Advies Afdeling advisering Raad van State en Nader rapport
Wijziging van de Wet op het kindgebonden budget en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met het verhogen van het afbouwpercentage voor ouders met een toetsingsinkomen vanaf € 60.000
Advies Afdeling advisering Raad van State en Nader rapport
Nummer: 2026D15788, datum: 2026-04-01, bijgewerkt: 2026-04-02 19:13, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: Th.C. de Graaf, vicepresident van de Raad van State
- Mede ondertekenaar: A.A. Aartsen, minister van Werk en Participatie (Ooit VVD kamerlid)
Onderdeel van kamerstukdossier 36923 -4 Wijziging van de Wet op het kindgebonden budget en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met het verhogen van het afbouwpercentage voor ouders met een toetsingsinkomen vanaf € 60.000 .
Onderdeel van zaak 2026Z06992:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- 2026-04-21 16:30: Procedurevergadering Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Procedurevergadering), vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Preview document (🔗 origineel)
| Datum | 30 maart 2026 |
|---|---|
| Voorstel van wet | Nader rapport inzake het voorstel van wet, houdende de wijziging van de Wet op het kindgebonden budget en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met het verhogen van het afbouwpercentage voor ouders met een toetsingsinkomen vanaf € 60.000 |
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw Kabinet van 23 december 2025, nr. 2025002951, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 28 januari 2026, nr. W12.25.00377/III, bied ik U hierbij aan.
De tekst van het advies treft u hieronder aan, voorzien van mijn reactie.
Bij Kabinetsmissive van 23 december 2025, no.2025002951, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet op het kindgebonden budget in verband met het verhogen van het afbouwpercentage voor ouders met een toetsingsinkomen vanaf € 60.000, met memorie van toelichting.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen bij het voorstel en adviseert het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen.
Het ontwerp geeft de Afdeling advisering van de Raad van State geen aanleiding tot het maken van inhoudelijke opmerkingen. Zij adviseert het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen.
In het wetsvoorstel dat aan de Raad van State voorgelegd is, zijn de opmerkingen van het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR) verwerkt. Het ATR heeft daarop een aanvullende zienswijze uitgebracht en geconstateerd dat de onderbouwing van het voorstel op alle punten sterk verbeterd is. Het heeft geen aanvullende opmerkingen meer. Dit oordeel is toegevoegd aan de memorie van toelichting. Verder zijn er redactionele wijzigingen aangebracht in het voorgestelde artikel 2a en is in artikel II toegevoegd dat het artikel vervalt met ingang van de dag na de datum van inwerkingtreding.
Als gevolg van het voorgestelde extra afbouwpercentage op het kindgebonden budget zouden ouders met schulden een te laag beslagvrije voet ontvangen als de rekenformule voor deze huishoudens niet zou worden aangepast. Bij gelegenheid van dit nader rapport is het wetsontwerp daarom aangevuld met een wijziging van de formule voor het berekenen van de beslagvrije voet in artikel 475da, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Daarmee wordt geregeld dat de beslagvrije voet wordt opgehoogd met het extra afbouwpercentage in het kindgebonden budget. De formule wordt alleen aangepast voor zover het toetsingsinkomen leidt tot een extra afname van het recht op het kindgebonden budget. Voor huishoudens onder dit toetsingsinkomen wordt de formule niet aangepast.
Deze aanvullingen zijn opgenomen in een nieuw artikel III in het wetsvoorstel en in een nieuwe paragraaf 3 in het algemeen deel van de memorie van toelichting, alsmede in de artikelsgewijze toelichting op artikel III.
Ik verzoek U het hierbij gevoegde voorstel van wet en de memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.
| De Minister van Werk en Participatie, A.A. Aartsen |
|---|