[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Debat over het tekort aan personeel in de kraamzorg (ongecorrigeerd)

Stenogram

Nummer: 2026D15896, datum: 2026-04-02, bijgewerkt: 2026-04-03 09:34, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


Tekort aan personeel in de kraamzorg

Tekort aan personeel in de kraamzorg

Aan de orde is het debat over het tekort aan personeel in de kraamzorg.

De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het debat over het tekort aan personeel in de kraamzorg. Ik heet de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de leden, de mensen op de tribune en iedereen die dit debat op afstand volgt van harte welkom. Zoals gebruikelijk starten we met de eerste termijn van de zijde van de Kamer. Dit is een meerderheidsdebat met vier minuten spreektijd per fractie. Ik stel voor dat we het aantal interrupties in de eerste termijn tot zes beperken.

Ik kijk even rond. Ik zie de eerste spreker, mevrouw Bikker, nog niet in de zaal. Ja, daar komt ze aan. Ze komt heel rustig binnenlopen. Mevrouw Bikker voert het woord namens de ChristenUnie. Gaat uw gang.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Dank u wel, voorzitter. Kraamzorg is kostbaar, maar de kraamzorg kraakt. Daarom vroeg ik dit debat aan. Wat mij betreft kunnen we niet wachten met het verbeteren van de kraamzorg, want elk nieuw leven is een wonder, en dat wil je op de allerbeste manier welkom heten. Ik weet nog hoe we eindeloos konden kijken naar die kleine teentjes en kleine vingertjes. We dachten: help, hoe gaan we hier goed voor zorgen? Je dankt de Schepper, maar je voelt als ouders ook een grote verantwoordelijkheid. Goede kraamzorg is dan goud waard.

In de afgelopen week sprak ik twee jonge moeders die hoogzwanger zijn, maar nog steeds niet weten of het goed gaat komen met hun kraamzorg. Ik sprak heel veel kraamverzorgsters die met ontzettend veel plezier hun werk doen, maar inmiddels ook tegen grenzen aanlopen. Het knelt te vaak, door personeelstekorten, door financiële drempels en door een hoge werkdruk. Daarom presenteerde de ChristenUnie een manifest. Ik zag dat de SP ook met een mooi plan komt. Ik zie dat meerdere partijen zeggen: het is tijd om de kraamzorg te versterken.

Voorzitter. Laat ik daarbij niet onder stoelen of banken steken dat de ChristenUnie een prolife-partij is. Wij staan op voor al het leven: voor het meest prille begin bij een net geboren kind, maar ook voor jonge ouders en gezonde gezinnen. Want al het leven is waardevol en beschermwaardig. Deze tijd vraagt juist om sterke gezinnen die goed kunnen starten in plaats van over de kop te vliegen. Als we de kraamzorg niet versterken, verliezen gezinnen die goede kans en verliezen we uiteindelijk ook de kraamzorg.

Voorzitter. Ik heb goede wijzigingen gezien die tot verbetering moeten leiden. Die wijzigingen heeft de minister al aangekondigd, maar volgens de ChristenUnie moet er meer gebeuren. Ik heb veel kraamverzorgsters gesproken die een heel aantal punten hebben meegegeven waarvan ik denk dat de minister daar haar voordeel mee kan doen.

Allereerst ten aanzien van de kwetsbare gezinnen. Zij melden zich vaak te laat aan voor kraamzorg en worden dan op een wachtlijst gezet. Met name zzp'ers hebben vervolgens de mogelijkheid om die aanvragen af te wijzen. Er zijn wijken, met name in grote steden, waar nu te weinig aanbod is. Wat vindt de minister van het idee, dat ook door zorgverzekeraars is geopperd, om in regionaal verband afspraken te maken over het aanbod? In de wijkverpleging gebeurt het immers ook.

Voorzitter. De eigen bijdrage na 24 uur kraamzorg is voor sommige gezinnen een te hoge drempel. Natuurlijk hebben ouders eerst zelf de verantwoordelijkheid om geld opzij te leggen voor dit soort kosten, maar soms is er gewoonweg geen ruimte. Welke instrumenten hebben gemeenten? Kan de minister die beter onder de aandacht brengen? Welke ruimte ziet de minister hierbij voor zichzelf?

Voorzitter. Informele hulp van familie en vrienden is haast onontbeerlijk in de kraamtijd, maar niet iedereen heeft zo'n netwerk. Maar er zijn vrijwilligersnetwerken, zoals Present en Humanitas, die zo'n rol kunnen vervullen. Hoe kan de minister dit soort initiatieven koppelen aan de kraamzorg?

Dan het vak en het werk van een kraamverzorgende. Als je als 16-jarige wilt starten met deze opleiding, begin je met een algemene opleiding tot verzorgende, waarbij je bijvoorbeeld eerst een stage doet in de ouderenzorg. Dan krijg je daar een baan aangeboden; daar ga je. We horen van veel studenten dat ze voor de ouderenzorg hebben gekozen terwijl ze misschien zijn gestart met een motivatie voor de kraamzorg. Kan de opleidingsstructuur worden verbeterd? Zou het niet stimuleren als er bij de start van de opleiding baangarantie wordt gegeven? Gebeurt dit in andere opleidingen, en kan de minister dat verkennen?

Als je eenmaal als kraamverzorgende werkt, is het moeilijk om fulltime te werken en een fatsoenlijk salaris te verdienen, bijvoorbeeld om een hypotheek te krijgen. Ik was op bezoek bij RST Kraamzorg in Ridderkerk. Daar zetten ze zich ervoor in dat iedere jonge kraamverzorgende een contract krijgt dat past bij de eigen situatie: fulltime voor jonge starters, tijdens schooltijden voor drukke moeders, of met blokken van zeven dagen voor anderen. Hoe kunnen aanbieders hierin van elkaar leren?

Voorzitter. Dan mijn laatste vraag. De werkdruk is hoog en de vergoedingen zijn beperkt, bijvoorbeeld door wachtdiensten, parkeerkosten en reistijd. Het is aan de werkgever om die laatste kosten te vergoeden, maar dat zit niet in de tarieven. De tarieven zijn net verhoogd, maar dit zit er niet in. Welke mogelijkheden ziet de minister om ten aanzien van de wachtdiensten, parkeerkosten en reistijd toch een verbeterslag te maken?

Dank u wel.

De voorzitter:
Hartelijk dank voor uw inbreng. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Dobbe. Zij voert het woord namens de Socialistische Partij. Gaat uw gang.

Mevrouw Dobbe (SP):
Dank u wel. De kraamzorg is basiszorg en ongelofelijk belangrijk voor pasgeboren baby's en hun ouders. Maar deze basiszorg staat steeds verder onder druk. Nu al krijgen honderden gezinnen geen kraamzorg. Dat dreigt de komende tien jaar op te lopen naar 37.000 gezinnen. Er moet veel meer worden gedaan om de kraamzorg te redden. Daarom presenteerden wij vorige maand samen met kraamverzorgenden het vijfpuntenplan Red de kraamzorg, voor hogere tarieven, betere salarissen, een fatsoenlijke vergoeding voor wachtdiensten, het afschaffen van de eigen bijdrage en het afschaffen van de marktwerking in de sector. Is de minister bereid om alsnog met die punten aan de slag te gaan? Iedereen hier is het er namelijk over eens dat kraamzorg belangrijk is en behouden moet blijven, maar dat gaat niet vanzelf. Er zijn echt concrete maatregelen voor nodig.

Het is niet uit de lucht komen vallen dat gezinnen steeds minder kraamzorg krijgen, want de arbeidsvoorwaarden zijn gewoon echt te slecht. Het salaris is te laag en voor wachtdiensten krijgen zij slechts €11,90 bruto; dat is niet per uur, maar per dag. Mensen stoppen met het werk, niet omdat ze dat willen, maar omdat ze niet fatsoenlijk kunnen rondkomen. De uitstroom wordt niet opgevangen door nieuwe instroom, want de meerderheid van de nieuwe kraamverzorgenden stopt al binnen een jaar. Vorig jaar kwamen de vakbonden met een manifest. Sindsdien zijn er al vanuit drie verschillende organisaties rapporten gepubliceerd die de noodklok luiden, elke keer weer. De Kamer nam bovendien met ruime meerderheid een motie van de SP aan om de problemen aan te pakken.

Maar wat is de reactie van het kabinet op dit alles? Het kabinet zegt dat de schaarste eerlijker verdeeld moet worden; dat is eigenlijk wat het kabinet in feite gaat doen. Het gaat niks doen aan de tarieven en de arbeidsvoorwaarden. Daarom wil ik de minister vragen: ziet zij niet in hoe groot de problemen in de kraamzorg zijn? Ziet zij niet in dat schaarste verdelen hier geen oplossing is? Heeft zij hierover wel met kraamverzorgenden zelf gepraat? Zij zeggen namelijk ook heel duidelijk dat hogere tarieven en fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden gewoon keihard nodig zijn.

Eerder stelden we al samen met de SGP voor om de eigen bijdrage op kraamzorg van tafel te halen. Dit wordt gesteund in de samenleving breed. Gisteren zagen we ook allemaal de oproep van een heel aantal gemeenten, vakbonden, werkgevers, artsen, ziekenhuizen en maatschappelijke organisaties. Die zeggen dit ook. Zij roepen er net als wij toe op de eigen bijdrage voor kraamzorg af te schaffen, zodat kraamzorg voor ieder gezin toegankelijk is en blijft. Bij een minimumaantal uren kraamzorg moeten ouders nu namelijk €136 betalen. Je zou het ook een bevalboete kunnen noemen. En deze Kamer heeft al eerder een bevalboete geschrapt, dus laten we deze dan ook samen van tafel halen vandaag. €136 klinkt heel weinig als je het geld hebt, maar als je weinig geld hebt, is het te veel, zeker als je ook luiers, een kinderwagen, een wieg, kruiken en kleertjes waar je kindje elke week uit groeit — elke ouder weet dit — moet kopen en je elke dag een was moet draaien en een eindeloze hoeveelheid hydrofiele handdoekjes moet kopen. Het zijn nogal wat uitgaven die je moet doen als je een baby'tje krijgt. Deze eigen bijdrage daarbovenop is voor gezinnen gewoon echt te veel.

Dat zie je ook, want gezinnen met het laagste inkomen krijgen drie keer zo vaak geen kraamzorg en bijna zeven keer zo vaak minder dan het minimumaantal uren kraamzorg als gezinnen met de hoogste inkomens. Gezinnen met de laagste inkomens krijgen dus gewoon minder kraamzorg op dit moment. Dat is het gevolg van die eigen bijdrage. Laten we daarom ook deze eigen bijdrage op kraamzorg schrappen. We zullen hier weer een voorstel voor doen.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:
Hartelijk dank voor uw inbreng. We gaan luisteren naar de heer Diederik van Dijk namens de Staatkundig Gereformeerde Partij; volgens mij staat die tegenwoordig bij de meeste mensen bekend als de SGP.

De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank u wel, voorzitter. "Als je niet bestond, dan had ik je bedacht." Dat moet je af en toe zeggen tegen je man of vrouw. Maar zo mogen we ook kijken naar nieuw leven, naar de geboorte van een nieuw mensje: een geschenk waaraan je je hart mag ophalen. Zo'n klein mensje gun je de allerbeste start. De moeder en de vader — ik vind dat de positie van de vader en alles wat op hem afkomt, zwaar wordt onderschat — gun je de allerbeste zorg. De geboortezorg in Nederland staat echter onder druk. Er is te weinig personeel. De werkdruk voor kraamverzorgenden neemt toe. Te veel gezinnen krijgen te weinig hulp. Moeders die kraamhulp het meest kunnen gebruiken, krijgen juist de minste zorg. Dat is een structureel probleem.

De SGP had daarom in de doorrekening van haar verkiezingsprogramma een investering in de geboortezorg van 200 miljoen opgenomen. Volgens mij waren we daarin de enige partij. Wij willen een bestuurlijk akkoord met de sector. Ik weet dat er al afspraken zijn gemaakt, maar er zijn naar onze overtuiging extra middelen nodig voor meer uren zorg en betere tarieven, bijvoorbeeld voor wachtdiensten, investeringen in personeel en een goede uitvoering van de toekomstvisie van de geboortesector. Is de minister bereid zo'n akkoord met de sector te sluiten?

