[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Kabinetsreactie op de IOB-evaluatie “De vrije zee onder vuur''

Nederlandse deelname aan vredesmissies

Brief regering

Nummer: 2026D14518, datum: 2026-03-27, bijgewerkt: 2026-03-30 09:59, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van kamerstukdossier 29521 -512 Nederlandse deelname aan vredesmissies.

Onderdeel van zaak 2026Z06432:

Preview document (🔗 origineel)


Geachte voorzitter,

Op 3 maart jl. ontving uw Kamer de evaluatie van de Nederlandse inzet op maritieme veiligheid in de Rode Zee, getiteld ‘De vrije zee onder vuur’, opgesteld door de Directie Internationaal Onderzoek en Beleidsevaluatie (IOB) van het ministerie van Buitenlandse Zaken. U ontvangt hierbij de kabinetsreactie op deze evaluatie. De evaluatie ziet op de periode tussen het begin van de Houthi-aanvallen in november 2023 en het vertrek van de Zr.Ms. Karel Doorman uit operatie Aspides op 8 augustus 2024. Deze kabinetsreactie ziet dan ook niet op de huidige ontwikkelingen in de regio; daarover is uw Kamer separaat geïnformeerd.

De eindevaluatie is in lijn met het besluit van het kabinet om eindevaluaties van artikel 100-missies standaard volledig door een onafhankelijke partij te laten uitvoeren.1 De hoofdvraag van de evaluatie is: “in hoeverre zijn de doelen van de geïntegreerde Nederlandse inzet op maritieme veiligheid in het Rode Zeegebied bereikt, hoe kan dit worden verklaard, en welke lessen kunnen worden getrokken voor toekomstige bijdragen aan missies en operaties?” Het kabinet is de IOB erkentelijk voor haar werk.

Context

In november 2023 verslechterde de veiligheidssituatie in de Rode Zee als gevolg van de Houthi-aanvallen vanuit Jemen op de commerciële scheepvaart en marineschepen, waardoor de Rode Zee hoog-risicogebied werd. De Rode Zee is een cruciale schakel in de internationale handelsketen, waardoor het regionale conflict in korte tijd een mondiaal karakter kreeg. Het Houthi-narratief over deze aanvallen was dat deze in solidariteit met de Palestijnse bevolking in Gaza werden uitgevoerd. Houthi-eenheden voerden van november 2023 tot en met december 2024 minstens honderd aanvallen (of pogingen tot aanvallen) uit op commerciële scheepvaart en marineschepen. Daarbij vonden ook gijzelingen van scheepsbemanningen plaats.

Toen de Houthi-aanvallen de internationale scheepvaart steeds ernstiger verstoorden, werden drie operaties opgestart waarvoor Nederland om een bijdrage werd verzocht: 1) de VS-geleide Operatie Prosperity Guardian (OPG), met een defensief mandaat opgericht onder het Combined Maritime Forces (CMF) in Bahrein, 2) Operatie Poseidon Archer (OPA), een VS-geleide operatie met offensief mandaat, gericht op het verminderen van de militaire capaciteit van de Houthi’s, en 3) EUNAVFOR Aspides, opgericht door de EU met een defensief mandaat. Nederland droeg gedurende de evaluatieperiode eveneens met enkele stafofficieren bij aan de regionale hoofdkwartieren, waaronder aan de CMF.

De IOB heeft de hoofdvraag beantwoord aan de hand van drie deelthema’s: i) besluitvorming en opzet, ii) uitgevoerde activiteiten en bereikte resultaten, en iii) doelrealisatie van de gepleegde inzet.

De IOB gaat in op het besluitvormingsproces rondom de Nederlandse bijdrage van stafofficieren op de hoofdkwartieren en de inzet van Zr.Ms. Tromp (TRMP) en Zr.Ms. Karel Doorman (DMAN) binnen OPG en Aspides, en op de niet-operationele militaire steun aan OPA. De doelstelling van de Nederlandse inzet in OPG en Aspides om ‘bij [te] dragen aan het bevorderen van vrije doorvaart en bescherming van scheepvaart in de Rode Zee’ kwam volgens de IOB nauw overeen met de operatiedoelen. De IOB stelt vast dat er sprake was van realisme in de artikel 100-brieven over de Nederlandse maritieme inzet in de Rode Zee. Ook gaat de IOB in op de uitgevoerde activiteiten en bereikte resultaten van de operaties als zodanig en de Nederlandse bijdrage daaraan. Binnen OPG droeg TRMP bij aan beeldopbouw, terwijl DMAN Aspides vooral logistiek en medisch ondersteunde en tijdelijk het Force Headquarters (FHQ) huisvestte. De inzet van een stafofficier binnen het Combined Air Operations Center (CAOC) in Qatar, waarmee Nederland niet-operationele steun verleende aan OPA, leverde Nederland een informatiepositie op met een duidelijke toegevoegde waarde. Nederland schaakte hiermee op diverse borden tegelijk.

