[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

36924 Advies Afdeling advisering Raad van State inzake Wijziging van de Wet op het financieel toezicht, Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet handhaving consumentenbescherming en de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek ter implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2225 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten (Implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet)

Wijziging van de Wet op het financieel toezicht, Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet handhaving consumentenbescherming en de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek ter implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2225 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten (Implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet)

Advies Afdeling advisering Raad van State

Nummer: 2026D15854, datum: 2026-04-02, bijgewerkt: 2026-04-02 19:05, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen:

Onderdeel van zaak 2026Z07028:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


No. W06.25.00331/III 's-Gravenhage, 28 januari 2026

Bij Kabinetsmissive van 10 november 2025, no.2025002536, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Financiën, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt van het voorstel van wet tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht, Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet handhaving consumentenbescherming en de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek ter implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2225 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten (Implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet), , met memorie van toelichting.

Dit wetsvoorstel strekt tot implementatie van de herziene richtlijn consumentenkrediet1 (hierna: CCDII2). Daarnaast bevat het wetsvoorstel een aanvullend verbod om bepaalde vormen van krediet aan te bieden aan minderjarigen en een aanscherping van de toestemming van de wettelijke vertegenwoordiger voor overige kredietovereenkomsten die door minderjarigen worden aangegaan. Daarbij wordt ook de verplichting tot leeftijdsverificatie door kredietgevers ingevoerd.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft begrip voor het introduceren van het genoemde verbod en de aanscherping, maar merkt op dat uit de toelichting onvoldoende blijkt op welke manier deze zich verhouden tot de CCDII.

Daarnaast merkt de Afdeling op dat de voorgestelde bepaling voor verwerking van bijzondere categorieën persoonsgegevens niet lijkt overeen te komen met de procedure van afscheiding van bijzondere categorieën persoonsgegevens zoals in de toelichting uiteen gezet. De voorgestelde formulering van de bepaling is bovendien strijdig met de CCDII. Daarin is geregeld dat bijzondere categorieën persoonsgegevens niet gebruikt mogen worden bij de kredietwaardigheidsbeoordeling.

In verband met deze opmerkingen is aanpassing wenselijk van het wetsvoorstel en de toelichting.

1. Inhoud en achtergrond van het voorstel

Met het wetsvoorstel wordt de CCDII geïmplementeerd. De CCDII is de opvolger van de richtlijn consumentenkrediet3 (hierna: CCDI) die per 20 november 2026 zal worden ingetrokken.4 De CCDII beoogt net zoals de CCDI de totstandkoming van een interne markt voor krediet aan consumenten te bevorderen. Hierbij is volledige harmonisatie het uitgangspunt om te waarborgen dat alle consumenten in de Europese Unie (EU) een hoog en gelijkwaardig niveau van bescherming genieten.

De CCDII breidt het toepassingsgebied uit ten opzichte van de CCDI. Zo vallen onder meer aanbieders van ‘koop nu, betaal later’-diensten en aanbieders van kaarten met uitgestelde debitering onder het toepassingsbereik van de CCDII.

Het wetsvoorstel bevat naast de implementatie van de CCDII een aanvullend verbod om kredietovereenkomsten in de vorm van uitstel van betaling aan te bieden aan minderjarigen. Voor het aangaan van de overige kredietovereenkomsten door minderjarigen moet sprake zijn van duidelijke en ondubbelzinnige toestemming van de wettelijke vertegenwoordiger. Tevens voorziet het wetsvoorstel in de verplichting tot leeftijdsverificatie door kredietgevers. Volgens de toelichting zijn deze maatregelen noodzakelijk voor het behalen van de doelstellingen van de CCDII.5