Concreet zou het kabinet bijvoorbeeld opnieuw het opleidingsfonds kunnen instellen. Hiermee werden tot 2024 bijna 400 extra kraamverzorgenden opgeleid. Vanaf 2025 moeten kraamzorgorganisaties weer individuele afspraken maken met de verzekeraars. Een nieuw opleidingsfonds draagt bij aan het extra opleiden van kraamverzorgenden. Pakt de minister dit op?

Uit veel onderzoeken blijkt dat de eigen bijdrage voor kraamzorg een drempel vormt voor de toegankelijkheid van zorg. Collega Dobbe wijdde hier zojuist terechte woorden aan. Het raakt met name moeders en kinderen in een kwetsbare situatie. Gezinnen met een laag inkomen krijgen tot bijna zeven uur minder kraamzorg dan gezinnen met een hoog inkomen. Dat is niet rechtvaardig. Het afschaffen van de eigen bijdrage wordt breed gesteund. Gemeenten, zorgverleners en wetenschappers zien allemaal de noodzaak.

Eerlijk gezegd heeft de SGP geen behoefte aan weer een onderzoek, maar aan actie. Vanaf het moment van de bevruchting, de ontwikkeling van het ongeboren kindje in de baarmoeder, tot de geboorte en alles eromheen: het belang van een goed begin is glashelder. De rol van kraamzorg is cruciaal. Goede zorg en ondersteuning rondom de geboorte is een effectieve preventie. Het is goed voor de volksgezondheid en kostenbesparend. Erkent de minister dat er wat moet gebeuren om de financiële toegankelijkheid van kraamzorg te vergroten? Is het kabinet bereid om serieus te kijken naar het afschaffen van de eigen bijdrage, in ieder geval voor kwetsbare gezinnen? Zo niet, welke maatregelen kunnen we dan wel van het kabinet verwachten om ervoor te zorgen dat moeders en kinderen in kwetsbare wijken en regio's meer kraamzorg krijgen?

Het is belangrijk om de verbinding tussen kraamzorg, verloskundige zorg, jeugdgezondheidszorg en het sociale domein te versterken. De SGP is dan ook blij met de structurele financiering van Kansrijke Start in het coalitieakkoord. Ik zeg daar wel eerlijk bij dat ik een enigszins onbehaaglijk gevoel krijg van de term "regie in de mens". Het leven is niet maakbaar, en zeker niet het ontstaan ervan. Elke zwangerschap is een zegen en elke geboorte een geschenk van onze Schepper. Daarom mijn volgende vraag. De minister kijkt of de kinderwensverkenning kan worden meegenomen in de mogelijke wettelijke verankering van Kansrijke Start. Wat wil ze dan precies wettelijk vastleggen?

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:
Hartelijk dank. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Vliegenthart. Zij voert het woord namens de fractie van GroenLinks-PvdA. Gaat uw gang.

Mevrouw Vliegenthart (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Kraamzorg is een unieke vorm van zorg in Nederland, waar we trots op mogen zijn. Het legt de basis voor een gezonde, kansrijke start voor ouders en kind. Tien jaar lang mocht ik intensief samenwerken met kraamverzorgers. Van dichtbij zag ik hoe onmisbaar zij zijn. Een van hen is Angelique. Al tientallen jaren staat zij naast gezinnen in een van de meest vormende momenten van hun leven. Ik heb met haar samengewerkt tijdens ontelbaar veel bevallingen. Ze ondersteunde niet alleen ouders, maar ook mij. Ik noem haar adequate handelen toen een vrouw na de bevalling plotseling veel bloed verloor. Ik zal nooit vergeten hoe zij urenlang, tot diep in de nacht, bij een pasgeboren baby bleef, in een koud, tochtig huis, om te voorkomen dat het kindje met een gevaarlijk lage temperatuur naar het ziekenhuis moest. Door haar inzet bleef het een opname bespaard. Angelique stond mij niet alleen bij tijdens mijn werk als verloskundige, maar ze stond er ook toen ik zelf moeder werd. Na een zware bevalling, veel onzekerheid en een moeilijke start met borstvoeding, was zij degene die me de kraamweek doorhielp. Zij en haar collega's maken het verschil voor tienduizenden gezinnen, elke dag weer.

Voorzitter. Juist deze zorg staat onder druk. Wat ooit scheuren waren, is nu een systeem dat afbrokkelt. Kraamverzorgenden zeggen zelf: als we niets doen, bestaat de kraamzorg over tien jaar niet meer. Mensen verlaten noodgedwongen het vak waar ze zo van houden, door de manier waarop we het systeem georganiseerd hebben. Nieuwe instroom blijft uit. Hierdoor ontstaan tekorten en kan iemand als Angelique haar werk niet meer doen zoals het bedoeld is. In plaats van rust en aandacht te bieden, moet zij nu naar meerdere gezinnen op een dag en heeft ze het gevoel dat ze tekortschiet in de zorg die ze levert. Wat gaat de minister doen voor de kraamverzorgenden, die zich met hart en ziel inzetten voor het vak, maar dat door structurele problemen gewoon niet meer kunnen? Wat gaat zij doen om die structurele oorzaken aan te pakken?

Ook de werk-privébalans is volledig zoek. Wachtdiensten betekenen dat kraamverzorgenden continu aanstaan. Elk moment kunnen ze worden opgeroepen en binnen een uur moeten ze bij een gezin staan. Dat betekent dat je er niet meer echt kan zijn voor je kinderen, dat je die dag geen mantelzorg kunt geven aan een ouder die op je rekent, en dat je je leven niet normaal kunt plannen. Dat doen ze allemaal voor een vergoeding van nog geen €12 voor een wachtdienst van acht uur. Dat is een bedrag waar je niet eens een uur kinderopvang van kunt betalen. Dat is niet alleen onrechtvaardig, maar het maakt het vak ook nog eens onhoudbaar. Hoe kijkt de minister hiernaar? Is zij het mij eens dat wachtdiensten onder arbeidstijd gerekend zouden moeten worden en dat hier een passende beloning tegenover zou moeten staan?

Het systeem doet kraamverzorgenden tekort. Tegelijkertijd zien we dat juist gezinnen die deze zorg het hardst nodig hebben, het minst krijgen. Gezinnen in kwetsbare situaties ontvangen namelijk vaker minder of zelfs geen kraamzorg. Organisaties trekken zich terug uit wijken waar de zorg complex is. Ook vormt de eigen bijdrage een extra drempel voor gezinnen die het al moeilijk hebben. Toegang tot kraamzorg hangt hierdoor steeds vaker af van je inkomen, je postcode of je achtergrond. Dat is onacceptabel. Kraamzorg is namelijk geen luxe, maar essentiële zorg die voorkomt dat kleine zorgen grote problemen worden. Ik heb als verloskundige met eigen ogen gezien wat de gevolgen zijn als die zorg wegvalt: baby's die te veel afvallen omdat de borstvoeding niet op gang komt, te laat ontdekte infecties bij baby's, onnodige complicaties en onnodig hoge zorgkosten. Ziet de minister ook dat de meest kwetsbare gezinnen het hardst geraakt worden door structurele problemen? Ziet zij dat pilots zoals die in Amsterdam en Zuid-Limburg manieren zijn om passende en toegankelijke zorg te garanderen voor juist die gezinnen?

Voorzitter. Het mag duidelijk zijn: de problemen in de kraamzorg worden niet veroorzaakt door een tekort aan personeel, maar door de manier waarop de sector is ingericht. Het personeelstekort is een gevolg, niet de oorzaak. Ik hoop dus dat we het vanmiddag niet alleen maar bij deze mooie, belangrijke woorden houden, maar daadwerkelijk verantwoordelijkheid en regie nemen, zodat we echt iets kunnen veranderen, omdat elk kind, ongeacht afkomst, inkomen of postcode, de best mogelijke start in het leven verdient en omdat elke ouder een Angelique verdient.

De voorzitter:
Hartelijk dank voor uw inbreng. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Wiersma. Zij voert het woord namens de BBB-fractie. Gaat uw gang.

Mevrouw Wiersma (BBB):
Dank, voorzitter. Nederland heeft iets bijzonders in handen, want onze kraamzorg is internationaal gezien vrijwel uniek. Het is een systeem dat moeder en kind in de eerste kwetsbare dagen na de geboorte intensief ondersteunt, thuis en dichtbij. Die combinatie van medische monitoring, begeleiding en preventie is wereldwijd een voorbeeld. Juist daarom mogen we dit systeem niet weg laten glijden.

Tegelijkertijd zien we — het is net al meermaals genoemd — dat de toegankelijkheid onder druk staat. Het groeiende tekort aan kraamverzorgenden leidt tot minder uren zorg, wachtlijsten en regionale verschillen. In sommige regio's daalt het aantal uren kraamzorg per gezin zichtbaar, terwijl in grote steden gezinnen al langer minder zorg ontvangen. Tegelijkertijd zien we dat organisaties hun werkgebied verkleinen en dat daardoor in sommige regio's nauwelijks nog dekking is. Voor de BBB is daarom de vraag niet alleen hoe we meer mensen krijgen, maar vooral ook hoe we zorgvuldig omgaan met de schaarste die er nu is.

Kraamzorg is een basisvoorziening. Zorg dichtbij mag niet afhangen van je postcode. Daarom heb ik een aantal vragen aan de minister. Welke keuzes maakt de minister om de schaarse capaciteit zodanig in te zetten dat de beschikbaarheid in alle regio's, en juist ook in de krimpgebieden, overeind blijft? In de praktijk zien we namelijk dat personeelstekorten direct leiden tot minder uren zorg. Gezinnen krijgen vaak het minimum, terwijl de behoefte groter is. Dat is geen bewuste keuze voor passende zorg, maar het gevolg van schaarste. Hoe wil deze minister borgen dat indicatiestelling en inzet van uren weer gebaseerd zijn op de zorgbehoeften en niet primair op de beschikbare capaciteit? Ook in de organisatie van kraamzorg zien we dat het systeem piept en kraakt. Zonder beter zicht op beschikbare capaciteit blijven we achter de feiten aan lopen. Welke stappen zet deze minister dus om regionaal en landelijk beter zicht en sturing te krijgen op de inzet van het beschikbare personeel?

Voorzitter. Schaarste raakt niet iedereen gelijk. Juist kwetsbare gezinnen komen vaker op een wachtlijst terecht of ontvangen minder zorg, terwijl zij de ondersteuning het hardst nodig hebben. Hoe wordt geborgd dat kwetsbare gezinnen binnen de bestaande capaciteit daadwerkelijk prioriteit krijgen?

Voorzitter. Verschillende vakbonden wijzen er terecht op dat het personeelstekort ook samenhangt met hoe het werk is georganiseerd. Er is een hoge werkdruk en er zijn onvoorspelbare diensten en wachtdiensten, die beperkt worden gewaardeerd. Dat maakt het vak moeilijk vol te houden. Dan heb ik het nog niet eens over de enorme administratieve last, die in de zorg breed een probleem is. Daardoor verlaten ervaren kraamverzorgenden het vak en wordt het lastiger om nieuwe mensen te behouden. Herkent de minister dit? Kraamverzorgenden zijn enorm waardevolle mensen en we kunnen als samenleving niet zonder ze. We moeten ze waarderen. Zij houden dit systeem draaiende, maar ervaren dus een hoge werkdruk, mede door die administratieve lasten. Ik ben dus benieuwd welke concrete stappen de minister voor zich ziet om het vak aantrekkelijker, maar met name ook beter organiseerbaar te maken. Welke maatregelen kan de minister nemen om die werkdruk te verlagen?

Voor BBB staat één ding voorop: kraamzorg is essentieel voor een goede start van een nieuw leven. Ik heb zelf vier keer mogen meemaken en kunnen ervaren hoe waardevol het is om in die eerste week deze ondersteuning te ontvangen. Dat gun ik iedere moeder, iedere ouder, ook iedere vader en ieder kind. Daarom moeten we dit unieke systeem toegankelijk houden in Nederland.

Dank.

De voorzitter:
Hartelijk dank voor uw inbreng. We gaan nu luisteren naar de heer Vervuurt. Hij is woordvoerder van de D66-fractie. Gaat uw gang.

