[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Memorie van toelichting

Wijziging van de Wet op het financieel toezicht, Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet handhaving consumentenbescherming en de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek ter implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2225 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten (Implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet)

Memorie van toelichting

Nummer: 2026D15852, datum: 2026-04-01, bijgewerkt: 2026-04-02 19:08, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van kamerstukdossier 36924 -3 Wijziging van de Wet op het financieel toezicht, Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet handhaving consumentenbescherming en de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek ter implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2225 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten (Implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet) .

Onderdeel van zaak 2026Z07028:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


Wijziging van de Wet op het financieel toezicht, Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet handhaving consumentenbescherming en de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek ter implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2225 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten (Implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet)

MEMORIE VAN TOELICHTING

Inhoudsopgave

ALGEMEEN

1. Inleiding

2. Inhoud richtlijn

3. Hoofdlijnen van het voorstel en wijze van implementatie

4. Mate van harmonisatie

5. Verhouding van de richtlijn tot het unierecht en het nationale recht

6. Juridische en overige niet-financiële gevolgen

7. Bedrijfseffecten en financiële gevolgen

8. Uitvoering

9. Toezicht, handhaving en rechtsbescherming

10. Evaluatie

11. Advies en consultatie

12. Advies Autoriteit Persoonsgegevens

13. Overgangsrecht en inwerkingtreding

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

BIJLAGE. TRANSPONERINGSTABEL

ALGEMEEN

§ 1. Inleiding

Dit wetsvoorstel strekt tot implementatie van de herziene richtlijn consumentenkrediet (hierna: de richtlijn).1 Net als Richtlijn 2008/48/EG (hierna: CCDI (Consumer Credit Directive I)) streeft de richtlijn het bevorderen van de totstandkoming van een interne markt voor krediet na en het waarborgen van een hoog niveau van consumentenbescherming. De toenemende digitalisering, de opkomst van nieuwe kredietproducten, de ontwikkeling in het gedrag en de voorkeuren van consumenten en onnauwkeurige formulering van diverse bepalingen in de CCDI zijn, op basis van de evaluatie door de Europese Commissie in 20202, aanleiding geweest voor de herziening. De richtlijn diende op 20 november 2025 in nationale wet- en regelgeving te zijn geïmplementeerd en de bepalingen dienen uiterlijk van toepassing te zijn op 20 november 2026. Dit wetsvoorstel geeft uitvoering aan de richtlijn.

Daarnaast bevat het voorstel enkele onderdelen die niet direct voortvloeien uit de richtlijn, maar wel aanvullend en noodzakelijk zijn voor het behalen van de richtlijndoelstellingen. Het gaat allereerst om een verbod om bepaalde vormen van krediet aan te bieden aan minderjarigen en de bijbehorende verplichting tot verificatie van de leeftijd van de consument. Ook worden enkele uitzonderingen van het toepassingsgebied, zoals genoemd in artikel 2, van de richtlijn, niet of niet volledig overgenomen. Zo wordt niet overgenomen dat er een bovengrens geldt voor het toepassingsbereik, namelijk voor kredietovereenkomsten met een som van meer dan € 100.000. Ook grotere kredietovereenkomsten vallen daarmee onder het toepassingsbereik van dit wetsvoorstel, zoals ook nu het geval is. Daarnaast worden platforms die zelf, zonder gebruik van een derde, kredietovereenkomsten aanbieden in de vorm van uitstel van betaling, niet uitgezonderd van het toepassingsbereik van dit wetsvoorstel. Voorts blijft effectenkrediet gereguleerd onder een maatwerkregeling. Tot slot bevat het wetsvoorstel een wettelijke grondslag om bij uitzondering en onder strikte voorwaarden bijzondere categorieën van persoonsgegevens te verwerken in het kader van de kredietwaardigheidsbeoordeling.

In paragraaf 2 wordt stilgestaan bij de totstandkoming en inhoud van de richtlijn, waarna in paragraaf 3 de hoofdlijnen van dit wetsvoorstel en de wijze van implementatie worden beschreven. Paragraaf 4 beschrijft de mate van harmonisatie middels het wetsvoorstel. Vervolgens wordt in paragraaf 5 aandacht besteed aan de verhouding tot Unierecht en het nationale recht. In paragraaf 6 wordt ingegaan op de gevolgen van het wetsvoorstel, met uitzondering van de financiële gevolgen. Paragraaf 7 gaat in op de bedrijfseffecten en financiële gevolgen. Paragraaf 8 betreft de uitvoeringsparagraaf, paragraaf 9 de toezichts-, handhavings- en rechtsbeschermingsparagraaf en in paragraaf 10 wordt stilgestaan bij de evaluatie van dit wetsvoorstel. Paragraaf 11 ziet op advies en consultatie en paragraaf 12 noemt het overgangsrecht en de inwerkingtreding. Na het algemene deel van de toelichting is een artikelsgewijze toelichting opgenomen alsmede een transponeringstabel in de bijlage.

Deze memorie van toelichting wordt gegeven mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

§ 2. Inhoud richtlijn

Achtergrond CCDI

De CCDI dateert van 23 april 2008 en beoogde consumenten te beschermen bij het sluiten van kredietovereenkomsten, teneinde het consumentenvertrouwen te vergroten en het vrije verkeer van kredietaanbiedingen optimaal te laten functioneren.3 Daarnaast beoogde de CCDI een goede werking van de interne markt, door nationale wetgeving van de lidstaten te harmoniseren. De CCDI voorzag er vooral in consumenten alle benodigde informatie te verschaffen om aanbiedingen van krediet te evalueren, deze met elkaar te vergelijken en consumentenrechten te verlenen in het geval zij zich zouden bedenken.4

Met de CCDI werd een hoog niveau van harmonisatie nagestreefd, waarbij de lidstaten de consument niet een hoger niveau van consumentenbescherming mochten toekennen dan in de CCDI werd bepaald en de wetgeving van de lidstaten na implementatie op het door de CCDI geharmoniseerde gebied, niet (meer) uiteen zou lopen. Dit betekende dat, behoudens enige vrijheid met betrekking tot het toepassingsgebied van de CCDI, lidstaten slechts beperkt de ruimte hadden om andere regels te handhaven of introduceren.

In 2020 heeft de Europese Commissie in de evaluatie van de CCDI geconcludeerd dat de doelen slechts gedeeltelijk waren gehaald. Enkele van de bepalingen van de CCDI die het meest doeltreffend zijn gebleken, zien op het herroepingsrecht en het recht op vervroegde aflossing. Consumenten zijn over het algemeen goed op de hoogte van hun rechten om kredietovereenkomsten te herroepen of vervroegd af te lossen.5 Verder zijn de geharmoniseerde berekening van het jaarlijks kostenpercentage (het totale, jaarlijkse bedrag aan rente en kosten van een lening uitgedrukt als percentage van het kredietbedrag, hierna: JKP) en het standaarddocument ‘Europese standaardinformatie inzake consumentenkrediet’ (hierna: het ESIC-formulier) doeltreffend gebleken. Beide elementen van de CCDI geven consumenten de mogelijkheid om aanbiedingen, rente en kosten van verschillende kredietgevers te vergelijken, zowel voorafgaand aan, als tijdens de looptijd van een kredietovereenkomst.

Uit de evaluatie volgde ook dat de CCDI een aantal tekortkomingen had. Zo waren de uitzonderingen op het toepassingsgebied zoals vastgesteld in artikel 2 van de CCDI substantieel en bestreek de CCDI niet het volledige proces van kredietverlening, waardoor aspecten van het proces gedeeltelijk of niet zijn geharmoniseerd. Ook was er sprake van onduidelijke bewoordingen van sommige bepalingen van de CCDI, die leidden tot rechtsonzekerheid. Dit gaat bijvoorbeeld om de bepalingen inzake de standaardinformatie. Voorts was in artikel 8 van de CCDI inzake de kredietwaardigheidstoets onvoldoende specifiek gedefinieerd welke informatie moet worden gecontroleerd of onder welke voorwaarden de kredietgever de consument als kredietwaardig kan beschouwen. Als gevolg hiervan is er sprake van grote verschillen in de kredietwaardigheidstoetsen van lidstaten. Ook zijn er grote verschillen geconstateerd tussen de soorten en de hoogte van de sancties die bevoegde autoriteiten van lidstaten opleggen bij de handhaving van de CCDI.

Tot slot was de CCDI niet goed voorbereid op de ontwikkelingen op het gebied van digitalisering. De digitalisering heeft bijgedragen aan marktontwikkelingen waarin niet was voorzien toen de CCDI werd vastgesteld.6 Een eenvoudig voorbeeld is de standaardinformatie, die onder de CCDI in de vorm van een papieren formulier moest worden verstrekt, terwijl zowel consument als kredietgever vaak de voorkeur geven aan een papierloze (online) omgeving.

Inhoud van de herziene richtlijn

De doelstellingen van het waarborgen van een hoog niveau van consumentenbescherming en bevordering van de interne markt bleken volgens de conclusies van de CCDI-evaluatie onverminderd relevant. De richtlijn beoogt dan ook een transparanter en efficiënter juridisch kader voor consumentenkrediet te creëren, om daarmee het vertrouwen van de consumenten te vergroten, hun bescherming te verbeteren en de ontwikkeling van grensoverschrijdende activiteiten te vergemakkelijken.7 Volledige harmonisatie is daarbij nodig om te waarborgen dat alle consumenten in de Unie een hoog en gelijkwaardig niveau van bescherming van hun belangen genieten en om een goed werkende interne markt te creëren.8 De richtlijnbepalingen hebben deze doelen als uitgangspunt en worden hierna per thema genoemd.

Maximumharmonisatie

Net als bij de CCDI, is volledige harmonisatie het uitgangspunt van de richtlijn om te waarborgen dat alle consumenten in de Europese Unie een hoog en gelijkwaardig niveau van bescherming kunnen genieten. Lidstaten mogen hier niet van afwijken voor zover het de geharmoniseerde bepalingen betreft. In sommige gevallen is er ruimte voor het behouden of invoeren van nationale wetgeving.9

Uitbreiding toepassingsgebied

De richtlijn breidt het toepassingsgebied uit ten opzichte van de CCDI. Het feit dat de CCDI ruime uitzonderingen kende, was één van de tekortkomingen zoals geconstateerd in eerdergenoemde evaluatie. Zo was de CCDI niet van toepassing op consumentenkredietovereenkomsten met een totaal kredietbedrag van minder dan €200 of meer dan €75.000. Met de richtlijn vervalt de ondergrens. De bovengrens wordt verhoogd naar €100.000.

Andere uitzonderingen vervallen eveneens. Het gaat om uitzonderingen voor (i) huur- of leasingovereenkomsten met een optie tot koop, (ii) kredietovereenkomsten die in de vorm van een geoorloofde debetstand op een rekening worden verleend en die binnen een maand moeten worden afgelost, (iii) kredietovereenkomsten waarover geen rente of andere kosten moeten worden betaald en (iv) kredietovereenkomsten waarbij het krediet binnen drie maanden moet worden terugbetaald en waarvoor slechts onbeduidende kosten worden gerekend. Nieuwe potentieel nadelige kredietproducten (waartoe bijvoorbeeld ook ‘koop nu, betaal later’-diensten en kaarten met uitgestelde debitering behoren) vallen nu wel onder het toepassingsgebied van de richtlijn,10 zij het dat de richtlijn diverse lidstaatopties bevat om op enkele van deze kredietproducten minder stringente regels van toepassing te laten zijn, bijvoorbeeld met betrekking tot reclame en (precontractuele) informatieverplichtingen.11 Ook bevat de richtlijn een lidstaatoptie om kaarten met uitgestelde debitering volledig buiten het toepassingsgebied van de richtlijn te plaatsen.

Vergunning- of registratieplicht kredietgevers en kredietbemiddelaars

Voor kredietgevers en kredietbemiddelaars schrijft de richtlijn een vergunningplicht of registratieplicht voor. De richtlijn biedt twee uitzonderingsmogelijkheden. Lidstaten mogen mkb-ondernemingen12 van de vergunningplicht vrijstellen die (i) kredietbemiddelaar zijn in nevenactiviteit (bijvoorbeeld kleine winkeliers die tussenpersoon zijn bij een ‘koop nu, betaal later’-kredietovereenkomst) of die (ii) kredietgever zijn in nevenactiviteit in die zin dat zij zelf (dus zonder tussenkomst van een derde) uitstel van betaling verlenen voor de aankoop van door hen aangeboden roerende zaken of diensten zonder daarvoor kosten of rente te rekenen, met uitzondering van beperkte kosten wegens betalingsachterstand overeenkomstig het nationale recht.

Verstrekken van (precontractuele) informatie en advies

De richtlijn scherpt de eisen aan die gelden voor de inhoud en de wijze waarop precontractuele informatie verstrekt dient te worden en brengt deze in lijn met gedragsinzichten. De voornaamste elementen van het krediet, waaronder het JKP, moeten voortaan op opvallende en voorgeschreven wijze op de eerste bladzijde worden vermeld van het ESIC-formulier. Dit formulier is daarnaast aangepast aan de technische beperkingen van bepaalde media zoals mobiele telefoons, en komt daarmee tegemoet aan één van de genoemde tekortkomingen zoals genoemd in de CCDI-evaluatie. Daarnaast moet de kredietovereenkomst in duidelijke en beknopte vorm alle noodzakelijke informatie bevatten over de rechten en plichten van de consument die daaruit voortvloeien. De informatieverplichtingen zijn onder andere uitgebreid met de plicht voor een kredietaanbieder om contactgegevens van schuldadviesdiensten op te nemen in de kredietovereenkomst. Reeds op grond van de CCDI diende precontractuele informatie ‘geruime tijd’ voor het ingaan van de kredietovereenkomst aan de consument te worden verstrekt.13 De richtlijn voegt hieraan toe dat, indien de precontractuele informatie niet ten minste één dag van tevoren is verstrekt, de kredietgever of -bemiddelaar de consument uiterlijk zeven dagen na de sluiting van de kredietovereenkomst schriftelijk wijst op zijn herroepingsrecht.14 Dit is een nadere invulling van de term ‘geruime tijd’, waarmee rechtsonzekerheid, genoemd als één van de tekortkomingen van de CCDI in de evaluatie, wordt tegengegaan.

Gedurende de looptijd van de kredietovereenkomst moet de consument tijdig en voorafgaand aan elke eenzijdige wijziging van de overeenkomst of algemene voorwaarden van de kredietovereenkomst door de aanbieder geïnformeerd worden met daarbij, in voorkomend geval, een toelichting bij de van rechtswege doorgevoerde wijzigingen conform de implementatie van artikel 27 de Richtlijn Kredietservicers en kredietkopers (EU 2021/2167).15 Daarnaast moet de consument gedurende de looptijd van de kredietovereenkomst op de hoogte worden gebracht van wijzigingen in de variabele debetrentevoet en daaruit volgende gewijzigde betalingen.

Tot slot stelt de richtlijn ook regels ten aanzien van advies. Zo moet een adviseur zijn advies afstemmen op de behoeften en omstandigheden van de consument, waarbij hij tevens rekening houdt met de doelstelling om wanbetaling en betalingsachterstand zoveel mogelijk te beperken. Daarnaast gelden er aanvullende informatieverplichtingen over onder meer de gevraagde vergoeding en het door de adviseur in overweging genomen productaanbod. De richtlijn bevat een lidstaatoptie om het gebruik van de termen ‘advies’ en ‘adviseur’ of soortgelijke termen te verbieden indien de adviesdiensten worden verleend door kredietgevers of -bemiddelaars.

Koppelverkoop en gebundelde verkoop

Het is aanbieders niet toegestaan kredietovereenkomsten te verkopen of aan te bieden als onderdeel van een pakket met andere financiële producten of diensten waarbij de kredietovereenkomst niet afzonderlijk wordt aangeboden. Deze zogeheten koppelverkoop kan consumenten namelijk aanzetten tot het sluiten van kredietovereenkomsten die niet in hun belang zijn. Slechts enkele vormen van koppelverkoop zijn toegestaan, namelijk van een betaal- of spaarrekening of van een verzekering. Een gebundelde verkoop, die juist gunstig kan zijn voor een consument of een wezenlijk onderdeel is van de kredietovereenkomst, is onder voorwaarden wel toegestaan. De richtlijn voorziet ook in een verbod om verzekeringspolissen met betrekking tot een kredietovereenkomst te baseren op persoonsgegevens betreffende de diagnose van oncologische ziekten, na een periode van maximaal 15 jaar na het einde van de medische behandeling van de consument.

Ongevraagde kredietverlening en afgeleide instemming

Het ongevraagd verlenen van krediet – zoals het toesturen van ongevraagde, reeds goedgekeurde kredietkaarten of de eenzijdige invoering van een nieuwe geoorloofde debetstand of maximumoverschrijding – kan schadelijk zijn voor consumenten en wordt daarom verboden. Verder is voor het aangaan van een consumentenkredietovereenkomst vereist dat de consument het kredietaanbod op ondubbelzinnige wijze aanvaardt. Het is niet toegestaan stilzwijgen van de consument als aanvaarding van een kredietaanbod te laten gelden.

Kredietwaardigheid en databanken

De verplichte kredietwaardigheidstoets wordt in de richtlijn uitgebreid. De toets moet in het belang van de consument worden uitgevoerd om onverantwoordelijke leenpraktijken en overkreditering te voorkomen. Net als in de CCDI wordt voor lidstaten een open norm voorgeschreven, maar de richtlijn biedt meer handvatten dan voorheen ter verduidelijking waar de toets aan moet voldoen. Zo moet de toets worden uitgevoerd op basis van relevante informatie over het inkomen en de uitgaven van de consument en moet dit in verhouding staan tot de aard, de duur, de waarde en de risico’s van het krediet voor de consument. Op deze wijze worden de eisen die de richtlijn stelt aan de kredietwaardigheidsbeoordeling nader ingevuld, om zo uiteenlopende eisen in verschillende lidstaten tegen te gaan. Het betreft een belangrijke in de CCDI-evaluatie geconstateerde tekortkoming. Dit geldt ook voor de verdere invulling voor het gebruik van databanken, zoals hierna aan bod komt.

Lidstaten kunnen eisen dat kredietgevers een relevante databank, zoals in Nederland de databank van Bureau Krediet Registratie (BKR), raadplegen voor de kredietwaardigheidsbeoordeling. De databank omvat ten minste informatie over achterstallige kredietbetalingen van consumenten, het soort krediet en de identiteit van de kredietgever. Alleen onder toezicht staande instellingen mogen toegang hebben tot die databank. De richtlijn beschrijft de rechten van de consument om geïnformeerd te worden over de registratie in de databank, raadpleging van de databank en over de mogelijkheid om een klacht over de registratie in te dienen.

Gedragsregels

In de activiteiten rondom de kredietverlening dienen de kredietgevers en kredietbemiddelaars de rechten en belangen van consumenten in acht te nemen en onder andere op eerlijke, redelijke, transparante en professionele wijze te handelen. Zij moeten bij de kredietverlening, bemiddeling, facilitering of verlening van adviesdiensten rekening houden met de situatie waarin de consument zich bevindt. Hun beloningsbeleid moet hieraan bijdragen en beloningen mogen op grond van de richtlijn bijvoorbeeld niet afhankelijk zijn van het aantal verstrekte kredieten. Verder zijn lidstaten verantwoordelijk voor het stellen van minimumvereisten inzake kennis en bekwaamheid.

Financiële educatie, schuldpreventie en ondersteuning

De richtlijn schrijft voor dat lidstaten maatregelen nemen op het gebied van financiële educatie om het op verantwoordelijke wijze lenen van geld en het beheren van schulden te stimuleren. Ter preventie voeren lidstaten verder maatregelen in om buitensporig hoge kredietkosten voor de consument te voorkomen, zoals invoering van een kostenplafond. Naast dat de richtlijn verplichtingen voorschrijft aan de kredietgever en kredietbemiddelaar voorafgaand aan de totstandkoming van de kredietovereenkomst, ziet een deel van de richtlijn ook juist op de periode daarna. Kredietgevers worden verplicht om processen en beleid op te stellen en te hanteren om betalingsproblemen van de consument vroegtijdig op te sporen en indien zij die vaststellen, moeten zij de consument doorverwijzen naar schuldadviesdiensten. Lidstaten dienen deze onafhankelijke diensten beschikbaar te stellen tegen beperkte kosten. De kredietgever is verplicht een redelijke mate van respijt te geven voordat hij over gaat tot het innen van krediet. Dit kan hij doen door oplossingen aan te bieden, zoals uitstel van betaling of wijziging van de kredietovereenkomst.

Sancties

Hoewel in de CCDI-evaluatie grote verschillen zijn geconstateerd tussen de soorten en de hoogte van de sancties die bevoegde autoriteiten van lidstaten hebben opgelegd bij de handhaving van de CCDI, harmoniseert de richtlijn dit onderwerp niet. Lidstaten behouden de keuze van de in handhaving toe te passen sancties, mits deze doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. Wel zijn lidstaten verplicht geldboetes in te voeren als sanctie.

§ 3. Wijze van implementatie en hoofdlijnen van het voorstel

Wijze van implementatie

Het voorstel van wet bevat wijzigingen van de Wet op het financieel toezicht (Wft), het Burgerlijk Wetboek (BW), de Wet handhaving consumentenbescherming (Whc) en de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek (OnBW). Bij de implementatie van de richtlijn is zoveel mogelijk aangesloten bij de wijze waarop de CCDI en tevens vergelijkbare bepalingen uit andere Europese richtlijnen reeds in de Nederlandse wet- en regelgeving zijn geïmplementeerd. Zo worden de privaatrechtelijke bepalingen van de richtlijn net als de privaatrechtelijke bepalingen uit de CCDI geïmplementeerd in Afdeling 1 van Titel 2a van Boek 7 BW. Enkele verplichtingen uit de richtlijn zien immers op de contractuele sfeer tussen bijvoorbeeld een aanbieder en de consument, waarbij het van belang is dat de consument civielrechtelijk aanspraak kan maken op nakoming van die verplichting. Om deze reden worden enkele bepalingen ofwel enkel opgenomen in de Wft of het BW, ofwel in beide wetten, al dan niet met een verwijzing in de Wft naar het BW, of met een handhavingsgrondslag in de Whc.

Er is aangesloten bij de bestaande systematiek om een hoofdnorm in de Wft te implementeren en de nadere uitwerking van de hoofdnorm in lagere wet- en regelgeving. Implementatie van de richtlijn leidt daarmee ook tot aanpassing van lagere regelgeving, waaronder het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (BGfo), het Besluit Kredietvergoeding (Bk), het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector (Bbbfs) en de Vrijstellingsregeling Wft (Vr Wft). Een beperkt deel van de bepalingen uit artikel 19 van de richtlijn, dat ziet op verplichtingen van lidstaten ten aanzien van databanken, wordt geïmplementeerd in de Wet stelsel kredietregistratie.16 De Wet stelsel kredietregistratie is gelijktijdig met dit voorstel in voorbereiding. Deze wet maakt het beheer van het kredietregister een wettelijke taak, maakt het mogelijk om BKR aan te wijzen als uitvoerder van die taak en zorgt ervoor dat gegevens zorgvuldig worden gebruikt.

Afdeling 1 van Titel 2a van Boek 7 BW en de Wft kennen verschillende benamingen voor de term ‘kredietgever’. Waar in de betreffende afdeling van het BW de term ‘kredietgever’ is overgenomen van de richtlijn, wordt in de Wft de kredietgever aangeduid als ‘aanbieder van krediet’. Aangezien dit voorstel zowel het BW als de Wft wijzigt, wordt in de toelichting in beginsel gesproken over ‘kredietgever’ tenzij de toelichting specifiek ziet op de bepalingen in de Wft. Ook spreekt de richtlijn over ‘consumentenkredietovereenkomsten’. In Afdeling 1 van Titel 2a van Boek 7 BW wordt volstaan met de term ‘kredietovereenkomst’ en in de Wft wordt dit aangeduid met ‘krediet, niet zijnde hypothecair krediet’.

Daarnaast is in plaats van de term ‘goederen’ bij de implementatie van de richtlijn gekozen voor ‘roerende zaken’. De richtlijn spreekt bijvoorbeeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel h, over een leverancier van goederen of diensten. Goederen zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving echter alle zaken en vermogensrechten. Aangezien dit niet aansluit bij de strekking van de richtlijn, is bij de implementatie gekozen voor ‘roerende zaken’.

Ten slotte is voor de definitie van schuldadviesdiensten gekozen voor een verwijzing naar artikel 47 Wet op het consumentenkrediet (Wck) dat ziet op schuldbemiddeling. Schuldbemiddeling is het in de uitoefening van een beroep of bedrijf, anders dan door het aangaan van een krediettransactie, verrichten van diensten, gericht op de totstandkoming van een regeling met betrekking tot de bestaande schuldenlast van een natuurlijke persoon, geheel of gedeeltelijk voortvloeiend uit een of meer krediettransacties. Artikel 48 van de Wck bepaalt welke partijen de dienst schuldbemiddeling mogen verrichten. Dit zijn onder meer gemeenten, kredietbanken, advocaten, bewindvoerders ingevolge de Faillissementswet, bewindsvoerders ingevolge Boek 1 BW en deurwaarders. Ook is het toegestaan dat partijen om niet bemiddelen in schuld. Op grond van de richtlijndefinitie van schuldadviesdiensten mogen deze diensten slechts door een onafhankelijke professional, niet zijnde de kredietgever, verleend worden. Ondanks dat kredietbanken in beginsel als kredietgever kwalificeren, mogen zij op grond van de Wck wel bemiddelen in schulden. Een kredietbank is een partij die wel kredietgever is, maar als doelstelling heeft om burgers in het kader van schuldhulpverlening te helpen met financiële problemen, bijvoorbeeld met een saneringskrediet. Dit is een schuldregelingsvorm waarbij de totale schuld wordt afgekocht tegen finale kwijting. De burger heeft daarna slechts één aflosverplichting bij de kredietbank. De kredietovereenkomsten die door kredietbanken worden verstrekt zijn onder voorwaarden op grond van artikel 4:2 Wft uitgezonderd van de Wft. Deze vallen ook niet onder het toepassingsgebied van de richtlijn op grond van artikel 2, tweede lid, onderdeel k. Dit heeft als gevolg dat de beperking ten aanzien van het verlenen van schuldadviesdiensten niet geldt ten aanzien van kredietbanken. Daarbij zou het, gezien de maatschappelijke rol die kredietbanken vervullen, onwenselijk zijn als schuldbemiddeling niet door kredietbanken toegestaan zou zijn. Het toestaan van schuldbemiddeling door kredietbanken strookt met het doel van schuldadviesdiensten om consumenten met financiële moeilijkheden te helpen en hen te begeleiden bij het zoveel mogelijk aflossen van hun uitstaande schuld, met behoud van een fatsoenlijke levensstandaard. Het risico op botsende belangen dat zou kunnen ontstaan wanneer een commerciële kredietaanbieder deze diensten zou verstrekken is niet aanwezig bij de kredietbank, die immers opereert zonder winstoogmerk.

Hoofdlijnen van het voorstel

De hoofdlijnen van de wijzigingen in de Wft en het BW worden hierna uiteengezet. De wijzigingen in de Whc worden toegelicht in paragraaf 8 over toezicht en handhaving, alsmede artikelsgewijs. De wijzigingen in de OnBW worden ook artikelsgewijs toegelicht en verder in paragraaf 11 inzake overgangsrecht en inwerkingtreding.

Wijzigingen in de Wft
Met deze wet wordt allereerst de definitie van ‘krediet’ in artikel 1:1 van de Wft gewijzigd om uitstel van betaling ook daaronder te laten vallen.

Op grond van het huidige artikel 1:20 Wft zijn sommige vormen van krediet, zoals gedefinieerd in artikel 1:1 Wft, die aan bepaalde criteria voldoen, uitgezonderd van de Wft. Krediet is een definitie in artikel 1:1 van de Wft en omvat mede hypothecair krediet en consumentenkredietovereenkomsten. Waar bepalingen in de Wft specifiek gelden voor consumentenkrediet, wordt dit in de wet aangeduid met ‘krediet, niet zijnde hypothecair krediet’. De Wft is niet van toepassing indien sprake is van een overeenkomst of dienst die is uitgezonderd op grond van artikel 1:20 Wft. In dit wetsvoorstel worden enkele van de bestaande uitzonderingen geschrapt. Het gaat om krediet dat binnen drie maanden moet worden afgelost en terzake waarvan slechts onbetekenende kosten in rekening worden gebracht, maar ook om krediet in de vorm van een geoorloofde debetstand waarbij de consument binnen een maand moet aflossen. Daarnaast worden huur- en verhuurovereenkomsten met een optie tot aankoop van het object niet langer uitgezonderd.

Met het vervallen van de uitzondering voor kredietovereenkomsten waarbij het krediet binnen drie maanden moet worden terugbetaald en terzake waarvan slechts onbetekenende kosten in rekening worden gebracht, worden onder meer aanbieders van ‘koop nu, betaal later’-diensten en aanbieders van kaarten met uitgestelde debitering onderhevig aan de bepalingen van de Wft. Dergelijke kaarten zijn de meest gangbare vorm van creditcards in Nederland, waarbij opgenomen c.q. met de kaart betaalde bedragen niet in termijnen maar maandelijks op een vast moment worden afgelost en dus sprake is van ‘uitgestelde debitering’. Deze kaarten worden, na verstrijken van de in het vierde lid opgenomen overgangstermijn van zes maanden, onder het bereik van de Wft gebracht.

Aanbieders van voornoemde kredieten worden verplicht een vergunning in de zin van artikel 2:60 Wft te hebben voor het aanbieden van krediet. Het wetsvoorstel introduceert daarnaast in artikel 2:81 Wft een verplichting voor aanbieders om een kredietbemiddelaar aan te melden bij de Autoriteit Financiële Markten (AFM) indien deze kredietbemiddelaar grootbedrijf is, leverancier van roerende zaken of diensten en bemiddelt in ‘koop nu, betaal later’-diensten van de kredietaanbieder. Er is op grond van de Wft sprake van bemiddelen indien de activiteit valt onder de definitie van bemiddelen in artikel 1:1 Wft. Volgens de definitie van kredietbemiddelaar in de richtlijn is, naast de andere genoemde elementen, sprake van bemiddelen als dit tegen een vergoeding in de vorm van geld of een andere overeengekomen financiële beloning plaatsvindt. De definitie van kredietbemiddelaar in artikel 7:57 BW noemt dit ook. De definitie van bemiddelen in de Wft kent deze voorwaarde echter niet, omdat de Wft uitgaat van de activiteit van bemiddelen, die bij meerdere financiële producten aan de orde kan zijn. De definitie in de Wft ziet dus niet enkel op bemiddelen in krediet. De voorwaarde uit de richtlijn van een vergoeding of andere beloning moet in de context van de Wft en het BW zo worden uitgelegd dat ook sprake is van bemiddelen in krediet of een kredietbemiddelaar indien de bemiddelaar economisch voordeel ondervindt van de bemiddelingsactiviteiten, ook als daar geen vergoeding van de kredietaanbieder tegenover staat. Dit is belangrijk, nu ‘koop nu, betaal later’-diensten voor bemiddelaars andere voordelen met zich meebrengen dan de vergoeding bij regulier krediet. Ook deze partijen zullen met deze implementatiewet onder de reikwijdte vallen van de Wft en BW.

Hoewel de algemene uitzondering voor onder meer ‘koop nu, betaal later’-diensten komt te vervallen, voegt het wetsvoorstel een tweetal nieuwe uitzonderingen toe aan artikel 1:20, eerste lid, onderdeel e, Wft, onder verwijzing naar artikel 7:58, tweede lid, onderdelen d en e, van Boek 7 BW. Als gevolg hiervan blijft voor mkb-ondernemingen17 uitstel van betaling uitgezonderd van het toepassingsgebied van de Wft indien (i) de leverancier of dienstverlener van de betreffende zaak of dienst zélf uitstel van betaling verleent (zonder tussenkomst van een derde, tenzij sprake is van een platform), (ii) er behoudens beperkte kosten wegens betalingsachterstand geen rente of kosten in rekening worden gebracht en (iii) de betaling volledig binnen 50 dagen moet worden verricht. Voor het grootbedrijf geldt een kortere uiterste betalingstermijn van uiterlijk 14 dagen om buiten het toepassingsbereik van de uitzondering te vallen. De overige voorwaarden zijn voor het grootbedrijf gelijk. Daarnaast blijft uitstel van betaling uitgezonderd onder bovengenoemde voorwaarden en de voorwaarde dat de betaling volledig binnen 14 dagen moet worden verricht, indien de leverancier van roerende zaken of diensten een mkb-onderneming is in de zin van Aanbeveling van de Commissie betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PbEU 2003, C 1422) en als de overeenkomst niet een dienst van de informatiemaatschappij is die op afstand wordt gesloten in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van Richtlijn (EU) 2015/1535. Dit zijn dus ofwel fysieke winkels, ofwel kleine of middelgrote online leveranciers of dienstverleners. Zij zullen dus onder de genoemde voorwaarden niet onder de Wft vallen.

Aanbieders van krediet, bemiddelaars in krediet en personen die adviseren over krediet zijn tevens gehouden aan de bepalingen uit Deel 4 van de Wft en de AFM houdt toezicht op de naleving van deze bepalingen. Het wetsvoorstel wijzigt Deel 4 van de Wft door enkele bepalingen toe te voegen. Het wetsvoorstel introduceert of wijzigt enkele bepalingen in paragraaf 4.3.1.3 inzake het aanbieden van krediet. Deze paragraaf ziet onder meer op de verplichte deelname van aanbieders aan een stelsel van kredietregistratie, informatieverplichtingen voorafgaand aan de kredietovereenkomst en regels omtrent de kredietwaardigheidsbeoordeling en leeftijdsverificatie.

Artikel 4:34b Wft introduceert het verbod om kredietovereenkomsten, niet zijnde hypothecair krediet, met een minderjarige consument aan te gaan, tenzij sprake is van toestemming van de wettelijke vertegenwoordiger. Deze uitzondering op het verbod zal echter niet gelden voor kredietovereenkomsten die voorzien in uitstel van betaling van roerende zaken of diensten, waaronder begrepen betaling door middel van uitgestelde debitering. Deze kredietovereenkomsten mogen op grond van deze bepaling nooit met een minderjarige consument worden aangegaan, zelfs niet met mogelijke toestemming van wettelijke vertegenwoordiger. Aanbieders dienen voorts over adequate processen te beschikken om de leeftijd van de consument vast te stellen. Uit artikel 4:34c Wft volgt de verplichte uitdrukkelijke instemming van de consument die benodigd is voor de totstandkoming van een krediet, niet zijnde hypothecair krediet.

De bepaling inzake de kredietwaardigheidsbeoordeling in artikel 4:34 Wft wordt aangevuld met een uitzondering op de verplichting om deze beoordeling uit te voeren indien sprake is van wijzigingen van de overeenkomst die voortkomen uit maatregelen om de consument in betalingsproblemen te helpen, onder de voorwaarde dat de wijzigingen niet een belangrijke verhoging van het kredietbedrag inhouden. Ook wordt de beoordeling aangevuld met een nieuw artikel 4:34a Wft dat specifiek ziet op enkele aanvullende vereisten die enkel gelden ten aanzien van krediet, niet zijnde hypothecair krediet. Op grond van dit artikel mogen persoonsgegevens verkregen van digitale sociale netwerken en bijzondere categorieën van persoonsgegevens niet worden betrokken bij de kredietwaardigheidsbeoordeling. Aangezien niet kan worden voorkomen dat bepaalde opgevraagde gegevens die bijzondere categorieën van persoonsgegevens wel bevatten, wordt een wettelijke grondslag gecreëerd om deze gegevens te verwerken ten behoeve van het schonen van de informatie voorafgaand aan de kredietwaardigheidsbeoordeling. Als een kredietaanbieder bijvoorbeeld een rekeningafschrift opvraagt, kan deze afschrift bijzondere persoonsgegevens bevatten. Uit een alledaagse banktransactie, zoals een betaling aan een kerkgenootschap, kan een religieuze overtuiging blijken. De van de consument verkregen informatie kan dan worden geschoond van deze gegevens – bijvoorbeeld door deze te lakken – en vervolgens voor de kredietwaardigheidsbeoordeling worden gebruikt.

Het wetsvoorstel voegt met artikel 4:35b Wft een nieuw artikel in dat aanbieders verplicht om vroegtijdig betalingsproblemen bij een consument te signaleren. Ook geldt op basis van dit artikel een doorverwijsplicht van de aanbieder naar schuldadviesdiensten wanneer een consument ook daadwerkelijk problemen ondervindt bij het nakomen van de verplichtingen onder de kredietovereenkomst.

Wijzigingen in het BW

In het BW wordt Titel 2a van Boek 7 op verschillende plekken gewijzigd en aangevuld. Afdeling 1 van Titel 2a is geïntroduceerd bij de implementatie van de CCDI en implementeert de privaatrechtelijke bepalingen van de richtlijn.

Allereerst worden de definities van artikel 7:57 BW gewijzigd. Enkele definities zijn nieuw, zoals de definitie van gebundelde verkoop en koppelverkoop. De definitie van koppelverkoop is expliciet opgenomen in afdeling 1 van Titel 2a van Boek 7 BW en ziet in het kader van deze titel op de verkoop van een kredietovereenkomst als onderdeel van een pakket met andere financiële producten of diensten waarbij de kredietovereenkomst niet afzonderlijk wordt aangeboden. Gebundelde verkoop onderscheidt zich daarvan in die zin dat de kredietovereenkomst wel afzonderlijk wordt aangeboden, maar waarbij niet noodzakelijkerwijs dezelfde voorwaarden gelden als wanneer deze wél als pakket wordt aangeboden.

Evenals in de Wft, wordt ook in Titel 2a van Boek 7 BW geregeld dat de bepalingen van Titel 2a van toepassing zijn op kredietovereenkomsten, tenzij sprake is van een uitzondering in de zin van artikel 7:58, tweede lid, BW. Het wetsvoorstel wijzigt artikel 7:58, tweede lid, BW. Het gaat daarbij om de nieuwe ‘koop nu, betaal later’-uitzonderingen van artikel 7:58, tweede lid, onderdelen d en e, van Boek 7 BW en wijzigingen in de maatwerkregeling voor kredietovereenkomsten in de vorm van een overschrijding, evenals het vervallen van de uitzonderingen voor kredietovereenkomsten in de vorm van een geoorloofde debetstand, zoals aan de orde gekomen bij de beschrijving van de wijzigingen in artikel 1:20 Wft.

Het wetsvoorstel introduceert twee nieuwe artikelen aan het begin van Onderafdeling 2. Ter bescherming van de consument tegen ongevraagde kredietverlening volgt uit artikel 7:58a BW dat een overeenkomst enkel tot stand komt na uitdrukkelijke instemming door een consument. Uit artikel 7:58b BW volgt dat alle informatie die op basis van de richtlijnverplichtingen aan hem wordt verstrekt kosteloos moet zijn.

In dezelfde onderafdeling worden enkele bestaande bepalingen gewijzigd. Zo bevat artikel 7:59 BW naast de bestaande reclameregels voor effectenkrediet nu ook bredere reclameregels ten aanzien van kredietovereenkomsten met consumenten. De regels ten aanzien van precontractuele informatie worden uitgebreid met diverse eisen voor kredietgevers. Zo dient bijvoorbeeld een adequate toelichting verstrekt te worden door de kredietgever aan de consument bij de voorgestelde kredietovereenkomst.

Aan het begin van Onderafdeling 3 voegt het wetsvoorstel een nieuwe bepaling inzake koppelverkoop toe. Koppelverkoop is reeds in bredere zin geregeld in Afdeling 2 van Titel 2a. In deze afdeling zijn echter geen bepalingen ten aanzien van de richtlijn opgenomen. Om deze reden is in Afdeling 1 van Titel 2a in artikel 7:60a BW een aparte koppelverkoopbepaling opgenomen ten aanzien van consumentenkredietovereenkomsten die dankzij het opnemen van een samenloopbepaling in artikel 7:77 BW naast dit reeds bestaande artikel in Afdeling 2 zal bestaan. Samengevat is op grond van artikel 7:60a BW koppelverkoop van consumentenkredietovereenkomsten die onder Afdeling 1 van Titel 2a van Boek 7 vallen met andere financiële producten of diensten in beginsel verboden en slechts toegestaan als het gaat om een verzekering of betaal- of spaarrekening. Bijvoorbeeld indien een consument een betaalrekening opent en (tegelijkertijd) apart met de bank overeenkomt dat het is toegestaan daarop tot een bepaald maximum rood te staan. In dat geval gaat de consument zowel een kredietovereenkomst aan als een overeenkomst ten aanzien van een ander financieel product, namelijk de betaalrekening. Onderafdeling 3 wordt daarnaast op enkele punten gewijzigd ten aanzien van informatie die de kredietovereenkomst dient te bevatten. Het gaat onder andere over wijzigingen om aan te sluiten bij de ontwikkelingen op het gebied van digitalisering. Ook bevat het wetsvoorstel wijzigingen in artikel 7:63 BW ten aanzien van de geoorloofde debetstand. De belangrijkste wijziging is de verplichting voor kredietgevers om de consument bij verlaging of annulering van de geoorloofde debetstand in de gelegenheid te stellen om het opgenomen bedrag terug te betalen binnen een ruime termijn, voordat een procedure van incasso of invordering wordt gestart. Artikel 7:70 BW, dat ziet op de kredietvorm overschrijding, bevat gelijksoortige aanpassingen als voorgesteld in artikel 7:63 BW inzake de geoorloofde debetstand.

In dezelfde afdeling wordt in artikel 7:66 BW het recht van ontbinding uitgebreid. Zo heeft een consument langer de tijd om de overeenkomst te ontbinden, indien hij niet, of slechts gedeeltelijk is geïnformeerd over de contractuele informatie en voorwaarden die bij de kredietovereenkomst horen. Ook is een bepaling opgenomen waardoor de termijn van het recht op ontbinding wordt gekoppeld aan de termijn van ontbinding voor een gelieerde overeenkomst, bijvoorbeeld de termijn om een product te retourneren in een winkel.

Voorts bevat deze onderafdeling enkele andere bepalingen die strekken tot bescherming van de consument. Uit artikel 7:67a BW volgt dat het een kredietgever, indien deze een kredietovereenkomst met een consument sluit, in beginsel niet is toegestaan om de kredietovereenkomst ten nadele van de consument te beëindigen of te wijzigen op grond van een onjuist uitgevoerde kredietwaardigheidsbeoordeling. In artikel 7:68a wordt de verplichting opgenomen voor de kredietgever om consumenten in financiële moeilijkheden door te verwijzen naar schuldadviesdiensten.

Tot slot wordt in Afdeling 2 van Titel 2a in een toegevoegd vierde lid aan artikel 7:75 BW geregeld dat de kredietgever enkel een krediet kan verlenen aan een minderjarige consument, indien de kredietovereenkomst niet voorziet in uitstel van betaling van roerende zaken of diensten en deze consument handelt met toestemming van zijn wettelijke vertegenwoordiger.

§ 4. Mate van harmonisatie

Zoals in de inleiding beschreven beoogt de richtlijn verdere harmonisatie tot stand te brengen op het terrein van consumentenkrediet waarop de richtlijn van toepassing is. Dat neemt niet weg dat de richtlijn ook ruimte laat aan de lidstaten. Allereerst staat het lidstaten vrij om buiten het geharmoniseerd gebied nationale regels in te stellen of bestaande regels te handhaven ingevolge artikel 42 en overweging 13 en 14 van de preambule van de richtlijn. Wanneer van deze beleidsruimte gebruik wordt gemaakt, volgt uit de transponeringstabel. Eén specifiek voorbeeld verdient nadere toelichting. Het gaat om de keuze om het toepassingsbereik van de Wft en van Titel 2a van Boek 7 BW te laten strekken tot elk krediet in de vorm van uitstel van betaling dat via een platform wordt aangeboden. Dit is geregeld in artikel 58, derde lid, onderdeel d, van Boek 7 BW en artikel 1:20, eerste lid, onderdeel e, Wft.

Artikel 2, tweede lid, onderdeel h, van de richtlijn zondert bepaalde vormen van uitstel van betaling uit van het toepassingsbereik van de richtlijn. Op grond van deze richtlijntekst zou een onwenselijk onderscheid ontstaan tussen de situatie waarin een consument een roerende zaak of dienst van het platform zelf koopt of waarin de consument via het platform een roerende zaak of dienst koopt van een aangesloten verkoper. In de eerste situatie is de kredietovereenkomst uitgezonderd van het toepassingsbereik van de richtlijn en ontbeert de consument de bescherming die daaruit voortvloeit. In de tweede situatie treedt het platform op als derde in de zin van de richtlijn en wordt de consument wel beschermd. Voor aankopen met uitstel van betaling op hetzelfde platform zouden dan andere kredietregels gelden, afhankelijk van of de consument direct van het platform koopt of via het platform van een derde koopt. Hiermee is onvoldoende duidelijk voor de consument in welk geval hij welke bescherming geniet. Dit wetsvoorstel bepaalt daarom dat uitstel van betaling op platforms te allen tijde onder het toepassingsbereik van de Wft en Titel 2a van Boek 7 BW valt.

