waarmee we kunnen zorgen dat we wel enig
zicht houden op deze kinderen. Een van de onderwerpen in die brief was:
moeten we de onderwijsinspectie niet bijvoorbeeld apart nog weer
toezicht laten houden, terwijl dat wel — dat werd in die brief ook
eerlijk geschetst — een veel duurdere optie is? Dat vind ik best een
dilemma. Deels zit het dilemma erin dat ik natuurlijk ook vind dat
ouders er primair verantwoordelijk voor zijn dat hun kind onderwijs
krijgt, iets wat sommige ouders prima gaan doen. Maar ik vind ook dat de
overheid de taak heeft om te zorgen dat kinderen elkaar tegenkomen, dat
ouders hun kinderen niet op een eenzijdige manier opvoeden en dat er
ergens nog zicht is op iets beters, helemaal voor die groep kinderen die
helemaal uit beeld verdwijnen en waarvan we niet weten hoe het met ze
gaat.
Ik doe de debatten over jeugdzorg; dat geldt ook voor u. In die debatten
zijn we hier ook allemaal heel boos op het moment dat blijkt dat de
kinderen thuis worden verwaarloosd, terwijl daar geen enkel zicht op is.
Dat is hier gewoon het dilemma, dus ik denk dat we aan de hand van de
opties die vanuit het kabinet nog komen we hier heel goed met elkaar het
debat over moeten voeren. We moeten dan gewoon eerlijk alle dilemma's
neerleggen en met elkaar die afweging maken over de vraag hoe wij dat in
willen richten. Ik zal alvast een voorschot nemen en zeggen: ik vind het
niet wenselijk dat het aantal kinderen dat een vrijstelling krijgt, niet
naar school gaat, geen andere kinderen tegenkomt en uit het zicht van
overheidsinstanties verdwijnt, zo veel groter wordt. Ik maak me zorgen
over een klein deel van deze groep, maar juist voor die kinderen en
jongeren vind ik dat wij er ook moeten zijn. Dat kan, denk ik, wel
ergens pijn gaan doen in de keuzes die gemaakt moeten worden.
De heer Ceder (ChristenUnie):
U heeft gelijk. Je kan je afvragen in hoeverre je deze discussie hier
moet voeren. Ik ben die aangegaan omdat de heer Kisteman erover begon —
u heeft er net ook wat over gezegd — juist omdat ik het wel met u eens
ben dat je de scenario's goed met elkaar moet bespreken en daar ook de
ruimte voor moet geven. Ik vroeg het ook even omdat ik benieuwd was hoe
u ernaar keek. Ik vind ook dat je hier een fundamenteel gesprek over
moet voeren; voor mij is dat dan wel aan de hand van waar het kabinet
mee bezig is. Het kabinet is daar overigens al een tijdje mee bezig.
Misschien is het goed om te vragen wanneer we daar het gesprek over
kunnen voeren. Maar goed, dan heb ik dat even scherp. Ik wil ook
voorkomen dat we na vandaag of volgende week een keus maken waarvan we
eigenlijk niet kunnen overzien wat je daar wel of niet mee bereikt, of
wie je daar wel of niet mee raakt. Dan ben ik op de hoogte van hoe u
daarin staat.
De heer Kisteman (VVD):
Het blijkt toch dat mijn inbreng op het goede moment in het debat kwam.
Ik was niet de enige die erover nadacht om dit vandaag te doen. Ik heb
even een vraag aan mevrouw Westerveld. Is zij het met ons eens dat in
het systeem, zoals we dat hebben geregeld, dus met het openbaar en
bijzonder onderwijs, het helemaal niet nodig zou hoeven zijn om vanwege
richtingsbezwaren niet meer naar school te gaan en thuis te komen
zitten?
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Sterker nog, ik heb daar jaren geleden met de heer Kwint van de SP een
motie over ingediend. Die motie vroeg eigenlijk al om dit nou eens uit
te werken en ervoor te zorgen dat kinderen naar school gaan, tenzij ze
zo mentaal of psychisch ziek zijn dat dat niet kan. Het is inmiddels al
een flink aantal jaren geleden dat we dit per motie hebben verzocht.
De heer Kisteman (VVD):
Dat is heel fijn om te horen. Misschien kunnen wij hierin samen
optrekken en kijken wat de antwoorden van de staatssecretaris zijn. Dan
wachten we het debat verder af.
De voorzitter:
Die interruptie tel ik dan weer niet mee. U vervolgt uw betoog.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik kan een stukje van mijn spreektekst overslaan. Ik wil het hier juist
over hebben, omdat we dus in december een brief kregen. Daarin werd ook
deze motie genoemd. Ik dacht toen: hoezo zijn er eigenlijk een heel
aantal jaren overheen gegaan? Het is namelijk wel een hele nodige
discussie die we als Kamer moeten voeren, gezien het aantal kinderen dat
nu thuiszit omdat de ouders richtingsbezwaren hebben. Ik hoor dus graag
van de staatssecretaris hoe zij daarmee om wil gaan. Ik proef ook in de
Kamer dat er wel behoefte is aan een fundamenteel debat daarover. Ik las
natuurlijk ook de twee opties in die brief. De eerste optie is dat
thuisonderwijs een eigenstandige sector wordt met toezicht door de
inspectie. De tweede optie is het laten vervallen van die vrijstelling
vanwege richtingsbezwaren zonder een alternatief op te nemen. Het gevolg
daarvan is dan dat de leerplicht wordt uitgebreid. Ik heb in mijn tekst
staan dat het mij goed lijkt dat we hier als Kamer een keer uitgebreid
over gaan debatteren. Nou, dat heb ik denk ik wel genoeg gezegd. Het
laat wel de ernst zien, want beide opties zijn best vergaand en vragen
om ingrijpen in ons onderwijssysteem. Ik ben dus heel benieuwd naar de
reactie van de staatssecretaris daarop.
Voorzitter. Dan stijgt dus ook het aantal kinderen dat vanwege een
lichamelijke of psychische beperking geen onderwijs kan volgen. Dat gaat
natuurlijk lijnrecht in tegen het doel van inclusief onderwijs, dat het
kabinet ook heeft. Ik wil de staatssecretaris vragen of zij ook daarop
kan reageren. Het is heel schrijnend dat kinderen die lichamelijk of
psychisch ziek zijn, steeds vaker niet naar school kunnen en dat er geen
passend onderwijsaanbod is. Ik hoor ook van docenten dat ze vaak een
leerling graag in de klas willen hebben, maar dat het gewoon niet lukt.
Aan de andere kant hebben we nog wel de doelstelling om ons onderwijs
steeds inclusiever te maken en kinderen zo veel mogelijk met elkaar naar
school te laten gaan. Ik wil de staatssecretaris vragen: gaat dat doel
nog gehaald worden? Zo ja, wat is de komende tijd haar plan om dat doel
te halen? Ook hier moet vaart gemaakt worden.
Voorzitter, ik sluit af. Ik heb de meeste punten uit de wet benoemd en
ik heb onze vragen gesteld. Ik heb net gezegd dat ons voornaamste
dilemma bij deze wet is dat de nadruk ligt op het verzuim zelf, maar
niet op de onderliggende oorzaken ervan. Daardoor herhalen we elke keer
weer hetzelfde gesprek. We hebben het er iedere keer over dat er geen
passend aanbod is voor kinderen die hoogbegaafd zijn en voor kinderen
met een beperking. We krijgen steeds weer petities van kinderen met
longcovid, die aangeven dat ze zo graag naar school willen, maar dat dit
niet kan. Laten we nou stoppen met voortdurend dezelfde discussies
herhalen, en laten we met elkaar knopen doorhakken. Dat is ook mijn
aanbeveling aan en mijn wens voor deze staatssecretaris. Volgens mij kan
ze dat wel. Dit is in het belang van kinderen en hun ouders. Ouders
willen namelijk niets liever dan dat hun kind gewoon naar school kan.
Kinderen willen graag met andere leeftijdsgenoten in aanraking komen.
Kinderen willen leren. Docenten willen gewoon hun werk kunnen doen.
Laten wij ons in de Kamer nou verantwoordelijk voelen voor alle
randvoorwaarden, en laten we die op orde brengen.
De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Rooderkerk is de volgende spreker van de zijde van
de Kamer. Zij spreekt namens de fractie van D66.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dank, voorzitter. Ik sluit me graag aan bij al deze bevlogen betogen. We
bespreken vandaag een wet waarbij het goed is dat we een eerste stap
zetten, maar waarbij ook nog veel meer nodig is.
Ik las laatst het verhaal van Sam. Sam is 8 jaar. Hij is slim,
nieuwsgierig en al op jonge leeftijd verder dan de meeste kinderen in
zijn klas. Maar inmiddels zit Sam al maanden thuis, zonder onderwijs en
zonder leeftijdsgenootjes, niet omdat hij niet wil leren, maar omdat het
hem op school niet meer lukte. In de klas werd hij gepest. Op school
kreeg hij niet de uitdaging die hij nodig had. Hij raakte gefrustreerd.
Wat begon als onbegrip groeide uit tot gedrag waar niemand meer raad mee
wist. Steeds vaker werd hij naar huis gestuurd, totdat hij na de
herfstvakantie helemaal niet meer welkom was in de klas. Zijn ouders
proberen van alles; ze spreken met school, met jeugdhulp, met
verschillende organisaties, maar passende hulp komt niet van de grond.
Ondertussen staat Sam stil.
Voorzitter. Sam is helaas geen uitzondering. Er zijn in Nederlander
duizenden kinderen die uitvallen door pesten, mentale problemen, ziekte
en gebrek aan passend onderwijs. Elk kind verdient een recht op
onderwijs. Dat recht hebben ze volgens het VN-Kinderrechtenverdrag, maar
niet in onze Grondwet en ook niet in de praktijk. Thuiszitters zijn de
kanarie in de kolenmijn. Zoals een thuiszitter het zelf mooi — treffend,
moet ik zeggen — omschreef, zijn zij "niet het probleem maar de
zichtbare slachtoffers van het haperende onderwijssysteem".
Vandaag spreken we over een wet die ervoor moet zorgen dat we beter
zicht krijgen op deze thuiszitters, hen eerder signaleren en sneller in
actie komen. Laat ik helder zijn: beter zicht op deze kinderen is nodig.
We weten simpelweg nog steeds niet goed hoeveel kinderen als Sam er nu
zijn. Schattingen gaan van 17.000 volgens het ministerie richting wel
70.000 thuiszitters volgens het onderzoek van Balans. We zien het vaak
veel te laat wanneer het misgaat. Dit wetsvoorstel zet een stap in de
richting van het beter in beeld krijgen van deze kinderen, door
registratie in categorieën en informatiedeling met organisaties.
Daarover heb ik een vraag aan de staatssecretaris: is zij van mening dat
we met deze wet voldoende zicht hebben op alle kinderen die,
bijvoorbeeld volgens het onderzoek van Balans waaraan ik refereerde,
geen passende plek in het onderwijs krijgen? Of is daar nog meer voor
nodig?
Daarnaast is het goed dat de wet het verzuimbeleid voor scholen
verplicht stelt, informatiedeling tussen de verschillende
verantwoordelijke organisaties en scholen verbetert en een signaal
mogelijk maakt bij zorgelijk, ongeoorloofd verzuim, zodat tijdig kan
worden bezien wat nodig is voor kinderen. Zo zijn scholen beter
toegerust en hebben zij beter oog voor leerlingen die uitvallen, ook al
gaat het soms om een enkel kind per school. Juist daarom is het van
belang dat scholen zich hier echt mee bezig houden, want elk kind dat
thuiszit is er een te veel.
Voorzitter. Ik kom bij mijn belangrijkste zorg, die ik hier al van meer
Kamerleden gehoord heb: meer zicht op het probleem betekent niet meteen
een oplossing voor het probleem. Dat is natuurlijk wat de memorie van
toelichting, die daarop is aangepast, ook aangeeft. Registratie zorgt er
namelijk niet direct voor dat ouders niet meer van het kastje naar de
muur worden gestuurd. Registratie zorgt er niet direct voor dat Sam weer
onderwijs krijgt. Hebben we dus ook zicht op de sleutel tot de
oplossingen? Is er op tijd een plan gemaakt voor het kind? Voldoen
scholen aan hun zorgplicht? Bieden samenwerkingsverbanden een landelijk
dekkend aanbod? Zijn ouders en kinderen goed betrokken of staan ze er
alleen voor? Zijn de adviezen van deskundigen opgevolgd of verdwijnen
die in een la? Ik zou daarom graag aan de staatssecretaris vragen wat
zij nog meer gaat doen om deze kinderen te helpen. Wat gaat zij de
komende tijd aanvullend doen om dit probleem op te lossen, misschien ook
vooruitlopend op inclusief onderwijs in 2030, het doel dat daarvoor was
gesteld? Kunnen we daar zo mogelijk stappen op verwachten? Is zij bereid
daarbij een verkenning uit voeren gericht op de effectiefste en
passendste aanpak voor het borgen van het recht op onderwijs? Daar komt
het namelijk uiteindelijk wel op neer.
Er zijn, ook in deze wet, mogelijkheden om thuiszitters concreter te
helpen. Daar zijn wij in ieder geval naar op zoek gegaan. Ik hoor meer
partijen dat zeggen. Uit onderzoek blijkt dat thuiszitten vaak niet
begint met spijbelen, maar bijvoorbeeld juist met kinderen die steeds
vaker ziek thuiszitten, langzaam uit beeld raken en uiteindelijk
helemaal niet meer naar school terugkeren. Daarbij is het van belang dat
we preventief inzetten op onderwijsuitval, bijvoorbeeld door de
leerplichtambtenaar niet alleen een handhavende rol te geven, maar ook
mee te laten kijken met de school en ouders, om zo sneller passende
ondersteuning te organiseren. Ik denk aan het voorbeeld van Amsterdam,
waar ze sinds kort dit initiatief nemen. Een thuiszittersadviseur
begeleidt en adviseert daar betrokken leerplichtambtenaren over wat zij
kunnen doen en welke rol zij kunnen pakken. Dat vraagt ook echt om een
mentaliteitsverandering. Ik hoor ook dat Ingrado en de organisatie van
leerplichtambtenaren daarnaar op zoek zijn. Zo kunnen de ambtenaren
preventief worden ingezet en kan verdere toename van het verzuim worden
voorkomen.
Voorzitter. Hoe kijkt de staatssecretaris naar een dergelijke verruiming
van de rol van de leerplichtambtenaar? Wij doen met mevrouw Westerveld
mee aan een amendement om dit mogelijk te maken. Is de staatssecretaris
bereid om in dat kader een meer signalerende en preventieve rol te
versterken en ervoor te zorgen dat leerplichtambtenaren daarvoor goed
worden opgeleid en toegerust? Hoe kijkt zij naar het inzetten van
thuiszittersadviseurs in alle regio's?
Voorzitter. Ik wil graag stilstaan bij de rol van de ouders en het kind
zelf. Als we willen dat minder kinderen uitvallen, dan moeten we beter
naar hen luisteren. Wat we nu vaak zien, is dat óver gezinnen wordt
gesproken, maar niet mét hen, met ouders en leerlingen zelf. Juist
daarom is het belangrijk dat zij een duidelijke stem hebben in de keuzes
die worden gemaakt. Ouders geven aan dat niet altijd duidelijk is waar
ze terechtkunnen of eventueel kunnen escaleren. Dat geldt soms ook voor
professionals. Daarom zijn er gemeenten die werken aan het opstellen van
heldere escalatieroutes voor ouders of professionals die vastlopen, om
te verduidelijken welke partner welke rol en verantwoordelijkheid heeft.
Mijn vraag aan de staatssecretaris is dan ook of zij daarin ook een
mogelijkheid ziet en die escalatieroutes overal wil borgen, zodat dit
overal zo gebeurt. We zien dat het ook hierbij weer in elke regio anders
is. Laten we er nou voor zorgen dat we de zaken die goed gaan en als een
goed voorbeeld dienen, zo veel mogelijk overal mogelijk maken.
Hoe beoordeelt de staatssecretaris dit wetsvoorstel nu wat betreft de
stem van leerlingen en ouders? Wordt die overal voldoende
meegenomen?
Voorzitter. Ik wil ook nog een bredere zorg benoemen. Veel van wat wij
hier vragen, vergt natuurlijk in de praktijk ook weer iets van scholen.
Scholen hebben nu al te maken met een hoge werkdruk en toenemende
administratieve lasten. Ook wij maken ons daar veel zorgen over. In het
akkoord doen wij voorstellen om die tegen te gaan. Hoe weegt de
staatssecretaris deze wet gelet op de toenemende regeldruk? Heeft zij
geprobeerd na te gaan of de administratie na deze wet op een zo laag
mogelijk niveau is gebracht? Ik zie dat daar in de memorie wel degelijk
op is ingegaan en dat de toetsing regeldruk heeft plaatsgevonden, maar
ik denk dat het goed is dat wij ook bij dit punt stilstaan.
Voorzitter. Ik wil graag met een hoopvolle noot afsluiten. Als we het
aantal thuiszitters echt willen terugdringen, laten ons dan ook kijken
naar de voorbeelden die laten zien dat het wél kan, zoals de Samen naar
School-klassen die voor kinderen met een beperking binnen een reguliere
schoolomgeving onderwijs en zorg op maat bieden. Ik was laatst op bezoek
bij onze Amsterdamse school, waar men zelf het initiatief heeft genomen
tot een aparte klas voor kinderen die anders thuis zouden zitten, maar
die nu in een heel kleine klas met heel veel extra leraren en
ondersteuning gewoon onderwijs kunnen volgen. Dit soort initiatieven
staat of valt vaak met een schoolleider die heel bevlogen is, die zelf
door allerlei muren heen weet te breken en geld uit potjes bij elkaar
weet te rapen om dit mogelijk te maken. We zouden dat toch niet zo
moeilijk moeten laten zijn. We zouden er toch voor moeten zorgen dat dit
veel breder mogelijk is. Laten we daar met elkaar naar streven.
De School zonder Muren is ook een mooi voorbeeld dat ik onlangs
tegenkwam. Daar brengt men het onderwijs echt naar kinderen toe, waar de
leerlingen zich ook bevinden. Inderdaad, ook daarbij kijk ik
bijvoorbeeld naar een voorstel voor meer digitaal afstandsonderwijs.
Laten we dat nou mogelijk maken. We hebben in de coronatijd toch geleerd
dat dit mogelijk is? We zien dat dit samen met onderwijsconsulenten ook
vaak mogelijk is voor kinderen met een fysieke beperking of voor
kinderen die een ziekte hebben. Waarom lukt het dan niet om passend
onderwijs te organiseren voor de thuiszitters waar we het vandaag over
hebben?
Mijn vraag aan de staatssecretaris is dus: hoe kunnen wij dit soort
goede initiatieven uitbreiden en zorgen voor een landelijk dekkend
aanbod voor leerlingen, zodat geen kind meer thuis hoeft te zitten?
Aangezien het de wettelijke taak is van de samenwerkingsverbanden om
zorg te dragen voor een landelijk dekkend aanbod en zij daar op dit
moment niet aan voldoen — we hebben immers heel veel thuiszitters —
vraag ik de staatssecretaris of zij bereid is om te onderzoeken hoe kan
worden gekomen tot een landelijk dekkend en beter functionerend netwerk
van samenwerkingsverbanden voor passend onderwijs.
Voorzitter, tot slot. Deze wet is een stap op weg. Dat verdient
erkenning, maar laten we ook eerlijk zijn over waar we naartoe willen,
want uiteindelijk gaat het niet om de cijfers. Het gaat om Sam. Ik
geloof dat we dat samen kunnen bereiken, zodat we straks niet alleen een
beter beeld hebben van het aantal thuiszitters, maar Sam ook gewoon naar
school gaat.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik nodig mevrouw Beckerman uit. Zij is de volgende spreker
aan de zijde van de Kamer. Zij spreekt namens de fractie van de SP.
Mevrouw Beckerman (SP):
Ja, goedemiddag. Voorzitter. We hebben het vandaag over de Wet
terugdringen schoolverzuim. Je zou dan denken dat deze wet gaat over het
terugdringen van het schoolverzuim, maar niets lijkt minder waar: deze
wet is niet gericht op minder schoolverzuim, maar op meer registratie.
Of denkt het kabinet met deze wet het verzuim wel terug te dringen? En
met hoeveel dan? Hoewel er zeker goede onderdelen in deze wet zitten,
zoals de verruiming van de mogelijkheden voor de duur van vrijstelling,
maakt de SP zich zorgen over een teveel aan registratie en het risico op
een toename van drang en dwang. Want in dit voorstel, dat om preventie
zou moeten gaan, staat nog steeds de strafrechtelijke kant centraal,
middels de rol van de leerplichtambtenaar. Verzuim registreren is op
zichzelf geen doel, maar een middel, en een middel dat er moet zijn om
leerlingen te helpen. We weten wat de oorzaak van veel verzuim is:
jongeren voelen zich op school niet gehoord, niet gezien, niet begrepen
of niet veilig. Docenten worden opgezadeld met een onmogelijke taak. Het
is onrustig in de klas, de klassen zijn te groot, scholen zijn niet goed
uitgerust voor passend onderwijs. Voor veel kinderen is het een
opluchting om niet meer naar school te hoeven. Dat is schrijnend.
Passend onderwijs knelt. Toen in 2014 de Wet passend onderwijs werd
ingevoerd, was de belofte: met deze wet wordt het aantal thuiszitters
teruggedrongen. Het tegenovergestelde is gebeurd: het aantal
thuiszitters is alleen maar gestegen. De aantallen zijn hier al vaker
genoemd. Balans telt er 70.000, en in totaal 280.000 jongeren die geen
volwaardig onderwijs krijgen. De SP waarschuwde hier al voor bij de
invoering van deze wet: "Passend onderwijs wordt knellend onderwijs," zo
waarschuwden we. Als we verzuim echt willen terugdringen, of
belangrijker, willen zorgen dat alle leerlingen voor hen goed onderwijs
krijgen, dan moeten we terug naar de kern. Ik wil vier punten langs die
volgens de SP nodig zijn voor het écht terugdringen van verzuim. Eén:
investeren in het speciaal onderwijs. Twee: nu initiatieven steunen die
thuiszitters helpen, zoals het "rommelpotje". En kleinere klassen. En
leraren beter ondersteunen.
Te beginnen met investeren in het speciaal onderwijs. Speciaal onderwijs
blijft voor een deel van de leerlingen de beste oplossing. Maar ook het
speciaal onderwijs knelt. In een vorig jaar aangenomen motie werd
gevraagd om de wachttijd en capaciteit van het speciaal onderwijs per
regio inzichtelijk te maken. Wanneer kunnen we de resultaten verwachten?
Deze zouden uiterlijk het eerste kwartaal van dit jaar komen. Nou ben ik
zelf op 31 mei jarig, dus ik weet wanneer dat kwartaal eindigt: dat is
heel snel. Wat wil het kabinet extra doen voor het speciaal
onderwijs?
Voorzitter. Dan het tweede punt: nu initiatieven steunen die
thuiszitters helpen. Allang vraagt de SP aandacht voor initiatieven die
leerlingen die nu thuis zitten, kunnen helpen: werkplaatsen,
zorgboerderijen, muzikale initiatieven. Die kunnen thuiszitters weer aan
het leren krijgen. Onconventioneel, doen wat helpt voor thuiszitters.
Mijn voorganger Peter Kwint noemde het "het rommelpotje". Dat is er
gekomen, niet per se als rommelpotje maar als subsidieregeling voor
samenwerkingsverbanden. Hoe staat het daar nu mee, vragen we het
kabinet. In de begroting voor 2026 is het te vinden als "ondersteuning
en preventie thuiszittende jeugdigen". En hoe wordt het gebruikt? Gaat
het vooral naar samenwerkingsverbanden of ook daadwerkelijk naar die
externe initiatieven, die zulk goed werk doen?
Dan de kleinere klassen. Al een lange tijd voert de SP, samen met D66,
een "kleineklassenstrijd". Ja, die is leuk, hè. Sorry voorzitter, ik heb
die niet zelf bedacht, maar ik vind 'm ook wel leuk. De SP is altijd
voor de klassenstrijd, maar de kleineklassenstrijd is voor ons ook een
hele belangrijke. Uit het recente TALIS-rapport blijkt weer dat onze
leraren meer werkstress ervaren dan leraren in andere landen, waarbij
klassengrootte en het aantal leerlingen met een ondersteuningsbehoefte
een aantoonbare rol spelen. Kleinere klassen zijn goed voor iedereen;
voor leerlingen en voor leraren. En groepsgrootte is belangrijk bij de
keuze van de leraren om leraar te blijven. Een kleinere groep verlaagt
de werkdruk en administratie, en helpt vooral leerlingen die het wat
moeilijker hebben. Ziet de staatssecretaris dit ook? We vonden het
hoopvol om in het coalitieakkoord te lezen dat er een pilot komt voor
kleinere klassen. Wanneer en hoe gaat dit vormgegeven worden?
Voorzitter. Dan het beter ondersteunen van leraren. Goed onderwijs
begint en eindigt met goede leraren. Te veel goede leraren vallen nu uit
door te grote klassen en te hoge werkdruk. Het is goed om te lezen dat
het Opleidingsberaad Leraren ook de rol van nascholing voor passend
onderwijs bekijkt. Maar het zou nog beter zijn om voldoende
ondersteunend personeel, bijvoorbeeld in de vorm van multidisciplinaire
teams, op school te hebben. Wat gaat de staatssecretaris doen om dit te
realiseren? Dit kan er namelijk juist voor zorgen dat we thuiszitten
voorkomen — het woord "preventie" is waarschijnlijk het meest genoemde
woord van de dag — in plaats van dat we het registreren.
Voorzitter. Veel is al door collega's gezegd, dus ik ga wat sneller door
mijn laatste stuk heen. Dat stuk gaat over de wet zelf. Er is vaak een
grijs gebied tussen geoorloofd en ongeoorloofd verzuim. De
staatssecretaris voegt daar een grijs gebied aan toe, namelijk tussen
een signaal van ongeoorloofd en verder ongedefinieerd verzuim en een
melding ervan. Maar ook het signaal, zo lazen we, kan leiden tot
handhaving door een leerplichtambtenaar. Kan de staatssecretaris
toelichten hoe zij gaat voorkomen dat de insteek op preventie in de
praktijk overhelt naar de strafrechtelijke kant? Dat is namelijk iets
waar leerlingen en studenten vaak helemaal niet bij gebaat zijn.
Voorzitter. Het is mooi dat het kabinet de bepaling waarmee het
voortgezet onderwijs niet bekostigd wordt bij verzuim van leerlingen
vroeg in het jaar, wil schrappen. Ik vind dat echt een meerwaarde van de
wet. Zo behouden scholen juist geld om zorg te dragen voor deze
leerlingen. Maar ziet de staatssecretaris ook manieren om te zorgen dat
dit geld dan daadwerkelijk besteed gaat worden aan de betreffende
leerlingen?
We lezen dat dit voorstel deel uitmaakt van een breder
wetgevingsprogramma gericht op thuiszittende jongeren en ondersteuning
van leerlingen met een ondersteuningsbehoefte. Daarbij worden onder
andere jeugdhulp, jeugdzorg en het tegengaan van jeugdcriminaliteit en
kinderarmoede genoemd. Dat is cruciaal. Het enige wat hier niet genoemd
lijkt te worden, is de inrichting van ons onderwijs zelf. Daar zit voor
de SP wel echt de crux. Kan de nieuwe staatssecretaris vertellen wat zij
als belangrijkste knelpunten en oorzaken van het toegenomen
schoolverzuim ziet?
Zoals het rapport "Thuiszitters tellen" stelt, is beter passend
onderwijs het beste middel om thuiszitters tegen te gaan. Is dit nieuwe
kabinet bereid om te kijken naar de basis van ons knellend onderwijs, in
plaats van zich op alles behalve de kern daarvan te richten?
Daar laat ik het in de eerste termijn bij. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. De volgende spreker van de zijde van de Kamer is mevrouw
Armut, die spreekt namens het CDA.
Mevrouw Armut (CDA):
Dank, voorzitter. Dit wetsvoorstel probeert iets te doen aan een
probleem waarover we — ik heb het debat gehoord — het eigenlijk allemaal
eens zijn: schoolverzuim en thuiszitten zijn schadelijk voor kinderen.
Ze missen het broodnodige onderwijs en de sociale interactie met hun
leeftijdsgenoten. De Kinderombudsman merkte in de analyse van de
thuiszittersproblematiek op dat deze kinderen hun leven gemiddeld een
4,5 geven. Dat is voor niemand wenselijk: niet voor deze kinderen, niet
voor hun ouders, niet voor het onderwijs en ook niet voor de
samenleving. Dit wetsvoorstel raakt deze kinderen. Het gaat over deze
kinderen. Het gaat over het voorkomen dat een leerling uit beeld raakt.
Wanneer verzuim te laat wordt gesignaleerd, kan het uitmonden in
langdurige uitval en thuiszitten. Daarom is het goed dat het kabinet
zich wil inspannen om dit tegen te gaan. Tegelijkertijd roept deze wet
ook bij ons vragen op; dat zag ik dus ook al bij alle andere partijen
die we tot nu toe hebben gehoord. De vraag is of dit wetsvoorstel gaat
helpen om schoolverzuim proactiever tegen te gaan.
Voorzitter. Langs drie punten wil ik stilstaan bij dit wetsvoorstel. Ik
begin bij punt één: pakt deze wet de kern van het probleem aan? In het
advies van de Raad van State wordt hier een belangrijke kanttekening bij
geplaatst. De Raad van State wijst erop dat het niet vanzelfsprekend is
dat maatregelen die voornamelijk gericht zijn op het eerder signaleren
van kortdurend ongeoorloofd verzuim, ook daadwerkelijk leiden tot minder
langdurig verzuim en minder langdurig thuiszitten. Sterker nog,
langdurig thuiszitten blijkt in veel gevallen samen te hangen met
langdurig geoorloofd verzuim. Om te beoordelen of deze wet effectief kan
zijn, is het belangrijk om scherp te hebben waar het probleem precies
zit. De grootste zorg zit niet bij incidentele spijbelaars of kortdurend
ongeoorloofd verzuim. De grote complexiteit zit bij leerlingen die
langdurig uitvallen en uiteindelijk ook echt langdurig thuis komen te
zitten. Bij deze groep spelen vaak heel veel verschillende problemen
tegelijk en die zijn eigenlijk allemaal ook voorbij gekomen: lange
wachttijden in de zorg, gebrek aan passend onderwijs, vastlopen in de
jeugdhulp.
Voorzitter. Dat roept de vraag op waar ik mijn inbreng mee begon: als de
kern van het probleem ligt bij deze complexe situaties, vaak buiten het
onderwijs, in hoeverre raakt deze wet de kern van het probleem dan? De
regering stelt dat betere registratie en samenwerking uiteindelijk
moeten leiden tot eerder ingrijpen en voorkomen van escalatie. Dat
sluiten wij niet uit, maar registreren en signaleren is uiteindelijk
geen doel op zich; dat is een middel. Het doel moet zijn om leerlingen
sneller te helpen om weer perspectief te krijgen op volwaardig
onderwijs. Wat betreft het middel, een betere eenvormige registratie:
dit leidt in het onderwijs tot een stijging van administratieve lasten.
De vraag is of deze stijging van administratieve lasten opweegt tegen
het resultaat. Registratie is als hulpmiddel bedoeld om het verzuim bij
leerlingen te laten dalen.
Voorzitter. Ik heb daarover de volgende vragen. Welke effecten verwacht
het kabinet van dit wetsvoorstel? Op welke wijze kan deze wet het
langdurige verzuim helpen voorkomen? Erkent het kabinet dat het
voorkomen van thuiszitten afhankelijk is van vele complexe factoren en
dat deze voor een deel buiten het bereik van dit wetsvoorstel vallen?
Hoe zorgt het kabinet dat ook daar de focus op komt te liggen en dat dit
niet alleen een papieren oplossing wordt?
Voorzitter. Voor het CDA is het van belang dat dit wetsvoorstel effect
heeft en bijdraagt aan het terugdringen van schoolverzuim, en niet enkel
een nieuw registratiesysteem betreft, hoe goed dat dan ook functioneert.
Het onderzoek Thuiszitters Tellen van Balans uit 2024 laat een divers
beeld zien van leerlingen die langdurig thuis komen te zitten. Laat ik
helder zijn: ook wij krijgen verhalen te horen van ouders van wie het
kind gepest wordt. De school blijkt dan niet in staat om het pestgedrag
aan te pakken en het kind komt vervolgens thuis te zitten. Vervolgens
wijzen alle betrokkenen naar elkaar en valt het onder geoorloofd
verzuim. Mijn vraag aan de staatssecretaris: wat gebeurt er dan? We
hebben meerdere ouders gesproken die met hun handen in het haar zitten
en graag willen dat hun kind weer onderwijs kan volgen. Mede hierom
vinden wij het amendement van de heer Ceder wel interessant, maar de
discussie die daarna volgde gehoord hebbende, ben ik heel benieuwd naar
wat de staatssecretaris daarvan vindt en hoe zij hiernaar kijkt.
