Nota van wijziging
Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs en de Wet financiering sociale verzekeringen teneinde aan flexibele arbeidskrachten meer zekerheden te verschaffen over werk en inkomen (Wet meer zekerheid flexwerkers)
Nota van wijziging
Nummer: 2026D15004, datum: 2026-04-02, bijgewerkt: 2026-04-02 11:37, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: J.A. Vijlbrief, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Ooit D66 kamerlid)
- Aanbiedingsbrief
- Beslisnota bij de Nota van wijziging inzake Wet meer zekerheid flexwerkers (Kamerstuk 36746)
Onderdeel van kamerstukdossier 36746 -9 Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs en de Wet financiering sociale verzekeringen teneinde aan flexibele arbeidskrachten meer zekerheden te verschaffen over werk en inkomen (Wet meer zekerheid flexwerkers) .
Onderdeel van zaak 2025Z09689:
- Volgcommissie: vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-03-24 17:00 ⇒ Ter informatie. (Besluit)
- 2026-01-14 13:45 ⇒ Agenderen voor plenair debat. (Besluit)
- 2026-01-13 16:30 ⇒ Niet controversieel verklaren. (Besluit)
- 2026-01-13 16:30 ⇒ Aanmelden voor plenaire behandeling. (Besluit)
- 2025-09-10 14:00 ⇒ Inbreng geleverd. (Besluit)
- 2025-07-01 16:45 ⇒ Inbrengdatum voor het verslag vaststellen op 10 september 2025 om 14.00 uur. (Besluit)
- 2025-06-18 17:30 ⇒ Niet controversieel verklaren. (Besluit)
- 2025-05-20 16:10 ⇒ Koninklijke boodschap, met de erbij behorende stukken, is al rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2025-05-20 16:10 ⇒ In handen gesteld van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Besluit)
Onderdeel van zaak 2026Z06632:
- Volgcommissie: vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- 2025-05-20 16:10: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2025-06-18 17:30: Extra procedurevergadering commissie SZW (groslijst controversieel verklaren) (Procedurevergadering), vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- 2025-07-01 16:45: Procedures en brieven SZW (Procedurevergadering), vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- 2025-09-10 14:00: Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs en de Wet financiering sociale verzekeringen teneinde aan flexibele arbeidskrachten meer zekerheden te verschaffen over werk en inkomen (Wet meer zekerheid flexwerkers) (Inbreng verslag (wetsvoorstel)), vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- 2026-01-13 16:30: Procedurevergadering Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Procedurevergadering), vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- 2026-01-14 13:45: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-03-24 17:00: Procedurevergadering Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Procedurevergadering), vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- 2026-04-07 16:30: Procedurevergadering Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Procedurevergadering), vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Preview document (🔗 origineel)
Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs en de Wet financiering sociale verzekeringen teneinde aan flexibele arbeidskrachten meer zekerheden te verschaffen over werk en inkomen (Wet meer zekerheid flexwerkers)
Nota van wijziging
Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel I, onderdeel N, wordt in het voorgestelde artikel 668a, vijftiende lid, ‘lid 15 of lid 16’ vervangen door ‘lid 13 of 14’.
B
In artikel I wordt na onderdeel O een onderdeel ingevoegd, luidende:
Oa
In artikel 671c, vierde lid, wordt ‘lid 8’ vervangen door ‘lid 7’.
C
In artikel I wordt na onderdeel P een onderdeel ingevoegd, luidende:
Pa
In artikel 677, zesde lid, wordt ‘lid 8’ vervangen door ‘lid 7’.
D
Artikel V wordt als volgt gewijzigd:
1. De aanhef komt te luiden:
Na artikel 227 van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek worden twee artikelen ingevoegd, luidende:
2. Het voorgestelde artikel 228, vijfde lid, komt te luiden:
5. Artikel 668a, eerste, vijfde en zesde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop artikel I, onderdeel N, subonderdelen 2 en 3, van de Wet meer zekerheid flexwerkers in werking treedt, blijft van toepassing op een op dat moment geldende collectieve arbeidsovereenkomst of regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan waarin aan artikel 668a, vijfde of zesde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, toepassing is gegeven voor zover het arbeidsovereenkomsten betreft waarop deze op dat moment van toepassing was, voor de duur van de looptijd van de collectieve arbeidsovereenkomst of regeling, maar ten hoogste gedurende twaalf maanden na die inwerkingtreding.
