Vragenuur (ongecorrigeerd)
Stenogram
Nummer: 2026D15155, datum: 2026-03-31, bijgewerkt: 2026-04-01 09:11, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-03-31 14:00: Vragenuur (Vragenuur), TK
Preview document (🔗 origineel)
Vragenuur
Vragenuur
Aan de orde is het mondelinge vragenuur, overeenkomstig
artikel 12.3 van het Reglement van Orde.
Vragen Piri
Vragen van het lid Piri aan de minister van
Buitenlandse Zaken over het bericht "Pentagon wil wapens voor
Oekraïne naar Midden-Oosten sturen".
De voorzitter:
Aan de orde is het mondelinge vragenuur. Ik heet de minister van
Buitenlandse Zaken van harte welkom in vak K. Ik geef het woord aan
mevrouw Piri van de fractie van GroenLinks-Partij van de Arbeid. Het is
weinigen ontgaan dat er een verzoek is binnengekomen voor het wijzigen
van de naam. Dat vraagt een zorgvuldige behandeling vanuit het Presidium
en in ieder geval tot die tijd zal ik de naam GroenLinks-Partij van de
Arbeid hanteren. Het woord is aan mevrouw Piri.
Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Vorige week dinsdag vuurde Rusland 948 drones en
tientallen raketten af op Oekraïense dorpen en steden. In Lviv werd een
zestiende-eeuws klooster geraakt, in de regio Ivano-Frankivsk een
kraamkliniek, en in de regio Poltava woningen en een hotel. Het
resultaat is opnieuw vele burgerdoden en -gewonden. Er zijn kinderen
verminkt en getraumatiseerd voor de rest van hun leven. De Oekraïense
krijgsmacht is innovatief, maar tegen zo'n barrage van terreur heeft die
niet de middelen om al zijn burgers te beschermen. Dat maakt het des te
pijnlijker dat het Pentagon zou overwegen om wapens die betaald zijn met
Europees belastinggeld en die bestemd zijn voor Oekraïne naar het
Midden-Oosten te sturen. Hoe kijkt de minister hiernaar?
De voorzitter:
Het woord is aan de minister.
Minister Berendsen:
Voorzitter. Dank, mevrouw Piri, voor het stellen van de vraag. De zorgen
die u heeft over de aanvallen op Oekraïne deel ik volledig. Ik kom
zojuist van de Lviv-conferentie, die georganiseerd is in Breda. Mijn
collega, de vicepremier van Oekraïne, meneer Kachka, was daar ook. We
hebben dit daar ook besproken en die zorgen deel ik volledig. De
berichtgeving is dat de VS zouden overwegen om wapens die via het
PURL-initiatief, waar Nederland onderdeel van is, voor Oekraïne bestemd
zijn, naar het Midden-Oosten te sturen. De NAVO staat, als coördinator
van militaire steun aan Oekraïne, in nauw contact met de Verenigde
Staten. De NAVO geeft aan dat alles waarvoor NAVO-lidstaten en -partners
betaald hebben via PURL ofwel al is geleverd ofwel naar Oekraïne blijft
stromen. Dat is wat ons betreft ook de enige mogelijke route.
Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):
Maar hoe kijkt de minister dan naar de quote van zijn Amerikaanse
ambtsgenoot, de heer Rubio? Die zegt dat er nog geen wapens van Oekraïne
naar het Midden-Oosten zijn omgeleid, maar dat het wel zou kunnen
gebeuren.
Minister Berendsen:
Dat geeft zorgen. In algemene zin geeft het natuurlijk zorgen dat de
aandacht van de VS zich zou verplaatsen naar Iran, terwijl het grootste
veiligheidsrisico dat dit kabinet ziet voor Nederland en voor Europa aan
onze oostflank is. Dat is namelijk de Russische dreiging en de
voortdurende invasie van Rusland in Oekraïne. Tegelijkertijd hebben wij
gewoon een garantie voor de investeringen die we hebben gedaan via het
PURL-initiatief, ook met partners, in wapens die bedoeld zijn voor
Oekraïne. Wij hebben de garantie van de NAVO en van de VS dat die
spullen gewoon naar Oekraïne blijven gaan. Natuurlijk hebben we wel
zorgen over wat het betekent voor eventueel ander materieel dat niet
onder dit initiatief valt. Uiteindelijk zie ik dit ook, nogmaals, als
een nieuwe motivatie, voor zover we die niet al voldoende hadden, voor
Nederland en Europa om ook fors meer te investeren in de eigen
defensiecapaciteiten, zodat we zelf meer kunnen doen en onze
afhankelijkheid op het gebied van veiligheid kunnen verminderen.
Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):
Daar kom ik straks ook zeker op terug. Maar ik zag net nog het volgende
bericht. Het bericht is dat de Verenigde Staten in 31 dagen tijd 2.400
Patriotmissiles hebben afgeschoten in het Midden-Oosten. 2.400. We weten
dat de productiecapaciteit op dit moment 650 is. Dat betekent dat je
drieënhalf jaar nodig hebt om weer aan te vullen wat in één maand is
afgeschoten. Hoe kan de minister dus garanderen dat Europa en Oekraïne
waar het gaat om de leveringen die we al gedaan hebben, niet achteraan
in de rij kunnen aansluiten? Valt dat überhaupt te garanderen? Dat is
bijna onmogelijk.
Minister Berendsen:
Die garantie geven de VS aan de NAVO, en de NAVO coördineert onze
militaire steun aan Oekraïne. Die garantie hebben we dus van de VS.
Tegelijkertijd deel ik de zorgen. Als de VS hun aandacht verplaatsen,
betekent dat uiteindelijk ook iets voor Oekraïne in de toekomst. Die
zorg hebben wij en die zorg heeft Oekraïne. Dat betekent dat we er alles
aan doen om de aandacht van de VS ook aan de oostflank van Europa te
houden. Dat doen we samen met onze bondgenoten. We blijven
tegelijkertijd investeren in onze eigen defensiecapaciteit en
defensie-industrie — dat zullen we versneld moeten doen — inderdaad
zonder dat we deze snelheid überhaupt kunnen bijbenen. Het is dus wel
een onderdeel van de oplossing. Dat betekent dat onze aandacht daar
continu op gericht zal blijven.
Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):
De minister zegt: wij hebben de garantie van de VS richting de NAVO dat
in ieder geval dat PURL-initiatief door blijft gaan. Wat staat er dan
nog uit qua bestelling, en binnen welk tijdsbestek, wat nog geleverd
gaat worden en waar echt een garantie op zit?
Minister Berendsen:
Het grootste deel van in ieder geval het pakket waar Nederland aan heeft
bijgedragen, dus de 750 miljoen die wij verdeeld over drie pakketten
hebben gebruikt, is geleverd. Er is natuurlijk geen openbare informatie
over het type materieel, hoe ver het is, waar het is en of het al
geleverd is, maar daarvan hebben wij simpelweg de garantie dat dat
gewoon naar Oekraïne blijft vloeien. Ik maak me wel zorgen over het
volgende. Ik sta hier niet te verkondigen dat er geen zorgen zijn, want
we zien bijvoorbeeld dat bepaalde leveringstijden langer worden omdat de
heavy airlifting capacity van de Verenigde Staten, oftewel de
vliegtuigen waarmee het materieel vervoerd zou moeten worden naar
Oekraïne, nu volledig wordt ingezet in Iran. De leveringen voor Oekraïne
gaan nu via zee en via land. Dat betekent dat die leveringen langer
duren dan wanneer vliegtuigen zouden kunnen worden ingezet. Dus die
zorgen zijn er wel degelijk. Wij doen er alles aan om onze
verantwoordelijkheid te nemen om ook in de toekomst onze eigen
veiligheid te kunnen waarborgen.
Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):
Dáár ben ik het wel mee eens. Een garantie op wat al geleverd is, geloof
ik wel. Maar het gaat nu natuurlijk om wat er nog uitstaat en wat de
prioriteiten zijn van de VS. Er zijn meerdere partijen die die wapens en
wapensystemen hebben aangekocht. Dan is het de vraag wie er als eerste
in de rij komt. Helaas hoor ik wat dat betreft in ieder geval niet een
100%-garantie van het kabinet dat Oekraïne en Europa voor zullen gaan.
We hebben zelf als Nederland vorige week ook nog bestellingen gedaan bij
de VS als het gaat om die Patriotsystemen.
Voorzitter. Ik zag vandaag ook het bericht dat Polen informeel door de
VS is verzocht om hun Patriotsystemen, missiles en raketten door te
schuiven naar het Midden-Oosten. Ik vroeg me het volgende af. Wat vindt
de minister daarvan? Heeft Nederland ook zo'n informeel verzoek gehad?
Is dit nu iets wat de Amerikanen bij alle Europese NAVO-bondgenoten
uitzetten?
Minister Berendsen:
Ik ben niet bekend met dit verzoek. Ik weet dat wij dat verzoek in ieder
geval niet hebben gekregen en als we dat verzoek van de VS zouden
krijgen, dan is ons antwoord volstrekt helder. Het grootste
veiligheidsrisico dat wij zien, speelt namelijk aan de oostflank. Dat
betekent dat onze inzet daar gepleegd wordt. Ik doel dan op steun aan
Oekraïne.
Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):
Dat is dan een geruststelling. Zoals de minister zelf ook al zei, is het
hoog tijd om nu te kijken naar serieuze Europese alternatieven. Het is
geen keus meer. Het is nu een must. Nu we zien wat daar in een maand
tijd allemaal is afgeschoten, hebben we de luxe niet. Er zijn straks
namelijk geen spullen meer in de VS. Hoe wil deze minister daar werk van
maken? Ik denk dan aan het opschalen van de productie van luchtafweer,
zoals de SAMP/T, de IRIS-T of de Sky Sabre. Hoe zorgen we ervoor dat dat
nu echt veel meer vaart krijgt?
Minister Berendsen:
Daartoe heeft het kabinet allerlei ambities, maar worden we ook
gestimuleerd door de Kamer met moties op dat gebied. Ik denk dat
Nederland inderdaad een actieve rol moet spelen, samen met de Europese
partners, als het gaat om de defensie-industrieën hier.
Luchtafweerinstallaties van Europese makelij zijn ontzettend belangrijk.
Tegelijkertijd moeten we investeren in onze defensie-industrie, ook in
Europees verband. Zoals ik al meldde kwam ik zojuist van de
Lviv-conferentie in Breda. Daar is gisteravond ook een grote top geweest
van allerlei bedrijven die ook actief zijn in de defensie-industrie, om
Oekraïense bedrijven te koppelen aan Nederlandse bedrijven, zodat we ook
daar versnelling kunnen bereiken. Dus wat mij betreft moeten we inzetten
op de Europese kopgroep, op Europese initiatieven op het gebied van
veiligheid en defensie-industrie, ook bilateraal, en moeten we het
bedrijfsleven stimuleren om hier stappen op te zetten.
Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):
Mooi, maar daar is natuurlijk ook geld voor nodig. Daarom was er de
afgelopen twee weken ook de kritiek van mijn fractie, omdat dit kabinet
ervoor kiest om de hulp aan Oekraïne te halveren ten opzichte van vorig
jaar. Ik keek uit naar de Voorjaarsnota om te kijken waar de resterende
1,3 miljard van de motie-Klaver gebleven is. Het zit er niet in. En dat
terwijl dit gaande is! Gaat het kabinet er dan ook voor zorgen dat er
voldoende financiële middelen zijn om die massa-investeringen nu te
doen?
Minister Berendsen:
Deze discussie is inderdaad de afgelopen week gevoerd met vele
collega's, waaronder ook de minister-president, hier op deze plek. Dit
kabinet blijft fors investeren in Oekraïne en blijft fors investeren in
militaire steun. Dat blijft het doen. Nederland zit in de top vijf van
landen die bijdragen aan de steun voor Oekraïne. Dat betekent dat we ook
bilateraal inzet plegen op allerlei andere landen waarvan we ook echt
vinden dat zij meer moeten doen. Maar dat ontslaat ons niet van de
verantwoordelijkheid om te blijven doen wat we doen.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):
Ik zag nog twee seconden staan op mijn schermpje. Zo snel kan ik niet
praten.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Piri. Mevrouw Van der Werf.
Mevrouw Van der Werf (D66):
Hoe zit het nou met de wapens die de VS wel daadwerkelijk levert? Zijn
dat dan ook de spullen die Oekraïne nodig heeft of zitten ze daar dan
uiteindelijk sowieso op te wachten?
Minister Berendsen:
Er zijn door de VS meerdere pakketten samengesteld die geleverd worden
aan Oekraïne en die ook te maken hebben met de behoeften van Oekraïne.
De bekende pakketten bevatten inderdaad wat Oekraïne nodig heeft.
Tegelijkertijd hebben we natuurlijk wel zorgen over toekomstige
pakketten die eventueel samengesteld gaan worden. Wordt daarbij
inderdaad tegemoetgekomen aan de precieze noden die Oekraïne heeft? Wat
ons betreft is dat essentieel. Wat wij kunnen doen, zullen we blijven
doen om dat ook voor elkaar te krijgen.
De heer Van Baarle (DENK):
Laat ik vooropstellen dat iedereen in dit huis kritiek heeft op de
mensenrechtenschendingen die in Iran gepleegd worden en dat iedereen die
ook veroordeelt. Tegelijkertijd is er nu discussie over leveringen voor
Oekraïne die niet doorgaan vanwege de oorlog die door Israël en Amerika
gevoerd wordt in Iran. Maar we zien dat die oorlog niet mag volgens het
internationaal recht en een misdaad is. We zien dat daardoor het leven
in Nederland onbetaalbaar raakt. Dan is toch het beste wat deze minister
kan doen, vanuit het belang van Nederland, die oorlog afkeuren en alles
op alles zetten om ervoor te zorgen dat die oorlog stopt?
Minister Berendsen:
Deze discussie hebben we al meerdere keren in deze Kamer gevoerd. Het
standpunt van het kabinet is dat wij begrip hebben voor het feit dat de
VS en Israël zich genoodzaakt voelden om aanvallen uit te voeren op het
moorddadige Iraanse regime met alle impact op de veiligheid in de
directe regio en ver daarbuiten. We hebben ook meermaals gezegd dat wij
op basis van het internationaal recht met de informatie die we
voorhanden hebben, niet zien dat er een juridische basis is om die
aanvallen uit te voeren. Dit kabinet heeft ook zorgen over waar dit gaat
eindigen. Wat is het eindspel? Wat zijn de einddoelen? Hoe gaan we komen
tot een situatie in Iran en in de regio die weer stabiel is en een
situatie die in de eerste plaats de-escalerend zou werken? Daar zien we
op dit moment nog te weinig tekenen van.
De heer Van Baarle (DENK):
Nogmaals, iedereen veroordeelt de misdaden van de regering in Iran. Ik
ook. De mensen in Nederland kunnen het leven niet meer betalen. Ze
kunnen de benzine niet meer betalen. Ze worden keihard geraakt door de
oorlog. De oorlog van Trump en Netanyahu zorgt voor verschrikkelijke
misdaden, niet alleen in Iran waar burgerslachtoffers vallen, maar ook
in Zuid-Libanon waar mensen verdreven worden en waar met annexatie
gedreigd wordt. Nu gaan ook wapenleveringen aan Oekraïne wellicht niet
door. In alle opzichten is deze oorlog niet in ons belang, maar deze
minister staat erbij en zegt: ik heb er begrip voor. Waarom handelt deze
minister niet in het belang van ons, van de Nederlanders, maar handelt
hij in het belang van Trump en Netanyahu?
Minister Berendsen:
Wij handelen in het belang van Nederland. Wij bekijken waar onze
belangen zitten. Als ik hier een knop zou hebben om ieder conflict ter
wereld meteen te beëindigen, dan zou ik die hier samen met de heer Van
Baarle indrukken. Dat is echter niet de situatie. Wij proberen
verantwoordelijkheid te nemen in samenwerking met onze partners. Ons
grootste veiligheidsrisico zit aan de oostflank. Daar zetten we vol in
op steun voor Oekraïne. In samenwerking met internationale partners
bekijken we ook op welke manier we kunnen bijdragen aan de bescherming
van onze bondgenoten in de regio. Dat hebben we gedaan met ons fregat.
Ook bekijken we in een internationale coalitie op welke stappen in het
conflict het mogelijk is om bij te dragen aan een stabiele situatie,
bijvoorbeeld bij vrije doortocht door de Straat van Hormuz.
De heer Dassen (Volt):
Het aantal raketten dat afgeschoten is richting Iran is immens. Het
duurt drieënhalf jaar om dat aantal te vervangen. Is de minister met
Volt van mening dat we er nu voor moeten zorgen dat we zo snel mogelijk
eigen Europese capaciteit gaan opzetten? Dat betekent ook dat we daarin
moeten investeren. We moeten dus niet meer investeren in Amerikaanse
technologie. Het moet ook niet meer via PURL. We moeten meer aansluiten
bij de Fransen, die veel meer Europees aan het investeren zijn. Op die
manier kunnen we dadelijk, als de Amerikanen helemaal de verkeerde kant
opgaan, aan Oekraïne blijven leveren.
Minister Berendsen:
Ik ben inderdaad met de heer Dassen van mening dat we de Europese
defensie-industrie moeten versterken en moeten bekijken hoe we zo veel
mogelijk daarin kunnen investeren. Als we kijken naar de directe noden
van Oekraïne, is het kabinet tegelijkertijd van mening dat een aantal
zaken te leveren zijn die Europa en andere partners op dit moment niet
kunnen leveren. Voor de directe veiligheid van Oekraïne is het wel
belangrijk dat de systemen die uit de VS komen en waar we op dit moment
geen substituut, geen vervanging, voor hebben, wel vanuit de Verenigde
Staten blijven komen.
De heer Dassen (Volt):
Is er dan een plan vanuit het kabinet om ervoor te zorgen dat ook voor
dat soort middelen zo snel mogelijk een substituut komt? Daar zit
natuurlijk een beetje het probleem. We zien nu dat de Verenigde Staten
een beweging maken: alles moet naar het Midden-Oosten. Daar ligt hun
focus nu op. Oekraïne komt steeds minder bovenaan het lijstje te staan,
terwijl dat volledig in ons belang is. Is er een plan voor een
substituut voor wat we nu nog uit de Verenigde Staten halen of is dat er
niet?
Minister Berendsen:
Dat is er, zoals ik net al zei. De Kamer toont op dat vlak ook
initiatief. De eerste initiatieven voor de Europese ontwikkeling van
luchtafweerinstallaties zijn er. Nederland wil volop bijdragen aan de
Europese defensie-industrie in het algemeen en samen met Europese
partners en eventueel in kopgroepen ook aan specifieke systemen.