Dan kom ik bij punt twee. Wanneer signaleren we zorgelijk verzuim? Een
ander belangrijk onderdeel van dit wetsvoorstel is het nieuwe instrument
van het signaal zorgelijk verzuim. Scholen krijgen daarmee de
mogelijkheid om al voor de meldgrens is bereikt een leerplichtambtenaar
erbij te betrekken. Het huidige systeem verplicht scholen vanaf zestien
uur ongeoorloofd verzuim binnen vier weken melding te maken. Met de
introductie van het signaal zorgelijk verzuim kunnen scholen al voor die
wettelijke meldgrens de leerplichtambtenaar erbij betrekken. Wij kunnen
best wel meegaan in de bedoeling daarvan: eerder signaleren, eerder
samenwerken, voorkomen dat een situatie escaleert. Maar we zien ook dat
bijvoorbeeld op basisscholen en middelbare scholen een brugfunctionaris
is aangesteld. Dat is een schoolmedewerker die een schakel vormt tussen
thuis, de school en de omgeving, zoals het wijkteam en de zorg. Het gaat
erom gelijke kansen voor leerlingen te bevorderen en schooluitval te
voorkomen. Dit lijkt te werken als preventieve schakel om leraren te
ontlasten en te ondersteunen. Wij vragen ons af of de staatssecretaris
dat ook ziet. Ziet zij ook hoe de brugfunctionaris iets kan betekenen in
het voorkomen van uitval bij jongeren en leerlingen?
Enerzijds vraagt dit wetsvoorstel van scholen om verzuim nauwkeuriger te
registreren en anderzijds blijft het moment waarop scholen daadwerkelijk
een signaal afgeven aan de leerplichtambtenaar vrij. Dat snapt het CDA
ook wel, want elke school en elk kind is anders, maar de huidige grens
blijft arbitrair. Die is vastgesteld op zestien uur, maar alles wat
daarvoor gebeurt en reden tot zorg kan zijn, wordt overgelaten aan de
inschatting van de school. Hoe ziet de staatssecretaris dat in het licht
van wat volgens ons het doel moet zijn, namelijk eerder ingrijpen bij
zorgelijke uitval? Bestaat hiermee niet het risico dat scholen preciezer
gaan registreren, maar dat het moment waarop gehandeld wordt sterk kan
verschillen per school? Het CDA vindt eerder signaleren een goed
instrument, maar er is voor gekozen om niet wettelijk vast te leggen
wanneer er sprake is van zorgelijk, ongeoorloofd verzuim, omdat dit te
sterk afhankelijk is van de schooleigen context. De school kan een
signaal afgeven aan de leerplichtambtenaar. De wet biedt hiervoor een
zogenaamde kanbepaling. Zeker vanuit het preventieve oogpunt geldt:
voorkomen is beter dan genezen. Het CDA hoopt dat scholen dit
preventieve middel veel gaan inzetten. Ik vraag me echter af welke
maatregelen de leerplichtambtenaar in de instrumentenkist heeft om het
kind weer terug naar school te geleiden. En hoe moeten we deze
signaalfunctie zien? Moeten we die zien als een lichte maatregel naast
de zwaardere maatregel bij ongeoorloofd verzuim van boven de zestien uur
per maand?
Voorzitter, dan kom ik bij punt drie: het onderwijskundig perspectief.
Een punt dat ik wil noemen is de rol van de jeugdarts. Het is een goede
zaak dat het onderwijskundig perspectief van de jongere wordt meegenomen
bij het al dan niet verlenen van een vrijstelling op lichamelijke of op
psychische gronden. De regering benadrukt in de nota naar aanleiding van
het verslag dat het samenwerkingsverband een advies geeft aan de arts.
De arts beslist over de totstandkoming van de verklaring die nodig is
voor het wel of niet verlenen van de vrijstelling. Dat beslist niet het
samenwerkingsverband. Het samenwerkingsverband heeft echter wel een
belang. Verschillende partijen in de Kamer hebben over dit punt vragen
gesteld. Ik vraag mij eerlijk gezegd ook af of we dit nu goed regelen.
Ik begrijp dat de regering tot doel heeft om het aantal kinderen en
jongeren met een vrijstelling te laten dalen, bijvoorbeeld omdat er een
onderwijskundig perspectief in de regio bestaat of in de grensregio
aanwezig is. Dat doel delen we volgens mij allemaal. Maar gaat het
hiermee ook lukken of doet het alleen de wachtlijsten voor het speciaal
onderwijs stijgen?
Het CDA onderschrijft de ambitie om schoolverzuim eerder aan te pakken
en langdurige uitval te voorkomen. Juist daarom is het belangrijk dat
deze wet in de praktijk daadwerkelijk bijdraagt aan een sneller
perspectief op onderwijs voor leerlingen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Een interruptie van mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik hoor heel veel terechte vragen en opmerkingen. Ik hoor heel veel
vragen die gaan over de wet, maar ook over alles wat er nog meer zou
moeten gebeuren om ervoor te zorgen dat kinderen naar school kunnen
gaan. Mijn vraag aan het CDA is dan ook waar de ruimte voor jullie de
komende tijd ligt om te zorgen dat er echt wat gaat gebeuren. Want deze
discussie is mooi, maar die hadden we ook met uw voorganger, zeg ik via
de voorzitter. Ja, met de voorzitter zelf eigenlijk, namelijk in zijn
vorige rol. Maar we hadden die ook met vele andere
onderwijswoordvoerders van het CDA. Ik zou willen voorkomen dat we over
vier jaar nog een keer deze discussie voeren.
Mevrouw Armut (CDA):
Dat snap ik heel goed. Dat zou ik ook heel graag willen voorkomen. Ik
ben net een paar maanden Kamerlid. Ik ga echt mijn uiterste best doen om
hierop door te pakken. Ik weet dat mevrouw Westerveld deze strijd ook
voert. Ik weet niet hoe lang zij precies Kamerlid is, maar ik denk al
tien jaar, of nog langer. Ik snap ook dat het dan heel frustrerend kan
zijn dat bepaalde stappen nog steeds niet gezet zijn en dat al deze
plekken waar het klem loopt, er nog steeds zijn. Dat heb ik net ook
benoemd. Ik ga mijn uiterste best ervoor doen. In het coalitieakkoord
zijn een aantal punten opgenomen, waarvan ik echt denk dat ze aan de
preventieve kant kunnen helpen. We hebben gisteren een debat gehad over
leraren. Zij hebben een ontzettend grote rol in het voorkomen van
uitval. Maar het ligt ook voor een heel groot deel aan bijvoorbeeld de
omgeving van de kinderen. Daarover komt in het coalitieakkoord veel
terug. Mevrouw Westerveld kan ook van mij verwachten dat ik mij daar de
komende, hopelijk, vier jaar hard voor ga maken.
De voorzitter:
Een vervolgvraag.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Hele mooie antwoorden. Ik heb ook gelezen wat er in het coalitieakkoord
staat. Er zijn natuurlijk ook andere zaken in het coalitieakkoord, die
kunnen zorgen voor veel meer stress in gezinnen. Dat kan ook weer effect
hebben op het onderwijs. Laten we niet die hele discussie hier voeren.
Mijn vraag is ook niet wat er in het coalitieakkoord staat. Mijn vraag
is vooral wat het CDA gaat doen. Ik hoor enorm veel inzet en een enorme
drive om het beter te maken. Ik wil de wens meegeven dat we de komende
vier jaar het verschil gaan maken voor kinderen en hun ouders. Ik wil
dat er stappen worden gezet en ik hoop dat ook de coalitiepartijen de
ruimte hebben om die keuzes te maken.
Mevrouw Armut (CDA):
Ik ga daar, zoals ik heb gezegd, mijn uiterste best voor doen.
De voorzitter:
De heer Ceder met zijn achtste interruptie. Ik zeg het u maar.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel, voorzitter, dat u dat zo nauwkeurig bijhoudt. Het is een
serieus toekomstscenario dat na het einde van het kabinet-Jetten meer
dan 100.000 kinderen thuiszitten. Dat wil ik voorkomen en ik weet dat
het CDA dat ook wil voorkomen, maar daar moet wel wat voor gebeuren.
Volgens mij gaf mevrouw Dobbe, nee, sorry, mevrouw Beckerman aan dat
verzuim opschrijven en registreren er niet toe leidt dat het ook
preventief voorkomen wordt. Ik heb behoefte aan samenhang, want er moet
heel veel gebeuren om het aantal thuiszitters terug te dringen. Daarom
heb ik ook met mevrouw Westerveld een amendement ingediend dat
veronderstelt dat, als wij deze wet aannemen — ik heb niets tegen deze
wet; goede wet, maar hij is te licht, vind ik — we voor inwerkingtreding
van deze wet een integraal kader krijgen van wat na deze wet gaat
gebeuren om het aantal thuiszitters terug te dringen. Ik vroeg me af hoe
u daarin staat, vraag ik via de voorzitter. Ik denk en vrees namelijk
echt, gezien de afgelopen jaren, dat ondanks de debatten die we hier met
elkaar voeren, het aantal thuiszitters steeds meer stijgt. Voor mijn
gevoel is het echt vijf over twaalf. Hoe staat u daartegenover?
Mevrouw Armut (CDA):
Ik snap de zorg van de heer Ceder heel goed. Ik denk ook dat ik daar
uitgebreid bij stil heb gestaan in mijn inbreng. Ik snap wat de
bedoeling is van deze wet, bijvoorbeeld het eerder signaleren van uitval
en het eerder schakelen met alle relevante mensen die je hierbij kan
betrekken. Maar ik weet zelf ook dat er veel meer nodig is om het
schoolverzuim daadwerkelijk terug te dringen. Ik zei waar dat allemaal
mee te maken heeft. Dat hebben de heer Ceder, mevrouw Westerveld en
mevrouw Beckerman ook gedaan. Er moet dus veel meer gebeuren. Ik heb
daarover bijvoorbeeld vragen gesteld aan de staatssecretaris. Ik stel
voor dat we in ieder geval de antwoorden daarop gaan aanhoren en dit
gesprek blijven voeren. Binnenkort komt er bijvoorbeeld een debat aan
over passend onderwijs. Daar hoort volgens mij het gesprek hierover ook
bij. Ik weet niet of de vraag van de heer Ceder aan mij was of ik ook
wil dat er een brief komt. Ik zou in ieder geval eerst de antwoorden van
de staatssecretaris in dit debat willen horen.
De voorzitter:
En u was aan het einde van uw betoog.
Mevrouw Armut (CDA):
Ja, dank u wel.
De voorzitter:
Dan nodig ik mevrouw Raijer uit, en zij spreekt namens de fractie van de
PVV. Wij liggen behoorlijk op schema, dus dat gaat uiterst best. Aan u
het woord, mevrouw Raijer. Ga uw gang.
Mevrouw Raijer (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Laat ik beginnen door te stellen dat ieder kind
in Nederland recht heeft op goed onderwijs, zodat hij of zij zich kan
ontwikkelen tot een volwaardig deelnemer aan onze samenleving.
Schoolverzuim moet daarom hard worden aangepakt. Kinderen horen op
school en niet op straat. Wie zonder geldige reden wegblijft, schaadt
niet alleen z'n eigen toekomst, maar ook indirect die van de
samenleving. Om het probleem scherp te krijgen, moeten we ook helder
zijn over waar we het over hebben. Bij "relatief verzuim" gaat het om
leerlingen die wel staan ingeschreven, maar zonder geldige reden afwezig
zijn. Bij "absoluut verzuim" wordt het ernstiger: dat zijn kinderen die
helemaal niet staan ingeschreven en dus volledig buiten beeld
verdwijnen. Het gaat hier om duizenden leerplichtige kinderen per jaar.
Dan is er nog het luxeverzuim, waarbij ouders hun kinderen zonder
toestemming buiten de schoolvakantie thuis houden.
Voorzitter. Juist het absolute verzuim is het meest schrijnend. Dat zijn
kinderen die letterlijk verdwijnen uit het onderwijssysteem. Kinderen
waar niemand zicht op heeft. Hoe gaat de staatssecretaris ervoor zorgen
dat absoluut verzuim landelijk eenduidig en sluitend wordt
geregistreerd, zodat geen enkel kind meer buiten beeld kan raken?
Voorzitter. Het wetsvoorstel dat voor ons ligt, zet terecht in op
vroegtijdig signaleren, en op betere samenwerking tussen scholen,
leerplicht en zorg. Verzuim wordt nu echter nog te vaak pas aangepakt
wanneer de situatie al volledig is ontspoord. Wij willen benadrukken dat
structureel verzuim zich bovengemiddeld vaak voordoet in kwetsbare
wijken. Factoren zoals armoede, schulden, psychische problematiek en
beperkte ouderbetrokkenheid spelen daarbij aantoonbaar een rol. Ik vraag
de staatssecretaris dan ook of de voorliggende wet zich hier wel
voldoende op richt. Wij vrezen namelijk voor een toenemende
bureaucratisering, waarbij scholen steeds meer taken krijgen en dreigen
te verworden tot een soort administratiekantoor.
Voorzitter. Mijn fractie vindt dat deze wet gehandhaafd moet worden. Kan
de staatssecretaris concreet aangeven dat dit in de praktijk ook
daadwerkelijk het geval zal zijn bij de uitvoering van deze wet? Waarom
zou er dan plotseling nu pas gehandhaafd worden? Ik wil overigens nog
even in herinnering brengen dat scholen een aantal jaren geleden
openlijk hun leerlingen lieten spijbelen voor het klimaat. Dat vonden
bijna alle partijen in dit huis niet problematisch. Kan de
staatssecretaris ons garanderen dat er op dergelijke gevallen van
spijbelen ook gehandhaafd wordt?
In een ideale wereld zou elke leerling naar elke school moeten kunnen
gaan om daar het beste uit zichzelf te kunnen halen. Uit de conclusies
van het ministerie blijkt echter dat sinds de invoering van het stelsel
van passend onderwijs het aantal jongeren dat langdurig verzuimt en
thuiszit niet is afgenomen. Dit komt vooral doordat jongeren met
problematiek niet altijd worden gezien of doordat de ondersteuning die
zij nodig hebben, onvoldoende wordt geboden. Is het daarom niet beter
voor zowel leerlingen als docenten om in zulke gevallen meer in te
zetten op scholen die gespecialiseerd zijn in het omgaan met leerlingen
met zorgvragen, zodat zij onderwijs krijgen dat echt bij hen past? In de
memorie van toelichting wordt hier kort bij stilgestaan. Daarin wordt
gesteld dat jongeren via onderwijszorgarrangementen onderwijs kunnen
volgen op een locatie waar de specifieke zorg of deskundigheid aanwezig
is die zij nodig hebben. Ligt hier niet juist een kans voor het speciaal
onderwijs om met name jongeren met serieuze zorgvragen weer terug de
schoolbank in te krijgen, terwijl tegelijkertijd het regulier onderwijs
wordt ontlast? Zo krijgen de leerlingen zonder extra zorgvragen ook de
aandacht die zij nodig hebben.
Voorzitter. Er is echter nog een groep die in deze discussie vaak over
het hoofd wordt gezien. Dat zijn kinderen die niet thuiszitten omdat ze
niet willen leren of omdat zij complexe zorg nodig hebben, maar omdat
zij simpelweg niet meer naar school durven te gaan omdat zij structureel
worden gepest. En wat er gebeurt dan? Niet de pester wordt aangepakt,
maar het slachtoffer verdwijnt uit de klas en komt uiteindelijk in de
verzuimcijfers terecht. Wat de PVV betreft is dit de omgekeerde wereld.
In plaats van degene die het probleem veroorzaakt te corrigeren of te
verwijderen, wordt het kind dat bescherming nodig heeft feitelijk het
onderwijs uit gedrukt. Kan de staatssecretaris aangeven of we deze
kinderen onterecht gaan registreren als verzuimgevallen? Of is de
staatssecretaris bereid om de daders daadwerkelijk aan te pakken en
scholen daarin te ondersteunen? Is de staatssecretaris het met de PVV
eens dat een school in de eerste plaats een veilige plek moet zijn voor
kinderen die zich wél willen gedragen, en niet voor degenen die het
onderwijs structureel verzieken?
Voorzitter. Als we dit probleem echt serieus nemen, dan moeten we
stoppen met het verplaatsen van problemen en beginnen met het oplossen
ervan. Dat betekent helder registreren, consequent handhaven,
bureaucratie terugdringen en vooral de oorzaak aanpakken. Want zolang we
dat niet doen, blijven we praten over verzuim terwijl we in
werkelijkheid kinderen aan het verliezen zijn.
Dank u wel.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Kort, over kinderen die niet naar school gaan omdat ze gepest worden.
Dat kan ook te maken hebben met taalgebruik of doordat kinderen zich
gediscrimineerd voelen. Mijn vraag aan mevrouw Raijer is of ze ervan op
de hoogte is dat het taalgebruik in de Tweede Kamer, dus hoe wij over
mensen praten, ook effect heeft op de samenleving en dat we er met
elkaar dus voor moeten waken dat we bijdragen aan het pesten van
kinderen.
Mevrouw Raijer (PVV):
Om u daar een antwoord op te geven: ik kan de link tussen het
taalgebruik in de Tweede Kamer en het pesten van kinderen niet helemaal
leggen. Kinderen die in de klas gediscrimineerd worden, vallen ook onder
gepeste kinderen. Ik heb het hier dus over alle kinderen die gepest
worden.
De voorzitter:
Een vervolgvraag.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik vind het dus heel terecht dat we opkomen voor kinderen die gepest
worden. Mijn punt is vooral dat we in de Tweede Kamer ook moet uitkijken
met woordkeuze. Ik spreek niet meteen mevrouw Raijer daarop aan, maar
bijvoorbeeld wel haar fractievoorzitter, die best vaak taal in de mond
neemt waardoor grote groepen mensen zich buitengesloten voelen. Laten we
dat dus niet doen met elkaar. Mijn oproep is: laten we ook hier het
debat beschaafd houden en op de inhoud voeren. Ik denk dat we dan
bijdragen aan het feit dat kinderen minder worden gepest en
buitengesloten, en zich veilig voelen op school.
Mevrouw Raijer (PVV):
Mijn fractievoorzitter gaat over zijn eigen bewoordingen, dus je zult
hem moeten aanspreken. Ik ga daar niet over.
De voorzitter:
U was klaar, toch? Jazeker. Het woord is aan de heer Stoffer, die
spreekt namens de Staatkundig Gereformeerde Partij. Ga uw gang.
De heer Stoffer (SGP):
Voorzitter. Is dit wetsvoorstel een stuk fruit of een stuk kaas? Die
vraag kwam bij me op toen ik het debat voorbereidde. U weet dat het voor
een stuk kaas goed kan zijn om wat langer te liggen, maar voor fruit
ligt dat iets anders. Ik hoef niet te vertellen hoe een banaan eruitziet
als die te lang ligt. Als ik naar dit wetsvoorstel kijk, dan ben ik er
eigenlijk nog niet helemaal uit. Het is in ieder geval al langer in
consultatie en bespreking dan normaal gesproken goed is, namelijk al
sinds 2022. Als ik er zo naar kijk, dan zie ik toch wel een aantal
bruine plekken. Tegelijk moet ik zeggen dat de kwaliteit van sommige
onderdelen er in die tijd wel beter op geworden is.
Voorzitter. De SGP zoomt graag eerst even uit om het bredere plaatje
rond dit wetsvoorstel in beeld te krijgen. Het is wat onbevredigend dat
we nu alleen een voorstel bespreken over verzuimbeleid, terwijl het nauw
verband houdt met andere thema's waarop ook wijziging van regelgeving in
ontwikkeling is. Dan noem ik bijvoorbeeld de regels over zorg in
onderwijstijd, waarbij de vrijstelling van de leerplicht ook een
belangrijke rol speelt. De staatssecretaris heeft hierover afgelopen
februari vanuit het departement van VWS juist nog een wetsvoorstel in
consultatie gegeven. Waarom is het wenselijk en verstandig om
afzonderlijk te besluiten over deze samenhangende thema's? Kunnen we
niet wachten tot het moment dat er meer duidelijkheid is op andere
terreinen? Wellicht krijgen we dan een nog rijper wetsvoorstel.
Voorzitter. Ik zoom ook even in op het wetsvoorstel zelf, want het is
eigenlijk een heel belangrijk wetsvoorstel. Het maakt namelijk goed
inzichtelijk hoe de overheid vaak kijkt naar het onderwijs en welke
problemen dat oplevert voor scholen. Ik vermeld met ere dat met name
VOS/ABB, vertegenwoordiger van het openbaar onderwijs, een zeer scherpe
analyse heeft gestuurd van wat hier gaande is. Ik noem drie kernpunten:
er wordt te veel verwacht van registratie, het accent ligt te veel op
reactief in plaats van proactief beleid en de wetgever vlucht in nieuwe
regels, terwijl juist ten aanzien van schoolverzuim herhaaldelijk is
vastgesteld dat bestaande regels niet goed worden nageleefd.
De SGP stelt vast dat dit wetsvoorstel misschien wel een schoolvoorbeeld
is van de registratie- en analysebril waardoor de overheid in de
afgelopen jaren steeds vaker naar het onderwijs is gaan kijken. Een
vergelijkbare benadering zien we bij de regeling over sociale
veiligheid. Er zijn grote verwachtingen van registreren, analyseren en
rapporteren. Die verwachtingen leiden onvermijdelijk tot meer lasten,
bureaucratie en een dikkere bestuurlijke schil, waarop de politiek
vervolgens kritiek heeft. Het is helemaal niet gezegd dat de praktijk
echt beter wordt van deze verplichtingen. Het eindresultaat is overigens
niet zelden een fusie, omdat het bestuur het niet meer aankan of het dan
nog beter kan. Zoals we dat dan verhullen in bestuurstaal: het bestuur
kon onvoldoende professionaliseren. Het probleem zat daarbij
vanzelfsprekend niet in het overheidsbeleid, maar in het bestuur. Aan
het begin van haar ambtsperiode in het onderwijs, zou ik graag eens een
uitgebreide reflectie horen van de staatssecretaris op deze
sturingsdynamiek. Ik vraag dit vooral om te horen hoe we op een meer
dienstbare manier kunnen werken voor het onderwijs. Kunnen we misschien
een andere beleidsbril opzetten?
Ik pas het voorgaande ook even toe op het wetsvoorstel dat voorligt.
Ogenschijnlijk gaat het wetsvoorstel vooral over een simpele
registratieverplichting. Wie kan daar nu op tegen zijn? De regering zegt
ook: eigenlijk was dit impliciet al verplicht. Toch gebeurt er echt iets
meer. Niet alleen wordt de registratieplicht door dit wetsvoorstel
expliciet gemaakt, er komt ook verplicht verzuimbeleid en daar zit
uiteraard een analyseplicht in. In die combinatie schuilt het bezwaar en
de extra belasting. De school kan niet volstaan met simpel registreren
en leveren, maar zal de beleidsmolen moeten laten draaien om de data te
analyseren — periodiek uiteraard, maar jaarlijks als we een beetje
verder zijn en er weer eens een motie vanuit de Kamer komt — ook als de
praktijk van het verzuim hiervoor weinig aanleiding geeft. De inspectie
kan het al eenvoudiger controleren dan bij een schoolbezoek: waar zijn
uw gegevens, waar zijn uw analyses en deugen die wel en heeft u wel
voldoende oog voor specifieke groepen? Mijn vraag aan de
staatssecretaris is: is dit echt de richting die het onderwijs verder
gaat helpen?
Voorzitter. De SGP is kritisch op de lastendruk in het onderwijs. Dat
zijn we al heel lang, want de berg regels is buitensporig hoog en de
onderwijsinspectie roept ons als wetgever terecht op om een streep te
trekken. Er kan eigenlijk niets meer bij en er moet eerder wat vanaf.
Alle regels zijn uiteraard goed bedoeld, maar het onderwijs komt er
steeds verder door in het moeras. Juist daarom ben ik erg kritisch op de
manier waarop de regering naar de registratielast kijkt. Volgens de
regering registeren de meeste scholen toch al en levert het daarom als
zodanig geen extra belasting op. Allereerst betwijfel ik of de huidige
wet zo vergaand geïnterpreteerd mag worden. Een duidelijke harde
verplichting is er nu niet om gegevens in detail te registeren en te
leveren. Mijn vermoeden is bovendien dat het op een behoorlijk aantal
scholen nog niet zo gaat als het wetsvoorstel vereist en als ik eerlijk
ben, weet ik eigenlijk niet of ik dat echt een probleem vind. De
kernvraag moet namelijk altijd zijn: zijn de leerlingen hier echt bij
gebaat? Voor de scholen die het zelfs volgens de regering nog niet goed
doen, gaat het wetsvoorstel in ieder geval een extra last opleveren en
dat vinden we als SGP niet wenselijk.
Kleine scholen zijn extra kwetsbaar bij extra regels en verplichtingen.
Niet omdat hun kwaliteit minder is, maar gewoon omdat ze het
organisatorisch nauwelijks meer rondkrijgen. De zorgplicht van de
wetgever geldt in het bijzonder wel deze groep scholen, want beredeneerd
vanuit het belang van het kind zie je juist bij kleine scholen
beperktere meerwaarde van het wetsvoorstel. De proactieve aandacht voor
leerlingen is in een kleinere gemeenschap vaak meer dan vanzelfsprekend
aanwezig en de proportionaliteit van de nieuwe verplichting is bij
kleine scholen twijfelachtig. Daarom wil de SGP met het amendement dat
ik vandaag heb ingediend de registratieplicht beperken tot scholen die
meer dan 150 leerlingen hebben. Dat is in de bekostiging de grens voor
kleine scholen. Het is aan deze scholen om te kiezen hoe ze op een
navolgbare wijze inzichtelijk maken wanneer een leerling meer dan de
wettelijke norm verzuimt. Graag hoor ik hier een reactie op van de
staatssecretaris.
Voorzitter. De SGP is ook kritisch over de manier waarop de
medezeggenschap in het wetsvoorstel aan bod komt. De regering blijft in
de beantwoording bij de stelling dat het instemmingsrecht van ouders op
het verzuimbeleid in de schoolgids ook betekent dat ouders
instemmingsrecht hebben op het verzuimbeleid als zodanig. Met Verus
betwijfelt de SGP of dat juridisch gezien klopt. Het lijkt ons geen
juiste visie op de systematiek van de medezeggenschap. In ieder geval
strookt het niet met hoe organisaties in het onderwijs ernaar kijken en
hoe ze ouders voorlichten. Neem bijvoorbeeld de website van de
Vereniging Openbaar Onderwijs: "Het gaat bij het instemmingsrecht van de
oudergeleding met betrekking tot de schoolgids voornamelijk over de
wijze waarop de informatie wordt gepresenteerd. De MR kan kijken naar of
de informatie voor ouders helder genoeg is, of bepaalde informatie mist
of dat er juist te veel (overbodige) informatie in staat." Mijn vraag is
of de staatssecretaris haar stelling nog eens extern wil laten toetsen
om hierover verwarring te voorkomen.
Voorzitter. Ouderorganisaties zijn bezorgd over de mogelijkheid om al
veel eerder vrijwillig verzuim te melden dan bij het wettelijk aantal
uren ongeoorloofd verzuim. De vrees is dat door het toenemend aantal
signalen ouders ook eerder in de sfeer van het strafrecht geraken en de
afbakening met het strafrecht is onvoldoende duidelijk. Zou de
staatssecretaris willen kijken of dit scherper kan, zoals ook de Raad
van State adviseerde?
Voorzitter. De SGP vindt het positief dat de regering de vrijstelling
wegens lichamelijke en psychische beperkingen tegen het licht heeft
gehouden. Dat is in het wettelijk systeem een cruciaal scharnier dat al
jaren behoorlijk piept. Het gaat dan over de fundamentele vraag hoe we
vaststellen of kinderen in staat zijn om onderwijs te volgen. Als dat
helemaal niet het geval is, hoeft een kind zelfs niet meer ingeschreven
te staan. Er is dan alleen nog sprake van zorg of maatschappelijke
ondersteuning. Mijn eerste vraag gaat over de inhoudelijke beoordeling.
Uit de praktijk horen we dat kinderen soms volledig worden vrijgesteld
van het volgen van onderwijs, terwijl ze op onderdelen wel degelijk in
staat zijn om te leren. De SGP vindt het geen goede zaak dat dan
volledige vrijstelling ontstaat. Kan de regering bevestigen dat het
wetsvoorstel als uitgangspunt heeft dat volledige vrijstelling alleen
ontstaat als het kind op geen enkele manier mogelijkheden heeft om
onderwijs te volgen? Hoe wordt die lijn, als het antwoord tenminste
positief is, dan eenduidig opgepakt in het onderwijsveld?
De SGP vindt dat de procedure voor vrijstelling door het wetsvoorstel
verbetert. Het advies van het samenwerkingsverband is nuttig. Toch is
dat niet afdoende, want ook het samenwerkingsverband is belanghebbende.
Bovendien is de regeling voor het aanwijzen van deskundigen erg open.
Met alle waardering die ik heb voor psychologen en pedagogen — zeker
voor orthopedagogen, ik ben er met een getrouwd — is het niet zo dat
elke willekeurige deskundige ook bekwaam is om een oordeel te vellen
over deze specifieke situatie. Daarom stel ik met het amendement op stuk
nr. 17 voor om een registratieplicht in te voeren. Dat kan uiteraard een
hele bescheiden registratie zijn. De staatssecretaris kan er ook voor
kiezen om aan te sluiten bij een bestaand register, bijvoorbeeld het
Kwaliteitsregister Jeugd. Graag hoor ik het oordeel van de
staatssecretaris hierover.
Voorzitter. Tot slot, nog een keer de vraag: fruit of kaas? U zult
begrijpen dat ik er niet uit ben. Hoe langer ik erover nadenk, hoe meer
bananen ik zie in plaats van kaas. Daarom zie ik enorm uit naar de
beantwoording van de staatssecretaris, want misschien wordt het daarmee
voor mij toch nog bananenkaas.
Dank u wel.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik heb met veel interesse geluisterd. De heer Stoffer een aantal
interessante opmerkingen over het punt van de vrijstelling. Ik heb ook
goed naar dat artikel gekeken. Is hij het met mij eens — ik denk dat het
antwoord ja is, maar even voor de duidelijkheid — dat als wordt gekeken
of een kind niet naar school kan, primair moet worden uitgegaan van het
kind zelf? Ik hoor namelijk heel vaak van ouders, soms van kinderen, dat
kinderen heel graag naar school willen. Vaak is er geen passend aanbod
of kan het gewoon niet, omdat de leerkracht de handen vol heeft. Dan
past een kind op dat moment niet in de klas. Dat is helaas nu de
praktische uitvoering, maar we mogen ons daar natuurlijk nooit bij
neerleggen.
De heer Stoffer (SGP):
Dank voor de vraag. Dat is een heel terecht punt: nee, daar moeten we
ons niet bij neerleggen. Ik hoop dat in mijn betoog goed naar voren kwam
dat als er ergens nog een mogelijkheid te vinden is om een kind wel
onderwijs te geven, we dat tot het uiterste met elkaar proberen te doen.
En ja, soms kost dat wat. Maar de toekomst van kinderen en hoe je een
land inricht, hangen er ook mee samen dat je kinderen de mogelijkheid
geeft om zich te ontwikkelen. Volgens mij moeten we ons daar echt enorm
voor inspannen. Laten we ook heel eerlijk zijn: de groep waarbij dat
heel moeilijk is en waarbij het soms echt heel wat uiterste dingen
vergt, is niet eens zo heel groot. Volgens mij moeten we, als we een
goede samenleving willen zijn, echt laten zien dat we daarvoor gaan
staan en dat we daar ook wat voor over hebben.
De voorzitter:
Dank u wel. De volgende spreker van de zijde van de Kamer is de heer
Claassen van de Groep Markuszower. Gaat uw gang.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Voorzitter. Meneer Stoffer wenste mij, toen ik naar deze plek liep,
succes. Als ik goed heb geluisterd naar de inbrengen tot nu toe, hebben
we een enorme uitdaging, waar jullie, net als jullie voorgangers,
proberen een steentje aan bij te dragen. Ik doe dat vandaag voor het
eerst. Ik heb er nog niet veel fiducie in dat er heel veel gaat
veranderen, maar ik ga een poging doen. Volgens mij heb ik namelijk dé
oplossing. Ik zal in de tweede termijn twee moties indienen waardoor we
misschien weer een stapje kunnen zetten in het terugdringen van het
schoolverzuim.
