[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Wijziging van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens ter vastlegging van de doelen van het gebruik van het Europees strafregisterinformatiesysteem (36657) (ongecorrigeerd)

Stenogram

Nummer: 2026D15894, datum: 2026-04-02, bijgewerkt: 2026-04-03 09:24, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


Vastlegging van de doelen van het gebruik van het Europees strafregisterinformatiesysteem

Voorzitter: Michon-Derkzen

Vastlegging van de doelen van het gebruik van het Europees strafregisterinformatiesysteem

Aan de orde is de behandeling van:

  • het wetsvoorstel Wijziging van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens ter vastlegging van de doelen van het gebruik van het Europees strafregisterinformatiesysteem (36657).

De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. We bespreken vandaag het wetsvoorstel Wijziging van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens ter vastlegging van de doelen van het gebruik van het Europees strafregisterinformatiesysteem. Dat is een hele mond vol. We hebben zeven sprekers in de eerste termijn. Ik wil maar gelijk starten met die eerste termijn.

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De voorzitter:
Ik nodig mevrouw Faber uit voor haar bijdrage. Mevrouw Faber spreekt namens de PVV. Het woord is aan u.

Mevrouw Faber (PVV):
Dank u wel, voorzitter. ECRIS is een systeem bestaande uit decentrale informatiesystemen van de EU-lidstaten waarin veroordelingen worden geregistreerd. ECRIS voorziet in de infrastructuur voor de onderlinge uitwisseling van informatie over veroordelingen. Het zijn niet enkel veroordelingen van burgers wonende in de lidstaten, maar ook van burgers uit derde landen. Alleen derdelanders worden geregistreerd in ECRIS-TCN, dat weer een onderdeel is van ECRIS.

Op dit moment kan er informatie worden uitgewisseld ten bate van de strafrechtpleging. Denk aan de vog gerelateerd aan activiteiten waarbij er sprake is van direct contact met kinderen, een uittreksel van justitiële gegevens en vergunningen voor explosieven. Zo kan de overheid ECRIS bijvoorbeeld raadplegen om te kijken of een burger veroordeeld is in een andere lidstaat. Dit kan gevolgen hebben voor de afgifte van een vog voor iemand die bijvoorbeeld wil werken met kinderen.

Voorzitter. In Nederland is Justid de centrale autoriteit in dezen. Doet de naam Justid bij u een bel rinkelen? Dat doet die in ieder geval wel bij de Rekenkamer. Bij minimaal 867 vonnissen werd namelijk een foute tenaamstelling geconstateerd. In 141 gevallen zou het zelfs gaan om ernstige zaken zoals moord en doodslag, geweld, terroristische misdrijven en zeden- en drugsdelicten. Dat is echt geen kattendrek.

Het was niks nieuws, want dit probleem kwam al twaalf jaar geleden oppoppen, in 2014. Het werd onderschat en vooruitgeschoven. Dat is niet mijn conclusie, maar die van de Auditdienst Rijk, de ADR. U zou denken dat men zich een dergelijke conclusie zou aantrekken. Maar wat blijkt? Als men dacht dat het niet klopte, gingen medewerkers gewoon door met het wijzigen van namen in dossiers. Je vraagt je dan ook af of er zaken tussen zitten die te kwader trouw zijn gewijzigd. Het is niet met zekerheid te zeggen dat dat niet het geval is. Medewerkers die aan de bel trokken, zouden zijn tegengewerkt. Zo kunnen zware jongens onder de radar blijven. Stelt u zich eens voor dat een zedendelinquent een positief advies krijgt om te werken met kinderen of dat een onschuldige ten onrechte in een Bulgaarse cel belandt. Zie daar maar eens uit te komen. Je moet dan maar hopen dat de Nederlandse overheid alles op alles zet om jou uit die cel te halen, waar je door haar fout in bent terechtgekomen. Deze puinzooi raakt de kern van de rechtsstaat. Gaat de staatssecretaris nu, twaalf jaar later, eindelijk eens de boel op orde brengen bij Justid? Graag een reactie van de staatssecretaris.

Voorzitter. Iemand kan ook onopgemerkt blijven als de persoon in kwestie zijn of haar naam wettig heeft gewijzigd en het misgaat bij het automatisch koppelen van de overheidssystemen. Mijn vraag aan de staatssecretaris is dan ook: wordt er bij een naamswijziging gecontroleerd op de aanwezigheid van eventuele vonnissen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen worden er dan genomen om een mismatch te voorkomen?

Voorzitter. Ik heb nog een dingetje. Jarenlang heeft Nederland ten onrechte gegevens doorgespeeld inzake strafbeschikkingen, terwijl ECRIS enkel voorziet in het uitwisselen van informatie over veroordelingen. Zo zijn er van 2012 tot en met 2022 ten onrechte zo'n 22.000 strafbeschikkingen verstrekt. De staatssecretaris geeft aan dat deze praktijk is stopgezet, maar de vraag is of deze strafbeschikkingen nog steeds worden opgenomen in ECRIS. En hoe zit het met geseponeerde zaken? Worden deze ook nog steeds opgenomen in ECRIS? Zo ja, waarom? Graag een reactie van de staatssecretaris.

Voorzitter. De staatssecretaris wil gebruikmaken van de mogelijkheid om de informatie-uitwisseling uit te breiden. Zij wil extra nationale doelen toevoegen. Dit betreft een uitbreiding rond de vog, de Wet Bibob, het geschiktheidsonderzoek voor aspirant-adoptiefouders en -pleegouders, en migratiebeslissingen inzake de Vreemdelingenwet 2000. Er kan een uitwisseling van informatie plaatsvinden tussen twee EU-lidstaten die beide zijn voorzien van een nationale wettelijke grondslag. Maar gaat de staatssecretaris hier ook de boer voor op? De vraag is: in hoeverre willen andere lidstaten deze doelen omarmen? De staatssecretaris kan nu niet aangeven of andere lidstaten extra doelen ambiëren. Het lijkt erop dat dit ook niet het gesprek van de dag is tijdens internationale bijeenkomsten en overleggen. Is deze stelling juist?

Daarbij komt dat de staatssecretaris liever leunt op multilaterale afspraken op EU-niveau, omdat bilaterale afspraken veel diplomatieke inspanningen vergen. Zij wil zich wel uitsloven voor de vog, maar niet op het gebied van migratiebeslissingen inzake de Vreemdelingenwet, terwijl migratie een van de grootste zorgen is in de samenleving, zeker als het de openbare orde betreft. Waarom maakt de staatssecretaris zich er niet hard voor om zo snel mogelijk afspraken te maken met andere lidstaten inzake het uitwisselen van informatie over veroordeelden met een migratieachtergrond?

Voorzitter. Het Verenigd Koninkrijk gedraagt zich altijd anders dan het continent: links rijden, een afwijkend meetstelsel enzovoorts. De brexit begrijp ik dan nog wel. Er werd een handels- en samenwerkingsovereenkomst gesloten tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk. Dit laat zien dat je als niet-EU-lidstaat ook op vrijwillige basis aansluiting kunt hebben met de Europese Unie, zonder je soevereiniteit op te geven. Vervolgens kun je gewoon bilaterale afspraken maken met een EU-lidstaat, zoals nu het geval is tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk. Nederland wil de uitvoeringswet wijzigen ten bate van die extra doelen, zodat er tussen beide landen extra informatie-uitwisseling mogelijk is. Het is onbegrijpelijk dat de staatssecretaris dit weigert te doen inzake de toegang tot Nederland voor vreemdelingen bij de grens. Het Verenigd Koninkrijk geeft aan deze gegevens niet door te kunnen geven. De reden daarvoor is dat het nog onderwerp van discussie zou zijn tussen het Verenigd Koninkrijk en de Europese Commissie. Ik vind dat geklets. Je kunt altijd bilaterale afspraken maken. Extra bilaterale afspraken zijn zelfs opgenomen in dit wetsvoorstel. Waarom kan je wél afspraken maken over informatie ten bate van een uitbreiding van de vog, de Wet Bibob of een geschiktheidsonderzoek aspirant-adoptiefouder en -pleegouder, maar níét over de toegang van vreemdelingen aan de grens? Zijn over dit laatste echt geen gesprekken gevoerd? Wil het Verenigd Koninkrijk echt geen informatie uitwisselen inzake veroordelingen van deze vreemdelingen? Of wil de staatssecretaris dat niet? Graag een reactie.

De staatssecretaris schermt vervolgens met ETIAS. ETIAS zou de poortwachter zijn aan de grens. ETIAS zou in 2026 in gebruik worden genomen. Wat is de status in dezen? Graag een reactie. Reizigers die visumvrij naar Nederland kunnen reizen, moeten zich voor het inreizen aanmelden bij ETIAS. Het ETIAS-systeem werkt betreffende derdelanders alleen voor visumvrije derdelanders, maar hoe zit het met derdelanders die wel een visum nodig hebben? Worden die ook gecontroleerd door ETIAS of op andere wijze?

Ik zal het nader toelichten. Derdelanders die vanuit het Verenigd Koninkrijk naar het Schengengebied reizen, kunnen dat op basis van een visum of zijn vrijgesteld van een visum. Indien men is vrijgesteld van een visum, dient men voorafgaand aan de reis naar het Schengengebied een ETIAS-autorisatie aan te vragen. Dit is een reisautorisatie. Het bijzondere is dat bij de aanvraag via ETIAS ook ECRIS wordt geraadpleegd. Worden daarbij ook gegevens door het Verenigd Koninkrijk met Nederland uitgewisseld? Als dat het geval is, heeft dit gevolgen voor visumvrije derdelanders. Worden deze dan geweigerd aan de grens?

Dan de derdelanders die wél een visum nodig hebben. Zij vragen geen reisautorisatie aan via ETIAS. Zij moeten een visum aanvragen. Maar hoe zit dat dan? Wordt er bij het toewijzen van een visum wel of niet informatie uitgewisseld tussen het Verenigd Koninkrijk en Nederland, al dan niet via ECRIS? Graag een reactie van de staatssecretaris.

Tot zover, voorzitter.

De voorzitter:
Ik dank mevrouw Faber. Ik zie dat er geen interrupties zijn. Dan gaan we luisteren naar de bijdrage van mevrouw Mutluer. Zij spreekt namens GroenLinks-PvdA. Gaat uw gang.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Onwijs fijn om u weer een keertje te zien, alleen nu van een andere kant en niet als collega-woordvoerder Justitie en Veiligheid. Ook heel fijn om mijn eerste debat te mogen voeren met deze staatssecretaris. Dus welkom!

Voorzitter. Vandaag spreken wij over de Wijziging van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Die oogt op het eerste gezicht best wel technisch, maar in werkelijkheid zet die een hele noodzakelijke stap in hoe wij omgaan met strafrechtelijke gegevens binnen Europa. Mevrouw Faber startte met een korte inleiding, en ook ik heb daar even behoefte aan, juist vanwege dat technische element. Daarna zal ik een aantal hele concrete vragen aan de staatssecretaris stellen.

Sinds 2012 bestaat het Europees Strafregister Informatiesysteem, dat lidstaten verplicht om informatie over strafrechtelijke veroordelingen met elkaar te delen ten behoeve van de opsporing, vervolging en berechting bij strafbare feiten in een andere lidstaat. Ik ben blij dat dat grotendeels goed is geregeld, maar dat hele informatiesysteem wordt veel breder gebruikt. Het wordt ook betrokken bij een vog, een Bibob-toets, bij adoptieprocedures, en bij besluiten over verblijfsvergunningen en het Nederlanderschap. Dat vind ik ook logisch, want het risico voor de samenleving is niet kleiner als een veroordeling in een andere lidstaat en niet in Nederland is uitgesproken.

De vier doelen worden nu bij wet verankerd. Tegelijkertijd constateer ik dat voor deze vormen van gebruik tot nu toe een expliciete wettelijke grondslag ontbrak. Wij dachten allemaal dat dat niet nodig is, maar onder invloed van de Europese regelgeving en dus ook de privacy is die opvatting, terecht, niet langer houdbaar. Juist omdat het hier om zeer gevoelige strafrechtelijke persoonsgegevens gaat, vind ik het goed dat deze praktijk nu alsnog een duidelijke wettelijke basis krijgt, want dat vergroot de rechtszekerheid, de transparantie en de controleerbaarheid.

Mijn fractie staat dus in beginsel positief tegenover dit wetsvoorstel. Ik heb echter een aantal kritische kanttekeningen. De Raad van State heeft in zijn advies terecht benadrukt dat de verwerking van strafrechtelijke gegevens diep ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer. De raad vroeg de regering dan ook om nadrukkelijk aandacht te schenken aan de proportionaliteit en de doelbinding. De regering, het kabinet, heeft deze opmerking overgenomen en de toelichting aangevuld, onder andere door expliciet te maken dat er bij het gebruik van het Europees Strafregister Informatiesysteem steeds een evenredigheidstoets moet komen. Mijn fractie wil wel benadrukken dat dit niet alleen een papieren waarborg mag zijn. Mijn eerste vraag is: hoe wordt in de praktijk geborgd dat die evenredigheidstoets daadwerkelijk en consequent wordt uitgevoerd? En wie houdt daar überhaupt toezicht op? Graag een reactie.

In het verlengde van wat de Raad van State opmerkte, heeft ook de Autoriteit Persoonsgegevens gevraagd om een betere onderbouwing van de noodzakelijkheid, rechtszekerheid en doelbinding bij het gebruik van deze gegevens. Hoe breder de doelen worden geformuleerd, hoe groter het risico dat gegevens in de toekomst voor andere doeleinden worden ingezet dan oorspronkelijk bedoeld. Dat moeten we zien te voorkomen. Ik wil weten hoe het in de uitvoering gaat. Ten behoeve van de procedures binnen het migratierecht en het nationaliteitsrecht wordt het Europees Strafregister Informatiesysteem al gebruikt. In de nota naar aanleiding van het verslag geeft de staatssecretaris al aan dat de wet zal leiden tot een toename van het gebruik en daardoor ook van de kosten en werklast bij de IND. Ik wil dat de staatssecretaris daar toch nog even nader op ingaat, want ik mag aannemen dat het in de wet vastleggen van een staande praktijk eigenlijk geen verschil zou moeten uitmaken voor de werkwijze en de belasting van de IND. Als daar wel iets in verandert, zoals ook in de nota stond, wat is dat dan en wat gaat de staatssecretaris daaraan doen?

Dan het punt van toegang tot gegevens. De burgemeesters van een aantal Brabantse gemeenten hebben heel nadrukkelijk de wens uitgesproken om zelf toegang te krijgen tot het Europees Strafregister Informatiesysteem voor hun lokale Bibob-onderzoeken. Ik snap die behoefte, maar gezien de gevoeligheid van deze gegevens heb ik hier wel de nodige vraagtekens bij. Is het, zo vraag ik aan de staatssecretaris, niet belangrijk dat toegang tot strafrechtelijke gegevens strikt wordt begrensd en zorgvuldig wordt georganiseerd? De gemeenten hebben nu al de mogelijkheid om gebruik te maken van het Landelijk Bureau Bibob, dat wel toegang heeft tot deze informatie. Ik wil dat de staatssecretaris bevestigt, ook voor de Handelingen, dat deze route beschikbaar blijft en dat er geen voornemen is om directe toegang tot het ECRIS voor gemeenten te verruimen.

Voorzitter. Tot slot een punt over de reikwijdte van het Europees Strafregister Informatiesysteem. Ik dacht dat mevrouw Faber daar ook even aan refereerde. Strafbeschikkingen worden momenteel niet opgenomen in het ECRIS, omdat het formeel geen veroordelingen zijn. Tegelijkertijd weten we dat strafbeschikkingen in Nederland wel degelijk een rol kunnen spelen bij de beoordeling van iemands integriteit, bijvoorbeeld bij een vog. Het kan daarbij gaan om feiten als diefstal, bedreiging, heling of lichte mishandeling die wel relevant zijn. Daarom heb ik de volgende vraag aan de staatssecretaris. Bestaat er in Nederland of in Europees verband de behoefte om dit anders te regelen? En wordt er overwogen om in de toekomst ook strafbeschikkingen of vergelijkbare instrumenten in andere lidstaten onder het bereik van het Europees Strafregister Informatiesysteem te brengen?

Ik rond af, voorzitter. Dit wetsvoorstel brengt de praktijk en de wetgeving weer met elkaar in overeenstemming. Ik vind dat heel verstandig, maar juist bij de verwerking van strafrechtelijke gegevens geldt: hoe groter het belang, hoe groter de verantwoordelijkheid. Voor mij en mijn fractie blijven deze kernwaarden daarom helder: strikte doelbinding, zorgvuldige toepassing en stevige waarborgen voor burgers. Met die kanttekeningen kunnen wij positief kijken naar dit wetsvoorstel en wacht ik de antwoorden van de staatssecretaris af.

De voorzitter:
Dank u wel. Dit leidt tot een vraag van mevrouw Faber.

Mevrouw Faber (PVV):
Even een verhelderende vraag aan mevrouw Mutluer. Mevrouw Mutluer had het erover dat strafbeschikkingen ook een rol kunnen spelen in beoordelingen, maar worden er in Nederland niet veel strafbeschikkingen uitgegeven omdat onze strafrechtketen verstopt zit en het OM en de rechtbank niet voldoende capaciteit hebben?

