Brief van de tijdelijke commissie Grondrechten en Constitutionele toetsing over een advies op verzoek van de vaste commissie voor Digitale Zaken over EU-voorstel: Verordening Digitale Omnibus COM (2025) 837
Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie
Brief commissie
Nummer: 2026D15669, datum: 2026-04-02, bijgewerkt: 2026-04-02 14:42, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: T.J. Bushoff, voorzitter van de tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing (GroenLinks-PvdA)
- Mede ondertekenaar: Y.C. Kling, griffier
Onderdeel van kamerstukdossier 22112 -4301 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie.
Onderdeel van zaak 2026Z06963:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Digitale Zaken
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-04-02 09:30 ⇒ De tijdelijke commissie besluit het advies vast te stellen. (Besluit)
- 2026-04-02 09:30: Procedurevergadering tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing (Procedurevergadering), tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing
Preview document (🔗 origineel)
22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie
Nr. 4301 BRIEF VAN DE TIJDELIJKE COMMISSIE GRONDRECHTEN EN CONSTITUTIONELE TOETSING
Aan de Leden
Den Haag, 2 april 2026
De tijdelijke commissie Grondrechten en Constitutionele toetsing
(hierna: de tijdelijke commissie) heeft tijdens haar
procedurevergadering van 5 maart 2026 besloten naar aanleiding van het
verzoek van de vaste commissie voor Digitale Zaken van 25 februari 2026
(2026D08516) een adviestraject te starten over constitutionele en
grondrechtelijke aspecten in het voorstel voor EU-verordening Digitale
Omnibus COM (2025) 837. De vaste commissie voor Digitale Zaken is
hierover geïnformeerd met een brief van 5 maart 2026 (2026D10051). De
vaste commissie voor Digitale Zaken heeft verzocht om in het bijzonder
in te gaan op de grondrechtelijke bescherming van persoonsgegevens, met
specifieke aandacht voor wijzigingen in AVG-grondslagen en artikel 9
AVG, evenals mogelijke andere grondrechtelijke of constitutionele
aandachtspunten die de tijdelijke commissie van belang acht.
Doel en inhoud van de Digitale Omnibus: minder regeldruk en een
betere concurrentiepositie De afgelopen jaren heeft de Europese
digitale regelgeving zich sterk ontwikkeld. Onder meer door de komst van
nieuwe technologieën als AI, de wens om de economische potentie van data
beter te ontsluiten en het streven om de fundamentele rechten van
burgers goed te (blijven) beschermen, zijn er diverse nieuwe regels
bijgekomen. Hierdoor is er een veelomvattend, maar ook complex wettelijk
kader ontstaan. Met de Digitale Omnibus1 wil
de Europese Commissie (de Commissie) regelgeving in het digitale domein
vereenvoudigen. Het achterliggende doel hiervan is om de lasten voor
bedrijven, overheden en burgers te verminderen en het
concurrentievermogen van de Europese Unie (EU) – specifiek in het
digitale domein - te stimuleren, zonder dat dit afbreuk doet aan de
bescherming van fundamentele rechten. De tijdelijke commissie merkt op
dat de Digitale Omnibus hiermee past binnen een breder streven op zowel
Europees als nationaal niveau. Zo wordt onder meer in het
rapport-Draghi2, het rapport-Wennink3 en
in de Kamer4 het belang onderstreept van het
tegengaan van regeldruk en het versterken van de Europese en Nederlandse
concurrentiepositie.
Omdat de Digitale Omnibus bestaat uit een groot aantal - veelal
technische – vereenvoudigingsmaatregelen in diverse Europese
verordeningen en richtlijnen, richt de tijdelijke commissie zich in dit
advies op een aantal specifieke onderdelen van de Digitale Omnibus die
zien op het aanpassen van de Algemene Verordening Gegevensbescherming
(AVG). Het gaat dan bijvoorbeeld om het voorstel om de definitie van
persoonsgegevens te wijzigen, voorstellen voor aanvullende grondslagen
voor de verwerking van (bijzondere) persoonsgegevens voor AI en
voorstellen om de AVG-rechten van burgers te wijzigen. Hiermee sluit de
tijdelijke commissie aan op het verzoek van de vaste commissie voor
Digitale Zaken en richt zij zich op voorstellen met gevolgen voor
fundamentele rechten en beginselen, in het bijzonder het recht op
bescherming van persoonsgegevens en de rechtszekerheid.
Het recht op bescherming van persoonsgegevens en de
rechtszekerheid
Het recht op bescherming van persoonsgegevens is vastgelegd in artikel 8
van het Handvest van de Grondrechten van de EU (het Handvest), artikel 8
van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) en artikel 10
van de Grondwet. In de AVG is het recht op bescherming van
persoonsgegevens nader uitgewerkt. Kort samengevat geldt dat, wanneer er
sprake is van een inmenging in het recht op bescherming van
persoonsgegevens, dit moet worden gebaseerd op een duidelijke wettelijke
grondslag en dat deze inmenging noodzakelijk en proportioneel moet zijn.
De tijdelijke commissie wijst erop dat, wanneer er nieuwe regels voor de
verwerking van persoonsgegevens worden voorgesteld – zoals in de
Digitale Omnibus het geval is – hiervan óók de noodzaak en
proportionaliteit zorgvuldig moeten worden gemotiveerd. Voor bijzondere
persoonsgegevens gelden bovendien strikte regels. Omdat deze gegevens
zien op de wezenlijke kenmerken van iemands identiteit - zoals
informatie over iemands gezondheid, geaardheid, etniciteit of politieke
voorkeur - mogen deze gevoelige gegevens in beginsel niet worden
verwerkt.
