Wijziging van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens ter vastlegging van de doelen van het gebruik van het Europees strafregisterinformatiesysteem (36657) (ongecorrigeerd)
Stenogram
Nummer: 2026D15894, datum: 2026-04-02, bijgewerkt: 2026-04-03 09:24, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-04-02 11:05: Wijziging van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens ter vastlegging van de doelen van het gebruik van het Europees strafregisterinformatiesysteem (36657) (Plenair debat (wetgeving)), TK
Preview document (🔗 origineel)
Vastlegging van de doelen van het gebruik van het Europees strafregisterinformatiesysteem
Voorzitter: Michon-Derkzen
Vastlegging van de doelen van het gebruik van het Europees
strafregisterinformatiesysteem
Aan de orde is de behandeling van:
het wetsvoorstel Wijziging van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens ter vastlegging van de doelen van het gebruik van het Europees strafregisterinformatiesysteem (36657).
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. We bespreken vandaag het wetsvoorstel
Wijziging van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens ter
vastlegging van de doelen van het gebruik van het Europees
strafregisterinformatiesysteem. Dat is een hele mond vol. We hebben
zeven sprekers in de eerste termijn. Ik wil maar gelijk starten met die
eerste termijn.
De algemene beraadslaging wordt geopend.
De voorzitter:
Ik nodig mevrouw Faber uit voor haar bijdrage. Mevrouw Faber spreekt
namens de PVV. Het woord is aan u.
Mevrouw Faber (PVV):
Dank u wel, voorzitter. ECRIS is een systeem bestaande uit decentrale
informatiesystemen van de EU-lidstaten waarin veroordelingen worden
geregistreerd. ECRIS voorziet in de infrastructuur voor de onderlinge
uitwisseling van informatie over veroordelingen. Het zijn niet enkel
veroordelingen van burgers wonende in de lidstaten, maar ook van burgers
uit derde landen. Alleen derdelanders worden geregistreerd in ECRIS-TCN,
dat weer een onderdeel is van ECRIS.
Op dit moment kan er informatie worden uitgewisseld ten bate van de
strafrechtpleging. Denk aan de vog gerelateerd aan activiteiten waarbij
er sprake is van direct contact met kinderen, een uittreksel van
justitiële gegevens en vergunningen voor explosieven. Zo kan de overheid
ECRIS bijvoorbeeld raadplegen om te kijken of een burger veroordeeld is
in een andere lidstaat. Dit kan gevolgen hebben voor de afgifte van een
vog voor iemand die bijvoorbeeld wil werken met kinderen.
Voorzitter. In Nederland is Justid de centrale autoriteit in dezen. Doet
de naam Justid bij u een bel rinkelen? Dat doet die in ieder geval wel
bij de Rekenkamer. Bij minimaal 867 vonnissen werd namelijk een foute
tenaamstelling geconstateerd. In 141 gevallen zou het zelfs gaan om
ernstige zaken zoals moord en doodslag, geweld, terroristische
misdrijven en zeden- en drugsdelicten. Dat is echt geen
kattendrek.
Het was niks nieuws, want dit probleem kwam al twaalf jaar geleden
oppoppen, in 2014. Het werd onderschat en vooruitgeschoven. Dat is niet
mijn conclusie, maar die van de Auditdienst Rijk, de ADR. U zou denken
dat men zich een dergelijke conclusie zou aantrekken. Maar wat blijkt?
Als men dacht dat het niet klopte, gingen medewerkers gewoon door met
het wijzigen van namen in dossiers. Je vraagt je dan ook af of er zaken
tussen zitten die te kwader trouw zijn gewijzigd. Het is niet met
zekerheid te zeggen dat dat niet het geval is. Medewerkers die aan de
bel trokken, zouden zijn tegengewerkt. Zo kunnen zware jongens onder de
radar blijven. Stelt u zich eens voor dat een zedendelinquent een
positief advies krijgt om te werken met kinderen of dat een onschuldige
ten onrechte in een Bulgaarse cel belandt. Zie daar maar eens uit te
komen. Je moet dan maar hopen dat de Nederlandse overheid alles op alles
zet om jou uit die cel te halen, waar je door haar fout in bent
terechtgekomen. Deze puinzooi raakt de kern van de rechtsstaat. Gaat de
staatssecretaris nu, twaalf jaar later, eindelijk eens de boel op orde
brengen bij Justid? Graag een reactie van de staatssecretaris.
Voorzitter. Iemand kan ook onopgemerkt blijven als de persoon in kwestie
zijn of haar naam wettig heeft gewijzigd en het misgaat bij het
automatisch koppelen van de overheidssystemen. Mijn vraag aan de
staatssecretaris is dan ook: wordt er bij een naamswijziging
gecontroleerd op de aanwezigheid van eventuele vonnissen? Zo nee, waarom
niet? Zo ja, welke maatregelen worden er dan genomen om een mismatch te
voorkomen?
Voorzitter. Ik heb nog een dingetje. Jarenlang heeft Nederland ten
onrechte gegevens doorgespeeld inzake strafbeschikkingen, terwijl ECRIS
enkel voorziet in het uitwisselen van informatie over veroordelingen. Zo
zijn er van 2012 tot en met 2022 ten onrechte zo'n 22.000
strafbeschikkingen verstrekt. De staatssecretaris geeft aan dat deze
praktijk is stopgezet, maar de vraag is of deze strafbeschikkingen nog
steeds worden opgenomen in ECRIS. En hoe zit het met geseponeerde zaken?
Worden deze ook nog steeds opgenomen in ECRIS? Zo ja, waarom? Graag een
reactie van de staatssecretaris.
Voorzitter. De staatssecretaris wil gebruikmaken van de mogelijkheid om
de informatie-uitwisseling uit te breiden. Zij wil extra nationale
doelen toevoegen. Dit betreft een uitbreiding rond de vog, de Wet Bibob,
het geschiktheidsonderzoek voor aspirant-adoptiefouders en -pleegouders,
en migratiebeslissingen inzake de Vreemdelingenwet 2000. Er kan een
uitwisseling van informatie plaatsvinden tussen twee EU-lidstaten die
beide zijn voorzien van een nationale wettelijke grondslag. Maar gaat de
staatssecretaris hier ook de boer voor op? De vraag is: in hoeverre
willen andere lidstaten deze doelen omarmen? De staatssecretaris kan nu
niet aangeven of andere lidstaten extra doelen ambiëren. Het lijkt erop
dat dit ook niet het gesprek van de dag is tijdens internationale
bijeenkomsten en overleggen. Is deze stelling juist?
Daarbij komt dat de staatssecretaris liever leunt op multilaterale
afspraken op EU-niveau, omdat bilaterale afspraken veel diplomatieke
inspanningen vergen. Zij wil zich wel uitsloven voor de vog, maar niet
op het gebied van migratiebeslissingen inzake de Vreemdelingenwet,
terwijl migratie een van de grootste zorgen is in de samenleving, zeker
als het de openbare orde betreft. Waarom maakt de staatssecretaris zich
er niet hard voor om zo snel mogelijk afspraken te maken met andere
lidstaten inzake het uitwisselen van informatie over veroordeelden met
een migratieachtergrond?
Voorzitter. Het Verenigd Koninkrijk gedraagt zich altijd anders dan het
continent: links rijden, een afwijkend meetstelsel enzovoorts. De brexit
begrijp ik dan nog wel. Er werd een handels- en
samenwerkingsovereenkomst gesloten tussen de Europese Unie en het
Verenigd Koninkrijk. Dit laat zien dat je als niet-EU-lidstaat ook op
vrijwillige basis aansluiting kunt hebben met de Europese Unie, zonder
je soevereiniteit op te geven. Vervolgens kun je gewoon bilaterale
afspraken maken met een EU-lidstaat, zoals nu het geval is tussen
Nederland en het Verenigd Koninkrijk. Nederland wil de uitvoeringswet
wijzigen ten bate van die extra doelen, zodat er tussen beide landen
extra informatie-uitwisseling mogelijk is. Het is onbegrijpelijk dat de
staatssecretaris dit weigert te doen inzake de toegang tot Nederland
voor vreemdelingen bij de grens. Het Verenigd Koninkrijk geeft aan deze
gegevens niet door te kunnen geven. De reden daarvoor is dat het nog
onderwerp van discussie zou zijn tussen het Verenigd Koninkrijk en de
Europese Commissie. Ik vind dat geklets. Je kunt altijd bilaterale
afspraken maken. Extra bilaterale afspraken zijn zelfs opgenomen in dit
wetsvoorstel. Waarom kan je wél afspraken maken over informatie ten bate
van een uitbreiding van de vog, de Wet Bibob of een
geschiktheidsonderzoek aspirant-adoptiefouder en -pleegouder, maar níét
over de toegang van vreemdelingen aan de grens? Zijn over dit laatste
echt geen gesprekken gevoerd? Wil het Verenigd Koninkrijk echt geen
informatie uitwisselen inzake veroordelingen van deze vreemdelingen? Of
wil de staatssecretaris dat niet? Graag een reactie.
De staatssecretaris schermt vervolgens met ETIAS. ETIAS zou de
poortwachter zijn aan de grens. ETIAS zou in 2026 in gebruik worden
genomen. Wat is de status in dezen? Graag een reactie. Reizigers die
visumvrij naar Nederland kunnen reizen, moeten zich voor het inreizen
aanmelden bij ETIAS. Het ETIAS-systeem werkt betreffende derdelanders
alleen voor visumvrije derdelanders, maar hoe zit het met derdelanders
die wel een visum nodig hebben? Worden die ook gecontroleerd door ETIAS
of op andere wijze?
Ik zal het nader toelichten. Derdelanders die vanuit het Verenigd
Koninkrijk naar het Schengengebied reizen, kunnen dat op basis van een
visum of zijn vrijgesteld van een visum. Indien men is vrijgesteld van
een visum, dient men voorafgaand aan de reis naar het Schengengebied een
ETIAS-autorisatie aan te vragen. Dit is een reisautorisatie. Het
bijzondere is dat bij de aanvraag via ETIAS ook ECRIS wordt
geraadpleegd. Worden daarbij ook gegevens door het Verenigd Koninkrijk
met Nederland uitgewisseld? Als dat het geval is, heeft dit gevolgen
voor visumvrije derdelanders. Worden deze dan geweigerd aan de
grens?
Dan de derdelanders die wél een visum nodig hebben. Zij vragen geen
reisautorisatie aan via ETIAS. Zij moeten een visum aanvragen. Maar hoe
zit dat dan? Wordt er bij het toewijzen van een visum wel of niet
informatie uitgewisseld tussen het Verenigd Koninkrijk en Nederland, al
dan niet via ECRIS? Graag een reactie van de staatssecretaris.
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Ik dank mevrouw Faber. Ik zie dat er geen interrupties zijn. Dan gaan we
luisteren naar de bijdrage van mevrouw Mutluer. Zij spreekt namens
GroenLinks-PvdA. Gaat uw gang.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Onwijs fijn om u weer een keertje te zien,
alleen nu van een andere kant en niet als collega-woordvoerder Justitie
en Veiligheid. Ook heel fijn om mijn eerste debat te mogen voeren met
deze staatssecretaris. Dus welkom!
Voorzitter. Vandaag spreken wij over de Wijziging van de Wet justitiële
en strafvorderlijke gegevens. Die oogt op het eerste gezicht best wel
technisch, maar in werkelijkheid zet die een hele noodzakelijke stap in
hoe wij omgaan met strafrechtelijke gegevens binnen Europa. Mevrouw
Faber startte met een korte inleiding, en ook ik heb daar even behoefte
aan, juist vanwege dat technische element. Daarna zal ik een aantal hele
concrete vragen aan de staatssecretaris stellen.
Sinds 2012 bestaat het Europees Strafregister Informatiesysteem, dat
lidstaten verplicht om informatie over strafrechtelijke veroordelingen
met elkaar te delen ten behoeve van de opsporing, vervolging en
berechting bij strafbare feiten in een andere lidstaat. Ik ben blij dat
dat grotendeels goed is geregeld, maar dat hele informatiesysteem wordt
veel breder gebruikt. Het wordt ook betrokken bij een vog, een
Bibob-toets, bij adoptieprocedures, en bij besluiten over
verblijfsvergunningen en het Nederlanderschap. Dat vind ik ook logisch,
want het risico voor de samenleving is niet kleiner als een veroordeling
in een andere lidstaat en niet in Nederland is uitgesproken.
De vier doelen worden nu bij wet verankerd. Tegelijkertijd constateer ik
dat voor deze vormen van gebruik tot nu toe een expliciete wettelijke
grondslag ontbrak. Wij dachten allemaal dat dat niet nodig is, maar
onder invloed van de Europese regelgeving en dus ook de privacy is die
opvatting, terecht, niet langer houdbaar. Juist omdat het hier om zeer
gevoelige strafrechtelijke persoonsgegevens gaat, vind ik het goed dat
deze praktijk nu alsnog een duidelijke wettelijke basis krijgt, want dat
vergroot de rechtszekerheid, de transparantie en de
controleerbaarheid.
Mijn fractie staat dus in beginsel positief tegenover dit wetsvoorstel.
Ik heb echter een aantal kritische kanttekeningen. De Raad van State
heeft in zijn advies terecht benadrukt dat de verwerking van
strafrechtelijke gegevens diep ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer.
De raad vroeg de regering dan ook om nadrukkelijk aandacht te schenken
aan de proportionaliteit en de doelbinding. De regering, het kabinet,
heeft deze opmerking overgenomen en de toelichting aangevuld, onder
andere door expliciet te maken dat er bij het gebruik van het Europees
Strafregister Informatiesysteem steeds een evenredigheidstoets moet
komen. Mijn fractie wil wel benadrukken dat dit niet alleen een papieren
waarborg mag zijn. Mijn eerste vraag is: hoe wordt in de praktijk
geborgd dat die evenredigheidstoets daadwerkelijk en consequent wordt
uitgevoerd? En wie houdt daar überhaupt toezicht op? Graag een
reactie.
In het verlengde van wat de Raad van State opmerkte, heeft ook de
Autoriteit Persoonsgegevens gevraagd om een betere onderbouwing van de
noodzakelijkheid, rechtszekerheid en doelbinding bij het gebruik van
deze gegevens. Hoe breder de doelen worden geformuleerd, hoe groter het
risico dat gegevens in de toekomst voor andere doeleinden worden ingezet
dan oorspronkelijk bedoeld. Dat moeten we zien te voorkomen. Ik wil
weten hoe het in de uitvoering gaat. Ten behoeve van de procedures
binnen het migratierecht en het nationaliteitsrecht wordt het Europees
Strafregister Informatiesysteem al gebruikt. In de nota naar aanleiding
van het verslag geeft de staatssecretaris al aan dat de wet zal leiden
tot een toename van het gebruik en daardoor ook van de kosten en
werklast bij de IND. Ik wil dat de staatssecretaris daar toch nog even
nader op ingaat, want ik mag aannemen dat het in de wet vastleggen van
een staande praktijk eigenlijk geen verschil zou moeten uitmaken voor de
werkwijze en de belasting van de IND. Als daar wel iets in verandert,
zoals ook in de nota stond, wat is dat dan en wat gaat de
staatssecretaris daaraan doen?
Dan het punt van toegang tot gegevens. De burgemeesters van een aantal
Brabantse gemeenten hebben heel nadrukkelijk de wens uitgesproken om
zelf toegang te krijgen tot het Europees Strafregister Informatiesysteem
voor hun lokale Bibob-onderzoeken. Ik snap die behoefte, maar gezien de
gevoeligheid van deze gegevens heb ik hier wel de nodige vraagtekens
bij. Is het, zo vraag ik aan de staatssecretaris, niet belangrijk dat
toegang tot strafrechtelijke gegevens strikt wordt begrensd en
zorgvuldig wordt georganiseerd? De gemeenten hebben nu al de
mogelijkheid om gebruik te maken van het Landelijk Bureau Bibob, dat wel
toegang heeft tot deze informatie. Ik wil dat de staatssecretaris
bevestigt, ook voor de Handelingen, dat deze route beschikbaar blijft en
dat er geen voornemen is om directe toegang tot het ECRIS voor gemeenten
te verruimen.
Voorzitter. Tot slot een punt over de reikwijdte van het Europees
Strafregister Informatiesysteem. Ik dacht dat mevrouw Faber daar ook
even aan refereerde. Strafbeschikkingen worden momenteel niet opgenomen
in het ECRIS, omdat het formeel geen veroordelingen zijn. Tegelijkertijd
weten we dat strafbeschikkingen in Nederland wel degelijk een rol kunnen
spelen bij de beoordeling van iemands integriteit, bijvoorbeeld bij een
vog. Het kan daarbij gaan om feiten als diefstal, bedreiging, heling of
lichte mishandeling die wel relevant zijn. Daarom heb ik de volgende
vraag aan de staatssecretaris. Bestaat er in Nederland of in Europees
verband de behoefte om dit anders te regelen? En wordt er overwogen om
in de toekomst ook strafbeschikkingen of vergelijkbare instrumenten in
andere lidstaten onder het bereik van het Europees Strafregister
Informatiesysteem te brengen?
Ik rond af, voorzitter. Dit wetsvoorstel brengt de praktijk en de
wetgeving weer met elkaar in overeenstemming. Ik vind dat heel
verstandig, maar juist bij de verwerking van strafrechtelijke gegevens
geldt: hoe groter het belang, hoe groter de verantwoordelijkheid. Voor
mij en mijn fractie blijven deze kernwaarden daarom helder: strikte
doelbinding, zorgvuldige toepassing en stevige waarborgen voor burgers.
Met die kanttekeningen kunnen wij positief kijken naar dit wetsvoorstel
en wacht ik de antwoorden van de staatssecretaris af.
De voorzitter:
Dank u wel. Dit leidt tot een vraag van mevrouw Faber.
Mevrouw Faber (PVV):
Even een verhelderende vraag aan mevrouw Mutluer. Mevrouw Mutluer had
het erover dat strafbeschikkingen ook een rol kunnen spelen in
beoordelingen, maar worden er in Nederland niet veel strafbeschikkingen
uitgegeven omdat onze strafrechtketen verstopt zit en het OM en de
rechtbank niet voldoende capaciteit hebben?