3. Na het voorgestelde artikel 228 wordt een nieuw artikel toegevoegd, luidende:
Artikel 229
1. Voor de werknemer die diensten verricht ten behoeve van het huishouden van de natuurlijke persoon tot wie hij in dienstbetrekking staat in de gevallen dat de diensten worden betaald uit een Zvw-pgb als bedoeld in artikel 13a van de Zorgverzekeringswet, of een persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 3.3.3 van de Wet langdurige zorg, artikel 2.3.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, of artikel 8.1.1 van de Jeugdwet blijft, tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, gelden dat:
a. artikel 228, lid 1, niet van toepassing is;
b. artikel 628ab van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing is;
c. artikel 628ac, leden 4 tot en met 8, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing is; en
d. voor de toepassing van artikel 667, vierde lid, en 668a, eerste lid, voor “60 maanden” wordt gelezen “zes maanden”.
Toelichting
De wijzigingen in de onderdelen A tot en met C betreffen technische aanpassingen van onjuiste verwijzingen in de wettekst.
Onderdeel D, subonderdeel 2
Met onderdeel D is artikel 228, vijfde lid, gewijzigd zodat de oude tekst van artikel 668a, eerste, vijfde en zesde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek gedurende 12 maanden van toepassing blijft op een reeds bestaande collectieve arbeidsovereenkomst of regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan waarin aan dat vijfde of zesde lid toepassing is gegeven, voor zover het arbeidsovereenkomsten betreft die zijn overeengekomen voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel N, subonderdelen 2 en 3. Zoals het in het oorspronkelijke wetsvoorstel was geformuleerd, zou de toepassing van artikel 668a, eerste, vijfde en zesde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek bij collectieve arbeidsovereenkomst of regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan ook gaan gelden voor arbeidsovereenkomsten die op of na de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel N, subonderdelen 2 en 3, tot stand zijn gekomen en waarop de collectieve arbeidsovereenkomst of regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan van toepassing is. Dit volgde uit het zinsdeel ‘en de arbeidsovereenkomsten waarop deze van toepassing worden’. Met het overgangsrecht in artikel 228, vijfde lid, is beoogd eerbiedigende werking toe te kennen voor bestaande gevallen. Voor nieuwe arbeidsovereenkomsten is het toepassen van de oude regels niet op zijn plaats.
Onderdeel D, subonderdeel 3
Uit de uitvoeringstoets van de Sociale Verzekeringsbank is gebleken dat het wetsvoorstel binnen de huidige voorwaarden en uitvoering van het pgb niet uitvoerbaar is, zonder grote gevolgen voor pgb-houders en forse uitvoeringslasten voor de pgb-keten die van dien mate zijn dat uitvoering niet binnen afzienbare tijd (voor 2030) mogelijk is.