2. Kredietverstrekking aan minderjarigen

Dit wetsvoorstel verbiedt kredietovereenkomsten in de vorm van uitstel van betaling aan minderjarige consumenten. Hieronder valt ook ‘koop nu, betaal later’- krediet en krediet in de vorm van kaarten met uitgesteld debiteren. Overige kredietovereenkomsten mogen wel door minderjarige consumenten worden aangegaan zolang er sprake is van duidelijke en ondubbelzinnige toestemming van de wettelijke vertegenwoordiger van de minderjarige consument.6

Deze bepalingen die de mogelijkheid voor minderjarige consumenten om kredietovereenkomsten af te sluiten, verbieden dan wel beperken, hebben de bescherming van minderjarigen tot doel. Volgens de toelichting zijn minderjarigen gevoelig voor beïnvloeding en de daaruit volgende impulsaankopen. Ook overzien minderjarigen niet altijd of zij deze aankopen kunnen betalen. Het is daarom volgens de toelichting noodzakelijk om schuldgewenning bij minderjarigen tegen te gaan. Bovenal omdat zij, bij gebrek aan financiële buffers, financieel kwetsbaar zijn.

De Afdeling begrijpt de wens om mede vanwege de financiële kwetsbaarheid van minderjarigen het aangaan van kredietovereenkomsten met uitgestelde betaling te verbieden en de toestemming van de wettelijke vertegenwoordig voor de overige kredietovereenkomsten aan te scherpen. Uit de toelichting blijkt echter onvoldoende op welke wijze het voorgestelde verbod en aanscherping zich verhouden tot de CCDII.

De Afdeling merkt op dat het wetsvoorstel ervan uit lijkt te gaan dat minderjarigen als consumenten onder het toepassingsbereik van de CCDII vallen.7 Uit de transponeringstabel en de artikelsgewijze toelichting lijkt te volgen dat het voorgestelde verbod en beperking van kredietverstrekking aan minderjarige consumenten een nadere invulling betreft van de verplichting van de kredietgever in de richtlijn om een kredietwaardigheidsbeoordeling uit te voeren.8

De Afdeling merkt op dat de kredietwaardigheidsbeoordeling ziet op een individuele beoordeling op basis van informatie over de financiële en economische situatie van de consument.9 Het is de vraag of dit de juiste basis in de CCDII is voor de voorgestelde beperking van en verbod op het aangaan van kredietovereenkomsten met minderjarige consumenten. Ongeacht hun individuele kredietwaardigheid, kunnen minderjarige consumenten op basis van de voorgestelde categorale beperking en uitsluiting niet of minder gemakkelijk kredietovereenkomsten aangaan.

Dit hoeft de introductie van een verbod en de aanscherping van het toestemmingsvereiste overigens niet in de weg te staan. De Afdeling constateert dat de CCDII het ook mogelijk maakt dat lidstaten voorwaarden aan de toegang tot krediet stellen. Op grond daarvan lijkt het mogelijk te zijn om leeftijd als voorwaarde voor de toegang tot krediet te stellen zolang dit onderscheid op grond van leeftijd door objectieve criteria wordt gerechtvaardigd.10

De Afdeling adviseert om in de toelichting te verduidelijken wat de basis in de CCDII is voor het verbod op en de beperking van het aangaan van kredietovereenkomsten door minderjarige consumenten.

3. Verwerking bijzondere categorieën persoonsgegevens

Bij de kredietwaardigheidsbeoordeling moeten kredietgevers toetsen op basis van relevante en nauwkeurige informatie over onder meer het inkomen en de uitgaven van de consument.11 Uit de toelichting volgt dat het niet uit te sluiten valt dat bij het opvragen van gegevens door de kredietgever ten behoeve van deze kredietwaardigheidsbeoordeling de kredietnemer bijzondere persoonsgegevens verstrekt.

