Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over o.a. Verkenning belastingvermindering energiebelasting toespitsen op huishoudens (Kamerstuk 32140-261)
Inbreng verslag schriftelijk overleg
Nummer: 2026D14482, datum: 2026-03-27, bijgewerkt: 2026-03-30 11:16, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: C.A. (Chris) Jansen, voorzitter van de vaste commissie voor Financiƫn (PVV)
- Mede ondertekenaar: W.A. Lips, adjunct-griffier
Onderdeel van zaak 2025Z13510:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Financiƫn
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-03-26 16:00 ā Inbreng geleverd. (Besluit)
- 2026-03-12 10:00 ā Inbrengdatum voor het stellen van vragen t.b.v. een schriftelijk overleg vastgesteld op donderdag 26 maart 2026 om 16.00 uur. (Besluit)
- 2026-03-11 13:00 ā Behandeld. (Besluit)
- 2025-07-03 10:00 ā Niet controversieel verklaren. (Besluit)
- 2025-07-03 10:00 ā Agenderen voor een te zijner tijd te organiseren commissiedebat Nationale fiscaliteit. (Besluit)
- 2025-07-01 15:45 ā Rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2025-07-01 15:45: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2025-07-03 10:00: Procedurevergadering Financiƫn (Procedurevergadering), vaste commissie voor Financiƫn
- 2026-03-11 13:00: Fiscaliteit (Commissiedebat), vaste commissie voor Financiƫn
- 2026-03-12 10:00: Procedurevergadering Financiƫn (Procedurevergadering), vaste commissie voor Financiƫn
- 2026-03-26 16:00: Fiscale vergroening (Inbreng schriftelijk overleg), vaste commissie voor Financiƫn
Preview document (š origineel)
INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG |
|
De vaste commissie voor Financiƫn heeft op 26 maart 2026 een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de staatssecretaris van Financiƫn over de volgende brieven:Onderzoek gedifferentieerde vliegbelasting (Kamerstuk 31 396 nr. 7) Verkenning belastingvermindering energiebelasting toespitsen op huishoudens (Kamerstuk 32 140 nr. 261) Beprijzingsstudies gebouwde omgeving en ETS2 industrie (Kamerstuk 32 813 nr. 1525) Warmtebedrijven en energiebelasting (Kamerstuk 36 576 nr. 117) Overzicht van fiscale prikkels om circulaire transitie te versnellen (Kamerstuk 32 140 nr. 278) Beprijzingstudies veehouderij/akkerbouw en glastuinbouw (Kamerstuk 32 813 nr. 1536) Kabinetsreactie onderzoek energie-investeringsaftrek (EIA) en milieu-investeringsaftrek (MIA)(Kamerstuk Rapport werkgroep afvalsector (Kamerstuk 30 872 nr. 322) |
|
De voorzitter van de commissie,Jansen |
|
Adjunct-griffier van de commissie,Lips |
|
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties |
|
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de verschillende brieven over fiscale vergroening en de circulaire transitie. Deze leden onderstrepen het belang van effectieve COā-beprijzing, een gelijk speelveld binnen Europa en het gericht ondersteunen van huishoudens en innovatieve bedrijven. Deze leden hebben enkele vragen. De leden van de D66-fractie lezen dat het kabinet onderzoekt welk beprijzingsniveau nodig is om klimaatdoelen te borgen. Kan de staatssecretaris concreet aangeven welk prijsniveau volgens de eerste inzichten noodzakelijk lijkt? Deze leden vragen hoe wordt voorkomen dat hogere nationale beprijzing in de gebouwde omgeving en dienstensector leidt tot ongelijkheid tussen huishoudens, met name gezien de invoering van ETS2. Kan de staatssecretaris toelichten hoe beprijzing wordt gecombineerd met innovatie en investeringsprikkels, zodat duurzame landbouw ook economisch perspectief biedt? Deze leden begrijpen dat uit recente analyses blijkt dat milieuschade in de circulaire keten nog onvoldoende wordt beprijsd. Is de staatssecretaris bereid om te verkennen hoe fiscale prikkels structureel kunnen bijdragen aan het behalen van de doelen uit het Nationaal Programma Circulaire Economie? Wordt hierbij ook gekeken naar een meer samenhangende beleidsstrategie? Kan de staatssecretaris toelichten hoe de resultaten van deze studies worden vertaald naar concreet beleid en op welke manier hierbij wordt geborgd dat lasten eerlijk worden verdeeld tussen huishoudens en bedrijven? Deze leden onderschrijven het belang van Europese coƶrdinatie bij grondstoffenheffingen, maar constateren ook dat implementatie op EU-niveau tijd kost. Kan de staatssecretaris reflecteren op de mogelijkheid en wenselijkheid van tijdelijke nationale maatregelen ter ondersteuning van bijvoorbeeld de plasticrecyclingsector en onder welke voorwaarden dergelijke maatregelen weer zouden worden afgebouwd bij invoering van EU-beleid? Deze leden constateren dat een gedifferentieerde vliegbelasting