Ten tweede bevat de richtlijn 23 lidstaatopties. Voor de meeste lidstaatopties geldt dat de Europese Commissie dient te worden genotificeerd. In de transponeringstabel staat toegelicht wanneer en waarom van een lidstaatoptie gebruik wordt gemaakt. Hierna volgt een toelichting bij de lidstaatopties met grote gevolgen voor de sector. Het gaat allereerst om de keuze om kaarten met uitgestelde debitering onder het bereik van de richtlijn te laten, ten tweede de keuze om gebruik te maken van een proportioneel informatieverstrekkingsregime voor kredietovereenkomsten waarbij krediet zonder rente of andere kosten wordt verleend en kredietovereenkomsten volgens welke krediet binnen drie maanden moet worden afgelost en er slechts onbetekenende kosten verschuldigd zijn, ten derde de keuze voor een vrijstelling voor specifieke groepen mkb-bemiddelaars18 van de vergunningplicht en ten vierde de keuze om geen vrijstelling te creëren voor specifieke groepen mkb-aanbieders en ten slotte de keuze om een productinterventiebevoegdheid toe te kennen aan de AFM.

Kaarten met uitgestelde debitering

Uitgestelde betalingen vielen reeds onder het toepassingsbereik van de CCDI, maar waren gedeeltelijk uitgezonderd. De uitzondering van artikel 2, tweede lid, onderdeel f, van de CCDI is komen te vervallen. Als gevolg daarvan zijn kaarten met uitgestelde debitering – de in Nederland gangbare vorm van creditcards – onder het toepassingsbereik van de richtlijn komen te vallen. De richtlijn biedt lidstaten echter in artikel 2, vijfde lid, de mogelijkheid om deze kaarten vrij te stellen van toepassing van de richtlijn. Er wordt, met uitzondering van de overgangsbepaling van zes maanden zoals toegelicht in paragraaf 13, geen gebruik gemaakt van deze lidstaatoptie. Bij deze vorm van uitgestelde betaling kan immers sprake zijn van dezelfde risico’s als andere vormen van uitstel van betaling, zoals ‘koop nu, betaal later’-diensten. Doorgaans wordt 30 tot 40 dagen uitgestelde betaling geboden. Een uitzondering voor dit kredietproduct zou leiden tot onvoldoende en ongelijke consumentenbescherming en daarmee tevens een ongelijk speelveld creëren ten aanzien van vergelijkbare kortlopende kredietproducten.

Proportioneel regime voor informatieverstrekking

Op grond van artikel 2, achtste lid, van de richtlijn, mogen lidstaten bepalen dat een aantal artikelen uit de richtlijn ten aanzien van onder andere reclame, standaardinformatie en precontractuele informatie niet van toepassing is op (i) kredietovereenkomsten voor een totaal kredietbedrag van minder dan €200, (ii) kredietovereenkomsten waarbij krediet zonder rente of andere kosten wordt verleend of (iii) kredietovereenkomsten waarbij krediet binnen drie maanden moet worden afgelost en waarbij slechts onbetekenende kosten verschuldigd zijn. Enkele onderdelen van bepalingen die onder andere zien op reclamevoorschriften en precontractuele informatie kunnen met deze lidstaatoptie buiten toepassing worden verklaard. Er wordt gebruik gemaakt van deze lidstaatoptie, door in artikel 60, zesde lid, van Boek 7 BW een uitzondering te regelen op de vereisten van artikel 10, vijfde lid, van de richtlijn voor de drie soorten kredietovereenkomsten. Dit heeft tot gevolg dat kredieten zoals kaarten met uitgestelde debitering en ‘koop nu, betaal later’-diensten uitgezonderd worden en niet hoeven te voldoen aan een aantal precontractuele informatieverplichtingen uit artikel 10, vijfde lid, van de richtlijn. Ook kleine kredieten tot €200 worden uitgezonderd. In de praktijk betekent dit dat een kredietaanbieder de consument bijvoorbeeld niet hoeft te informeren wanneer de prijs van het krediet is gepersonaliseerd op basis van geautomatiseerde gegevensverwerking, met inbegrip van profilering. Ook hoeft de aanbieder niet te informeren over de mogelijkheden voor buitengerechtelijke geschillenbeslechting. Voor kaarten met uitgestelde debitering geldt dat in de praktijk op dit moment geen sprake is van grote achterstanden op deze kredietovereenkomsten. Nu ervoor wordt gekozen om deze kaarten onder het toepassingsbereik van de richtlijn te laten, is een uitzondering op deze informatieverplichtingen vanuit het oogpunt van proportionaliteit en lastendruk toelaatbaar. Voor ‘koop nu, betaal later’-diensten geldt dat deze overeenkomsten online en in korte tijd worden afgesloten. Het is niet de verwachting dat de consument in die situaties de genoemde aanvullende precontractuele informatie tot zich zal nemen en de extra hoeveelheid informatie kan bovendien de kans vergroten dat de consument de kernelementen van de overeenkomst over het hoofd ziet. Dit laatste geldt ook voor kredieten tot een bedrag van €200. Daarnaast is het ontvangen van precontractuele informatie niet het belangrijkste element ter voorkoming van overkreditering. Gezien het voorgaande en de daarbij behorende lastendruk voor de kredietgever en kredietbemiddelaar, is gekozen voor bovengenoemde uitzondering op deze verplichtingen.

De lidstaatoptie voor een proportioneel regime voor precontractuele informatieverstrekking laat het bestaan van alle geldende andere informatieverplichtingen onverlet. Het betreft de verplichtingen zoals opgenomen in artikel 7:61 BW en ook een groot aantal verplichtingen zoals opgenomen in artikel 7:60 BW. Slechts de verplichtingen die staan opgenomen in artikel 10, vijfde lid, van de richtlijn gelden niet door de lidstaatoptie.

Onder de aandacht wordt gebracht dat artikel 7:60, vierde lid, BW de consument verplicht te informeren indien sprake is van een gepersonaliseerde aanbieding op basis van geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens. Deze verplichting geldt wel. Dit verschilt van de uitgezonderde verplichting in artikel 10, vijfde lid, onderdeel m, van de richtlijn, waarbij het gaat om het benoemen van de gepersonaliseerde prijs. Ook laat het onverlet de transparantieverplichtingen die op een verwerker of verwerkingsverantwoordelijke rust uit hoofde van de AVG.

Vergunnings- of registratievrijstelling

De richtlijn biedt lidstaten in artikel 37, derde lid, van de richtlijn, de mogelijkheid om uitzonderingen te maken op de vergunnings- of registratieplicht voor kredietbemiddelaars en kredietgevers die leveranciers zijn van roerende zaken of dienstverleners en worden aangemerkt als micro, klein- of middelgrote onderneming in de zin van Aanbeveling van de Commissie betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PbEU 2003, C 1422).

Van de lidstaatoptie uit artikel 37, derde lid, onderdeel a, van de richtlijn, wordt gebruikgemaakt door micro-, kleine- en middelgrote bemiddelaars

die als nevenactiviteit bemiddelen in krediet vrij te stellen van de vergunnings- of registratieplicht. Indien een winkel bijvoorbeeld gebruikmaakt van een derde partij die ‘koop nu, betaal later’-diensten aanbiedt, en zo uitstel van betaling verleent aan de consument, bemiddelt hij in krediet in de zin van de Wft. Omdat de hoofdactiviteit van de winkel doorgaans het verkopen van producten zal zijn, is het wenselijk de regeldruk zo veel mogelijk te beperken door deze mkb-ondernemingen te ontslaan van een vergunning- of registratieplicht bij de AFM. Er is in deze situatie nog steeds sprake van toezicht door de AFM op de bemiddelaar (op grond van de Whc, zie o.a. paragraaf 9), maar over het algemeen zal het toezicht zich toespitsen op de derde partij die de ‘koop nu, betaal later’-diensten aanbiedt.

Er wordt gedeeltelijk gebruikgemaakt van de lidstaatoptie uit artikel 37, derde lid, onderdeel b, van de richtlijn om micro, kleine- en middelgrote aanbieders van krediet19 die als nevenactiviteit krediet aanbieden uit te zonderen van de verplichting om een vergunning aan te vragen bij de AFM. Deze aanbieders worden namelijk in beginsel vrijgesteld van deze vergunningplicht, tenzij zij uitstel van betaling bieden van meer dan 50 dagen (en daarbij geen gebruikmaken van diensten van een derde). Dan valt deze vorm van uitstel van betaling wel onder het toepassingsbereik van de Wft. In die zin wordt dus gedeeltelijk gebruikgemaakt van de genoemde lidstaatoptie. Het is vanuit het oogpunt van bescherming van de consument namelijk niet wenselijk als deze partijen van de vergunningplicht worden uitgezonderd, terwijl de vereisten van de Wft (en Titel 2a, Boek 7 BW) wel voor hen zouden gelden op grond van de artikelen 1:20 Wft jo. 7:58 BW, zie de hoofdlijnen van het voorstel hierboven. Zonder een vergunningplicht zouden de aanbieder en diens kredietactiviteiten met een looptijd van meer dan 50 dagen niet van tevoren worden getoetst en zouden de aanbieders niet in beeld zijn bij de AFM, wat handhaving ingewikkeld zou maken. Indien de aanbieder geen vergunning wenst aan te vragen, staan hem een of meerdere alternatieven open. Allereerst en voornamelijk kan hij de betalingstermijn onder de 50 dagen houden, waarmee hij tevens de toepassing van de Wft en Titel 2a, Boek 7 BW ontwijkt. Daarnaast geldt voor mkb-ondernemingen dat zij een derde aanbieder kunnen inschakelen en zelf als bemiddelaar in nevenactiviteit kunnen optreden, in welke situatie eveneens een vrijstelling geldt.

Productinterventie

Op grond van artikel 41, negende lid, van de richtlijn, mogen lidstaten productinterventiemogelijkheden toekennen aan de nationale bevoegde autoriteiten. Van deze lidstaatoptie wordt gebruikgemaakt om het instrumentarium van de AFM uit te breiden. Hoewel de richtlijn ten opzichte van de CCDI meer en ook recenter ontwikkelde kredietproducten binnen het toepassingsbereik plaatst, is er sprake van een markt die zich snel ontwikkelt. Het is daarom wenselijk dat de AFM ook voor bepaalde kredieten, kredieten met bepaalde kenmerken of bepaalde marktpraktijken bij krediet, die wel onder het toepassingsbereik vallen van de richtlijn, kan beoordelen of ingrijpen nodig is. Hierbij valt onder meer te denken aan producten die voor schuldenproblematiek zorgen, zoals flitskredieten of marktpraktijken waarbij het gemak waarmee het krediet wordt aangegaan reden tot bezorgdheid voor bescherming van de consument vormen. Zo wordt met de productinterventiebevoegdheid geregeld dat de AFM direct kan ingrijpen bij de ontwikkeling of verkoop van schadelijke producten of kredietpraktijken, door deze producten of praktijken te verbieden of te beperken. Dit kan alleen onder de in artikel 1:77q gestelde voorwaarden, namelijk dat ingrijpen alleen mogelijk is indien, naar het redelijke oordeel van de AFM, de bestaande handhavingsmogelijkheden niet toereikend zijn en het krediet of de marktpraktijk een significante reden vormt tot bezorgdheid over de consumentenbescherming. Hiermee wordt de hoofdregel van de productinterventiebevoegdheid opgenomen op wetsniveau. De uitwerking van deze nieuwe productinterventiebevoegdheid vindt plaats in lagere regelgeving, zodat eventuele wijzigingen eenvoudig kunnen plaatsvinden.

§ 5. Verhouding van de richtlijn tot het Unierecht en nationale recht

De richtlijn vormt, waar het gaat om de vereisten met betrekking tot informatieverstrekking en bepaalde rechten van de consument, een aanvulling op de Richtlijn overeenkomsten op afstand.20 In geval van strijdigheid tussen bepalingen van de richtlijn en de Richtlijn overeenkomsten op afstand heeft de richtlijn als lex specialis voorrang.

De richtlijn bevat daarnaast bepalingen om de consument te beschermen tegen oneerlijke of misleidende praktijken. Dit is ook onderwerp van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken,21 die als vangnet blijft fungeren naast de herziene richtlijn consumentenkrediet. Zo wordt in dit wetsvoorstel een koppeling gemaakt tussen bovengenoemde richtlijnen door wijzigingen door te voeren in de artikelen 7:59 en 7:60 BW, waarin wordt verwezen naar de bepalingen in het BW inzake de oneerlijke handelspraktijken die strekken tot implementatie van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken.

Uit overweging 29 en 30 van de preambule van de richtlijn volgt dat deze in overeenstemming is met de rechten op bescherming van persoonsgegevens en geen afbreuk doet aan de AVG. Zo moet de beoordeling van de kredietwaardigheid op grond van artikel 18 van de richtlijn in overeenstemming zijn met het beginsel van minimale gegevensverwerking en mag deze op grond van artikel 18, derde lid, van de richtlijn, geen bijzondere categorieën van persoonsgegevens omvatten.

De kredietwaardigheidsbeoordeling heeft meerdere doelen, waaronder de bescherming van de consument tegen onverantwoorde leningspraktijken en een overmatige schuldenlast. Daarnaast dient de kredietwaardigheidsbeoordeling ter inperking van het kredietrisico voor de kredietgever. De bepalingen die volgen uit de Richtlijn kapitaalsvereisten22 blijven daarom onverminderd van toepassing.

Artikel 40 van de richtlijn regelt dat consumenten toegang hebben tot buitengerechtelijke geschillenbeslechtingprocedures. Uit overweging 88 van de preambule van de richtlijn volgt dat de consument niet alleen toegang moet hebben tot buitengerechtelijke geschillenbeslechtingsprocedures voor beslechting van geschillen die uit de rechten en verplichtingen in verband met kredietovereenkomsten ontstaan, maar ook voor beslechting van precontractuele geschillen over de bij deze richtlijn ingestelde rechten en verplichtingen, bijvoorbeeld in verband met de vereisten op het gebied van precontractuele informatie, adviesdiensten en kredietwaardigheidsbeoordelingen en in verband met de informatie die wordt verstrekt door kredietbemiddelaars die worden vergoed door kredietgevers en dus geen rechtstreekse contractuele band hebben met consumenten. De kwaliteitsvereisten voor de procedures en de instanties die deze procedures aanbieden, volgen uit de Richtlijn ADR consumenten.23 In Nederland hebben consumenten met een geschil met een kredietgever of kredietbemiddelaar toegang tot het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid).

Kredietovereenkomsten ten aanzien van hypothecair krediet vallen buiten het toepassingsbereik van de richtlijn,24 omdat deze overeenkomsten onderwerp zijn van de Richtlijn hypothecair krediet.25 Die richtlijn is geïmplementeerd in Titel 2b, Afdeling 3, Boek 7 BW.

De richtlijn wordt geïmplementeerd in Titel 2a, Afdeling 1, Boek 7 BW. In Afdeling 2 van dezelfde Titel staan bepalingen die reeds bestonden op het moment van implementatie van de CCDI. Deze nationale bepalingen zijn afkomstig uit de Wet op het consumentenkrediet en blijven bestaan naast die in Afdeling 1.

Daarnaast kan er sprake zijn van een krediet dat zowel kwalificeert als consumentenkredietovereenkomst in de zin van Titel 2a, van Boek 7 BW alsmede een goederenkrediet in de zin van Titel 2b, Afdeling 1, van Boek 7 BW. In geval van strijd zijn op grond van artikel 7:85 BW de bepalingen van Titel 2a van toepassing. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van de reikwijdte van de richtlijn naar ‘koop nu, betaal later’-diensten, waarbij het kan voorkomen dat zowel Titel 2a als Titel 2b van toepassing is, bijvoorbeeld wanneer het gaat om ‘koop nu, betaal later’-diensten waarbij uitstel van betaling wordt gegeven en de betaling in termijnen mag worden betaald, waarbij die termijn langer is dan drie maanden.

Artikel 19 van de richtlijn regelt de toegang van kredietgevers tot databanken. Op grond van artikel 4:32 Wft moet een kredietaanbieder deelnemen aan een stelsel van kredietregistratie. Gelijktijdig met de implementatie van de richtlijn, wordt het wetsvoorstel Wet stelsel kredietregistratie voorbereid.26 In dat wetsvoorstel en bijbehorende lagere regelgeving wordt een aantal zaken geregeld dat verband houdt met de richtlijn, waaronder de voorwaarden voor toegang tot het stelsel van kredietregistratie, de kosten voor toegang en raadpleging en de registratiegrens voor opneming van een krediet in het stelsel van kredietregistratie.

Artikel 36 van de richtlijn bevat onder meer de verplichting gericht tot de lidstaten om schuldadviesdiensten beschikbaar te stellen voor consumenten die financiële moeilijkheden ondervinden. In dit wetsvoorstel wordt voor de definitie van schuldadviesdiensten aangesloten bij de definitie van schuldbemiddelen als bedoeld in artikel 48 Wck. Dit zijn onder meer gemeenten, kredietbanken, advocaten, bewindvoerders ingevolge de Faillissementswet, bewindvoerders ingevolge Boek 1 BW en deurwaarders.

Voorschriften inhoudende een minimumleeftijd en leeftijdsverificatie

Voor kredietovereenkomsten in de vorm van uitstel van betaling, waaronder begrepen ‘koop nu, betaal later’-krediet en krediet in de vorm van kaarten met uitgestelde debitering, wordt in dit wetsvoorstel (met de artikelen 4:34b Wft en 7:75, vierde lid, BW) geregeld dat dit krediet verboden wordt voor minderjarige consumenten, omdat zo het doel van de richtlijn om een hoger niveau van consumentenbescherming te bereiken kan worden bewerkstelligd. Tevens wordt bepaald dat overige overeenkomsten inzake krediet, niet zijnde hypothecair krediet, overeenkomstig artikel 1:234 BW, wel door een minderjarige mogen worden aangegaan, maar alleen wanneer sprake is van toestemming van de wettelijke vertegenwoordiger. Deze toestemming mag niet worden verondersteld en moet blijken uit een ondubbelzinnige en duidelijk bevestigende handeling. De toestemming kan dus niet stilzwijgend plaatsvinden. Dit betreft een aanvulling op en specificering van artikel 1:234 BW. In de gevallen dat een consumentenkredietovereenkomst tevens een geldleningsovereenkomst is, is artikel 1:345, eerste lid, onderdeel d, BW van toepassing. Artikel 1:345 BW (over het bewind van de voogd) is van overeenkomstige toepassing op het bewind van ouders (zie artikel 1:253k BW). Voogden en ouders hebben voor het aangaan van een geldlening voor rekening van het kind (op naam van het kind of op eigen naam) toestemming nodig van de kantonrechter. Voordat toestemming wordt verleend door ouders op grond van artikel 1:234 BW aan het kind om zelf een overeenkomst van geldlening aan te gaan, is de toestemming van de kantonrechter nodig.27

De artikelen 4:34b Wft en 7:75, vierde lid, BW, dienen ter bescherming van de minderjarige. De AFM heeft in 2022 een verkenning uitgevoerd naar de opkomst van ‘koop nu, betaal later’-diensten (ook wel ‘buy now, pay later’: BNPL) en de risico’s die daarmee gepaard gaan. In 2025 heeft de AFM een marktupdate uitgebracht.28 Daarin is ook aandacht besteed aan de risico’s voor jongeren. De AFM constateerde dat aanbieders van ‘koop nu, betaal later’-diensten van hun klanten eisen dat zij meerderjarig zijn. Die controles schoten echter tekort, bijvoorbeeld omdat minderjarigen die controles omzeilen. Jongeren zijn volgens de AFM extra kwetsbaar omdat zij geen financiële buffer hebben. Uit recenter onderzoek van de AFM blijkt dat minderjarigen op grote schaal gebruik maken van ‘koop nu, betaal later’-diensten.29 Uit een analyse blijkt dat in 2023 bijna 600.000 iDEAL-transacties, via rekeningen op naam van een minderjarige, zijn verricht die te koppelen zijn aan BNPL-aanbieders. Daarbij vond tot op heden geen of in elk geval geen grondige leeftijdsverificatie plaats. De AFM riep in hetzelfde onderzoek zowel de sector als de wetgever op om het gebruik van ‘koop nu, betaal later’-diensten door minderjarigen te stoppen. Deze wens werd breed gedeeld door andere experts op het gebied van schuldenproblematiek en de Tweede Kamer, waarna de minister van Financiën, de minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen en de minister voor Rechtsbescherming hebben toegezegd verplichte leeftijdsverificatie te onderzoeken.30 Ter uitvoering van de Buy Now, Pay Later (BNPL)-Gedragscode van 30 oktober 2023 spannen aangesloten ‘koop-nu, betaal later’-partijen zich in om – voorafgaand aan het wettelijk verbod op uitstel van betaling voor minderjarigen – volledige leeftijdsverificatie uit te voeren.31

Het wettelijk verbod wordt opgenomen in dit wetsvoorstel, nu ‘koop nu, betaal later’-diensten met dit wetsvoorstel worden gereguleerd en om een hoog niveau van consumentenbescherming te bewerkstelligen. Het verbod beperkt zich echter niet tot ‘koop nu, betaal later’-krediet. De artikelen 4:34b Wft en 7:75, vierde lid, BW, zullen zien op alle kredietovereenkomsten in de vorm van uitstel van betaling. Daarbij moet onder andere ook gedacht worden aan ‘regulier’ uitstel van betaling van roerende zaken of diensten (zonder dat een derde partij het ‘koop nu, betaal later’-krediet aanbiedt) en kaarten met uitgestelde debitering (creditcards). Deze vormen van krediet kunnen vergelijkbare risico’s voor consumenten opleveren. Dit krediet kan gebruikt worden om aankopen te doen van (luxe)goederen- of diensten. Jongeren zijn gevoelig voor beïnvloeding en daaruit volgende impulsaankopen, voor zowel kleine als grote bedragen. Daarbij overziet de jongere niet altijd of hij of zij deze aankopen ook kan betalen. Het is noodzakelijk om schuldgewenning bij jongeren tegen te gaan en het aangaan van deze vormen van krediet te verbieden voor minderjarigen. Te meer omdat zij, bij gebrek aan financiële buffers, financieel kwetsbaar zijn.

Bovenstaande rechtvaardigt het leeftijdsonderscheid voor deze kredietovereenkomsten, overeenkomstig artikel 1 van de Grondwet en artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Het leeftijdsonderscheid voldoet bovendien aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit, omdat bescherming niet effectief op een andere wijze kan worden bereikt dan middels een wettelijk verbod. De huidige praktijk laat dat zien. Op dit moment eisen aanbieders van ‘koop nu, betaal later’-diensten namelijk van hun klanten dat ze meerderjarig zijn, maar de controles hierop worden omzeild door minderjarigen (zoals hierboven beschreven). In de marktupdate van de AFM over ‘koop nu, betaal later’-diensten staat dat zij in 2023, via rekeningen op naam van een minderjarige, bijna 600.000 iDEAL transacties heeft geconstateerd die zijn te linken aan BNPL-aanbieders. Het gaat om gebruikers in de leeftijd van 13 tot en met 17 jaar, die waarschijnlijk de leeftijdscontroles omzeilen.32 Dit is een aanzienlijk aantal transacties en geeft de noodzaak weer om maatregelen te nemen.

Met een wettelijk verbod verdwijnt de vrijblijvendheid voor aanbieders van ‘koop nu, betaal later’-diensten om al dan niet krediet te verlenen aan minderjarigen. Een wettelijk verbod, inclusief de handhaving daarop, zorgt ervoor dat, indien de verlening van krediet aan minderjarigen bewezen kan worden, sanctionering van deze aanbieders van ‘koop nu, betaal later’-diensten tot de mogelijkheden behoort. De verwachting is dat dit effectief zal zijn.

Bovendien is een wettelijk verbod ook proportioneel, omdat minderjarigen in het algemeen kwetsbaar zijn. Zij hebben vaak nog geen financiële buffer en zijn veelal financieel afhankelijk van hun ouders. De gevolgen van schulden op jonge leeftijd kunnen groot zijn en zorgen voor een minder goed begin van het volwassen financiële leven. Het is belangrijk om dit zo veel mogelijk te voorkomen. Dit maakt dat een verbod op ‘koop nu, betaal later’-diensten voor alle minderjarigen gerechtvaardigd is, ongeacht het feit dat de individuele situatie van elke minderjarige verschilt en er ook minderjarigen zijn die al op jonge leeftijd goed omgaan met ‘koop nu, betaal later’-diensten. Er is geen minder vergaand alternatief voor een wettelijk verbod dat effectief is. Een kredietwaardigheidsbeoordeling van minderjarigen zou een minder vergaande maatregel zijn, maar dit voorkomt niet dat een minderjarige na een positieve kredietwaardigheidsbeoordeling toch schulden maakt door ‘koop nu, betaal later’-diensten. Met een wettelijk verbod is dit uitgesloten.

Bovendien vallen op dit moment slechts vier aanbieders van ‘koop nu, betaal later’-diensten onder de huidige gedragscode en bijvoorbeeld niet de aanbieders van kaarten met uitgestelde debitering (momenteel vijf) en platforms die uitgetelde betaling aanbieden. Een wettelijk verbod dient daarmee niet alleen een gelijke bescherming van jongeren, maar ook een gelijk speelveld tussen aanbieders van uitgestelde betaling en kaarten met uitgestelde debitering.

Hoewel dit wel nodig is voor krediet in de vorm van uitstel van betaling, is het niet nodig om een totaalverbod voor elke vorm van krediet voor minderjarigen in te voeren. Er zijn immers redenen denkbaar op grond waarvan het voor (ondernemende) minderjarigen nuttig en bovendien leerzaam kan zijn om een regulier krediet af te sluiten. De noodzaak en aanleiding voor een verbod om regulier krediet aan minderjarigen aan te bieden ontbreken dan ook op dit moment. Jongeren blijven hierbij beschermd, want voor het aangaan van deze kredietovereenkomsten zal altijd toestemming nodig zijn van de wettelijke vertegenwoordiger van de jongere en die toestemming zal een ondubbelzinnige en duidelijk bevestigende handeling vereisen. Die eisen worden mede voorgeschreven vanuit handhavingsoogpunt. De AFM moet achteraf immers kunnen nagaan of toestemming aanwezig was, ook bij deze andere kredietvormen. Daarnaast blijft voor kredietovereenkomsten van geldlening artikel 1:345 eerste lid, onderdeel d, BW, onverminderd van toepassing en kan een wettelijke vertegenwoordiger geen toestemming verlenen zonder een machtiging van de kantonrechter.

Er wordt gekozen voor zowel een privaat- als publiekrechtelijke norm. Allereerst is het gezien de eerder geschetste problematiek van belang dat de AFM kan handhaven op het niet-naleven van het verbod en de verplichting tot leeftijdsverificatie. Het verbod en de verplichting tot leeftijdsverificatie wordt daarom opgenomen in de Wft en richt zich tot de aanbieder. Aan het BW wordt een spiegelbepaling toegevoegd, om de voorwaarden voor het inroepen van de civielrechtelijke rechten van de minderjarige consument gelijk te trekken met de regels uit de Wft. De wettelijke vertegenwoordiger van de minderjarige kan de kredietovereenkomst vernietigen, indien niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 7:75, vierde lid, BW. Dit houdt in dat als een kredietgever toch een kredietovereenkomst met een minderjarige heeft gesloten, deze overeenkomst vernietigbaar is. Het nieuwe vierde lid van artikel 7:75 BW is een bepaling die uitsluitend strekt ter bescherming van één der partijen (de consument) bij een meerzijdige rechtshandeling (het sluiten van de kredietovereenkomst). Dat sprake is van bescherming van de consument blijkt uit artikel 7:83 BW. Dit artikel bepaalt dat in afdeling 2 van Titel 2a – waaronder artikel 7:75 BW valt – niet ten nadele van de consument kan worden afgeweken. Afwijking ten nadele van de consument leidt tot vernietigbaarheid waarop de consument een beroep moet doen. In het geval van een rechtshandeling tot het aangaan van een consumentenkrediet dat niet voorziet in uitstel van betaling en waarbij de toestemming van de wettelijke vertegenwoordigers is gegeven, maar de kantonrechter geen toestemming heeft gegeven conform 1:345 eerste lid, onderdeel d, BW, regelt artikel 1:347 BW de vernietigbaarheid van die rechtshandeling. Als het gaat om een rechtshandeling tot het aangaan van een consumentenkrediet dat voorziet in uitstel van betaling of een rechtshandeling tot het aangaan van een consumentenkrediet dat niet voorziet in uitstel van betaling, maar waarbij de toestemming van de wettelijke vertegenwoordiger ontbreekt, regelt artikel 3:40, tweede lid, BW, de vernietigbaarheid.

§ 6. Juridische en overige niet-financiële gevolgen

Uitbreiding toepassingsbereik kredietaanbieders

Als gevolg van de richtlijn komen bepaalde groepen aanbieders van krediet nieuw onder het toepassingsbereik van de Wft te vallen (hierna aangeduid als: ‘nieuwe aanbieders’). Dat zijn aanbieders van ‘koop nu, betaal later’-diensten, kaarten met uitgestelde debitering, huur- of leasingsovereenkomsten met een optie tot koop van het object en een geoorloofde debetstand die binnen een maand moet worden afgelost. Hieronder wordt een inschatting gegeven van de omvang van de groepen nieuwe aanbieders.

‘Koop nu, betaal later’-diensten

Er zijn momenteel zeven aanbieders die – als derde – ‘koop nu, betaal later’-diensten leveren aan leveranciers van roerende zaken of diensten (veelal winkels). Daarnaast zijn er enkele online platforms die zélf ‘koop nu, betaal later’-diensten aanbieden. Dit bieden zij zowel aan voor eigen producten als voor producten die andere, aangesloten partijen via het platform verkopen. In beide gevallen kwalificeert uitstel van betaling als krediet. Er zijn op dit moment drie platforms geïdentificeerd die ‘koop nu, betaal later’-diensten aanbieden voor derde partijen die via het platform producten of diensten verkopen. Samen komt dit dus uit op tien aanbieders van krediet in deze subcategorie.

Kaarten met uitgestelde debitering

Er zijn op dit moment vijf actieve aanbieders van kaarten met uitgestelde debitering. De kans bestaat dat dit aantal zal toenemen. Voorheen waren er vier actieve aanbieders van kaarten met uitgestelde debitering, maar onlangs is ook een aanbieder van ‘koop nu, betaal later’-diensten (eveneens) krediet gaan aanbieden in de vorm van kaarten met uitgestelde debitering.

Huur- of leasingsovereenkomsten met een optie tot koop

Aangezien huur- of verhuurovereenkomsten met een optie tot koop niet langer van het toepassingsgebied zijn uitgezonderd, is de verwachting dat een aantal aanbieders hiervan vergunningplichtig wordt. Hoeveel precies is onduidelijk en afhankelijk van de omstandigheden, zoals de karakteristieken van de overeenkomst waarvan aanbieders gebruikmaken. Naar schatting gaat het om ongeveer vijftig aanbieders (variërend van aanbieders van autolease tot aanbieders van witgoed), waarbij wordt opgemerkt dat een groot deel van deze partijen mogelijk het aanbod aanpast om buiten het toepassingsbereik van de richtlijn en de Wft te blijven.

In totaal gaat dit voorstel uit van (7+3+4+50=) 64 nieuwe aanbieders.

Uitbreiding toepassingsbereik kredietbemiddelaars

Leveranciers van roerende zaken of diensten, zoals winkels, die gebruikmaken van ‘koop nu, betaal later’-diensten van een derde, treden op als bemiddelaar in krediet en vallen daarmee nieuw onder het toepassingsbereik. Voor dit voorstel is een inschatting gemaakt dat het gaat om 80 partijen.

Aangezien huurovereenkomsten met een optie tot koop of intentie tot koop eveneens niet langer van het toepassingsgebied zijn uitgezonderd, zullen mogelijk ook nieuwe partijen optreden als bemiddelaar in krediet. Net als geldt voor het aantal nieuwe aanbieders, is niet duidelijk om hoeveel nieuwe partijen dit gaat. Mogelijk gaat het om 50 tot 80 nieuwe partijen.

In paragraaf 7 hieronder over financiële gevolgen wordt ingegaan op de eenmalige en structurele toezichtskosten en de eenmalige en structurele nalevingskosten voor zowel nieuwe aanbieders als ‘bestaande aanbieders’ die – anders dan nieuwe aanbieders – reeds onder het toepassingsbereik van de CCDI vielen.

Consumentenbescherming en toegang tot krediet

Nu er meer (veelal kortlopende) vormen van krediet onder het toepassingsgebied van de Wft zullen komen te vallen, zal de consumentenbescherming bij het aangaan van en gedurende de looptijd van de kredietovereenkomst toenemen. Ook deze aanbieders worden verplicht om onder andere een kredietwaardigheidsbeoordeling uit te voeren en de consument van duidelijke (pre)contractuele informatie te voorzien. Nieuwe maar ook bestaande aanbieders van krediet (die al onder de Wft vielen) worden daarnaast verplicht een mate van respijt aan te houden alvorens een tenuitvoerleggingsprocedure te beginnen en om processen en beleid te hanteren voor vroegtijdige opsporing van consumenten die in financiële moeilijkheden verkeren. Dat zijn positieve gevolgen voor de consument. Tegelijkertijd zal extra regulering, waaronder toezichtskosten en nalevingskosten, ervoor zorgen dat het aanbod van voornoemd krediet duurder wordt en valt het niet uit te sluiten dat het aanbod afneemt. Zodoende kan toegenomen consumentenbescherming ten koste gaan van de prijs en eventueel het aanbod. Dit terwijl eenvoudig verkrijgbare, kortlopende kredietvormen huishoudens ook kunnen helpen hun budget beter aan te passen aan een maandinkomen en bijvoorbeeld timingsverschillen kunnen gladstrijken tussen inkomsten en uitgaven.33 Voor huishoudens met een smalle beurs voor wie dergelijk krediet een welkome aanvulling op mogelijkheden tot budgetbeheer vormt, kan dit betekenen dat zij in mindere mate toegang zullen hebben tot krediet. Het wetsvoorstel probeert in de afweging van deze belangen een balans te vinden.

Zicht op (betalingsproblemen bij) opkomende, voorheen ongereguleerde kredietvormen

Aanbieders die onder het toepassingsbereik van de richtlijn zijn komen te vallen, worden verplicht aan te sluiten bij een stelsel van kredietregistratie. Dit houdt in dat zij zowel kredieten dienen te registreren bij BKR, als BKR moeten raadplegen voorafgaand aan het verstrekken van krediet. Op individueel niveau vermindert dit het risico op overkreditering. Daarnaast wordt met de nieuw te verkrijgen BKR-gegevens op macroniveau voorkomen dat potentieel ernstige schuldenproblematiek zich aan het oog van de AFM en de maatschappij onttrekt en dat kredietnemers te veel niet-passende schulden aangaan.34 Door de aansluiting van nieuwe aanbieders bij BKR, verkrijgt de AFM het nodige inzicht hierin, wat haar beter in staat stelt haar toezichthoudende en signalerende functie te vervullen. De andere kant van de medaille is dat op individueel niveau, een BKR-registratie tijdelijk gevolgen kan hebben voor de toegang van een consument tot nieuw krediet. De voorwaarden voor registratie in BKR worden geregeld in het Wetsvoorstel stelsel kredietregistratie, zoals toegelicht in paragraaf 5.

Doenvermogen

Bij beleidsvorming moet rekening worden gehouden met het doenvermogen van burgers, zzp’ers en het (kleine) mkb,35 indien het beleid op hen gericht is. De bedoeling en verwachting is dat de positie van de consumenten zal verbeteren als gevolg van dit wetsvoorstel. Wel is het zo dat consumenten vaker, bijvoorbeeld bij ‘koop nu, betaal later’-krediet en kaarten met uitgestelde debitering, een kredietwaardigheidsbeoordeling moeten ondergaan. Hiervoor moeten zij – in het eigen belang van de consument – (extra) inspanningen verrichten zoals het aanleveren van financiële en overige persoonsgegevens. Dit gaat om dezelfde (inspanningen voor een) kredietwaardigheidsbeoordeling als bij andere, reeds gereguleerde vormen van krediet. Er zijn geen aanwijzingen dat consumenten bij deze kredietwaardigheidsbeoordelingen de gevraagde handelingen onvoldoende begrijpen en/of deze niet kunnen uitvoeren.

Verder zullen consumenten bij een kredietaanvraag precontractuele informatie ontvangen en waar nodig moeten beoordelen. Zoals hierboven in paragraaf 2 beschreven, wijzigt de richtlijn de voorgeschreven precontractuele informatie (het ESIC-formulier) en houdt deze meer rekening met gedragsinzichten en het doenvermogen van consumenten. Dit wetsvoorstel betreft hierin een positieve ontwikkeling voor het doenvermogen van consumenten.

Ook worden extra voorwaarden gesteld aan de instemming van een consument voor het aangaan van een kredietovereenkomst of nevendienst, indien er gebruikt wordt gemaakt van standaardopties. Consumenten kunnen in geval van standaardopties slechts instemmen door middel van een ondubbelzinnige en duidelijke bevestigende handeling die een vrije, specifieke, geïnformeerde en ondubbelzinnige aanwijzing vormt van de goedkeuring door de consument van de inhoud van de standaardopties en de betekenis daarvan. Dit is eveneens ter bescherming van de positie van consumenten en het is niet de verwachting dat dit het doenvermogen van de consumenten wezenlijk zal beïnvloeden.

Voor het kleine mkb is het ook niet de verwachting dat dit wetsvoorstel hun doenvermogen noemenswaardig zal beïnvloeden. Indien mkb-ondernemingen bemiddelen in ‘koop nu, betaal later’-krediet zijn deze volledig uitgezonderd van de AFM-vergunningplicht. Als mkb-ondernemingen zelf uitstel van betaling willen verlenen van meer dan vijftig dagen, worden zij in beginsel vergunningplichtig. Zoals hieronder in paragraaf 7 echter geschreven onder het kopje ‘toepassingsbereik’, is het de zeer sterke verwachting dat mkb-ondernemingen geen uitstel van betaling van meer dan 50 dagen zullen verlenen om zodoende niet vergunningplichtig te worden. Dit heeft dan ook geen impact op het doenvermogen van het kleine mkb. Voor het overige heeft dit wetsvoorstel geen gevolgen voor het kleine mkb.

Waarborgen omtrent verwerking van persoonsgegevens

Dit wetsvoorstel stelt extra kaders waaraan de kredietwaardigheidsbeoordeling door kredietgevers van (potentiële) klanten moet voldoen. Bij de kredietwaardigheidsbeoordeling mag geen informatie van digitale sociale netwerken worden gebruikt. Daarnaast mogen geen bijzondere categorieën van persoonsgegevens worden gebruikt in de kredietwaardigheidsbeoordeling.

Gezien de aard van dit wetsvoorstel is een Data Protection Impact Assessment (DPIA) uitgevoerd. Met behulp hiervan zijn op gestructureerde wijze de gevolgen en risico’s voor gegevensbescherming in kaart gebracht. Hierbij is onder meer aandacht besteed aan de beginselen van gegevensminimalisering en de maatregelen en waarborgen om de risico’s ten aanzien van de gegevensverwerking zoveel mogelijk te beperken.

Financiële educatie

In aanvulling op dit wetsvoorstel continueert de regering de maatregelen die zij heeft genomen ter ondersteuning van de educatie van consumenten met betrekking tot het verantwoordelijk lenen van geld en beheren van schulden. Dit doet zij onder meer via het platform Wijzer in geldzaken en de publieke campagnes of de lespakketten die in dat kader worden verstrekt.

§ 7. Bedrijfseffecten en financiële gevolgen

Dit wetsvoorstel zal gevolgen hebben voor zowel ‘nieuwe aanbieders’ (kredietaanbieders die nieuw onder het toepassingsgebied van de Wft en het BW komen te vallen, zie paragraaf 6 hierboven) als ‘bestaande aanbieders’ die reeds hieronder vielen (maar voor wie er nieuwe of gewijzigde regels gaan gelden). Voor nieuwe aanbieders zal gelden dat zij onder meer een vergunning moeten aanvragen voor het aanbieden van krediet en aan bepaalde gedragsregels uit de Wft moeten voldoen, zoals de verplichting een kredietwaardigheidsbeoordeling bij (potentiële) klanten uit te voeren. Deze extra werkzaamheden brengen kosten met zich mee (hieronder in deze paragraaf uiteengezet) die mogelijk niet zonder aanpassing van het bedrijfsmodel kunnen worden opgevangen. Voor aanbieders van ‘koop nu, betaal later’-krediet lijkt het aannemelijk dat de huidige, stevige concurrentie tussen partijen hierdoor verder zal toenemen. Voor aanbieders van kaarten met uitgestelde debitering zal gelden dat aanbieders in ieder geval op grond van de nieuwe regels ten aanzien van (precontractuele) kosteninformatie de kosten voor het kredietproduct moeten splitsen van de kosten van overige voordelen.

Het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR) heeft geadviseerd over de openbaar geconsulteerde versie van het wetsvoorstel, deze memorie van toelichting en de regeldrukgevolgen die daaruit voortkomen. In zijn advies heeft het ATR dertien adviespunten aangedragen om de richtlijn dan wel zo lastenluw mogelijk te implementeren, dan wel meer inhoudelijk te motiveren waarom – met het oog op lastenluwe implementatie – bepaalde beleidskeuzes zijn gemaakt. In paragraaf 11 hieronder is uiteengezet hoe deze adviespunten in het wetsvoorstel en deze memorie zijn verwerkt. In het vervolg van deze paragraaf wordt ingegaan op de belangrijkste bedrijfseffecten van dit wetsvoorstel: de financiële gevolgen.

Er wordt onderscheid gemaakt tussen toezichtskosten enerzijds en nalevingskosten anderzijds. De eerste categorie kosten houdt verband met de vergunning van de financiële dienstverlener en de kosten als gevolg van AFM-toezicht. De kosten voor het toezicht van de AFM worden doorberekend aan de instellingen onder toezicht en volgen uit de Regeling bekostiging financieel toezicht. Nalevingskosten zijn de kosten die een financiële dienstverlener naar verwachting moet maken om te voldoen aan de verplichtingen uit de richtlijn. Beide typen kosten kunnen zowel incidenteel als structureel van aard zijn. Bij de bepaling van de kosten wordt gekeken naar de verandering die optreedt ten opzichte van de reeds bestaande situatie. Voor sommige groepen financiële dienstverleners is de lastendruk hoger dan voor andere groepen financiële dienstverleners. Deze paragraaf staat allereerst stil bij het toepassingsbereik van de richtlijn, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen nieuwe en bestaande aanbieders. Hierna wordt een inschatting gegeven van zowel de eenmalige als structurele toezichts- en nalevingskosten per onderwerp van de richtlijn per doelgroep. De eenmalige toezichtskosten en eenmalige en structurele nalevingskosten worden voor het overzicht hieronder ook in tabellen weergegeven.

Toepassingsbereik

Bestaande aanbieders

Voor een groot deel van aanbieders van krediet geldt dat zij reeds onder het bereik van de Wft en Titel 2a, Afdeling 1, van Boek 7 BW vielen als gevolg van de CCDI (de ‘bestaande aanbieders’). Deze partijen hebben reeds een AFM-vergunning in het kader waarvan zij al toezichtskosten moeten betalen. Alleen de nalevingskosten zullen op enkele punten stijgen, zoals hierna toegelicht. Voor aanbieders van krediet in de vorm van een geoorloofde debetstand geldt dat zij gedeeltelijk al onder de Wft vielen. Waar sprake was van aflossing binnen een maand, was de Wft helemaal niet van toepassing. Waar sprake was van aflossing binnen drie maanden, was een gedeelte van de Wft van toepassing. De eerste groep zal voor het eerst onder toezicht komen te vallen en wordt meegerekend in de groep ‘nieuwe aanbieders’. De tweede groep valt reeds onder toezicht, maar op hen worden extra verplichtingen van toepassing als gevolg van het vervallen van het maatwerkregime. Voor aanbieders van krediet in de vorm van een overschrijding geldt dat zij reeds onder de CCDI vielen, maar dat op grond van de richtlijn enkele nieuwe verplichtingen op hen van toepassing worden. De nalevingskosten voor deze partijen zijn daarmee vergelijkbaar met de nalevingskosten voor bestaande partijen en worden hierna samen aangeduid als bestaande aanbieders. Er wordt uitgegaan van 34 bestaande aanbieders.