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Dat is een terechte vraag. Hij is een beetje buiten de orde van dit
wetsvoorstel, maar we hebben niet voor niets met collega Ellian een hele
uitgebreide parlementaire verkenning gedaan van de vastgelopen
strafrechtketen. Wij willen gewoon dat slachtoffers serieus worden
genomen door de politie, dat daders worden vervolgd, dat het OM genoeg
capaciteit heeft en dat rechters ook genoeg ruimte hebben om hun werk te
doen. Dat is nu niet aan de orde. Er zijn natuurlijk wel richtlijnen om
wel of geen strafbeschikkingen toe te kennen. In mijn beleving moet daar
gewoon heel zorgvuldig mee worden omgegaan. Alleen omdat je anders geen
capaciteit hebt, mag niet de reden zijn om die richtlijnen te gebruiken.
Ik snap wel waar mevrouw Faber naartoe wil. Volgens mij moeten we deze
discussie heel uitvoerig een keertje gaan voeren met de minister van
JenV, want de strafrechtketen loopt vast en de daders zijn de lachende
derden.
De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee komen we bij de bijdrage van mevrouw Straatman. Ik
nodig haar uit. Mevrouw Straatman spreekt namens het CDA.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Het is inderdaad een hele technische wet, dus ik
dacht: ik start met een casus. Stel, je runt een taxibedrijf en je zoekt
een nieuwe chauffeur. Een Spanjaard, een Pool en een Nederlander
solliciteren. Die moeten allen een vog kunnen overleggen. Nu blijkt dat
de Spanjaard in kwestie een zedendelict op zijn naam heeft staan in
Spanje, dat de Pool op doorreis in Duitsland veroordeeld is voor
ernstige mishandeling en dat de Nederlander op vakantie in Griekenland
is veroordeeld voor handel in drugs. De werkgever wil natuurlijk dat uit
die vog-procedure blijkt dat deze sollicitanten niet geschikt zijn om
bij hem in dienst te treden, maar dan moet deze informatie van buiten
Nederland wel bij de Nederlandse autoriteiten bekend zijn.
Dat is precies het doel van het Europees Strafregister
Informatiesysteem, oftewel ECRIS. Al sinds 2012 maakt ECRIS het mogelijk
dat EU-lidstaten onderling informatie uitwisselen over strafrechtelijke
veroordelingen. ECRIS zorgt ervoor dat Nederlandse autoriteiten
informatie krijgen over veroordelingen in andere EU-landen en andersom
krijgt Nederland ook informatie als Nederlanders in het buitenland
worden veroordeeld.
Het voorbeeld laat zien dat dit geen overbodige luxe is. Criminelen
houden zich niet aan landsgrenzen. Voor onze veiligheid en ter
bescherming van kwetsbare groepen of sectoren in de Nederlandse
samenleving is het dus van belang om binnen de EU goed samen te werken.
Met deze wet benut Nederland de ruimte die de EU biedt om ECRIS ook te
gebruiken voor niet-strafrechtelijke doelen. Nederland kiest ervoor om
ECRIS ook in te zetten voor onderzoek naar de beoordeling van de vog,
ter beoordeling van integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur,
ten derde ten behoeve van het geschiktheidsonderzoek naar de
aspirant-adoptieouder en -pleegouder en ten vierde in het kader van
beoordelingen van de openbare orde en de veiligheid in het migratie- en
nationaliteitsrecht. Dit zijn wat het CDA betreft logische doelen. Het
is evident dat het belangrijk is om ook in deze situaties een volledig
beeld te hebben van iemands strafrechtelijk verleden.
Voorzitter. Dat gezegd hebbende, is ECRIS helaas niet een volledig
waterdicht systeem. Vandaar dat ik vandaag nog op drie punten wil
terugkomen: eerst de effectiviteit, dan de mogelijke
uitbreidingsmogelijkheden en tot slot de implementatie van
ECRIS-TCN.
Allereerst de effectiviteit. Informatie-uitwisseling via ECRIS voor
niet-strafrechtelijke doeleinden is alleen zinvol als andere lidstaten
diezelfde niet-strafrechtelijke doelen in nationale wetgeving hebben
opgenomen. Met andere woorden, informatie over het strafrechtelijk
verleden van de solliciterende taxichauffeur uit Spanje kan Nederland
alleen opvragen als Spanje in nationale wetgeving ook heeft opgenomen
van ECRIS gebruik te willen maken in het kader van beoordelingen van de
vog. Zo niet, dan gaat die informatie alsnog verloren. Daarom heb ik de
volgende vragen aan de staatssecretaris op dit punt. Hoe wordt
beoordeeld of er sprake is van een zelfde soort doel? Neem opnieuw het
voorbeeld van die vog, want dat is een uniek Nederlands systeem. Is voor
informatie-uitwisseling ter beoordeling van die vog dan nodig dat met
afzonderlijke lidstaten overeenkomsten worden gesloten, zoals met België
en Luxemburg is gedaan, of volstaat dat een handjevol andere Europese
landen, bijvoorbeeld Duitsland, Letland, Oostenrijk, Polen en Zweden, in
nationale wetgeving nu al hebben opgenomen ECRIS te gebruiken voor
werkgelegenheidsscreening? Hoe zit dat precies met die beoordeling van
hetzelfde doel? In het kader van eenzelfde type vraag geeft de
staatssecretaris in de nota naar aanleiding van het verslag aan dat
ECRIS op dit moment reeds volledig wordt gebruikt door de Raad voor de
Kinderbescherming in het kader van de geschiktheidsonderzoeken en ook
door de IND in het kader van de beoordeling van de openbare orde. Mag
dan uit deze opmerkingen worden afgeleid dat voor deze twee
niet-strafrechtelijke doeleinden praktisch alle andere EU-lidstaten
onderling dus al informatie uitwisselen en dat dus diezelfde doelen in
die landen al zijn opgenomen in nationale wetgeving?
Voorzitter. Dan het gebruik van een vog bij alle derdelanders. Justis
stelt dat hier politieke risico's aan verbonden zijn en beveelt daarom
aan ECRIS-TCN niet bij alle vog-aanvragen van derdelanders te gebruiken.
Wat is de reactie van de staatssecretaris hierop?
Tot slot op het punt van de informatieverstrekking het volgende. De
staatssecretaris schrijft dat uit het ECRIS-TCN-besluit volgt dat er
drie categorieën gegevens zijn: zij die altijd worden verstrekt, zij die
worden gedeeld voor zover ze in het strafregister staan en zij die
worden gedeeld indien voorhanden. Maar wie bepaalt of die aanvullende
informatie nu wel of niet wordt verstrekt en wat is hierin de
standaardhandelswijze van Nederland?
Voorzitter. Dan kom ik nu bij de mogelijke uitbreidingsmogelijkheden van
de wet. In eerdere schriftelijke rondes is door meerdere fracties
gevraagd of ECRIS ook nuttig kan zijn voor de afgifte van een vergunning
op basis van de Wet wapens en munitie of op basis van de Wet
particuliere beveiligingsorganisaties. Daarop kwam wat het CDA betreft
geen heel duidelijk antwoord. Worden deze vergunningaanvragen op dit
moment voldoende gedekt door de Wet Bibob of ziet de staatssecretaris
nog nut en noodzaak om ECRIS ook buiten het Bibob-traject beschikbaar te
maken?
Ten tweede het punt waar mevrouw Faber het ook over had, de gesprekken
tussen het Verenigd Koninkrijk en de Europese Commissie. Die lopen op
dit moment nog in het kader van migratie en het nationaliteitsrecht, met
de bedoeling om ook op die punten informatie uit te wisselen. Maar wat
is op dit moment de stand van zaken en kan Nederland eventueel ook
bilateraal op dit punt met het Verenigd Koninkrijk afspraken
maken?
Voorzitter. Tot slot mijn laatste punt, de implementatie van ECRIS-TCN.
In de nota naar aanleiding van het verslag staat dat ECRIS-TCN in
november 2025 in gebruik zou moeten zijn, maar dat de planning onzeker
is vanwege de vertraging van het inreis-uitreissysteem. Wat is hiervan
nu de stand van zaken?
Uit de uitvoeringstoets van Justis blijkt dat Ierland voor vog-aanvragen
om te kunnen werken met kinderen niet altijd gegevens verstrekt. De
aanbeveling wordt dan ook gedaan om dit met Ierland te bespreken voor
implementatie van ECRIS-TCN. Kan de staatssecretaris op dit punt ook een
update geven?
Voorzitter, ik rond af. ECRIS laat zien hoe belangrijk Europese
samenwerking is. Het is cruciaal om criminelen niet weg te laten komen
met grensoverschrijdende criminaliteit. Het is ook heel belangrijk voor
de bescherming van kwetsbaren in de samenleving. Wij onderschrijven dan
ook de doelstelling van deze wet en kijken uit naar de
beantwoording.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee nodig ik de heer Ellian uit voor zijn bijdrage in
dit debat. De heer Ellian spreekt namens de VVD. Aan u het woord.
De heer Ellian (VVD):
Dank, voorzitter. Het is goed dat we als Tweede Kamer, maar uiteraard
ook als commissie Justitie en Veiligheid, gewoon weer een wet
doorakkeren met elkaar, want daar zijn we immers ook toe op aarde als
medewetgever.
Voorzitter. Ik heb een korte inbreng. De wet die nu voorligt en ziet op
het Europese strafregistratiesysteem — ik kort het even af — beoogt
eigenlijk geen beleidswijziging, maar is een verankering van een aantal
doelen. Deze doelen stonden overigens al in de uitvoering en het beleid
centraal, maar het is goed dat bepaalde doelen ook in de wet worden
vastgelegd. Die doelen zijn door een aantal collega's al genoemd. Ik
denk dan aan de Wet Bibob, de vog, nationaliteitskwesties en adoptie
door pleegouders. Ik wil nog wel toevoegen, ook voor de Handelingen, dat
er natuurlijk ook gewoon een EU-rechtelijk doel is, namelijk de
opsporing van criminaliteit. Ten behoeve van dat doel, dat in het
EU-recht ook is vastgelegd, kunnen natuurlijk ook strafrechtelijke
bronnen geraadpleegd worden door lidstaten. Ik wil dat markeren. Ik
vraag de staatssecretaris of ik dit goed zie. Dit is namelijk voor mijn
fractie misschien nog wel een van de allerbelangrijkste doelen van het
Europese strafregistratiesysteem. Uiteraard ook in het licht van de
huidige migratiestromen zal dit systeem alleen maar belangrijker worden.
Daar wordt natuurlijk een aanvullende database op gemaakt.
Voorzitter. Het viel mij op dat de regering in de nota naar aanleiding
van het verslag schrijft: het heeft geen zin om ECRIS te gebruiken voor
een doel waarvoor een andere lidstaat geen grondslag heeft. Dat is op
zich logisch. Alle lidstaten moeten dezelfde grondslag hebben; dat is
ter bescherming van ons allemaal. Maar dan ga ik er natuurlijk wel van
uit dat we allemaal diezelfde grondslagen hébben, anders heeft het geen
zin. Ten tweede ga ik er dan, in het verlengde van mijn eerste punt,
namens de VVD-fractie wel van uit dat die doelstelling van opsporing en
berechting van georganiseerde criminaliteit, op EU-niveau sowieso als
een paal boven water staat en dat er geen lidstaten zijn die daarin
verzaken. Dat lijkt me ook niet kunnen, aangezien EU-recht rechtstreekse
doorwerking heeft, maar voor de Handelingen vraag ik het toch
maar.
Voorzitter. Een vraag die mij al bezighoudt sinds een jaar of drie
geleden, toen we hier ook met elkaar over ECRIS debatteerden, is
natuurlijk in hoeverre je aan kunt op de juistheid van het systeem. De
wet regelt altijd een aantal zaken zoals doelbinding en grondslagen, en
geeft uiteindelijk de ruimte en de eventuele beperkingen aan, maar in de
realiteit van het leven moet je kijken hoe iets uiteindelijk tot
uitvoering komt. Als ik het me goed herinner, was het een paar jaar
geleden zo dat in ECRIS 8% onjuiste gegevens stonden. Dat is vrij fors
voor een strafregistratiesysteem. Ik ben benieuwd hoe het staat met de
inspanningen, die wel gepleegd moeten worden, om ervoor te zorgen dat
het systeem ook de juiste informatie bevat. Ik las daar in de
wetstoelichting vrij weinig over. Daarbij wil ik aanhaken bij de vraag
van, ik denk, collega Faber. We zijn natuurlijk recent wel opgeschrikt —
ik denk dat je dat rustig mag zeggen — door het geval van de Justitiële
Informatiedienst, waarbij er minimaal in een geval of 800 vonnissen op
de verkeerde naam stonden. Het ging daarbij om een aantal ernstige
delicten. Dat kan twee kanten op werken. De ene kant is dat je er
volstrekt niks mee te maken hebt, maar je wordt geconfronteerd met de
strafrechtpleging, met de uitvoering daarvan. De andere kant is er ook:
toedeledokie, ik kom er goed mee weg als ernstig delinquent. Dat baart
me zorgen, met name omdat een van de klokkenluiders recent zei dat het
ook weleens 50.000 fouten zouden kunnen zijn. Dat raakt natuurlijk wel
direct de wet die nu voorligt. Ik ben benieuwd of de staatssecretaris
daarop in kan gaan. Volgens mij lopen er aanvullende onderzoeken. Dat is
wel van fundamenteel belang, want als onze informatie niet op orde is,
dan is het niet gek dat andere lidstaten zeggen: ja, Nederland, je
levert foute informatie af. Erger nog is dat misdadigers dan de dans
ontspringen.
Voorzitter. Het moge duidelijk zijn dat de VVD-fractie dit wetsvoorstel
kan steunen. Het steekt goed in elkaar. Het is duidelijk omschreven. Wij
vinden dit ook van belang; vandaar ook mijn vragen over de
uitvoering.
Tot slot ben ik echt benieuwd naar de appreciatie van het amendement van
collega Faber. Die gaan we straks horen. We moeten namelijk niet doen
alsof het Verenigd Koninkrijk nu ver van ons is. Het is nog steeds een
superbelangrijke partner, ook als het gaat om georganiseerde
criminaliteit en om het tegengaan van grote migratiestromen. Ik begrijp
collega Faber wel in die zin dat ze zegt: laten we het gewoon alvast
regelen, ook al zijn de Britten er nog niet klaar voor. We horen straks
de appreciatie. Als je nu niet wettelijk de mogelijkheid creëert om ten
behoeve van het registratiesysteem met de Britten te kunnen samenwerken,
moet er dan later weer een nieuwe wet langs de Kamer? Dat zou ik niet zo
zinnig vinden, eerlijk gezegd. Ik ben dus benieuwd hoe de
staatssecretaris daarnaar kijkt.
Voorzitter, dan ben ik aan het einde van mijn bijdrage. Het is goed om
nu alvast even te zeggen dat ik me mogelijk voor de tweede termijn moet
verontschuldigen. Dat komt omdat een van de meest spraakmakende
rechtszaken in misschien wel de geschiedenis van de strafrechtspleging,
wat mij betreft, nu gaande is, namelijk de zaak tegen Inez Weski. Daar
wil ik graag even naartoe. Mogelijk ben ik er dus niet in de tweede
termijn. Ik verontschuldig me daarvoor, maar ik vertrouw dit toe aan mij
collega's. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Ellian. We gaan luisteren naar de heer Sneller voor
zijn bijdrage in eerste termijn. De heer Sneller spreekt namens D66.
De heer Sneller (D66):
Dank voor het teken van vertrouwen, collega Ellian.
Voorzitter. Ik twijfelde even over hoe ik zou beginnen. Ik wilde
beginnen met een compliment aan de schrijvers, de opstellers van de nota
naar aanleiding van het verslag. Pas bij het lezen van de nota naar
aanleiding van het verslag dacht ik te begrijpen wat nou eigenlijk
precies in dit wetsvoorstel wordt geregeld en ook waar de dilemma's
zitten. Enkele collega's hebben volgens mij al veel terechte vragen
gesteld, dus ik zal daar gedurende mijn betoog kortheidshalve af en toe
naar verwijzen.
Voorzitter. Het doel van dit wetsvoorstel is natuurlijk om Nederlanders
veilig en vrij te houden, dus om ervoor te zorgen dat wij onze levens
kunnen inrichten zoals we dat willen. Gelukkig doet Nederland dat niet
meer alleen. Nederland is onderdeel van de Europese Unie en dat heeft
ons veel gebracht: welvaart, veiligheid, vrede en ook een ruimte zonder
binnengrenzen, waarin we vrij kunnen reizen. Dan moeten we wel
samenwerken om ervoor te zorgen dat er geen misbruik wordt gemaakt van
de vrijheid. Om ons in Nederland veilig te houden, moeten we dus ook
Europees samenwerken. Het ECRIS zorgt ervoor dat de justitiële
autoriteiten van de lidstaten dat ook kunnen doen. Vervolgens moeten we
waarborgen dat dit kan bijdragen aan de veiligheid en dat het ook zorgt
voor de juiste doelbinding.
In dat opzicht voelde het gepast om vandaag ook een artikel aan te halen
van de Founding Fathers van de Verenigde Staten. Het komt uit 1788, maar
bevat wat mij betreft een tijdloze opdracht. Federalist Paper 51
beschrijft namelijk treffend de dubbele opgave van de democratische
rechtsstaat: de overheid in staat stellen om burgers te beschermen en
burgers tegelijkertijd beschermen tegen diezelfde overheid. Of in hun
woorden: "Als mensen engelen waren, zou geen regering nodig zijn. Als
engelen over mensen zouden regeren, zouden noch externe, noch interne
beperkingen op de overheid nodig zijn. Bij het vormgeven van een
regering die door mensen over mensen wordt uitgeoefend, ligt de grote
moeilijkheid hierin: men moet de overheid eerst in staat stellen om de
burgers te beschermen en haar vervolgens dwingen om zichzelf te
beheersen."