bijdraagt aan een betere beprijzing van de klimaatimpact van vliegen, met name doordat langere afstanden zwaarder worden belast. Tegelijkertijd blijven de klimaateffecten relatief beperkt. Hoe beoordeelt het kabinet deze maatregel in verhouding tot alternatieven om meer COā-reductie te realiseren? Deze leden vragen hoe het kabinet omgaat met ontwijkgedrag via buitenlandse luchthavens en welke Europese afstemming wordt nagestreefd. Kan de staatssecretaris reflecteren op de balans tussen klimaatdoelen en het vestigingsklimaat en hoe dit past binnen de bredere ambities uit het coalitieakkoord om geluidsoverlast te beperken en een reductie van het aantal vluchten te realiseren? De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de rapporten vanuit het veld over de noodzaak om de circulaire transitie te versnellen en zien deze stukken als aanknopingspunten om de inzet van fiscale instrumenten verder te versterken. Deze leden constateren dat nader onderzoek naar een heffing op eenmalige plastic verpakkingen door Berenschot als verstandig wordt beoordeeld. Kan de staatssecretaris aangeven of de staatssecretaris voornemens is vervolgonderzoek uit te laten voeren in samenwerking met relevante stakeholders en of de Kamer hierover tijdig wordt geĆÆnformeerd? De leden van de D66-fractie vragen het kabinet hoe het kabinet de huidige heffing van energiebelasting op zowel het moment van opslag als van teruglevering in thuisbatterijen beoordeelt. Acht het kabinet deze dubbele belastingheffing in lijn met de doelstellingen van fiscale vergroening en het stimuleren van flexibiliteit in het energiesysteem? Voorts vragen deze leden in hoeverre de huidige fiscale behandeling van thuisbatterijen een belemmering vormt voor de uitrol van opslagcapaciteit bij huishoudens. Zijn er signalen dat investeringen hierdoor worden uitgesteld of achterwege blijven? De leden van de D66-fractie vragen daarnaast hoe Nederland zich verhoudt tot andere EU-lidstaten op dit punt. In welke landen is sprake van vergelijkbare dubbele heffing en waar zijn reeds maatregelen genomen om deze te voorkomen? De leden van de D66-fractie merken op dat er nog steeds sprake is van dubbele energiebelasting bij opslag in bijvoorbeeld thuisbatterijen of de accu van een elektrische auto. Deze leden vragen of deze dubbele belastingheffing rechtmatig is: er wordt immers twee keer belasting geheven over hetzelfde product. Ook vragen deze leden op welke manier deze dubbele belastingheffing kan worden voorkomen. Welke beleidsopties liggen hiervoor op tafel? Is het hiervoor voldoende om de hoeveelheid elektriciteit die is opgeslagen en weer teruggeleverd, af te trekken van het totaal aan verbruikte elektriciteit? Indien hier uitvoeringsproblemen zijn, zou er dan een mogelijkheid zijn om met forfaits te werken? Ook vragen deze leden of er bij aanpassing sprake is van budgettaire gevolgen, aangezien de dubbele energiebelasting nu ten onrechte geheven wordt. Tenslotte vragen de leden van de D66-fractie hoe het kabinet de rol van thuisbatterijen ziet in het licht van netcongestie en de energietransitie en of de huidige fiscale behandeling daarbij als ondersteunend of juist belemmerend wordt gezien. Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD- fractie De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de geagendeerde stukken behorend bij het schriftelijk overleg over fiscale vergroening. Deze leden hebben hierover enkele vragen. De leden van de VVD-fractie hebben ten aanzien van de verkenning van het toespitsen van belastingvermindering energiebelasting op huishoudens kennisgenomen van het rapport āversmalling reikwijdte vermindering energiebelastingā en de bijbehorende kabinetsbrief. Deze leden staan voor versimpeling van het belastingstelsel. Tegelijkertijd vinden deze leden de energiebelasting nu al te hoog, terwijl deze leden lezen dat bij uitvoering van deze plannen er nog een verhoging van honderden miljoenen (427 miljoen euro per 2028) voor bedrijven en instellingen in het verschiet ligt. Deelt het kabinet de mening dat een dergelijke verhoging onwenselijk is? Daarnaast constateren deze leden dat met het toespitsen van de belastingvermindering op huishoudens, geen onderscheid kan worden gemaakt tĆŗssen huishoudens. Tegelijkertijd bevindt de achtergrond van deze maatregel zich mede in de politiek die zoekt naar een instrument om ten tijde van hoge energieprijzen gericht huishoudens te kunnen helpen. Is het volgens het kabinet wenselijk dat tijdens hoge energieprijzen de politiek met deze maatregel enkel Ć”lle huishoudens kan helpen? De leden van de VVD-fractie lezen op het punt van de beprijzing