De heer Vervuurt (D66):
Dank u wel, voorzitter. Goede geboorte- en kraamzorg zijn cruciaal. Niet alleen helpt kraamzorg jonge ouders met de praktische zaken die ineens op hun pad komen rond het zorgdragen voor hun pasgeboren kind; kraamzorg doet veel meer. Juist in de eerste dagen na de geboorte kan kraamzorg een groot verschil maken voor de gezondheid van het kind en de ouders en voor het functioneren van het hele gezin. Een vliegende start van een nieuw leven: dat is wat het moet zijn, zodat iedereen een eerlijke kans krijgt in het leven. Maar wat zien we in de praktijk? Het tegenovergestelde. Gezinnen in kwetsbare situaties komen er het slechtst van af. Dat zijn gezinnen met lage inkomens, taalachterstanden, stress of lastige familiesituaties. Dat zijn achterstanden die in de eerste dagen ontstaan en die zijn veel moeilijker in te halen. Juist die gezinnen hebben die vliegende start nodig en juist zij hebben minder toegang tot de kraamzorg. Sommigen krijgen zelfs helemaal geen kraamzorg. Dat doet mij als D66'er echt pijn, want waar kraamzorg de kansen voor kwetsbare gezinnen zou moeten vergroten, wordt nu juist de achterstand groter.

Arbeidsmarkttekorten spelen hierbij een rol. Deze zijn zichtbaar in de hele zorg. Daarom gaat het kabinet hard aan de slag met een bredere aanpak van personeelstekorten: meer werken laten lonen, meer uren werken aantrekkelijker maken en een leven lang ontwikkelen. Maar het eerlijke antwoord is ook dat tekorten in de kraamzorg zo schrijnend zijn dat die algemene aanpak niet genoeg is als oplossing. Arbeidsmarkttekorten zijn niet de enige reden waarom kwetsbare gezinnen niet de zorg krijgen die ze nodig hebben. Structurele veranderingen zijn nodig om het verschil te maken. Gelukkig erkent de minister in haar brief van gisteren ook dat het kabinet nu moet overgaan van het stimuleren van passende geboortezorg naar normeren, dus van vrijblijvende initiatieven naar harde maatregelen. Wat D66 betreft is deze overstap heel erg noodzakelijk. Wij willen graag van de minister weten hoe ze dit concreet gaat doen.

Ieder kind en ieder nieuw gezin verdient een goede start en dat staat nu onder druk. Daarom is het voor ons van belang dat juist in de kwetsbare wijken kraamzorg geleverd wordt. Onderdeel van de hardere aanpak van de minister zou dan ook moeten zijn om af te dwingen dat dit daadwerkelijk gebeurt. Kraamzorgorganisaties en verzekeraars hebben daarin hun verantwoordelijkheid, maar de minister ook. De beschikbaarheid in kwetsbare wijken moet worden vergroot. Welke instrumenten gaat de minister daarvoor inzetten? Is ze misschien bereid om te onderzoeken of bijvoorbeeld het differentiëren van tarieven het verschil kan maken in het aanbieden van kraamzorg in kwetsbare wijken?

Voorzitter. Als onderdeel van de inzet op kansengelijkheid is D66 heel blij dat dit kabinet structureel investeert in het actieprogramma Kansrijke Start. Kan de minister de Kamer meenemen in hoe de investeringen in Kansrijke Start kunnen bijdragen aan het terugdringen van de verschillen in de toegang tot kraamzorg voor kwetsbare gezinnen?

Voorzitter. Uiteindelijk gaat dit debat over iets groters, namelijk over de vraag of het uitmaakt waar je wieg staat, of het uitmaakt in welke buurt je wordt geboren of in welk gezin je opgroeit. Voor D66 is het antwoord duidelijk. Dat mag niet uitmaken. We moeten juist werken aan het verkleinen van gezondheidsverschillen. Het feit dat kwetsbare gezinnen dan niet de kraamzorg krijgen die ze nodig hebben, is onacceptabel. Dat moet anders. De minister heeft onze steun om met meer dwingende instrumenten daar nu verandering in te brengen.

Dank u wel.

De voorzitter:
Hartelijk dank. U krijgt nog een interruptie van de heer Diederik van Dijk.

De heer Diederik van Dijk (SGP):
De heer Vervuurt stipt een aantal concrete knelpunten aan en ook hele grote vraagstukken. Het is natuurlijk de kunst om te kijken wat je in ieder geval wel kunt doen. De personeelsschaarste is inderdaad een knelpunt. In dat verband wees ik op het opleidingsfonds dat we tot 2024 kenden en dat goed gewerkt heeft, maar helaas voorbij is. Steunt D66 de suggestie of de oproep richting de minister om dat opleidingsfonds weer tot leven te wekken?

De heer Vervuurt (D66):
Ik vind dat een interessant idee van de heer Van Dijk. Ik zou daar graag met hem verder naar kijken. Ik denk dat het in algemene zin gewoon belangrijk is, en dat stipt de heer Van Dijk ook aan, dat we het vak aantrekkelijk maken voor mensen, niet alleen om ze te werven, maar ook om ze te behouden. Een dergelijk fonds zou daarin een mogelijkheid kunnen zijn.

Mevrouw Dobbe (SP):
Ik hoor D66 een bevlogen betoog houden over de kraamzorg, maar dan gaat het vooral over de beschikbaarheid. Als het gaat over ongelijkheid, kwetsbare gezinnen en kwetsbare wijken waar nu geen kraamzorg is, gaat het vooral over het vergroten van de beschikbaarheid van kraamzorg. Ik heb D66 niets horen zeggen over de eigen bijdrage in de kraamzorg, terwijl we die oproep al eerder hebben gezien. De oproep om die eigen bijdrage af te schaffen wordt nu ook breed gedragen door gemeenten, werkgevers, vakbonden en artsen. Die zorgt er nu juist voor dat kwetsbare gezinnen geen kraamzorg afnemen. Dat zie je ook terug in de cijfers. Hoe kijkt D66 daarnaar?

De heer Vervuurt (D66):
In het verlengde van mijn betoog: D66 vindt het heel erg belangrijk dat de kraamzorg waarover we het hebben, zo toegankelijk mogelijk is voor iedereen en juist voor de kwetsbare gezinnen waarover mevrouw Dobbe het heeft. Ik denk dat we elkaar daarin vinden. Ik ben nog er nog niet helemaal van overtuigd dat het afschaffen van de eigen bijdrage daarvoor de manier is, maar ik zie wel de zorgen in het veld.

Mevrouw Dobbe (SP):
Die zorgen zijn niet gering. Het is heel goed dat D66 die ziet, maar het is ook fijn als D66 dan gaat bekijken of het standpunt over de eigen bijdrage, wel het beste standpunt is om de kraamzorg beschikbaar te houden voor gezinnen die die niet kunnen betalen. Als je kijkt naar de praktijk nu, zie je dat de armste gezinnen veel minder kraamzorg krijgen dan de gezinnen met hoge inkomens. Dat heeft voor een deel met de beschikbaarheid te maken. Dat is helemaal waar. Maar voor een deel heeft dat ook echt met de eigen bijdrage te maken. Dat zeggen de gemeenten en de artsen ook. Ziet D66 dan wel het verband, ook naar aanleiding van alle signalen van al die verschillende groepen en artsen?

De heer Vervuurt (D66):
In eerste instantie zien wij de kortste stappen richting verbetering in het beter verdelen van de personele capaciteit die er is. Daarom heb ik mijn verhaal ook ingestoken zoals ik dat heb gedaan. We moeten er dus voor zorgen dat de kraamverzorgenden die nu de wijk intrekken ook juist die kwetsbare wijken in komen, omdat dat op dit moment onvoldoende gebeurt. Wij denken dat de financiële bijdrage waarover mevrouw Dobbe het heeft, de eigen bijdrage, ook onderdeel van een drempel kan zijn — dat weten we ook van andere eigen bijdragen in de zorg — maar dat is niet de eerste drempel waarnaar wij nu kijken. Mocht dat uiteindelijk inderdaad een hele grote drempel blijken, dan gaan wij graag in gesprek om te kijken hoe wij dat beter kunnen doen.

De voorzitter:
Afrondend.

Mevrouw Dobbe (SP):
Het blijkt inderdaad een hele grote drempel te zijn. Dat is wat al die artsen en gemeenten zeggen en wat de hele brede oproep zegt. Het is een grote drempel. Het is natuurlijk veel makkelijker en ook veel sneller om die eigen bijdrage af te schaffen dan om te doen wat de heer Vervuurt zegt. Dat moeten we óók doen. We moeten er ook voor zorgen dat die beschikbaarheid er overal komt, ook in die kwetsbare wijken en ook bij de kwetsbare mensen. Maar dit natuurlijk wel veel sneller. Is de heer Vervuurt het daarmee eens? Ik mis dat een beetje in het betoog. Wij hebben hier sinds het aantreden van het nieuwe kabinet een hele discussie gehad over de bevalboete. D66 en de achterban van D66 waren heel snel met het veroordelen van die bevalboete om ervoor te zorgen dat er geen financiële barrières zijn op het moment dat je een kindje krijgt. Maar dit is in feite ook een soort bevalboete, die je moet betalen om gebruik te kunnen maken van deze zorg als je een kindje krijgt. D66 heeft allerlei oplossingen, behalve voor dit. Hoe zit dat?

De heer Vervuurt (D66):
Ik begrijp het betoog van mevrouw Dobbe, maar ik zie ook de andere werkelijkheid, namelijk de verantwoordelijkheid die wij allemaal hebben om de zorg toegankelijk en betaalbaar te houden op de langere termijn. Wat ons betreft is het te billijken dat we om een eigen bijdrage vragen van mensen op het moment dat zij gebruikmaken van zorg, ook van kraamzorg. Maar, in lijn met mijn betoog: het mag niet zo zijn dat dat onrealistische drempels opwerpt voor mensen, die ze ertoe doen besluiten om geen gebruik te maken van kraamzorg als ze die wel nodig hebben. Ik ga heel graag met iedereen in deze Kamer in gesprek om te kijken of er een alternatief is dat aan de ene kant de toegankelijkheid waarborgt en aan de andere kant de betaalbaarheid van het systeem op de langere termijn.

Mevrouw Vliegenthart (GroenLinks-PvdA):
Ik ben blij dat de heer Vervuurt hier een vurig betoog houdt over de kraamzorg en zegt dat die zo belangrijk is. Ik hoor hem ook zeggen dat kraamzorg een preventieve werking heeft. Als kwetsbare gezinnen de zorg krijgen die ze verdienen, dan werkt dat preventief en verlagen we de zorgkosten. Erkent de heer Vervuurt dat als we de financiële barrière van de eigen bijdrage wegnemen en die zorg vergoeden voor kwetsbare gezinnen, dat ook weer zorgkosten oplevert op latere momenten?

De heer Vervuurt (D66):
Ik erken wat ik net heb gezegd, namelijk dat het heel erg belangrijk is dat iedereen recht heeft op een kansrijke start. Kraamzorg is daarin heel erg belangrijk. Daarin vinden we elkaar.

Mevrouw Vliegenthart (GroenLinks-PvdA):
Mijn vraag was vooral: wat gaat u doen? Ik hoorde u spreken over harde problemen, een harde aanpak en een harde inzet. Wat gaat de heer Vervuurt doen voor die essentiële zorg, die preventief is en die zorgkosten bespaart? Dat is een van de doelen van dit kabinet. Wat gaat hij doen om die zorg toegankelijk te houden, niet alleen voor kwetsbare gezinnen maar voor iedereen?

De heer Vervuurt (D66):
Dat heb ik in mijn verhaal uiteengezet. Wij denken dat de capaciteit die we nu hebben, beperkt is. Ik hoop dat we zo veel mogelijk nieuwe mensen kunnen werven en dat we die ook kunnen behouden voor deze mooie tak van de zorg. Maar ik heb er wel heel veel twijfels over of dat gaat lukken, gezien de brede arbeidsmarkttekorten. Wat D66 betreft gaat het om de vraag: hoe zetten we de capaciteit die er wel is zo goed mogelijk in? Wat ons betreft is het antwoord: voor de mensen die die zorg het hardst nodig hebben. Daarom ben ik blij met wat de minister heeft aangekondigd in haar brief, namelijk dat zij meer gaat normeren om ervoor te zorgen dat dat ook gebeurt.

Mevrouw Vliegenthart (GroenLinks-PvdA):
Ik hoor u een hele hoop zeggen, maar ik weet nog steeds niet wat D66 precies gaat doen. Wat zijn de harde maatregelen die de fractie van D66 graag wil van de minister voor de problemen die u schetst en waar ik nog geen oplossingen voor hoor? Wat zijn die acties?

