Mogelijkheden onderzoek gezondheidseffecten beroepsmatige blootstelling aan bestrijdingsmiddelen
Arbeidsomstandigheden
Brief regering
Nummer: 2026D14909, datum: 2026-03-31, bijgewerkt: 2026-04-01 15:42, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: A.A. Aartsen, minister van Werk en Participatie (Ooit VVD kamerlid)
- Kennisnotitie 'Mogelijkheden voor onderzoek naar gezondheidseffecten van beroepsmatige blootstelling aan bestrijdingsmiddelen
- Beslisnota bij Kamerbrief Mogelijkheden onderzoek gezondheidseffecten beroepsmatige blootstelling aan bestrijdingsmiddelen
Onderdeel van kamerstukdossier 25883 -547 Arbeidsomstandigheden.
Onderdeel van zaak 2026Z06591:
- Volgcommissie: vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- 2026-04-01 13:10: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-04-07 16:30: Procedurevergadering Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Procedurevergadering), vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Preview document (🔗 origineel)
25883 Arbeidsomstandigheden
27858 Gewasbeschermingsbeleid
28089 Gezondheid en milieu
Nr. 547 Brief van de minister van Werk en Participatie
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 31 maart 2026
Hierbij informeer ik uw Kamer over een haalbaarheidsonderzoek dat het RIVM heeft uitgevoerd. Het RIVM onderzocht de mogelijkheden om gezondheidseffecten van bestrijdingsmiddelen te bestuderen bij agrariërs en andere mensen die hieraan beroepsmatig blootgesteld worden. Directe aanleiding voor dit onderzoek was de motie van het lid Tjeerd de Groot uit juni 20231 die de regering verzocht om op grond van statistisch onderzoek te bezien of Parkinson moet worden aangewezen als beroepsziekte onder landbouwers. In deze brief geef ik mijn reactie op het onderzoek en licht ik de aanleiding en de belangrijkste bevindingen toe.
Het RIVM concludeert dat een agrarisch cohortonderzoek het meest geschikt is om gezondheidseffecten van beroepsmatige blootstelling aan bestrijdingsmiddelen te bestuderen. In zo’n onderzoek volgen onderzoekers gedurende minimaal 10 tot 20 jaar een grote groep werkenden in de agrarische sector.
Na weging van alle factoren heb ik besloten om het RIVM niet te vragen een dergelijk cohortonderzoek op te zetten. De motie De Groot vormde de directe aanleiding voor het haalbaarheidsonderzoek en vroeg de regering te bezien of Parkinson kan worden aangewezen als beroepsziekte onder landbouwers. De onafhankelijke Adviescommissie Lijst beroepsziekten (ALb) werkt aan een advies over de mogelijke toevoeging van Parkinson aan de regeling Tegemoetkoming Stoffengerelateerde Beroepsziekten (TSB-regeling). Tegelijkertijd voeren andere landen al agrarische cohortstudies uit. Deze studies leveren kennis op die ook relevant kan zijn voor de Nederlandse situatie, bijvoorbeeld voor het bevorderen van gezond en veilig werken met bestrijdingsmiddelen. Gezien het aankomende advies van de ALb, de lopende cohortonderzoeken in andere landen en het feit dat een nieuw cohortonderzoek een grote investering in tijd en middelen vraagt (van zowel de overheid als de sector) heb ik besloten om het RIVM niet te vragen om zo’n onderzoek in Nederland op te starten.
Toelichting
Aanleiding haalbaarheidsonderzoek
Al langere tijd bestaat er onrust en leven er vragen over de relatie tussen blootstelling aan bestrijdingsmiddelen en ziekten als Parkinson. De genoemde motie van het lid De Groot verzocht de regering om op grond van statistisch onderzoek te bezien of Parkinson moet worden aangewezen als beroepsziekte onder landbouwers. Met dit type onderzoek kunnen verschillende gezondheidseffecten in relatie tot werk in de agrarische sector worden onderzocht. Hierbij wordt de ziekte van Parkinson ook meegenomen. Het RIVM heeft dit haalbaarheidsonderzoek uitgevoerd op verzoek van mijn ministerie, mede namens de ministeries van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) en Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS).
Agrarisch cohortonderzoek
Het RIVM concludeert dat een agrarisch cohortonderzoek het meest geschikt is om gezondheidseffecten van beroepsmatige blootstelling aan bestrijdingsmiddelen te onderzoeken. In een cohortonderzoek volgen onderzoekers een grote groep werkenden in de agrarische sector gedurende langere tijd. Bij de start en tijdens het onderzoek inventariseren onderzoekers blootstellingen aan bestrijdingsmiddelen en registreren eventuele ziekten of gezondheidsproblemen. Zo kunnen ziektegevallen en gezondheidsproblemen in verband worden gebracht met blootstelling aan bestrijdingsmiddelen en aan specifieke (groepen van) middelen of werkzame stoffen.