Ik dacht daarmee ook wat meer reliëf te geven aan een van die cruciale
waarborgen: de doelbinding. Dit is een wat beleidsmatige term die in
veel van dit soort debatten en wetsbehandelingen opduikt, maar eigenlijk
gewoon betekent dat persoonsgegevens alleen mogen worden gebruikt voor
het doel waarvoor ze zijn verzameld, en niet zomaar voor iets anders.
Daarom moeten we de bevoegdheden van de overheid en waar de grenzen
liggen, precies neerleggen in de wet, niet alleen nu maar ook eventueel
in de toekomst. Dat is geen technocratisch detail, maar een voorwaarde
voor vertrouwen in de overheid.
Net als voorgaande sprekers ben ik het ook eens met de doelstelling van
de wet, maar ik heb nog twee punten. Het eerste gaat over de
doelbinding. Ten tweede heb ik een aantal opmerkingen over de
uitvoerbaarheid. Ik zal niet alles herhalen, maar maak één opmerking
terzijde, omdat deze staatssecretaris ook gaat over wetgevingskwaliteit.
Het was weer een zoekplaatje in de memorie van toelichting. We krijgen
heel netjes het advies van de Autoriteit Persoonsgegevens meegestuurd
over de consultatieversie van de wet. Dan krijgen we het advies van de
Raad van State, ook heel netjes, maar dat gaat over de versie die op
basis van de consultatie naar de Raad van State is gegaan. De enige
versie die wij hier krijgen, is het voorstel van wet zoals het naar de
Tweede Kamer is gestuurd naar aanleiding van al die voorgaande adviezen.
Dus voor ons is het, om uit te kunnen pluizen of in het wetsvoorstel in
voldoende mate uitvoering is gegeven aan de aanbevelingen van
bijvoorbeeld de Autoriteit Persoonsgegevens, zeer nuttig om een soort
track-changesversie te hebben, waarin we ook kunnen zien hoe die
oorspronkelijk luidde en wat ermee gedaan is. Collega Michon-Derkzen,
die meeluistert, en ik hebben dit eerder ook gevraagd aan voorgangers
van deze staatssecretaris met wetgevingskwaliteit in hun portefeuille en
hebben ook gevraagd om dit door te geven aan de rest van de collega's in
het kabinet, want daar kunnen wij als medewetgever ons voordeel mee
doen.
Collega Mutluer haalde het belang van die doelbinding al even goed aan.
Ik wil specifiek het advies van de Raad van State aanstippen. Dat gaat
namelijk onder andere over gegevens als namen van de ouders,
identiteitsnummers van de veroordeelde, vingerafdrukken en een
gezichtsopname, en de vraag of die onder de uitwisseling kunnen vallen.
Daar wordt eigenlijk wat gemakkelijk over gezegd: wat je niet bijhoudt,
kan je ook niet delen, dus maakt u zich geen zorgen. Tegelijkertijd
erkent de regering in de reactie op de Raad van State dat het delen van
strafrechtelijke gegevens een significante inbreuk kan vormen op de
grondrechten.
Daarnaast staat dat het slechts in een besluit wordt geregeld op basis
van de Wjsg. Mijn vraag aan de staatssecretaris is: kan de wettelijke
basis die we hier vandaag bespreken een eventuele wijziging van dat
besluit dragen? Er wordt terecht veel gewag gemaakt van de
noodzakelijkheid, de proportionaliteit en de subsidiariteit, maar dat
geldt wel voor de huidige reikwijdte van gegevens zoals in het huidige
besluit vastligt. Maar een volgend kabinet kan zomaar besluiten om dat
besluit aan te passen, zonder dat de wetgever daar weer iets over te
zeggen heeft. Kan dit wetsvoorstel dat ook dragen, nog los van de
wenselijkheid ervan?
Voorzitter. Ten slotte drie opmerkingen over de uitvoerbaarheid en de
uitvoering. Ten eerste het punt dat collega's Faber en Ellian al hebben
genoemd ten aanzien van databases, namelijk garbage in, garbage out. Als
de invoer niet juist is, is het ook lastig om er goede gegevens uit te
halen, zowel voor de Nederlandse kant maar ook voor andere landen. De
percentages die collega Ellian noemde, zijn inderdaad relatief fors. Wat
wordt er parallel aan dit wetsvoorstel gedaan om dat op orde te
krijgen?
Dan de vraag van collega Straatman en de CDA-fractie in het verslag over
wat we eigenlijk kunnen uitwisselen; complimenten voor die vraag. Het is
een prachtig raamwerk. We hebben prachtige grondslagen in de wet.
Tegelijkertijd hebben 8 van de 27 landen een vog-achtige grondslag. Is
het dan de moeite waard, dacht ik toen ik het las. Dat dacht ik ook toen
ik de financiële paragraaf las. De kosten bedragen 1,5 miljoen voor een
paar uitwisselingen met een paar landen. Is dat nou de moeite waard? Dus
daar hoor ik graag meer over.
Met hoeveel landen verwacht men dat er kan worden uitgewisseld op basis
van die verschillende extra niet-strafrechtelijke doelen? Dan heb ik het
ook specifiek over de vog, omdat daar wat meer op wordt ingezoomd in de
impactanalyse/uitvoeringstoets. Daarin wordt namelijk gevraagd: waar is
die kostenraming op gebaseerd? Wij gaan ervan uit dat ECRIS voor alle
vog-aanvragen in combinatie met alle EU-nationaliteiten wordt bevraagd.
Dat gaat om ongeveer 38.000 extra bevragingen van ECRIS voor de vog. Dan
is het minder effectief. Als er acht landen zijn, verwacht ik dat dit
niet alle EU-nationaliteiten betreft, want er missen er nogal wat. Aan
de ene kant doet dat afbreuk aan de effectiviteit en dus de reikwijdte
van wat we hier vandaag bespreken. Aan de andere kant betekent dat ook
dat de kosten van 1,5 miljoen waarschijnlijk niet zo hoog zullen
uitvallen. Tegenwoordig draaien we elk dubbeltje om als het gaat om
amendementen die subsidietaakstellingen terugdraaien, dus ik hoor graag
hoe dat precies zit. In dit opzicht stel ik ook de vraag over de
wederkerigheid met andere landen, want ja, we moeten het dan inderdaad
allebei hebben.
Tot slot. We gaan hier een soort extra bevoegdheid creëren in het kader
van de Bibob. Er werd door collega Mutluer al verwezen naar de brief van
een aantal Brabantse burgemeesters. Daarom wil ik hier toch weer extra
aandacht voor vragen, ook op basis van de evaluatie van de Bibob, waar
we nog een kabinetsreactie op krijgen. We moeten ook extra aandacht
besteden aan de capaciteit en expertise bij het Landelijk Bureau Bibob,
waar de doorlooptijden oplopen, zodat het primaire systeem optimaal kan
blijven werken. Tegelijkertijd is het ook belangrijk om ervoor te zorgen
dat de gegevens waarop die analyse gebaseerd is zo volledig mogelijk
zijn. Daar kan dit wetsvoorstel goed bij helpen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank aan de heer Sneller; dat zeg ik ook als rapporteur
wetgevingskwaliteit. We gaan luisteren naar de bijdrage van mevrouw
Schilder. Zij spreekt namens de Groep Markuszower. Het woord is aan
u.
Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):
Voorzitter, dank u wel. Er is al veel gezegd, dus ik zal mijn verhaal
niet al te lang maken. ECRIS is het Europese systeem waarmee
strafrechtelijke veroordelingen tussen lidstaten worden gedeeld voor
bepaalde doeleinden. Dat is nuttige informatie, want mensen bewegen zich
vrij door Europa. Iedereen kan hier aankloppen voor werk, een vergunning
of een verblijfsstatus. Dan kun je als overheid niet volstaan met alleen
een blik op het Nederlandse strafblad. Je moet het hele plaatje zien en
op basis daarvan een beoordeling maken.
Mijn eerste vraag aan de staatssecretaris is dan ook: hoe betrouwbaar en
volledig is de informatie die we krijgen op dit moment? Is getest in
hoeveel procent van de gevallen lidstaten daadwerkelijk alles delen?
Weten we hoe hoog de foutmarge in de justitiële systemen op dit moment
is?
Met de wetswijziging die vandaag voorligt, wordt het gebruik van
ECRIS-gegevens verbreed bij vog-aanvragen, Bibob-toetsen, adoptie,
pleegouders en migratiestukken. Dit zijn logische toepassingen van het
systeem, maar hier wringt het gelijk ook. Nederland is namelijk volledig
afhankelijk van wat andere lidstaten aanleveren. Als de wetgeving in die
landen niet voorziet in gegevensverstrekking voor deze doelen, krijgen
we de informatie niet. Daarom mijn volgende vraag: hoe voorkomt de
staatssecretaris dat iemand bijvoorbeeld een vog krijgt, terwijl er in
een andere lidstaat een relevante veroordeling bestaat die wij niet
ontvangen omdat de wetgeving van dat land het delen van gegevens niet
toestaat?
Voorzitter. Dat leidt ook tot een ander punt. Van Nederlanders die in
Nederland wonen en hier strafbare feiten hebben gepleegd, is alles
bekend. Er is een volledig beeld. Daardoor kan een zorgvuldige en
volledige afweging worden gemaakt, en dat is goed. Voor burgers uit
andere lidstaten is het lastiger. Via ECRIS zijn we afhankelijk van wat
een lidstaat deelt. Voor derdelanders is het nog ingewikkelder: ten
eerste omdat feiten buiten Europa onbekend blijven, terwijl deze niet
minder ernstig zijn, en ten tweede omdat ECRIS-TCN niet operationeel is.
Ik vraag de staatssecretaris wat er op dit moment wordt gedaan om ervoor
te zorgen dat we ook goede afwegingen kunnen maken voor de groep
derdelanders. Hoe weten we wat zij hebben gedaan in landen buiten de EU?
En hoe volledig is het beeld van deze groep binnen de EU? Hoe worden die
gegevens nu gedeeld? Hoelang gaat het nog duren voordat ECRIS-TCN
operationeel is?
Doordat van Nederlanders alle informatie bekend is, maar van mensen uit
andere lidstaten en zeker van derdelanders een stuk minder, ontstaat het
risico dat Nederlanders zwaarder worden beoordeeld dan
niet-Nederlanders. Ik vraag de staatssecretaris hoe zij dit wil
voorkomen, want voor iedereen zouden toch dezelfde regels moeten
gelden?
Tot slot, voorzitter. Het verbreden van de gronden voor het gebruik van
ECRIS-informatie is op zich goed. Het maakt duidelijk in welke situatie
we buitenlandse strafgegevens kunnen opvragen. Maar ik vraag me af wat
hier het nut van is als het andere lidstaten vrij blijft staan geen
informatie te delen. Mijn vraag aan de staatssecretaris is dan ook:
hoeveel lidstaten zijn op korte termijn van plan om, net zoals wij, de
regels voor ECRIS-informatie te verbreden? Kunnen we de risico's
daardoor überhaupt goed inschatten?
Ik kijk uit naar de beantwoording. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dit leidt tot een vraag van de heer Sneller. Meneer Sneller,
aan u het woord.
De heer Sneller (D66):
Ik miste nog heel even de redenering achter de opmerking dat
"Nederlanders zwaarder worden gestraft door dit wetsvoorstel".
Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):
Dank u wel voor de vraag. Nou, niet "zwaarder gestraft". Het gaat mij er
voornamelijk om dat alles bekend is van Nederlanders die in Nederland
wonen en strafrechtelijke feiten hebben gepleegd. We kunnen dus een
goede afweging maken van hun strafblad voordat we bijvoorbeeld een vog
afgeven. Van mensen uit derde landen is niet alle informatie
beschikbaar. Ik zeg dat Nederlanders daardoor harder worden
aangepakt.
De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee komen we bij de laatste spreker in de eerste termijn
van de Kamer. Dat is de heer El Abassi. Hij spreekt namens DENK. Aan u
het woord.
De heer El Abassi (DENK):
Dank, voorzitter. Ik wil mijn bijdrage beginnen met een citaat van
Thorbecke: "Van een waggelend gebouw moet men de fundamenten herstellen,
niet hier en daar een enkele steen veranderen." In dat licht spreken wij
vandaag over een nieuw wetsvoorstel, de Wijziging van de Wet justitiële
en strafvorderlijke gegevens, waarin wordt vastgelegd voor welke
niet-strafrechtelijke doelen het Europese strafregistersysteem, kortweg
ECRIS, mag worden gebruikt.
Voorzitter. Op het eerste gezicht is het voorstel technisch en
juridisch, maar wie beter kijkt, ziet dat hier een fundamenteel
rechtsstatelijk vraagstuk voorligt. In de kern wordt dan ook een
fundamentele vraag geraakt: hoever mag de overheid gaan in het
verzamelen, uitwisselen en gebruiken van strafrechtelijke gegevens van
burgers binnen Europa? Waar met het voorstel de indruk wordt gewekt dat
er orde wordt gebracht in een bestaand systeem, gebeurt in werkelijkheid
het tegenovergestelde: het fundament wordt niet hersteld, maar de
reikwijdte van het systeem wordt verder uitgebreid, terwijl de
onderliggende waarborgen voor de bescherming van het privéleven van
mensen en hun persoonsgegevens worden aangetast.
Voorzitter. Voor mijn fractie staat het uitgangspunt voorop dat
gevoelige strafrechtelijke persoonsgegevens niet zomaar gedeeld en
beschikbaar gesteld mogen worden binnen een Europees systeem dat
toegankelijk is voor alle lidstaten. Hierbij is namelijk niet alleen
sprake van een instrument voor strafrechtelijke samenwerking binnen de
EU, maar ook van een systeem waarin gegevens zich gemakkelijk over
grenzen verplaatsen en daardoor door meerdere autoriteiten kunnen worden
geraadpleegd. De vraag is dan ook niet alleen of gegevens mogen worden
gedeeld, maar vooral ook welke gegevens, in welke omvang en met welk
doel.
Voorzitter. Het gaat hier niet zomaar om een paar technische
aanpassingen. Het gaat om doelen die verder gaan dan het strafrecht
alleen. We zien dat strafrechtelijke gegevens zullen worden gebruikt
voor andere besluiten, buiten de strafzaak om. Denk aan het beoordelen
van een verklaring omtrent het gedrag, aan adviezen in het kader van
Bureau Bibob, aan onderzoeken naar geschikte adoptie- en pleegouders en
aan beslissingen binnen het migratie- en nationaliteitsrecht.
Voorzitter. Dat baart mij zorgen. De staatssecretaris wekt namelijk de
indruk dat ECRIS slechts ziet op beperkte identificatiegegevens en
informatie over veroordelingen, zoals naam, geboortedatum,
geboorteplaats en het strafbare feit. Maar dat beeld is niet compleet:
de staatssecretaris laat belangrijke informatie weg. In werkelijkheid
kunnen ook veel verdergaande gegevens van mensen worden gedeeld, zoals
aanvullende persoonsgegevens die beschikbaar zijn in strafregisters in
andere lidstaten. Denk aan identiteitsnummers, familiegegevens en zelfs
biometrische gegevens zoals vingerafdrukken en gezichtsopnamen.
Voorzitter. Daarbij is de Raad van State helder in zijn advies. De raad
zegt heel duidelijk: het is niet inzichtelijk welke concrete gegevens
precies worden gedeeld via dit systeem. Dat is een zeer essentieel
detail, want het delen van strafrechtelijke gegevens raakt direct aan
het recht op privacy. Het gaat om informatie die diep ingrijpt in
iemands leven, over veroordeling, over strafbaar gedrag en over
situaties die mensen hun hele leven kunnen achtervolgen. Daarom dient
heel precies duidelijk te zijn wat er wordt gedeeld, met wie, waarom en
wat de omvang is. De staatssecretaris noemt de inbreuk op de privacy
"gering", maar de Raad van State corrigeert dat beeld nadrukkelijk. Is
de staatssecretaris het met mij eens dat het structureel delen van
strafrechtelijke persoonsgegevens binnen een Europees systeem als ECRIS
een zeer zware inbreuk vormt op het recht op privacy?
Voorzitter. De Raad van State zegt dit niet zomaar. Die verzint dit
natuurlijk niet. De raad sluit zich aan bij een duidelijke lijn van het
Europese Hof van Justitie. Het Hof heeft herhaaldelijk gezegd dat het
verwerken van strafrechtelijke gegevens een zeer, zeer zware inbreuk
maakt op het privéleven en op de bescherming van persoonsgegevens. Dat
is ook logisch, omdat strafrechtelijke gegevens stigmatiserend werken.
Nogmaals, het gaat om informatie over iemands strafrechtelijk verleden,
die iemand kan blijven achtervolgen bij het vinden van werk, bij contact
met de overheid of bij belangrijke beslissingen over iemands toekomst.
Een van de meest zorgwekkende punten is niet alleen de omvang van de
gegevensuitwisseling, maar ook de manier waarop deze wet wordt
toegelicht.
De Raad van State zegt: de toelichting geeft geen volledig beeld van de
gegevens die worden gedeeld. Dat is problematisch, omdat er in een
rechtsstaat een eenvoudig uitgangspunt geldt: geen macht zonder
transparantie en geen gegevensverwerking zonder duidelijke
verantwoording. Wanneer de overheid stelt dat het wel meevalt, terwijl
uit Europese regelgeving blijkt dat de gegevensuitwisseling aanzienlijk
breder kan zijn, ontstaat er een informatiekloof tussen wat de overheid
zegt en wat er daadwerkelijk mogelijk is. Die kloof ondermijnt
vertrouwen en rechtszekerheid. Kan de staatssecretaris toelichten hoe
het ontbreken van een helder overzicht van de gedeelde gegevens zich
verhoudt tot het vereiste van voorzienbaarheid en duidelijkheid, zoals
dat volgt uit de grondbeginselen van onze rechtsstaat?
