Wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en een aantal andere wetten in verband met het verbeteren van de aansluiting van het beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt (verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt) (36670) (ongecorrigeerd)
Stenogram
Nummer: 2026D15516, datum: 2026-04-01, bijgewerkt: 2026-04-02 09:48, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-04-01 19:30: Wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en een aantal andere wetten in verband met het verbeteren van de aansluiting van het beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt (verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt) (36670) (Plenair debat (wetgeving)), TK
Preview document (🔗 origineel)
Verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt
Voorzitter: Paulusma
Verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt
Aan de orde is de behandeling van:
het wetsvoorstel Wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en een aantal andere wetten in verband met het verbeteren van de aansluiting van het beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt (verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt) (36670).
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het debat over de Wijziging
van de Wet educatie en beroepsonderwijs en een aantal andere wetten in
verband met het verbeteren van de aansluiting van het beroepsonderwijs
op de arbeidsmarkt. Ik heet de leden van de Kamer van harte welkom. Ik
heet de minister in vak K van harte welkom.
De algemene beraadslaging wordt geopend.
De voorzitter:
Laten wij voortvarend beginnen. Dat doen we met mevrouw Tseggai, als zij
het nietje uit haar spreektekst heeft gehaald. Ze laat het zitten, hoor
ik nu. Dat zou ik ook gedaan hebben als ik haar was. Mevrouw Tseggai
spreekt namens de fractie GroenLinks-Partij van de Arbeid. Gaat uw
gang.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Ik ga het met nietje proberen; we gaan kijken
hoe dit gaat. Voor ons ligt vandaag de Wet verbetering aansluiting
beroepsonderwijs-arbeidsmarkt, kortweg de Wet Vaba. Deze wet was
eigenlijk geagendeerd als hamerstuk, maar vanwege de impact van de wet
op het mbo, onze grootste onderwijssector, leek het mijn fractie goed om
deze wet toch te bespreken. Wij zijn overwegend positief over deze wet.
Hij maakt een aantal zaken in het mbo makkelijker, zoals inspelen op
innovatie op de arbeidsmarkt en het geven van meer flexibele uren aan
studenten, biedt wettelijke ruimte voor het aanbieden van verkorte
opleidingen en geeft meer ruimte voor keuzedelen. Volgens mij zijn dit
allemaal goede ontwikkelingen, maar ik heb nog wel wat vragen over de
uitvoering.
Allereerst heb ik een vraag over de onderwijstijd. Enerzijds hoor ik
vaak van mbo-studenten dat ze zich op school soms een beetje opgehokt
voelen omdat de onderwijsinstelling nou eenmaal een aantal uren vol moet
maken, en anderzijds zijn er ook zorgen vanuit het veld dat deze wet,
door die mogelijkheid voor flexibele uren, ervoor zorgt dat de
onderwijskwaliteit en de ruimte voor brede vorming van mbo-studenten
achteruitgaat. Daarnaast zou deze wet ook gebruikt kunnen worden om te
bezuinigen of om lerarentekorten makkelijker op te lossen. Ik ga daar
niet van uit maar ik wil het risico wel benoemd hebben. Ik vroeg me af
hoe de minister reflecteert op al deze zaken betreffende de
onderwijstijd.
Voorzitter. Ik heb nog een ander punt over de onderwijstijd en de
invulling daarvan. Binnen het mbo wordt steeds vaker buiten het
klaslokaal gewerkt aan vaardigheden zoals samenwerken, door met
medestudenten te werken aan een opdracht voor een werkgever. Dat komt de
aansluiting op de arbeidsmarkt ten goede. Ik heb daar zelf in de
praktijk ook veel leuke voorbeelden van gezien. Daarnaast zorgt het
ervoor dat er meer ruimte komt om uit te gaan van de kwaliteiten en de
persoonlijke leerbehoeften van een student. Wij onderschrijven
natuurlijk het nut van leren van een beroepsexpert in de praktijk, maar
we willen ervoor waken dat het uitmondt in praktijkleren zonder adequate
didactische ondersteuning. Niks ten nadele van die experts uit de
praktijk, maar als je een goede automonteur bent, betekent dat niet
automatisch dat je goed kan lesgeven. Hoe zorgen we er dus voor dat
studenten binnen deze leervormen met deze wet nog steeds kunnen rekenen
op goede feedback en reflectie en op adequate didactische
ondersteuning?
Dan de keuzedelen. Deze wet zorgt ervoor dat instellingen meer ruimte
krijgen voor keuzedelen. Dat is heel hard nodig, want uit de JOB-monitor
blijkt dat maar 40% van de studenten positief is over de keuzedelen
waaruit ze kunnen kiezen. En over de inhoud van de keuzedelen is maar
35% van de studenten tevreden. Ik hoor tijdens bezoeken aan mbo-scholen
vaak dat studenten echt ontevreden zijn over wat ze kunnen kiezen, omdat
er soms überhaupt maar weinig keuze te bekennen is. Er kan bijvoorbeeld
maar gekozen worden uit twee opties. Ook sluiten de opties niet altijd
aan bij de arbeidsmarkt. Het voorbeeld dat ik zelf altijd graag aanhaal,
gaat over krullenkappers. Kijkend naar mijn haar zult u begrijpen
waarom. Er is in Nederland een groot gebrek aan krullenkappers. Ik denk
dat de voorzitter dat kan beamen! O ja, en mevrouw Van der Plas ook!
Maar toch is er maar één bekostigde mbo-opleiding die een keuzedeel
krullenkapper aanbiedt. Dat is natuurlijk best wel raar, want daarmee
houden we dat gebrek in stand.
Nou, zonder goede kapper kan je misschien net aan functioneren — ik weet
niet of alle collega's het daarmee eens zijn — maar dit speelt ook in
een andere sector, namelijk de kraamzorg. Morgen debatteert de Kamer
over kraamzorg. Een van de dingen waar het over zal gaan, is dat er
tekorten zijn in de instroom. Ik zie dat mevrouw Van der Plas een vraag
heeft.
De voorzitter:
Ik zie mevrouw Van der Plas aan komen lopen. Ik vermoed dat het zomaar
eens over de krullenkapper kan gaan. Gaat uw gang.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ja. Ik had me eigenlijk voorgenomen om niet of weinig te
interrumperen.
De voorzitter:
Maar u kon het niet laten!
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Nee, want ik werd even getriggerd.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Door de krullen?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Door de opmerking dat er te weinig krullenkappers zijn. Mevrouw Tseggai
zei dat de voorzitter dat kan beamen, en toen werd er ook naar mij
gewezen. Toen dacht ik: wat bedoelt mevrouw Tseggai met "zij kan dat
beamen"?
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ik bedoel dat u krullend haar heeft!
De voorzitter:
Ik heb het vermoeden dat ze ons een compliment gaf.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Volgens mij heeft de voorzitter best mooie krullen.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ik bedoelde dat u misschien de ervaring met mij deelt dat het als vrouw
met krullend haar moeilijk is om een goede kapper te vinden. Ik bedoelde
niet dat uw haar niet mooi zit; dat zou ik niet durven!
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Oké. U heeft zelf ook mooie krullen. Laten we het daarop houden.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Dank.
De voorzitter:
Ik bereid me altijd voor op hoe zo'n avond zou verlopen, maar dit had ik
niet ingecalculeerd. Gaat u verder, mevrouw Tseggai.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Het was een klein risico. We moeten het nu hebben over echt belangrijke
zaken. Waar dit bijvoorbeeld ook gebeurt, is bij de opleidingen in de
zorg. Er zijn te weinig zorgopleidingen die kraamzorg als keuzedeel
aanbieden. De Kamer gaat morgen over kraamzorg debatteren. Een van de
dingen waar het over zal gaan, is dat er te weinig instroom is. Maar ja,
als maar weinig studenten in een zorgopleiding het keuzedeel kraamzorg
kunnen kiezen, is dat natuurlijk niet zo gek. Er is dus veel te doen op
het gebied van keuzedelen. Deze moeten aansluiten op de arbeidsmarkt en
op de behoeften van studenten. Daarnaast moeten we de keuzedelen ook een
beetje betaalbaar houden. Te vaak kiezen studenten nu namelijk niet voor
hun favoriete keuzedeel vanwege de hoge materiaalkosten. Zou de minister
kunnen reageren op deze zorgen over keuzedelen, zeker in het licht van
de uitvoering van deze wet?
De voorzitter:
Ik vermoed dat de heer Claassen geen vraag heeft over de krullenkapper,
maar gaat uw gang.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
U bent mij voor, voorzitter, maar u weet niet waar ik allemaal krullen
heb.
De voorzitter:
Nee, we gaan nu snel door naar de aanleiding van de interruptie, die
waarschijnlijk inhoudelijk is. Gaat uw gang.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ja, dit is een inhoudelijke vraag, voorzitter. Die gaat over dat
keuzedeel. Als ik het goed begrijp, zegt mevrouw Tseggai dat er een
keuzedeel kraamzorg is. Bij welke opleiding zou dat er moeten zijn? Zou
dat er dan ook toe moeten leiden dat iemand kraamverzorger wordt? Ik
volg die lijn niet.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Mijn punt was dat er te weinig zorgopleidingen zijn die kraamzorg als
keuzedeel aanbieden.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Bedoelt u kraamzorgopleidingen die het keuzedeel kraamzorg
aanbieden?
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ja. Zorgopleidingen die het keuzedeel kraamzorg aanbieden.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Dat laatste verstond ik niet goed.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ik bedoel zorgopleidingen die het keuzedeel of de specialisatie
kraamzorg aanbieden.
De voorzitter:
Afrondend op dit punt.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Kan mevrouw Tseggai dan een voorbeeld geven van een zorgopleiding waarin
het keuzedeel kraamzorg zou moeten leiden tot die specialisatie?
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ik heb geen lijstje bij me, maar ik weet dat er te weinig
zorgopleidingen zijn die dat keuzedeel aanbieden.
De voorzitter:
Meneer Claassen, ik had "afrondend op dit punt" gezegd. Vervolgt u uw
betoog, mevrouw Tseggai.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Dank, voorzitter. Ik kom tot een afronding. Wat betreft de uitvoering
van deze wet zou ik over een aantal jaar graag een evaluatie van deze
wet willen zien, zodat we eventueel nog kunnen bijsturen. Het is
namelijk een best wel ingrijpende wet, die belangrijke dingen regelt in
het mbo. Het is ook belangrijk dat we dan kunnen bijsturen als het toch
anders uitpakt dan we hadden gehoopt. Ik vraag me af hoe de minister
hiernaar kijkt.
Voorzitter. Deze wet biedt ook de mogelijkheid voor kortere om- en
bijscholingstrajecten. Mijn fractie is daar groot voorstander van. Wij
hebben laatst ook een motie ingediend om meer flexibiliteit te bieden
aan zijinstromers door middel van vrijstellingen. Als het gaat over om-
en bijscholing, zien we dat de groep die die het hardst nodig heeft,
daar het minst gebruik van maakt. We hebben het hier laatst, tijdens het
debat over Leven Lang Ontwikkelen, ook over gehad. Ik vraag me af hoe we
er in de uitvoering van deze wet voor zorgen dat we dat effect ook gaan
behalen voor meer mensen die gebruikmaken van deze mogelijkheid voor
kortere opleidingen voor om- en bijscholing. Voorzitter. Ik rond af.
Deze wet gaat hopelijk het mbo toekomstbestendig maken wat betreft de
aansluiting op de arbeidsmarkt. Mijn fractie is daar uiteraard groot
voorstander van. Ik hoop dat de minister wat van mijn zorgen over de
uitvoering van deze wet kan wegnemen. Ik kijk uit naar haar
beantwoording.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Claassen, die spreekt
namens de Groep Markuszower. Gaat uw gang.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Voorzitter. Deze wet was eigenlijk een hamerstuk. Dat is onthamerd door
GroenLinks-Partij van de Arbeid. Die hebben dat daarnet onderbouwd. Dat
had voor ons niet per se gehoeven, maar ik zal een korte beschouwing
geven en enkele vragen stellen aan de minister uit respect voor de
Kamer, de minister en de aanwezigen.
In 2014 is met de Wet doelmatige leerwegen de urennorm in artikel 7.2.7
van de WEB aangescherpt, precies omdat er massaal klachten waren over
lesuitval en onvoldoende kwaliteit. Er werd toen een duidelijke urennorm
ingevoerd: 1.600 klokuren studielast per jaar, waarvan minimaal 1.000
uur begeleide onderwijstijd, de bot-uren, plus beroepspraktijkvorming,
de bpv, met specifieke minima per niveau en leerjaar. Dat was een
bewuste keuze, om het mbo weer vakmensen op te laten leiden in plaats
van dat het een soort handjesfabriek was.
En nu? Dit wetsvoorstel versoepelt diezelfde urennorm opnieuw. Het
verlaagt die minimale begeleide onderwijstijd, verhoogt de flexibele
uren — wat die precies moeten worden, weten we eigenlijk ook nog niet —
en maakt meer ruimte voor andere onderwijsactiviteiten, wat die dan ook
zouden mogen zijn. Voor een entreeopleiding gaat de bot-norm
bijvoorbeeld van 600 naar 500 uur. Voor veel bol- en bbl-trajecten komt
per saldo een kwart van de urennorm vrij voor zelfstudie, projecten en
hybride vormen zonder directe docentbegeleiding.
Ik weet niet of u ... O, mevrouw Tseggai rent nu weg. Ik denk dat het
misschien ook wel interessant is voor mevrouw Tseggai, maar goed. Daar
is ze weer. O nee, toch niet.
Mijn eigen kinderen hebben een beetje de leeftijd dat ze op het mbo
moeten zitten en zelfstudie moeten doen. Ik geef ze de kost dat dat echt
zou moeten gaan werken. Flexibiliteit en maatwerk klinken mooi, maar in
de praktijk betekent dit: minder contacturen, meer zelfstudie en een
grote kans dat opnieuw een Poolse landdag ontstaat in onderwijsland. Dat
is een risico. Wij zien dat als een risico. Mits er aan allerlei goede
randvoorwaarden voldaan wordt — de minister kan die dadelijk misschien
heel goed toelichten — zijn wij bang dat er handjes worden gedumpt op de
arbeidsmarkt, om die arbeidsmarkt te pleasen, zonder een goed fundament
voor de rest van hun leven.
Voorzitter. Nog enkele vragen. Ten eerste: hoe garandeert de regering
dat deze versoepeling van artikel 7.2.7 niet leidt tot minder
contacturen en meer lesuitval, wat precies het probleem was waarvoor de
norm in 2014 is aangescherpt? Ten tweede: welke concrete cijfers heeft
de regering over het aantal gerealiseerde contacturen in het mbo van,
laten we zeggen, de afgelopen vijf jaar? Tonen die cijfers aan dat de
huidige norm al onvoldoende was? Of is het gewoon weer een soort
bezuiniging op het onderwijs? Ten derde: waarom legt de regering geen
harde wettelijke minimumgarantie voor begeleide onderwijstijd per
kwalificatie vast in de WEB? Ik ben wel benieuwd waarom dat zo is. Tot
slot: vreest de regering niet dat de verkorte opleidingen, losse
keuzedelen en minder bot-uren uiteindelijk leiden tot een lager
kennisniveau en minder goed voorbereide vakmensen die straks in de
praktijk niet mee kunnen?
Tot slot, voorzitter. We hadden net een kort interruptiedebatje over de
positie van die keuzedelen. Er werd gesteld dat een keuzedeel binnen een
zorgopleiding zou moeten leiden tot een specialisatie. Ik kan geen
voorbeelden bedenken waarin een keuzedeel leidt tot een specialisatie
binnen een zorgopleiding. Misschien heeft de minister die wel. De vraag
aan de minister is dus: zou u de Kamer kunnen informeren als u die
heeft?
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Van der Plas, die
spreekt namens de fractie van BBB.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u wel, voorzitter. Ik zeg het vaak, maar het blijft waar: zonder
praktisch opgeleide mensen staat Nederland stil. Dat is geen slogan,
maar de dagelijkse realiteit. Laat ik het maar gewoon zeggen zoals het
is: we hebben jarenlang te veel gekeken naar theoretische diploma's en
te weinig naar vakmanschap. Daardoor lopen we nu vast: tekorten in de
zorg, techniek, bouw en infra. En dan hebben we ook nog te maken met de
woningcrisis en de netcongestieproblemen. Maar zonder vakmensen gebeurt
er helemaal niks.
Voorzitter. In het wetsvoorstel Verbetering aansluiting
beroepsonderwijs-arbeidsmarkt zie ik goede bedoelingen: meer
flexibiliteit in uren, meer ruimte om opleidingen te verkorten en
keuzedelen die beter aansluiten bij de arbeidsmarkt. Ik heb ook vragen,
omdat de praktijk niet altijd zo soepel is als een beleidsnota.
Allereerst over de urennorm. Uit de stukken blijkt dat de flexibiliteit
vooral bedoeld is om hybride leeromgevingen en begeleide praktijkvormen
mogelijk te maken. Ik hoor ook zorgen van studenten en docenten over
mogelijke verschraling van de uren. De inspectie zegt dat instellingen
hier verstandig mee omgaan, maar dit was ook een aanname toen het
misging in het verleden. Welke waarborgen biedt deze wet dat
flexibiliteit niet leidt tot minder begeleiding, minder vakinhoudelijke
uren of tot meer zelfstudie-uren die vooral op papier bestaan?
Dan kom ik op de verkorte opleidingen voor mensen met relevante
werkervaring. Dit is een mooie kans om sneller mensen inzetbaar te
maken, maar de Raad van State waarschuwde terecht dat de doelgroep en de
toelatingseisen scherp moeten zijn zodat deze geen wildgroei of
kwaliteitsverschil veroorzaken. Hoe ziet de minister toe op eenduidige
toelatingseisen en hoe voorkomt zij dat instellingen onderling gaan
concurreren met snelle diplomaroutes?
Voorzitter. BBB staat, zoals u weet, pal voor vakmensen en kleinschalig
regionaal onderwijs. Als opleidingen uit de regio's verdwijnen,
verdwijnen de jongeren ook. En daarna verdwijnen de dorpen. Hoe borgt de
minister dat de flexibiliseringsslag niet leidt tot een verschraling van
het reguliere aanbod in de krimp- en plattelandsregio's?
Dan kom ik bij het stagevraagstuk. In eerdere debatten heb ik gezegd dat
de stage aantrekkelijk moet zijn voor de student en uitvoerbaar voor het
bedrijf. Wordt in het wetsvoorstel rondom een verplichte stagevergoeding
ook rekening gehouden met ruimte voor maatwerk voor kleine bedrijven,
zodat we geen stageplekken kwijtraken? Ook vraag ik aandacht voor de
werkdruk bij docenten. De ervaring leert dat nieuwe regels, hoe goed ze
ook bedoeld zijn, vaak leiden tot stapeling van administratie en
toezicht. Hoe voorkomt de minister dat dit wetsvoorstel nog meer
bureaucratie oplevert, terwijl het doel juist is om werken in het
onderwijs boven werken aan het onderwijs te zetten?