Dit wetsvoorstel adresseert een ernstig probleem. Dat is iets wat mijn
voorgangers ook al hebben gezegd. Naar schatting 70.000 leerlingen
zitten thuis. Dat aantal blijft maar stijgen, ondanks alles wat er tot
en met vandaag aan gedaan wordt. Te veel leerlingen raken uit beeld. Het
streven om het schoolverzuim terug te dringen, ondersteunen wij
natuurlijk. Tegelijkertijd moeten we constateren dat het voorliggende
wetsvoorstel blijft steken in procedures en niet komt met concrete
oplossingen. Naar onze mening worden de oorzaken van verzuim onvoldoende
geadresseerd. Deze wet brengt geen enkele thuiszitter terug in de
klas.
Voorzitter. Dat is meteen de kern van onze kritiek. Ja, het probleem van
schooluitval wordt beter zichtbaar en beter in kaart gebracht. Dat is
natuurlijk nuttig, maar het registreren van schooluitval zonder
aanpakken en doorpakken, verandert niets aan de praktijk in de klas.
Iedere onderwijsprofessional weet in welke pedagogische en didactische
leeromgeving kinderen functioneren: een ordelijke, veilige en
voorspelbare omgeving waarin de leerkracht de regie heeft. Dat is de
basisvoorwaarde om te kunnen leren. Uit signalen uit het veld blijkt dat
aan die basisvoorwaarden steeds vaker niet wordt voldaan. Klassen zijn
onrustig, docenten staan onder druk en kwetsbare leerlingen zijn daarvan
de dupe. We spreken inmiddels over leerlingen met schooltrauma alsof het
de gewoonste zaak van de wereld is, terwijl het betekent dat een kind
beschadigt raakt in uitgerekend die omgeving die bedoeld is om te leren
en te groeien. Wanneer de klas onveilig en onvoorspelbaar is, vallen
juist de kwetsbaarste leerlingen uit.
In plaats van de oorzaken aan te pakken, zien we een perverse omkering:
scholen verklaren zichzelf handelingsverlegen. Leerlingen die uitvallen,
worden vervolgens als "niet-schoolrijp" of "niet-leerbaar" bestempeld.
Daarmee verschuift de verantwoordelijkheid van de leeromgeving naar het
kind. Dat vinden wij onaanvaardbaar. Het voorstel erkent dat thuiszitten
vaak begint met een gebrek aan passende ondersteuning en dat
problematiek op school niet tijdig wordt herkend. Laten we daar dan op
inzetten. Volgens mij kan dat met deze wet wel een stapje beter.
Internationaal zien we een stevige benadering om te komen tot een
leeromgeving waarin ieder kind tot ontwikkeling komt. In Frankrijk is in
2022 een wet ingevoerd die pesten op school strafbaar stelt en scholen
verplicht om actief in te grijpen bij onveiligheid. Daarmee wordt erkend
dat sociale onveiligheid direct kan leiden tot uitval en psychische
klachten. We stellen ons de vraag of de relatie tussen onveiligheid en
thuiszitten voldoende zichtbaar wordt. Is bekend in hoeverre leerlingen
die thuis komen te zitten eerder te maken hebben gehad met pesten en/of
structurele onveiligheid in de klas? Is de staatssecretaris bereid dit
verband expliciet te laten onderzoeken, zodat beleid gericht kan worden
op de oorzaken in die richting?
Het tweede punt betreft de positie van kwetsbare leerlingen. Te vaak
zien we leerlingen overprikkeld raken, zich onveilig voelen en
uitvallen, terwijl leerlingen die structureel onrust veroorzaken in de
klas blijven zitten. Is de staatssecretaris bereid te verkennen of in
zulke situaties juist leerlingen die structureel chaos veroorzaken
tijdelijk in een reboundvoorziening geplaatst kunnen worden, zodat de
klas weer veilig wordt voor introverte leerlingen?
We zien ook dat psychische klachten steeds vaker een rol spelen bij
langdurig verzuim. Juist daarom is snelle betrokkenheid van de
leerplichtambtenaar essentieel om uitval te voorkomen en leerlingen niet
verder achterop te laten raken. Bij vrijstelling op lichamelijke en
psychische gronden zien wij risico's. Langdurige afwezigheid zonder
perspectief vergroot de afstand tot de klas en belemmert de ontwikkeling
van kwetsbare leerlingen. Vrijstellingen moeten tijdelijk en gericht op
terugkeer zijn, met regelmatige herbeoordeling en duidelijke stappen
richting passend onderwijs. Op die twee thema's zal ik in de tweede
termijn ook moties indienen. Nu we het over passend onderwijs hebben:
mij wordt vandaag duidelijk dat dat passend onderwijs ook niet heel veel
soelaas biedt de afgelopen tijd. Er zijn wat voorstellen op dat vlak.
Daar komen we wellicht later over te spreken.
Tot slot vraag ik de staatssecretaris of scholen waar structureel veel
leerlingen uitvallen, niet veel gerichter gemonitord moeten worden.
Wanneer bepaalde scholen bovengemiddeld veel thuiszitters kennen, moet
dat aanleiding zijn, vinden wij, om de leeromgeving kritisch of
kritischer te gaan beoordelen.
Tot zover mijn bijdrage.
De voorzitter:
Dank u wel.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ik merk dat er enorm veel interrupties gaan komen.
De voorzitter:
Ik ben bang van niet.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Echt niet?
De voorzitter:
Of de heer Boomsma moet nu een vraag gaan stellen, maar ik denk dat hij
gewoon onderweg is naar het rostrum. Hij is de laatste spreker aan de
zijde van de Kamer. Zijn inbreng heeft het langst kunnen rijpen. Ga uw
gang.
De heer Boomsma (JA21):
Dank, voorzitter. Als je lange tijd niet naar school kunt gaan, als je
vastloopt en langdurig thuiszit, of op straat, is dat natuurlijk een
drama. Dat blijft kinderen natuurlijk echt hun hele leven bij. Maar om
hoeveel kinderen en jongeren gaat het nou eigenlijk? Het is vandaag al
eerder besproken. In de stukken gaat het namelijk om 20.000 leerlingen,
maar oudervereniging Balans heeft het over 70.000 leerlingen. Daarin
worden dus ook de vroegtijdige schoolverlaters meegenomen, maar dat zijn
er 30.000, dus waarin zit 'm dan die discrepantie? Heel veel kinderen
zijn in ieder geval niet in beeld. Ik wil beginnen met de vraag hoe de
staatssecretaris dat ziet. Van welke cijfers gaat zij nou uit en waarom
denkt zij dat het toeneemt?
Ik herkende net veel in het verhaal van de heer Claassen. Ik heb het
gisteren, en eerder ook al, gehad over het belang van rust en
voorspelbare, duidelijke regels in de klas. De OESO heeft gezegd dat
Nederlandse klassen de drukste van de hele wereld zijn. Drukte leidt tot
een soort recht van de sterkste. Ziet de staatssecretaris daartussen ook
een verband, dat dat ook sneller kan leiden tot uitval?
Vanuit de portefeuille Asiel en Migratie hoor ik vaak dat best veel
Syrische en Oekraïense jongeren niet naar school gaan. Voor hen lijken
er nauwelijks andere opties te zijn. Er wordt hun niks geboden. Hebben
zij dan een vrijstelling? Herkent de staatssecretaris dit? Heeft zij
zicht op de problematiek bij specifiek die groepen? Hoe dan ook, hoeveel
het er ook zijn en wie het ook zijn: wij mogen deze kinderen niet aan
hun lot overlaten. Wij moeten ervoor zorgen dat zij de aandacht, de hulp
en de trajecten krijgen —zorg, onderwijs of andere begeleiding — die ze
nodig hebben. Het beste is natuurlijk dat zij teruggaan naar school,
maar anders moet er een andere oplossing zijn.
We bespreken nu het wetsvoorstel voor de Wet terugdringen schoolverzuim,
maar die naam is eigenlijk te ambitieus. Dat is al vaker opmerkt. De
maatregelen voorzien immers vooral in een betere registratie en het
maken van beleid. In de memorie van toelichting staat al dat deze wet er
niet voor gaat zorgen dat de huidige groep thuiszittende jongeren direct
naar school kan gaan of een passend ontwikkelaanbod krijgt. Scholen gaan
nu wel voortaan systematisch bijhouden wie geoorloofd wegblijft van
school en wie ongeoorloofd niet komt opdagen. Het lijkt mij eigenlijk
evident dat scholen gewoon weten wanneer kinderen of jongeren niet
aanwezig zijn en dat zij, als ze dat merken, gaan kijken wat er aan de
hand is en met de ouders gaan bellen. Dat is eigenlijk heel erg
vanzelfsprekend, lijkt mij. Ik kan me wel voorstellen dat het goed is
dat heel grote instellingen, bijvoorbeeld bepaalde grotere mbo's, vooraf
duidelijk maken wat in dezen de taakverdeling is: wie moet dan wat gaan
doen? De zorg die de heer Stoffer heeft geuit, namelijk dat heel erg
wordt gekeken vanuit een beleidsbril, zie ik echter ook wel. Ik wil zijn
pleidooi voor een reflectie op dit thema wel steunen. Is dit daar niet
exemplarisch voor? Kijken we niet te veel vanuit een soort
sturingsfilosofie in plaats van naar de realiteit?
Voorzitter. Het signaal "zorgelijk ongeoorloofd verzuim" kan
uiteindelijk leiden tot een strafrechtelijke handhaving door de
leerplichtambtenaar. In de memorie van toelichting staat dat het
ministerie van OCW een onderzoek gaat doen naar de strafrechtelijke rol
van de leerplichtambtenaar. Is dat onderzoek gedaan, en wat is daar nou
precies de bedoeling van? Je wil dat natuurlijk zo veel mogelijk
voorkomen. Je wil gewoon in een eerder stadium gesprekken voeren, in
overleg met ouders en anderen bekijken wat er nodig is en tot een
oplossing komen. Ik denk dat de leerplichtambtenaar daar wel een rol in
kan spelen, maar als je hem nu ook meer taken gaat geven aan de
preventieve kant, waarvoor natuurlijk voorstellen worden gedaan, moet je
dat dan niet toch scherp afbakenen van de strafrechtelijke rol? Hoe ziet
de staatssecretaris dat?
Er is wel geschreeuwd dat aan een leerplichtambtenaar ook een signaal
kan worden gegeven bij geoorloofd verzuim, als dat zorgelijk is, wat
natuurlijk vaak het geval is. De regering wilde dat niet, maar waarom
eigenlijk niet? Het kan toch handig zijn om daar in ieder geval een
grondslag voor te creëren?
Dit moet natuurlijk niet afleiden van het feit dat de school wel de
eerste verantwoordelijkheid heeft om te proberen dat te voorkomen door
die gesprekken te voeren. Dat scholen eerder dan dat wettelijk verplicht
is, moeten kunnen melden dat er sprake is van ongeoorloofd verzuim
oftewel spijbelen, lijkt ons een heel goed streven. Je moet juist
proberen om uitval te voorkomen door er vroeg bij te zijn. Als die
uitval langdurig is, wordt het voor kinderen immers steeds moeilijker om
terug te keren, en dat wil je echt voorkomen.
Wat gaat dit nou doen met de administratieve lasten? Ik heb het allemaal
wel gelezen, maar we hebben toch nog steeds wel een zorg. Gaat dit nou
toch leiden tot meer administratieve lasten, en dan met name voor kleine
scholen?
Ik heb nog een vraag over de vrijstelling. Waarom is aan ouders de
mogelijkheid gegeven om geen gegevens met de samenwerkingsverbanden te
delen over het advies over het onderwijskundig perspectief? Dat moet dan
anoniem, maar kan je dat überhaupt anoniem doen, als je niet weet om wie
het gaat? Het gaat toch om heel specifieke informatie? Hoe kan je nou
vaststellen wat dat onderwijskundig perspectief dan nog is? Wát dat
onderwijskundig perspectief is, lijkt mij weer heel erg afhankelijk van
niet alleen de medische vraagstukken waar kinderen mee kampen, maar ook
van wat er beschikbaar is aan ondersteuning. Hoe is die wisselwerking
dan?
Voorzitter. O, ik ben al over mijn tijd heen. Dan ga ik snel afronden.
Eigenlijk is er al heel veel gevraagd.
Dit gaat inderdaad om eindeloos lange beleidstrajecten. Dat was mij
natuurlijk ook opgevallen. De Kamer is in 2020 geïnformeerd, schrijft
het kabinet nu in deze stukken, over de doelstellingen van het
Thuiszitterspact. Dat is dus zes jaar geleden. Het is al jaren geleden
dat deze wet in consultatie is gegaan. De heer Stoffer had gelijk met
zijn bananenkaas. Graag een reactie van de staatssecretaris op deze,
inderdaad, bananenkaas.
Eén school die wij laatst hebben bezocht, heeft maandelijks een overleg
over alle zorgleerlingen. Dus elke maand, met alle betrokken instanties.
Ik denk dat dat goed is en dat dat ook wel op veel plekken gebeurt. Maar
wat zij allemaal zeggen, is: waar wij tegenaan lopen, is dat er in de
trajecten die nodig zijn, gewoon geen plekken zijn. Ik denk dat we daar
de komende tijd aan moeten gaan werken.
Tot zover.
De voorzitter:
Sommige zaken moet je gewoon niet samen eten, denk ik.
Dank u wel. Daarmee zijn we aan het eind gekomen van de eerste termijn
van de zijde van de Kamer. Het is nu 17.35 uur. We schorsen voor een
uur. We gaan gelijk eten. 18.35 uur gaan we verder met de eerste termijn
van de zijde van het kabinet. Ik schors de vergadering.
De vergadering wordt van 17.36 uur tot 18.35 uur geschorst.
De voorzitter:
Tijd is tijd, dus ik heropen de vergadering. De staatssecretaris staat
al klaar voor de eerste termijn van de zijde van het kabinet. Ik vraag
de staatssecretaris of ze ons straks, misschien na haar inleiding, even
kan meenemen in de blokjes. Het woord is aan de staatssecretaris.
Staatssecretaris Tielen:
Dank u wel, voorzitter. Ik wou een korte inleiding doen en daarna
inderdaad even zeggen in welke mapjes ik alle antwoorden heb
gestopt.
Voorzitter. Wat weet, wat deert. Dat spreekwoord bestaat niet, maar het
is het tegenovergestelde van het welbekende Nederlandse gezegde "wat
niet weet, wat niet deert". Met de wet die we hier vandaag behandelen,
werken we aan dat nieuwe spreekwoord "wat weet, wat deert". Want met
deze wet worden scholen, samenwerkingsverbanden en leerplichtambtenaren
geholpen om signalen en analyses van schoolverzuim beter te herkennen en
te weten. Daardoor wordt het voor scholen en onderwijs- en
zorgprofessionals makkelijker om te "deren". Het wordt namelijk
makkelijker om ervoor te zorgen dat alle kinderen goed onderwijs kunnen
ontvangen.
Dat is belangrijk, want onderwijs is vooruitgang. Onderwijs helpt
kinderen goed te lezen, te schrijven, te rekenen, elkaar en de wereld te
begrijpen, en hun talent te ontdekken en te ontwikkelen. Onderwijs helpt
kinderen vooruit. Maar er zijn tienduizenden kinderen en jongeren die
gedurende lange tijd niet naar school gaan, die langdurig verzuimen,
omdat ze om allerlei redenen vast zijn gelopen in het onderwijs.
Voorzitter. Scholen weten niet altijd welke kinderen vastlopen of vast
gaan lopen. Scholen weten ook lang niet altijd wat de reden is dat
kinderen vastlopen en verzuimen. Het kan immers van alles zijn: thuis
zorgen voor een langdurig zieke ouder, angst om te falen, een groot
gevoel van onveiligheid, moeten wachten op hulp vanwege een mentaal
gezondheidsprobleem et cetera. Als scholen dat wel weten, kunnen ze er
ook bij helpen en zorgen dat kinderen weer naar school gaan. Dat kunnen
die scholen niet alleen; dat doen ze samen met ouders,
samenwerkingsverbanden, lokale teams, jeugdhulp, de gemeente en ga zo
maar door.
Vorige week sprak ik met een jongere, ouders van langdurig verzuimende
kinderen, een schoolleider, een jeugdarts en een leerplichtambtenaar
over scholen die vooroplopen in de aanpak van verzuim. Wat mij daarin
opviel, was dat het probleem niet de scholier is, maar dat je breder
moet kijken en samen moet werken met en om de scholier. Dat is een heel
duidelijke boodschap, die ik ook meeneem in dit debat. Het is daarbij
belangrijk dat het verhaal achter het verzuim de kern is, ofwel: wat
weet, wat deert.
Dat is het doel van deze wet, als onderdeel van een bredere aanpak:
zorgen dat we weten, zodat scholen, samen met ouders en anderen, ervoor
kunnen zorgen dat alle kinderen naar school gaan en onderwijs krijgen.
Daarbij is deze wet gericht op preventie, op het voorkomen van
schoolverzuim. Dat doet de wet met vijf maatregelen: het versterken van
het verzuimbeleid op scholen, beter zicht op verzuim, het betrekken van
een leerplichtambtenaar in een eerder stadium, het in positie brengen
van gemeenten en samenwerkingsverbanden en een betere procedure ten
behoeve van de vrijstellingen.
Meneer Stoffer vroeg of het kaas of fruit was. Ik stel daar liever een
andere metafoor tegenover: wat mij betreft is het een moestuin. Soms
denk je dat het niks meer wordt en dan blijkt het toch een prachtige,
vruchtbare opbrengst op te leveren.
Voorzitter. Ik ga antwoord geven op de gestelde vragen aan de hand van
de volgende thema's: als eerste wat het wetsvoorstel gaat doen, als
tweede de regeldruk en registratie, als derde de rollen en de taken, als
vierde de vrijstellingen en als vijfde overige. Ik kan u vast
voorspellen dat de map overige best dik is geworden.
Laten we gewoon beginnen bij het begin. Dat zijn de antwoorden op de
vragen over wat het wetsvoorstel gaat doen. Allereerst wil ik reageren
op wat er gezegd is over de kritiek van onder andere de Raad van State
en het ATR over de regeldruk. Naar aanleiding van de eerdere, terechte,
kritiek van de Raad van State is het wetsvoorstel op een aantal punten
aangepast. De hoofdelementen van het verzuimbeleid, de
verzuimregistratie en de doorlevering van gegevens zijn in de wet
opgenomen in plaats van in de eerder voorziene AMvB. Waar nadere
uitwerking wel nodig is, is de toelichting op het wetsvoorstel aangevuld
met een beeld van de inhoud van de AMvB. Het ATR en ook de Autoriteit
Persoonsgegevens hebben inmiddels positief geadviseerd daarover. We
hebben van verschillende partijen ook een positieve reactie gekregen op
de internetconsultatie. Wat ons betreft is een deel van de kritiek ook
echt verwerkt, en dat heeft tot een beter voorstel geleid. Daarom hebben
we de toelichting op het wetsvoorstel op een aantal punten verduidelijkt
en uitgebreid naar aanleiding van het advies van de Raad van State. Dat
hebben we bijvoorbeeld gedaan ten aanzien van de complexiteit van de
problematiek, de doelstelling en de impact, de samenhang met andere
maatregelen en de rol van ketenpartners. We hebben de kritiek dus ter
harte genomen en wat mij betreft goed verwerkt.
Daarnaast was de vraag of dit wetsvoorstel in z'n eentje nou gaat
helpen. Ik denk dat daar geen sprake van is. Het is onderdeel van een
grotere aanpak verzuim. Het doel is om het aantal thuiszitters — dat
woord vind ik heel vervelend, maar het komt wel vaak voor — dus mensen
die geen onderwijs volgen en langdurig verzuimen, daadwerkelijk omlaag
te brengen.
Er zit een aantal elementen in. Ik noem er een aantal. De Wet
onderwijsondersteuning zieke leerlingen, waar u in december al over
gesproken heeft en die u heeft aangenomen, zullen we uiteraard ook vol
verve in de Eerste Kamer brengen. Dan is er deze wet voor de aanpak van
verzuim. De Wet vrij en veilig onderwijs is onderweg en zal binnenkort
in deze Kamer besproken worden. Ook zijn we druk bezig om handen en
voeten te geven aan de wet voor maatwerk. Verder zijn er het beleid
rondom passend onderwijs en het beleid voor zorg in onderwijstijd. Dat
zijn allemaal aspecten die bij mij vandaan komen. Daarnaast zijn we ook
nog bezig om onder andere samen met gemeenten en met mijn collega op VWS
de sociaal-pedagogische basis in en om de school te verstevigen. Dan
denk ik aan de Hervormingsagenda Jeugd, met daarin de stevige lokale
teams, waar afgelopen maandag een convenant over is getekend, en de
sociale agenda. Het is dus echt een onderdeel van een groter geheel.
De voorzitter:
Er is een interruptie van mevrouw Beckerman. Ik geef even aan dat we het
hetzelfde doen als in de eerste termijn: in principe gewoon zes keer
twee interrupties per persoon. Maar we zitten goed in de tijd, dus als
we daar een beetje vlot mee omgaan, kunnen we ook besluiten daar wat
ruimer mee om te gaan.
Mevrouw Beckerman (SP):
Ik vind het goed dat de staatssecretaris zegt dat dit onderdeel is van
een groter pakket. Heel veel sprekers hebben zich namelijk vrij kritisch
uitgelaten over de wet: wat heb je aan deze wet op zichzelf? Dan is mijn
vraag de volgende. We waren met partijen een beetje aan het nadenken
over wat we willen: willen we voorstemmen of willen we tegenstemmen? De
samenhang zou 'm ook in de invoeringsdatum kunnen zitten. Zou de
staatssecretaris daar iets over kunnen zeggen? Ik denk dat ze de
achtergrond hiervan begrijpt. Je zou kunnen zeggen, en dat is iets waar
ik over na zou kunnen denken: wij willen wel voorstemmen, mits aan een
paar voorwaarden wordt voldaan. Dan kun je er bijvoorbeeld aan denken
dat de invoering gelijkloopt met de aanpak, omdat we daarmee echt iets
kunnen doen voor leerlingen, los van alleen administreren. Zo kunnen we
ervoor zorgen dat we kunnen voorkomen dat het misgaat, en dat we
leerlingen op weg kunnen helpen als het toch misgaat.
Staatssecretaris Tielen:
Ik geef daarop een antwoord over de inhoud en een antwoord over het
proces. Als je kijkt naar de inhoud, zie je dat deze wet echt iets meer
is dan alleen maar registreren. Ik snap wat mevrouw Beckerman zegt. Ik
zeg het heel eerlijk: toen ik er voor het eerst vluchtig doorheen ging,
had ik ook wel een beetje die gedachte. Maar als je dieper de wet in
duikt en erover spreekt met de partijen die ermee moeten werken, merk je
dat het wetsvoorstel ook echt gericht is op beter verzuimbeleid. Dat is
een belangrijk element van de wet. Het is dus meer dan alleen maar
registreren. Qua inhoud is de wet op zichzelf dus ook een belangrijke
bouwsteen in het geheel van wetten en beleidsplannen, denk ik.
Over het proces: ik vind het lastig om een wet voorwaardelijk te maken,
juist omdat die onderdeel is van het totaal. Óf je denkt dat het
wetsvoorstel een waardevolle bouwsteen is, óf je denkt dat niet, zou ik
willen zeggen. Als we het voorwaardelijk moeten maken, moeten we met
elkaar ook nadenken over de vraag wanneer er dan aan alle voorwaarden is
voldaan. Dan creëren we bij wijze van spreken onze eigen administratieve
last, met een hoop onzekerheid erin, terwijl ik denk, zeg ik nogmaals,
dat de wet op zichzelf een waardevolle bouwsteen is in het totaal.
Mevrouw Beckerman (SP):
Dank aan de staatssecretaris voor het antwoord. Ik begrijp dat ze zegt:
deze wet is breder dan alleen maar registeren. Dat begrijp ik, maar
tegelijkertijd zijn er ook veel kritische geluiden: de wet doet namelijk
niet heel veel aan de oorzaak van verzuim, terwijl dat wel een brede
wens is in de Kamer. Ik wil nu niet onderhandelen over de invoering,
maar er zijn natuurlijk genoeg wetten die, ook nadat ze in de Eerste
Kamer zijn aangenomen, niet meteen ingaan. De staatssecretaris zegt dat
ze nog met een heleboel andere dingen komt die echt met elkaar
samenhangen. Zou het dan niet een logische optie kunnen zijn om te
zorgen dat dingen gelijktijdig gaan gebeuren? Ouders kunnen denken:
"Oké, er komt een strengere registratie, en dan? Wat betekent dat voor
mijn kind? Want dat is daarmee niet per se op weg geholpen." Dat is een
zorg die veel ouders hebben.
Staatssecretaris Tielen:
Ik snap die gedachtegang heel goed, hoor. Ik zou graag bij wijze van
spreken een volledig overzicht met tijdpaden en afhankelijkheden voor u
schetsen, maar dat kan ik nu gewoon nog niet. Ik vind het … Ik zou bijna
zeggen "gevaarlijk", maar dat woord vind ik ook niet helemaal terecht.
Ik vind het niet heel verstandig om dat vast te leggen in de wet, dus om
die afhankelijkheid erin te zetten. Ik kan me wel voorstellen dat wij
hier — we zijn met elkaar medewetgevers en maken met elkaar beleid — met
elkaar afspreken hoe we daarmee omgaan, zodat u niet hoeft te wachten
totdat de rest ook allemaal komt en u ondertussen al voor deze wet hebt
gestemd. Ik snap dat dat ook een beetje onzekerheid geeft.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Beckerman (SP):
Maar dit is heel praktisch. Bij heel veel wetten staat natuurlijk
gewoon: de invoering geschiedt op een later te bepalen datum. Vaak
zitten daar ook voorwaarden aan vast. Dat weet de staatssecretaris
natuurlijk nog beter. Het is niet heel ongebruikelijk om zoiets te doen.
Ik weet niet of dat dé oplossing is, maar het is er in ieder geval een
waar wij aan zaten te denken. Kan de staatssecretaris daar toch ook over
nadenken? Er zijn hier namelijk breed signalen gedeeld van: we willen
dit wel, maar we zijn nog kritisch; we zien ook goede elementen, maar
het moet wel samengaan met echt heel veel dingen die nodig zijn voor
deze groep leerlingen.
Staatssecretaris Tielen:
Nadenken is nooit verkeerd. Soms moet je ook niet te lang nadenken over
dingen, dat zien we onder andere op dit domein ook wel. Laat ik zeggen
dat ik over het amendement dat voorligt, straks ga zeggen: liever niet.
Tegelijkertijd snap ik ook wel dat de Kamer een soort van houvast nodig
heeft, maar hoe dat dan slim te doen is, daar probeer ik in de tweede
termijn op terug te komen en anders daarna.
Zowel vanuit het CDA als vanuit de ChristenUnie, en eigenlijk ook wel
vanuit iedereen, was er de vraag of het wel gaat helpen. Ik heb
geprobeerd duidelijk te maken dat het een waardevolle bouwsteen is, maar
echt niet op zichzelf de enige. Ook in het wetsvoorstel staan, nogmaals,
beter verzuimbeleid, betere samenwerking tussen de leerplichtambtenaar
en het samenwerkingsverband en beter zicht op verzuim. Er zitten dus
echt wel elementen in die gaan helpen en die onderdeel zijn van die
bredere aanpak waaruit ik een aantal dingen heb genoemd.
De schoolbrede inzet is om verzuim te voorkomen en te verminderen. Is
dat ook daadwerkelijk de uitkomst, vroeg meneer Ceder. Wat we zien, is
dat veel scholen zich vaak eigenlijk nog niet zo bewust zijn van de
ernst van het verzuim op hun school. Met deze wet willen we ze daar
bewuster van maken. Aan de ene kant inderdaad door het te registreren,
maar ook door een aantal handvatten in de wet vast te leggen, zodat ze
beter kunnen samenwerken met — ik noemde ze al — leerplichtambtenaren,
jeugdartsen en de samenwerkingsverbanden. Zo kunnen ze daadwerkelijk ook
werk maken van en "deren" voor die scholieren die niet op school komen.
Dat moet kunnen leiden tot minder langdurig of structureel verzuim, is
mijn overtuiging.
Hoe werkt nou de leerplichtambtenaar? Het woord "strafrecht" is een
aantal keer gevallen en dat is ook niet zo gek, maar wat we nu in de
praktijk al zien, is dat heel veel leerplichtambtenaren veel meer op
preventie gericht zijn. Dit wetsvoorstel gaat ook uit van die
preventieve aanpak in plaats van een repressieve, ook vanuit het idee
dat als we vroeg signaleren, je er vroeg bij kan zijn en al eerder erger
kan voorkomen. Dan kun je ook samen met kind en ouders en alle betrokken
partijen kijken wat een betere oplossing is om ervoor te zorgen dat het
kind ook goed onderwijs kan krijgen.
Meneer Kisteman vroeg in zijn algemeenheid: is het niet het beste voor
kinderen om gewoon echt naar school te gaan? Ja. Daar ben ik het mee
eens; de school is natuurlijk een plek waar je onderwijs krijgt, maar
waar je ook onderdeel uitmaakt van een klein stukje van de samenleving.
Daardoor leer je ook de wereld en elkaar beter begrijpen. Dat is een
heel vormende manier van opgroeien. Ik ben er echt voor dat alle
kinderen naar school gaan.
Mevrouw Rooderkerk vroeg of de stem van ouders en kinderen voldoende is
meegenomen in dit wetsvoorstel. Ja, is het korte antwoord. We hebben
samen met ouders en Onderwijs in Balans gesproken over de vormgeving van
het wetsvoorstel, maar ook met de LBVSO, met LAKS, met JongPIT en de
Adviesraad ÉigenWijsheid. Als deze wet wordt aangenomen, neem ik deze
partijen en ouders en jongeren mee in hoe de uitvoering het beste kan
worden vormgegeven. Ik denk dat dit voor alle beleid en wetgeving zal
gelden waar ik mij de komende jaren mee ga bezighouden. Ik vind het erg
belangrijk dat ouders en leerlingen meedenken en meepraten en hun stem
kunnen laten horen in wat wij hier met elkaar te bepalen hebben.
Mevrouw Beckerman vroeg hoeveel ik het verzuim kan laten dalen met deze
wet. Dat is moeilijk te zeggen. Ik ben ervan overtuigd dat het kan gaan
dalen, al denk ik ook dat we van deze wet weleens zouden kunnen
schrikken, omdat de cijfers eerst weer stijgen doordat we de registratie
richting geven. Daar moeten we ons echter niet door laten afleiden, want
door het betere verzuimbeleid, in samenhang met de andere bouwstenen,
moet het verzuim omlaag kunnen. Ik durf geen cijfer te geven van hoeveel
dat nu is. Dat is denk ik logisch genoeg, maar het lijkt me wel
verstandig om daar realistische kwantitatieve ambities bij te hebben,
als de wet een paar jaar in werking is. Daar houd ik altijd wel
van.
Mevrouw Beckerman vroeg ook naar passend onderwijs als een van de
bouwstenen rondom dit wetsvoorstel. We zijn nog steeds bezig met de
uitvoering van de verbeteraanpak passend onderwijs. Met dit wetsvoorstel
willen we in ieder geval het verzuim terugdringen en het aantal jongeren
dat niet naar school gaat, omlaag krijgen. Soms is passend onderwijs
daar een oplossing voor. Soms is er wat anders nodig. Dat heeft
inderdaad met elkaar te maken. Iemand zei tijdens zijn inbreng "ik wil
er geen debat over passend onderwijs van maken". Ik liever ook niet, ook
al omdat ik echt graag met uw Kamer een debat wil voeren over alle
elementen van passend onderwijs. U heeft mij in mei uitgenodigd om dat
debat met u te voeren. Voorafgaand aan dat commissiedebat stuur ik u
graag een brief waarin ik die dwarsverbanden voor u op papier zet, zodat
we daar wat dieper op kunnen ingaan met elkaar.
Meneer Stoffer zou de wet juist graag weer willen behandelen in relatie
tot Zorg in Onderwijstijd. Hij heeft daarover een brief gezien, waar
mijn naam onder staat. Dat was wel met een andere titel erbij. Ik denk
dat Zorg in Onderwijstijd een van de bouwstenen is in de totaalaanpak
Iedereen naar school. Misschien moeten we daar nog een pakkender term
voor vinden. Soms moet je niet alle dingen tegelijk willen doen, want
dan verzandt het weer. Dit is een van de stappen. Zorg in Onderwijstijd
is een andere stap, die wat mij betreft niet al te lang op zich laat
wachten.