Om te voorkomen dat deze bijzondere persoonsgegevens bij de kredietwaardigheidsbeoordeling worden betrokken, wordt voorgesteld deze door de consument aangeleverde gegevens af te scheiden. Met afscheiding wordt bedoeld: het nemen van technische of organisatorische maatregelen om ervoor te zorgen dat bijvoorbeeld de reden van de betaling, zoals een betaling aan een religieuze instelling, niet wordt betrokken bij de kredietwaardigheidsbeoordeling.12

In het voorstel wordt echter geregeld dat een kredietgever geen bijzondere categorieën persoonsgegevens mag verwerken, tenzij verwerking noodzakelijk is voor de kredietwaardigheidsbeoordeling en de verwerking is afgescheiden van het proces van de kredietwaardigheidsbeoordeling.13 De Afdeling constateert dat de tekst van deze bepaling niet overeen lijkt te komen met het doel van deze bepaling, zoals in de toelichting geformuleerd en hiervoor uiteengezet. Ook is de formulering van de voorgestelde bepaling strijdig met de CCDII.14

Onverminderd het voorgaande wijst de Afdeling erop dat voor de verwerking van bijzondere categorieën persoonsgegevens een in de AVG genoemde uitzonderingsgrond van toepassing dient te zijn, en dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor het toepassen van de betreffende uitzonderingsgrond.15

De Afdeling adviseert om de wettekst en de toelichting hierop aan te passen.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.


De vice-president van de Raad van State,


  1. Richtlijn (EU) 2023/2225 van het Europees Parlement en de Raad, 18 oktober 2023 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van Richtlijn 2008/48/EG.↩︎

  2. De herziene richtlijn consumentenkrediet is ook bekend onder zijn Engelse titel als Consumer Credit Directive II.↩︎

  3. Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van Richtlijn 87/102/EEG van de Raad.↩︎

  4. Artikel 47 CCDII.↩︎

  5. Memorie van toelichting, paragraaf 1.↩︎

  6. Voorgesteld artikel 4:34b van de Wet op het financieel toezicht (Wft) en voorgesteld artikel 7:75 van het Burgerlijk Wetboek (BW).↩︎

  7. Voorgesteld artikel 4:34b Wft en voorgesteld artikel 7:75 BW verwijzen naar een minderjarige consument. Voorgesteld artikel 4:34b, tweede en derde lid, Wft heeft het over de leeftijdsverificatie van een consument.↩︎

  8. Artikel 18, eerste lid, CCDII schrijft voor dat kredietgevers voor de sluiting van een kredietovereenkomst een grondige beoordeling van de kredietwaardigheid van de consument uitvoert. Deze beoordeling wordt uitgevoerd in het belang van de consument, om onverantwoordelijke leningspraktijken en overmatige schuldenlast te voorkomen, en bij de beoordeling wordt naar behoren rekening gehouden met factoren die relevant zijn om na te gaan of de consument de uit de kredietovereenkomst voortvloeiende verplichtingen kan nakomen.↩︎

  9. Artikel 18, derde lid, CCDII.↩︎

  10. Op grond van de eerste alinea van artikel 6 CCDII zorgen de lidstaten ervoor dat de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om een krediet te krijgen, niet discriminerend in de zin van artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) zijn voor consumenten. Deze alinea doet geen afbreuk aan de mogelijkheid om verschillende voorwaarden voor toegang tot een krediet te bieden indien die verschillende voorwaarden terdege door objectieve criteria worden gerechtvaardigd (zie ook artikel 52, eerste lid, van het Handvest).↩︎

  11. Artikel 18, derde lid, CCDII.↩︎

  12. De toelichting verduidelijkt dat deze technische of organisatorische maatregelen er bijvoorbeeld uit kunnen bestaan om een aparte afdeling of een derde partij eerst de gegevens te laten verwerken en indien nodig bijzondere categorieën persoonsgegeven af te scheiden.↩︎

  13. Voorgesteld artikel 4:34a, tweede lid, Wft.↩︎

  14. Artikel 18, derde lid, CCDII bepaalt dat kredietgevers geen bijzondere categorieën persoonsgegevens als bedoeld in de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) mogen gebruiken bij de kredietwaardigheidsbeoordeling.↩︎

  15. Artikel 9, tweede lid, AVG.↩︎