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Dat is een terechte vraag. Hij is een beetje buiten de orde van dit wetsvoorstel, maar we hebben niet voor niets met collega Ellian een hele uitgebreide parlementaire verkenning gedaan van de vastgelopen strafrechtketen. Wij willen gewoon dat slachtoffers serieus worden genomen door de politie, dat daders worden vervolgd, dat het OM genoeg capaciteit heeft en dat rechters ook genoeg ruimte hebben om hun werk te doen. Dat is nu niet aan de orde. Er zijn natuurlijk wel richtlijnen om wel of geen strafbeschikkingen toe te kennen. In mijn beleving moet daar gewoon heel zorgvuldig mee worden omgegaan. Alleen omdat je anders geen capaciteit hebt, mag niet de reden zijn om die richtlijnen te gebruiken. Ik snap wel waar mevrouw Faber naartoe wil. Volgens mij moeten we deze discussie heel uitvoerig een keertje gaan voeren met de minister van JenV, want de strafrechtketen loopt vast en de daders zijn de lachende derden.

De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee komen we bij de bijdrage van mevrouw Straatman. Ik nodig haar uit. Mevrouw Straatman spreekt namens het CDA.

Mevrouw Straatman (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Het is inderdaad een hele technische wet, dus ik dacht: ik start met een casus. Stel, je runt een taxibedrijf en je zoekt een nieuwe chauffeur. Een Spanjaard, een Pool en een Nederlander solliciteren. Die moeten allen een vog kunnen overleggen. Nu blijkt dat de Spanjaard in kwestie een zedendelict op zijn naam heeft staan in Spanje, dat de Pool op doorreis in Duitsland veroordeeld is voor ernstige mishandeling en dat de Nederlander op vakantie in Griekenland is veroordeeld voor handel in drugs. De werkgever wil natuurlijk dat uit die vog-procedure blijkt dat deze sollicitanten niet geschikt zijn om bij hem in dienst te treden, maar dan moet deze informatie van buiten Nederland wel bij de Nederlandse autoriteiten bekend zijn.

Dat is precies het doel van het Europees Strafregister Informatiesysteem, oftewel ECRIS. Al sinds 2012 maakt ECRIS het mogelijk dat EU-lidstaten onderling informatie uitwisselen over strafrechtelijke veroordelingen. ECRIS zorgt ervoor dat Nederlandse autoriteiten informatie krijgen over veroordelingen in andere EU-landen en andersom krijgt Nederland ook informatie als Nederlanders in het buitenland worden veroordeeld.

Het voorbeeld laat zien dat dit geen overbodige luxe is. Criminelen houden zich niet aan landsgrenzen. Voor onze veiligheid en ter bescherming van kwetsbare groepen of sectoren in de Nederlandse samenleving is het dus van belang om binnen de EU goed samen te werken. Met deze wet benut Nederland de ruimte die de EU biedt om ECRIS ook te gebruiken voor niet-strafrechtelijke doelen. Nederland kiest ervoor om ECRIS ook in te zetten voor onderzoek naar de beoordeling van de vog, ter beoordeling van integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, ten derde ten behoeve van het geschiktheidsonderzoek naar de aspirant-adoptieouder en -pleegouder en ten vierde in het kader van beoordelingen van de openbare orde en de veiligheid in het migratie- en nationaliteitsrecht. Dit zijn wat het CDA betreft logische doelen. Het is evident dat het belangrijk is om ook in deze situaties een volledig beeld te hebben van iemands strafrechtelijk verleden.

Voorzitter. Dat gezegd hebbende, is ECRIS helaas niet een volledig waterdicht systeem. Vandaar dat ik vandaag nog op drie punten wil terugkomen: eerst de effectiviteit, dan de mogelijke uitbreidingsmogelijkheden en tot slot de implementatie van ECRIS-TCN.

Allereerst de effectiviteit. Informatie-uitwisseling via ECRIS voor niet-strafrechtelijke doeleinden is alleen zinvol als andere lidstaten diezelfde niet-strafrechtelijke doelen in nationale wetgeving hebben opgenomen. Met andere woorden, informatie over het strafrechtelijk verleden van de solliciterende taxichauffeur uit Spanje kan Nederland alleen opvragen als Spanje in nationale wetgeving ook heeft opgenomen van ECRIS gebruik te willen maken in het kader van beoordelingen van de vog. Zo niet, dan gaat die informatie alsnog verloren. Daarom heb ik de volgende vragen aan de staatssecretaris op dit punt. Hoe wordt beoordeeld of er sprake is van een zelfde soort doel? Neem opnieuw het voorbeeld van die vog, want dat is een uniek Nederlands systeem. Is voor informatie-uitwisseling ter beoordeling van die vog dan nodig dat met afzonderlijke lidstaten overeenkomsten worden gesloten, zoals met België en Luxemburg is gedaan, of volstaat dat een handjevol andere Europese landen, bijvoorbeeld Duitsland, Letland, Oostenrijk, Polen en Zweden, in nationale wetgeving nu al hebben opgenomen ECRIS te gebruiken voor werkgelegenheidsscreening? Hoe zit dat precies met die beoordeling van hetzelfde doel? In het kader van eenzelfde type vraag geeft de staatssecretaris in de nota naar aanleiding van het verslag aan dat ECRIS op dit moment reeds volledig wordt gebruikt door de Raad voor de Kinderbescherming in het kader van de geschiktheidsonderzoeken en ook door de IND in het kader van de beoordeling van de openbare orde. Mag dan uit deze opmerkingen worden afgeleid dat voor deze twee niet-strafrechtelijke doeleinden praktisch alle andere EU-lidstaten onderling dus al informatie uitwisselen en dat dus diezelfde doelen in die landen al zijn opgenomen in nationale wetgeving?

Voorzitter. Dan het gebruik van een vog bij alle derdelanders. Justis stelt dat hier politieke risico's aan verbonden zijn en beveelt daarom aan ECRIS-TCN niet bij alle vog-aanvragen van derdelanders te gebruiken. Wat is de reactie van de staatssecretaris hierop?

Tot slot op het punt van de informatieverstrekking het volgende. De staatssecretaris schrijft dat uit het ECRIS-TCN-besluit volgt dat er drie categorieën gegevens zijn: zij die altijd worden verstrekt, zij die worden gedeeld voor zover ze in het strafregister staan en zij die worden gedeeld indien voorhanden. Maar wie bepaalt of die aanvullende informatie nu wel of niet wordt verstrekt en wat is hierin de standaardhandelswijze van Nederland?

Voorzitter. Dan kom ik nu bij de mogelijke uitbreidingsmogelijkheden van de wet. In eerdere schriftelijke rondes is door meerdere fracties gevraagd of ECRIS ook nuttig kan zijn voor de afgifte van een vergunning op basis van de Wet wapens en munitie of op basis van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties. Daarop kwam wat het CDA betreft geen heel duidelijk antwoord. Worden deze vergunningaanvragen op dit moment voldoende gedekt door de Wet Bibob of ziet de staatssecretaris nog nut en noodzaak om ECRIS ook buiten het Bibob-traject beschikbaar te maken?

Ten tweede het punt waar mevrouw Faber het ook over had, de gesprekken tussen het Verenigd Koninkrijk en de Europese Commissie. Die lopen op dit moment nog in het kader van migratie en het nationaliteitsrecht, met de bedoeling om ook op die punten informatie uit te wisselen. Maar wat is op dit moment de stand van zaken en kan Nederland eventueel ook bilateraal op dit punt met het Verenigd Koninkrijk afspraken maken?

Voorzitter. Tot slot mijn laatste punt, de implementatie van ECRIS-TCN. In de nota naar aanleiding van het verslag staat dat ECRIS-TCN in november 2025 in gebruik zou moeten zijn, maar dat de planning onzeker is vanwege de vertraging van het inreis-uitreissysteem. Wat is hiervan nu de stand van zaken?

Uit de uitvoeringstoets van Justis blijkt dat Ierland voor vog-aanvragen om te kunnen werken met kinderen niet altijd gegevens verstrekt. De aanbeveling wordt dan ook gedaan om dit met Ierland te bespreken voor implementatie van ECRIS-TCN. Kan de staatssecretaris op dit punt ook een update geven?

Voorzitter, ik rond af. ECRIS laat zien hoe belangrijk Europese samenwerking is. Het is cruciaal om criminelen niet weg te laten komen met grensoverschrijdende criminaliteit. Het is ook heel belangrijk voor de bescherming van kwetsbaren in de samenleving. Wij onderschrijven dan ook de doelstelling van deze wet en kijken uit naar de beantwoording.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee nodig ik de heer Ellian uit voor zijn bijdrage in dit debat. De heer Ellian spreekt namens de VVD. Aan u het woord.

De heer Ellian (VVD):
Dank, voorzitter. Het is goed dat we als Tweede Kamer, maar uiteraard ook als commissie Justitie en Veiligheid, gewoon weer een wet doorakkeren met elkaar, want daar zijn we immers ook toe op aarde als medewetgever.

Voorzitter. Ik heb een korte inbreng. De wet die nu voorligt en ziet op het Europese strafregistratiesysteem — ik kort het even af — beoogt eigenlijk geen beleidswijziging, maar is een verankering van een aantal doelen. Deze doelen stonden overigens al in de uitvoering en het beleid centraal, maar het is goed dat bepaalde doelen ook in de wet worden vastgelegd. Die doelen zijn door een aantal collega's al genoemd. Ik denk dan aan de Wet Bibob, de vog, nationaliteitskwesties en adoptie door pleegouders. Ik wil nog wel toevoegen, ook voor de Handelingen, dat er natuurlijk ook gewoon een EU-rechtelijk doel is, namelijk de opsporing van criminaliteit. Ten behoeve van dat doel, dat in het EU-recht ook is vastgelegd, kunnen natuurlijk ook strafrechtelijke bronnen geraadpleegd worden door lidstaten. Ik wil dat markeren. Ik vraag de staatssecretaris of ik dit goed zie. Dit is namelijk voor mijn fractie misschien nog wel een van de allerbelangrijkste doelen van het Europese strafregistratiesysteem. Uiteraard ook in het licht van de huidige migratiestromen zal dit systeem alleen maar belangrijker worden. Daar wordt natuurlijk een aanvullende database op gemaakt.

Voorzitter. Het viel mij op dat de regering in de nota naar aanleiding van het verslag schrijft: het heeft geen zin om ECRIS te gebruiken voor een doel waarvoor een andere lidstaat geen grondslag heeft. Dat is op zich logisch. Alle lidstaten moeten dezelfde grondslag hebben; dat is ter bescherming van ons allemaal. Maar dan ga ik er natuurlijk wel van uit dat we allemaal diezelfde grondslagen hébben, anders heeft het geen zin. Ten tweede ga ik er dan, in het verlengde van mijn eerste punt, namens de VVD-fractie wel van uit dat die doelstelling van opsporing en berechting van georganiseerde criminaliteit, op EU-niveau sowieso als een paal boven water staat en dat er geen lidstaten zijn die daarin verzaken. Dat lijkt me ook niet kunnen, aangezien EU-recht rechtstreekse doorwerking heeft, maar voor de Handelingen vraag ik het toch maar.

Voorzitter. Een vraag die mij al bezighoudt sinds een jaar of drie geleden, toen we hier ook met elkaar over ECRIS debatteerden, is natuurlijk in hoeverre je aan kunt op de juistheid van het systeem. De wet regelt altijd een aantal zaken zoals doelbinding en grondslagen, en geeft uiteindelijk de ruimte en de eventuele beperkingen aan, maar in de realiteit van het leven moet je kijken hoe iets uiteindelijk tot uitvoering komt. Als ik het me goed herinner, was het een paar jaar geleden zo dat in ECRIS 8% onjuiste gegevens stonden. Dat is vrij fors voor een strafregistratiesysteem. Ik ben benieuwd hoe het staat met de inspanningen, die wel gepleegd moeten worden, om ervoor te zorgen dat het systeem ook de juiste informatie bevat. Ik las daar in de wetstoelichting vrij weinig over. Daarbij wil ik aanhaken bij de vraag van, ik denk, collega Faber. We zijn natuurlijk recent wel opgeschrikt — ik denk dat je dat rustig mag zeggen — door het geval van de Justitiële Informatiedienst, waarbij er minimaal in een geval of 800 vonnissen op de verkeerde naam stonden. Het ging daarbij om een aantal ernstige delicten. Dat kan twee kanten op werken. De ene kant is dat je er volstrekt niks mee te maken hebt, maar je wordt geconfronteerd met de strafrechtpleging, met de uitvoering daarvan. De andere kant is er ook: toedeledokie, ik kom er goed mee weg als ernstig delinquent. Dat baart me zorgen, met name omdat een van de klokkenluiders recent zei dat het ook weleens 50.000 fouten zouden kunnen zijn. Dat raakt natuurlijk wel direct de wet die nu voorligt. Ik ben benieuwd of de staatssecretaris daarop in kan gaan. Volgens mij lopen er aanvullende onderzoeken. Dat is wel van fundamenteel belang, want als onze informatie niet op orde is, dan is het niet gek dat andere lidstaten zeggen: ja, Nederland, je levert foute informatie af. Erger nog is dat misdadigers dan de dans ontspringen.

Voorzitter. Het moge duidelijk zijn dat de VVD-fractie dit wetsvoorstel kan steunen. Het steekt goed in elkaar. Het is duidelijk omschreven. Wij vinden dit ook van belang; vandaar ook mijn vragen over de uitvoering.

Tot slot ben ik echt benieuwd naar de appreciatie van het amendement van collega Faber. Die gaan we straks horen. We moeten namelijk niet doen alsof het Verenigd Koninkrijk nu ver van ons is. Het is nog steeds een superbelangrijke partner, ook als het gaat om georganiseerde criminaliteit en om het tegengaan van grote migratiestromen. Ik begrijp collega Faber wel in die zin dat ze zegt: laten we het gewoon alvast regelen, ook al zijn de Britten er nog niet klaar voor. We horen straks de appreciatie. Als je nu niet wettelijk de mogelijkheid creëert om ten behoeve van het registratiesysteem met de Britten te kunnen samenwerken, moet er dan later weer een nieuwe wet langs de Kamer? Dat zou ik niet zo zinnig vinden, eerlijk gezegd. Ik ben dus benieuwd hoe de staatssecretaris daarnaar kijkt.

Voorzitter, dan ben ik aan het einde van mijn bijdrage. Het is goed om nu alvast even te zeggen dat ik me mogelijk voor de tweede termijn moet verontschuldigen. Dat komt omdat een van de meest spraakmakende rechtszaken in misschien wel de geschiedenis van de strafrechtspleging, wat mij betreft, nu gaande is, namelijk de zaak tegen Inez Weski. Daar wil ik graag even naartoe. Mogelijk ben ik er dus niet in de tweede termijn. Ik verontschuldig me daarvoor, maar ik vertrouw dit toe aan mij collega's. Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Ellian. We gaan luisteren naar de heer Sneller voor zijn bijdrage in eerste termijn. De heer Sneller spreekt namens D66.

De heer Sneller (D66):
Dank voor het teken van vertrouwen, collega Ellian.

Voorzitter. Ik twijfelde even over hoe ik zou beginnen. Ik wilde beginnen met een compliment aan de schrijvers, de opstellers van de nota naar aanleiding van het verslag. Pas bij het lezen van de nota naar aanleiding van het verslag dacht ik te begrijpen wat nou eigenlijk precies in dit wetsvoorstel wordt geregeld en ook waar de dilemma's zitten. Enkele collega's hebben volgens mij al veel terechte vragen gesteld, dus ik zal daar gedurende mijn betoog kortheidshalve af en toe naar verwijzen.

Voorzitter. Het doel van dit wetsvoorstel is natuurlijk om Nederlanders veilig en vrij te houden, dus om ervoor te zorgen dat wij onze levens kunnen inrichten zoals we dat willen. Gelukkig doet Nederland dat niet meer alleen. Nederland is onderdeel van de Europese Unie en dat heeft ons veel gebracht: welvaart, veiligheid, vrede en ook een ruimte zonder binnengrenzen, waarin we vrij kunnen reizen. Dan moeten we wel samenwerken om ervoor te zorgen dat er geen misbruik wordt gemaakt van de vrijheid. Om ons in Nederland veilig te houden, moeten we dus ook Europees samenwerken. Het ECRIS zorgt ervoor dat de justitiële autoriteiten van de lidstaten dat ook kunnen doen. Vervolgens moeten we waarborgen dat dit kan bijdragen aan de veiligheid en dat het ook zorgt voor de juiste doelbinding.

In dat opzicht voelde het gepast om vandaag ook een artikel aan te halen van de Founding Fathers van de Verenigde Staten. Het komt uit 1788, maar bevat wat mij betreft een tijdloze opdracht. Federalist Paper 51 beschrijft namelijk treffend de dubbele opgave van de democratische rechtsstaat: de overheid in staat stellen om burgers te beschermen en burgers tegelijkertijd beschermen tegen diezelfde overheid. Of in hun woorden: "Als mensen engelen waren, zou geen regering nodig zijn. Als engelen over mensen zouden regeren, zouden noch externe, noch interne beperkingen op de overheid nodig zijn. Bij het vormgeven van een regering die door mensen over mensen wordt uitgeoefend, ligt de grote moeilijkheid hierin: men moet de overheid eerst in staat stellen om de burgers te beschermen en haar vervolgens dwingen om zichzelf te beheersen."

Ik dacht daarmee ook wat meer reliëf te geven aan een van die cruciale waarborgen: de doelbinding. Dit is een wat beleidsmatige term die in veel van dit soort debatten en wetsbehandelingen opduikt, maar eigenlijk gewoon betekent dat persoonsgegevens alleen mogen worden gebruikt voor het doel waarvoor ze zijn verzameld, en niet zomaar voor iets anders. Daarom moeten we de bevoegdheden van de overheid en waar de grenzen liggen, precies neerleggen in de wet, niet alleen nu maar ook eventueel in de toekomst. Dat is geen technocratisch detail, maar een voorwaarde voor vertrouwen in de overheid.