van gebouwde omgeving en ETS2-industrie daarnaast in het rapport āmogelijkheden voor behalen emissiedoel woningenā dat extra beprijzing ervoor kan zorgen dat het restemissiedoel voor woningen kan worden behaald. De leden van de VVD-fractie willen van het kabinet weten hoe het kabinet reflecteert op dit rapport. Deze leden merken daarbij op dat veel huishoudens zich juist in deze tijd zorgen maken over de betaalbaarheid van de energierekening. Deze leden hebben daarnaast kennisgenomen van het rapport āadditionele COā-beprijzing ETS2-industrie en dienstensectorā. Deze leden hechten waarde aan verduurzaming en een verminderde afhankelijkheid van fossiele brandstoffen, maar zijn tegenstander van additionele beprijzing. In de landen om ons heen zien deze leden juist een tegengestelde trend: de energiekosten worden verlaagd. De leden van de VVD-fractie willen voorkomen dat bedrijven naar het buitenland vertrekken door extra beprijzing. Hoe kijkt het kabinet hiernaar? De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het onderzoek naar een hogere inzameling van drankverpakkingen. Dit betreft een nieuwe heffing waarbij producenten per verpakkingseenheid belasting betalen, waarvan de tariefhoogte afneemt naarmate het inzamelpercentage van de verpakkingen hoger wordt. Bij een inzamelpercentage van 95 procent zou de heffing volledig vervallen. In Noorwegen zou deze systematiek zeer succesvol worden toegepast. Bij de appreciatie van dit voorstel wordt gesteld: āBij invoering is het voor de milieueffecten en behalen van wettelijke doelstellingen cruciaal dat een eventuele nieuwe heffing als deel van een pakket aan beleidsmaatregelen geĆÆntroduceerd wordt.ā Hoe kijkt dit kabinet aan tegen het voorstel? Wat wordt ermee bedoeld dat het āeen deel van een pakket aan beleidsmaatregelenā moet zijn? De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de tariefstudie over de COā-heffing in de glastuinbouw. Zij lezen dat, om te voldoen aan het klimaatdoel, het tarief moet worden verhoogd naar 53,15 euro per ton COā in 2030. Deze leden vragen wat het kabinet met deze conclusie gaat doen. Daarbij merken deze leden op dat zij het belangrijk vinden dat de glastuinbouw in Nederland niet op een concurrentieachterstand wordt gezet. Eenzelfde soort vraag hebben de leden van de VVD-fractie bij het onderzoek naar beprijzing in de veehouderij en akkerbouw. Ook voor de veehouderij en akkerbouw zou extra beprijzing nodig zijn om de restemissiedoelen te behalen. Wat wil het kabinet met deze conclusie doen? Ten aanzien van het onderzoek Energie-investeringsaftrek (EIA) en Milieu-investeringsaftrek (MIA) constateren deze leden dat in het coalitieakkoord is opgenomen de EIA, MIA en de Willekeurige afschrijving milieu-investeringen (VAMIL) āwaar mogelijkā samen te voegen tot ƩƩn investeringsregeling. Worden conclusies uit dit onderzoek meegenomen in de uitvoering van dit punt van het coalitieakkoord? Zo ja, om welke conclusies gaat het en op welke manier worden deze meegenomen? De leden van de VVD-fractie hebben, tot slot, kennisgenomen van het rapport van de werkgroep afvalsector. Hoe reflecteert het kabinet op de conclusies uit dit rapport? Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn op het punt van het onderzoek naar gedifferentieerde vliegbelasting blij dat de Wet differentiatie vliegbelasting is aangenomen en langeafstandsvluchten per 1 januari 2027 zwaarder belast zullen worden. Deze leden constateren echter dat de negatieve externe effecten ook met deze verhoging van de vliegbelasting voor geen enkele vlucht volledig geĆÆnternaliseerd worden. Deze leden vragen wat de staatssecretaris daarvan vindt. Is het wat de staatssecretaris betreft wenselijk dat de negatieve externe effecten volledig beprijsd worden? Zo nee, waarom niet? Deze leden menen ook dat het verstandiger was geweest het uitgangspunt van budgetneutraliteit los te laten, omdat dat uitgangspunt ertoe leidt dat niet gekozen wordt voor de meest effectieve en volledige vorm van beprijzing. Zo valt bijvoorbeeld te lezen dat het effect van de verhoging van de vliegbelasting op het aantal vluchten en de totale COā-uitstoot van de luchtvaart in Nederland slechts beperkt is, terwijl het doel van een vliegbelasting onder andere is om de negatieve impact van vliegverkeer te verkleinen. Is de staatssecretaris het daarmee eens? Zo nee, waarom niet? Zo ja, is de staatssecretaris bereid om de vliegbelasting verder te verbeteren en het uitgangspunt van budgetneutraliteit daarbij los te laten? Deze leden vragen ook of de staatssecretaris een nieuw onderzoek kan laten uitvoeren, waarbij budgetneutraliteit niet het uitgangspunt is, maar het optimaal internaliseren van de negatieve externe effecten van vliegverkeer met zo min mogelijk economische en sociale schade. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat het vorige kabinet niet geheel consistent was in haar argumentatie. De vliegbelasting is onder andere bedoeld om klimaatschade tegen te gaan. Tegelijkertijd wilde het toenmalige kabinet het aantal verschillende directe verbindingen vanuit Nederland zoveel mogelijk in stand houden en mede om die redenen geen belasting opleggen aan transferpassagiers. Deze leden zijn daarom benieuwd of het huidige kabinet wil dat het totaal aantal vliegbewegingen minder wordt, of het kabinet wil dat het aantal langeafstandsvluchten afneemt, of dat kabinet het geen van beide wenselijk vindt. En in het laatste geval: hoe is dit te rijmen met het doel van de vliegbelasting? Is die wat dit kabinet betreft bedoeld om vliegen te ontmoedigen of niet? Zo nee, wat vindt het kabinet van de bijdrage van de luchtvaartsector aan de klimaatverandering? De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de toespitsing van de belastingvermindering energiebelasting op huishoudens āeen opbrengst zou hebben van 427 miljoen euro als de maatregel dan zou kunnen worden ingevoerdā. Deze leden vragen of de staatssecretaris inmiddels weet of de maatregel dan zou kunnen worden ingevoerd. Verwacht hij dat 1 januari 2028 de snelst mogelijke datum van inwerkingtreding is? Deze leden vragen voorts of het klopt dat de belastingvermindering volledig verzilverbaar is en daarmee economisch gezien voor de meeste mensen min of meer losstaat van de energierekening. Klopt het dat een grotere groep huishoudens bereikt wordt als de belastingvermindering volledig losgetrokken wordt van de energierekening, door het bedrag simpelweg aan ieder huishouden uit te keren, omdat dan ook huishoudens zonder individuele energierekening bereikt worden? Klopt het dat daarmee ook een budgettaire opbrengst gerealiseerd wordt, omdat bedrijven en andere niet-huishoudens dan ook geen belastingvermindering meer ontvangen? Hoeveel huishoudens hebben op dit moment geen recht op de belastingvermindering? Deze leden vragen of de staatssecretaris bereid is deze optie verder te onderzoeken. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn benieuwd of dit kabinet met een reactie komt op de verschillende beprijzingsstudies over gebouwde omgeving, ETS2 industrie en veehouderij/akkerbouw en glastuinbouw, die met de Kamer zijn gedeeld zijn, en zo ja, wanneer deze reactie komt. Deze leden constateren dat uit het rapport over additionele CO2-beprijzing in de dienstensector blijkt dat verduurzaming onvoldoende rendabel is, met als gevolg dat de uitstootdoelen voor 2030 niet behaald gaan worden. Het rapport bevat twee voorstellen voor additionele reductie: een aanvullende CO2-heffing voor de dienstensector en aanpassing van de tarieven in de energiebelasting. Deze leden vragen de staatssecretaris welke route hij het meest kansrijk acht, of de staatssecretaris de voor- en nadelen van beide opties onder elkaar kan zetten en of de staatssecretaris daarbij specifiek kan kijken naar effectiviteit, uitvoerbaarheid en negatieve bijeffecten. Welke optie heeft zijn voorkeur? De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen ook dat emissiebeprijzing sterk bij lijkt te kunnen dragen aan de sectordoelen voor 2035 en verder van de melkveehouderij en varkenshouderij, maar dat er ānog veel stappen nodigā zijn voor de vormgeving van dergelijke heffing. Deze leden vragen welke stappen de staatssecretaris bereid is op korte termijn te zetten en of hij wil gaan werken aan het uitwerken van een emissiebeprijzingsstelsel voor de veeteelt. Zo nee, kan hij toelichten waarom niet? Kan de staatssecretaris daarbij specifiek ingaan op inhoudelijke argumenten om dit niet te doen? De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen op het punt van warmtebedrijven en energiebelasting dat warmtebedrijven profijt hebben van de manier waarop ze de energiebelasting in rekening mogen brengen bij kleinverbruikers en dat dat voordeel afneemt tot de invoering van de nieuwe tariefregulering. Deze leden vragen of de staatssecretaris dit kan toelichten: waarom neemt dit voordeel af in de komende jaren? Kan de staatssecretaris in een tabel weergeven wat op dit moment de verwachte ontwikkeling van de energiebelastingtarieven is (in prijzen 2026)? In hoeverre is het kabinet van plan toe te werken naar een meer vlak tarief in de energiebelasting, waarbij het verschil in belastingtarieven tussen klein- en grootverbruikers kleiner wordt? In hoeverre is het kabinet