Mevrouw Maes (VVD):
Ik ben heel blij met wat u zegt over het opschalen van de
productiecapaciteit. Ook ben ik blij dat u zegt dat u bekijkt of dat
meer in Europees verband kan. Ik ben benieuwd of u iets kunt zeggen over
de vraag of daar binnen Europa of in NAVO-verband ook al over gesproken
wordt. Wordt er bekeken of je tot nieuwe coalities kunt komen?
De voorzitter:
Ik niet, maar ik denk dat u de minister bedoelt.
Mevrouw Maes (VVD):
Uiteraard.
Minister Berendsen:
Dit kabinet is continu aan het bekijken hoe Nederland met gelijkgestemde
landen voortgang kan krijgen op allerlei gebieden, dus ook op dit soort
gebieden. Wij zijn continu in gesprek met een aantal grote landen binnen
Europa, met de coalition of the willing, zeker op het gebied van
defensie. We bekijken op welke manier we onze bijdrage aan de Joint
Expeditionary Force kunnen leveren. Dat zullen we blijven doen.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik zou de minister willen vragen: wat had deze minister dan gedacht dat
er zou gebeuren? Je ziet dat de VS, Trump, nu allerlei illegale oorlogen
start. We hebben het gezien in Venezuela. We hebben het gezien in Iran.
We hebben gezien dat Groenland werd bedreigd. Nog meer landen werden
bedreigd en nu weer Cuba. Dat gebeurt allemaal. Dit kabinet of deze
minister spreekt daar begrip voor uit of houdt het bij stilte. Dat is
dan wat het is. Er is geen enkele veroordeling. Er is geen enkel
kritisch gesprek met de Verenigde Staten. Nu zie je de gevolgen. Het
Midden-Oosten is in oorlog gestort. De Iraniërs zijn geen stap dichter
bij vrijheid. De energierekening hier stijgt en Oekraïne verliest een
stuk wapensteun.
De voorzitter:
Uw vraag?
Mevrouw Dobbe (SP):
Mijn vraag is: wat had deze minister dan gedacht? Wat dacht hij dat er
zou gebeuren met deze opstelling en ook die van Europa richting de
Verenigde Staten? Is deze minister nu eindelijk bereid om te stoppen met
het aan de leiband van de Verenigde Staten lopen en deze aanvallen te
veroordelen?
Minister Berendsen:
Mijn verwachting is in ieder geval niet dat als Nederland positie had
ingenomen, dat de VS en Israël dusdanig had beïnvloed dat die landen de
aanvallen op Iran niet hadden uitgevoerd. Ik heb vanaf deze plek ook al
meerdere keren gemeld dat we grote zorgen hebben over de moorddadigheid
van het Iraanse regime, over de ontwikkeling van hun nucleaire
installaties en raketinstallaties, over het bereik van hun ballistische
raketten en over de steun aan proxy's, aan Rusland en aan de lange arm
van Teheran helemaal tot Nederland toe. De inzet van dit kabinet is erop
gericht om samen met Europese partners te kijken hoe we onze belangen
het beste kunnen verdedigen. Richting Oekraïne is dat met steun aan
Oekraïne. In een internationale coalitie bekijken we hoe we onze
bondgenoten ook daar in de regio kunnen beschermen.
De heer Van Lanschot (CDA):
Dank aan collega Piri voor het stellen van deze belangrijke vraag en aan
de minister voor de goede beantwoording. Dank ook aan het kabinet voor
het naar voren halen van de meer dan 400 miljoen als verdere invulling
van de motie-Klaver. Dat is een uitstekende zaak. Afgelopen weekend is
de Kamercommissie Defensie in Polen en Oekraïne geweest. Daar spraken
wij ook met parlementariërs uit Oekraïne. Die gaven aan dat er op het
gebied van de steun en de wapens die we leveren heel veel goed gaat,
maar dat er ook verbeteringen mogelijk zijn. Ja, ik kom bij mijn vraag,
voorzitter. Zonder te veel in detail te treden, zeg ik: het gaat over
exportvergunningen. Mijn vraag aan de minister is of het kabinet met een
open houding zou kunnen kijken hoe wij de processen rond deze
exportvergunningen zouden kunnen versnellen.
Minister Berendsen:
Dank voor deze vraag, want dat is precies wat we doen. Zeker als het
gaat om Oekraïne willen we daar ruimhartig in zijn, om ervoor te zorgen
dat zij de spullen die ze nodig hebben zo snel mogelijk krijgen. Maar
als uw Kamercommissie daar geweest is en concrete suggesties heeft voor
manieren waarop we dat kunnen verbeteren, gaan we daar absoluut naar
kijken.
De voorzitter:
Ik dank de minister voor de beantwoording.
Vragen Synhaeve
Vragen van het lid Synhaeve aan de minister van
Langdurige Zorg, Jeugd en Sport over het bericht "Onderzoek naar
kinderen en huiselijk geweld schiet al jaren tekort, vinden
jeugdbeschermers’".
De voorzitter:
Daarmee zijn we aanbeland bij de tweede vraag. Dat is een vraag van het
lid Synhaeve van de fractie van D66. We wachten nog even op de minister
van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport. Die zie ik namelijk nog niet in vak
K. We verwachten inderdaad niet dat u er gaat staan, minister
Berendsen!
Daar is de minister! Ik nodig mevrouw Synhaeve uit voor het stellen van
haar vraag aan de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Dank u wel, voorzitter. Deze vragen gaan niet over een losstaand
incident. Het gaat over iets veel groters, namelijk het volgende. Hoe
zorgen we dat kinderen veilig zijn op de plek waar dat vanzelfsprekend
zou moeten zijn: thuis? We weten dat er in elke klas een kind zit dat te
maken heeft met geweld thuis. Dat zijn meer dan 120.000 kinderen per
jaar. We weten al jaren dat dit het topje van de ijsberg is. Achter elke
voordeur waar het niet veilig is, zit een kind dat stil is, dat niet
vertelt wat er gebeurt en dat soms denkt dat het geweld normaal
is.
Voorzitter. Er is werk aan de winkel. Want als het gaat om
kindermishandeling bespreekbaar maken, hebben we allemaal een rol: in de
klas, op de sportvereniging, op plekken waar kinderen zich veilig voelen
en in deze Kamer. Het begint dus bij het bespreekbaar maken van
kindermishandeling. Daarover heb ik de volgende vragen aan de minister.
Hoe zorgt de minister ervoor dat kinderen doorkrijgen dat huiselijk
geweld nooit normaal is? In het verlengde daarvan: hoe zorgt de minister
ervoor dat het taboe op dit onderwerp doorbroken wordt, dat kinderen de
ruimte voelen om hun thuissituatie te bespreken met de mensen die ze
vertrouwen? Hoe zorgt de minister ervoor dat we als samenleving de
signalen van een onveilige thuissituatie beter herkennen en durven te
bespreken?
De voorzitter:
Het woord is aan de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport.
Minister Sterk:
Dank u wel, voorzitter. Hier staat niet alleen een minister van Jeugd,
die trots is dat ook jeugd nu een specifieke minister heeft, maar ook
een moeder. Moeders weten als geen ander hoe belangrijk het is dat
kinderen veilig kunnen opgroeien, ongeacht de omgeving waarin ze wonen
en leven. Daarom is het zo ontzettend belangrijk dat wij daar allemaal
een rol in hebben, zoals Kamerlid Synhaeve stelde. Dat vond ik ook het
mooie aan haar verhaal. Ik als minister moet mijn uiterste best doen om
te zorgen dat kinderen een plek vinden om hun verhaal te doen, om hun
twijfels over wat er thuis gebeurt, het nietpluisgevoel, uit te kunnen
spreken. Maar dat geldt ook voor alle mensen eromheen. Denk aan de
buurvrouw, de oom of tante, de sportleraar, de leraar in de klas, maar
ook de professional zoals de huisarts die hoort dat er problemen zijn in
een gezin. Iedereen moet alert zijn op signalen die kunnen wijzen op
onveilige thuissituaties. Als we daar allemaal werk van maken, hebben we
een enorm leger aan mensen die ingezet kunnen worden om
kindermishandeling te stoppen, te voorkomen en uiteindelijk de benodigde
zorg en ondersteuning te geven aan die gezinnen.
Ik ben dus heel blij dat Kamerlid Synhaeve dit nu aan de orde stelt,
zodat ook de ouders die misschien zelf ook het gevoel hebben dat het
niet lekker loopt, die in het verleden te maken hebben gehad met geweld
in hun eigen gezin, die lijden onder spanning, weten dat er instanties
zijn waar zij advies kunnen krijgen en het gesprek kunnen aangaan. Dat
kan heel laagdrempelig bij de huisarts, maar ook bij instanties zoals
Veilig Thuis. Er is onlangs door de Kamer een amendement aangenomen
waarmee Veilig Thuis 24 uur per dag bereikbaar is via een chat. Dat zijn
allemaal middelen die we kunnen inzetten om ervoor te zorgen dat geweld
in gezinnen geen plek heeft. We moeten er als samenleving, en ik ook
zeker als minister, alles aan doen om dat taboe te doorbreken en mensen
een duidelijke plek te geven waar ze hulp kunnen krijgen.
Mevrouw Synhaeve (D66):
De cijfers geven aan dat we de komende tijd een stapje extra zullen
moeten zetten. De minister gaf in het Jeugdjournaal aan dat zij het geld
voor nieuw onderzoek naar de omvang van kindermishandeling liever inzet
om kinderen direct te helpen. Wat doet de minister nu concreet om deze
kinderen te helpen? Om hoeveel geld gaat het en hoe wordt dat ingezet?