De rechtszekerheid is een algemeen rechtsbeginsel waaruit volgt dat het
voor iedereen in redelijke mate voorzienbaar moet zijn wat de
rechtsgevolgen van bepaald gedrag zijn. De rechtszekerheid is hierdoor
een belangrijk element voor het vertrouwen in het rechtssysteem.5 De tijdelijke commissie onderstreept
dat de rechtszekerheid hierdoor ook van invloed is op het
ondernemingsklimaat en de concurrentiepositie. Wanneer regelgeving
duidelijk, voorspelbaar en uitvoerbaar is, hebben zowel burgers als
ondernemers hier immers baat bij.6
De Europese wetgevingsprocedure en het advies van de tijdelijke
commissie
De Digitale Omnibus is een Europees voorstel. Dat betekent dat niet de
nationale, maar de Europese wetgevingsprocedure hierop van toepassing
is. De tijdelijke commissie merkt in dit verband op dat de Europese
wetgevingsprocedure ten tijde van de vaststelling van dit advies nog
gaande is. De Commissie heeft het voorstel voor een Digitale Omnibus
gepubliceerd, maar de posities van de Raad of het Europees Parlement
(EP) zijn nog niet bekend. De triloog, waarin de Commissie, Raad en het
EP onderhandelen over de uiteindelijke wettekst, is ten tijde van dit
advies dan ook nog niet van start gegaan. Waar de tijdelijke commissie
in dit advies adviseert om bepaalde informatie op te vragen bij de
Commissie, geldt dat de leden van de vaste commissie voor Digitale Zaken
dit gedurende de Europese wetgevingsprocedure op verschillende manieren
kunnen doen. Naast een verzoek aan het kabinet om de desbetreffende
informatie bij de Commissie op te vragen, kan de Kamer dergelijke
verzoeken ook rechtstreeks tot de Commissie richten via een politieke
dialoog.7
A. De motivering van de voorgestelde wijzigingen van de
AVG
De AVG is in het leven is geroepen voor twee doelen. Naast het stellen
van regels over de bescherming van persoonsgegevens heeft de AVG ook als
doel om het vrij verkeer van persoonsgegevens binnen de EU te
stimuleren, om zo de (digitale) economie en de Europese interne markt te
versterken.8 De voorstellen tot wijziging van de
AVG in de Digitale Omnibus passen volgens de Commissie binnen deze
doelen en zijn louter technisch van aard. De voorstellen
bevatten volgens de Commissie namelijk geen beleidsmatige wijzigingen,
maar dienen alleen ter verlaging van de regeldruk en het versterken van
de Europese concurrentiepositie. De tijdelijke commissie merkt op dat
deze redenering gevolgen heeft voor de motivering van de Digitale
Omnibus: bij technische voorstellen wordt namelijk geen impact
assessment uitgevoerd.
In dit licht signaleert de tijdelijke commissie dat de voorstellen tot
wijziging van de AVG verder lijken te gaan dan louter technische
wijzigingen. Dit geldt bijvoorbeeld voor het voorstel om de definitie
van persoonsgegevens aan te passen, of het voorstel om meer ruimte te
geven aan de verwerking van (bijzondere) persoonsgegevens voor AI.9 Ook het samenwerkingsverband van
Europese privacytoezichthouders – de European Data Protection Board
(EDPB) – wijst er in haar advies aan de Commissie op dat de Digitale
Omnibus verder strekt dan louter technische wijzigingen.10
Het kabinet stelt zich eveneens op dit standpunt en uit serieuze zorgen
bij fundamentele wijzigingen van de AVG die het niveau van
gegevensbescherming wezenlijk verminderen, zonder dat er sprake is van
een effectieve bijdrage aan het verlagen van regeldruk.11
De tijdelijke commissie benadrukt dat een impact assessment relevante
informatie bevat voor het motiveren van de noodzaak en proportionaliteit
van voorstellen die raken aan grondrechten. Het doel van de Digitale
Omnibus is immers het vereenvoudigen en verduidelijken van de huidige
regels – in het bijzonder voor het midden- en kleinbedrijf (MKB) –
zonder afbreuk te willen doen aan de bescherming van persoonsgegevens.12 De voorgestelde wijzigingen van de
AVG raken hierdoor onder meer aan het recht op bescherming van
persoonsgegevens en aan de rechtszekerheid. In dit verband wijst de
tijdelijke commissie erop dat uit de richtlijnen van de Commissie volgt
dat juist aan deze twee aspecten – de gevolgen voor het MKB en de
gevolgen voor grondrechten – in een impact assessment bijzondere
aandacht zou zijn besteed.13 Voor een zorgvuldige
beoordeling van de voorstellen tot wijziging van de AVG zou het van
toegevoegde waarde zijn om deze informatie alsnog te krijgen.
De tijdelijke commissie adviseert de vaste commissie voor
Digitale Zaken om – bij het ontbreken van een impact assessment – het
kabinet te vragen de Europese Commissie te verzoeken om een nadere
motivering van de noodzaak en proportionaliteit van de onderdelen van de
Digitale Omnibus die zien op het wijzigen van de AVG.
De tijdelijke commissie adviseert om te verzoeken of in deze
nadere motivering in ieder geval kan worden ingegaan op twee
deelonderwerpen waaraan volgens de richtsnoeren van de Europese
Commissie in een impact assessment bijzondere aandacht zou zijn
besteed:
de verwachte gevolgen voor MKB’ers, in het bijzonder ten aanzien van het beoogde doel om meer rechtszekerheid te bieden;
de verwachte impact op grondrechten, in het bijzonder ten aanzien van het recht op bescherming van persoonsgegevens.
B. Wijziging van de definitie van “persoonsgegevens” (artikel 4, onderdeel 1 van de AVG)
De Digitale Omnibus bevat een voorstel om de definitie van
persoonsgegevens in de AVG aan te passen. Het betreft volgens de
Commissie een technische wijziging om de wettekst - met het oog op de
rechtszekerheid - in lijn te brengen met een recente uitspraak van het
Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU).14
Kort samengevat, wordt voorgesteld om aan de definitie van
persoonsgegevens toe te voegen dat gegevens die voor de ene entiteit
wel persoonsgegevens zijn, niet noodzakelijkerwijs ook
persoonsgegevens voor een andere entiteit hoeven te zijn.15
De tijdelijke commissie merkt op dat de definitie van persoonsgegevens
van fundamenteel belang is omdat deze bepaalt of de AVG – en alle
rechten en plichten die daarin zijn opgenomen - van toepassing is. Een
wijziging van deze definitie heeft hierdoor gevolgen voor de reikwijdte
van het recht op bescherming van persoonsgegevens en de rechten die
burgers op basis van de AVG hebben.16 Een onderbouwing van
de noodzaak en proportionaliteit van de voorgestelde definitiewijziging
in relatie tot de bescherming van persoonsgegevens op grond van artikel
8 van het Handvest is hierdoor onontbeerlijk om de voorstellen van de
Commissie zorgvuldig te kunnen wegen. Op dit moment ontbreekt een
dergelijke onderbouwing.