Voorzitter. De genoemde zorg staat immers niet op zichzelf. Ook de
Autoriteit Persoonsgegevens is hierover glashelder: deze gegevensdeling
is niet noodzakelijk en zelfs onwenselijk. Het gebruik van dit Europese
systeem voor deze doeleinden betekent een diepe inbreuk op de
grondrechten van mensen en is volgens de autoriteit niet goed te
rechtvaardigen. Juist de gezamenlijke signalen van zowel de Raad van
State als de toezichthouder op onze privacy, maken dat wij niet kunnen
volstaan met een beperkte of optimistische lezing van dit voorstel. Kan
de staatssecretaris daarom concreet onderbouwen waarom deze
gegevensdeling noodzakelijk is voor niet-strafrechtelijke doelen en
waarom minder ingrijpende alternatieven niet volstaan? Waarom kiest de
staatssecretaris ervoor het zwaarwegende advies van zowel de Raad van
State als de AP niet te volgen?
DENK maakt zich daarnaast ook zorgen over iets wat vaak niet expliciet
in wetten staat, maar in de praktijk wel zichtbaar wordt: function
creep. Dat betekent dat systemen die worden ingevoerd voor één specifiek
doel, gaandeweg worden uitgebreid en steeds vaker voor andere doeleinden
worden gebruikt. Vandaag gaat het om de vog, Bibob-adviezen en
migratiebeslissingen, maar morgen kan dat veel breder worden. Dat kan
niet alleen breder worden, maar kan ook verschuiven van karakter.
Je ziet dat strafrechtelijke gegevens en conclusies steeds vaker worden
gebruikt in andere rechtsdomeinen, met ingrijpende gevolgen, die verder
reiken dan het strafrecht alleen. Wie goed kijkt naar deze ontwikkeling,
ziet een geleidelijke verschuiving van het strafrechtelijke domein naar
het bestuursrechtelijke domein. Wij zien niet alleen een uitbreiding van
gebruiksdoelen, maar ook een structurele beweging waarbij
strafrechtelijke gegevens stap voor stap hun context verliezen. Gegevens
die ooit zijn verzameld binnen het strafrecht, met de daarbij horende
zware waarborgen en rechtsbescherming, worden vervolgens ingezet in
bestuursrechtelijke procedures, waarbij die bescherming aanzienlijk
beperkter is. Dat is een ontwikkeling die we in de praktijk steeds vaker
zien gebeuren. Daarom gaat DENK nog een stap verder in de beoordeling
van dit voorstel. De kernvraag is niet alleen of dit juridisch mogelijk
is, maar ook of het wenselijk is binnen een rechtsstaat die burgers
tegenover overmatige staatsmacht zou moeten beschermen. Mijn laatste
vraag is dan ook of de staatssecretaris het met mij eens is dat de
kernvraag niet alleen is wat juridisch mogelijk is, maar ook wat
rechtsstatelijk wenselijk is.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dat leidt tot een vraag van de heer Sneller.
De heer Sneller (D66):
Ik denk dat het goed is dat we heel strikt zijn in de beoordeling van
wetsvoorstellen, maar de heer El Abassi maakt er voor mijn gevoel wel
een beetje een karikatuur van. Hij stelt bijvoorbeeld dat de Raad van
State wordt genegeerd. Over de ernstige mate van inbreuk op grondrechten
die kan worden gemaakt door het delen van strafrechtelijke gegevens
schreef staatssecretaris Struycken gewoon: "Dit wordt door de regering
erkend en is waar nodig verduidelijkt in de memorie van toelichting." De
heer El Abassi zegt: de Autoriteit Persoonsgegevens wordt genegeerd. In
de memorie van toelichting staat: "Ten slotte is de toelichting op
advies van de Autoriteit Persoonsgegevens aangevuld met een onderbouwing
van de noodzakelijkheid per doel." Hij zegt: de Autoriteit
Persoonsgegevens zegt dat het niet wenselijk is. We hebben best wel veel
adviezen van de Autoriteit Persoonsgegevens gelezen. Die kunnen
inderdaad flink uithalen, maar dit is er niet zo eentje. Ik zoek dus een
beetje naar wat de heer El Abassi vindt van de manier waarop met al die
adviezen is omgegaan, want daar moeten we inderdaad streng op zijn.
De heer El Abassi (DENK):
Volgens mij is de Raad van State heel helder. Ik heb het hier voor me.
Het is voor hen niet duidelijk welke gegevens er precies gedeeld worden.
Het is voor hen niet duidelijk waarom er zo'n grote inbreuk gemaakt moet
worden. Het is voor hen niet duidelijk wat de noodzaak en de
proportionaliteit zijn. Ik heb geen antwoorden gehoord van de
staatssecretaris hierop. Wat betreft antwoord geven in de memorie van
toelichting: we weten allemaal dat we dit gewoon moeten verwerken in de
wet. Daarnaast is het ook niet voldoende uitgewerkt in de memorie van
toelichting. Ik zou zeggen: het moet terug naar de Raad van State; laat
de Raad van State daar wat van vinden. Ik vind het antwoord van de
staatssecretaris summier. Ik hoor straks graag in haar beantwoording wat
ze daar zelf van vindt.
De voorzitter:
Dat leidt niet tot een vervolgvraag. Daarmee zijn we aan het einde
gekomen van het betoog van de heer El Abassi. Ik kijk hem even aan. Is
dat het geval?
De heer El Abassi (DENK):
Ja, ik ben klaar. Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn aan de zijde
van de Kamer. Ik wil voorstellen om te schorsen voor de lunch en om de
staatsecretaris de beantwoording in haar eerste termijn voor te laten
bereiden.
De algemene beraadslaging wordt geschorst.
De voorzitter:
We schorsen tot 12.45 uur. Een belangrijke mededeling daarbij is dat we
bij de aanvang van de middagvergadering zullen stemmen over de
Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026. We
schorsen dus tot 12.45 uur en dan stemmen we over de Uitvoerings- en
implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026. Het debat is
geschorst.
De vergadering wordt van 12.08 uur tot 12.45 uur geschorst.
Mededelingen
Voorzitter: Michon-Derkzen
Vastlegging van de doelen van het gebruik van het Europees strafregisterinformatiesysteem
Vastlegging van de doelen van het gebruik van het Europees
strafregisterinformatiesysteem
Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:
het wetsvoorstel Wijziging van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens ter vastlegging van de doelen van het gebruik van het Europees strafregisterinformatiesysteem (36657).
De voorzitter:
Dan gaan we luisteren naar de beantwoording van de zijde van het
kabinet. We bespreken de Wijziging van de Wet justitiële en
strafvorderlijke gegevens ter vastlegging van de doelen van het gebruik
van het Europees Strafregister Informatiesysteem. We hebben in de
ochtend de eerste termijn van de Kamer gehad.
De algemene beraadslaging wordt hervat.
De voorzitter:
Ik geef graag het woord aan de staatssecretaris voor haar
beantwoording.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Hartelijk dank, voorzitter. Hartelijk dank ook dat ik hier vandaag mag
staan, voor het eerst in de plenaire zaal. Het is meteen een heel mooi
onderwerp, waar de verschillende inleidingen van de Kamerleden ook wel
een reden tot overdenking gaven. Zo ging het over Thorbecke en de
Founding Fathers. Dat is eigenlijk precies wat we vandaag met elkaar
wegen. Het is heel belangrijk dat we daar een serieus debat met elkaar
over kunnen voeren.
Vandaag behandelt de Kamer het wetsvoorstel over de vastlegging van een
aantal doelen voor het gebruik van het Europees Strafregister
Informatiesysteem, ECRIS. Het gaat om de volgende doelen, die vanochtend
ook al meermaals voorbij zijn gekomen: het onderzoek in het kader van de
verklaring omtrent gedrag, de vog, het advies van het bureau bevordering
integriteitsbeoordeling door het openbaar bestuur, de Bibob, het
geschiktheidsonderzoek naar personen die adoptiefouder of pleegouder
willen worden en de beoordeling van de gevolgen voor de openbare orde en
nationale veiligheid in het vreemdelingenrecht en de Rijkswet op het
Nederlanderschap.
Ik wil graag vooropstellen dat de doelen waarvoor dit wetsvoorstel het
gebruik van ECRIS vastlegt al sinds jaar en dag zijn vastgelegd in onze
eigen Nederlandse wetgeving voor de raadpleging van de Nederlandse
justitiële documentatie. Het zijn dus geen nieuwe doelen, maar wat wel
nieuw is voor deze doelen, is dat ECRIS ervoor gebruikt kan worden. Het
gaat hierbij om het gebruik van ECRIS voor de doelen die niet verplicht
zijn volgens het EU-recht. Welke doelen zijn dan wél verplicht volgens
het EU-recht? Dat zijn de strafrechtpleging, het veiligheidsonderzoek
voor het werken met kinderen, het verzoek van betrokkenen om een
uittreksel van een strafblad en het verlenen van vergunningen voor het
gebruikmaken van stoffen waarmee explosieven kunnen worden gemaakt. De
nationale wetgever heeft de ruimte om aan het gebruik van het Europese
strafrechtinformatiesysteem voor niet-strafrechtelijke doelen zelf
invulling te geven. Het wetsvoorstel wijzigt hiertoe de Wet justitiële
en strafvorderlijke gegevens. Daar hebben we het vandaag over. Daarnaast
regelt het wetsvoorstel dat voor dezelfde doelen informatie over
veroordelingen wordt uitgewisseld tussen het Verenigd Koninkrijk en
Nederland. Om dit te regelen wijzigt dit wetsvoorstel de Uitvoeringswet
Handels- en Samenwerkingsovereenkomst EU - VK Justitie en Veiligheid. Ik
kom daar graag straks in de beantwoording uitgebreider op terug.
Ik ga graag over tot die beantwoording en heb daar vijf blokjes voor
ingericht, waarbij het eerste blok gaat over de doelen voor het gebruik
van ECRIS. De tweede beantwoordingsmix gaat over migratiebeleid en de
samenwerking met het VK. Dan hebben we nog de vragen die gesteld zijn
over de waarborgen van het hogere recht, de adviezen van de Raad van
State en de AP en als laatste diverse belangrijke andere onderwerpen die
voorbij zijn gekomen.
Ik begin heel graag met de doelen. De heren Sneller en Ellian van D66 en
de VVD hebben gevraagd hoe het in andere landen zit met de grondslagen
voor de gegevensuitwisseling van niet-strafrechtelijke doelen. Zij zijn
benieuwd of de andere EU-lidstaten onderling hiervoor informatie kunnen
uitwisselen en of bij hen dus nationale grondslagen bestaan. Voor de
niet-strafrechtelijke doeleinden vindt reeds informatie-uitwisseling
plaats. Indien er sprake is van die informatie-uitwisseling kan ervan
uit worden gegaan dat de betrokken lidstaten dit in hun nationale
wetgeving hebben verankerd. Het is inderdaad wel de verantwoordelijkheid
van die lidstaten zelf om een verzoek om informatie te toetsen aan hun
eigen wetgeving en daarvoor dus die wettelijke grondslag ook
daadwerkelijk te hebben.
Mevrouw Faber vroeg in hoeverre de lidstaten de doelen willen omarmen.
Op basis van de verzoeken van andere lidstaten die de Justitiële
Informatiedienst via ECRIS ontvangt, is er het beeld dat de andere
lidstaten ECRIS inderdaad voor doelen gebruiken die vergelijkbaar zijn
met de doelen van Nederland.
De voorzitter:
Dit leidt tot een vraag van mevrouw Faber. Mevrouw Faber.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik heb even een vraag ter verduidelijking. Dat zijn waarschijnlijk de
doelen die zijn vastgelegd door de Europese Unie. Of zijn dat de extra
doelen die de staatssecretaris wil toevoegen?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Het zijn de vastgelegde doelen. Wat betreft die extra doelen moet je
natuurlijk onderling ook het vertrouwen hebben dat dat daadwerkelijk ook
geregeld is. Ik kom daar later in de beantwoording iets uitgebreider op
terug.
De voorzitter:
Ja. Vervolgt u uw betoog.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Dan een vraag van mevrouw Straatman van het CDA. Zij vroeg hoe wordt
beoordeeld of er sprake is van eenzelfde soort doel in de wetgeving van
verschillende lidstaten en of met afzonderlijke lidstaten ook afspraken
moeten worden gemaakt. Het is de verantwoordelijkheid — ik val misschien
ook wel in herhaling in de verschillende beantwoordingen — van de
lidstaten zelf om een verzoek om informatie te toetsen aan hun eigen
wetgeving. Indien er sprake is van informatie-uitwisseling moet ervan
uit worden gegaan dat de betrokken lidstaten dit in hun nationale
wetgeving hebben verankerd. Met andere woorden, daar ligt geen
verantwoordelijkheid voor de uitvragende lidstaat, zoals Nederland. Wij
gaan daar dus onderling van uit.
Mevrouw Straatman had ook een vraag over de nota naar aanleiding van het
verslag. Zij benoemt dat ik daarin aangeef dat ECRIS reeds volledig
wordt gebruikt door de Raad voor de Kinderbescherming in het kader van
geschiktheidsonderzoeken, door de IND in het kader van de beoordeling
van de openbare orde en door Bureau Bibob in het kader van hun
beoordeling. Zij vroeg of met deze opmerking aangenomen mag worden dat
voor deze drie niet-strafrechtelijke doelen praktisch alle andere
EU-lidstaten onderling al informatie uitwisselen en nationale
grondslagen dus ook al bestaan. Het is de verantwoordelijkheid van de
lidstaten zelf om een verzoek om informatie te toetsen aan hun eigen
wetgeving. Indien er sprake is van informatie-uitwisseling moeten we
daarvan uitgaan. Dit is, zoals ik net ook al zei, een
verantwoordelijkheid die bij de lidstaat zelf ligt. Dit geldt dus ook
als het gaat over die geschiktheidsonderzoeken, de beoordeling van de
Bibob en de beoordeling van de IND.
Dan de vraag van mevrouw Mutluer over de gemeenten die al toegang hebben
tot de Bibob. Zij vroeg of deze toegang beschikbaar blijft en waarom de
toegang tot ECRIS niet wordt verruimd. Bestuursorganen, waaronder de
gemeenten, hebben geen toegang tot ECRIS in het kader van de toepassing
van de Wet Bibob. Bestuursorganen kunnen wel een Bibob-adviesaanvraag
indienen bij het Landelijk Bureau Bibob. Het wetsvoorstel geeft het
Landelijk Bureau Bibob dan een grondslag om ECRIS te gebruiken voor zijn
adviezen. Indien in het kader van de Wet Bibob onderzoek nodig is naar
een burger van een andere lidstaat of een burger van een derde land,
biedt het advies van het Bureau Bibob dus een uitkomst. De bevoegdheid
voor het gebruik van ECRIS is enkel toebedeeld aan het Landelijk Bureau
Bibob, omdat dat meer dan de andere bestuursorganen waar u op doelt, dus
onder andere de gemeenten, geëquipeerd is om complexe en
privacygevoelige Bibob-informatie te verwerken.
Dan de vraag van mevrouw Straatman. In een eerdere schriftelijke ronde
is de vraag gesteld of ECRIS ook nuttig kan zijn voor de afgifte van een
vergunning op basis van de Wet wapens en munitie of op basis van de Wet
particuliere beveiligingsorganisaties. Daarop kwam volgens haar geen
duidelijk antwoord. Worden deze vergunningaanvragen voldoende gedekt
door de Wet Bibob of zie ik nog ruimte voor nut en noodzaak om ECRIS
buiten het Bibob-traject beschikbaar te stellen voor deze
vergunningaanvragen? Het antwoord is dat de Wet wapens en munitie en de
Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus momenteel
worden herzien. In het kader van deze herziening wordt ook gekeken of
het wenselijk is om expliciet wettelijk te regelen dat ECRIS bevraagd
mag worden voor het proces van de vergunningverlening en voor de
controle en het toezicht op vergunninghouders met een niet-Nederlandse
nationaliteit. Mogelijk kan bij die vergunningaanvraag van
niet-ingezetenen het overleggen van een vog verplicht worden gesteld,
waardoor gebruik wordt gemaakt van de nieuwe mogelijkheid van het
voorliggende wetsvoorstel om bij een vog standaard ECRIS te bevragen.
Via bilaterale contacten wordt reeds navraag gedaan in het betreffende
land van herkomst van de aanvrager.
Dan een vraag van de heer Ellian. Klopt het dat de opsporing van
georganiseerde criminaliteit ook een doel is in andere lidstaten? Op
grond van de EU-regelingen is het gebruik van ECRIS voor een viertal
doelen al verplicht. Ik heb die ook opgenoemd in de inleiding. De doelen
strekken, in lijn met het doel waarvoor ECRIS is opgericht, tot het
voorkomen en bestrijden van criminaliteit. Met andere woorden, de al
bestaande doelen van ECRIS waarvoor het gebruik van ECRIS tussen
lidstaten op basis van EU-regelgeving al verplicht is, zijn er onder
andere ten behoeve van de strafrechtpleging. De strafrechtpleging omvat
juist de opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten, en
daarnaast de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen.
Mevrouw Schilder vroeg hoeveel lidstaten op korte termijn van plan zijn
om de regels omtrent ECRIS-informatie te verbreden. Ik heb geen
informatie over de stand van zaken bij aanpassing van wetgeving in
andere lidstaten. De Europese Commissie houdt dit bij. Ik zou zeggen dat
dit ook voor mijzelf een reminder is om actief na te gaan hoe de
Europese Commissie dat precies bijhoudt.
Dan kom ik bij de vraag van mevrouw Mutluer van GroenLinks-Partij van de
Arbeid en van mevrouw Faber van de PVV of er bij de regering of bij
andere lidstaten behoefte is om ook strafbeschikkingen via ECRIS te
laten uitwisselen. De Nederlandse OM-strafbeschikking is nog altijd,
zoals u beiden aangaf, bijzonder in Europa. Andere EU-lidstaten kennen
wel vormen van buitengerechtelijke of vereenvoudigde afdoening, maar die
zijn minder goed vergelijkbaar met de Nederlandse strafbeschikking. Het
ECRIS-kaderbesluit voorziet alleen in de uitwisseling van gegevens over
door de rechter uitgesproken veroordelingen. Zoals bekend heeft
Nederland in het verleden wel gegevens over strafbeschikkingen via ECRIS
aan andere EU-lidstaten toegezonden, maar Nederland is daarmee gestopt
toen bleek dat daar geen grondslag voor was in het ECRIS-kaderbesluit.