Bereiken we dan ook echt de kinderen en de gezinnen die de hulp het
allerhardst nodig hebben? Bereiken we hen ook op de goede plekken,
bijvoorbeeld bij De Kindertelefoon?
Minister Sterk:
Het Kamerlid wijst op de middelen die er eerst waren voor onderzoek. We
doen nog steeds onderzoek. In het verleden hebben we vooral onderzoek
gedaan naar hoe vaak we te maken hebben met kindermishandeling. Het feit
dat er kindermishandeling is, wat elke keer weer uit het onderzoek kwam,
is niet genoeg. We moeten weten wat de oorzaken daarvan zijn en wat
helpt. Daarom zijn we ander onderzoek gaan doen. Daarbij volgen we
gezinnen waarvan we weten dat er sprake is van geweld en een onveilige
situatie, die op dit moment ook hulp en ondersteuning krijgen, twee jaar
lang. We gaan volgen wat die hulp en ondersteuning doet. De vraag
daarbij is of we met die hulp en ondersteuning inderdaad bereiken dat de
onveiligheid, de mishandelingen en het geweld in het gezin afnemen. Dat
doen we zodat we dat ook op andere plekken kunnen inzetten. Dat is een
van de zaken die we doen.
Daarnaast vraagt het CBS uit bij jongeren die ouder dan 16 zijn hoe zij
terugkijken op hun jeugd. Een van de problemen van kindermishandeling is
natuurlijk — dat bleek ook weer uit de Jeugdjournaaluitzending — dat
heel veel kinderen helemaal niet weten dat het niet normaal is wat er
bij hen thuis gebeurt. Als ze ouder worden, ontdekken ze vaak wel dat er
dingen zijn gebeurd die niet oké zijn. Door die signalen in beeld te
krijgen, krijgen we beter zicht op wat er zich afspeelt en vooral hoe we
daar hulp bij kunnen bieden.
Ik gaf al aan dat we investeren in Veilig Thuis. Ik hoorde — ik wilde
"de spokesperson" zeggen — de woordvoerder van Veilig Thuis ook zeggen
dat zij behoefte heeft aan onderzoek. Ik wil eigenlijk ook graag met
haar in gesprek over wat dat zou moeten zijn. Naar mijn idee zijn we
juist al op zoek naar de hulp en de ondersteuning die werken. Dat doen
we ook samen met Veilig Thuis. Ik ben wel benieuwd naar de verdieping
die zij daar nog aan wil geven. Dat zou ik dus in ieder geval als
toezegging willen doen.
Verder is het, zoals ik net al zei, voor onze samenleving ook van belang
dat wij oog en oor houden. De Kindertelefoon is een belangrijke plek
voor kinderen, die wij als ministerie ook subsidiëren. Ook is er een
Week tegen Kindermishandeling. Maar een uitzending als het Jeugdjournaal
helpt natuurlijk ook enorm. Het wordt door heel veel kinderen bekeken,
met hun ouders. Soms wordt het op scholen nog teruggekeken. Het zijn
allemaal manieren die we inzetten om kindermishandeling bespreekbaar te
maken.
De voorzitter:
De antwoorden mogen iets korter, minister.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Dank voor de belangrijke toezegging. Het is heel goed dat we ook naar
nieuwe vormen van onderzoek kijken, maar het helpt dan heel erg als we
weten wat er in de praktijk gemist wordt. De minister gaf net aan dat we
ook moeten kijken welke hulp en ondersteuning echt werken. Een van de
dingen waarvan we weten dat het werkt — ik heb daar afgelopen december
ook een motie over ingediend — is Handle with Care. Op het moment dat
sprake is van een melding van huiselijk geweld en de politie wordt
opgeroepen, houdt Handle with Care in dat er via Veilig Thuis een
signaaltje gaat naar de school waar de kinderen op zitten, met de
boodschap: handle with care, let even op deze kinderen. We weten dat dat
werkt. We weten ook dat er jaarlijks meer dan 25.000 kinderen leven in
een gezin waarvan we weten dat er sprake is van huiselijk geweld waar
politie-inzet aan te pas komt. Mijn vraag aan de minister is dus of zij
kan aangeven hoe het gaat met de uitvoering van deze motie.
Minister Sterk:
Ja, dat kan ik. Ik heb natuurlijk niet zo heel veel tijd gehad om dit
voor te bereiden, maar we zijn ermee bezig. We hebben in mei een
commissiedebat over dit thema. Ik wil u toezeggen dat ik in dat debat
wat dieper zal ingaan op wat er op dit moment mee gebeurt. Ik kan u in
ieder geval wel geruststellen: we zijn ermee bezig.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Dat is een geruststelling, maar het helpt als we dat echt kunnen
versnellen. Elke week opnieuw maakt dat het verschil voor jonge mensen
in een kwetsbare situatie.
Als we kijken naar de organisaties die zich bezighouden met bescherming
van kinderen, zien we dat er eigenlijk heel veel verschillende
organisaties betrokken zijn: Veilig Thuis, de gecertificeerde
instellingen, de Raad voor de Kinderbescherming. Juist bij grote
misstanden, bijvoorbeeld bij het pleegmeisje in Vlaardingen,
bijvoorbeeld bij de misstanden in het gezinshuis in Noord-Nederland,
bijvoorbeeld bij de misstanden in De Glind — de lijst is nog heel veel
langer — merken we dat niemand zich uiteindelijk echt verantwoordelijk
voelt. Is het kabinet bereid om te kijken hoe we dit beter kunnen
organiseren, zodat er geen kind meer tussen wal en schip valt en één
organisatie zich ook echt verantwoordelijk gaat voelen?
Minister Sterk:
Ik zou bijna zeggen dat het Kamerlid op haar wenken wordt bediend, want
wij zijn samen met mijn collega van JenV bezig om een toekomstscenario
vorm te geven. Wij zien dat er op dit moment een soort estafette
plaatsvindt. Gevallen worden doorgegeven, maar niemand is eigenlijk
uiteindelijk de echte probleemeigenaar daarvan. Wij zijn dus de hele
keten aan het bekijken. We willen vooral aan de voorkant de
verantwoordelijkheid voor het oplossen van de problematiek in het hele
gezin in beeld brengen, dus niet alleen bij het kind maar in het hele
gezin. Die willen we daar neerleggen en daar goede expertise omheen
organiseren. Er moet dus niet alleen naar het kind worden gekeken. Als
er geweld in het gezin is, kan dat soms ook naar buiten komen doordat er
geweld is tegen vrouwen of er verslavingsproblematieken zijn. Hiermee
willen we voorkomen dat een kind uiteindelijk bij de Raad voor de
Kinderbescherming terechtkomt, terwijl we dat met eerdere interventies
misschien hadden kunnen voorkomen, en willen we bereiken dat er in de
hele keten beter wordt samengewerkt.
De voorzitter:
Afrondend, mevrouw Synhaeve.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Ja, beter samengewerkt en dus ook verantwoordelijkheid genomen. Ik denk
dat het daarom gaat. Heel kort: het biedt enorme kansen dat we nu weer
een minister van Jeugd hebben, juist om de zorgen op al die
verschillende terreinen serieus te nemen. We gaan laten zien dat het
beter kan.
De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Van Meetelen.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
De minister hoort vandaag dat het zicht ontbreekt, terwijl de inspecties
al jaren spreken over een crisis in de jeugdbeschermingsketen. Is de
minister bereid te erkennen dat dit niet alleen een uitvoeringsprobleem
is, maar ook een kennisprobleem van de overheid zelf? We beschermen
kinderen onvoldoende en we meten onvoldoende wat hun overkomt.
Minister Sterk:
Ik deel de oprechte zorgen van mevrouw Van Meetelen. Het is ontzettend
belangrijk dat wij goed in beeld hebben wat er speelt, maar vooral ook
hoe we kunnen zorgen dat kinderen uiteindelijk toch in een veilige
omgeving kunnen opgroeien. Daarom doen we nu dat onderzoek naar wat
werkt. Daarom volgen we die gezinnen. Ieder kind dat opgroeit in een
gezin waar geweld is, is er gewoon een te veel. Daar werken we heel hard
aan. Dat doe ik niet alleen; dat doe ik met de gemeentes, de
jeugdzorgorganisaties, maar ook met organisaties als Veilig Thuis. Daar
wordt dus echt alle inzet op gepleegd.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ik heb een vraag aan de minister over het besluit van de inspectie om
het verscherpt toezicht bij Enver te stoppen. Dat is een
jeugdorganisatie die betrokken was bij het Vlaardings pleegmeisje, maar
ook bij talloze andere pleeggezinnen en pleegkinderen. Ik ben benieuwd
wat de minister ervan vindt dat dit verscherpt toezicht stopt, terwijl
de veiligheid nog lang niet op orde is. Is zij bereid om via haar
aanwijzingsbevoegdheid in te grijpen in dit besluit?
Minister Sterk:
Het toeval wil dat ik vanmiddag met de inspecteur-generaal spreek. Het
lijkt mij goed dat ik deze casus daarbij inbreng en met haar bespreek.
Ik ken deze inhoud niet, maar het lijkt me goed dat ik me daarover goed
laat informeren door haar.
Mevrouw Wiersma (BBB):
Ik zou de minister het volgende willen vragen. Ze geeft namelijk aan dat
er wel degelijk onderzoeken gedaan worden, maar daarbij gaat het met
name over de kinderen waarbij al is vastgesteld dat er misstanden zijn.