Nieuwe aanbieders

Hierboven in paragraaf 6 is beschreven dat bepaalde groepen aanbieders van krediet voor de eerste keer onder het toepassingsbereik zullen komen te vallen (nieuwe aanbieders). Dit gaat om ongeveer 64 aanbieders van ‘koop nu, betaal later’-diensten, kaarten met uitgestelde debitering, huur- of leasingsovereenkomsten met een optie tot koop van het object en een geoorloofde debetstand die binnen een maand moet worden afgelost.

Opgemerkt zij dat bij de nieuwe aanbieders niet worden meegerekend de micro, kleine- en middelgrote aanbieders van krediet36 die als nevenactiviteit krediet aanbieden in de vorm van uitstel van betaling van meer dan 50 dagen waardoor dit onder de Wft zou vallen en zij vergunningplichtig zouden worden. Hoewel het theoretisch mogelijk is dat deze mkb-ondernemingen een AFM-vergunning zouden aanvragen voor het aanbieden van krediet, is het de zeer sterke verwachting dat dit voor bijna geen enkele onderneming wenselijk zou zijn, voornamelijk vanwege de daarmee gemoeide kosten, zoals hieronder uiteengezet. Indien mkb-ondernemingen zélf uitstel van betaling bieden (dus zonder tussenkomst van een derde), zullen zij dit naar verwachting dus doen voor een looptijd van minder dan 50 dagen om zo niet als kredietaanbieder te kwalificeren. Dit wetsvoorstel leidt dus niet tot toezichtskosten voor deze groep. De enige nalevingskosten voor deze groep mkb-ondernemingen die overweegt voor lange tijd uitstel van betaling te verlenen, bestaan uit de kosten van kennisname van de toepasselijke wetgeving. Een hoogopgeleide werknemer is hier naar schatting één uur aan kwijt. De eenmalige nalevingskosten voor deze beperkte groep mkb-ondernemingen bedragen naar schatting dus (1*54=) €54.

Eenmalige toezichtskosten AFM

De eenmalige regeldrukkosten voor een nieuwe aanbieder bestaan uit aan de AFM verschuldigde heffingen voor de behandeling van zijn vergunningaanvraag. Bij de behandeling van de vergunningaanvraag beoordeelt de AFM onder meer of de (voorgenomen) dienstverlening en bedrijfsvoering van de aanvrager voldoen aan de daarvoor geldende wettelijke voorschriften. Daarbij dient de AFM te beoordelen of de aanvrager beschikt over robuuste governanceregelingen en adequate interne controlemechanismen. Voor de behandeling van die vergunningaanvraag zal een bedrag van €14.600 verschuldigd zijn. Met de in het kader van de behandeling van de vergunningaanvraag te beoordelen betrouwbaarheid van de dagelijks beleidsbepalers, medebeleidsbepalers en leden van het toezichthoudend orgaan is een bedrag van €700 per persoon gemoeid. Voor het in het kader van de behandeling van de vergunningaanvraag toetsen van de geschiktheid van de dagelijks beleidsbepalers en leden van het toezichthoudend orgaan van de kredietaanbieder zal een heffing van €2.900 per persoon verschuldigd zijn. Voor de behandeling van de vergunningaanvraag en de uitvoering van de betrouwbaarheids- en geschiktheidstoetsen is derhalve tenminste €21.800 (€14.600 + 2*€700 + 2*€2.900) verschuldigd. Ten behoeve van de beoordeling van de vergunningaanvraag en het doorvoeren van de betrouwbaarheids- en geschiktheidstoetsingen zal een kredietaanbieder kosten moeten maken voor het opstellen, verzamelen en verzenden van de daartoe benodigde gegevens en bescheiden. Naar schatting zal een hoogopgeleide medewerker van een kredietaanbieder hier 40 uur aan kwijt zijn. De eenmalige regeldruklasten daarvoor bedragen naar schatting €2160 (40*€54). In totaal komen de (minimale) eenmalige regeldrukkosten voor een kredietaanbieder daarmee op € 23.960 (€21.800 + €2.160).

Eenmalige toezichtskosten nieuwe aanbieders (excl. ‘koop nu, betaal later’-aanbieders)
Vergunningaanvraag €14.600
Betrouwbaarheidstoets (2x) €1.400
Geschiktheidstoets (2x) €5.800
Voorbereidende werkzaamheden €2.160
Totaal €23.960

Voor aanbieders van kaarten met uitgestelde debitering geldt dat zij op grond van artikel 2:61 Wft mogelijk gebruik kunnen maken van een uitzondering op de vergunningplicht van artikel 2:60 Wft, bijvoorbeeld omdat zij een bank zijn. Voor hen gelden dan geen eenmalige toezichtskosten.

Voor aanbieders van ‘koop nu, betaal later’-diensten gaat gelden dat zij op grond van artikel 2:81, vierde lid, Wft, verantwoordelijk zijn voor de registratie van registratieplichtige partijen die voor hen bemiddelen.37 De aanbieder, waar het toezicht zich voornamelijk op zal richten, draagt de kosten van de aanmelding. Naar schatting zal een hoogopgeleide medewerker van een kredietaanbieder hier drie uur aan kwijt zijn ad €54 per aanmelding. De kosten die de AFM in rekening brengt voor het in behandeling nemen van de registratie zullen naar verwachting €300 bedragen. In totaal komen de eenmalige regeldrukkosten per registratie van een registratieplichtige bemiddelaar in ‘koop nu, betaal later’-krediet daarmee op €462 (3*€54 + €300). Bij een geschat gemiddelde van 30 registraties (afhankelijk van het marktaandeel van de aanbieder van ‘koop nu, betaal later’-diensten, in totaal gaat het om 80 bemiddelaars) gaat dit om een bedrag van (30*€462)= €13.860. Voor grote bemiddelaars in ‘koop nu, betaal later’-krediet zullen geen eenmalige toezichtskosten van toepassing zijn en zullen de regeldrukkosten ter voorbereiding van de registratie waarschijnlijk beperkt zijn.

Eenmalige toezichtskosten nieuwe ‘koop nu, betaal later’-aanbieders
Vergunningaanvraag €14.600
Betrouwbaarheidstoets (2x) €1.400
Geschiktheidstoets (2x) €5.800
Voorbereidende werkzaamheden €2.160
Registreren ‘koop nu, betaal later’-kredietbemiddelaars (30x) €13.860
Totaal €37.820

Tot slot gaat voor het grootbedrijf dat optreedt als bemiddelaar in ‘koop nu, betaal later’-krediet het normale regime van een vergunningplicht op grond van artikel 2:80 Wft gelden indien zij bemiddelen in krediet met een looptijd langer drie maanden. Zij kunnen dan immers niet gebruikmaken van het lichtere regime van de registratieplicht zoals hierboven beschreven, dat alleen geldt voor kortlopende kredieten. Hierdoor zouden zij eveneens eenmalige toezichtskosten verschuldigd zijn. Aangezien grote bemiddelaars niet onder een vergunningplicht zullen willen komen te vallen, zullen zij naar verwachting ervoor zorgen dat de kredieten die worden aangeboden de genoemde termijn van drie maanden niet overschrijden. De eenmalige toezichtskosten volgend uit de vergunningplicht worden dus geschat op nihil. Het zou kunnen dat het bedrijfsmodel van ‘koop nu, betaal later’-aanbieders en het grootbedrijf dat met hen samenwerkt in de toekomst grondig wordt herzien, en dat krediet wordt aangeboden met een (veel) langere looptijd. Hierdoor zouden deze kosten wel verschuldigd worden. Dit scenario lijkt momenteel echter niet reëel.

Doorlopende toezichtskosten AFM

Voor nieuwe en bestaande kredietaanbieders geldt dat zij naast de eenmalige kosten voor het aanvragen van de vergunning bij de AFM tevens doorlopende toezichtskosten betalen. De kosten bestaan uit een basisbedrag van €2.568 per jaar (gebaseerd op kalenderjaar 2024) + €7,77 per klant. Vanaf 5000 klanten geldt een staffel met fors lagere variabele kosten. De doorlopende toezichtskosten voor een kredietaanbieder komen daarmee minimaal op €2568.

Eenmalige en structurele nalevingskosten, niet zijnde toezichtskosten

De verplichtingen uit de richtlijn waar naar verwachting nalevingskosten uit voortvloeien zien op de precontractuele-informatieverplichtingen, kredietwaardigheidsbeoordeling, toegang tot een databank (BKR), inhoud van de kredietovereenkomst, vroegsignalering en doorverwijzing van de consument bij financiële problemen, gedragsregels, vakbekwaamheidseisen en ten slotte de interne klachtprocedure en aansluiting bij een geschilleninstantie.

Precontractuele informatie en de inhoud van de overeenkomst (artikelen 9, 10, 12, 13, 20, 21, 24 en 25 en 38 van de richtlijn

Voor nieuwe aanbieders worden de precontractuele-informatieverplichtingen op grond van de richtlijn geheel nieuw. Naleving hiervan vergt een eenmalige investering om de bedrijfssystemen – waaronder automatiseringssystemen – zodanig aan te passen dat de voorgeschreven (standaard)informatie bij elke kredietverlening eenvoudig kan worden verstrekt. De eenmalige aanpassingskosten kunnen per onderneming aanzienlijk verschillen, omdat deze onder meer afhankelijk zijn van de grootte van de onderneming en de gebruikte systemen. Ook zijn deze afhankelijk van het type kredietovereenkomst dat doorgaans wordt verstrekt. Dit omdat voor bepaalde kredieten een minder zwaar, proportioneel informatieverstrekkingsregime geldt, als gevolg van de gebruikmaking van de lidstaatoptie uit artikel 2, achtste lid, van de richtlijn. Al met al worden de kosten geschat op €50.000 tot €100.000.

In het implementatiewetsvoorstel van de CCDI werden de kosten voor aanpassing van de systemen om te kunnen voldoen aan precontractuele-informatieverplichtingen gezamenlijk geschat op €30.000.38 Deze schatting wordt ook in dit voorstel aangehouden, maar gecorrigeerd conform de inflatiecorrectie zoals toegepast in de richtlijn.39 Aldus worden deze eenmalige kosten geschat op €40.000. De systemen dienen bovendien periodiek bijgehouden gehouden te worden. De kosten hiervoor worden geschat op €3.000 tot €15.000 per jaar.

Voor bestaande aanbieders geldt dat de bepalingen inzake precontractuele informatie en de vereisten aan de inhoud van de kredietovereenkomst in dit wetsvoorstel worden aangevuld ten opzichte van de CCDI. De aanpassingen houden in dat kredietaanbieders en kredietbemiddelaars een adequate toelichting dienen te verstrekken bij voorgestelde kredietovereenkomsten en eventuele nevendiensten. Daarnaast komt er een extra informatieplicht voor kredietaanbieders wanneer zij gebruikmaken van geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens om een gepersonaliseerd aanbod aan te kunnen doen en stelt de richtlijn eisen ten aanzien van het standaard ESIC-formulier. Om aan deze verplichtingen te voldoen, zullen aanbieders eenmalig aanpassingen moeten doorvoeren in de precontractuele-informatiedocumenten. Dit kost een hoogopgeleide medewerker (uurloon €54) naar schatting twintig uur, waardoor de kostenraming hiervoor uitkomt op (20*54=) €1.080 per type kredietproduct.

Voor kredietbemiddelaars zullen – tot slot – de eenmalige en structurele nalevingskosten beperkt zijn in vergelijking met de kosten voor aanbieders. In de meeste gevallen zullen namelijk de aanbieders (en niet de bemiddelaars) de consument voorzien van de verplichte (pre)contractuele informatie, behoudens wellicht de informatie genoemd in artikel 38 van de richtlijn. Kredietbemiddelaars zullen naar verwachting voornamelijk kosten maken tijdens de afstemming met de aanbieder om ervoor te zorgen dat juist en volledig aan alle precontractuele-informatieverplichtingen wordt voldaan. De eenmalige nalevingskosten voor nieuwe kredietbemiddelaars worden geschat op €5.000 tot €10.000 en de structurele nalevingskosten op €500 tot €5.000 per jaar per bemiddelaar.

Kredietwaardigheidsbeoordeling (artikel 18 en 19 van de richtlijn)

De kredietwaardigheidsbeoordeling zal voor nieuwe aanbieders eenmalige en structurele nalevingskosten opleveren die zij op dit moment nog niet dragen. Zij moeten hiervoor processen inrichten en beleid opstellen, waarvoor de eenmalige nalevingskosten worden geschat op €25.000 tot €250.000. De structurele nalevingskosten, bestaande uit het onderhoud van de relevante ICT-systemen en het in stand houden van het beleid en de processen ten aanzien van de kredietwaardigheidsbeoordeling, bedragen naar schatting tussen €15.000 en €100.000 op jaarbasis.

Indien een kredietwaardigheidsbeoordeling niet geautomatiseerd kan worden uitgevoerd, zal dit handmatig moeten gebeuren. Voor welk percentage van de beoordelingen dit geldt, hangt voornamelijk af van de kredietsoort die de aanbieder doorgaans verstrekt en het bedrijfsmodel van de aanbieder. Naar verwachting zullen bijvoorbeeld grote aanbieders (zoals van bijvoorbeeld ‘koop nu, betaal later’-diensten) zeer weinig kredietwaardigheidsbeoordelingen handmatig uitvoeren, terwijl andere aanbieders, bijvoorbeeld van (luxere) kaarten met uitgestelde debitering dat vaker ook handmatig zullen doen. Alles afwegende gaat dit voorstel uit van 2.500 tot 15.000 handmatige beoordelingen per aanbieder. Verwacht wordt dat een administratief medewerker (uurloon €39) per beoordeling gemiddeld een halfuur bezig is, waardoor de additionele, geschatte, structurele nalevingskosten voor nieuwe aanbieders op dit punt uitkomen op jaarlijks (0,5*2.500*39=) €48.750 tot (0.5*15.000*39=) €292.500.

De kredietwaardigheidsbeoordeling moet op grond van artikel 18 van de richtlijn daarnaast ook aan aanvullende eisen voldoen die op grond van de CCDI nog niet golden. De hiermee gemoeide kosten zijn nieuw voor zowel nieuwe als voor bestaande aanbieders. Voornamelijk relevant is dat de van de consument te ontvangen informatie geen bijzondere categorieën van persoonsgegevens in de zin van de AVG mag bevatten. Dat is lastig, want het valt niet uit te sluiten dat de door de consument aan te leveren informatie dergelijke persoonsgegevens bevat. Om dat te ondervangen, is het de aanbieder toegestaan bijzondere categorieën van persoonsgegevens te verwerken als dat – kort gezegd – noodzakelijk is om tot de kredietwaardigheidsbeoordeling te komen en indien de verwerking van de bijzondere categorieën van persoonsgegevens is afgescheiden van het beoordelingsproces. Bijzondere categorieën van persoonsgegevens mogen dus verwerkt worden om ze te kunnen lakken, voordat een aanbieder bijvoorbeeld overzichten van betalingen waar deze persoonsgegevens op voorkomen voor de kredietwaardigheidsbeoordeling gebruikt. Afscheiding betekent het nemen van technische of organisatorische maatrelen die ervoor zorgen dat bijvoorbeeld de reden van een betaling, zoals een betaling aan een religieuze instelling, niet wordt meegenomen bij de hiervoor bedoelde beoordeling. Deze afscheiding kan bijvoorbeeld worden vormgegeven door de inrichting van een aparte afdeling bij de aanbieder zelf (met zogeheten Chinese walls) waar eventuele bijzondere categorieën van persoonsgegevens worden afgeschermd, ofwel door daarvoor een derde partij in te huren. Mogelijk zal het afschermen deels geautomatiseerd kunnen worden uitgevoerd, wat voornamelijk voor grote aanbieders financieel aantrekkelijk zal zijn. De structurele kosten voor het onderhouden van een dergelijk systeem of het uitbesteden van de gegevensverwerking worden geschat op €10.000 tot €50.000 per jaar. Daarnaast wordt geschat dat een aanbieder gemiddeld 1,5 fte administratief medewerkers voor één jaar nodig heeft ter controle en aanvulling van de geautomatiseerde gegevensverwerking, waarvan de kosten uitkomen op (1,5*1840 uur*39=) €107.640.

Aansluiting, registratie en raadpleging van BKR leveren voor nieuwe aanbieders onder dit wetsvoorstel nalevingskosten op. Deze kosten worden niet in dit wetsvoorstel geregeld, maar worden nader geregeld bij of krachtens de Wet stelsel kredietregistratie.

Vroegsignalering financiële problemen

Zowel bestaande als nieuwe kredietaanbieders moeten op grond van de richtlijn processen en beleid hebben voor vroegtijdige opsporing en doorverwijzing van consumenten in financiële moeilijkheden. Het inrichten van deze processen en dit beleid leidt tot eenmalige en structurele nalevingskosten. De kosten voor aanpassing van de geautomatiseerde systemen worden geschat op €5.000 tot €15.000. Daarnaast zal de kredietaanbieder een (standaard)informatiedocument dienen op te stellen dat hij kan sturen aan een consument in financiële moeilijkheden. Naar schatting zal een hoogopgeleide medewerker (uurloon €54) hier ongeveer vijf uur voor nodig hebben. Afstemming met twee hogere leidinggevenden, leden van de raad van bestuur of de raad van commissarissen zal voor hen maximaal twee uur in beslag nemen (uurloon €77). Samen komen de minimale kosten uit op (5*€54 + 2*2*€77=) €578 per aanbieder.

Interne klachtenregeling en klachtprocedure bij Kifid

Partijen die nieuw onder het toepassingsbereik van de richtlijn komen te vallen, dienen een interne klachtenprocedure op te stellen (dan wel te evalueren en waar nodig aan te passen) en daaraan uitvoering te geven. Hieraan zijn eenmalige en structurele nalevingskosten verbonden. Twee hoogopgeleide medewerkers (uurloon €54) zullen naar verwachting beide twintig uur nodig hebben voor het evalueren dan wel opstellen van een interne klachtenprocedure. Afstemming met hogere leidinggevenden, leden van de raad van bestuur of de raad van commissarissen zal maximaal zes uur in beslag nemen (uurloon €77). De eenmalige kosten zullen naar verwachting dus (20*2*€54 + 2*6*€77 =)€3.084 bedragen. De structurele kosten hangen af van het aantal klachten dat de aanbieder of bemiddelaar binnenkrijgt, wat weer afhangt van de grootte en het klantenbestand van de betreffende partij. Naar schatting zal gemiddeld 1 fte hoogopgeleide medewerker (uurloon €54) nodig zijn om doorlopend aan de klachtenprocedure invulling te geven. De geschatte kosten hiervoor komen uit op (1840*€54 =)€99.360.

Daarnaast zullen nieuwe aanbieders zich moeten aansluiten bij het Kifid. Voor financiële dienstverleners is de jaarlijkse bijdrage afhankelijk van het aantal werknemers. Dit varieert van €120 (1 fte) tot €5.740 of meer bij 200 fte of meer.

Wijziging van de kredietovereenkomst en respijtmaatregelen
Voor de artikelen 22, 23 en 35 wordt verwezen naar de Memorie van Toelichting van de Implementatiewet kredietservicers en kredietkopers waarin deze bepalingen zijn geïmplementeerd.40

Eenmalige en structurele nalevingskosten in tabel weergegeven

Geschatte eenmalige nalevingskosten nieuwe aanbieders
Invoering automatiseringssystemen (pre)contractuele informatieverplichtingen €50.000 tot €100.000
Invoering kredietwaardigheidsbeoordeling €25.000 tot €250.000
Invoering systemen vroegsignalering €5.000 tot €15.000
Opstellen standaardinformatiedocument vroegsignalering €578
Opstellen interne klachtenprocedure €3.408
Totaal Min. €83.986 – max. €368.986
Geschatte jaarlijkse nalevingskosten nieuwe aanbieders
Bijhouden automatiseringssystemen (pre)contractuele informatieverplichtingen €3.000 tot €15.000
Bijhouden systemen kredietwaardigheidsbeoordeling €15.000 tot €100.000
Handmatige kredietwaardigheidsbeoordeling €48.750 tot €292.500
Bijhouden systeem lakken persoonsgegevens €10.000 tot €50.000
Personeelskosten lakken persoonsgegevens €107.640
Personeelskosten klachtenprocedure €99.360
Jaarbijdrage Kifid €120 tot €5.740
Totaal Min. €283.870 – max. €670.240
Geschatte eenmalige nalevingskosten bestaande aanbieders
Aanpassing automatiseringssystemen (pre)contractuele informatieverplichtingen €40.000
Aanpassing (pre)contractuele informatiedocumenten €3.240
Invoering systemen vroegsignalering €5.000 tot €15.000
Opstellen standaardinformatiedocument vroegsignalering €578
Totaal Min. €48.818 – max. €58.818
Geschatte aanvullende jaarlijkse nalevingskosten bestaande aanbieders
Bijhouden systemen lakken persoonsgegevens €10.000 tot €50.000
Personeelskosten lakken persoonsgegevens €107.640
Totaal Min. €117.640 – max. €157.640

§ 8. Uitvoering

Uitvoeringstoets AFM

Omdat de AFM is belast met het toezicht op de in dit voorstel van wet opgenomen voorschriften, is deze toezichthouder in de voorbereidingsfase van het voorstel gevraagd een uitvoeringstoets te doen. Het wetsvoorstel brengt nieuwe taken mee voor de AFM. Het voorstel brengt nieuwe kredietovereenkomsten binnen de werkingssfeer van de Wft. Als gevolg van deze uitbreiding komen meer aanbieders en bemiddelaars onder gedragstoezicht van de AFM en moeten zij een vergunning aanvragen. Naast de uitbreiding van de werkingssfeer wijzigt het wetsvoorstel ook enkele bepalingen in paragraaf 4.3.1.3 van de Wft over het aanbieden van krediet en wordt door middel van de productinterventiebevoegdheid het handhavingsinstrumentarium van de AFM uitgebreid. AFM is van oordeel dat de nieuwe taken die door dit wetsvoorstel worden opgelegd uitvoerbaar zijn, mits daarvoor de benodigde capaciteit ter beschikking wordt gesteld. De AFM merkt in dit kader op dat sommige bepalingen pas volledig worden uitgewerkt in lagere regelgeving.

Uitvoerbaarheid

Het wetsvoorstel breidt de toezichtpopulatie van de AFM uit met nieuwe aanbieders van krediet en bemiddelaars in krediet en voert een nieuw type registratieplicht in. Het aantal nieuwe aanbieders van krediet wordt in het conceptwetsvoorstel ingeschat op 64 en de AFM kan dit volgen. De AFM geeft aan dat dit mogelijk leidt tot ruim 300 personentoetsingen, hierbij is nog geen rekening gehouden met het aantal betrouwbaarheidstoetsingen voor medebeleidsbepalers. De AFM volgt verder het in het conceptwetsvoorstel geschatte aantal van 50 tot 80 nieuwe vergunningaanvragen voor bemiddelaars in huur- en leaseovereenkomsten met een optie tot koop. Mogelijk voldoen dit soort partijen aan de voorwaarden om als verbonden bemiddelaar op te treden en in dat geval is geen zelfstandige vergunning nodig. Naar verwachting leidt deze categorie van bemiddelaars tot 150 tot 240 personentoetsingen, ook hierbij is nog geen rekening gehouden met de betrouwbaarheidstoetsingen voor medebeleidsbepalers. De AFM plaatst verder de kanttekening dat het aantal vergunningaanvragen waarschijnlijk aanzienlijk meer wordt als private lease zonder optie of verplichting tot koop in de toekomst ook door de Wft wordt gereguleerd. Deze vorm van private lease wordt in dit wetsvoorstel niet meegenomen en wordt in een later stadium verder onderzocht. Tot slot introduceert het wetsvoorstel een nieuwe registratieplicht voor leveranciers van roerende zaken of diensten die kwalificeren als grootbedrijf en bemiddelen in ‘koop nu, betaal later’-diensten. Het zal om ongeveer 80 partijen gaan. De AFM heeft bij deze taak twee aandachtspunten. De richtlijn verplicht lidstaten om adequate toelatingseisen vast te stellen ten aanzien van de ‘koop nu, betaal later’-bemiddelaars, zijnde grootbedrijf. Deze eisen worden uitgewerkt in de nationale (lagere) regelgeving, waardoor de AFM de uitvoerbaarheid van deze nieuwe registratieplicht pas bij het gereed zijn van deze regelgeving volledig kan beoordelen. Het tweede aandachtspunt is dat bij ongelijktijdige inwerkingtreding van de implementatiewet en het implementatiebesluit, de situatie kan ontstaan dat de aanbieder wel verplicht is de bemiddelaar aan te melden bij de AFM, maar de AFM de registratie nog niet kan uitvoeren door nog niet bekende toelatingseisen. Met deze aandachtspunten zal rekening worden gehouden.

Voor wat betreft het doorlopend toezicht raakt het wetsvoorstel de uitvoering door de AFM op verschillende manieren. Zo zal de nieuwe toezichtpopulatie moeten voldoen aan gedragsnormen die voorheen niet op hen van toepassing waren en zal de bestaande toezichtpopulatie aan nieuwe en gewijzigde gedragsnormen moeten voldoen. Tevens krijgt de AFM een nieuwe productinterventiebevoegdheid. In de beoordeling van de gevolgen van dit wetsvoorstel op de uitvoerbaarheid van haar doorlopend toezicht, heeft de AFM enkele aandachtspunten geconstateerd ten aanzien van nieuwe regels voor kredietverstrekking aan minderjarigen en leeftijdsverificatie, kredietwaardigheidsbeoordeling en productinterventie.

Het nieuwe artikel 4:34b Wft bevat een verbod tot het verstrekken van krediet in de vorm van uitstel van betaling aan minderjarigen. Los van de vraag of het wenselijk is om dit verbod te beperken tot slechts één vorm van krediet, namelijk uitstel van betaling, is de AFM van mening dat het wetsvoorstel niet duidelijk genoeg aangeeft in welke gevallen het verbod precies geldt. Ten eerste merkt de AFM op dat het verbod in artikel 4:34b Wft niet zal gelden voor ‘koop nu, betaal later’-diensten die op grond van het nieuwe artikel 1:20, eerste lid, onderdeel 1, Wft van het toepassingsbereik van de Wft zijn uitgezonderd. Deze uitzondering ziet op online afgesloten krediet met een kredietaanbieder uit een andere lidstaat. De AFM kan op dergelijke transacties ook geen toezicht houden. Verder is voor de AFM niet duidelijk of het de intentie was van de wetgever om de leeftijdsgrens niet te laten gelden voor de uitgezonderde diensten en wordt niet duidelijk wat precies onder ‘uitstel van betaling’ valt. De AFM verwelkomt tot slot de introductie van de leeftijdsverificatieplicht. Als gevolg van deze aandachtspunten en opmerkingen uit de andere adviezen en consultatiereacties is een aantal verduidelijkende alinea’s toegevoegd aan paragraaf 5 van de memorie van toelichting en de artikelsgewijze toelichting bij onder andere 4:34b Wft.

De AFM merkt op dat de kredietwaardigheidstoets onder andere wordt ingevuld door normen die volgen uit lagere regelgeving. Denk bijvoorbeeld aan de verificatieplicht uit artikel 113 BGfo en de plicht om BKR te raadplegen uit artikel 114 BGfo. In de memorie van toelichting is opgenomen dat de wetgever kijkt naar aanscherping van de grenzen voor verificatie en BKR-raadpleging. De AFM kan deze aanscherping volgen, maar geeft wel aan dat zij de uitvoerbaarheid pas bij het gereed zijn van de lagere regelgeving kan beoordelen. Ten aanzien van de kredietwaardigheidsbeoordeling wijst de AFM verder op drie aandachtspunten gericht op artikel 4:34a Wft inzake de regels voor het verwerken van bijzondere categorieën van persoonsgegevens. Ten eerste vindt de AFM het verstandig om te verduidelijken wat wordt verstaan onder verwerkingen die noodzakelijk zijn voor de kredietwaardigheidsbeoordeling. Ten tweede acht de AFM het wenselijk om de rolverdeling tussen de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en de AFM op dit punt te verduidelijken en ten derde verwacht de AFM dat zij ten behoeve van haar toezicht op artikel 4:34a Wft onder omstandigheden bijzondere persoonsgegevens dient te verwerken. Om rechtsonzekerheid te voorkomen en de uitvoerbaarheid van ons toezicht te bevorderen, vindt de AFM het noodzakelijk om expliciet te vermelden dat zij hiertoe bevoegd is.

Naar aanleiding van het AP-advies zijn enkele aanpassingen verwerkt in artikel 4:34a Wft en wordt onder meer ingegaan op het begrip evenredigheid in het kader van de verwerking van persoonsgegevens in het kader van de kredietwaardigheidsbeoordeling. In paragraaf 9 was reeds een passage opgenomen over de bevoegdheid van de AP in het kader van artikel 4:34a Wft. Daar is een verduidelijkende passage aan toegevoegd waarin wordt ingegaan op de verhouding tussen de toezichthouders als het gaat om toezicht op de hiervoor genoemde bepaling.

Tot slot heeft de AFM een opmerking over de productinterventiebevoegdheid die volgt uit artikel 1:77q Wft. De AFM kan deze bevoegdheid o.a. pas inzetten als andere toezichts- of handhavingsbevoegdheden niet volstaan of niet doelmatig of evenredig zijn om de zorgen over consumentenbescherming af te wenden. De AFM onderschrijft dat de productinterventiebevoegdheid terughoudend moet worden toegepast, maar is bezorgd dat de hiervoor genoemde voorwaarde de daadwerkelijke toepassing van die bevoegdheid onnodig kan bemoeilijken, omdat uit het conceptwetsvoorstel niet duidelijk wordt hoe en door wie wordt vastgesteld of en wanneer aan deze voorwaarde is voldaan. De AFM geeft als mogelijke oplossing om verder aan te sluiten bij de bewoordingen van de Verordening (EU) 600/2014 betreffende markten in financiële instrumenten (MiFIR), waarop artikel 1:77q Wft reeds is gebaseerd. Als gevolg van deze opmerking en soortgelijke consultatiereacties is aan artikel 1:77q Wft een zinssnede toegevoegd die aansluit bij de productinterventiebevoegdheid die volgt uit artikel 42 van MiFIR.

Bekostiging

De AFM heeft in het kostenkader 2025-2028 capaciteit toegewezen gekregen voor het toezicht op de richtlijn. De AFM geeft aan dat de inschatting van de mogelijke toezichtpopulatie in de memorie van toelichting van het conceptwetsvoorstel hoger is dan de geschatte populatie waarop de toegewezen capaciteit in het kostenkader 2025-2028 van de AFM is gebaseerd. Zo wordt in de memorie van toelichting van dit wetsvoorstel uitgegaan van mogelijk 64 nieuwe aanbieders van krediet, versus de 10 nieuwe aanbieders wat het uitgangspunt was bij de berekening van het kostenkader. Ook ging het kostenkader nog niet uit van de mogelijk 50 tot 80 nieuwe bemiddelaars in huur- of leaseovereenkomsten met koopoptie en de registratie van ‘koop nu, betaal later’ bemiddelaars. Daarnaast is in het kostenkader nog geen rekening gehouden met IT-aanpassingen in de AFM-systemen die nodig zijn voor de nieuwe registratieplicht ten aanzien van ‘koop nu, betaal later’- bemiddelaars. De AFM geeft aan dat de toegewezen capaciteit niet voldoende zal zijn voor het doorlopend toezicht op de nieuwe toezichtpopulatie die hierboven is geschetst. De kosten voor doorlopend toezicht zullen worden gedekt door de marktpartijen waarop toezicht wordt ingesteld, waarbij – bij gelijke toelatingseisen in de lagere regelgeving – een tarief van €300 per nieuwe registratie in rekening zal worden gebracht bij de aanbieder ten aanzien van ‘koop nu, betaal later’-bemiddelaars. Indien meer capaciteit nodig is om toezichttaken uit te voeren dan is toegewezen, zal de AFM eerst nagaan of de benodigde capaciteit kan worden opgevangen binnen haar begroting en bijbehorend kostenkader. Als dit niet mogelijk is, geeft de AFM aan graag in gesprek te gaan met het ministerie van Financiën om een passende oplossing te vinden.

§9. Toezicht, handhaving en rechtsbescherming

De AFM was reeds bij de implementatie van de richtlijn consumentenkrediet aangewezen als bevoegde autoriteit, ook wat betreft het toezicht op de naleving van de regels ter implementatie van de richtlijn.

De AFM heeft onder meer tot taak het uitoefenen van gedragstoezicht op financiële markten, op grond van artikel 1:25 Wft. Met betrekking tot de richtlijn betekent dit dat de AFM toezicht zal houden op de naleving van die bepalingen van de richtlijn die worden geïmplementeerd in Deel 4 van de Wft en op bepalingen in het BGfo, het Bk en de Nadere regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft. Daarnaast is de AFM verantwoordelijk voor de handhaving op en verlening van een vergunning of registratie voor het in Nederland aanbieden van krediet, het bemiddelen in krediet of het adviseren in krediet, op grond van Deel 2 van de Wft en de Vr Wft.

De AFM kan op grond van de artikelen 1:79 en 1:80 Wft en de daarbij behorende bijlagen handhavend optreden tegen overtredingen van vergunninghoudende partijen. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om het geven van een aanwijzing of het opleggen van een last onder dwangsom. Bij de implementatie van de richtlijn wordt tevens van de beleidsruimte gebruikgemaakt om productinterventiebevoegdheden toe te kennen aan de AFM op grond van artikel 1:77q Wft.

Een aantal bepalingen uit de richtlijn, zoals die inzake de precontractuele informatie of reclameregels worden zowel in de Wft als het BW geïmplementeerd. In die gevallen zal naast handhaving via het privaatrecht ook sprake zijn van handhaving via het bestuursrecht door de AFM.

De handhaving van Titel 2a, Afdeling 1, van Boek 7 BW vindt in beginsel plaats via de civiele rechter. Het uitgangspunt van het consumentenrecht is dat de consument zelf, ondersteund door wetgeving, goed geïnformeerd een overeenkomst kan sluiten. Indien zijn rechten worden geschonden, kan de consument – waar nodig in rechte of bij het Kifid – nakoming van de overeenkomst dan wel schadevergoeding, ontbinding of een andere remedie vorderen. Tegelijkertijd is het een gegeven dat consumenten vaak om verschillende redenen afzien van de mogelijkheid hun recht te halen, bijvoorbeeld omdat een gang naar de rechter relatief kostbaar is vergeleken bij de geleden schade. Tegen die achtergrond creëert de Whc bevoegdheden voor toezichthoudende instanties om het civiele consumentenrecht te handhaven als collectieve consumentenbelangen worden geschaad.41 Het feit dat sprake moet zijn van schade aan collectieve consumentenbelangen volgt uit de definitie van inbreuk in de Whc. Hiervan is in beginsel al sprake als de processen, het beleid of de uitvoering van een marktpartij leidt tot inbreuk op het civiel consumentenrecht en daarmee de belangen van meer dan één consument worden of zijn geschaad. Waar het gaat om civiel consumentenrecht met betrekking tot financiële diensten of activiteiten, is de AFM de bevoegde toezichthouder.

Voor het consumptiefkredietrecht neergelegd in Titel 2a, Afdeling 1, van Boek 7 BW geldt dus dat de verantwoordelijkheid voor zorgvuldig handelen primair ligt bij, enerzijds, consumenten c.q. kredietnemers en, anderzijds, kredietaanbieders. Wanneer zij er onderling niet uitkomen, kunnen zij het geschil voorleggen aan het Kifid of de civiele rechter. Mocht het echter voorkomen dat een inbreuk plaatsvindt op het consumptiefkredietrecht die schade toebrengt aan collectieve consumentenbelangen waarbij het systeem van civielrechtelijke handhaving onvoldoende functioneert, moet in voorkomende gevallen publiekrechtelijke handhaving door de AFM mogelijk zijn. Om die reden breidt dit wetsvoorstel de toezichtsbevoegdheden van de AFM op grond van de Whc uit met enkele artikelen uit het BW. Deze toevoeging geeft de AFM bijvoorbeeld toezichthoudende bevoegdheid op artikel 7:58b BW met betrekking tot de verplichte kosteloze informatieverstrekking van de kredietaanbieder aan de consument en artikel 7:66 BW met betrekking tot het recht voor consumenten om zonder opgaaf van reden binnen veertien dagen een kredietovereenkomst te ontbinden.

Kredietaanbieders die nieuw onder de richtlijn komen te vallen, moeten zich aansluiten bij het Kifid. Hierdoor hebben meer consumenten met een kredietovereenkomst die voorheen ongereguleerd was laagdrempelige toegang tot buitengerechtelijke geschilbeslechting.

Tot slot heeft de AP op grond van de AVG de taak om toezicht te houden op de naleving van de wettelijke regels voor bescherming van persoonsgegevens. De AP houdt derhalve toezicht op de naleving van de AVG bij de verwerking van persoonsgegevens voor de doelen van de richtlijn, bijvoorbeeld als het gaat om de persoonsgegevens die verwerkt worden in het kader van de kredietwaardigheidsbeoordeling. De AFM is echter tevens bevoegd als toezichthouder ten aanzien van de bepalingen omtrent de kredietwaardigheidsbeoordeling. Het is aan beide toezichthouders om met elkaar in overleg te treden daar waar het toezicht op dit gebied elkaar overlapt.

§ 10. Evaluatie

De richtlijn bevat een evaluatiebepaling. Ingevolge artikel 46 van de richtlijn evalueert de Europese Commissie de richtlijn om de vier jaar, de eerstvolgende keer uiterlijk op 20 november 2029. De Europese Commissie deelt de resultaten met het Europees Parlement en de Raad, eventueel vergezeld van een wetsvoorstel. Voor de evaluatie analyseert de Europese Commissie de economische trends en de doeltreffendheid van de richtlijn.42 De evaluatie dient specifiek te beoordelen of het toepassingsgebied van deze richtlijn nog passend is met betrekking tot kredietovereenkomsten die gedekt zijn door niet voor bewoning bestemde onroerende goederen en of de in de richtlijn vastgelegde bovengrens van €100.000 en de drempels en percentages die van toepassing zijn bij de berekening van de vergoeding voor vervroegde aflossing nog passend zijn. Tevens moet de evaluatie een analyse bevatten van de ontwikkeling van de markt voor consumentenkredieten ter ondersteuning van de groene transitie en een beoordeling van de behoefte om verdere maatregelen te nemen om het gebruik van dergelijke kredieten te verbeteren. Ten slotte dient de evaluatie een beoordeling te bevatten van de uitvoering van opgelegde sancties, de doeltreffendheid en het afschrikwekkende effect ervan.

Een bijzondere evaluatiebepaling betreft artikel 46, tweede lid, op grond waarvan de Europese Commissie uiterlijk op 20 november 2025 beoordeelt of maatregelen nodig zijn ter bescherming van consumenten die via een verlener van crowdfundingkredietdiensten een krediet willen afsluiten of beleggen. Crowdfundingdiensten in verband met kredietverlening aan consumenten vallen immers niet onder het toepassingsgebied van de Crowdfundingverordening.43

Naast deze evaluatieonderwerpen houdt de Europese Commissie specifiek toezicht op de gevolgen van de door de richtlijn geboden lidstaatopties en de gevolgen voor de werking van de interne markt en de consument

Naast deze Europese evaluatie van de richtlijn zal op nationaal niveau monitoring plaatsvinden op de naleving en uitwerking van het verbod op het aanbieden van krediet aan minderjarigen en de verplichting van leeftijdsverificatie ingevolge artikel 4:34b Wft. Indien blijkt dat de wijze waarop leeftijdsverificatie plaatsvindt in een groot aantal gevallen niet voldoet of niet in overeenstemming is met privacyrechten van de consument, is daar de mogelijkheid om gebruik te maken van de delegatiegrondslag in het vierde lid.

§ 11. Advies en consultatie

Uitvoeringstoets Raad voor de rechtspraak

De Raad voor de rechtspraak (Rvdr) geeft in het advies aan geen zwaarwegende bezwaren tegen het wetsvoorstel te hebben. Wel wordt verzocht om verduidelijking of aanpassing van twee punten. Allereerst merkt de Rvdr op dat een regeling voor civielrechtelijke handhaving ontbreekt. De richtlijn vereist weliswaar geen wettelijke sanctie in het BW in geval van schending (of niet gebleken naleving) van informatieverplichtingen en/of van het niet uitvoeren van een kredietwaardigheidstoets bij het sluiten van een consumentenkredietovereenkomst, maar de civiele rechter zal daar wel over dienen te oordelen. Om die reden wordt in overweging gegeven om een sanctie op te nemen in Titel 2A van Boek 7 BW.

Titel 2A van Boek 7 BW is van dwingend recht en het BW gaat uit van een gelaagde structuur. In artikel 3:40 BW is de algemene sanctie geregeld die volgt uit deze gelaagde structuur en daarmee ook als sanctie van toepassing is op de bepalingen die volgen uit Titel 2A van Boek 7 BW. Aangezien er geen signalen zijn uit de praktijk dat er problemen zijn met deze sanctie en de Rvdr tevens in het advies aangeeft dat de werklast niet meer wordt als gevolg van dit wetsvoorstel, is geen aanleiding gezien om een expliciete sanctie op te nemen in Titel 2A van Boek 7 BW.

Het tweede punt ziet op de implementatie van artikel 4:34b Wft dat voorziet in een verbod voor het sluiten van een kredietovereenkomst met een minderjarige consument. Daarbij wordt opgemerkt dat de memorie van toelichting de civielrechtelijke gevolgen van het – in strijd met het in artikel 4:34b Wft bepaalde – sluiten van een overeenkomst met een minderjarige consument onbesproken laat. Die onduidelijkheid kan tot meer rechtsonzekerheid en meer gerechtelijke (prejudiciële) procedures leiden. De Rvdr adviseert om aan de civielrechtelijke gevolgen van het in strijd handelen met het bepaalde in artikel 4:34b Wft meer aandacht te besteden en in dit wetsvoorstel daarvoor een voorziening te treffen. Dit advies is opgevolgd. Er is een verduidelijkende passage opgenomen in paragraaf 5 van de memorie van toelichting. Daarnaast is een spiegelbepaling van artikel 4:34b Wft opgenomen in artikel 7:75, vierde lid, BW. Zie ook de artikelsgewijze toelichting bij dat artikel voor een nadere uitleg.

Tot slot geeft de Rvdr aan dat na implementatie van de richtlijn alle ‘koop nu, betaal later’-diensten – voor zover zij dit al niet doen – onder een strenger regime vallen dan dat zij op dit moment doen. Datzelfde geldt voor kaarten met uitgestelde debitering. De daadwerkelijke gevolgen voor de werklast zijn momenteel nog niet goed te schatten. Aangezien het geen groot aandeel van het totaal aan aangebrachte zaken betreft, wordt verwacht dat het wetsvoorstel niet leidt tot substantiële werklastgevolgen voor de Rechtspraak.

Adviescollege Toetsing Regeldruk

Het ATR heeft in zijn advies dertien adviespunten aangedragen over het wetsvoorstel en daarbij een zogeheten ‘dictum 3’ uitgebracht. Dit dictum houdt in dat het wetsvoorstel volgens ATR niet zou moeten worden ingediend of vastgesteld tenzij met de adviespunten rekening wordt gehouden. Hieronder wordt ingegaan op de adviespunten van het ATR en wordt aangegeven op welke wijze hieraan opvolging is gegeven in het wetsvoorstel en memorie van toelichting.

Nadere inhoudelijke motivering

De adviespunten 2.1, 2.2, 2.5, 2.6, 2.9, 2.10 en 2.11 vragen om een nadere, inhoudelijke motivering van bepaalde beleidskeuzes waarbij duidelijk moet worden gemaakt of – en zo ja, waarom – er wel of niet voor de meest lastenluwe implementatie is gekozen. In de tabel hieronder wordt kort een beschrijving gegeven van de adviespunten en waar in deze toelichting de gevraagde, inhoudelijke motivering van de beleidskeuzes wordt gegeven.