De tijdelijke commissie signaleert dat de voorgestelde wijziging
bovendien verder lijkt te gaan dan enkel een (technische) codificatie
van jurisprudentie. Ook het kabinet wijst hierop.17
De EDPB merkt in dit verband op dat de nieuwe definitie van
persoonsgegevens in de praktijk juist tot minder rechtszekerheid en een
verminderde bescherming van persoonsgegevens kan leiden. Zo wijst de
EDPB erop dat de Commissie ervoor kiest om één specifieke uitspraak van
het HvJ-EU te codificeren, zonder daarbij in te gaan op de specifieke
context van die uitspraak of op andere relevante jurisprudentie. Ook
bestaat volgens de EDPB het risico dat organisaties aan de hand van de
nieuwe definitie van persoonsgegevens voortaan een kunstmatig
onderscheid kunnen aanbrengen in verschillende soorten informatie.
Hierdoor kan informatie buiten de definitie van persoonsgegevens – en
daarmee buiten de reikwijdte van de AVG - worden gehouden. Voor burgers
heeft dit gevolgen voor hun recht op bescherming van persoonsgegevens
omdat zij in dat geval hun AVG-rechten verliezen, zoals het recht op
inzage of verwijdering. Ook vanuit ondernemerszijde wordt opgemerkt dat
– hoewel de definitiewijziging van persoonsgegevens wordt verwelkomd –
de voorgestelde wettekst met oog op de rechtszekerheid enige
verduidelijking behoeft.18
In dit licht merkt de tijdelijke commissie op dat uit de door de
Commissie aangehaalde jurisprudentie inderdaad volgt dat informatie
niet als een persoonsgegeven hoeft te gelden wanneer de
desbetreffende houder van die informatie zelf niet over de middelen
beschikt om de informatie te relateren aan een identificeerbare persoon,
maar dat uit andere jurisprudentie volgt dat dit soms ook wel
het geval kan zijn.19 Hoewel de Commissie met het
voorstel beoogt meer rechtszekerheid te bieden, is het – door de keuze
om een specifieke uitspraak te codificeren - de vraag of de nieuwe
definitie van persoonsgegevens in de praktijk daadwerkelijk tot meer
duidelijkheid zal leiden.
De tijdelijke commissie merkt tot slot op dat de voorgestelde
definitiewijziging bovendien een aantal aanvullende vragen oproept. Zo
bevat de AVG regels voor situaties waarin persoonsgegevens worden
gedeeld door verschillende organisaties20
of worden doorgezet naar een andere organisatie binnen of buiten de
Europese Unie.21 De tijdelijke commissie merkt op
dat in de toelichting bij de Digitale Omnibus niet wordt uitgelegd hoe
de nieuwe definitie van persoonsgegevens doorwerkt in dergelijke
situaties. Hierdoor bestaat de mogelijkheid dat informatie binnen de ene
organisatie wel als persoonsgegeven wordt beschouwd en in de andere
organisatie niet. Evenmin wordt uitgelegd op welke manier de
definitiewijziging doorwerkt in andere (Europese) regelgeving die
verwerking van persoonsgegevens mogelijk maakt. Dit geldt bijvoorbeeld
op het terrein van politie, justitie en grensbewaking.22
En hoewel er in de toelichting bij het Omnibusvoorstel wordt ingegaan op
het bieden van meer duidelijkheid aan ondernemers, wordt niet
gereflecteerd op de mogelijke gevolgen van de definitiewijziging voor de
publieke sector. Wanneer de Kamer meer inzicht zou hebben in deze
punten, wordt het beter mogelijk om de gevolgen van de voorgestelde
definitiewijziging te kunnen beoordelen.
De tijdelijke commissie adviseert de vaste commissie voor
Digitale Zaken om het kabinet te vragen de Europese Commissie te
verzoeken om een onderbouwing van de noodzaak en proportionaliteit van
de voorgestelde definitiewijziging van persoonsgegevens in het licht van
het recht op bescherming van persoonsgegevens. De tijdelijke commissie
adviseert om hierbij ook aandacht te vragen voor de doorwerking van deze
definitiewijziging in de publieke sector en in andere Europese
regelgeving op basis waarvan persoonsgegevens worden
verwerkt.
Met het oog op de rechtszekerheid adviseert de tijdelijke
commissie daarnaast om de Europese Commissie te vragen om – in
aanvulling op de jurisprudentie waarop de voorgestelde
definitiewijziging is gebaseerd – ook in te gaan op andere relevante
Europese jurisprudentie waarin uitleg wordt gegeven aan de definitie van
persoonsgegevens.
C. Uitvoeringshandelingen van de Europese Commissie over
pseudonieme gegevens (nieuw artikel 41bis van de AVG)
De Digitale Omnibus bevat een nieuwe delegatiemogelijkheid voor de
Commissie om uitvoeringshandelingen vast te stellen. In deze
uitvoeringshandelingen kunnen middelen en criteria worden vastgesteld om
te bepalen wanneer gegevens zodanig zijn gepseudonimiseerd dat zij geen
persoonsgegevens meer zijn. Het doel hiervan is het bieden van meer
rechtszekerheid: omdat er verschillende technieken bestaan om gegevens
te pseudonimiseren, is het voor bedrijven belangrijk om (meer) zekerheid
te hebben over wanneer gegevens zodanig zijn gepseudonimiseerd dat zij
niet meer kwalificeren als persoonsgegeven.23
Met name innovatieve start-ups en het MKB zijn hierbij volgens de
Commissie gebaat.
In dit verband wijst de tijdelijke commissie erop dat uit de
voorgestelde wettekst volgt dat de middelen en criteria die in de
uitvoeringshandeling worden vastgesteld een element zijn om aan
te tonen dat gegevens niet kunnen leiden tot heridentificatie van
personen.24 In de begeleidende stukken bij de
Digitale Omnibus wordt echter niet toegelicht welke andere elementen
hierbij volgens de Commissie een rol spelen en hoe deze verschillende
elementen zich in de praktijk tot elkaar verhouden. Met het oog op het
doel van het voorstel – het bieden van meer rechtszekerheid aan met name
start-ups en het MKB – merkt de tijdelijke commissie op dat het van
toegevoegde waarde zou zijn om meer inzicht te krijgen in de beoogde
praktische impact van de uitvoeringshandelingen.