Het gaat er hier juist om dat de groep waarbij daadwerkelijk iets
speelt, buiten beeld is. Hoe kan zij dan de effectiviteit van het
gevoerde beleid meten? We hebben vorige week met haar collega-minister
een debat gehad over de ggz. Daarbij werd de bal eigenlijk een beetje
gespeeld in de richting van Onderwijs, in die zin dat daar de
verantwoordelijkheid ligt, onder andere via het programma STORM. Wat ons
betreft moet VWS hierin echt de lead nemen, of het nu gaat om mentale
problemen of om kinderen die in een kwetsbare situatie opgroeien. Is ze
het dus eens … Hoe gaat zij de effectiviteit van haar beleid meten als
ze niet weet hoe groot die daadwerkelijke groep is?
Minister Sterk:
De effectiviteit van het beleid gaan we juist meten door het volgen van
de gezinnen waarvan we weten dat er sprake is van geweld en waar hulp en
ondersteuning wordt geboden. Daarbij gaan we dus heel goed volgen of het
werkt wat we doen. Doen we de goede interventies? Werken we daar goed in
samen? Het andere dat u stelt is natuurlijk precies het probleem: als
het niet gemeld wordt en als kinderen niet vertellen wat er is, kun je
het ook niet weten. Je moet dus de bereidheid vergroten om te melden, om
plekken te organiseren en om er gesprekken over te kunnen voeren. Daar
heb ik volgens mij net in antwoord op Kamerlid Synhaeve al het nodige
over gezegd. Ik ben het daar dus zeer mee eens. Daar moeten we heel hard
aan werken.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Toen ik cao-onderhandelaar was van de kinderopvang was vroegsignalering
van kindermishandeling een van de dingen waarvan we zeiden: daar moet
meer op geschoold worden. Dat kan ik me ook voorstellen bij de
lerarenopleiding. Ziet de minister daarin nog een rol voor zichzelf
weggelegd?
Minister Sterk:
Ik ben niet de minister van Onderwijs, dus ik zie daarin niet een
directe rol voor mij weggelegd. Ik ben wel bereid om dit in ieder geval
op te nemen in de gesprekken die we natuurlijk ook voeren met de andere
departementen. Nogmaals, dit is niet een probleem dat alleen deze
minister kan oplossen; dit vraagt iets van heel mensen. Kinderen
bevinden zich namelijk in heel veel domeinen: school, werk, de
sportschool en de sportvereniging. Ik zal dit meenemen in de gesprekken
die ik met haar voer.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Het antwoord van de minister triggerde mij toch wel enorm. Vanmiddag is
daarover een gesprek. Daarmee weet ik echter nog helemaal niets over de
aanwijzende bevoegdheid die de minister heeft en kan inzetten omdat
blijkt dat Enver helemaal nog niet voldoet aan van alles en nog wat.
Enver voldoet aan het minimale om in ieder geval onder het
inspectietoezicht uit te komen. Ik zou aan deze minister willen vragen
of zij voor eind volgende week voor de Kamer een brief kan opstellen met
de uitkomsten van dat gesprek en de consequenties voor Enver, temeer
omdat wij in deze Kamer al meerdere debatten over onder anderen het
Vlaardings pleegmeisje hebben gevoerd.
Minister Sterk:
Volgens mij hebben wij in mei een commissiedebat over deze thema's. Het
lijkt mij goed dat ik in ieder geval zorg dat u daarvoor geïnformeerd
bent, zodat we daar dan verder over kunnen spreken. Dat geeft mij ook de
gelegenheid om me hier wat verder in te verdiepen. Ik vind namelijk dat
ik daar inderdaad mijn rol in moet pakken. Ik informeer uw Kamer
daarover.
De voorzitter:
Ik dank de minister voor de beantwoording van deze vragen.
Vragen Moinat
Vragen van het lid Moinat aan de minister van
Langdurige Zorg, Jeugd en Sport over het bericht "Honderden
'onhandelbare' jongeren voor miljoenen 'gedumpt' op vakantieparken: 'Zij
leven in het niks'".
De voorzitter:
Ik geef nu het woord aan mevrouw Moinat voor haar vragen namens de Groep
Markuszower, eveneens aan de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en
Sport. Het woord is aan mevrouw Moinat.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Dank, voorzitter. Vorige week stond ik hier om een debat met deze
minister aan te vragen over een 13-jarig jongetje dat uit huis was
geplaatst en als noodgreep zonder begeleiding op een vakantiepark werd
gedumpt. Vanuit de Kamer vond men dat we geen debat hoefden te voeren
over een individueel geval, dus er hoefde geen debat te komen. Dit snap
ik.
Voorzitter. De inkt was nog niet droog of Zembla kwam met een
onthullende uitzending. Het zou niet over één casus gaan, maar over
honderden kinderen die gedumpt worden op vakantieparken. Jaren geleden
is in politiek Den Haag besloten de gesloten jeugdzorginstellingen
langzaamaan zorgvuldig te sluiten en af te bouwen. "Zorgvuldig" was het
mantra van alles en iedereen hier. Kwetsbare jongeren moet je niet van
de ene naar de andere situatie overgooien, maar moeten langdurig goed en
stabiel geholpen worden. Wat blijkt? In onder andere het AD valt te
lezen dat het Rijk zijn eigen gesloten voorzieningen sluit, maar nul
komma nul regelt voor de gevolgen daarvan. In plaats daarvan schuift het
Rijk het probleem doodleuk door naar gemeentes. Zolang Den Haag niet
meer verantwoordelijk is, horen wij niets van de minister. Het is
namelijk niet alleen van de laatste tijd en dus van deze minister. Wat
blijkt: hulpeloze kinderen dumpen op vakantieparken omdat het systeem
wederom faalt, gebeurt gewoon al jarenlang. De kosten bedragen tot wel
1,75 miljoen per kind per jaar. Ik herhaal het nog een keer: 1,75
miljoen voor één kind in één jaar. Wat levert het op? Een doodongelukkig
kind op een vakantiepark, ver weg van de ouders, dat nog net zo
onhandelbaar, suïcidaal en getraumatiseerd is als daarvoor, gewoonweg
omdat het niet de zorg krijgt die het behoort te krijgen. Is de minister
het met mij eens dat het pertinent niet kan dat we kinderen dumpen op
vakantieparken omdat het systeem faalt en de overheid haar wettelijke
plicht maar even aan haar laars lapt? Hoe vindt de minister zelf dat het
gaat?
De voorzitter:
Het woord is aan de minister.
Minister Sterk:
Dank u wel, voorzitter. Laat ik beginnen met zeggen dat ik die zorg deel
en dat ik ook erg verontwaardigd was toen ik vorige week de berichten
las in de krant en hoorde over Zembla. Ik heb meteen gevraagd wat hier
nou aan de hand is en hoe het kan dat juist deze jongeren, die al zo'n
complexe problematiek hebben, vaak al heel veel in hun leven hebben
meegemaakt waardoor zij uiteindelijk daar terecht zijn gekomen en
ontzettend kwetsbaar zijn, terug te vinden zijn op zo'n vakantiepark.
Dat zou toch niet moeten mogen?
Ik ga even terug naar waar u ook aan refereerde. We hebben hier in de
Kamer in 2022 unaniem met elkaar afgesproken dat we de gesloten
jeugdzorg afbouwen. Daar hebben we onszelf tot 2030 de tijd voor
gegeven. We hebben er middelen voor vrijgemaakt om dat goed te doen. Het
eerlijke antwoord is dat we al best wel een eind op weg zijn. In 2019
hadden we 1.700 plaatsingen. Sinds vorig jaar zitten we op 656
plaatsingen. Helaas is er dus nog steeds een kleine groep voor wie er op
dit moment geen passende voorzieningen zijn en voor wie er geen passende
zorg te vinden is. Die groep komt dus blijkbaar soms op zo'n
vakantiepark terecht. Die zorg herken en voel ik ook. Ik zie ook hoe de
jeugdbeschermers en de zorgprofessionals worstelen met de vraag hoe ze
nou moeten omgaan met deze jongeren, die vaak niet alleen een gevaar
zijn voor zichzelf, maar soms ook voor hun omgeving.
We moeten dus heel hard werken aan de passende zorg. Ook moeten we dus
constateren dat dat op dit moment niet goed lukt. Ik denk dat daarover
het voorbeeld gaat dat we in de krant zagen. We zien overigens ook dat
er plekken zijn waar het wel goed lukt. Ik noem bijvoorbeeld Levvel,
waar ik binnenkort zelf ook ga kijken. Volgens mij is het heel erg
belangrijk dat we ook gaan kijken hoe we die goede voorbeelden kunnen
uitvergroten en optillen, zodat andere partijen daar ook hun voordeel
mee kunnen doen.