Mevrouw Beckerman vroeg ook nog wat de belangrijkste knelpunten en
oorzaken zijn. Als je nu kijkt naar de cijfers, zie je het verzuim in de
grafieken oplopen. Ik zei bij mijn inleiding al dat ik dat lastig vind
om te zeggen, omdat het verzuim zoveel verschillende oorzaken kan
hebben, die vaak niet per se uit het onderwijs voortkomen. Volgens mij
verwees mevrouw Beckerman daar zelf ook naar. Oorzaken kunnen zijn:
armoede en stress in het gezin, onveiligheid thuis, ziekte in de
omgeving of bij jezelf, angst, trauma. Gepest worden is ook al genoemd.
Daar hebben we wel een aanpak voor; daar kom ik straks op terug. Het
zijn heel veel verschillende dingen. Ik hoop eigenlijk wel dat we met
dit wetsvoorstel beter zicht erop krijgen. De scholen moeten er beter
zicht op krijgen, maar wij ook om te zien waar de grootste problematiek
is en vooral waar de beste oplossingen te vinden zijn.
Ik hoor wat in mijn linker oortje.
De voorzitter:
Mevrouw Beckerman moet een klein stukje lopen. Laten we daar even op
wachten. Mevrouw Beckerman met een interruptie.
Mevrouw Beckerman (SP):
Voorzitter, onze fractie is expres klein geworden, zodat we extra
stappen zetten! Dat is gezond. Ik vind dit antwoord toch een beetje
mager. Veel partijen hebben gezegd dat de wet de kern van het probleem
niet aanpakt. De staatssecretaris zegt terecht dat er heel veel oorzaken
kunnen zijn. Over ziekte hebben we het laatst uitgebreid gehad, bij de
behandeling van die wetgeving. Maar het onderwijs zelf — dan hebben we
het zeker niet over de leraren — en de manier waarop we het systeem
hebben ingericht, vormen wel daadwerkelijk een van de oorzaken. Erkent
de staatssecretaris dat ook? Het is namelijk wel heel noodzakelijk dat
we dat probleem zien. Veel partijen hebben erop gewezen dat met de
invoering van passend onderwijs werd gezegd: met deze wet gaan we het
verzuim echt terugdringen en gaan we het aantal thuiszitters fors
verminderen. Tien jaar later zien we dat het aantal thuiszitters
gigantisch is gestegen. Erkent de staatssecretaris in ieder geval dat
het onderwijs wel een probleem is? Als dit een van de bouwstenen is en
als wij hiermee instemmen, dan willen we wel dat dit bijdraagt aan de
oplossing. Dat kan alleen als we die oorzaak erkennen.
Staatssecretaris Tielen:
Volgens mij zei ik "naast het onderwijs", dus ik denk dat mevrouw
Beckerman en ik best dicht bij elkaar in de buurt kunnen komen als ik
zeg dat het een veelkoppig monster is, waarbij ook het onderwijs een rol
speelt. Maar dat is een groot begrip. Dat kan gaan over onveiligheid op
of om school, dat kan te maken hebben met de manier waarop je het beste
past in de klas versus bij hoe de sfeer is en hoe het onderwijs in de
klas wordt gegeven. Al die elementen hebben er ook mee te maken. Ja
hoor, dat wil ik best erkennen.
Mevrouw Beckerman (SP):
Excuses dat ik zo veel interrumpeer; ik zal het zo weer beperken. Waar
ik naar op zoek ben, is erkenning dat dit niet door het onderwijs is
veroorzaakt, maar dat hier ook politieke keuzes aan ten grondslag
liggen. Een aantal zijn al genoemd door mezelf en door collega's,
bijvoorbeeld het idee om minder speciaal onderwijs te hebben en meer
kinderen in passend onderwijs, waarbij er ook nog een keer onvoldoende
rekening wordt gehouden met grote klassen en veel
ondersteuningsbehoefte. De politieke keuzes om ons onderwijs zo vorm te
geven, zijn echt de oorzaak van problemen voor in ieder geval een groot
deel van de thuiszitters nu.
Staatssecretaris Tielen:
Ik vind het lastig om te erkennen dat die keuze niet goed is, want daar
ben ik het, denk ik, oprecht niet mee eens. Maar als mevrouw Beckerman
zegt dat die keuzes een aantal consequenties hebben die we niet hebben
voorzien, dat die keuzes niet helemaal goed zijn uitgevoerd of dat we nu
nog tegen consequenties aanlopen, dan denk ik dat dat zo is. Daar ga ik
in mei graag met uw Kamer verder over in debat, omdat we volgens mij
allemaal hetzelfde willen. Volgens mij zitten de verschillen soms in de
route en in welke keuzes daar het beste toe leiden.
De voorzitter:
De staatssecretaris vervolgt haar betoog.
Staatssecretaris Tielen:
Mevrouw Raijer vroeg of we de wet gaan handhaven. Ja; dat is ook wel
handig als je een wet maakt. Met de Inspectie van het Onderwijs zijn
daarover afspraken gemaakt, waarbij de inspectie toezicht gaat houden op
de verzuimregistratie en het verzuimbeleid. Uiteindelijk kan de
inspectie ook verzuimgegevens gebruiken voor risicogericht onderzoek,
zoals ze op sommige andere domeinen ook doet binnen het onderwijs.
Mevrouw Rooderkerk vroeg wat we nog meer gaan doen om te zorgen dat
kinderen weer naar school kunnen, ook als zij nu langdurig verzuimen. Ik
heb al een aantal van de wetten genoemd waar u al over gesproken heeft,
waar wij mee aan de slag gaan of waar wij binnenkort over in gesprek
gaan. Daarnaast is er geld beschikbaar gesteld voor onder andere
jongeren zonder inschrijving, bijvoorbeeld voor het experiment
onderwijszorgarrangementen, waarmee duizenden kinderen vooruitgeholpen
worden. Ook wordt het digitale afstandsonderwijs ondersteund. We zijn
bezig met extra bekostiging voor onderwijs aan hoogbegaafde leerlingen.
We investeren structureel in de omgeving via School en Omgeving, de
brugfunctionaris en schoolmaaltijden, en er is subsidie voor gedragswerk
en onderwijsconsulenten. Dat zijn een heleboel elementen waarmee we
gezamenlijk proberen om dat thuiszitten daadwerkelijk terug te
dringen.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ook een beetje in navolging van het debatje met collega Beckerman: ik
ben bang dat verwijzen naar de bestaande aanpak en naar dingen die we
doen, gewoon niet het antwoord is voor deze kinderen. Ik zit nu al een
tijdje in deze commissie voor Onderwijs en ik zie gewoon geen
verbetering. Neem bijvoorbeeld het aantal thuiszitters. Eerst dacht het
ministerie dat het er 17.000 waren. Nu blijken het er mogelijk 70.000 te
zijn. Maar kijk ook naar het aantal vrijstellingen sinds de invoering
van het passend onderwijs. Dat is in de afgelopen jaren echt met
duizenden toegenomen, op basis van lichamelijke of psychische klachten
waardoor kinderen thuiszitten. Wat is nou volgens de staatssecretaris de
oorzaak ervan dat bijvoorbeeld die toename in het aantal vrijstellingen
zo groot is?
Staatssecretaris Tielen:
Dat weet ik niet precies. Dat is een van de redenen waarom we een aantal
instrumenten nodig hebben om ook vanuit hier ... Op sommige scholen en
samenwerkingsverbanden hebben we heel goed zicht, op andere helemaal
niet. Er is sprake van grote verscheidenheid en verschillen door het
hele land heen. Daar hebben wij vanuit deze plek in Nederland ook niet
volledig zicht op. Ik kan nu dus geen eenduidig antwoord geven op de
vraag waar het aan ligt en waar het door komt. Dit wetsvoorstel moet
eraan bijdragen daar beter zicht op te krijgen, ook doordat scholen er
beter zicht op krijgen en er dus beter beleid op maken. Maar nogmaals,
meer zicht krijgen is zeker niet het enige. We hebben ook al die andere
dingen nodig. Een aantal zaken zetten we nu al in gang, om bij te dragen
aan een verlaging van de aantallen. Sommige daarvan heb ik genoemd. Maar
het is dus niet zo dat wij zeggen: we doen het al oké en als we deze wet
hebben, is het opgelost. Nee, dat is zeker niet mijn insteek en dat
verwacht ik ook niet.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Goed om dat te horen, want dat is wel echt een zorg die ik heb. Ik denk
dat die ook heel breed in de Kamer gevoeld wordt. Ik snap ook dat de
staatssecretaris nu net van start is gegaan en dat ze echt de ambitie
heeft om hier wat aan te doen. Dat vind ik heel goed om te horen, maar
ik maak mij er toch ook wel zorgen over dat het antwoord eigenlijk is
dat we met z'n allen niet weten wat nou de reden is, behalve dan dat het
dus niet blijkt te lukken om het op te lossen. Dat kan niet het antwoord
zijn waarmee wij naar huis gaan of waarmee wij de kinderen thuis laten
zitten. Wat is dan de volgende stap die de staatssecretaris wil zetten
om hier wel een duidelijke oplossing voor te krijgen?
Staatssecretaris Tielen:
Nogmaals, ik denk ook dat deze wet gaat helpen om er beter zicht op te
krijgen, maar niet volledig. We zijn natuurlijk ook bezig — daar kom ik
straks bij het blokje vrijstellingen op terug — om in kaart te brengen
wat daar gebeurt en wat we daarmee willen, ook in navolging van wat uw
Kamer eerder gevraagd heeft. Verder zijn we ook in gesprek over de
verschillende aspecten rondom lichamelijke problematiek van jonge
mensen, mentale problematiek van jongeren, wat we op scholen zien, wat
er wel en niet gebeurt met passend en inclusief onderwijs. Ik heb ook
nog tijd nodig om, los van alle onderzoeken die er zijn en alle cijfers
en grafieken, die heel belangrijk zijn, in gesprek te gaan met de
verschillende betrokken organisaties en terug te horen wat zij daarin
zien. Dat helpt mij om een beter beeld te krijgen en daarover weer met u
in gesprek te gaan om te kijken wat dat dan betekent voor
oplossingsrichtingen.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Heel fijn. Dat is, denk ik, heel goed. Wat mij van alle gesprekken
vooral bijblijft, is dat er nergens doorzettingsmacht is, dat iedereen
er een rol in heeft en dat het ook overal weer op een andere manier kan,
mag en gebeurt, maar dat het wel ten koste gaat van de kinderen, die dus
geen oplossing krijgen. Ouders gaan heel vaak van school naar school, op
zoek naar een plek voor het kind. Dan duurt het al te lang en blijft het
kind thuis, want dat durft niet meer naar school. Dat we dit laten
gebeuren, vraagt echt een veel fundamenteler omwenteling dan weer een
nieuwe regeling of een nieuwe structuur; het vraagt om een veel betere
verankering van het recht op onderwijs in onze wet.
Staatssecretaris Tielen:
Dat herken ik. Dat herken ik ook nog uit andere rollen, zowel als
staatssecretaris Jeugd alsook als Kamerlid belast met onderwijs- en
jeugdvraagstukken. Ook daar zitten weer verschillen. Sommige scholen en
samenwerkingsverbanden werken echt fijn samen en daar is
doorzettingsmacht bijna vanzelfsprekend. In andere regio's is het voor
ouders soms echt wel een beetje — ik heb dat weleens tegen voormalige
bewindspersonen gezegd — leuren met hun kind en overal een dichte deur
vinden. Ik herken dus heel goed wat mevrouw Rooderkerk zegt. Ik denk we
daar een verschil in moeten maken en dat het dan helpt om in ieder geval
eenduidig beleid te hebben op verzuim, met behulp van deze wet,
eenduidige afspraken te maken met samenwerkingsverbanden over hoe ze hun
werk goed doen, en de wettelijke zorgplicht van scholen ook nog maar
weer eens onder de aandacht te brengen.
De voorzitter:
Mevrouw Rooderkerk, tot slot.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Afrondend dan. Ik denk dat het inderdaad nodig is om eenduidig beleid te
hebben en daar ook veel beter en scherper op te sturen. Wanneer komt het
moment dat de staatssecretaris zegt: we hebben dit in kaart en we gaan
dit met de Kamer bespreken? Komt er dan een brief naar de Kamer? Komt er
ook echt een aanpak op bijvoorbeeld het tegengaan van thuiszitters? Ik
zoek namelijk nog wel — dat merk ik ook bij anderen, ook in het eerder
ingediende amendement — naar het moment waarop we zeggen: we gaan nu wat
duidelijkere keuzes met elkaar maken om dit te verbeteren.
Staatssecretaris Tielen:
Ik ga daar nu niet een totaalbrief over toezeggen, maar ik denk dat een
aantal van deze dingen zullen terugkomen in de brief die ik u wil sturen
voor het debat Passend onderwijs, want daar zitten veel raakvlakken,
denk ik. We zullen het debat Passend onderwijs gebruiken om te zien of
we dan nog meer nodig hebben of dat het pad met alle verschillende
bouwstenen dat we nu voor ons zien, voldoende is. Dan kan ik er ook nog
even over nadenken of ik dat zelf vind.
De heer Ceder (ChristenUnie):
In mijn gesprekken met schoolbesturen merkte ik ook dat een kind dat
lang thuiszit, niet alleen jarenlang thuis heeft gezeten, maar ook
dichte deuren tegenkomt en van school naar school gaat. Je merkt dat er
bij scholen af en toe ook wat koudwatervrees is, omdat het vaak kinderen
zijn met een achterstand. Als die kinderen mee gaan doen, heeft dat vaak
ook weer effect op de totale cijfers, waar de scholen vervolgens weer op
afgerekend worden. Dat hoort niet zo te zijn, maar ik merk in de
gesprekken wel degelijk dat het voor scholen een afweging kan zijn. Ze
willen dan wel helpen, maar niet ten koste van bepaalde
prestatie-indicatoren die daardoor omlaaggaan. Mijn vraag is: erkent de
staatssecretaris deze spagaat, of koudwatervrees, om kinderen met een
label of kinderen die ze een kans willen geven echt binnen te halen? Is
ze bereid om dit gesprek aan te gaan? Het kan niet zo zijn dat scholen
door regels die wij opleggen het vervolgens aan de andere kant heel
lastig vinden om iemand een kans te geven omdat ze door diezelfde
overheid afgerekend worden op schoolprestaties in algemene zin.
Staatssecretaris Tielen:
Ik herken dit heel erg. Daarom benadrukte ik in mijn inleiding ook dat
dat maakt dat kinderen zich soms het probleem voelen, terwijl het in het
overgrote deel van de gevallen aan heel veel andere dingen ligt. Dus ja,
dat herken ik. Ik denk dat meneer Ceder met het woord "koudwatervrees"
al een richting op ging waarin ik me wel enigszins herken. Het is altijd
goed om het gesprek aan te gaan. Met deze wet maken we scholen ook weer
even duidelijk dat het belangrijk is dat zij een goed verzuimbeleid
hebben. Dat geldt dus voor zowel de leerlingen die ze al hebben als voor
de leerlingen die komen. Ik mag hopen dat heel veel schoolbesturen, net
als wij hier allemaal Kamerbreed doen, gewoon zeggen: elk kind heeft
recht op goed onderwijs.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel dat we in dezelfde richting denken. Ik denk dat het ook
belangrijk is dat scholen dat uitstralen. Aan de andere kant: als we aan
de prestatiekant en aan het afrekenen op prestaties niets veranderen,
dan vrees ik dat scholen zo hoog mogelijke prestaties willen halen en
willen dat kinderen zo goed mogelijk presteren. Dat snap ik uiteraard
wel. Er zit daarmee ook een perverse prikkel in het systeem. Over
kinderen die dat gemiddelde, of die prestaties, omlaag kunnen halen en
daarmee een risico vormen, denken scholen wel drie keer na of ze die wel
een kans geven. Mijn vraag is of de minister erkent dat we ook aan de
kant van het toetsen van kwaliteit en prestaties iets moeten doen om
ervoor te zorgen dat scholen geen koudwatervrees voelen en dat we die
perverse prikkel er dus ergens uit halen. Daardoor zouden scholen veel
opener en zonder consequenties kunnen zeggen: wij gaan jou opvangen.
Staatssecretaris Tielen:
Meneer Ceder doet nu net alsof "prestatie" één cijfer of één ding is,
maar het zijn van een goede school gaat niet alleen over prestaties op
bijvoorbeeld de basisvaardigheden, maar over nog veel meer. Het gaat ook
over veiligheid, didactiek en weet ik het allemaal. Ik vind dat dus een
te nauwe afbakening. Ik zou heel eerlijk gezegd niet willen dat we
kwaliteitseisen, bijvoorbeeld wat betreft de basisvaardigheden, af gaan
remmen om hier de ruimte te geven. Ik vind het belangrijk dat alle
kinderen recht hebben op goed onderwijs. Goed onderwijs betekent een
plek waar je naar school toe kan, waar je je veilig kan voelen en waar
je vanaf komt met goede vaardigheden in lezen, schrijven en burgerschap
en met goede digitale vaardigheden.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Tot slot. Deze mening deel ik natuurlijk volledig.
Staatssecretaris Tielen:
Gelukkig.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Het is alleen ook de werkelijkheid dat het aantal leerlingen dat
thuiszit is gestegen naar ongeveer 70.000. Ik zei het in mijn
interruptie met het CDA al: het kan zomaar zo zijn dat onder het
kabinet-Jetten, waar de staatssecretaris ook in zit, dat aantal de
100.000 gaat overstijgen. Er is dus wel wat aan de hand. Mijn vraag is
de volgende. Ik ben het helemaal met u eens dat het al suboptimaal gaat
wat betreft de basisprestaties. Zou de staatssecretaris misschien in
ieder geval kunnen toezeggen om dit punt in de gesprekken mee te nemen?
Kan zij ook toezeggen dat ze gaat kijken wat schoolbesturen nodig hebben
om dat koudwatervreeseffect te verminderen? Ik merk namelijk dat dat er
in de praktijk nog wel is. Ik hoor ook dat dit wel degelijk iets van een
factor is. Misschien kunnen we op dat punt iets betekenen, om ervoor te
zorgen dat zo veel mogelijk kinderen gewoon weer onderwijs kunnen
krijgen.
Staatssecretaris Tielen:
Ja, maar mijn overtuiging is dat dit niet de belangrijkste reden is dat
die deur af en toe gesloten blijft. Laten we het wel onderzoeken. Dat
hoeft niet met een nieuw onafhankelijk onderzoek, maar dat kan in de
gesprekken. Ik zal het gewoon voorleggen. Ik ben het namelijk met meneer
Ceder eens dat we dat moeten oplossen als dat de reden is. We moeten het
dan over de oplossing hebben. Ik ben blij dat meneer Ceder onderschrijft
dat de kwaliteit van het onderwijs zelf buiten kijf staat.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel. Kan ik nog een toezegging noteren, dat de minister en
staatssecretaris terugkomen op wat daaruit komt? Kijk, misschien heb ik
net een onzinverhaal verteld, maar misschien …
De voorzitter:
Ik heb de staatssecretaris horen zeggen dat ze dat gesprek gaat doen en
toezegt.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Zeker, maar de vraag is of ze ook de uitkomst daarvan wil
terugkoppelen.
Staatssecretaris Tielen:
Meneer Ceder wil terug horen hoe dat gesprek is gegaan. Daar kan ik
natuurlijk altijd een kort verslagje van sturen.
De voorzitter:
Nou, bij dezen.
Staatssecretaris Tielen:
En of dat dan in een aparte brief zit of bijvoorbeeld in de brief over
passend onderwijs of zo, dat wil ik even in het midden laten. Maar ik
laat u weten wat daaruit komt. Ja, tuurlijk.
De voorzitter:
De staatssecretaris vervolgt haar betoog. Ik geef aan dat we nog bij het
eerste blokje zijn.
Staatssecretaris Tielen:
Nou, ik ging nu net naar het tweede.
De voorzitter:
Ah, kijk. Dat is fijn.
Staatssecretaris Tielen:
Dat is fijn, hè. Underpromise, overdeliver hoop ik maar, in goed
Nederlands.
Meneer Ceder had nog een hoop andere vragen, onder andere over welke
kinderen eigenlijk onzichtbaar blijven, om het maar zo te zeggen. De
bedoeling van dit wetsvoorstel is dat we door die verzuimregistratie te
verbeteren beter zicht krijgen op al die leerlingen. Jongeren die niet
ingeschreven staan bij een school, zijn dan niet bij scholen in beeld,
maar wel bij gemeenten, ook als ze bijvoorbeeld op een
dagbestedingslocatie zitten. Dus met de gegevens van de scholen en de
gemeenten samen ga ik ervan uit — dat vind ik een belangrijk
uitgangspunt — dat we zicht hebben op alle leerlingen en dat niemand
buiten beeld blijft. Ook kinderen die minder of geen onderwijs krijgen
via de Beleidsregel afwijken onderwijstijd moeten daarmee in beeld
kunnen komen, omdat dit wetsvoorstel veroorloofd verzuim ook beter in
beeld gaat brengen. Dat geld ook voor kinderen die onder de beleidsregel
vallen waar meneer Ceder naar verwees. Scholen moeten er inderdaad niet
zozeer voor zorgen dat ze een vinkje zetten, zoals enkelen van u
benoemden, maar juist dat verzuimbeleid in beeld hebben. Dan gaat het
dus ook over wat we nu nog "geoorloofd verzuim" noemen, omdat dat soms
ook een indicatie kan zijn van verergering, om het maar zo te
noemen.
Mevrouw Westerveld vroeg of scholen kinderen gaan weren die een risico
hebben op verzuim, eigenlijk een beetje in het verlengde van de vraag
van meneer Ceder net. Scholen hebben, zoals ik net al zei, een
wettelijke zorgplicht. Het is dus hun verplichting om kinderen een plek
te bieden of te helpen met het vinden van een andere school als de
school het zelf niet kan. Ik weet ook dat dat lang niet altijd naar
verwachting wordt ingevuld, maar ik vind — die stelling neem ik maar in
— dat scholen er eigenlijk niet onderuit kunnen. Dus we moeten daar dan
goed naar kijken. Het gesprek waar meneer Ceder al om vroeg, ga ik zeker
hebben. Stel dat we die zorgplicht aan moeten scherpen. Dan kom ik daar
graag op terug, want dan gaan we kijken hoe we dat moeten doen.
Mevrouw Westerveld vroeg ook om de privacy als het gaat om de gegevens
van leerlingen. Er zit inderdaad een dilemma in de uitwerking van het
wetsvoorstel. Daarom hebben we ook de Autoriteit Persoonsgegevens
gevraagd om daarin mee te denken. Van de manier waarop we het nu hebben
vastgelegd, zegt de Autoriteit Persoonsgegevens: dat is positief. Dat
doen we goed. Dan is er geen risico voor de privacy van leerlingen. Daar
hecht ik dan wel waarde aan, aan dat oordeel van de autoriteit.
Mevrouw Westerveld vroeg ook waarom die cijfers er nu niet zijn, terwijl
er wel al wordt geregistreerd door heel veel scholen. We weten gewoon
dat niet alle scholen dat al goed bijhouden. Dat is vooral de drempel
waar we tegenaan lopen. Met deze wet proberen we daar eenduidig richting
aan te geven en dus ook verwachtingen te wekken rondom die registratie.
De inspectie vraagt nu cijfers over thuiszittende jongeren bij de
samenwerkingsverbanden. Maar als we kijken naar de cijfers van die
samenwerkingsverbanden, dan zien we dat die vaak niet volledig of niet
kloppend zijn doordat de scholen ook niet altijd volledige en kloppende
registraties hebben. Dat is precies eigenlijk waar we last van hebben om
echt goed te zorgen dat verzuim in kaart is, maar vooral ook wordt
voorkomen en opgelost. Dat is ook de reden dat dit wetsvoorstel wat mij
betreft een belangrijke bouwsteen is in de totale aanpak.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Toch een vraag hierover, want ik vind het eigenlijk best opmerkelijk om
te beseffen dat een van de doelstellingen van passend onderwijs was dat
alle kinderen een passend onderwijsaanbod kregen. Ik noemde al het
Thuiszitterspact uit 2016. Er kwam een hele belangrijke taak te liggen
bij samenwerkingsverbanden en scholen en zij kregen een belangrijke
opdracht in de wet, maar dan blijkt de administratie niet te kloppen.
Mijn vraag is dan: hoe kan het dat samenwerkingsverbanden en scholen die
deze belangrijke taak hebben, er kennelijk de afgelopen tien jaar niet
in zijn geslaagd om dit eenduidig aan te pakken en aan te leveren?
Staatssecretaris Tielen:
Dat weet ik niet. Ik zie dat er gewoon grote verschillen zijn tussen
scholen en tussen samenwerkingsverbanden. Hoe het komt dat die
verschillen er zijn en of dat te maken heeft met dat men het minder
belangrijk vindt, dat men andere dingen doet, of dat er een misverstand
ontstaat over hoe je het dan bij moet houden, durf ik niet te zeggen. Ik
wil vooral eenduidigheid daarover. Dat proberen we met dit wetsvoorstel
voor elkaar te krijgen.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik probeer de staatssecretaris nergens … Ik probeer … Ik ga gewoon een
vraag stellen; dat is beter. Het verbaast mij gewoon. Het verbaast mij
omdat dit een belangrijk punt is. Wij hebben als Kamer al heel vaak aan
de staatssecretaris, of aan een van haar voorgangers, gevraagd wat de
exacte cijfers zijn en of die aangeleverd kunnen worden. Vorig jaar kwam
Balans met een rapport waaruit bleek dat er een enorme discrepantie is
tussen wat het ministerie weet en wat in het rapport staat. Ik verbaas
mij daar gewoon over, omdat we vanuit het onderwijs heel veel dingen wél
weten. Ik verbaas mij erover dat het zicht ontbreekt op zo'n belangrijke
wet uit 2015 met zo'n belangrijke opdracht, omdat we gewoon niet weten
hoeveel kinderen er thuiszitten en waarom dat zo is. Het verbaast mij
dat dat is misgegaan. Ik heb de indruk dat de staatssecretaris mijn
verbazing ook deelt.
Staatssecretaris Tielen:
Zeker. Ik kan er heel veel woorden aan wijden, maar ik ben er ook
verbaasd over. Tegelijkertijd zien we daarmee hoe belangrijk registratie
en administratie zijn. Aan de ene kant hebben we daar soms terecht een
hekel aan, maar aan de andere kant is het heel belangrijk om dat beeld
te krijgen. Dat is ook de reden dat dit wetsvoorstel volgens mij een
belangrijke stap is. Nogmaals, dat is niet alleen voor de administratie,
maar ook vanwege het verzuimbeleid zelf. Ik schrik van de cijfers. Ik
schrik ook van het feit dat die cijfers zo verschillend zijn. En ik
schrik van de verschillen in zowel inzicht als aanpak in verschillende
regio's.
Mevrouw Rooderkerk vroeg ook naar de administratie en de regeldruk. Het
Adviescollege toetsing regeldruk, het ATR, waar ik al naar verwees,
heeft op basis van wat wij in het wetsvoorstel hebben aangescherpt een
positief advies gegeven. Zij zeggen dat deze informatieverstrekking
nauwelijks gevolgen heeft voor de regeldruk. Dat vind ik dus fijn. De
andere kant hiervan is dat wij, maar juist ook samenwerkingsverbanden en
scholen, beter zicht krijgen op verzuim. Daarmee kunnen we ook beter
verzuimbeleid gaan inzetten. De vraag is: hoe zit het dan als je kijkt
naar het onderzoek van Balans? Ik zei al dat we met deze wet beter beeld
hebben van het schoolverzuim. Ik heb het dan overigens zowel over
geoorloofd als over ongeoorloofd verzuim. Dat wordt op schoolniveau,
gemeenteniveau, regionaal niveau en landelijk niveau beter in zicht
gebracht. Daarmee hebben we dus ook vanuit hier beter zicht op hoe het
er in Nederland voor staat. Dan gaat het ook over ziekteverzuim, verzuim
per leerjaar en langdurig verzuim. Al die dingen hebben we nodig om
uiteindelijk een goede aanpak te maken, met deze wet, maar ook met de
andere bouwstenen waarnaar ik verwees. Denk dan aan de Wet maatwerk,
waar we mee bezig zijn, en het passend onderwijs.
Meneer Boomsma vroeg waarom een signaal geven bij geoorloofd verzuim
niet mogelijk is en of er misschien een grondslag voor nodig is. Als je
naar de huidige taak van de leerplichtambtenaar kijkt, dan zie je dat
het delen van individuele gegevens over geoorloofd verzuim niet passend
is. We hebben natuurlijk internetconsultatie gedaan met deze wet. We
hebben ook gesprekken gevoerd met bijvoorbeeld ouders en
onderwijsinstellingen. Daaruit bleek dat er zorgen waren dat als je dat
wel doet, de privacy van leerlingen in het geding komt. Volgens mij
verwees meneer Boomsma daar in zijn inbreng eigenlijk ook al naar. Wat
we doen om de proportionaliteit goed te krijgen, is dat we individuele
gegevens van alle leerlingen hebben gewogen. We hebben geconcludeerd dat
de inbreuk op de privacy van minderjarige leerlingen niet opweegt tegen
het uiteindelijke doel. Wél zorgen we er met dit wetsvoorstel voor dat
scholen een signaal kunnen geven aan de leerplichtambtenaar bij zorgen
over ongeoorloofd verzuim. Het begint natuurlijk met dat scholen in
beeld brengen in hoeverre er sprake is van geoorloofd en ongeoorloofd
verzuim. Van daaruit kunnen we verder kijken. Als blijkt dat dit toch
een groot probleem is, dan moeten we daar in de toekomst nog eens naar
kijken. Op dit moment vinden we dat echter niet proportioneel.
Meneer Boomsma vroeg ook waarom ouders überhaupt anoniem gegevens zouden
delen. De AVG vereist toestemming, want het gaat soms ook om medische
gegevens. We kunnen ouders gewoon niet verplichten om die gegevens te
delen met het samenwerkingsverband; dat is wettelijk niet
mogelijk.
De heer Stoffer vroeg …
De voorzitter:
Misschien kunnen we het even daarbij laten, want de heer Boomsma meldt
zich met een interruptie.
De heer Boomsma (JA21):
Hoe kan je vaststellen welke vorm van onderwijs nog mogelijk is, als je
dat niet weet?
Staatssecretaris Tielen:
Als je wat niet weet?
De heer Boomsma (JA21):
Als ouders dus weigeren medewerking te verlenen en die gegevens te
delen, maar er dan nog wel moet worden vastgesteld wat nog mogelijk is
qua onderwijs, dus als dat nog steeds noodzakelijk is, hoe kan je dan
tot een redelijk oordeel daarover komen?
Staatssecretaris Tielen:
Bij ongeoorloofd verzuim kan dat wel. Bij geoorloofd verzuim is het dus
belangrijk dat de school daar verzuimbeleid op heeft en de ouders daar
ook bij betrekt. Daarin zit dus ook nog een bepaalde mate van gewoon
onderling aanspreken op verantwoordelijkheden bij. Dat kan dus allemaal
wel. Je kunt alleen niet daartoe verplichten. Je kunt daar minder goed
dwang en drang op zetten.
De heer Boomsma (JA21):
Oké, maar je kunt dan nog steeds wel passend onderwijs vaststellen?
Gebeurt dat dan nog steeds?
Staatssecretaris Tielen:
Jazeker. Dat is belangrijk genoeg. Ik mag ook hopen, en dat is ook zo,
dat de meeste ouders daarbij in het algemeen natuurlijk gewoon hun
verantwoordelijkheid willen delen met school.
Meneer Stoffer vroeg om reflectie. Dat is altijd gevaarlijk, want dan
kan je eindeloos gaan reflecteren. Dat ging met name over het sturen,
met registreren en analyseren. Hij vroeg of dat nou goed is. Ik heb
volgens mij aan het begin van mijn betoog al uitgelegd dat dit
wetsvoorstel meer is dan alleen maar registreren en analyseren, en ook
meer is dan de enige bouwsteen voor dit beleid rondom het tegengaan van
verzuim. Dit wetsvoorstel maakt het probleem inzichtelijk en maakt ook
dat scholen daar beleid op moeten maken, waarmee het ons ook weer helpt.
Maar nogmaals, we hebben meer nodig dan alleen dit wetsvoorstel.
Meneer Stoffer vroeg ook naar de inspectie. De inspectie heeft nu ook al
een toezichthoudende rol als het gaat om scholen en het verzuimbeleid,
dus dit wetsvoorstel is voor de inspectie gewoon een aanvulling op de
bestaande rol. Ook de inspectie weet dat inzicht nodig is om goed
verzuimbeleid te kunnen voeren en dus om alle kinderen een goede plek in
het onderwijs te geven.