Ten aanzien van randvoorwaarden voor effectief operationeel optreden – van het inrichten van logistieke steunpunten tot het verkrijgen van een goede informatiepositie en solide commandovoering – ziet de IOB ruimte voor verbetering, zeker bij militair optreden in EU-verband. Ook wijst de IOB op het belang van inspelen op asymmetrische oorlogvoering met goedkope middelen. Met een single set of forces, waaraan in vele operatiegebieden wereldwijd behoefte bestaat, is de beschikbaarheid van capaciteiten (ook voor partnerlanden) een bekend punt van zorg. Tevens gaat de IOB uitvoerig in op andere uitdagingen binnen (de Nederlandse bijdrage aan) Aspides, zoals het beperkte aantal schepen in de operatie.

Ook gaat de IOB in op de diplomatieke inzet van Nederland, zowel in EU- en VN-verband als bilateraal. De IOB constateert dat Nederland diplomatieke resultaten heeft geboekt, ondanks de beperkte Nederlandse invloedssfeer en het minimale diplomatieke momentum rond de Rode Zee. Een vreedzame oplossing van het conflict in Jemen en de-escalatie in de regio bleven in de evaluatieperiode achterwege, hetgeen buiten de Nederlandse invloedssfeer ligt.

Op basis van de integrale contextanalyse gaat de IOB conform de hoofdvraag in op de doelrealisatie van de Nederlandse bijdragen in het Rode Zeegebied. De IOB stelt dat het kabinet vooraf gepaste, bescheiden verwachtingen had over de invloed van de Nederlandse diplomatieke en militaire inzet. De IOB constateert echter ook dat de vrije doorvaart niet duurzaam is hersteld. Wel heeft dankzij begeleiding en escorte scheepvaartverkeer kunnen plaatsvinden en zijn aanvallen afgeslagen. Daarnaast kon het ingrijpen tegen de belemmering van de vrije doorvaart veelal rekenen op begrip, ook in de regio, zo constateert de IOB.

Het kabinet kan zich grotendeels vinden in de analyses en conclusies van deze evaluatie. Hieronder reflecteert het kabinet op de analyse, (deel)conclusies en aanbevelingen in de evaluatie.

Conclusies

  1. Er was een discrepantie tussen de bescheiden Nederlandse doelstellingen van de militaire bijdragen en de ambitieuze operatiedoelstellingen.

Voor het kabinet speelden diverse overwegingen voor het bijdragen aan de verschillende missies en operaties in de Rode Zee. Het kabinet beoogde onder meer bij te dragen aan het handhaven en bevorderen van de internationale rechtsorde, specifiek met betrekking tot het beginsel van de vrijheid van scheepvaart of navigatie. Ook beoogde het kabinet een proportionele bijdrage te leveren aan voor Nederland belangrijke bondgenootschappen, zich hierin een betrouwbare partner te tonen door verantwoordelijkheid te nemen en bij te dragen aan het versterken van de EU als geopolitieke speler. Tot slot wenste het kabinet een bijdrage te leveren aan het effectief beschermen van vrijheid van scheepvaart of navigatie, met als concreet effect dat diverse aanvallen op de scheepvaart in de Rode Zee werden afgeslagen. De aanwezigheid van marineschepen in de Rode Zee zou aan de Houthi’s het signaal afgeven dat het belemmeren van de vrijheid van scheepvaart of navigatie onacceptabel is. In de artikel 100-brief ging het kabinet dan ook in op deze gronden voor deelname.