Wat betreft de keuze voor uitvoeringshandelingen, merkt de tijdelijke
commissie op dat uit artikel 291 van het Verdrag betreffende de werking
van de Europese Unie (VWEU) volgt dat uitvoeringshandelingen bedoeld
zijn om administratieve of technische maatregelen te treffen die nodig
zijn voor een uniforme uitvoering van Europese regelgeving. De
voorgestelde uitvoeringshandelingen over het pseudonimiseren van
persoonsgegevens lijken verder te gaan dan dit. Wanneer gegevens niet
meer herleidbaar zijn, gelden zij immers niet meer als persoonsgegeven.
Dit betekent dat de nieuwe uitvoeringshandelingen raken aan het
toepassingsbereik van de AVG en - daarmee in samenhang - aan het recht
op bescherming van persoonsgegevens. De tijdelijke commissie wijst er in
dit verband op dat nationale parlementen bij de vaststelling van
uitvoeringshandelingen door de Commissie minder controlemogelijkheden
hebben dan het geval zou zijn bij een gewone Europese
wetgevingsprocedure. Ook de EDPB en het kabinet stellen dat een
uitvoeringshandeling niet het juiste instrument lijkt te zijn om regels
te stellen over pseudonimisering, waarbij het kabinet bovendien wijst op
het risico van politieke besluitvorming door de Commissie op een terrein
waar dit niet voor de hand ligt.
De tijdelijke commissie adviseert de vaste commissie voor
Digitale Zaken om het kabinet te vragen om de Europese Commissie te
verzoeken om een nadere motivering waarom een uitvoeringshandeling over
het pseudonimiseren van persoonsgegevens in dit geval het passende
instrument wordt geacht in het licht van artikel 291 van het Verdrag
betreffende de Werking van de EU, en om daarbij in te gaan op de
mogelijke impact van deze uitvoeringshandeling op het toepassingsbereik
van de AVG.
Met het oog op de rechtszekerheid adviseert de tijdelijke
commissie ook te verzoeken om een verduidelijking van de beoogde
praktische impact van de uitvoeringshandeling over het pseudonimiseren
van persoonsgegevens, nu ook andere elementen hierbij volgens het
voorstel een rol spelen.
D. Een “gerechtvaardigd belang” als grondslag voor de verwerking
van persoonsgegevens voor de ontwikkeling en exploitatie van AI (nieuw
artikel 88 quater van de AVG)
De Digitale Omnibus bevat een voorstel om in de AVG te verduidelijken
dat de verwerking van persoonsgegevens voor de ontwikkeling en
exploitatie van AI kan gelden als een gerechtvaardigd belang
voor bedrijven en organisaties. Een gerechtvaardigd belang is één van de
bestaande grondslagen in de AVG op basis waarvan persoonsgegevens kunnen
worden verwerkt.25 Burgers krijgen op hun beurt een
onvoorwaardelijk recht om bezwaar te maken tegen de verwerking
van hun persoonsgegevens op basis van dit gerechtvaardigde belang. Met
dit voorstel beoogt de Commissie meer duidelijkheid te bieden aan
bedrijven en de ontwikkeling en het gebruik van AI te stimuleren.26
De tijdelijke commissie merkt in algemene zin op dat de Commissie met
dit voorstel lijkt af te wijken van de techniekneutrale en
risicogestuurde benadering waarop de AVG is gebaseerd. Uit deze
benadering volgt dat niet de gebruikte techniek bepalend is voor de
vraag aan welke wettelijke waarborgen een gegevensverwerking moet
voldoen, maar de vraag in hoeverre die verwerking een risico voor de
rechten van burgers oplevert. Naarmate die risico’s groter zijn, gelden
strikere voorwaarden. Hoewel de Europese wetgever ervoor kan kiezen om
af te wijken van deze uitgangspunten, zou een dergelijke keuze volgens
de tijdelijke commissie zorgvuldig moeten worden onderbouwd. In dit
geval lijkt de Commissie meer ruimte te willen bieden aan het gebruik
van persoonsgegevens voor AI. Een onderbouwing van de noodzaak en
proportionaliteit van dit voorstel - waaronder de vraag of er minder
ingrijpende alternatieve beleidsopties voorhanden zijn zoals het vragen
om toestemming - ontbreekt echter.27 Ook kan de vraag
worden opgeworpen of de verwerking van persoonsgegevens voor de
ontwikkeling en exploitatie van AI in de praktijk wellicht niet meer
risico’s voor de rechten van burgers met zich brengt dan andere
technologieën. In dit kader wijst de tijdelijke commissie erop dat het
in de praktijk kan gaan om de verwerking van grote hoeveelheden
persoonsgegevens - waaronder foto’s, social media posts en stemopnamen
van burgers28 - en dat het complex kan zijn om
eenmaal verwerkte gegevens weer uit een AI-systeem te verwijderen
wanneer hiertegen bezwaar wordt gemaakt.29
Wat betreft de beoogde doelen – het bieden van meer duidelijkheid aan
bedrijven en het stimuleren van de ontwikkeling en het gebruik van AI –
merkt de tijdelijke commissie op dat het van toegevoegde waarde zou zijn
om meer informatie te hebben over de concrete manier waarop het voorstel
in de praktijk aan deze doelen tegemoet komt.