Ook voor andere vormen van buitengerechtelijke afdoening was er geen
grondslag in het ECRIS-kaderbesluit. Mij is geen behoefte bekend om
buitengerechtelijke afdoeningen te delen via ECRIS. Daarvoor zijn er
noch uit de Nederlandse uitvoeringspraktijk noch uit andere landen
signalen. Ook voor geseponeerde zaken geldt dat deze niet via ECRIS
worden gedeeld.
De voorzitter:
Dat leidt tot een vraag van mevrouw Faber.
Mevrouw Faber (PVV):
Ja, een korte vraag, voorzitter. Worden de geseponeerde zaken en de
beschikkingen nog wel door Nederland zelf in het systeem geregistreerd,
maar niet meer gedeeld? Is dat de status?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ik wil graag in de tweede termijn op deze vraag terugkomen, voordat ik
te snel bevestigend antwoord. Mijn beeld daarbij is nu dat dat inderdaad
klopt. Ik zal deze vraag in de tweede termijn beantwoorden.
De voorzitter:
Nog een verduidelijking, mevrouw Faber?
Mevrouw Faber (PVV):
Ja, ik heb nog een andere vraag over het vorige onderwerp. Het ging
allemaal heel snel. Dat is op zich goed, dus daar ben ik niet op tegen.
De staatssecretaris gaf ook aan dat de vraag vanuit de Kamer hoe andere
landen erin zitten en wat zij wettelijk gaan regelen, voor haar wel een
reminder was om bij de Europese Commissie te vragen naar het hoe of wat.
Wil de staatssecretaris de Kamer daarvan op de hoogte houden?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Daar wil ik de Kamer graag over informeren, omdat het belangrijk is dat
we onderling weten wat de Europese Commissie bijhoudt. Het kan heel
helpend zijn bij de omgang met dit soort wetsvoorstellen, als we zien
dat dit in andere landen op deze manier ook heel serieus wordt genomen
en dat het een belangrijke bron is voor het uitwisselen van
informatie.
De voorzitter:
Ja, u vervolgt uw betoog.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Dan had mevrouw Straatman een vraag over het ECRIS-besluit. Dat kent
drie typen gegevens. Dat zijn de verplichte gegevens, de facultatieve
gegevens en de aanvullende gegevens. Mevrouw Straatman vroeg welke
informatie nou precies valt onder de typen twee en drie. Onder de
facultatieve gegevens vallen de namen van de ouders van de
veroordeelden, het referentienummer van de veroordeling, de plaats waar
het strafbaar feit is gepleegd en de ontzettingen als gevolg van de
veroordeling. Als deze gegevens zijn opgenomen in het Nederlandse
justitiële informatiesysteem Justid, dan kunnen ze worden doorgegeven
via ECRIS. Dat geldt bijvoorbeeld niet voor de namen van ouders, want
die worden niet in de Nederlandse justitiële documentatie geregistreerd.
Onder de aanvullende gegevens vallen het identiteitsnummer van de
veroordeelde, het soort identiteitsdocument, het nummer van het
identiteitsdocument, de vingerafdrukken van de betrokkene en voor zover
van toepassing pseudoniemen of bijnamen, en daarnaast ook
gezichtsopnamen. Voor deze gegevens geldt dat ze niet zijn opgenomen in
de justitiële documentatie en daarom ook niet via ECRIS worden gedeeld.
Justid is de centrale autoriteit in Nederland en die beoordeelt welke
gegevens er precies worden gedeeld, onder andere als het gaat over deze
drie definities.
Dan kom ik op de vraag van mevrouw Schilder en de heer Sneller: hoe
betrouwbaar en volledig is de informatie die we op dit moment krijgen?
Iedere EU-lidstaat is gebonden aan het Europese niveau van vastgelegde
vereisten van gegevensbescherming. Die moeten borgen dat er slechts
juiste, nauwkeurige en volledige informatie over strafrechtelijke
veroordelingen wordt verwerkt. Ik heb geen aanleiding om te
veronderstellen dat de ontvangen informatie niet of minder betrouwbaar
is of onvolledig is. Dat is natuurlijk ook wel het uitgangspunt. Als je
informatie met elkaar deelt, mag je ervan uitgaan dat de andere landen
er zo zorgvuldig als zij kunnen en zo zorgvuldig mogelijk mee
omgaan.
De voorzitter:
Mevrouw Mutluer met een interruptie op dit punt.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ik snap dat de staatssecretaris aangeeft dat zij daar geen aanleiding
toe ziet, maar het kan wel gebeuren. Dan heb ik de volgende heel
concrete vraag. Iemand wiens gegevens verkeerd in de systemen staat, zal
de behoefte hebben om dat ergens te melden. Dat moet wel helder zijn in
mijn beleving. Voorzitter, met uw permissie: wij hebben deze discussie
eerder gevoerd ten aanzien van zwarte lijsten van mensen die in het
buitenland als crimineel worden gekwalificeerd en dan dat land niet
binnen kunnen komen. Eerder hebben wij gezegd: moeten er dan geen witte
lijsten komen? Dus ik vraag de staatssecretaris wat mensen moeten doen
als hun gegevens verkeerd zijn opgeslagen. Wellicht komt zij daar in
tweede termijn op terug.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ik kom daar graag in de tweede termijn op terug. Het gesprek over zwarte
en witte lijsten is mij natuurlijk bekend. Ik kom graag in tweede
termijn iets uitgebreider terug op de vraag of je ervan kunt uitgaan dat
de lidstaten gebonden zijn aan een Europees niveau, waardoor de
rechtsbescherming geregeld zou moeten zijn of in ieder geval afdoende
zou moeten zijn.
De voorzitter:
Een vervolgvraag.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Dat lijkt me verstandig. De kans is misschien klein, maar nogmaals, een
fout is zo gemaakt. Wat gebeurt er dan? Ik vind echt dat daar wel goed
over moet worden nagedacht, ten aanzien van mensen die ten onrechte
ergens van worden beschuldigd.
De voorzitter:
De minister komt daar in tweede termijn op terug.
Staatssecretaris Van Bruggen:
In de tweede termijn, zeker. Dan heb ik een vraag van mevrouw Schilder.
Hoe voorkom ik dat iemand een vog krijgt terwijl er in een andere
lidstaat een relevante veroordeling ligt, en de wetgeving in die
lidstaat het delen juist niet toestaat? Wanneer na twintig werkdagen
geen reactie is ontvangen, gaat Justis over tot een inhoudelijke
beoordeling van de vog-aanvraag op grond van de eventueel aanwezige
justitiële gegevens in de Nederlandse justitiële documentatie. Indien er
geen antecedenten bekend zijn, geeft Justis de vog af. Als de praktijk
uitwijst dat niet alle landen reageren op informatieverzoeken, zal
alsnog worden ingezet op het maken van bilaterale afspraken, zoals met
enkele landen al is gedaan. Ik kom zo dadelijk nog terug op een
belangrijk aspect van die bilaterale afspraken, in relatie tot het
VK.
Dan de vraag, ook van mevrouw Schilder, of getest is in hoeveel procent
van de gevallen lidstaten alles delen. Iedere EU-lidstaat heeft een
eigen strafregister waarin de onherroepelijke veroordelingen zijn
opgenomen die in voorkomend geval aan de EU-lidstaat van de
nationaliteit van de veroordeelde burger moeten worden verstuurd. De
inhoud van het strafregister en de veroordelingen die daarin
geregistreerd worden, kunnen dus per EU-lidstaat verschillen. Om die
reden is het niet goed mogelijk om te testen in hoeveel procent van de
gevallen lidstaten alles delen.
Dan de vraag van mevrouw Faber over de foute tenaamstelling bij Justid.
Anderen hebben daar ook opmerkingen over gemaakt. Dat komt er ook nog
achteraan. Ik begin met de vraag van mevrouw Faber of er zaken te kwader
trouw zijn gewijzigd en of de staatssecretaris de boel op orde gaat
brengen bij Justid. Ik begin met het tweede. Ik breng graag overal waar
ik kom de boel op orde, zeker als er op onderdelen vraagtekens zijn
gerezen, zoals in dit geval bij de tenaamstellingen in vonnissen. Dat is
absoluut een dossier dat bovenaan mijn lijst staat. Hier staat ook een
commissiedebat over gepland op 18 juni. Dat is het commissiedebat over
de strafrechtketen. Daarin kom ik inhoudelijk terug op het grote
programma dat bij JenV is gestart en dat gaat over dit onderwerp. Ik heb
nu geen aanleiding om te denken dat er te kwader trouw door Justid is
gehandeld.
Dan de vraag van de heer Ellian: hoe betrouwbaar en volledig is de
informatie die we op dit moment krijgen, en hoe staat het met de
inspanningen die gepleegd moeten worden om ervoor te zorgen dat het
systeem de juiste informatie bevat? Daarbij werd ook gedoeld op de
problematiek van de tenaamstellingen. Ik heb dat net aan mevrouw Faber
toegelicht. In de voortgangsrapportage is daar enige informatie over
gegeven, maar het belangrijkste is dat we 18 juni het debat over de
strafrechtketen hebben met elkaar. Daarin komen we ook verder te spreken
over het onderzoek dat daar nu naar loopt en over wat voor conclusies en
aanbevelingen we daaruit moeten meenemen.
De voorzitter:
De heer Sneller heeft een vraag op dit punt.
De heer Sneller (D66):
De heer Ellian noemde in zijn bijdrage dat 7% tot 8% van de gegevens uit
ECRIS niet zou kloppen. Dat betreft niet alleen de Nederlandse input,
maar juist ook de informatie waar mevrouw Mutluer naar vraagt. Als de
staatssecretaris nu een stap terug doet, wat zouden we dan moeten doen,
ook richting andere landen, om dat percentage verder naar beneden te
krijgen?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Dat is absoluut een goede vraag. Ik heb geprobeerd mijn vinger achter
die 8% te krijgen, om te zien of het gaat om de informatie die via ECRIS
door de verschillende landen wordt gedeeld, of om het percentage
onjuiste informatie dat nu in Justid is opgeslagen. Daar wil ik in de
tweede termijn iets specifieker op terugkomen. Juist in de bilaterale
gesprekken gaat het ook over hoe we ervoor zorgen dat de informatie op
orde is, dat we dezelfde definities hanteren, en hoe we informatie
betrouwbaar met elkaar blijven delen. We zetten als Nederland nu een
hele nette en formele stap. Ik wil dat heel graag verder brengen in
gesprek met de partners in Europa.
Ik ben aan het einde van dit blokje gekomen.
De voorzitter:
Mevrouw Faber heeft nog een vraag voor u.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik heb nog even een verhelderende vraag. Het rapport van de Rekenkamer
stelt dat die naamfouten in Justid staan. Ik begreep — misschien heb ik
het verkeerd begrepen — dat de staatssecretaris vroeg of het nu verkeerd
staat in Justid of in ECRIS.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ja, dat ging over die 7% tot 8%. Excuus, waar doelt u op?
Mevrouw Faber (PVV):
Dat het in Justid staat.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Dat is precies de vraag waar ik in de tweede termijn graag expliciet op
terug wil komen. We gaan het debat over Justid natuurlijk nog voeren.
Over de informatie die via ECRIS wordt uitgewisseld — volgens mij had de
heer Ellian het daarover — moeten we met de partners in Europa praten.
Hebben we het over hetzelfde systeem met dezelfde
informatie-uitwisseling? Wat is jullie kwaliteitsniveau van de
informatie-uitwisseling? Dat wil ik natuurlijk terug laten komen in die
gesprekken.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik begreep dat het ook om vonnissen in Nederland ging. Ik had de
aanvullende vraag gesteld hoe er bijvoorbeeld met naamsveranderingen
wordt omgegaan. Als iemand zijn naam laat veranderen en er nog een oude
veroordeling staat geregistreerd, dan loopt dat mank. Hoe wordt daarmee
omgegaan in de praktijk? Wordt daarop gecontroleerd voordat een naam
wordt veranderd? Hoe gaat dat? Wordt er een extra koppeling gelegd?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Dit is precies waar het grote onderzoek over gaat: Hoe zorgen we ervoor
dat er een handelingskader is voor de medewerkers die ergens op stuiten?
Waar zijn ze in het verleden op gestuit en waar kunnen ze in de toekomst
op stuiten? Krijgen ze voldoende kader mee om te weten hoe ze moeten
handelen? Graag ga ik daar verder over in gesprek in het
commissiedebat.
De voorzitter:
Daarmee zijn we aangekomen bij het kopje migratie, begrijp ik.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ja, het migratiebeleid en de samenwerking met het VK. Daar zijn best een
heel aantal vragen over gesteld.
Ik begin bij de vragen van mevrouw Faber en mevrouw Straatman over de
samenwerkingsovereenkomst met het VK. Er werd gezegd dat de
staatssecretaris aangeeft dat de gesprekken tussen het VK en de Europese
Commissie nog lopen, ook in het kader van migratie en grenstoegang, met
betrekking tot de informatie over het wel of niet toetreden tot ECRIS
voor dit onderdeel. Wat is de stand van zaken hiervan? Kan Nederland op
dit punt eventueel ook bilateraal afspraken maken met het VK? Met het
Verenigd Koninkrijk zijn afspraken gemaakt over de doelen van de
wederzijdse doorgifte van justitiële gegevens, onder meer ten behoeve
van de beoordeling van asielaanvragen, reguliere verblijfsvergunningen
en naturalisatie. Het Verenigd Koninkrijk heeft ten tijde van het maken
van deze afspraken aangegeven nog niet te kunnen instemmen met de
uitwisseling van strafrechtelijke gegevens aan de grens, aangezien het
EU-VK-handels- en samenwerkingsakkoord, het EU-UK Trade and Cooperation
Agreement, niet voorziet in het gebruik van die EU-strafgegevens aan de
grens voor immigratie. Het VK voert hierover momenteel nog gesprekken
met de Europese Commissie.
Nederland kan slechts in beperkte mate bilaterale afspraken maken met
het Verenigd Koninkrijk over de uitwisseling van strafrechtelijke
gegevens in het kader van de grenstoegang. Voor zover de Europese Unie
op dit terrein gedeelde of exclusieve bevoegdheden uitoefent, is
Nederland gehouden aan de kaders van het Unierecht, waaronder het
EU-VK-handels- en samenwerkingsakkoord. Bilaterale afspraken zijn alleen
toegestaan indien en voor zover die verenigbaar zijn met dit kader en
geen afbreuk doen aan bestaande of toekomstige afspraken tussen de
Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk die onderwerp van gesprek zijn.
In de praktijk betekent dit dat dergelijke gegevensuitwisseling primair
plaatsvindt via of in lijn met de EU-VK-overeenkomst die ik net noemde,
dus de handels- en samenwerkingsovereenkomst. Het bredere
Unierechtelijke kader dient daarvan grondlegger te zijn, of
"onderlegger", moet ik zeggen.
De voorzitter:
Mevrouw Faber heeft een vraag op dit punt.
Mevrouw Faber (PVV):
Maar we kunnen toch altijd bilaterale afspraken maken? Dat doet de
staatssecretaris nu ook met het Verenigd Koninkrijk, want er staan
gewoon een aantal punten in dit wetsvoorstel waarover ook gewoon
bilaterale afspraken worden gemaakt.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Absoluut. Zoals ik al zei, zijn over onderdelen, zoals beoordeling van
de asielaanvragen, de reguliere verblijfsvergunningen en de
naturalisatie, al afspraken gemaakt. Juist over dit onderdeel, het
uitwisselen van strafrechtelijke gegevens aan de grens, vindt een ander
gesprek plaats tussen het VK en de EU. Daarin gaan wij niet treden. Wij
zeggen wel dat de gesprekken over dit onderwerp in EU-verband voor ons
natuurlijk ook belangrijk zijn, maar we zoeken naar een manier om niet
door een andere overeenkomst heen te gaan met de gesprekken die we op
dit onderdeel voeren.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van mevrouw Faber.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik begrijp wel dat de staatssecretaris aangeeft daar niet tussendoor te
willen fietsen, zeg ik maar even, maar het kan wel. Volgens mij kan het
dus gewoon wel. Dan verbaast het me dus een beetje dat het uitwisselen
betreffende de Vreemdelingenwet 2000 eruit is gehaald.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Dat begrijp ik goed. Er is ook een amendement, dat misschien dadelijk
door mevrouw Faber nog wat nader wordt toegelicht. Dan geef ik hier
graag een reactie op. Ik begrijp goed de gedachte dat we op alle
onderdelen bilaterale gesprekken kunnen voeren. Tegelijkertijd, en dat
zeggen we hier natuurlijk ook, moet dat zorgvuldig gebeuren op het
moment dat er ten aanzien van andere akkoorden of verdragen afspraken
gemaakt worden. Die ruimte moet er zijn, dus we zoeken naar de
mogelijkheid om de druk erop te houden. Volgens mij zouden we wat dat
betreft in het gesprek dat we met elkaar hebben hierover, nader tot
elkaar kunnen komen.
Dan de vraag van mevrouw Faber hoe het zit met de derdelanders die een
visum nodig hebben. Onderdanen van visumplichtige landen moeten een
visum aanvragen, terwijl onderdanen van visumvrije landen — u noemde het
al — een ETIAS-autorisatie moeten aanvragen. Welke verplichting geldt,
hangt af van de status van het land: visumplichtig of visumvrij. Zo zit
het dus met de derdelanders.
De voorzitter:
Ik zie mevrouw Faber naar de interruptiemicrofoon rennen.
Mevrouw Faber (PVV):
Ja, dat scheelt weer tijd. Ik had daar een aanvullende vraag bij. Ik
weet dat je als je visumvrij reist, een reisautorisatie aan moet vragen.
Dat gaat dan via ETIAS. Maar wordt er dan ook gecontroleerd in ETIAS? Of
nee, in ECRIS. Sorry, al die namen!