De heer Vervuurt (D66):
Ik heb in mijn verhaal gezegd dat een van de mogelijke opties waar wij naar kijken, het differentiëren in de tarieven is. Je zou zorgaanbieders een hoger bedrag aan zorg kunnen vergoeden op het moment dat zij kwetsbare wijken intrekken om kwetsbare mensen te helpen. Dat is een van de voorbeelden die ik heb genoemd.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Wat zijn in dit dossier volgens de heer Vervuurt "kwetsbare mensen"? En wat bedoelde hij aan het eind van zijn betoog met een "dwingend instrumentarium"?

De heer Vervuurt (D66):
Kwetsbare mensen zijn mensen die we zo goed mogelijk moeten helpen en die soms een steuntje in de rug nodig hebben, juist om een kansrijke start voor iedereen te kunnen garanderen. Dat is wat ik schaar onder "kwetsbare mensen". Ik had het over een meer dwingend instrumentarium toen ik verwees naar de brief van de minister, waarin de minister zegt: wij schetsen als politiek de kaders waarbinnen de zorgaanbieders zorg kunnen leveren, maar we zien ook dat het op dit moment niet helemaal goed lukt. Misschien moeten we de markt iets dwingender aansturen om ervoor te zorgen dat die zorg juist bij kwetsbare gezinnen terechtkomt.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Ja, maar dit wordt knap ingewikkeld. "Kwetsbare gezinnen" zijn dus mensen die om welke reden dan ook kraamzorg nodig hebben. Dat is in principe iedereen, want soms zit het mee en soms zit het tegen. U wilt een dwingend instrumentarium om ervoor te zorgen dat de kraamhulpen de wijken in gaan waar die mensen zijn. Ik zie dat niet voor me. Wat betekent dit? Betekent dit, om het maar even in beleidsteksten te gieten, dat er alleen nog maar kraamzorg is in wijken waar mensen met een lage sociaal-economische status wonen?

De heer Vervuurt (D66):
Nee, dat is niet wat ik heb gezegd. In ieder geval is dat niet wat ik bedoelde. Ik bedoel dat wij meer moeten kijken naar prikkels die ervoor zorgen dat zorgaanbieders ook echt een drijfveer hebben om kwetsbare wijken in te trekken om daar mensen te helpen. Die mensen krijgen op dit moment namelijk niet de zorg die zij wel verdienen.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dan stuur je ze toch het bos in? Want je kunt niet duidelijk zeggen over welke mensen dat dan gaat. In ieder geval kun je dat niet objectief van tevoren vaststellen. Vervolgens moet de minister dan tegen de zorgverzekeraars zeggen: zorg dat ze daarnaartoe gaan, maar wij weten eigenlijk ook niet waar ze zijn. Het zijn ontzettend mooie woorden, maar ik denk dat het wel goed is dat de heer Vervuurt dan eens samen met zijn fractie doordenkt hoe je dat uiteindelijk organiseert. Ik zie het niet vliegen op deze manier. Dan geef je de minister een opdracht, die ze uiteindelijk van haar levensdagen niet effectief in de werkelijkheid — ja, in systemen kan je alles plotten — kan waarmaken.

De heer Vervuurt (D66):
Dit is een van de ideeën waar mijn fractie aan denkt. Dat is ook de reden waarom ik van de minister wil weten hoe zij naar dit probleem kijkt en aan welke oplossingen zij denkt. Uiteindelijk luister ik niet alleen naar mijn eigen ideeën of naar die van de minister, maar naar die van iedereen in deze Kamer, in de hoop om uiteindelijk tot een set aan oplossingen te komen waar we verder mee kunnen, om juist de zorg te leveren waar die nodig is.

Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Even voortbordurend op wat mevrouw Keijzer zei; u zult mij daar straks ook nog iets over horen zeggen in mijn spreektekst. Als ik D66 zo beluister, dan wil zij de schaarste verdelen. Gaat dat inhouden dat de Schilderswijk bij wijze van spreken dadelijk meer zorg krijgt dan Duindorp? Moet ik daaraan denken?

De heer Vervuurt (D66):
Ik kom niet uit Den Haag, maar ik denk dat ik een beeld heb bij de vergelijking die u maakt. Ik denk dat er op veel plekken mogelijkheden zijn om efficiënter en beter om te gaan met de kraamzorg die wij kunnen leveren. Dan zou dat inderdaad een resultaat kunnen zijn.

Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Dat is in ieder geval een antwoord. De PVV is het daar absoluut niet mee eens. Wij vinden gewoon dat die schaarste niet verdeeld moet worden; de schaarste moet teruggedrongen worden en helemaal niet verdeeld. De minister moet gewoon aan de slag en zorgen dat voor ieder gezin die basiszorg op orde blijft, waar je ook woont, voor alle groepen. Er mag geen verschil ontstaan tussen die groepen. Dan heb ik nog een vraag over normeren, waar u het ook over had. Wat wordt volgens D66 dan precies de norm? Voldoende kraamzorg voor elk gezin? Of leren leven met minder?

De heer Vervuurt (D66):
Wat wij belangrijk vinden, is dat de zorg terechtkomt op de plekken waar die gevraagd wordt. Iedereen valt nu de hele tijd over het woord ''normeren". Dat woord heb ik gehaald uit de brief van de minister. De minister zegt daar eigenlijk: oké, we hebben een heel vrij kader gemaakt; misschien moeten we dat nu iets meer gaan inkaderen om ervoor te zorgen dat de markt zich daar ook beter in kan vinden. Dat is wat ik heb gezegd. Ik weet niet wat die norm moet zijn. Ik denk ook niet dat er "een" norm is; het gaat er meer om dat de minister samen met de zorgaanbieders gaat kijken hoe we dit beter kunnen invullen.

Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Als laatste meer een opmerking dan een vraag. Dan stel ik vast dat D66 dus echt wil gaan kiezen tussen groepen mensen. De PVV kiest daar niet voor. De PVV wil gewoon dat die schaarste wordt opgelost, teruggedrongen, en dat álle gezinnen — álle gezinnen! — in Nederland alle basiszorg krijgen waar ze recht op hebben.

De heer Vervuurt (D66):
Ik zou het ook heel graag willen. Ik zou ook heel graag willen dat wij genoeg mensen kunnen vinden in deze zeer, zeer krappe arbeidsmarkt en dat we die kunnen opleiden en behouden in het mooie vak van de kraamzorg. De realiteit is echter dat de arbeidsmarktkrapte er is en dat die, in ieder geval op de korte termijn, niet weggaat. We moeten dus heel goed nadenken over hoe we omgaan met de capaciteit die er wél is.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Wat ik vooral onthouden heb uit mijn gesprekken met kraamverzorgsters, is dat het voor het merendeel van hen volstrekt gewoon is om twee gezinnen op een dag te doen. Dat is een verschil met tien jaar geleden. Ik hoor dat zij de reistijd soms maar beperkt vergoed krijgen, en dat in ieder geval de kraamzorgorganisatie dat niet in de tarieven vergoed krijgt. Ik hoor dat de parkeertarieven in de binnensteden ervoor zorgen dat zzp'ers zeggen: dat ga ik niet doen, want dan ben ik het eerste stuk van mijn inkomen alweer kwijt aan parkeertarieven. Ook hoor ik dat de nachtdiensten maar zó beperkt vergoed worden. Dan denk ik: het is een wonder dat we nog zo veel kraamverzorgsters hebben. Deelt de heer Vervuurt die stelling?

De heer Vervuurt (D66):
Zoals ik net ook al zei, denk ik dat het belangrijk is dat we zo veel mogelijk personeel kunnen werven, opleiden en behouden. Ik begrijp het betoog van mevrouw Bikker. Dit zijn ook prikkels die ervoor zorgen dat mensen ervoor kiezen om het vak te verlaten. Ik denk dat het goed is dat wij, niet alleen de Rijksoverheid, maar ook de zorgverzekeraars en de zorgaanbieders, goed kijken hoe we die drempels zo veel mogelijk kunnen wegnemen.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Al die verzorgsters die ik sprak, spreken met liefde over hun vak. Die vinden niks mooier dan dat het goed gaat met een gezin, dat je jezelf op een gegeven moment ook weer overbodig hebt gemaakt en dat je denkt: hier gaat het fantastisch. Juist daarom zou ik willen voorkomen dat we alleen maar meer sturen op efficiency vanuit Den Haag. We moeten juist de omschakeling maken naar de versterking van de professionaliteit van al deze vrouwen. Deelt de heer Vervuurt dat ook met mij?

De heer Vervuurt (D66):
Ik wil niet een van uw interrupties afsnoepen, maar ik begrijp niet helemaal wat u bedoelt. Mag ik daar een verduidelijkende vraag over stellen, voorzitter?

De voorzitter:
Jazeker, van mij mag dat.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Het gaat me om het volgende. Als ik collega Vervuurt hoor spreken, dan gaat het al snel over de markt en het efficiënter maken, terwijl deze vrouwen — het zijn allemaal vrouwen, in ieder geval degenen die ik gesproken heb — niets liever willen dan dat het goed gaat met die gezinnen. Zij blijven bijna liever nog een uurtje hangen om ervoor te zorgen dat het voor elkaar is dan dat ze het loon krijgen dat hun toekomt. Vandaar mijn vraag: moeten we niet meer vertrouwen op hun professionaliteit in plaats van het alleen maar te hebben over efficiency en het stelsel? Ik heb zo nog wel een derde interruptie, voorzitter, want het was een opbouw.

De heer Vervuurt (D66):
Ik kan mij grotendeels vinden in de redenering van mevrouw Bikker. In lijn met wat ik eerder ook zei: het is vooral belangrijk dat de kraamzorg die goede en belangrijke rol aan de start van het leven, een nieuwe fase van het leven voor menig gezin, denk ik, goed kan invullen. Dat betekent ook dat je bij sommige gezinnen misschien een, twee of drie uurtjes — vul maar in — langer kunt blijven, omdat het gezin daar mogelijk behoefte aan heeft.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Voor een deel zie ik dat al in de voornemens van de minister terug. Voor de volgers: de KLIM is de nieuwe manier om te indiceren. Daar gaat het ook veel meer in gebeuren. Daar ben ik blij om, maar ik zie nog onvoldoende terug hoe we ervoor zorgen dat kraamverzorgsters weer voor dit vak gaan kiezen en dat ze weten: ik kan straks mijn hypotheek betalen als ik dit vak blijf doen, en ik word niet door mijn man gevraagd of ik niet alsjeblieft iets anders in de zorg wil gaan doen waarbij we zeker weten dat ik meer verdien en minder uren maak. Neem bijvoorbeeld die nachtdiensten. Is collega Vervuurt het met mij eens dat we op dat punt gewoon werk te verrichten hebben?

De heer Vervuurt (D66):
Ik hoor ook de signalen die mevrouw Bikker hoort. Mevrouw Bikker heeft er vandaag legio benoemd, en daarvoor ook al. Ik denk dat dat allemaal kleine deelaspecten zijn die we moeten verbeteren om ervoor te zorgen dat dit vak zo aantrekkelijk mogelijk is en blijft voor de vele professionals die zich daar met hart en ziel voor inzetten.

Mevrouw Coenradie (JA21):
Heeft de heer Vervuurt in aanloop naar dit debat kraamverzorgsters hierover gesproken?

De heer Vervuurt (D66):
Nee, dat heb ik niet.

Mevrouw Coenradie (JA21):
Mijn vraag aan de heer Vervuurt is in hoeverre hij het voor zich ziet dat er efficiencyslagen worden gemaakt. Hoe ziet dat er ongeveer uit in het kader van een werkdag?

De heer Vervuurt (D66):
Er wordt me hier een term in de mond gelegd die ik volgens mij niet heb gebruikt. Ik vind het belangrijk dat wij naar een systeem toewerken waarin zorg terechtkomt bij kwetsbare gezinnen, juist bij mensen die dat steuntje in de rug het hardst nodig hebben. Ik denk dat dat wel betekent dat wij naar een andere manier van werken toe moeten, dat wij zorgaanbieders een duwtje in de juiste richting moeten geven om in die wijken bij die kwetsbare gezinnen terecht te komen en daar hun werk uit te oefenen. De term "efficiencyslag" of iets dergelijks heb ik volgens mij niet gebruikt.