van plan het verschil tussen de energiebelasting op gas en die op elektriciteit, gemeten naar energie-inhoud en broeikasgasuitstoot, te verkleinen? De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de impact van fiscale maatregelen op warmtebedrijven erg verschillend is en dat dit het gevolg is van grote verschillen in de bedrijfsvoering van warmtebedrijven. Deze leden vragen de staatssecretaris in hoeverre de oplossing hiervoor wat hem betreft in de fiscaliteit ligt en of een oplossing niet beter in de tariefregulering zelf gezocht kan worden. Kan de staatssecretaris aangeven in hoeverre de kostengebaseerde tariefsystematiek uit het wetsvoorstel Wcw een oplossing biedt? Deze leden lezen dat de ACM in de derde fase de taak krijgt om de tarieven vast te stellen. Komt er ƩƩn tarief voor alle warmtebedrijven of biedt de kostengebaseerde tariefsystematiek ruimte om daarin te differentiĆ«ren naar de verschillende bedrijfsmodellen van warmtebedrijven? De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie sluiten zich aan bij de opmerkingen van de ambtsvoorganger van de staatssecretaris over de ondoelmatigheid van het generiek verlagen van de tarieven in de derde en vierde schijf van de energiebelasting op aardgas en het aanpassen van de beperking van de inputvrijstelling voor elektriciteitsopwekking. Deze leden vragen of de staatssecretaris kan bevestigen dat de staatssecretaris dit geen goed idee vindt en dat de staatssecretaris ook niet van plan is nóg een nieuw verlaagd tarief in de energiebelasting op te nemen. Deze leden vragen ook of inderdaad is overgegaan tot het toevoegen van de vervanging van warmtebronnen uit de stadsverwarmingsregeling als uitzondering waarin de degressieve tariefsystematiek van toepassing blijft, ook als het 50%-vereiste tijdelijk niet wordt gehaald. Kan de staatssecretaris toelichten hoe lang deze uitzondering maximaal kan gelden? Wanneer kan worden gesproken van āvervangingā? Bestaat het risico dat warmtebedrijven langdurig gebruikmaken van deze uitzondering en dat daarmee de facto een nieuwe fossiele subsidie wordt geĆÆntroduceerd? De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen op het punt van het overzicht van fiscale prikkels om circulaire transitie te versnellen dat een gerichte grondstofbelasting een eerlijker speelveld zou kunnen creĆ«ren voor gerecyclede of biogebaseerde alternatieven, maar grote weglekrisicoās kent, waardoor het verstandiger zou zijn een dergelijke belasting op Europees niveau in te voeren. Deze leden vragen de staatssecretaris of de staatssecretaris zich op Europees niveau inzet voor een dergelijke belasting. Zo ja, in welke vorm doet de staatssecretaris dat? Zo nee, waarom niet? Deze leden lezen voorts dat de ambtsvoorganger van de staatssecretaris besluitvorming over aanvullende maatregelen graag wilde overlaten aan het nieuwe kabinet. Deze leden vragen daarom welke aanvullende maatregelen het nieuwe kabinet van plan is te nemen en of de staatssecretaris kan reageren op de meegestuurde onderzoeken naar een hogere inzameling van drankverpakkingen, een heffing op eenmalige plastic verpakkingen en fiscale prikkels voor de circulaire transitie. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat klimaat- en milieuschade effectief beprijsd moeten worden. Deze leden lezen dat een heffing op het niet-energetisch gebruik van minerale oliĆ«n een groot risico op weglekeffecten kent en vragen de staatssecretaris in hoeverre Europese afspraken hiervoor een oplossing zouden kunnen zijn en of de staatssecretaris zich voor dergelijke afspraken wil inzetten. Daarnaast merken deze leden op dat een heffing op verpakkingen voor eenmalig gebruik dit euvel niet kent en vragen deze leden waarom in de brief staat dat bij een dergelijke maatregel āsignificante afbakeningsproblematiekā komt kijken. Deze leden constateren dat Nederland op dit moment al een soort heffing op verpakkingen voor eenmalige gebruik kent, namelijk de SUP-toeslag, voortkomende uit de SUP-richtlijn. In hoeverre is het volgens de staatssecretaris mogelijk om deze toeslag om te vormen tot een daadwerkelijke heffing, waarbij de overheid het tarief vaststelt en de heffing int? Wat zou de budgettaire opbrengst zijn als uitgegaan wordt van vergelijkbare tarieven als nu worden gehanteerd? Waarom leidt deze toeslag niet tot afbakeningsproblematiek en de heffing waarnaar in de brief verwezen wordt wel? Deze leden vragen de staatssecretaris hoe de staatssecretaris kijkt naar de aanbevelingen uit de verkenning naar een heffing op eenmalige plastic verpakkingen en of de staatssecretaris bereid is om vervolgonderzoek in te stellen op basis van het stappenplan uit de verkenning. Ook vragen deze leden of de staatssecretaris daarbij niet exclusief naar drankkartons wil kijken, maar in brede zin naar plastic verpakkingen voor eenmalig verbruik. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat omzetting van de EIA naar een subsidie de doelmatigheid kan verhogen als de subsidie gerichter wordt vormgegeven dan de huidige fiscale regeling. Welke mogelijkheden ziet de staatssecretaris voor een dergelijke gerichtere vormgeving? Wegen de voordelen hiervan wat hem betreft op tegen de nadelen van omzetting naar een subsidie (zoals hogere uitvoeringskosten en eenmalige omzettingskosten)? Deze leden zijn ook benieuwd naar hoe de plannen voor EIA, MIA en Vamil zich verhouden tot het naar de Kamer gestuurde onderzoek. Welke voordelen ziet de staatssecretaris aan het samenvoegen van de regelingen? En welke nadelen? Is dit ook onderzocht? Wat is de aanleiding volgens de staatssecretaris om de regelingen samen te voegen? Deze leden vragen ook naar de mogelijkheden die in het onderzoek genoemd worden en in hoeverre het kabinet van plan is deze voorstellen mee te nemen bij de eventuele samenvoeging van de EIA, MIA en Vamil. Kijkt het kabinet bijvoorbeeld ook naar differentiatie van het aftrekpercentage? Wat vindt de staatssecretaris van de overige aanbevelingen? Het valt deze leden op dat in het onderzoek gekeken is naar hoe EIA en MIA voor het bedrijfsleven kunnen worden verbeterd en vereenvoudigd, maar niet naar vereenvoudiging vanuit het perspectief van de Belastingdienst en ook niet naar verbeteren van de doelmatigheid. Is de staatssecretaris bereid daar alsnog onderzoek naar te laten uitvoeren? De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat de Werkgroep Afvalsector met een duidelijk advies is gekomen ten aanzien van de gevraagde alternatieven voor de generieke tariefsverhoging van de afvalstoffenbelasting en de verhoging van de CO2-heffing industrie voor AVIās. Deze leden vragen of de staatssecretaris per maatregel kan toelichten hoe wenselijk hij elk voorstel vindt en of de staatssecretaris daarbij in het bijzonder in kan gaan op uitvoeringsaspecten en weglekeffecten. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben nog enige overige vragen en constateren dat in Nederland steeds meer SUVās worden gekocht en dat het wagenpark gemiddeld steeds zwaarder wordt. Het gevolg is dat het brandstofverbruik en de CO2-uitstoot toenemen en dat een substantieel deel van de klimaatwinst als gevolg van de elektrificatie van het wagenpark ongedaan gemaakt wordt. Kan de staatssecretaris dit kwantificeren? Hoeveel is de COā-uitstoot van autoās in Nederland de afgelopen jaren afgenomen door elektrificatie van het wagenpark en hoeveel is deze weer toegenomen doordat autoās gemiddeld zwaarder zijn geworden? Klopt het dat onze infrastructuur ook sneller slijt en steviger moet worden gebouwd door zwaardere voertuigen? Deze leden merken op dat zwaardere autoās daarnaast veel meer materialen vergen. Dat geldt ook voor elektrische autoās. Het grotere materiaalgebruik leidt tot meer milieuschade. Deze leden zijn daarom benieuwd naar de mogelijkheden om de aankoop en het gebruik van zwaardere autoās te ontmoedigen via fiscale instrumenten. De ambtsvoorganger van de staatssecretaris stelde in zijn reactie op de Groene Belastinggids ānader onderzoek te willen doen naar het belasten van het aanschafmoment van personenautoās, en daarbij te kijken naar het voertuiggewichtā. Kan de staatssecretaris aangeven wat de huidige stand van zaken is van dit onderzoek en of het kabinet van plan is zwaardere autoās ook zwaarder te belasten, bijvoorbeeld op het aanschafmoment? Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de stukken over fiscale vergroening. Ten aanzien van de alternatieven van de afvalsector voor de afvalstoffenheffing (ter dekking van de circulaire plasticheffing die niet kon doorgaan) zien de leden van de CDA-fractie uit naar de reactie wat het kabinet hiermee gaat doen. Deze leden merken ook op, dat op de voorstellen vanuit de afvalsector weer commentaar is gekomen vanuit andere sectoren, onder andere vanuit de betrokkenen van de āPlastictafelā. Deze leden vragen of de staatssecretaris bereid is bij de reactie op de voorstellen een brede overweging toe te voegen van alle voorstellen en ideeĆ«n uit betrokken sectoren en organisaties en te laten zien wat de afwegingen van het kabinet ten grondslag aan de uiteindelijke keuze voor alternatieve invulling van de circulaire plasticheffing zijn. Ook vragen deze leden hoe de staatssecretaris de invullingsopgave ziet in het licht van de brief over