Het kabinet erkent dat helder onderscheid noodzakelijk is tussen a) de strategische doelstelling, b) de operatiedoelstelling die expliciteert wat de (internationale) operatie wil bereiken, en c) de doelstellingen van de Nederlandse bijdragen. In de communicatie met de Kamer heeft het kabinet realistisch en precies willen zijn over wat het met de Nederlandse bijdrage beoogde. In die communicatie is benoemd dat Nederland binnen OPG en Aspides wilde bijdragen aan het bevorderen van vrije doorvaart en de bescherming van scheepvaart in de Rode Zee; maar is ook expliciet ingegaan op de verwachte beperkte effecten van de inzet.2

Operatiedoelstellingen moeten tevens realistisch en haalbaar zijn. Het diplomatiek en militair opereren binnen een (militaire) coalitie blijft in de praktijk complex aangezien Nederland een betekenisvolle, maar niet altijd een doorslaggevende stem heeft. Het kabinet spant zich, wanneer het betrokken is bij vormgeving van een missie of operatie, in voor realistische en haalbare strategische- en operatiedoelstellingen en voor het daarbij maken van onderscheid met de doelstellingen van de Nederlandse bijdrage. In de artikel 100-brief van 8 maart 2024 heeft het kabinet het onderscheid tussen de Nederlandse strategie en de doelstellingen van de internationale missies wel benoemd, maar had het dit nog explicieter en specifieker kunnen verwoorden.

  1. De doelstellingen van de Nederlandse militaire bijdragen zijn grotendeels bereikt.

Het kabinet heeft bewust ingezet op realisme door bij de geformuleerde doelstelling van de Nederlandse bijdrage tevens aan te geven wat de beoogde effecten en de beperkingen hierin waren. Het kabinet heeft aangegeven dat de inzetduur beperkt was en daarmee ook het effect van de Nederlandse bijdrage. Dit was in lijn met aanbevelingen uit voorgaande IOB-evaluaties.3 In een complexe en volatiele context dienen ambities en doelstellingen in verhouding te staan tot de in te zetten middelen. Het kabinet constateert dat hierin in de afgelopen jaren stappen zijn gezet en waardeert de erkenning van de IOB dat er sprake was van realisme.

Het kabinet onderschrijft ook de conclusie dat de Nederlandse inbreng goed aansloot op de behoeften binnen de missies; eveneens een aandachtspunt uit eerdere IOB-evaluaties. Het opereren in een hoog-geweldsspectrum in internationaal verband leverde daarnaast relevante operationele ervaring op.

  1. Nederland is flexibel omgegaan met veranderende omstandigheden.

Doordachte politiek- en militair-strategische analyses en planningen blijven van fundamenteel belang voor het formuleren van doelstellingen en effecten, en voor de operationele planning en uitvoering van missies en operaties. Tegelijk beaamt het kabinet dat in een veranderlijke en volatiele geopolitieke context, flexibiliteit en wendbaarheid van toenemend belang zijn. Dat betekent dat bij artikel 100-inzetten moet kunnen worden ingespeeld op zowel kansen als bedreigingen. Het kabinet constateert dat dit bij de inzet van TRMP en DMAN grotendeels is gelukt.

Het verzoek om het Aspides FHQ aan boord van DMAN te huisvesten werd tijdens de inzet ontvangen. Dit bood Nederland de kans tot een meer impactvolle bijdrage aan de missie en ook de effectiviteit daarvan te bevorderen. Ook de inzet van de TRMP speelde in op specifieke behoeften voor beeldopbouw van de missie, om luchtdreiging tegen te gaan.

  1. De ambitieuze operatiedoelen van Operatie Prosperity Guardian en Aspides zijn slechts zeer gedeeltelijk bereikt.

Met verwijzing naar het antwoord op conclusies 1 en 2, erkent het kabinet dat de operatiedoelen van OPG en Aspides – het ‘herstellen’ (OPG) of ‘handhaven’ (Aspides) van de vrijheid van scheepvaart of navigatie en bijdragen aan maritieme veiligheid – ambitieus waren en tot op heden slechts in beperkte mate zijn gerealiseerd. Hoewel de operaties hebben bijgedragen aan het mogelijk maken van scheepvaart door de Rode Zee, onder meer via begeleiding door marineschepen, is geen duurzame oplossing gecreëerd. Dit resultaat is in lijn met de vooraf door het kabinet geschetste verwachtingen over het doelbereik van zowel de Nederlandse bijdragen als de internationale operaties als geheel. Om deze reden zette Nederland naast de militaire inspanningen ook in op een diplomatiek spoor, zoals nader toegelicht onder conclusie 8. Het kabinet onderschrijft daarbij de observatie dat een artikel 100-brief realistisch dient te communiceren over de beoogde effecten van een operatie zonder daarbij het afschrikwekkende signaal van de beoogde inzet te ondermijnen. In de huidige geopolitieke context moet daarnaast ook rekening gehouden worden met de mate waarin operationele informatie openbaar gemaakt kan worden.