Net als voorgaande sprekers ben ik het ook eens met de doelstelling van de wet, maar ik heb nog twee punten. Het eerste gaat over de doelbinding. Ten tweede heb ik een aantal opmerkingen over de uitvoerbaarheid. Ik zal niet alles herhalen, maar maak één opmerking terzijde, omdat deze staatssecretaris ook gaat over wetgevingskwaliteit. Het was weer een zoekplaatje in de memorie van toelichting. We krijgen heel netjes het advies van de Autoriteit Persoonsgegevens meegestuurd over de consultatieversie van de wet. Dan krijgen we het advies van de Raad van State, ook heel netjes, maar dat gaat over de versie die op basis van de consultatie naar de Raad van State is gegaan. De enige versie die wij hier krijgen, is het voorstel van wet zoals het naar de Tweede Kamer is gestuurd naar aanleiding van al die voorgaande adviezen. Dus voor ons is het, om uit te kunnen pluizen of in het wetsvoorstel in voldoende mate uitvoering is gegeven aan de aanbevelingen van bijvoorbeeld de Autoriteit Persoonsgegevens, zeer nuttig om een soort track-changesversie te hebben, waarin we ook kunnen zien hoe die oorspronkelijk luidde en wat ermee gedaan is. Collega Michon-Derkzen, die meeluistert, en ik hebben dit eerder ook gevraagd aan voorgangers van deze staatssecretaris met wetgevingskwaliteit in hun portefeuille en hebben ook gevraagd om dit door te geven aan de rest van de collega's in het kabinet, want daar kunnen wij als medewetgever ons voordeel mee doen.

Collega Mutluer haalde het belang van die doelbinding al even goed aan. Ik wil specifiek het advies van de Raad van State aanstippen. Dat gaat namelijk onder andere over gegevens als namen van de ouders, identiteitsnummers van de veroordeelde, vingerafdrukken en een gezichtsopname, en de vraag of die onder de uitwisseling kunnen vallen. Daar wordt eigenlijk wat gemakkelijk over gezegd: wat je niet bijhoudt, kan je ook niet delen, dus maakt u zich geen zorgen. Tegelijkertijd erkent de regering in de reactie op de Raad van State dat het delen van strafrechtelijke gegevens een significante inbreuk kan vormen op de grondrechten.

Daarnaast staat dat het slechts in een besluit wordt geregeld op basis van de Wjsg. Mijn vraag aan de staatssecretaris is: kan de wettelijke basis die we hier vandaag bespreken een eventuele wijziging van dat besluit dragen? Er wordt terecht veel gewag gemaakt van de noodzakelijkheid, de proportionaliteit en de subsidiariteit, maar dat geldt wel voor de huidige reikwijdte van gegevens zoals in het huidige besluit vastligt. Maar een volgend kabinet kan zomaar besluiten om dat besluit aan te passen, zonder dat de wetgever daar weer iets over te zeggen heeft. Kan dit wetsvoorstel dat ook dragen, nog los van de wenselijkheid ervan?

Voorzitter. Ten slotte drie opmerkingen over de uitvoerbaarheid en de uitvoering. Ten eerste het punt dat collega's Faber en Ellian al hebben genoemd ten aanzien van databases, namelijk garbage in, garbage out. Als de invoer niet juist is, is het ook lastig om er goede gegevens uit te halen, zowel voor de Nederlandse kant maar ook voor andere landen. De percentages die collega Ellian noemde, zijn inderdaad relatief fors. Wat wordt er parallel aan dit wetsvoorstel gedaan om dat op orde te krijgen?

Dan de vraag van collega Straatman en de CDA-fractie in het verslag over wat we eigenlijk kunnen uitwisselen; complimenten voor die vraag. Het is een prachtig raamwerk. We hebben prachtige grondslagen in de wet. Tegelijkertijd hebben 8 van de 27 landen een vog-achtige grondslag. Is het dan de moeite waard, dacht ik toen ik het las. Dat dacht ik ook toen ik de financiële paragraaf las. De kosten bedragen 1,5 miljoen voor een paar uitwisselingen met een paar landen. Is dat nou de moeite waard? Dus daar hoor ik graag meer over.

Met hoeveel landen verwacht men dat er kan worden uitgewisseld op basis van die verschillende extra niet-strafrechtelijke doelen? Dan heb ik het ook specifiek over de vog, omdat daar wat meer op wordt ingezoomd in de impactanalyse/uitvoeringstoets. Daarin wordt namelijk gevraagd: waar is die kostenraming op gebaseerd? Wij gaan ervan uit dat ECRIS voor alle vog-aanvragen in combinatie met alle EU-nationaliteiten wordt bevraagd. Dat gaat om ongeveer 38.000 extra bevragingen van ECRIS voor de vog. Dan is het minder effectief. Als er acht landen zijn, verwacht ik dat dit niet alle EU-nationaliteiten betreft, want er missen er nogal wat. Aan de ene kant doet dat afbreuk aan de effectiviteit en dus de reikwijdte van wat we hier vandaag bespreken. Aan de andere kant betekent dat ook dat de kosten van 1,5 miljoen waarschijnlijk niet zo hoog zullen uitvallen. Tegenwoordig draaien we elk dubbeltje om als het gaat om amendementen die subsidietaakstellingen terugdraaien, dus ik hoor graag hoe dat precies zit. In dit opzicht stel ik ook de vraag over de wederkerigheid met andere landen, want ja, we moeten het dan inderdaad allebei hebben.

Tot slot. We gaan hier een soort extra bevoegdheid creëren in het kader van de Bibob. Er werd door collega Mutluer al verwezen naar de brief van een aantal Brabantse burgemeesters. Daarom wil ik hier toch weer extra aandacht voor vragen, ook op basis van de evaluatie van de Bibob, waar we nog een kabinetsreactie op krijgen. We moeten ook extra aandacht besteden aan de capaciteit en expertise bij het Landelijk Bureau Bibob, waar de doorlooptijden oplopen, zodat het primaire systeem optimaal kan blijven werken. Tegelijkertijd is het ook belangrijk om ervoor te zorgen dat de gegevens waarop die analyse gebaseerd is zo volledig mogelijk zijn. Daar kan dit wetsvoorstel goed bij helpen.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank aan de heer Sneller; dat zeg ik ook als rapporteur wetgevingskwaliteit. We gaan luisteren naar de bijdrage van mevrouw Schilder. Zij spreekt namens de Groep Markuszower. Het woord is aan u.

Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):
Voorzitter, dank u wel. Er is al veel gezegd, dus ik zal mijn verhaal niet al te lang maken. ECRIS is het Europese systeem waarmee strafrechtelijke veroordelingen tussen lidstaten worden gedeeld voor bepaalde doeleinden. Dat is nuttige informatie, want mensen bewegen zich vrij door Europa. Iedereen kan hier aankloppen voor werk, een vergunning of een verblijfsstatus. Dan kun je als overheid niet volstaan met alleen een blik op het Nederlandse strafblad. Je moet het hele plaatje zien en op basis daarvan een beoordeling maken.

Mijn eerste vraag aan de staatssecretaris is dan ook: hoe betrouwbaar en volledig is de informatie die we krijgen op dit moment? Is getest in hoeveel procent van de gevallen lidstaten daadwerkelijk alles delen? Weten we hoe hoog de foutmarge in de justitiële systemen op dit moment is?

Met de wetswijziging die vandaag voorligt, wordt het gebruik van ECRIS-gegevens verbreed bij vog-aanvragen, Bibob-toetsen, adoptie, pleegouders en migratiestukken. Dit zijn logische toepassingen van het systeem, maar hier wringt het gelijk ook. Nederland is namelijk volledig afhankelijk van wat andere lidstaten aanleveren. Als de wetgeving in die landen niet voorziet in gegevensverstrekking voor deze doelen, krijgen we de informatie niet. Daarom mijn volgende vraag: hoe voorkomt de staatssecretaris dat iemand bijvoorbeeld een vog krijgt, terwijl er in een andere lidstaat een relevante veroordeling bestaat die wij niet ontvangen omdat de wetgeving van dat land het delen van gegevens niet toestaat?

Voorzitter. Dat leidt ook tot een ander punt. Van Nederlanders die in Nederland wonen en hier strafbare feiten hebben gepleegd, is alles bekend. Er is een volledig beeld. Daardoor kan een zorgvuldige en volledige afweging worden gemaakt, en dat is goed. Voor burgers uit andere lidstaten is het lastiger. Via ECRIS zijn we afhankelijk van wat een lidstaat deelt. Voor derdelanders is het nog ingewikkelder: ten eerste omdat feiten buiten Europa onbekend blijven, terwijl deze niet minder ernstig zijn, en ten tweede omdat ECRIS-TCN niet operationeel is. Ik vraag de staatssecretaris wat er op dit moment wordt gedaan om ervoor te zorgen dat we ook goede afwegingen kunnen maken voor de groep derdelanders. Hoe weten we wat zij hebben gedaan in landen buiten de EU? En hoe volledig is het beeld van deze groep binnen de EU? Hoe worden die gegevens nu gedeeld? Hoelang gaat het nog duren voordat ECRIS-TCN operationeel is?

Doordat van Nederlanders alle informatie bekend is, maar van mensen uit andere lidstaten en zeker van derdelanders een stuk minder, ontstaat het risico dat Nederlanders zwaarder worden beoordeeld dan niet-Nederlanders. Ik vraag de staatssecretaris hoe zij dit wil voorkomen, want voor iedereen zouden toch dezelfde regels moeten gelden?

Tot slot, voorzitter. Het verbreden van de gronden voor het gebruik van ECRIS-informatie is op zich goed. Het maakt duidelijk in welke situatie we buitenlandse strafgegevens kunnen opvragen. Maar ik vraag me af wat hier het nut van is als het andere lidstaten vrij blijft staan geen informatie te delen. Mijn vraag aan de staatssecretaris is dan ook: hoeveel lidstaten zijn op korte termijn van plan om, net zoals wij, de regels voor ECRIS-informatie te verbreden? Kunnen we de risico's daardoor überhaupt goed inschatten?

Ik kijk uit naar de beantwoording. Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Dit leidt tot een vraag van de heer Sneller. Meneer Sneller, aan u het woord.

De heer Sneller (D66):
Ik miste nog heel even de redenering achter de opmerking dat "Nederlanders zwaarder worden gestraft door dit wetsvoorstel".

Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):
Dank u wel voor de vraag. Nou, niet "zwaarder gestraft". Het gaat mij er voornamelijk om dat alles bekend is van Nederlanders die in Nederland wonen en strafrechtelijke feiten hebben gepleegd. We kunnen dus een goede afweging maken van hun strafblad voordat we bijvoorbeeld een vog afgeven. Van mensen uit derde landen is niet alle informatie beschikbaar. Ik zeg dat Nederlanders daardoor harder worden aangepakt.

De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee komen we bij de laatste spreker in de eerste termijn van de Kamer. Dat is de heer El Abassi. Hij spreekt namens DENK. Aan u het woord.

De heer El Abassi (DENK):
Dank, voorzitter. Ik wil mijn bijdrage beginnen met een citaat van Thorbecke: "Van een waggelend gebouw moet men de fundamenten herstellen, niet hier en daar een enkele steen veranderen." In dat licht spreken wij vandaag over een nieuw wetsvoorstel, de Wijziging van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, waarin wordt vastgelegd voor welke niet-strafrechtelijke doelen het Europese strafregistersysteem, kortweg ECRIS, mag worden gebruikt.

Voorzitter. Op het eerste gezicht is het voorstel technisch en juridisch, maar wie beter kijkt, ziet dat hier een fundamenteel rechtsstatelijk vraagstuk voorligt. In de kern wordt dan ook een fundamentele vraag geraakt: hoever mag de overheid gaan in het verzamelen, uitwisselen en gebruiken van strafrechtelijke gegevens van burgers binnen Europa? Waar met het voorstel de indruk wordt gewekt dat er orde wordt gebracht in een bestaand systeem, gebeurt in werkelijkheid het tegenovergestelde: het fundament wordt niet hersteld, maar de reikwijdte van het systeem wordt verder uitgebreid, terwijl de onderliggende waarborgen voor de bescherming van het privéleven van mensen en hun persoonsgegevens worden aangetast.

Voorzitter. Voor mijn fractie staat het uitgangspunt voorop dat gevoelige strafrechtelijke persoonsgegevens niet zomaar gedeeld en beschikbaar gesteld mogen worden binnen een Europees systeem dat toegankelijk is voor alle lidstaten. Hierbij is namelijk niet alleen sprake van een instrument voor strafrechtelijke samenwerking binnen de EU, maar ook van een systeem waarin gegevens zich gemakkelijk over grenzen verplaatsen en daardoor door meerdere autoriteiten kunnen worden geraadpleegd. De vraag is dan ook niet alleen of gegevens mogen worden gedeeld, maar vooral ook welke gegevens, in welke omvang en met welk doel.

Voorzitter. Het gaat hier niet zomaar om een paar technische aanpassingen. Het gaat om doelen die verder gaan dan het strafrecht alleen. We zien dat strafrechtelijke gegevens zullen worden gebruikt voor andere besluiten, buiten de strafzaak om. Denk aan het beoordelen van een verklaring omtrent het gedrag, aan adviezen in het kader van Bureau Bibob, aan onderzoeken naar geschikte adoptie- en pleegouders en aan beslissingen binnen het migratie- en nationaliteitsrecht.

Voorzitter. Dat baart mij zorgen. De staatssecretaris wekt namelijk de indruk dat ECRIS slechts ziet op beperkte identificatiegegevens en informatie over veroordelingen, zoals naam, geboortedatum, geboorteplaats en het strafbare feit. Maar dat beeld is niet compleet: de staatssecretaris laat belangrijke informatie weg. In werkelijkheid kunnen ook veel verdergaande gegevens van mensen worden gedeeld, zoals aanvullende persoonsgegevens die beschikbaar zijn in strafregisters in andere lidstaten. Denk aan identiteitsnummers, familiegegevens en zelfs biometrische gegevens zoals vingerafdrukken en gezichtsopnamen.

Voorzitter. Daarbij is de Raad van State helder in zijn advies. De raad zegt heel duidelijk: het is niet inzichtelijk welke concrete gegevens precies worden gedeeld via dit systeem. Dat is een zeer essentieel detail, want het delen van strafrechtelijke gegevens raakt direct aan het recht op privacy. Het gaat om informatie die diep ingrijpt in iemands leven, over veroordeling, over strafbaar gedrag en over situaties die mensen hun hele leven kunnen achtervolgen. Daarom dient heel precies duidelijk te zijn wat er wordt gedeeld, met wie, waarom en wat de omvang is. De staatssecretaris noemt de inbreuk op de privacy "gering", maar de Raad van State corrigeert dat beeld nadrukkelijk. Is de staatssecretaris het met mij eens dat het structureel delen van strafrechtelijke persoonsgegevens binnen een Europees systeem als ECRIS een zeer zware inbreuk vormt op het recht op privacy?

Voorzitter. De Raad van State zegt dit niet zomaar. Die verzint dit natuurlijk niet. De raad sluit zich aan bij een duidelijke lijn van het Europese Hof van Justitie. Het Hof heeft herhaaldelijk gezegd dat het verwerken van strafrechtelijke gegevens een zeer, zeer zware inbreuk maakt op het privéleven en op de bescherming van persoonsgegevens. Dat is ook logisch, omdat strafrechtelijke gegevens stigmatiserend werken. Nogmaals, het gaat om informatie over iemands strafrechtelijk verleden, die iemand kan blijven achtervolgen bij het vinden van werk, bij contact met de overheid of bij belangrijke beslissingen over iemands toekomst. Een van de meest zorgwekkende punten is niet alleen de omvang van de gegevensuitwisseling, maar ook de manier waarop deze wet wordt toegelicht.

De Raad van State zegt: de toelichting geeft geen volledig beeld van de gegevens die worden gedeeld. Dat is problematisch, omdat er in een rechtsstaat een eenvoudig uitgangspunt geldt: geen macht zonder transparantie en geen gegevensverwerking zonder duidelijke verantwoording. Wanneer de overheid stelt dat het wel meevalt, terwijl uit Europese regelgeving blijkt dat de gegevensuitwisseling aanzienlijk breder kan zijn, ontstaat er een informatiekloof tussen wat de overheid zegt en wat er daadwerkelijk mogelijk is. Die kloof ondermijnt vertrouwen en rechtszekerheid. Kan de staatssecretaris toelichten hoe het ontbreken van een helder overzicht van de gedeelde gegevens zich verhoudt tot het vereiste van voorzienbaarheid en duidelijkheid, zoals dat volgt uit de grondbeginselen van onze rechtsstaat?

Voorzitter. De genoemde zorg staat immers niet op zichzelf. Ook de Autoriteit Persoonsgegevens is hierover glashelder: deze gegevensdeling is niet noodzakelijk en zelfs onwenselijk. Het gebruik van dit Europese systeem voor deze doeleinden betekent een diepe inbreuk op de grondrechten van mensen en is volgens de autoriteit niet goed te rechtvaardigen. Juist de gezamenlijke signalen van zowel de Raad van State als de toezichthouder op onze privacy, maken dat wij niet kunnen volstaan met een beperkte of optimistische lezing van dit voorstel. Kan de staatssecretaris daarom concreet onderbouwen waarom deze gegevensdeling noodzakelijk is voor niet-strafrechtelijke doelen en waarom minder ingrijpende alternatieven niet volstaan? Waarom kiest de staatssecretaris ervoor het zwaarwegende advies van zowel de Raad van State als de AP niet te volgen?