Mevrouw Coenradie (JA21):
Nou, laat ik het dan even naar het Nederlands vertalen. Het woord "efficiency", in het Engels dus, is inderdaad niet genoemd, maar de heer Vervuurt heeft wel benoemd dat het allemaal wat efficiënter zou kunnen en dat daarnaar gekeken moet worden. Dat hoor ik de heer Vervuurt zojuist eigenlijk nog een keer herhalen: het moet wat efficiënter; het moet anders ingeregeld worden. Ik ben even op zoek naar de exacte invulling daarvan als we kijken naar de werkdag van een kraamverzorgster. Wat zijn dan voorbeelden waarbij de heer Vervuurt denkt: ja, dat zou nou eens efficiënter kunnen; daarbij zouden we anders kunnen gaan werken? Ik herhaal gewoon even de woorden van de heer Vervuurt.

De heer Vervuurt (D66):
Als ik het heb over efficiëntie, dan heb ik het niet over hoe een kraamverzorgende haar of zijn dag inricht. Dan heb ik het over hoe wij hier in Den Haag het systeem inrichten, het systeem dat er nu dus voor zorgt dat de meest kwetsbare gezinnen niet de zorg krijgen die zij nodig hebben. Dan gaat het erover dat wij veel meer onze rol en onze verantwoordelijkheid pakken om erop te sturen dat wij naar een systeem toegaan dat ervoor zorgt dat mensen wél die zorg krijgen die ze nodig hebben, omdat iedereen die goede start verdient.

De voorzitter:
De vierde interruptie van mevrouw Coenradie.

Mevrouw Coenradie (JA21):
Zeker, voorzitter. Ik wil hier in deze ruimte namelijk zo graag niet hoog over praten en heb echt behoefte aan een antwoord op de vraag: wat is dat dan? Want we hebben het niet meer over de werkdag van de kraamverzorgster, maar over het systeem. We zijn nu dus niet meer daginhoudelijk bezig, maar we zijn met het systeem bezig. Welke verbeteringsmogelijkheden ziet de heer Vervuurt in dat systeem, waar hij concreet mee aan de slag gaat en waar hij echt ruimte voor verbetering ziet? Dan wil ik het graag zo concreet mogelijk.

De heer Vervuurt (D66):
Ik heb in de voorbije tijd richting dit debat verhalen gehoord van mensen die zeggen: ik heb kraamzorg aangeboden gekregen en die heb ik maar aangenomen — dat was mogelijk voor een tweede, derde of vierde kind — maar het hoeft voor mij helemaal niet of het kan misschien in een andere vorm. Die mensen vinden het wel heel prettig dat er iemand over de vloer komt om ze te helpen, maar het had voor hen misschien ook anders gekund. Ik kan me heel goed voorstellen dat we mensen die bevlogen, met hart en ziel, werken in de kraamzorg mogelijk beter naar een ander gezin kunnen sturen en dat we het gezin dat het op een andere manier wil invullen op een andere manier kunnen helpen.

De voorzitter:
Uw vijfde interruptie, mevrouw Coenradie.

Mevrouw Coenradie (JA21):
Zeker, voorzitter. Ik heb zo meteen ook een inbreng met vooral heel veel vragen. Hoe kunnen we zaken toch vooruitgang geven? Ik vind het kwalijk dat ik hier eigenlijk niks tastbaars hoor. Ik merk eigenlijk dat we zeggen dat het efficiënter moet, dat het allemaal anders kan, dat het allemaal beter moet en dat dat om een systeemverandering vraagt, maar dat ik niks concreets hoor als ik daar een beetje doorheen prik. Ik vind dat kwalijk, want ik sta hier tegenover een coalitiepartij, van wie ik toch mag verwachten dat er echt wat meer knowhow is op dit gebied dan dit. Als we op deze manier omgaan met onze zorg, dan vrees ik het ergste.

De heer Vervuurt (D66):
Ik ben het niet eens met de conclusie die mevrouw Coenradie trekt. Ik heb in mijn bijdrage twee voorbeelden gegeven van hoe ik denk dat we dit kunnen verbeteren. Het gaat er aan ene kant om dat wij zorgaanbieders de juiste richting uit sturen en aan de andere kant is de vraag hoe we bijvoorbeeld de middelen uit het programma Kansrijke Start kunnen inzetten om iedereen juist die kansrijke start te geven. Dat zijn concrete voorbeelden. Dat zijn ideeën die wij hier op tafel leggen. Ik hoor graag hoe iedereen daarover denkt, maar ik hoor ook heel graag hoe de minister naar dit soort zaken kijkt.

De voorzitter:
Nogmaals dank voor uw inbreng.

De heer Vervuurt (D66):
Dank u wel.

De voorzitter:
Mevrouw Coenradie is ook de volgende spreker in de eerste termijn van de Kamer. Dat is zij namens JA21. Gaat uw gang.

Mevrouw Coenradie (JA21):
Voorzitter. Het is goed dat we vandaag spreken over de personeelstekorten in de kraamzorg. Voor ontzettend veel jonge gezinnen is kraamzorg geen bijzaak, maar essentiële zorg in een van de meest kwetsbare fases in het leven van moeder en kind. Juist in die eerste dagen is rust, veiligheid en deskundige ondersteuning ontzettend belangrijk. Juist daarom is het zorgelijk dat de inspectie concludeert dat personeelstekorten de hele geboortezorgketen raken, dat er vaker bevalstops zijn en dat vrouwen minder kraamzorg krijgen dan geïndiceerd en soms zelfs helemaal geen kraamzorg ontvangen.

Tegelijkertijd zegt diezelfde inspectie dat professionals ondanks die druk hard werken en ook dat er in verloskundige samenwerkingsverbanden over het algemeen goed samen wordt gewerkt. Die inzet verdient ontzettende waardering, maar helaas lost alleen waardering het probleem niet op. JA21 vindt het een kwalijke zaak dat gezinnen door tekorten, wachtlijsten of gebrekkige toegankelijkheid niet de zorg krijgen die nodig is. Kraamzorg moet beschikbaar zijn voor wie het nodig heeft en niet afhankelijk worden van het toeval.

Voorzitter. We weten dat in sommige wijken structureel minder kraamzorg beschikbaar is. Heeft de minister zicht op de oorzaak hiervan? Is dat alleen personeelskrapte of speelt ook de manier van organiseren, inkopen en verdelen een rol? En heeft de minister er zicht op waarom kraamzorgverleners en andere professionals in sommige wijken kennelijk minder graag werken? Ligt dat aan werkdruk, reistijd, administratieve lasten, veiligheidsbeleving of misschien de complexiteit van de doelgroep, waarbij ik bijvoorbeeld communicatie noem? Of zijn er misschien bepaalde andere redenen? Want als daar structurele oorzaken aan ten grondslag liggen, dan moeten die benoemd worden.

Voorzitter. Dan nog een tweede punt. Dit debat is onder andere aangevraagd naar aanleiding van een nieuwsartikel waarin wordt gesproken over financiële prikkels om organisaties in bepaalde wijken meer hun best te laten doen. Is dat iets waar de minister ook naar kijkt? Zo ja, wat zou dat concreet betekenen? Gaan we dan zorgverzekeraars straks hogere tarieven laten vergoeden voor dezelfde kraamzorg, alleen omdat die in een bepaalde wijk wordt geleverd? Zo nee, is zij bereid om nu duidelijk uit te spreken dat de oplossing niet ziet in postcodebekostiging, maar in het aanpakken van de echte oorzaken van het tekort?

Voorzitter. Een laatste punt daarbij is dat ik er ook voor wil waken dat we maar blijven onderzoeken, terwijl de praktijk intussen verder verslechtert. Het is zorgelijk dat juist in achterstandswijken de gecontracteerde kraamzorg, en daarmee de feitelijke beschikbaarheid, verder afneemt, terwijl de behoefte vaak groot is. Wat gaat de minister doen? Gaat de minister concrete afspraken maken over het borgen van voldoende gecontracteerde kraamzorg? Het kan namelijk toch niet zo zijn dat we straks wel in kaart hebben waar de knelpunten zitten, maar dat het aanbod zich in de tussentijd al heeft verplaatst naar gebieden waar de nood minder hoog is?

Tot zover. Dank, voorzitter.

De voorzitter:
Hartelijk dank. Volgens mij krijgt u nog een interruptie van de heer Van Dijk.

De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dat zijn hele mooie, warme woorden van mevrouw Coenradie over de toegankelijkheid van de kraamzorg. Daar ben ik het van harte mee eens. In het debat tot nu toe zijn een paar keer de mogelijkheden of de kansen voorbijgekomen die het afschaffen van de eigen bijdrage zou kunnen bieden. Ik heb daar zelf ook de vinger op gelegd. In hoeverre zou dat kunnen helpen, zeker als het gaat over kwetsbare gezinnen? Daar is veel onderzoek naar gedaan. Wetenschappers, zorgverleners en gemeentes zien er wel wat in. Kan mevrouw Coenradie aangeven welke afwegingen bij JA21 daaromtrent spelen?

Mevrouw Coenradie (JA21):
Ik heb een aankomende motie voorbij zien komen. Die wil ik ook in mijn fractie bekijken. Ik kan wel aan de voorkant zeggen dat wij inderdaad staan voor eigen bijdrages en dat wij ook wel zien dat er her en der iets verwacht wordt van de maatschappij als het gaat om het leveren van een bijdrage aan de zorg, maar tegelijkertijd is dat ook niet oneindig en zeggen wij ook dat wij onderaan de streep een lastenverlichting willen zien en niet een lastenverzwaring. Met die bril op ga ik hiernaar kijken. Ik wil dus ook weten wat het in zijn totaliteit kost op het moment dat wij hier onze steun voor zouden uitspreken. Ik wil weten wat het betekent en of dit op een andere manier is op te lossen. Ik wil ook wel even zien wat het kabinet hierover zegt. Zij zullen deze motie ongetwijfeld geen oordeel Kamer geven. Dat verwacht ik zomaar. Maar goed, dan is het aan de Tweede Kamer. Dat is de positie nu van de oppositie. Maar de reactie van het kabinet neem ik daarin wel heel erg serieus. Dus in de eerste plaats sta ik er niet heel afwijzend tegenover, maar ik wil er wel even goed naar kijken om te zien over welke orde van grootte het gaat. Ik wil ook kijken waar het geld dan vandaan moet komen, want dat is natuurlijk ook wel een kwestie. Anders wordt het namelijk broekzak-vestzak. Het is een beetje een lang antwoord, excuus.

De voorzitter:
Nee, geen probleem. De heer Van Dijk.

De heer Diederik van Dijk (SGP):
Allereerst dank voor het uitvoerige antwoord. Dat waardeer ik buitengewoon. In een aantal opmerkingen die mevrouw Coenradie maakt over de eigen bijdrage kan ik me heel goed vinden. Het moet ook duurzaam en haalbaar zijn. U heeft al een klein beetje verklapt waar uw reactie op de motie naartoe gaat. Maakt het in die zin ook verschil dat de motie zich focust op kwetsbare gezinnen, dus dat het niet over de hele linie gaat, zoals eerder wel in een amendement stond? Neemt mevrouw Coenradie dat ook mee in de overwegingen?

Mevrouw Coenradie (JA21):
Ja, daar kan ik heel duidelijk over zijn; natuurlijk neem ik dat in overweging. We zien namelijk inmiddels in de hele maatschappij dat het wanneer gesproken wordt over kwetsbare gezinnen, een heel breed begrip, niet alleen maar gaat over mensen met lage inkomens, maar inmiddels ook over mensen met middeninkomens. Mensen met een middeninkomen gaan naar de voedselbank. Mensen met een middeninkomen hebben gewoon echt moeite om dit soort zaken te betalen. Dus ik vind ook dat we daar nadrukkelijk naar moeten kijken. JA21 zal zeker onderaan de streep een lastenverlichting willen zien. Wij kijken dus wel hoe we dat toch met elkaar kunnen fiksen. Tegelijkertijd ben ik ook wel nieuwsgierig hoe we dat gaan betalen en waar 'm dat in zit. Anders krijgt iemand anders misschien straks de rekening terwijl we daar ook niet achter kunnen staan.

Mevrouw Dobbe (SP):
Ik heb veel waardering voor de woorden van mevrouw Coenradie over haar waardering voor de kraamzorg. Ik weet dat de kraamverzorgenden die ook heel erg waarderen. Ik heb ook veel waardering voor het feit dat zij hier serieus naar gaat kijken. Dit zouden we inderdaad als oppositie samen kunnen regelen. Ik verwacht namelijk ook niet dat deze motie oordeel Kamer krijgt, helaas, terwijl we het wel belangrijk vinden om die eigen bijdrage van tafel te halen.