De operatiedoelen van Aspides zijn tot stand gekomen op basis van besprekingen in de EU. Nederland heeft in dit verband, als onderdeel van het grotere geheel, gepleit voor realisme en effectiviteit. OPG is destijds onder leiding van de VS tot stand gekomen; Nederland stapte in deze reeds lopende operatie in.

Het kabinet benadrukt dat er mede dankzij begeleiding en escorte scheepvaartverkeer heeft kunnen plaatsvinden en er aanvallen zijn afgeslagen. Daarbij kon ingrijpen tegen de belemmering van de vrije doorvaart ook vanuit de regio veelal rekenen op begrip, zoals ook de IOB constateert.

  1. Verschillende factoren belemmerden de effectiviteit van Operatie Prosperity Guardian en Aspides.

De operaties OPG en Aspides richtten zich primair op bescherming van scheepvaart en niet op het wegnemen van de onderliggende oorzaken van de onveiligheid, te weten de militaire capaciteit en intenties van de Houthi’s. Zoals ook aangegeven in conclusie 4 onderschrijft het kabinet, in lijn met de bevindingen van de IOB, dat deelname aan deze coalities maar beperkt effect heeft gehad op het wegnemen van de oorzaak van de aanvallen.

De evaluatie laat zien dat meerdere factoren de effectiviteit van de operaties beperkten. Het beperkte aantal beschikbare schepen, uiteenlopende nationale restricties, de wijze van aansturing en tekortschietende inlichtingenuitwisseling – met name in EU-verband – maakten continue en gebiedsdekkende bescherming onhaalbaar. Het kabinet zet zich reeds in voor de implementatie van de lessen die voortkomen uit de voorbereiding en uitvoering van de inzet. Zo heeft bijvoorbeeld de indeling van het operatiegebied in zones van dreiging bijgedragen aan het veiliger en efficiënter inzetten van personeel en middelen. Ook zijn gaandeweg en na afloop van de inzetperioden lessen geïdentificeerd op scheepsniveau, onder meer aangaande versleutelde communicatie en logistieke ondersteuning. Samenwerking (interoperabiliteit) tussen operaties en synergie tussen partnerlanden binnen operaties blijft daarbij nadrukkelijk een punt van aandacht.

  1. Het afgegeven signaal had geen zichtbaar effect op de Houthi’s.

Het kabinet hechtte er belang aan dat Nederland zich aansloot bij het internationale signaal dat het belemmeren van vrijheid van scheepvaart of navigatie onacceptabel is. Tegelijkertijd heeft het kabinet in de artikel 100-brieven de verwachting uitgesproken dat de Houthi’s een sterke intentie zouden blijven houden om de scheepvaart op de Rode Zee te bedreigen. In de geëvalueerde periode heeft OPA verschillende militaire capaciteiten van de Houthi’s aangegrepen die een directe bedreiging vormden voor de scheepvaart. Het bredere handelingsvermogen van de Houthi’s werd daarentegen beperkt aangetast. Lange termijneffecten waren in deze context moeilijk in te schatten. Verder erkent het kabinet enerzijds dat militaire druk op de Houthi’s hen een internationaal podium gaf, maar anderzijds geldt ook dat inactiviteit een ongewenst signaal zou zijn geweest, met mogelijk verder verminderd scheepvaartverkeer als gevolg.

  1. De Houthi’s hebben laten zien dat het mogelijk is met beperkte middelen maritieme knelpunten te blokkeren en westerse landen onevenredige kosten op te leggen.