Tot slot. In ons verkiezingsprogramma staat dat onderwijs dichtbij moet
zijn, praktisch en gebaseerd op noaberschap. Wij willen dat het
beroepsonderwijs weer gezien wordt als een plek van trots. Daarom heb ik
nog de volgende vraag. Komt er een landelijke campagne gericht op de
waardering van vakmanschap, specifiek voor jongeren en ouders, zodat de
instroom echt stijgt in techniek, zorg en bouw?
Ik wil afsluiten met een voorbeeld dat ik zelf heb meegemaakt toen mijn
kinderen nog klein waren. Ik woonde in een Vinex-wijk in Deventer. We
waren een keer op bezoek bij buren en zaten gezellig met elkaar te
kletsen. Toen werd mij de vraag gesteld wat mijn kinderen eigenlijk
doen. De kinderen van de ouders waarmee ik contact had, waren allemaal
talentvol. Het ene kind zat op het gymnasium, een ander kind ging naar
de universiteit, enzovoort. Ik zei toen: mijn oudste zoon doet het vmbo
en mijn jongste zoon — ze waren nog klein — is net blijven zitten in
groep 4. Ik zag dat die mensen schrokken en ze wisten eigenlijk niet zo
goed wat ze moesten zeggen. "O, ja, oké, dat kan ook", zeiden ze. Dat is
de eerste keer geweest dat ik dacht: er wordt neergekeken op kinderen,
jongeren, mensen die beter zijn met hun handen dan met de theorie. Dat
was ook de eerste keer dat ik dacht: hier moet echt wat aan gebeuren.
Daarom wil ik de minister toch nog een laatste vraag stellen. Ik vind
dat het moet beginnen bij de ouders, maar vooral ook in het
basisonderwijs, om praktische opleidingen te gaan volgen. Ik heb al
vaker in debatten gezegd dat ouders vaak bang zijn dat hun kind naar het
vmbo gaat, want dat is dan niet goed voor het aanzien, denk ik. Als je
op de basisschool al begint met goed onder de aandacht brengen dat het
gewoon fantastisch is om met je handen te werken en letterlijk en
figuurlijk mee te helpen aan het opbouwen van Nederland, door
bijvoorbeeld in de maakindustrie te gaan werken, dan zal op den duur de
schroom van ouders om hun kinderen toch naar het vmbo te sturen
waarschijnlijk een stuk lager zijn. Later kunnen ze dan naar het mbo,
beroepsonderwijs volgen en echt een technisch vak leren of in de bouw of
de zorg gaan werken. Daarom stelde ik dus de vraag over een campagne en
vroeg ik of de minister bereid is om te kijken of daarvoor een campagne
kan komen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dat geeft aanleiding tot een vraag. Gaat uw gang.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Allereerst vind ik het heel mooi dat mevrouw Van der Plas een
persoonlijke draai geeft aan haar verhaal en een voorbeeld geeft van
waar zij zelf mee te maken heeft gehad. Ik wil dat persoonlijke verhaal
niet politiek maken, maar ik ben wel benieuwd naar hoe BBB kijkt naar
het fenomeen "diplomadiscriminatie". We hebben het een tijdje geleden
met de vorige minister namelijk gehad over de vraag of je "opleiding"
als discriminatiegrond moet toevoegen aan de wet, zodat er bijvoorbeeld
geen verzekeringen alleen voor hogeropgeleiden of studentenkamers alleen
voor hbo'ers en wo'ers aangeboden kunnen worden. Daar hebben veel
mbo-studenten namelijk last van. Hoe kijkt BBB daarnaar?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Vooropgesteld, ik vind dat we voorzichtig moeten zijn met dingen in
wetgeving te vatten. We hebben in het verleden heel vaak gezien dat
goedbedoelde wet- en regelgeving averechts uitpakt. Dat wil ik dus
vooropstellen. Wat mij betreft moet het op een andere manier. Ik ben het
wel eens met mevrouw Tseggai dat er discriminatie is. Ik heb me daar in
de afgelopen jaren ook vaak over uitgesproken. Ik noem de toegang voor
mbo-studenten tot bijvoorbeeld sportclubs of een studentenvereniging.
Dat moet eigenlijk stoppen. Dat moeten we dus proberen te regelen. Ik
doe vooral een beroep op het onderwijsveld, om daar zelf mee aan de slag
te gaan. Het is natuurlijk niet te verkopen dat een jongen of meisje van
18 die toevallig een mbo-studie doet, niet wordt toegelaten tot bepaalde
faciliteiten. Gelukkig hebben we het woord "student" kunnen inbrengen.
Vroeger werden mbo-studenten "scholieren" genoemd en geen "studenten".
Dat is gelukkig al weg. Nu is het tijd om de volgende stap maken. Dan
kijk ik met name naar het onderwijsveld om daar zelf mee aan de slag te
gaan.
De voorzitter:
Dank u wel. Dank voor uw bijdrage. Dan gaan we luisteren naar mevrouw
Biekman, die namens de fractie van D66 spreekt. Gaat uw gang.
Mevrouw Biekman (D66):
Voorzitter. Een paar weken gelegen was ik met collega Armut in de
Brabanthallen bij Skills The Finals. Dat is de plek waar ruim 600
vmbo'ers en mbo'ers uit heel Nederland hun vakmanschap laten zien. Er
waren onder meer tegelzetters, meubelmakers, automonteurs en koks. Er
waren 57 vakwedstrijden. Het was echt heel indrukwekkend.
Voorzitter. Er wordt weleens gezegd dat je 10.000 uren in iets moet
steken om expert te worden, maar ik denk dat dat helemaal niet klopt.
Het gaat namelijk niet alleen om de uren, maar ook om de kwaliteit van
die uren, met gerichte oefening en goede begeleiding. Dat is precies wat
ik zag in de Brabanthallen: leerlingen en studenten aan het begin van
hun carrière, met geweldig vakmanschap. Collega Van der Plas had het er
net ook over. Dat is echt heel mooi en geweldig om te zien. Je ziet daar
gewoon de samenleving in het klein: de kapper, de timmerman, de
autogarage en de patisserie.
Voorzitter. In mijn maidenspeech heb ik gezegd: ik sta hier niet ondanks
het mbo, maar dankzij het mbo. Schrijver en docent Karim Amghar noemt
het weleens "het meest belangrijke onderwijs". Hij heeft gelijk. Het
zijn de mbo'ers die de huizen bouwen waar heel Nederland om schreeuwt,
die werken aan groene stroom van Nederlandse bodem, die onze ouders
verzorgen en die onze kinderen opvangen. Maar zo cruciaal als mbo'ers
zijn, zo weinig ruimte krijgt het mbo om zichzelf te vernieuwen. In het
hbo en in het wo is er ontzettend veel vrijheid om onderwijstijd in te
vullen, maar in het mbo schrijft de wet voor hoeveel uur precies er
lesgegeven moet worden, terwijl juist in het mbo de grenzen tussen
school en praktijk vervagen.
Neem het Regionaal investeringsfonds mbo, waar dit kabinet opnieuw in
investeert. Het gaat om 21.000 bedrijven die samen met scholen jaarlijks
bijna 70.000 studenten begeleiden. Het gaat om bedrijven en roc's die
samen hybride leeromgevingen bouwen met de nieuwste technologieën, zodat
elke mbo'er vanaf dag één mee kan draaien in het bedrijf. Dat is de
toekomst van het mbo. De huidige wet past daar niet bij, en dat moet
veranderen. Het mbo verdient meer vertrouwen in de docenten en
onderwijsteams, die elke dag voor de klas staan, meer ruimte en
samenwerking met het regionaal bedrijfsleven, zorginstellingen, scholen
en andere initiatieven. Als het mbo werkelijk als het meest belangrijke
onderwijs gezien wordt, moeten we het ook zo behandelen. Daarom steunt
mijn fractie deze wet.
Ik wil mijn inbreng vandaag richten op drie elementen uit de wet: de
urennorm, de keuzedeler en de beroepsbegeleidende leerweg. De collega's
hebben het er ook al over gehad.
Voorzitter. Over de urennorm is in het verleden veel te doen geweest; ik
hoorde dit onderwerp ook al bij de collega's voorbijkomen. Voor 2014
kregen mbo-studenten soms amper les. De urennorm was uiteindelijk de
oplossing, maar wij horen ook dat diezelfde urennorm inmiddels knelt.
Onderwijsdiensten willen echt ruimte om te kunnen innoveren en om samen
te werken met bedrijven, maar lopen vast in de regels, die gewoon niet
meer passen. Studenten hebben aangegeven dat ze soms onnodig in de klas
zitten om de uren maar vol te maken.
Laat ik helder zijn over wat deze wet wel en niet doet. Het totale
aantal uren verandert niet, als ik het goed begrijp: het
onderwijsprogramma blijft 1.000 uur per jaar en de studiebelasting
blijft in totaal 1.600 uur. Ook blijft minimaal driekwart van de
onderwijstijd bestaan uit begeleide onderwijstijd en stages. Ook blijft
bij de flexibele uren het onderwijsteam verantwoordelijk voor de
voorbereiding en begeleiding.
Ik neem echter de zorgen die de ouders en sommige vakbonden hebben
gesteld heel serieus. Daarom heb ik de volgende vragen aan de minister.
Kan de minister uiteenzetten hoe de inspectie precies toezicht houdt op
de invulling van de flexibele uren? Als een opleiding de flexibele uren
invult met activiteiten die niet bijdragen aan de onderwijskwaliteit,
welke instrumenten heeft de inspectie dan om in te grijpen?
Voorzitter. De huidige wet kent ook een mogelijkheid waarmee
onderwijsteams gemotiveerd kunnen afwijken van de urennorm mits de
studentenraad instemt en de kwaliteit geborgd blijft. Deze mogelijkheid
is er al jaren, maar deze wet schrapt die. Ik begrijp de redenering dat
door de nieuwe flexibele uren die afwijkingsmogelijkheid eigenlijk niet
meer nodig is, maar ik heb toch een vraag aan de minister. Wil de
minister bevestigen dat onderwijsteams met deze wet per saldo meer
ruimte krijgen en niet minder? Met het vervallen van deze mogelijkheid
vervalt ook het instemmingsrecht van de studentenraad. Op welke manier
denkt de minister deze te borgen?
Voorzitter. Dan de stages. De wet stelt 250 uur stage per studiejaar
verplicht. Ik begrijp dat het bevoegd gezag die uren mag verdelen over
de gehele studieduur. Kan de minister dit expliciet bevestigen of
toelichten? Er zijn namelijk nog wel wat onduidelijkheden
hierover.
Dan iets over de uitvoering. Het mbo bereidt zich nu voor op het
schooljaar 2026/2027. Ik zag dat de wet in 2027 in zou moeten gaan.
Beoogt de minister echt een inwerkingtreding in 2027? Hoe ziet de
overgang er in de praktijk dan uit voor schoolteams die zich nu al
voorbereiden op het volgende schooljaar? Daarnaast heb ik begrepen dat
de SVB nog een uitvoeringstoets moet doen. Wanneer verwacht de minister
dat deze toets komt?
Voorzitter. Over de keuzedelen ben ik positief: meer keuzevrijheid voor
studenten, minder bureaucratie en sneller inspelen op de arbeidsmarkt.
Maar de keuzevrijheid is alleen iets waard als je ook weet wat je kunt
kiezen. Studenten moeten dus weten waar ze die keuzedelen kunnen vinden.
In het hbo en het wo kunnen studenten via Kies Op Maat minoren van
verschillende instellingen vergelijken, maar in het mbo moeten studenten
eigenlijk alle websites langsgaan en de instellingen aflopen op zoek
naar een keuzedeel. Wil de minister daarom met de sector afspraken maken
over hoe het aanbod van keuzedelen transparanter en beter vindbaar wordt
gemaakt?
Voorzitter. Dan de verkorte opleiding. De wet biedt daar ruimte voor aan
zijinstromers. Dat is mooi, want zo kunnen zij op een snellere manier
hun diploma behalen. Er valt wel nog steeds veel winst te behalen. Ik
denk hierbij bijvoorbeeld aan de ervaren politieagent die wil omscholen
naar de techniek. Een van de verplichte vakken is dan burgerschap. Hij
zou daar geen vrijstelling voor kunnen krijgen omdat dit een verplicht
vak is, terwijl hij eigenlijk bijna zelf voor de klas zou kunnen staan
om die burgerschapslessen te geven. Daarom de volgende vraag aan de
voorzitter. O nee, aan de minister. Hoe ziet de minister dit, ook gezien
de eerder aangenomen motie van collega Tseggai over vrijstellingen? Ziet
zij iets in een specifieke regeling voor toelatingseisen en
vrijstellingen voor ervaren zijinstromers van bijvoorbeeld 27 jaar of
ouder? Kan zij daarin de bbl-pilot voor zijinstromers van HMC, ROC
Midden Nederland, CBM, Actiz en Wij Techniek meenemen? Laat ik daarbij
wel duidelijk zijn: het gaat mij hier om maatwerk voor mensen met
ervaring, en niet om het verlagen van de lat. Ik vraag me ook af hoe
deze verkorte trajecten zich verhouden tot het bestaande niet-
bekostigde aanbod.
Voorzitter. Dan de loopbaanbegeleidende leerweg. Die maakt het
makkelijker om een deel van de opleiding te volgen, en dat is goed, maar
die leerweg is niet bekostigd. Mijn fractie ziet hier kansen voor de
stappen die we kunnen zetten naar een systeem van leerrechten en een
nieuwe infrastructuur voor Leven Lang Ontwikkelen. Ziet de minister dit
ook zo?
Tot slot, voorzitter. Ik begon met Skills The Finals in de Brabanthallen
bij de studenten die lieten zien wat goede oefening, begeleiding en
praktijkervaring opleveren. Het gaat dus niet om 10.000 uur ergens
tegenaan gooien, maar om gericht leren. Het mbo is het belangrijkste
onderwijs van Nederland. Laten we het dus ook zo behandelen. Deze wet
zet een goede stap die kant op, en D66 steunt deze van harte.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Boomsma, die spreekt
namens de fractie van JA21.
De heer Boomsma (JA21):
Dank u wel, mevrouw de voorzitter.
De voorzitter:
Gaat uw gang.
De heer Boomsma (JA21):
Mevrouw Van der Plas zei het al: zonder vakmensen zijn wij helemaal
nergens. We behandelen nu de Wet verbetering aansluiting
beroepsonderwijs-arbeidsmarkt, oftewel de Wet Vaba. Dat is maar goed
ook, want het was bijna een hamerstuk geweest. Veel dank aan mevrouw
Tseggai dat zij zo scherp was om het te onthameren, want er is best wel
wat over te zeggen. In het wetsvoorstel staat veel over flexibilisering,
compactere opleidingen, innovatieve en hybride leercontexten en een
robuust stelsel. Maar dat lijkt allemaal toch neer te komen op minder
onderwijs begeleid door een docent. De fractie van JA21 denkt dat minder
lesuren en kortere opleidingen niet altijd hand in hand gaan met het
behoud van de kwaliteit. Hoe zorgen we er nou voor dat we er echt voor
waken dat de kwaliteit op orde blijft? Mevrouw Biekman stelde ook al een
vraag over de inspectie; daar wil ik me graag bij aansluiten.
We hebben natuurlijk ook te maken met dalende leerprestaties, met name
als het gaat om basisvaardigheden. We hebben het er als nieuwe
onderwijswoordvoerders nu al een paar maanden over gehad, maar nog niet
specifiek in de context van het mbo. Als we het hebben over het mbo, dan
gaat het dus niet over de kwaliteit van het onderwijs, maar meer over
hoe ze zo snel mogelijk de arbeidsmarkt op kunnen. Dat is begrijpelijk
om allerlei redenen, ook gezien de tekorten, maar deze studenten zijn er
natuurlijk net zo goed bij gebaat dat de basisvaardigheden gewoon op
orde zijn als ze dat diploma hebben en dat ze gewoon goed kunnen lezen,
schrijven en rekenen.
Die neiging om veel buiten de mbo-instellingen af te handelen, is al
langer zichtbaar. Ik sprak mbo'ers die hun opleiding volgen op het
niveau van de beroepsbegeleidende leerweg, de bbl. Die werken vier dagen
per week, en dan hebben ze nog maar een paar uurtjes les aan het einde
van de week. Nog niet zo heel lang geleden was dat nog gewoon een hele
dag van half negen tot vijf. Het probleem is dat de kans best aanwezig
is dat zo'n student toch al niet zo'n goede basis heeft gekregen waar
die vandaan komt als het gaat om die basisvaardigheden. Wat ons betreft
zou de norm dus niet moeten zijn dat je naar een paar uur per week gaat.
Met de Wet Vaba dreigt nu dat er wel een redelijke kans is dat dat gaat
gebeuren. Het is ook logisch; mbo-instellingen moeten goed op de kosten
letten. Minder contacturen aanbieden, levert besparingen op. Hoe meer
Vaba-flexibiliteit, hoe minder docenten en lokalen je nodig hebt. Dat
hebben we ook begrepen uit verschillende gesprekken. Er zijn ook veel
opmerkingen over geweest bij de inspraak op deze wet.
Sommige docenten in het mbo beleven gewoon een soort déjà vu. Begin deze
eeuw liepen mbo'ers bij bepaalde instellingen 25% van hun onderwijstijd
stage. Daar was iedereen toen heel tevreden over. Toen werd opeens
besloten dat dit 40% van de onderwijstijd moest worden. Daar had
eigenlijk niemand om gevraagd. Dat was dan vaak een idee van
bestuurders, want studenten op een stage zijn gratis en studenten die
les moeten krijgen natuurlijk niet. Naar wat docenten ervan vonden, werd
eigenlijk niet geluisterd op dat moment. Er stond, zo hebben wij gehoord
van een docent van een instelling, namelijk al een hele nieuwe campus in
de steigers, eentje die precies geschikt was voor die 40% stage-uren.
Dus dit soort prikkels, dit soort dingen spelen gewoon wel. Twee jaar
later werd er dan ingegrepen. Sommige studenten zagen hun docent nog
nauwelijks twee dagen per week en toen kregen we dus die norm van 1.000
klokuren, die dan nu wordt geflexibiliseerd.
Dit wetsvoorstel moet die beroepsopleiding beter later aansluiten op de
behoeftes van de studenten. De studenten krijgen meer mogelijkheden om
een programma te kiezen dat past bij hun wensen. Maar is de minister het
ermee eens dat wat studenten graag willen — dat is vaak zo veel mogelijk
die school uit en andere dingen doen — niet altijd ook het beste is voor
ze en dat eigenlijk de docenten degenen zijn die dat het beste kunnen
beoordelen? Op papier is dat nu nog steeds wel geregeld. In het
wetsvoorstel staat dat de instellingen en de onderwijsteams zelf de
ruimte krijgen om te bepalen hoe ze die flexibele uren dan in gaan
vullen. Dat moeten ze ook vastleggen en dat moeten ze gaan
verantwoorden. Studenten zelf hebben niet direct zeggenschap daarover.
Klopt het dat er weliswaar nog steeds een norm van 1.000 uur is, maar
dat ze 500 daarvan zonder begeleiding kunnen uitvoeren in sommige
gevallen of in enkele gevallen?