Staatssecretaris Van Bruggen:
Al die namen overvallen mij af en toe ook een beetje! Maar ik ga dat
even na. Dan kom ik er in tweede termijn graag bij u op terug.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik heb nog een aanvullende vraag. Er zijn derdelanders die wel een visum
aan moeten vragen. Wordt dat dan gecontroleerd in ECRIS of
anderszins?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ik begrijp de vragen goed en kom er graag in de tweede termijn even op
terug.
Mevrouw Straatman vroeg: "Justis stelt dat aan het gebruik van de vog
bij alle derdelanders politieke risico's verbonden zijn en beveelt aan
om ECRIS-TCN niet bij alle vog-aanvragen voor derdelanders te gebruiken.
Wat is uw reactie hierop?" De zorg bij Justis zag op de situatie waarin
ECRIS-TCN een hit zou geven, maar de lidstaat geen gegevens van
veroordelingen zou verstrekken. Justid, en ten aanzien van die
verstrekking wellicht ook Justis, zou dan kennis hebben van de
aanwezigheid van een EU-veroordeling, maar geen informatie over de
veroordeling zelf ontvangen. Als er geen andere weigeringsgrond is, zal
de vog moeten worden verstrekt. Dat is de simpele conclusie die dan
getrokken moet worden. Justis is hierop teruggekomen in de aanvulling op
de uitvoeringstoets. Uit nader onderzoek is gebleken dat het risico
zoals geschetst niet zo zwaar wordt ingeschat. Het is goed om ECRIS-TCN
wél in alle gevallen toe te passen, omdat er meer EU-lidstaten zijn die
wel reageren en het zou zonde zijn als je de informatie uit die landen
dan ook niet opvraagt en meeweegt. Als de praktijk uitwijst dat niet
alle landen hierop reageren, dan zal alsnog ingezet worden op het maken
van afspraken daarover.
Dan de vraag van mevrouw Faber over de status van ETIAS. Die komt
eigenlijk terug in de tweede termijn. ETIAS wordt momenteel
geïmplementeerd en zal naar verwachting in het vierde kwartaal van 2026
operationeel zijn.
Dan de vraag van mevrouw Schilder: "Wat wordt er op dit moment gedaan om
ook goede afspraken en afwegingen te maken voor de groep derdelanders?
Hoe weten we wat ze gedaan hebben buiten en binnen de EU? Wanneer wordt
TCN operationeel?" Ik heb net antwoord gegeven op de laatste vraag. Voor
het eerste gedeelte geldt: op dit moment worden gegevens van
derdelanders niet betrokken bij de beoordeling, want justitiële gegevens
uit het land van herkomst kunnen alleen bij dat betreffende derde land
worden opgevraagd. ECRIS-TCN is nog niet operationeel. Dat volgt dus
richting het einde van dit jaar. Dat houdt verband met de vertragingen
die bij eu-LISA zijn ontstaan. Dat heeft u in de stukken ook kunnen
lezen. Dat is het agentschap van de EU voor het beheer van de grote
IT-systemen ten behoeve van de uitvoering van het EU-beleid op het
gebied van justitie en binnenlandse zaken.
Mevrouw Faber vroeg: "Internationaal zijn er inspanningen voor de vog,
maar niet voor migratie. Waarom zouden we niet zo snel mogelijk
afspraken maken over het uitwisselen van informatie van veroordeelden
met een migratieachtergrond?" Het is complexer om met landen buiten de
EU, dus met derde landen, strafrechtelijke gegevens te delen. Daar heb
ik net ook iets over gezegd. Dat komt door de waarborgen op het gebied
van privacy, maar ook doordat andere vragen minder gemakkelijk te
beantwoorden zijn en per land en geval opnieuw moeten worden bezien.
Daarom zijn er geen generieke afspraken zoals bij de vog-uitwisseling
binnen de EU.
U vraagt: zijn er internationaal wel inspanningen voor de vog? De
inspanningen zijn daar natuurlijk altijd op gericht. Je moet dus nagaan
dat je ook in Nederland en vice versa wilt weten of mensen ergens anders
in een strafrechtdossier voorbijkomen op het moment dat we de wens
hebben om die informatie met elkaar te delen. Natuurlijk zijn de
inspanningen daarop gericht, maar het is niet zo eenvoudig als het lijkt
om daar afspraken over te maken.
Dan de vraag van de heer Ellian: als je nu niet de wettelijke
mogelijkheid creëert om in het registratiesysteem met de Britten samen
te werken, moet er dan later weer een nieuw wetsvoorstel langs de Kamer?
Hierover kan ik kort zijn: feitelijk is dat zo; daar is weer een
wetswijziging voor nodig. We zoeken dus ook naar mogelijkheden om dat
misschien te voorkomen, maar de facto is dat zo. Doelen voor het gebruik
van ECRIS liggen gewoon vast in de wet en dat is maar goed ook. Een
wijziging hiervan zal moeten gebeuren via een wetswijziging.
Hier heb ik een lijntje naar het amendement. Het belangrijkste is dat we
kijken naar wat de mogelijkheden zijn, juist op het moment dat er ruimte
is om het uitgangspunt te nemen dat we informatie met het VK willen
delen. Daar vraagt het amendement ook om.
Voorzitter, is bekend of het amendement er is?
De voorzitter:
Hebben we het over het amendement op stuk nr. 7 van mevrouw Faber?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ja.
De voorzitter:
Dat maakt onderdeel uit van de beraadslaging.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Prima, heel goed. Daarom is het goed dat ik er op dit moment dan ook een
antwoord op geef. Wat mij betreft strekt het amendement ertoe dat de
uitzondering voor gegevensdeling met het VK inzake de beoordeling van de
criteria voor openbare orde en nationale veiligheid in bepaalde
procedures van het migratierecht wordt geschrapt. Mijn appreciatie is
als volgt. We leggen de andere doelen met dit wetsvoorstel vast in de
wet. Nieuwe doelen vergen dus een wetswijziging, zoals ik net zei. Dat
kwam ook naar voren in mijn eerdere beantwoording. De handels- en
samenwerkingsovereenkomst, HSO, is ook een wet. We weten dat het
Verenigd Koninkrijk nu geen justitiële gegevens doorgeeft voor de
verlening van toegang tot Nederland van de vreemdeling aan de grens.
Wederzijdse doorgift is een noodzakelijke voorwaarde voor deze
samenwerking. We kunnen het doel dus niet al in de wet, in de HSO,
zetten. Maar met mevrouw Faber en anderen hoop ik dat de uitkomst van de
onderhandelingen met het VK ertoe zullen leiden dat deze uitzondering
kan vervallen. Daarom zou ik graag ambtelijke bijstand verlenen aan
mevrouw Faber, om het voorstel zo vorm te geven dat eerst de
uitzondering wel geldt, maar dat een aparte wijziging om die
uitzondering te schrappen later, voor de inwerkingtreding, ook meteen
vervalt op het moment dat de afspraken zijn gemaakt. Dan hoeven we dus
niet het hele nieuwe wetstraject te doorlopen. Dan kan de
inwerkingtreding van de aparte wijziging, en feitelijk daarmee ook de
uitzondering, vervallen. Ik moet het amendement in de huidige vorm op
dit moment wel ontraden, maar ik doe dus graag het aanbod om ambtelijke
bijstand daarop te verlenen.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 7 is door de staatssecretaris ontraden. Zij
heeft mevrouw Faber een aanbod gedaan. Ik denk dat zij daar nu op
ingaat.
Mevrouw Faber (PVV):
Dank aan de staatssecretaris. Als ik de staatssecretaris goed begrijp,
zou het mogelijk zijn om het juridisch zo te regelen dat zo'n artikel
geactiveerd wordt op het moment dat er een overeenkomst met de VK is.
Heb ik dat goed begrepen?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Exact. Dat is precies wat het is.
Mevrouw Faber (PVV):
Dan heb ik een nadere vraag. Ik had ondertussen bij Bureau Wetgeving ook
al het een en ander nagevraagd. Dat zegt dat het niet mogelijk is om de
inwerkingtreding zo in te stellen dat die afhankelijk is van de
instemming van het VK. Ik wil de staatssecretaris natuurlijk heel graag
geloven in dezen, maar ik wil wel graag weten — het is een beetje een
simpele vraag — of het klopt. Ik neem aan dat de staatssecretaris
overleg heeft gehad met haar juristen.
De voorzitter:
Mevrouw Faber, volgens mij moeten we het volgende doen, want anders is
het niet meer te volgen. Het amendement dat nu onderdeel van de
beraadslaging is, is ontraden. De staatssecretaris heeft het aanbod
gedaan om met u te kijken naar een nieuw dan wel aangepast amendement.
Ook op dat nieuwe amendement hebben we een reactie van de
staatssecretaris nodig. Het is dus prettig, zeg ik richting de
staatssecretaris, als we daar voor de stemming op schrift een reactie op
hebben. Dan weten we het oordeel van de staatssecretaris. Ik ga ervan
uit dat het aanbod van de ambtelijke bijstand niet voor niets wordt
gedaan. Vervolgens stemmen we erover. De discussie over hoe het
eruitziet, zou ik dan dus eigenlijk willen verplaatsen naar het overleg
met de ambtelijke ondersteuning dat u wordt aangeboden.
Mevrouw Faber (PVV):
Dat begrijp ik. Ik ben natuurlijk ook blij met de ambtelijke
ondersteuning. Maar dan hebben we wel even iets meer tijd nodig. Ik weet
niet wanneer de stemming op de rol staat, maar we hebben dan natuurlijk
wel een extra week nodig om dat te regelen. We zitten namelijk ook met
Pasen. Ik neem aan dat de juristen dan niet doorwerken. Ik wil wel
doorwerken, maar …
De voorzitter:
De stemming over het amendement en het wetsvoorstel was voorzien op
dinsdag 14 april. Dat maakt dus eigenlijk dat we vrij ruim in de tijd
zitten.
Mevrouw Faber (PVV):
Voorzitter, dan lijkt me dat een mooie handreiking. We gaan gauw aan de
slag om dat te regelen. Dank u wel.
De voorzitter:
Oké, dank u wel. Klopt het dat we hiermee naar het derde blokje,
waarborgen, gaan?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Dat klopt helemaal, voorzitter. We gaan naar de waarborgen van het hoge
recht. Daar zijn door de heer El Abassi van DENK veel vragen over
gesteld. Ik begin met de vraag waarom de gegevensdeling via ECRIS nodig
is voor niet-strafrechtelijke doelen en wat in dezen rechtsstatelijk
wenselijk is. Het belang van het vastleggen van de andere doelen van het
gebruik van ECRIS is juist gelegen in onze rechtsstaat. Het gebruik van
ECRIS betreft een verwerking van persoonsgegevens. Met de verwerking van
persoonsgegevens worden de grondrechten van de betrokkene beperkt. Het
betreft de grondrechten op de bescherming van het privéleven en de
bescherming van de persoonsgegevens. De beperking van grondrechten moet
bij wet worden gesteld. Daarom kiezen we ervoor om dat op deze manier
netjes en formeel te doen, met de goeie waarborgen en afweging. Als het
over de beperking van grondrechten is dat wel belangrijk. Zo maak je het
ook voorzienbaar voor de burger.
Dan de vraag van mevrouw Schilder hoe ik wil voorkomen dat niet voor
iedereen dezelfde regels gelden. Het gebruik van ECRIS beoogt mogelijk
te maken dat de relevante veroordelingen uit andere lidstaten ook
betrokken kunnen worden bij bijvoorbeeld een vog-aanvraag. Om een zo
volledig mogelijk beeld te krijgen van iemands justitieel verleden is
het van belang dat andere lidstaten gegevens over veroordelingen
onderling delen via ECRIS. Dit is misschien niet helemaal het blokje
hoger recht, maar het is wel belangrijk. Ik zet in op multilaterale
afspraken op EU-niveau om de uitwisseling voor een bepaald doel met
elkaar goed te kunnen regelen.
Er was een vraag van de heer El Abassi over dat het systeem een forse
inbreuk vormt op het recht van privacy. Ik ben het eens met de heer El
Abassi dat de verwerking van strafrechtelijke persoonlijke gegevens in
zeer ernstige mate inbreuk kan maken op het recht op bescherming van het
privéleven. In het nader rapport heeft de regering dit ook erkend. Het
is betrokken bij de evenredigheidsbeoordeling van het gebruik van ECRIS.
Ik wijs er ten slotte nog op dat het gebruik van justitiële gegevens
voor de doelen die in het wetsvoorstel staan, al vele jaren in de
wetgeving is vastgelegd in Nederland. Het wetsvoorstel voegt in dit
opzicht slechts toe dat voor deze doelen ook ECRIS kan worden
geraadpleegd.
De volgende vraag van de heer El Abassi ging over het ontbreken van een
helder overzicht van de gegevens die worden verstrekt en hoe dat zich
verhoudt tot de eisen van voorzienbaarheid en duidelijkheid. De
justitiële en strafvorderlijke gegevens over veroordelingen die via
ECRIS worden verstrekt, zijn vastgelegd in het besluit. Het betreft
gegevens die op grond van het ECRIS-kaderbesluit verplicht moeten worden
verstrekt. Hiermee wordt voldaan aan de eisen van de voorzienbaarheid en
duidelijkheid.
De heer El Abassi vroeg ook of ECRIS niet een grote inbreuk vormt op de
privacy, ook gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de
Europese Unie. Ik had 'm misschien aan die vorige vraag kunnen koppelen.
Vanwege het evenredigheidsbeginsel uit het Handvest van de grondrechten
van de EU, is het van belang dat het gebruik van ECRIS een legitiem doel
dient en daarvoor geschikt en noodzakelijk is. Een beperking van
grondrechten moet bij wet worden gesteld. Daarmee is de beperking van de
grondrechten toegankelijk en voorzienbaar voor elke burger. De mate van
de beperking van die grondrechten is betrokken bij de
evenredigheidsbeoordeling van het gebruik van ECRIS en ECRIS-TCN voor de
in het wetsvoorstel genoemde doelen. Het betreft de grondrechten op de
bescherming van het privéleven en bescherming van de persoonsgegevens,
zoals ik net zei. Ook in andere lidstaten van de EU worden andere doelen
van het gebruik van ECRIS bij wet vastgelegd.
Dat was het blokje hoger recht.
De voorzitter:
Dat leidt tot een vraag van de heer Sneller.
De heer Sneller (D66):
Ik dacht: hij moet in de doelen zitten of in dit blokje. Maar mijn vraag
is niet langsgekomen. Mijn vraag was of een aanpassing van dat Besluit
justitiële en strafvorderlijke gegevens zou kunnen op grond van de
wettelijke basis zoals hier voorgesteld. Het gaat om de artikelen 6 tot
en met 9, waarin wordt geregeld welke andere gegevens er eventueel
kunnen worden verzameld en kunnen worden gedeeld.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ik herinner me de vraag zeker. Ik kom daar graag in de tweede termijn op
terug, want hij zit nu gewoon even niet bij de beantwoording, maar het
is een heel heldere vraag waar ik ook een heel helder antwoord op zou
moeten kunnen geven.
De voorzitter:
We gaan naar de adviezen van de Raad van State en de Autoriteit
Persoonsgegevens, als ik het goed heb. Klopt dat?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Klopt, we zijn bij de adviezen. We beginnen bij de vraag die de heer El
Abassi gesteld heeft: waarom worden de zwaarwegende adviezen van de AP
en de Raad van State niet opgevolgd? In een interruptie werd er ook al
even aan gerefereerd. Naar aanleiding van het advies van de Autoriteit
Persoonsgegevens is verduidelijkt welke gegevens over strafrechtelijke
veroordelingen via ECRIS worden uitgewisseld. Het betreft gegevens om de
betrokkene te identificeren, zoals een naam, een geboortedatum, een
geboorteplaats, en gegevens over de veroordeling, dus onder andere het
strafbare feit, de pleegdatum en de datum van veroordeling. Dit is in
het ECRIS-kaderbesluit vastgelegd in artikel 11. Verder is naar
aanleiding van het AP-advies het wederkerige karakter van het gebruik
van ECRIS verder verduidelijkt. Via ECRIS worden uitsluitend verzoeken
van centrale autoriteiten van andere lidstaten beantwoord die betrekking
hebben op doelen waarvoor het gebruik van ECRIS is verplicht op grond
van EU-regelingen of doelen die zijn opgenomen in dit
wetsvoorstel.
Ten aanzien van de rechtszekerheid merkt de AP op dat onvoldoende
duidelijk is in welke gevallen via ECRIS om de doorgifte van justitiële
gegevens wordt verzocht. In de toelichting is verduidelijkt dat dit het
geval is indien de betrokkene mede de nationaliteit heeft van een andere
lidstaat of indien uit raadpleging via ECRIS-TCN volgt dat de betrokkene
in een andere lidstaat is veroordeeld. In beide gevallen wordt het
verzoek uitsluitend gericht aan de desbetreffende lidstaat. In andere
gevallen ontbreekt de noodzakelijkheid voor het gebruik van ECRIS, omdat
er geen aanleiding zal zijn voor de veronderstelling dat een andere
lidstaat beschikt over de justitiële gegevens van de betrokkene. Het
gebruik van ECRIS is dan niet toegestaan. De Wjsg en het EU-recht vormen
het kader en geven de waarborgen voor het gebruik van ECRIS. De toetsing
aan de noodzakelijkheid is juist hierin neergelegd. Ten slotte is de
toelichting op het advies van de AP aangevuld met een onderbouwing van
de noodzakelijkheid per doel.
Dan het advies van de Raad van State. De vragen die daarover gesteld
zijn, neem ik in één adem mee. In het advies van de Raad van State staan
twee opmerkingen bij de concept-memorie van toelichting. Het nader
rapport bevat een reactie op die opmerkingen. Ten eerste is in de
memorie van toelichting nader ingegaan op de categorieën
persoonsgegevens die via ECRIS worden doorgegeven. De Raad van State
merkt op dat het ECRIS-kaderbesluit ruimte geeft voor de doorgifte van
andere categorieën persoonsgegevens dan vermeld in de memorie van
toelichting. Echter, die andere categorieën persoonsgegevens worden
alleen doorgegeven voor zover die in het nationaal strafregister
aanwezig zijn of bij de centrale autoriteit voorhanden zijn. Dat is niet
het geval.