Wereldwijd is een toename zichtbaar van asymmetrische oorlogvoering, waarbij zowel statelijke als non-statelijke actoren steeds meer gebruik maken van goedkope, eenvoudige en vaak onbemande systemen om maximale schade en impact te creëren. De Houthi’s zijn een voorbeeld van een non-statelijke actor die, hoewel fors gesteund door Iran, met relatief beperkte middelen een groot geostrategisch effect en hoog dreigings- en geweldsniveau heeft bewerkstelligd, wat noopte tot de inzet van geavanceerde wapensystemen. Een zo effectief mogelijke aanpak van actoren als de Houthi’s vraagt om innovatie en nauwe samenwerking met like-minded landen, alsook in multilateraal verband. Nederland zet in op versterking van de Jemenitische overheid als tegenwicht tegen de Houthi’s, gecombineerd met een gerichte EU-inzet op het aanpakken van hun internationale financiële en wapensmokkelnetwerken. Nederland draagt daarnaast bij aan het VN-verificatiemechanisme van het wapenembargo tegen Jemen (UNVIM). Via het uitvoeren van inspecties draagt UNVIM bij aan het tegengaan van wapensmokkel richting de Houthi’s. In EU-verband pleit Nederland voor gerichte individuele sancties en een EU-terrorismelisting van de Houthi's.

  1. Ondanks de beperkte Nederlandse invloedssfeer en het minimale diplomatieke momentum, heeft Nederland diplomatieke resultaten geboekt; wel bleven vrede in Jemen en de-escalatie in de regio in de evaluatieperiode buiten zicht.

Nederland heeft zich, zoals de IOB constateert, bilateraal en in multilateraal verband diplomatiek ingespannen voor stabiliteit in Jemen en veiligheid in het Rode Zeegebied. Daarbij zijn bescheiden resultaten bereikt, ondanks de weerbarstige context. Zo heeft Nederland herhaaldelijk binnen de EU gepleit voor het toevoegen van een diplomatiek spoor, onder andere middels een Senior Civil Representative aan Aspides. Toen dit niet mogelijk bleek – door tegenstand van enkele lidstaten omwille van nationale afwegingen zoals toegelicht door de IOB – ondernam Nederland andere stappen om de EU aan te zetten tot een gecoördineerde diplomatieke aanpak. Nederland speelde een aanjagende rol richting de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) in het uitwerken van Europese handelingsopties gericht op onder andere het nauwer betrekken van de Golflanden bij de Rode Zeecrisis en het tegengaan van de wapenproliferatie naar de Houthi’s. Nederland speelde tevens een constructieve rol in het uitbreiden van het mandaat van de EU Speciaal Gezant voor de Golfstaten met de portefeuille maritieme veiligheid, en het verbreden van bestaande EU sanctie-instrumenten om de dreiging van de Houthi’s effectiever tegen te kunnen te gaan. Zoals de evaluatie stelt, is Nederland zich er gedurende de inzet van bewust dat een vreedzame oplossing van het conflict in Jemen en de-escalatie in de regio grote politieke doelen zijn die Nederland niet alleen kan bereiken.

Aanbevelingen

  1. Bespreek in de artikel 100-brief de beperkte invloed van Nederland op de operatiedoelstellingen en de haalbaarheid van de operatie(s).

Het kabinet onderschrijft het belang om in artikel 100-brieven waar relevant expliciet stil te staan bij de beperkte Nederlandse invloed op operatiedoelstellingen en bij de haalbaarheid van operaties. In de artikel 100-brief van 8 maart 2024 gaf het kabinet bijvoorbeeld aan dat OPG “geen formele structuur [kent] van waaruit Nederland invloed uitoefent op wat de operatie kan en mag doen, dit is aan de deelnemende landen zelf.” Voor de toekomst blijft ook hier realisme geboden, zoals ook toegelicht onder (deel)conclusie 1 en 2: als één van (soms) vele betrokken landen heeft Nederland een betekenisvolle, maar niet altijd doorslaggevende stem.

  1. Zet binnen de EU in op de ontwikkeling van capaciteiten om militair effectiever in EU-verband te kunnen opereren.

Het kabinet streeft naar het versterken van de EU als geopolitieke speler en het Gemeenschappelijk Veiligheids- en Defensiebeleid (GVDB) als instrument daarvan. Het kabinet onderschrijft ook de aanbeveling van IOB dat dat concrete bijdragen aan GVDB-missies en operaties en versterking van de bijbehorende structuur vereist. Het kabinet streeft aanhoudend naar een proportionele bijdrage aan GVDB-missies; de bijdrage aan Aspides was daarvan een voorbeeld.

Het kabinet zet daarbij in op een realistisch ambitieniveau van EU GVDB-missies, ook omdat deze momenteel tegen de grenzen van beschikbare capaciteiten aanlopen.4 Het kabinet zet daarom in Europees verband tevens in op het vergroten van de effectiviteit van militaire en civiele GVDB-missies en -operaties, onder andere door te pleiten voor betere aansluiting bij de veiligheidsbelangen van de EU, heldere en realistische mandaten en doelen, voldoende capaciteiten om deze te bereiken en afschaling of sluiting van missies waar dat opportuun is. Dit doet het kabinet zowel in brede zin in overkoepelende discussies over het GVDB, als op individueel missie- en operatie-niveau.