In ieder geval neemt dus overal het aantal flexibele uren heel sterk
toe. Misschien zou dat heel goed kunnen werken als je echt fantastische
bedrijven hebt, heel goede projecten met heel betrokken mensen. In
sommige gevallen kan het heel goed uitwerken, maar ziet de minister ook
gewoon de risico's — die norm van 1.000 is er niet voor niks gekomen —
dat mbo-instellingen toch in de verleiding komen om dit ook op een
bepaalde manier als een bezuiniging te gaan zien of dat het toch ten
koste gaat van kwaliteit?
Wij willen in ieder geval dat risico zo veel mogelijk beperken. Eén
manier om dat te kunnen doen, denken wij, is ervoor zorgen dat docenten
zo veel mogelijk zelf die zeggenschap behouden. Daarom hebben we een
amendement ingediend om dus in de wet op te nemen dat onderwijsteams het
altijd zelf mogen bepalen, dat die het laatste woord hebben, met de
autonomie die zij hebben vanuit hun professioneel statuut en met hun
ervaring en inzicht, over of en in hoeverre studenten gebruik kunnen
maken van de flexibiliseringsmogelijkheden van de Vaba, zodat het niet
zo is dat de bestuurder dat alleen met de or kan aftikken als het
ware.
Dan tot slot. Ik zit bijna aan de vijf minuten. Nee, ik ben al over de
vijf minuten heen. Ik heb nog één andere vraag en die gaat over
niet-bekostigde opleidingen. Die kunnen dus nu een dwangsom krijgen als
ze de gegevens niet leveren. Hoe vaak gebeurt dat nu eigenlijk al? Het
wordt nu dus mogelijk om die verkorte opleidingen met publiek geld te
gaan aanbieden. Dat wordt nu dus meer door de niet-bekostigde
instellingen gedaan. Zal dat leiden tot een verschuiving, denkt de
minister? En, zo ja, wat zijn de effecten daarvan?
Tot zover.
De voorzitter:
Dank u wel. Dat geeft aanleiding tot één vraag.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ik wilde nog heel even naar de zeggenschap over die onderwijstijd. Ik
proef een beetje in de inbreng van JA21 dat vooral docenten daar
zeggenschap over moeten hebben en studenten niet te veel. Ik hoop dat
dat niet klopt.
De heer Boomsma (JA21):
Nou ja, niet te veel? Ik heb inderdaad duidelijk gezegd dat het heel
goed zo kan zijn dat studenten bepaalde behoeften hebben en denken "ik
wil minder uren onder die begeleiding zitten", maar dat dat niet per se
echt in hun belang is. Het is toch niet zo dat zij altijd het beste
kunnen bepalen voor zichzelf wat in het belang is van hun opleiding? Dat
is op geen enkele onderwijsinstelling zo. Ik denk dus dat het echt aan
de docenten is, dat die dat het beste kunnen bepalen. Dan moeten ze
natuurlijk zoveel mogelijk rekening houden met de studenten en ook
kijken naar de wensen die zij hebben. Dat zal zeker wel gebeuren, maar
ik wil wel borgen dat het uiteindelijk toch bij de docent komt te liggen
als degene die dat het beste kan beoordelen.
De voorzitter:
Kort, mevrouw Tseggai.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ik vind dit toch een beetje een badinerende kijk op het mbo, want ik heb
JA21 dit nooit over het hbo en het wo horen zeggen. Dus laten we daar
alsjeblieft een beetje voor oppassen. Als we pleiten voor meer
contacturen voor studenten op hun opleiding, dan moeten we die lijn ook
doortrekken voor hbo- en wo-studenten. Kunnen die dat dan beter
beoordelen? Vinden we dan dat die ook langer op de onderwijsinstellingen
moeten zitten? Dat vraag ik mij dan af.
De heer Boomsma (JA21):
Zeker! Dat is absoluut niet bedoeld als badinerend of dat daar andere
regels voor zouden moeten gelden. Ik heb overigens zelf in Engeland
gestudeerd en wij hadden gewoon een aanwezigheidsplicht bij mijn studie,
bij mijn bachelor. Eigenlijk zaten wij vaak van negen tot vijf in een
laboratorium. In Nederland ging dat er inderdaad anders aan toe. Ik
herinner me dat mijn vrienden die in Nederland studeerden daar inderdaad
meer vrijheid in hadden. Zeker als je het nu brengt als flexibilisering,
dan denk ik dat het in dit geval gaat om uren dat je minder begeleiding
hebt. Ik denk dat de docenten daar een hele belangrijke rol in moeten
kunnen spelen. Daar komen we zeker nog over te spreken wat betreft de
andere vormen van hoger onderwijs.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we luisteren naar mevrouw Armut, die spreekt namens
de fractie van het CDA. Gaat uw gang.
Mevrouw Armut (CDA):
Dank, voorzitter. Dit voorstel beoogt de aansluiting van het
beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt te verbeteren. Dat is een doel waar
wij als CDA van harte achter staan, want door een goede verbinding van
het beroepsonderwijs met de praktijk zijn we ook in de toekomst
verzekerd van een sterke samenleving. Op het mbo worden vakmensen
opgeleid, die Nederland draaiende houden: verplegers, installateurs,
informatiespecialisten, elektrotechnici. Zij zijn allemaal broodnodig
voor een sterke economie en samenleving.
Voorzitter. De ontwikkelingen in de samenleving gaan snel. Dit vraagt om
flexibiliteit van studenten, werkenden, onderwijsinstellingen en het
bedrijfsleven. Het kabinet probeert er met dit wetsvoorstel voor te
zorgen dat beroepsopleidingen beter aansluiten op de behoeften van
studenten en die van de arbeidsmarkt. Zoals gezegd onderschrijven wij
dit doel, maar tegelijkertijd is er meer nodig dan flexibiliteit om
ervoor te zorgen dat studenten een kansrijke positie hebben op de
arbeidsmarkt en dat de instroom in de tekortsectoren toeneemt. Ook is
het van belang dat de flexibiliteit niet ten koste gaat van de
zorgvuldigheid. In mijn inbreng zal ik daarom bij deze punten
stilstaan.
Voorzitter. Het CDA heeft vertrouwen in het onderwijs. We vinden het dan
ook positief om te lezen dat onderwijsinstellingen, en in het bijzonder
docenten, door dit wetsvoorstel meer vrijheid krijgen om leer- en
werkvormen op te zetten die studenten zo goed mogelijk voorbereiden op
de arbeidsmarkt. Ook is het goed om te lezen dat het opzetten van
verkorte opleidingen voor studenten met relevante leer- of werkervaring
mogelijk wordt gemaakt. De keerzijde hiervan kan zijn dat als
instellingen ervoor kiezen om flink in te zetten op de kortdurende
opleidingen, het aanbod van de verkorte opleidingen, met name in de
regio's, het reguliere onderwijs uit de markt concurreert. Deelt de
minister met het CDA dat we meer toe moeten naar een systeem van
samenwerking in plaats van concurrentie? Zo ja, hoe gaat de minister
ervoor zorgen dat de mogelijke negatieve effecten van het toestaan van
verkorte opleidingen worden tegengegaan en het reguliere onderwijsaanbod
ook in de regio's overeind blijft?
Voorzitter. In aanvulling daarop lezen we in de memorie van toelichting
dat het bedrijfsleven betrokken wordt op het moment dat er een nieuwe
keuzedeel aan het register van de SBB wordt toegevoegd, maar dat het aan
instellingen zelf is om te bepalen welke keuzedelen zij aanbieden. Deze
keuze, die dan in afstemming met het bedrijfsleven kan worden gemaakt,
is uiteindelijk cruciaal voor het daadwerkelijke aanbod van keuzedelen
en daarmee ook voor de aansluiting op de arbeidsmarkt. Daarom de vraag
aan de minister of zij zicht heeft op hoe deze afstemming over het
aanbod van de keuzedelen door de onderwijsinstellingen verloopt en of
zij, gezien het belang van deze afstemming, een rol ziet voor de
regering om deze afstemming tussen onderwijsinstellingen en
arbeidsmarkt, bedrijven dus, te verbeteren.
Voorzitter. In mijn inleiding refereerde ik al aan het feit dat er meer
nodig is dan flexibiliteit om aansluiting te vinden bij de arbeidsmarkt.
Hoewel wij verwachten dat met dit wetsvoorstel goede stappen worden
gezet naar een betere aansluiting op de arbeidsmarkt, is het tot nu toe
nog altijd de realiteit dat de instroom in opleidingen in
tekortsectoren, zoals onderwijs, zorg en techniek, niet toeneemt. In de
memorie van toelichting lezen we dat de minister na vijf jaar zal gaan
evalueren of de gewijzigde onderdelen van de wet effect hebben.
Tegelijkertijd is het wat ons betreft ook van belang om te evalueren of
het overkoepelende doel van het wetsvoorstel, namelijk betere
aansluiting van het beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt, ook wordt
behaald. Daarom de vraag aan de minister of zij in de evaluatie als
scope wil meenemen of dit wetsvoorstel ook bijdraagt aan de instroom van
studenten uit het beroepsonderwijs in de tekortsectoren.
Voorzitter. Een van de tekortsectoren waarvoor het CDA hier in het
bijzonder aandacht wil vragen, is defensie, want zoals we allemaal
weten, ligt er ook bij Defensie een enorme groeiopgave. Het is dan ook
positief dat je bij 21 roc's als mbo-student de Nationale
Weerbaarheidstraining als keuzedeel bij Defensie kan volgen. Ik zou de
minister willen vragen of zij samen met de minister van Defensie in
navolging hiervan kan nagaan of er behoefte is aan een breder aanbod van
keuzedelen bij Defensie en welke stappen er gezet kunnen worden om in
die behoefte te voorzien.
Voorzitter. Kenmerkend aan mbo-opleidingen is het praktijkgedeelte, ook
wel de beroepspraktijkvorming genoemd. Door stages en leren in de
praktijk maken studenten vaak voor het eerst kennis met de sector waarin
ze later gaan werken. De beroepspraktijkvorming wordt dan ook vaak
gezien als dé primaire brug tussen het beroepsonderwijs en de
arbeidsmarkt. Als we dat weten, hoe kan het dan dat zorgopleidingen in
het mbo via een numerus fixus een rem zetten op de toelating tot
opleidingen vanwege een tekort aan stageplekken, terwijl ondertussen de
personeelstekorten groeien, mede door een tekort — u raadt het al — aan
stageplekken? Voor de andere tekortsector die ik zojuist noemde,
namelijk defensie, geldt hetzelfde. Ook daar zien we dat de instroom
wordt beperkt door een gebrek aan stageplaatsen. Daarom is mijn vraag
aan de minister wat zij gaat doen om meer stageplekken mogelijk te
maken, juist in tekortsectoren als de zorg.
Voorzitter. Tot slot een punt over de zorgvuldigheid. In het advies van
de Raad van State lezen we terug dat die aandacht vraagt voor de
veranderende rol van de examencommissie. De examencommissie heeft als
taak om te beoordelen of een student voldoet aan de voorwaarden voor het
verkrijgen van een diploma. Door het loslaten van de landelijk
vastgestelde koppeling tussen kwalificaties en keuzedelen bestaat het
risico dat een onzorgvuldig proces ertoe kan leiden dat de
examencommissie eigenlijk pas aan het einde van de rit, namelijk op het
feestelijke moment dat je je diploma in ontvangst zou moeten nemen of
zou moeten aanvragen, toetst of het door de student gekozen keuzedeel
geen overlap heeft met zijn of haar kwalificatie. Is de minister het met
de CDA-fractie eens dat het onwenselijk is voor zowel de instelling als
de student als die toets dan pas, dus op dat late moment, zou
plaatsvinden? Zou de minister daarom niet toch willen overwegen dat
dergelijke procesafspraken om dit te voorkomen binnen instellingen
moeten worden vastgelegd en meegenomen worden in de toetsen van de
Inspectie van het Onderwijs?
Voorzitter. Ik rond af met de woorden waarmee ik begon: door een goede
verbinding van het beroepsonderwijs met de praktijk zorgen we voor een
sterke samenleving. Ik ben blij dat we in deze Kamer het gesprek voeren
om het beroepsonderwijs te versterken. Ik kijk dan ook uit naar de
beantwoording door de minister.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Raijer, die spreekt
namens de fractie van de PVV. Gaat uw gang.
Mevrouw Raijer (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Het mbo moet doen waarvoor het bedoeld is:
mensen opleiden voor het werk dat Nederland nu nodig heeft, waarbij
vakmanschap en kwaliteit weer centraal moeten staan. Dit wetsvoorstel
zet stappen in de goede richting: meer ruimte voor de praktijk, sneller
opleiden van mensen met ervaring en meer flexibiliteit in het onderwijs.
Daar zijn wij dus helemaal voorstander van. Dat zijn we ook van
keuzevrijheid. Studenten moeten invloed hebben op hun opleiding.
Instellingen moeten kunnen inspelen op de arbeidsmarkt. Maar dit mag
niet ten koste gaan van de kwaliteit. Daarom vraag ik de minister: kan
zij garanderen dat deze wetswijziging op geen enkele manier leidt tot
kwaliteitsverlies in het onderwijs?
Het begint met flexibilisering van de onderwijstijd. Meer ruimte
betekent dat studenten eerder in contact komen met de praktijk. Dat
helpt bij het maken van keuzes en kan uitval verminderen. Dat is
positief. Meer vrijheid betekent ook dat instellingen hun onderwijs
anders gaan invullen. Daar zit het risico, want als die vrijheid niet
goed wordt begrensd, ontstaan er verschillen tussen opleidingen. De ene
opleiding is dan stevig en praktijkgericht en de andere minder intensief
en minder begeleid. Dat mogen we niet laten gebeuren. Hoe gaat de
minister voorkomen dat er kwaliteitsverschillen ontstaan tussen
instellingen? Welke harde, landelijk geldende kwaliteitsnormen zijn er?
Een mbo-diploma moet namelijk overal dezelfde waarde hebben.
Dan de verkorte opleidingen. Wij steunen dat mensen met ervaring sneller
door een opleiding kunnen gaan. Dat is logisch en nodig in een krappe
arbeidsmarkt, maar ook hierbij geldt dat snelheid nooit ten koste mag
gaan van kwaliteit. Als instellingen zelf bepalen wie versnelt en hoe
dat gebeurt, ontstaat weer het risico dat dit verschillend wordt
toegepast. Dat kan leiden tot verschillen in niveau terwijl het diploma
hetzelfde blijft en dat vinden wij wel onacceptabel. Het eindniveau moet
overal gelijk zijn, ongeacht de route die iemand volgt. Mijn vraag aan
de minister is dan ook hoe concreet wordt geborgd dat verkorte
opleidingen nooit leiden tot een lager of verschillend eindniveau.
Dan de keuzedelen. Wij zijn voor keuzevrijheid. Studenten moeten invloed
hebben op hun opleiding en instellingen moeten ruimte hebben om in te
spelen op regionale behoeften — dat is een sterke ontwikkeling — maar
keuzevrijheid zonder duidelijke kaders kan natuurlijk ook doorslaan. Dan
ontstaat het risico dat keuzedoelen worden gekozen omdat ze makkelijk of
goedkoop zijn of goed passen in het rooster en niet omdat ze inhoudelijk
iets toevoegen. Dat is niet de bedoeling. Keuzedelen mogen geen
vrijblijvende opvulling zijn, maar moeten aantoonbaar bijdragen aan
vakmanschap en directe inzetbaarheid op de arbeidsmarkt. Daarom vraag ik
de minister welke waarborgen ervoor zorgen dat keuzedelen op elke
instelling inhoudelijk, sterk en relevant blijven.
De mogelijkheid om losse onderdelen van opleidingen aan te bieden, is
een goede stap, die erbij helpt om inhoudelijk relevant te blijven. Voor
werkenden en zijinstromers is dit essentieel. Niet iedereen kan een
volledige opleiding volgen, terwijl er wel behoefte is aan gerichte
ontwikkeling. Dat past ook bij de huidige arbeidsmarkt. Ook betere data
over baankansen helpen om keuzes te maken en opleidingen scherp te
houden, maar ook hier geldt weer dat flexibiliteit niet mag leiden tot
versnippering van kwaliteit, want ook de losse onderdelen moeten voldoen
aan dezelfde standaard als die van volledige opleidingen. Hoe wordt
geborgd dat deze onderdelen dezelfde kwaliteit en waarde hebben als het
reguliere onderwijs?
Voorzitter. De kern is helder. Wij zijn voor keuzevrijheid en voor
flexibiliteit, maar er is één harde voorwaarde: overal moet dezelfde
hoge kwaliteit blijven gelden. Meer ruimte mag nooit leiden tot minder
kwaliteit en meer keuze mag nooit leiden tot minder vakmanschap.
Dank u.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan wij tot slot luisteren naar de heer De Beer, die
spreekt namens de fractie van de VVD. Gaat uw gang.
De heer De Beer (VVD):
Dank u wel, voorzitter. We hebben in Nederland een probleem, een
structureel probleem. In Nederland staan honderdduizenden vacatures
open: in de techniek, in de zorg, in de bouw, bij Defensie. Werkgevers
staan te springen om vakmensen. Tegelijkertijd leiden we nog steeds
jongeren op voor banen die er in de toekomst waarschijnlijk niet meer
zullen zijn. Dat is inefficiënt en dat kunnen we ons niet meer
permitteren. Voor de VVD staat één vraag centraal: leiden we op voor de
arbeidsmarkt van morgen? In mijn maidenspeech — de voorzitter weet het
wellicht nog — zei ik al dat ik niet geloof dat we in Nederland een
tekort aan talent hebben, maar dat we een systeem hebben dat talent soms
belemmert of in dit geval onvoldoende richt op waar het nodig is.
Voorzitter. Laat ik ook benadrukken — een aantal sprekers hebben dat al
gezegd — dat we te lang te weinig waardering hebben uitgesproken voor
het mbo. In Nederland is er geen tekort aan diploma's, maar een tekort
aan vakmensen. De loodgieter die je cv-ketel maakt, de verpleegkundige
in de wijkverpleging, de beveiliger die zorgt dat we veilig zijn; dat
zijn allemaal handjes die onze economie en onze samenleving draaiende
houden, want het mbo is de ruggengraat van onze economie.
Voorzitter. Dit wetsvoorstel zet een stap in de goede richting: meer
flexibiliteit, meer ruimte voor maatwerk en betere mogelijkheden om
sneller in te spelen op de veranderingen op de arbeidsmarkt. Dat is goed
en dat is ook nodig, maar flexibiliteit op zich is geen doel. We kunnen
niet schreeuwende tekorten hebben in de bouw én tegelijkertijd
opleidingen in stand houden waar nauwelijks werk voor te vinden is.
Onderwijs en arbeidsmarkt bewegen soms nog te vaak langs elkaar heen.
Studenten maken keuzes zonder goed zicht te hebben op de kansen op de
arbeidsmarkt. Dat vraagt ook om een kritische blik op het aanbod. Als we
mensen opleiden voor een baan die er niet is, leiden we ze ook naar een
teleurstelling toe. Dat is niet alleen inefficiënt; het is ook niet
eerlijk naar de studenten toe, want je helpt jongeren niet door ze op te
leiden voor een richting waar ze vervolgens geen baan in kunnen vinden.