In dit verband wijst de tijdelijke commissie er ten eerste op dat de AVG
ook nu al de mogelijkheid biedt om met een beroep op een gerechtvaardigd
belang persoonsgegevens te verwerken voor de ontwikkeling en exploitatie
van AI.30 Hiervoor moet aan drie cumulatieve
voorwaarden worden voldaan: ten eerste moet worden aangetoond dat er
sprake is van een gerechtvaardigd belang, ten tweede moet
worden beargumenteerd dat de verwerking van persoonsgegevens
noodzakelijk is voor de verwezenlijking van dat
gerechtvaardigde belang en ten derde moet er een
belangenafweging worden uitgevoerd, om te kijken of de rechten
van burgers niet zwaarder wegen dan het ingeroepen gerechtvaardigde
belang. Met het huidige voorstel lijkt de Commissie wettelijk te willen
vastleggen dat aan de eerste voorwaarde – het bestaan van een
gerechtvaardigd belang – wordt voldaan wanneer persoonsgegevens worden
verwerkt om een AI-systeem te ontwikkelen of exploiteren. Uit de
voorgestelde wettekst blijkt echter niet duidelijk wat dit betekent voor
de andere twee voorwaarden31, of wat het concrete
(beoogde) effect is van deze wijziging van de AVG. De EDPB stelt in dit
verband dat het voorstel in de praktijk een averechts effect kan hebben
en tot onduidelijkheid en een vermindering van de rechtszekerheid kan
leiden.32 Ook het kabinet stelt dat dit
voorstel verduidelijking behoeft.33 In dit licht wijst de
tijdelijke commissie op het risico dat met deze wetswijziging de
suggestie wordt gewekt dat er meer ruimte bestaat voor de verwerking van
persoonsgegevens voor AI dan het wettelijk kader feitelijk toelaat.34
Ten tweede merkt de tijdelijke commissie op dat uit de toelichting bij
de Digitale Omnibus niet volgt hoe het onvoorwaardelijke recht op
bezwaar in de praktijk moet worden toegepast, of hoe dit zich verhoudt
tot het recht op bezwaar dat de AVG al kent.35
Vanuit het perspectief van burgers kan bijvoorbeeld de vraag worden
gesteld of en hoe zij op de hoogte worden gesteld van de verwerking van
hun persoonsgegevens in het kader van AI, zodat zij in de praktijk
daadwerkelijk bezwaar kunnen maken. Ook de EDPB wijst hierop en
adviseert om in de wettekst op te nemen dat burgers tijdig –
voorafgaand aan de verwerking van hun gegevens – moeten worden
geïnformeerd over hun recht om hiertegen bezwaar te maken. Daarnaast kan
de vraag worden gesteld in hoeverre er in de praktijk daadwerkelijk
uitvoering kan worden gegeven aan de onvoorwaardelijke aard van
dit recht, omdat het technisch complex kan zijn om persoonsgegevens te
verwijderen wanneer zij eenmaal zijn opgenomen in een AI-systeem. Ook
vanuit het bedrijfsleven wordt dit opgemerkt en wordt gewezen op het
risico dat AI-systemen noodgedwongen opnieuw moeten worden getraind
wanneer gegevens worden verwijderd.36
De tijdelijke commissie adviseert de vaste commissie voor
Digitale Zaken om het kabinet te vragen de Europese Commissie te
verzoeken om een nadere onderbouwing van de noodzaak en
proportionaliteit van het voorstel voor een aanvullende grondslag voor
de verwerking van persoonsgegevens voor AI op basis van een
gerechtvaardigd belang. Naast het recht op bescherming van
persoonsgegevens van burgers, adviseert de tijdelijke commissie om - met
het oog op de rechtszekerheid voor ondernemers – daarbij ook in te gaan
op de verhouding van deze aanvullende grondslag tot de bestaande
vereisten in de AVG voor het verwerken van persoonsgegevens op basis van
een gerechtvaardigd belang.
Ook adviseert de tijdelijke commissie om te vragen om een nadere
uitleg van de beoogde praktische toepassing van het voorgestelde
onvoorwaardelijke recht op bezwaar voor burgers, met inbegrip van de
manier waarop burgers worden geïnformeerd over de verwerking van hun
persoonsgegevens zodat zij daadwerkelijk gebruik kunnen maken van dit
recht.
E. Verwerking van bijzondere persoonsgegevens bij de ontwikkeling
en exploitatie van AI (nieuw artikel 9, tweede lid, onder k en vijfde
lid van de AVG)
Naast een grondslag voor de verwerking van “reguliere” persoonsgegevens
voor AI, bevat de Digitale Omnibus ook een nieuwe grondslag voor het
verwerken van bijzondere persoonsgegevens voor AI. Kort
samengevat wordt voorgesteld om in de AVG op te nemen dat voor de
ontwikkeling en exploitatie van AI-systemen bijzondere persoonsgegevens
mogen worden verwerkt, wanneer het verwijderen van die gegevens
onevenredig veel moeite zou vergen. Om deze verwerking van bijzondere
persoonsgegevens tot een minimum te beperken, moeten er aan de voorkant
passende technische en organisatorische maatregelen worden getroffen om
zoveel mogelijk te voorkomen dat er bijzondere persoonsgegevens worden
verzameld. Wanneer er toch bijzondere persoonsgegevens worden
geïdentificeerd en het verwijderen van deze gegevens onevenredig veel
moeite vergt, moeten er bovendien maatregelen worden getroffen.
Bijvoorbeeld om te voorkomen dat de bijzondere persoonsgegevens door het
AI-systeem als resultaat worden getoond. Volgens de Commissie is deze
nieuwe grondslag in de AVG nodig om de ontwikkeling en werking van AI
niet onevenredig te belemmeren. In dit verband wijst de Commissie erop
dat er bij de ontwikkeling van AI grote hoeveelheden gegevens worden
verwerkt, met inbegrip van bijzondere persoonsgegevens.
De tijdelijke commissie merkt op dat er vanwege de gevoelige aard
strikte voorwaarden gelden voor de verwerking van bijzondere
persoonsgegevens.37 Bijzondere persoonsgegevens
bevatten bijvoorbeeld informatie over iemands etnische afkomst,
gezondheid, geaardheid of politieke voorkeur. In het licht van het recht
op bescherming van persoonsgegevens op grond van artikel 8 van het
Handvest moeten de noodzaak en proportionaliteit van dit voorstel daarom
zorgvuldig worden gemotiveerd, waarbij aandacht moet worden besteed aan
de verschillende aanwezige belangen. Uit zowel de wettekst als de
toelichting bij de Digitale Omnibus volgt dat de Commissie economische
belangen in het voorstel heeft meegewogen: zo beoogt het voorstel te
voorkomen dat de ontwikkeling van AI onevenredig wordt belemmerd en dat
organisaties en ondernemingen onevenredige inspanningen moeten
verrichten om de verwerking van bijzondere persoonsgegevens tegen te
gaan. Uit de beschikbare stukken blijkt echter niet duidelijk hoe deze
belangen concreet zijn afgewogen tegen het belang dat burgers hebben bij
de bescherming van hun (bijzondere) persoonsgegevens. De tijdelijke
commissie merkt op dat deze informatie nodig is om de noodzaak en
proportionaliteit van het voorstel van de Commissie zorgvuldig te kunnen
wegen in het licht van artikel 8 van het Handvest.