Het kabinet spant zich in EU-verband in voor het verbeteren van de effectiviteit van en synergie tussen EU-missies zoals Aspides en Atalanta, en voor het bevorderen van de hiervoor benodigde randvoorwaarden zoals gedegen communicatiesystemen en samenwerking op het gebied van inlichtingen. Bij de recente besprekingen over de strategische herziening van operatie Aspides in het Politiek en Veiligheidscomité heeft Nederland meermaals gepleit voor verdere verdieping van de synergiën tussen de maritieme EU-operaties Aspides en Atalanta, zoals toewerken naar eenduidige aansturing van de maritieme EU-missies vanuit de Military Planning and Conduct Capability (MPCC), teneinde de effectiviteit van de maritieme EU-inzet in het Rode Zeegebied te verhogen en de positie van de EU in de regio te versterken.

  1. Blijf investeren in efficiëntere verdedigingsmiddelen voor asymmetrische oorlogen met goedkope drones en raketten.

Defensie investeert sinds enkele jaren al in innovatieve en efficiënte verdedigings- en aanvalsmiddelen waarmee tegen minimale kosten maximale effecten bereikt kunnen worden. Zo investeert Defensie onder meer fors in zowel de inzet van als de verdediging tegen onbemande systemen. Dit is onder meer noodzakelijk in het kader van de bredere inzet van Nederland en Europese bondgenoten om een grotere Europese verantwoordelijkheid binnen de NAVO te nemen. De EU kan hier een belangrijke rol in spelen door onder meer industrie-ontwikkeling aan te jagen en samenwerking te bevorderen. Daarbij is Nederland samen met Letland en Kroatië lead-nation op de Priority Capability Area (PCA) drones en counterdrones, voortkomend uit de White Paper for European Defence – Readiness 2030.

  1. Als er verschillende internationale militaire inspanningen in een voor Nederland belangrijk conflict actief zijn, kan het strategisch zijn dat Nederland aan de verschillende operaties bijdraagt.

Het kabinet onderschrijft deze aanbeveling, met een kanttekening. Deelname aan de verschillende operaties bood Nederland de gelegenheid om bij te dragen aan verschillende bondgenootschappen waar het kabinet waarde aan hecht. Ook bood dit het kabinet een waardevolle informatiepositie. Daarnaast kan het bijdragen aan diverse militaire inspanningen de samenhang en operationele effectiviteit daarvan vergroten. Daarbij noemt de IOB voldoende langdurig commitment terecht als aandachtspunt, ook als het gaat om de uitzendduur van stafofficieren.

Er zijn echter ook gevallen denkbaar waarin dit kan leiden tot versnippering van capaciteiten. Samen met partnerlanden wordt telkens opnieuw gekeken naar waar de Nederlandse bijdrage met mensen en/of middelen de grootste meerwaarde heeft in het licht van strategische- en operatiedoelen.

  1. Speel diplomatiek flexibel in op veranderend politiek-militair momentum.

Het kabinet onderschrijft, zoals ook aangegeven in conclusie 3, dat de huidige mondiale instabiliteit een hoge mate van flexibiliteit vergt ter bevordering van de internationale rechtsorde en de Nederlandse belangen wereldwijd. Dat geldt ook in het Rode Zeegebied, zoals de huidige ontwikkelingen in de Midden-Oostenregio eens te meer duidelijk maken.

De minister van Buitenlandse Zaken,





T.B.W. Berendsen

De minister van Defensie,

Dilan Yeşilgöz-Zegerius


  1. Kamerstuk 27 925 nr. 721 van 20 mei 2020↩︎

  2. Kamerbrief artikel 100-bijdrage aan maritieme veiligheid Rode Zee, 8 maart 2024 (Kamerstuk 29521 nr. 471).↩︎

  3. Onder meer de IOB-evaluaties over de Nederlandse bijdrage aan MINUSMA (2022) en Resolute Support (2023).↩︎

  4. Zie ook de kabinetsappreciatie van het Clingendaelrapport over de toekomst van EU-missies (Kamerstuk 21 502 nr. 28).↩︎