Daarom mijn vraag aan de minister: hoe wordt deze wet concreet ingezet
om opleidingen beter te richten op sectoren waar de arbeidsmarktkrapte
het grootst is? En welke rol ziet de minister daarbij voor sturing,
bijvoorbeeld uiteindelijk via bekostiging, capaciteitsafspraken of
gerichte studiekeuze-informatie, zodat we niet alles maar aanbieden
omdat dat kan maar sturen op wat Nederland nodig heeft?
Voorzitter. Een belangrijk element in deze wet is de mogelijkheid om
opleidingen flexibeler en korter vorm te geven. Dat biedt kansen voor
om- en bijscholing, zeker voor mensen die al werkervaring hebben. In een
krappe arbeidsmarkt is snelheid daarbij cruciaal, maar dan moet die
ruimte ook doelgericht worden ingezet. Hoe gaat de minister ervoor
zorgen dat deze flexibilisering daadwerkelijk leidt tot een versnelling
richting bijvoorbeeld tekortsectoren? En hoe voorkomen we dat deze
ruimte vooral wordt gebruikt voor opleidingen waarbij de
arbeidsmarktvraag beperkt is?
Voorzitter. Een tweede punt is de rol van het bedrijfsleven. Als iemand
weet wat er nodig is, dan zijn het werkgevers. Toch organiseren we het
systeem nog te vaak alsof Den Haag wel weet wat er op de arbeidsmarkt
nodig is, in plaats van dat we de werkvloer erbij betrekken. Want die
kennis moeten we echt goed benutten. Dat betekent structurele
samenwerking, niet incidenteel, maar als onderdeel van ons systeem. Mijn
vraag aan de minister is: hoe wordt in deze wet en in de uitwerking
ervan geborgd dat het bedrijfsleven structureel betrokken is bij de
inhoud van opleidingen en leidend wordt in de invulling van de flexibele
keuze-uren?
Voorzitter. Als we het hebben over die nauwere samenwerking met het
bedrijfsleven, dan liggen hier ook een aantal concrete kansen die we
beter kunnen benutten. De VVD ziet in deze wetswijziging nadrukkelijk
ruimte om te werken met gezamenlijke leeromgevingen, zoals Living Labs;
omgevingen waarin mbo-, hbo-, en wo-studenten samenwerken aan echte
vraagstukken uit de praktijk. Op de werkvloer werken mbo'ers straks ook
samen met hbo'ers en wo'ers, en andersom. Dan is het logisch dat ze daar
in hun opleiding al ervaring mee hebben opgedaan. In Nederland bestaan
daar een aantal hele mooie voorbeelden van. Ik noem bijvoorbeeld — ik
weet dat de minister het voorbeeld goed kent — CHILL op Chemelot. Daar
werken studenten uit verschillende onderwijsniveaus samen aan concrete
praktijkcasussen in directe samenwerking met het bedrijfsleven;
onderwijs dat aansluit op de realiteit. Dat is precies wat we nodig
hebben. Werkgevers zijn gebaat bij de combinatie van praktische
vaardigheden en theoretische kennis. Daarom mijn vraag aan de minister:
deelt ze de opvatting dat dit soort samenwerkingsverbanden of Living
Labs een effectieve manier zijn om onderwijs en arbeidsmarkt dichter bij
elkaar te brengen? Is zij bereid om deze aanpak actief te stimuleren,
juist in tekortsectoren zoals de zorg, de techniek, de bouw en
defensie?
Voorzitter. Meer flexibiliteit kan helpen om onderwijs beter aan te
laten sluiten op de praktijk. Maar we kennen ook de achtergrond van de
urennorm. Die is niet voor niets ooit aangescherpt. De zorg was toen
helder. Een aantal sprekers voor mij hebben daar al op gewezen. Er was
te weinig contacttijd en te weinig kwaliteit. Die zorg is niet
verdwenen. Flexibiliteit mag geen excuus worden voor vrijblijvendheid.
Daarom vraag ik de minister: hoe borgt zij dat deze verruiming
daadwerkelijk leidt tot beter onderwijs en niet tot minder kwaliteit? Is
zij bereid hierop eerder te evalueren dan de aangekondigde termijn van
vijf jaar?
Voorzitter. Dan de keuzeonderdelen. Het loskoppelen daarvan kan helpen
om sneller in te spelen op nieuwe ontwikkelingen; dat is positief. Maar
zonder duidelijke richting ligt versnippering op de loer. Hoe voorkomt
de minister dat deze flexibiliteit leidt tot een wildgroei aan
keuzedelen zonder duidelijke arbeidsmarkt relevantie? Hoe wordt geborgd
dat deze keuzedelen daadwerkelijk bijdragen aan de inzetbaarheid op de
arbeidsmarkt?
Voorzitter. Als we het hebben over arbeidsmarktrelevantie, dan kunnen we
niet om het bekostigingsmodel heen. Want laten we eerlijk zijn: we
vragen van mbo-instellingen dat ze opleiden voor sectoren waar de
tekorten het grootst zijn, maar we bekostigen ze nog steeds grotendeels
op basis van studentenaantallen. Daarmee sturen we op volume, maar niet
op de maatschappelijke behoefte en dat klopt wat ons betreft niet, want
juist het mbo speelt een sleutelrol in grote maatschappelijke
opgaven.
Ik kijk even naar de interruptiemicrofoons, voorzitter.
De voorzitter:
Dat zie ik ook, maar ik heb het vermoeden dat u bijna klaar bent. Ik
wilde u de gelegenheid geven om af te ronden.
De heer De Beer (VVD):
Ik ben bijna klaar. Als we willen dat het mbo een bijdrage levert aan de
tekortsectoren, dan moeten de prikkels in het systeem ook kloppen. De
VVD vindt daarom dat arbeidsmarktrelevantie een stevigere plek moet
krijgen in de bekostiging. Ik zie dat er wordt verkend om bijvoorbeeld
een arbeidsmarktfactor in het bekostigingsmodel te gaan inbouwen. Dat
lijkt ons een logische stap. Tegelijkertijd begrijp ik de waarschuwing
dat we niet moeten doorschieten in een puur prestatiemodel. Als je
volume beloont, krijg je volume. Als je relevantie wil, moet je
relevantie belonen. Daarom mijn vraag aan de minister: welke
mogelijkheden zijn er om de arbeidsmarktrelevantie onderdeel te laten
zijn van de nieuwe bekostiging?
Voorzitter. Ik ga bijna afronden. Dit raakt aan een bredere
verantwoordelijkheid. Niet elke opleiding biedt hetzelfde perspectief op
de arbeidsmarkt. Niet elke studiekeuze leidt tot een baan. Dan is het
niet genoeg om alleen te zeggen: de student kiest. Dan moeten we als
overheid ook zorgen dat studenten beter worden geïnformeerd en beter
worden begeleid en dat het aanbod logisch en toekomstgericht is.
Voorzitter, tot slot. We moeten toe naar een systeem waarin onderwijs en
arbeidsmarkt niet naast elkaar bestaan, maar met elkaar verweven zijn,
en waarin we niet alleen flexibiliseren maar ook richting durven te
geven. In dat systeem moeten we niet alleen ruimte creëren, maar ook
sturen op resultaat, en moeten we talent niet verspillen maar daar
inzetten waar het het hardst nodig is. Dat vraagt om keuzes, want
uiteindelijk gaat het om één ding, namelijk dat jongeren worden opgeleid
voor een toekomst waarin ze niet alleen maar een diploma kunnen behalen,
maar met hun talent ook een plek op de arbeidsmarkt kunnen bemachtigen.
Daar draait het om.
De voorzitter:
Dank u wel. En dank voor het wachten. Mevrouw Tseggai, gaat uw gang. Ik
zal ook uw geluid aanzetten; dat helpt.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Dank, voorzitter. Ik dacht: ik wacht toch even tot het einde van die
inbreng. Ik vind het altijd zo fascinerend dat het liberale van de VVD
als het over het mbo gaat ineens in een communistisch jasje gestoken
wordt. Ik hoor namelijk heel veel sturende voorstellen: mbo-studenten
moeten naar tekortsectoren, de keuze van de student is niet meer heilig
… Maar ik hoor dat nooit als het over het hbo en het wo gaat. Mijn vraag
is dus eigenlijk: waarom mogen mbo-studenten wat de VVD betreft niet
meer hun eigen studie kiezen terwijl hbo- en wo-studenten wél een studie
mogen kiezen uit interesse, dus zonder baanperspectief?
De heer De Beer (VVD):
Dan heeft mijn collega me verkeerd begrepen. De student mag zeker
kiezen, maar we vinden wel dat we in het systeem ook iets moeten
inbouwen dat waarborgt dat het uiteindelijk leidt tot een
maatschappelijke meerwaarde en dat de studenten hun talent kunnen
inzetten juist in de sectoren en in de richtingen waar de maatschappij
er heel veel aan heeft. Dat vinden we overigens ook van het hbo en wo.
Het is dus niet zo dat we mbo'ers minder keuze gunnen dan studenten
elders in het onderwijssysteem.
De voorzitter:
Afrondend, mevrouw Tseggai.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Maar dat vastleggen in een bekostiging is nogal wat, vind ik. Het mbo
was de enige onderwijssector waar geen vaste bekostigingsvoet in zat.
Daar wordt nu aan gewerkt, maar ik zou zeggen: laten we ons daar druk om
gaan maken. Een stagevergoeding zou, denk ik, juist in die
tekortsectoren kunnen helpen, maar dat is iets waar de VVD al lange tijd
tegen is. Juist in de zorg en het onderwijs worden het minst vaak
stagevergoedingen betaald. Ik hoop dus dat ik de VVD daarbij voortaan
ook aan mijn zijde vind, en niet alleen maar wanneer het mbo ten dienste
van de arbeidsmarkt wordt gezien. Het lijkt me namelijk heel jammer als
we dat gaan doen.
De heer De Beer (VVD):
De collega vindt de VVD aan haar zijde waar het gaat over de rol van
werkgevers. Die willen we veel meer betrekken bij het relevant maken van
opleidingen. Daar zijn ook hele goede voorbeelden van in den lande — ik
noem even de AanDeBak-garanties in Rotterdam — waar werkgevers iemand
die start in een bepaalde opleidingsrichting ook een baan garanderen aan
het einde. Dat is een heel mooi instrument, juist ook om werkgevers
input te laten geven over de inrichting van die opleiding. Die
verwevenheid van arbeidsmarkt en onderwijs is wat ons betreft dus een
heel belangrijk element.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan zijn we aan het einde gekomen van de inbreng van de
zijde van de Kamer. De minister heeft aangegeven ruim twintig minuten
nodig te hebben voor de beantwoording van de vele gestelde vragen, dus
ik ga twintig minuten schorsen.
De vergadering wordt van 20.38 uur tot 20.59 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de Wijziging van de Wet
educatie en beroepsonderwijs en een aantal andere wetten in verband met
het verbeteren van de aansluiting van het beroepsonderwijs op de
arbeidsmarkt. Wij zijn toegekomen aan de eerste termijn van de minister,
met de beantwoording van de gestelde vragen. Ik geef haar daartoe graag
het woord. Gaat uw gang.
Minister Letschert:
Heel veel dank, mevrouw de voorzitter. Ook heel veel dank aan de Kamer
voor het aanvragen van dit debat. Ik ben het helemaal met de Kamer eens
dat we geen kans voorbij moeten laten gaan om over het mbo te praten.
Dat klinkt misschien gek voor iemand die twintig jaar lang in het
universitaire landschap heeft rondgelopen, maar ik ben de afgelopen vijf
weken vooral op bezoek geweest bij het mbo. Ik ben daar ook op bezoek
geweest bij het veel genoemde Skills-event. Twee van u hebben daar
vanavond al naar verwezen. Daar zie je inderdaad hoe belangrijk het is
dat we het mbo eigenlijk continu, elke dag, in het zonnetje zetten. Er
gebeurt daar namelijk zó veel moois, en ik heb daar in die afgelopen
vijf weken al zó veel geleerd.
Onze maatschappij heeft, zoals u allen zegt, dringend goed opgeleide
vakmensen nodig. Ik zou dat Skills-event voor volgend jaar absoluut in
de agenda zetten, zeg ik tegen degenen die daar nog niet geweest zijn.
Onze mbo'ers zijn namelijk niet aan te slepen. Dat geldt voor de bouw,
de zorg en de techniek, sectoren die u zonet noemde, maar het geldt
eigenlijk voor alle sectoren waarin we mbo'ers nodig hebben. Niet voor
niets werken we daarom vanuit het kabinet gezamenlijk aan een nationale
talentstrategie, waarmee we het juiste talent selecteren, opleiden en
voor Nederland behouden. Ik zal daar later in de beantwoording van uw
vele en goede vragen ook absoluut op terugkomen.
Wij willen namelijk dat jonge studenten en volwassenen goed opgeleid
worden en goede kansen krijgen om zich om en bij te scholen. Dan moet
het onderwijs dus ook toegankelijk zijn voor mensen met verschillende
achtergronden en leerbehoeften. Daarom is deze wet ook zo belangrijk.
Die zorgt ervoor dat er meer mogelijkheden komen om het onderwijs vanuit
het mbo flexibeler in te richten, zowel in de reguliere opleidingen als
in de verkorte opleidingen en de LLO-route, waar we ook over komen te
spreken. Door knellende regelgeving kunnen belangrijke ontwikkelingen op
die arbeidsmarkt op dit moment niet altijd goed vertaald worden naar dat
klaslokaal. In deze afgelopen vijf weken merkte ik dat zowel studenten
en docenten als de arbeidsmarktsectoren die ik heb kunnen spreken, mij
gevraagd hebben om meer mogelijkheden voor maatwerk. Dat is nou precies
wat deze wet doet. Ik ben dus heel blij dat wij daar nu meteen stappen
in kunnen gaan zetten.
Hoe heb ik mijn inbreng van vanavond naar aanleiding van uw vragen nou
voorbereid? Ik heb bedacht om die onder te verdelen in vijf blokken,
waarin ik inga op de verschillende onderdelen die in het wetsvoorstel
staan. Dat is uiteraard de wijziging van de urennorm, en dan met name de
door eigenlijk iedereen geuite zorg over de onderwijskwaliteit. Blijft
die onderwijskwaliteit wel geborgd op het moment dat je een deel van de
uren binnen de opleidingen flexibel mag gaan inzetten? Dat wordt volgens
mij een heel belangrijk thema. Dat blok noem ik even
onderwijskwaliteit/wijziging van de urennorm. Dan heb ik een tweede
blok, over de keuzedelen. In het derde blok ga ik in op de verkorte
opleidingen vanwege leer- of werkervaring, waar je via de zijinstroom
binnen kunt komen. In het vierde blok beantwoord ik enkele vragen over
het niet-bekostigde onderwijs. Daarna heb ik uiteraard een blokje met
overige vragen. Als uw vraag dus niet in de eerste vier blokjes naar
voren komt, is er altijd nog een blokje overig.
De voorzitter:
Voordat de minister begint met haar blokjes, stel ik voor om met elkaar
af te spreken dat we de vragen na elk blokje stellen. Dat geeft de
minister ook de gelegenheid om antwoord te geven op alle gestelde
vragen. Dan kan er wellicht aan het eind nog een prangende vraag gesteld
worden, maar dat doen we dan dus aan het eind van elk blokje. Gaat uw
gang, minister.
Minister Letschert:
Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Bij veel van de Kamerleden merk ik
dat de zorg bestaat dat de wijziging van de urennorm leidt tot een
verschraling van het onderwijs en tot aantasting van de
onderwijskwaliteit, en dat die wijziging wellicht ook een soort verkapte
bezuiniging is. Laat ik hier benadrukken dat de urennorm van 1.000 uren
blijft bestaan en dat de 600 uren zelfstudie, niet te vergeten, ook
blijven bestaan, en dat je binnen die 1.000 uren als opleiding
flexibiliteit krijgt om een kwart daarvan in te zetten voor wat we
noemen de hybride of praktijkgerichte vormen van onderwijs. Die moet je
altijd inbedden in de onderwijsvisie van de opleiding, die getoetst
wordt via de normale medezeggenschapslagen die daarin bestaan. De
onderdelen moeten ook door docententeams gemaakt worden. Het is ook niet
zo dat je in zo'n onderdeel nooit meer een docent tegen gaat komen. Het
is de bedoeling dat opleidingen voor die onderdelen onderwijs op maat
kunnen maken, bijvoorbeeld in samenwerking met de regionale
arbeidsmarkt. Ik vond dat Kamerlid De Beer een prachtig voorbeeld gaf
van de Limburgse omgeving, die ik inderdaad goed ken. Studenten van het
mbo, hbo en wo leren daar samen in een labomgeving over de verduurzaming
van de chemische industrie. Zij maken dus ook gezamenlijk gebruik van
labinfrastructuur, die hartstikke kostbaar is. Op die manier gebruik je
die publieke infrastructuur dus ook op een verstandige wijze.
De docenten zijn daar uiteraard bij betrokken en toetsen de kwaliteit
van wat de studenten daar doen. Het is dus geen zelfstudiemoment of
huiswerkklasje. Het zijn in die zin onderwijsonderdelen die net zo goed
begeleid worden door docententeams, op een pedagogisch-didactische wijze
die past bij het begeleiden van dat soort type modules. Die
onderwijsonderdelen passen bij de opleiding en soms ook bij de
arbeidsmarkt waarmee de opleiding zich wil verbinden. Ik wil dus
eigenlijk af van het beeld dat het deel van de uren die je mag inzetten
huiswerkklasjes worden, waarbij je zelf mag kiezen of je ernaartoe gaat
of waarbij je zelfstudie doet. Nee, het zijn vaste onderdelen in het
programma van de opleiding die ervoor zorgen dat de kwaliteit, ook
vanuit de expertise van de docententeams, is geborgd.
Ik wil ook benadrukken dat de inspectie te allen tijde toezicht houdt op
de kwaliteit van de totale opleiding, dus ook op dat onderdeel. Dat is
net zo belangrijk als de bot-uren of het stage-onderdeel van de
opleiding. Sinds 2014 — we zitten inmiddels in 2026 — beogen we
innovatie in onderwijsvormen ook in het mbo de plek te geven die het
verdient. Als net binnenkomende minister, die niet sinds 2019 al bezig
is met deze wet, ben ik er enorm trots op dat we dat nu met u kunnen
bespreken. Ik heb er ook het volste vertrouwen in dat de
onderwijsprofessional dit op een goede manier gaat invullen.
De heer Claassen vroeg of dit niet juist gaat leiden tot minder
contacturen en meer lesuitval. Als je kijkt naar de onderverdeling die
is gemaakt in de uren, zie je dat er nog steeds een robuuste basis is
voor de bot-uren in de klas, de bpv, wat een ander woord voor stage is —
dat vind ik zelf een makkelijkere manier om het te verwoorden —- en dit
onderdeel met die hybride, praktijkgerichte vormen. De robuuste basis is
er dus.