Structurele oplossingen zorgen voor dilemma’s tussen de nieuwe beweging richting meer zekerheid op de arbeidsmarkt, het doenvermogen van pgb-houders én de vrijheid binnen en vormgeving van het pgb. Daarbij nemen we ook de constatering mee dat het doenvermogen voor pgb-houders om het werkgeverschap goed uit te voeren eigenlijk beperkt is. Een nieuwe vormgeving van het pgb waardoor er minder vaak of niet meer sprake is van individueel werkgeverschap zou een koerswijziging binnen het pgb zijn. Ook dit is niet binnen afzienbare tijd mogelijk. Dit betekent dat het wetsvoorstel invoeren per de beoogde datum van inwerkingtreding voor deze groep werkgevers niet mogelijk is. Dit brengt een dilemma met zich hoe daarmee om te gaan. Uitzonderingen specifiek voor pgb-houders stuiten snel op gelijke behandelingsgrenzen voor werknemers, omdat dat met zich brengt dat pgb-zorgverleners geen aanspraak kunnen maken op de extra bescherming die dit wetsvoorstel biedt. Het alternatief, namelijk het gehele wetsvoorstel uitstellen totdat ofwel de wijzigingen voor de SVB uitvoerbaar zijn ofwel er een structurele oplossing is, zou betekenen dat de verbeteringen in de positie van flexwerkers over de hele linie voorlopig uitblijven. Dat heeft gevolgen voor alle flexwerkers. Dit is lastig verdedigbaar nu het probleem zit bij een kleine groep werkgevers. Verdere verkenning van een structurele oplossing is noodzakelijk, om vergelijkbare situaties in de toekomst te voorkomen en deze situatie niet langer dan noodzakelijk te laten duren, ook met het oog op de rechten van de groep werknemers die het betreft. Daarom wordt uitvoering gegeven aan de aangenomen de motie van kamerlid Flach (SGP), waarin wordt opgeroepen een verkenning uit te voeren naar een vereenvoudigd en verlicht regime voor budgethouders, waarbij het verlichten van de administratieve lasten en de arbeidsrechtelijke verplichtingen nadrukkelijk wordt betrokken.1
Mede in het licht van het hiervoor beschreven dilemma is de regering van mening dat uitstel voor een aantal onderdelen van het wetsvoorstel voor pgb-houders en pgb-zorgverleners die bij deze particuliere werkgevers in dienst staan het meest zorgvuldig is. Dit zijn de onderdelen die nu onuitvoerbaar worden geacht. Dit betekent dat tijdelijk oproepovereenkomsten (waaronder een nulurencontract) nog gebruikt kunnen worden door pgb-houders en pgb-zorgverleners, dat de introductie van het bandbreedtecontract niet geldt, en de tussenpoos van de ketenbepaling op 6 maanden blijft staan. Voor het gebruik van oproepovereenkomsten is het dus niet noodzakelijk dat er sprake is van een scholier of student met een bijbaan. Voor alle pgb-zorgverleners kan gebruik gemaakt blijven worden van oproepovereenkomsten, met de huidige voorwaarden die daarbij horen.
Ten aanzien van oproepovereenkomsten wordt volledigheidshalve opgemerkt dat die voor deze groep vallen onder de oproepdefinitie in het voorgestelde artikel 7:628a, eerste lid BW. De huidige regels die gelden voor oproepcontracten (die in het tweede lid van dat artikel vermeld worden) blijven daardoor ook van toepassing op oproepovereenkomsten van pgb-zorgverleners. Op grond van het voorgestelde artikel 27, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen blijft op deze oproepovereenkomsten ook de hoge WW-premie van toepassing.
De van rechtswege omzetting van oproepcontracten naar bandbreedtecontracten, zoals voorzien in het eerste lid van het voorgestelde artikel 228 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek, moet zolang het overgangsrecht geldt voor deze groep niet plaatsvinden. Dit wordt geregeld door het eerste lid, onderdeel a, van het in te voegen artikel 229.
Ook bij de ketenbepaling en de Ragetlieregel blijft de tussenpoos staan op de huidige tussenpoos van 6 maanden. Dit is in onderdeel d van het artikel geregeld.
De overige onderdelen van het wetsvoorstel (het benadelingsverbod, de wijziging van de uitzendovereenkomst en het deel van het overgangsrecht dat ziet op cao’s) hebben ofwel geen effect op de uitvoeringspraktijk, ofwel zijn al niet van toepassing op arbeidsovereenkomsten tussen pgb-houders en pgb-zorgverleners. Zo kunnen pgb-houders niet als uitzendwerkgevers kwalificeren.
Dit is nadrukkelijk tijdelijk geregeld en het doel is dan ook dat dit onderscheid op het vroegst mogelijke moment wordt opgelost, bijvoorbeeld door een andere vormgeving van het pgb. Het voorgestelde artikel 229 geldt tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. De regering is zich er terdege van bewust dat een structurele uitzondering gelet op gelijke behandelingsgrenzen zeer kwetsbaar is en ook overigens onwenselijk. In de tussentijd moet een structurele oplossing gevonden worden in een nieuwe vormgeving van het pgb, waardoor er minder vaak of niet meer sprake is van individueel werkgeverschap en het individueel werkgeverschap minder schuurt voor individuele pgb-houders.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tekent deze nota van wijziging mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
De Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid,
J.A. Vijlbrief
Kamerstukken II, 2025/26, 36 744, nr. 43.↩︎