Voorstel van wet
Wijziging van de Wet op het kindgebonden budget en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met het verhogen van het afbouwpercentage voor ouders met een toetsingsinkomen vanaf € 60.000
Voorstel van wet
Nummer: 2026D15774, datum: 2026-04-01, bijgewerkt: 2026-04-02 19:12, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van kamerstukdossier 36923 -2 Wijziging van de Wet op het kindgebonden budget en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met het verhogen van het afbouwpercentage voor ouders met een toetsingsinkomen vanaf € 60.000 .
Onderdeel van zaak 2026Z06992:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- 2026-04-21 16:30: Procedurevergadering Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Procedurevergadering), vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Preview document (🔗 origineel)
Wijziging van de Wet op het kindgebonden budget en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met het verhogen van het afbouwpercentage voor ouders met een toetsingsinkomen vanaf € 60.000 [KetenID WGK027764]
VOORSTEL VAN WET
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om het kindgebonden budget toe te kennen aan ouders die de financiële ondersteuning het meest nodig hebben en de algemene middelen efficiënt te besteden door het afbouwpercentage voor het kindgebonden budget te verhogen voor ouders vanaf een toetsingsinkomen van € 60.000;
Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
ARTIKEL I. WIJZIGING VAN DE WET OP HET KINDGEBONDEN BUDGET
De Wet op het kindgebonden budget wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het tweede lid komt te luiden:
2. Het kindgebonden budget bedraagt voor een berekeningsjaar € 2.511 per kind op basis van het jaar 2025.
2. In het twaalfde lid wordt “tweede lid, onderdeel a” vervangen door “tweede lid”.
B
Na artikel 2 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 2a. Extra afbouwpercentage hogere inkomens
Van het deel van het toetsingsinkomen of het gezamenlijke toetsingsinkomen dat hoger is dan € 60.000, op basis van het prijspeil van 1 januari 2024, wordt 4,30% berekend. De uitkomst van die berekening wordt in mindering gebracht op het bedrag waar de ouder of de ouder en diens partner na de toepassing van artikel 2, zevende of achtste lid, recht op hebben.
C
Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt na “achtste lid,” ingevoegd “2a”.
2. In het derde lid wordt na “achtste lid” toegevoegd “en 2a”.
3. Het zevende lid, aanhef, komt te luiden:
Met ingang van de hieronder genoemde data wordt het bedrag, bedoeld in artikel 2, tweede lid, telkens als volgt verhoogd, waarbij het gewijzigde bedrag in de plaats treedt van dat bedrag en het gewijzigde bedrag door of namens Onze Minister wordt medegedeeld in de Staatscourant:
ARTIKEL II. INDEXERING EN VERHOGING BEDRAGEN
1. Het bedrag, genoemd in artikel I, onderdeel A, onder 1, wordt met ingang van de datum waarop deze wet in werking treedt gewijzigd overeenkomstig artikel 3 van de Wet op het kindgebonden budget, waarbij de zinsnede “op basis van het jaar 2025” vervalt.
2. Het bedrag, genoemd in artikel I, onderdeel B, wordt met ingang van de datum waarop deze wet in werking treedt gewijzigd overeenkomstig artikel 3, eerste tot en met vierde lid, van de Wet op het kindgebonden budget, waarbij de zinsnede “, op basis van het prijspeil van 1 januari 2024,” vervalt.
3. Dit artikel vervalt met ingang van de dag na de datum van inwerkingtreding.
ARTIKEL III. WIJZIGING VAN HET WETBOEK VAN BURGERLIJKE RECHTSVORDERING
Artikel 475da, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel b wordt “(((C – D)/12) x K)” vervangen door “((C, of als dat minder is M) -D)/12 x K + ((C-M) /12 x (K+N), of als dat hoger is 0)”.
2. In onderdeel d wordt “(((C – (D + L)) / 12) x K)” vervangen door “((C, of als dat minder is M) – (D +L))/12 x K + ((C-M) /12 x (K+N), of als dat hoger is 0)”.
3. Onder vervanging van de punt aan het slot van de beschrijving van L door een puntkomma worden twee beschrijvingen toegevoegd, luidende:
M voor het extra afbouwpunt in het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 2a van de Wet op het kindgebonden budget;
N voor het percentage, genoemd in artikel 2a van de Wet op het kindgebonden budget.
ARTIKEL IV. INWERKINGTREDING
Deze wet treedt in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
De Minister van Werk en Participatie, A.A. Aartsen |
|---|