Ik wil nogmaals benadrukken dat het niet zo is dat een student nu denkt
"goh, laat ik eens een flexibel onderdeel volgen". Nee, dat flexibele
deel is een vast onderdeel van het onderwijsprogramma. Ook hierbij zijn
er dus geen zorgen over uitval. Het is geen eigen keuze of je
daarnaartoe gaat. Het is onderdeel van een opleidingsprogramma en het is
gemaakt door de docententeams die daar verantwoordelijk voor zijn.
In die zin is het ook absoluut geen verkapte bezuiniging binnen het mbo.
Ik denk dat er in de eerste fase, waarin de programma's hiermee aan de
slag gaan, heel veel extra energie en inzet gevraagd gaat worden van de
docententeams en de opleidingen.
Waarom legt de regering geen harde wettelijke minimumgarantie voor
begeleide onderwijstijd per kwalificatie vast in de WEB? Dat was een
vraag van de heer Claassen. Ik kan zeggen dat de minimumnorm voor de
bot-uren in de wet staat. Het is wel heel ingewikkeld om nu per
kwalificatie in de wet voor te schrijven hoe opleidingen en instellingen
hier verder uitvoering aan moeten geven. Er zijn namelijk heel veel
kwalificaties die opleiden tot een beroep.
Ik ben afgelopen maandag bijgepraat over hoe de vormgeving van die
kwalificaties in samenwerking met zowel de opleiding als SBB verloopt.
Ik vind dat docenten zelf moeten bepalen met welke mix van bot, stage en
flexibele uren ze het opleidingsprogramma uiteindelijk gaan bouwen.
Nogmaals, het is getoetst via de normale kwaliteitszorgsystemen die ook
binnen het mbo gelden. Toezicht vanuit de inspectie moet je niet in de
wet vastleggen, want dan maak je het aan de ene kant zo enorm
bureaucratisch en aan de andere kant zo strak dat je weinig ruimte laat
voor innovatie op het niveau waar het nodig is, bij de
onderwijsteams.
Mevrouw Raijer vroeg: hoe voorkomen we nou dat er een verschillend
eindniveau ontstaat tussen opleidingen en instellingen? Daar kan ik heel
kort over zijn, en ik ben er ook heel content over dat het op die manier
is verwoord: iedere student moet voldoen aan dezelfde examen- en
kwalificatie-eisen. Daar gaat dus geen variëteit in komen. Voor iedere
instelling is het inspectietoezicht van toepassing op de kwaliteit van
die opleiding en dus ook op de gestelde kwalificatie-eisen. Ook ten
aanzien van dat flexibele onderdeel, waarbij je de hybride vormen van
onderwijs gaat inrichten, zijn de kwaliteit en de manier waarop je tot
de leeruitkomsten en leeropbrengsten komt niet flexibel. Die worden
namelijk op dezelfde manier getoetst aan de kwalificatie-eisen en kunnen
dus ook door de inspectie getoetst worden. Dat kan trouwens uiteraard
ook door de interne processen die de instellingen hebben om voor
kwaliteit te zorgen, dus niet alleen de inspectie houdt hierop
toezicht.
Mevrouw de voorzitter. Mevrouw Tseggai vroeg mij hoe we ervoor zorgen
dat de student kan rekenen op voldoende pedagogisch-didactische
begeleiding bij hybride en praktijkgerichte leervormen. Ook hierbij wil
ik echt benadrukken dat die onderdelen van dat onderwijsprogramma worden
gecreëerd, gevolgd en, op onderdelen, begeleid worden door
onderwijsteams en docenten die daar verantwoordelijkheid hebben en de
eindopdrachten van de studenten toetsen. Het is dus niet zo dat er, naar
het voorbeeld dat de heer De Beer noemde, een living lab is waarbij
studenten naar een regionale campus gaan, daar onderwijs krijgen en in
dat traject nooit een docent tegenkomen. De bedoeling is dat een
opleiding kan kiezen, zo van: "Ik heb vier groepjes die op verschillende
tijden naar dat living lab gaan. De docent is tijdens dat onderdeel niet
altijd aanwezig, maar wel op gezette tijden. Die begeleidt die studenten
door dat onderdeel heen." Maar er is meer flexibiliteit om dat onderwijs
niet altijd klassikaal, zoals we bij de bot-uren doen, vorm te
geven.
Ik heb daar dus eerlijk gezegd geen zorgen over. Ik vind ook dat de
onderwijsprofessionals de ruimte moeten krijgen om de enorme
innovatiekracht die ik gezien heb in het mbo daadwerkelijk tot
ontwikkeling te brengen. Ik was vorige week op de Brainport-campus in
Eindhoven, met studenten die daar al aan het experimenteren zijn met
hybride vormen van onderwijs. Het is prachtig om te zien hoe dat samen
met het bedrijfsleven en het hbo in ontwikkeling is. Deze wet zou die
verdere doorontwikkeling ook echt kracht bijzetten.
Een belangrijke vraag van mevrouw Biekman zag op de stem van de
studenten: "Hoe wordt nou de stem van die studenten geborgd nu de
mogelijkheid om als opleiding af te wijken van de huidige urennorm uit
die wet gaat? Want dan is die bevoegdheid eigenlijk niet meer nodig."
Allereerst moet elk onderwijsprogramma natuurlijk aansluiten bij de
onderwijsbehoeften van de studenten. Dat is nu en in de toekomst het
geval. Instellingen hebben een wettelijke verplichting om in de
kwaliteitscyclus die zij intern hebben ingeregeld ook de stem van de
studenten mee te nemen. Dat gaat via de — dat is een moeilijke term —
"PDCA-cyclus". Dat proces draait jaarlijks. De studenten hebben elk jaar
adviesrechten en instemmingsrechten op bijvoorbeeld een onderwijs- en
examenreglement, om hun geluid te laten horen. Dat geldt dus ook voor
deze nieuwe vorm van onderwijsontwikkeling, die door medezeggenschap
gevolgd en bevraagd kan worden op het moment dat er zorgen over de
kwaliteit van dat onderdeel ontstaan.
Mevrouw de voorzitter. Het is, denk ik, ook belangrijk om te noemen dat
de mening van studenten expliciet wordt gevraagd door de inspectie en
nadrukkelijk wordt betrokken bij het oordeel. Daarnaast hebben we
natuurlijk de prachtige organisatie JOBmbo, die zelf heel veel doet aan
onderzoek binnen het mbo-landschap en op die manier ook monitort hoe het
gaat met de kwaliteit van het onderwijs binnen het mbo.
Mevrouw de voorzitter. Een andere vraag van mevrouw Biekman ging over of
ik wil bevestigen dat onderwijsteams per saldo meer en niet minder
ruimte krijgen. Het is maar net hoe je 'm invult. Wat mij betreft
krijgen onderwijsteams door dit wetsvoorstel juist meer ruimte om een
onderwijsprogramma te ontwikkelen waarbij ze aan de ene kant de behoefte
van studenten en aan de andere kant de behoefte van de opleiding, de
beroepsgroep waar ze voor opleiden en de arbeidsmarkt die daarbij hoort,
in acht nemen en meenemen. Dat geeft ruimte om vernieuwende en flexibele
onderwijsprogramma's samen te stellen, en ruimte om die verkorte
opleidingen aan te bieden. En dit is echt iets waar de sector om heeft
gevraagd. We hebben al lang geleden een petitie gekregen van 700
onderwijsprofessionals die vragen waarom je binnen het hbo en het wo met
flipped classrooms, living labs en online vormen van onderwijs in
cocreatie van alles mag doen en binnen het mbo niet. Dus ja, ik kan
bevestigen: meer ruimte, juist niet minder.
Mevrouw Biekman vroeg of ik kan bevestigen dat de urennormen mogen
worden verdeeld over de studiejaren. Ja. Dat is ook heel belangrijk om
te benadrukken. Stel je hebt een opleiding met een bepaalde doelgroep
waarvan je zegt: "Die eerste twee jaren zouden toch voornamelijk de bot-
en bpv-uren in stand moeten blijven. En eigenlijk zouden we pas
flexibelere en praktijkgerichte of hybride vormen willen aanbieden in
jaar 3 en 4". Dan kan dat. Elk jaar hoeft niet weer precies hetzelfde te
zijn. Het is, ook hier, aan de docent-professionals om daarin de juiste
keuzes te maken.
Dan wil ik het kort nog hebben over de rol van de inspectie. Daar zijn
verschillende vragen over gesteld. De inspectie komt één keer per vier
jaar bij de instellingen toetsen. Dat is anders dan in het hoger
onderwijs, want daar gaat het via een ander accreditatieorgaan. Hier
gaat het via onze inspectie. Naast dat bezoek één keer per vier jaar
voert de inspectie steekproefsgewijs onderzoek uit om de kwaliteit van
het mbo-onderwijs te toetsen. De inspectie beoordeelt of het
onderwijsprogramma is afgestemd op de behoefte van de studentenpopulatie
en of het aansluit bij de beroepsgroep waarvoor wordt opgeleid. Zij
kijkt naar de uitvoering van het onderwijsprogramma en naar het
pedagogisch en didactisch handelen van de onderwijsteams. En ook kijkt
zij of de studenten inderdaad in staat zijn om zichzelf te ontwikkelen.
Wat wordt er gedaan als het misgaat? Deze vraag is ook gesteld. Dan kan
de inspectie allereerst vragen om een aanvullend gesprek. Indien nodig
kan de inspectie een herstelopdracht geven, waarbij de opleiding en het
bestuur de kans krijgen om tot herstel te komen. Als daar ook nog niet
aan wordt voldaan, kan de inspectie handhavend optreden. Dit kan dan
bijvoorbeeld leiden tot financiële sancties. Er is best een stapeling
van maatregelen in de gereedschapskist van de inspectie opgenomen.
Ik ben bijna bij het einde van dit blokje. Ik heb veel vragen gekregen;
dat is een goed teken. Mevrouw Raijer stelde een vraag over hoe je kunt
voorkomen dat er kwaliteitsverschillen tussen de instellingen ontstaan
en welke harde landelijk geldende kwaliteitsnormen er zijn. Ik wil ook
hierover benadrukken dat met de wijziging van de urennorm — nogmaals,
dit gaat niet over de aantallen uren — en de borging van de ontwikkeling
van die programma's via de onderwijsteams, de kwalificaties hetzelfde
blijven; dat geldt voor de kwalificaties voor alle opleidingen die tot
dat beroep opleiden. We krijgen niet ineens allerlei verschillen, want
de einduitkomsten en de leeropbrengsten zijn geborgd. Alleen de manier
waarop je tot die leeruitkomsten en -opbrengsten komt, wijzigt doordat
een deel van het onderwijsprogramma anders wordt ingezet. Er zijn hele
goede resultaten, ook in andere onderwijssectoren, die hier de
empirische basis onder leggen. Het bevoegd gezag, het bestuur, moet,
samen met de medezeggenschap en met de onderwijsdienst, verantwoorden
hoe het onderwijsprogramma past binnen zowel het onderwijskundig beleid
van de instelling als binnen de visie. Het is niet zomaar "ik geef een
zelfstudie-uur" of "ik geef een huiswerkklasje". Het is echt onderdeel
van een opleidingsprogramma, opgebouwd met het niveau van de opleiding.
Onze wet is het uitgangspunt voor de kwaliteit van het onderwijs en dat
zijn harde eisen waar iedere instelling zich aan moet houden en waarop
de inspectie bij alle opleidingen toetst.
Dan kom ik bij de laatste vraag. Dat is een vraag van meneer De Beer:
hoe wordt er in de wet en de uitwerking nou geborgd dat het
bedrijfsleven structureel betrokken is? Dat ligt aan de ene kant
natuurlijk aan het type opleiding. Je hebt ook opleidingen die niet per
se gericht zijn op het bedrijfsleven als sector, maar op een publieke
instelling. Hierbij geldt dus uiteraard dat je als opleiding en als
instelling samen met de stakeholders om je heen kijkt hoe je de juiste
inzet pleegt op de praktijkgerichte of hybride vormen van onderwijs die
passen bij de studentenbehoefte en de vraag van de arbeidsmarkt. Dat
varieert per type opleiding en per lokale, regionale arbeidsmarkt. Dat
is juist het mooie.
Ik moet heel eerlijk zeggen dat het mbo, van misschien wel alle
onderwijssectoren die ik ken, volgens mij bij uitstek het voorbeeld is
waarbij de verbinding met de arbeidsmarkt en de verschillende
stakeholders daarvan zo enorm geborgd is. Voor een deel zie je het al in
de manier van werken via de SBB. Ik heb ook op de regionale campussen
waar ik de afgelopen weken ben geweest, gezien dat die verankering enorm
goed geborgd is, deels via de stages die er worden gelopen en de
afspraken die daarbij horen en deels met deze mogelijkheid om dat nu nog
verder te versterken. Uiteindelijk is het natuurlijk aan de instelling
om in cocreatie te bepalen op welke manier dat gebeurt en op welke
manier het bedrijfsleven daarin een rol heeft.
Dat was het einde van het blokje.
De voorzitter:
Dan kijk ik even naar de leden. De heer De Beer sprong net al heel
enthousiast op, dus die ga ik als eerste het woord geven. Gaat uw
gang.
De heer De Beer (VVD):
Voor mij is het in deze zaal ook nog een beetje een living lab,
voorzitter. De minister schetste aan de ene kant het volle vertrouwen in
de onderwijsprofessional en aan de andere kant het toezicht en de
eventuele handhaving vanuit de Inspectie van het Onderwijs. Dat zijn een
beetje de twee uitersten, zou je kunnen zeggen. We waren net, in de
bijdrage en in uw antwoorden, al een beetje op zoek naar het antwoord op
de vraag hoe je op een goede manier de inspiratie uit de goede
voorbeelden in den lande, zoals bijna het ideaalbeeld dat u net schetste
over de invulling van de flexibele uren, verder kunt uitdragen richting
de onderwijsinstellingen en de opleidingsteams. Daar zijn natuurlijk
allerhande samenwerkingsverbanden voor, maar heeft de minister daar
wellicht nog een bepaalde kijk op of heeft ze bepaalde manieren hoe we
dat met elkaar zouden kunnen doen?
Minister Letschert:
Jazeker. Ik zie dat nu eigenlijk al gebeuren, bijvoorbeeld door de rol
die de MBO Raad vervult, waarin allerlei partijen samenkomen die met
elkaar ook dat gesprek voeren. We hebben een tijd geleden in deze sector
met elkaar een mbo-pact afgesproken, waarin bijvoorbeeld het mkb en de
MBO Raad aan tafel zitten. Dat zijn platformen waar dit type gesprek
plaatsvindt. Ik merk dat de besturen van de mbo-instellingen elkaar
regionaal opzoeken, deels om een antwoord te bieden op bijvoorbeeld
krapte op de arbeidsmarkt of krimp in bepaalde regio's. Ik merk ook dat
die samen een verantwoordelijkheid voelen, in de zin van: hoe gaan wij
hier nou als onderwijssector mede een antwoord op geven? Die ervaringen
worden dus gedeeld. Dat netwerk van die besturen is eerlijk gezegd best
een heel dicht netwerk. Zij delen met mij bijvoorbeeld ter voorbereiding
op dit debat vanavond van alle kanten voorbeelden die zij met elkaar
natuurlijk allemaal kennen.
In de discussie die we in de komende periode nog gaan krijgen over de
regionale campussen, de talentstrategie en de bekostiging binnen het
mbo, zitten allemaal elementen waarmee je de best practices die je wil
delen, nog beter boven tafel kan krijgen en misschien ook nog beter kan
sturen en incentiveren. Ik denk dat we dat niet vanavond moeten
bespreken, want die plannen komen nog. Ik denk dat het belangrijk is dat
die ook elders worden opgeschaald. Maar het netwerk van mbo-partners en
mbo-fans is heel sterk, kan ik na vijf weken vertellen.
De voorzitter:
De heer De Beer is heel tevreden, zie ik. Gaat uw gang, meneer
Boomsma.
De heer Boomsma (JA21):
Dank voor de antwoorden. Ik was even in de war. De minister zei: die
flexibele uren worden ook begeleid; de docenten zijn daar wel bij
betrokken. Zoals ik de wet heb begrepen, is het toch ook mogelijk dat
die niet begeleid zijn? Ik bedoel dat het zodanig wordt ingevuld dat er
geen begeleiding is.
Minister Letschert:
"Niet begeleid" moet u als volgt zien. Er is een programma om mensen op
te leiden in de chemische industrie. Dan wil je dat studenten leren waar
die industrie voor staat, ook vanuit de praktijk. Wat wil je dan als
opleiding aanbieden? Dat je met groepjes bepaalde opdrachten gaat doen
en dat je naar die chemische site gaat. Ik gaf net het voorbeeld van
Chemelot. Daar leer je dan hoe het in het bedrijfsleven gaat. Daar maak
je een opdracht over en dat breng je terug naar je instelling. Dat is
niet de normale een-op-eenstage. Het is een groepsopdracht. Je hebt een
docent die de groepsopdracht maakt en die het programma op die manier
heeft vormgegeven. Dat voldoet aan de kwaliteitseisen die daarvoor
gelden. Maar die docent kan niet continu mee naar al die
locatiebezoeken, want dan zouden we het wel heel erg ingewikkeld maken,
ook voor de docententeams. De begeleiding van dat deel van het programma
is wel onder toezicht en geborgd op de momenten waarop de docent meegaat
op locatiebezoek. Maar het is niet altijd een automatisme om in een klas
te zitten. Dat is wat een bot-uur eigenlijk voorschrijft: je zit in een
klas met de studenten van die opleiding en die krijgen die periode
gewoon les. Dit is anders. Het idee is dat er geen docenten mee gemoeid
zijn, dat die niet meegaan op locatiebezoeken. Het kan ook weleens zo
zijn dat ze alleen gaan en dat ze daar met een groep hbo-studenten en
een hbo-docent op een campus of een chemische site met elkaar een
groepsopdracht doen. Ik denk dat we het dus niet zo zwart-wit moeten
maken en moeten zeggen: er zijn nooit meer docenten bij dat flexibele
onderdeel van het onderwijs. Zo is het niet bedoeld.
De heer Boomsma (JA21):
Ik snap dat ook; dat is niet wat er staat. Dat docenten volstrekt niet
meer betrokken zouden zijn, is inderdaad weer een ander uiterste. Alleen
is het zo dat het waarschijnlijk wel gaat leiden tot minder contacturen
met de docent. Dat is wel het gevolg van deze wetswijziging.
Minister Letschert:
Ik zou het niet "minder" noemen, maar "een andere vorm". Je krijgt in
die hybride praktijkgerichte vorm op een andere manier, misschien zelfs
wel intensiever, contact met je docent. Het is niet de traditionele,
klassikale vorm van lesgeven. Nogmaals, in 2014 werden die bot- en
bpv-uren vastgesteld. We zitten nu in 2026 en hebben in het onderwijs zó
veel geleerd van innovaties van onderwijsvormen die een positief effect
hebben op de leeruitkomsten van onze studenten. Ik zou het het mbo
gunnen dat zij op die manier ook die innovatie kunnen toepassen. Wat
betreft het idee dat dat leidt tot minder onderwijskwaliteit en het
minder zien van je student: het gaat om een andere manier. Nogmaals, nog
steeds betreft driekwart, de helft daarvan, bot-uren, dus er gaat nog
steeds heel veel klassikaal. Ook kun je nog variëren, in de trant van:
in het eerste jaar hou ik ze toch nog liever wat meer bij me; ik ga die
variatie pas later toepassen. Dat is uiteindelijk de geest van de
wet.