DENK maakt zich daarnaast ook zorgen over iets wat vaak niet expliciet in wetten staat, maar in de praktijk wel zichtbaar wordt: function creep. Dat betekent dat systemen die worden ingevoerd voor één specifiek doel, gaandeweg worden uitgebreid en steeds vaker voor andere doeleinden worden gebruikt. Vandaag gaat het om de vog, Bibob-adviezen en migratiebeslissingen, maar morgen kan dat veel breder worden. Dat kan niet alleen breder worden, maar kan ook verschuiven van karakter.

Je ziet dat strafrechtelijke gegevens en conclusies steeds vaker worden gebruikt in andere rechtsdomeinen, met ingrijpende gevolgen, die verder reiken dan het strafrecht alleen. Wie goed kijkt naar deze ontwikkeling, ziet een geleidelijke verschuiving van het strafrechtelijke domein naar het bestuursrechtelijke domein. Wij zien niet alleen een uitbreiding van gebruiksdoelen, maar ook een structurele beweging waarbij strafrechtelijke gegevens stap voor stap hun context verliezen. Gegevens die ooit zijn verzameld binnen het strafrecht, met de daarbij horende zware waarborgen en rechtsbescherming, worden vervolgens ingezet in bestuursrechtelijke procedures, waarbij die bescherming aanzienlijk beperkter is. Dat is een ontwikkeling die we in de praktijk steeds vaker zien gebeuren. Daarom gaat DENK nog een stap verder in de beoordeling van dit voorstel. De kernvraag is niet alleen of dit juridisch mogelijk is, maar ook of het wenselijk is binnen een rechtsstaat die burgers tegenover overmatige staatsmacht zou moeten beschermen. Mijn laatste vraag is dan ook of de staatssecretaris het met mij eens is dat de kernvraag niet alleen is wat juridisch mogelijk is, maar ook wat rechtsstatelijk wenselijk is.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:
Dank u wel. Dat leidt tot een vraag van de heer Sneller.

De heer Sneller (D66):
Ik denk dat het goed is dat we heel strikt zijn in de beoordeling van wetsvoorstellen, maar de heer El Abassi maakt er voor mijn gevoel wel een beetje een karikatuur van. Hij stelt bijvoorbeeld dat de Raad van State wordt genegeerd. Over de ernstige mate van inbreuk op grondrechten die kan worden gemaakt door het delen van strafrechtelijke gegevens schreef staatssecretaris Struycken gewoon: "Dit wordt door de regering erkend en is waar nodig verduidelijkt in de memorie van toelichting." De heer El Abassi zegt: de Autoriteit Persoonsgegevens wordt genegeerd. In de memorie van toelichting staat: "Ten slotte is de toelichting op advies van de Autoriteit Persoonsgegevens aangevuld met een onderbouwing van de noodzakelijkheid per doel." Hij zegt: de Autoriteit Persoonsgegevens zegt dat het niet wenselijk is. We hebben best wel veel adviezen van de Autoriteit Persoonsgegevens gelezen. Die kunnen inderdaad flink uithalen, maar dit is er niet zo eentje. Ik zoek dus een beetje naar wat de heer El Abassi vindt van de manier waarop met al die adviezen is omgegaan, want daar moeten we inderdaad streng op zijn.

De heer El Abassi (DENK):
Volgens mij is de Raad van State heel helder. Ik heb het hier voor me. Het is voor hen niet duidelijk welke gegevens er precies gedeeld worden. Het is voor hen niet duidelijk waarom er zo'n grote inbreuk gemaakt moet worden. Het is voor hen niet duidelijk wat de noodzaak en de proportionaliteit zijn. Ik heb geen antwoorden gehoord van de staatssecretaris hierop. Wat betreft antwoord geven in de memorie van toelichting: we weten allemaal dat we dit gewoon moeten verwerken in de wet. Daarnaast is het ook niet voldoende uitgewerkt in de memorie van toelichting. Ik zou zeggen: het moet terug naar de Raad van State; laat de Raad van State daar wat van vinden. Ik vind het antwoord van de staatssecretaris summier. Ik hoor straks graag in haar beantwoording wat ze daar zelf van vindt.

De voorzitter:
Dat leidt niet tot een vervolgvraag. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van het betoog van de heer El Abassi. Ik kijk hem even aan. Is dat het geval?

De heer El Abassi (DENK):
Ja, ik ben klaar. Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:
Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn aan de zijde van de Kamer. Ik wil voorstellen om te schorsen voor de lunch en om de staatsecretaris de beantwoording in haar eerste termijn voor te laten bereiden.

De algemene beraadslaging wordt geschorst.

De voorzitter:
We schorsen tot 12.45 uur. Een belangrijke mededeling daarbij is dat we bij de aanvang van de middagvergadering zullen stemmen over de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026. We schorsen dus tot 12.45 uur en dan stemmen we over de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026. Het debat is geschorst.

De vergadering wordt van 12.08 uur tot 12.45 uur geschorst.

Mededelingen

Voorzitter: Michon-Derkzen

Vastlegging van de doelen van het gebruik van het Europees strafregisterinformatiesysteem

Vastlegging van de doelen van het gebruik van het Europees strafregisterinformatiesysteem

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:

  • het wetsvoorstel Wijziging van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens ter vastlegging van de doelen van het gebruik van het Europees strafregisterinformatiesysteem (36657).

De voorzitter:
Dan gaan we luisteren naar de beantwoording van de zijde van het kabinet. We bespreken de Wijziging van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens ter vastlegging van de doelen van het gebruik van het Europees Strafregister Informatiesysteem. We hebben in de ochtend de eerste termijn van de Kamer gehad.

De algemene beraadslaging wordt hervat.

De voorzitter:
Ik geef graag het woord aan de staatssecretaris voor haar beantwoording.

Staatssecretaris Van Bruggen:
Hartelijk dank, voorzitter. Hartelijk dank ook dat ik hier vandaag mag staan, voor het eerst in de plenaire zaal. Het is meteen een heel mooi onderwerp, waar de verschillende inleidingen van de Kamerleden ook wel een reden tot overdenking gaven. Zo ging het over Thorbecke en de Founding Fathers. Dat is eigenlijk precies wat we vandaag met elkaar wegen. Het is heel belangrijk dat we daar een serieus debat met elkaar over kunnen voeren.

Vandaag behandelt de Kamer het wetsvoorstel over de vastlegging van een aantal doelen voor het gebruik van het Europees Strafregister Informatiesysteem, ECRIS. Het gaat om de volgende doelen, die vanochtend ook al meermaals voorbij zijn gekomen: het onderzoek in het kader van de verklaring omtrent gedrag, de vog, het advies van het bureau bevordering integriteitsbeoordeling door het openbaar bestuur, de Bibob, het geschiktheidsonderzoek naar personen die adoptiefouder of pleegouder willen worden en de beoordeling van de gevolgen voor de openbare orde en nationale veiligheid in het vreemdelingenrecht en de Rijkswet op het Nederlanderschap.

Ik wil graag vooropstellen dat de doelen waarvoor dit wetsvoorstel het gebruik van ECRIS vastlegt al sinds jaar en dag zijn vastgelegd in onze eigen Nederlandse wetgeving voor de raadpleging van de Nederlandse justitiële documentatie. Het zijn dus geen nieuwe doelen, maar wat wel nieuw is voor deze doelen, is dat ECRIS ervoor gebruikt kan worden. Het gaat hierbij om het gebruik van ECRIS voor de doelen die niet verplicht zijn volgens het EU-recht. Welke doelen zijn dan wél verplicht volgens het EU-recht? Dat zijn de strafrechtpleging, het veiligheidsonderzoek voor het werken met kinderen, het verzoek van betrokkenen om een uittreksel van een strafblad en het verlenen van vergunningen voor het gebruikmaken van stoffen waarmee explosieven kunnen worden gemaakt. De nationale wetgever heeft de ruimte om aan het gebruik van het Europese strafrechtinformatiesysteem voor niet-strafrechtelijke doelen zelf invulling te geven. Het wetsvoorstel wijzigt hiertoe de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Daar hebben we het vandaag over. Daarnaast regelt het wetsvoorstel dat voor dezelfde doelen informatie over veroordelingen wordt uitgewisseld tussen het Verenigd Koninkrijk en Nederland. Om dit te regelen wijzigt dit wetsvoorstel de Uitvoeringswet Handels- en Samenwerkingsovereenkomst EU - VK Justitie en Veiligheid. Ik kom daar graag straks in de beantwoording uitgebreider op terug.

Ik ga graag over tot die beantwoording en heb daar vijf blokjes voor ingericht, waarbij het eerste blok gaat over de doelen voor het gebruik van ECRIS. De tweede beantwoordingsmix gaat over migratiebeleid en de samenwerking met het VK. Dan hebben we nog de vragen die gesteld zijn over de waarborgen van het hogere recht, de adviezen van de Raad van State en de AP en als laatste diverse belangrijke andere onderwerpen die voorbij zijn gekomen.

Ik begin heel graag met de doelen. De heren Sneller en Ellian van D66 en de VVD hebben gevraagd hoe het in andere landen zit met de grondslagen voor de gegevensuitwisseling van niet-strafrechtelijke doelen. Zij zijn benieuwd of de andere EU-lidstaten onderling hiervoor informatie kunnen uitwisselen en of bij hen dus nationale grondslagen bestaan. Voor de niet-strafrechtelijke doeleinden vindt reeds informatie-uitwisseling plaats. Indien er sprake is van die informatie-uitwisseling kan ervan uit worden gegaan dat de betrokken lidstaten dit in hun nationale wetgeving hebben verankerd. Het is inderdaad wel de verantwoordelijkheid van die lidstaten zelf om een verzoek om informatie te toetsen aan hun eigen wetgeving en daarvoor dus die wettelijke grondslag ook daadwerkelijk te hebben.

Mevrouw Faber vroeg in hoeverre de lidstaten de doelen willen omarmen. Op basis van de verzoeken van andere lidstaten die de Justitiële Informatiedienst via ECRIS ontvangt, is er het beeld dat de andere lidstaten ECRIS inderdaad voor doelen gebruiken die vergelijkbaar zijn met de doelen van Nederland.

De voorzitter:
Dit leidt tot een vraag van mevrouw Faber. Mevrouw Faber.

Mevrouw Faber (PVV):
Ik heb even een vraag ter verduidelijking. Dat zijn waarschijnlijk de doelen die zijn vastgelegd door de Europese Unie. Of zijn dat de extra doelen die de staatssecretaris wil toevoegen?

Staatssecretaris Van Bruggen:
Het zijn de vastgelegde doelen. Wat betreft die extra doelen moet je natuurlijk onderling ook het vertrouwen hebben dat dat daadwerkelijk ook geregeld is. Ik kom daar later in de beantwoording iets uitgebreider op terug.

De voorzitter:
Ja. Vervolgt u uw betoog.

Staatssecretaris Van Bruggen:
Dan een vraag van mevrouw Straatman van het CDA. Zij vroeg hoe wordt beoordeeld of er sprake is van eenzelfde soort doel in de wetgeving van verschillende lidstaten en of met afzonderlijke lidstaten ook afspraken moeten worden gemaakt. Het is de verantwoordelijkheid — ik val misschien ook wel in herhaling in de verschillende beantwoordingen — van de lidstaten zelf om een verzoek om informatie te toetsen aan hun eigen wetgeving. Indien er sprake is van informatie-uitwisseling moet ervan uit worden gegaan dat de betrokken lidstaten dit in hun nationale wetgeving hebben verankerd. Met andere woorden, daar ligt geen verantwoordelijkheid voor de uitvragende lidstaat, zoals Nederland. Wij gaan daar dus onderling van uit.

Mevrouw Straatman had ook een vraag over de nota naar aanleiding van het verslag. Zij benoemt dat ik daarin aangeef dat ECRIS reeds volledig wordt gebruikt door de Raad voor de Kinderbescherming in het kader van geschiktheidsonderzoeken, door de IND in het kader van de beoordeling van de openbare orde en door Bureau Bibob in het kader van hun beoordeling. Zij vroeg of met deze opmerking aangenomen mag worden dat voor deze drie niet-strafrechtelijke doelen praktisch alle andere EU-lidstaten onderling al informatie uitwisselen en nationale grondslagen dus ook al bestaan. Het is de verantwoordelijkheid van de lidstaten zelf om een verzoek om informatie te toetsen aan hun eigen wetgeving. Indien er sprake is van informatie-uitwisseling moeten we daarvan uitgaan. Dit is, zoals ik net ook al zei, een verantwoordelijkheid die bij de lidstaat zelf ligt. Dit geldt dus ook als het gaat over die geschiktheidsonderzoeken, de beoordeling van de Bibob en de beoordeling van de IND.

Dan de vraag van mevrouw Mutluer over de gemeenten die al toegang hebben tot de Bibob. Zij vroeg of deze toegang beschikbaar blijft en waarom de toegang tot ECRIS niet wordt verruimd. Bestuursorganen, waaronder de gemeenten, hebben geen toegang tot ECRIS in het kader van de toepassing van de Wet Bibob. Bestuursorganen kunnen wel een Bibob-adviesaanvraag indienen bij het Landelijk Bureau Bibob. Het wetsvoorstel geeft het Landelijk Bureau Bibob dan een grondslag om ECRIS te gebruiken voor zijn adviezen. Indien in het kader van de Wet Bibob onderzoek nodig is naar een burger van een andere lidstaat of een burger van een derde land, biedt het advies van het Bureau Bibob dus een uitkomst. De bevoegdheid voor het gebruik van ECRIS is enkel toebedeeld aan het Landelijk Bureau Bibob, omdat dat meer dan de andere bestuursorganen waar u op doelt, dus onder andere de gemeenten, geëquipeerd is om complexe en privacygevoelige Bibob-informatie te verwerken.

Dan de vraag van mevrouw Straatman. In een eerdere schriftelijke ronde is de vraag gesteld of ECRIS ook nuttig kan zijn voor de afgifte van een vergunning op basis van de Wet wapens en munitie of op basis van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties. Daarop kwam volgens haar geen duidelijk antwoord. Worden deze vergunningaanvragen voldoende gedekt door de Wet Bibob of zie ik nog ruimte voor nut en noodzaak om ECRIS buiten het Bibob-traject beschikbaar te stellen voor deze vergunningaanvragen? Het antwoord is dat de Wet wapens en munitie en de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus momenteel worden herzien. In het kader van deze herziening wordt ook gekeken of het wenselijk is om expliciet wettelijk te regelen dat ECRIS bevraagd mag worden voor het proces van de vergunningverlening en voor de controle en het toezicht op vergunninghouders met een niet-Nederlandse nationaliteit. Mogelijk kan bij die vergunningaanvraag van niet-ingezetenen het overleggen van een vog verplicht worden gesteld, waardoor gebruik wordt gemaakt van de nieuwe mogelijkheid van het voorliggende wetsvoorstel om bij een vog standaard ECRIS te bevragen. Via bilaterale contacten wordt reeds navraag gedaan in het betreffende land van herkomst van de aanvrager.

Dan een vraag van de heer Ellian. Klopt het dat de opsporing van georganiseerde criminaliteit ook een doel is in andere lidstaten? Op grond van de EU-regelingen is het gebruik van ECRIS voor een viertal doelen al verplicht. Ik heb die ook opgenoemd in de inleiding. De doelen strekken, in lijn met het doel waarvoor ECRIS is opgericht, tot het voorkomen en bestrijden van criminaliteit. Met andere woorden, de al bestaande doelen van ECRIS waarvoor het gebruik van ECRIS tussen lidstaten op basis van EU-regelgeving al verplicht is, zijn er onder andere ten behoeve van de strafrechtpleging. De strafrechtpleging omvat juist de opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten, en daarnaast de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen.

Mevrouw Schilder vroeg hoeveel lidstaten op korte termijn van plan zijn om de regels omtrent ECRIS-informatie te verbreden. Ik heb geen informatie over de stand van zaken bij aanpassing van wetgeving in andere lidstaten. De Europese Commissie houdt dit bij. Ik zou zeggen dat dit ook voor mijzelf een reminder is om actief na te gaan hoe de Europese Commissie dat precies bijhoudt.

Dan kom ik bij de vraag van mevrouw Mutluer van GroenLinks-Partij van de Arbeid en van mevrouw Faber van de PVV of er bij de regering of bij andere lidstaten behoefte is om ook strafbeschikkingen via ECRIS te laten uitwisselen. De Nederlandse OM-strafbeschikking is nog altijd, zoals u beiden aangaf, bijzonder in Europa. Andere EU-lidstaten kennen wel vormen van buitengerechtelijke of vereenvoudigde afdoening, maar die zijn minder goed vergelijkbaar met de Nederlandse strafbeschikking. Het ECRIS-kaderbesluit voorziet alleen in de uitwisseling van gegevens over door de rechter uitgesproken veroordelingen. Zoals bekend heeft Nederland in het verleden wel gegevens over strafbeschikkingen via ECRIS aan andere EU-lidstaten toegezonden, maar Nederland is daarmee gestopt toen bleek dat daar geen grondslag voor was in het ECRIS-kaderbesluit. Ook voor andere vormen van buitengerechtelijke afdoening was er geen grondslag in het ECRIS-kaderbesluit. Mij is geen behoefte bekend om buitengerechtelijke afdoeningen te delen via ECRIS. Daarvoor zijn er noch uit de Nederlandse uitvoeringspraktijk noch uit andere landen signalen. Ook voor geseponeerde zaken geldt dat deze niet via ECRIS worden gedeeld.

De voorzitter:
Dat leidt tot een vraag van mevrouw Faber.

Mevrouw Faber (PVV):
Ja, een korte vraag, voorzitter. Worden de geseponeerde zaken en de beschikkingen nog wel door Nederland zelf in het systeem geregistreerd, maar niet meer gedeeld? Is dat de status?