Een belangrijk element bij het beoordelen van de noodzaak en
proportionaliteit, is de vraag of er in de voorgestelde wettekst
duidelijke randvoorwaarden worden gesteld. Ook het kabinet stelt dat het
bij de verwerking van bijzondere persoonsgegevens extra belangrijk is
dat er goede randvoorwaarden worden gesteld.38
In dit licht wijst de tijdelijke commissie op het advies van de EDPB,
waarin concrete suggesties worden gedaan om de voorwaarden waaronder
bijzondere persoonsgegevens op basis van het voorstel mogen worden
verwerkt, verder te verduidelijken. Zo adviseert de EDPB om te
verduidelijken dat de verwerking van bijzondere persoonsgegevens echt
een uitzondering zou moeten zijn.39 Ook adviseert de EDPB
om in de wettekst vast te leggen dat bijzondere persoonsgegevens die
worden verzameld via prompts - de opdracht die een gebruiker aan een
AI-systeem geeft – niet onder deze nieuwe grondslag vallen. Tot slot
adviseert de EDPB om in de wettekst te expliciteren dat de
desbetreffende bijzondere persoonsgegevens door bedrijven niet voor
andere doeleinden mogen worden verwerkt, en dat bedrijven zorgvuldig
moeten vastleggen waarom het onevenredige moeite zou vergen om
bijzondere persoonsgegevens te verwijderen.
De tijdelijke commissie adviseert de commissie voor Digitale
Zaken om het kabinet te vragen de Europese Commissie te verzoeken om een
nadere motivering van de noodzaak en proportionaliteit van de
voorgestelde nieuwe grondslag voor het verwerken van bijzondere
persoonsgegevens voor de ontwikkeling en exploitatie van AI-systemen, en
daarbij in het bijzonder in te gaan op de vraag hoe het recht op
bescherming van persoonsgegevens van burgers in het voorstel is
meegewogen. Ook adviseert de tijdelijke commissie om hierbij in te gaan
op het advies van de European Data Protection Board om het voorstel op
een aantal punten te verduidelijken en aan te scherpen.
F. Wijziging van AVG-rechten burgers (artikel 12, vijfde lid en
artikel 13, vierde lid van de AVG)
De AVG kent verschillende rechten aan burgers toe, zoals het recht om
persoonsgegevens aan te (laten) passen of te verwijderen. In de Digitale
Omnibus wordt voorgesteld om twee van deze rechten aan te passen: het
inzagerecht en het recht op informatie.
Het inzagerecht regelt dat burgers het recht hebben om uitsluitsel te
krijgen over de vraag of hun persoonsgegevens worden verwerkt en,
wanneer dat het geval is, die gegevens in te zien. De achterliggende
gedachte hiervan is dat burgers op deze manier kunnen controleren of de
verwerking van hun persoonsgegevens juist en rechtmatig is. Om misbruik
te voorkomen, mogen organisaties inzageverzoeken weigeren wanneer deze
kennelijk ongegrond of buitensporig zijn. Ook mogen zij ervoor kiezen in
dergelijke gevallen een vergoeding te vragen. In de Digitale Omnibus
wordt voorgesteld om de bewijslast voor dergelijke situaties te
verlagen, zodat het voor organisaties voortaan voldoende is aan te tonen
dat er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat een verzoek
ongegrond of buitensporig is. Ook wordt voorgesteld dat het inzagerecht
voortaan alleen kan worden gebruikt met het oog op de bescherming van
persoonsgegevens, en niet voor andere doeleinden. Met deze wijzigingen
wil de Commissie misbruik en te ruime of ongedifferentieerde
inzageverzoeken tegengaan.40 Het achterliggende
doel hiervan is het verminderen van uitvoeringslasten en het bieden van
meer duidelijkheid aan organisaties.41
Uit het recht op informatie volgt dat organisaties burgers bij aanvang
van de verwerking van persoonsgegevens informatie moeten verschaffen
over bijvoorbeeld het doel waarvoor die gegevensverwerking
plaatsvindt.42 In de praktijk wordt deze
informatie meestal verschaft via een algemene privacyverklaring. De AVG
regelt momenteel dat deze informatie niet hoeft te worden gegeven
wanneer een burger hier al over beschikt. In de Digitale Omnibus wordt
voorgesteld om nader invulling te geven aan deze uitzondering. Zo worden
er twee situaties toegevoegd waarin de desbetreffende informatie niet
hoeft te worden verstrekt: wanneer er sprake is van een duidelijke
en afgebakende relatie tussen de burger en de organisatie die de
persoonsgegevens verwerkt en wanneer het gaat om een
niet-gegevensintensieve activiteit. Op deze situaties zijn
vervolgens uitzonderingen mogelijk, waarin er wél informatie moet worden
verschaft. Het gaat dan bijvoorbeeld om de situatie waarin gegevens
worden gedeeld met een andere organisatie, of wanneer gegevens buiten de
EU worden gedeeld of opgeslagen. Het achterliggende doel van deze
wijziging is verduidelijking en lastenverlichting, in het bijzonder voor
eenmanszaken en sportclubs.43
De tijdelijke commissie merkt op dat de AVG-rechten burgers helpen bij
het houden van de regie over de verwerking van hun persoonsgegevens.
Hoewel aanpassing van deze rechten een legitiem doel kan dienen – zoals
het tegengaan van misbruik, het bieden van verduidelijking en het
verminderen van de regeldruk - moeten deze wijzigingen zorgvuldig worden
onderbouwd, in het bijzonder in het licht van het recht op bescherming
van persoonsgegevens in artikel 8 van het Handvest.
Wat betreft de aanpassing van het inzagerecht wijst de tijdelijke
commissie erop dat informatie ontbreekt over de vraag in hoeverre er in
de praktijk misbruik wordt gemaakt van dit recht, waardoor aanscherping
van het wettelijk kader noodzakelijk is. Hierbij kan worden opgemerkt
dat het voor burgers in de praktijk complex kan zijn om een duidelijk
afgebakend inzageverzoek te doen, wanneer zij op voorhand niet weten of
en welke persoonsgegevens er precies worden verwerkt.44
Ook merkt de tijdelijke commissie op dat het inzagerecht momenteel ook
voor andere doeleinden kan worden gebruikt dan de bescherming van
persoonsgegevens, zoals voor journalistieke doeleinden. In dit kader
wijst de tijdelijke commissie op het advies van de EDPB, waarin uiteen
wordt gezet dat de voorgestelde beperking van het inzagerecht tot enkel
het doeleinde van bescherming van persoonsgegevens op gespannen voet
staat met artikel 1 van de AVG en jurisprudentie van het HvJ-EU.45 Hieruit volgt dat inzageverzoeken
ook mogen worden gedaan ter invulling van andere (fundamentele) rechten
en vrijheden.