Ten tweede merkt de Raad van State op dat in de context van de Algemene
verordening gegevensbescherming de verwerking van strafrechtelijke
persoonsgegevens in zeer ernstige mate inbreuk kan maken op het recht
van bescherming van het privéleven. In het nader rapport is aangegeven
dat het door de regering wordt erkend en dat het is betrokken bij de
evenredigheidsbeoordeling van het gebruik van ECRIS. Ik wijs er ten
slotte graag nog op dat het gebruik van justitiële gegevens voor de
doelen die in het wetsvoorstel worden vastgelegd, al vele jaren in de
Nederlandse wetgeving is vastgelegd.
Ik heb nog een aanvulling op het antwoord op deze vraag. In de
beantwoording gaat het ook over wat de Raad van State en de Autoriteit
Persoonsgegevens precies hebben vermeld en over hoe we kunnen komen tot
inzicht in wat wel en niet verwerkt is. Ik begrijp dat mijn voorgangers
daar ook al ruimhartig mee zijn omgegaan. Ik wil u absoluut zo veel
mogelijk de ruimte geven om te zien hoe het verwerkt is in de memorie
van toelichting, zodat u kunt meenemen hoe wij dat als regering zien.
Het is belangrijk dat we dat doen met track changes, zodat het helder
wordt.
De heer Sneller vroeg of de consultatieversie die aan de Autoriteit
Persoonsgegevens is voorgelegd, alsnog naar de Kamer kan worden
gezonden. Ik heb goed nieuws. Die is openbaar te vinden op
internetconsultatie.nl, maar ik kan die zeker ook nog nazenden.
Dit was het blokje over de adviezen van de Autoriteit Persoonsgegevens
en de Raad van State.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan komen we nu aan bij de overige …
Staatssecretaris Van Bruggen:
Bij diverse andere belangrijke onderwerpen.
Mevrouw Faber vroeg of er bij naamswijzigingen in de justitiële
documentatie wordt gecontroleerd op de aanwezigheid van eventuele
vonnissen en, zo ja, welke maatregelen er worden genomen om fouten te
voorkomen. Bij naamswijzigingen wordt niet op de aanwezigheid van
vonnissen gecontroleerd. Dat is het simpele antwoord.
Mevrouw Straatman vroeg: is ECRIS-TCN al operationeel? Daar heb ik al op
geantwoord. ECRIS-TCN is nog niet operationeel. Het zal aan het einde
van het jaar operationeel zijn. Dat houdt verband met de vertragingen
bij eu-LISA, het agentschap voor het beheer van de grote IT-systemen ten
behoeve van Justitie en Binnenlandse Zaken.
De voorzitter:
Er is nog een vraag van mevrouw Faber. Ik neem aan dat die nog over het
vorige punt gaat.
Mevrouw Faber (PVV):
De staatssecretaris geeft aan dat er bij naamsveranderingen niet wordt
gecontroleerd op eventuele aanwezige vonnissen. Maar zou daar niet wel
op gecontroleerd moeten worden? Zou de staatssecretaris bereid zijn om
dat in werking te stellen?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ik voer dat gesprek heel graag op het moment dat we het hebben over de
tenaamstellingen van vonnissen. We gaan nog een gesprek voeren over
Justid richting de zomer. Op dit moment voel ik die urgentie niet. We
gaan het er nog over hebben.
De voorzitter:
Dat komt terug in een debat voor de zomer.
Staatssecretaris Van Bruggen:
De heer Sneller vraagt naar de 38.000 verwachte extra bevragingen van
ECRIS. Hij zegt: acht landen en niet alle EU-nationaliteiten. Dat zou
afbreuk doen aan de effectiviteit en de reikwijdte. De kosten zijn 1,5
miljoen. Misschien liggen ze niet zo hoog als ze nu geraamd worden, maar
toch. Hoe zit het nu precies met de uitvoeringsconsequenties? De
eerlijkheid gebiedt te zeggen dat je niet op voorhand kunt zeggen
hoeveel lidstaten wel en niet zullen reageren. In eerste instantie zal
de inzet van Justis ten behoeve van de bevragingen juist wel bestaan,
maar de praktijk moet het echt gaan uitwijzen. We moeten hier steeds het
gesprek blijven voeren over hoe belangrijk we het vinden dat we de
juiste informatie krijgen. Het zou fantastisch zijn als de
uitvoeringsconsequenties meevallen en het uiteindelijk allemaal minder
geld kost, maar dan heb ik het alleen nog maar over de middelen.
Daarnaast heb je de uitvoering en de druk die je bij een organisatie
kunt ervaren. Tegelijkertijd valt niet op voorhand te zeggen hoeveel
lidstaten erop zullen reageren.
Dan de vraag van mevrouw Mutluer. Ten behoeve van de procedures binnen
het migratierecht en het nationaliteitsrecht wordt ECRIS reeds
toegepast. Ligt het tegen die achtergrond voor de hand dat het wettelijk
vastleggen van deze bestaande praktijk geen wezenlijke verandering met
zich meebrengt voor de werkwijze of de uitvoeringslast van de IND? Dat
ligt mogelijk in het verlengde van de vorige vraag. Dat klopt. Het
wettelijk vastleggen van de huidige praktijk zal geen wezenlijke
verandering met zich meebrengen voor de werkwijze of de belasting van de
IND. Mocht mevrouw Mutluer andere signalen ontvangen, dan hoor ik dat
natuurlijk heel graag. Maar ik heb nu geen aanleiding om dat aan te
nemen.
Dan de vraag van de heer Sneller … Dit is best een lang antwoord, maar
ik zal het toch proberen.
De voorzitter:
Wilt u voordat u het antwoord krijgt, eerst de vraag stellen, meneer
Sneller? Ja, dat wilt u!
De heer Sneller (D66):
Als u het zo stelt, voorzitter ... Nee, mijn vraag gaat nog over de
bevragingen en de financiële consequenties, ook omdat er geen
evaluatiebepaling in de wet zit. Die wil ik er ook niet in amenderen,
maar ik heb wel het gevoel dat de begroting niet heel ruim is. Daar
wordt 1,5 miljoen voor geraamd. Dat bedrag is gebaseerd op iets waarvan
we eigenlijk nu al kunnen zeggen, mede op basis van de beantwoording nu
maar ook op basis van de schriftelijke beantwoording van vragen van de
CDA-fractie in de nota naar aanleiding van het verslag, dat het niet
realistisch is, namelijk dat alle landen gaan meedoen. Dat is mede zo
omdat ze zelf een wettelijke grondslag moeten hebben et cetera et
cetera. Dus hoe worden we de komende tijd op de hoogte gehouden van het
aantal landen dat daadwerkelijk gaat meewerken aan de ene kant, en van
de financiële realisatie aan de andere kant?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Het is absoluut ook mijn bedoeling om daar zo helder en transparant
mogelijk over te zijn. Ik ben in dit geval wellicht liever wat
ruimhartiger in het begroten van wat we daarvoor nodig hebben, dan dat
er steeds weer een plus bij komt. Want het is juist zo belangrijk dat we
dit met al die landen gaan doen. Tegelijkertijd wil ik op het moment dat
er ruimte ontstaat, de eerste zijn die zegt dat het allemaal niet nodig
blijkt te zijn. Maar dan heb ik wel een gesprek te voeren, want dit is
wel wat we natuurlijk verwachten. Ik denk dus dat we elkaar daarin zeker
tegemoet moeten kunnen komen. Laat ik zeggen dat ik in ieder geval na de
zomer een eerste beeld kan hebben. Dan kan ik daar schriftelijk op
terugkomen, zodat we wellicht kunnen zien wat het dan
begrotingstechnisch doet.
Dan de vraag van de heer Sneller waar ik net al half mee begon: kan de
wettelijke basis die we hier vandaag bespreken een eventuele wijziging
van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens dragen? Dat is
de vraag waar de heer Sneller aan het begin van het debat al even aan
refereerde. Het voorstel dat we vandaag bespreken, legt de doelen voor
het gebruik van ECRIS vast in de wet. Dat is geen nieuws. Via ECRIS
worden voor deze doelen gegevens over de veroordelingen verstrekt binnen
het kader dat het ECRIS-kaderbesluit en het Bjsg hiervoor geven. Het
treft alleen de gegevens die op basis van het ECRIS-besluit verplicht
zijn. De niet-verplichte gegevens worden op grond van het besluit daarom
niet verwerkt in de justitiële documentatie en daarom niet door de
Nederlandse autoriteit via ECRIS doorgegeven. Via een eventuele
wijziging van dit besluit kunnen de te verstrekken gegevens worden
uitgebreid, voor zover dat binnen het kader van het ECRIS-besluit
blijft. Zolang het binnen het kader blijft, kan het besluit worden
gewijzigd. Blijft het niet binnen het kader, dan kunnen we niet zomaar,
in welke situatie we ook komen, het besluit wijzigen. Dat is misschien
wel de simpele uitleg.
De voorzitter:
Dat leidt tot een vraag van de heer Sneller.
De heer Sneller (D66):
Hoeveel ruimte zit er dan tussen die twee cirkels die de
staatssecretaris als het ware schetst? Wat kan er nog worden toegevoegd
aan het besluit dat hangt onder de Wjsg maar wel binnen het kaderbesluit
blijft? Voor dát deel is de vraag: kan dat ook, op basis van de
noodzakelijkheidsargumentatie uit deze wet?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ik kom daar in de tweede termijn graag uitgebreider op terug, omdat ik
nu niet goed kan inschatten of we heel duidelijk hebben wat dan precies
die ruimte wel of niet is. Ongetwijfeld kan ik daar in tweede termijn
iets duidelijker op antwoorden.
Dan de vraag van mevrouw Mutluer: hoe wordt in de praktijk geborgd dat
de evenredigheidstoets daadwerkelijk wordt uitgevoerd? En wie houdt hier
toezicht op? Voor de verwerking van justitiële gegevens geeft de Wjsg
regels en waarborgen. Die regels en waarborgen gelden ook voor de
raadpleging van ECRIS en voor de doelen waarin dit wetsvoorstel
voorziet. Dat houdt onder meer in dat justitiële gegevens slechts mogen
worden verwerkt voor zover dit noodzakelijk is voor, bij of krachtens de
in de Wjsg geformuleerde doeleinden. De gegevens mogen voor welbepaalde,
uitdrukkelijk omschreven en legitieme doeleinden worden verwerkt en niet
op een met die doeleinden onverenigbare wijze worden verwerkt. Dit is
ook een zin waarvan je denkt: dat kan ik misschien wat simpeler
omschrijven. We hebben natuurlijk afspraken met elkaar gemaakt over hoe
je juist die gegevens wel en niet mag delen. De gegevens mogen als ze
niet verenigbaar zijn met het welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en
legitieme doel, niet verwerkt worden. Op de gegevensverwerking moet
toereikend, ter zake dienend en niet bovenmatig ... Sorry, ik kom hier
misschien ook niet helemaal uit.
De voorzitter:
Mevrouw Mutluer met de vraag: wat staat hier nou eigenlijk?
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ik denk meer dat de kijker nu denkt: waar gaat dit over? Ik stel voor
dat we dit in jip-en-janneketaal even goed uitleggen, opdat het ook voor
de Handelingen helder is wanneer en hoe die evenredigheidstoets
plaatsvindt en wie daar uiteindelijk toezicht op houdt.
De voorzitter:
Ja, dat komt in de tweede termijn.
Staatssecretaris Van Bruggen:
De vraag van mevrouw Straatman is de laatste. "Uit de uitvoeringstoets
van Justis blijkt dat Ierland niet altijd de gegevens verstrekt bij
vog's voor werken met kinderen. De aanbeveling is om dit met Ierland te
bespreken voor de implementatie van ECRIS-TCN. Kan de staatssecretaris
een update geven over de gesprekken met Ierland?" Het beeld dat Ierland
niet altijd gegevens verstrekt bij vog's voor werken met kinderen lijkt
inmiddels achterhaald, maar ik wil zeker wel toezeggen dat ik dat naga.
De genoemde uitvoeringstoets dateert uit 2021 en geeft daarmee geen
actueel beeld van de huidige praktijk. Recente cijfers laten zien dat de
gegevensuitwisseling is verbeterd. In 2025 bedroeg de gemiddelde
doorlooptijd ongeveer vier dagen. Ik kom daar graag ook schriftelijk op
terug, omdat het belangrijk is dat u die informatie vanuit de
uitvoeringstoets ontvangt.
De voorzitter:
Dank u wel.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Daarmee ben ik aan het einde gekomen van de beantwoording van deze
vragen.
De voorzitter:
Dan dank ik de staatssecretaris voor de beantwoording in eerste termijn.
Ik wil voorstellen om voor een enkel moment te schorsen, echt een minuut
of twee, drie. Daarmee vindt er ook een kleine wisseling van voorzitter
plaats. Een andere persoon zal in deze stoel plaatsnemen voor de tweede
termijn. Mevrouw Mutluer kijkt mij indringend aan. Help ik u met vijf
minuten? Vijf minuten schorsen en dan gaan we direct over tot de tweede
termijn van de zijde van de Kamer. Ik schors voor vijf minuten.
De vergadering wordt van 13.50 uur tot 13.56 uur geschorst.
Voorzitter: Van der Lee
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de voortzetting van het debat
over de Wijziging van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens ter
vastlegging van de doelen van het gebruik van het Europees
strafregisterinformatiesysteem — een heel mooi scrabblewoord. We gaan
verder met de tweede termijn van de zijde van de Kamer. Als eerste ga ik
het woord geven aan mevrouw Faber. Zij voert dat woord namens de fractie
van de PVV. U mag nog even plaatsnemen, mevrouw de staatssecretaris,
want de Kamer doet haar tweede termijn en daarna bent u weer aan de
beurt. Gaat uw gang, mevrouw Faber.
Mevrouw Faber (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Ten eerste wil ik de staatssecretaris bedanken
voor haar beantwoording en haar toegestoken hand wat betreft het
amendement op stuk nr. 7. Daar gaan we mee aan de slag. Ik denk dat we
er wel uit gaan komen. Tot zover dank.
Dan geeft de staatssecretaris aan dat er een commissiedebat is over de
strafrechtketen en dat daar ook zaken in besproken worden betreffende
het op orde brengen van zaken bij Justis, ook inzake ECRIS. Ik heb daar
nog wel twee moties over, maar ik hoop dat u die gewoon ziet als
aanmoediging.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat ECRIS de infrastructuur biedt om informatie tussen de
lidstaten uit te wisselen over veroordelingen;
constaterende dat het automatisch koppelen van overheidssystemen niet
vlekkeloos verloopt en dat dit ertoe kan leiden dat vonnissen niet aan
de juiste persoon worden gekoppeld;
constaterende dat personen soms hun wettige naam veranderen en deze naam
daardoor niet meer overeenkomt met een oud vonnis;
overwegende dat dit ertoe kan leiden dat de veroordelingen in ECRIS niet
meer accuraat zijn, waardoor veroordeelden onder de radar blijven;
verzoekt de regering bij naamswijziging alle (oud-)vonnissen op de
juiste wijze te koppelen aan de nieuwe naam in de
overheidssystemen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Faber.
Zij krijgt nr. 8 (36657) (#1).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat ECRIS de infrastructuur biedt om informatie tussen
lidstaten uit te wisselen over veroordelingen;
constaterende dat het in het belang van de nationale veiligheid
noodzakelijk is controle te houden over wie toegang krijgt tot ons
land;
verzoekt de regering om afspraken te maken met andere EU-lidstaten om
informatie uit te wisselen in het kader van de Vreemdelingenwet
2000,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Faber.
Zij krijgt nr. 9 (36657) (#2).
Mevrouw Faber (PVV):
Dat was het. Tot zover. Dank u wel.
De voorzitter:
Hartelijk dank. Dan gaan we luisteren naar mevrouw Mutluer namens de
fractie GroenLinks-Partij van de Arbeid. Gaat uw gang.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Dank, voorzitter. Ook dank aan deze staatssecretaris voor haar eerste
plenaire debat en voor de antwoorden die ze zojuist heeft gegeven.
Volgens mij hebben we bijna allen aangegeven dat we het een belangrijke
wet vinden en dat het goed is dat we het een en ander wettelijk
verankeren. Voor mij blijft het belangrijk dat in de praktijk goed
geborgd wordt dat de evenredigheidstoets daadwerkelijk en consequent
wordt uitgevoerd en dat de wet niet voor andere doeleinden wordt
gebruikt dan waar hij voor bedoeld is.
Ik heb maar één motie. Die is eigenlijk naar aanleiding van die laatste
discussie die ik met de staatssecretaris had over onjuiste informatie.
De motie luidt als volgt.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het Europese systeem voor uitwisseling van
strafregistergegevens (ECRIS) een belangrijke rol speelt bij het delen
van justitiële informatie tussen lidstaten;
constaterende dat uit onderzoeken en signalen blijkt dat naar schatting
7% tot 8% van de gegevens in dergelijke systemen onjuist of onvolledig
kan zijn;
overwegende dat dit grote gevolgen kan hebben voor burgers, bijvoorbeeld
bij het niet verkrijgen van een vog;
overwegende dat onduidelijk is waar en hoe burgers fouten kunnen laten
corrigeren;
verzoekt de regering te zorgen voor een duidelijke en toegankelijke
procedure voor correctie van onjuiste gegevens in ECRIS, te waarborgen
dat burgers weten bij welke instantie zij terechtkunnen, en zich in
Europees verband in te zetten voor betere datakwaliteit,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Mutluer.
Zij krijgt nr. 10 (36657) (#3).
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ik wil daarbij zeggen dat ik me terdege bewust ben van wat de
staatssecretaris wel en niet kan. Ik wil hier dus echt een
inspanningsverplichting naar voren brengen, opdat met name burgers die
ten onrechte ergens van worden beschuldigd of bepaalde vog's niet kunnen
ontvangen, wel ongeveer weten welke route ze moeten bewandelen om het
een en ander te laten corrigeren. Soms moet dat in Nederland, soms in
een ander land. Ik ben me daar terdege van bewust. Zo moet de
staatssecretaris mijn motie lezen.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Hartelijk dank. Omdat een aantal leden geen behoefte heeft aan een
tweede termijn, kijk ik naar mevrouw Schilder. Die heeft daar ook geen
behoefte aan. Dan kijk ik naar de heer El Abassi. Hij gaat als laatste
in de tweede termijn het woord voeren. Dat doet hij namens de fractie
van DENK. Gaat uw gang.