Ik zou mevrouw Coenradie nog het volgende in overweging willen geven. Zij zei dat er niet nog meer onderzoek nodig is, maar dat er daden nodig zijn. In dit geval is het heel duidelijk dat de eigen bijdrage echt een rol speelt in het minder toegankelijk zijn van kraamzorg voor gezinnen die het gewoon niet kunnen betalen. Maar het is ook duidelijk dat het aan de andere kant geld oplevert. Onderzoeken laten namelijk ook zien dat er als mensen geen kraamzorg krijgen, of minder dan het minimumaantal uren, vaker duurdere vervolgzorg nodig is. Dat hoeven we dus niet nog een keer te onderzoeken, want ook dat is al aangetoond. Dat kost de samenleving ook geld. Het is moeilijk om dat in dit soort debatten boven tafel te krijgen, maar het is wel iets waar hopelijk ook mevrouw Coenradie rekening mee kan houden.

Mevrouw Coenradie (JA21):
Mevrouw Dobbe draagt hier zeker een heel goed punt aan. Ik ben daar zeker gevoelig voor. Wat zijn de consequenties van de besluiten aan de voorkant, die lijken op: het gaat ons geld kosten? Als we even verder denken, is de vraag wat het ons nou precies kost. Of levert het ons eigenlijk iets op? Daar zal ik straks dus scherp op zijn in het debat met de minister, en ik hoop de andere partijen met mij. Wat betekent het voor de doorwerking verderop in de keten als je hier niet in meegaat? Wat betekent dat? De onderzoeken liggen er namelijk. Dat kan ik alleen maar beamen. Tegelijkertijd ben ik ook heel benieuwd hoe het kabinet ernaar kijkt.

De voorzitter:
Nogmaals dank voor uw bijdrage. We gaan luisteren naar de heer Poortman. Hij voert het woord namens de CDA-fractie.

De heer Poortman (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Vandaag hebben we het over de kraamzorg in Nederland. Ik dacht vooraf: dat is eigenlijk een bijzondere vorm van zorg, omdat je er niet ziek voor hoeft te zijn om ermee in aanraking te komen. Veel mensen hebben er daarom ook ervaring mee. Ikzelf verkeer niet in de gelukkige omstandigheid dat ik kinderen heb en vanuit die ervaring over kraamzorg kan spreken, maar ik zeg daarbij dat ik de oudste ben in een gezin van zeven. Ik heb kraamzorg dus toch wel van heel dichtbij ervaren, en vaak ook. Ik weet nog dat het elke keer ook een feestje was om een kraamverzorger over de vloer te hebben. Het was een heerlijk moment als gezin.

Juist aan de randen van het leven ervaren we hoe waardevol zorg is. Nieuw leven is een wonder en is ook een moment dat het leven zich kwetsbaar toont, voor moeder en kind. Kraamzorg is daarom essentieel voor een gezonde en veilige start van elk gezin, van elk nieuw leven. Een goede kraamverzorgende is een ware life safer voor kersverse ouders. Daarom is het zorgelijk — en ik begrijp dat we dat vanmiddag met elkaar eens zijn — dat de beschikbaarheid van kraamzorg door personeelstekort zo onder druk staat. Gezinnen met pasgeboren baby's moeten soms dagen wachten op kraamzorg of een kraamverzorgende moet ver rijden om bij een bevalling te ondersteunen of een gezin te helpen in de dagen daarna.

Wat de situatie extra schrijnend maakt — ook dat is een gedeelde factor vanmiddag — is dat vooral kwetsbare gezinnen de dupe zijn. Van de gezinnen in een kwetsbare situatie ontving maar liefst 21% minder dan de aanbevolen 24 uur zorg. Gezinnen met lage inkomens ontvangen soms wel zeven uur minder kraamzorg. Daarom vraagt het CDA vandaag aandacht voor een aantal specifieke problemen en mogelijke oplossingen. Voor ons staat dan als een paal boven water dat in een situatie van schaarste juist de meest kwetsbare ouders en kinderen verzekerd moeten zijn van kraamzorg.

Allereerst het punt dat we volgens ons beter moeten kijken naar de daadwerkelijke zorgbehoefte van een gezin en niet naar een standaardpakket aan uren. De Zorgverzekeringswet biedt die ruimte ook. Mijn vraag is of de minister dat perspectief deelt. De vervolgvraag is dan hoe wij ervoor kunnen zorgen dat zorgaanbieders vaker op die manier gaan werken. Misschien is het volgende ook vanuit het perspectief van solidariteit een idee. Zou het niet mooi zijn als ouders die minder behoefte hebben aan kraamzorg — de heer Vervuurt noemde het net ook — uren kunnen schenken of doneren aan kwetsbare gezinnen die meer behoefte hebben aan zorg? Hoe organiseren we solidariteit?

Een ander punt is dat gezinnen en families in al hun diversiteit de hoeksteen van de samenleving zijn. Daarom heeft het CDA zich er hard voor gemaakt dat in het coalitieakkoord het programma Kansrijke Start werd uitgebreid en ook structureel werd gemaakt. Mijn vraag aan de minister is of ook kraamzorg daar niet een plek in zou moeten hebben. Die wordt nu vooral als signalerende factor gebruikt, maar niet als waarde in zichzelf, als iets waar we ouders soms bij moeten helpen om het voor elkaar te krijgen. Dit kan door ouders te helpen om zichzelf vroegtijdig aan te melden, zodat ze niet onder aan een wachtlijst terechtkomen. Ik zou ook daar graag een reactie van de minister op willen hebben.

Tot slot. Kraamzorg is een prachtig voorbeeld van hoe waardevol zorg is. Daarom zijn de problemen die we vanmiddag met elkaar signaleren urgent en hebben we snel behoefte aan een oplossingsrichting van het kabinet. Het CDA werkt graag samen aan die oplossingen, om de beschikbaarheid en toegankelijkheid van onze goede kraamzorg ook voor de toekomst te waarborgen.

Dank u wel.

De voorzitter:
Hartelijk dank voor uw inbreng. U krijgt nog een interruptie van mevrouw Dobbe. Zij is even onderweg.

De heer Poortman (CDA):
Het is een eind lopen.

Mevrouw Dobbe (SP):
Ik weet dat het CDA ook een partij is die kraamzorg heel erg belangrijk vindt en heel erg waardeert. We hebben hier een debat over kraamzorg in het algemeen, maar ook over de eigen bijdrage. Daar heb ik dus een aantal vragen over gesteld en die wil ik ook aan het CDA stellen. Je ziet gewoon dat de eigen bijdrage een belemmering vormt voor gezinnen om gebruik te kúnnen maken van kraamzorg. Dat zie je in de praktijk ook echt gebeuren: gezinnen met lage inkomens maken echt structureel flink veel minder gebruik van kraamzorg dan mensen die het geld wel hebben. Daar heeft die eigen bijdrage gewoon invloed op. Dat doet mij een beetje pijn. Ik vroeg mij af hoe dat met het CDA zit.

De heer Poortman (CDA):
Dat doet mij ook pijn, want ik heb ook de signalen gehoord. Vanochtend nog, toen ik met een hoogleraar van het Erasmus sprak die met het programma Kansrijke Start bezig is. Hij vertelde mij eerlijk dat hij ook ziet dat soms de eigen bijdrage een drempel vormt. Daar moeten we de ogen dus niet voor sluiten. Ik denk dat het te kort door de bocht is om daarmee meteen de eigen bijdrage af te schaffen, maar ik zou er wel open voor staan om te kijken hoe we kwetsbare gezinnen beter kunnen ondersteunen zonder generiek de eigen bijdrage af te schaffen. Wellicht dat er voor kwetsbare gezinnen een manier is om kraamzorg toegankelijk te maken. Ik denk dat dat via een Kansrijke Start gaat. Het zit 'm dus niet alleen in de eigen bijdrage, maar het gaat er ook over hoe je kraamzorg voor jezelf organiseert en hoe je daar toegang toe krijgt.

De voorzitter:
Uw laatste interruptie, mevrouw Dobbe.

Mevrouw Dobbe (SP):
Daar ben ik het natuurlijk helemaal mee eens. Het is nooit het enige wat je moet doen, want ook het tekort aan kraamverzorgenden los je niet op met deze maatregel. Je maakt het gebruikmaken van kraamzorg voor kwetsbare gezinnen echter wel makkelijker en veel toegankelijker. Als wij met een voorstel komen waarin het gaat over het afschaffen van de eigen bijdrage, ook kijkend naar de kwetsbare gezinnen die nu buiten de boot vallen en echt belangrijke zorg missen, zou het CDA daar dan serieus naar willen kijken?

De heer Poortman (CDA):
Op dit moment kan ik me niet voorstellen dat we een voorstel zouden steunen dat pleit voor het afschaffen van de eigen bijdrage. Ik ben wel bereid om mee te denken over andere manieren waarop we kwetsbare gezinnen kunnen ondersteunen in het ontvangen van kraamzorg.

De voorzitter:
Mevrouw Dobbe, u bent door uw interrupties heen.

De heer Poortman (CDA):
Dat was een dure interruptie.

Mevrouw Vliegenthart (GroenLinks-PvdA):
We hebben het nu heel veel over de kwetsbare gezinnen. Dat vind ik ontzettend belangrijk, want die kwetsbare gezinnen voelen hier de gevolgen van. Wie nog meer de gevolgen van de tekorten en de problemen in de kraamzorg voelen, zijn de kraamverzorgenden zelf. Een van de redenen die de kraamverzorgenden geven voor het feit dat ze uitvallen en dat er tekorten ontstaan, is de wachtdienst. Die wachtdienst wordt nu gezien als rusttijd. Bij die rusttijd hoort een beloning van nog geen €12 per uur voor acht uur. Mijn vraag aan de heer Poortman is wat hij verstaat onder rusttijd. Zou een kraamverzorgende in de rusttijd bijvoorbeeld alleen met de kinderen kunnen zijn of moeten kunnen mantelzorgen voor een ouder?

De heer Poortman (CDA):
Dat is een goed punt van mevrouw Vliegenthart. Mijn vrouw werkt in de ggz. Als zij crisisdienst heeft, dan weet ik dat wachttijd niet alleen maar rusttijd is, omdat er ook een soort druk op ligt: het is mogelijk dat ze opgeroepen wordt. Dat heeft zeker impact op de tijd die je doorbrengt, ook al is dat met je gezin. Tegelijkertijd is het natuurlijk ook een cao-ding. Ik ben dus benieuwd hoe mevrouw Vliegenthart dat zelf ziet. Wat zouden we hieraan kunnen doen? Ik vind het terecht dat ze het bij de minister neerlegt. Ik ben ook benieuwd hoe de minister daarop gaat reageren. Ik zie zelf vooralsnog niet hoe we dit aan kunnen pakken, anders dan via de cao.

De voorzitter:
Het is niet helemaal de bedoeling om elkaar wedervragen te stellen.

De heer Poortman (CDA):
Dan is de laatste zin mijn antwoord. Dit is een cao-ding.

Mevrouw Vliegenthart (GroenLinks-PvdA):
Ik concludeer dus dat de heer Poortman het met mij eens is in die zin dat de rusttijd, zoals die wachttijd nu wordt gezien, eigenlijk geen rusttijd is en dat de €12 per uur die ze nu krijgen voor acht uur, eigenlijk ontoereikend is. De heer Poortman trekt hier de conclusie dat we het aan de cao en aan de onderhandelingen moeten overlaten. We kunnen dit toch bijna niet aan de onderhandelingen overlaten zonder dat daar dan een tarief achter zit? Dat is wel heel mooi gezegd, maar er is geen tarief voor die wachtdiensten. De kosten zijn al ontoereikend. Zoek het maar uit en regel het maar! Dat kunnen we toch niet van de kraamverzorgenden, de cao-onderhandelaars en de organisatie vragen?

De heer Poortman (CDA):
Met die aanname ben ik het niet helemaal eens. Ik denk dat je wel iets van onderhandelaars kunt vragen. Ik ben ook weleens benieuwd hoe het in andere sectoren binnen de zorg geregeld is. Daar heb ik zelf nog niet goed zicht op, maar daar wil ik naar kijken. Er zijn ook andere beroepsgroepen binnen de zorg die met wachttijden te maken hebben. Zitten zij met andere tarieven? Daar moet ik nog eens naar kijken. Vooralsnog zie ik niet wat we hier op korte termijn aan zouden kunnen doen.