Wat betreft het recht op informatie merkt de tijdelijke commissie op dat
de voorgestelde wettekst tot een vrij complexe regeling leidt, terwijl
het doel ervan is om de regels (juist) voor kleine ondernemingen en
sportclubs te versimpelen. In dit licht wijst de tijdelijke commissie op
het advies van de EDPB, waarin wordt voorgesteld om het voorstel op een
aantal punten te verduidelijken, om zo te voorkomen dat er uiteenlopende
interpretaties ontstaan en ervoor te zorgen dat het voorstel
daadwerkelijk tot lastenverlichting leidt. Het gaat dan bijvoorbeeld om
een uitleg van wat concreet moet worden verstaan onder een
duidelijke en afgebakende relatie of een
niet-gegevensintensieve activiteit.
Tot slot merkt de tijdelijke commissie op dat het – vanuit het
perspectief van het recht op bescherming van persoonsgegevens van
burgers – van toegevoegde waarde zou zijn om meer inzicht te hebben in
de verwachte cumulatieve impact van de voorgestelde aanpassing
van het inzagerecht en het recht op informatie. Op die manier kan beter
worden ingeschat of de wijziging van de informatievoorziening enerzijds
en de wijziging van het inzagerecht anderzijds in de praktijk geen
onvoorziene of onevenredige gevolgen heeft voor burgers.
De tijdelijke commissie adviseert de vaste commissie voor
Digitale Zaken om het kabinet te vragen de Europese Commissie te
verzoeken inzicht te geven in hoeverre er in de praktijk sprake is van
misbruik van het inzagerecht waardoor wijziging noodzakelijk is. Daarbij
adviseert de tijdelijke commissie om te vragen om een reflectie op de
verwachte impact van de beperking van het inzagerecht op de uitoefening
van andere fundamentele rechten en vrijheden, zoals het gebruik van het
inzagerecht voor journalistieke doeleinden.
Met het oog op de rechtszekerheid – met name voor MKB’ers -
adviseert de tijdelijke commissie daarnaast te verzoeken of de
voorgestelde wijziging van het recht op informatie kan worden
verduidelijkt.
Ook adviseert de tijdelijke commissie te verzoeken inzicht te
geven in de verwachte cumulatieve impact van de voorgestelde wijziging
van het inzagerecht en het recht op informatie op het recht op
bescherming van persoonsgegevens van burgers.
De hiervoor genoemde punten kunnen betrokken worden bij de verdere
behandeling van het voorstel.
De voorzitter van de tijdelijke commissie Grondrechten en
Constitutionele toetsing,
Bushoff
De griffier van de tijdelijke commissie Grondrechten en Constitutionele
toetsing,
Kling
Voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging tot wijziging van Verordeningen (EU) 2016/679, (EU) 2018/1724, (EU) 2018/1725 en (EU) 2023/2854 en Richtlijnen 2002/58/EC, (EU) 2022/2555 en (EU) 2022/2557 wat betreft de vereenvoudiging van het digitale wetgevingskader en tot intrekking van de Verordeningen (EU) 2018/1807, (EU) 2019/1150, (EU) 2022/868 en Richtlijn (EU) 2019/1024 (digitale omnibus)↩︎
Zie in dit kader het rapport-Draghi (Draghi, M. (2024), “The future of European competitiveness”), alsmede het rapport-Letta (Letta, E. (2024), “Much more than a market”).↩︎
Rapport-Wennink, “De route naar toekomstige welvaart. Een sterk Nederland in een sterk Europa” (12 december 2025).↩︎
Zie in dit kader onder meer de motie-Yesilgöz-Zegerius en Bontenbal over het rigoureus aanpakken van de regeldruk. Kamerstukken II 2025-2026 36800, nr. 16.↩︎
Patricia Popelier, Rechtszekerheid als beginsel voor behoorlijke regelgeving, p. 130, 161 en 176.↩︎
Zie in dit kader onder meer de kernindicatoren van het Nederlandse bedrijvenbeleid, zoals bijgehouden door het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat: https://www.bedrijvenbeleidinbeeld.nl/kernindicatoren.↩︎
Gezien de voortgang van de Europese wetgevingsprocedure is een kanttekening bij deze laatste optie dat de Europese Commissie dergelijke verzoeken doorgaans binnen drie maanden beantwoordt.↩︎
Artikel 1 van de AVG.↩︎
De tijdelijke commissie wijst in dit verband ook op een aanbeveling van de Europese Ombudsman, waarin de Commissie wordt opgeroepen een keuze voor een Omnibusvoorstel zorgvuldig te motiveren: Recommendation on the European Commission’s compliance with ‘Better Regulation’ rules and other procedural requirements in preparing legislative proposals that it considered to be urgent (983/2025/MAS - the “Omnibus” case, 2031/2024/VB - the “migration” case, and 1379/2024/MIK - the “CAP” case).↩︎
De EDPB is het samenwerkingsverband van alle nationale privacytoezichthouders uit de Europese lidstaten – waaronder namens Nederland de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) - en de European Data Protection Supervisor (EDPS). De voornaamste taak van de EDPB is ervoor zorgen dat de AVG in de gehele EU op een coherente manier wordt uitgelegd en toegepast, om zo de bescherming van persoonsgegevens te waarborgen, rechtszekerheid te bieden en het vrij verkeer van persoonsgegevens te stimuleren. In dit kader heeft de EDPB onder meer een adviserende rol bij wetgevende voorstellen van de Commissie. De EDPB heeft een dergelijk advies gegeven over de Digitale Omnibus.↩︎
Kamerstukken II 2025-2026, 22112, nr. 4223 (BNC-fiche), p. 6.↩︎
Toelichting bij de Digitale Omnibus, p. 1 en 7.↩︎