Mevrouw Raijer vroeg hoe we ervoor zorgen dat er landelijk een
eenduidige registratie is, zodat niemand meer onzichtbaar raakt, om het
in de woorden van de heer Ceder te zeggen. Met dit wetsvoorstel zorgen
we dat scholen gewoon beter gaan registreren, samen met partners. Er
komt een handreiking om dat ook in de praktijk te brengen. Als je deze
wet gaat lezen, weet je als school namelijk misschien nog niet precies
wat je moet gaan doen. Daar komt dus een handreiking voor. De Stichting
Kennisnet zorgt ook voor een handleiding verzuimcoördinatie voor de
scholen. Gemeentes hebben natuurlijk ook zicht op kinderen met absoluut
verzuim. De leerplichtambtenaar is de aangewezen persoon om dan actie te
ondernemen. Wij denken op dit moment dat dat genoeg is om echt inzicht
en overzicht te krijgen en alle kinderen te hebben. Mocht dat in de
toekomst toch niet zo blijken te zijn, dan kunnen we altijd nog wat
extra's optuigen, maar ik ben ervan overtuigd dat we hiermee behoorlijk
ver komen.
Meneer Boomsma vroeg nu om hoeveel kinderen het eigenlijk ging, omdat we
die verschillende cijfers hadden. Ik ga uit van de cijfers van de
leerplichttellingen. Die worden door de gemeentes bij DUO aangeleverd.
De laatste cijfers daarvan worden bij wijze van spreken nu geaggregeerd.
In mei stuur ik een overzicht van die cijfers, dus wat de
leerplichttellingen van gemeentes bij DUO opleveren. Zoals ik al zei,
met deze wet zorgen we dat de registratie nog beter is, zodat de cijfers
die u in mei van mij krijgt veel rijker zullen zijn na dit jaar.
Tenminste, dat is afhankelijk van op welke termijn de wet ingevoerd kan
worden.
Voorzitter, ik ga naar mapje drie.
De voorzitter:
Rollen en taken.
Staatssecretaris Tielen:
Rollen en taken. Het is altijd fijn als er iemand meekijkt.
Ik begin met de heer Ceder. Hij had een aantal vragen, waaronder de
vraag of ik kan verwachten dat er meer strafrechtelijke procedures gaan
ontstaan als de leerplichtambtenaar signalen ontvangt. Het doel van deze
wet is dus ook om ervoor te zorgen dat zorgen over verzuim eerder
geadresseerd kunnen worden. Wat mij betreft gaat het dus meer over het
voorkomen van langdurig verzuim dan over de repressie ervan, oftewel het
strafrecht. In de praktijk zien we nu al dat heel veel
leerplichtambtenaren vooral die preventieve rol naar zich toe trekken.
Ik verwacht ook dat dit eigenlijk de praktijk versterkt. We zien ook dat
andere partners in het onderwijs er ook behoefte aan hebben om de
leerplichtambtenaar daarbij te betrekken.
Meneer Ceder vroeg ook naar de capaciteit bij de jeugdgezondheidszorg.
Ik ben zelf altijd fan van de jeugdgezondheidszorg, ook wat betreft dit
aspect. We zien natuurlijk dat capaciteit op allerlei vlakken rondom
zorg en onderwijs een vraagstuk is. Ik kan niet zomaar zeggen: ja hoor,
er is voldoende capaciteit. Die belofte durf ik niet te doen. Er is al
samenwerking in sommige gemeenten als je kijkt naar de stevige lokale
teams, jeugdgezondheidszorg en scholen. Waar die samenwerking goed is,
scheelt dat heel veel tijd. Ik ga er eigenlijk van uit dat die
samenwerking tussen jeugdgezondheidszorg en scholen sterker wordt, mede
ook met deze wet en al die andere bouwstenen. Dat leidt ook tot beter
verzuimbeleid, en daarmee tot efficiënter werken.
Meneer Ceder vroeg ook waarom we de rol van de jeugdgezondheidszorg niet
vastleggen. Dat doen we wel indirect. In het verzuimbeleid moet door de
scholen worden vastgelegd hoe wordt samengewerkt met het
samenwerkingsverband, het college van burgemeester en wethouders en
andere betrokkenen buiten de school in het kader van verzuim. In "andere
betrokkenen" zit natuurlijk de jeugdgezondheidszorg besloten.
Mevrouw Rooderkerk vroeg naar de rol van de leerplichtambtenaar.
Eigenlijk is dat hetzelfde antwoord dat ik op de vraag van meneer Ceder
gaf. De preventieve rol wordt nu in de praktijk al heel erg veel door
leerplichtambtenaren naar zich toe getrokken. Die hebben er behoefte aan
om dit met deze wet nog verder te kunnen doen. Scholen kunnen dus dan
ook leerplichtambtenaren betrekken en leerplichtambtenaren krijgen dan
ook inzicht in de verzuimgegevens van de school en hebben daarmee ook
een partnerrol in dat verzuimbeleid. Ik kijk hoe ik de preventieve rol
van leerplichtambtenaar eventueel nog verder vorm moet geven in wet- of
regelgeving. Dat zijn we nu aan het bekijken. In september kan ik daar
wat steviger antwoord op geven.
Mevrouw Westerveld vroeg om toe te lichten welke rol de arts heeft bij
de verklaring voor vrijstelling. Mevrouw Armut vroeg daar volgens mij
ook naar, evenals naar wat de rol van het samenwerkingsverband is.
Ouders dienen een aanvraag voor een vrijstelling in. Zij zijn altijd
degenen die regie houden. Een jeugdarts moet een verklaring afgeven. Met
dit wetsvoorstel voegen we daaraan toe dat het samenwerkingsverband
advies kan geven aan de arts over het onderwijskundig perspectief. Dat
is voor artsen en jeugdartsen net weer niet hun grootste expertise. Zij
kunnen wel met het advies van het samenwerkingsverband aan de slag.
Vervolgens kunnen de maatwerkopties van het onderwijs worden meegenomen
in de afweging die de jeugdarts maakt. Het samenwerkingsverband
adviseert dus, maar het uiteindelijke oordeel blijft echt bij de
jeugdarts. Ik heb ook begrepen van de jeugdartsen dat zij dat ook goed
kunnen, dat dit wetsvoorstel ze daarbij aanvult en dat er voldoende
capaciteit is om dat goed te blijven doen.
Mevrouw Westerveld zei dat er heel vaak staat "het samenwerkingsverband
kan dit en kan dat" en vroeg of daarmee wel duidelijk genoeg is wie
welke verantwoordelijkheid heeft. Samenwerkingsverbanden hebben al de
wettelijke verantwoordelijkheid voor het bieden van passend onderwijs,
maar er zijn best wel grote verschillen tussen samenwerkingsverbanden en
tussen scholen. Het is aan samenwerkingsverbanden om met scholen in de
regio samen te werken en hen te ondersteunen. Met deze wet krijgen ze
betere informatie om daar ook mee om te gaan. Ook adviseren
samenwerkingsverbanden over de onderwijsmogelijkheden voor jongeren bij
de vrijstelling van 5 onder a, om het maar technisch te zeggen. Met het
programma van eisen wordt invulling gegeven aan wat
samenwerkingsverbanden, maar ook schoolbesturen op het gebied van
passend onderwijs moeten doen. Op die manier zijn volgens mij de
verantwoordelijkheden duidelijk en ook nog wat scherper met deze wet.
Ondertussen zijn we ook bezig met een ontwikkelagenda
samenwerkingsverbanden — dat klinkt dan wel weer mooi — om te kijken of
het inderdaad scherp genoeg is. Ik denk van wel, maar het is
uiteindelijk ook aan de samenwerkingsverbanden zelf om te beoordelen of
ze daarmee voldoende uit de voeten kunnen. De ontwikkelagenda is er ook
op gericht om te zorgen dat ze daadwerkelijk uitvoering kunnen geven aan
die wettelijke verantwoordelijkheid.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ik sloeg even aan op het zinnetje: "Het is aan de samenwerkingsverbanden
zelf om te bepalen of de samenwerkingsverbanden zelf het werk goed
doen." Wij richten ons nu de hele tijd op dat verzuim. Het gaat om het
kind, maar de kwestie of een kind verzuimt of niet, ligt bij de ouder.
Dat is de leerplicht. We hebben het steeds niet over wat er nou gebeurt
aan de kant van de school of het samenwerkingsverband. Die moeten
natuurlijk zorgen voor een plek in het onderwijs. Ik ben zo bang dat wij
nu alleen maar kijken naar de registratie van verzuim, maar niet naar
waar het samenwerkingsverband of de school tekortschiet. Wie heeft daar
zicht op? Wie spreekt hen daarop aan?
Staatssecretaris Tielen:
Mevrouw Rooderkerk citeerde mij niet helemaal juist. Het is niet alleen
aan samenwerkingsverbanden om te beoordelen of zij hun werk goed doen.
Ik zei volgens mij "of de samenwerkingsverbanden hiermee uit de voeten
kunnen". Dat moeten we van hen terughoren, maar ik denk dat anderen daar
ook echt wel een mening over hebben. In de ontwikkelagenda proberen we
dat te verbeteren. Nogmaals, het is hun wettelijke verantwoordelijkheid
om passend onderwijs goed te kunnen bieden.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
En mijn vraag is dus: als zij dat niet doen, wat is dan de consequentie?
Als die consequentie er niet is en die er alleen maar is voor de
leerling en de ouder, vanwege het verzuim … Daar loopt het volgens mij
op vast.
Staatssecretaris Tielen:
Ja, en ik weet dat ik dit antwoord ergens de afgelopen week wel tot mij
heb genomen, maar ik kan het nu niet zo goed reproduceren.
De voorzitter:
Dit voelt als een tweedetermijndingetje.
Staatssecretaris Tielen:
Ja, mag ik daar in de tweede termijn op terugkomen?
De voorzitter:
Ja, zeker.
Staatssecretaris Tielen:
Ik heb deze vraag ook gesteld, want ik vind dit een heel belangrijke,
essentiële vraag. Ik kom er even op terug.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ik denk dat het ons en de staatssecretaris ook kan helpen wanneer zij
zegt: ik wil graag eenduidigheid. Ik denk dat dat belangrijk is. We
hebben bijvoorbeeld ook gekeken of we de leerplichtambtenaar beide
rollen kunnen geven, dus dat die niet alleen het kind of de ouder
aanspreekt, maar ook de school. Dat is een voorstel waar we over
nadenken, maar we horen ook terug: nee, daar ligt een taak voor de
onderwijsinspectie. We weten dat de inspectie helemaal niet vaak alle
scholen controleert. Daar komt nu extra geld voor. Als wij richting
degenen die dit moeten oplossen, namelijk de scholen en de
samenwerkingsverbanden, de inspectie echt als enige stok achter de deur
hebben, dan is het, denk ik, heel belangrijk om te zorgen dat die dat
ook daadwerkelijk gaat doen en hen gaat aanspreken.
Staatssecretaris Tielen:
Herkenbare vraag. Ik kom daarop terug.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Als de staatssecretaris straks in de tweede termijn terugkomt op de
vragen, zou ik haar ook willen vragen om het punt mee te nemen over hoe
we nou precies sturen. Dat is vaker een punt van discussie in de Kamer.
We hebben jaren geleden een motie ingediend waarin werd gezegd: de
financiële reserves zijn te hoog; zorg er nou voor dat dat geld wordt
geïnvesteerd in kinderen die thuiszitten. De hele Kamer was daarvoor.
Het ministerie wilde dat. Uiteindelijk is het ook uitgevoerd, maar de
samenwerkingsverbanden stapten naar de rechter en het werd weer
teruggedraaid. Dan denk je wel: als wij hier de taak hebben om te zorgen
dat onderwijsgeld goed terechtkomt en wordt besteed aan kinderen, mensen
in de klas die het werk doen enzovoort, hoe kan het dan dat wij hier
geen enkele sturing aan kunnen geven, terwijl we overduidelijk zien dat
die wettelijke taken niet worden uitgevoerd? Het zou fijn als ze daar
straks ook op terug kan komen.
Staatssecretaris Tielen:
Ja, en precies om wat mevrouw Westerveld aanhaalt, moet ik die vraag wat
preciezer beantwoorden, dus daar kom ik inderdaad straks op terug.
Mevrouw Rooderkerk vroeg naar escalatieroutes en met name naar de
positie van ouders. Volgens mij en volgens de ouders die we hebben
gesproken bij de totstandkoming van dit wetsvoorstel, is de aandacht
voor de positie van de ouders in de wet goed, met verschillende
waarborgen voor rechtsbescherming. Wat betreft de medezeggenschapsraad:
ouders hebben via de medezeggenschapsraad natuurlijk inspraak op het
verzuimbeleid op de school en daarmee ook op de inzet van het
signaalverzuim, als daar regels voor worden gesteld bij de betreffende
scholen. Bij de procedure van vrijstelling behouden ouders dezelfde
rechtspositie. Daar zijn ouders zelf altijd bij betrokken. Die
vrijstelling komt ook echt alleen tot stand als ouders daar zelf actief
een beroep op doen.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Helder. Goed om te horen dat dit op deze manier goed in deze wet
verankerd lijkt te zijn. Mijn vraag over de escalatieroutes was breder
en ging ook over het leerrecht van kinderen. We hebben het nu steeds
over de plicht die zij hebben, maar het is een feit dat kinderen vaak
niet terechtkunnen bij een school en dan ook niet weten bij welke school
zij wel terechtkunnen of dat dat niet lukt. Het eindigt dan met een
vrijstelling en dan zit het kind thuis. Hoe zorgen we er nou voor dat we
ouders en het kind meer in hun recht zetten wat betreft dat recht op
onderwijs? Daarvoor ligt er een initiatiefwetsvoorstel dat ik graag
verder breng, maar ik ben benieuwd of we daar binnen de kaders die we nu
hebben, ook over na kunnen denken. Is de staatssecretaris bereid om te
kijken naar wat men nu in Amsterdam aan het doen is? Daar maken ze voor
ouders heel duidelijk wat die escalatieroutes zijn.
De voorzitter:
Uw vraag, alstublieft.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Sorry. Ik probeer het even uit te leggen.
De voorzitter:
Dat begrijp ik, maar daar zijn interrupties eigenlijk niet voor.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Sorry.
Staatssecretaris Tielen:
Op de wens van mevrouw Rooderkerk over dat recht kom ik straks nog even
terug. Dat heeft namelijk wat meer mitsen en maren. Ook op wat ze in
Amsterdam doen, kom ik straks nog terug; dat heb ik gezien in mijn
setjes. Dus "hold your beer", in goed Engels.
De voorzitter:
De staatssecretaris vervolgt haar betoog. We zijn nog steeds bij het
blokje rollen en taken.
Staatssecretaris Tielen:
Ja, rollen en taken. Ik heb echt heel veel vragen gekregen, voorzitter,
en het is een wet en is het belangrijk.
De voorzitter:
Zeker.
Staatssecretaris Tielen:
Het is een belangrijk onderwerp. Ik neem dus maar gewoon weer mijn
tijd.
Mevrouw Beckerman vroeg naar het ondersteunend personeel. Volgens mij is
de term "brugfunctionaris" al een paar keer langsgekomen. Daarvoor
hebben we structurele middelen beschikbaar, zodat scholen die
brugfunctionaris ook in kunnen zetten. Daarnaast is het natuurlijk
belangrijk dat we het voor een school ook mogelijk maken om samen te
werken met jeugdhulp. Ik noemde het al. Volgens mij refereerde mevrouw
Beckerman al aan wat je daar wel en niet van zou moeten verwachten. Over
de lokale teams op school is in de Wet reikwijdte Jeugdwet ook het een
en ander gezegd. Maar goed, die wet is nog in internetconsultatie, dus
daar komt u nog over te spreken.
Mevrouw Beckerman verwees nog naar het interdisciplinair team. Dat is
volgens mij altijd heel goed, maar zeker bij dit onderwerp, want dan kan
de leraar vooral onderwijzen, om het maar zo te zeggen. Als kinderen
ondersteuning nodig hebben, dan kan men ook in teamverband bekijken wie
wat doet. Daar zijn we druk mee bezig en we blijven ermee bezig om dat
nog verder te verbeteren op alle scholen.
Ook mevrouw Armut vroeg naar de brugfunctionaris. In het land zien we
inderdaad mooie voorbeelden van brugfunctionarissen die de verbinding
tussen school en thuis echt versterken en daarmee de leerkracht meer
ruimte geven om te onderwijzen. We hebben ook echt een aantal mooie
voorbeelden gezien waarin daarmee uitval werd voorkomen. We zijn dus
blij dat we daarvoor structureel geld beschikbaar hebben.
Meneer Boomsma vroeg nog naar de strafrechtelijke rol van de
leerplichtambtenaar. Daar heb ik, denk ik, al wat over gezegd. Ik heb
ook al gezegd dat ik u in september een brief zal sturen met daarin de
brede verkenning naar leerplicht, schoolverzuim en strafrecht en naar de
rol die de leerplichtambtenaar daarin zou moeten hebben. Daar komen we
dus nog over te spreken, vermoed ik.
Mevrouw Armut vroeg naar de maatregelen die door de wet beschikbaar
komen om leerlingen terug naar school te brengen. Ook daarbij is de
leerplichtambtenaar weer een belangrijke functionaris, die echt wel meer
preventief en minder repressief is geworden. Dan moet je inderdaad
denken aan een samenwerking met de gemeentelijke hulpverlening,
jeugdhulp en jeugdzorg en soms met de geestelijke gezondheidszorg,
waarbij men dan samen met de jongere en diens ouders kijkt wat een
volgende stap is. In een hoop gemeentes doen leerplichtambtenaren
daarbij al best veel. Met die signaalfunctie willen we ervoor zorgen dat
dat eerder kan en dat zij niet hoeven te wachten tot in vier weken tijd
zestien uur is verzuimd. Een school kan dan al eerder zeggen: help ons,
want wij zien dat deze scholier potentieel kan uitvallen. Dat proberen
we dus met die wet in te zetten.
Ik kom bij blokje vier. Dat is een relatief dun blokje. Vervolgens is
blokje vijf heel dik. Vier gaat over de vrijstellingen onder artikel 5,
lid a en b — dit is voor de geïnteresseerde meekijkers en natuurlijk
voor de wetsgeschiedenis. De heer Kisteman vroeg of het klopt dat het
Openbaar Ministerie niet meer tot vervolging overgaat als ouders hun
kind ongeoorloofd thuislaten. Het korte antwoord is: nee. Het Openbaar
Ministerie is gestopt met zaken van vrijstelling vanwege
richtingsbezwaren — dat is onder b — vanaf april vorig jaar, als die
vragen om een inhoudelijke weging van het bezwaar. Overigens, als het
betreffende kind — en nu moet ik het ook weer precies goed zeggen; ik
krijg het straks in mijn oortje als ik het verkeerd zeg — eerder naar
school is geweest en toch onder b valt, dan wordt er nog steeds
vervolgd. Dit gaat dus echt om een specifieke groep binnen lid b. Het
Openbaar Ministerie is niet gestopt met het handhaven van andere
overtredingen binnen de Leerplichtwet. En nogmaals, wij zijn dus aan het
verkennen hoe nauw leerplicht, strafrecht en de rol van de
leerplichtambtenaar samenhangen, en hoe dat het beste zou moeten. Daar
komen we in september op terug.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Misschien heb ik niet goed opgelet of misschien komt het in een later
blokje, maar ten aanzien van dit punt heb ik het er in de interrupties
over gehad dat de staatssecretaris met een aantal oplossingsrichtingen
komt voor hoe je hiermee om kan gaan.
Staatssecretaris Tielen:
Ja.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Kan de staatssecretaris aangeven wanneer en in welke vorm dat dan
richting de Kamer komt? Tenzij dit in een blok terugkomt. Zo niet, dan
zou ik het willen afhechten door te vragen wat het plan van de
staatssecretaris is en of ze dit in het proces kan meenemen. Ik merk
gewoon dat daar veel behoefte aan is in de Kamer.
Staatssecretaris Tielen:
Dan ben ik even benieuwd ... Er zijn twee dingen: het ene is voor de
zomer, het andere is na de zomer. Voor de zomer kom ik terug op de
vragen die uw Kamer al eerder heeft gesteld over thuisonderwijs en wat
we daarmee moeten. Dat is voor een deel 5b. Ik zie de heer Ceder
knikken, dus ik denk dat ik het goed zeg. Op het deel dat gaat over de
Leerplichtwet, de leerplichtambtenaren, het strafrecht, dus het bredere
beeld daarvan, kom ik in september terug. En allebei uiteraard in een
brief. Daarbij kan ik me ook nog voorstellen dat u daarover met mij in
gesprek wil, maar dat merk ik dan wel weer.
De voorzitter:
Een vervolgvraag.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dus als ik het goed begrijp, komt u voor het zomerreces met een brief
over 5b. U refereerde net aan het Openbaar Ministerie. Na het reces een
brief over de bredere uitdagingen ten aanzien van de Leerplichtwet. Het
is dan vervolgens aan de Kamer om een commissiedebat of plenair debat te
entameren, als we dat zouden willen.
Staatssecretaris Tielen:
Precies. Ja, ik ben hier te gast, dus ik dring me niet op. Ik ben
dienstbaar.
De voorzitter:
De staatssecretaris vervolgt haar betoog.
Staatssecretaris Tielen:
De heer Kisteman vroeg ook dit: als het OM niet meer overgaat tot
vervolging, wie gaat er dan handhaven? Het begint natuurlijk bij die
leerplichtambtenaar: de leerplichtambtenaar bepaalt of er een
proces-verbaal moet worden opgemaakt. Vervolgens bepaalt het Openbaar
Ministerie of het daaraan opvolging geeft. Er is op dit moment geen
andere instantie. Daarom zijn we bezig om te kijken hoe we hiermee om
zouden moeten gaan, en dat komt dus terug in die brief van voor de
zomer.
De heer Kisteman vroeg ook wat dan het nut is van 5b. Dus artikel 5,
onder b, van de Leerplichtwet uit 1969: wat is dus het nut daarvan? Het
antwoord is dat er wel wordt vervolgd als er niet wordt voldaan aan de
formele criteria, bijvoorbeeld — en dat zei ik net al; ik heb het goed
gezegd — als het kind al eerder ingeschreven heeft gestaan op een
school. Dat is dan niet voldoen aan de formele criteria, wat nog steeds
betekent dat er iets kan gebeuren. Het Openbaar Ministerie vervolgt
alleen niet als er een inhoudelijke weging van het bezwaar nodig is — om
dit netjes te zeggen.
Ik wilde de heer Kisteman niet uitlokken, maar ik zag een beweging.
De heer Kisteman (VVD):
Een klein dingetje. Het blijft gewoon lastig; wanneer nou wel en wanneer
niet? Dat merk ik ook aan de staatssecretaris. De leerplichtambtenaar
zou het dan doen, maar die zegt zelf ook dat het een grijs gebied is.
Als ik het goed begrijp, is dit nu even wat het is. We krijgen voor de
zomer die brief en daarna gaan we er verder over in discussie, althans
als de Kamer dat wil.
Staatssecretaris Tielen:
Daarbij betekent "het is wat het is" dus niet dat er niks gebeurt. De
leerplichtambtenaar ziet nog steeds toe op 5b, alleen van een deel van
die gevallen weet de leerplichtambtenaar dat het Openbaar Ministerie er
niks mee doet. Dat is "het is wat het is". Maar als blijkt dat een kind
al eerder op een school ingeschreven heeft gestaan en er toch op grond
van 5b geargumenteerd wordt dat het niet meer hoeft, gaat de
leerplichtambtenaar wel iets doen. Dan gaat het Openbaar Ministerie,
uiteraard op basis van een proces-verbaal, bepalen wat het dan doet.
Daar is het redelijk onafhankelijk in. Maar er gebeurt dan dus wel
iets.
De heer Kisteman (VVD):
Doet de leerplichtambtenaar er in theorie iets aan, of doet die er in de
praktijk iets aan?
Staatssecretaris Tielen:
De leerplichtambtenaar kijkt ernaar en bepaalt vervolgens of hij daar
iets mee moet. Wat hij er dan mee moet, is een proces-verbaal
opmaken.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik zou willen vragen, ook gezien het laatste interruptiedebat, of de
minister kan toezeggen dat ze in de brief ook ingaat op het verschil
tussen enerzijds mensen die een beroep doen op 5b waarbij ook
daadwerkelijk thuisonderwijs plaatsvindt, en aan de andere kant de groep
— je kan ze "soevereinen" of "mensen die zich onttrekken" noemen —
waarbij geen onderwijs plaatsvindt. Thuiszitters zijn uit te splitsen in
verschillende categorieën. Kan de minister toezeggen in te gaan op het
verschil en op wanneer daar wel of geen beroep op wordt gedaan? Ik wil
ook vragen of er in de brief met verschillende oplossingsrichtingen ook
gekeken wordt naar wat er in België gebeurt. Daar heeft de
leerplichtambtenaar, in tegenstelling tot nu in Nederland, wel degelijk
ook een toezichthoudende rol op mensen die een beroep doen op
thuisonderwijs. Dat gaat in Nederland nu via 5b. Zou dat ook meegenomen
kunnen worden, zodat we een integraal beeld hebben van hoe dit in andere
landen wordt opgelost? Dan kunnen we daar ook een zuiver debat over
voeren.
Staatssecretaris Tielen:
Als we "andere landen" kunnen beperken tot Vlaanderen, lijkt me dat
fijn. Anders wordt het namelijk heel ingewikkeld, want dan moeten we ook
analyses doen op grondrechten en dat soort dingen. Meneer Ceder, en
volgens mij nog iemand anders, verwees inderdaad al naar België in de
eerste inbreng. Het lijkt mij prima. Volgens mij moeten we leren van
onze buren. Ik kan me ook voorstellen dat het al heel hulpvol zou zijn
als we, bij wijze van spreken bijna met een beslisboom, even in kaart
brengen waar we het precies over hebben. Dan kunnen we er ook met elkaar
over doorpraten, als u dat wilt. Dan weten we allemaal waar we het over
hebben.
De voorzitter:
Meneer Kisteman brengt nu het zware geschut mee!
Staatssecretaris Tielen:
Ja. Hij heeft gegoogeld!
De heer Kisteman (VVD):
Ik heb hierover schriftelijke vragen gesteld, dus ik ga er toch even op
door. Dat was overigens niet aan deze staatssecretaris, maar aan de
vorige. Mijn vraag was: hoe wordt gecontroleerd of kinderen die thuis
worden gehouden vanwege religieuze overtuigingen enig onderwijs krijgen?
Het antwoord daarop is: "Daar vindt geen controle op plaats."
Staatssecretaris Tielen:
Ik kom daar graag in tweede termijn op terug. Ook al heb ik die vraag
niet zelf gezien, ik ben hier natuurlijk gewoon in functie. Ik snap het
als daar verwarring over ontstaat, maar daar kom ik dan graag in tweede
instantie op terug.
De voorzitter:
De staatssecretaris vervolgt haar betoog.
Staatssecretaris Tielen:
Mevrouw Westerveld verwees naar de brief van december. Daarin hebben we
grofweg twee opties uitgeschreven: enerzijds thuisonderwijs als
eigenstandige sector met toezicht door de inspectie, en anderzijds het
laten vervallen van de vrijstelling vanwege richtingsbezwaren door een
alternatief op te nemen en daarmee de leerplicht wat uit te breiden. We
zijn nu beide opties aan het uitwerken. Het recht op goed onderwijs voor
iedereen is daarbij wat mij betreft het uitgangspunt, maar dat zal
mevrouw Westerveld met mij eens zijn. We kijken vervolgens welke van de
twee opties daarbij het beste uitvoerbaar is. Dat komt dus in de brief
die ik voor de zomer naar uw Kamer ga sturen.
Meneer Stoffer vroeg of ik kan bevestigen dat het uitgangspunt van het
wetsvoorstel dat we nu hebben alleen een vrijstelling laat ontstaan als
een kind op geen enkele manier onderwijs kan volgen. Dat sluit aan bij
wat we eerder hebben gezegd, wat iedereen vindt, namelijk dat alle
kinderen daarmee in ontwikkeling kunnen blijven en goed onderwijs kunnen
krijgen, omdat ze daarmee vooruitkomen in hun leven. Ik wijzig dus de
procedure van de vrijstelling 5 onder a, zodat we kijken naar wat wel
mogelijk is om onderwijs te krijgen. Daarnaast voegen we het
onderwijskundig perspectief toe, waarbij het samenwerkingsverband
onderzoekt wat de onderwijsmogelijkheden van het kind zijn en een arts
het verzoek om vrijstelling beoordeelt; ik heb daar al eerder naar
verwezen. Uiteindelijk willen ook alle betrokken partners in het
onderwijs dat iedere jongere altijd onderwijs kan volgen. Dat betekent
dus ook dat we al deze maatregelen met alle betrokken partners samen
uitwerken in praktijkrichtlijnen.
Dat was het kopje vrijstellingen.
De voorzitter:
Daar gaan we.
Staatssecretaris Tielen:
Soms kan ik ook een beetje van hot naar her en weer terug gaan, omdat ik
alles niet altijd even logisch heb kunnen clusteren.
De voorzitter:
Het is "overig", hè?
Staatssecretaris Tielen:
Mevrouw Westerveld heeft nog een antwoord gemist, denk ik.
De voorzitter:
Ho, laten we het even via de microfoon doen.
Staatssecretaris Tielen:
Nu al.
De voorzitter:
Deze tellen we niet mee.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik zat in de bankjes te roepen: was dit het einde van het kopje
vrijstellingen?
Staatssecretaris Tielen:
Ja.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Dan heb ik nog één antwoord gemist. Wij horen vaak van ouders van
kinderen met een beperking dat zij heel graag willen dat hun kind naar
school gaat, maar dat dat op de een of andere manier niet lukt. Sommigen
van deze ouders hebben het gevoel dat er een beetje wordt gepusht: doe
maar een vrijstelling, dan ben je overal vanaf. Ik sla het plat, want zo
wordt het niet gezegd, maar omwille van de tijd formuleer ik het zo. Ik
zou de staatssecretaris willen vragen of zij die signalen herkent. In
mijn bijdrage had ik het specifiek over kinderen met een lichamelijke of
psychische aandoening. Onder die groep stijgt het aantal vrijstellingen
ook. Dat lijkt mij hartstikke onwenselijk. Ik ben benieuwd hoe de
staatssecretaris daarnaar kijkt en wat er gedaan gaat worden om te
voorkomen dat deze kinderen steeds vaker een vrijstelling krijgen.
Staatssecretaris Tielen:
Mijn uitgangspunt, en dat is een volle overtuiging, is dat ieder kind
goed onderwijs moet kunnen volgen, liefst in een schoolachtige situatie,
om het zo maar te zeggen. Ik herken die signalen iets minder, maar dat
komt misschien doordat ik net nog niet met die partijen heb gesproken.
Daar wil ik even voorzichtig over zijn, want ze zullen er wel degelijk
zijn. Dat vind ik inderdaad geen goed teken, dus dan moeten we echt
kijken wat we kunnen doen om het aanvragen van zo'n "vrijwillige
vrijstelling" — ik zeg de aanhalingstekens erbij, voor de Handelingen —
te voorkomen, want ik denk dat dat geen recht doet aan wat belangrijk is
en dat is, zeg ik nogmaals, dat ieder kind goed onderwijs in een soort
schoolsetting moet kunnen volgen. Als we verder praten over artikel 5b
of over passend onderwijs, zullen er wel gelegenheden zijn om hier nog
wat dieper op in te gaan, denk ik. Dan ga ik ook zoeken of ik die
signalen terug kan horen.
De voorzitter:
Dan gaan we verder naar het blokje overig.
Staatssecretaris Tielen:
Ja. Ik geloof dat ik geprobeerd heb om dat op inbrenger, op fractie, te
organiseren. Dan weet iedereen wanneer hij of zij ongeveer aan de beurt
is.
Meneer Ceder vroeg wat er wettelijk is geborgd voor kinderen die
geoorloofd verzuimen, bijvoorbeeld door ziekte. Hij vroeg of het niet
beter is dat er een ontwikkelingsperspectief wordt opgesteld en wordt
aangeboden aan ouders en leerlingen. Scholen zijn verantwoordelijk voor
onderwijs, ook voor kinderen die ziek zijn. Daar heeft u in december
inderdaad al een debat over gehad, in het kader van kortdurende ziektes.
Dit wetsvoorstel gaat vooral over preventie en registratie, over goed
verzuimbeleid. Dat geldt natuurlijk ook voor kinderen die ziek zijn. Ik
herhaal het maar weer: de bedoeling is ook echt dat de groep die
geoorloofd verzuimt, veel beter in beeld komt. We zijn bezig met een van
de andere bouwstenen: het wetsvoorstel maatwerk, dat de mogelijkheden
voor kinderen om onderwijs te volgen verruimt, ook als ze langduriger
ziek zijn. Het opstellen van een ontwikkelingsperspectief hangt voor een
deel af van de individuele ondersteuningsbehoefte. Die is niet altijd
hetzelfde als bij langdurige ziekte. Dit wil ik dus niet wettelijk
vastleggen, maar ik weet niet of meneer Ceder dat bedoelde.