Staatssecretaris Van Bruggen:
Ik wil graag in de tweede termijn op deze vraag terugkomen, voordat ik te snel bevestigend antwoord. Mijn beeld daarbij is nu dat dat inderdaad klopt. Ik zal deze vraag in de tweede termijn beantwoorden.

De voorzitter:
Nog een verduidelijking, mevrouw Faber?

Mevrouw Faber (PVV):
Ja, ik heb nog een andere vraag over het vorige onderwerp. Het ging allemaal heel snel. Dat is op zich goed, dus daar ben ik niet op tegen. De staatssecretaris gaf ook aan dat de vraag vanuit de Kamer hoe andere landen erin zitten en wat zij wettelijk gaan regelen, voor haar wel een reminder was om bij de Europese Commissie te vragen naar het hoe of wat. Wil de staatssecretaris de Kamer daarvan op de hoogte houden?

Staatssecretaris Van Bruggen:
Daar wil ik de Kamer graag over informeren, omdat het belangrijk is dat we onderling weten wat de Europese Commissie bijhoudt. Het kan heel helpend zijn bij de omgang met dit soort wetsvoorstellen, als we zien dat dit in andere landen op deze manier ook heel serieus wordt genomen en dat het een belangrijke bron is voor het uitwisselen van informatie.

De voorzitter:
Ja, u vervolgt uw betoog.

Staatssecretaris Van Bruggen:
Dan had mevrouw Straatman een vraag over het ECRIS-besluit. Dat kent drie typen gegevens. Dat zijn de verplichte gegevens, de facultatieve gegevens en de aanvullende gegevens. Mevrouw Straatman vroeg welke informatie nou precies valt onder de typen twee en drie. Onder de facultatieve gegevens vallen de namen van de ouders van de veroordeelden, het referentienummer van de veroordeling, de plaats waar het strafbaar feit is gepleegd en de ontzettingen als gevolg van de veroordeling. Als deze gegevens zijn opgenomen in het Nederlandse justitiële informatiesysteem Justid, dan kunnen ze worden doorgegeven via ECRIS. Dat geldt bijvoorbeeld niet voor de namen van ouders, want die worden niet in de Nederlandse justitiële documentatie geregistreerd. Onder de aanvullende gegevens vallen het identiteitsnummer van de veroordeelde, het soort identiteitsdocument, het nummer van het identiteitsdocument, de vingerafdrukken van de betrokkene en voor zover van toepassing pseudoniemen of bijnamen, en daarnaast ook gezichtsopnamen. Voor deze gegevens geldt dat ze niet zijn opgenomen in de justitiële documentatie en daarom ook niet via ECRIS worden gedeeld. Justid is de centrale autoriteit in Nederland en die beoordeelt welke gegevens er precies worden gedeeld, onder andere als het gaat over deze drie definities.

Dan kom ik op de vraag van mevrouw Schilder en de heer Sneller: hoe betrouwbaar en volledig is de informatie die we op dit moment krijgen? Iedere EU-lidstaat is gebonden aan het Europese niveau van vastgelegde vereisten van gegevensbescherming. Die moeten borgen dat er slechts juiste, nauwkeurige en volledige informatie over strafrechtelijke veroordelingen wordt verwerkt. Ik heb geen aanleiding om te veronderstellen dat de ontvangen informatie niet of minder betrouwbaar is of onvolledig is. Dat is natuurlijk ook wel het uitgangspunt. Als je informatie met elkaar deelt, mag je ervan uitgaan dat de andere landen er zo zorgvuldig als zij kunnen en zo zorgvuldig mogelijk mee omgaan.

De voorzitter:
Mevrouw Mutluer met een interruptie op dit punt.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ik snap dat de staatssecretaris aangeeft dat zij daar geen aanleiding toe ziet, maar het kan wel gebeuren. Dan heb ik de volgende heel concrete vraag. Iemand wiens gegevens verkeerd in de systemen staat, zal de behoefte hebben om dat ergens te melden. Dat moet wel helder zijn in mijn beleving. Voorzitter, met uw permissie: wij hebben deze discussie eerder gevoerd ten aanzien van zwarte lijsten van mensen die in het buitenland als crimineel worden gekwalificeerd en dan dat land niet binnen kunnen komen. Eerder hebben wij gezegd: moeten er dan geen witte lijsten komen? Dus ik vraag de staatssecretaris wat mensen moeten doen als hun gegevens verkeerd zijn opgeslagen. Wellicht komt zij daar in tweede termijn op terug.

Staatssecretaris Van Bruggen:
Ik kom daar graag in de tweede termijn op terug. Het gesprek over zwarte en witte lijsten is mij natuurlijk bekend. Ik kom graag in tweede termijn iets uitgebreider terug op de vraag of je ervan kunt uitgaan dat de lidstaten gebonden zijn aan een Europees niveau, waardoor de rechtsbescherming geregeld zou moeten zijn of in ieder geval afdoende zou moeten zijn.

De voorzitter:
Een vervolgvraag.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Dat lijkt me verstandig. De kans is misschien klein, maar nogmaals, een fout is zo gemaakt. Wat gebeurt er dan? Ik vind echt dat daar wel goed over moet worden nagedacht, ten aanzien van mensen die ten onrechte ergens van worden beschuldigd.

De voorzitter:
De minister komt daar in tweede termijn op terug.

Staatssecretaris Van Bruggen:
In de tweede termijn, zeker. Dan heb ik een vraag van mevrouw Schilder. Hoe voorkom ik dat iemand een vog krijgt terwijl er in een andere lidstaat een relevante veroordeling ligt, en de wetgeving in die lidstaat het delen juist niet toestaat? Wanneer na twintig werkdagen geen reactie is ontvangen, gaat Justis over tot een inhoudelijke beoordeling van de vog-aanvraag op grond van de eventueel aanwezige justitiële gegevens in de Nederlandse justitiële documentatie. Indien er geen antecedenten bekend zijn, geeft Justis de vog af. Als de praktijk uitwijst dat niet alle landen reageren op informatieverzoeken, zal alsnog worden ingezet op het maken van bilaterale afspraken, zoals met enkele landen al is gedaan. Ik kom zo dadelijk nog terug op een belangrijk aspect van die bilaterale afspraken, in relatie tot het VK.

Dan de vraag, ook van mevrouw Schilder, of getest is in hoeveel procent van de gevallen lidstaten alles delen. Iedere EU-lidstaat heeft een eigen strafregister waarin de onherroepelijke veroordelingen zijn opgenomen die in voorkomend geval aan de EU-lidstaat van de nationaliteit van de veroordeelde burger moeten worden verstuurd. De inhoud van het strafregister en de veroordelingen die daarin geregistreerd worden, kunnen dus per EU-lidstaat verschillen. Om die reden is het niet goed mogelijk om te testen in hoeveel procent van de gevallen lidstaten alles delen.

Dan de vraag van mevrouw Faber over de foute tenaamstelling bij Justid. Anderen hebben daar ook opmerkingen over gemaakt. Dat komt er ook nog achteraan. Ik begin met de vraag van mevrouw Faber of er zaken te kwader trouw zijn gewijzigd en of de staatssecretaris de boel op orde gaat brengen bij Justid. Ik begin met het tweede. Ik breng graag overal waar ik kom de boel op orde, zeker als er op onderdelen vraagtekens zijn gerezen, zoals in dit geval bij de tenaamstellingen in vonnissen. Dat is absoluut een dossier dat bovenaan mijn lijst staat. Hier staat ook een commissiedebat over gepland op 18 juni. Dat is het commissiedebat over de strafrechtketen. Daarin kom ik inhoudelijk terug op het grote programma dat bij JenV is gestart en dat gaat over dit onderwerp. Ik heb nu geen aanleiding om te denken dat er te kwader trouw door Justid is gehandeld.

Dan de vraag van de heer Ellian: hoe betrouwbaar en volledig is de informatie die we op dit moment krijgen, en hoe staat het met de inspanningen die gepleegd moeten worden om ervoor te zorgen dat het systeem de juiste informatie bevat? Daarbij werd ook gedoeld op de problematiek van de tenaamstellingen. Ik heb dat net aan mevrouw Faber toegelicht. In de voortgangsrapportage is daar enige informatie over gegeven, maar het belangrijkste is dat we 18 juni het debat over de strafrechtketen hebben met elkaar. Daarin komen we ook verder te spreken over het onderzoek dat daar nu naar loopt en over wat voor conclusies en aanbevelingen we daaruit moeten meenemen.

De voorzitter:
De heer Sneller heeft een vraag op dit punt.

De heer Sneller (D66):
De heer Ellian noemde in zijn bijdrage dat 7% tot 8% van de gegevens uit ECRIS niet zou kloppen. Dat betreft niet alleen de Nederlandse input, maar juist ook de informatie waar mevrouw Mutluer naar vraagt. Als de staatssecretaris nu een stap terug doet, wat zouden we dan moeten doen, ook richting andere landen, om dat percentage verder naar beneden te krijgen?

Staatssecretaris Van Bruggen:
Dat is absoluut een goede vraag. Ik heb geprobeerd mijn vinger achter die 8% te krijgen, om te zien of het gaat om de informatie die via ECRIS door de verschillende landen wordt gedeeld, of om het percentage onjuiste informatie dat nu in Justid is opgeslagen. Daar wil ik in de tweede termijn iets specifieker op terugkomen. Juist in de bilaterale gesprekken gaat het ook over hoe we ervoor zorgen dat de informatie op orde is, dat we dezelfde definities hanteren, en hoe we informatie betrouwbaar met elkaar blijven delen. We zetten als Nederland nu een hele nette en formele stap. Ik wil dat heel graag verder brengen in gesprek met de partners in Europa.

Ik ben aan het einde van dit blokje gekomen.

De voorzitter:
Mevrouw Faber heeft nog een vraag voor u.

Mevrouw Faber (PVV):
Ik heb nog even een verhelderende vraag. Het rapport van de Rekenkamer stelt dat die naamfouten in Justid staan. Ik begreep — misschien heb ik het verkeerd begrepen — dat de staatssecretaris vroeg of het nu verkeerd staat in Justid of in ECRIS.

Staatssecretaris Van Bruggen:
Ja, dat ging over die 7% tot 8%. Excuus, waar doelt u op?

Mevrouw Faber (PVV):
Dat het in Justid staat.

Staatssecretaris Van Bruggen:
Dat is precies de vraag waar ik in de tweede termijn graag expliciet op terug wil komen. We gaan het debat over Justid natuurlijk nog voeren. Over de informatie die via ECRIS wordt uitgewisseld — volgens mij had de heer Ellian het daarover — moeten we met de partners in Europa praten. Hebben we het over hetzelfde systeem met dezelfde informatie-uitwisseling? Wat is jullie kwaliteitsniveau van de informatie-uitwisseling? Dat wil ik natuurlijk terug laten komen in die gesprekken.

Mevrouw Faber (PVV):
Ik begreep dat het ook om vonnissen in Nederland ging. Ik had de aanvullende vraag gesteld hoe er bijvoorbeeld met naamsveranderingen wordt omgegaan. Als iemand zijn naam laat veranderen en er nog een oude veroordeling staat geregistreerd, dan loopt dat mank. Hoe wordt daarmee omgegaan in de praktijk? Wordt daarop gecontroleerd voordat een naam wordt veranderd? Hoe gaat dat? Wordt er een extra koppeling gelegd?

Staatssecretaris Van Bruggen:
Dit is precies waar het grote onderzoek over gaat: Hoe zorgen we ervoor dat er een handelingskader is voor de medewerkers die ergens op stuiten? Waar zijn ze in het verleden op gestuit en waar kunnen ze in de toekomst op stuiten? Krijgen ze voldoende kader mee om te weten hoe ze moeten handelen? Graag ga ik daar verder over in gesprek in het commissiedebat.

De voorzitter:
Daarmee zijn we aangekomen bij het kopje migratie, begrijp ik.

Staatssecretaris Van Bruggen:
Ja, het migratiebeleid en de samenwerking met het VK. Daar zijn best een heel aantal vragen over gesteld.

Ik begin bij de vragen van mevrouw Faber en mevrouw Straatman over de samenwerkingsovereenkomst met het VK. Er werd gezegd dat de staatssecretaris aangeeft dat de gesprekken tussen het VK en de Europese Commissie nog lopen, ook in het kader van migratie en grenstoegang, met betrekking tot de informatie over het wel of niet toetreden tot ECRIS voor dit onderdeel. Wat is de stand van zaken hiervan? Kan Nederland op dit punt eventueel ook bilateraal afspraken maken met het VK? Met het Verenigd Koninkrijk zijn afspraken gemaakt over de doelen van de wederzijdse doorgifte van justitiële gegevens, onder meer ten behoeve van de beoordeling van asielaanvragen, reguliere verblijfsvergunningen en naturalisatie. Het Verenigd Koninkrijk heeft ten tijde van het maken van deze afspraken aangegeven nog niet te kunnen instemmen met de uitwisseling van strafrechtelijke gegevens aan de grens, aangezien het EU-VK-handels- en samenwerkingsakkoord, het EU-UK Trade and Cooperation Agreement, niet voorziet in het gebruik van die EU-strafgegevens aan de grens voor immigratie. Het VK voert hierover momenteel nog gesprekken met de Europese Commissie.

Nederland kan slechts in beperkte mate bilaterale afspraken maken met het Verenigd Koninkrijk over de uitwisseling van strafrechtelijke gegevens in het kader van de grenstoegang. Voor zover de Europese Unie op dit terrein gedeelde of exclusieve bevoegdheden uitoefent, is Nederland gehouden aan de kaders van het Unierecht, waaronder het EU-VK-handels- en samenwerkingsakkoord. Bilaterale afspraken zijn alleen toegestaan indien en voor zover die verenigbaar zijn met dit kader en geen afbreuk doen aan bestaande of toekomstige afspraken tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk die onderwerp van gesprek zijn. In de praktijk betekent dit dat dergelijke gegevensuitwisseling primair plaatsvindt via of in lijn met de EU-VK-overeenkomst die ik net noemde, dus de handels- en samenwerkingsovereenkomst. Het bredere Unierechtelijke kader dient daarvan grondlegger te zijn, of "onderlegger", moet ik zeggen.

De voorzitter:
Mevrouw Faber heeft een vraag op dit punt.

Mevrouw Faber (PVV):
Maar we kunnen toch altijd bilaterale afspraken maken? Dat doet de staatssecretaris nu ook met het Verenigd Koninkrijk, want er staan gewoon een aantal punten in dit wetsvoorstel waarover ook gewoon bilaterale afspraken worden gemaakt.

Staatssecretaris Van Bruggen:
Absoluut. Zoals ik al zei, zijn over onderdelen, zoals beoordeling van de asielaanvragen, de reguliere verblijfsvergunningen en de naturalisatie, al afspraken gemaakt. Juist over dit onderdeel, het uitwisselen van strafrechtelijke gegevens aan de grens, vindt een ander gesprek plaats tussen het VK en de EU. Daarin gaan wij niet treden. Wij zeggen wel dat de gesprekken over dit onderwerp in EU-verband voor ons natuurlijk ook belangrijk zijn, maar we zoeken naar een manier om niet door een andere overeenkomst heen te gaan met de gesprekken die we op dit onderdeel voeren.

De voorzitter:
Een vervolgvraag van mevrouw Faber.

Mevrouw Faber (PVV):
Ik begrijp wel dat de staatssecretaris aangeeft daar niet tussendoor te willen fietsen, zeg ik maar even, maar het kan wel. Volgens mij kan het dus gewoon wel. Dan verbaast het me dus een beetje dat het uitwisselen betreffende de Vreemdelingenwet 2000 eruit is gehaald.

Staatssecretaris Van Bruggen:
Dat begrijp ik goed. Er is ook een amendement, dat misschien dadelijk door mevrouw Faber nog wat nader wordt toegelicht. Dan geef ik hier graag een reactie op. Ik begrijp goed de gedachte dat we op alle onderdelen bilaterale gesprekken kunnen voeren. Tegelijkertijd, en dat zeggen we hier natuurlijk ook, moet dat zorgvuldig gebeuren op het moment dat er ten aanzien van andere akkoorden of verdragen afspraken gemaakt worden. Die ruimte moet er zijn, dus we zoeken naar de mogelijkheid om de druk erop te houden. Volgens mij zouden we wat dat betreft in het gesprek dat we met elkaar hebben hierover, nader tot elkaar kunnen komen.

Dan de vraag van mevrouw Faber hoe het zit met de derdelanders die een visum nodig hebben. Onderdanen van visumplichtige landen moeten een visum aanvragen, terwijl onderdanen van visumvrije landen — u noemde het al — een ETIAS-autorisatie moeten aanvragen. Welke verplichting geldt, hangt af van de status van het land: visumplichtig of visumvrij. Zo zit het dus met de derdelanders.

De voorzitter:
Ik zie mevrouw Faber naar de interruptiemicrofoon rennen.

Mevrouw Faber (PVV):
Ja, dat scheelt weer tijd. Ik had daar een aanvullende vraag bij. Ik weet dat je als je visumvrij reist, een reisautorisatie aan moet vragen. Dat gaat dan via ETIAS. Maar wordt er dan ook gecontroleerd in ETIAS? Of nee, in ECRIS. Sorry, al die namen!

Staatssecretaris Van Bruggen:
Al die namen overvallen mij af en toe ook een beetje! Maar ik ga dat even na. Dan kom ik er in tweede termijn graag bij u op terug.

Mevrouw Faber (PVV):
Ik heb nog een aanvullende vraag. Er zijn derdelanders die wel een visum aan moeten vragen. Wordt dat dan gecontroleerd in ECRIS of anderszins?

Staatssecretaris Van Bruggen:
Ik begrijp de vragen goed en kom er graag in de tweede termijn even op terug.