De voorzitter:
Kort en afrondend, meneer Boomsma.
De heer Boomsma (JA21):
Ik snap dat je er geen karikatuur van moet maken, aan beide kanten niet.
Ik denk ook niet dat het enige alternatief is dat je alleen maar
klassikaal zit te luisteren. Binnen een klaslokaal kan er natuurlijk ook
heel veel gebeuren waarbij actief geleerd wordt. Maar goed, het is een
innovatie. Maar het fenomeen dat studenten ergens naartoe gaan om dingen
uit te zoeken en te onderzoeken is toch ook weer niet zó nieuw? Ik wil
toch nog iets meer horen over waarom ervoor gekozen is om die 1.000 uur
los te laten terwijl er eerder werd aangegeven: we voeren dit juist in,
want we voorzien dat het anders ten koste gaat van de kwaliteit.
Minister Letschert:
Ik denk dat er in 2014 redenen waren om het op deze manier vast te
leggen. We zijn nu zo veel jaren verder en hebben ook nog veel meer
geleerd in het onderwijs. In de covidperiode hebben we heel veel geleerd
over het toepassen van innovatieve vormen van onderwijs. Dat moest toen;
het was misschien niet altijd een keuze. Alle onderwijsinstellingen
moesten daar toen in meegaan en dat heeft iets gedaan binnen het
Nederlandse onderwijs. Daar mogen we trots op zijn. Ook vanuit de
gedachte van de waaier, waarbij mbo, hbo en wo gelijkwaardige sectoren
zijn met studenten die we volwaardig en gelijkwaardig moeten behandelen,
is dit nu een moment waarop we zeggen: geef dat mbo ook de kans en het
vertrouwen om in dat kleine deel van die uren die we toen zo strak
hebben vastgelegd, de innovatie aan te brengen waar ze zelf om vragen.
Dat is eigenlijk de boodschap die deze wet wil geven.
De voorzitter:
Gaat u verder met het volgende blokje.
Minister Letschert:
Ja. We gaan naar de keuzedelen. Dat zijn eigenlijk gewoon keuzevakken,
maar binnen het mbo noemen we het keuzedelen. Hoe gaat de minister
ervoor zorgen dat die op elke instelling inhoudelijk sterk en relevant
blijven, was de vraag van mevrouw Raijer. Het is misschien goed om te
benadrukken dat de keuzedelen landelijk worden vastgesteld door de SBB,
de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven. De inhoud is
voor elke instelling daarin ook gelijk. Die keuzedelen zorgen ervoor dat
een opleiding een verrijking of een verdieping aan de student kan
aanbieden. Dat keuzedeel moet uiteraard wel passend zijn bij de
kwalificatie en bij de behoefte van de student. Die student zal daar de
keuze in maken. Er mag geen ondoelmatige overlap plaatsvinden tussen het
keuzedeel en de kwalificatie.
Wat ik prettig vind aan deze wet, is dat die meer mogelijkheden gaat
geven, waaronder de mogelijkheid om op meerdere momenten de keuze voor
het keuzedeel te maken, en dus niet alleen maar op één moment. Dat er
meer ruimte is om die keuze te maken, kennen we ook uit het hoger
onderwijs. Nogmaals, de keuzedelen worden ontwikkeld in wat we
"sectorkamers" noemen. Daarin zijn bedrijfsleven en beroepsonderwijs of
andere publieke instellingen vertegenwoordigd. Want op die manier worden
keuzedelen voor de arbeidsmarkt relevant. Het zijn dus geen hobby's, of
ook weleens "pretvakken" genoemd. Nee, het zijn onderdelen die uiteraard
passend moeten zijn bij de opleiding en bij de vorming die je als
student kiest. Er zijn ook zogeheten onderhoudsrondes, heb ik mij laten
vertellen, waarbij keuzedelen ook kunnen vervallen als ze weinig
gebruikt worden of verouderd zijn.
Ik heb allerlei verschillende mapjes onder mijn neus. Ik ga even terug
naar dit mapje. Zo fijn, zo veel mensen achter ons die ons hierin
begeleiden! Als we die toch niet hadden …
Een vraag van mevrouw Armut over de rol van examencommissies in het
proces van het beoordelen van overlap tussen het keuzedeel en de
kwalificatie. De instelling bepaalt zelf bij het bepalen van die
keuzedelen of er sprake is van ondoelmatige overlap tussen keuzedelen en
kwalificatie. Nogmaals, we moeten hier uiteraard weer de expertise van
die onderwijsteams benutten. De examencommissie heeft de belangrijke
taak om bij diplomering te toetsen of aan alle vereisten voor het
diploma is voldaan. Hier hoort ook de vraag bij of er voldoende
keuzedelen zijn gevolgd en, nogmaals, of er geen sprake is van die
ondoelmatige overlap.
Dan was er een vraag van mevrouw Biekman. Zij vroeg of ik afspraken wil
maken met de sector over hoe het keuzedelenaanbod transparanter en
vindbaarder kan worden. Dat is uiteindelijk wat je wil. Alle studenten
kunnen de keuzedelen van het mbo inzien in het register van SBB. Met dit
wetsvoorstel regelen we ook dat de instellingen daarnaast een overzicht
van hun aanbod in keuzedelen openbaar moeten maken, zodat ook iedere
student gemakkelijk het aanbod van de keuzedelen van instellingen,
bijvoorbeeld in hun regio, kan inzien en vergelijken. Naar mijn
bescheiden mening zijn aanvullende afspraken wat dat betreft dan ook
niet nodig.
We hebben een mooie discussie gehad over de krullenkapper en de
kraamzorg. Ik zal niet ingaan op de krullenkapper, maar dat is wel een
belangrijke doelgroep. Ik denk dat iedereen dat vanavond gehoord heeft.
Maar in reactie op de vraag van de heer Claassen: ja, er zijn
verschillende verdiepende keuzedelen waar studenten zich mee kunnen
specialiseren in een zorgopleiding. De kraamzorg en de behoefte die daar
ligt, werden genoemd. We hebben ook keuzedelen voor bijvoorbeeld de
thuiszorg en de palliatieve zorg. Ook dat zijn keuzedelen waar studenten
voor kunnen kiezen.
Dan was er ook een vraag of studenten niet te weinig keuze hebben in
keuzedelen en of de opties wel goed aansluiten op de arbeidsmarkt. Dat
was een vraag van mevrouw Tseggai. Ik ben het er absoluut mee eens dat
studenten voldoende keuze moeten hebben in die keuzedelen. Dat
verbeteren we met dit wetsvoorstel. Ook door de loskoppeling van
keuzedelen, dus dat die niet alleen binnen de eigen instelling gevolgd
kunnen worden, kunnen de studenten meer keuzeaanbod tot zich nemen. Dat
leidt tot meer keuze voor de student, en daardoor kan er ook beter
worden ingespeeld op de regionale behoeftes van de arbeidsmarkt. Ik zie
ook dat mbo-instellingen met elkaar afspraken maken over hoe ze dit in
de regio's waarin ze samenwerken tot een mooi, coherent aanbod voor
studenten kunnen maken. Studenten kunnen ook makkelijker vrijstellingen
krijgen voor keuzedelen die ze bij een andere instelling volgen. Dat is
in de huidige situatie ook niet het geval. Hierdoor hebben ze ook weer
meer keuze in die keuzedelen.
Eens even kijken. We kregen een discussie of er een rol is voor de
regering om afstemming tussen instellingen en het bedrijfsleven in dit
geval te verbeteren. Dat was een vraag van onder anderen mevrouw Armut.
Meneer De Beer hintte ook in die hoek. Ik denk dat we als kabinet voor
een deel tegemoet gaan komen aan uw oproep door de ontwikkeling van die
talentstrategie en door het gesprek dat we hebben over de regionale
campussen. Ik merk zelf in de gesprekken die ik tot nu toe heb gehad dat
de mbo-instellingen ook met elkaar dit type gesprekken al aan het voeren
zijn. Ik denk dat we de discussie rondom de talentstrategie en ook het
mbo-pact, dat we weer opnieuw gaan oppakken, weer moeten gaan voeren op
het moment dat ik die voorstellen met u ga bespreken. Die
talentstrategie komt ergens voor de zomer en de gesprekken over het
mbo-pact zijn ook voor de zomer. Alles voor de zomer. Het wordt een druk
voorjaar. Die ga ik dus absoluut met u bespreken.
Dan de laatste vraag in dit blokje. Eens even kijken. Die ging over
Defensie, of er een breder aanbod aan keuzedelen nodig is in de hoek van
Defensie. Uiteraard hoef ik hier niemand te vertellen dat de talentvraag
vanuit Defensie groot is. Het is dan ook belangrijk dat het mbo voor
studenten die dit willen de gelegenheid biedt om daarvoor te kiezen. De
voorbeelden zijn al genoemd, zoals keuzedelen rondom weerbaarheid. Naast
de VeVa-opleidingen bestaan er al verschillende keuzedelen gericht op
Defensie. Ze worden trouwens ook samen vormgegeven met Defensie. Onlangs
zijn er — dat is misschien wel goed om te vertellen — nieuwe afspraken
gemaakt met de MBO Raad en Defensie over opleiden en trainen om stevig
bij te dragen aan de capaciteit van de krijgsmacht. Dus de afstemming
tussen de sector en Defensie loopt eigenlijk hartstikke goed. Als er
vanuit Defensie signalen zouden komen dat er nog meer nodig is, buiten
wat we trouwens ook bij die talentstrategie weer met elkaar gaan
bespreken, dan ga ik heel graag het gesprek aan, want dit is hartstikke
belangrijk.
Eens even kijken. Ik denk dat ik er dan ben op dit onderdeel.
De voorzitter:
We gaan het meemaken, want als het aan de Kamer ligt niet.
Minister Letschert:
Ik bedoel op dit onderdeel. Ik mag nog niet naar huis. Dat begrijp
ik.
De voorzitter:
Nee, zeker niet. Ik weet niet wie als eerste bij de microfoon stond.
Volgens mij was dat mevrouw Armut van het CDA. Gaat uw gang.
Mevrouw Armut (CDA):
Dank, voorzitter. Dank voor de beantwoording tot nu toe. Volgens mij
zijn we het eens over de rol van de examencommissie, maar mijn vraag was
hoe we nou borgen dat de examencommissie haar taak op het juiste moment
uitvoert, dus dat die toets op ondoelmatige overlap niet pas wordt
uitgevoerd aan het einde van de studie, maar op het moment dat de
student de keuze maakt voor welk keuzedeel hij of zij gaat.
Minister Letschert:
Die keuzedelen worden voor een deel vanuit SBB in die sectorale kamers
vormgegeven, ook in relatie tot de kwalificaties. Dus voor een deel zit
die toets al daar en de examencommissie komt aan het einde. Ik ben dus
even zoekende naar wat voor hiaat u ziet op dit moment, naar waar uw
zorg zit.
Mevrouw Armut (CDA):
Mijn zorg zit erin dat als die toets pas aan het einde van de studie
wordt gedaan en de examencommissie er op dat moment achter komt dat er
dus overlap is, dat dan het diploma bijvoorbeeld niet geldig is. We
lezen terug dat de Raad van State aandacht vraagt voor die veranderende
rol van de examencommissie. Ik ben dus zoekende, zoals ik net al zei,
naar wanneer de examencommissie zich buigt over of dat keuzedeel geldig
is.
Minister Letschert:
Vindt u het goed als ik daar bij de tweede termijn nog even op terugkom
en het dan technisch precies goed zeg? Anders geef ik dadelijk net het
verkeerde antwoord en denkt u "dit is geen oplossing" of "dit is wel een
oplossing", terwijl dat niet klopt. Er komt dan waarschijnlijk tijdens
het debat een blaadje deze kant op waarop het precies goed staat. Vindt
u dat goed, mevrouw Armut?
De voorzitter:
Ook dat gaan we meemaken. Ja, we gaan het beantwoorden in de tweede
termijn. Mevrouw Biekman.
Mevrouw Biekman (D66):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb het antwoord van de minister gehoord over
de keuzedelen. Wat ik in het antwoord hoor, is dat de keuzedelen nog
steeds versnipperd zijn. Op het moment dat een mbo'er een keuzedeel wil
kiezen, moet die of inloggen bij DUO of bij de instellingen zelf. Het
mooie van Kies Op Maat is dat het gewoon één platform is waarop alle
minoren voor de hbo'ers staan. Ik zou toch, via u voorzitter, aan de
minister willen vragen of ze dit verzoek mee kan nemen en met de sector
zou willen bespreken. Het zou namelijk echt goed zijn als mbo'ers hierin
eenvoudig geholpen kunnen worden.
Minister Letschert:
Dat wil ik uiteraard met de sector bespreken.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
De minister noemde dat instellingen ook met elkaar afspraken maken over
keuzedelen en dat zij de invulling daarvan ook met de SBB doen. Zou de
minister het een idee vinden om daarbij ook studenten te betrekken? Dat
kan bijvoorbeeld gaan om studenten van het mbo, maar dat kan ook een
medezeggenschapsorgaan van de betreffende instelling zijn, zodat die
keuzedelen nog beter gaan aansluiten op de behoeften van de
studenten.
Minister Letschert:
Ook daar kom ik in tweede de termijn op terug — volgens mij is er
namelijk al heel veel ingeregeld — voordat ik een toezegging doe die
misschien nog veel meer behelst dan misschien uw bedoeling is. Ik kom
erop terug.
De voorzitter:
Dan gaan we door naar het volgende blokje en dat is verkorte
opleidingen.
Minister Letschert:
Ja, eens even kijken. Mevrouw de voorzitter. Ik begin met de vraag over
de effecten van de verkorte opleidingen op het aanbod in de regio. Dat
was een vraag van, onder anderen, mevrouw Armut. Deze verkorte
beroepsopleidingen zullen veelal aanvullend zijn op het regionale aanbod
van de reguliere opleidingen. Het is ook een andere instroom, hè? Het
zijn mensen met de leer- en werkervaring die in de verkorte opleiding
binnenkomen. De reguliere jonge student kan die route niet volgen. Het
is dus echt een verrijking en ik zou zeggen: een broodnodige noodzaak.
Het is ook een tegemoetkoming aan een wens van heel veel
doelgroepen.
Ik heb de kans gehad om bij deze doelgroep aan te schuiven om te kijken
wat voor type doelgroep je daar dan aantreft. Het gaat om een enorme
diversiteit aan mensen die een bepaalde leer- of werkervaring en
achtergrond hebben. Die zijn bijvoorbeeld in een huidig leven
psycholoog, maar willen op hun 45ste verpleegkundige worden en gaan via
een verkorte opleiding die route in. Ik zie het dus echt als een
aanvulling op de reguliere opleidingen. Instellingen zullen uiteraard
het aanbod aan reguliere beroepsopleidingen handhaven. Die betreffen
toch ook een heel andere doelgroep.
Ik denk aan al onze jongeren en ik denk dat voor de meeste studenten een
beroepsopleiding in de reguliere duur gewoon het onderwijsaanbod is dat
het beste bij hen past. Alleen voor de groep studenten die over een
flinke relevante leer- en werkervaring beschikt en die minder
belangstelling heeft voor die reguliere opleiding, zal die verkorte
beroepsopleiding echt een uitkomst zijn. Dat maken we nu een stuk
makkelijker voor de instellingen en de studenten.
Mevrouw de voorzitter. We hebben een vraag gekregen van mevrouw Tseggai
over de discussie, in het licht van de vrijstellingen, rondom de
zij-instromers met ervaring die een mbo-opleiding willen volgen.
Nogmaals, ik denk dat het van belang is dat het mbo toegankelijk is voor
die zij-instromers en dat die opleiding ook aansluit bij wat zij al
kennen en kunnen. Tegelijkertijd wil je ook geen afbreuk doen aan de
waarde van het mbo-diploma. Maar ik ben wel positief over de motie van
mevrouw Tseggai waarmee de vrijstellingsmogelijkheden voor
zij-instromers met relevante leerervaring wordt vergroot. Op die manier
wordt met behoud van de mbo-diplomawaarde de toegankelijkheid voor de
zij-instromers verbeterd.
Ik beloof u dat ik voor de zomer in die brief die wij u gaan sturen over
Leven Lang Ontwikkelen ook terugkom op de vraag hoe wij aan die motie
uitvoering gaan geven. Maar ik hoop dat ik hiermee al aan u mijn eerste
toonzetting over de motie …
Daar wil ik nog het volgende aan toevoegen — daar vroeg mevrouw Biekman
ook naar — over de specifieke regeling voor de toelatingseisen en de
vrijstellingen voor de ervaren zijinstromers van bijvoorbeeld 27 jaar of
ouder. Die kunnen dus ook 45 zijn, zoals de mensen die ik onlangs heb
ontmoet. Ook voor het breder bevorderen van de vrijstellingen op vakken
voor die basisvaardigheden heeft mevrouw Tseggai een motie ingediend die
is aangenomen door uw Kamer. Ook over deze motie zal ik in de brief
rondom LLO met uw Kamer in gesprek gaan en daarbij de reactie van het
kabinet op die motie met u bespreken.
Met betrekking tot de toelatingseisen voor de verkorte opleiding geldt
wat in het wetsvoorstel is opgenomen. We hebben gezegd dat er een
regeling moet komen voor die toelatingseisen, maar ik laat dat wel heel
bewust aan de instellingen, want daar zit ook de expertise om te bepalen
welke typen toelatingseisen nodig zijn om in de verkorte opleiding te
mogen instromen. Zo kunnen zij ook maatwerk bieden voor wat een
specifieke opleiding vraagt. Dat wil ik juist niet landelijk vastleggen,
want dan gaan we weer een heel bureaucratisch systeem inrichten.
Dan ga ik nog door over … Misschien toch nog als toevoeging: hoe houd je
dan toezicht op de kwaliteit van die verkorte opleidingen? Dat is een
terechte vraag. Ook hier werkt het hetzelfde als bij het reguliere
toezicht. Ook hier zal de inspectie dus kijken naar de door de
instelling opgestelde toelatingseisen en naar de uitkomsten van de
evaluatie van de selectiecriteria in het kader van de
kwaliteitszorgcyclus die de instelling zelf ook heeft ingeregeld. Dat is
dus voor de verkorte opleiding niet anders dan voor de reguliere
opleidingen. Ook hier kan de inspectie weer ingrijpen. Op het moment dat
de kwaliteit niet voldoet, wanneer de toelatingscriteria te weinig
onderscheidend zijn of wanneer de kwaliteit van het onderwijsprogramma
niet voldoende is, kan de inspectie ingrijpen.
Ik ben er bijna. Ik had "twintig minuten" gezegd tegen mevrouw Van der
Plas, maar dat ligt niet helemaal aan mij, toch?