Meneer Ceder refereerde ook specifiek aan jongeren met bijvoorbeeld long
covid, postacuut infectiesyndroom. Hij vroeg of ik met hen in gesprek
wil. Ja, natuurlijk. Ik wil sowieso met veel mensen in gesprek, maar ik
denk dat het goed is om naar deze groep te luisteren en te horen waar
zij tegenaan lopen bij het wel willen, maar niet kunnen volgen van
regulier onderwijs, in sommige gevallen. We gaan sowieso in gesprek met
de vereniging van mensen met het chronischevermoeidheidssyndroom, waar
postcovid vaak bij wordt betrokken. Ik zal daar voor de zomer, ook in
het verlengde van uw motie, op reageren en een terugkoppeling op geven.
Ook dat mag meneer Ceder dus als toezegging classificeren.
De voorzitter:
Zijn duim gaat omhoog.
Staatssecretaris Tielen:
Ik zie het. Mooi, ook weer voor de Handelingen. Meneer Kisteman vroeg
hoe ik ervoor ga zorgen dat er overal, en dat betekent dan in alle
regio's, voldoende hoogbegaafdheidsonderwijs is. De afgelopen jaren is
er door samenwerkingsverbanden behoorlijk geïnvesteerd in extra aanbod
voor hoogbegaafden. Alle samenwerkingsverbanden hebben daar per
afgelopen 1 januari ook extra geld voor gekregen in de bekostiging. Dat
gaat om ruim 23 miljoen. Daarmee hebben ze ook de verantwoordelijkheid
en de plicht om een dekkend aanbod te bieden en daar wordt ook door de
inspectie op toegezien.
Meneer Kisteman vroeg ook of ik het rapport Over de lijnen en grenzen
aan vrijblijvendheid heb gelezen. Dat rapport is inderdaad aan mij
aangeboden door het Overkoepelend Netwerk Samenwerkingsverbanden. Ik ben
het aan het lezen en ik ga dat ook bespreken, want soms kom je heel veel
tegen in een tekst, maar het is ook altijd wel goed om daar nog eens wat
nadere vragen over te kunnen stellen. In de brief die ik voor het
commissiedebat Passend onderwijs aan u stuur, zal ik daar ook mijn
korte, compacte reflectie op geven.
Mevrouw Westerveld vroeg hoe het toch kan dat het VN-verdrag Handicap en
het Kinderrechtenverdrag niet worden nagekomen, waarbij met name het
VN-verdrag Handicap inderdaad echt wel tot extra stappen noopt. We
hebben daar een nationale strategie op geformuleerd om de implementatie
van het verdrag te versnellen. Specifiek wat betreft onderwijs is de
verbeteraanpak passend onderwijs samen met die werkagenda nationale
strategie een handvat voor ons om te zorgen dat we beter invulling
kunnen geven aan dat verdrag. Ik zei het ergens in het begin al:
uiteraard vind ik het belangrijk om kinderen en jongeren te blijven
horen bij stappen die we daarin zetten. Hetzij in georganiseerd verband,
hetzij soms gewoon losse jongeren uit het land, om het zo maar te
zeggen.
Mevrouw Westerveld vroeg ook of de doelen van de Wet passend onderwijs
eigenlijk nog overeind staan. Ja, wat mij betreft wel. Of ze fier
overeind staan, durf ik niet te zeggen, want we hebben ze nog lang niet
gehaald. Het levert ook echt wel urgentie op om dat voor elkaar te gaan
krijgen. Daar zet ik me graag samen met uw Kamer en alle partners in het
veld voor in. Die verbeteraanpak passend onderwijs is daar een
belangrijke leidraad in. Ik kijk uit naar het debat over passend
onderwijs, waarin we ook met elkaar zullen kijken waar we de komende
tijd de urgentie en de prioriteit moeten leggen om die doelstellingen
toch echt te gaan behalen.
In het verlengde daarvan vroeg mevrouw Westerveld naar het
Thuiszitterspact uit 2016. Zij suggereerde eigenlijk dat wij dit in een
la hadden gelegd. Dat hebben we natuurlijk niet gedaan, maar het
eerlijke antwoord is wel: het is tien jaar oud en we zijn nog lang niet
waar we willen zijn. Tussentijds hebben we, met onder andere de
covidpandemie en veel nieuwkomers in het onderwijs, echt wel wat extra
uitdagingen om het voor elkaar te krijgen. Dat ontslaat ons niet van de
verantwoordelijkheid om daarmee verder te gaan. Nogmaals, de
verbeteraanpak is wat mij betreft echt wel een leidraad, maar laten we
samen — en dan bedoel ik onder andere met uw Kamer — bekijken hoe we
daar urgentie en prioriteit in kunnen kiezen en echt stappen vooruit
kunnen zetten.
Dan het rommelpotje van Peter Kwint. Jammer dat mevrouw Beckerman even
weg is. Ik geloof dat het officieel een andere naam heeft, namelijk de
Subsidieregeling ondersteuning en preventie thuiszittende jongeren. In
de jaren 2025 tot en met 2028 is er 24 miljoen euro beschikbaar. Bijna
alle samenwerkingsverbanden hebben via coalities aanvragen hiervoor
ingediend en middelen ontvangen. Dit wordt nu dus uitgewerkt. Ik denk
dat het verstandig is om de regeling te evalueren als 2028 voorbij is.
Maar het bestaat dus zeker en er wordt breed gebruik van gemaakt.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik interrumpeer bij afwezigheid van mevrouw Beckerman, maar ik denk dat
zij deze vraag ook wil stellen. De bedoeling van deze subsidieregeling,
of het rommelpotje, was eigenlijk dat het ook buiten de
samenwerkingsverbanden zou gebeuren. Dat kon niet. Er is heel veel
discussie over geweest. Die gaan wij niet opnieuw voeren. Daarom is er
gekozen voor een subsidieregeling via samenwerkingsverbanden. De vraag
is dan natuurlijk: besteden zij het ook echt aan de initiatieven op het
snijvlak van onderwijs en zorg waarmee wordt geprobeerd ervoor te zorgen
dat kinderen naar school kunnen? Dus mijn vraag is niet: gaat het naar
samenwerkingsverbanden? Maar: gaat het via samenwerkingsverbanden naar
al deze mooie initiatieven?
Staatssecretaris Tielen:
Vindt u het goed, voorzitter, als ik … Ik weet niet hoe gemakkelijk het
is om daarachter te komen, maar ik zal kijken of het enigszins op een
slanke manier boven water kan worden gehaald. Die evaluatie doen we echt
pas op het einde, maar als mevrouw Westerveld gevoel wil hebben bij de
vraag of het de goede kant op gaat, dan zal ik proberen om in de brief
over passend onderwijs een aantal voorbeelden of indicaties te geven.
Dat is dus geen diepe evaluatie, maar het kan wel een soort gevoel
creëren.
De voorzitter:
Zeker.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ja, en ik zou het eigenlijk ook graag gewoon van de
samenwerkingsverbanden willen weten. Misschien kan het ministerie gewoon
ieder samenwerkingsverband een mailtje sturen met de vraag waar men het
geld eigenlijk aan uitgeeft; naar welke initiatieven gaat dit? Want de
bedoeling van dit geld was echt dat het heel concreet zou gaan naar dit
soort initiatieven. Zij mailen mevrouw Beckerman en mij regelmatig dat
het niet altijd goed gaat. Soms ook wel. Ik ben wel benieuwd. Ik ben ook
benieuwd welke samenwerkingsverbanden het hartstikke goed doen en welke
helemaal niets van het geld uitgeven. Gewoon op zo'n manier: een
e-mailtje sturen. Dan komt het vast goed.
Staatssecretaris Tielen:
Soms zijn dingen gemakkelijker gezegd dan gedaan. Als de Kamer het oké
vindt dat ik er geen doorwrochte evaluatie van maak, maar dat ik op een
slanke, pragmatische manier wat informatie naar boven haal, dan zal ik
dat meesturen met de brief over passend onderwijs. Maar dat is dus niet
volledig dekkend.
De voorzitter:
Staat genoteerd. Mevrouw Rooderkerk.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Lean and mean is op zich goed, maar dan kom ik toch weer op het punt dat
ik hiervoor al noemde. We hebben heel goed zicht op het aantal kinderen
dat thuiszit, maar niet op de oplossingen die worden geboden. Als we
willen dat er eenduidig beleid is, zoeken we ook feiten en cijfers:
hoeveel samenwerkingsverbanden hebben gezorgd voor een stoeltje erbij
voor een leerling? Hoeveel samenwerkingsverbanden hebben ervoor gezorgd
dat er ergens in de regio een klas is waar verschillende thuiszitters
terechtkunnen? Als we deze versnipperde constructie hebben, hebben we
dit soort cijfers nodig om zicht en toezicht te houden op de vraag of
het wel of niet goed gaat. En maak het eenduidig.
Staatssecretaris Tielen:
Dat snap ik op zich, maar ik denk dat dat ook te vroeg is. Deze regeling
is in 2025 ingegaan. Als we het echt gaan evalueren, ben ik het met
mevrouw Rooderkerk eens dat dit soort vragen beantwoord horen te worden.
Nu we in begin 2026 zitten, moeten we er vooral even pragmatisch mee
omgaan. Daarom vraag ik die ruimte bij uw Kamer. Meten is weten, dat is
altijd lekker. Wat niet weet, wat niet deert, dus wat weet, deert wel.
Maar we moeten ook oppassen dat we niet te veel regeldruk creëren. Dat
is het dilemma waar we voortdurend met elkaar in zitten. En dan gaan we
af en toe links- en af en toe rechtsaf.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ja, voor de helderheid. Ik doelde niet per se op de regeling van het
rommelpotje van 2025, …
Staatssecretaris Tielen:
Oké, op het totaal?
Mevrouw Rooderkerk (D66):
… maar op de samenwerkingsverbanden zelf. Als Kamer hebben we daar
eigenlijk geen zicht op en het ministerie ook niet, denk ik. Daardoor
gaat het overal anders en kunnen we er niet op sturen.
Staatssecretaris Tielen:
Dat is volgens mij ook onderdeel van de ontwikkelagenda voor
samenwerkingsverbanden, waarin we precies voor dit soort vraagstukken
handvatten moeten geven voor een oplossing. Ik zeg niet dat we het al
weten, maar ik denk wel dat we hiernaar moeten kijken om ervoor te
zorgen dat het effectief is. Ja, eens.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ja, tot slot. Ik zoek vooral naar feiten en cijfers. Zou de
staatssecretaris bereid zijn om richting de ontwikkelagenda en de
uitwerking van het onderzoek in te zetten op cijfermatig beter zicht op
de vraag of het wel of niet goed gaat? Als er 7.000 kinderen
thuiszitten, dan zijn er ook 7.000 plekken waar het niet gelukt is.
Staatssecretaris Tielen:
Ja. Ik ga proberen om dat op een simpele manier te doen. Daar houd ik
altijd van. Dat weten sommigen misschien nog uit mijn tijd als Kamerlid.
We moeten ook niet te veel indicatoren hebben, maar gewoon een paar hele
duidelijke. Vervolgens is het verhaal erbij ook belangrijk. Ik ga
proberen om een mooie mix te maken, waarmee wij als medewetgever en u
als controleurs van mijn beleid het goede gesprek kunnen aangaan, of we
er wel daadwerkelijk zicht op hebben, zonder dat we …
De voorzitter:
Laten we verdergaan.
Staatssecretaris Tielen:
… overladen worden door heel veel tabelletjes. Hoe dol ik ook ben op
tabellen.
Mevrouw Westerveld vroeg naar de verschillende geldstromen en waarom we
dat probleem niet kunnen oplossen. In de aanpak Zorg in Onderwijs werken
we samen met VWS om dat te verbeteren. We willen wettelijk borgen dat
gemeentes, samenwerkingsverbanden en waar nodig zorgkantoren met elkaar
overleggen en afspraken maken om daadwerkelijk zorg in onderwijstijd te
kunnen organiseren. Het convenant Stevige lokale teams helpt hierbij. In
sommige regio's werkt het ook al best wel goed. Bijvoorbeeld in de regio
Hart van Brabant, in Tilburg, zijn er al goede afspraken. Maar hier is
ook nog wel werk te doen.
Mevrouw Westerveld vroeg — net zoals mevrouw Rooderkerk, dus die neem ik
dan maar in één keer mee — hoe de samenwerkingsverbanden het doen. Daar
heb ik net al een en ander over gezegd. Daar zullen we in de
Ontwikkelagenda nog verder op ingaan.
Mevrouw Westerveld vroeg naar mijn reactie op het feit dat een aantal
kinderen door een lichamelijke of psychische beperking niet naar school
kan en of wij de doelen rondom inclusief onderwijs wel halen. Ik denk
dat zij daarmee impliciet verwees naar de vraag om een vrijwillige
vrijstelling. Daar heb ik net al wat over gezegd. Ik denk dat we daar
dezelfde wens bij hebben: elk kind heeft recht op goed onderwijs en nu
wordt soms te makkelijk gedaan alsof een kind dat niet zou hoeven.
Een vraag van mevrouw Rooderkerk ...
De voorzitter:
Voordat u verdergaat, heeft mevrouw Westerveld nog een vraag, ik denk
over het vorige antwoord.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
De staatssecretaris ging er iets sneller overheen dan ik met mijn vraag
had bedoeld. Het doel is straks inclusief onderwijs; daar is een heel
traject naartoe ontwikkeld. Mijn vraag is: staat dat nog? Is het doel
nog steeds dat wij toegaan naar inclusief onderwijs en is het kabinet op
de goede weg daarmee?
Staatssecretaris Tielen:
Het doel staat nog steeds. Of we op de goede weg zijn, is altijd aan u.
Dat mag u beoordelen. Ik schrijf graag met een aantal voorbeelden op
waarom het voor ons nog steeds belangrijk is en hoe we ermee bezig zijn.
Dat komt dan in de brief die we voor het commissiedebat over passend
onderwijs sturen. Het is niet hetzelfde, passend onderwijs en inclusief
onderwijs, maar het heeft natuurlijk wel met elkaar te maken. Dan mag u
beoordelen of we op de goede weg zijn.
Mevrouw Rooderkerk vroeg naar een verkenning over de best passende
aanpak om het recht op onderwijs te borgen. Dat zijn we in gedachten
natuurlijk al een beetje aan het verkennen, maar daar proberen we ook
wat meer handen en voeten aan te geven. Samen met de staatssecretaris
Justitie en Veiligheid zijn we aan het bezien hoe leerplicht,
schoolverzuim en strafrecht wel en niet bij elkaar passen, evenals de
andere kant ervan, dat je het recht op onderwijs zou kunnen borgen als
vraagstuk. Daarop kom ik terug in de brief van september, om u daarvan
een beeld te geven.
Mevrouw Rooderkerk vraagt naar een landelijk beter functionerend netwerk
van samenwerkingsverbanden. Wij denken dat het nog niet optimaal
functioneert. Een van de vraagstukken die we zien, is dat sommige
samenwerkingsverbanden heel effectief zijn en sommige minder. De heer
Soepboer heeft daar overigens een motie over ingediend, die vraagt om te
onderzoeken wat nodig is om het beter te laten functioneren. Het
antwoord daarop komt in de brief die we voor het commissiedebat over
passend onderwijs met elkaar delen. En ja, er zitten heel veel oorzaken
onder waarom passend onderwijs wel of niet werkt.
Rondom inclusief onderwijs vroeg ook mevrouw Rooderkerk naar ... Hier
ziet u dus dat ik de vragen te weinig aan elkaar geclusterd heb. Maar
ja, dat komt ook doordat er zo veel vragen waren. De doelstellingen van
inclusief onderwijs staan nog steeds. Of we daar goed mee bezig zijn,
mag u beoordelen, maar ik ga daar in ieder geval wat woorden aan wijden
in de brief over het passend onderwijs. Daarin zal ik onder andere
ingaan op de experimenteerreling inclusieve leeromgeving waar ruim 100
scholen aan deelnemen en het Steunpunt Passend Onderwijs. Ik zal een
aantal voorbeelden noemen waarvan wij denken dat we er goed mee op weg
zijn, en dan hebben we het daarover.
Mevrouw Rooderkerk vroeg ook hoe we goede initiatieven kunnen
uitbreiden. We zijn met Ingrado, dat is de vereniging van
leerplichtambtenaren, en met de samenwerkingsverbanden aan het bezien
hoe we scholen kunnen helpen deze wet goed uit te voeren. Daar gaan we
wat mij betreft dit jaar mee beginnen. Dan hebben we zeker ook goede
voorbeelden om veel meer te delen met elkaar. Dat geldt onder andere
voor dit onderwerp, maar is natuurlijk breder dan alleen maar
verzuim.
Dan de thuiszittersadviseurs zoals ze er in Amsterdam zijn. Wat ik daar
heel mooi aan vind, is dat het natuurlijk een betere samenwerking geeft,
en dat het kennis en expertise toevoegt aan wat we aan
verantwoordelijkheden en verwachtingen hebben. Dat betekent dus betere
samenwerking tussen scholen, leerplichtambtenaren en andere partners in
de keten. Ik zou niet zelf vanuit hier willen bepalen dat alle regio's
thuiszittersadviseurs inzetten, want dan creëren we een nieuwe functie
waar ook weer allemaal mitsen en maren aan zitten, maar het is wellicht
wel een goed voorbeeld, zeker als het ook tot mooie resultaten leidt.
Dat is typisch een voorbeeld om te delen. Als er in onderwijsregio's
scholen zijn die dat willen en kunnen regelen, zou ik zeggen "doe het
vooral", maar ik zou het niet bij voorbaat willen voorschrijven.
Mevrouw Armut vroeg hoe we omgaan met alle complexe factoren rondom
thuiszitten en verzuim, en hoe we focus houden. Met "focus" bedoelen we
wat mij betreft met name het doel om verzuim tegen te gaan en meer
kinderen op school te hebben, maar dat heeft dus een veelheid aan
bouwstenen nodig. Dat doe ik niet alleen. Samen met VWS ben ik bezig met
de verbeteraanpak Zorg in Onderwijstijd. Wij werken vanuit OCW, vanuit
Onderwijs, weer heel nadrukkelijk mee aan de Hervormingsagenda Jeugd om
te zorgen dat er synergie is tussen die verschillende aanpakken. Samen
met Justitie en Veiligheid zijn we bezig met leerplicht en
schoolverzuim. We zijn dus kabinetsbreed bezig met een oplossing creëren
rondom deze belangrijke doelstelling. U vraagt mij het meeste hierop,
denk ik, en dat is goed. Dan kan ik mijn collega's op de andere
departementen hierin meenemen.
Pesten. Een aantal van uw Kamerleden hadden daar vragen over. Pesten is
een onderwerp dat op veel scholen voorkomt en kan zomaar een reden zijn
om thuis te komen zitten, soms geoorloofd en soms ongeoorloofd verzuim.
Wat moeten we daar dan mee? Het begint met scholen, waar een zorgplicht
ligt voor veiligheid. Daar ligt dan ook de grootste
verantwoordelijkheid. Ouders en leerlingen kunnen klachten indienen bij
een school als een school pestgedrag niet goed oppakt. Als dat niet
werkt, kunnen ze melding maken bij de inspectie. Dat zijn natuurlijk
allemaal redelijk harde gevolgen. Daarnaast ondersteunen we de Stichting
School & Veiligheid, de raad voor het primair onderwijs en de raad
voor het voortgezet onderwijs om de samenwerking met ouders te
versterken en ervoor te zorgen dat scholen ook daadwerkelijk een veilige
gemeenschap kunnen organiseren. Daarnaast zijn we bezig met het
wetsvoorstel Vrij en veilig onderwijs, waarin we de eisen ten aanzien
van veiligheidsbeleid wettelijk neerleggen. Daarin komt bijvoorbeeld dat
vertrouwenspersonen verplicht zijn en dat leerlingen, leraren en ander
onderwijspersoneel laagdrempelig ergens terecht moeten kunnen als er
onveiligheid is. Volgens mij staat dat wetsvoorstel ergens op uw agenda.
Dat hoort dus bij elkaar.
Mevrouw Beckerman vroeg of geld voor verzuimende leerlingen ook
daadwerkelijk wordt besteed aan die leerlingen en niet wordt
wegbezuinigd. Scholen ontvangen bekostiging voor bij hen ingeschreven
leerlingen. De verwachting is uiteraard dat scholen die middelen
besteden aan verzuimende leerlingen. Dit wetsvoorstel scherpt de
voorwaarden aan ten aanzien van hetgeen we daarbij verwachten van
scholen. In de aanpak van schoolverzuim zijn, zoals wij gemerkt hebben,
niet zozeer de financiële middelen een beperkende factor, maar een
heleboel andere. Het antwoord op de vraag van mevrouw Beckerman is dus
eigenlijk: op deze manier zorgen we daarvoor. Maar daar heeft ze nog een
vraag over, hoor ik in mijn linkeroortje.
Mevrouw Beckerman (SP):
Ik dacht, ik noem iets goeds in de wet, want ik had ook wat
kritiekpunten. Wat ik goed vond in de wet, was dat scholen eerder gekort
konden worden en dat het geld nu blijft bestaan. Dat is iets te kort
door de bocht gezegd, maar vanwege de tijd. Dat vind ik een mooi ding
aan de wet, want anders komt er ook een soort prikkel om verzuim niet te
melden. Die zit er niet in, dus dat is fijn. Maar hoe kan je er nou voor
zorgen dat als een leerling thuis komt te zitten of dreigt uit te
vallen, het geld beter terechtkomt bij die leerling? Ik snap dat de
staatssecretaris zegt: er zijn nog heel veel andere factoren, zoals
personeelstekorten. Dat is zeker waar en die hebben we ook genoemd.
Specifiek over dit punt dacht ik wel dat dit heel goed is, ook gelet op
wat mevrouw Westerveld eerder zei. De Kamer is heel kritisch geweest op
de miljoenen die op de plank blijven liggen. Kan de staatssecretaris
hier niet een iets scherpere toezegging op doen?
Staatssecretaris Tielen:
Ik moet daar even over nadenken, als dat mag.
De voorzitter:
Oké. Dat mag.
Staatssecretaris Tielen:
Ik kom daar in de tweede termijn op terug.
De voorzitter:
Ja, hoor.
Staatssecretaris Tielen:
Mevrouw Beckerman vroeg ook naar onderzoek naar de wachttijden. Ik
verwijs naar de brief die ik in mei ga sturen voor het commissiedebat
Passend onderwijs. Daarin kom ik terug op de wachttijden en de
capaciteit, ook per regio, wat betreft speciaal onderwijs.
Mevrouw Beckerman vroeg of onderwijs zelf ook verzuim veroorzaakt,
bijvoorbeeld door klassengrootte, om maar iets te noemen. Wij vinden het
belangrijk dat ook de omstandigheden in het onderwijs — we hadden daar
in het begin al even een interruptiedebatje over — worden bekeken als
het gaat om verzuim en verzuim tegengaan. Gisteren hadden we een debat
over lerarenstrategie, waarin we hebben gesproken over hoe we ervoor
zorgen dat ook onderwijspersoneel plezierig kan werken. We zetten
bijvoorbeeld in op mogelijkheden voor zijinstroom en op het verbeteren
van opleiding. We zetten in op het aanpakken van werkdruk. We proberen
goed werkgeverschap te stimuleren. Op die manier proberen we leraren
goed toegerust te krijgen. Mevrouw Beckerman begon zelf over
interdisciplinaire teams in onderwijsland, waarin leraren dus niet in
hun eentje alles op hoeven te lossen.
Mevrouw Beckerman (SP):
Dit was ook zo'n onderwerp waarover ik een compliment uitdeelde en in
mijn spreektekst zei: hé, dat vind ik nou mooi om in het coalitieakkoord
te lezen. Dat ging over kleine klassen. De SP voert samen met D66 al een
tijdje een kleineklassenstrijd. Nu zag ik in het coalitieakkoord dat er
een pilot komt. Daar was ik blij mee. Ik vroeg daar eigenlijk naar. Een
kleine klas is geen wondermiddel voor alles, maar het zou wel voor heel
veel leerlingen en voor leraren beter zijn. Ouders willen het ook graag.
Hoe ziet die pilot eruit? Kan de staatssecretaris al iets melden over
bijvoorbeeld de grootte?
Staatssecretaris Tielen:
Ik denk dat we daar heel eerlijk gezegd nog geen besluit over hebben
genomen. Volgens mij weet ik wat mevrouw Beckerman wil vragen. Ik heb er
gewoon nog geen antwoord op, dus ik moet erop terugkomen. Dat kan niet
in de tweede termijn, want dit gaat ietsje verder. Dit gaat over de
vragen wat we uit de pilot willen leren, wat we belangrijk vinden en
welke criteria we hanteren op het gebied van veiligheid, passend
onderwijs, inclusief onderwijs, de kwaliteit van onderwijs en dat soort
dingen. Het is dus echt een antwoord voor op de langere termijn.
Mevrouw Beckerman (SP):
Dat snap ik natuurlijk. We zijn pas net onderweg. Tegelijkertijd weten
we dat pilots heel makkelijk zijn en structureel beleid veel
ingewikkelder ligt. Ik zou de staatssecretaris toch ook een klein beetje
willen uitdagen. Waar zou je die pilot dan op willen richten? Als je een
pilot start, waar wil je dan beginnen? Wat je wil leren, is inderdaad
nog best wel een complexe vraag, maar waarover zegt de staatssecretaris
nou: daar zie ik echt de grote meerwaarde van in en daar zou ik mee
willen beginnen? Is daar al een beeld over? Ik kan me namelijk niet
voorstellen dat dit punt zomaar in het coalitieakkoord terecht is
gekomen. Er moet een gedachte achter zitten.
Staatssecretaris Tielen:
Zeker. Die zit er vast en zeker achter. Ik weet ook dat alles wat ik
erover zeg weer vragen oproept, omdat we nu met die vragen aan het
puzzelen zijn. Ik wil mevrouw Beckerman ook om een beetje geduld vragen.
Ik kom erop terug.
Meneer Stoffer had als stelling dat het instemmingsrecht van ouders op
het verzuimbeleid in de schoolgids ook betekent dat ouders
instemmingsrecht hebben op het verzuimbeleid als zodanig. Hij vroeg of
ik die stelling wil toetsen om verwarring te voorkomen. Mijn antwoord is
dat dat niet nodig is. In de huidige sectorwetten staat namelijk al dat
verzuimbeleid in de schoolgids moet staan. Ik kan verwijzen naar een
aantal artikelen in de wet, maar ik weet niet of we daar mee geholpen
zouden zijn. En er is instemmingsrecht van de ouders op de vaststelling
van de schoolgids. Daarmee is het aan elkaar gekoppeld, juridisch.
Meneer Stoffer vroeg ook of ik wil kijken of de afbakening van eerder
vrijwillig verzuim melden scherper kan. Scholen nemen in hun
verzuimbeleid op in welke gevallen ze een signaal zorgelijk verzuim
geven en daarmee is het eigenlijk scherp genoeg. Als we het in het
wetsvoorstel nog scherper gaan afbakenen, dan heeft dat niet heel erg
veel effect omdat je daarmee ook eigenlijk weer de schooleigen context
voorbijgaat. We willen het echt aan scholen zelf laten hoe ze dat in hun
verzuimbeleid opnemen, maar dat moeten ze wel. Ze moeten aangeven in
welke gevallen ze dat doen.
Mevrouw Raijer vroeg wat we vinden van spijbelen voor het klimaat.
Spijbelen is spijbelen. Dat valt onder de term "ongeoorloofd verzuim" en
dat betekent dat scholen daar maatregelen op dienen te nemen. Als het
meer dan zestien uur in vier weken is, moet de school een melding doen
bij de leerlichtambtenaar.
Mevrouw Raijer vroeg ook naar pesten. Daar heb ik al een aantal
antwoorden over gegeven. Zij vroeg ook: moeten we niet de pesters
aanpakken? Deze wet gaat eigenlijk over alle kinderen naar school.
Daarbij hoort ook dat ze veilig naar school kunnen en dat betekent dus
niet gepest worden, maar zich veilig voelen. We hebben ook een Wet vrij
en veilig onderwijs. Daar gaan we binnenkort over in debat. Daar zit dat
onderdeel in. Daar kunnen nader ingaan op de verschillende actoren bij
het pesten. Overigens is bij de daders vaak ook meer aan de hand. Dan is
het goed om ze in beeld te hebben. Maar daar komen we dan op
terug.
Mevrouw Raijer vroeg of wet zich ook voldoende op kwetsbare wijken
richt. Het wetsvoorstel moet dus regelen scholen inzicht krijgen in
verzuim, dus ook de scholen in kwetsbare wijken. Gemeenten en
samenwerkingsverbanden krijgen de verzuimgegevens van scholen en kunnen
dus ook gericht ondersteunen als het nodig is. Daarnaast staat het
wetsvoorstel — dat heb ik al een paar keer gezegd — natuurlijk in
relatie tot wat we doen met de sociaalpedagogische basis in de wijken,
met de stevige lokale teams en met de samenwerking met gemeentes, ook in
de Hervormingsagenda Jeugd. Dus op die manier is het ingebed, ook in die
wijken.
Mevrouw Raijer vroeg ook naar de onderwijszorgarrangementen en of we
daadwerkelijk helpen om jongeren met zorgvragen terug in de schoolbanken
te krijgen. Mijn antwoord zou zijn: ja. Deze wet is dus onderdeel van
een breder pakket. Ook het wetsvoorstel over maatwerk waar we mee bezig
zijn, is daarop aanvullend. Daarin worden arrangementen wettelijk
geregeld die nu nog experimenteel zijn, zodat we echt kunnen zorgen dat
er een beter passend aanbod is voor die jongeren.
Meneer Boomsma vroeg naar het belang van rust in de klas en voorspelbare
regels. Scholen moeten de redenen van verzuim analyseren en
verzuimbeleid hebben. O, meneer Boomsma is veranderd. Oe, wow.
De voorzitter:
Wat is er toch met de heer Boomsma gebeurd?
Staatssecretaris Tielen:
Daar zeg ik niks over. Ik zeg alleen dat hij veranderd is. Scholen
moeten dus verzuimbeleid hebben en daarbij past natuurlijk ook hoe ze
omgaan met de onderwijssfeer op school, de veiligheid op school,
enzovoort, enzovoort. Dat zal daar dus onderdeel van zijn.
Meneer Boomsma vroeg ook naar het aantal nieuwkomers. De afgelopen jaren
zijn er natuurlijk veel Syrische en Oekraïense jongeren die naar school
zouden moeten, maar niet naar school gaan. Sorry, ik heb een kriebel in
mijn keel. De vraag was op we zicht hebben op die groepen. Het lijkt er
inderdaad op dat er relatief veel verzuim is onder Oekraïense jongeren.
Die hebben geen vrijstelling. Voor alle jongeren geld de leer- en/of
kwalificatieplicht, ongeacht hun herkomst of status, want ieder kind
heeft recht op goed onderwijs. Wat we wel weten, is dat ze vaak door
verhuizen van de ene naar de andere locatie van school wisselen en soms
uit beeld raken. Dus een deel van de verwarring over de cijfers heeft
ook daarmee te maken. Dat is dus zowel een registratieding als een
inhoudelijk ding.
Tot slot, denk ik. Meneer Claassen vroeg of het een idee is om scholen
waar structureel veel leerlingen uitvallen meer te monitoren. Deze wet
is erop gericht dat elke school inzicht krijgt in het eigen verzuim en
daar ook goed verzuimbeleid op maakt. Gemeenten en
samenwerkingsverbanden zien en krijgen die gegevens. Zij kunnen dan ook
gericht ondersteuning bieden aan scholen met veel verzuim.
Tegelijkertijd kan de Inspectie van het Onderwijs deze gegevens
gebruiken voor risicogericht onderzoek. Deze wet is ook waardevol omdat
die de inspectie handvatten geeft om dat soort risico's in kaart te
brengen en nader te onderzoeken.
De voorzitter:
Ik krijg door: we hebben keelsnoepjes, mochten die nodig zijn.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Dank voor het antwoord. Ik had ook nog de vraag of er is onderzocht of
er een relatie is tussen thuisblijven en pestgedrag, vervelend gedrag,
richting kinderen die dat moeten ondergaan. Misschien is die vraag al
beantwoord, maar dan heb ik dat gemist.