Mevrouw Vliegenthart (GroenLinks-PvdA):
Dit is mijn laatste interruptie. Wat ik in ieder geval concludeer, is dat de heer Poortman het met mij eens is dat het onduidelijk is en dat we nu dus niet kunnen concluderen dat die €12 tijdens de rusttijd toereikend is. Ik hoop dus dat de heer Poortman mijn motie gaat steunen die vraagt om dit in kaart te brengen en duidelijk te maken.

De heer Poortman (CDA):
Die conclusie laat ik voor rekening van mevrouw Vliegenthart.

De voorzitter:
Nogmaals dank voor uw inbreng. Nu gaan we luisteren naar mevrouw Van Meetelen. Zij voert het woord namens de PVV-fractie. Gaat uw gang.

Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Dank, voorzitter. Kraamzorg zit in het basispakket, maar de toegang is allang niet meer vanzelfsprekend. Dat is pijnlijk én dat is politiek. Wat heb je namelijk aan basisvoorziening als die per regio, per wijk of per gezin ineens minder beschikbaar blijkt? Wanneer is basiszorg iets geworden dat je eerst moet zien te bemachtigen? Wat is dan nog de waarde van zo'n belofte? Vindt de minister het acceptabel dat gezinnen horen dat kraamzorg basiszorg is, maar dat ze intussen maar moeten hopen dat er nog iemand beschikbaar is? Wat in dit dossier steeds terugkomt, is niet één los probleem, maar een patroon. Er zijn lage beloningen, wachtdiensten die diep ingrijpen in het privéleven en nauwelijks uitbetaald worden, een hoge werkdruk en onvoldoende waardering voor reistijd, scholing en beschikbaarheid. Mensen verlaten het vak niet omdat zij het niet liefhebben, maar omdat het stelsel hen eruit duwt. Ziet de minister dat ook zo?

Uit de brief die we gisteren op de valreep ontvingen blijkt dat er stappen zijn gepland voor 2027, maar wat verandert er nú op de werkvloer? Wat de PVV stoort, is de manier waarop de minister de discussie voert. Het gaat over verdelingsmodellen, passende inzet en het anders organiseren, maar achter die woorden zit iets ongemakkelijks verstopt: schaarste wordt langzaam normaal gemaakt. Minder zorg wordt straks verkocht als slimmere zorg. Dat is een politieke keuze. Is de minister bereid hier vandaag klip-en-klaar uit te spreken dat haar inzet gericht moet zijn op het terugdringen van de schaarste, en niet op het verdelen daarvan? Dan krijgt ieder gezin de steun die het verdient.

Zodra je schaarste gaat verdelen in plaats van oplossen, komen meteen de volgende vragen op tafel: wie krijgt er dan minder, wie valt straks net buiten de definitie "kwetsbaar", op basis van welke criteria wordt dat bepaald, en hoe transparant wordt dat? Er wordt bijvoorbeeld al gezegd dat vrouwen met een taalachterstand als kwetsbaar worden beschouwd. Zien we straks dat vrouwen in de Schilderswijk recht hebben op meer uren kraamzorg dan vrouwen in Duindorp, vraag ik de minister.

Voorzitter. Kraamzorg is een basiszorg. Ieder gezin zou dus het aantal uren kraamzorg moeten kunnen krijgen dat volgens de basisverzekering vergoed wordt. Hoe gaat de minister daarvoor zorgen? Hoe voorkomt de minister dat rechtsgelijkheid verdwijnt achter vage afwegingskaders en lokale verschillen? Hoe voorkomt zij dat juist gezinnen die niet het hardst roepen straks als eersten moeten inleveren?

Voorzitter. De minister kan zich ook niet verschuilen achter de sector of de markt. Kraamzorg is onderdeel van het verzekerde basispakket. Dit is dus gewoon een publieke verantwoordelijkheid. Daar hoort regie bij. Daarbij hoort ook dat je ingrijpt als arbeidsvoorwaarden achterblijven en wachtdiensten zó belastend zijn dat mensen het vak verlaten. Waarom gebeurt dat niet veel steviger, vraag ik de minister.

Een tariefstijging van 16% is kennelijk nog niet genoeg, want de uitstroom, de werkdruk en de beschikbaarheidsproblemen blijven bestaan. Waarom verschuilt de minister zich in haar brief achter de cao-tafel, terwijl het om de toegankelijkheid van basiszorg gaat? Daar zit natuurlijk de kern. In de marktlogica draait het om prikkels, tarieven en modellen, maar in de zorg hoort het te draaien om beschikbaarheid, continuïteit, vakmanschap en rust. Juist in de kraamzorg is dit belangrijk, omdat een goede start later vaak heel veel grotere problemen kan voorkomen.

De minister noemt kraamzorg weliswaar basiszorg en preventief cruciaal, maar gezinnen en werknemers merken daar nog onvoldoende van in beschikbaarheid, uren en arbeidsvoorwaarden. Welke concrete maatregelen volgen uit die boodschap, niet in 2027, maar op de korte termijn? Uiteindelijk is dat waar het om draait. Het gaat niet om hoeveel processen of onderzoeken er nog lopen. Wat verandert er nú voor de kraamverzorgende die overbelast en overvraagd wordt, voor de moeder die minder zorg krijgt dan nodig is en voor het gezin dat zorg mijdt of misloopt door drempels, onduidelijkheid, of ontoegankelijkheid? Daarover wil ik vandaag geen nieuwe wegtrekkende beweging van de minister, maar gewoon een duidelijk antwoord en heldere toezeggingen.

De voorzitter:
Dank u wel voor uw inbreng. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Bevers. Hij spreekt namens de VVD-fractie. Gaat uw gang.

De heer Bevers (VVD):
Dank, voorzitter. Ondanks de zorgelijke aanleiding van dit debat begin ik mijn bijdrage met complimenten aan de kraamverzorgenden en iedereen die in de sector werkt. In de berichtgeving van de IGJ in november, naar aanleiding waarvan dit debat is aangevraagd, spreekt de IGJ zich namelijk ook heel positief uit: er is sprake van hoge druk, maar ook van goede samenwerking; en er is een enorme inzet, ondanks capaciteitsproblemen. Afgelopen week, op 26 maart, zei de IGJ in een aanvullende publicatie: kraamverzorgenden zijn zeer gemotiveerd en zeer professioneel. Laten we die constatering ook eens uitspreken en delen. De zorgprofessionals in de kraamzorg hebben recht op onze waardering. Ik sluit mij wat dat betreft aan bij collega Coenradie.

Dat neemt niet weg dat de aanleiding voor dit debat, het risico op ongelijke zorg bij vooral zwangere vrouwen in een kwetsbare situatie, zorgwekkend is. Wat de VVD betreft is de oorzaak helder: door het tekort aan personeel wordt het steeds moeilijker om de gevraagde of geïndiceerde zorg op tijd te leveren. De wachtlijsten worden langer. Hoewel de inzet van de kraamverzorgenden en kraamzorgaanbieders groot is, gaf de IGJ afgelopen week nog eens aan dat een betere verdeling van de beschikbare capaciteit noodzakelijk is.

Voorzitter. De demografische ontwikkeling van Nederland kunnen we vanuit de politiek niet veranderen. Het staat vast dat de druk op de arbeidsmarkt in de zorg in de komende jaren alleen maar groter zal worden. Dat legt de grote verantwoordelijkheid bij de politiek om de benodigde veranderingen in gang te zetten om dat tekort behapbaar te houden. De VVD vindt het uitermate zorgelijk dat het capaciteitsprobleem juist kraamzorggezinnen in een kwetsbare situatie naar verhouding harder treft. Ik citeer de IGJ: "Zwangeren in een kwetsbare situatie melden zich bijvoorbeeld vaker laat aan bij de kraamzorgorganisatie en komen dan op de wachtlijst, terwijl juist zij de kraamzorg vaak hard nodig hebben. Ze zijn soms minder goed in staat om de weg naar de zorg te vinden." Ik wil de minister vragen om op dat specifieke punt te reageren. Hoe zouden we die negatieve spiraal kunnen stoppen? Mijn eerste reactie bij dat laatste punt was een beetje een pavlovreactie, namelijk: we moeten zorgen voor betere voorlichting. Maar ik vraag me dat werkelijk af, want ik denk niet dat dat zo is. Het heeft iets te maken met de situatie waarin mensen zich bevinden. En als het antwoord wel voorlichting is, is mijn vraag: is dat zo en is dat dan ook voldoende?

Voorzitter. Daarnaast wil ik de minister vragen in hoeverre de contractering door zorgverzekeraars beter kan worden, zodat de kraamzorg ook in de kwetsbare gebieden gegarandeerd kan blijven. Veel collega's hebben daar ook al naar gevraagd. Dan heb ik nog een praktische vraag. Die komt ook terug bij andere collega's en gaat over de oproeptijd, de wachttijd. Ik kreeg de volgende suggestie. Die leg ik bij de minister neer als vraag. Zou het een optie kunnen zijn om de oproeptijd voor kraamverzorgenden voor acute kraamzorg meer centraal te regelen in plaats van per losse organisatie? Dat is dan een beetje analoog aan hoe het is geregeld met herkenbare en aanspreekbare wijkverpleging. Zou de minister daarop kunnen regeren?

Ten slotte, voorzitter, in het verlengde van dit debat. Onlangs berichtten NOS en Nieuwsuur dat kraamverzorgenden zich niet durven te melden bij Veilig Thuis als ze getuigen zijn van onveilige situaties of misstanden. De VVD is erg geschrokken van het feit dat ze zich te onveilig voelen om die misstanden te melden. Het is belangrijk dat Veilig Thuis meldingen ontvangt over onveilige situaties, zodat er actie kan worden ondernomen als kinderen gevaar lopen. We willen graag van de minister weten hoe zij kijkt naar het niet durven melden bij misstanden. Wat zijn de mogelijkheden om dat gevoel van onveiligheid weg te kunnen nemen, zodat kraamverzorgenden melding durven te maken? Zou anoniem melden bijvoorbeeld een optie kunnen zijn om het aantal meldingen bij Veilig Thuis te verhogen?

Ik rond af, voorzitter. Goede kraamzorg is belangrijk voor een goede start voor kind, moeder en gezin. Een goede start legt een basis voor verdere ontwikkeling en opvoeding. Laten we alles doen wat mogelijk is om elk kind die basis te geven.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:
Hartelijk dank. Dan zijn we toe aan de laatste spreker in de eerste termijn van de Kamer. Dat is mevrouw Keijzer, die spreekt namens zichzelf.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dank u, voorzitter. Eigenlijk spreek ik namens de bijna 112.000 Nederlanders die op mij gestemd hebben.

Voorzitter. We hebben het vandaag over problemen in de kraamzorg, maar als je daarbij zegt dat die problemen complex zijn en dat voor het oplossen daarvan tijd nodig is, zie je eigenlijk wat we in Den Haag al jaren doen: uitstellen, pappen en nathouden, met nog een onderzoekje hier en een onderzoekje daar.

Voorzitter. Als het gaat over kraamzorg, moet ik altijd denken aan mijn eigen situatie. Dat was maar liefst vijf keer, met twee keer dezelfde kraamverzorgende. Ik weet nog ik bij de eerste keer in tranen was toen ze wegging. Hoe moest ik dit toch in vredesnaam gaan doen? Maar dat komt uiteindelijk goed. Dat is mijn eerste punt: niet elke moeder heeft dezelfde zorgbehoefte. Er zijn moeders die het prima vinden om minder kraamzorg af te nemen bij het tweede of derde kind, of wanneer ze bijvoorbeeld oma's, tantes of andere deskundige familieleden hebben. Kortom, het ligt ook aan de gemeenschap waar je in leeft. Als er minder kraamzorg afgenomen wordt, is dat dus niet meteen een ramp.