Omdat ik vorige week dezelfde verontwaardiging als mevrouw Moinat had,
is er inmiddels wel wat gebeurd. Gisteren is er al overleg geweest met
de inspectie en de VNG over wat we hieraan kunnen doen. Mijn collega van
JenV was daar overigens ook bij. Ik ga kijken hoe we de aanpak kunnen
versterken en versnellen om ervoor te zorgen dat deze jongeren, met een
hele dure bekostiging, uiteindelijk niet ook nog heel eenzaam op zo'n
vakantiepark terechtkomen.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Dank. Ik heb inderdaad op de NOS gelezen dat de minister al heeft gezegd
dat ze ook vindt dat gemeenten minder geld voor noodoplossingen moeten
betalen en dat deze kinderen sneller de juiste zorg moeten krijgen. Ik
vind het prachtig dat deze minister een gesprek gaat voeren, maar dat is
wel een paar jaar te laat. Ik herhaal de eerdere vraag dus nog maar
even: wat gaat u als minister concreet vandaag nog doen — ik heb het dan
niet over van de week gesprekken aangaan — om deze kinderen van die
vakantieparken af te halen en de zorg te bieden die zij nodig hebben? Ik
wil hier namelijk niet volgende week weer staan om tegen deze minister
van leer te trekken. Dit is echt onacceptabel. Dit is al jaren aan de
gang. Het is niet sinds een week. Ik verwacht dus dat deze minister
vandaag nog iets gaat doen en niet van de week een gesprek aangaat. Deze
jongeren hebben een zeer problematische jeugd, zijn zeer problematisch
voor henzelf en zitten nu op een vakantiepark met een soort bewakinkje
in een soort settinkje van gesloten jeugdzorg. Ik wil gewoon van de
minister weten wat zij concreet gaat doen, behalve het gesprek aangaan
met wie dan ook.
Minister Sterk:
Soms moet je dat gesprek wel voeren om uiteindelijk met al die partijen
de oplossing van het probleem verder te brengen. Ik ga daar dus alle
inzet op plegen. Het eerlijke verhaal is ook dat dit gewoon een hele
complexe groep is. We hebben best wel met dilemma's te maken. We hebben
namelijk te maken met het dilemma van de autonomie van de jongeren, van
de vrijheid die de jongeren graag daarbij willen hebben en van de
veiligheid, die natuurlijk een rol speelt. Ook is de vraag hoe dat zich
verhoudt tot vrijheidsbeperkende maatregelen. Dus het zoeken naar
plekken waar deze jongeren passende zorg kunnen krijgen, is gewoon
ingewikkeld. Ik kan u misschien teleurstellen, maar dat ga ik vandaag
niet oplossen. Ik kan wel toezeggen dat ik dat gesprek ga intensiveren.
Dat is gisteren al begonnen en dat gaat volgende week verder. Ik weet
ook dat de VNG er alles aan doet om te zorgen dat wij die complexe
jongeren — nou ja, ik moet niet zeggen "complexe jongeren" — dus
jongeren met een complexe zorgvraag echt een plek kunnen geven waar ze
in alle veiligheid zichzelf kunnen ontwikkelen. We zijn het er allemaal
over eens dat dat moet gebeuren. Daar zijn we mee bezig. Ik zal zorgen
dat u daar als Kamer binnenkort, als er meer over te melden is, zeker
meer informatie over krijgt.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Ik kan niet anders dan concluderen: goed verhaal, lekker kort, doen we
niks mee. Vorige week stond ik hier ook, en toen lag dit artikel
hopelijk ook al bij de minister. U heeft geen enkele gang naar de Kamer
gemaakt om ons ook maar te informeren over iets wat u ging doen. Het
enige wat ik uit deze vragenronde kan concluderen, is dat van dit
bureaucratisch geneuzel van deze minister op dit moment geen kind beter
wordt. De enigen die er beter van zijn geworden, zijn de mensen aan wie
het geld betaald is en de ingehuurde krachten die zonder diploma's bij
deze kinderen zitten. Daarom ga ik straks alsnog een debat aanvragen met
deze minister, om dit te bespreken.
Minister Sterk:
Waarvan akte.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Het klopt dat deze Kamer heeft gezegd dat we moeten stoppen met gesloten
jeugdzorg, maar niemand heeft daarmee bedoeld dat kinderen alleen in
vakantieparken zouden zitten. Volgens mij is hier een groot probleem aan
de hand — dat geven wethouders die vandaag buiten stonden ook aan —
namelijk dat de beweging van gesloten jeugdzorg naar gezinszorg stopt.
Er zijn pilots waarbij er een systeem rondom een gezin wordt gebouwd.
Dat is goedkoper, maar daarmee zorg je er ook aan de voorkant voor dat
heel veel jongeren niet verder afglijden.
De voorzitter:
Uw vraag.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Mijn vraag is: waarom lukt het het kabinet maar niet om die beweging
daadwerkelijk te maken, met als gevolg dat honderden kinderen momenteel
tussen wal en schip vallen, nota bene alleen op vakantieparken?
Minister Sterk:
Ik deel dezelfde verontwaardiging en frustratie als ik Kamerlid Ceder
hoor uitspreken. Dat is ook mijn vraag. Ook ik vind het belangrijk dat
wij zorgen dat deze kinderen die veilige omgeving krijgen. Ik zie dus
ook dat wij op dit moment met elkaar niet in staat zijn om dat in
voldoende mate te regelen. Je ziet dat gemeentes een soort
noodhulpoplossing kiezen door een tijdelijke plaatsing op zo'n
vakantiepark, maar dat mag nooit het antwoord zijn. We moeten er alles
op inzetten met elkaar — vandaar ook dat ik zeg dat ik die gesprekken
wil intensiveren — om op zoek te gaan naar een duurzame oplossing voor
deze groep jongeren. Ik geef ook de winstwaarschuwing dat het een
ingewikkeld vraagstuk is. Dat weet u volgens mij ook. Want als het
makkelijk was, dan hadden we het hier in de Kamer al lang opgelost. We
zetten alles op alles, samen met de VNG en de zorgaanbieders, om te
zorgen dat dit niet zo blijft. Dit moet geen duurzame situatie worden
voor deze jongeren.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik ben vandaag exact vijf jaar Kamerlid. Al vijf jaar hoor ik dezelfde
verhalen. Al vijf jaar staan we hier en zeggen we dat het crisis is.
Volgens mij is er een fundamenteel probleem, namelijk dat het kabinet
weigert te erkennen dat die beweging naar het gezin betekent dat er
minder geld bij JenV moet zijn en dat je dat veel meer naar de gemeenten
moet trekken, om ook ruimte te bieden om een heel gezin te gaan helpen.
Mijn vraag is of de minister kan toezeggen te gaan verkennen of het
aantal interventies rondom een gezin de oplossing is, zodat we ervoor
kunnen zorgen dat we aan de ene kant afbouwen en aan de andere kant
opbouwen. Als we aan beide kanten bezuinigen, krijgen we wat we nu zien.
Kan de minister toezeggen dat in ieder geval te onderzoeken en de Kamer
daarover te informeren?
Minister Sterk:
Dat zijn we op dit moment ook aan het doen. We zijn juist die beweging
naar de voorkant aan het maken, waarbij we zorg en welzijn samen willen
nemen. Als er dan sprake is van zorgen om een kind of problematiek
thuis, willen we dat in het hele gezin bekijken en willen we kijken wat
er in de omgeving van een gezin mogelijk is aan ondersteuning. Dat is
juist de beweging die we aan het maken zijn, niet alleen in de
jeugdzorg, maar ook in de langdurige zorg. Dat past volgens mij ook heel
erg bij wat Kamerlid Ceder vraagt van het kabinet. Dus ja, volgens mij
sturen wij daar allerlei brieven over naar u en volgens mij is dit een
heel belangrijk onderwerp, waar we zeker mee verder moeten. Ik geloof
oprecht dat dat ook een antwoord is op excessen die uiteindelijk
verderop in de keten kunnen ontstaan als we niet vroegtijdig
interveniëren.
De heer Hamstra (CDA):
Dit is volgens mij precies wat we niet willen: te weinig personeel en te
weinig plekken voor de meest kwetsbare jongeren in onze samenleving. De
oplossing op vakantieparken, die ook in het krantenartikel staat, is
helemaal geen oplossing. Het is én niet passend én ook nog veel te duur.
De gemeenten kunnen dat uiteindelijk helemaal niet betalen. Mijn vraag
aan de minister is dan ook: welke rol zou de nieuwe Wet reikwijdte, die
nu in internetconsultatie is en in de loop van het jaar naar ons toe
komt, kunnen spelen in het vinden van passende zorg voor deze meest
kwetsbare jongeren in onze samenleving?
Minister Sterk:
Met die Wet reikwijdte zorgen we er vooral voor dat die jongeren die het
echt nodig hebben, zorg krijgen. Soms krijgen jongeren zorg terwijl er
een ander probleem is in het gezin, bijvoorbeeld verslaving,
schuldenproblematiek of misschien het ontbreken van een passende woning.
Als je dat vroeg in beeld hebt, kun je daar tijdig iets aan doen en hulp
opzetten. Zo zorg je ervoor dat de kinderen die echt zorg nodig hebben —
dan heb je het dus over deze groep, maar bijvoorbeeld ook over meisjes
met anorexia — een plek hebben en dat er medewerkers zijn die die
passende zorg kunnen bieden aan deze groep. Dus ja, die Wet reikwijdte
zal ervoor moeten zorgen dat we wat strenger selecteren en juist meer in
de eerste lijn met elkaar opvangen. Zo kunnen we de jongeren die echt
hulp en zorg nodig hebben ook echt helpen.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Ik hoor de minister zeggen dat we de goede kant opgaan, omdat we minder
kinderen in gesloten jeugdzorg plaatsen. Dat kunnen we natuurlijk alleen
maar zeggen als de alternatieven kwalitatief heel erg goed zijn. Dat
kunnen we niet als we deze kinderen wegstoppen op vakantieparken waar we
ze een-op-eenbegeleiding bieden, waar geen interactie met
leeftijdsgenoten meer is en waar we tal van vrijheidsbeperkende
maatregelen opleggen, om maar iets te noemen. Ik heb de vorige keer in
het debat aangegeven dat we 180 miljoen hebben gereserveerd voor de af-
en ombouw van de gesloten jeugdzorg, maar ik zie die alternatieven
niet.