Mevrouw Straatman vroeg: "Justis stelt dat aan het gebruik van de vog bij alle derdelanders politieke risico's verbonden zijn en beveelt aan om ECRIS-TCN niet bij alle vog-aanvragen voor derdelanders te gebruiken. Wat is uw reactie hierop?" De zorg bij Justis zag op de situatie waarin ECRIS-TCN een hit zou geven, maar de lidstaat geen gegevens van veroordelingen zou verstrekken. Justid, en ten aanzien van die verstrekking wellicht ook Justis, zou dan kennis hebben van de aanwezigheid van een EU-veroordeling, maar geen informatie over de veroordeling zelf ontvangen. Als er geen andere weigeringsgrond is, zal de vog moeten worden verstrekt. Dat is de simpele conclusie die dan getrokken moet worden. Justis is hierop teruggekomen in de aanvulling op de uitvoeringstoets. Uit nader onderzoek is gebleken dat het risico zoals geschetst niet zo zwaar wordt ingeschat. Het is goed om ECRIS-TCN wél in alle gevallen toe te passen, omdat er meer EU-lidstaten zijn die wel reageren en het zou zonde zijn als je de informatie uit die landen dan ook niet opvraagt en meeweegt. Als de praktijk uitwijst dat niet alle landen hierop reageren, dan zal alsnog ingezet worden op het maken van afspraken daarover.

Dan de vraag van mevrouw Faber over de status van ETIAS. Die komt eigenlijk terug in de tweede termijn. ETIAS wordt momenteel geïmplementeerd en zal naar verwachting in het vierde kwartaal van 2026 operationeel zijn.

Dan de vraag van mevrouw Schilder: "Wat wordt er op dit moment gedaan om ook goede afspraken en afwegingen te maken voor de groep derdelanders? Hoe weten we wat ze gedaan hebben buiten en binnen de EU? Wanneer wordt TCN operationeel?" Ik heb net antwoord gegeven op de laatste vraag. Voor het eerste gedeelte geldt: op dit moment worden gegevens van derdelanders niet betrokken bij de beoordeling, want justitiële gegevens uit het land van herkomst kunnen alleen bij dat betreffende derde land worden opgevraagd. ECRIS-TCN is nog niet operationeel. Dat volgt dus richting het einde van dit jaar. Dat houdt verband met de vertragingen die bij eu-LISA zijn ontstaan. Dat heeft u in de stukken ook kunnen lezen. Dat is het agentschap van de EU voor het beheer van de grote IT-systemen ten behoeve van de uitvoering van het EU-beleid op het gebied van justitie en binnenlandse zaken.

Mevrouw Faber vroeg: "Internationaal zijn er inspanningen voor de vog, maar niet voor migratie. Waarom zouden we niet zo snel mogelijk afspraken maken over het uitwisselen van informatie van veroordeelden met een migratieachtergrond?" Het is complexer om met landen buiten de EU, dus met derde landen, strafrechtelijke gegevens te delen. Daar heb ik net ook iets over gezegd. Dat komt door de waarborgen op het gebied van privacy, maar ook doordat andere vragen minder gemakkelijk te beantwoorden zijn en per land en geval opnieuw moeten worden bezien. Daarom zijn er geen generieke afspraken zoals bij de vog-uitwisseling binnen de EU.

U vraagt: zijn er internationaal wel inspanningen voor de vog? De inspanningen zijn daar natuurlijk altijd op gericht. Je moet dus nagaan dat je ook in Nederland en vice versa wilt weten of mensen ergens anders in een strafrechtdossier voorbijkomen op het moment dat we de wens hebben om die informatie met elkaar te delen. Natuurlijk zijn de inspanningen daarop gericht, maar het is niet zo eenvoudig als het lijkt om daar afspraken over te maken.

Dan de vraag van de heer Ellian: als je nu niet de wettelijke mogelijkheid creëert om in het registratiesysteem met de Britten samen te werken, moet er dan later weer een nieuw wetsvoorstel langs de Kamer? Hierover kan ik kort zijn: feitelijk is dat zo; daar is weer een wetswijziging voor nodig. We zoeken dus ook naar mogelijkheden om dat misschien te voorkomen, maar de facto is dat zo. Doelen voor het gebruik van ECRIS liggen gewoon vast in de wet en dat is maar goed ook. Een wijziging hiervan zal moeten gebeuren via een wetswijziging.

Hier heb ik een lijntje naar het amendement. Het belangrijkste is dat we kijken naar wat de mogelijkheden zijn, juist op het moment dat er ruimte is om het uitgangspunt te nemen dat we informatie met het VK willen delen. Daar vraagt het amendement ook om.

Voorzitter, is bekend of het amendement er is?

De voorzitter:
Hebben we het over het amendement op stuk nr. 7 van mevrouw Faber?

Staatssecretaris Van Bruggen:
Ja.

De voorzitter:
Dat maakt onderdeel uit van de beraadslaging.

Staatssecretaris Van Bruggen:
Prima, heel goed. Daarom is het goed dat ik er op dit moment dan ook een antwoord op geef. Wat mij betreft strekt het amendement ertoe dat de uitzondering voor gegevensdeling met het VK inzake de beoordeling van de criteria voor openbare orde en nationale veiligheid in bepaalde procedures van het migratierecht wordt geschrapt. Mijn appreciatie is als volgt. We leggen de andere doelen met dit wetsvoorstel vast in de wet. Nieuwe doelen vergen dus een wetswijziging, zoals ik net zei. Dat kwam ook naar voren in mijn eerdere beantwoording. De handels- en samenwerkingsovereenkomst, HSO, is ook een wet. We weten dat het Verenigd Koninkrijk nu geen justitiële gegevens doorgeeft voor de verlening van toegang tot Nederland van de vreemdeling aan de grens. Wederzijdse doorgift is een noodzakelijke voorwaarde voor deze samenwerking. We kunnen het doel dus niet al in de wet, in de HSO, zetten. Maar met mevrouw Faber en anderen hoop ik dat de uitkomst van de onderhandelingen met het VK ertoe zullen leiden dat deze uitzondering kan vervallen. Daarom zou ik graag ambtelijke bijstand verlenen aan mevrouw Faber, om het voorstel zo vorm te geven dat eerst de uitzondering wel geldt, maar dat een aparte wijziging om die uitzondering te schrappen later, voor de inwerkingtreding, ook meteen vervalt op het moment dat de afspraken zijn gemaakt. Dan hoeven we dus niet het hele nieuwe wetstraject te doorlopen. Dan kan de inwerkingtreding van de aparte wijziging, en feitelijk daarmee ook de uitzondering, vervallen. Ik moet het amendement in de huidige vorm op dit moment wel ontraden, maar ik doe dus graag het aanbod om ambtelijke bijstand daarop te verlenen.

De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 7 is door de staatssecretaris ontraden. Zij heeft mevrouw Faber een aanbod gedaan. Ik denk dat zij daar nu op ingaat.

Mevrouw Faber (PVV):
Dank aan de staatssecretaris. Als ik de staatssecretaris goed begrijp, zou het mogelijk zijn om het juridisch zo te regelen dat zo'n artikel geactiveerd wordt op het moment dat er een overeenkomst met de VK is. Heb ik dat goed begrepen?

Staatssecretaris Van Bruggen:
Exact. Dat is precies wat het is.

Mevrouw Faber (PVV):
Dan heb ik een nadere vraag. Ik had ondertussen bij Bureau Wetgeving ook al het een en ander nagevraagd. Dat zegt dat het niet mogelijk is om de inwerkingtreding zo in te stellen dat die afhankelijk is van de instemming van het VK. Ik wil de staatssecretaris natuurlijk heel graag geloven in dezen, maar ik wil wel graag weten — het is een beetje een simpele vraag — of het klopt. Ik neem aan dat de staatssecretaris overleg heeft gehad met haar juristen.

De voorzitter:
Mevrouw Faber, volgens mij moeten we het volgende doen, want anders is het niet meer te volgen. Het amendement dat nu onderdeel van de beraadslaging is, is ontraden. De staatssecretaris heeft het aanbod gedaan om met u te kijken naar een nieuw dan wel aangepast amendement. Ook op dat nieuwe amendement hebben we een reactie van de staatssecretaris nodig. Het is dus prettig, zeg ik richting de staatssecretaris, als we daar voor de stemming op schrift een reactie op hebben. Dan weten we het oordeel van de staatssecretaris. Ik ga ervan uit dat het aanbod van de ambtelijke bijstand niet voor niets wordt gedaan. Vervolgens stemmen we erover. De discussie over hoe het eruitziet, zou ik dan dus eigenlijk willen verplaatsen naar het overleg met de ambtelijke ondersteuning dat u wordt aangeboden.

Mevrouw Faber (PVV):
Dat begrijp ik. Ik ben natuurlijk ook blij met de ambtelijke ondersteuning. Maar dan hebben we wel even iets meer tijd nodig. Ik weet niet wanneer de stemming op de rol staat, maar we hebben dan natuurlijk wel een extra week nodig om dat te regelen. We zitten namelijk ook met Pasen. Ik neem aan dat de juristen dan niet doorwerken. Ik wil wel doorwerken, maar …

De voorzitter:
De stemming over het amendement en het wetsvoorstel was voorzien op dinsdag 14 april. Dat maakt dus eigenlijk dat we vrij ruim in de tijd zitten.

Mevrouw Faber (PVV):
Voorzitter, dan lijkt me dat een mooie handreiking. We gaan gauw aan de slag om dat te regelen. Dank u wel.

De voorzitter:
Oké, dank u wel. Klopt het dat we hiermee naar het derde blokje, waarborgen, gaan?

Staatssecretaris Van Bruggen:
Dat klopt helemaal, voorzitter. We gaan naar de waarborgen van het hoge recht. Daar zijn door de heer El Abassi van DENK veel vragen over gesteld. Ik begin met de vraag waarom de gegevensdeling via ECRIS nodig is voor niet-strafrechtelijke doelen en wat in dezen rechtsstatelijk wenselijk is. Het belang van het vastleggen van de andere doelen van het gebruik van ECRIS is juist gelegen in onze rechtsstaat. Het gebruik van ECRIS betreft een verwerking van persoonsgegevens. Met de verwerking van persoonsgegevens worden de grondrechten van de betrokkene beperkt. Het betreft de grondrechten op de bescherming van het privéleven en de bescherming van de persoonsgegevens. De beperking van grondrechten moet bij wet worden gesteld. Daarom kiezen we ervoor om dat op deze manier netjes en formeel te doen, met de goeie waarborgen en afweging. Als het over de beperking van grondrechten is dat wel belangrijk. Zo maak je het ook voorzienbaar voor de burger.

Dan de vraag van mevrouw Schilder hoe ik wil voorkomen dat niet voor iedereen dezelfde regels gelden. Het gebruik van ECRIS beoogt mogelijk te maken dat de relevante veroordelingen uit andere lidstaten ook betrokken kunnen worden bij bijvoorbeeld een vog-aanvraag. Om een zo volledig mogelijk beeld te krijgen van iemands justitieel verleden is het van belang dat andere lidstaten gegevens over veroordelingen onderling delen via ECRIS. Dit is misschien niet helemaal het blokje hoger recht, maar het is wel belangrijk. Ik zet in op multilaterale afspraken op EU-niveau om de uitwisseling voor een bepaald doel met elkaar goed te kunnen regelen.

Er was een vraag van de heer El Abassi over dat het systeem een forse inbreuk vormt op het recht van privacy. Ik ben het eens met de heer El Abassi dat de verwerking van strafrechtelijke persoonlijke gegevens in zeer ernstige mate inbreuk kan maken op het recht op bescherming van het privéleven. In het nader rapport heeft de regering dit ook erkend. Het is betrokken bij de evenredigheidsbeoordeling van het gebruik van ECRIS. Ik wijs er ten slotte nog op dat het gebruik van justitiële gegevens voor de doelen die in het wetsvoorstel staan, al vele jaren in de wetgeving is vastgelegd in Nederland. Het wetsvoorstel voegt in dit opzicht slechts toe dat voor deze doelen ook ECRIS kan worden geraadpleegd.

De volgende vraag van de heer El Abassi ging over het ontbreken van een helder overzicht van de gegevens die worden verstrekt en hoe dat zich verhoudt tot de eisen van voorzienbaarheid en duidelijkheid. De justitiële en strafvorderlijke gegevens over veroordelingen die via ECRIS worden verstrekt, zijn vastgelegd in het besluit. Het betreft gegevens die op grond van het ECRIS-kaderbesluit verplicht moeten worden verstrekt. Hiermee wordt voldaan aan de eisen van de voorzienbaarheid en duidelijkheid.

De heer El Abassi vroeg ook of ECRIS niet een grote inbreuk vormt op de privacy, ook gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Ik had 'm misschien aan die vorige vraag kunnen koppelen. Vanwege het evenredigheidsbeginsel uit het Handvest van de grondrechten van de EU, is het van belang dat het gebruik van ECRIS een legitiem doel dient en daarvoor geschikt en noodzakelijk is. Een beperking van grondrechten moet bij wet worden gesteld. Daarmee is de beperking van de grondrechten toegankelijk en voorzienbaar voor elke burger. De mate van de beperking van die grondrechten is betrokken bij de evenredigheidsbeoordeling van het gebruik van ECRIS en ECRIS-TCN voor de in het wetsvoorstel genoemde doelen. Het betreft de grondrechten op de bescherming van het privéleven en bescherming van de persoonsgegevens, zoals ik net zei. Ook in andere lidstaten van de EU worden andere doelen van het gebruik van ECRIS bij wet vastgelegd.

Dat was het blokje hoger recht.

De voorzitter:
Dat leidt tot een vraag van de heer Sneller.

De heer Sneller (D66):
Ik dacht: hij moet in de doelen zitten of in dit blokje. Maar mijn vraag is niet langsgekomen. Mijn vraag was of een aanpassing van dat Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens zou kunnen op grond van de wettelijke basis zoals hier voorgesteld. Het gaat om de artikelen 6 tot en met 9, waarin wordt geregeld welke andere gegevens er eventueel kunnen worden verzameld en kunnen worden gedeeld.

Staatssecretaris Van Bruggen:
Ik herinner me de vraag zeker. Ik kom daar graag in de tweede termijn op terug, want hij zit nu gewoon even niet bij de beantwoording, maar het is een heel heldere vraag waar ik ook een heel helder antwoord op zou moeten kunnen geven.

De voorzitter:
We gaan naar de adviezen van de Raad van State en de Autoriteit Persoonsgegevens, als ik het goed heb. Klopt dat?

Staatssecretaris Van Bruggen:
Klopt, we zijn bij de adviezen. We beginnen bij de vraag die de heer El Abassi gesteld heeft: waarom worden de zwaarwegende adviezen van de AP en de Raad van State niet opgevolgd? In een interruptie werd er ook al even aan gerefereerd. Naar aanleiding van het advies van de Autoriteit Persoonsgegevens is verduidelijkt welke gegevens over strafrechtelijke veroordelingen via ECRIS worden uitgewisseld. Het betreft gegevens om de betrokkene te identificeren, zoals een naam, een geboortedatum, een geboorteplaats, en gegevens over de veroordeling, dus onder andere het strafbare feit, de pleegdatum en de datum van veroordeling. Dit is in het ECRIS-kaderbesluit vastgelegd in artikel 11. Verder is naar aanleiding van het AP-advies het wederkerige karakter van het gebruik van ECRIS verder verduidelijkt. Via ECRIS worden uitsluitend verzoeken van centrale autoriteiten van andere lidstaten beantwoord die betrekking hebben op doelen waarvoor het gebruik van ECRIS is verplicht op grond van EU-regelingen of doelen die zijn opgenomen in dit wetsvoorstel.

Ten aanzien van de rechtszekerheid merkt de AP op dat onvoldoende duidelijk is in welke gevallen via ECRIS om de doorgifte van justitiële gegevens wordt verzocht. In de toelichting is verduidelijkt dat dit het geval is indien de betrokkene mede de nationaliteit heeft van een andere lidstaat of indien uit raadpleging via ECRIS-TCN volgt dat de betrokkene in een andere lidstaat is veroordeeld. In beide gevallen wordt het verzoek uitsluitend gericht aan de desbetreffende lidstaat. In andere gevallen ontbreekt de noodzakelijkheid voor het gebruik van ECRIS, omdat er geen aanleiding zal zijn voor de veronderstelling dat een andere lidstaat beschikt over de justitiële gegevens van de betrokkene. Het gebruik van ECRIS is dan niet toegestaan. De Wjsg en het EU-recht vormen het kader en geven de waarborgen voor het gebruik van ECRIS. De toetsing aan de noodzakelijkheid is juist hierin neergelegd. Ten slotte is de toelichting op het advies van de AP aangevuld met een onderbouwing van de noodzakelijkheid per doel.

Dan het advies van de Raad van State. De vragen die daarover gesteld zijn, neem ik in één adem mee. In het advies van de Raad van State staan twee opmerkingen bij de concept-memorie van toelichting. Het nader rapport bevat een reactie op die opmerkingen. Ten eerste is in de memorie van toelichting nader ingegaan op de categorieën persoonsgegevens die via ECRIS worden doorgegeven. De Raad van State merkt op dat het ECRIS-kaderbesluit ruimte geeft voor de doorgifte van andere categorieën persoonsgegevens dan vermeld in de memorie van toelichting. Echter, die andere categorieën persoonsgegevens worden alleen doorgegeven voor zover die in het nationaal strafregister aanwezig zijn of bij de centrale autoriteit voorhanden zijn. Dat is niet het geval.