Mevrouw de voorzitter. Hoe bewaak ik het evenwicht tussen de verkorte
trajecten en het bestaande niet-bekostigde private aanbod? Deze
discussie hebben wij heel mooi gehad toen we het LLO-debat hadden.
Daarbij heb ik aangegeven dat het belangrijk is dat de private en de
publiek bekostigde onderwijsinstellingen allebei bijdragen aan het
opleiden en omscholen van onze bevolking, onze vakmensen, ook breder.
Als je kijkt naar de uitdagingen die we hebben in onze samenleving als
het gaat over bij- en omscholen, kunnen we volgens mij alle capaciteit
daarbij gebruiken. De NRTO heeft zijn zorgen met ons gedeeld over de
verkorte opleidingen binnen het mbo. Die is bang voor marktverstoring en
een ongelijk speelveld. Tegelijkertijd wil ik hier ook benadrukken dat
het verzorgen van de beroepsopleidingen echt wel behoort tot de
wettelijke taken van onze bekostigde instellingen. Ik zie dit dus niet
als een marktverstoring. Ik vind het belangrijk dat de publiek
bekostigde instellingen ook adequaat in kunnen spelen op de behoefte van
de arbeidsmarkt en van de regionale arbeidsmarkt. Daar zit het mbo juist
zo goed in ingebed. Nogmaals, er is hier voldoende ruimte voor meerdere
spelers. In de doorontwikkeling van het LLO-aanbod en de cocreatie die
daarbij plaatsvindt op dit moment, ook in de regio's die daarmee aan de
slag zijn, zie ik dat men ook vaak samen optrekt, omdat men ook gebruik
kan maken van elkaars capaciteit. Zelfs de samenwerking tussen publiek
en privaat binnen het LLO heb ik dus in een aantal regio's al in mijn
vorige leven mogen aanschouwen.
Ik ben er bijna, mevrouw de voorzitter.
Hoe wordt geborgd dat de losse onderdelen van de mbo-opleidingen
dezelfde kwaliteit blijven hebben als de volledige opleiding? Dat was
een vraag van mevrouw Raijer. Ook hier geldt weer dat de wet- en
regelgeving die we in Nederland hebben voor de borging van de kwaliteit
van ons onderwijs en van onze examens gelden voor de volledige
opleidingen, maar ook voor de losse onderdelen. De inspectie houdt ook
toezicht op die losse onderdelen. Daaraan worden dus dezelfde
kwaliteitseisen gesteld.
Mevrouw de voorzitter. Dan had ik een mooie vraag van mevrouw Van der
Plas: hoe voorkom je dat instellingen elkaar gaan beconcurreren met die
verkorte beroepsopleidingen? Ik zou natuurlijk het liefst zien dat alle
instellingen met elkaar samenwerken in plaats van elkaar te
beconcurreren, ook in de regio's — we zijn natuurlijk allemaal wel
onderdeel van een regio — maar misschien met name ook in de regio's die
wat meer met krimp geconfronteerd worden. In de gesprekken die ik de
afgelopen weken met een aantal instellingen in bepaalde regio's heb
gehad, is ook echt te zien dat ze met elkaar die samenwerking opzoeken.
Het aanbod aan verkorte opleidingen dat gaat worden gecreëerd, zal
veelal aanvullend zijn op het regionale aanbod dat er is.
Ik zal op het punt van de doorontwikkeling van de talentstrategie, maar
ook in de discussie die we met elkaar gaan hebben over de regionale
campussen met u het gesprek willen gaan hebben over de vraag hoe we die
samenwerking stimuleren in plaats van die juist eigenlijk moeilijk te
maken. Ook vanwege de financiële prikkels die er in een systeem zitten,
belemmer je die samenwerking eigenlijk. Dat is een discussie die we met
elkaar gaan voeren, ook als we praten over de herziening van het
bekostigingsstelsel binnen het mbo, maar dat geldt wat mij betreft
breder.
Ik ga heel graag met u die discussie aan, want als we iets niet kunnen
hebben, is het concurrentie tussen onderwijsinstellingen die samen met
elkaar een hele belangrijke maatschappelijke opdracht hebben. Ik ben het
helemaal met mevrouw Van der Plas eens dat als onderwijsinstellingen uit
een regio vertrekken er heel veel meer uit die regio vertrekt. Dat
moeten we absoluut voorkomen. Ik heb daarmee, denk ik, ook een reactie
proberen te geven op uw zorg over de verschraling van het aanbod. We
zijn in dit land verplicht om in elke regio een mooi, volwaardig aanbod,
ook van het mbo, te borgen.
Dan ben ik er bijna, mevrouw de voorzitter. De heer De Beer vroeg hoe ik
ga inzetten op doelgerichte flexibilisering voor versnelling richting
tekortsectoren en niet richting sectoren waar minder werk is. Dat is ook
een hele mooie discussie die we met elkaar gaan hebben, deels in het
licht van de talentstrategie, maar deels ook weer in het licht van de
discussie over de bekostigingssystematiek. U heeft de behoefte om een
arbeidsmarktfactor toe te voegen. Ik heb mij ook laten vertellen — dat
weet ik ook nog voor een deel uit een vorig leven — dat het best wel
ingewikkeld is om de toekomstige arbeidsmarktbehoefte te voorspellen.
Dat is helemaal niet zo mathematisch en empirisch vast te stellen.
We moeten ook voorzichtig zijn met de gedachte dat we daar alle
evidentie voor in huis hebben, maar ik zou u willen voorstellen om die
discussie, de discussie over de vraag hoe we het aanbod in die
tekortsectoren stimuleren, te voeren als we het debat over het mbo in
den brede en over de bekostigingssystematiek hebben. De keuzevrijheid
van studenten is een belangrijk goed en moeten we wel kunnen
borgen.
Dan heb ik de vragen in het deel over de verkorte opleidingen geprobeerd
te beantwoorden.
De voorzitter:
Volgens mij is dat heel uitvoerig gelukt. Ik kijk even of dat nog vragen
uit de Kamer oplevert. Mevrouw Tseggai kan zich niet bedwingen. Gaat uw
gang.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Het is wel altijd een training voor je kortetermijngeheugen als je moet
wachten tot het einde van het blokje.
De voorzitter:
Maar dit kunt u!
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Dit kan ik. De minister had het over de zijinstromers. Zij komt daarop
terug in de brief voor het reces over LLO. We hebben nu de aangenomen
motie over vrijstellingen en deze wet. Zou het niet goed zijn om
jaarlijks aan de Kamer te rapporteren over hoeveel zijinstromers we met
al deze maatregelen bewerkstelligen, zodat je eventueel ook kunt
bijsturen?
Minister Letschert:
Dan bedoelt u dat wij de aantallen geven van mensen die via een verkorte
opleiding het mbo instromen. Dat lijkt me mogelijk, maar misschien word
ik straks … Ik denk dat we de getallen daarvan moeten hebben. Ja, die
kan ik u toezeggen, zonder dat daarachter stress ontstaat.
De voorzitter:
Dat kan de minister mevrouw Tseggai toezeggen.
Minister Letschert:
Sorry!
De voorzitter:
Daarmee is de vraag van mevrouw Tseggai beantwoord en kan de minister
door naar het vierde blokje, namelijk niet-bekostigd onderwijs.
Minister Letschert:
Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Het is ook een soort stage voor mij,
nog steeds.
De voorzitter:
Het is voor mij al vijf jaar één grote stage! Laten we van elkaar leren
en misschien ook wat bondiger zijn in de vragen en in de antwoorden.
Minister Letschert:
Oké, excuses. Ja, dat ga ik ook proberen, mevrouw de voorzitter. Heel
kort: de heer Boomsma vroeg mij hoe vaak de dwangsom bij niet-bekostigde
instellingen wordt toegepast. Die vraag ga ik heel snel beantwoorden. De
last onder dwangsom biedt de inspectie een extra sanctiemogelijkheid
voor de niet-bekostigde instellingen. Soms levert een niet-bekostigde
instelling niet alle verplichte gegevens aan bij DUO. De inspectie heeft
die gegevens juist nodig om toezicht te kunnen houden op zo'n
niet-bekostigde instelling. Ik heb geen cijfers over hoe vaak dit
gebeurt, maar het mag eigenlijk nooit gebeuren, want dit belemmert de
inspectie in het houden van toezicht. De inspectie heeft nu alleen de
mogelijkheid om de erkenning van het diploma in te trekken. Dat is een
zware sanctie. Een last onder dwangsom is dan passender. Dat was een
mooi antwoord.
De voorzitter:
Het was vooral een heel bondig antwoord. De voorzitter blijft wel, maar
het blokje is nog niet afgerond. Gaat u verder.
Minister Letschert:
Ik ben er bijna. Ik heb nog twee korte vragen.
De voorzitter:
Nee, we ronden het blokje af. Dat gold voor iedereen, ook voor u,
mevrouw Biekman.
Minister Letschert:
De groep die het het hardst nodig heeft, maakt het minst gebruik van
LLO. Hoe zorgen we ervoor dat deze wet dat gaat voorkomen? Wij
verwachten dat de maatregelen die in dit wetsvoorstel voorgesteld zijn
daar een positieve invloed op hebben. We nemen ook een groot deel van de
knelpunten weg, zodat instellingen beter in staat zijn om die bij- en
omscholing uit te voeren, ook voor kwetsbare doelgroepen, en daar ook
veel meer bekendheid aan te geven. Vanaf het moment dat deze wet in
werking zal gaan treden, kunnen ze hier ook verder de communicatie over
opschroeven.
Daarnaast — dat wil ik ook benadrukken — liggen er veel meer
fundamentele vraagstukken rondom LLO en hoe we de cultuur van blijvend
leren niet alleen maar in de eerste paar jaren van de beroepsopleiding
op een mbo, hbo of in het wo, maar ook langduriger kunnen gaan
veranderen en stimuleren. Dat gesprek zullen we hebben als we met elkaar
en met de andere bewindspersonen gaan praten over LLO. Maar deze wet is
wat mij betreft wel een stevig fundament dat het LLO-aanbod neerzet en
waar we dan ook verder op kunnen bouwen in het gesprek dat we later dit
voorjaar met elkaar gaan hebben.
Dan heb ik nog een laatste vraag. Die gaat eigenlijk ook over LLO. Alles
komt samen in één debat. Het was een vraag van mevrouw Biekman. Zien we
kansen voor een systeem van leerrechten en een nieuwe infrastructuur
voor Leven Lang Ontwikkelen? Ook hier gaan we in het LLO-debat met
elkaar over doorpraten. Wij zijn op dit moment met de verschillende
ministeries hard aan het werk om met u hierover in gesprek te
gaan.
Ik kan dan meteen de twee vragen van de tweede termijn doen. Of wilt u
dat liever … Ik heb ook nog een pakketje overige vragen.
De voorzitter:
U mag ook de vragen die nog openstonden bij het pakketje overig doen en
daarmee afronden.
Minister Letschert:
Perfect. Hoe laat sluit het hier?
De voorzitter:
Ik heb de goede gewoonte om vooral de mensen die ons zo hard
ondersteunen op tijd naar huis te laten gaan, maar u heeft zeker nog
spreektijd.
Minister Letschert:
Ik ga heel kort zijn, mevrouw de voorzitter. Meerdere van u hebben
gevraagd naar de evaluatie van de wet. Ik geloof dat dat de heer De Beer
en mevrouw Tseggai waren. Kunt u niet van vijf naar drie jaar? Dat vind
ik eigenlijk echt wat te vroeg. We gaan die wet in werking stellen. Dan
gaan we de docententeams de kans geven om die programma's op te bouwen.
Dat heeft ook tijd nodig. Dan zouden wij al vrij snel de uitvoering van
die evaluatie ter hand gaan nemen. Ik vind dat best wel een onnodige
druk op de instellingen leggen, nog los van de uitvoering bij het
ministerie. Ik vind het eigenlijk vanuit het perspectief van de
instellingen te vroeg. Geef ze nou de kans om in de periode van vijf
jaar dit met elkaar neer te gaan zetten. Vertrouw op de interne
kwaliteitszorgcyclus die de instellingen hebben. Vertrouw op onze
inspectie. Dan zullen we in de periode zoals wij nu voorstellen, de
evaluatie doen. Ik vind het eigenlijk gewoon net te vroeg om echt een
goede evaluatie te kunnen doen. En ik vind het te veel onnodige druk
leggen. Dat was die vraag.
Dan was er een vraag van mevrouw Van der Plas over de landelijke
campagne. Ik ben het helemaal met mevrouw Van der Plas eens dat wij veel
meer aandacht moeten hebben voor het mbo en het belang van het mbo voor
onze samenleving. Wat mij betreft was het skills event een terugkerende
campagne. We moeten met elkaar daar veel meer ruchtbaarheid aan geven en
laten weten dat het überhaupt bestaat. Ik wist dit niet. Ik schaamde me
dood toen ik daar binnenkwam en 32.000 studenten en leerlingen zag die
daar hun talenten voor een deel lieten zien, ook aan elkaar. Wat mij
betreft — en daar mag u mij de komende jaren ook op aanspreken — moeten
we veel meer uiten hoe belangrijk het mbo is en hoe belangrijk de
docenten die daar werken en de studenten die ervoor kiezen, zijn. Ik
geloof niet zo in een hele grote campagne die op zichzelf staat. Volgens
mij moeten we ervoor zorgen dat we integraal op alle mogelijke momenten
het belang van het mbo laten zien, onder andere via voorlichting en via
loopbaanbegeleiding. Dat begint al in het basisonderwijs, zoals mevrouw
Van der Plas zei. Ik wil zeker nadenken over hoe we ervoor zorgen dat
dat gerichter en vaker gebeurt, maar ik geloof zelf wat minder in een
eenmalige campagne. Ik zou nog veel verder willen gaan door het belang
van het mbo echt continu voor het voetlicht te brengen.
Mevrouw de voorzitter. Dan heb ik een vraag van mevrouw Biekman over de
inwerkingtreding van de wet. De beoogde inwerkingtredingsdatum is vrij
ambitieus, namelijk 1 augustus 2026. Maar het hangt natuurlijk ook af
van de behandeling in beide Kamers. We zijn heel dankbaar dat deze wet
vanavond al op de agenda kon komen. Om sommige maatregelen staat het
veld echt te springen; denk aan de loskoppeling van de keuzedelen.
Andere maatregelen vergen uiteraard meer voorbereidingstijd.
Daarom is er voor de urennorm — dat gaat echt over de ontwikkeling van
de onderwijsprogramma's — overgangsrecht opgenomen. Daardoor hebben de
instellingen de mogelijkheid om de nieuwe regels per 1 augustus 2027 te
laten gelden, zodat ze echt een jaar de tijd hebben om met de
docententeams en de studenten aan de slag te gaan om dit voor te
bereiden. Ze hoeven zich pas daarna daarover te verantwoorden. Voor de
maatregel van de verkorte opleidingen met werk- of leerervaring geldt
dat deze per 1 januari 2027 in werking treedt. Zo krijgen de
instellingen voldoende voorbereidingstijd.
Wat verwacht ik van de uitvoeringstoets van SBB en wanneer komt deze
toets? Dat was ook een vraag van mevrouw Biekman. SBB is bezig met de
uitvoeringstoets voor de lagere regelgeving van dit wetsvoorstel. Ze
kijken naar de verschillende maatregelen en wat deze voor de uitvoering
betekenen. Daar valt bijvoorbeeld de loskoppeling van keuzedelen van
kwalificaties onder. Medio april wordt de uitvoeringstoets opgeleverd
door SBB.
Dan heb ik een aantal vragen van mevrouw Armut over de
stageproblematiek, met name in de zorgsector. Daar wil ik het volgende
over zeggen. Ook dat onderwerp verdient een eigenstandig gesprek. Onder
het Stagepact mbo werken we samen met de verschillende partners aan de
belangrijke doelstelling van voldoende stageplekken. SBB monitort het
tekort ook. Waar nodig zijn er met de instellingen en bedrijven gerichte
acties om knelpunten op te lossen. Specifiek over de zorg voer ik het
gesprek met mijn collega van VWS. Uiteraard delen we het belang van
voldoende stageplekken in de zorg. Ik ga binnen nu en anderhalve maand
met de verschillende partners verder praten over het Stagepact.
De discussie over het wetsvoorstel voor een verplichte stagevergoeding
hoort daar ook bij. Daar kom ik ook op terug bij uw Kamer. Ik ben me
daarin aan het verdiepen. Ik zie ook de dilemma's die door verschillende
partijen met mij gedeeld worden. Ik zal die nu niet delen, maar ze zijn
er wel. Die wil ik graag goed in kaart hebben voordat ik naar uw Kamer
kom met de plannen van het kabinet voor de wettelijk verplichte
stagevergoeding.
Dan heb ik nog een vraag van mevrouw Van der Plas: ontstaat er juist
niet meer bureaucratie door de Vaba? Mijn inschatting is dat dat juist
niet het geval is. Het leidt niet tot meer regels. Het totaalaantal
onderwijsuren blijft gelijk; het moet binnen het onderwijsprogramma
passen. Docenten mogen ze flexibeler inzetten. Het is absoluut juist
niet de bedoeling om meer bureaucratie in die instellingen te
jagen.
Ik ben er echt bijna. Sommige vragen heb ik dubbel, dus dat is
fijn.
Mevrouw de voorzitter. Misschien is dit de allerlaatste vraag. Deze heb
ik deels al beantwoord. Dat is de vraag over de bekostiging. U bent
natuurlijk benieuwd hoe we door middel van herziening van het
bekostigingsstelsel kunnen sturen op het opleidingsaanbod en de instroom
in bepaalde sectoren. Ik werk op dit moment, as we speak, aan de
herziening van de bekostiging van het mbo. Het advies van de
reviewcommissie is daar ook op ingericht. Dat komt binnenkort. Ik ga dat
allemaal tot mij nemen en dan ga ik het gesprek daarover met u
hebben.
Mevrouw de voorzitter, ik denk dat ik er ben. Als ik er niet ben, mag u
alsnog … O, ik heb nog die twee overige vragen. Excuses.
De voorzitter:
Gaat uw gang.
Minister Letschert:
Excuses, mevrouw Van der Plas. We zijn er bijna. Nog twee vragen. De
vraag van mevrouw Armut: hoe zorgen we ervoor dat de toets op de overlap
… De eerste variant die ik had, was de doelmatigheid, maar uw vraag ging
over de overlap, namelijk of die toetsing niet te laat is in het proces
van de examencommissie? Uw zorg zit erin dat die pas op het einde is. Om
problemen bij diplomering te voorkomen, is het aan het bestuur van de
mbo-instellingen en de examencommissie om samen procesafspraken te maken
om te voorkomen dat bij die examencommissie pas bij de diplomering die
ondoelmatige overlap ontstaat. Het is wel echt aan de besturen van de
instellingen en de examencommissies om aan de hand van deze
wetswijziging die procesafspraken te gaan maken. De situatie die u
schetst, wil je natuurlijk niet. Bij twijfel kunnen instellingen bij het
samenstellen van dat keuzedelenaanbod bij SBB advies vragen over de
mogelijke overlap tussen keuzedelen en kwalificaties. Dat heet de
overlapcheck. Er is dus een overlapcheck die daar de mogelijkheid toe
biedt bij twijfel. Maar het is ook aan de examencommissie en het bestuur
om aan de voorkant afspraken te maken om dat risico dat u schetst te
voorkomen. Dat is wat ik u daarover kan vertellen.