De voorzitter:
Uw vraag?
Mevrouw Synhaeve (D66):
Ik ben ook bij Levvel geweest. Die 180 miljoen is veel te weinig; we
hebben veel meer nodig. Hoe gaat deze minister vanuit haar
stelselverantwoordelijkheid erop sturen dat die plekken er ook echt
komen?
Minister Sterk:
Nogmaals, ik deel met de hele Kamer de verontwaardiging dat we er nog
niet zijn. Dat is niet goed en het mag niet zo zijn dat kinderen met
een-op-eenbegeleiding eenzaam op zo'n vakantiepark zitten. Volgens mij
is dat nooit wat we gewild hebben toen we zeiden dat we de gesloten
jeugdzorg willen gaan afbouwen. Daar zijn we mee bezig. We zien nu dat
het gewoon nog steeds niet op orde is. We moeten dus ervoor zorgen dat
dit soort excessen voorkomen worden. Ik denk dat het dan toch belangrijk
is om — u noemde net Levvel als voorbeeld — er juist wel voor te zorgen
dat er snel wordt opgeschaald. Zo zullen gemeentes zich niet meer
geroepen voelen om een soort noodoplossing te creëren op zo'n
vakantiepark, wat inderdaad ook nog eens een keer ongelofelijk duur is.
In plaats daarvan moeten ze plekken krijgen waar deze jongeren kunnen
worden opgevangen. Ik gaf net al een paar dilemma's weer waar we mee te
maken hebben. Het zoeken naar een andere passende vorm van zorg voor
deze jongeren is niet zo makkelijk. Zoals het in de gesloten jeugdzorg
is gegaan, daarvan hebben we gezegd: dat nooit meer. Je ziet dat
zorgbehandelaars daarmee worstelen. Dat is een vraag die we met elkaar
hebben op te pakken: niet alleen het kabinet, niet alleen de VNG en niet
alleen de zorgaanbieders, maar wij met elkaar. Daar wil ik heel hard aan
werken. Dat doen we ook en daar gaan we wat mij betreft nog meer mee aan
de slag.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Ik wil allereerst zeggen dat ik de frustratie van alle andere Kamerleden
deel. Ik hoop dat de minister die ook voelt. Wat we elke week lezen, is
natuurlijk totale waanzin. Op deze manier staan we hier dadelijk elke
week opnieuw.
Dan mijn vraag. Er komen steeds nieuwe jeugdhulpaanbieders bij. De
inspectie waarschuwt tegelijkertijd voor de risico's bij aanbieders die
hiervoor onvoldoende zijn toegerust. Hoe voorkomt de minister dat dit
uit pure wanhoop, omdat er gewoon niks is in de noodopvang, groeit ten
koste van de kwaliteit en veiligheid?
Minister Sterk:
Daarom is het heel goed dat we de inspectie hebben, die daarop toeziet
en die zal ingrijpen op het moment dat zij signalen krijgt en
risicovolle situaties ziet. Ik val nu toch een beetje terug in het
verhaal dat ik net ook al heb verteld. Ik zet alles op alles om dit
proces te versnellen en te versterken, met alle partijen die daar een
rol in hebben. Ik ben het met u eens dat kinderen niet op deze manier in
vakantieparken terecht mogen komen.
Mevrouw Dobbe (SP):
Deze minister heeft het over een kleine groep en over excessen, maar het
gaat hier over honderden kinderen die gedumpt zijn op een vakantiepark,
met beveiligers voor de deur, en die niet de zorg en de hulp krijgen die
ze nodig hebben. Allerlei bedrijven verdienen hier blijkbaar ontzettend
veel geld aan. Denk aan beveiligingsbedrijven, allerlei coachingbureaus
en weet ik veel wat we allemaal hebben gelezen. Daar gaat het hier om.
Het gaat om deze kinderen, die zijn gedumpt op een vakantiepark. Deze
minister komt niet verder dan de uitspraak: ik was ook verontwaardigd
toen ik dit las. We hebben dit uit de media moeten vernemen.
De voorzitter:
Wat is uw vraag?
Mevrouw Dobbe (SP):
Waarom wist deze minister dit niet? Blijkbaar zit ze er niet bovenop,
aangezien ze niet weet dat er honderden kinderen op vakantieparken
zitten.
De voorzitter:
De minister.
Mevrouw Dobbe (SP):
Voorzitter, als u het mij nog even toestaat: we moeten van deze minister
een tijdslijn hebben met een deadline waarop deze kinderen allemaal weg
zijn van die vakantieparken. Ze moeten niet naar een andere waardeloze
plek, maar ze moeten goede zorg krijgen. Wat is de deadline van deze
minister daarvoor?
Minister Sterk:
Ten eerste is dit niet mijn verantwoordelijkheid als minister, maar die
van de gemeentes, die deze afspraken hebben gemaakt met deze
zorgaanbieders en die deze kinderen op deze parken hebben geplaatst. Het
is natuurlijk heel ernstig dat deze gemeentes dat doen omdat ze op dit
moment soms geen alternatief hebben. Daarom zoek ik met de gemeentes
naar hoe ze dit kunnen verbeteren, bijvoorbeeld door er meer op
regionaal niveau voor te zorgen dat er expertise is om deze jongeren
goed te kunnen plaatsen. Daar hebben we ook middelen voor vrijgemaakt.
Wat ik kan doen, samen met de inspectie, de VNG en de
jeugdzorgaanbieders, is er vanuit mijn stelselverantwoordelijkheid voor
zorgen dat we dit soort problemen niet langer op deze manier hoeven op
te lossen. Deze jongeren moeten passende zorg krijgen. Dat hebben we ook
met elkaar afgesproken toen we in de Kamer hebben besloten om de
gesloten jeugdzorg te stoppen. Ik geloof dat je "gesloten jeugdhulp"
moet zeggen. We zitten in dat proces. Het gaat mij ook niet snel genoeg.
We willen uiteindelijk dat er in 2030 nog maar voor enkele jongeren op
zo'n manier een plek moet worden gevonden. Misschien is 400 een kleine
groep, maar iedere jongere die daar zit, is er natuurlijk één te
veel.
Mevrouw Wiersma (BBB):
Mevrouw Dobbe heeft de vraag die ik wilde stellen eigenlijk al gesteld.
Dat geeft mij de gelegenheid om een andere vraag te stellen. De minister
gebruikt structureel het woord "jongeren", maar het gaat hier echt om
kinderen. Kinderen verdienen het om als kind gezien te worden. Ze zijn
kwetsbaar en afhankelijk. Wij zijn verantwoordelijk voor hun welzijn. Ik
wil de minister het volgende vragen. De minister probeert de
verantwoordelijkheid een beetje af te schuiven door te zeggen dat de
Kamer iets heeft besloten. Maar er wordt hier iets afgebouwd zonder dat
er een alternatief is. Er komen straks nog veel meer bezuinigingen aan,
ook richting de jeugdzorg.
De voorzitter:
Wat is uw vraag?
Mevrouw Wiersma (BBB):
Hoe gaat deze minister voorkomen dat er opnieuw allerlei zaken worden
opgebouwd en we hier over twee jaar weer staan omdat een nog veel
grotere groep jongeren met de vingers tussen de deur komt?
Minister Sterk:
In 2022 is het besluit gevallen om de gesloten jeugdzorg af te bouwen.
Volgens mij hebben we toen ook afgesproken dat we nieuwe alternatieve
vormen gingen opbouwen. Daar hebben we 176 miljoen voor vrijgemaakt. Dat
geld is nog niet op. Dat proces loopt nog. Het is dus niet zo dat we
iets hebben stopgezet en we hebben gezegd: zoek het maar uit. We zijn
met elkaar met dat proces bezig. Ik heb net ook aangegeven dat het echt
een ingewikkeld vraagstuk is, want je hebt zowel bij kinderen als bij
jongeren te maken met autonomie, veiligheid en de ruimte die je hebt om
vrijheidsbeperkende maatregelen te nemen. Het is voor heel veel partijen
gewoon een worsteling om een passende vorm te vinden om deze jongeren op
te vangen. We zitten nu in die worsteling. We zijn daarover in
gesprek.
Je ziet daar ook al goede oplossingen voor, zoals Levvel — ik noemde het
net al — of Elker. Zo zijn er vast nog andere voorbeelden te noemen die
ik nu nog niet ken. Volgens mij is het van groot belang dat we die met
elkaar gaan opschalen. Ik doe dat heel graag met de gemeenten, want zij
zijn in eerste instantie verantwoordelijk voor de inkoop van deze zorg.
U zegt dat er nog van alles bij komt vanuit de jeugdzorg. Volgens mij
proberen we er juist in de hervorming van de jeugdzorg voor te zorgen
dat we de jongeren die echt deze specialistische zorg nodig hebben, er
veel meer aan de voorkant uit halen. We proberen het bij jongeren die
problemen hebben die door andere factoren worden veroorzaakt, zoals door
ouders of een woonplek, ook op die manier op te lossen, zodat de zorg
voor de jongeren met een echte zorgvraag mogelijk gemaakt wordt.
De voorzitter:
Ook bij deze vraag mag het antwoord iets korter en bondiger, minister.
Mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik was erbij toen die motie werd ingediend en ook bij alle debatten
daarna. Er was destijds al wel degelijk bekend dat er onvoldoende
alternatieven waren. Gemeenten en zorgverleners trokken destijds al aan
de bel, omdat ze zeiden dat het bedrag dat erbij gekomen is — de
minister heeft het over 176 miljoen — onvoldoende was. We weten allemaal
dat kleinschalige zorg met de allerbeste hulpverleners veel duurder is
dan een aantal grote gesloten jeugdzorginstellingen. Mijn vraag aan de
minister is dus of zij bereid is om te investeren, juist om op langere
termijn te voorkomen dat deze problemen zo uitdijen dat ze zo groot zijn
als ze nu zijn. Destijds werd dat namelijk niet gedaan en werd er door
een Kamermeerderheid tegen onze moties gestemd die dat voorstelden. Is
de minister bereid om wel datgene wat nodig is te investeren in deze
kleinschalige initiatieven?
Minister Sterk:
Dat is volgens mij wat we op dit moment ook doen. Dat geld is nog steeds
niet op; volgens mij is het pas voor ongeveer de helft uitgegeven. Er
zijn dus nog middelen om inderdaad juist in die kleinschalige
opvangvoorzieningen te investeren.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Dan is het toch belachelijk dat het geld nog niet op is? We kregen
destijds als Kamer al signalen dat er te weinig was om die ombouw goed
neer te kunnen zetten. We wisten toen ook al — ik begrijp alle verbazing
hier nu, maar als je langer op dit dossier meewerkt, weet je dit al
jaren — dat er onvoldoende geschikte plekken zijn voor deze jongeren.
Dat weten we al jaren. Over de situatie die in de reportage naar voren
kwam, zegt natuurlijk iedereen dat het nooit meer mag gebeuren, maar het
kan voor niemand een verrassing zijn dat er al die jaren onvoldoende is
gedaan. Waarom heeft ook het ministerie er niet harder bovenop gezeten
dat er echt gewerkt zou worden aan die goede alternatieve plekken waar
deze jongeren wel op hun plek zijn, waar ze de allerbeste hulpverleners
krijgen, waar ze onderwijs hebben en waar ze goed worden geholpen door
mensen die met warmte en liefde naar hen omkijken?
Minister Sterk:
Ik deel echt de passie die mevrouw Westerveld hier laat zien en dat deze
jongeren gewoon het allerbeste verdienen, want dit zijn jongeren die
vaak uit een hele moeilijke omgeving komen en die een hele rugzak met
zich meedragen vol ellende waar wij ons misschien wel nauwelijks iets
bij kunnen voorstellen. Die jongeren verdienen het niet om dan in zo'n
noodoplossing, op zo'n plek, terecht te komen. Wij moeten daar alles aan
doen. Mevrouw Westerveld weet ook dat het moeilijk is om een vorm te
vinden waarin deze jongeren weer veilig zijn voor zichzelf en hun
omgeving, omdat ze zo veel hebben meegemaakt en zo'n complexe
problematiek hebben. Er zijn echt ontwikkelingen waarin we zien dat het
al beter past, maar dat geldt nog steeds niet voor elke jongere. Het is
onze dure plicht om te zorgen dat we dat wel voor elkaar krijgen. Deze
minister staat hier om daar samen met de andere partijen aan te werken,
maar deze minister is ook realistisch: we hebben dat niet morgen al
geregeld voor al deze jongeren. We hebben gelukkig middelen. Ik ga het
gesprek aan en dat intensiveren, omdat ik vind dat dit eigenlijk niet zo
zou mogen gebeuren.
Mevrouw Wendel (VVD):
Volgens mij zijn we het er allemaal over eens dat de gesloten jeugdzorg
zo veel als mogelijk moet worden afge… Sorry, ik werd even afgeleid.
De voorzitter:
Ja. Er is een beetje rust in de plenaire zaal gevraagd. Mevrouw
Wendel.
Mevrouw Wendel (VVD):
Dank, voorzitter. Volgens mij zijn we het er allemaal over eens dat die
gesloten jeugdzorg zo veel als mogelijk moet worden afgebouwd.
Tegelijkertijd is wat er nu gebeurt, namelijk dat die jongeren worden
gedumpt op vakantieparken, wat ook nog eens miljoenen kost, echt niet de
bedoeling. Ik wil de minister vragen, uiteraard via de voorzitter, of
dit ook te maken heeft met het tijdpad dat wij hebben geschetst om de
gesloten jeugdzorg af te bouwen. Zo ja, hoe gaat de minister er dan voor
zorgen dat niet tijd maar kwaliteit leidend is bij deze afbouw? Het doel
is natuurlijk uiteindelijk dat deze jongeren passende zorg hebben en dat
ze liefdevol behandeld worden.
Minister Sterk:
Wat nou precies de achterliggende oorzaak is en of dat 'm nou in het
tijdpad zit … Ik stel in ieder geval vast dat we nog de tijd hebben
genomen om dit af te gaan bouwen tot 2030. Dat zijn de afspraken die we
hebben gemaakt. Of tijd nou het probleem is … Ik krijg zelf veel meer de
indruk dat het ermee te maken heeft dat het nog steeds moeilijk is om
met elkaar te formuleren wat nou precies die passende zorg voor deze
groep is. De gesloten jeugdhulp zoals we die hadden, willen we niet
meer. Voor een deel van de groep hebben we inderdaad andere oplossingen.
Dat zie je ook. Een deel van de groep is al wel geplaatst, maar er is
dus nog steeds een groep die zo'n complexe vraag heeft dat daar op dit
moment nog geen passend aanbod voor is. Daar moeten we keihard voor
werken. We hebben daar ook goede voorbeelden van. Ik zie het als mijn
taak om daarover het gesprek aan te gaan en het zo snel mogelijk op te
schalen, zodat ook andere jongeren daar gebruik van kunnen maken.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
In het artikel van mevrouw Moinat reageert de Inspectie Gezondheidszorg
en Jeugd geschrokken. Ook ik had een artikel ingestuurd voor het
vragenuurtje — volgens mij kunnen we dat iedere week doen — over een
onderzoek naar zorginstellingen die eigenlijk nauwelijks iets merken na
tekortkomingen en zelfs na een onnatuurlijke dood van cliënten.
Zorgbedrijven mogen zich namelijk eindeloos blijven verbeteren. Kan de
minister de rol van de inspectie toelichten? Hoe zorgen we er nou voor
dat de inspectie zelf niet hoeft te schrikken?
Minister Sterk:
Mevrouw Van Brenk stelt wel een hele grote vraag. De inspectie is
verantwoordelijk voor de kwaliteit van de zorg en is ook wel afhankelijk
van het onderzoek dat ze zelf doet of van signalen die ze krijgt. Als ze
signalen krijgt, moet ze daar ook op acteren. Als ze het gevoel heeft
dat er voor jongeren zulke grote risico's zijn dat die jongeren zelf
gevaar lopen, moet ze ook ingrijpen of verscherpt toezicht instellen.
Dat is volgens mij ook de taak die ze uitvoert. Ik heb al eerder
aangegeven dat ik vanmiddag een gesprek heb met de inspecteur-generaal
en dat ik over een aantal casussen ook graag nog met haar van gedachten
wil wisselen. Volgens mij vervult het IGJ in die zin gewoon wel de rol
die ze heeft, maar ze is natuurlijk wel afhankelijk van de signalen die
ze soms krijgt. Dat is volgens mij ook een rol die we met elkaar te
spelen hebben.
De voorzitter:
Mevrouw Keijzer, tot slot.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
De falende overheid: je schaft iets af, je belooft dat het anders wordt,
maar wat daarvoor nodig is, heb je nog lang niet klaarstaan en vier jaar
later zitten jongeren met grote zorgvragen en problemen in
vakantieparken; mind you. Wil deze minister ons gewoon binnen een week
of twee vertellen wat hier nou aan de hand is en wat er nodig is? Het is
namelijk echt volstrekt onvoldoende om als minister alleen te zeggen "ik
was ook verontwaardigd toen ik het las en ik ga het gesprek aan".
Minister Sterk:
Volgens mij weet Kamerlid Keijzer als geen ander hoe complex de
werkelijkheid soms is en hoe eenvoudig die soms op papier lijkt. Ik heb
net aangegeven dat wij bezig zijn met een hele grote beweging, namelijk
om te zorgen dat jongeren uit de gesloten jeugdhulp op een plek komen
waar ze veilig zijn. Wij hebben daar gelukkig al een grote groep
jongeren in kunnen onderbrengen. Omdat wij zulke situaties als
samenleving niet meer willen, moeten we met elkaar ook constateren dat
een passend antwoord op de problemen van deze specifieke groep moeilijk
te formuleren is. Nogmaals, er zijn ook goeie voorbeelden van en die
moeten we gaan uitvergroten, maar we hebben gewoon te maken met een
dilemma tussen de autonomie van die jongeren en de vrijheidsbeperkende
maatregelen die je daar soms tegenover moet stellen. We hebben als
samenleving gezegd dat we de gesloten jeugdhulp niet meer willen, maar
ik denk dat we nog steeds worstelen met een goed antwoord op die vragen.
Daar werken we op dit moment met heel veel partijen aan en daar wil ik
mij de komende tijd met nog meer intensiteit voor gaan inzetten.
De voorzitter:
Ik dank de minister voor de beantwoording van de gestelde vragen.
Daarmee zijn we aan het einde gekomen van dit vragenuur. Ik schors een
enkel ogenblik, waarna we gaan stemmen.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.