Ten tweede merkt de Raad van State op dat in de context van de Algemene verordening gegevensbescherming de verwerking van strafrechtelijke persoonsgegevens in zeer ernstige mate inbreuk kan maken op het recht van bescherming van het privéleven. In het nader rapport is aangegeven dat het door de regering wordt erkend en dat het is betrokken bij de evenredigheidsbeoordeling van het gebruik van ECRIS. Ik wijs er ten slotte graag nog op dat het gebruik van justitiële gegevens voor de doelen die in het wetsvoorstel worden vastgelegd, al vele jaren in de Nederlandse wetgeving is vastgelegd.

Ik heb nog een aanvulling op het antwoord op deze vraag. In de beantwoording gaat het ook over wat de Raad van State en de Autoriteit Persoonsgegevens precies hebben vermeld en over hoe we kunnen komen tot inzicht in wat wel en niet verwerkt is. Ik begrijp dat mijn voorgangers daar ook al ruimhartig mee zijn omgegaan. Ik wil u absoluut zo veel mogelijk de ruimte geven om te zien hoe het verwerkt is in de memorie van toelichting, zodat u kunt meenemen hoe wij dat als regering zien. Het is belangrijk dat we dat doen met track changes, zodat het helder wordt.

De heer Sneller vroeg of de consultatieversie die aan de Autoriteit Persoonsgegevens is voorgelegd, alsnog naar de Kamer kan worden gezonden. Ik heb goed nieuws. Die is openbaar te vinden op internetconsultatie.nl, maar ik kan die zeker ook nog nazenden.

Dit was het blokje over de adviezen van de Autoriteit Persoonsgegevens en de Raad van State.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan komen we nu aan bij de overige …

Staatssecretaris Van Bruggen:
Bij diverse andere belangrijke onderwerpen.

Mevrouw Faber vroeg of er bij naamswijzigingen in de justitiële documentatie wordt gecontroleerd op de aanwezigheid van eventuele vonnissen en, zo ja, welke maatregelen er worden genomen om fouten te voorkomen. Bij naamswijzigingen wordt niet op de aanwezigheid van vonnissen gecontroleerd. Dat is het simpele antwoord.

Mevrouw Straatman vroeg: is ECRIS-TCN al operationeel? Daar heb ik al op geantwoord. ECRIS-TCN is nog niet operationeel. Het zal aan het einde van het jaar operationeel zijn. Dat houdt verband met de vertragingen bij eu-LISA, het agentschap voor het beheer van de grote IT-systemen ten behoeve van Justitie en Binnenlandse Zaken.

De voorzitter:
Er is nog een vraag van mevrouw Faber. Ik neem aan dat die nog over het vorige punt gaat.

Mevrouw Faber (PVV):
De staatssecretaris geeft aan dat er bij naamsveranderingen niet wordt gecontroleerd op eventuele aanwezige vonnissen. Maar zou daar niet wel op gecontroleerd moeten worden? Zou de staatssecretaris bereid zijn om dat in werking te stellen?

Staatssecretaris Van Bruggen:
Ik voer dat gesprek heel graag op het moment dat we het hebben over de tenaamstellingen van vonnissen. We gaan nog een gesprek voeren over Justid richting de zomer. Op dit moment voel ik die urgentie niet. We gaan het er nog over hebben.

De voorzitter:
Dat komt terug in een debat voor de zomer.

Staatssecretaris Van Bruggen:
De heer Sneller vraagt naar de 38.000 verwachte extra bevragingen van ECRIS. Hij zegt: acht landen en niet alle EU-nationaliteiten. Dat zou afbreuk doen aan de effectiviteit en de reikwijdte. De kosten zijn 1,5 miljoen. Misschien liggen ze niet zo hoog als ze nu geraamd worden, maar toch. Hoe zit het nu precies met de uitvoeringsconsequenties? De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat je niet op voorhand kunt zeggen hoeveel lidstaten wel en niet zullen reageren. In eerste instantie zal de inzet van Justis ten behoeve van de bevragingen juist wel bestaan, maar de praktijk moet het echt gaan uitwijzen. We moeten hier steeds het gesprek blijven voeren over hoe belangrijk we het vinden dat we de juiste informatie krijgen. Het zou fantastisch zijn als de uitvoeringsconsequenties meevallen en het uiteindelijk allemaal minder geld kost, maar dan heb ik het alleen nog maar over de middelen. Daarnaast heb je de uitvoering en de druk die je bij een organisatie kunt ervaren. Tegelijkertijd valt niet op voorhand te zeggen hoeveel lidstaten erop zullen reageren.

Dan de vraag van mevrouw Mutluer. Ten behoeve van de procedures binnen het migratierecht en het nationaliteitsrecht wordt ECRIS reeds toegepast. Ligt het tegen die achtergrond voor de hand dat het wettelijk vastleggen van deze bestaande praktijk geen wezenlijke verandering met zich meebrengt voor de werkwijze of de uitvoeringslast van de IND? Dat ligt mogelijk in het verlengde van de vorige vraag. Dat klopt. Het wettelijk vastleggen van de huidige praktijk zal geen wezenlijke verandering met zich meebrengen voor de werkwijze of de belasting van de IND. Mocht mevrouw Mutluer andere signalen ontvangen, dan hoor ik dat natuurlijk heel graag. Maar ik heb nu geen aanleiding om dat aan te nemen.

Dan de vraag van de heer Sneller … Dit is best een lang antwoord, maar ik zal het toch proberen.

De voorzitter:
Wilt u voordat u het antwoord krijgt, eerst de vraag stellen, meneer Sneller? Ja, dat wilt u!

De heer Sneller (D66):
Als u het zo stelt, voorzitter ... Nee, mijn vraag gaat nog over de bevragingen en de financiële consequenties, ook omdat er geen evaluatiebepaling in de wet zit. Die wil ik er ook niet in amenderen, maar ik heb wel het gevoel dat de begroting niet heel ruim is. Daar wordt 1,5 miljoen voor geraamd. Dat bedrag is gebaseerd op iets waarvan we eigenlijk nu al kunnen zeggen, mede op basis van de beantwoording nu maar ook op basis van de schriftelijke beantwoording van vragen van de CDA-fractie in de nota naar aanleiding van het verslag, dat het niet realistisch is, namelijk dat alle landen gaan meedoen. Dat is mede zo omdat ze zelf een wettelijke grondslag moeten hebben et cetera et cetera. Dus hoe worden we de komende tijd op de hoogte gehouden van het aantal landen dat daadwerkelijk gaat meewerken aan de ene kant, en van de financiële realisatie aan de andere kant?

Staatssecretaris Van Bruggen:
Het is absoluut ook mijn bedoeling om daar zo helder en transparant mogelijk over te zijn. Ik ben in dit geval wellicht liever wat ruimhartiger in het begroten van wat we daarvoor nodig hebben, dan dat er steeds weer een plus bij komt. Want het is juist zo belangrijk dat we dit met al die landen gaan doen. Tegelijkertijd wil ik op het moment dat er ruimte ontstaat, de eerste zijn die zegt dat het allemaal niet nodig blijkt te zijn. Maar dan heb ik wel een gesprek te voeren, want dit is wel wat we natuurlijk verwachten. Ik denk dus dat we elkaar daarin zeker tegemoet moeten kunnen komen. Laat ik zeggen dat ik in ieder geval na de zomer een eerste beeld kan hebben. Dan kan ik daar schriftelijk op terugkomen, zodat we wellicht kunnen zien wat het dan begrotingstechnisch doet.

Dan de vraag van de heer Sneller waar ik net al half mee begon: kan de wettelijke basis die we hier vandaag bespreken een eventuele wijziging van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens dragen? Dat is de vraag waar de heer Sneller aan het begin van het debat al even aan refereerde. Het voorstel dat we vandaag bespreken, legt de doelen voor het gebruik van ECRIS vast in de wet. Dat is geen nieuws. Via ECRIS worden voor deze doelen gegevens over de veroordelingen verstrekt binnen het kader dat het ECRIS-kaderbesluit en het Bjsg hiervoor geven. Het treft alleen de gegevens die op basis van het ECRIS-besluit verplicht zijn. De niet-verplichte gegevens worden op grond van het besluit daarom niet verwerkt in de justitiële documentatie en daarom niet door de Nederlandse autoriteit via ECRIS doorgegeven. Via een eventuele wijziging van dit besluit kunnen de te verstrekken gegevens worden uitgebreid, voor zover dat binnen het kader van het ECRIS-besluit blijft. Zolang het binnen het kader blijft, kan het besluit worden gewijzigd. Blijft het niet binnen het kader, dan kunnen we niet zomaar, in welke situatie we ook komen, het besluit wijzigen. Dat is misschien wel de simpele uitleg.

De voorzitter:
Dat leidt tot een vraag van de heer Sneller.

De heer Sneller (D66):
Hoeveel ruimte zit er dan tussen die twee cirkels die de staatssecretaris als het ware schetst? Wat kan er nog worden toegevoegd aan het besluit dat hangt onder de Wjsg maar wel binnen het kaderbesluit blijft? Voor dát deel is de vraag: kan dat ook, op basis van de noodzakelijkheidsargumentatie uit deze wet?

Staatssecretaris Van Bruggen:
Ik kom daar in de tweede termijn graag uitgebreider op terug, omdat ik nu niet goed kan inschatten of we heel duidelijk hebben wat dan precies die ruimte wel of niet is. Ongetwijfeld kan ik daar in tweede termijn iets duidelijker op antwoorden.

Dan de vraag van mevrouw Mutluer: hoe wordt in de praktijk geborgd dat de evenredigheidstoets daadwerkelijk wordt uitgevoerd? En wie houdt hier toezicht op? Voor de verwerking van justitiële gegevens geeft de Wjsg regels en waarborgen. Die regels en waarborgen gelden ook voor de raadpleging van ECRIS en voor de doelen waarin dit wetsvoorstel voorziet. Dat houdt onder meer in dat justitiële gegevens slechts mogen worden verwerkt voor zover dit noodzakelijk is voor, bij of krachtens de in de Wjsg geformuleerde doeleinden. De gegevens mogen voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en legitieme doeleinden worden verwerkt en niet op een met die doeleinden onverenigbare wijze worden verwerkt. Dit is ook een zin waarvan je denkt: dat kan ik misschien wat simpeler omschrijven. We hebben natuurlijk afspraken met elkaar gemaakt over hoe je juist die gegevens wel en niet mag delen. De gegevens mogen als ze niet verenigbaar zijn met het welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en legitieme doel, niet verwerkt worden. Op de gegevensverwerking moet toereikend, ter zake dienend en niet bovenmatig ... Sorry, ik kom hier misschien ook niet helemaal uit.

De voorzitter:
Mevrouw Mutluer met de vraag: wat staat hier nou eigenlijk?

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ik denk meer dat de kijker nu denkt: waar gaat dit over? Ik stel voor dat we dit in jip-en-janneketaal even goed uitleggen, opdat het ook voor de Handelingen helder is wanneer en hoe die evenredigheidstoets plaatsvindt en wie daar uiteindelijk toezicht op houdt.

De voorzitter:
Ja, dat komt in de tweede termijn.

Staatssecretaris Van Bruggen:
De vraag van mevrouw Straatman is de laatste. "Uit de uitvoeringstoets van Justis blijkt dat Ierland niet altijd de gegevens verstrekt bij vog's voor werken met kinderen. De aanbeveling is om dit met Ierland te bespreken voor de implementatie van ECRIS-TCN. Kan de staatssecretaris een update geven over de gesprekken met Ierland?" Het beeld dat Ierland niet altijd gegevens verstrekt bij vog's voor werken met kinderen lijkt inmiddels achterhaald, maar ik wil zeker wel toezeggen dat ik dat naga. De genoemde uitvoeringstoets dateert uit 2021 en geeft daarmee geen actueel beeld van de huidige praktijk. Recente cijfers laten zien dat de gegevensuitwisseling is verbeterd. In 2025 bedroeg de gemiddelde doorlooptijd ongeveer vier dagen. Ik kom daar graag ook schriftelijk op terug, omdat het belangrijk is dat u die informatie vanuit de uitvoeringstoets ontvangt.

De voorzitter:
Dank u wel.

Staatssecretaris Van Bruggen:
Daarmee ben ik aan het einde gekomen van de beantwoording van deze vragen.

De voorzitter:
Dan dank ik de staatssecretaris voor de beantwoording in eerste termijn. Ik wil voorstellen om voor een enkel moment te schorsen, echt een minuut of twee, drie. Daarmee vindt er ook een kleine wisseling van voorzitter plaats. Een andere persoon zal in deze stoel plaatsnemen voor de tweede termijn. Mevrouw Mutluer kijkt mij indringend aan. Help ik u met vijf minuten? Vijf minuten schorsen en dan gaan we direct over tot de tweede termijn van de zijde van de Kamer. Ik schors voor vijf minuten.

De vergadering wordt van 13.50 uur tot 13.56 uur geschorst.

Voorzitter: Van der Lee

De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de voortzetting van het debat over de Wijziging van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens ter vastlegging van de doelen van het gebruik van het Europees strafregisterinformatiesysteem — een heel mooi scrabblewoord. We gaan verder met de tweede termijn van de zijde van de Kamer. Als eerste ga ik het woord geven aan mevrouw Faber. Zij voert dat woord namens de fractie van de PVV. U mag nog even plaatsnemen, mevrouw de staatssecretaris, want de Kamer doet haar tweede termijn en daarna bent u weer aan de beurt. Gaat uw gang, mevrouw Faber.

Mevrouw Faber (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Ten eerste wil ik de staatssecretaris bedanken voor haar beantwoording en haar toegestoken hand wat betreft het amendement op stuk nr. 7. Daar gaan we mee aan de slag. Ik denk dat we er wel uit gaan komen. Tot zover dank.

Dan geeft de staatssecretaris aan dat er een commissiedebat is over de strafrechtketen en dat daar ook zaken in besproken worden betreffende het op orde brengen van zaken bij Justis, ook inzake ECRIS. Ik heb daar nog wel twee moties over, maar ik hoop dat u die gewoon ziet als aanmoediging.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat ECRIS de infrastructuur biedt om informatie tussen de lidstaten uit te wisselen over veroordelingen;

constaterende dat het automatisch koppelen van overheidssystemen niet vlekkeloos verloopt en dat dit ertoe kan leiden dat vonnissen niet aan de juiste persoon worden gekoppeld;

constaterende dat personen soms hun wettige naam veranderen en deze naam daardoor niet meer overeenkomt met een oud vonnis;

overwegende dat dit ertoe kan leiden dat de veroordelingen in ECRIS niet meer accuraat zijn, waardoor veroordeelden onder de radar blijven;

verzoekt de regering bij naamswijziging alle (oud-)vonnissen op de juiste wijze te koppelen aan de nieuwe naam in de overheidssystemen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Faber.

Zij krijgt nr. 8 (36657) (#1).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat ECRIS de infrastructuur biedt om informatie tussen lidstaten uit te wisselen over veroordelingen;

constaterende dat het in het belang van de nationale veiligheid noodzakelijk is controle te houden over wie toegang krijgt tot ons land;

verzoekt de regering om afspraken te maken met andere EU-lidstaten om informatie uit te wisselen in het kader van de Vreemdelingenwet 2000,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Faber.

Zij krijgt nr. 9 (36657) (#2).

Mevrouw Faber (PVV):
Dat was het. Tot zover. Dank u wel.

De voorzitter:
Hartelijk dank. Dan gaan we luisteren naar mevrouw Mutluer namens de fractie GroenLinks-Partij van de Arbeid. Gaat uw gang.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Dank, voorzitter. Ook dank aan deze staatssecretaris voor haar eerste plenaire debat en voor de antwoorden die ze zojuist heeft gegeven. Volgens mij hebben we bijna allen aangegeven dat we het een belangrijke wet vinden en dat het goed is dat we het een en ander wettelijk verankeren. Voor mij blijft het belangrijk dat in de praktijk goed geborgd wordt dat de evenredigheidstoets daadwerkelijk en consequent wordt uitgevoerd en dat de wet niet voor andere doeleinden wordt gebruikt dan waar hij voor bedoeld is.

Ik heb maar één motie. Die is eigenlijk naar aanleiding van die laatste discussie die ik met de staatssecretaris had over onjuiste informatie. De motie luidt als volgt.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het Europese systeem voor uitwisseling van strafregistergegevens (ECRIS) een belangrijke rol speelt bij het delen van justitiële informatie tussen lidstaten;

constaterende dat uit onderzoeken en signalen blijkt dat naar schatting 7% tot 8% van de gegevens in dergelijke systemen onjuist of onvolledig kan zijn;

overwegende dat dit grote gevolgen kan hebben voor burgers, bijvoorbeeld bij het niet verkrijgen van een vog;

overwegende dat onduidelijk is waar en hoe burgers fouten kunnen laten corrigeren;

verzoekt de regering te zorgen voor een duidelijke en toegankelijke procedure voor correctie van onjuiste gegevens in ECRIS, te waarborgen dat burgers weten bij welke instantie zij terechtkunnen, en zich in Europees verband in te zetten voor betere datakwaliteit,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Mutluer.

Zij krijgt nr. 10 (36657) (#3).

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ik wil daarbij zeggen dat ik me terdege bewust ben van wat de staatssecretaris wel en niet kan. Ik wil hier dus echt een inspanningsverplichting naar voren brengen, opdat met name burgers die ten onrechte ergens van worden beschuldigd of bepaalde vog's niet kunnen ontvangen, wel ongeveer weten welke route ze moeten bewandelen om het een en ander te laten corrigeren. Soms moet dat in Nederland, soms in een ander land. Ik ben me daar terdege van bewust. Zo moet de staatssecretaris mijn motie lezen.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:
Hartelijk dank. Omdat een aantal leden geen behoefte heeft aan een tweede termijn, kijk ik naar mevrouw Schilder. Die heeft daar ook geen behoefte aan. Dan kijk ik naar de heer El Abassi. Hij gaat als laatste in de tweede termijn het woord voeren. Dat doet hij namens de fractie van DENK. Gaat uw gang.