Staatssecretaris Tielen:
Daar hebben we nu niet volledig zicht op. Dat zou dus zomaar kunnen. Je
hoort dat ook wel terug in verhalen. Daar kunnen we nu geen eenduidige
conclusies over trekken. We hopen voor scholen zelf,
samenwerkingsverbanden, gemeenten en uiteindelijk voor de inspectie dat
onder andere door dit wetsvoorstel dit soort verbanden beter gelegd
kunnen worden.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Bontenbal is in the house en het wordt gelijk onrustig.
De voorzitter:
Ja, het is gelijk te merken in de zaal. Meneer Claassen, het woord is
aan u.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Hij is de gangmaker op het verkeerde feest!
Is het een optie, of ligt het in de lijn der verwachting, om wel naar
dat soort dingen te gaan kijken? Ik krijg namelijk toch wel signalen en
ik merk in mijn eigen omgeving — ik heb kinderen die op de basisschool
en op de middelbare school zitten — dat het toch wel een groot probleem
is, zeker op de middelbare school.
Staatssecretaris Tielen:
Dat heeft met verzuim te maken. Deze wet gaat daar in ieder geval
inzicht in geven en scholen opleggen om daar beleid voor te hebben. Maar
het heeft ook te maken met vrij en veilig onderwijs. Daar komen we wat
mij betreft ook snel over te spreken. De Wet vrij en veilig onderwijs
gaat natuurlijk ook over het voorkomen en aanpakken van pesten en wat
pesten betekent voor de veiligheid op school.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Dat is goed om te horen. Je krijgt dan een discussie over pesten, je
laten pesten et cetera. Als er echt gepest wordt, gaat dat tegenwoordig
vrij ver, zeker met digitaal pesten. Wordt het dan strafbaar? Ik snap
dat het niet strafbaar kan zijn in juridische zin, maar komt er dan een
goede aanpak voor diegenen die bijvoorbeeld aan cyberpesten doen? Het is
namelijk schrijnend.
De voorzitter:
Ja, het is schrijnend, maar toch wel een beetje buiten de orde van dit
wetsvoorstel. Maar we gaan het aan de staatssecretaris vragen.
Staatssecretaris Tielen:
Deels wel, deels niet. Ik snap heel goed wat meneer Claassen bedoelt.
Volgens mij heb ik dat ook als een van de voorbeelden in mijn inleiding
genoemd. Als je je écht niet veilig voelt op school ... Het hoeft niet
eens op school te gebeuren. Via mobiele telefoons kan je natuurlijk 24
uur per dag onder druk staan. Ik herken dat probleem. Ik denk ook dat we
dat serieus moeten nemen en dat we erover na moeten denken hoe we dit
oplossen. Ik denk overigens dat dat op heel veel scholen al gebeurt. Dat
is typisch iets wat we bij de wetsbehandeling van de Wet vrij en veilig
onderwijs nog wat dieper met elkaar moeten bespreken. Denk daarbij aan
de vraag wat scholen van ons, de landelijke politiek, nodig hebben. Maar
ik onderschrijf dat dit serieuze aandacht verdient.
Is het een idee dat ik nu de amendementen van een appreciatie
voorzie?
De voorzitter:
Ik heb hier staan: ik moet nog even vragen aan de staatssecretaris of
zij dat in deze termijn of in de tweede termijn wil doen.
Staatssecretaris Tielen:
Ik doe het nu. Dat is wel zo fijn, denk ik.
De voorzitter:
Helemaal goed, helemaal goed. De amendementen.
Staatssecretaris Tielen:
Ik ga er wel redelijk rap doorheen, als u mij toestaat.
Het amendement-Ceder op stuk nr. 11 gaat over het verduidelijken van het
verzuimbeleid. Ik vond dat best wel een oké amendement. Uiteindelijk
gaan de heer Ceder en de Kamer er zelf over, maar ik zou dit amendement
oordeel Kamer willen geven.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 11: oordeel Kamer. Daar heeft de heer Ceder
tóch een vraag over.
Staatssecretaris Tielen:
O, jammer!
De heer Ceder (ChristenUnie):
Nou, eerder een opmerking. Dank u wel voor de appreciatie. Er waren in
de Kamer nog wat zorgen of bijvoorbeeld kinderen die op afstand krijgen
hiermee uitgesloten worden. Dat is mijns inziens niet de bedoeling. Mijn
vraag is of de staatssecretaris het ook zo leest.
Staatssecretaris Tielen:
Zegt u dat nog eens, alstublieft.
De heer Ceder (ChristenUnie):
De bedoeling is dat verzuim wordt voorkomen en dat we inzetten op
preventie. Dat geldt natuurlijk ook voor kinderen die niet fysiek
aanwezig kunnen zijn, maar die op afstand onderwijs krijgen et cetera.
Mijn vraag is of de staatssecretaris dit ook zo leest.
Staatssecretaris Tielen:
Ja, het is goed dat meneer Ceder dat nog aanvult. "Schoolaanwezigheid"
was een van de woorden die genoemd werden. Dat moet wel in het belang
zijn van het kind. We kunnen een aantal dingen noemen waar dat soms niet
zo is. Het moet dus geen doel op zichzelf zijn. Het is dus fijn dat de
heer Ceder die er inderdaad nog even bij geeft, want dan kan ik 'm
oordeel Kamer geven.
De voorzitter:
Ook het amendement op stuk nr. 11? Ja. De heer Kisteman.
De heer Kisteman (VVD):
Ik had het er met de heer Ceder al over, maar kan ik daaruit opmaken,
aangezien de staatssecretaris oordeel Kamer geeft, dat dit dus niet voor
extra regeldruk gaat zorgen in het onderwijs?
Staatssecretaris Tielen:
Dat was niet hoe ik 'm gelezen heb. Nee.
De voorzitter:
Oké. Dan is het oordeel Kamer voor het amendement op stuk nr. 11.
Staatssecretaris Tielen:
Het tweede amendement van meneer Ceder is het amendement op stuk nr. 12.
Dat gaat over een evaluatiebepaling binnen drie en binnen vijf jaar.
Volgens mij hebben we al een paar dingen gezegd over wat we graag beogen
met deze wet en hebben we gezegd dat we dat in de gaten moeten houden.
Het lijkt mij goed om dat te doen, dus het amendement op stuk nr. 12
krijgt oordeel Kamer.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 12 krijgt oordeel Kamer.
Staatssecretaris Tielen:
Het amendement op stuk nr. 13 is ook van het lid Ceder en regelt twee
dingen. Dat is aan de ene kant de bewaartermijn van gegevens. Daarbij
zijn persoonsgegevens in het geding. Drie jaar is een passende
bewaartermijn, dus ik snap dat wel. Als dat een apart amendement zou
zijn, zou ik oordeel Kamer zeggen, maar meneer Ceder heeft daar nog iets
aan toegevoegd, namelijk een voorhangprocedure. Die zit op de
categorieën en het niveau van aggregatie, de frequentie van de
leveringen en de geaggregeerde, door samenwerkingsverbanden en gemeenten
geleverde gegevens. Formele parlementaire betrokkenheid op dat soort
toch wel technische, gedetailleerde uitwerkingen is volgens mij, volgens
ons, niet noodzakelijk. De onderbouwing van meneer Ceder rust op het
advies van de Raad van State, maar we hebben het wetsvoorstel aangepast
naar aanleiding van de Raad van State. We hebben dus eigenlijk het
advies van de Raad van State opgevolgd. Als we een voorhang gaan
introduceren, heeft dat ook vertragingseffecten. Ondertussen kunnen we
er niet mee aan de slag. Ik zou dat deel dus willen ontraden. Dat
betekent dat als het hele amendement zo blijft, ik het ontraad.
De voorzitter:
De heer Ceder. Eén vraag, alstublieft.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Nou, voorzitter, de staatssecretaris heeft me oprecht weten te
overtuigen, dus ik ga de voorhang eruit slopen. De AVG is ons meest
prangende punt, dus als de staatssecretaris zegt dat het met deze
wijziging ingediende amendement oordeel Kamer krijgt, zal ik de voorhang
eruit halen om vertraging te voorkomen.
Staatssecretaris Tielen:
Dat is fijn.
De voorzitter:
Daarmee blijft hij wel …
Staatssecretaris Tielen:
Ja, dan zie ik een gewijzigd amendement tegemoet.
De voorzitter:
Precies. Voorlopig is het amendement op stuk nr. 12 nog ontraden. Als
het gewijzigd wordt, volgt er waarschijnlijk een nieuwe appreciatie.
Staatssecretaris Tielen:
Ja. Dan ga ik verder met het amendement op stuk nr. 14, van de heer
Ceder, over de bevoegdheid van de jeugdarts. Daarmee wil hij de
mogelijkheid behouden om de bevoegdheid ten aanzien van vrijstellingen
op lichamelijke of psychische gronden te delegeren naar een ministeriële
regeling. Dat amendement ontraad ik. Om de kwaliteit van het advies bij
een vrijstelling te borgen, is het opleidingsniveau van belang. Binnen
dit deel van de sector zijn universitair opgeleide professionals bekwaam
om een diagnose te stellen. Wij hebben nu geen signalen dat er tekorten
zijn bij de professionals. Ik verwees er al even naar in een van mijn
antwoorden. Het is dus ook niet aannemelijk dat er in de toekomst echt
problemen zullen ontstaan ten aanzien van die beschikbaarheid, wat ons
betreft. Dan krijg je een relatief kleine en geografisch gespreide
doelgroep die de vrijstelling krijgt. Dat leek ons geen goed idee voor
deze wet. Daarmee is dit amendement ontraden.
Het amendement op stuk nr. 16 is van de leden …
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik heb een vraag over dit amendement. Ik snap dat er nu geen
personeelstekort is, maar net als bij bijna elke andere sector is het,
denk ik, aannemelijk dat dit in de toekomst wel het geval zal zijn. Dat
zien we nu ook bij het UWV, met verzekeringsartsen. Dit amendement zorgt
er niet voor dat universitaire psychologen de enigen zijn die dit kunnen
gaan doen; het behoudt alleen de mogelijkheid om in de toekomst, mocht
het zo zijn, zonder een hele wetswijziging waardoor de keten vastloopt,
dat ook door middel van delegatie of taakherschikking toe te delen. Mijn
vraag is: klopt het dat als het amendement wordt aangenomen zonder dat
de minister er een regeling aan koppelt, universitair psychologen
eigenlijk de enigen zijn die dit mogen doen? Ik wil dat het een haakje
openlaat zonder dat het een sluis openzet en er eigenlijk niets
verandert totdat de minister er iets in verandert. Als je dit niet doet,
ontneemt het ons die mogelijkheid, wat volgens mij niet verstandig zou
zijn.
Staatssecretaris Tielen:
Dit is een als-danredenering die ik snap. Normaal vind ik als-danvragen
niet zo, maar ik snap deze. Ik kan er nu alleen even niet op reageren.
Ik moet er effe op kauwen of het zo klopt. Maar vooralsnog is het
amendement ontraden.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik breng het wel in stemming, want als het aangenomen wordt, verandert
er niks. Wel geeft het een haakje aan de minister, zeg ik even ter
duiding, zodat de minister in de toekomst in het geval dat het zou
vastlopen — bij het UWV hebben we gezien dat dit helaas het geval kan
zijn — vrij snel door middel van taakherschikking of -delegatie alsnog
andere mensen kan inzetten, waardoor de wachtlijsten bij thuiszitters
niet oplopen. Dat is even de achtergrond.
De voorzitter:
Ja, maar het amendement blijft ontraden.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ja, dat snap ik. Ik zei het even als context.
De voorzitter:
Maar de heer Ceder brengt het amendement in stemming. Dat is zijn goed
recht.
Staatssecretaris Tielen:
Ja, precies.
Meneer Ceder had nog een amendement, samen met mevrouw Westerveld,
waarbij …
De voorzitter:
Dat is het amendement op stuk nr. 16.
Staatssecretaris Tielen:
Ja, dat heeft inderdaad nr. 16. Daarbij wordt de inwerkingtreding van de
wet afhankelijk gemaakt van een aantal randvoorwaarden. Daar heb ik
eigenlijk al op gereageerd in mijn antwoorden. Ik ontraad dit
amendement. Ik snap heel goed wat de indieners graag willen. Ik denk ook
dat we dat allemaal willen, namelijk dat deze wet niet op zichzelf staat
maar echt een bouwsteen is in een combinatie van wetten. Daar zijn we
ook druk mee bezig. Maar om de besluitvorming over de wet daarvan
afhankelijk te maken, roept aan de ene kant vertraging op, maar aan de
andere kant ook vooral een hele ingewikkelde puzzel van wanneer dan wel
of niet. Daarom: ontraden.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 16 is ontraden.
Staatssecretaris Tielen:
Meneer Stoffer diende het amendement op stuk nr. 17 in, met de bedoeling
om een register in te voeren met deskundigen die een verklaring
vrijstelling 5 onder a mogen afgeven. Dat ontraad ik ook. De wet borgt
dat de verklaring wordt gedaan door een universitair geschoolde arts,
psycholoog of orthopedagoog. Daar had ik het net met meneer Ceder al
eventjes over. Dit zijn bekwame professionals. Lokaal wordt verder die
expertise vormgegeven door gemeenten en samenwerkingsverbanden. De
huidige praktijk werkt gewoon. Volgens mij is het niet nodig om daar
weer een heel register voor op te tuigen, want dat kost ook weer
allerlei administratieve lasten. Dus: ontraden.
Het amendement op stuk nr. 18, van meneer Stoffer, gaat over kleinere
scholen en over een uitzondering voor kleine scholen op de plicht om
verzuim te registreren, dus eigenlijk gewoon om deze wet niet van
toepassing te laten zijn. Daar heb ik wel problemen mee, want voor alle
leerlingen geldt gewoon recht op onderwijs, ongeacht of een leerling op
een kleine of grote school zit. Ik vind ook dat kleine scholen hun
verzuimbeleid goed op orde moeten hebben en daarmee ook hun
verzuimregistratie. Dus ik ontraad dit amendement.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 18: ontraden.
Staatssecretaris Tielen:
Het amendement op stuk nr. 19 is van de leden Westerveld en Rooderkerk
en gaat over de rol van de leerplichtambtenaar, waarbij het amendement
vraagt om gemeenten een werkwijze vast te laten stellen voor de rol van
de leerplichtambtenaar in de ondersteuning van scholen in het voorkomen
van verzuim. Volgens mij hebben we er in het debat al bij stilgestaan
dat de rol van de leerplichtambtenaar al veel meer preventief is
geworden. Ik ben ook bezig met zowel gemeenten als de vereniging van
leerplichtambtenaren om de invulling van de preventieve rol meer
handvatten te geven, maar ik denk dat het een mooie toevoeging is aan de
wet om dat op die manier vast te leggen. Dit amendement geef ik daarom
oordeel Kamer.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 19: oordeel Kamer. Voor ieders administratie:
het amendement op stuk nr. 19 vervangt dat op stuk nr. 15.
Staatssecretaris Tielen:
O, dat wist ik dan weer niet.
De voorzitter:
Bij dezen.
Staatssecretaris Tielen:
O ja, ik zie het zelf ook.
Ik ben daarmee volgens mij toegekomen aan het einde van mijn eerste
termijn.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we gelijk over naar de tweede termijn, maar voordat
ik dat doe, geef ik het woord aan de heer Ceulemans.
De heer Ceulemans (JA21):
Voorzitter. Het was de minister al opgevallen: de heer Boomsma is
vervangen door de heer Ceulemans. Hij heeft namelijk verplichtingen
elders. Ik begreep dat ik officieel toestemming moet vragen om de tweede
termijn te mogen doen.
De voorzitter:
Heeft iemand daar bezwaar tegen? Dat is niet het geval. Dan heet ik de
heer Ceulemans van harte welkom bij dit debat. Dan gaan we gelijk over
naar de tweede termijn aan de zijde van de Kamer. De eerste spreker is
de heer Ceder, die spreekt namens de ChristenUnie.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel, voorzitter. Dank aan de staatssecretaris voor de
beantwoording. Volgens mij heeft ze alle vragen beantwoord. Daar ben ik
blij mee. Aan het begin van het debat gaf ik aan: volgens mij gaat dit
wetsvoorstel niet het verschil maken. Het is wel een goede
toevoeging.
Het debat ging vooral over de vraag hoe we nou echt die 70.000
thuiszitters kunnen gaan aanpakken. Ik ga eerlijk zijn. Ik heb het al
een paar keer aangegeven, maar ik maak me oprecht zorgen dat we onder
dit kabinet niet minder thuiszitters krijgen, maar dat het aantal van
70.000 zal stijgen naar meer dan 100.000. Onze collectieve rol is om dat
te voorkomen, vandaar ook de kritische vragen, die volgens mij van links
— sorry, van PRO — tot rechts met elkaar gedeeld zijn en worden.
Voorzitter. Ik heb een aantal amendementen ingediend. Ik ga goed
nadenken over het amendement van mijzelf en mevrouw Westerveld dat
ervoor moet zorgen dat er echt een duidelijke kaderbrief komt voordat
deze wet in werking treedt. De staatssecretaris zegt: er komt al wat aan
rond passend onderwijs. Ik ga even overleggen over wat we daarmee doen.
Ik dank de staatssecretaris voor de andere appreciaties.
Ik heb nog een drietal moties. Die ga ik voorlezen. Ik hoop dat we
daarmee de staatssecretaris de goede kant op kunnen bewegen ten aanzien
van de problematiek rond thuiszitters.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat leerlingen die uitgeschreven zijn geheel uit zicht
verdwijnen;
overwegende dat scholen hier een gezamenlijke taak in dragen;
verzoekt de regering om voor alle situaties waarin leerlingen tijdelijk
elders onderwijs krijgen, bijvoorbeeld door een gesloten plaatsing,
digitaal onderwijs of een oza, te borgen dat de oorspronkelijke school
van inschrijving de regie houdt en verantwoordelijk blijft,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ceder.
Zij krijgt nr. 20 (36663) (#1).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat bij ongeoorloofd verzuim wettelijk is geborgd dat
actie door de school wordt ondernomen, maar dat dit bij geoorloofd
verzuim door ziekte niet het geval is;
overwegende dat vroegtijdige inzet bij ziekteverzuim, bijvoorbeeld via
de MAZL-methodiek, effectief kan bijdragen aan het verminderen
ervan;
verzoekt de regering om te verkennen op welke wijze beter kan worden
geborgd dat er effectief actie wordt ondernomen bij geoorloofd verzuim
door ziekte, bijvoorbeeld door het verplicht stellen van een
onderwijsperspectiefplan (opp) bij al het verzuim, zodat kinderen zo
goed mogelijk onderwijs kunnen volgen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ceder.
Zij krijgt nr. 21 (36663) (#2).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het kabinet met de Wet terugdringen schoolverzuim het
verzuimbeleid van scholen wil versterken, maar dat er desondanks
kinderen en jongeren die niet of niet volwaardig onderwijs krijgen
buiten beeld blijven, bijvoorbeeld als ze ingeschreven zijn bij een
residentiële instelling, tijdelijk onderwijs krijgen via een zorglocatie
of minder onderwijs krijgen via de Beleidsregel afwijken
onderwijstijd;
verzoekt de regering om jaarlijks in beeld te brengen hoeveel kinderen
en jongeren naar schatting geen of geen volwaardig onderwijs krijgen,
hierbij nadrukkelijk indicaties van experts en vertegenwoordigende
organisaties mee te nemen en doorlopend te verkennen hoe deze beter in
beeld gebracht kunnen worden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ceder.
Zij krijgt nr. 22 (36663) (#3).
De heer Ceder (ChristenUnie):
Voorzitter. Ik heb één motie op tafel laten liggen. Die lees ik even
digitaal voor. U moet mij erop vertrouwen dat ik die zo gelijk afgeef.
Zo niet, dan zult u streng doch rechtvaardig optreden. O, die ging over
de knelpunten. Nee, laat maar. Die trek ik in. Ik hou het hierbij.
De voorzitter:
Lijkt mij een uitstekend idee, meneer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. De heer Kisteman is de volgende spreker van de zijde van de
Kamer in de tweede termijn. Hij spreekt namens de VVD.
De heer Kisteman (VVD):
Voorzitter, dank u wel. Dank aan de staatssecretaris voor dit eerste
plenaire debat dat we samen hebben gevoerd. Volgens mij gaan we elkaar
de komende week heel veel zien.
Ik heb nog even één vraag over de samenwerkingsverbanden en het aanbod
van hoogbegaafdheidsonderwijs. De staatssecretaris geeft aan dat er meer
geld wordt vrijgemaakt voor de erkenning van hoogbegaafden, maar wat de
VVD betreft is meer geld niet altijd de oplossing. Het kan ook gewoon
gaan om erkenning. Uit de Staat van het Onderwijs uit 2025 blijkt dat 7
van de 28 onderzochte samenwerkingsverbanden een onvoldoende kregen. We
hebben er ongeveer 152 in het p.o. en vo. Wij vinden het volgende veel
belangrijker. Uit de berichten die we krijgen, weet ik dat sommige
samenwerkingsverbanden hoogbegaafdheid überhaupt niet erkennen. Volgens
mij zijn daar veel grotere stappen in te zetten dan er maar meer geld
voor vrijmaken.
Daar wou ik het bij laten, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. De volgende spreker van de zijde van de Kamer is mevrouw
Westerveld, die nog steeds spreekt namens de fractie van
GroenLinks-PvdA, maar misschien wel voor de laatste keer; wie weet. Ga
uw gang.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Terwijl ik hier stond, is een naam veranderd. Mensen hadden dus een
feestje, terwijl wij hier gewoon een goed inhoudelijk debat voerden. Ik
was dus liever hier, voorzitter, om het debat met de staatssecretaris te
voeren.
Volgens mij was dit een goed debat, waarin we antwoord hebben gekregen
op heel veel vragen die we hebben gesteld. Ik ga nog geen definitief
voor of tegen deze wet uitspreken. Ik zie dat het een stap in de goede
richting is. Ik hoor ook van leerplichtambtenaren en van anderen dat zij
dit inzicht nodig hebben. In het interruptiedebatje vroeg ik aan de
staatssecretaris "die cijfers moeten toch al beschikbaar zijn?", waarop
de staatssecretaris uitlegde dat we daar kennelijk een wet voor nodig
hebben. Dat vond ik heel verhelderend. Dat nemen we dus allemaal mee
voor de stemmingen straks.
Ik heb twee moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het doel van de Wet passend onderwijs uit 2015 is dat
ieder kind onderwijs op maat krijgt;
constaterende dat in 2016 in het Thuiszitterspact is afgesproken dat in
2020 geen enkel kind thuiszit zonder passend onderwijs;
constaterende dat op verzoek van de Kamer in 2018 de knelpunten tussen
zorg en onderwijs, wetgeving en financiering in kaart zijn gebracht door
OCW en VWS;
constaterende dat vanaf 2019 is besloten tot de versnellingsagenda
Thuiszitterspact, diverse pilots met onderwijs-zorgarrangementen zijn
opgestart, verschillende financieringswijzen zijn onderzocht evenals
knelpunten in het stelsel en mogelijke oplossingen;
constaterende dat ondanks al deze inspanningen het aantal leerlingen dat
thuiszit zonder (passend) onderwijs al jaren stijgt en wordt geschat op
70.000;
constaterende dat veel projecten tijdelijk waren, problemen in wetgeving
en verschillende financieringsstromen tussen zorg en onderwijs nog
steeds niet zijn opgelost;
verzoekt de regering om de geleerde lessen uit de stapels met
onderzoeken en rapporten te vertalen in beleidsopties en te verankeren
in wetsvoorstellen en samen met een uitvoeringsagenda naar de Kamer te
sturen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Westerveld en Ceder.
Zij krijgt nr. 23 (36663) (#4).
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter, ik heb nog een tweede motie.
De voorzitter:
En een interruptie van de heer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dit klinkt heel erg als ons amendement. Dat vind ik heel fijn, maar de
vraag is of mijn naam ook onder deze motie zou mogen. Dan kunnen we nog
wel even verkennen hoe we in de Kamer omgaan met deze bredere wens.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ja.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Het klinkt inderdaad als het amendement. Als dit iets is wat gaat
gebeuren, is GroenLinks-PvdA, PRO, dan ook geneigd om voor dit
wetsvoorstel te stemmen? Daar ben ik dan wel benieuwd naar.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Deze motie is bewust breder dan het amendement. Daarom is de motie ook
langer dan mijn moties normaliter zijn. Het gaat erom dat we in kaart
hebben gebracht wat er uit de afgelopen jaren eigenlijk allemaal al
ligt. Ik heb niet al die rapporten meegenomen, maar het is een hele
stapel, om het maar even zo fysiek te verbeelden. Volgens mij weten we
dus heel goed waar het misgaat en weten we ook heel goed wat er gedaan
kan worden. Een heel groot probleem is dat de afgelopen tien jaar te
weinig knopen zijn doorgehakt. Dat is eigenlijk de oproep in de motie:
hak nou eens knopen door na al die geleerde lessen, na al die pilots en
na alles wat in de afgelopen jaren al is gebeurd, zodat we deze
discussie over een paar jaar niet opnieuw voeren.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ik zou bijna zeggen: zal ik er een nietje doorheen slaan, en dan met een
daadwerkelijke aanpak erop? Zo hoor ik het. Mijn vraag is of
GroenLinks-Partij van de Arbeid bereid is om voor dit wetsvoorstel te
stemmen als die er komt. Ik deel de zorg dat er nog geen aanpak ligt,
maar ik denk wel dat het goed is om in beeld te krijgen om wie het gaat,
want zonder doel kan je niet schieten, zeg ik dan maar cruijffiaans.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Daar ben ik het mee eens. De reden dat ik nu niet zeg of ik voor- of
tegenstem, is dat we hierover ook in onze fractie een discussie hadden.
Dit wetsvoorstel lijkt een stap te zijn die we zouden moeten willen,
maar wegen de voordelen met al die extra administratie wel op tegen de
nadelen? Die discussie hadden we gewoon in de fractie. Nou, de rest zit
de nieuwe naam te vieren, dus ik kan nu niet met de fractie overleggen.
Dat gaan we ergens de komende dagen doen.
De voorzitter:
U doet hier gewoon uw werk als wetgever.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Precies.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
De nieuwe naam klinkt alsof de nieuwe partij ook vóór zaken is. Ik zou
hopen dat we dan ook kunnen samenwerken om in ieder geval zicht te
krijgen op de thuiszitters om wie het gaat.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Wij stemmen voor goede plannen. Daar zijn we altijd voor. Dit is gewoon
even een kwestie van de voor- en nadelen nog afwegen. Dat gaan we gewoon
netjes doen.
De voorzitter:
U had nog een motie.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ja, ik heb een tweede motie. Die gaat over de samenwerkingsverbanden,
want dat is ook weer zo'n discussie die elke keer terugkeert. Wij zeggen
net als de hele Kamer dat we meer grip zouden moeten hebben. We vinden
dat onderwijsgeld moet gaan naar leerlingen die ondersteuning nodig
hebben. We hebben in de Kamer al verschillende keren discussies gehad
over het goede werk dat samenwerkingsverbanden doen, maar hebben ook wel
vraagtekens bij de soms te stroperige processen, bij het vele geld dat
blijft hangen in administratie en allerlei lagen — maar zonder die
mensen tekort te willen doen. Ik heb daar een motie over.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat bij invoering van de Wet passend onderwijs 151
samenwerkingsverbanden zijn opgericht die de wettelijke taak kregen om
te zorgen dat alle leerlingen een passende onderwijsplek hebben met
ondersteuning waar nodig;
constaterende dat ruim tien jaar na invoering van passend onderwijs de
doelen verder uit zicht raken, met grote verschillen per regio en per
samenwerkingsverband;
constaterende dat sommige samenwerkingsverbanden een onverminderd hoge
financiële reserve hebben, ondanks pogingen vanuit Kamer en kabinet om
dit geld te herverdelen en te besteden aan de ondersteuning van
leerlingen;
verzoekt de regering om in de route naar inclusief onderwijs specifiek
de rol en functie van samenwerkingsverbanden tegen het licht te houden
en daarbij specifiek de beleidsadviezen uit het rapport Over de lijnen
mee te nemen, en de Kamer voor de OCW-begroting voor 2027 te informeren
over de concrete plannen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Westerveld en Ceder.
Zij krijgt nr. 24 (36663) (#5).
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter ...
De voorzitter:
Dat roept een vraag op bij de heer Kisteman.
De heer Kisteman (VVD):
Ja. De staatssecretaris heeft net toegezegd dat ze met een reflectie
komt, voor de zomer volgens mij, op dat rapport. Misschien moeten we
vragen om dat voor die motie allemaal iets te versnellen, vanwege die
begroting voor 2027. U weet, we zitten te zoeken en willen wat vaart
maken, en de staatssecretaris gaat er toch op reflecteren, dus ...
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Als het sneller kan, dan heel graag hè. Mijn verzoek in de motie is
juist iets breder bedoeld. Ik zou gewoon willen dat we even fundamenteel
kijken naar de rol van onder andere samenwerkingsverbanden in ons
stelsel. En dit zonder de mensen tekort te willen doen op de plekken
waar het goed gaat, want deze discussies roepen in het onderwijsveld
soms heftige emoties op bij mensen die zich met hart en ziel inzetten
voor die kinderen. Maar als we naar het stelsel kijken, dus naar het
systeem, denk ik dat we alle reden hebben om goed te kijken naar de
functie van de samenwerkingsverbanden.
Voorzitter. Ik vind het mooi dat we zo'n goede discussie hebben gehad
vandaag en dat we met elkaar hebben gezegd dat we willen staan voor de
kinderen, dat alle kinderen onderwijs verdienen, dat er ook specifiek
oog zou moeten zijn voor kinderen met autisme, kinderen die hoogbegaafd
zijn, kinderen met een chronische ziekte, kinderen met long covid. En ik
twijfel ook helemaal niet aan de goede wil van ook weer deze Kamer en
deze staatssecretaris, maar het is nu wel zaak om keuzes te maken, om
echt te gaan doen wat we heel graag willen, en om te zorgen dat de
doelstellingen bij de invoering van passend onderwijs in 2016 — ik heb
ze allemaal opgesomd in de motie, dus dat zal ik niet opnieuw doen —
worden gehaald. Laten we er echt voor zorgen dat we de komende jaren
keuzes gaan maken; harde keuzes, goede keuzes, in het belang van deze
kinderen, van de ouders en van iedereen die met hart en ziel in het
onderwijs werkt.
De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Rooderkerk, die spreekt namens D66. Ga uw gang.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dank, voorzitter. Terugkijkend op dit debat zie ik een Kamer die vrij
duidelijk is over wat er aan problemen spelen in het passend onderwijs
ten aanzien van thuiszitters, en vindt dat er een oplossing gevonden
moet worden. Het voelt soms een beetje als het "sturen in de mist" van
voormalig minister Bussemaker, een voorganger van deze staatssecretaris,
waarbij we het systeem zo hebben ingericht dat het eigenlijk heel lastig
is om er echt nog goed op te sturen. Ik denk dat we daar wel met z'n
allen een oplossing voor moeten vinden, juist voor de kinderen die nu
thuis zitten en die echt een kanarie in de kolenmijn zijn voor hoe ons
onderwijssysteem functioneert. Ook zij hebben recht op goed onderwijs.
En als ik dan hoor waar we vandaag over gesproken hebben, dan mis ik
overal vooral eenduidigheid. Wat ik ook mis is doorzettingsmacht voor
ouders en leerlingen, en wat ook ontbreekt is betere sturing op de rol
en de taken van bijvoorbeeld de samenwerkingsverbanden. En de zorgplicht
van scholen: hoe kunnen we ervoor zorgen dat die ook echt wordt
uitgevoerd?
Dit wetsvoorstel geeft in ieder geval een beeld van hoe het er nou echt
voor staat. Het begint natuurlijk altijd bij feiten en cijfers, voordat
je een probleem ook echt kunt oplossen. Daarnaast vraagt dat ook echt om
beleid opstellen en extra zaken. Daardoor denk ik dat het belangrijk is
dat we dit nu als eerste stapje gaan doen. Dit is een belangrijke stap,
die snel genomen moet worden, maar er is nog veel meer nodig. Na zo'n
debat als dat van vandaag denk ik ook wel dat er eigenlijk een
alternatief nodig is voor de leerplicht, namelijk een leerrecht, waarbij
ouders en kinderen ondersteund worden in het recht op onderwijs, en dat
we dat eens met elkaar moeten verankeren.
Ik hoop echt dat we in deze Kamer daar stappen op kunnen zetten, ook met
de partijen die ik vandaag heb gehoord. Ik werk daar ook heel graag met
hen op samen. Ik denk dat we echt voor ogen moeten houden dat we zorgen
dat elk kind het onderwijs krijgt dat het verdient. Daar zet ik me heel
graag met u voor in.