European Commission, Better Regulation Guidelines, SWD(2021) 305 final, 3 November 2021, p. 35.↩︎
HvJ-EU 4 september 2025, C-413/23.↩︎
Zo moet er volgens de Commissie worden gekeken of een entiteit kan identificeren op welke persoon de informatie betrekking heeft, waarbij rekening moet worden gehouden met de middelen die deze entiteit hiervoor redelijkerwijs zou kunnen gebruiken. Informatie zou bovendien niet (alsnog) persoonlijk moeten worden voor een entiteit wanneer een potentiële latere ontvanger wél in staat is te identificeren op welke persoon de informatie betrekking heeft.↩︎
De AVG spreekt niet van burgers en bedrijven of organisaties, maar van betrokkenen en verwerkingsverantwoordelijken. Met oog op de toegankelijkheid wordt in dit advies (ook) gesproken van burgers en organisaties of bedrijven.↩︎
Kamerstukken II 2025-2026, 22112, nr. 4223 (BNC-fiche), p. 7.↩︎
VNO-NCW en MKB Nederland, Position Paper on Digital Omnibus and Omnibus on AI.↩︎
Zie in dit kader bijvoorbeeld zaak C-319/22 (Gesamtverband Autoteile-Handel), waaruit volgt dat gegevens die op zich onpersoonlijk zijn, een „persoonlijk” karakter verkrijgen wanneer de verwerkingsverantwoordelijke ze ter beschikking stelt aan andere personen die beschikken over middelen waarvan redelijkerwijs te verwachten valt dat de betrokkene daarmee kan worden geïdentificeerd. Ook zaak C-582/14 (Breyer) en zaak C-604/22 (IAB Europe) kunnen in dit kader van belang zijn.↩︎
Zo kan er in dergelijke gevallen sprake zijn van een “gezamenlijke verantwoordelijkheid”.↩︎
Het gaat dan bijvoorbeeld om internationale doorgiften – waarvoor specifieke regels gelden – of om de verhouding tussen een zogenaamde “verantwoordelijke” en een “verwerker”, die in opdracht van de verantwoordelijke persoonsgegevens verwerkt.↩︎
Uit overweging 43 van de Digitale Omnibus wordt in dit verband genoemd dat de Richtlijn voor het verwerken van persoonsgegevens door politie en justitie “zo snel mogelijk” moet worden aangepast in lijn met de wijzigingen die nu worden voorgesteld in de Digitale Omnibus.↩︎
Commission Staff Working Document bij de Digitale Omnibus, par. 1.2.2.2.↩︎
Zie het voorgestelde nieuwe artikel 41bis, derde lid van de AVG in het voorstel voor een Digitale Omnibus.↩︎
Zie artikel 6, eerste lid van de AVG. Andere grondslagen zijn bijvoorbeeld toestemming, of een wettelijke basis.↩︎
Zie overweging 30 bij de Digitale Omnibus en par. 1.2.2.4 van het Commission Staff Working Document.↩︎
Opmerking verdient dat lidstaten op basis van de voorgestelde wettekst de mogelijkheid lijken te hebben om op nationaal niveau wettelijk te regelen dat toestemming voor de verwerking van persoonsgegevens (alsnog) vereist is.↩︎
Meijers Committee Comment on the Digital Omnibus (CM2604), 13 februari 2026, par. 4.↩︎
EDPB-EDPS Joint Opinion 2/2026 On the Proposal for a Regulation as regards the simplification of the digital legislative framework (Digital Omnibus), 10 February 2026, par. 42.↩︎
Dit is ook bevestigd door de EDPB in Opinion 28/2024 On certain data protection aspects related to the processing of personal data in the context of AI models, 17 December 2024, section 3.3.↩︎
Deze voorwaarden volgen uit artikel 6, eerste lid, onder f van de AVG. Zie in dit kader ook overweging 30 en 31 bij het voorstel van de Commissie, waarin wordt onderstreept dat het nieuwe wetsartikel geen afbreuk doet “aan de verplichting om ervoor te zorgen dat aan alle andere voorwaarden van artikel 6, lid 1, punt f , (…) wordt voldaan”↩︎
EDPB-EDPS Joint Opinion 2/2026 On the Proposal for a Regulation as regards the simplification of the digital legislative framework (Digital Omnibus), 10 February 2026, par. 41.↩︎
Zo roept het kabinet de vraag op of er op basis van het voorstel van de Commissie nog een noodzakelijkheidstoets moet worden uitgevoerd. Zie: Kamerstukken II 2025-2026, 22112, nr. 4223 (BNC-fiche), p. 7.↩︎
Zie in dit kader Meijers Committee Comment on the Digital Omnibus (CM2604), 13 februari 2026, par. 4 en het Position Paper van de AP over de Omnibus Digitaal en de Omnibus AI, p. 4.↩︎
Het gaat dan om artikel 21 van de AVG.↩︎
VNO-NCW en MKB Nederland, Position Paper Digital Omnibus and Omnibus on AI.↩︎
Zie in dit kader artikel 9 van de AVG.↩︎
Kamerstukken II 2025-2026, 22112, nr. 4223 (BNC-fiche), p. 7.↩︎
Zo zou het alleen moeten gaan om bijzondere persoonsgegevens die “incidenteel en residueel” aanwezig zijn in datasets nadat aan de voorkant passende maatregelen zijn genomen om verzameling zoveel mogelijk te voorkomen, en het onevenredige inspanningen zou kosten om die gegevens alsnog te verwijderen. Dit volgt volgens de EDPB weliswaar uit de overwegingen bij de Digitale Omnibus, maar is niet opgenomen in de wettekst zelf.↩︎
Zie in dit kader overweging 35 bij de Digitale Omnibus.↩︎
Commissie Staff Working Document bij de Digitale Omnibus, par. 1.2.2.5.↩︎
De AVG spreekt in dit geval van de plicht die rust op organisaties om bepaalde informatie te verstrekken.↩︎
Commissie Staff Working Document bij de Digitale Omnibus, par. 1.2.2.6.↩︎
Meijers Committee Comment on the Digital Omnibus (CM2604), 13 februari 2026, par. 4.↩︎
Hieruit volgt dat inzageverzoeken ook mogen worden gedaan ter invulling van andere (fundamentele) rechten en vrijheden. C-307/22, par. 38 en 43.↩︎