De heer El Abassi (DENK):
Dank u, voorzitter. Ik ga meteen aan de slag.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat onduidelijk is welke concrete persoonsgegevens via ECRIS worden gedeeld;

overwegende dat het delen van strafrechtelijke gegevens een zware inbreuk vormt op de persoonlijke levenssfeer;

verzoekt de regering om vóór inwerkingtreding van deze wet een volledig en concreet overzicht aan de Kamer te sturen van álle categorieën persoonsgegevens die via ECRIS worden verwerkt en gedeeld,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid El Abassi.

Zij krijgt nr. 11 (36657) (#4).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Autoriteit Persoonsgegevens en de Raad van State twijfels hebben geuit over de noodzaak en proportionaliteit van het wetsvoorstel;

verzoekt de regering per niet-strafrechtelijk doel afzonderlijk te onderbouwen waarom gebruik van ECRIS noodzakelijk is en waarom minder ingrijpende alternatieven niet volstaan,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid El Abassi.

Zij krijgt nr. 12 (36657) (#5).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het gebruik van ECRIS wordt uitgebreid naar niet-strafrechtelijke doelen;

overwegende dat dit het risico op function creep vergroot;

verzoekt de regering om expliciet vast te leggen voor welke doelen ECRIS niet mag worden gebruikt en toekomstige uitbreiding alleen mogelijk te maken na expliciete parlementaire goedkeuring,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid El Abassi.

Zij krijgt nr. 13 (36657) (#6).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het wetsvoorstel geen evaluatiebepaling bevat;

verzoekt de regering binnen drie jaar na inwerkingtreding een evaluatie uit te voeren naar de werking, effectiviteit en impact op grondrechten van het gebruik van ECRIS, en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid El Abassi.

Zij krijgt nr. 14 (36657) (#7).

De heer El Abassi (DENK):
Dan de laatste.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat fouten in gegevensverwerking kunnen leiden tot ernstige gevolgen voor betrokkenen;

verzoekt de regering aanvullende waarborgen te treffen om misidentificatie en onterechte koppelingen in ECRIS te voorkomen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid El Abassi.

Zij krijgt nr. 15 (36657) (#8).

De heer El Abassi (DENK):
Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:
Dank u wel voor uw inbreng. Dat was de tweede termijn van de zijde van de Kamer. Ik kijk even naar de staatssecretaris om te zien of zij wil schorsen. Er zijn acht moties ingediend. Ja, er wordt vijf minuten geschorst. Dan krijgen we een reactie in de tweede termijn plus een appreciatie van de acht ingediende moties. We zijn even vijf minuten geschorst.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de voortzetting van het debat over de wet die het gebruik van het Europees Strafregister Informatiesysteem regelt. We zijn toe aan de tweede termijn van de zijde van de regering. Ik geef het woord aan de staatssecretaris.

Staatssecretaris Van Bruggen:
Voorzitter, dank u wel. Nu ben ik dan toch echt aan de beurt. Het is goed om te zien dat dit deskje dan vanzelf weer omhooggaat. Ik ga ook zeker de mores van de Kamer nog goed leren begrijpen. Vandaag zet ik al grote stappen, volgens mij.

Dit is de tweede termijn, waarin een aantal vragen al eerder gesteld is door Kamerleden. Dat geldt onder andere voor een vraag van mevrouw Faber. Worden strafbeschikkingen en sepots door Justid geregistreerd in justitiële documentatie, maar niet verstrekt aan andere landen? Dat is correct. Het wordt in Nederland wel geregistreerd door Justid, maar het wordt niet verstrekt via ECRIS.

Mevrouw Mutluer vroeg wat mensen moeten doen als hun gegevens verkeerd zijn geregistreerd in het Justitieel Documentatiesysteem. Daar refereert haar motie die later aan bod komt natuurlijk ook aan. De gegevens over veroordelingen worden door Justid geregistreerd. Via ECRIS worden gegevens uit dit systeem verstrekt. Dat weten we. Gegevens over veroordelingen worden dus niet geregistreerd, maar er worden alleen verzoeken over en weer uitgewisseld via ECRIS. Iedere burger kan bij Justid een inzageverzoek of rectificatieverzoek indienen op grond van de Wjsg. Als een dergelijk verzoek wordt afgewezen, dan kan de burger de zaak altijd voorleggen aan de bestuursrechter. Dat is hoe we de rechtsbescherming hebben geregeld.

Dan de vraag van de heer Sneller en mevrouw Faber.

De voorzitter:
Een ogenblik. Er is nog een interruptie van mevrouw Mutluer op dit punt.

Staatssecretaris Van Bruggen:
Ja.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Het is interessant hoe het is geregeld, maar eigenlijk zijn de vragen of we daarmee alle problemen tackelen en wat de ervaring is met hoe we het hebben geregeld nog interessanter. Een van de suggesties die ik doe in mijn motie is om het corrigeren veel toegankelijker en makkelijker te maken. Ik vind de gang naar de rechter best ingewikkeld. Dus ik wil van de staatssecretaris horen hoe ze daarnaar kijkt en of ze mogelijkheden ziet om dit voor de toekomst wat eenvoudiger te maken.

Staatssecretaris Van Bruggen:
In de appreciatie van de motie zo dadelijk kan ik erop terugkomen, maar het belangrijkste is dat het "zo makkelijk mogelijk" moet zijn. Rechtsbescherming is gewoon een ongelofelijk belangrijk uitgangsprincipe en -beginsel van onze rechtstaat. Het is belangrijk dat we er alles aan doen om dat te waarborgen. Daar hebben we de formele routes voor. Dus dit is ook het formele antwoord over hoe dat geregeld is. Maar weet dat dit voor mij een belangrijk onderwerp en onderdeel is.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Tot slot, voorzitter. De formele route snap ik. Wellicht moeten we een keertje met een hele open blik kijken naar die formele route en wat daarin wellicht anders of beter kan. Ik hoop dat de staatssecretaris daarvoor openstaat en dat wellicht al in gang wil zetten. Graag een reactie daarop.

Staatssecretaris Van Bruggen:
Ik ben altijd bereid om erover na te denken hoe we de rechtsbescherming in Nederland zo goed mogelijk regelen. Als het ten aanzien van dit onderwerp belangrijk is om daarover door te praten, ben ik daartoe van harte bereid.

De voorzitter:
De staatssecretaris vervolgt haar betoog.

Staatssecretaris Van Bruggen:
Ja, ik vervolg de beantwoording, met een vraag van de heer Sneller en mevrouw Faber. Wat moeten we doen om die foutenmarge van 8% naar beneden te krijgen? Er zijn al diverse herstelacties voltooid. Er wordt een meetmethode ontwikkeld om registraties te vergelijken tussen het OM en Justid. We gaan hier natuurlijk nog over in gesprek in het debat dat we hierover zullen hebben. Het programma foutieve tenaamstellingen is ingesteld. Ik hoop in juni een heel scherp beeld te hebben, ten eerste van wat er is gebeurd en ten tweede van hoe we voorkomen dat het ooit weer gebeurt. U vroeg ook om een toelichting op die 8%. Het kan bijvoorbeeld komen door foutief aangeleverde informatie door ketenpartners. Die komt dan uiteindelijk terecht in justitiële documentatie van Justid. Het voorbeeld dat genoemd werd over het OM klopt. Het kan zijn dat het daar begint. Dat gaan we dus graag na, en daar gaan we met elkaar het gesprek over aan.

Dan de vervolgvraag van de heer Sneller over de wijziging van het besluit. Welke gegevens hebben we dan? Kan de motivering voor evenredigheid uit dit wetsvoorstel die wijziging van het besluit dragen? Het betreft dan de gegevens die niet verplicht hoeven te worden verstrekt op grond van het ECRIS-kaderbesluit. Dit gaat over de hypothetische situatie dat de ruimte volstrekt genomen wordt binnen de situatie die nu nog niet denkbaar is voor ons maar die zich zou kunnen voordoen, namelijk het zonder een wetswijziging wel heel erg oprekken van het besluit. Die situatie zou van toepassing kunnen zijn op de gegevens inzake de vingerafdrukken en de gezichtsopname. Het is binnen het besluit dus wel degelijk mogelijk om dat te wijzigen zonder daar een wetswijziging voor aan te moeten gaan. Die evenredigheidsafweging zal bij de wijziging van het besluit wel opnieuw worden gemaakt. Maar goed, dat doet natuurlijk niet af aan de zorg die u daarmee onderliggend uitspreekt.

Dan nog een vraag van mevrouw Faber. Als je visumvrij reist, moet je reisautorisatie aanvragen via ETIAS. Wordt er dan ook gecontroleerd in ECRIS? Worden derdelanders die een visum nodig hebben sowieso gecontroleerd in ECRIS of anderszins? Bij de aanvraag van een ETIAS door een visumvrije derdelander wordt ook een check gedaan in ECRIS. Wat visumplichtige derdelanders betreft is de minister van BZ, Buitenlandse Zaken, bezig met de implementatie van de herziene VIS-verordening. In dat kader zal bij toekomstige visumaanvragen ECRIS bevraagd worden. Voor verdere informatie hierover verwijs ik dan ook graag naar de collega die verantwoordelijk is voor juist dit visumbeleid.

Mevrouw Faber (PVV):
De staatssecretaris geeft aan dat als je visumvrij reist, het via ETIAS gaat. Je moet de autorisatie aanvragen en dan worden de gegevens dus wel gecontroleerd, ook in ECRIS. Maar zitten daar dan ook al de gegevens in die zijn verstrekt door het Verenigd Koninkrijk?

Staatssecretaris Van Bruggen:
Dat antwoord moet ik achterwege laten. Ik denk dat het belangrijk is dat we het Verenigd Koninkrijk nog steeds als apart onderdeel in de beantwoording blijven uitleggen, zoals ik dat ook in de eerdere beantwoording heb gedaan. Ik wil hier ook niet onzorgvuldig in zijn. Als dat goed is, zal ik dus graag schriftelijk terugkomen op hoe het geregeld is voor het visumvrije reizen.

Dan de vraag van mevrouw Mutluer — ik kijk even — of het wetsvoorstel voldoet aan de principes van proportionaliteit en subsidiariteit. Volgens mij is dit dan ook meteen de laatste vraag en ga ik daarna over naar de moties. Het gebruik van ECRIS betreft de verwerking van persoonsgegevens. Dat moet evenredig zijn. De verwerking betreft in deze context een beperking van het recht op eerbiediging van het privéleven en het recht op de bescherming van persoonsgegevens. Een beperking kan slechts worden ingesteld als het noodzakelijk is en als het geschikt is om een legitiem doel te verwezenlijken. De doelen van het gebruik van ECRIS die in dit wetsvoorstel worden geregeld, dienen dat legitieme doel. Het gebruik van ECRIS is daartoe noodzakelijk en geschikt. In een Europa zonder binnengrenzen is buitenlandse informatie over veroordelingen belangrijk voor het al dan niet verstrekken van de verklaring omtrent het gedrag, het Bibob-advies, het geschiktheidsonderzoek naar aspirant-adoptiefouders en -pleegouders en het intrekken of verlenen van een verblijfsvergunning voor de Nederlandse nationaliteit.

Voorzitter. Dan ga ik graag over naar de appreciatie van de moties die we hebben gekregen. Dat zijn er acht, te beginnen met de motie van mevrouw Faber op stuk nr. 8. Dat is een verzoek aan de regering om bij naamswijzigingen alle oud-vonnissen op de juiste wijze te koppelen aan de nieuwe naam in overheidssystemen. Die wil ik heel graag aan het oordeel van de Kamer laten, met dien verstande dat het al gebeurt. Ik laat het dus vooral aan uw Kamer wat u daar verder mee zou willen.

Dan de tweede motie van mevrouw Faber …

Mevrouw Faber (PVV):
De staatssecretaris geeft aan dat het al gebeurt, dat het omgehangen wordt; laat ik het maar zo noemen. Maar ik heb wel al eerder in dit debat gevraagd of er bij naamswijziging in ECRIS wordt gecontroleerd. Toen was het antwoord volgens mij: nee. Misschien is het …

Staatssecretaris Van Bruggen:
Het zijn dan ook twee verschillende dingen, hè?

De voorzitter:
Ja, mevrouw Faber? Uw vraag.

Mevrouw Faber (PVV):
Pardon, voorzitter. Het ligt er natuurlijk wel aan uit welke hoek je het bekijkt. Ik begrijp dan uw vorige antwoord, maar u zegt al — ik moet het via de voorzitter zeggen — dat de namen als het ware worden omgehangen. Heb ik dat goed begrepen? Stel dat je eerst A heette en daarna B. Op het moment dat je B bent, wordt dat in ECRIS op B geregistreerd. Klopt dat?

Staatssecretaris Van Bruggen:
Ja. Het gebeurt al. Ik laat het dus ook graag aan uw Kamer of u wilt dat ik daar op een andere manier mee zou omgaan. Maar ik kan me voorstellen dat de bedoeling van de motie juist is dat we dat blijven doen.

Mevrouw Faber (PVV):
Juist.

De voorzitter:
Daarmee heeft de motie op stuk nr. 8 oordeel Kamer. We gaan naar de motie op stuk nr. 9.

Staatssecretaris Van Bruggen:
De motie op stuk nr. 9 is ook van mevrouw Faber en verzoekt de regering om afspraken te maken met andere EU-lidstaten om informatie uit te wisselen in het kader van de Vreemdelingenwet 2000. Ook hier: oordeel Kamer. Met de implementatie van de EU-systemen zoals ETIAS en VIS wordt dit mogelijk. Ik laat het dus ook graag aan u hoe u dit zelf zou willen zien.

Dan de motie op stuk nr. 10 over zorgen voor duidelijke, toegankelijke procedures voor correctie van onjuiste gegevens en waarborgen dat burgers weten bij welke instantie ze terechtkunnen, en zich in Europees verband inzetten voor een betere datakwaliteit. Die motie is van mevrouw Mutluer. Die neem ik graag over. Het is echt ondersteuning van beleid, dus ik neem 'm graag over.

De voorzitter:
Ik kijk even naar mevrouw Mutluer. Ja?

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
We gaan niks overnemen. Ik wil hem graag in stemming brengen, want ik vind dat wel belangrijk. Het is wel een signaal. Niets ten nadele van deze staatssecretaris, want ik waardeer het enorm dat ze het onderschrijft. Maar wel graag de motie in stemming brengen, omdat die een duidelijk signaal is, gelet op de foutmarges die aannemelijk zijn.

De voorzitter:
Nou, als de indiener zich verzet tegen overnemen, dan wordt de motie in stemming gebracht.

Staatssecretaris Van Bruggen:
Zeker. Dan wordt de appreciatie van de motie op stuk nr. 10 oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 11 van de heer El Abassi verzoekt de regering om voor inwerkingtreding van deze wet een volledig en concreet overzicht aan de Kamer te sturen van alle categorieën persoonsgegevens die via ECRIS worden verwerkt en gedeeld. Die motie laat ik graag aan het oordeel van de Kamer.

De motie op stuk nr. 12 vraagt de regering per niet-strafrechtelijk doel afzonderlijk te onderbouwen waarom het gebruik van ECRIS noodzakelijk is. Gevraagd wordt ook waarom minder ingrijpende alternatieven niet volstaan. Dat doen we niet. We gaan juist opschrijven wat we wél doen en niet alles noteren wat we niet van plan zijn om te doen, dus ik ontraad deze motie.

Dan hebben we de motie stuk nr. 13 die gaat over het expliciet vastleggen voor welke doelen ECRIS niet mag worden gebruikt. In het verlengde van mijn eerdere antwoord ontraad ik deze motie.

De motie op stuk nr. 14 verzoekt de regering binnen drie jaar na inwerkingtreding een evaluatie uit te voeren. Mijn voorstel hierbij zou zijn … Normaal gesproken doen we een evaluatie na vijf jaar. Als het mogelijk zou zijn voor de indiener om daar ook de ruimte te zoeken, dan laat ik die motie graag aan het oordeel van de Kamer.

De voorzitter:
Ik kijk even naar de heer El Abassi. "Drie jaar" moet wat minder strikt worden geïnterpreteerd dan drie jaar. Is hij het daarmee eens?

De heer El Abassi (DENK):
Mag ik dat opvatten als maximaal vijf jaar, dus tussen de drie en vijf jaar?

Staatssecretaris Van Bruggen:
Uitstekend.

De voorzitter:
Ja? Met die interpretatie krijgt de motie op stuk nr. 14 oordeel Kamer.

Staatssecretaris Van Bruggen:
Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 15. Die gaat over de aanvullende waarborgen op het vlak van misidentificatie en onterechte koppelingen in ECRIS. Dit is ook een motie van de heer El Abassi. Ik ga die ontraden, want er zijn er al voldoende waarborgen. Het is een bestaande verplichting, dus hier is de appreciatie: ontraden.

Voorzitter, dan kom ik tot het eind van mijn bijdrage.

De voorzitter:
Hartelijk dank daarvoor. Daarmee is er ook een einde gekomen aan uw eerste plenaire debat. U bent nu een ervaring rijker. Het is te danken aan de bodes dat het katheder een beetje omhoog- en omlaaggaat. Er wordt op u gelet, inderdaad.

Staatssecretaris Van Bruggen:
Zeker. Hartelijk dank.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:
We gaan op dinsdag 14 april stemmen over het wetsvoorstel, de ingediende moties en het amendement. Er is één amendement ingediend.

We gaan nu schorsen; best wel lang, 40 minuten, want het volgende debat kan pas om 15.00 uur starten. Dat gaat over de kraamzorg.

De vergadering wordt van 14.20 uur tot 15.00 uur geschorst.