fiscale instrumenten in de keten, die bepleiten dat nieuwe maatregelen vooral op EU-niveau moeten worden afgestemd om negatieve effecten op de concurrentiepositie en weglekrisicoās te voorkomen? De leden van de CDA-fractie lezen de evaluatie van de EIA, MIA en Vamil als onderstreping van het belang van deze regelingen om ondernemers te ondersteunen bij verduurzamende en milieuverbeterende investeringen. Deze leden merken op dat in het coalitieakkoord is opgenomen dat de instrumenten worden samengevoegd tot ƩƩn robuuste regeling en vragen de staatssecretaris in deze beweging ook mogelijke verbeteringen en administratieve vereenvoudigingen mee te nemen. Kan de staatssecretaris in de brief die hij na de zomer wil sturen ook de mogelijkheid meenemen om investeringen in clean- en green tech onder de EIA en MIA onder te brengen? De leden van de CDA-fractie hebben nog enkele vragen ten aanzien van prikkels voor circulair plastic. Deze leden merken op dat de Europese markt overspoeld wordt door goedkoop Chinees nieuw plastic, terwijl gebruik van gerecycled plastic flink duurder is. Deze leden vragen wat de voortgang is van initiatieven op EU-niveau om dit aan te pakken. Deze leden vragen de staatssecretaris te reflecteren op de concrete maatregelen die de Plastictafel heeft voorgesteld voor nationale versnelling, waaronder het instrument van de circulaire hefboom. Ook vragen deze leden wat uitvoeringstechnische en budgettaire overwegingen bij de voorstellen zijn. |
|
Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie De leden van de PvdD-fractie vinden fiscale vergroening van cruciaal belang om Nederland strategisch autonomer te maken, weerbaarder en duurzamer. Helaas moeten deze leden constateren dat er nog weinig werk wordt gemaakt van echte fiscale vergroening. Deze leden hebben dan ook nog enkele vragen. De leden van de PvdD-fractie constateren ten aanzien van de landbouw dat uit de studie naar broeikasgasemissiebeprijzing in de veehouderij en akkerbouw blijkt dat financiĆ«le prikkels effectief kunnen zijn in het sturen van verduurzaming binnen de landbouwsector. Deze leden merken op dat in Denemarken een heffing op schadelijk lanndbouwgif wordt toegepast waardoor biologische en duurzame landbouw economisch aantrekkelijker is, het principe āde vervuiler betaaltā wordt gehanteerd en de volksgezondheid en natuurkwaliteit worden bevorderd. Is de staatssecretaris bereid te onderzoeken of een vergelijkbare heffing in Nederland kan worden ingevoerd om duurzame landbouw te stimuleren en het gebruik van schadelijk landbouwgif te reduceren? De leden van de PvdD-fractie zijn ten aanzien van de circulaire economie ervan overtuigd dat we geen circulaire economie kunnen realiseren zonder ons fiscaal systeem te vergroenen. Zolang het duurder is om producten te repareren in plaats van een nieuw product te kopen, ligt de prijsprikkel op de verkeerde plek en stimuleert de prijsprikkel de wegwerpeconomie. Zolang je de prijsprikkel niet verschuift, zal er nooit een gelijk speelveld worden gecreĆ«erd voor Nederlandse circulaire ondernemers, omdat deze niet kunnen opboksen tegen de prijzen van wegwerpproducten uit (vaak) niet-Europese landen. Is de staatsecretaris het met deze leden eens dat het gebrek aan fiscaal stimuleren van een circulaire economie ook de wens naar meer strategische autonomie en Nederlandse bedrijvigheid ondermijnt? Om strategische autonomie en de circulaire economie juist te versnellen kan arbeid goedkoper worden gemaakt en het gebruik van nieuwe grondstoffen meer worden belast. Exātax heeft hier interessante studies naar gedaan, zo constateren deze leden. Het levert banen op, verlaagt milieuschade en maakt de circulaire economie haalbaar. Het vorige kabinet zag vooral beren op de weg. Is het nieuwe kabinet bereid om het model van Exātax mee te nemen in de fiscale hervormingen waar het kabinet mee aan de slag gaat? Zo nee, waarom niet? Is de staatssecretaris bereid om een plan uit te werken om lastenverlichting op arbeid te dekken, aanvullend op de voorgestelde milieubelastingen, aangezien de staatssecretaris aangeeft dat de belastingopbrengsten vanuit milieubelastingen eroderen als zij succesvol blijken? De leden van de PvdD-fractie vragen welke stappen worden gezet voor het snel en laagdrempelig maken van het creĆ«ren van meer investeringsruimte voor circulaire initiatieven? Wil de staatssecretaris snel aan de slag met banken, verzekeraars en investeerders over hoe zij de circulaire en dus de wĆ©l toekomstgerichte businesscase makkelijker kunnen ondersteunen? Is de staatssecretaris bereid om in gesprek te gaan met koplopers op dit gebied, zoals