Een cohortonderzoek is geschikt om verschillende typen gezondheidseffecten te bestuderen. Dit sluit aan bij de vraag vanuit de ministeries om te bekijken hoe diverse gezondheidseffecten van bestrijdingsmiddelen onderzocht kunnen worden. En niet te focussen op één of enkele ziekten. Daarnaast kan je met dit type onderzoek ook andere vragen over gezondheid in relatie tot werk in de agrarische sector bestuderen.
Nadeel van een cohortonderzoek is dat een zeer grote groep agrariërs en andere beroepsmatig blootgestelde mensen nodig is voor voldoende statistische zeggingskracht. Het RIVM geeft aan dat ongeveer 30.000 agrariërs moeten deelnemen aan dit onderzoek. En dat dit in Nederland haalbaar is, aangezien er ongeveer 120.000 mensen op stabiele basis werken in de agrarische sector.2 Om 30.000 mensen te bereiken is medewerking van belanghebbende partijen en uitgebreide communicatie essentieel. Het is daarom belangrijk om de brancheorganisaties en hun adviseurs om medewerking te vragen om vertrouwen op te bouwen en aandacht te vragen voor het belang van zo’n onderzoek.
Tot slot geeft het RIVM aan dat een grote investering van mensen en tijd nodig is voor het opzetten en onderhouden van een infrastructuur en (vervolg)contacten. Het RIVM schat dat een cohortonderzoek 2,5 miljoen euro kost in de opstartfase van drie jaar. Het vervolgens blijven volgen van de deelnemers, bijvoorbeeld elke 5 tot 10 jaar, kost ongeveer 1 miljoen euro per volgronde.
Onderzoek naar Parkinson
Directe aanleiding voor het haalbaarheidsonderzoek was de genoemde motie van het lid De Groot die de regering verzocht om op grond van statistisch onderzoek te bezien of Parkinson moet worden aangewezen als beroepsziekte onder landbouwers. Bij Parkinson als beroepsziekte is relevant dat de ALb mijn ministerie hierover naar verwachting dit najaar adviseert. Deze commissie geeft dan aan of Parkinson aan de TSB-regeling kan worden toegevoegd. De motie van de leden Podt en Grinwis3 vroeg hierom. De ALb heeft eerder geadviseerd dat Parkinson mogelijk toegevoegd kan worden aan de TSB-regeling. Voor een definitief advies moet de ALb eerst de laatste stand van wetenschap in kaart brengen en beoordelen of een protocol kan worden ontwikkeld voor de beoordeling van aanvragen voor de TSB bij Parkinson.
Cohortstudies in andere landen
Uit het RIVM-haalbaarheidsonderzoek blijkt dat in andere landen al agrarische cohortonderzoeken lopen. Bijvoorbeeld in Noorwegen, de Verenigde Staten, Frankrijk en Denemarken. De vraag is in hoeverre een aanvullend cohortonderzoek in Nederland extra inzichten zou opleveren. Dit maakt het misschien wel mogelijk om conclusies te trekken die specifiek zijn voor de Nederlandse situatie. Want hier vindt bijvoorbeeld intensieve landbouw plaats op een relatief klein oppervlak. Tegelijkertijd leveren lopende onderzoeken in andere landen inzichten op die ook relevant kunnen zijn voor de Nederlandse situatie.
Praktische haalbaarheid en kosten cohortonderzoek
Een cohortonderzoek vraagt om een grote investering in tijd en middelen, van zowel de overheid als de sector. De financiering moet voor de gehele looptijd van de cohortstudie worden gegarandeerd om het onderzoek af te ronden. Op dit moment zijn hiervoor geen middelen beschikbaar. Daarnaast brengt een cohortonderzoek ook aanzienlijke praktische uitdagingen met zich mee. Ongeveer 30.000 agrariërs moeten minimaal 10 jaar bereid zijn om deel te nemen aan dit onderzoek. Dat is ongeveer een kwart van de totale groep mensen die op stabiele basis in de agrarische sector werkt.
Afrondend
Alles afwegend heb ik besloten het RIVM niet te vragen om een agrarisch cohortonderzoek in Nederland op te starten. Mocht een andere partij, zoals een wetenschappelijk instituut of sectororganisatie, het initiatief willen nemen voor een dergelijke studie, dan ben ik bereid te verkennen welke rol mijn ministerie daarbij kan spelen.
De minister van Werk en Participatie,
A.A. Aartsen
Kamerstukken II, 2022-2023, 21501-32, nr. 1544.↩︎
Op basis van gegevens van het CBS heeft het RIVM geanalyseerd dat over de jaren 2022 en 2023 ruim 300.000 mensen in Nederland ten minste 1 maand werkzaam in de agrarische sector waren, waarvan bijna 200.000 in beide jaren. Hiervan vormden ongeveer 120.000 een stabiele groep die gedurende alle 24 maanden van die 2 jaren dezelfde positie in agrarisch werk hadden. Deze stabiele groep kan de doelpopulatie van een agrarisch cohort vormen.↩︎
Kamerstukken II, 2023-2024, 27858, nr. 670.↩︎