Adviespunt ATR adviseert inhoudelijk te motiveren waarom is gekozen voor/ te verduidelijken waarom Locatie motivering beleidskeuze
2.1 Waarom gekozen voor lidstaatoptie om kredieten van meer dan €100.000 niet uit te zonderen van het toepassingsbereik van de richtlijn. Transponeringstabel, art. 2 lid 2 onderdeel c
2.2 Waarom gekozen voor lidstaatoptie om effectenkrediet niet uit te zonderen van de richtlijn. Transponeringstabel, art. 2 lid 2 onderdeel e
2.5 Waarom gekozen voor lidstaatoptie om koppelverkoop van een betaalrekening bij een kredietovereenkomst niet uit te zonderen van de richtlijn. Verduidelijkt in transponeringstabel art. 14 lid 2 dat reeds lastenluw is geïmplementeerd
2.6 Waarom gekozen voor lidstaatoptie om koppelverkoop van een verzekering bij een kredietovereenkomst niet uit te zonderen van de richtlijn. Transponeringstabel, art. 14 lid 3
2.9 Verduidelijken wat de uitzondering van mkb-ondernemers die kredietaanbieder zijn in nevenactiviteit betekent voor eventuele regeldruk vanuit de AFM Verduidelijkt in paragraaf 9 onder ‘nieuwe aanbieders’ dat er geen regeldruk komt vanuit de AFM
2.10 Verduidelijken welke belangenafweging ten grondslag ligt aan de beleidskeuze dat kredietgevers bij kredieten van meer dan €100.000 mogen afwijken van de maximale kredietvergoeding. Transponeringstabel, art. 29 lid 4
2.11 Verduidelijken in hoeverre lastenluw is geïmplementeerd bij de beleidsruimte voor lidstaten om verboden of beperkingen vast te stellen wat betreft specifieke kosten of vergoedingen die door kredietgevers op hun grondgebied wordt toegepast. Transponeringstabel, art. 31 lid 2

2.3 Kaarten met uitgestelde debitering uitgezonderd houden

Het ATR adviseert daarnaast om te kiezen voor de meest lastenluwe implementatie door het vrijstellingsregime voor kaarten met uitgestelde debitering te continueren (oftewel: om deze kaarten uitgezonderd te houden van de Wft en BW). Volgens het ATR leidt de regulering van kaarten met uitgestelde debitering tot aanzienlijke regeldrukgevolgen voor de sector en zullen deze kaarten duurder worden voor consumenten. Volgens het ATR is – kort gezegd – niet gebleken van een dergelijk risico voor consumentenbescherming (waarvan bijvoorbeeld wel sprake is bij ‘koop nu, betaal later’-krediet) dat deze risico’s regulering van deze kaarten rechtvaardigen. Het ATR-advies wordt niet opgevolgd. Voor een onderbouwing van deze beleidskeuze wordt verwezen naar paragraaf 4 hierboven (onder het kopje ‘Kaarten met uitgestelde debitering’) en naar de uitleg hieronder in deze paragraaf (onder hetzelfde kopje).

2.4 Volledig licht regime voor reclame en informatieverplichtingen

Het ATR adviseert verder om aanbieders van kredietovereenkomsten voor een totaal kredietbedrag van minder dan €200 volledig uit te zonderen van de werking van enkele verplichtingen uit de richtlijn inzake reclamevereisten en precontractuele informatie. Dit advies wordt opgevolgd. Van de lidstaatoptie die deze ruimte biedt, was al gedeeltelijk gebruikgemaakt door deze verplichtingen niet van toepassing te verklaren op kredieten zonder rente of andere kosten en kredieten die binnen drie maanden moeten worden afgelost en waarbij slechts onbeduidende kosten worden gerekend. In het wetsvoorstel wordt dit nu uitgebreid naar kredietovereenkomsten voor een totaal kredietbedrag van minder dan €200. Deze memorie is daarmee in lijn gebracht.

2.8 Productinterventiebevoegdheid pas na invoeringstoets

Het ATR adviseert pas na een invoeringstoets te beoordelen of uitbreiding van het toezichtinstrumentarium van de AFM noodzakelijk is. Het ATR doelt hiermee op de productinterventiebevoegdheid om op grond van artikel 1:77q Wft (nieuw) een verbod of beperking op te leggen aan bepaalde schadelijke kredietproducten. Dit advies wordt niet opgevolgd. Ten eerste stelt het ATR dat met het toekennen van de productinterventiebevoegdheid aan de AFM niet lastenluw geïmplementeerd wordt, omdat het AFM-toezicht volledig door marktpartijen moet worden bekostigd. Het toekennen van de productinterventiebevoegdheid zal naar verwachting echter niet leiden tot aanvullende toezichtskosten. Dit betreft namelijk een toezichtsbevoegdheid, en bevat geen nieuwe norm of uitbreiding van de reikwijdte van activiteiten waarop het toezicht ziet. Mogelijk levert de bevoegdheid juist efficiëntievoordelen op in gevallen waarbij schadelijk gedrag van kredietgevers niet of moeilijk op een andere manier kan worden tegengegaan. Indien de AFM op grond van de productinterventiebevoegdheid stappen onderneemt tegen een bepaalde kredietgever, levert dat voor deze kredietgever eventueel wel extra kosten op. Deze kosten neemt de AFM echter mee in de evenredigheidstoets die de AFM bij iedere maatregel verplicht uitvoert. In het geval dat de AFM, alles afwegende, voldoende aanleiding ziet om de productinterventiebevoegdheid in te zetten tegen een bepaalde kredietgever, weegt in dat geval naar verwachting het maatschappelijk belang van het uit de markt nemen van schadelijke kredietproducten zwaarder dan het financieel belang van die kredietgever of het belang dit wetsvoorstel zo lastenluw mogelijk te implementeren.

Het ATR stelt daarnaast vraagtekens bij de effectiviteit van de productinterventiebevoegdheid omdat deze consumenten niet zou beletten vergelijkbare (schadelijke) kredietproducten in het buitenland te betrekken. Het is in beginsel juist dat een consument op eigen houtje in het buitenland kredietovereenkomsten zou kunnen aangaan die niet op de Nederlandse markt worden aangeboden en die in Nederland op grond van de productinterventiebevoegdheid zouden zijn verboden. Deze mogelijkheid doet echter niet af aan het feit dat de productinterventiebevoegdheid wel effectief is voor het overgrote deel van de consumenten dat niet actief buiten Nederland op zoek zou gaan naar kredietvormen die in Nederland niet beschikbaar zijn. Voor zover veel consumenten dit wel zouden doen, valt dergelijk gedrag niet te voorkomen en vormt het daarmee geen reden om de productinterventiebevoegdheid op die grond niet toe te kennen.

Tot slot stelt het ATR het niet passend te vinden om via toepassing van lidstaatopties toezichtdivergentie te vergroten bij een richtlijn die streeft naar maximumharmonisatie. Voor elke lidstaatoptie geldt uiteraard dat dit afdoet aan het beginsel van maximumharmonisatie. Desalniettemin bevat de richtlijn er meer dan twintig. In dit geval acht het kabinet noodzakelijk het belang van consumentenbescherming dat met de productinterventiebevoegdheid (verder) wordt geborgd, zwaarder te laten wegen dan het belang van maximumharmonisatie.

Hoewel in het licht van bovenstaande de productinterventiebevoegdheid wordt behouden, hebben het ATR-advies en enkele consultatiereacties wel aanleiding gegeven tot aanpassing van het wetsvoorstel en nauwere aansluiting bij de bestaande bepalingen in artikel 1:77f Wft, welk artikel voorziet in een productinterventiebevoegdheid bij financiële instrumenten en andere beleggingsdiensten. Artikel 1:77q Wft en de artikelsgewijze toelichting daarbij zijn dan ook aangepast. Daarbij geldt tevens dat een nadere uitwerking op grond van artikel 1:77q, derde lid, Wft volgt in de lagere regelgeving.

2.7 en 2.12 In kaart brengen regeldrukgevolgen

Het ATR adviseert de regeldrukkosten voor het mkb in kaart te brengen als gevolg van het feit dat geen (volledig) gebruik wordt gemaakt van de lidstaatoptie om mkb-ondernemingen uit te zonderen van de vergunningplicht als zij in nevenactiviteit krediet aanbieden in die zin dat zij uitstel van betaling van meer dan 50 dagen verlenen. Deze regeldrukkosten zijn inmiddels in kaart gebracht en bestaan uit kosten ter kennisname van de toepasselijke wetgeving. Deze zijn hierboven in paragraaf 7 onder kopje ‘nieuwe aanbieders’ uiteengezet.

Tot slot adviseert het ATR om de regeldrukgevolgen bij het toepassen van lidstaatopties in kaart te brengen en daarbij een doorkijk te geven op de regeldrukgevolgen die op een lager niveau van regelgeving kunnen ontstaan. De regeldrukgevolgen als gevolg van dit wetsvoorstel zijn in deze toelichting waar mogelijk in kaart gebracht. In deze memorie kan echter geen doorkijk worden gegeven op de regeldrukgevolgen als gevolg van lagere regelgeving omdat de nota’s van toelichting bij deze lagere regelgeving daarvoor de enige juiste plek zijn. Daarnaast is het op moment van schrijven nog niet mogelijk een doorkijk te geven in de regeldrukgevolgen omdat de lagere regelgeving nog wordt voorbereid en pas definitief kan worden vormgegeven nadat dit wetsvoorstel– inclusief de daarin opgenomen delegatiegrondslagen – is aangenomen.

Openbare consultatie

Inleiding

Het conceptwetsvoorstel is van 15 april tot en met 13 mei 2025 openbaar geconsulteerd op www.internetconsultatie.nl. Er zijn onder andere consultatiereacties ontvangen van private lease partijen, aanbieders van ‘koop nu, betaal later’-diensten, aanbieders van kaarten met uitgestelde debitering, aanbieders van krediet en diverse brancheorganisaties. Een groot deel van de reacties, ziet op de geconsulteerde vragen en het consultatiedocument ten aanzien van het al dan niet aanvullend reguleren van private lease. Aangezien dit vraagstuk deze implementatieopdracht te buiten gaat en eventuele regulering een nationaal wetstraject betreft, laat deze paragraaf deze reacties buiten beschouwing. Deze paragraaf gaat hieronder in op de reacties die zien op het conceptwetsvoorstel aan de hand van de meest in het oog springende thema’s. Er is met name aandacht gevraagd voor de volgende onderwerpen:

  • Kredietwaardigheidsbeoordeling

  • Kaarten met uitgestelde debitering

  • Kredietbemiddelaars

  • ‘Koop nu, betaal later’-diensten en het leeftijdsverbod

  • Schuldadviesdiensten

  • Precontractuele informatie

  • Koppelverkoop

  • Kredietregistratie

  • Productinterventie

  • AVG

  • Kosten

  • Vroegsignalering

Een aantal partijen heeft onder meer opmerkingen bij de bewoordingen van de Nederlandse versie van de richtlijntekst. Aangezien deze tekst reeds is vastgesteld en dit voorstel slechts ziet op implementatie van die tekst is het niet mogelijk deze opmerkingen te verwerken.

Kredietwaardigheidsbeoordeling

Diverse partijen verzoeken om de proportionaliteitstoets die aanbieders op grond van artikel 18, derde lid, van de richtlijn, moeten toepassen bij het uitvoeren van de kredietwaardigheidsbeoordeling, op te nemen in de wettekst van artikel 4:34 Wft. Deze partijen geven onder meer aan dat in sommige gevallen een volledige kredietwaardigheidsbeoordeling voor producten te uitvoerig is en daarmee een beperking vormt voor de bedrijfsvoering en het aanbod. Artikel 18, derde lid, van de richtlijn, biedt aanbieders ruimte om proportionaliteit toe te passen in de hiervoor genoemde beoordeling, omdat de op te vragen informatie van de consument noodzakelijk en evenredig moet zijn met de aard, duur, waarde en risico’s van het krediet voor de consument. In de memorie van toelichting bij het conceptwetsvoorstel was de hiervoor genoemde opsomming opgenomen in de artikelsgewijze toelichting van artikel 4:34a Wft, maar deze opsomming ontbreekt inderdaad in de wettekst van of de toelichting bij artikel 4:34 Wft. Aangezien de proportionaliteitstoets voor aanbieders een belangrijke toets is om te bepalen hoeveel informatie zij moeten inwinnen bij het uitvoeren van een kredietwaardigheidsbeoordeling is implementatie van deze toets op wetsniveau wenselijk en is de tekst van artikel 4:34, eerste lid, Wft in het wetsvoorstel en de daarbij behorende toelichting aangepast.

Amazon verzoekt in dit kader dat alleen een kredietwaardigheidsbeoordeling vereist wordt bij hogere schuldenrisico’s, zoals transacties van meer dan €200 die onderhevig zijn aan rentebetalingen en/of een terugbetalingstermijn van drie maanden kunnen hebben. De richtlijn laat echter geen ruimte aan lidstaten om deze overeenkomsten uit te sluiten van artikel 18 van de richtlijn, waar de kredietwaardigheidsbeoordeling uit volgt. Overigens geldt ook voor deze overeenkomsten dat het een aanbieder van krediet vrijstaat een inschatting te maken welke hoeveelheid informatie proportioneel is.

De Nederlandse Verenging van Banken (hierna: NVB) heeft enkele opmerkingen bij artikel 4:34, vierde lid, Wft, waarin een uitzondering op de kredietwaardigheidstoets is toegevoegd, die ziet op een situatie waarin een nieuwe overeenkomst tot stand komt in het kader van toekomstige artikel 4:35a Wft-procedures voor betalingsachterstanden en respijtmaatregelen. Zo wenst zij graag in de memorie van toelichting herhaald te zien dat een reguliere betalingsregeling volgens Nederlands recht moet worden gezien als een voortzetting van de bestaande overeenkomst, gelijk aan overwegingen in de memorie van toelichting bij de implementatie van de CCDI. Aangezien het niet de bedoeling is om van die overwegingen af te wijken, is een vergelijkbare zin als in de overwegingen opgenomen bij de artikelsgewijze toelichting bij artikel 4:34, vierde lid, Wft.

Daarnaast verzoekt de NVB om te verduidelijken dat een gezamenlijke herstructurering van meerdere kredieten tot één herstructureringskrediet niet wordt gezien als een belangrijke verhoging van het krediet, bijvoorbeeld wanneer twee kredietproducten in één herstructureringskrediet worden samengevoegd, waarbij deze laatste de som is van beide oorspronkelijke kredietproducten plus eventuele betalingsachterstanden. De richtlijn spreekt in artikel 18, elfde lid, van een significante verhoging van het totale kredietbedrag. Een samenvoeging van bestaande overeenkomsten zal resulteren in een gelijke hoogte van het totale kredietbedrag, al dan niet verpakt in één overeenkomst, in plaats van meerdere kredietproducten. De lezing van de NVB ten aanzien van dit punt lijkt dan ook juist.

De Vereniging van Financieringsondernemingen in Nederland (hierna: VFN) verzoekt om in artikel 4:34a Wft (of in het BGfo) te verankeren dat in het kader van de kredietwaardigheidsbeoordeling de vermogenspositie van de consument in de vorm van financiële activa en passiva, zoals beschreven in artikel 18, derde lid, van de richtlijn, kan worden meegenomen. Aangezien de passage uit de hiervoor genoemde richtlijnbepaling een voorbeeld of toelichting betreft, is gekozen om deze passage op te nemen in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 4:34a Wft.

Kaarten met uitgestelde debitering

International Card Services (hierna: ICS), MasterCard, Betaalvereniging Nederland (hierna: BVN), Visa, American Express en de Consumentenbond pleiten voor gebruik van de lidstaatoptie om kaarten met uitgestelde debitering uit te zonderen van het toepassingsgebied van de richtlijn. Volgens deze partijen zijn kaarten met uitgestelde debitering geen nadelige kredietproducten. Zo zou het een kredietproduct zijn met een laag risicoprofiel en wijzen partijen erop dat er in de praktijk nauwelijks sprake is van betalingsachterstanden en er al diverse voorzorgsmaatregelen worden getroffen tegen overkreditering. De partijen maken zich verder zorgen dat het product te duur wordt voor consumenten en daarom mogelijk verdwijnt. Consumenten zouden volgens hen mogelijkerwijs overstappen naar traditionelere kredietproducten, terwijl de kaart met uitgestelde debitering voordelen biedt voor consumenten, zoals betaalflexibiliteit gedurende de maand en aankoopbescherming. Daarnaast zou de kaart essentieel zijn voor het doen van reguliere uitgaven bij het reizen (zoals het boeken van hotels en vliegtickets). Tot slot wijzen partijen op het ongelijke speelveld dat kan ontstaan, indien Nederland geen gebruikmaakt van de lidstaatoptie en andere lidstaten wel. Marktpartijen die gevestigd zijn in lidstaten waar de kaarten met uitgestelde debitering zijn uitgezonderd van de richtlijn zullen deze kaarten ook in Nederland kunnen aanbieden. Dit levert een ongelijk speelveld op met in Nederland gevestigde bedrijven. Volgens de partijen is onduidelijk hoe op de activiteiten van deze buitenlandse bedrijven toezicht zal worden gehouden in Nederland.

Hoewel de door partijen aangevoerde argumenten begrijpelijk zijn, geven deze geen aanleiding tot herziening van het standpunt over het reguleren van kaarten met uitgestelde debitering. In paragraaf 4 is toegelicht om welke redenen gekozen is om kaarten met uitgestelde debitering niet uit te zonderen van de Wft. In het bijzonder bestaan er zorgen dat het uitzonderen van kaarten met uitgestelde debitering kan leiden tot onvoldoende en ongelijke consumentenbescherming en er tevens een ongelijk speelveld wordt gecreëerd ten aanzien van vergelijkbare kortlopende kredietproducten. Daarbij moet worden voorkomen dat aanbieders van bijvoorbeeld ‘koop nu, betaal later’-diensten eventuele ruimte in de wet gebruiken om regulering te ontwijken. Dat er op dit moment nog geen problemen bestaan met de kaarten met uitgestelde debitering geeft uitdrukkelijk geen garantie dat dit in de toekomst niet het geval zal zijn, als bijvoorbeeld aanbieders van ‘koop nu, betaal later’-diensten overgaan tot het uitgeven van kaarten met uitgestelde debitering.

Dat ‘koop nu, betaal later’-aanbieders mogelijk overgaan tot het uitgeven van kaarten met uitgestelde debitering is geen ongegronde verwachting. Na implementatie van de richtlijn zijn er nog maar weinig verschillen tussen ‘koop nu, betaal later’-krediet en kaarten met uitgestelde debitering: tot een bepaalde limiet kunnen klanten betalingen doen met het kredietproduct, welk geleend bedrag zij vervolgens binnen een bepaalde termijn moeten aflossen. Het voornaamste verschil tussen beide producten is dan de (fysieke of digitale) kaart, die aanbieders van ‘koop nu, betaal later’-diensten betrekkelijk eenvoudig kunnen uitgeven. Er zou aanbieders van ‘koop nu, betaal later’-diensten dus weinig aan in de weg staan om een dergelijke kaart uit te geven om zodoende te voorkomen onder de Wft te vallen terwijl dit verder geen ingrijpende gevolgen heeft voor hun bedrijfsmodel. Eén aanbieder heeft inmiddels in meerdere lidstaten – waaronder Nederland – een kaart uitgebracht waarmee met uitgestelde debitering kan worden betaald.

Het is juist dat regulering hogere kosten meebrengt voor partijen, die mogelijk (deels) worden doorberekend aan de consument. Consumentenbescherming prevaleert hier echter en het risico op duurdere kaarten weegt daar niet tegenop. Het is daarbij de vraag of consumenten uit zouden wijken naar traditionelere kredietvormen – zoals door enkele partijen gesteld is – nu deze reeds zijn gereguleerd en doorgaans aan strenge leennormen onderworpen zijn.

Tot slot geldt ten aanzien van de opmerking over het ongelijke speelveld vergeleken met andere lidstaten dat het niet mogelijk is om vanuit een andere lidstaat zonder vergunningplicht voor kaarten met uitgestelde debitering in Nederland deze kaarten aan te bieden. Heeft een aanbieder van kaarten met uitgestelde debitering uit een andere lidstaat geen vergunning om krediet aan te bieden in de eigen lidstaat, dan zal deze partij in Nederland middels een bijkantoor een vergunning bij de AFM moeten aanvragen. Heeft eenzelfde aanbieder in de lidstaat van herkomst wel een vergunning en wenst hij in Nederland de kaarten met uitgestelde debitering aan te bieden, dan gelden in beginsel de bepalingen ten aanzien van het gedragstoezicht uit Deel 4 van de Wft en is de AFM bevoegd om toezicht te houden op naleving van deze bepalingen.

Partijen hebben tevens verzocht om, indien geen gebruik wordt gemaakt van de lidstaatoptie, lagere regelgeving zo aan te passen dat er voldoende proportionaliteit wordt geborgd ten aanzien van kaarten met uitgestelde debitering, omdat deze kaarten minder risico’s met zich meebrengen dan andere kredietproducten. Bij de aanpassing van de lagere regelgeving zal hiernaar worden gekeken.

‘Koop nu, betaal later’-diensten

Diverse partijen uiten zorgen over de regulering van ‘koop nu, betaal later’-diensten. Zo zijn er partijen die oproepen om alsnog gebruik te maken van de lidstaatoptie van artikel 7, tweede lid, van de richtlijn, om ‘koop nu, betaal later’-diensten uit te zonderen van diverse bepalingen in de Wft, terwijl andere partijen juist een strikter of apart regime wensen boven op de regels die de richtlijn stelt. Bij de implementatie van de regels omtrent ‘koop nu, betaal later’-diensten is zoveel mogelijk aangesloten bij de bewoordingen van de richtlijn, waarbij het uitgangspunt is geweest een zo hoog mogelijk beschermingsniveau van consumenten en jongeren en het voorkomen van overkreditering en daaruit voortvloeiende schuldenproblematiek. Voor een toelichting ten aanzien van de lidstaatopties wordt verwezen naar de transponeringstabel. Waar partijen vragen naar de verhouding tussen de regels van grote webshops, platforms en mkb-webshops die via een platform aanbieden wordt verwezen naar een voorbeeldtabel opgenomen bij de artikelsgewijze toelichting op artikel 1:20 Wft.

Billink waarschuwt voor mogelijke ontwijkconstructies, zoals reselling of flash ownership door platforms. De richtlijn voorziet niet in regels om dergelijke constructies tegen te gaan. Indien misstanden zich voordoen door aanbieders van ‘koop nu, betaal later’-diensten zal de AFM binnen haar bevoegdheden handhavend kunnen optreden. Bij ontoelaatbare marktpraktijken kan de AFM, indien daar redelijke gronden voor zijn, gebruikmaken van haar productinterventiebevoegdheden.

De Raad voor de Nederlandse Detailhandel (hierna: RND) geeft aan dat een link tussen artikel 7:26, tweede lid, BW, en het wetsvoorstel ontbreekt. Uit dit artikel volgt dat een consument bij een consumentenkoop verplicht kan worden om ten hoogste de helft van de koopprijs vooruit te betalen. De RND geeft aan dat deze verplichting wringt met tegelijkertijd het reguleren van ‘koop nu, betaal later’-diensten. Het is juist dat sommige winkeliers de verplichting, die volgt uit artikel 7:26 , tweede lid, BW, invullen door gebruik te maken van een ‘koop nu, betaal later’-dienst. Het is echter niet verplicht om van deze diensten gebruik te maken. Er is geen direct juridisch verband tussen artikel 7:26, tweede lid, BW, en dit wetsvoorstel. Artikel 7:26 BW betreft een nationale bepaling die niet volgt uit deze implementatie. In de Kamerbrief van 21 januari 2025 over ‘koop nu, betaal later’-diensten is een verkenning aangekondigd naar de werking van de “50%-regel bij aanbetalingen”.44 In de Kamerbrief van 16 januari 2026 is aangegeven dat de verkenning naar de 50%-regel is afgerond en er onvoldoende reden is de 50%-regel bij aanbetalingen te wijzigen.45

Leeftijdsverbod en leeftijdsverificatie

Amazon, de Consumentenbond, Zalando en de RND vragen om een geaccepteerde methode voor leeftijdsverificatie voor te schrijven in de wet- en regelgeving. Het is echter aan marktpartijen, al dan niet rekening houdend met de richtsnoeren van de AFM, om een geschikte methode voor leeftijdsverificatie te kiezen en te gebruiken. Zoals enkele partijen ook toelichten zijn er momenteel initiatieven voor een in de Europese Unie vastgestelde methode, maar dat is in het kader van dit voorstel nog te vroeg.

Kifid vraagt om een verduidelijking van de civielrechtelijke consequenties van het publiekrechtelijke verbod om een kredietovereenkomst aan te gaan met een minderjarige consument. Naar aanleiding van deze consultatiereactie en het advies van de Rvdr is het leeftijdsverbod tevens opgenomen in het BW, namelijk in artikel 7:75, vierde lid. Voor verdere toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij dit artikel en paragraaf 5 van het algemeen deel van de memorie van toelichting. Riverty pleit tot slot voor een geheel verbod op kredietverlening aan jongeren en wenst daarom dat de toestemming van de wettelijke vertegenwoordiger wordt verwijderd uit artikel 4:34b Wft. Volgens Riverty mag er geen enkel krediet meer aan jongeren worden verleend, ook niet met toestemming van de wettelijke vertegenwoordiger.

In dit wetsvoorstel is gekozen om een totaalverbod, dus ook niet met toestemming van de wettelijke vertegenwoordiger, te regelen voor krediet in de vorm van uitstel van betaling, waaronder begrepen kaarten met uitgestelde debitering of ‘koop nu, betaal later’-diensten. Voor andere soorten consumptief krediet is gekozen om zo dicht mogelijk bij de bestaande regels in het BW te blijven en de toestemming door de wettelijke vertegenwoordiger te behouden. De verwachting is dat dit soort situaties waarbij jongeren alsnog een krediet afsluiten weinig zal voorkomen, zij het alleen al omdat de meeste aanbieders van krediet een eigen leeftijdsgrens van 18 of zelfs 21 jaar hanteren.

Kredietbemiddelaars

Enkele aanbieders van ‘koop nu, betaal later’-diensten, Thuiswinkel.org en de RVD roepen op om duidelijkheid te geven over de definitie van een kredietbemiddelaar. Zo verschilt de definitie van ‘bemiddelaar’ in de Wft en het BW en zou niet voldoende duidelijk zijn wat de passage ‘die niet enkel een consument direct of indirect in contact brengt’ betekent en wat wordt bedoeld met het economisch voordeel dat door de bemiddelaar wordt behaald.

Bij de implementatie van de richtlijn wordt getracht zo dicht mogelijk bij de bestaande definitiebepalingen in de wet te blijven. Bij de implementatie van de CCDI is in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 7:57 BW uitgelegd waarom de definities in het BW en de Wft verschillen. Gezien de systematiek van de Wft geldt de volgende argumentatie nog steeds. Samengevat bevat artikel 1:1 Wft reeds definitiebepalingen voor onder meer de begrippen ‘bemiddelaar’ en ‘bemiddelen’. Deze begrippen hebben gelet op het feit dat het toepassingsgebied van de Wft zich uitstrekt over de hele financiële markt, een bredere strekking dan de definitiebepalingen die zijn opgenomen in artikel 3 van de richtlijn en waarvan het toepassingsgebied zich niet verder uitstrekt dan de markt voor consumentenkrediet. Bij de implementatie van de richtlijn in de Wft diende hiermee rekening gehouden te worden. Daarentegen kon in artikel 7:57 BW worden aangesloten bij de definitiebepalingen zoals deze in artikel 3 van de richtlijn zijn opgenomen. Om het voorgaande wordt niet gekozen voor harmonisering van de definities in het BW en de Wft.

Een grote winkel kwalificeert als hij als tussenpartij tussen de consument en bijvoorbeeld een aanbieder van ‘koop nu, betaal later’-diensten fungeert. Er is onder andere sprake van bemiddelen, omdat de winkel de consument niet enkel direct of indirect in contact brengt met een aanbieder van krediet (zoals genoemd in artikel 3, onderdeel 12, van de richtlijn), maar meer doet dan dat. Uitgezonderd van bemiddelen is het enkel in contact brengen van een consument met een aanbieder van krediet door enkel het doorgeven van NAW-gegevens (naam, adres en telefoonnummer). In het geval van ‘koop nu, betaal later’-diensten, zal de betreffende winkel echter ook het kredietbedrag doorgegeven en het kredietdoel of aanpassing van deze gegevens bij retournering van een product. Aangezien deze gegevens meer behelzen dan enkel de NAW-gegevens, kan er sprake zijn van bemiddeling (indien ook aan de andere voorwaarden voor bemiddelen wordt voldaan).

Een andere voorwaarde binnen de definitie van bemiddelen is dat deze dienst tegen een vergoeding in de vorm van geld of een andere overeengekomen financiële beloning wordt verleend. Thuiswinkel.org geeft aan dat winkels die ‘koop nu, betaal later’ als betaalopties aanbieden geen vergoeding van de consument vragen en dat de verwerking van de transactie vaak duurder is dan bijvoorbeeld een iDEAL betaling. Deze partij is daarom van mening dat er geen vergoeding of andere overeengekomen financiële beloning wordt gevraagd van winkels en zij daarmee niet kwalificeren als bemiddelaar.

De praktijk is inderdaad zo dat er in veel gevallen geen vergoeding wordt gevraagd door winkels aan consumenten voor het kiezen van ‘koop nu, betaal later’-betaalopties. Dit betekent niet dat de winkels geen financiële beloning ontvangen die voortvloeit uit deze dienstverlening. Uit marktonderzoek van de AFM blijkt onder andere dat het aanbieden van ‘koop nu, betaal later’ als betaaloptie de omzet van winkels kan verhogen en daarmee een financiële beloning als bedoeld in de richtlijn met zich brengt.

Dat winkeliers in sommige gevallen als bemiddelaar worden beschouwd onder de richtlijn, wordt onder meer duidelijk uit de lidstaatoptie uit artikel 37, derde lid, onderdeel a, van de richtlijn. Deze uitzondering maakt het mogelijk voor lidstaten om leveranciers van goederen of diensten die optreden als bemiddelaar in nevenactiviteit uit te zonderen van de registratieplicht. Door deze uitzondering wordt (a contrario) duidelijk dat winkeliers in sommige gevallen wel degelijk als bemiddelaar worden beschouwd door de richtlijn. Onder meer hierdoor is dit het uitgangspunt geweest van het kabinet bij de implementatie van de richtlijn.

Mkb-uitzondering artikel 37, derde lid, onderdeel a, van de richtlijn

Enkele partijen roepen op om volledig gebruik te maken van de lidstaatoptie uit artikel 37, derde lid, onderdeel a, van de richtlijn. Er wordt in het conceptwetsvoorstel al deels gebruikgemaakt van deze lidstaatoptie, waardoor (online) winkeliers die als micro-, kleine of middelgrote ondernemingen zijn aangemerkt in de zin van Aanbeveling 2003/361/EG zijn uitgezonderd van de registratieplicht voor bemiddelaars in de zin van artikel 2:81 Wft. Voor grootbedrijf gaat een registratieplicht gelden. Deze keuze wordt in stand gehouden. In dat kader vragen Thuiswinkel.org en de RND waarom grote winkeliers anders worden behandeld dan kleinere winkeliers en kaarten zij aan dat de passage dat ‘platforms financiële draagkracht hebben en veel klanten’ stigmatiserend is. De richtlijn balanceert op dit gebied tussen een zo hoog mogelijke consumentenbescherming versus het niet onnodig belemmeren van de mkb-markt. Er is bij de implementatie getracht de retailmarkt te ontzien waar wenselijk door gebruik te maken van de lidstaatoptie uit artikel 37, derde lid, onderdeel a, van de richtlijn. De opgenomen passages ten aanzien van grote (online) winkels of platforms volgen uit de overwegingen bij de preambule van de richtlijn, waaronder overweging 17 en 84. Gezien het bezwaar van de hiervoor genoemde partijen en de beperkte bijdrage van de passages over financiële draagkracht aan de memorie van toelichting, is de passage uit de memorie van toelichting verwijderd.

Billink roept ten aanzien van de lidstaatoptie op om in de memorie van toelichting te verduidelijken dat de uitzondering van de registratieplicht voor bemiddelen ook geldt ten aanzien van krediet anders dan de klassieke ‘koop nu, betaal later’-diensten. Artikel 37, derde lid, van de richtlijn, regelt enkel welke partij is uitgezonderd van de registratieplicht, niet welke type kredieten. Dit betekent dat de uitzondering geldt voor ‘leveranciers van goederen of dienstverleners die worden aangemerkt als micro-, kleine of middelgrote ondernemingen (…) en die optreden als kredietbemiddelaars in nevenactiviteit’, ongeacht de kredietvorm waarbij zij bemiddelen. Aangezien dit veelal om winkels zal gaan is in het voorstel het voorbeeld van ‘koop nu, betaal later’-diensten gegeven. In de memorie van toelichting is verduidelijkt dat dit om een voorbeeld gaat.

Kifid vraagt of de uitgezonderde bemiddelaars zoals beschreven in de alinea’s hierboven zich dienen aan te sluiten bij Kifid. Dit is niet het geval. Doordat deze bemiddelaars worden uitgezonderd van de registratieplicht hoeven deze partijen niet te voldoen aan artikel 4:17 Wft inzake de interne klachtenprocedure en aansluiting bij het Kifid. Indien verduidelijking in de Vr Wft noodzakelijk is, wordt dat bij het opstellen van de lagere regelgeving bezien.

Tot slot vraagt Riverty verduidelijking in hoeverre de AFM toezicht houdt op de uitgezonderde bemiddelaars. Aangezien er voor deze partijen geen registratieplicht gaat gelden, zal de AFM op hen geen toezicht houden op basis van de Wft. Wel kan zij toezicht houden op grond van de Whc op grond van de Wft- en BW-bepalingen die in die wet zijn opgesomd. Het gaat hier om bepalingen die de consumentenbelangen dienen. De AFM zal overigens wel kunnen optreden tegen partijen die in krediet bemiddelen zonder de daartoe verplichte vergunning, zoals een niet-mkb-onderneming die zou bemiddelen in ‘koop nu, betaal later’-krediet van meer dan drie maanden.

Uitzondering voor gebouwgebonden verduurzamingsdiensten

Het Nationale Groeifonds programma Toekomstbestendige Leefomgeving en Stichting TKI Bouw en Techniek verzoeken om in de Wft en in Titel 2a van Boek 7 BW op te nemen dat gebouwgebonden verduurzamingsdiensten uitgezonderd zijn van de reikwijdte van deze wetten. Deze diensten betreffen volgens deze partijen energieprestatiecontracten op basis van doorlopende dienstverlening en zouden daarom uitgezonderd moeten worden van de kredietregels voor consumentenkrediet.

In de definitie van kredietovereenkomst in de Wft en in Titel 2a van Boek 7 BW is doorlopende dienstverlening reeds uitgezonderd op grond van de CCDI. Een voorbeeld van een dergelijke overeenkomst is een verzekeringscontract waarbij de premie in maandelijkse termijnen wordt voldaan (overweging 12 CCDI). De nieuwe richtlijn gaat niet nader in op het begrip doorlopende dienstverlening en bevat tevens geen bepalingen ten aanzien van (het al dan niet uitzonderen van) gebouwgebonden verduurzamingsdiensten (of energieprestatiecontracten). Er wordt geen aanleiding gezien tot aanpassing van de Wft en Titel 2a van Boek 7 BW op dit punt.

Doorverkopen van vorderingen

De AFM vraagt aandacht voor de vrijstelling van bepaalde overeenkomsten van de toepassing van de Wft en het AFM-toezicht daarop. Het betreft overeenkomsten, waarbij uitstel van betaling wordt verleend door een mkb-onderneming (artikel 7:58, tweede lid, onderdeel d, BW). In deze gevallen mag krediet door een derde worden overgekocht. Het gevolg is dat partijen die dergelijke overeenkomsten opkopen ook niet onder de Wft vallen. Volgens de AFM ontstaat hierdoor ruimte voor de opkomst of uitbreiding van marktpraktijken die (willen) ontkomen aan de nieuwe gedragsregels en het AFM-toezicht. Hoewel dit inderdaad een risico kan vormen voor het bevorderen van een gelijk speelveld en de consumentenbescherming biedt de richtlijn geen ruimte om de voorwaarden voor deze vrijstelling te wijzigen.

Coeo Incasso BV en Billink stellen vragen over artikel 7:58, tweede lid, onderdeel e, BW. Billink wijst erop dat de voorwaarden die uit artikel 7:58, tweede lid, onderdeel e BW volgen voor niet-mkb-ondernemingen die overeenkomsten op afstand aangaan, verschillen van de voorwaarden die gelden voor de overige ondernemingen (zie artikel 7:58, tweede lid, onderdeel d, BW). Een belangrijk verschil is dat voor niet-mkb-ondernemingen die overeenkomsten op afstand aangaan, de voorwaarde wordt gesteld dat het moet gaan om uitstel van betaling dat zij zelf verlenen, zonder dat een derde krediet aanbiedt en zonder dat een derde het krediet overkoopt. Billink signaleert dat een nadere duiding van deze voorwaarde ontbreekt in het conceptwetsvoorstel en verzoekt hierom.

Een nadere duiding van het verschil in voorwaarden volgt uit overweging 17 van de preambule van de richtlijn. Het is de bedoeling om sommige gevallen van uitstel van betaling buiten het toepassingsgebied van de richtlijn te laten, omdat dat gangbare handelspraktijken zijn waarbij de consumenten pas na ontvangst van de goederen of diensten hoeven te betalen. Dit is gunstig voor de consumenten. In de overweging wordt als voorbeeld genoemd uitstel van betaling van medische rekeningen, waarbij ziekenhuizen de consumenten tijd geven voor het betalen van medische kosten. De uitsluiting van het toepassingsgebied moet echter worden beperkt voor bepaalde grote online leveranciers van goederen of dienstverleners die toegang hebben tot een grote klantenkring, omdat zij gezien hun financiële draagkracht en hun vermogen om consumenten tot impulsaankopen en mogelijk tot overconsumptie te bewegen, anders zeer ruim uitstel van betaling kunnen aanbieden zonder enige waarborg voor de consument en de eerlijke concurrentie met andere leveranciers van goederen of dienstverleners kunnen verzwakken.

Daarnaast wijzen Coeo Incasso BV en Billink erop dat de formulering van de voorwaarde zo lijkt te zijn dat de betreffende ondernemingen dergelijke vorderingen nooit kunnen overdragen, bijvoorbeeld aan een incassodienstverlener, althans niet zonder dat de vordering achteraf en met terugwerkende kracht kwalificeert als een door de richtlijn gereguleerde kredietovereenkomst. Dit vindt men onwenselijk en zij verzoeken om een extra uitzondering waarbij de restrictie met betrekking tot het overdragen van vorderingen slechts zou moeten gelden gedurende de termijn van uitstel van betaling (van maximaal 14 dagen).

Een niet-mkb-onderneming die overeenkomsten op afstand aangaat en uitstel van betaling verleent wordt in beginsel alleen uitgezonderd van het toepassingsbereik van de richtlijn als aan de voorwaarden van artikel 7:58, tweede lid, onderdeel e, BW wordt voldaan. Als een dergelijke onderneming zelf een betalingstermijn van korter dan veertien dagen hanteert en daarmee geen rente of andere kosten rekent (behoudens redelijke niet-nakomingskosten), dan zal zij voldoen aan de uitzonderingsvoorwaarden. De partijen vragen terecht hoe dit werkt op het moment dat een consument zijn betalingsverplichtingen niet nakomt en de onderneming de vordering wenst over te dragen aan een derde.

Hoewel de richtlijn niet uitdrukkelijk uitwijst op welk moment een restrictie ten aanzien van het overdragen van een vordering aan een derde geldt, lijkt het niet de bedoeling van de Europese wetgever dat dergelijke ondernemingen geen vorderingen meer kunnen overdragen aan bijvoorbeeld incassodienstverleners bij niet-nakoming door de consument, zonder dat zij binnen het toepassingsbereik van de richtlijn vallen. Artikel 7:58, tweede lid, onderdeel e, BW, moet dan ook zo worden gelezen dat, indien een dergelijke onderneming aan de uitzonderingsvoorwaarden van deze bepaling voldoet bij het sluiten van de overeenkomst en bij aanvang niet direct overdraagt aan een derde, de overeenkomst niet van kleur verschiet op het moment dat de consument niet tijdig betaalt en de onderneming de vordering overdraagt aan bijvoorbeeld een incassodienstverlener.

Schuldadviesdiensten en kredietbanken

De NVVK verzoekt om de definitie van schuldadviesdiensten te verruimen en ziet liever een interpretatie van schuld- en adviesdiensten die niet enkel gestoeld is op een verwijzing naar artikel 47 Wck. De richtlijn definieert schuldadviesdiensten onder meer als ‘individuele bijstand van technische, juridische of psychologische aard die wordt verleend door onafhankelijke professionals’. Bij de implementatie wordt enkel een verwijzing naar de Wck opgenomen, omdat artikel 47 Wck in samenhang moet worden gelezen met de in artikel 48 Wck. Artikel 48 Wck bepaalt welke partijen in Nederland bevoegd zijn tot schuldbemiddeling. Door de verwijzing naar de Wck wordt voorkomen dat niet wettelijk aangewezen schuldbemiddelaars kwetsbare consumenten benaderen voor het uitvoeren van schuldadviesdiensten in de zin van de richtlijn. Schuldadviesdiensten zijn inderdaad breder dan alleen het ‘oplossen’ van een schuld. Het gaat hierbij ook om begeleiding, nazorg en aanpalende ondersteuning. Gemeenten vallen binnen één van de categorieën schuldbemiddelaars in de zin van artikel 48 Wck. Op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) zijn zij en gemandateerde partijen, waaronder kredietbanken, verantwoordelijk voor het aanhaken van andere professionele dienstverleners ten aanzien van schuldadvies. Het enkel opnemen van een verwijzing naar artikel 47 Wck betekent dan ook niet dat alleen wordt bemiddeld in schuld. De gemeenten en kredietbanken zijn vervolgens verantwoordelijk om professionals te betrekken, waardoor alsnog wordt aangesloten bij de definitie van de richtlijn.

De NVVK wijst verder op de positie van kredietbanken in de artikelen 4:36 en 4:37 Wft. Volgens de NVVK is deze positie onduidelijk. De gemeentelijke kredietbanken zijn onderworpen aan lokaal toezicht en gedeeltelijk uitgezonderd van de Wft. De NVVK wenst de uitzondering voor gemeentelijke kredietbanken uit artikel 4:37 Wft explicieter op te nemen, omdat nu onduidelijkheid bestaat over de verplichtingen waaraan gemeentelijke kredietbanken moeten voldoen. Deze wens gaat echter de implementatieopdracht van de richtlijn te buiten.

Precontractuele informatie

De Consumentenbond, het Kifid, Amazon, Klarna en VFN hebben diverse verzoeken ten aanzien van precontractuele informatie.

De Consumentenbond adviseert om geen gebruik te maken van de gedeeltelijke uitzondering op precontractuele informatieverplichtingen voor kaarten met uitgestelde debitering en ‘koop nu, betaal later’-diensten, aangezien consumenten bij alle vormen van koop op afstand het recht op transparante informatie hebben om zo geïnformeerde en verantwoorde beslissingen te kunnen nemen. Deze reactie geeft geen aanleiding tot wijziging van het wetsvoorstel. In de memorie van toelichting is onder paragraaf 4 overwogen waarom gekozen is voor de lidstaatoptie om kaarten met uitgestelde debitering en ‘koop nu, betaal later’-diensten uit te zonderen van bepaalde precontractuele verplichtingen. Doorslaggevend blijft dat de consumentenbescherming naar verwachting niet verbetert door volledige precontractuele informatieverplichtingen te vereisen. Dit maakt dat de vermindering van de lastendruk en het principe van proportionaliteit zwaarder wegen.

Klarna geeft aan dat de precontractuele informatieverplichtingen duidelijk moeten zijn en keuzemogelijkheden moeten geven. Ook moet rekening worden gehouden met toekomstige innovaties en moeten de verplichtingen proportioneel zijn. Amazon stelt in haar reactie voor om te verplichten dat de precontractuele informatie slechts één keer, op een beknopte en toegankelijke manier die past bij de online-winkelervaring, wordt gepresenteerd aan klanten. De richtlijn schrijft de wijze waarop de precontractuele informatieverplichtingen aan de consument gepresenteerd moeten worden voor, namelijk via het formulier “Europese standaardinformatie inzake consumentenkrediet” in bijlage I, van de richtlijn. Het staat lidstaten niet vrij om de informatieverplichtingen op andere wijze voor te schrijven of keuzemogelijkheden aan partijen te geven. Het staat marktpartijen echter wel vrij op welke wijze zij de informatie presenteren aan de consument, bijvoorbeeld via een mobiele app. De richtlijn schrijft verder voor dat de kredietaanbieder de informatie geruime tijd voordat de consument door een kredietovereenkomst of -aanbieding gebonden is, aan de consument verstrekt. Voorafgaand aan ieder krediet moet de informatie dus opnieuw worden verstrekt.

Kifid wijst in haar reactie op het gewijzigde artikel 40 over alternatieve geschillenbeslechting in de richtlijn. Volgens Kifid volgt uit de tekst van overweging 88 van de preambule van de richtlijn in combinatie met het gewijzigde artikel 40 van de richtlijn dat het materiële toepassingsgebied van alternatieve geschillenbeslechting is uitgebreid naar geschillen in de precontractuele fase, ongeacht of de consument uiteindelijk een overeenkomst sluit. In het conceptvoorstel is hierover niets opgenomen en Kifid wenst verduidelijking op dit punt. Verder brengt zij onder de aandacht dat bij de voorgenomen herziening van de ADR-richtlijn nog geen duidelijkheid bestaat over uitbreiding van het toepassingsbereik naar precontractuele geschillen ongeacht of de consument uiteindelijk een overeenkomst sluit. Volgens Kifid is het ongewenst als precontractuele geschillen van consumenten met betrekking tot consumentenkredieten die onder de richtlijn vallen wel door Kifid zouden worden behandeld en precontractuele geschillen met betrekking tot bijvoorbeeld hypothecaire geldleningen niet.