Mevrouw de voorzitter. Kunnen studenten betrokken worden bij het aanbod
van keuzedelen? Dat was een laatste vraag van mevrouw Biekman. Ja, de
studentenraad heeft altijd de bevoegdheid om onderwerpen te agenderen in
gesprek met hun bestuur. Dat betreft ook het aanbod van keuzedelen,
bijvoorbeeld als zij daar ontevreden over zijn of er ideeën over hebben.
Als een student bij de eigen instelling geen keuzedeel kan vinden dat
die wil volgen, kan diegene door middel van deze wet ook een keuzedeel
bij een andere instelling volgen. Dat zou ik eigenlijk ook voor andere
onderwijssectoren wenselijk vinden. Dat is een prachtige toevoeging in
deze wet. Binnen de SBB stellen onderwijs en bedrijfsleven die inhoud
samen. Ook hier wordt de stem van studenten van de instellingen of
binnen het bedrijf meegenomen.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan ga ik natuurlijk de vloer openen voor alle vragen die er
nog zijn, maar ik wil wel graag de collega's in de Kamer verzoeken geen
vragen te stellen over wetten die nog behandeld gaan worden, want
volgens mij gaat er veel gebeuren in het onderwijsveld. Laten we het dus
houden bij het onderwerp van dit debat.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Jazeker. Nog even terugkomend op de campagne. Als je kinderen op
basisschoolleeftijd, van 4 of 5 jaar, vraagt wat ze willen worden, hoor
je weleens: ik wil boer, vrachtwagenchauffeur of bakker worden. Daar
zijn kinderen mee bezig. Ik heb nog nooit een kind horen zeggen "ik wil
beleidsmedewerker worden in de Tweede Kamer" of "het lijkt me echt
fantastisch om politiek adviseur te worden van een minister"'. Dat zijn
niet de banen. Als ze zo jong zijn, zien ze echt voor zich dat ze iets
doen waar ze een passie voor hebben en willen ze echt vakwerk doen. Dat
van de campagne snap ik dus. Overigens is er op 14 april een Girls' Day
…
De voorzitter:
Mevrouw Van der Plas, wat is uw vraag?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Daar kom ik op, maar ik wil wel even de campagne Girls' Day promoten. Ik
weet niet waarom het nou Girls' Day heet en niet gewoon meisjesdag, maar
dat terzijde. Dat is een open dag op 14 april, waarop speciaal voor
meisjes de deuren open gaan van bedrijven voor IT en techniek. Ik zou
dus iedereen willen oproepen: ouders, kinderen, ga ernaartoe. Ik snap
inderdaad dat er geen campagne komt. Maar ik wil de minister wel het
volgende vragen. Ik heb vaak naar de gesprekken met het basisonderwijs
gevraagd. Ik zou weleens even willen horen wat de stand van zaken is van
hoe in het basisonderwijs eigenlijk wordt gewerkt aan de
keuzemogelijkheden, dus dat er niet alleen maar wordt gezegd "je moet
naar de havo of het atheneum", maar dat het ook hartstikke mooi is om
bijvoorbeeld naar het mbo te gaan na de middelbare school.
Minister Letschert:
Ik zou onze staatssecretaris passeren als ik hier toezeggingen op zou
doen, want dit zit echt bij de staatssecretaris in de portefeuille. Ik
hoop dat hij dit onderwerp in een debat met haar wil bespreken. Zij gaat
ook naar het Girls' Day-evenement toe en ik weet dat zij zich heel hard
voor dit onderwerp maakt. Het is niet aan mij om daar nu toezeggingen op
te doen. Ik erken het belang ten zeerste, maar uw concrete verzoek, de
vorm waarin en wat daar allemaal gebeurt, zou ik aan haar richten.
Mevrouw Biekman (D66):
Ik heb een korte vraag over het blokje verkorte opleidingen. Ik heb de
minister specifiek gevraagd ook te kijken naar de pilot van HMC, ROC
Midden Nederland, Wij Techniek en ActiZ. Ik vraag de minister dit alsnog
mee te nemen in de brief die richting de Kamer komt.
Mevrouw Armut (CDA):
Als ik deze vraag nu nog stel, hoef ik geen tweede termijn te doen.
De voorzitter:
Kijk, u bent met mij aan het onderhandelen.
Mevrouw Armut (CDA):
Ja. Dank voor het antwoord. Ik kom nog even terug op de overlap. Kan ik
er dan wel van uitgaan dat dit wordt meegenomen in de evaluatie die nog
gaat komen? Als dit toch mis blijkt te gaan, willen we dit wel op tijd
weten.
Minister Letschert:
Jazeker.
De voorzitter:
Dat betekent dat mevrouw Armut geen tweede termijn nodig heeft!
Ik dank de minister voor haar eerste termijn. Wij gaan verder met de
tweede termijn van de Kamer. Mevrouw Tseggai van de fractie
GroenLinks-PvdA is als eerste aan het woord. Gaat uw gang.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Ik zou allereerst iets willen zeggen over het amendement
over de evaluatie waaraan de minister net refereerde. De minister gaf
aan dat een wetsevaluatie na drie jaar wellicht wat te vroeg zou zijn.
Ik begrijp wat de minister zegt, maar ik ga het amendement toch
handhaven, omdat ik denk dat het belangrijk is dat we bij deze wet op
tijd bij kunnen sturen als dit nodig is. Omdat we nu eenmaal die grote
tekorten op de arbeidsmarkt hebben, wil je niet vijf jaar voorbij laten
gaan zonder deze wet te evalueren. Ik heb dus toch besloten dat
amendement te handhaven.
Ik heb één motie. Ik had meer moties voorbereid, maar de beantwoording
van de minister was zeer bevredigend. Ik kan het dus bij één motie
houden. Die gaat over het betrekken van studenten bij het keuzedelen. De
minister gaf aan dat studenten dit via de studentenraad kunnen doen,
maar het lijkt mij overkoepelend toch goed om de studenten ook bij de
SBB en de MBO Raad te betrekken en hen met zijn drieën minimumeisen op
te laten stellen voor de feitelijke keuzeruimte die een instelling moet
bieden, zodat studenten daadwerkelijk iets te kiezen hebben.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat keuzedelen voor studenten een belangrijk onderdeel van
een mbo-opleiding zijn om te verbreden en te verdiepen;
overwegende dat uit de JOB-monitor blijkt dat slechts 40% van de
studenten positief is over de keuzedelen waaruit zij kunnen kiezen, en
dat de keuzevrijheid in de praktijk in sommige gevallen beperkt blijft
tot slechts een of twee opties;
verzoekt de regering in overleg met de MBO Raad, JOB MBO en de SBB
minimumeisen op te stellen voor de feitelijke keuzeruimte die een
instelling moet bieden, en de Kamer hier voor de begroting van 2027 over
te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Tseggai.
Zij krijgt nr. 11 (36670) (#1).
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Van der Plas die in tweede termijn
namens de BBB-fractie spreekt.
Het is nog een beetje druk achter mij. Het blijft toch een stage, het
Kamerwerk. Gaat uw gang, mevrouw Tseggai. Ik denk dat mevrouw Van der
Plas nog wel heel even wil wachten.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u wel. Dank aan de minister voor de antwoorden en dank aan haar
hardwerkende staf, die hier niet zichtbaar is, maar waarvan we wel weten
dat die altijd hard werkt om samen met de minister een debat goed te
laten verlopen. Misschien zitten daar wel mensen tussen die, toen ze 4
waren, dachten: ik wil politiek adviseur worden! Goed, dat weet ik
natuurlijk niet, maar het zou kunnen. In ieder geval dank aan de
minister en de mensen die haar ondersteunen.
Ik heb één motie en die luidt als volgt.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat mbo-studenten volwaardige studenten zijn die met hun
vakmanschap de ruggengraat van onze samenleving vormen, en die recht
hebben op een volwaardig studentenleven;
verzoekt het kabinet om in gesprek te gaan met mbo-instellingen over hoe
zij het studentenleven voor mbo-studenten beter kunnen faciliteren,
bijvoorbeeld door bij te dragen aan studentenverenigingen en
-activiteiten, en daarbij ook te bespreken of daarbij ondersteuning
nodig is vanuit het ministerie,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.
Zij krijgt nr. 12 (36670) (#2).
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Biekman. Gaat uw gang.
Mevrouw Biekman (D66):
Dank, voorzitter. Dank aan de minister en de ambtenaren voor de
beantwoording.
Voorzitter. Ik kan maar niet vaak genoeg benadrukken hoe belangrijk het
mbo is. Ik vind deze wet echt een goede stap die wordt gezet, omdat er
meer flexibiliteit, ruimte en vertrouwen wordt geboden aan het mbo. Toch
vind ik het belangrijk dat dit niet ten koste gaat van de kwaliteit, het
toezicht en de stem en betrokkenheid van de student. Daarom heb ik de
volgende motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het wetsvoorstel Verbetering aansluiting
beroepsonderwijs-arbeidsmarkt de mogelijkheid schrapt voor
onderwijsteams om gemotiveerd af te wijken van de urennorm met
instemming van de studentenraad;
constaterende dat hiermee ook het instemmingsrecht van de studentenraad
op de invulling van het onderwijsprogramma bij afwijking van de urennorm
vervalt;
overwegende dat de flexibele uren in het onderwijsprogramma nieuwe
mogelijkheden bieden voor innovatief onderwijs, maar dat de kwaliteit
hiervan gebaat is bij betrokkenheid van studenten;
overwegende dat studenten goed in staat zijn om te reflecteren op de
kwaliteit van hun onderwijs en dat hun inbreng waardevol is voor het
toezicht op de invulling van het onderwijsprogramma;
verzoekt de regering in overleg met de mbo-sector te bevorderen dat de
studentenraad een belangrijke rol krijgt bij de invulling van de
flexibele uren in het onderwijsprogramma, en de Kamer te informeren over
de wijze waarop deze betrokkenheid wordt geborgd,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Biekman en Tseggai.
Zij krijgt nr. 13 (36670) (#3).
Dank u wel. Dan kijk ik naar de heer De Beer voor zijn tweede termijn namens de fractie van de VVD.
De heer De Beer (VVD):
Laat ik dat kort doen, voorzitter.
De voorzitter:
Fijn.
De heer De Beer (VVD):
Dank aan de minister voor de vele antwoorden. Volgens mij staan we als
Kamer allemaal redelijk breed achter het wetsvoorstel, maar goed, dat
zal uiteraard blijken bij de stemmingen. Het idee dat we meer
flexibiliteit willen inbouwen in het mbo en daarmee de aansluiting op de
arbeidsmarkt willen vergroten, spreekt ons uiteraard erg aan.
De minister heeft duidelijk aangegeven dat we over de bekostiging nog te
spreken komen. Ik wil in dat kader wijzen op de Kamerbrief die eerder
dit jaar naar de Kamer is gestuurd waarin onderzoeken werden genoemd
vanuit PwC, en op de motie-Rajkowski/Boomsma die in dat kader is
aangenomen.
Wat betreft de arbeidsmarktrelevantie komen we nog te spreken over de
nationale talentstrategie en het mbo-pact.
Ten aanzien van de evaluatie zou ik de minister nog willen vragen om te
reflecteren op de vraag of er wellicht los van een heel formele
evaluatie ook nog alternatieven zijn om tussentijds een peilstok in de
voortgang te steken en te kijken of er bijgestuurd zou kunnen worden wat
betreft de invulling van de flexibele uren.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan zijn we aan het einde gekomen van de tweede termijn van
de Kamer. De minister heeft aangegeven vijf minuten nodig te hebben voor
de appreciatie van de moties. Dan ga ik er ook van uit dat de minister
beide amendementen apprecieert in de tweede termijn. Ik schors voor vijf
minuten.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is nog steeds de Wijziging van de
Wet educatie en beroepsonderwijs en een aantal andere wetten in verband
met het verbeteren van de aansluiting van het beroepsonderwijs op de
arbeidsmarkt. Wij zijn toegekomen aan de appreciatie van de ingediende
moties en de appreciatie van de ingediende amendementen. Volgens mij
waren er ook nog enkele openstaande vragen. Ik geef daartoe de minister
graag het woord. Gaat uw gang.
Minister Letschert:
Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Ik begin met het amendement op stuk
nr. 9, van mevrouw Tseggai, over het verkorten van de evaluatietermijn
van de wet naar drie jaar. Mijn advies is ontraden. In mijn
beantwoording heb ik gezegd dat we er echt rekening mee moeten houden
dat een termijn van minder dan vijf jaar te kort is voor de evaluatie.
Er zal dan in de praktijk nog te weinig ervaring met de wet zijn
opgedaan. Dat is echt een zorg. Ik wil net als mevrouw Tseggai wel goed
de vinger aan de pols houden hoe de flexibele uren in de praktijk worden
ingezet. Ik kan — ik geef hiermee ook antwoord op de vraag van de heer
De Beer — de inspectie vragen om naast het reguliere toezicht dat zij
doet, over drie jaar scherp in beeld te brengen hoe dit uitpakt, zodat
we op dat punt de voortgang eerder in kaart hebben. Ik kan dat vragen —
ik kan het niet opleggen — door bijvoorbeeld te verzoeken om een
themaonderzoek. Ik zeg nu dus "ontraden", maar erken wel uw punt. Maar
dat wil ik adresseren door een inspectieverzoek voor een themaonderzoek
na drie jaar.
De voorzitter:
Daarmee blijft de appreciatie van het amendement op stuk nr. 9 van
mevrouw Tseggai ontraden. Dan gaan we naar het amendement op stuk nr.
10.
Minister Letschert:
Dat is het amendement van de heer Boomsma over zeggenschap van docenten.
Ik steun de inhoudelijke richting die in dit amendement staat.
Tegelijkertijd wil ik niet de verantwoordelijkheid laten versnipperen en
op die manier het integrale gezag dat de besturen hebben over de totale
onderwijskwaliteit binnen hun instellingen diffuser maken. De manier
waarop het nu georganiseerd is, zowel in de cao als in combinatie met de
Onderwijswet … Het was voor mij trouwens een nieuw leerpunt in de
mbo-sector dat de onderwijsteams de mogelijkheid hebben, ook verankerd
in de cao en de Onderwijswet, om zeggenschap te hebben over de
vormgeving van hun onderwijsprogramma. Nog een extra verankering, zoals
de heer Boomsma voorstelt, willen we niet. We willen vasthouden aan het
uitgangspunt dat het bevoegd gezag, dat zijn de besturen, integraal
verantwoordelijk is voor de kwaliteit van het onderwijsprogramma. Uw
amendement doet hier eigenlijk afbreuk aan. Ik ga het dus helaas
ontraden.
Dan ga ik naar de moties.
De voorzitter:
Het amendement-Boomsma op stuk nr. 10 krijgt de appreciatie ontraden.
Gaat u verder met de ingediende moties.
Minister Letschert:
Dan ga ik naar de moties. De motie-Tseggai op stuk nr. 11 verzoekt om in
overleg met de MBO Raad de minimale keuzeruimte te gaan vaststellen.
Deze motie moet ik helaas ook ontraden, want de instellingen moeten echt
zelf de ruimte krijgen. Als we op deze manier landelijke afspraken gaan
voorschrijven, beperken we die ruimte weer. Het verschilt ook echt per
opleiding en per student wat een passende hoeveelheid keuzedelen is om
uit te kiezen. Ik zou echt niet zover willen gaan om dit weer in een
systeem van landelijke afspraken te gieten. Ik zal de motie dus
ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 11 wordt ontraden. Gaat u verder met de motie op
stuk nr. 12.
Minister Letschert:
De motie-Van der Plas op stuk nr. 12 verzoekt om een gesprek met de
mbo-instellingen om het studentenleven te bevorderen. Ik laat deze motie
aan het oordeel van de Kamer, maar ik wil er meteen bij zeggen dat
hierover binnenkort ook een brief uw kant op komt. We zijn hierover
namelijk binnen de Werkagenda mbo echt afspraken aan het maken. Er komt
dus een brief die antwoord geeft op dit punt, maar omdat ik het wel een
charmante motie vind, geef ik die oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 12 krijgt oordeel Kamer. Tot slot de motie op stuk
nr. 13.
Minister Letschert:
De motie op stuk nr. 13 gaat over een belangrijk onderwerp rondom de
studentenraad. Ik vind het enorm belangrijk dat studenten hier een stem
in hebben. Formeel is dat goed geregeld; de instellingen hebben de
wettelijke verplichting om in kwaliteitscyclus het oordeel van de
studenten mee te nemen. Maar ik wil het voorstel in deze motie heel
graag met de MBO Raad bespreken en geef de motie daarom oordeel
Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 13 krijgt oordeel Kamer. Is de minister aan het
einde gekomen van haar termijn, of staan er nog vragen open?
Minister Letschert:
Mevrouw de voorzitter, ik heb nog één punt over de cijfers van de
instromers. Ik zei dat ik cijfers zou geven van zijinstromers. De
definitie van "zijinstromer" as such is echter niet zo scherp als ik
misschien dacht. Wat wij wel kunnen doen, is cijfers geven over de
studenten, met leeftijd, leerweg, of ze eerder een opleiding hebben
gevolgd en de aantallen certificaten. Dat geeft dan ook voldoende
inzicht in de instroom en de aansluiting op de tekortsectoren van de
arbeidsmarkt. Mijn voorstel zou zijn om dat mee te nemen in de
jaarlijkse llo-voortgangsrapportages.
De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee bent u aan het einde gekomen van uw termijn. Die
geeft nog aanleiding tot één vraag van mevrouw Tseggai.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Die gaat over mijn motie. Dank aan de minister voor de beantwoording. Ik
vroeg me af of ik 'm nog iets anders kan opschrijven en of dat nog wat
meer waardering teweegbrengt bij de minister.
De voorzitter:
Dat gaan we niet nu doen. U heeft de tijd om uw motie nog aan te passen
in afstemming. De minister zou daar nu al een suggestie voor kunnen
doen, maar het kan ook later. Ik zie u heel enthousiast knikken, dus dat
wordt een latere afstemming. Zijn er nog andere leden van de Kamer die
iets willen zeggen? Dat is niet het geval. Dan zijn we aan het einde
gekomen van dit debat.
De algemene beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
We gaan stemmen over de ingediende amendementen en moties en over de wet
op 14 april.
Ik wil alle leden van de Kamer van harte bedanken voor hun bevlogen
inzet. Ik wil de minister ook bedanken voor haar bevlogen bijdrage en
beantwoording op de vele gestelde vragen. Ik wil alle mensen van de
ondersteuning ontzettend bedanken voor al het harde werk dat zij toch
elke dag hier weer doen zodat wij ons werk hier goed kunnen doen. Dan
wens ik u allen een hele goede avond, en morgen gezond weer op. Ik sluit
de vergadering.
Sluiting
Sluiting 22.33 uur.
ONGECORRIGEERD STENOGRAM Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden
ontleend. |
|---|