de Kopgroep Circulair Financieren? Denkt de staatssecretaris daarnaast mee over de mogelijkheden van een fiscale vergroening binnen het aanbestedingssysteem, ook op het niveau van lokale overheden, zodat circulaire en inclusieve partijen voorrang krijgen op basis van lokale impact? Gemeenten willen vaak wel circulair aanbesteden, maar missen de kennis en capaciteit om dit vorm te geven. Hoe kan de staatssecretaris, samen met andere departementen, daarbij assisteren? De leden van de PvdD-fractie zien veel goede maatregelen in het overzicht van fiscale prikkels om de circulaire transitie te versnellen, maar in deze maatregelen zien deze leden nog te weinig de erkenning voor het leidende principe āde vervuiler betaaltā. Waarom blijven echte maatregelen uit die dit principe volgen? Hoe kan dit leidende principe steviger worden geborgd? Deze leden vragen ook graag aandacht voor de door de Kamer gesteunde ācirculaire hefboomā, waarbij via een heffing op het gebruik van nieuwe fossiele plastics in eindproducten middelen worden teruggesluisd naar de circulaire materialentransitie, waardoor zowel een prijsprikkel als investeringsruimte ontstaat. Deelt de staatssecretaris de analyse dat een dergelijk instrument kan bijdragen aan opschaling van circulaire bedrijvigheid? Is de staatssecretaris bereid om de doelheffing in dit instrument mogelijk te maken, vanwege de brede politieke Kamermeerderheid (motie Wingelaar (Kamerstuk 32852 nr. 387)) en dit instrument aan de Plastictafel aan te dragen als bijdrage aan een circulaire economie in 2050? De leden van de PvdD-fractie constateren dat in eerdere verkenningen een milieubelasting op drankverpakkingen naar Noors model is uitgewerkt, waarbij de hoogte van de heffing afneemt naarmate producenten hogere inzamelpercentages realiseren en deze bij hoge prestaties zelfs volledig kan vervallen. Deze leden merken op dat dit instrument een directe prikkel geeft voor zowel producentenverantwoordelijkheid als hoogwaardige inzameling en daarmee bijdraagt aan de circulaire economie. Hoe apprecieert de staatssecretaris dit model? Is de staatssecretaris bereid om deze vorm van gedifferentieerde milieubelasting, mede in het licht van de noodzaak om circulaire prikkels te versterken, verder te verkennen en uit te werken? De leden van de PvdD-fractie constateren dat het kabinet stelt dat een verlaagd btw-tarief voor circulaire producten over het algemeen niet doelmatig is, mede vanwege beperkte effectiviteit aan de vraagzijde. Dit staat in schril contrast met de wens van de Kamer (zie aangenomen motie Kostic c.s. over nul procent btw op tweedehands en reparatiediensten juridisch mogelijk maken (Kamerstuk 21 501 08 nr. 977)). Deze leden wijzen er nogmaals op dat een dergelijk instrument in ieder geval bijdraagt aan het voortbestaan van sociale kringloopwinkels, waarvan vele het financieel moeilijk hebben, maar ook helpt het bij het aantrekkelijker maken voor producenten en retailers om tweedehands en circulaire producten aan te bieden. Deelt de staatssecretaris de analyse dat een verlaagd btw-tarief, ondanks beperkte effecten op consumentengedrag, een positieve prikkel kan vormen voor het aanbod van circulaire producten? Is het kabinet bereid om deze aanbodzijde explicieter mee te wegen in de beoordeling van de doelmatigheid van dit instrument? De leden van de PvdD-fractie vragen de staatssecretaris of de staatssecretaris bekend is met de uitdagingen van commerciĆ«le huur waar veel circulaire ondernemers tegenaan lopen? Zeker sociaal- Ć©n circulaire ondernemers zoals kringlooporganisaties kunnen vaak de hoge huren niet opbrengen die gevraagd worden in winkelstraten. Voor gemeenten en vastgoedbeheerders is het vaak niet rendabel om de huren te verlagen voor dit soort maatschappelijke ondernemers, omdat daardoor de vastgoedwaarde daalt. Is de staatssecretaris bereid om naar mogelijkheden te kijken, eventueel samen met zijn collega van VRO, of er fiscale maatregelen doorgevoerd kunnen worden die het voor gemeenten en beheerders mogelijk maken om langdurige contracten aan te bieden tegen verlaagde tarieven zodat circulaire en sociale ondernemers zichtbaar kunnen zijn bij het brede winkelende publiek? Tot slot hebben de leden van de PvdD-fractie nog een vraag over belasting op zware personenautoās. Voormalig staatsecretaris Heijnen gaf op 19 december aan dat hij nader onderzoek wilde doen naar het blijven belasten van het aanschafmoment van personenautoās, en daarbij ook te zullen kijken naar het voertuiggewicht. Wat is de stand van dit onderzoek en is het kabinet van plan om zwaardere autoās ook bij het aanschafmoment meer te belasten? |