Het materiële toepassingsbereik van de richtlijn is inderdaad breder dan dat van de CCDI. De inbreng van Kifid ten aanzien van dit punt geeft aanleiding tot het opnemen van een verduidelijkende passage in paragraaf 5 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel. Aangezien de herziening van de ADR-richtlijn momenteel nog niet gepubliceerd is, kan in het kader van deze implementatie geen duidelijkheid worden geboden over de uitbreiding naar geschillen ongeacht of de consument uiteindelijk een overeenkomst sluit. Het punt ten aanzien van het verschil tussen hypothecaire geldleningen en consumentenkredieten is begrijpelijk, echter regelt de richtlijn enkel bepalingen ten aanzien van consumentenkredietovereenkomsten. Van een herziening van de Richtlijn hypothecair krediet is momenteel geen sprake, waardoor het de implementatieopdracht te buiten zou gaan om deze bepalingen die zien op geschillen in de precontractuele fase breder te trekken dan consumentenkredietovereenkomsten.

De VFN wenst ten slotte dat de uitsplitsing tussen de kosten van het kredietproduct en de kosten van overige voordelen bij kaarten met uitgestelde debitering nader wordt toegelicht, omdat nu niet helder zou zijn welke (precontractuele) informatie wanneer verstrekt moet worden bij kaarten met uitgestelde debitering. Dit verzoek ziet op wijzigingen die zien op lagere regelgeving en zullen bij het opstellen daarvan worden meegenomen.

Koppelverkoop

Van de Consumentenbond, Preventel, American Express, NVVK en VFN zijn opmerkingen ontvangen ten aanzien van koppelverkoop.

Preventel en American Express verzoeken aan te sluiten bij de richtlijntekst in artikel 7:60a BW. Deze suggestie is opgevolgd, zodat artikel 7:60a BW uit dezelfde bewoordingen is opgebouwd als het vergelijkbare artikel 7:121 BW ten aanzien van koppelverkoop bij hypothecair krediet. De bepaling ten aanzien van hypothecair krediet volgde uit de implementatie van artikel 12 van de Richtlijn hypothecair krediet. Aangezien de tekst van het hiervoor genoemde artikel grotendeels overeenkomt met de tekst van de richtlijn is voor dezelfde wijze van implementatie gekozen.

De Consumentenbond pleit voor een streng verbod op koppelverkoop zonder gebruik te maken van de lidstaatopties met uitzonderingen. Koppelverkoop zou de keuzevrijheid van consumenten beperken en de kosten voor consumenten verhogen. Deze aanbeveling wordt niet opgevolgd. Deze keuze is gemaakt, mede omdat in het bestaande recht al vormen van vergelijkbare uitzonderingen bestaan op koppelverkoopverboden, te weten artikel 7:77, eerste lid, sub b, onderdeel 2, BW en artikel 7:121, derde lid, BW. Omdat deze wijzen van koppelverkopen doorgaans niet gepaard gaan met hoge kosten, worden de uitzonderingen toegestaan. Bovendien is het de verwachting dat de uitzondering op het koppelverkoopverbod de keuzevrijheid van de consument niet zal beperken en niet tot onnodige extra kosten zal leiden, omdat op grond van artikel 7:60a BW de kredietgever verplicht wordt ook een gelijkwaardige polis van een andere dienstverlener te accepteren.

Preventel wil graag duidelijkheid over het aanbieden van een telecomabonnement samen met een telecomkrediet op afbetaling voor de aanschaf van relevante randapparatuur. Volgens deze partij valt dit gecombineerde aanbod buiten de definitie van koppelverkoop in de richtlijn en in artikel 7:57, eerste lid, onderdeel w, BW, omdat telecomdiensten geen financiële diensten zijn. Dit is juist. Daarbij komt dat het afsluiten van een telecomkrediet geen verplichting is voor de consument. Er is ook de optie om een telefoon met abonnement zonder krediet af te sluiten. Met de aanpassing van artikel 7:60a BW en de bevestiging in deze paragraaf zal voldoende duidelijk zijn dat deze dienst niet wordt gezien als koppelverkoop.

NVVK wijst erop dat artikel 7:60a BW een effectieve hulpverlening door kredietbanken kan belemmeren, omdat met het saneringskrediet ook andere overeenkomsten, bijvoorbeeld een budgetbeheerovereenkomst, wordt afgesloten met de consument. De kredietovereenkomsten die kredietbanken aangaan zijn (onder bepaalde voorwaarden, zie artikel 7:58, tweede lid, onderdeel j, BW) uitgezonderd van de Titel 2a van Boek 7 BW. Als voldaan wordt aan de voorwaarden van artikel 7:58, tweede lid, onderdeel j, BW, is het koppelverkoopverbod van artikel 7:60a BW niet van toepassing op de door de kredietbanken verstrekte kredietovereenkomsten.

Sommige kaarten die American Express aanbiedt in Nederland, bieden kaarthouders aanvullende verzekeringen die betrekking hebben op reizen en op aankopen die met de kaart worden gedaan. Deze partij wenst duidelijkheid over polissen waarbij de kredietaanbieder de verzekeringsdekking als groepsverzekering beschikbaar maakt. Dit is een verzekeringsovereenkomst in de zin van artikel 7:925 BW die is gesloten tussen een verzekeringnemer en een verzekeraar, waarbij een of meer derde personen kunnen gelden als verzekerden onder de polis.46 American Express verzoekt specifiek te verduidelijken dat, wanneer er geen sprake is van verzekeringsbemiddeling, er ook geen sprake is van koppelverkoop (en het koppelverkoopverbod dus ook niet van toepassing is). Die lezing is juist. Het verzoek tot verduidelijking hiervan is opgevolgd bij de artikelsgewijze toelichting bij artikel 7:60a BW. Hier wordt eveneens uiteengezet onder welke omstandigheden er bij de distributie van groepsverzekeringen geen sprake is van verzekeringsbemiddeling, en dus niet van koppelverkoop.

Kredietregistratie

Klarna, Billink, NVVK, Riverty, IN3, Qlarifi en VFN gaan in hun consultatiereactie in op de raadpleging van BKR voor de kredietwaardigheidsbeoordeling en de kredietregistratie bij BKR. De partijen uiten zorgen over de geschiktheid van BKR als databank vanwege de frequentie en snelheid van BNPL-transacties. Ook benadrukken partijen dat de maatregelen op deze onderwerpen proportioneel moeten zijn. Er worden door partijen verschillende voorstellen gedaan, bijvoorbeeld om de BKR-registratiegrens op € 250 te houden, alleen kredieten te registreren bij betalingsachterstanden, een apart register voor BNPL-transacties in te richten of ervan af te zien dat BKR het enige kredietregister wordt. De reacties van partijen zien echter op zaken die niet geregeld worden door de richtlijn, regels die zien op bepalingen in lagere regelgeving of regels ten aanzien van het lopende wetsvoorstel Stelsel Kredietregistratie. Waar relevant zullen de reacties in het kader van de hiervoor genoemde wet- en regelgeving worden meegenomen.

Riverty wijst er verder nog op dat Nederland strengere regels stelt dan de richtlijn voorschrijft, bijvoorbeeld door van elke aanbieder te verlangen dat hij BKR raadpleegt alvorens een krediet te verlenen. Artikel 18, elfde lid, van de richtlijn bevat echter de lidstaatoptie die lidstaten toestaat van kredietgevers te eisen dat zij de kredietwaardigheid van consumenten op basis van een raadpleging van de relevante databank beoordelen. De gestelde strengere regels zijn dan ook een uitwerking van deze lidstaatoptie.

Tot slot verzoekt de VFN om verduidelijking ten aanzien van artikel 18, elfde lid, van de richtlijn dat reeds onderdeel is van het Nederlands recht in de artikelen 4:32 Wft en 114 BGfo en gaat om het afwijzen van een consument op basis van een negatieve kredietregistratie. De richtlijnbepaling geeft namelijk aan dat lidstaten kunnen eisen dat de kredietwaardigheid van consumenten op basis van een raadpleging van de relevante databank wordt beoordeeld en dat deze beoordeling niet uitsluitend gebaseerd mag zijn op de kredietgeschiedenis van de consument. In artikel 4:32, tweede lid, Wft wordt enkel gesproken over het besluit tot kredietverlening. De VFN vraagt om verduidelijking of de beoordeling in de zin van de wet juridisch gelijkgesteld wordt aan het besluit tot kredietverlening. Als uitgangspunt moet worden genomen dat voorafgaand aan een besluit tot kredietverlening te allen tijde een beoordeling is uitgevoerd. Dit volgt uit artikel 4:34 Wft. De beoordeling wordt dus niet gelijkgesteld aan het besluit tot kredietverlening.

Productinterventie

De NVB, NVF en Preventel verzoeken om geen gebruik te maken van de lidstaatoptie uit artikel 41 van de richtlijn om de AFM productinterventiebevoegdheden toe te kennen. Samengevat vinden deze partijen dat de bevoegdheid, die geïmplementeerd is in artikel 1:77q Wft te ruim en vaag is opgezet en de AFM hiermee een mogelijkheid krijgt om in veel gevallen te kunnen ingrijpen. Indien gekozen wordt om de productinterventiebevoegdheid te behouden, stelt de NVB voor om meer aan te sluiten bij de bewoordingen van artikel 1:77f Wft jo. artikel 42 van de Verordening voor financiële instrumenten 600/2014.47

Gezien het belang van bescherming van (kwetsbare) consumenten binnen de snel ontwikkelende kredietmarkt, wordt de productinterventiebevoegdheid behouden. Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 4 van deze memorie van toelichting. De reacties geven echter wel aanleiding tot aanpassing van het voorstel en nauwere aansluiting bij de bestaande bepalingen in artikel 1:77f Wft. Artikel 1:77q Wft en de artikelsgewijze toelichting daarbij worden dan ook aangepast. Daarbij geldt tevens dat een nadere uitwerking op grond van artikel 1:77q, derde lid, Wft volgt in de lagere regelgeving.

Privacy (AVG)

Enkele partijen hebben reacties bij diverse AVG-gerelateerde onderwerpen, voornamelijk in het kader van de kredietwaardigheidsbeoordeling.

De Consumentenbond wenst scherpere grenzen aan het gebruik van persoonsgegevens voor profilering en geautomatiseerde besluitvorming bij kredietverlening. De VFN geeft aan dat het niet helder is of er al sprake is van geautomatiseerde verwerking wanneer informatie elektronisch wordt opgevraagd in plaats van via papieren communicatie, of dat het begrip verder strekt. De regels inzake geautomatiseerde verwerking volgen voornamelijk uit artikel 13 van de richtlijn (dat geïmplementeerd is in artikel 7:60, vierde lid, BW) en uit artikel 18, achtste lid, van de richtlijn, dat zal landen in lagere regelgeving. Voor de bewoordingen van artikel 7:60, vierde lid, BW, wordt de richtlijntekst overgenomen van artikel 13 van de richtlijn. Er is geen ruimte voor lidstaten om striktere regels op te leggen aan partijen. Bij het opstellen van de lagere regelgeving zal gekeken worden naar de ruimte die artikel 18, achtste lid, van de richtlijn, biedt. Wat betreft de opmerking van de VFN moeten de regels inzake geautomatiseerde verwerking worden gelezen in het licht van de overwegingen in de preambule van de richtlijn. Zo volgt onder andere uit overweging 46 en 56 dat het vooral gaat om geautomatiseerde verwerking met artificiële-intelligentiesystemen en lijkt het onderscheid ‘elektronisch of op papier’ minder relevant.

De NVB stelt voor om in de memorie van toelichting te verduidelijken dat het de aanbieder is die bepaalt hoe de afscherming van bijzondere persoonsgegevens in het kader van de kredietwaardigheidsbeoordeling plaatsvindt en meerdere partijen geven aan de toelichting te beschrijvend te vinden voor de opties om de gegevens af te schermen. De memorie van toelichting is op deze onderwerpen op enkele plekken aangepast om de verantwoordelijkheid van de aanbieder (inclusief de wijze van afscherming) te verduidelijken.

De VFN geeft tot slot aan dat het onduidelijk is of de grondslag van 4:34a Wft ook voor de beheerfase of voor toepassingen als creditscoring en fraudepreventie geldt. Dit is niet het geval. In artikel 4:34a, eerste lid, Wft wordt bepaald dat de grondslag van toepassing is op verwerking van bijzondere persoonsgegevens in het kader van de kredietwaardigheidsbeoordeling die volgt uit artikel 4:34 Wft. De grondslag geldt dan ook enkel voor verwerking in het kader van de hiervoor genoemde beoordeling.

Toename van kosten

Een aantal aanbieders van ‘koop nu, betaal later’-diensten uit de zorg dat de kosten zullen toenemen als gevolg van aansluiting bij een stelsel van kredietregistratie en (doorlopend) toezicht. ‘Koop nu, betaal later’-diensten zijn momenteel veelal gratis voor consumenten, maar de partijen waarschuwen dat dit waarschijnlijk niet meer mogelijk is in de toekomst. Ook achten partijen de kans aanwezig dat door de kosten van toezicht minder partijen een vergunning zullen aanvragen.

Eerder in deze paragraaf is toegelicht waarom niet is gekozen voor de lidstaatoptie om de hiervoor genoemde diensten uit te zonderen van een groot deel van de Wft-bepalingen, waaronder aansluiting bij databanken ten behoeve van kredietregistratie. Daarnaast zijn kosten voor toezicht onvermijdelijk, aangezien het niet mogelijk en wenselijk is om deze partijen uit te zonderen van toezicht door de AFM. Bij de kosten van toezicht is gekozen voor aansluiting bij de bestaande systematiek. Hoewel ook in de lagere regelgeving wordt gekeken naar mogelijkheden om doorberekening van kosten aan de consument zo veel mogelijk te vermijden, is deze doorberekening een mogelijk gevolg van de nieuwe regels ten aanzien van deze diensten. Dit weegt echter niet op tegen de mate van bescherming die consumenten zullen genieten als gevolg van deze wet- en regelgeving.

Vroegsignalering van financiële problemen

De NVB verzoekt om voor de signalering van betalingsproblemen een wettelijke grondslag op te nemen voor de verwerking van persoonsgegevens en het onder strikte voorwaarden verwerken van bijzondere persoonsgegevens. Ook de VFN verzoekt om een wettelijke grondslag om gebruik te maken van transactiedata.

In overweging 81, van de preambule, van de richtlijn, staat dat kredietgevers een rol hebben bij het voorkomen van overmatige schuldenlast door consumenten die financiële moeilijkheden ondervinden, vroegtijdig op te sporen en te ondersteunen. Daarom moeten kredietgevers beschikken over procedures en beleid voor de opsporing van dergelijke consumenten om ervoor te zorgen dat zij hen daadwerkelijk kunnen doorverwijzen naar gemakkelijk toegankelijke schuldadviesdiensten. Dit staat tevens in artikel 36 van de richtlijn. Er wordt geen noodzaak gezien om in het kader van vroegsignalering een additionele wettelijke grondslag op te nemen voor verwerking van persoonsgegevens. Kredietgevers dienen enkel op grond van artikel 4:35b Wft uitvoering te geven aan de op hen van toepassing zijnde verplichting.

Volgens VFN roept artikel 4:35b Wft vragen op over de termijnen voor het signaleren van financiële problemen en de doorwijsplicht door kredietgevers. VFN verzoekt om verduidelijking in de memorie van toelichting. In overweging 81 van de preambule bij de richtlijn is opgenomen dat onder financiële problemen een grote verscheidenheid aan situaties wordt verstaan, onder meer uitstel van terugbetaling van schulden met meer dan 90 dagen. Er worden in de richtlijn geen termijnen gegeven voor het signaleren van financiële problemen en het doorverwijzen door kredietgevers. De praktijk, samen met de toezichthouder zal hier invulling aan kunnen geven.

Tot slot is het volgens VFN onduidelijk of de norm van artikel 4:35b Wft, zoals beschreven in de memorie van toelichting, uniform toepasbaar is voor alle kredietaanbieders, zowel groot en klein. De norm van artikel 4:35b Wft zal door de marktpartijen (al dan niet in samenspraak met de AFM) ingevuld moeten worden.

Overgangsrecht - bestaande overeenkomsten

American Express pleit voor verdere uitbreiding van uitzonderingen die gelden voor reeds bestaande kredietovereenkomsten en verzoekt in dat kader om verduidelijking van artikel IV van het wetsvoorstel zodat – na inwerkingtreding van het wetsvoorstel – een aanbieder van krediet ten aanzien van bestaande kredietovereenkomsten met onbepaalde looptijd, de bestaande regels die voortvloeien uit de CCDI kan blijven toepassen.

Artikel IV van het conceptwetsvoorstel voegt ter implementatie van artikel 2, tweede lid, onderdeel l, van de richtlijn aan de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek artikel 211aa toe. Daarin wordt bepaald dat na inwerkingtreding van het wetsvoorstel Titel 2a van Boek 7 BW van het huidige wetboek, met uitzondering van de artikelen 62, 63 en 70, eerste en tweede lid van toepassing blijft op voor de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel bestaande kredietovereenkomsten met onbepaalde looptijd. De artikelen 62, 63 en 70, eerste en tweede lid, van Boek 7 BW, worden namelijk gewijzigd als gevolg van de implementatie van de richtlijn en zijn dan in de gewijzigde vorm ook van toepassing op reeds bestaande kredietovereenkomsten met onbepaalde looptijd. De richtlijn biedt geen ruimte om deze uitzondering verder uit te breiden voor reeds bestaande kredietovereenkomsten.

Reacties ten aanzien van lagere regelgeving

Een aantal partijen heeft verzoeken ten aanzien van de verificatieplicht die samenhangt met de kredietwaardigheidsbeoordeling en de kredietvergoeding. Het is begrijpelijk dat partijen vragen hebben over deze thema’s, aangezien deze nauw samenhangen met de andere regels die gelden ten aanzien van het aanbieden van krediet. De regels ten aanzien van de verificatieplicht en de kredietvergoeding zijn echter opgenomen in het BGfo en het Besluit kredietvergoeding. Hoewel de doelstelling is om de lagere wet- en regelgeving zo goed mogelijk te laten aansluiten op de wet in formele zin, kan in het kader van dit wetsvoorstel geen uitsluitsel worden gegeven over de verzoeken van partijen ten aanzien van de hiervoor genoemde thema’s. De reacties van partijen worden meegenomen in de aanpassing van de lagere wet- en regelgeving en het implementatiebesluit zal tevens bij het publiek worden geconsulteerd.

Overig

Een aanbeveling om onder meer de term “krediet” te wijzigen in “lening”, omdat de terminologie van de richtlijn en overige Europese regelgeving volgens de respondent niet klopt, wordt niet overgenomen. Er wordt aangesloten bij de termen die worden gebruikt in de richtlijn en in de wetgeving waarin de richtlijn wordt geïmplementeerd (Wft en het BW).

Van American Express is de aanbeveling ontvangen om de inwerkingtreding van de nieuwe regelgeving vast te stellen op 12 maanden na het aannemen van het definitieve wetsvoorstel, ervan uit gaande dat het voorstel korter dan 12 maanden voor 20 november 2026 wordt aangenomen. Het staat lidstaten echter niet vrij om een inwerkingtredingsdatum na 20 november 2026 vast te stellen voor regelgeving die dwingend door de richtlijn wordt bepaald. Voor kaarten met uitgestelde debitering wordt een uitzondering gemaakt doordat tijdelijk – voor een periode van zes maanden na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel – gebruik wordt gemaakt van de lidstaatoptie om deze kaarten uit te zonderen van het toepassingsgebied. Deze keuze is hierboven in paragraaf 13 toegelicht.

De Consumentenbond adviseert om de informatieverplichtingen overzichtelijker te maken door integratie van ESIC-formulieren. De richtlijn bevat geen voorschrift om een dergelijke integratie voor te schrijven. Omdat de onderhavige kwestie buiten het bereik van de implementatieopdracht valt, kan daarop in dit voorstel van wet niet verder worden ingegaan.

De NVB pleit ervoor om de consumentenbeschermende maatregelen van de richtlijn alleen van toepassing te laten zijn op kredietovereenkomsten tot een bedrag van € 100.000, omdat de Europese wetgever niet voor niets deze bovengrens heeft ingevoerd. De richtlijn geeft lidstaten de mogelijkheid om met betrekking tot kredietovereenkomsten die buiten het toepassingsgebied van de richtlijn vallen, zoals kredietovereenkomsten boven een bedrag van € 100.000, nationale wetgeving te handhaven of in te voeren die overeenstemt met de richtlijn (zie overweging 14 van de preambule van de richtlijn). Van deze ruimte wordt gebruikgemaakt, omdat dit zorgt voor meer consumentenbescherming. Kredietovereenkomsten boven de € 100.000 zijn vanwege de hoogte van het bedrag juist risicovol, ook al wordt een consument die een dergelijke kredietovereenkomst kan afsluiten geacht minder kwetsbaar te zijn.

Kifid wijst op een kennelijke vergissing die is gemaakt in artikel 7:60, zevende lid, BW van het wetsvoorstel, daarin ontbreekt een verwijzing naar het vijfde lid. Dit is alsnog opgenomen in het zevende lid.

De NVF heeft diverse verzoeken ten aanzien van onder andere de artikelen 7:59, 7:60 en 7:61 BW. Over het algemeen gaan deze verzoeken over verduidelijkingen of nadere specificaties van termen die in de bepalingen zijn opgenomen. Voor een groot deel van deze opmerkingen geldt dat de richtlijntekst ofwel geen nadere uitleg geeft aan termen, ofwel geen ruimte laat om af te wijken van de teksten. In sommige gevallen geeft de preambule van de richtlijn uitsluitsel. Op enkele punten van de NVF wordt nader ingegaan.

Zo wenst de NVF om in artikel 7:59 BW van het wetsvoorstel te verduidelijken wat wordt bedoeld met valse verwachtingen over de beschikbaarheid van een krediet. Deze tekst wordt voldoende duidelijk geacht. Artikel 7:59 BW implementeert artikel 7 van de richtlijn, waarin is bepaald dat reclame- en marketingcommunicatie niet misleidend, onduidelijk of oneerlijk mag zijn. Dat is het geval wanneer reclame valse verwachtingen schept over de beschikbaarheid van het krediet, de kosten van een krediet of het totale door de consument te betalen bedrag. Verder volgt volgens de NVF uit artikel 7:61, tweede lid, onderdeel y, BW, van het wetsvoorstel niet hoe wijzigingen in voorkeuren van een consument over de wijze waarop de consument informatie ontvangt worden vastgelegd. Dit is in de richtlijn niet bepaald. Dit betekent dat de kredietgever zelf kan bepalen hoe wijzigingen in de voorkeuren van de consument worden vastgelegd

RND werpt de vraag op of dit wetsvoorstel overkreditering door gratis kredietverlening aan kwetsbare mensen die vragen om betaling in termijnen of uitgestelde betaling oplost. Ook vraagt RND zich af wat er gedaan is met de wettelijke vertaling van de uitspraken van de Hoge Raad en de prejudiciële vragen over onbetekenende kosten in de zin van het huidige artikel 7:58, tweede lid, onder e, BW. In het verlengde hiervan vraagt RND zich af wat redelijke kosten zijn bij niet-nakoming. Lidstaten zijn verplicht om richtlijnen te implementeren in nationale wetgeving. De richtlijn heeft mede als doel om een hoge standaard van consumentenbescherming te realiseren. Belangrijk onderdeel daarvan is het voorkomen van onverantwoordelijke kredietverleningspraktijken en buitensporige schulden. Dit wetsvoorstel beoogt dus ook overkreditering te voorkomen. Dit neemt niet weg dat er mogelijk andere manieren zijn om overkreditering tegen te gaan (zoals de suggestie van RND om een redelijke prijs voor krediet te vragen), maar dit gaat de implementatieopdracht te buiten. Wat betreft de tweede vraag van RND geldt dat in de artikelsgewijze toelichting van artikel 1:20 Wft is uitgewerkt dat artikel 6:96, tweede lid, onderdeel c, BW, en de tarieven als genoemd in het Besluit voor vergoeding voor buitengerechtelijke kosten gelden als de redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte.

Ook Riverty wijst op het bestaan van jurisprudentie met betrekking tot incassokosten en stelt de mogelijkheid voor om nationale wetgeving in overeenstemming te brengen met de recente uitspraak van het HvJ (ECLI:EU:C:2024:895), waarin zou worden bevestigd dat kredietgevers redelijke incassokosten mogen vorderen boven op het gevorderde bedrag, mits deze kosten transparant en proportioneel zijn. Deze wens valt echter buiten de reikwijdte van de implementatieopdracht.

Thuiswinkel merkt op dat er vanuit de sector behoefte bestaat aan leidraden over de uitwerking van de wet. De grote verbreding van de reikwijdte van de Wft legt een hoop nieuwe registratie- of vergunningsverplichtingen op aan webwinkels en platforms. Voor vragen over de nieuwe registratieplicht en het toezicht kunnen partijen na de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel terecht bij de AFM als de aangewezen bevoegde autoriteit voor toezicht op de naleving van de regels ter implementatie van de richtlijn en de handhaving op en verlening van een vergunning of registratie voor het in Nederland aanbieden van krediet, het bemiddelen in krediet of het adviseren in krediet.

De VFN kaart aan dat in artikel 7:75 BW uitzonderingen worden gemaakt voor kredieten van meer dan € 40.000. Zij verzoekt om uitleg over welke uitzonderingen blijven gelden bij het verhogen van het maximale toepassingsbereik naar € 100.000. Het wetsvoorstel heeft geen gevolgen voor artikel 7:75 BW. Dit artikel en de daarin vermelde uitzonderingen blijven gelden.

De VFN verzoekt verder om objectieve gronden voor de invulling van het non-discriminatiebeginsel van artikel 6 van de richtlijn. Artikel 6 van de richtlijn bepaalt dat de lidstaten ervoor zorgen dat de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om een krediet te krijgen, niet discriminerend zijn voor consumenten die legaal in de Unie verblijven op grond van hun nationaliteit of verblijfplaats of op enige andere grond als bedoeld in artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, wanneer die consumenten binnen de Unie een kredietovereenkomst aanvragen, sluiten of erover beschikken. Noch het artikel, noch de preambule van de richtlijn bevat een uitwerking van gronden voor non-discriminatie. Het is dan ook aan marktpartijen zelf om invulling te geven aan dit non-discriminatiebeginsel, al dan niet op basis van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

VFN stelt aan de orde dat in het wetsvoorstel (in de artikelen 7:60, tweede lid, BW en 7:61, eerste lid, BW) of in de memorie van toelichting niet (duidelijk) is opgenomen dat papier als duurzame drager kan functioneren, terwijl dit wel duidelijk staat in de richtlijn. In artikel 7:61, eerste lid, BW van het wetsvoorstel wordt opgenomen “op papier of op een andere duurzame drager”. Daarmee wordt voldoende duidelijk dat papier als duurzame drager kan functioneren. In artikel 7:60, tweede lid, wordt opgenomen “op papier of de gekozen duurzame dragen”. Het woord “ander” ontbreekt. Dit wordt toegevoegd, zodat duidelijk is dat papier als duurzame drager kan functioneren.

§ 12. Advies Autoriteit Persoonsgegevens

De AP heeft een wetgevingstoets uitgevoerd ten aanzien van het wetsvoorstel. Op grond van artikel 36, vierde lid, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming zijn lidstaten immers verplicht om de toezichthoudende autoriteit te raadplegen bij het opstellen van een wetsvoorstel dat betrekking heeft op de verwerking van persoonsgegevens, zoals het geval is bij het onderhavige wetsvoorstel.

De wetgevingstoets bevat een vijftal opmerkingen op het wetsvoorstel. Volgens de AP nopen deze opmerkingen tot aanpassingen van het wetsvoorstel. Deze opmerkingen zullen hierna achtereenvolgens worden besproken. Er zal toegelicht worden welke aanpassingen aan het wetsvoorstel zijn gedaan.

Evenredigheid kredietwaardigheidsbeoordeling in de praktijk

De AP wijst er allereerst op dat op dit moment niet duidelijk wordt gemaakt op welke manier gewaarborgd is dat de op grond van de richtlijn en de AVG vereiste evenredigheid in de praktijk zal worden bereikt. Kredietgevers moeten voordat ze krediet verstrekken de kredietwaardigheid van hun consument beoordelen, maar de persoonsgegevens voor die beoordeling mogen niet onevenredig worden verzameld. Het opvragen van informatie voor de kredietwaardigheidsbeoordeling moet altijd noodzakelijk en evenredig zijn met de aard, duur, waarde en risico’s van het krediet, aldus artikel 18, derde lid, van de richtlijn. De AP merkt op dat in de memorie van toelichting echter ervan wordt uitgegaan dat kredietgevers in het kader van een kredietwaardigheidsbeoordeling de daarbij behorende evenredigheidsafwegingen zelf kunnen en mogen maken. Dit zou ten onrechte zijn, aangezien het integraal opvragen van rekeningafschriften bij consumenten onder de huidige wetgeving al praktijk is en evident niet evenredig is. De AP wijst daarom op de mogelijkheid om kredietgevers aan te sporen een gedragscode op te stellen in de zin van artikel 40 AVG die door de AP wordt getoetst en waar een door de AP geaccrediteerd orgaan in de zin van artikel 41 AVG toezicht op houdt. In de gedragscode kan dan worden ingegaan op de soort persoonsgegevens die in zijn algemeenheid altijd of juist nooit nodig zullen zijn voor bepaalde categorieën kredietwaardigheidsbeoordelingen. Daar zou ook in moeten worden gewaarborgd dat persoonsgegevens die uit externe bronnen worden geraadpleegd juist zijn en zijn verkregen op een manier die rechtmatig en integer is.

Deze aanbeveling wordt opgevolgd. Artikel 4:34 Wft was en blijft ook na het implementeren van de richtlijn een open norm. Deze norm is met de implementatie ingekleed door evenredigheid naar ‘aard, duur, waarde en risico’s van het krediet’ toe te voegen aan, eerste lid, van de hiervoor genoemde bepaling. Ondanks dat de richtlijn verder geen nadere invulling geeft van de evenredigheid die vereist wordt, neemt dit niet weg dat de gegevens die kredietgevers in het kader van de kredietwaardigheidsbeoordeling kunnen opvragen breed, maar ook privacygevoelig kunnen zijn. Het opstellen van een gedragscode kan helpen. Dit initiatief zal in een separaat traject van dit wetsvoorstel worden onderzocht.

Beperking persoonsgegevens uit banktransacties

De tweede opmerking van de AP ziet op de verwerking van bijzondere persoonsgegevens door het gebruik van een integraal rekeningafschrift. Verwerking van informatie op een rekeningafschrift is volgens de AP een ingrijpende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van consumenten, omdat alledaagse banktransacties samen bijna een volledig beeld geven van de identiteit, voorkeuren en gedragingen van iemand. Bovendien bevat een rekeningafschrift regelmatig bijzondere persoonsgegevens en juist bij bijzondere persoonsgegevens bestaan risico’s op discriminatie als deze wel worden meegewogen bij de beoordeling van kredietwaardigheid. Het is onwaarschijnlijk dat alle transacties in een rekeningafschrift op individueel niveau, inclusief afzender of ontvanger en omschrijving, altijd nodig zijn voor een kredietgever om aan zijn taken op grond van de richtlijn te voldoen. Waar het verwerken van enkel het bedrag van een transactie en bijvoorbeeld een uitgave- of inkomstencategorie toereikend is, is dat ook verplicht.

In het wetsvoorstel worden kredietgevers weliswaar verplicht om ontvangen bijzondere persoonsgegevens weg te lakken, maar de AP stelt voor om een minder ingrijpend alternatief voor het verstrekken van rekeningafschriften te onderzoeken, te weten het opstellen van een geverifieerde gestandaardiseerde rapportage door de eigen bank van een consument. Een dergelijke geverifieerde gestandaardiseerde rapportage zou enerzijds kredietverstrekkers voldoende vertrouwen bieden dat sprake is van een getrouwe weergave van de voor zijn beoordeling belangrijke inkomsten en uitgaven, terwijl anderzijds bijzondere persoonsgegevens en alle andere niet-noodzakelijke of gevoelige transactiegegevens gelakt zijn of geaggregeerd zijn tot een bepaalde inkomsten- of uitgavencategorie. Er zijn ook andere varianten mogelijk.

De wetgever begrijpt deze door de AP voorgestelde alternatieven en is daar ook voorstander van. In het kader van dit onderwerp zijn er eerder met de sector rondetafelbijeenkomsten geweest over mogelijke alternatieven voor verificatie door middel van het integraal rekeningafschrift. Uit deze gesprekken is gebleken dat de technologie op dit moment nog niet ver genoeg is om gestandaardiseerde rapportages op te stellen die in zijn geheel geen bijzondere persoonsgegevens bevatten. De verschillende alternatieven zijn afgewogen, maar de gekozen methode voor afschermen van de gegevens door bijvoorbeeld een andere afdeling of derde (dit kan ook de bank zijn van de consument) wordt geselecteerd als methode met de minste ‘bijvangst’ aan bijzondere persoonsgegevens. Dit neemt niet weg dat door technologische ontwikkelingen op langere termijn andere, betere alternatieven voorhanden zullen zijn.

Zeggenschap over lakken door de kredietverstrekker

Mocht de wetgever na afweging van de hiervoor genoemde opmerkingen toch besluiten de in het wetsvoorstel gekozen richting voort te zetten, dan acht de AP het nodig dat de consument inzage en zeggenschap krijgt over de persoonsgegevens die aangemerkt worden als bijzondere persoonsgegevens en in het kader van de kredietwaardigheidsbeoordeling afgeschermd worden. De vraag of een persoonsgegeven een bijzonder persoonsgegeven is in de zin van artikel 9 AVG is namelijk een complexe vraag. Meerdere persoonsgegevens die samen iets zeggen of kunnen zeggen over bijvoorbeeld de gezondheid of levensbeschouwelijke overtuiging van een persoon, zijn bijzondere persoonsgegevens. Het herkennen daarvan is van groot belang, maar vergt zorgvuldigheid en oog voor de bredere context waarin de persoonsgegevens voorkomen in het leven van de consument.

Deze aanbeveling wordt opgevolgd. In het wetsvoorstel is aan artikel 4:34a Wft een derde lid toegevoegd, dat bepaalt dat de consument inzage krijgt in de bijzondere persoonsgegevens die zijn verwerkt in het kader van de kredietwaardigheidsbeoordeling. De AP stelt verder voor dat de consument in de gelegenheid wordt gesteld om te reageren op de hiervoor genoemde gegevens. Dit wordt niet opgenomen in artikel 4:34a Wft. Het staat een consument echter vrij om een klacht in te dienen bij de kredietgever over gebruik van gegevens middels de interne klachtenprocedure. Indien dit tot onvoldoende bevredigend resultaat leidt voor de consument staat het de consument tevens vrij om bijvoorbeeld een klacht in te dienen bij Kifid.

Uitzondering precontractuele informatie profilering

De AP wijst verder op het gebruik van een lidstaatoptie inzake precontractuele informatie. Voor bepaalde kredieten is in artikel 2, achtste lid, van de richtlijn, een lidstaatoptie geboden om een uitzondering te maken op de in artikel 10, vijfde lid, onderdeel m, van de richtlijn, opgenomen verplichting een consument te informeren over gepersonaliseerde kredietprijzen op basis van geautomatiseerde verwerking van zijn persoonsgegevens. Met het wetsvoorstel wordt gebruikgemaakt van deze uitzonderingsmogelijkheid (zie voorgesteld artikel 7:60, zesde lid, BW). De AP merkt op dat het voorgaande niets afdoet aan de transparantieverplichtingen ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens en geautomatiseerde besluitvorming die op grond van de AVG altijd gelden. In overweging 30 van de preambule bij de richtlijn is ook bepaald dat de richtlijn geen afbreuk mag doen aan de AVG. De memorie van toelichting wekt volgens de AP ten onrechte de indruk dat kredietverleners consumenten niet hoeven te informeren over het personaliseren van de prijs van hun krediet op basis van geautomatiseerde gegevensverwerking.

Met het wetsvoorstel is niet bedoeld deze indruk te geven. De memorie van toelichting is op dit punt aangepast, zodat duidelijk wordt dat de uitzondering voor het verschaffen van bepaalde precontractuele informatie op grond van de richtlijn onverlet laat dat op partijen nog wel verplichtingen rusten uit hoofde van de AVG.

Maximumtermijn verwerken oncologisch ziekteverleden

Tot slot stelt de AP dat aansluiting bij de maximumtermijn voor verwerking van persoonsgegevens betreffende de diagnose van oncologische ziekten bij het afsluiten van verzekeringspolissen in relatie tot een krediet niet vanzelfsprekend is. In de memorie van toelichting is nagelaten te onderbouwen waarom aansluiting bij die maximumtermijn van vijftien jaar evenredig is. In het conceptwetsvoorstel is de maximumtermijn uit de richtlijn overgenomen en is het aan de kredietgevers gelaten om de termijn voor de verwerking van persoonsgegevens betreffende de diagnose van oncologische ziekten (al dan niet met een maximum van vijftien jaar) te bepalen. Het advies van de AP en overweging 48 van de preambule van de richtlijn, waaruit volgt dat veel overlevenden van kanker die in langdurige remissie zijn door hun medische voorgeschiedenis vaak oneerlijk worden behandeld bij de toegang tot financiële diensten, hebben aanleiding gegeven om de maximumtermijn te verkorten. In het aangepaste wetsvoorstel wordt de termijn dan ook vastgesteld op tien jaar na volledige remissie, met een maximum van vijftien jaar na het einde van de medische behandeling (dwingend bepaald door de richtlijn). De termijn van tien jaar na volledige remissie sluit aan op de termijnen die gehanteerd worden in de bestaande nationale ‘schone-lei’-regeling.48

§ 13. Overgangsrecht en inwerkingtreding

Artikel 47 van de richtlijn schrijft het overgangsrecht voor. De huidige regels uit de Wft en uit Titel 2a, Afdeling 1, van Boek 7 BW blijven van toepassing voor bestaande overeenkomsten. Voor nieuwe overeenkomsten die zijn gesloten na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel, geldt het nieuwe recht ingevolge deze implementatiewet. Voor kredietovereenkomsten met een onbepaalde looptijd die reeds bestaan op 20 november 2026 geldt een bijzonder overgangsregime zoals bedoeld in artikel 47 van de richtlijn.

De richtlijn schrijft uiterlijke toepassing voor op 20 november 2026. Deze implementatiewet treedt daarom in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip met als streefdatum 20 november 2026.

Voor kredietovereenkomsten in de vorm van kaarten met uitgestelde debitering geldt een uitzondering op de hiervoor genoemde toepassingsdatum. Voor deze overeenkomsten geldt een uitgestelde werking van zes maanden na de inwerkingtredingsdatum van deze implementatiewet. De uitgestelde inwerkingtreding wordt naast in artikel 1:20, vierde lid, Wft, ook geregeld in artikel 211aa, derde lid van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek.

De overgangsregeling biedt de gelegenheid aan de creditcardbranche om zich voor te bereiden op de nieuwe regelgeving. Op dit moment vallen kaarten met uitgestelde debitering (de in Nederland gangbare creditcards) niet onder het toepassingsbereik van de kredietregels. Met de richtlijn vallen deze kaarten wel onder de richtlijn, tenzij een lidstaat ervoor kiest de kaarten bij implementatie uit te zonderen van het toepassingsbereik. Het wordt wenselijk geacht om deze kaarten ook onder de kredietregels te brengen. Wel wordt gebruik gemaakt van de ruimte die de lidstaatoptie biedt, om een latere inwerkingtredingsdatum voor te schrijven voor dit type krediet. Dit heeft te maken met de bijzondere omstandigheden die gelden voor de creditcardbranche. De creditcardbranche heeft zorgen geuit over de snelle inwerkingtredingsdatum en de beperkte tijd om zich aan te passen aan de nieuwe regels. Als gevolg van de lidstaatoptie blijft lange tijd onzeker of, en in hoeverre deze branche onder de kredietregels gaan vallen. Pas net voor inwerkingtreding van dit wetsvoorstel, bestaat hierover duidelijkheid bij marktpartijen. Dit, tezamen met de niet tijdige implementatie van de richtlijn en de uitzonderingspositie die de branche wel in andere lidstaten verwacht, maakt dat niet voldoende kenbaar en voorzienbaar is voor deze marktpartijen hoe zij zich moeten voorbereiden. Als gevolg hiervan wordt een aanvullende aanpassingstermijn van zes maanden redelijk geacht. Vanuit het streven naar een gelijk speelveld in de kredietmarkt, en gezien het belang van consumentenbescherming bij uitgestelde betaling, waaronder ook BNPL in de vorm van een kaart, is een langere termijn onwenselijk.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

ARTIKEL I (Wet op het financieel toezicht)

A

Als gevolg van de uitbreiding van het toepassingsbereik tot diverse kortlopende kredieten, zoals ‘koop nu, betaal later’-diensten, is, ter verduidelijking de reeds bestaande definitie van krediet in artikel 1:1 uitgebreid met ‘het verlenen van uitstel van betaling’. Daarnaast is een definitie opgenomen voor verwijzingen in de Wft naar de richtlijn.

B

Artikel 1:16 wordt op een aantal punten gewijzigd. Dit artikel bevat een uitzondering op de Wft voor aanbieders die krediet aanbieden vanuit een vestiging in een andere lidstaat en waarbij deze financiële dienst kan worden aangemerkt als dienst van de informatiemaatschappij als bedoeld in 3:15d, derde lid BW. Onder dienst van de informatiemaatschappij wordt volgens dit lid verstaan elke dienst die gewoonlijk tegen vergoeding, langs elektronische weg, op afstand en op individueel verzoek van de afnemer van de dienst wordt verricht zonder dat partijen gelijktijdig op dezelfde plaats aanwezig zijn. In de grote meerderheid van de gevallen, gaat dit om online diensten en dus om online aanbieders.

In artikel 1:16 is een aantal Wft-artikelen opgenomen dat geldt als ‘uitzondering op de uitzondering’, waardoor deze artikelen wél op voornoemde aanbieders van toepassing zijn. De lijst van deze artikelen wordt uitgebreid. Zo wordt allereerst het Algemeen deel van de Wft (in het nieuwe eerste lid aangeduid als ‘dit deel’) – inclusief het nieuwe artikel 1:77q – van toepassing verklaard op deze aanbieders (of beter gezegd: uitgezonderd van de uitzondering). Met deze wijziging wordt productinterventie door de AFM op basis van artikel 1:77q tegen aanbieders van deze diensten die gevestigd zijn in een andere lidstaat mogelijk gemaakt. De richtlijn biedt hiervoor in artikel 41, negende lid, de mogelijkheid, waarin staat dat de lidstaten nationale wetgeving kunnen toepassen om aan nationale bevoegde autoriteiten productinterventiebevoegdheden toe te kennen om kredietproducten uit de handel te nemen indien dat gerechtvaardigd is. Artikel 3, derde lid, van de Richtlijn inzake elektronische handel (2000/31/EG, hierna: de e-commercerichtlijn), zoals geïmplementeerd in artikel V van de Aanpassingswet richtlijn inzake elektronische handel biedt eveneens deze mogelijkheid. Zie de toelichting bij artikel D hieronder voor meer achtergrond bij de productinterventiebevoegdheid.

Daarnaast worden de artikelen 4:32, 4:34, 4:34a en 4:35 uitgezonderd van de werking van artikel 1:16. Hiermee worden deze artikelen ook van toepassing op aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij (oftewel online aanbieders) die vanuit een andere lidstaat in Nederland krediet aanbieden. Kort gezegd, worden deze buitenlandse online aanbieders hiermee (i) verplicht aan te sluiten bij BKR, (ii) verplicht een kredietwaardigheidsbeoordeling uit te voeren op basis van de Nederlandse leennormen en (iii) onderhevig aan de Nederlandse maximumkredietvergoeding van (thans) 12% zoals vastgelegd in het Besluit kredietvergoeding als zij krediet aanbieden aan consumenten in Nederland. Voor wat betreft de handhaving door de AFM bij niet naleving van de hiervoor genoemde bepalingen geldt dat het voor de AFM mogelijk is om een boete op te leggen aan buitenlandse partijen, na informeren van de toezichthouder in de lidstaat van herkomst.