Tot slot dien ik graag een motie in. Die motie is gericht op het
verbreden van de preventieve taak van de leerplichtambtenaar, om die
meer naar een leerrechtambtenaar toe te brengen. Daarvoor hebben we
gezamenlijk een amendement ingediend, maar bij dezen ook een motie die
zorgt dat de leerplichtambtenaar daarin wordt ondersteund.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er in Nederland naar schatting circa 70.000 kinderen
thuiszitten zonder passend onderwijs;
overwegende dat, zoals vastgelegd in het VN-Kinderrechtenverdrag en het
Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, ieder kind recht heeft op
onderwijs;
overwegende dat thuiszitten vaak het gevolg is van tekortkomingen in het
onderwijs- en zorgsysteem en niet aan het kind of de ouder zelf te
wijten is;
overwegende dat de huidige rol van de leerplichtambtenaar voornamelijk
gericht is op handhaving;
overwegende dat leerplichtambtenaren zelf aangeven dat zij graag niet
alleen een handhavende maar ook een meer preventieve taak zouden willen
vervullen;
overwegende dat als leerplichtambtenaren een meer preventieve taak
krijgen, zij hier ook in ondersteund en opgeleid moeten worden;
verzoekt de regering te onderzoeken hoe leerplichtambtenaren het best
actief kunnen worden ondersteund en begeleid bij hun preventieve taak,
zodat zij thuiszitters eerder en beter kunnen helpen, en te zorgen voor
een eenduidige aanpak in alle gemeenten,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Rooderkerk, Westerveld en
Ceder.
Zij krijgt nr. 25 (36663) (#6).
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dank u, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. De volgende spreker van de zijde van de Kamer is mevrouw
Beckerman. Zij spreekt namens de SP. Gaat uw gang.
Mevrouw Beckerman (SP):
Goedenavond. Ik denk dat we een goed debat hebben gehad. Dat zegt
iedereen, dus dan zal het wel zo zijn. Ik ben het met de
staatssecretaris eens dat de wet een van de bouwstenen is, of dat kan
zijn. Wij moeten onze stem echt nog gaan bepalen. Wij vinden de timing
namelijk lastig. Want wat heb je aan één bouwsteen als de rest, of een
deel van de rest, er nog niet is? Belangrijker voor ons is het volgende.
Je kunt heel veel stenen stapelen, maar het fundament moet ook op orde
zijn. Daar zit voor ons natuurlijk wel de pijn, want we hebben een
fundamenteel probleem met ons onderwijs. Dat is niet de schuld van het
onderwijs; het is het gevolg van politieke keuzes. We hebben er een
aantal genoemd: te weinig speciaal onderwijs, te grote klassen, te
weinig leraren, te hoge werkdruk, knellend passend onderwijs en —
mevrouw Westerveld zei het net ook — geld voor onderwijs dat niet
terechtkomt bij onderwijs. Er zijn veel goede voorstellen ingediend, dus
we gaan onze stem bepalen. Ik voeg er nog één motie aan toe.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het Besluit terugdringen schoolverzuim de bepaling
bekostiging bij verzuim in het voortgezet onderwijs schrapt;
constaterende dat scholen hierdoor ook bekostiging zullen ontvangen voor
leerlingen die veel afwezig zijn aan het begin van het schooljaar;
overwegende dat hiermee nog niet geborgd is dat dit geld ingezet wordt
om deze groep leerlingen te helpen, maar dat dit wel wenselijk is;
verzoekt de regering te borgen dat dit geld ook daadwerkelijk besteed
wordt aan deze groep leerlingen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Beckerman.
Zij krijgt nr. 26 (36663) (#7).
Mevrouw Beckerman (SP):
Voorzitter, helemaal tot slot. Wij moeten natuurlijk onze stem gaan
bepalen. Mijn frustratie zit 'm in het feit dat we het allemaal al jaren
zeggen en constateren, maar dat er weinig verandering komt. Ik vind het
wel positief dat we hier veel woordvoerders hebben die echt naar
fundamentele problemen in het onderwijs willen kijken. Daar zit
uiteindelijk namelijk de oplossing. Het is heel mooi om er allerlei
leuke projecten bij te bedenken, maar die tijd is wel voorbij. Dit mag
niet de kabinetsperiode worden dat we door de 100.000 thuiszittende
leerlingen gaan.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Armut ziet af van haar tweede termijn. De volgende
spreker van de zijde van de Kamer is mevrouw Raijer. Gaat uw gang.
Mevrouw Raijer (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Ik wil de staatssecretaris bedanken voor de
antwoorden die zij heeft gegeven. Wij wilden de staatssecretaris graag
een kans geven met dit wetsvoorstel, maar wij hebben het idee dat dit
een oude wet in een nieuw jasje is. Wij hebben het idee dat die juist
voor meer bureaucratie gaat zorgen, voor zowel de scholen als het
onderwijs. De problemen zijn heel groot. Er zijn heel veel thuiszitters.
Wij zijn van mening dat we het probleem hiermee niet oplossen. Ik ga bij
de volgende debatten die gepland zijn over het passend onderwijs en het
pesten wel graag met u in gesprek om te komen tot een gedegen
oplossing.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. De volgende spreker van de zijde van de Kamer is de heer
Claassen. De heer Stoffer heeft zich namelijk afgemeld voor het vervolg
van de vergadering.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Veel gehoord en goed gediscussieerd. Het is voor mij een nieuw
onderwerp, dus ik zal goed nadenken over wat deze wet nu gaat betekenen.
Ik heb in ieder geval twee moties waarvan ik denk dat ze de wet beter
gaan maken, of hem gaan aanvullen; laat ik het zo zeggen.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat psychische klachten steeds vaker een rol spelen bij
(langdurig) verzuim en dat vroegtijdige betrokkenheid van de
leerplichtambtenaar essentieel is om uitval te voorkomen;
overwegende dat tijdige signalering en afstemming tussen school, ouders
en leerplichtambtenaar noodzakelijk zijn;
verzoekt de regering om wettelijk te borgen dat scholen bij ongeoorloofd
verzuim waarbij psychische of psychosociale klachten een rol spelen,
verplicht zijn dit onverwijld te melden aan de leerplichtambtenaar, met
inachtneming van de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit zoals
bedoeld in de Algemene verordening gegevensbescherming,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Claassen.
Zij krijgt nr. 27 (36663) (#8).
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Wat een lastige woorden om 21.00 uur nog.
Ik heb nog 40 seconden, zie ik.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat langdurige vrijstellingen van de leerplicht op
lichamelijke of psychische gronden ertoe kunnen leiden dat leerlingen
structureel buiten het onderwijs komen te staan;
overwegende dat het uitgangspunt van de Leerplichtwet is dat iedere
leerling onderwijs volgt en dat vrijstellingen tijdelijk en
uitzonderlijk behoren te zijn;
overwegende dat langdurige afwezigheid zonder perspectief op terugkeer
de ontwikkeling van leerlingen schaadt;
verzoekt de regering om in wet- en regelgeving te verduidelijken dat
vrijstellingen op lichamelijke of psychische gronden steeds tijdelijk
van aard zijn, periodiek (ten minste elke drie maanden) worden
herbeoordeeld op basis van onafhankelijk medisch en onderwijskundig
advies, en dat bij een nieuwe vrijstellingsaanvraag telkens opnieuw
wordt beoordeeld of onderwijs voor de leerling mogelijk is,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Claassen.
Zij krijgt nr. 28 (36663) (#9).
Deze motie geef ik even aan u terug.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Heb ik iets verkeerd gedaan? Och, mijn naam staat er niet onder. Dat is
me nog nooit gebeurd. Zijn er nog andere mensen die hun naam eronder
willen?
De voorzitter:
Nou …
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Het kan nu!
De voorzitter:
Nou, we gaan het nu horen van mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Hohoho, ik heb gewoon een vraag.
De voorzitter:
Inderdaad, gewoon een vraag.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik heb een vraag over de tweede motie. Ik begrijp het idee. Het idee is
dat je ervoor moet waken dat een kind permanent een vrijstelling heeft
en dus niet naar school gaat, maar er is ook een andere kant, waarvoor
die vrijstellingen bedoeld zijn. Die zijn bedoeld voor leerlingen die
niet naar school kunnen omdat ze te ziek zijn, soms ook niet lang meer
te leven hebben bijvoorbeeld, en dus echt niet kunnen. Ik hoop niet dat
het de bedoeling van deze motie is dat zij ook elke drie maanden opnieuw
een beoordeling moeten aanvragen, want dat is juist een groot probleem
in de zorg, zoals meneer Claassen weet, en ook een groot dilemma, waar
mensen met een beperking elke keer tegenaan lopen. Ze moeten voortdurend
bewijzen dat iets niet kan. Ik hoop dus dat ik de motie anders mag lezen
dan ik 'm nu hoorde.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ja, u moet 'm zelfs anders lezen. Het gaat natuurlijk niet om chronisch
zieke of terminale kinderen. We zijn er altijd een groot pleitbezorger
voor geweest om juist in die gevallen te stoppen met die herregistratie.
Herregistratie van mensen die twee benen kwijt zijn en toch elk halfjaar
moeten bewijzen dat ze niet meer op twee benen kunnen lopen, is
natuurlijk ridicuul. Dat is niet bedoeld met deze motie. In die geest
moet u 'm niet lezen.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Dan is de vraag voor welke groep deze motie wel is bedoeld, want in
principe is de bedoeling: kinderen krijgen geen vrijstelling, tenzij.
Dat de aantallen omhooggaan laat wel zien dat de "tenzij" te vaak wordt
ingezet. Welke groep heeft meneer Claassen dan wel voor ogen met deze
motie?
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Het is, denk ik, niet aan mij om te beoordelen welke groep dat is. Er
zijn natuurlijk kinderen waarvan wordt gezegd dat ze langdurig ziek
zijn. Daarom staat in de motie ook nadrukkelijk dat er een beoordeling
moet komen door mensen die er verstand van hebben. Zij moeten beoordelen
of een kind terug kan naar het onderwijs. Ik neem aan dat een medicus,
ggz-psycholoog of wie dan ook over iemand die zo ziek is dat die geen
onderwijs kan volgen, niet zal zeggen dat die persoon terug naar school
moet.
De voorzitter:
Dank u wel. De laatste spreker van de zijde van de Kamer is de heer
Ceulemans, die spreekt namens de fractie van JA21. Gaat uw gang.
De heer Ceulemans (JA21):
Voorzitter, dank. Ik vond het ook een geweldig debat en dat ga ik
afronden met een motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat er voor leerlingen op de kader- en gemengde/theoretische
leerweg momenteel geen ruimte is om binnen de bestaande leerwegen af te
wijken van de wettelijke eisen en meer praktijkgericht onderwijs te
volgen, anders dan een leer-werktraject op het niveau van de
basisberoepsgerichte leerweg;
overwegende dat dergelijke maatwerkroutes kunnen bijdragen aan het
voorkomen van schooluitval en mogelijk ook een oplossing kunnen bieden
voor een deel van de thuiszittende/verzuimende leerlingen;
verzoekt de regering te inventariseren in hoeverre er behoefte is om
binnen de gemengde/theoretische leerweg meer ruimte te bieden om in
afwijking van wettelijke eisen meer praktijkgericht onderwijs te geven
aan leerlingen met geoorloofd verzuim die nog wel een diploma kunnen
halen anders dan op basisniveau, en de Kamer te informeren over de
uitkomsten,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ceulemans en Boomsma.
Zij krijgt nr. 29 (36663) (#10).
De heer Ceulemans (JA21):
Ik zou zeggen: interrumpeer me er niet over.
De voorzitter:
Dat doe ik ook niet, maar met een enigszins streng vingertje zeg ik wel
dat het toch de bedoeling is dat we moties indienen waar de
beraadslaging in de eerste termijn in ieder geval ook enigszins aan
heeft geraakt, en dit is volgens mij totaal nieuw. Maar goed, daar kunt
u niks aan doen. Spreek vooral uw fractiegenoot daarop aan, zou ik
zeggen.
Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de tweede termijn van de zijde
van de Kamer. We schorsen een kwartier, tot 21.20 uur.
De vergadering wordt van 21.04 uur tot 21.16 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de tweede termijn van de zijde
van het kabinet. Ik geef het woord aan de staatssecretaris van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor de appreciatie van de moties en
het beantwoorden van eventuele vragen.
Staatssecretaris Tielen:
Ik heb nog een aantal resterende vragen uit de eerste termijn, die ik
had moeten verdagen naar de tweede termijn. Ik moet ineens aan het
quizprogramma 2 voor 12 denken, maar u had geen belletje, dus dat is
mooi. En er zijn tien moties.
Als eerste een vraag, onder anderen van mevrouw Rooderkerk en mevrouw
Westerveld, over de samenwerkingsverbanden: hoe sturen we er nou op en
wat zijn nou de consequenties als ze het niet goed doen? Het volledige
verhaal is dat samenwerkingsverbanden de wettelijke verantwoordelijkheid
hebben voor het bieden van passend onderwijs en ondersteuning in de
regio. Als zij die niet bieden, worden ze daarop aangesproken door de
Inspectie van het Onderwijs en moeten er verbeteringen komen. Als die
verbeteringen er niet komen, kunnen er bijvoorbeeld financiële sancties
volgen. Ik zei al eerder dat er in de praktijk grote verschillen blijken
te zijn tussen samenwerkingsverbanden. Uw Kamer verzocht mij om te
kijken naar bijvoorbeeld de regio-indeling en de modellen van
samenwerkingsverbanden. Daar zijn wij nu mee bezig. Dus dat brengen wij
in ieder geval in kaart in de brief die ik in mei stuur, vooruitlopend
op het commissiedebat Passend onderwijs.
In het verlengde van die vraag vroeg mevrouw Westerveld ook specifiek
naar de reserves. Zij had het al over financiële sancties. Mevrouw
Westerveld heeft helemaal gelijk. Volgens mij staat de Kamer er breed
achter dat geld dat samenwerkingsverbanden hebben ook daadwerkelijk
wordt besteed aan de ondersteuning van kinderen en niet ergens op een
plank blijft liggen. Dat gaat wel beter. Ze hebben de mogelijk
bovenmatige eigen vermogens de afgelopen jaren steeds verder afgebouwd,
dus die reserves dalen. We verwachten dat dit de komende jaren doorzet
naar het niveau dat we ook goed achten. De inspectie voert hierover
gesprekken met de individuele samenwerkingsverbanden. Ik spreek met name
met het overlegorgaan van samenwerkingsverbanden. Op die manier houd ik
vinger aan de pols. Ik informeer uw Kamer als het niet de kant op gaat
die we volgens mij allemaal willen.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dan toch een aanvullende vraag. Is het ook mogelijk om in kaart te
brengen hoeveel financiële sancties er zijn opgelegd? Ik vermoed
namelijk dat het er heel weinig zijn. Wat ik vermoed dat er gebeurt, is
dat er geen passende plek is en dat een kind dan een vrijstelling
aanvraagt en thuiszitter wordt, of anderszins in een van de
verzuimcategorieën belandt. Is het mogelijk om die gegevens vanuit de
inspectie op te vragen en ons daarover te rapporteren in de brief? Dan
kunnen we echt kijken hoe we sturen. Als je financieel wilt sturen, dan
zou dat hiermee zijn. Het liefst wil je dat niet, maar wil je dat in
gesprek doen, maar als er geen consequentie is, dan is er …
De voorzitter:
De vraag is helder.
Staatssecretaris Tielen:
Het liefst zou ik hebben dat er helemaal geen sancties zijn, want dat
zou betekenen dat de verbeterplannen worden opgevolgd. Maar ik ga bij de
inspectie uitvragen wat we daarover kunnen zeggen. En dan zal ik er
enige zinnen aan wijden.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Tot slot. We gaan het debat hierover nog in een breder kader voeren. Ik
vraag dit niet omdat ik graag financiële sancties wil opleggen, maar
omdat het een sturingsvraag is. Als er geen sancties worden opgelegd,
maar er zitten wel kinderen thuis, waarvan we hopen dat het er geen
70.000 zijn, dan gaat er ergens in de sturing iets mis. Zou u die vraag
breder willen meenemen?
Staatssecretaris Tielen:
Ja. Dat herken ik. Dat is ook mijn vraag, dus die neem ik zeker
mee.
De heer Kisteman vroeg nog hoe het precies zit met 5 onder b en de rol
van de leerplichtambtenaar. Toen ik daar antwoord op gaf, zei meneer
Kisteman dat het anders was dan wat hij terugleest. Ik heb nog even
gecontroleerd wat de antwoorden op de schriftelijke vragen waren. De
antwoorden die ik over dit onderwerp kon vinden, waren op vragen van
mevrouw Pijpelink. Misschien verwijst meneer Kisteman naar eigen
schriftelijke vragen. Die kon ik zo snel niet terugvinden. Dat is
jammer, maar ik ga gewoon zeggen hoe het antwoord is. Het is namelijk
zo, zoals gezegd, dat de rol van de leerplichtambtenaar niet is
veranderd. De leerplichtambtenaar bepaalt of een proces-verbaal nodig
is. Zo ja, dan stelt hij dat op. Het Openbaar Ministerie is deels
gestopt met de handhaving voor de vrijstelling op 5 onder b, namelijk
als een inhoudelijke beoordeling wordt gevraagd. Alleen bij nieuwe
leerlingen, bij vormvereisten zoals dat officieel heet, handhaaft het
Openbaar Ministerie nog wel, bijvoorbeeld als leerlingen eerder
ingeschreven waren bij een school.
Meneer Kisteman vroeg ook nog om hoogbegaafdheid te erkennen. Hij zei in
zijn bijdrage dat een aantal samenwerkingsverbanden daar nog onvoldoende
mee aan de slag zijn gegaan. Ik herken dat niet helemaal uit de
gesprekken die ik met de samenwerkingsverbanden heb. Tegelijkertijd
erken ik wel wat de heer Kisteman zegt. Het is belangrijk dat
hoogbegaafdheid wordt gezien en erkend. Gelukkig hebben we inmiddels het
Kenniscentrum Hoogbegaafdheid, dat er een duidelijke stem aan geeft. Ik
ben veel in overleg met de samenwerkingsverbanden en zeker met de
landelijke vertegenwoordiger. Ik zal dit nog eens onder de aandacht
brengen. We nemen het ook mee in de handreiking naar aanleiding van dit
wetsvoorstel, waarnaar ik al verwees.
Mevrouw Beckerman vroeg wanneer ze iets meer hoort over de pilot met
kleine klassen. Ik heb nog geen uitgewerkt pilotplan, maar in de
lerarenbrief die ik gisteren heb toegezegd en die voor de zomer komt, in
juni namelijk, zal ik stilstaan bij het doel van de pilot en zal ik een
grove schets meegeven.
De heer Ceder vroeg bij het indienen van zijn amendement en mijn
ontraden naar de ministeriële regeling. Hij zei: "Ik vind het gek dat de
staatssecretaris het ontraadt, want het kan toch gewoon ingebracht
worden met dit amendement? Dan gaat er toch niets mis?" Nee, er gaat
inderdaad niets mis. De reden dat we de regeling eruit hebben gehaald,
is omdat deze in 1971 was toegevoegd en er nooit gebruik van is gemaakt.
Soms moet je overbodige regels of zinnen schrappen. Dat lijkt mij een
goed argument om 'm eruit te houden. Dat is een nadere duiding
erop.
Dat waren de vragen die ik nog had. Dan kom ik bij de moties. De motie
op stuk nr. 20 van de heer Ceder zie ik als ondersteuning beleid, zeggen
we dan mooi. Die motie is niet per se nodig, maar ik kan 'm wel oordeel
Kamer geven, want we werken aan een wetsvoorstel dat dit type maatwerk
ook in de wet gaat borgen. Daarbij is wat mij betreft nadrukkelijk het
uitgangspunt dat de school van inschrijving de regie houdt. We nemen dat
dus sowieso mee in de voorbereiding, maar als de Kamer het steunt, zien
wij dat als een steuntje in de rug.
De voorzitter:
U mag 'm zelfs overnemen.
Staatssecretaris Tielen:
O, ik kan 'm ook overnemen. Dat is ook een goed idee, ja. Ik kijk even
naar meneer Ceder.
De voorzitter:
Hij knikt.
De motie-Ceder (36663, nr. 20) is overgenomen.
Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 21 van de heer Ceder ontraad ik. Scholen zijn
verantwoordelijk voor onderwijs aan leerlingen, ook als ze ziek zijn.
Dit wetsvoorstel regelt meer inzet op preventie, registratie en goed
verzuimbeleid, ook voor kinderen die ziek zijn. Daar hebben we het
vanavond uitgebreid over gehad. Het brengt bovendien de groep die
geoorloofd verzuimt, ook beter in beeld. Voor de zomer gaat een
wetsvoorstel in internetconsultatie dat de mogelijkheden voor kinderen
om onderwijs te volgen, verruimt, het wetsvoorstel maatwerk. Of dan een
onderwijsperspectiefplan wordt opgesteld voor een kind, hangt echt af
van de individuele ondersteuningsbehoefte. Ik zou dat niet graag
helemaal vastleggen, anders is het alleen maar weer extra regeldruk en
extra administratieve lasten. Dat is in dit geval wat mij betreft niet
proportioneel.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 21 is ontraden.
Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 22 is eigenlijk overbodig. De motie vraagt om
jaarlijks in beeld te brengen hoeveel kinderen niet volwaardig onderwijs
krijgen. Deels gaat deze wet dat met betere verzuimregistratie in beeld
brengen. Dat wordt uitgewerkt in een AMvB, waarmee we dus zicht krijgen
op al het verzuim, zowel ongeoorloofd als geoorloofd, op het niveau van
de school, op het niveau van de gemeente, op het niveau van de regio en
uiteindelijk jaarlijks ook in de Kamer. Ik wil best toezeggen dat ik de
inspectie zal vragen naar het aantal afwijkingen op basis van die
regeling onderwijstijd. Dan kan ik dat uitwerken in de brief over
passend onderwijs. Maar de motie zelf is eigenlijk overbodig.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 22 krijgt de appreciatie overbodig.
Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 23 over het Thuiszitterspact, passend onderwijs en
hoe we geleerde lessen vertalen. Met de nieuwe leerplichttelling over
2026, waarop ik in de brief richting het commissiedebat Passend
onderwijs terugkom, zetten we ook alle beleidsopties op een rijtje om
verzuim tegen te gaan. Dat is een brief en dat zou je een soort
uitvoeringsagenda kunnen noemen, waarbij ik alle punten van mevrouw
Westerveld uiteraard meeneem bij het samenstellen van een goed verhaal.
Althans, ik hoop dat het een goed verhaal wordt. Dan zou ik kunnen
zeggen: als u het ook zo leest, dan geef ik 'm oordeel Kamer. Mocht het
dan te weinig zijn, kunnen we wellicht in het debat over passend
onderwijs nog aanvullen.
De voorzitter:
We vragen het aan mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Deze motie was wel iets — ik zoek naar een goed woord — dwingender,
verstrekkender bedoeld. De motie was bedoeld om te vragen: schets nou
eens wat we de komende tijd echt gaan doen; wat veranderen we in wetten,
in regels, in financieringsstromen enzovoort? Zo was de motie bedoeld.
Juist omdat we al zo veel weten. Geen onderzoeken meer, gewoon keuzes
maken. Zo vat ik 'm maar even samen.
Staatssecretaris Tielen:
Ja, en dan hoor ik mevrouw Westerveld eigenlijk tussen de regels door
zeggen: ik weet niet zeker of de staatssecretaris dat voor mij wel durft
te doen.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik daag haar uit.
Staatssecretaris Tielen:
Ik geef de motie oordeel Kamer, of ik vraag mevrouw Westerveld om 'm aan
te houden. Dat kan natuurlijk ook. Dat we eerst even afwachten ...
De voorzitter:
We kunnen van alles doen, maar laten we er eentje kiezen.
Staatssecretaris Tielen:
Wat vindt u?
De voorzitter:
Oordeel Kamer.
Staatssecretaris Tielen:
En of ik 'm dan goed uitvoer, mag de Kamer dan weer beoordelen. Dat is
het mooie van onze verhoudingen hier.
Dan de motie op stuk nr. 24 van mevrouw Westerveld, ook over de
samenwerkingsverbanden. Ik zie wel dat dat nodig is. Mevrouw Westerveld
gaf zelf aan dat deze iets breder is dan wat ik heb toegezegd. Dat zie
ik ook wel een beetje, dus ik zou graag aan het begrotingsmoment willen
vasthouden zoals mevrouw Westerveld dat suggereert. Dan geef ik de motie
oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 24: oordeel Kamer.
Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 25 van mevrouw Rooderkerk gaat over de wettelijke
preventieve taak van de leerplichtambtenaar. Volgens mij hebben we daar
in het debat al behoorlijk wat woorden aan gewijd. Ik vind het ook echt
wel een sympathieke richting. Ik ben bezig met gemeenten en de
vereniging van leerplichtambtenaren, Ingrado, om dat te verkennen en
handen en voeten te geven. Ik geef daar rond de zomer nader bericht
over. Oordeel Kamer dus.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 25: oordeel Kamer.
Staatssecretaris Tielen:
In de motie op stuk nr. 26 van mevrouw Beckerman zat eigenlijk een vraag
en een motie. De vraag die mevrouw Beckerman ook al stelde in het debat
dat we hadden, is of ik kan toezeggen dat de middelen die er voor
leerlingen met schoolverzuim zijn, ook echt daar terechtkomen. Die
toezegging wil ik doen. In de uitvoering van deze wet nemen we dat ook
mee. We zullen scholen en samenwerkingsverbanden attent maken op het
belang daarvan, dus dat nemen we ook mee in de handreiking die we maken
naar aanleiding van de wet; als de Kamers die tenminste aannemen, maar
ik ga voor het gemak maar even uit van die overtuiging. In de AMvB
schoolverzuim zit ook een stuk aanpassing ten aanzien van de
bekostiging. Daar kunnen we scholen dan ook goed over informeren. Dat is
overigens al zo — even ter informatie; dat helpt mij zelf ook al altijd
— in het basisonderwijs en primair onderwijs, en in het voortgezet gaan
we dat nog iets scherper regelen. Die toezegging kan ik dus doen aan
mevrouw Beckerman, maar haar motie moet ik ontraden, omdat "borgen" echt
een stevig woord is. Dat gaat in tegen wat we afgesproken hebben en
vastgelegd hebben over de lumpsum, waar geen oormerking in zit. Als we
dat moeten gaan doen, moeten we echt iets heel fundamenteels gaan
aanpassen, en daar is het moment niet naar, denk ik. Ik hoop dus dat
mevrouw Beckerman kan leven met de toezegging, want de motie moet ik
ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 26: ontraden.
Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 27 van meneer Claassen is eigenlijk overbodig. Die
gaat over de regel om bij psychische klachten een melding te doen. In
dit wetsvoorstel regelen we eigenlijk al dat scholen vroegtijdig de
leerplichtambtenaar kunnen betrekken, dus dat ze niet hoeven te wachten
tot er zoveel uur verzuimd is. Het regelt al wat de motie beoogt, dus
overbodig.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 27: overbodig.
Staatssecretaris Tielen:
Dan de motie op stuk nr. 28. Er was al een interessant interruptiedebat
tussen mevrouw Westerveld en meneer Claassen, die elkaar ook vonden in
de richting, maar die richting lees ik weer niet helemaal terug in de
motie, ook omdat meneer Claassen daarin heeft opgenomen dat er elke drie
maanden moet worden herbeoordeeld. Dat is ingrijpend en betekent ook
heel veel administratieve last, dus die motie moet ik ontraden.
De voorzitter:
Dat roept een vraag op bij de heer Claassen.
Staatssecretaris Tielen:
Ja, dat dacht ik al.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Dus als ik "drie maanden" eruit haal, dan krijgt de motie oordeel
Kamer?
Staatssecretaris Tielen:
Dan moet ik het zo zeggen dat ik de richting van de motie wel begrijp.
Tijdelijk is ook echt tijdelijk; ik snap wel dat dat het doel is van
meneer Claassen, tenminste, ik denk dat ik dat erin moet lezen. Een
vrijstelling is wel echt ingrijpend, met een zorgvuldige afweging. In
het wetsvoorstel regelen we natuurlijk dat het samenwerkingsverband
advies geeft over de vrijstelling en dat de jeugdarts uiteindelijk
beoordeelt. Ik denk dat we het al voor een heel groot deel geregeld
hebben in de wet, dus ik houd een soort slag om de arm om oordeel Kamer
te geven, omdat ik best snap wat meneer Claassen bedoelt. Als hij
begrijpt dat ik, mocht deze motie aangenomen worden, vanuit die richting
invulling geef aan de motie, dan kan ik 'm oordeel Kamer geven.
De voorzitter:
Dus: oordeel Kamer.
Staatssecretaris Tielen:
Ja, want ik zag meneer Claassen inderdaad knikken.
De voorzitter:
Ja, hij knikte. Met die interpretatie krijgt de motie dus oordeel
Kamer.
Staatssecretaris Tielen:
Dat is voor de Handelingen. Dat helpt mij ook weer om terug te
komen.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Maar dan moet de motie toch eerst aangepast worden? Nu staat er namelijk
nog "drie maanden" in.
De voorzitter:
Nee. Dat hoeft niet, want de staatssecretaris heeft een interpretatie
gegeven aan de motie en de heer Claassen is daarmee akkoord gegaan. Ik
begrijp de verwarring wel, maar het gesproken woord telt.
Staatssecretaris Tielen:
Het zou natuurlijk wel helpen als hij "elke drie maanden" eruit haalt.
Meneer Claassen zei al dat hij dat ging doen.
De voorzitter:
Daar is ook voldoende tijd voor, want het is nog bijna twee weken tot de
stemmingen.
Staatssecretaris Tielen:
Zo lang?
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dat zou wel helpen. Op zich regelt deze wet juist dat er steeds
tijdelijke vrijstellingen worden afgegeven en dat er dus een beperking
op de duur komt. Ik denk dat de wet het in die zin dus al regelt.
Staatssecretaris Tielen:
Dat denk ik ook. Meneer Claassen wil vooral voorkomen dat "tijdelijk" en
"zonder melding" ineens heel lang is. Dat snap ik heel goed.
De voorzitter:
De laatste motie.
Staatssecretaris Tielen:
Ik ga vragen om de laatste motie, de motie op stuk nr. 29, aan te
houden. U zei het al: we hebben het hier eigenlijk helemaal niet gehad
over prakrijkgericht onderwijs in de verschillende
voortgezetonderwijsvormen. We hebben er wel een debat over gepland staan
in de loop van april. Ik zou dus eigenlijk aan meneer Ceulemans — ik
geloof dat dat zijn naam is — willen vragen of hij de motie aan kan
houden totdat we dat debat gehad hebben.
De voorzitter:
Nou, meneer Ceulemans.
De heer Ceulemans (JA21):
Dit is echt een succesvol optreden vanavond! Ik hou 'm aan.
De voorzitter:
Op verzoek van de heer Ceulemans stel ik voor zijn motie (36663, nr. 29)
aan te houden.
Daartoe wordt besloten.
Staatssecretaris Tielen:
Dank u wel.
Dank, voorzitter. Ik vond het een mooi inhoudelijk debat.
Wetgevingsdebatten kunnen soms heel technisch zijn. Soms vergeten we dan
waar het ook alweer over gaat, maar niemand hier in deze zaal is
vergeten waar het over gaat. Volgens mij betekent dat dat we goed op weg
zijn. Ik hoop oprecht dat de Kamer deze wet ziet als een van de
bouwstenen die we nodig hebben om verzuim terug te dringen, aan te
pakken en te voorkomen. Ik werk de komende tijd graag samen met de Kamer
om al die andere bouwstenen daarbij in synergie samen te stellen, zodat
we ervoor gaan zorgen dat het aantal thuiszitters, zoals we ze voorlopig
nog noemen, zeker niet naar de 100.000 gaat, zoals sommige pessimisten
voorspelden. We moeten ervoor zorgen dat we dat echt terug gaan zien en
dat ieder kind daadwerkelijk goed onderwijs kan krijgen, want dat is
heel belangrijk.
De voorzitter:
Er is toch nog een vraag. Niet? O.
Staatssecretaris Tielen:
Dank u wel.
De voorzitter:
Dan dank ik de staatssecretaris, die daarmee aan het einde komt van haar
termijn. Ik dank ook de leden van de Kamer en de mensen op de publieke
tribune.
De algemene beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
We stemmen over de wet, de amendementen en de moties, allemaal tegelijk,
op 7 april. Er zit dus wat tijd tussen vanwege de werkgroep-Kamminga.
Dat is nieuw. Ik sluit de vergadering. Dank u wel.
Sluiting
Sluiting 21.35 uur.
ONGECORRIGEERD STENOGRAM Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden
ontleend. |
|---|