De heer El Abassi (DENK):
Dank u, voorzitter. Ik ga meteen aan de slag.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat onduidelijk is welke concrete persoonsgegevens via
ECRIS worden gedeeld;
overwegende dat het delen van strafrechtelijke gegevens een zware
inbreuk vormt op de persoonlijke levenssfeer;
verzoekt de regering om vóór inwerkingtreding van deze wet een volledig
en concreet overzicht aan de Kamer te sturen van álle categorieën
persoonsgegevens die via ECRIS worden verwerkt en gedeeld,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid El Abassi.
Zij krijgt nr. 11 (36657) (#4).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Autoriteit Persoonsgegevens en de Raad van State
twijfels hebben geuit over de noodzaak en proportionaliteit van het
wetsvoorstel;
verzoekt de regering per niet-strafrechtelijk doel afzonderlijk te
onderbouwen waarom gebruik van ECRIS noodzakelijk is en waarom minder
ingrijpende alternatieven niet volstaan,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid El Abassi.
Zij krijgt nr. 12 (36657) (#5).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het gebruik van ECRIS wordt uitgebreid naar
niet-strafrechtelijke doelen;
overwegende dat dit het risico op function creep vergroot;
verzoekt de regering om expliciet vast te leggen voor welke doelen ECRIS
niet mag worden gebruikt en toekomstige uitbreiding alleen mogelijk te
maken na expliciete parlementaire goedkeuring,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid El Abassi.
Zij krijgt nr. 13 (36657) (#6).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het wetsvoorstel geen evaluatiebepaling bevat;
verzoekt de regering binnen drie jaar na inwerkingtreding een evaluatie
uit te voeren naar de werking, effectiviteit en impact op grondrechten
van het gebruik van ECRIS, en de Kamer hierover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid El Abassi.
Zij krijgt nr. 14 (36657) (#7).
De heer El Abassi (DENK):
Dan de laatste.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat fouten in gegevensverwerking kunnen leiden tot ernstige
gevolgen voor betrokkenen;
verzoekt de regering aanvullende waarborgen te treffen om
misidentificatie en onterechte koppelingen in ECRIS te voorkomen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid El Abassi.
Zij krijgt nr. 15 (36657) (#8).
De heer El Abassi (DENK):
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw inbreng. Dat was de tweede termijn van de zijde van
de Kamer. Ik kijk even naar de staatssecretaris om te zien of zij wil
schorsen. Er zijn acht moties ingediend. Ja, er wordt vijf minuten
geschorst. Dan krijgen we een reactie in de tweede termijn plus een
appreciatie van de acht ingediende moties. We zijn even vijf minuten
geschorst.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de voortzetting van het debat
over de wet die het gebruik van het Europees Strafregister
Informatiesysteem regelt. We zijn toe aan de tweede termijn van de zijde
van de regering. Ik geef het woord aan de staatssecretaris.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Voorzitter, dank u wel. Nu ben ik dan toch echt aan de beurt. Het is
goed om te zien dat dit deskje dan vanzelf weer omhooggaat. Ik ga ook
zeker de mores van de Kamer nog goed leren begrijpen. Vandaag zet ik al
grote stappen, volgens mij.
Dit is de tweede termijn, waarin een aantal vragen al eerder gesteld is
door Kamerleden. Dat geldt onder andere voor een vraag van mevrouw
Faber. Worden strafbeschikkingen en sepots door Justid geregistreerd in
justitiële documentatie, maar niet verstrekt aan andere landen? Dat is
correct. Het wordt in Nederland wel geregistreerd door Justid, maar het
wordt niet verstrekt via ECRIS.
Mevrouw Mutluer vroeg wat mensen moeten doen als hun gegevens verkeerd
zijn geregistreerd in het Justitieel Documentatiesysteem. Daar refereert
haar motie die later aan bod komt natuurlijk ook aan. De gegevens over
veroordelingen worden door Justid geregistreerd. Via ECRIS worden
gegevens uit dit systeem verstrekt. Dat weten we. Gegevens over
veroordelingen worden dus niet geregistreerd, maar er worden alleen
verzoeken over en weer uitgewisseld via ECRIS. Iedere burger kan bij
Justid een inzageverzoek of rectificatieverzoek indienen op grond van de
Wjsg. Als een dergelijk verzoek wordt afgewezen, dan kan de burger de
zaak altijd voorleggen aan de bestuursrechter. Dat is hoe we de
rechtsbescherming hebben geregeld.
Dan de vraag van de heer Sneller en mevrouw Faber.
De voorzitter:
Een ogenblik. Er is nog een interruptie van mevrouw Mutluer op dit
punt.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ja.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Het is interessant hoe het is geregeld, maar eigenlijk zijn de vragen of
we daarmee alle problemen tackelen en wat de ervaring is met hoe we het
hebben geregeld nog interessanter. Een van de suggesties die ik doe in
mijn motie is om het corrigeren veel toegankelijker en makkelijker te
maken. Ik vind de gang naar de rechter best ingewikkeld. Dus ik wil van
de staatssecretaris horen hoe ze daarnaar kijkt en of ze mogelijkheden
ziet om dit voor de toekomst wat eenvoudiger te maken.
Staatssecretaris Van Bruggen:
In de appreciatie van de motie zo dadelijk kan ik erop terugkomen, maar
het belangrijkste is dat het "zo makkelijk mogelijk" moet zijn.
Rechtsbescherming is gewoon een ongelofelijk belangrijk uitgangsprincipe
en -beginsel van onze rechtstaat. Het is belangrijk dat we er alles aan
doen om dat te waarborgen. Daar hebben we de formele routes voor. Dus
dit is ook het formele antwoord over hoe dat geregeld is. Maar weet dat
dit voor mij een belangrijk onderwerp en onderdeel is.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Tot slot, voorzitter. De formele route snap ik. Wellicht moeten we een
keertje met een hele open blik kijken naar die formele route en wat
daarin wellicht anders of beter kan. Ik hoop dat de staatssecretaris
daarvoor openstaat en dat wellicht al in gang wil zetten. Graag een
reactie daarop.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ik ben altijd bereid om erover na te denken hoe we de rechtsbescherming
in Nederland zo goed mogelijk regelen. Als het ten aanzien van dit
onderwerp belangrijk is om daarover door te praten, ben ik daartoe van
harte bereid.
De voorzitter:
De staatssecretaris vervolgt haar betoog.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ja, ik vervolg de beantwoording, met een vraag van de heer Sneller en
mevrouw Faber. Wat moeten we doen om die foutenmarge van 8% naar beneden
te krijgen? Er zijn al diverse herstelacties voltooid. Er wordt een
meetmethode ontwikkeld om registraties te vergelijken tussen het OM en
Justid. We gaan hier natuurlijk nog over in gesprek in het debat dat we
hierover zullen hebben. Het programma foutieve tenaamstellingen is
ingesteld. Ik hoop in juni een heel scherp beeld te hebben, ten eerste
van wat er is gebeurd en ten tweede van hoe we voorkomen dat het ooit
weer gebeurt. U vroeg ook om een toelichting op die 8%. Het kan
bijvoorbeeld komen door foutief aangeleverde informatie door
ketenpartners. Die komt dan uiteindelijk terecht in justitiële
documentatie van Justid. Het voorbeeld dat genoemd werd over het OM
klopt. Het kan zijn dat het daar begint. Dat gaan we dus graag na, en
daar gaan we met elkaar het gesprek over aan.
Dan de vervolgvraag van de heer Sneller over de wijziging van het
besluit. Welke gegevens hebben we dan? Kan de motivering voor
evenredigheid uit dit wetsvoorstel die wijziging van het besluit dragen?
Het betreft dan de gegevens die niet verplicht hoeven te worden
verstrekt op grond van het ECRIS-kaderbesluit. Dit gaat over de
hypothetische situatie dat de ruimte volstrekt genomen wordt binnen de
situatie die nu nog niet denkbaar is voor ons maar die zich zou kunnen
voordoen, namelijk het zonder een wetswijziging wel heel erg oprekken
van het besluit. Die situatie zou van toepassing kunnen zijn op de
gegevens inzake de vingerafdrukken en de gezichtsopname. Het is binnen
het besluit dus wel degelijk mogelijk om dat te wijzigen zonder daar een
wetswijziging voor aan te moeten gaan. Die evenredigheidsafweging zal
bij de wijziging van het besluit wel opnieuw worden gemaakt. Maar goed,
dat doet natuurlijk niet af aan de zorg die u daarmee onderliggend
uitspreekt.
Dan nog een vraag van mevrouw Faber. Als je visumvrij reist, moet je
reisautorisatie aanvragen via ETIAS. Wordt er dan ook gecontroleerd in
ECRIS? Worden derdelanders die een visum nodig hebben sowieso
gecontroleerd in ECRIS of anderszins? Bij de aanvraag van een ETIAS door
een visumvrije derdelander wordt ook een check gedaan in ECRIS. Wat
visumplichtige derdelanders betreft is de minister van BZ, Buitenlandse
Zaken, bezig met de implementatie van de herziene VIS-verordening. In
dat kader zal bij toekomstige visumaanvragen ECRIS bevraagd worden. Voor
verdere informatie hierover verwijs ik dan ook graag naar de collega die
verantwoordelijk is voor juist dit visumbeleid.
Mevrouw Faber (PVV):
De staatssecretaris geeft aan dat als je visumvrij reist, het via ETIAS
gaat. Je moet de autorisatie aanvragen en dan worden de gegevens dus wel
gecontroleerd, ook in ECRIS. Maar zitten daar dan ook al de gegevens in
die zijn verstrekt door het Verenigd Koninkrijk?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Dat antwoord moet ik achterwege laten. Ik denk dat het belangrijk is dat
we het Verenigd Koninkrijk nog steeds als apart onderdeel in de
beantwoording blijven uitleggen, zoals ik dat ook in de eerdere
beantwoording heb gedaan. Ik wil hier ook niet onzorgvuldig in zijn. Als
dat goed is, zal ik dus graag schriftelijk terugkomen op hoe het
geregeld is voor het visumvrije reizen.
Dan de vraag van mevrouw Mutluer — ik kijk even — of het wetsvoorstel
voldoet aan de principes van proportionaliteit en subsidiariteit.
Volgens mij is dit dan ook meteen de laatste vraag en ga ik daarna over
naar de moties. Het gebruik van ECRIS betreft de verwerking van
persoonsgegevens. Dat moet evenredig zijn. De verwerking betreft in deze
context een beperking van het recht op eerbiediging van het privéleven
en het recht op de bescherming van persoonsgegevens. Een beperking kan
slechts worden ingesteld als het noodzakelijk is en als het geschikt is
om een legitiem doel te verwezenlijken. De doelen van het gebruik van
ECRIS die in dit wetsvoorstel worden geregeld, dienen dat legitieme
doel. Het gebruik van ECRIS is daartoe noodzakelijk en geschikt. In een
Europa zonder binnengrenzen is buitenlandse informatie over
veroordelingen belangrijk voor het al dan niet verstrekken van de
verklaring omtrent het gedrag, het Bibob-advies, het
geschiktheidsonderzoek naar aspirant-adoptiefouders en -pleegouders en
het intrekken of verlenen van een verblijfsvergunning voor de
Nederlandse nationaliteit.
Voorzitter. Dan ga ik graag over naar de appreciatie van de moties die
we hebben gekregen. Dat zijn er acht, te beginnen met de motie van
mevrouw Faber op stuk nr. 8. Dat is een verzoek aan de regering om bij
naamswijzigingen alle oud-vonnissen op de juiste wijze te koppelen aan
de nieuwe naam in overheidssystemen. Die wil ik heel graag aan het
oordeel van de Kamer laten, met dien verstande dat het al gebeurt. Ik
laat het dus vooral aan uw Kamer wat u daar verder mee zou willen.
Dan de tweede motie van mevrouw Faber …
Mevrouw Faber (PVV):
De staatssecretaris geeft aan dat het al gebeurt, dat het omgehangen
wordt; laat ik het maar zo noemen. Maar ik heb wel al eerder in dit
debat gevraagd of er bij naamswijziging in ECRIS wordt gecontroleerd.
Toen was het antwoord volgens mij: nee. Misschien is het …
Staatssecretaris Van Bruggen:
Het zijn dan ook twee verschillende dingen, hè?
De voorzitter:
Ja, mevrouw Faber? Uw vraag.
Mevrouw Faber (PVV):
Pardon, voorzitter. Het ligt er natuurlijk wel aan uit welke hoek je het
bekijkt. Ik begrijp dan uw vorige antwoord, maar u zegt al — ik moet het
via de voorzitter zeggen — dat de namen als het ware worden omgehangen.
Heb ik dat goed begrepen? Stel dat je eerst A heette en daarna B. Op het
moment dat je B bent, wordt dat in ECRIS op B geregistreerd. Klopt
dat?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ja. Het gebeurt al. Ik laat het dus ook graag aan uw Kamer of u wilt dat
ik daar op een andere manier mee zou omgaan. Maar ik kan me voorstellen
dat de bedoeling van de motie juist is dat we dat blijven doen.
Mevrouw Faber (PVV):
Juist.
De voorzitter:
Daarmee heeft de motie op stuk nr. 8 oordeel Kamer. We gaan naar de
motie op stuk nr. 9.
Staatssecretaris Van Bruggen:
De motie op stuk nr. 9 is ook van mevrouw Faber en verzoekt de regering
om afspraken te maken met andere EU-lidstaten om informatie uit te
wisselen in het kader van de Vreemdelingenwet 2000. Ook hier: oordeel
Kamer. Met de implementatie van de EU-systemen zoals ETIAS en VIS wordt
dit mogelijk. Ik laat het dus ook graag aan u hoe u dit zelf zou willen
zien.
Dan de motie op stuk nr. 10 over zorgen voor duidelijke, toegankelijke
procedures voor correctie van onjuiste gegevens en waarborgen dat
burgers weten bij welke instantie ze terechtkunnen, en zich in Europees
verband inzetten voor een betere datakwaliteit. Die motie is van mevrouw
Mutluer. Die neem ik graag over. Het is echt ondersteuning van beleid,
dus ik neem 'm graag over.
De voorzitter:
Ik kijk even naar mevrouw Mutluer. Ja?
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
We gaan niks overnemen. Ik wil hem graag in stemming brengen, want ik
vind dat wel belangrijk. Het is wel een signaal. Niets ten nadele van
deze staatssecretaris, want ik waardeer het enorm dat ze het
onderschrijft. Maar wel graag de motie in stemming brengen, omdat die
een duidelijk signaal is, gelet op de foutmarges die aannemelijk
zijn.
De voorzitter:
Nou, als de indiener zich verzet tegen overnemen, dan wordt de motie in
stemming gebracht.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Zeker. Dan wordt de appreciatie van de motie op stuk nr. 10 oordeel
Kamer.
De motie op stuk nr. 11 van de heer El Abassi verzoekt de regering om
voor inwerkingtreding van deze wet een volledig en concreet overzicht
aan de Kamer te sturen van alle categorieën persoonsgegevens die via
ECRIS worden verwerkt en gedeeld. Die motie laat ik graag aan het
oordeel van de Kamer.
De motie op stuk nr. 12 vraagt de regering per niet-strafrechtelijk doel
afzonderlijk te onderbouwen waarom het gebruik van ECRIS noodzakelijk
is. Gevraagd wordt ook waarom minder ingrijpende alternatieven niet
volstaan. Dat doen we niet. We gaan juist opschrijven wat we wél doen en
niet alles noteren wat we niet van plan zijn om te doen, dus ik ontraad
deze motie.
Dan hebben we de motie stuk nr. 13 die gaat over het expliciet
vastleggen voor welke doelen ECRIS niet mag worden gebruikt. In het
verlengde van mijn eerdere antwoord ontraad ik deze motie.
De motie op stuk nr. 14 verzoekt de regering binnen drie jaar na
inwerkingtreding een evaluatie uit te voeren. Mijn voorstel hierbij zou
zijn … Normaal gesproken doen we een evaluatie na vijf jaar. Als het
mogelijk zou zijn voor de indiener om daar ook de ruimte te zoeken, dan
laat ik die motie graag aan het oordeel van de Kamer.
De voorzitter:
Ik kijk even naar de heer El Abassi. "Drie jaar" moet wat minder strikt
worden geïnterpreteerd dan drie jaar. Is hij het daarmee eens?
De heer El Abassi (DENK):
Mag ik dat opvatten als maximaal vijf jaar, dus tussen de drie en vijf
jaar?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Uitstekend.
De voorzitter:
Ja? Met die interpretatie krijgt de motie op stuk nr. 14 oordeel
Kamer.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 15. Die gaat over de aanvullende
waarborgen op het vlak van misidentificatie en onterechte koppelingen in
ECRIS. Dit is ook een motie van de heer El Abassi. Ik ga die ontraden,
want er zijn er al voldoende waarborgen. Het is een bestaande
verplichting, dus hier is de appreciatie: ontraden.
Voorzitter, dan kom ik tot het eind van mijn bijdrage.
De voorzitter:
Hartelijk dank daarvoor. Daarmee is er ook een einde gekomen aan uw
eerste plenaire debat. U bent nu een ervaring rijker. Het is te danken
aan de bodes dat het katheder een beetje omhoog- en omlaaggaat. Er wordt
op u gelet, inderdaad.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Zeker. Hartelijk dank.
De algemene beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
We gaan op dinsdag 14 april stemmen over het wetsvoorstel, de ingediende
moties en het amendement. Er is één amendement ingediend.
We gaan nu schorsen; best wel lang, 40 minuten, want het volgende debat
kan pas om 15.00 uur starten. Dat gaat over de kraamzorg.
De vergadering wordt van 14.20 uur tot 15.00 uur geschorst.