In beginsel geldt op grond van de e-commercerichtlijn (geïmplementeerd in de Aanpassingswet richtlijn inzake elektronische handel) het oorspronglandbeginsel, wat inhoudt – kort gezegd – dat online dienstverleners ‘slechts’ hoeven te voldoen aan het geldende recht van hun lidstaat van vestiging. Dit bevordert de werking van de interne markt omdat dienstverleners vanuit hun lidstaat dan in de gehele EU hun (veelal online) diensten kunnen aanbieden (uitzonderingen daargelaten) zonder dat zij rekening hoeven te houden met de nationale bepalingen van elke afzonderlijke lidstaat waar zij actief zijn. Voorheen gold dan ook voor buitenlandse, online kredietaanbieders dat zij op grond van artikel 1:16 volledig waren uitgezonderd van de werking van de Wft, waaronder van de voor Nederlandse aanbieders verplichte BKR-aansluiting, Nederlandse kredietwaardigheidsbeoordeling en maximumkredietvergoeding. De richtlijn biedt echter als lex specialis ten opzichte van de e-commercerichtlijn de mogelijkheid en aanleiding de Wft-artikelen die hierop betrekking hebben wel op deze aanbieders van toepassing te verklaren. De grondslag in de richtlijn is artikel 18, elfde lid, en artikel 31, tweede lid, van de richtlijn. Dat wordt hieronder nader uiteengezet.

Het systeem van kredietregistratie vereist dat de openstaande kredieten van een consument bij één databank worden verzameld. Anders kunnen kredietaanbieders er niet van uitgaan dat zij alle openstaande, geregistreerde kredieten van een consument hebben meegenomen in de kredietwaardigheidsbeoordeling, waardoor deze onbetrouwbaar wordt. Op grond van artikel 18, elfde lid, van de richtlijn kunnen lidstaten dan ook van kredietgevers eisen dat zij de kredietwaardigheid van consumenten beoordelen op basis van een raadpleging van de relevante databank. In Nederland is de relevante databank BKR.49 Om aan de richtlijn te voldoen is het nodig alle kredietgevers – waaronder buitenlandse, online kredietgevers – te verplichten BKR te raadplegen voordat zij een krediet verschaffen.

Dit wordt geregeld door de artikelen 4:32 en 4:34 en 4:34a uit te zonderen van de werking van artikel 1:16 Wft. Artikel 4:32 bevat allereerst de verplichting voor aanbieders om aan te sluiten bij een ‘stelsel van kredietregistratie’, oftewel BKR. Artikel 4:34 bepaalt daarnaast – kort gezegd – dat aanbieders een kredietwaardigheidsbeoordeling moeten uitvoeren voordat zij krediet verstrekken. Het derde lid bevat een delegatiegrondslag om nadere regels te stellen ten aanzien van die kredietwaardigheidsbeoordeling. Ook dit artikel wordt van toepassing verklaard op buitenlandse, online aanbieders, onder meer om hen daadwerkelijk te verplichten BKR te raadplegen tijdens hun kredietwaardigheidsbeoordeling. Momenteel is deze verplichting neergelegd in artikel 114 BGfo (met artikel 4:34, derde lid, Wft, als grondslag), wat bepaalt dat aanbieders verplicht zijn om BKR te raadplegen als zij een krediet verschaffen van meer dan €250. Aangezien BKR alleen als betrouwbare databank met betrekking tot Nederlandse consumenten kan functioneren als aanbieders BKR niet alleen raadplegen maar verstrekte kredieten juist ook registeren, worden buitenlandse, online aanbieders ook verplicht om – onder de geldende voorwaarden – kredieten die zij verstrekken aan Nederlandse consumenten in BKR te registreren. Worden deze aanbieders hier niet toe verplicht, dan verliest het kredietregister van BKR haar betrouwbaarheid en wordt de bescherming van consumenten die de raadpleging van het register dient te bewerkstelligen mogelijk uitgehold door de mogelijkheid grensoverschrijdend krediet af te sluiten dat in het register niet wordt opgenomen. De precieze regels ten aanzien van raadpleging van en registratie bij BKR worden uitgewerkt in lagere regelgeving die op grond van de richtlijn wordt gewijzigd.

De maximumkredietvergoeding wordt daarnaast eveneens van toepassing op buitenlandse, online aanbieders door artikel 4:35 Wft uit te zonderen van de werking van artikel 1:16 Wft. Artikel 4:35 Wft bevat de delegatiegrondslag voor artikel 115a BGfo, dat bepaalt dat een aanbieder geen hogere kredietvergoeding mag rekenen dan op grond van het Besluit kredietvergoeding is toegestaan. De richtlijn biedt hiervoor in artikel 31, tweede lid, de ruimte, dat bepaalt dat lidstaten verboden of beperkingen kunnen vaststellen wat betreft specifieke kosten of vergoedingen die door kredietgevers op hun grondgebied worden toegepast. De maximumkredietvergoeding kwalificeert als een dergelijke beperking van kosten of vergoedingen.

In het tweede lid van artikel 1:16 Wft is een verschrijving hersteld. Een onjuiste verwijzing naar het zesde lid, onderdeel a, van artikel V van de Aanpassingswet richtlijn inzake elektronische handel is vervangen door een correcte verwijzing naar het vijfde lid, onderdeel a, van artikel V van de Aanpassingswet richtlijn inzake elektronische handel.

C

Met de wijzigingen in artikel 1:20 Wft wordt een aantal bijzondere vormen van krediet van de toepassing van de Wft uitgezonderd. Een aantal uitzonderingen komt op grond van de richtlijn te vervallen, met als gevolg dat meer vormen van krediet onder het toepassingsbereik van de Wft komen te vallen. Enkele kredietovereenkomsten zijn niet langer uitgezonderd van de richtlijn omdat dit potentieel nadelige producten voor consumenten zijn, vanwege de hoge kosten die eraan verbonden zijn of de hoge vergoedingen bij gemiste betalingen.50 Als gevolg hiervan worden het eerste lid, onderdeel c en e, en het tweede lid aangepast. Tot slot worden in het derde lid en vierde lid (nieuw) twee overgangsbepalingen opgenomen. Hieronder wordt achtereenvolgens op de wijzigingen ingegaan.

Eerste lid, onderdeel c

Het eerste lid, onderdeel c, wordt gewijzigd ter implementatie van artikel 2, tweede lid, onderdeel g, van de richtlijn. In dit onderdeel wordt het toepassingsbereik van de Wft uitgebreid tot (i) huur- of verhuurovereenkomsten met een (schriftelijk overeengekomen) optie tot aankoop van de zaak waarop de overeenkomst betrekking heeft en tot (ii) huur- of verhuurovereenkomsten waarbij partijen de intentie hebben om na afloop van de overeenkomst het eigendom van de zaak aan de consument over te dragen. Deze huur- of verhuurovereenkomsten met een dergelijke (ongeschreven) ‘intentie tot koop’ vallen niet expliciet onder het toepassingsbereik van de richtlijn, maar worden wel nadrukkelijk onder het toepassingsbereik van de Wft gebracht om de consumentenbescherming bij deze overeenkomsten gelijk te trekken met die bij overeenkomsten met een geschreven optie tot koop. Indien dit niet zou worden gedaan, zou dat naar verwachting tot gevolg hebben dat aanbieders de formele, geschreven optie uit hun (standaard)overeenkomsten schrappen, maar desondanks als staande praktijk na afloop van de overeenkomst de zaak aan de consument (blijven) aanbieden. Dit zou in de praktijk geen verschil opleveren voor de consument – aan wie de zaak linksom of rechtsom blijft worden aangeboden – maar zou er wel voor zorgen dat de overeenkomsten buiten het toepassingsbereik van de Wft blijven. Dat gaat in tegen het beoogde effect van de richtlijn en de verplichting voor lidstaten ingevolge artikel 43, tweede lid, van de richtlijn om ervoor te zorgen dat de bepalingen van nationaal recht niet kunnen worden omzeild door de wijze waarop overeenkomsten worden geformuleerd. Dit neemt niet weg dat het mogelijk blijft voor aanbieders om op incidentele basis na afloop van de kredietovereenkomst de zaak aan de consument te verkopen, zonder dat zij onder de kredietregelgeving vallen, bijvoorbeeld op verzoek van de consument.

Huurkoopovereenkomsten waarbij het eigendom van de zaak waarop de overeenkomst betrekking heeft aan het einde van de looptijd van die overeenkomst overgaat op de consument vielen reeds onder het toepassingsbereik, nu een dergelijke overeenkomst niet kwalificeert als huur of verhuur en daarmee niet is uitgezonderd in artikel 1:20 Wft.

Eerste lid, onderdeel e (nieuw)

Bepaalde vormen van uitgestelde betaling komen voortaan binnen het toepassingsbereik van de richtlijn te vallen. Het gaat bijvoorbeeld om kaarten met uitgestelde debitering, maar ook ‘koop nu, betaal later’-diensten. Omdat een uitgestelde betaling ook juist een gangbare handelspraktijk kan zijn, is beoogd sommige vormen van uitgestelde betaling in de richtlijn uit te zonderen van het toepassingsbereik. Het gaat bijvoorbeeld om ziekenhuisrekeningen die later betaald mogen worden.51 Artikel 58, derde lid, onderdelen d en e, van Boek 7 BW implementeert de hiervoor genoemde uitzondering, waarnaar in artikel 1:20, eerste lid, onderdeel e (nieuw), Wft wordt verwezen.

De uitzonderingsgrond voor uitstel van betaling wordt opgedeeld in twee categorieën regels, waarbij de tweede categorie strengere eisen stelt. De eerste categorie, die in artikel 58, derde lid, onderdeel d, van Boek 7 BW wordt geïmplementeerd, is van toepassing in de situatie waarin de leverancier van roerende zaken of de dienstverlener een mkb-onderneming is in de zin van Aanbeveling van de Commissie betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PbEU 2003, C 1422) óf als de overeenkomst niet een dienst van de informatiemaatschappij is in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van Richtlijn (EU) 2015/1535 die op afstand wordt gesloten.52 Dit zijn ofwel fysieke winkels of dienstverleners zoals tandartsen, ofwel kleine of middelgrote online leveranciers of dienstverleners. Voor deze categorie geldt dat de overeenkomst buiten het toepassingsbereik valt van de Wft indien aan de volgende drie voorwaarden is voldaan: i) er is geen sprake van een derde die krediet aanbiedt of een platform, ii) de betaling wordt in het geheel verricht binnen 50 dagen na levering en iii) de aankoopprijs wordt zonder rente en zonder andere kosten betaald, behalve waar het gaat om beperkte kosten wegens betalingsachterstand, verschuldigd overeenkomstig het nationale recht.

De eerste eis betreft dat er geen sprake is van een derde die krediet aanbiedt en dat het uitstel van betaling niet op een platform wordt aangeboden. De definitie van platform volgt uit artikel 57, eerste lid, onderdeel ab, Boek 7 BW. Maakt een online mkb-winkel of een fysieke winkel of dienstverlener gebruik van een derde partij die krediet aanbiedt, wat het geval is bij ‘koop nu, betaal later’-diensten, dan is altijd sprake van een overeenkomst die onder het toepassingsbereik valt van Titel 2a van Boek 7 BW en de Wft. Ook bij verkoop op een platform waarbij het platform uitstel van betaling aanbiedt, valt de overeenkomst onder het toepassingsbereik. Dit geldt ongeacht of i) de consument via het platform van een aangesloten verkoper koopt – waarbij het platform als derde uitstel van betaling verleent – of ii) de consument direct van het platform koopt, waarbij het platform uitstel van betaling verleent voor producten onder eigen naam of label of uit eigen voorraad (en waarbij geen sprake is van een derde die uitstel van betaling verleent). De eerste situatie valt onder de richtlijn; voor de tweede situatie is gebruik gemaakt van de beleidsruimte die de richtlijn biedt. Voor een toelichting daarop wordt verwezen naar paragraaf 4 van deze toelichting.

De tweede eis is dat de betaling moet worden verricht vóór afloop van de in artikel 58, derde lid, onderdeel d, van Boek 7 BW genoemde betalingstermijn van 50 dagen. De betalingstermijn vangt aan vanaf het moment van levering. Wanneer dit moment van levering is, volgt uit het BW. Voor de levering van roerende zaken geldt dat dit het moment is waarop aan de verkrijger het bezit van de zaak wordt verschaft, ingevolge artikel 3:90 BW. Ook wanneer de levering onder opschortende voorwaarde wordt gedaan, bijvoorbeeld onder voorwaarde van betaling, geldt het moment waarop bezit van de zaak wordt verschaft, ingevolge artikel 3:91 BW.

De derde eis is dat de aankoopprijs zonder rente en zonder andere kosten wordt betaald, en slechts redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte worden gerekend. Daarbij geldt artikel 96, tweede lid, onderdeel c, van Boek 6 BW en de tarieven als genoemd in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.

De tweede categorie, die in artikel 58, derde lid, onderdeel e, van Boek 7 BW is geïmplementeerd, kent zwaardere aanvullende eisen indien de leverancier van roerende zaken of dienstverlener geen mkb-onderneming is in de zin van Aanbeveling van de Commissie betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PbEU 2003, C 1422) én als de overeenkomst een dienst van de informatiemaatschappij is in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel b van Richtlijn (EU) 2015/1535 die op afstand wordt gesloten.53 Dit zijn grote online leveranciers of dienstverleners, zoals grote online webshops. Voor deze categorie is geen sprake van een overeenkomst die onder het toepassingsbereik valt van de Wft, indien aan de volgende drie voorwaarden is voldaan: i) er is geen sprake van een derde die krediet aanbiedt of overkoopt, of van een platform, ii) de betaling wordt in het geheel verricht binnen 14 dagen na levering en iii) de aankoopprijs wordt zonder rente en zonder andere kosten betaald, behalve waar het gaat om beperkte kosten wegens betalingsachterstand, verschuldigd overeenkomstig het nationale recht. In tegenstelling tot de eerste categorie bedraagt de maximale betalingstermijn 14 dagen en mag er geen sprake zijn van een derde die krediet overkoopt. Indien de derde partij de vordering overneemt van de leverancier dan wel dienstverlener, kan geen gebruik gemaakt worden van deze uitzonderingsgrond en valt de overeenkomst binnen het toepassingsbereik van de Wft.

In de tabel hieronder is – ter illustratie – met een aantal voorbeelden inzichtelijk gemaakt welke vormen van uitgestelde betaling in ieder geval onder het toepassingsbereik vallen van de Wft en welke vormen mogelijk onder een uitzondering vallen.

Valt onder de Wft Valt onder uitzondering

Elke vorm van uitstel van betaling waarbij een derde krediet aanbiedt.

Bijvoorbeeld:

  • Een winkel biedt als één van de betaalopties ‘koop nu, betaal later’-diensten aan van een derde partij.

Uitstel van betaling verleend door (i) een mkb-onderneming of door (ii) grootbedrijf met een fysieke winkel onder de voorwaarden dat:

  1. binnen 50 dagen de betaling volledig moet zijn verricht; en

  2. er geen rente of andere kosten worden gerekend, met uitzondering van redelijke kosten bij niet-nakoming.

Let op: hierbij mag krediet niet worden aangeboden door een derde, maar mag het wel worden overgekocht (factoring)

Bijvoorbeeld:

  • Een fietsenmaker biedt de optie om de factuur twee maanden later te betalen.

  • Een tandarts verkoopt zijn vorderingen aan een derde partij waarbij de betaling na 30 dagen moet zijn verricht.

Elke vorm van uitstel van betaling op een platform, ongeacht of het gaat om producten van het platform (onder label van het platform of uit voorraad van het platform) of om producten van een derde die via het platform verkoopt.

Bijvoorbeeld:

  • Een platform verkoopt op het platform boeken uit eigen voorraad, waarbij uitstel van betaling wordt gegeven.

  • Een uitgever verkoopt boeken via een platform waarvoor het platform uitstel van betaling verleent.

Ook deze situatie wordtonder het toepassingsbereik gebracht van de Wft en Titel 2a van Boek 7 BW door gebruik te maken van de beleidsruimte die de richtlijn biedt. Voor een toelichting daarop wordt verwezen naar paragraaf 4 van deze toelichting.

Uitstel van betaling verleend door een grote webwinkel (geen mkb-onderneming) zonder fysieke winkel onder de voorwaarden dat:

  1. binnen 14 dagen de betaling volledig moet zijn verricht;

  2. er geen rente of andere kosten worden gerekend, met uitzondering van redelijke kosten bij niet-nakoming; en

  3. er niet wordt gedaan aan factoring.

Bijvoorbeeld:

  • Een grote webwinkel biedt de mogelijkheid een aangeschafte laptop binnen 14 dagen te betalen.

Elke vorm van uitstel van betaling tegen bepaalde kosten zoals rente, met uitzondering van redelijke kosten bij niet-nakoming.

Bijvoorbeeld:

  • Een winkel biedt voor €2,- uitgestelde betaling aan als één van de betaalopties.

  • Een winkel rekent rente over de looptijd waarin de betaling voldaan moet zijn.

Uitstel van betaling dat niet voldoet aan de voorwaarden voor de uitzondering zoals genoemd in de rechterkolom.

Tweede lid

Met de komst van de richtlijn is een kredietovereenkomst in de vorm van een geoorloofde debetstand waarbij binnen een maand wordt afgelost binnen het toepassingsbereik komen te vallen. Er is daarmee geen ruimte meer voor een licht regime voor dit type krediet zoals opgenomen in het huidige tweede lid van artikel 1:20 Wft.54 De maatwerkregeling voor de geoorloofde debetstand (roodstand) komt te vervallen en het tweede lid wordt vervangen door een maatwerkregeling voor kredietovereenkomsten in de vorm van overschrijding. Hiermee wordt artikel 2, vierde lid, onderdeel a, van de richtlijn geïmplementeerd.

Derde lid

Het derde lid implementeert artikel 47 van de richtlijn. In het derde lid wordt bepaald dat de relevante wijzigingen van de Wft in dit wetsvoorstel niet van toepassing zijn op bestaande kredietovereenkomsten die voor inwerkingtreding van dit wetsvoorstel zijn gesloten. De oude bepalingen van de Wft blijven op die kredietovereenkomsten van toepassing. Enkele gewijzigde bepalingen van het BW zullen wel van toepassing zijn op kredietovereenkomsten voor onbepaalde tijd die waren gesloten voor inwerkingtreding van deze wet. Zie de toelichting bij artikel IV.

Vierde lid

In het vierde lid wordt een overgangsregeling opgenomen voor kredietovereenkomsten in de vorm van kaarten met uitgestelde debitering. Zie paragrafen 4 en 13 van de algemene toelichting. De bestaande uitzonderingsgrond in het eerste lid, onderdeel e, voor financiële diensten met betrekking tot krediet dat binnen drie maanden dient te worden afgelost en terzake waarvan slechts onbetekenende kosten aan de consument in rekening worden gebracht, blijft voor een periode van zes maanden na inwerkingtreding van kracht voor kredietovereenkomsten in de vorm van uitgestelde debitering zoals bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van de richtlijn.

D

Artikel 1:77q implementeert artikel 41, negende lid, van de richtlijn. Middels dit artikel wordt gebruik gemaakt van de beleidsruimte om de AFM productinterventiebevoegdheden toe te kennen. De richtlijn schrijft niet voor op welke wijze de productinterventie moet worden ingekleed. Daarom voorziet artikel 1:77q in de voorwaarden voor gebruikmaking van deze bevoegdheid. Er is gedeeltelijk aangesloten bij de bestaande productinterventiebevoegdheden van de AFM, die volgen uit artikel 42 van de richtlijn betreffende markten voor financiële instrumenten.55

Het eerste lid regelt dat de AFM een verbod of beperking kan opleggen om bepaalde kredieten (denk aan nieuwe productsoorten die in zijn geheel door een aantal kenmerken onwenselijk zijn) of kredieten met bepaalde specifieke kenmerken (zoals onrealistische, voor de consument zeer ongunstige voorwaarden) aan te bieden of om bepaalde marktpraktijken te verrichten. Er is sprake van een brede bevoegdheid: een verbod of beperking kan ook worden opgelegd voordat bepaalde kredieten of kredieten met bepaalde specifieke kenmerken op de markt zijn gebracht. Wel dient de AFM op redelijke gronden te concluderen of een verbod of beperking moet worden opgelegd.

Onder onderdeel a en b van het eerste lid staan de voorwaarden op grond waarvan de AFM beoordeelt of zij gebruik mag maken van de bevoegdheid. Ten eerste moet een krediet of marktpraktijk een significante reden tot bezorgdheid vormen over de consumentenbescherming. Er hoeft derhalve geen sprake te zijn van een overtreding. Tevens moet worden geconcludeerd dat andere bevoegdheden voor toezicht of handhaving niet volstaan of niet doelmatig of evenredig zijn om de bezorgdheid af te wenden. Hieruit kan worden afgeleid dat de bevoegdheid alleen in uitzonderlijke gevallen kan worden ingezet. Normaal gesproken zullen bijvoorbeeld de regels uit de richtlijn, geïmplementeerd in de Wft en het BW, afdoende zijn om de consumentenbescherming te borgen. Van een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld sprake zijn bij (technologische) ontwikkelingen waarin de richtlijn niet voorziet en daardoor niet effectief kan worden opgetreden.

Het tweede lid regelt een delegatiegrondslag om bij algemene maatregel van bestuur de criteria en factoren nader uit te werken die de AFM in aanmerking kan nemen om te bepalen of sprake is van een significante reden tot bezorgdheid over de consumentenbescherming. Deze zullen in het BGfo worden opgenomen.

E

Met de nieuwe registratieplicht voor de in artikel 2:81 beschreven specifieke groep grote bemiddelaars in krediet is ook aanpassing nodig van artikel 1:107. Door opname in het tweede lid onder 11°, van een verwijzing naar artikel 2:81, vierde lid, onderdeel b, wordt geregeld dat de registerhouder, de AFM, zorgdraagt voor inschrijving van deze categorie bemiddelaars in het openbaar register.

F

Artikel 2:64c implementeert artikel 5 van de richtlijn kredietservicers en kredietkopers (EU 2021/2167), dat de vergunningvereisten voor kredietservicers bevat. Bij de implementatie van deze richtlijn is per abuis een verwijzing opgenomen naar het tweede en vierde lid van artikel 4:9, inzake verplichtingen voor financiëledienstverleners ten aanzien van vakbekwaamheid van medewerkers. Aangezien de hiervoor genoemde richtlijn noch in artikel 5, dat de vergunningvereisten voor kredietservicers bepaalt, noch in de overige richtlijnbepalingen vereisten ten aanzien van vakbekwaamheid oplegt, vervalt de verwijzing naar artikel 4:9, tweede en vierde lid en de zinssnede ‘en vakbekwaamheid’ in het eerste lid, onderdeel a, van artikel 2:64c.

G

In dit artikel wordt artikel 37, eerste lid, van de richtlijn, geïmplementeerd waaruit een toelatings- dan wel registratievereiste voor aanbieders van krediet en bemiddelaars in krediet volgt. Aanbieders zijn op grond van artikel 2:60 Wft al verplicht om een vergunning voor het aanbieden van krediet aan te vragen bij de AFM. Voor bemiddelaars in krediet volgt de vergunningplicht uit artikel 2:80 Wft.

Als gevolg van de richtlijnimplementatie vallen meer partijen onder de vergunningplicht van artikel 2:80, zoals leveranciers van roerende zaken of aanbieders die ‘koop nu, betaal later’-diensten aanbieden via een derde partij, zoals fysieke winkels of webwinkels. Voor deze leveranciers van roerende zaken of diensten is in artikel 2:81 een vierde lid ingevoegd, dat een registratieplicht in plaats van een vergunningplicht regelt. Deze registratieplicht komt te bestaan naast de registratieplicht uit artikel 2:81, tweede lid, voor verbonden bemiddelaars. De delegatiegrondslag uit het vijfde lid (nieuw) is daarop aangepast om ook regels te kunnen stellen met betrekking tot het vierde lid (nieuw), onderdeel b.

Bij dit nieuwe regime van artikel 2:81, vierde lid wordt, in tegenstelling tot het regime voor verbonden bemiddelaars uit het tweede lid, dat ook van toepassing kan zijn bij bemiddeling in andere financiële producten dan krediet, niet de voorwaarde van aansluiting bij slechts één aanbieder van krediet gesteld, maar bestaat de mogelijkheid voor leveranciers van roerende zaken of diensten om te bemiddelen voor meerdere aanbieders. Voor de aanbieder of, indien van toepassing, aanbieders geldt de verplichting om de bemiddelaar aan te melden bij de AFM. De bemiddelaar blijft, anders dan een verbonden bemiddelaar uit het tweede lid, zelf volledig verantwoordelijk, in die zin dat hij zelf zorg draagt voor het voldoen aan de op hem van toepassing zijnde bepalingen uit de Wft. Dit betekent dat de bemiddelaar dient te controleren of alle aanbieders waar hij voor bemiddelt hem hebben aangemeld bij de AFM en ook zelf verantwoordelijk is voor naleving van de bepalingen uit deel 4 van de Wft die op hem van toepassing zijn.

De registratieplicht is van toepassing op een leverancier van roerende zaken of diensten die geen micro-, kleine of middelgrote onderneming is als bedoeld in Aanbeveling van de Commissie betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PbEU 2003, C 1422) en die in nevenactiviteit bemiddelt in kredietovereenkomsten die voorzien in uitstel van betaling van ten hoogste drie maanden na de levering van de roerende zaak of de dienst. Er wordt uitgegaan van een termijn van drie maanden om aan te sluiten bij de termijn genoemd in artikel 7:84 BW ten aanzien van goederenkrediet dat wordt aangemerkt als kredietovereenkomst. Het lichte regime van de registratieplicht is nadrukkelijk bedoeld voor ‘koop-nu, betaal later’-diensten en bijvoorbeeld niet voor huurovereenkomsten of langdurige koop of afbetaling.

Voor de achtergrond van de keuze om een registratieplicht in plaats van een vergunningplicht in te voeren voor deze partijen wordt verwezen naar paragraaf 4 van het algemeen deel van deze toelichting. Voor leveranciers van roerende zaken of diensten die wel kwalificeren als micro-, kleine of middelgrote ondernemingen wordt gebruik gemaakt van de lidstaatoptie uit artikel 37, derde lid, onderdeel a, van de richtlijn, om hen volledig vrij te stellen van een vergunning- en registratieplicht. Dit zal worden geregeld in de Vr Wft.

H

Artikel 4:2d bevatte een reeks aan uitzonderingsbepalingen voor financiële diensten met betrekking tot een geoorloofde debetstand waarbij de consument binnen drie maanden dient af te lossen. Het ging om bepaalde gedragsbepalingen en informatieverplichtingen. Het artikel komt te vervallen, nu de proportionele maatwerkregeling uit de CCDI in de richtlijn is komen te vervallen, onder verwijzing naar de artikelsgewijze toelichting bij onderdeel C.

I

Ter implementatie van artikel 16, derde lid, onderdeel e, van de richtlijn wordt aan artikel 4:23, eerste lid, een onderdeel toegevoegd. Artikel 4:23 ziet op verplichtingen voor financiële ondernemingen die consumenten adviseren of vermogen van cliënten beheren. Aan het eerste lid wordt een onderdeel toegevoegd dat bepaalt dat een adviseur gelijktijdig met het verstrekken van een advies ten aanzien van consumptief krediet een afschrift van het advies aan een consument verstrekt op een door de consument gekozen duurzame drager. Dat betekent in de praktijk dat bijvoorbeeld tijdens een adviesgesprek de consument het advies ook schriftelijk ontvangt, bijvoorbeeld op papier of per e-mail.

De overige bepalingen van artikel 16 ten aanzien van adviesdiensten zijn reeds geïmplementeerd in artikel 4:23 of krijgen uitwerking in het BGfo.

J

Aan artikel 4:32, tweede lid, wordt een zinsnede toegevoegd ter implementatie van artikel 19, zesde lid, van de richtlijn. Dat lid bepaalt dat de aanbieder van krediet de consument kosteloos en onverwijld in kennis stelt van het resultaat van de raadpleging en de details van het geraadpleegde stelsel van kredietregistratie, indien afwijzing van een kredietaanvraag uit de raadpleging van het stelsel van kredietregistratie volgt. Aan dat lid wordt toegevoegd dat ook de categorieën van gegevens die zijn geraadpleegd worden medegedeeld aan de consument.

Artikel 19, zevende lid, van de richtlijn ziet op enkele informatieverplichtingen van de aanbieders van databanken aan de consument bij registratie van een krediet in de databank. Artikel 4:32, vierde lid, implementeert dit artikel, zij het dat de betreffende informatieverplichtingen met dit wetsvoorstel niet worden toebedeeld aan de databank (BKR in Nederland), maar aan aanbieders van krediet. Zo moet de aanbieder de consument binnen dertig dagen op de hoogte stellen van de registratie van zijn betalingsachterstand inzake het krediet en moet de consument op de hoogte worden gesteld van de rechten op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming, bijvoorbeeld door middel van een waarschuwing per e-mail.

K

In het eerste lid is een passage ingevoegd ter implementatie van artikel 18, derde en elfde lid, van de richtlijn. Waar artikel 4:34, eerste lid, Wft, voorheen een open norm betrof, is deze als gevolg van de richtlijn nader ingekleed met een proportionaliteitstoets. De hoeveelheid informatie die een aanbieder van krediet bij een kredietwaardigheidsbeoordeling moet opvragen van de consument, hangt af van de aard, duur, waarde en risico’s van het krediet. De informatie moet ten minste het inkomen en de uitgaven van de consument omvatten, met passende aandacht voor de lopende verplichtingen van de consument, onder meer de kosten van levensonderhoud, de kosten van het huishouden en de financiële verplichtingen van de consument.56

Van de gelegenheid wordt gebruikgemaakt om de term ‘kredietovereenkomst’ in het tweede lid van artikel 4:34 te wijzigen naar ‘overeenkomst inzake krediet’ om daarmee aan te sluiten bij de definitie van krediet in de Wft en tevens bij de term gebruikt in het eerste lid. Verder is ter implementatie van het elfde lid van artikel 18, van de richtlijn, toegevoegd dat de beoordeling niet uitsluitend gebaseerd mag zijn op de kredietgeschiedenis van de consument. Het enkel raadplegen van een stelsel van kredietregistratie om tot een beoordeling te komen is niet voldoende om de kredietwaardigheid te beoordelen.

Het nieuwe derde lid van artikel 4:34 implementeert artikel 35, eerste lid, tweede alinea, van de richtlijn. De kredietgever is op grond van de artikelen 70a en 128aa van Boek 7 BW en artikel 4:35a Wft verplicht om waar passend respijtmaatregelen te treffen, zoals een verlaging van de rente of verlenging van de duur van de overeenkomst. Deze artikelen zijn ingevoegd met de inwerkingtreding van de Implementatiewet richtlijn kredietservicers en kredietkopers. 57 De artikelen in Boek 7 BW sommen de verplichting alsmede mogelijke respijtmaatregelen op. Artikel 4:35a schrijft voor dat de aanbieder van krediet over adequaat beleid en adequate procedures moet beschikken inzake de omgang met betalingsachterstanden op grond van kredietovereenkomsten voor consumenten en waar passend de in de artikelen 70a en 128aa van Boek 7 BW genoemde respijtmaatregelen moet treffen. Het is in het belang van de consument dat de aanbieder respijtmaatregelen treft. Op basis van de Nederlandse wet wordt een reguliere betalingsregeling met een consument beschouwd als een voortzetting van de bestaande kredietovereenkomst.58 Indien de voorwaarden dermate wijzigen dat daarmee een nieuwe kredietovereenkomst tot stand komt, vereist artikel 4:34, eerste lid, een nieuwe kredietwaardigheidsbeoordeling. Het derde lid maakt hierop in het kader van respijtmaatregelen een uitzondering door deze beoordeling alleen voor te schrijven indien sprake is van een belangrijke verhoging van de kredietlimiet, dan wel de som van de bedragen die aan de consument ter beschikking zijn gesteld. Daarmee worden immers de lasten van de consument verzwaard. De uitzondering in het derde lid geldt alleen voor krediet, niet zijnde hypothecair krediet, door de verwijzing naar artikel 4:35a, die alleen op dit type krediet ziet.

L

Artikel 4:34a

De kredietaanbieder is op grond van artikel 4:34 verplicht om, alvorens hij een krediet mag verstrekken, een kredietwaardigheidsbeoordeling uit te voeren om overkreditering van de consument te voorkomen. De aanbieder verstrekt geen krediet indien dit op basis van de kredietwaardigheidsbeoordeling onverantwoord is met het oog op overkreditering van de consument. Deze beoordeling voert de aanbieder ingevolge artikel 18, derde lid, van de richtlijn, uit op basis van informatie over de financiële positie van de consument, die noodzakelijk is en evenredig is met de aard, duur, waarde en risico’s van het krediet voor de consument. De informatie mag op grond van artikel 4:34 Wft bestaan uit mededelingen van de consument, met dien verstande dat artikel 113 BGfo verificatie voorschrijft aangaande de financiële positie van de consument indien het totale kredietbedrag de aldaar genoemde grens overschrijdt. De aanbieder dient boven die grens te beschikken over schriftelijke informatie aangaande de financiële positie van de consument. Die informatie kan bijvoorbeeld bestaan uit bewijs van inkomsten of andere terugbetalingsbronnen, informatie over financiële activa en passiva, of informatie over andere financiële verplichtingen. Aanvullend wordt de open norm van artikel 4:34 Wft in de praktijk ingekleurd door de Leennormenmethodiek consumptief krediet van de VFN. Voor de verificatiegrens in artikel 113 BGfo en de grens voor raadpleging van het BKR in artikel 114 BGfo geldt dat deze zullen worden aangescherpt als gevolg van recente inzichten dat ook kleine kredieten tot betalingsachterstanden kunnen leiden59 en het feit dat ‘koop nu, betaal later’-diensten onder het toepassingsgebied van de Wft en de richtlijn zijn gebracht.

Artikel 4:34a, eerste lid, implementeert de artikelen 18, derde lid, en artikel 19, vijfde lid, van de richtlijn. Op grond van dit eerste lid mogen bij de kredietwaardigheidsbeoordeling geen bijzondere categorieën van persoonsgegevens in de zin van artikel 9, eerste lid, van de AVG of persoonsgegevens die via digitale sociale netwerken zijn verkregen betrokken worden. In het tweede lid wordt daarnaast een wettelijke grondslag gecreëerd voor het verwerken van bijzondere categorieën van persoonsgegevens. Dat zit als volgt. In het kader van de kredietwaardigheidsbeoordeling kan het voorkomen dat, bij wijze van bijvangst, bijzondere categorieën van persoonsgegevens deel uitmaken van de door kredietgever opgevraagde informatie. Deze situatie doet zich bijvoorbeeld voor wanneer een kredietgever rekeningafschriften opvraagt van de consument om het inkomen en de uitgaven van de consument te kunnen verifiëren. Op die rekeningafschriften kan een contributie staan aan een kerkgenootschap of politieke partij, waaruit een religieuze of politieke overtuiging blijkt. Dit zijn bijzondere categorieën van persoonsgegevens, waarvan verwerking – behoudens een mogelijke uitzonderingsgrond – in beginsel verboden is. Tegelijkertijd is het van belang dat de consument niet zelf onderdelen van het opgevraagde rekeningafschrift gaat lakken. Dan kan de beoordeling namelijk niet betrouwbaar en correct worden uitgevoerd. Het is daarom noodzakelijk toe te staan dat de aanbieder van krediet bijzondere categorieën van persoonsgegevens mag verwerken om de van de consument verkregen informatie te schonen van bijzondere categorieën van persoonsgegevens. Deze geschoonde informatie kan vervolgens worden gebruikt voor de kredietwaardigheidsbeoordeling. Het is zowel in het belang van de consument als het financieel stelsel en de schuldenlast in de maatschappij als geheel dat overkreditering van de consument wordt voorkomen. Daarmee is sprake van een zwaarwegend algemeen belang in de zin van artikel 9, tweede lid, onderdeel g, AVG, waarmee deze gegevensverwerking is toegestaan. Er is in deze gevallen sprake van verwerking die noodzakelijk is om redenen van zwaarwegend algemeen belang, zoals hiervoor omschreven, waarbij de evenredigheid met het nagestreefde doel wordt gewaarborgd, de wezenlijke inhoud van het recht op bescherming van persoonsgegevens wordt geëerbiedigd en er specifieke maatregelen worden getroffen ter bescherming van de grondrechten en de fundamentele belangen van de betrokkene. Er is in dat geval ook sprake van een rechtmatige verwerking op grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel c, AVG, juist omdat die verplichting om een kredietwaardigheidsbeoordeling uit te voeren voortvloeit uit de wet.

De hierboven genoemde verwerking mag alleen plaatsvinden onder de in het tweede lid genoemde voorwaarden. Op grond van onderdeel a mag de verwerking er alleen toe dienen om de van de consument voor de kredietwaardigheidsbeoordeling verkregen informatie te controleren op de aanwezigheid van bijzondere categorieën van persoonsgegevens en deze, waar aanwezig, te verwijderen. Deze verwerking moet bovendien als doel hebben dat de geschoonde informatie uiteindelijk wordt gebruikt voor de kredietwaardigheidsbeoordeling (de informatie mag dus niet ergens anders voor worden gebruikt). Voor de praktijk van belang is dat er sprake moet zijn van een functiescheiding. Dit betekent bijvoorbeeld dat een andere afdeling of persoon de bijzondere categorieën van persoonsgegevens uit de verkregen informatie filtert, bijvoorbeeld door deze te lakken. Deze gelakte gegevens worden vervolgens overgedragen aan de afdeling die de kredietwaardigheidsbeoordeling daadwerkelijk uitvoert. Ook is het mogelijk om gebruik te maken van een derde partij die in deze filtering voorziet. Indien de aanbieder van krediet kiest voor uitbesteding van de werkzaamheden aan een dergelijke derde partij, blijft de aanbieder op grond van artikel 4:16 Wft verantwoordelijk voor het voldoen aan de in het artikel 4:34a genoemde verplichtingen, alsmede de verplichting om voldoende financiële informatie in te winnen en verplichtingen die volgen uit de AVG. De bewaartermijn die de aanbieder dient te hanteren volgt uit artikel 33 BGfo. De afdeling of derde partij die de gegevens waar nodig heeft gelakt en vervolgens heeft overgedragen aan de afdeling die gaat over de kredietwaardigheidsbeoordeling, zal de hiervoor genoemde persoonsgegevens waar het niet meer noodzakelijk is om deze te bewaren moeten verwijderen op grond van het beginsel van minimale gegevensverwerking uit de AVG.

Op grond van artikel 4:34a, tweede lid, onderdeel b, geldt daarnaast dat de verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens noodzakelijk moet zijn om tot de kredietwaardigheidsbeoordeling te komen. Dit houdt in dat de beoordeling niet correct of volledig genoeg kan worden uitgevoerd op basis van andere gegevens dan de informatie die mogelijk bijzondere categorieën van persoonsgegevens bevat en dat het om deze reden noodzakelijk is om informatie van de consument op te vragen die mogelijk bijzondere categorieën van persoonsgegevens bevat. In dat geval moet die informatie dus eerst langs de andere afdeling of derde partij worden gestuurd om te worden gecontroleerd en moeten, waar nodig, bijzondere persoonsgegevens worden gelakt. In die zin moet de verwerking door deze andere afdeling of derde partij – hoewel geen onderdeel van de kredietwaardigheidsbeoordeling – wel noodzakelijk zijn voor de kredietwaardigheidsbeoordeling zelf.

Het derde lid ziet op de inzage door en zeggenschap van de consument inzake de afgeschermde bijzondere persoonsgegevens, voordat deze gegevens worden gebruikt in het kader van een kredietwaardigheidsbeoordeling. De vraag of een persoonsgegeven een bijzonder persoonsgegeven in de zin van artikel 9 AVG is, is een complexe vraag. Meerdere persoonsgegevens die samen iets zeggen of kunnen zeggen over bijvoorbeeld de gezondheid of levensbeschouwelijke overtuiging van een persoon, zijn bijzondere persoonsgegevens. Het herkennen van bijzondere persoonsgegevens is van groot belang maar vergt van de aanbieder van krediet of de door hem aangewezen derde dat hij de ontvangen persoonsgegevens van een consument zorgvuldig naloopt en daarbij oog heeft voor de bredere context waarin zij voorkomen in het leven van de consument. Vanwege deze complexiteit en de vereiste kennis van de bredere context, is het noodzakelijk om de consument inzicht te geven over welke gegevens wel of niet als bijzonder persoonsgegeven gelakt worden. In geval van een inzageverzoek mag de beoordelaar die het inzageverzoek afhandelt de gegevens opvragen bij de afdeling of derde die de gegevens gelakt heeft, enkel met het doel deze aan de consument te verstrekken. De consument zal inzage worden gegeven in de gelakte gegevens en de mogelijkheid wordt geboden daarop te reageren. Dit recht is opgenomen in het nieuwe derde lid van artikel 4:34a Wft.

Artikel 4:34b

Artikel 4:34b, eerste lid, dient ter invulling van artikel 6 van de richtlijn en bevat een verbod voor aanbieders van krediet om een krediet, niet zijnde hypothecair krediet aan te gaan met een minderjarige consument. Op grond van de eerste alinea van artikel 6 van de richtlijn moeten lidstaten ervoor zorgen dat de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om een krediet te krijgen, niet discriminerend in de zin van artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) zijn voor consumenten. Dit doet geen afbreuk aan de mogelijkheid om verschillende voorwaarden voor toegang tot een krediet te bieden, indien die verschillende voorwaarden terdege door objectieve criteria worden gerechtvaardigd. Dit betekent dat het mogelijk is om leeftijd als voorwaarde voor toegang tot krediet te stellen, aangezien dit onderscheid op grond van leeftijd door objectieve criteria wordt gerechtvaardigd. Dit onderscheid dient een legitiem doel en het verbod is passend en noodzakelijk (zie voor de toelichting hierop het kopje ‘Voorschriften inhoudende een minimumleeftijd en leeftijdsverificatie’ in paragraaf 5).

Het verbod is echter niet van toepassing indien aan twee cumulatieve voorwaarden is voldaan: de wettelijke vertegenwoordiger moet toestemming voor het aangaan van de overeenkomst hebben gegeven, die blijkt uit een ondubbelzinnige en duidelijk bevestigende handeling, en het mag niet gaan om krediet in de vorm van uitstel van betaling. Daarbij gaat het onder andere over het ‘koop nu, betaal later’-krediet of krediet dat ziet op kaarten met uitgestelde debitering(creditcards). Deze soorten krediet zijn te allen tijde voor minderjarige consumenten verboden.

De eerste voorwaarde ten aanzien van de uitdrukkelijke en ondubbelzinnige toestemming van de wettelijke vertegenwoordiger moet worden bezien in samenhang met artikel 1:234 BW, dat bepaalt dat minderjarigen slechts handelingsbekwaam zijn als zij handelen met toestemming van hun wettelijke vertegenwoordiger. Dit houdt in dat minderjarigen zonder deze toestemming in beginsel geen rechtsgeldige overeenkomsten kunnen aangaan. In bepaalde gevallen mag deze toestemming echter worden verondersteld, namelijk wanneer het een rechtshandeling betreft ten aanzien waarvan het in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk is dat minderjarigen die op een bepaalde leeftijd zelfstandig verrichten. Het eerste lid van artikel 4:34b Wft bepaalt met zoveel woorden dat het zelfstandig aangaan van een kredietovereenkomst door minderjarige consumenten nimmer geldt als in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk. Zij zijn hiervoor nooit zelfstandig handelingsbekwaam en moeten altijd de (ondubbelzinnige en duidelijk bevestigende) toestemming van hun wettelijk vertegenwoordig hebben. Indien tevens sprake is van een overeenkomst van geldlening blijft artikel 1:345, eerste lid, onderdeel d BW onverminderd van toepassing. Dit artikel vereist voor het aangaan van een lening door een voogd en ingevolge artikel 1:253k BW ook door een ouder de toestemming van de kantonrechter. Voor het verlenen van toestemming door de wettelijke vertegenwoordiger op grond van artikel 1:234 BW aan de minderjarige voor het aangaan van een overeenkomst van geldlening is dan ook de toestemming van de kantonrechter nodig (zie ook het algemeen deel van de toelichting).

Met de tweede voorwaarde wordt duidelijk gemaakt dat krediet in de vorm van uitstel van betaling nooit zelfstandig door minderjarige consumenten kan worden aangegaan. Hiermee wordt onder andere opvolging gegeven aan een toezegging om een leeftijdsgrens voor ‘koop nu, betaal later’-krediet op te nemen in de wet. Uit onderzoek van de AFM blijkt dat minderjarigen zonder toestemming van hun wettelijke vertegenwoordiger op grote schaal gebruik maken van ‘koop nu, betaal later’-diensten. Dit zijn overeenkomsten die in korte tijd veelal online tot stand komen. Daarbij vond tot op heden niet of in elk geval geen grondige leeftijdsverificatie plaats. Aangezien minderjarige consumenten zo met veel gemak een krediet kunnen aangaan terwijl zij financieel extra kwetsbaar zijn, is ‘koop nu, betaal later’-krediet onder geen beding voor hen toegankelijk.

Door in de Wft het verbod op het zelfstandig aangaan van krediet door minderjarige consumenten op te nemen, kan de AFM toezicht houden op de naleving hiervan. Het verbod sluit tevens aan bij het doel van de richtlijn om onverantwoorde leningspraktijken en overmatige schuldenlast te voorkomen. De bepaling ziet niet op hypothecair krediet, nu het probleem zich daar niet voordoet.

Om aan artikel 4:34b, eerste lid, te kunnen voldoen, is in het tweede lid bepaald dat aanbieders van krediet, niet zijnde hypothecair krediet, dienen te beschikken over adequate processen om de leeftijd van de consument te verifiëren. Het is aan marktpartijen om (al dan niet) in samenspraak met de AFM te kiezen voor een geschikte methode van leeftijdsverificatie. Verificatie van de leeftijd dient in ieder geval plaats te vinden aan de hand van documenten, gegevens of inlichtingen uit betrouwbare en onafhankelijke bronnen. Voor aanbieders geldt reeds op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) dat zij de identiteit van klanten dienen vast te stellen en te verifiëren of de door de klant verstrekte identiteit overeenkomt met zijn werkelijke identiteit. Leeftijdsverificatie kan onderdeel zijn van het “ken uw klant”-proces. Bij die verificatie dient aandacht te worden besteed aan de bescherming van de consument bij de verwerking van persoonsgegevens, in het bijzonder waar het gaat om identificatie van minderjarigen.

Tot slot schept het derde lid een delegatiegrondslag om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur extra regels te kunnen stellen ten aanzien van de wijze van leeftijdsverificatie en extra voorschriften te kunnen stellen waaraan de leeftijdsverificatie moet voldoen met betrekking tot de veiligheid en betrouwbaarheid daarvan. Deze mogelijkheid wordt toegevoegd om – gezien de snelle ontwikkelingen in de markt en het grote maatschappelijke belang bij betrouwbare leeftijdsverificatie, met name bij ‘koop nu, betaal later’-krediet – een vinger aan de pols te kunnen houden en waar nodig actie te kunnen ondernemen. Het is bovendien mogelijk dat de EU regels of voorschriften gaat stellen ten aanzien van leeftijdsverificatie in den brede, in welk geval het wenselijk is enige flexibiliteit te behouden voor de opvolging c.q. implementatie daarvan.

Artikel 4:34c
In artikel 4:34c, waarin wordt verwezen naar artikel 7:58a BW, worden de artikelen 15 en 17, van de richtlijn mede geïmplementeerd. Artikel 17 heeft als doel om te voorkomen dat kredietgevers krediet verlenen waar consumenten niet om hebben gevraagd, zoals het ongevraagd toesturen van kredietkaarten, eenzijdige verlening van geoorloofde debetstand of overschrijding of eenzijdige verhogingen van krediet.60 Uit artikel 15 volgt dat een consument enkel na uitdrukkelijke instemming gebonden is aan een overeenkomst inzake krediet, niet zijnde hypothecair krediet. De artikelen zijn geïmplementeerd in artikel 7:58a BW. Artikel 4:34c regelt vervolgens dat een aanbieder dient te beschikken over adequate processen om naleving van artikel 7:58a BW te borgen.

M

Artikel 4:35b

Artikel 4:35b implementeert artikel 36, tweede en derde lid, van de richtlijn. De aanbieder van krediet heeft de verantwoordelijkheid om ook na het sluiten van de overeenkomst alert te zijn op terugbetalingsproblemen van de consument. De aanbieder dient processen en beleid te hebben om die problemen vroegtijdig te signaleren en is verplicht de consument bij terugbetalingsproblemen door te verwijzen naar schuldadviesdiensten. In de praktijk betekent dit dat de aanbieder contact opneemt met de consument en, eventueel op algemene wijze, de consument doorverwijst naar de gemeente waarin de consument woonachtig is. De gemeente is op grond van de Wgs verantwoordelijk voor schuldhulpverlening. Het is ook hier aan de marktpartijen om (al dan niet) in samenspraak met de AFM te kiezen voor een invulling van processen en beleid voor vroegtijdige signalering.

N en O

De bijlagen behorend bij artikel 1:79 en artikel 1:80 Wft worden uitgebreid met enkele artikelen, teneinde de aldaar genoemde voorschriften te kunnen handhaven. Artikel 1:79 regelt dat de AFM een last onder dwangsom kan opleggen ter zake van een overtreding en artikel 1:80 dat de AFM een bestuurlijke boete kan opleggen. Aan beide bijlagen worden de volgende bepalingen toegevoegd: 1:77q, 4:34a, 4:34b, eerste en derde lid, 4:34c en 4:35b. Voor artikel 4:35b geldt dat alleen het eerste lid is opgenomen in de bijlage bij artikel 1:80 Wft. Het tweede lid is daarmee niet handhaafbaar middels een bestuurlijke boete, dit handhavingsinstrument wordt te zwaar geacht voor het niet nakomen van een doorverwijsplicht.


ARTIKEL II (Boek 7 Burgerlijk Wetboek)

Dit artikel bevat de wijzigingen in Boek 7 BW, die betrekking hebben op Titel 2a over consumentenkredietovereenkomsten. Titel 2a bestaat uit twee afdelingen. De meeste wijzigingen hebben betrekking op Afdeling 1, waarin de CCD1 al is geïmplementeerd.

A

Als gevolg van de herziening van de vorige richtlijn (CCDI) is de naam van Afdeling 1 van Titel 2a van Boek 7 BW gewijzigd.

B

Artikel 7:57 BW implementeert de definities uit artikel 3 van de richtlijn. Als gevolg van de herziening van de richtlijn zijn in bestaande definities aanvullingen of verduidelijkingen aangebracht en definities toegevoegd.

Onderdeel d

De definitie van geoorloofde debetstand is gewijzigd, in die zin dat de woorden ‘te boven gaan’ zijn vervangen door ‘overschrijden’. Dit sluit aan bij de richtlijntekst.

Onderdeel e

De definitie van overschrijding is gewijzigd, waardoor de definitie aansluit bij de richtlijntekst. Dit houdt in dat het de woorden ‘te boven gaan’ zijn vervangen door ‘overschrijden’.

Onderdeel f

De aanhef van onderdeel f is op enkele punten aangevuld. Zo is toegevoegd dat een partij pas als kredietbemiddelaar kwalificeert als hij in het kader van zijn werkzaamheden meer doet dan het enkel direct of indirect in contact brengen van een consument met een kredietgever. Daarnaast is de notaris nog expliciet uitgezonderd in deze definitie.

Onderdeel i

Er is gekozen om aan te sluiten bij de definitie van het jaarlijks kostenpercentage zoals volgt uit artikel 3 en 30 van de richtlijn. Overeenkomstig de daar gekozen systematiek wordt in de definitie verwezen naar artikel 7:71 BW, waarin het jaarlijks kostenpercentage nader wordt uitgewerkt. De verwijzing in de huidige definitie van het jaarlijks kostenpercentage naar artikel 7:57, derde lid, BW komt te vervallen, omdat de aanvulling dat het jaarlijks kostenpercentage indien toepasselijk ook met de in het derde lid bedoelde kosten moet worden aangevuld, reeds onderdeel is van artikel 30 van de richtlijn, waarnaar in de nieuwe definitie van het jaarlijks kostenpercentage integraal wordt verwezen.

Onderdeel n

De definitie van gelieerde kredietovereenkomst is uitgesplitst in onderdeel n en het vierde lid (nieuw) van artikel 7:57 BW. Dit was reeds een bestaande definitie, waaraan de richtlijn de zinssnede ‘of de betreffende diensten’ toevoegt.

Onderdeel u tot en met ae

De richtlijn introduceert een aantal nieuwe definities. Enkele van deze nieuwe definities zijn, zo luidt de toelichting bij het initiële voorstel voor de Richtlijn van de Europese Commissie (COM(2021) 347), zoveel mogelijk in lijn met EU-regelgeving. De nieuwe definities van nevendienst, koppelverkoop en gebundelde verkoop zijn afkomstig uit de richtlijn hypothecair krediet, Richtlijn (EU) 2014/17. De definitie van profilering is toegevoegd als gevolg van de inwerkingtreding van de AVG. Voor de toegevoegde definitie van adviesdiensten is tot slot aangesloten bij de definitie van adviseren als bedoeld in artikel 1:1 Wft. Voor deze definitie en de definitie van schuldadviesdiensten wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij dat artikel. De definitie van platform houdt verband met artikel 58, tweede lid, onderdelen d en e, waarin toepassing van Titel 2A wordt uitgesloten voor bepaalde kredietovereenkomsten in de vorm van uitstel van betaling. Voor deze uitzonderingen en de definitie van platform wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel I onderdeel C.

Derde en vierde lid (nieuw)

Het derde lid wordt vervangen, zoals toegelicht bij onderdeel i.

In het vierde lid (nieuw) wordt de definitie van commerciële eenheid verder uitgebreid met de situatie waarin een kredietgever de kredietovereenkomst vermarkt.

C

Artikel 7:58 BW implementeert artikel 2 van de richtlijn. Het toepassingsgebied van de richtlijn wordt met de herziening aangepast.

In artikel 7:58, tweede lid, BW worden enkele onderdelen gewijzigd.

Het tweede lid, onderdeel b, wordt beperkt gewijzigd als gevolg van implementatie van artikel 2, onderdeel b, van de richtlijn. Zo was al geregeld in artikel 7:58, tweede lid, onderdeel b,BW dat de bepalingen uit Titel 2a, Afdeling 1, van Boek 7 BW niet van toepassing waren op kredietovereenkomsten voor het verkrijgen of behouden van eigendomsrechten betreffende grond of een bestaand of gepland gebouw. Daar is bij dit voorstel van wet aan toegevoegd dat dit onder meer geldt voor in de uitoefening van een beroep of bedrijf gebruikte terreinen en gebouwen.

Het tweede lid, onderdeel c, wordt gewijzigd als gevolg van de implementatie van artikel 2, tweede lid, onderdeel g, van de richtlijn, zoals toegelicht bij artikel 1:20, eerste lid, onderdeel c, Wft.

Artikel 7:58 BW, tweede lid, onderdeel d en e worden vervangen door de uitzonderingen voor ‘koop nu, betaal later’-diensten en implementeren daarmee artikel 2, tweede lid, onderdeel h, van de richtlijn. Voor de toelichting op deze nieuwe uitzonderingen wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 1:20, eerste lid, Wft. De onderdelen hielden uitzonderingen in voor kredietovereenkomsten in de vorm van een geoorloofde debetstand op een rekening en die binnen een maand moet worden afgelost en een uitzondering voor kredietovereenkomsten zonder rente en andere kosten die binnen een termijn van drie maanden moet worden terugbetaald met slechts aanrekeningen van onbetekenende kosten. Deze uitzonderingen vervallen. Voor toelichting wordt ook verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 1:20, eerste lid, Wft.

Het derde lid, dat de maatwerkregeling inhield voor kredietovereenkomsten in de vorm van een geoorloofde debetstand, komt nu zo te luiden dat het een maatwerkregeling bevat voor kredietovereenkomsten in de vorm van overschrijding. Dit stond eerder in het vierde lid. Hiermee wordt artikel 2, vierde lid, onderdeel a, van de richtlijn geïmplementeerd, zoals toegelicht bij de artikelsgewijze toelichting bij artikel 1:20, tweede lid, Wft. De bepalingen in het BW die van toepassing zijn op een kredietovereenkomst in de vorm van een overschrijding, zien op i) het verbod op ongevraagde kredietverlening, ii) de verplichting voor de kredietgever om de consument bij een vermoeden van financiële moeilijkheden bij het nakomen van de uit de kredietovereenkomst voortvloeiende verplichtingen door te verwijzen naar schuldadviesdiensten, iii) een bepaling over de rechten van de consument wanneer de kredietovereenkomst ofwel rechten op grond van die kredietovereenkomst worden overgedragen, iv) een specifieke bepaling voor informatieverstrekking door de kredietgever bij kredietovereenkomsten in de vorm van overschrijding, v) regels over het treffen van respijtmaatregelen in geval van een betalingsachterstand, vi) het dwingende karakter van Titel 2a van Boek 7 BW en vii) regels omtrent de ten hoogste toegelaten kredietvergoeding . Het betreft de artikelen 58a, eerste lid, 68a, 69, 70, 70a, 73 en 76 van Boek 7 BW.

D

Artikel 7:58a BW

Artikel 7:58a BW implementeert de artikelen 15 en 17 van de richtlijn. Het eerste lid implementeert artikel 17 van de richtlijn, waarbij wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting op artikel 4:34c Wft. Het tweede en derde lid implementeren artikel 15, van de richtlijn en regelen dat uitdrukkelijke instemming door een consument is vereist om een kredietovereenkomst of nevendienst aan te gaan. Er worden extra voorwaarden gesteld aan de instemming indien gebruik wordt gemaakt van standaardopties.

Artikel 7:58b BW

Artikel 7:58b BW implementeert artikel 5 van de richtlijn. Het artikel schrijft voor dat de kredietgever alle informatie kosteloos aan de consument verstrekt. In de CCDI bestond deze algemene norm nog niet, maar was het kosteloos verstrekken van informatie verwerkt in diverse bepalingen, onder andere omtrent precontractuele informatie en het raadplegen van databanken. Het nieuwe artikel regelt dat alle andere informatie, alsmede de toelichting op grond van artikel 12 van de richtlijn, ook kosteloos wordt verstrekt.

E

In artikel 7:59 BW wordt in het eerste lid, artikel 7, van de richtlijn, geïmplementeerd. Reclame mag op grond van artikel 7 niet oneerlijk, onduidelijk of misleidend zijn. In het bijzonder mogen in reclame voor kredietovereenkomsten geen bewoordingen worden gebruikt die bij de consument valse verwachtingen kunnen scheppen over de beschikbaarheid of de kosten van een krediet of het totale door de consument te betalen bedrag. De Richtlijn oneerlijke handelspraktijken – geïmplementeerd in Titel 3, Afdeling 3a, van Boek 6 BW – beschermt de consument tegen oneerlijke of misleidende praktijken. Artikel 7 van de richtlijn behoeft daarom slechts gedeeltelijke implementatie. Oneerlijke, onduidelijke of misleidende reclame is immers al een oneerlijke handelspraktijk als bedoeld in artikel 193b van Boek 6 BW. De AFM kan op grond van dit artikel reeds handhaven. Alleen de zinssnede inzake het verbod op bewoordingen die valse verwachtingen kunnen scheppen wordt daarom overgenomen in artikel 7:59, eerste lid, BW. Om handhaving mogelijk te maken wordt deze bepaling toegevoegd in onderdeel b van de bijlage van de Whc.

Het tweede en het derde lid implementeren artikel 8 van de richtlijn dat verplichtingen stelt ten aanzien van de waarschuwing en standaardinformatie die bij reclame voor krediet moet worden opgenomen. Voorheen bevatte artikel 7:59, eerste lid, BW enkel een verwijzing naar het CCDI-artikel over reclame voor krediet (artikel 4). Aangezien de normadressant van artikel 8, eerste lid, van de richtlijn echter de lidstaten zijn, is het niet meer mogelijk om in artikel 7:59 BW integraal hiernaar te verwijzen. Daarom is in het tweede lid de verplichting van artikel 8, eerste lid, van de richtlijn uitgeschreven dat kredietgevers in reclame voor krediet een duidelijke waarschuwing opnemen dat geld lenen geld kost. De in Nederland gangbare waarschuwing is: ‘Let op! Geld lenen kost geld’. Het derde lid stelt regels ten aanzien van de standaardinformatie die moet worden opgenomen bij reclame voor kredietovereenkomsten waarin een rentevoet of cijfers over de kredietkosten worden vermeld.

Voor het vierde lid (nieuw) is het wel mogelijk te volstaan met een verwijzing, waardoor de verwijzingen naar artikel 4 van de CCDI worden vervangen door verwijzingen naar de betreffende leden van artikel 8 van de richtlijn.

F

Artikel 7:60 BW implementeert artikel 10 en 12 van de richtlijn. In het eerste lid is de verplichting uit artikel 10, eerste lid, eerste alinea, van de richtlijn, opgenomen voor de kredietgever of, in voorkomend geval, de kredietbemiddelaar, om aan de consument de precontractuele informatie te verstrekken die nodig is om een geïnformeerde beslissing te kunnen nemen. Daartoe moet de informatie duidelijk zijn en begrijpelijk. Ook moet de informatie de consument in staat stellen om het aanbod met verschillende andere aanbiedingen te vergelijken. De kredietgever, of in voorkomend geval, de kredietbemiddelaar, verstrekt de informatie in ieder geval op de in artikel 10 voorgeschreven wijze. De verwijzing naar artikel 10 komt overeen met de oude verwijzing naar artikel 5 van de CCDI. Omdat artikel 10, eerste lid, van de richtlijn, eerste alinea, is gericht aan de lidstaten, zijn de verplichtingen volledig overgenomen in het eerste lid. Voor de definitie van precontractuele informatie wordt verwezen naar de definitie als genoemd in artikel 3, aanhef en onder 13 van de richtlijn. De oude verwijzing naar artikel 6 van de CCDI vervalt, omdat in de richtlijn geen maatwerkregeling voor precontractuele informatie meer is geregeld inzake de geoorloofde debetstand.

Het tweede lid implementeert artikel 10, eerste lid, tweede alinea, van de richtlijn. Omdat artikel 10, eerste lid, van de richtlijn, tweede alinea, is gericht aan de lidstaten, zijn de verplichtingen overgenomen in het tweede lid.

Het derde lid implementeert artikel 12 van de richtlijn. Kredietgevers, of in voorkomend geval kredietbemiddelaars, dienen een adequate toelichting te verstrekken bij de voorgestelde kredietovereenkomsten en eventuele nevendiensten, zodat consumenten in staat zijn te beoordelen of de voorgestelde kredietovereenkomsten en nevendiensten zijn toegesneden op de behoeften en financiële situatie van de consument. Overweging 45 van de preambule van de richtlijn benadrukt dat dergelijke toelichting op zichzelf niet een persoonlijke aanbeveling mag zijn. Het gaat dus niet om het verstrekken van advies in de zin van de Wft. In de onderdelen a tot en met c wordt opgesomd uit welke elementen de toelichting moet bestaan.

Het vierde lid implementeert artikel 13 van de richtlijn. Indien kredietgevers, of in voorkomend geval kredietbemiddelaars, ervoor kiezen om gebruik te maken van geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens om een gepersonaliseerd aanbod aan consumenten te kunnen doen, dienen zij die consumenten daarover op heldere en begrijpelijke wijze te informeren. Bij geautomatiseerde verwerking kan gedacht worden aan artificiële-intelligentiesystemen. Kredietgevers en kredietbemiddelaars die hier gebruik van maken bij het bepalen van een prijs voor aanbiedingen aan specifieke consumenten of categorieën van consumenten moeten de consument hierover duidelijk informeren. Dat houdt onder andere in dat de consument wordt ingelicht dat de voorgestelde prijs op basis van geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens tot stand is gekomen. Deze specifieke verplichting laat eventuele verplichtingen en verboden die volgen uit algemeen consumentenrecht en uit de AVG onverlet. Een voorbeeld hiervan is artikel 14, tweede lid, onderdeel f, van de AVG. Krachtens dat artikel moeten kredietgevers en kredietbemiddelaars consumenten die de aanbieding ontvangen, ook informeren over de gegevensbronnen die zijn gebruikt om de aanbieding te individualiseren.

Het vijfde (nieuw) en zevende lid (nieuw) betreffen reeds bestaande leden. In het vierde lid zijn enkele verwijzingen naar artikelen van de richtlijn gewijzigd.

Het zesde lid (nieuw) implementeert de lidstaatoptie van artikel 2, achtste lid, van de richtlijn, voor de uitzondering op artikel 10, vijfde lid, van de richtlijn. De precontractuele verplichtingen uit artikel 10, vijfde lid, van de richtlijn, worden daarom buiten toepassing verklaard voor kredietovereenkomsten voor een totaal kredietbedrag van minder dan 200 euro, kredietovereenkomsten waarbij krediet zonder rente of andere kosten wordt verleend, en kredietovereenkomsten volgens welke krediet binnen drie maanden moet worden afgelost en er slechts onbetekenende kosten verschuldigd zijn.

G

In Onderafdeling 3 worden voor artikel 7:61 BW de artikelen 7:60a en 7:60b BW ingevoegd. Deze artikelen implementeren artikel 14 van de richtlijn, waarin regels worden gesteld ten aanzien van koppelverkoop en gebundelde verkoop. Koppelverkoop wordt in de richtlijn in beginsel verboden en is slechts toegestaan waar het gaat om een verzekering of een betaal- of spaarrekening, onder de in de richtlijnbepaling voorgeschreven voorwaarden. De financiële dienst of het financiële product kan dan een wezenlijk onderdeel vormen van het krediet, bijvoorbeeld in het geval van een geoorloofde debetstand op een rekening. Het doel van dit verbod is om te voorkomen dat diensten of producten die niet in het belang zijn van de consument gekoppeld worden verkocht.61 Het stringente verbod op koppelverkoop is afkomstig uit de richtlijn hypothecair krediet.

Artikel 7:60a BW

Het verbod op koppelverkoop bestond reeds in het nationale recht, namelijk in artikel 7:77 BW, dat is opgenomen in Titel 2a, Afdeling 2, van Boek 7 BW. Nu het verbod op koppelverkoop en enkele uitzonderingen daarop worden geregeld in de richtlijn, is implementatie nodig in Titel 2a, Afdeling 1, van Boek 7 BW. Artikel 7:77 BW blijft bestaan naast artikel 7:60a BW. Daarom is in dat artikel een samenloopbepaling opgenomen.

Het eerste lid van artikel 7:60a BW implementeert artikel 14, eerste lid, van de richtlijn. Gebundelde verkoop is toegestaan, maar koppelverkoop is in beginsel verboden. Voor de bewoordingen van deze bepaling is aangesloten bij het reeds bestaande artikel 7:121 BW, dat voortkomt uit de richtlijn hypothecair krediet. Een koppelverkoopbeding dat verboden is op grond van artikel 7:60a BW is vernietigbaar op grond van artikel 7:73 BW jo. artikel 3:40 BW.

Het tweede lid implementeert artikel 14, tweede lid, van de richtlijn en bepaalt dat koppelverkoop van een consumentenkredietovereenkomst met een betaal- of spaarrekening is toegestaan. Koppelverkoop van een betaalrekening was reeds onder bepaalde voorwaarden toegestaan op grond van artikel 7:77 BW, eerste lid onderdeel b, subonderdeel 2. Die uitzonderingen worden ingeperkt voor consumentenkredietovereenkomsten in de zin van Afdeling 1 van Titel 2a. Koppelverkoop van een betaal- of spaarrekening is op grond van de richtlijn slechts toegestaan indien het enige doel van die rekening is één of meer van de in artikel 14, tweede lid, opgesomde gevallen, bijvoorbeeld indien de kredietgever verzoekt om een rekening te openen omdat daarmee bijkomende zekerheid wordt verschaft in geval van niet-nakoming. Een te strikte lezing van de bewoordingen ‘enige doel’ kan in sommige gevallen onwenselijke gevolgen hebben. Bijvoorbeeld als het niet zou zijn toegestaan dat de consument de rekening tevens gebruikt voor reguliere betalingen die niet te maken hebben met het krediet. Een te strikte lezing zou in dat geval strijdig zijn met het doel van de richtlijn, omdat het gunstige voorwaarden voor de consument in de weg staat. Zolang een ruimere lezing in het voordeel is van de consument, is dat geoorloofd. In artikel 7:77 BW stond verder de eis dat de consument het recht heeft te bepalen met welke wederpartij de overeenkomst wordt aangegaan. Die eis geldt niet meer voor kredietovereenkomsten in de zin van Titel 2a. Anders dan artikel 7:77 BW wordt koppelverkoop onder voorwaarden van een spaarrekening toegestaan in artikel 7:60a BW.

Ter verduidelijking wordt opgemerkt dat er geen sprake is van koppelverkoop van een kredietovereenkomst samen met een verzekering als het gaat om een automatische groepsverzekering bij een kredietovereenkomst waarbij (i) de consument geen keuze heeft ten aanzien van de verzekering of (ii) de aanbieder geen vergoeding ontvangt voor de distributie. Dit volgt uit jurisprudentie van het Hof van Justitie.62 De AFM heeft in een handleiding ter duiding uiteengezet wanneer de consument geen keuzevrijheid heeft ten aanzien van de verzekering. Daarvoor mag de consument geen keuze hebben (i) voor een bepaalde dekking, (ii) voor een bepaald verzekerd bedrag, (iii) tussen verschillende polissen en (iv) voor een aanbieder/verzekeraar.63 Wordt hieraan voldaan, dan is reeds geen sprake van verzekeringsbemiddeling of koppelverkoop, ongeacht of de aanbieder een vergoeding ontvangt voor de distributie. De kredietaanbieder faciliteert dan immers niet in de totstandkoming van een nieuwe verzekeringsovereenkomst. Biedt de aanbieder wel keuzemogelijkheid maar ontvangt deze geen vergoeding, dan is er eveneens geen sprake van verzekeringsbemiddeling of koppelverkoop. Pas als aan beide voorwaarden cumulatief wordt voldaan (keuzemogelijkheid en ontvangst van vergoeding), is daarvan sprake, in welk geval eveneens sprake is van een vergunningplicht voor verzekeringsbemiddeling.

Artikel 7:60a, derde en vierde lid, BW implementeren het derde en vijfde lid van artikel 14, van de richtlijn. Deze bepalingen bestaan in het nationale recht al in artikel 7:121 BW voor consumentenkredietovereenkomsten betreffende voor bewoning bestemde onroerende zaken. Bij de implementatie van deze richtlijn is dan ook grotendeels aangesloten bij de bewoordingen van artikel 7:121, derde lid BW. Uit overweging 47 van de preambule van de richtlijn volgt dat kredietgevers, met inachtneming van proportionaliteitsoverwegingen kunnen eisen dat consumenten over een verzekeringspolis beschikken ter garantie van het krediet of om de waarde van de zekerheid te verzekeren. De consument moet hierbij wel de mogelijkheid hebben zijn eigen verzekeraar te kiezen. Daarbij geldt als voorwaarde dat de door deze verzekeringspolis geboden waarborg gelijkwaardig is aan de verzekeringspolis die de kredietgever heeft voorgesteld of aangeboden. Om ervoor te zorgen dat de consument meer tijd heeft om verzekeringsaanbiedingen te vergelijken voordat hij een verzekeringspolis afsluit, moet hij ten minste drie dagen de tijd krijgen om verzekeringsaanbiedingen in verband met de kredietovereenkomst te vergelijken, zonder dat de aanbieding wordt gewijzigd. De consument moet hiervan in kennis worden gesteld en krijgt daarbij ook de mogelijkheid om voor het verstrijken van de termijn van drie dagen een verzekeringspolis af te sluiten. De consument dient in dit laatste geval uitdrukkelijk te verzoeken om het eerder afsluiten van de polis.

Artikel 7:60b BW

Artikel 7:60b BW implementeert het verbod uit artikel 14, vierde lid, van de richtlijn, om in het kader van een verzekeringspolis met betrekking tot een kredietovereenkomst persoonsgegevens te gebruiken betreffende de diagnose van oncologische ziekten. Dit verbod heeft betrekking op situaties van koppelverkoop en gebundelde verkoop van een verzekeringspolis met een consumentenkredietovereenkomst. Bij de implementatie is gedeeltelijke aansluiting gezocht bij de op grond van het nationaal recht bij uitvaartverzekeringen en overlijdensrisicoverzekeringen reeds geldende schone lei-regeling, die zijn oorsprong heeft in de Wet op de medische keuringen. Bij deze typen verzekeringen en onder de in het Besluit verzekeringskeuringen ex-kankerpatiënten en de Wet op de medische keuringen genoemde voorwaarden, is de vraag of er bij een keurling in het verleden kanker is geconstateerd een onevenredige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de keurling in de zin van artikel 3 van de Wet op de medische keuringen, indien gedurende een periode van tien jaar geen terugkeer van kanker is geconstateerd gerekend vanaf het moment van volledige remissie. De termijn is korter voor personen die jonger waren dan 21 jaar op het moment van de diagnose of indien sprake is van een kankersoort op grond van artikel 3 van het Besluit verzekeringskeuringen ex-kankerpatiënten.

De bovenstaande nationale regeling wijkt op een aantal punten af van de schone-lei-regeling in de richtlijn. Allereerst heeft de nationale schone-lei-regeling uitsluitend betrekking op uitvaartverzekeringen en overlijdensrisicoverzekeringen. Deze beperking van het toepassingsbereik ontbreekt bij de schone-lei-regeling in de richtlijn. Deze ziet op alle typen verzekeringen. Daarnaast heeft de schone-lei-regeling in de richtlijn enkel betrekking op verzekeringen die in het kader van een kredietovereenkomst worden afgesloten. Dat is niet het geval bij de nationale schone-lei-regeling.

Een derde verschil tussen de regelingen is de (wijze van bepaling van de) startdatum van de periode waarna persoonsgegevens betreffende de diagnose van oncologische ziekten van consumenten niet meer gebruikt mogen worden. De richtlijn gaat uit van een periode van maximaal vijftien jaar na het einde van de medische behandeling van een consument. Op grond van de nationale schone-lei-regeling geldt een termijn van tien jaar vanaf het moment van volledige remissie, waarbij de termijn korter is voor personen die jonger waren dan 21 jaar op het moment van de diagnose (termijn van vijf jaar) of indien sprake is van bepaalde kankersoorten (zie artikel 3 van het Besluit verzekeringskeuringen ex-kankerpatiënten).

Voor de bepaling van de startdatum voor de genoemde periode sluit artikel 7:60b BW aan bij de nationale schone-lei-regeling. Er wordt dus een termijn aangehouden van – kort gezegd – tien jaar na het moment van volledige remissie. Dit valt binnen de richtlijnbepaling van artikel 14 , vierde lid – die uitgaat van een periode van vijftien jaar na het einde van de medische behandeling – omdat er in de regel slechts korte tijd zit tussen ‘einde behandeling’ en volledige remissie. Slechts indien er meer dan vijf jaar tussen beide momenten zou zitten, zou het in strijd zijn met de richtlijn om een termijn van tien jaar na volledige remissie aan te houden. Dan zou immers de termijn van vijftien jaar na einde behandeling worden overschreden. Om dat theoretische risico te ondervangen, regelt het tweede lid dat in dat geval de termijn van vijftien jaar na einde behandeling wordt aangehouden.

Indien sprake is van een overlijdensrisicoverzekering of een uitvaartverzekering die wordt afgesloten in combinatie met een kredietovereenkomst kan samenloop ontstaan met de nationale schone-lei-regeling. Indien zowel op grond van artikel 7:60b BW als op grond van de nationale schone-lei-regeling een termijn van tien jaar geldt, is er geen sprake van tegenstrijdigheid. Als echter op grond van de nationale schone-lei-regeling een kortere termijn dan tien jaar zou gelden – omdat sprake is van een persoon die jonger dan 21 jaar was toen hij kanker kreeg of omdat sprake is van bepaalde kankersoorten zoals opgenomen in artikel 3 van het Besluit verzekeringskeuringen ex-kankerpatiënten – geldt die kortere termijn en niet de termijn van tien jaar. Dit is tot uitdrukking gebracht door het woord “maximaal” toe te voegen in de bepaling van artikel 7:60b BW.

H

Artikel 7:61 BW implementeert artikel 20 en 21 van de richtlijn. Het artikel is ten opzichte van de CCDI slechts beperkt gewijzigd. Het eerste lid wordt ingevolge artikel 20 van de richtlijn uitgebreid met de zinsnede dat ook eventuele wijzigingen in de overeenkomst op papier of duurzame drager worden opgesteld. Een duurzame drager is bijvoorbeeld een e-mail. Aan het tweede lid, zijn twee onderdelen toegevoegd. Onderdeel x ziet op de verplichting van de kredietgever om contactgegevens van schuldadviesdiensten op te nemen in de kredietovereenkomst. Eveneens volgt uit dit onderdeel de verplichting om een aanbeveling op te nemen in de overeenkomst richting de consument om met deze dienstverleners in contact te treden als er sprake is van terugbetalingsproblemen. In onderdeel y wordt opgenomen dat in de kredietovereenkomst vermeld moet staan op welke duurzame drager de consument informatie ontvangt, met inachtneming van diens keuzemogelijkheid. Nieuw in de richtlijn is dat die keuzemogelijkheid van de consument in verschillende bepalingen expliciet wordt benadrukt.

Er wordt een derde lid ingevoegd in artikel 7:61 BW. Het lid voegt het vereiste toe dat rekening wordt gehouden met de technische beperkingen van de drager waarop de informatie wordt weergegeven. Zo moet de informatie duidelijk leesbaar zijn en aangepast zijn aan de technische beperkingen van bepaalde media, zoals het scherm van mobiele telefoons.64

I

Artikel 7:62 BW implementeert artikel 23 van de richtlijn. Het artikel is ten opzichte van CCDI slechts op enkele punten aangepast, om aan te sluiten bij de ontwikkelingen op het gebied van digitalisering. Verder is het tweede lid onderverdeeld in drie onderdelen, die de leesbaarheid ten goede komen.

J

Artikel 7:63 BW implementeert artikel 24 van de richtlijn inzake kredietovereenkomsten in de vorm van een geoorloofde debetstand. In het eerste lid is de term ‘regelmatig’ vervangen door de term ‘ten minste maandelijks’.

Het tweede lid bevat de wijziging dat de consument ‘geruime tijd’ voor een wijziging van de hoogte van de debetrentevoet of kosten in kennis wordt gesteld. Uit de wetshistorie bij artikel 7:60 BW, waar deze term ook terug komt, volgt dat wat precies moet worden verstaan onder ‘geruime tijd’ van geval tot geval moet worden uitgemaakt.65

Het derde lid bevat een toevoeging dat informatie van de kredietgever tevens kan worden verstrekt via een website of mobiele applicatie.

Er worden twee nieuwe leden toegevoegd aan artikel 7:63 BW. Het vierde lid implementeert artikel 24, derde lid, van de richtlijn, en introduceert een nieuwe bepaling omtrent het verlagen of annuleren van de geoorloofde debetstand. Het vijfde lid implementeert artikel 24, vierde lid, van de richtlijn en schrijft voor dat bij annulering of verlaging van de geoorloofde debetstand op een rekening aan de consument de mogelijkheid wordt geboden om zonder extra kosten het daadwerkelijk opgenomen bedrag terug te betalen, voordat een incasso- of invorderingsprocedure wordt ingeleid. Met invorderingsprocedure wordt bijvoorbeeld beslaglegging bedoeld. De verplichting voor de kredietgever biedt de consument een extra gelegenheid om een formele procedure via de rechter te voorkomen, bijvoorbeeld door een terugbetalingsregeling te treffen.

K

Artikel 7:66 BW implementeert artikel 26 van de richtlijn en regelt het recht van ontbinding van de kredietovereenkomst. Er wordt een lid ingevoegd, op grond waarvan de consument wordt beschermd indien hij contractuele voorwaarden en informatie overeenkomstig artikel 7:61 BW niet heeft ontvangen. De consument heeft 12 maanden en 14 dagen na sluiten van de kredietovereenkomst de gelegenheid om de overeenkomst te ontbinden, zonder opgave van redenen en sancties, als hij slechts een deel van de informatie heeft ontvangen. Om de rechtszekerheid van de consument te vergroten geldt in deze situatie een aanzienlijk langere termijn, dan de standaardtermijn van 14 dagen. Indien de consument niet is geïnformeerd over zijn recht van ontbinding, geldt er geen termijn van ontbinding en mag de consument altijd ontbinden.

Aan het einde van artikel 7:66 BW wordt een negende lid toegevoegd inzake het recht van ontbinding bij een gelieerde kredietovereenkomst. Hierbij kan gedacht worden aan de online aankoop van een kledingstuk in een webshop, waarbij gebruik wordt gemaakt van achteraf betalen middels een derde die krediet aanbiedt of overkoopt. Er is dan sprake van een gelieerde kredietovereenkomst, namelijk een kredietovereenkomst gelieerd aan de koopovereenkomst van het kledingstuk. Als het teruggavebeleid, ook wel retourbeleid, van de webshop inhoudt dat het kledingstuk nog 30 dagen geretourneerd mag worden tegen volledige terugbetaling, geldt voor de gelieerde kredietovereenkomst ook een termijn van ontbinding van 30 dagen.

L

Artikel 7:67a BW implementeert artikel 18, zevende lid, van de richtlijn. Het is de kredietgever, indien deze een kredietovereenkomst met een consument sluit, vervolgens niet toegestaan om die kredietovereenkomst ten nadele van de consument te beëindigen of wijzigen op grond van een onjuist uitgevoerde beoordeling van de kredietwaardigheid. Dit is anders indien de consument bewust informatie heeft achtergehouden of onjuist heeft weergegeven. De bewijslast daarvan ligt bij de kredietgever.66 Het is nodig dat de AFM op deze regel kan handhaven. Dit wordt geregeld in de Whc.

M

Artikel 7:68 BW, eerste lid, implementeert artikel 29, eerste lid, van de richtlijn. Aan het eerste lid wordt een zin toegevoegd dat alle door de kredietgever in rekening gebrachte kosten in aanmerking worden genomen bij de berekening van de verlaging van het kredietbedrag als gevolg van vervroegde aflossing. In het derde lid is het drempelbedrag waarboven de kredietgever hogere kosten in rekening mag brengen voor vervroegde aflossing verhoogd van 75.000 naar 100.000 euro om rekening te houden met indexatie als gevolg van de inflatie sinds de CCDI.67 Het bedrag is gelijk aan de bovengrens uit artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de richtlijn. Ook is in het derde lid opgenomen dat indien de door de kredietgever gevorderde vergoeding hoger is dan het werkelijk geleden verlies, de consument een overeenkomstige vermindering kan vorderen. Dit is implementatie van artikel 29, vierde lid, van de richtlijn.

N

Artikel 7:68a BW implementeert artikel 36, derde lid, van de richtlijn, en schrijft voor dat kredietgevers consumenten die financiële moeilijkheden ondervinden moeten doorverwijzen naar schuldadviesdiensten. In de praktijk betekent dit dat de kredietgever de consument op de hoogte moet stellen dat de consument terecht kan bij zijn of haar gemeente in geval van terugbetalingsproblemen.

O

Met de wijzigingen in artikel 7:70 BW wordt artikel 25 van de richtlijn geïmplementeerd. Het eerste lid betreft een wijziging van de verwijzing naar de CCDI naar de herziene richtlijn.

Er worden drie nieuwe leden toegevoegd. Het derde lid verplicht kredietgevers om consumenten met een regelmatige overschrijding op hun rekening adviesdiensten aan te bieden en door te verwijzen naar schuldadviesdiensten. Zie voor de achtergrond van de verwijzing naar schuldadviesdiensten ook de artikelsgewijze toelichting bij artikel 7:61 BW.

Het vierde en vijfde lid komen overeen met de leden die aan artikel 7:63 BW, inzake kredietovereenkomsten in de vorm van een geoorloofde debetstand, zijn toegevoegd. Het vierde lid implementeert artikel 25, vierde lid, van de richtlijn en introduceert een nieuwe bepaling op grond waarvan de kredietgever de consument op de hoogte moet stellen indien de overschrijdingslimiet wordt verlaagd of overschrijding niet langer is toegestaan. Het vijfde lid implementeert artikel 25, vijfde lid, van de richtlijn, en schrijft voor dat bij verlaging of beëindiging van de overschrijding aan de consument de mogelijkheid wordt geboden om zonder extra kosten het daadwerkelijk opgenomen bedrag terug te betalen, voordat een incasso- of invorderingsprocedure wordt ingeleid.

P

In artikel 7:71 BW is de verwijzing naar het richtlijnartikel gewijzigd van artikel 19 naar artikel 30. Artikel 30 van de richtlijn is verder ongewijzigd ten opzichte van de CCD1.

Q

Artikel 7:75 vierde lid BW, betreft nadere invulling van artikel 6 van de richtlijn en bevat een verbod voor kredietgevers om een kredietovereenkomst aan te gaan met een minderjarige consument. Dit verbod is echter niet van toepassing als aan twee cumulatieve voorwaarden is voldaan: de wettelijke vertegenwoordiger moet toestemming voor het aangaan van de overeenkomst hebben gegeven die blijkt uit een ondubbelzinnige en duidelijk bevestigende handeling en het mag niet gaan om krediet in de vorm van uitstel van betaling van roerende zaken of diensten. Dat krediet is te allen tijde voor minderjarige consumenten verboden. Voor een toelichting op deze voorwaarden wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 4:34b Wft.

R

Artikel 7:76 BW wordt gewijzigd om te zorgen dat de regels over kredietvergoeding ook passend zijn voor de kredietvorm uitstel van betaling. De nadere regels over kredietvergoeding staan in het Bk en worden naar aanleiding van de richtlijn en dit wetsvoorstel eveneens gewijzigd. De wijziging van artikel 7:76 BW anticipeert hierop.

Het huidige artikel 7:76, eerste lid BW bepaalt – kort gezegd – dat kredietgevers slechts twee vergoedingen mogen rekenen: (i) een reguliere vergoeding verschuldigd bij ‘afwikkeling overeenkomstig de kredietovereenkomst’ en (ii) een vertragingsvergoeding op het moment dat de consument zijn betalingsverplichtingen niet nakomt en in gebreke is. Deze strikt beperkte, toegestane vergoedingen zijn toegespitst op de klassieke vorm van krediet, waarbij een consument een geldbedrag leent en dit in termijnen inclusief vergoeding (veelal uitgedrukt in rente) terugbetaalt. Als hij niet tijdig of volledig nakomt, moet hij een vertragingsvergoeding betalen. Om consumenten te beschermen, is in het Bk opgenomen dat voor krediet geen hogere kredietvergoeding mag gelden dan (thans) 12% en dat de vertragingsvergoeding bovendien niet meer mag zijn dan de afgesproken rente bij reguliere aflossing. Aangezien de reguliere kredietvergoeding is gemaximeerd op (thans) 12%, kan de vertragingsvergoeding ook nooit meer zijn dan dat percentage. De reguliere kredietvergoeding omvat alle beloningen en vergoedingen ter zaken van een kredietovereenkomst, onder welke benaming ook bedongen.68 De vertragingsvergoeding omvat eveneens alle kosten die bij vertraging in rekening mogen worden gebracht, inclusief incassokosten. De grondslag voor het Bk waarin de maximumkredietvergoeding is geregeld is artikel 7:76, tweede lid BW.

Artikel 7:76 BW wordt vereenvoudigd in die zin dat het nieuwe eerste lid slechts bepaalt – kort gezegd – dat kredietgevers geen hogere vergoeding mogen rekenen dan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaald (in dit geval het Bk). Daarnaast mag de kredietvergoeding niet op een ander tijdstip in rekening worden gebracht dan bij Bk bepaald. Deze wijziging geeft de nodige flexibiliteit om op een later moment – bij de wijziging van het Bk naar aanleiding van dit wetsvoorstel – de regels ten aanzien van de maximumkredietvergoeding en -vertragingsvergoeding zo aan te passen dat ze ook passend zijn voor kredietvormen die nieuw worden gereguleerd, met name uitstel van betaling. Wordt deze wijziging niet doorgevoerd, dan mogen aanbieders van uitstel van betaling na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel slechts één vergoeding rekenen bij reguliere afwikkeling. Dit terwijl aanbieders van bijvoorbeeld kaarten met uitgestelde debitering op dit moment meerdere vergoedingen in rekening brengen bij de consument: niet alleen maandelijkse kaartkosten maar ook transactie-gerelateerde kosten. Instandhouding van het eerste lid zoals het nu luidt zou zo een forse ingreep in het kostenmodel van deze aanbieders betekenen, waarvoor geen aanleiding is. Bovendien valt dan niet uit te sluiten dat het kostenmodel van deze aanbieders, die met dit wetsvoorstel onder het regime van de richtlijn worden gebracht, dermate onder druk komt te staan dat het aanbod verschraalt. Onder meer gezien het nut van deze kaarten voor consumenten (denk aan het huren van een auto tijdens een vakantie in het buitenland) en het feit dat er weinig schuldenproblematiek hierbij voorkomt, is het wenselijk het aanbieders van kaarten met uitgestelde debitering toe te (blijven) staan maandelijkse kaartvergoedingen én transactiekosten in rekening te kunnen brengen.

De materiële norm zoals vastgelegd in het huidige artikel 7:76, eerste lid BW zal hiervoor worden overgeheveld naar het Bk en blijven gelden voor onder andere ‘klassiek krediet’ waarbij een geleend geldbedrag over een periode met rente wordt terugbetaald. Dit houdt in – kort gezegd – dat deze aanbieders bij reguliere afwikkeling slechts één vergoeding mogen rekenen, veelal een rentepercentage op de maandelijkse termijnen. Voor uitstel van betaling zal naar verwachting worden geregeld dat aanbieders – onder strikte, nader te bepalen voorwaarden – meerdere vergoedingen mogen rekenen. Hierbij wordt in elk geval gedacht aan de voorwaarde dat over het opgenomen bedrag (het bedrag waarvoor uitstel van betaling is verleend) geen rentepercentage mag worden gerekend. Dit is naar verwachting namelijk ook positief voor de consumentenbescherming bij uitstel van betaling in de vorm van ‘koop nu, betaal later’-krediet. Een consument wordt dan niet achteraf geconfronteerd met rentekosten, maar wordt gehouden enige kosten met betrekking tot ‘koop nu, betaal later’-krediet op andere wijze te voldoen, bijvoorbeeld in de vorm van transactie-gerelateerde kosten (die nu ook gebruikelijk zijn bij kaarten met uitgestelde debitering). Deze kosten zouden een wenselijke drempel vormen – met name voor jongere consumenten – om achteloos van ‘koop nu, betaal later’-krediet gebruik te maken. Andere voorwaarden om meerdere vergoedingen te rekenen worden nog overwogen. Opgemerkt zij overigens dat aanbieders van ‘koop nu, betaal later’-krediet momenteel op voorhand veelal geen enkele vergoeding rekenen, en dat het gezien dit inmiddels breed bekende model ook niet de verwachting is dat deze kredietgevers dit gaan doen.

Tot slot, geldt dat – waar de mogelijkheid tot het rekenen van een reguliere kredietvergoeding bij uitstel van betaling zal worden verruimd – de vertragingsvergoeding wel wettelijk zal worden gemaximeerd. Dit is belangrijk, want met name bij ‘koop nu, betaal later’-krediet bestaat het risico dat aanbieders op voorhand gemakkelijk kosteloos uitstel van betaling verlenen, wat verleidelijk is voor consumenten. Pas op het moment dat consumenten niet kunnen of vergeten te betalen, kunnen bij hen hoge (onvoorziene) kosten in rekening worden gebracht, die de betalingsproblemen slechts verergeren. Aangezien de vertragingsvergoeding op dit moment niet hoger mag zijn dan de overeengekomen kredietvergoeding (en er voor kosteloos uitstel van betaling dus ook geen vertragingsvergoeding zou mogen worden gerekend), zal het Bk hiervoor worden aangepast. Het is immers niet wenselijk dat er überhaupt geen vertragingsvergoeding mag worden gerekend. Aanbieders maken bij vertraging namelijk wel degelijk kosten, die zij redelijkerwijs ook in rekening mogen brengen.

S

Aan artikel 7:77 BW wordt een lid toegevoegd om de samenloop te regelen tussen dit artikel en artikel 7:60a BW, dat strekt tot implementatie van artikel 14 van de richtlijn. Artikel 7:77 BW blijft immers bestaan naast artikel 7:60a BW, voor de gevallen waarin niet sprake is van een consumentenkredietovereenkomst in de zin van afdeling 1, maar wel van een consumentenkredietovereenkomst in de zin van afdeling 2.

ARTIKEL III (Wet handhaving consumentenbescherming)

Dit artikel wijzigt de Whc. De Whc regelt de toekenning van taken en bevoegdheden aan bevoegde instanties in geval van inbreuken op bepaalde regels van consumentenrecht. Een inbreuk op grond van de Whc is een overtreding van een wettelijke bepaling als bedoeld in de bijlage bij de Whc die schade toebrengt of kan toebrengen aan de collectieve belangen van consumenten. De AFM is de bevoegde instantie als een dergelijke inbreuk betrekking heeft op een financiële dienst of activiteit.69

De AFM is op grond van artikel 3.1, tweede lid, van de Whc, aangewezen als de bevoegde autoriteit voor inbreuken of inbreuken binnen de Unie op wettelijke bepalingen bedoeld in onderdeel b van de bijlage bij de Whc. Aan dit onderdeel van de bijlage worden met dit wetsvoorstel toegevoegd de artikelen 7:58b, 7:60, vierde lid, 7:60a, 7:60b, 7:62, 7:66, 7:67a, 7:68, 7:68a, 7:70, 7:75 en 7:77 BW.

ARTIKEL IV (Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek)

Artikel 47 van de richtlijn bevat overgangsrecht. Ter implementatie van dit artikel wordt een nieuwe bepaling ingevoegd in de OnBW. Artikel 211aa regelt dat de tevoren geldende Titel 2a van Boek 7 van toepassing blijft op bestaande overeenkomsten voor bepaalde tijd. Voor consumentenkredietovereenkomsten met een onbepaalde looptijd hebben een aantal nieuwe artikelen directe werking. Deze zijn daarom uitgezonderd van de eerbiedigende werking. Tot slot is in het derde lid de overgangsregeling voor kredietovereenkomsten in de vorm van kaarten met uitgestelde debitering geregeld in overeenstemming met artikel 1:20, vierde lid, Wft. Zie voor een toelichting op deze overgangsregeling de artikelsgewijze toelichting bij artikel 1:20, vierde lid, Wft.

ARTIKEL V

De richtlijn dient op 20 november 2025 in nationale wetgeving- en regelgeving te zijn geïmplementeerd. De nationale bepalingen dienen uiterlijk van toepassing te zijn op 20 november 2026. De beoogde datum van inwerkingtreding van deze bepalingen is 26 november 2026.

De Minister van Financiën,

Bijlage. Transponeringstabel

Bepaling EU-regeling Bepaling in implementatieregeling of bestaande regeling Omschrijving beleidsruimte Toelichting op de keuze(n) bij de invulling van de beleidsruimte
Artikel 1 Behoeft geen implementatie N.v.t. N.v.t.
Artikel 2 lid 1 Behoeft geen implementatie N.v.t. N.v.t.
Artikel 2 lid 2 onderdeel a Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 7:58 lid 2 onderdeel a BW N.v.t. N.v.t.
Artikel 2 lid 2 onderdeel b Artikel 7:58 lid 2 onderdeel b BW N.v.t. N.v.t.
Artikel 2 lid 2 onderdeel c Deze uitsluiting is niet geïmplementeerd De richtlijn sluit kredietovereenkomsten uit voor een totaal kredietbedrag van meer dan €100.000. Het staat lidstaten vrij om buiten het geharmoniseerd gebied bestaande nationale regels in te stellen of te handhaven ingevolge artikel 42 en overweging 13 en 14 van de preambule van de richtlijn. Van de beleidsruimte is, evenals bij de implementatie van de CCDI, gebruikgemaakt, omdat er voor de Nederlandse situatie geen reden is om de consument bij de totstandkoming van deze overeenkomsten de bescherming van Titel 2a van Boek 7 BW te ontzeggen. Consumptief krediet (oftewel zonder hypothecaire of pandrechtelijke zekerheid) van boven de €100.000 komt niet tot nauwelijks voor in Nederland. Instandhouding van de status quo (zonder bovengrens van het toepassingsgebied) levert daarom ook geen noemenswaardige regeldruk op.
Artikel 2 lid 2 onderdeel d Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 7:58 lid 2 onderdeel f BW N.v.t. N.v.t.
Artikel 2 lid 2 onderdeel e Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikelen 7:59 lid 2, 7:60 lid 2, 7:61 lid 7, 7:64, 7:66 lid 7 en 7:67 lid 4 BW Overeenkomsten waarbij een kredietgever de consument een krediet verstrekt en met dit krediet voor de consument financiële instrumenten aankoopt, zijn uitgezonderd van het toepassingsgebied van de richtlijn. De richtlijn biedt echter de mogelijkheid om deze uitsluiting niet over te nemen ingevolge overweging 13 en 14 van de preambule van de richtlijn. Overeenkomsten waarbij een kredietgever de consument een krediet verstrekt en met dit krediet voor de consument financiële instrumenten aankoopt, zijn niet uitgezonderd in artikel 1:20 Wft en artikel 7:58 BW. Dit wordt gehandhaafd omdat deze effectenkredieten risicovolle hefboomconstructen zijn waarbij een consument belegt met geleend geld. Het belang van consumentenbescherming gaat hier boven het zakelijk belang van kredietaanbieders om mogelijk geld te verdienen aan risicovol effectenkrediet en daarmee boven het belang van een mogelijke lastenluwe implementatie van de richtlijn.
Artikel 2 lid 2 onderdeel f Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 7:58 lid 2 onderdeel g BW N.v.t. N.v.t.
Artikel 2 lid 2 onderdeel g Artikel 7:58 lid 2 onderdeel c en artikel 1:20 lid 1, onderdeel c Wft N.v.t. N.v.t.
Artikel 2 lid 2 onderdeel h Artikel 7:58 onderdelen d en e BW en 1:20, lid 1, onderdeel e Wft N.v.t. N.v.t.
Artikel 2 lid 2 onderdeel i Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 7:58 lid 2 onderdeel h BW N.v.t. N.v.t.
Artikel 2 lid 2 onderdeel j Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 7:58 lid 2 onderdeel i BW N.v.t. N.v.t.
Artikel 2 lid 2 onderdeel k Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 7:58 lid 2 onderdeel j BW en artikel 1:20 lid 1 onderdeel a Wft N.v.t. N.v.t.
Artikel 2 lid 2 onderdeel l Artikel III en artikel IV. N.v.t. N.v.t.
Artikel 2 lid 3 Reeds onderdeel van het bestaande recht. Zie toelichting in de transponeringstabel, artikel 2, lid 2, onderdeel c. Zie toelichting in de transponeringstabel, artikel 2, lid 2, onderdeel c.
Artikel 2 lid 4 aanhef en a Artikel 1:20 lid 2 Wft en artikel 7:58 lid 3 BW. N.v.t. N.v.t.
Artikel 2 lid 4 aanhef en b Artikel 1:20 lid 2 Wft. Artikel 2 lid 4 aanhef en b biedt lidstaten de ruimte om kredietovereenkomsten in de vorm van overschrijding uit te zonderen van artikel 18 van de richtlijn. Van de beleidsruimte om artikel 18 niet van toepassing te verklaren op kredietovereenkomsten in de vorm van overschrijding is gebruik gemaakt, omdat het bij overeenkomsten in de vorm van overschrijding niet de intentie van partijen is om krediet af te sluiten. Overschrijding is immers niet vooraf overeengekomen, maar vindt plaats wanneer tijdelijk de nulstand van een betaalrekening wordt overschreden. Het is wenselijk dat kredietgevers deze flexibiliteit in het reguliere betalingsverkeer blijven aanbieden.
Artikel 2 lid 5 Behoeft geen implementatie. Artikel 2 lid 5 biedt lidstaten de ruimte om kredietovereenkomsten in de vorm van kaarten met uitgestelde debitering vrij te stellen van de richtlijn. Van de beleidsruimte is geen gebruik gemaakt. De reden hiervoor is dat deze kredieten een vorm van uitgestelde betaling zijn, wat onder het toepassingsbereik van de richtlijn is komen te vallen. Een uitzondering hierop ligt niet in de rede. Zie voor een uitgebreidere toelichting paragraaf 4 van het algemeen deel.
Artikel 2 lid 6 Behoeft geen implementatie Artikel 2 lid 6 biedt lidstaten de ruimte om een maatwerkregeling te treffen voor kredietovereenkomsten die worden gesloten door een organisatie waarbij het krediet wordt aangeboden aan een beperkt publiek. Bij de implementatie van de CCDI is geen gebruik gemaakt van deze lidstaatoptie, omdat destijds geen dergelijke organisaties die aan de eisen voldeden bestonden in Nederland. Deze situatie lijkt niet veranderd te zijn. Er zijn ook geen signalen dat er behoefte bestaat aan het gebruikmaken van deze beleidsruimte.
Artikel 2 lid 7 Behoeft geen implementatie Artikel 2 lid 7 biedt lidstaten de ruimte om een maatwerkregeling te treffen voor kredietovereenkomsten die voorzien in regeling voor uitstel van betaling. Bij de implementatie van de CCDI is geen gebruik gemaakt van deze lidstaatoptie. Ook is daar nu geen aanleiding voor. Van belang is dat een betalingsregeling op basis van het Nederlandse recht wordt beschouwd als een voortzetting van de bestaande kredietovereenkomst, zodat de verplichtingen voor de kredietgever beperkt zijn en er dus geen noodzaak bestaat om een lichter regime te laten gelden voor de betalingsregeling door gebruik te maken van de lidstaatoptie.
Artikel 2 lid 8 Artikel 7:60 lid 6 BW Artikel 2 lid 8 biedt lidstaten de ruimte om bepaalde onderdelen van artikelen uit de richtlijn inzake reclamevereisten en precontractuele informatie buiten toepassing te verklaren. Er wordt vanuit het oogpunt van het beperken van lastendruk gebruik gemaakt van deze lidstaatoptie, door een uitzondering te regelen op artikel 10 lid 5 van de richtlijn voor bepaalde kredieten. Zie voor een uitgebreidere toelichting paragraaf 4 van het algemeen deel.
Artikel 3 Artikelen 1:1 Wft en 7:57 BW N.v.t. N.v.t.
Artikel 4 Behoeft naar zijn aard geen implementatie N.v.t. N.v.t.
Artikel 5 Artikel 7:58b BW N.v.t. N.v.t.
Artikel 6 Artikel 4:34b Wft N.v.t. Op grond van artikel 6 van de richtlijn is het mogelijk om leeftijd als voorwaarde te stellen voor toegang tot krediet, indien dit onderscheid op grond van leeftijd door objectieve criteria gerechtvaardigd is. Artikel 6 van de richtlijn is de grondslag voor het verbod in artikel 4:34b Wft.
Artikel 7 Artikel 7:59 lid 1 BW en reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 6:193b BW N.v.t. N.v.t.
Artikel 8 lid 1 Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 4:22 Wft, artikel 56 BGfo en 2:2 Nader regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen N.v.t. N.v.t.
Artikel 8 lid 2 tot en met 6 Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 7:61 lid 2 BW en artikel 4:22 Wft, artikel 53 BGfo en artikel 2:2 Nader regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen N.v.t. N.v.t.
Artikel 8 lid 7 BGfo N.v.t. N.v.t.
Artikel 8 lid 8 BGfo Artikel 8 lid 8 biedt lidstaten de ruimte om bepaalde vormen van reclame inzake krediet te verbieden. Nader uit te werken op AMvB-niveau. Het voornemen is om gebruik te maken van deze beleidsruimte om deze vormen van reclame te verbieden.
Artikel 9 BGfo N.v.t. N.v.t.
Artikel 10 Artikel 4:33 Wft en artikel 7:60 BW en BGfo N.v.t. N.v.t.
Artikel 11 Behoeft geen implementatie N.v.t. N.v.t.
Artikel 12 lid 1 Artikel 7:60 lid 2 BW N.v.t. N.v.t.
Artikel 12 lid 2 (adequate toelichting) Behoeft geen implementatie Artikel 12 lid 2 biedt lidstaten de ruimte om specifieke eisen te stellen aan de vereiste toelichting op de kredietovereenkomst, afhankelijk van de doelgroep, het soort krediet of de omstandigheden van het kredietaanbod.

Van deze lidstaatoptie wordt geen gebruik gemaakt.

Uit algemeen consumentenrecht en regels die al van toepassing op financiële dienstverleners, volgt dat kredietgevers bij het aanbieden van hun producten al rekening dienen te houden met de doelgroep, type product en omstandigheden van het aanbod. Aanvullende eisen hebben beperkte toegevoegde waarde op deze bestaande regels en de toelichting die de kredietgever moet verstrekken op grond van artikel 12, eerste lid, van de richtlijn.

Artikel 13 Artikel 7:60 lid 4 BW N.v.t. N.v.t.
Artikel 14 lid 1 Artikel 7:60a lid 1 BW N.v.t. N.v.t.
Artikel 14 lid 2 Artikel 7:60a lid 2 BW Artikel 14 lid 2 biedt lidstaten de ruimte om een uitzondering te maken op het verbod op koppelverkoop door koppelverkoop van een spaar- en betaalrekening bij een kredietovereenkomst wel toe te staan. Er wordt gebruik gemaakt van deze beleidsruimte om de bestaande praktijk van koppelverkoop van een betaalrekening op basis van het reeds bestaande artikel 7:77 lid 1, onderdeel b, onder 2, BW te handhaven. Hiermee wordt lastenluw geïmplementeerd.
Artikel 14 lid 3 Artikel 7:60a lid 3 BW Artikel 14 lid 3 biedt lidstaten de ruimte om onder voorwaarden een uitzondering mogelijk te maken voor koppelverkoop van een verzekeringspolis bij een kredietovereenkomst. Deze uitzondering maakt reeds onderdeel uit van het bestaande recht, in artikel 7:77, lid 1, onderdeel b, onder 1, BW. Er wordt gebruik gemaakt van deze lidstaatoptie omdat de status quo – die hiermee wordt gehandhaafd – het midden vindt tussen beperking van lastendruk en consumentenbescherming. Enerzijds wordt de consument door de verplichte verzekering beschermd tegen bijvoorbeeld het wegvallen van inkomen en het niet meer kunnen aflossen van de (rest)schuld. Anderzijds behoudt de consument de vrijheid om te kiezen bij welke verzekeraar hij de verzekering afsluit, zodat hij niet wordt gedwongen de potentieel nadelige voorwaarden van de kredietgever te accepteren. Opgemerkt zij overigens dat verplichte verzekeringen bij consumptief krediet in Nederland nauwelijks voorkomen.
Artikel 14 lid 4 Artikel 7:60b BW N.v.t. N.v.t.
Artikel 14 lid 5 Artikel 7:60a lid 4 BW N.v.t. N.v.t.
Artikel 15 Artikel 7:58a lid 2 en 3 BW en artikel 4:34c Wft N.v.t. N.v.t.
Artikel 16 lid 1 en 3 Artikel 4:23 Wft en BGfo N.v.t. N.v.t.
Artikel 16 lid 2 Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 4:23 Wft en BGfo N.v.t. N.v.t.
Artikel 16 lid 4 BGfo Artikel 16 lid 4 biedt lidstaten de ruimte om het gebruik van de termen ‘advies’ of ‘adviseur’ voor kredietgevers of kredietbemiddelaars te verbieden. Nader uit te werken op AMvB-niveau. Het voornemen is om geen gebruik te maken van deze beleidsruimte. Het nationale recht stelt reeds zware eisen aan de financiële dienst van adviseren, waarmee een verbod op het gebruik van deze termen niet noodzakelijk is ter bescherming van de consument. Als gevolg van deze keuze dienen wel eisen gesteld te worden aan het gebruik van de termen ‘onafhankelijk advies’ en ‘onafhankelijk adviseur’.
Artikel 16 lid 5 BGfo N.v.t. N.v.t.
Artikel 16 lid 6 Artikel 5 Vr Wft Artikel 16 lid 6 biedt lidstaten de ruimte om één of meer van de in het zesde lid genoemde vormen van advisering toe te staan, door personen die niet tevens kredietgever of kredietbemiddelaar zijn. Nader uit te werken op AMvB-niveau. Het voornemen is om gebruik te maken van de lidstaatoptie om de situaties toe te staan als genoemd in de onderdelen b, c en d van artikel 16 lid 6, zodat ook personen kunnen adviseren die niet tevens bemiddelen. Onderdeel a is niet aan de orde, nu de uitzondering te breed is.
Artikel 17 Artikel 7:58a lid 1 BW en artikel 4:34c Wft N.v.t. N.v.t.
Artikel 18 lid 1 Artikel 4:34, artikel 4:34a Wft, artikel 7:74 lid 4 BW en BGfo N.v.t. N.v.t.
Artikel 18 lid 2 Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 4:99 Wft N.v.t. N.v.t.
Artikel 18 lid 3 Artikel 4:34 en 4:34a Wft en BGfo N.v.t. N.v.t.
Artikel 18 lid 4 Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 115 lid 1 BGfo N.v.t. N.v.t.
Artikel 18 lid 5 Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 4:34 lid 1 Wft. N.v.t. N.v.t.
Artikel 18 lid 6 Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 4:34 lid 2 Wft N.v.t. N.v.t.
Artikel 18 lid 7 Artikel 7:67a BW en BGfo N.v.t. N.v.t.
Artikel 18 lid 8 BGfo N.v.t. N.v.t.
Artikel 18 lid 9 BGfo N.v.t. N.v.t.
Artikel 18 lid 10 Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 4:34 Wft N.v.t. N.v.t.
Artikel 18 lid 11 Artikel 4:32 en 4:34 lid 1 Wft en artikel 114 BGfo Artikel 18 lid 11 biedt lidstaten de ruimte om raadpleging van een databank te verplichten. Er wordt gebruik gemaakt van de beleidsruimte om het bestaande recht te kunnen handhaven, waarbij de aanbieder van krediet verplicht is een relevante databank, zoals in Nederland de databank van BKR, te raadplegen voor de kredietwaardigheidsbeoordeling. BKR is in Nederland zo ingebed in het systeem, dat de aanwijzing van BKR als beheerder van het stelsel van kredietregistratie in de rede ligt en het niet opportuun is om een andere partij of de overheid dat te laten doen.
Artikel 19 lid 1 Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 4:32 Wft en 114 BGfo en Wetsvoorstel stelsel kredietregistratie N.v.t. N.v.t.
Artikel 19 lid 2 Wetsvoorstel stelsel kredietregistratie N.v.t. N.v.t.
Artikel 19 lid 3 Behoeft naar zijn aard geen implementatie N.v.t. N.v.t.
Artikel 19 lid 4 Wetsvoorstel stelsel kredietregistratie N.v.t. N.v.t.
Artikel 19 lid 5 Artikel 4:34a Wft N.v.t. N.v.t.
Artikel 19 lid 6 Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 4:32 lid 2 Wft N.v.t. N.v.t.
Artikel 19 lid 7 Artikel 4:32 lid 4 Wft N.v.t. N.v.t.
Artikel 19 lid 8 Wetsvoorstel stelsel kredietregistratie N.v.t. N.v.t.
Artikel 20 lid 1 Artikel 7:61 lid 1 BW N.v.t. N.v.t.
Artikel 20 lid 2 Behoeft naar zijn aard geen implementatie N.v.t. N.v.t.
Artikel 21 Artikel 7:61 BW N.v.t. N.v.t.
Artikel 22 Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 7:61a BW (Implementatiewet richtlijn kredietservicers en kredietkopers) N.v.t. N.v.t.
Artikel 23 Artikel 7:62 BW N.v.t. N.v.t.
Artikel 24 lid 1 Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 7:63 lid 1 BW. N.v.t. N.v.t.
Artikel 24 lid 2 tot en met lid 4 Artikel 7:63 BW N.v.t. N.v.t.
Artikel 24 lid 5 Behoeft geen implementatie Artikel 24 lid 5 biedt lidstaten de ruimte om strengere regels voor te schrijven voor kredietovereenkomsten in de vorm van een geoorloofde debetstand. Er wordt geen gebruik gemaakt van deze beleidsruimte om striktere regels in te stellen voor deze kredietvorm, nu de regels in de richtlijn reeds zijn aangescherpt en dit voldoende consumentenbescherming biedt.
Artikel 25 Artikel 7:70 BW N.v.t. N.v.t.
Artikel 25 lid 6 Behoeft geen implementatie Artikel 25 lid 6 biedt lidstaten de ruimte om strengere regels voor te schrijven voor kredietovereenkomsten in de vorm van overschrijding. Er wordt geen gebruik gemaakt van deze beleidsruimte om striktere regels in te stellen voor deze kredietvorm, nu de regels in de richtlijn reeds zijn aangescherpt en dit voldoende consumentenbescherming biedt.
Artikel 26 Artikel 7:66 BW N.v.t. N.v.t.
Artikel 26 lid 4 Behoeft naar zijn aard geen implementatie N.v.t. N.v.t.
Artikel 26 lid 8 Behoeft geen implementatie Artikel 26 lid 8 biedt lidstaten de ruimte om de leden 1 tot en met 6 van dit artikel niet van toepassing te verklaren op kredietovereenkomsten die volgens de nationale wetgeving door tussenkomst van een notaris moeten worden gesloten. Er wordt geen gebruik gemaakt van deze lidstaatoptie, omdat het nationale recht geen tussenkomst van een notaris bij consumentenkredietovereenkomsten voorschrijft.
Artikel 27 lid 1 Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 6:271 BW N.v.t. N.v.t.
Artikel 27 lid 2 Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 7:67 BW N.v.t. N.v.t.
Artikel 27 lid 3 Behoeft naar zijn aard geen implementatie. N.v.t. N.v.t.
Artikel 28 Reeds onderdeel bestaande recht in artikel 7:65 BW N.v.t. N.v.t.
Artikel 29 lid 1 Reeds onderdeel bestaande recht in artikel 7:68 lid 1 BW N.v.t. N.v.t.
Artikel 29 lid 2 Reeds onderdeel bestaande recht in artikel 7:68 lid 2 BW N.v.t. N.v.t.
Artikel 29 lid 3 Reeds onderdeel bestaande recht in artikel 7:68 lid 2 en lid 5 BW N.v.t. N.v.t.
Artikel 29 lid 4 Artikel 7:68 lid 3 BW Artikel 29 lid 4 biedt lidstaten de ruimte om te regelen dat a) de kredietgever pas vergoedingen bij vervroegde aflossing in rekening mag brengen indien deze boven een bepaald drempelbedrag komt of om te regelen dat b) hogere vergoedingen dan genoemd in de richtlijn zijn toegestaan. Bij de implementatie van de CCDI is gedeeltelijk gebruik gemaakt van de beleidsruimte, namelijk de ruimte in onderdeel b. Deze keuze wordt gehandhaafd omdat er geen signalen zijn van onevenredige nadelen voor de consument als gevolg van deze keuze en omdat het bij grote kredieten voor een kredietgever van belang is om zekerheid te hebben over betalingen tegen een afgesproken rentetarief (welke zekerheid zou worden ondermijnd bij een onbeperkt recht op vervroegde, kosteloze aflossing). Van de gelegenheid is ook gebruikgemaakt om het drempelbedrag als genoemd in artikel 7:68 lid 3 BW in lijn te brengen met het toepassingsbereik van de herziene richtlijn, te weten kredietovereenkomsten tot een bedrag van €100.000. Dat was eerst €75.000. Ook is van de gelegenheid gebruikgemaakt om toe te voegen dat indien de door de kredietgever gevorderde vergoeding hoger is dan het werkelijk geleden verlies, de consument een overeenkomstige vermindering kan vorderen.
Artikel 29 lid 5 Reeds onderdeel bestaande recht in artikel 7:68 lid 4 BW N.v.t. N.v.t.
Artikel 30

Artikel 7:57 lid 1 onderdeel i, artikel 7:71 BW

en bijlage A BGfo

N.v.t. N.v.t.
Artikel 31 lid 1 Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 115a BGfo en artikel 1a Uitvoeringsregeling Wft en Bk N.v.t. N.v.t.
Artikel 31 lid 2 Artikel 1:16 Wft. In het BW reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 7:76 lid 2 BW en het Bk Artikel 31 lid 2 biedt lidstaten de ruimte verboden of beperkingen vast te stellen wat betreft specifieke kosten of vergoedingen die door kredietgevers op hun grondgebied worden toegepast. Er is gebruik gemaakt van deze lidstaatoptie om het bestaande recht (de wettelijke maximumkredietvergoeding) te kunnen handhaven, waarbij de kredietvergoeding en de vertragingsvergoeding is gemaximeerd in het Besluit Kredietvergoeding. Dit beschermt de kredietnemer, die zich in een afhankelijkheidspositie bevindt ten opzichte van de kredietgever, tegen de kredietgever. Hiermee wordt niet lastenluw geïmplementeerd (kredietgevers kunnen immers geen onbeperkt JKP rekenen) omdat het belang van consumentenbescherming hier prevaleert.
Artikel 31 lid 3 Behoeft naar zijn aard geen implementatie N.v.t. N.v.t.
Artikel 31 lid 4 Behoeft naar zijn aard geen implementatie N.v.t. N.v.t.
Artikel 32 lid 1 Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikelen 4:15, 4:24a, 4:25 Wft en paragraaf 5.2, 8.1.3, 8.2 BGfo N.v.t. N.v.t.
Artikel 32 lid 2 Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 1:119 Wft N.v.t. N.v.t.
Artikel 32 lid 3 Afdeling 1.7.2 Wft N.v.t. N.v.t.
Artikel 32 lid 4 Artikel 4:74 Wft en artikel 155 BGfo Artikel 32 lid 4 biedt lidstaten de ruimte om commissielonen door de kredietgever aan de kredietbemiddelaar te verbieden. Van de beleidsruimte wordt geen gebruik gemaakt. Het nationale recht gaat in beginsel uit van een provisiegebod, inhoudende dat de bemiddelaar alleen betaald mag worden door de kredietgever (kredietaanbieder).
Artikel 32 lid 5 BGfo N.v.t. N.v.t.
Artikel 33 lid 1 en 2 Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 4:9 Wft en artikel 6 en 7 BGfo N.v.t. N.v.t.
Artikel 33 lid 3 Behoeft naar zijn aard geen implementatie, volgt uit systeem van de wet, afdeling 1.4.2. Wft N.v.t. N.v.t.
Artikel 34 Behoeft naar zijn aard geen implementatie N.v.t. N.v.t.

Artikel 35 lid 1

eerste alinea

Artikel 4:35a Wft en artikel 7:70a BW (Implementatiewet richtlijn kredietservicers en kredietkopers) N.v.t. N.v.t.
Artikel 35 lid 1 tweede alinea Artikel 4:34 lid 3 Wft N.v.t. N.v.t.
Artikel 35 lid 2 Behoeft naar zijn aard geen implementatie N.v.t. N.v.t.
Artikel 35 lid 3 Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 7:76 BW en artikel 11 Bk Artikel 35 lid 3 biedt lidstaten de ruimte om te vereisen dat de kosten voor niet-nakoming niet hoger zijn dan hetgeen nodig is ter vergoeding van de schade die de kredietgever als gevolg van de niet-nakoming heeft geleden. Er is gebruik gemaakt van deze lidstaatoptie om het bestaande recht te kunnen handhaven, waarbij de kredietgever wordt toegestaan kosten te rekenen aan de kredietnemer wegens niet-nakoming van de kredietovereenkomst in de vorm van een vertragingsvergoeding. Daarin zijn wel beperkingen aangebracht om de kredietnemer, die zich in een afhankelijkheidspositie bevindt ten opzichte van de kredietgever, te beschermen.
Artikel 35 lid 4 Behoeft naar zijn aard geen implementatie. Artikel 35 lid 4 biedt lidstaten de ruimte om een plafond vast te stellen indien zij kredietgevers toestaan aan de consument aanvullende kosten aan te rekenen op grond van het derde lid. Aangezien geen gebruik is gemaakt van de lidstaatoptie uit artikel 35 lid 3, is implementatie niet aan de orde.
Artikel 35 lid 5 Behoeft naar zijn aard geen implementatie. N.v.t. N.v.t.
Artikel 36 lid 1 Reeds onderdeel van het bestaande recht in Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. N.v.t. N.v.t.
Artikel 36 lid 2 en 3 Artikel 4:35b Wft en 7:68a BW N.v.t. N.v.t.
Artikel 36 lid 4 Behoeft naar zijn aard geen implementatie N.v.t. N.v.t.
Artikel 37 lid 1 Artikel 2:80 en 2:81 Wft en artikel 6 Vr Wft N.v.t. N.v.t.
Artikel 37 lid 2 Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 2:61 lid 1 Wft N.v.t. N.v.t.
Artikel 37 lid 3 onderdeel a Artikel 2:80, 2:81 Wft en artikel 6 Vr Wft. Artikel 37 lid 3 onderdeel a biedt lidstaten de ruimte om registratie- en vergunning vereisten buiten toepassing te verklaren voor leveranciers van goederen of dienstverleners die bemiddelen en die aan bepaalde voorwaarden voldoen.

Er wordt vanuit het oogpunt van vermindering van lastendruk gebruik gemaakt van de beleidsruimte om micro-, kleine- en middelgrote kredietbemiddelaars die in nevenactiviteit bemiddelen uit te zonderen van artikel 37 lid 1.

Zie voor een uitgebreidere toelichting paragraaf 4 van het algemeen deel.

Artikel 37 lid 3 onderdeel b 2:60 Wft Artikel 32 lid 3 onderdeel b biedt lidstaten de ruimte om registratie- en vergunning vereisten buiten toepassing te verklaren voor leveranciers van goederen of dienstverleners die krediet aanbieden en die die aan bepaalde voorwaarden voldoen.

Er wordt vanuit het oogpunt van bescherming van de consument geen gebruik gemaakt van de beleidsruimte om micro, kleine- en middelgrote aanbieders van krediet die in nevenactiviteit aanbieden en aan bepaalde voorwaarden voldoen, uit te zonderen van de vergunningplicht.

Zie voor een uitgebreidere toelichting paragraaf 4 van het algemeen deel.

Artikel 38 Reeds onderdeel bestaande recht in artikel 4:74 Wft en artikel 7:72 BW N.v.t. N.v.t.
Artikel 39 Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 7:69 BW N.v.t. N.v.t.
Artikel 40 Reeds onderdeel bestaande recht in artikel 4:17 Wft N.v.t. N.v.t.
Artikel 41 lid 1 Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 1:25 Wft en paragraaf 1 van Hoofdstuk 3 van de Wet handhaving consumentenbescherming. N.v.t. N.v.t.
Artikel 41 lid 2 t/m 8 Behoeft naar zijn aard geen implementatie N.v.t. N.v.t.
Artikel 41 lid 9 Artikel 1:77q Wft Artikel 41 lid 9 biedt lidstaten de ruimte om productinterventiemogelijkheden toe te kennen aan de nationale bevoegde autoriteiten. Van deze lidstaatoptie wordt gebruik gemaakt om het instrumentarium van de AFM uit te breiden om direct in te kunnen grijpen bij onwenselijke kredietpraktijken Zie voor een uitgebreidere toelichting paragraaf 4 van het algemeen deel.
Artikel 42 Behoeft naar zijn aard geen implementatie N.v.t. N.v.t.
Artikel 43 Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikel 7:73 BW N.v.t. N.v.t.
Artikel 44 Reeds onderdeel van het bestaande recht in artikelen 1:25 lid 2, 1:79, 1:80 en 1:81 Wft en Besluit bestuurlijke boetes financiële sector N.v.t. N.v.t.
Artikel 45 Behoeft naar zijn aard geen implementatie N.v.t. N.v.t.
Artikel 46 Behoeft naar zijn aard geen implementatie N.v.t. N.v.t.
Artikel 47 Artikel IV en artikel 211a OnBW N.v.t. N.v.t.
Artikel 48 t/m 50 Behoeft naar zijn aard geen implementatie N.v.t. N.v.t.

  1. Richtlijn (EU) 2023/2225 van het Europees Parlement en de Raad, 18 oktober 2023 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van Richtlijn 2008/48/EG.↩︎

  2. Europese Commissie, Evaluatie van Richtlijn 2008/48/EC inzake kredietovereenkomsten voor consumenten, 5 november 2020 (WD(2020)254), https://ec.europa.eu/info/law/better-regulation/have-your-say/initiatives/1844-Evaluation-of-the-Consumer-Credit-Directive_nl.↩︎

  3. Overweging 8 van de preambule van Richtlijn 2008/48/EG (CCDI).↩︎

  4. Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de uitvoering van Richtlijn 2008/48/EG inzake kredietovereenkomsten voor consumenten, 5 november 2020 (WD(2020)963), pagina 1, https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:52020DC0963.↩︎

  5. Van consumenten is 72 % op de hoogte van het herroepingsrecht en 82 % is op de hoogte van het recht op vervroegde aflossing. Europese Commissie. Evaluatie van Richtlijn 2008/48/EC inzake kredietovereenkomsten voor consumenten, 5 november 2020 (WD(2020)254).↩︎

  6. Overweging 4 van de preambule van de richtlijn.↩︎

  7. Overweging 4 van de preambule van de richtlijn.↩︎

  8. Overweging 12 van de preambule van de richtlijn.↩︎

  9. Overweging 13 en 14 van de preambule van de richtlijn.↩︎

  10. Zie overweging 15 van de preambule van de richtlijn. Deze kredietproducten zijn potentieel nadelig vanwege de hoge kosten die eraan verbonden zijn of de hoge vergoedingen die worden gehanteerd bij gemiste betalingen.↩︎

  11. Artikel 2, achtste lid, van de richtlijn.↩︎

  12. Kleine, middelgrote en micro-ondernemingen in de zin van Aanbeveling van de Commissie betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PbEU 2003, C 1422) van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen.↩︎

  13. Artikel 6, eerste lid, van Richtlijn 2008/48/EG (CCDI).↩︎

  14. Artikel 10, eerste lid, tweede alinea van de richtlijn.↩︎

  15. Richtlijn (EU) 2021/2167 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2021 inzake kredietservicers en kredietkopers en tot wijziging van de Richtlijnen 2008/48/EG en 2014/17/EU.↩︎

  16. Wet Wetsvoorstel kredietregistratie, te raadplegen via: https://wetgevingskalender.overheid.nl/Regeling/WGK025409.↩︎

  17. Kleine, middelgrote en micro-ondernemingen in de zin van Aanbeveling van 6 mei 2003 van de Commissie betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PbEU 2003, C 1422).↩︎

  18. Kleine, middelgrote en micro-ondernemingen in de zin van Aanbeveling van de Commissie betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PbEU 2003, C 1422) van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen.↩︎

  19. Kleine, middelgrote en micro-ondernemingen in de zin van Aanbeveling van de Commissie betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PbEU 2003, C 1422) van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen.↩︎

  20. Richtlijn 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 betreffende de verkoop op afstand van financiële diensten aan consumenten. De richtlijn vervalt met de komst van Richtlijn (EU) 2023/2673 van het Europees Parlement en de Raad van 22 november 2023 tot wijziging van Richtlijn 2011/83/EU wat betreft op afstand gesloten overeenkomsten inzake financiële diensten, en tot intrekking van Richtlijn 2002/65/EG, zoals wordt geïmplementeerd met de Implementatiewet richtlijn op afstand gesloten overeenkomsten inzake financiële diensten. De implementatie van de richtlijn is in voorbereiding.↩︎

  21. Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt.↩︎

  22. Richtlijn (EU) 2013/36 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen.↩︎

  23. Richtlijn (EU) 2013/11 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende alternatieve beslechting van consumentengeschillen. ADR staat voor alternative dispute resolution.↩︎

  24. Artikel 2, tweede lid, onderdelen a en b, van de richtlijn.↩︎

  25. Richtlijn (EU) 2014/17 van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen.↩︎

  26. Wet Wetsvoorstel kredietregistratie, te raadplegen via: https://wetgevingskalender.overheid.nl/Regeling/WGK025409.↩︎

  27. Zie ook Hof 's-Gravenhage 23 oktober 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:5718. Tot 2 november 1995 was de minderjarige overeenkomstig art. 1:234 (oud) BW bekwaam rechtshandelingen te verrichten met toestemming van zijn wettelijke vertegenwoordiger, voor zover deze bevoegd is die rechtshandeling voor de minderjarige te verrichten. Deze cursieve zinsnede is niet in het huidige art. 234 opgenomen, maar aangenomen wordt dat met het weglaten hiervan geen mindere rechtsbescherming aan de minderjarigen is beoogd.↩︎

  28. ‘Buy Now, Pay Later – Verkenning van een nieuwe trend’, AFM, 2022 en ‘‘Buy Now, Pay Later’ Marktupdate’, AFM, juni 2025.↩︎

  29. ‘‘Buy Now, Pay Later’ Marktupdate’, AFM, juni 2025, p.4.↩︎

  30. Aanhangsel Handelingen II 2023/2024, nr. 2019.↩︎

  31. Vier grote aanbieders zijn bij deze Buy Now Pay Later (BNPL)-Gedragscode aangesloten.↩︎

  32. “Buy Now, Pay Later’ Marktupdate, AFM, juni 2025, p. 19 en 20.↩︎

  33. Autoriteit Financiële Markten, Rapport Trendzicht 2025: verdiepende analyse inzake consumptief krediet en financiële kwetsbaarheid, 14 november 2024, p. 5.↩︎

  34. Autoriteit Financiële Markten, Rapport Trendzicht 2025: verdiepende analyse inzake consumptief krediet en financiële kwetsbaarheid, 14 november 2024, p. 23.↩︎

  35. https://www.kcbr.nl/beleid-en-regelgeving-ontwikkelen/beleidskompas/verplichte-kwaliteitseisen/doenvermogen.↩︎

  36. Kleine, middelgrote en micro-ondernemingen in de zin van Aanbeveling van de Commissie betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PbEU 2003, C 1422) van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen.↩︎

  37. Kleine, middelgrote en micro-ondernemingen in de zin van ‘Aanbeveling van de Commissie betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PbEU 2003, C 1422) van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen’ die bemiddelen in ‘koop nu, betaal later’-krediet zijn uitgezonderd van de registratieplicht.↩︎

  38. Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet op het financieel toezicht en enige andere wetten ter implementatie van richtlijn nr. 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van Richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PbEU L 133/66).

    Voor de Memorie van Toelichting hierbij zie Kamerstukken II 2009-2010, 32 339, nr. 3.↩︎

  39. Overweging 20 van de preambule van de richtlijn.↩︎

  40. Kamerstuk 36 664 nr. 3.↩︎

  41. Kamerstukken II 2018/19, 35 251, nr.3, p. 7.↩︎

  42. Overweging 94 van de preambule van de richtlijn.↩︎

  43. Verordening (EU) 2020/1503 van het Europees Parlement en de Raad van 7 oktober 2020 betreffende Europese crowdfundingdienstverleners voor bedrijven en tot wijziging van

    Verordening (EU) 2017/1129 en Richtlijn (EU) 2019/1937.↩︎

  44. Kamerstukken II, 2024/25, 01, nr. 21.↩︎

  45. Kamerstukken II, 2025/26, 36800 XIII, nr. 15, p. 10-11.↩︎

  46. Zie ‘Duiding van de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie inzake groepsverzekeringen’ van de AFM: https://www.afm.nl/nl-nl/sector/actueel/2024/maart/interpretatie-groepsverzekeringen.↩︎

  47. Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten in financiële instrumenten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012.↩︎

  48. Besluit van 2 november 2020, houdende regels voor verzekeringskeuringen van ex-kankerpatiënten ten behoeve van het afsluiten van overlijdensrisicoverzekeringen en uitvaartverzekeringen (Besluit verzekeringskeuringen ex-kankerpatiënten), (Stb. 2020, 453).↩︎

  49. Meer specifiek het Centraal Krediet Informatiesysteem van BKR (CKI). Voor het leesgemak wordt in deze toelichting simpelweg gesproken over BKR.↩︎

  50. Overweging 15 van de preambule van de richtlijn.↩︎

  51. Overweging 17 van de preambule van de richtlijn.↩︎

  52. Met een overeenkomst of afstand wordt de overeenkomst bedoeld in de zin van artikel 2, punt 7, van de Richtlijn (EU) 2011/85 (Richtlijn consumentenrechten). Deze definitie is ook opgenomen in artikel 230g, onderdeel e, van Boek 6 BW.↩︎

  53. Met een overeenkomst of afstand wordt de overeenkomst bedoeld in de zin van artikel 2, punt 7, van de Richtlijn (EU) 2011/85 (Richtlijn consumentenrechten). Deze definitie is ook opgenomen in artikel 230g, onderdeel e, van Boek 6 BW.↩︎

  54. Overweging 15 van de preambule van de richtlijn.↩︎

  55. Richtlijn (EU) 2014/65 betreffende markten voor financiële instrumenten (MiFIDII).↩︎

  56. Zie ook overweging 55,van de preambule van de richtlijn.↩︎

  57. Implementatiewet richtlijn kredietservicers en kredietkopers, te raadplegen via: https://wetgevingskalender.overheid.nl/Regeling/WGK014084↩︎

  58. Kamerstukken II, 2009/10, 32 339, nr. 3.↩︎

  59. Kamerstukken II 2020/21, 32013, nr. 579.↩︎

  60. Zie ook overweging 51,van de preambule van de richtlijn.↩︎

  61. Overweging 47 van de preambule van de richtlijn.↩︎

  62. HvJ-EU, 29 september 2022, C-633/20.↩︎

  63. Zie ‘Duiding van de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie inzake groepsverzekeringen’ van de AFM: https://www.afm.nl/nl-nl/sector/actueel/2024/maart/interpretatie-groepsverzekeringen.↩︎

  64. Zie ook overweging 33 van de preambule van de richtlijn.↩︎

  65. Kamerstukken II 2009/10, 32339, nr. 3.↩︎

  66. Overweging 7 van de preambule van de richtlijn.↩︎

  67. Overweging 20 van de preambule van de richtlijn.↩︎

  68. Zie ook: Siemerink, L.A.R., ‘Buitengerechtelijke incasso van privaatrechtelijke schulden bij natuurlijke personen’ Nederlands Juristenblad afl. 27 h. 4.1, 13 september 2024.↩︎

  69. Zie ook: Lieverse, C.W.M., ‘Wet handhaving consumentenbescherming: de rol en het speelveld van de AFM’ Tijdschrift voor Financieel Recht nr. 5, mei 2022.↩︎