Los daarvan is de keuzevrijheid volkomen logisch. Die moeten we respecteren. Het probleem is volgens mij hoe wij hier omgaan met schaarse zorg en met personeel. We zien nu dat een tekort niet vanzelf ontstaat, maar dat het een systeem is waarin naar mijn mening structureel verkeerd met mensen wordt omgegaan. Kraamverzorgenden lopen weg, niet omdat ze het vak niet met hart en ziel doen — als ik ooit nog eens wat anders zou doen, zou dat mijn keuze zijn; ik ben stapelgek op pasgeboren baby's, hoe zeer ik ook weet dat het zwaar kan zijn en tegen kan vallen — maar omdat er structureel te weinig collega's zijn, dubbele diensten met twee en soms zelfs drie gezinnen op een dag, onvoorspelbare roosters, wachtdiensten die niet als werktijd tellen, waar al door meerdere sprekers over is gesproken, en een beloning die niet in verhouding staat. Gaat de minister daar wat aan doen?

Voorzitter. Dit is geen krapte; dit is uitputting door beleid. Terwijl het kabinet blijft rekenen met scenario's en aanwijzingen, zien kraamverzorgenden dagelijks de gevolgen: minder tijd per gezin, medische signalen die laat worden opgepikt, stress waar rust nodig is en baby's die zorg nodig hebben, maar die niet krijgen. Ziet de minister dat de afname in kwaliteit samenhangt met structurele onderfinanciering en slechte personeelsorganisatie? Welke maatregel gaat zij nemen om dit te verbeteren?

Voorzitter, tot slot. Kraamhotels. Als dat bij je past, kan het een fantastische oplossing zijn, maar ik word nerveus als het een verplichting wordt. De keuzevrijheid om het gewoon in je eigen huis te ontvangen is goed. Ziet de minister dat ook?

Helemaal tot slot. Wanneer kunnen we resultaten verwachten? Niet alleen maar plannen en aanwijzingen; het moet gewoon beter gaan in de kraamzorg.

Dank u wel.

De voorzitter:
Hartelijk dank. Dit was het einde van de eerste termijn van de zijde van de Kamer. We gaan even schorsen tot 16.50 uur en dan krijgen we de antwoorden van de minister. We zijn geschorst.

De vergadering wordt van 16.19 uur tot 16.51 uur geschorst.

De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de voortzetting van het debat over het tekort aan personeel in de kraamzorg. We zijn toe aan de eerste termijn van de zijde van de regering. Ik geef het woord aan de minister van VWS.

Minister Hermans:
Voorzitter, dank u wel. Toen ik net begonnen was als minister van VWS, bood de fractievoorzitter van de ChristenUnie mij een manifest aan. Dat wordt nu ook omhooggehouden in de zaal. Dat ging over de kraamzorg. Net iets daarvoor had mevrouw Dobbe van de SP een soortgelijk manifest gepresenteerd. Het stuk van de ChristenUnie begint met de zin: "Goede kraamzorg geeft gezinnen een sterke start." Mevrouw Dobbe schrijft: "Een goede kraamverzorgende is onmisbaar om je op weg te helpen en goed op te letten hoe het gaat met moeder, kind en de rest van het gezin." Ik denk dat die inleidende zinnen het belang van kraamzorg en het goede werk dat alle kraamverzorgenden in Nederland dag in, dag uit leveren niet treffender kunnen verwoorden. De waardering voor hun werk en de kwaliteit van het werk dat zij leveren wordt ook door de inspectie erkend en onderkend. Mevrouw Coenradie en een aantal andere Kamerleden verwezen daarnaar in hun bijdragen. Ik sluit me graag aan bij die woorden van waardering.

Toegankelijke en toekomstbestendige kraamzorg is namelijk ongelofelijk belangrijk, voor jonge gezinnen en zeker ook voor kwetsbare gezinnen. Kraamzorg vormt een belangrijke schakel tussen medische geboortezorg, preventie en het sociaal domein. Kraamzorg draagt bij aan een goede start voor ieder kind. De heer Poortman en de heer Vervuurt gingen daar ook op in. We weten hoe belangrijk de eerste 1.000 dagen zijn voor die gezondste generatie ooit, wat een belangrijke ambitie is van dit kabinet. Maar het kabinet is ook reëel en eerlijk. Dat zeg ik ook in de richting van mevrouw Van Meetelen, die mij vragen stelde over schaarste. Er is op dit moment sprake van schaarste in de kraamzorg. Die schaarste, als gevolg van personeelstekort, is niet snel opgelost. Dat is geen reden om ons dan maar neer te leggen bij de situatie die we op dit moment zien in de kraamzorg, maar het is wel een feitelijke constatering waar we ons toe te verhouden hebben en waar we mee moeten werken.

Het feit dat die schaarste niet snel is opgelost maakt het dus urgent dat we werk maken van passende kraamzorg, van preventie en van ondersteuning, waarmee we ervoor zorgen dat we de beschikbare mensen en middelen inzetten waar die de meeste waarde heeft, juist bij die gezinnen die ondersteuning het hardst nodig hebben. De resultaten van de onderzoeken van het Zorginstituut en het RIVM, net als het verslag van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, die eind maart zijn gepubliceerd, benadrukken dat dit noodzakelijk is. Uit de resultaten wordt duidelijk dat gezinnen, ondanks het feit dat de geleverde zorg van goede kwaliteit is, niet altijd het aantal kraamzorguren ontvangen dat zij nodig hebben. Alle sprekers hebben daar terecht op gewezen. Zij hebben ook allemaal de vraag gesteld welke maatregelen zij nu van het kabinet kunnen verwachten om ervoor te zorgen dat moeders en kinderen juist in die kwetsbare wijken en regio's de kraamzorg krijgen die zij nodig hebben en wat het kabinet gaat doen om die problemen structureel op te lossen, wetende dat er schaarste is.

Voorzitter. Daarvoor doet het kabinet een aantal dingen tegelijkertijd. Een heel belangrijke actie, waarvan ik het echt belangrijk vind dat de implementatie ervan versneld wordt, is de nieuwe indicatiemethodiek, de KLIM. Mevrouw Bikker noemde die al even bij interruptie. Die methodiek ligt er al een tijdje, maar wordt nog niet in de hele kraamzorg gebruikt, terwijl die juist een heel belangrijk instrument is om niet sec op uren te indiceren, maar echt op wat er nodig is en in welke periode in de kraamperiode. Om de implementatie van deze indicatiemethodiek te versnellen — de heer Vervuurt vroeg daarnaar — worden er op dit moment in zeven voorloperregio's mensen geschoold, zodat zij vanaf het begin van het tweede kwartaal, dat nu begonnen is — het is april — volgens deze methodiek kunnen gaan indiceren. Dat wordt nu gedaan met een aantal zogenaamde intakers. Die moeten dat gaan overdragen aan zorgprofessionals. Dit betreft zeven regio's. Daarmee zijn we er nog niet, maar ik hoop echt dat we hiermee een impuls geven aan de implementatie van die methodiek. Dat is één concrete actie.

Dan het tweede punt. Ik weet dat onder anderen mevrouw Coenradie zei dat we geen onderzoeken meer moeten doen. Volgens mij zei mevrouw Keijzer dat ook. En toch doe ik dat wel. Dat gaat om een tweetal vervolgonderzoeken, naar de daadwerkelijke behoeften van kraamgezinnen en naar de redenen om minder kraamzorguren af te nemen. De reden waarom we die onderzoeken doen, is omdat de onderzoeken waarnaar ik net verwees, van het RIVM en van het Zorginstituut, wel een eerste beeld geven, maar nog niet het diepgravendere beeld dat we nodig hebben om de oorzaken goed in beeld te hebben.

Pas als we die oorzaken goed kennen, kunnen we gericht beleid hierop loslaten. Dan wordt het meer dan symptoombestrijding en komen we bij de structurele oplossing waar u allen terecht om vraagt. Die onderzoeken lopen nu. Daarover heb ik eerder al gewisseld. Ik dacht dat dat met mevrouw Bikker was, bij het debat over de begrotingsbehandeling. Die onderzoeken zullen eind dit jaar of begin volgend jaar klaar zijn. Naar ik hoop, hebben we dan echt het inzicht om verdere en gerichtere maatregelen te kunnen nemen. In de tussentijd werken we door aan de implementatie van de indicatiemethodiek.

Er is nog een ander belangrijk punt. Daarop zal ik zo meteen nader ingaan, in het kader van alle vragen die over de opleiding zijn gesteld. We willen ook kijken hoe we verbeteringen in de opleidingen kunnen aanbrengen om te zorgen voor meer instroom. Laat ik daar misschien gelijk wat over zeggen. Een belangrijk element daarbij is dat we jongeren die kiezen voor een opleiding tot verzorgende al vroeg in hun opleiding attenderen op, bekendmaken met en enthousiasmeren voor de keuze voor de kraamzorgsector. Dat kan echt beter. Daarover voer ik het gesprek met de minister van Onderwijs.

Voorzitter. Dan nog een opmerking in de richting van mevrouw Keijzer. Zij vroeg of de afname van de kwaliteit samenhangt met de structurele onderfinanciering. Mevrouw Keijzer was even niet in de zaal tijdens mijn inleiding, maar ik herhaal dit punt graag. Ik vind het ook belangrijk om dit te benadrukken. Uit het rapport van de inspectie dat eind vorige maand, eind maart, gepubliceerd is, blijkt dat de kwaliteit van de zorg over het algemeen goed is. Dat is ook in tijden van schaarste en personeelskrapte. We zien dat het aantal uren afgenomen zorg afneemt, maar de kwaliteit van de zorg is — gelukkig, zeg ik daarbij — goed. We hebben dus geen signalen dat de kwaliteit van de zorg achteruitgaat.

Ik blijf echter herhalen dat minder uren kraamzorg risico's met zich mee kan brengen voor gezinnen, vooral voor gezinnen in kwetsbare situaties. Daarom de acties die ik net noemde. Onze inzet op passende kraamzorg is ook bedoeld om die risico's te voorkomen. De betaaltitel voor de verloskundige samenwerkingsverbanden is dus niet zomaar iets op papier, maar dat betreft echt erkenning in de Zorgverzekeringswet. Het op de goeie manier, regionaal, organiseren van de verloskundige zorg, waar de kraamzorg natuurlijk onder valt, betekent dat je regionaal afspraken kan maken met de zorgverzekeraars. Dat helpt ook om de druk die we in het land en in verschillende regio's zien, beter te verdelen.

De voorzitter:
Voordat ik mevrouw Vliegenthart het woord geef, zeg ik nog even dat we zes interrupties hebben in de termijn van de minister.

Mevrouw Vliegenthart (GroenLinks-PvdA):
Ik wil heel even terugkomen op het feit dat de minister net zei dat de kwaliteit van de zorg niet onder druk staat. Er was recent nog een rapport hierover. De minister zei letterlijk: ondanks tekorten, of minder uren, staat de kwaliteit van de zorg gelukkig nog niet onder druk. Dat hoorde ik haar net zeggen. Ik zie de minister nee schudden, maar ik ga toch even mijn verhaal afmaken. Dan hoor ik zo haar reactie. De IGJ en verschillende rapporten zeiden juist: we zijn face to face langs geweest, de tekorten zijn groot en er zijn risico's doordat de kwaliteit van de zorg onder druk begint te staan. Dat horen we ook tientallen kraamverzorgenden en verloskundigen zeggen. Verloskundigen hebben mij bericht en zeggen: ik stond alleen bij bevallingen en er waren acute situaties waarin ik alleen moesten handelen. Kraamverzorgenden zeggen: "Er waren infecties bij kinderen. Die verlopen heel erg snel. Ik was niet in de buurt. Daardoor hebben we te laat zo'n infectie gezien." We zien allerlei signalen dat de kwaliteit van de zorg juist wel onder druk staat. Ik zou graag van de minister willen horen hoe zij daarover denkt.

Minister Hermans:
Ik verwees naar het rapport van de IGJ dat vorige week is verschenen. Daaruit blijkt dat de kwaliteit van zorg over het algemeen goed is. Je moet natuurlijk altijd oppassen met zeggen dat het overal goed is, want er zijn altijd uitzonderingen. Ik wil oppassen om van die uitzonderingen de regel te maken, omdat er zo ongelofelijk veel kraamverzorgenden zijn die dag in, dag uit kwalitatief hoogwaardige kraamzorg leveren. Ik benadrukte juist dat we zien dat het aantal afgenomen kraamzorguren achteruitgaat. Er zijn nog geen signalen dat de kwaliteit ook achteruitgaat, maar we zien dat er met de terugloop van de uren en het tekort wel druk op komt te staan. Dat maakt dat we nu maatregelen nemen voor de korte termijn. Voor de langere termijn is er dat onderzoek dat nu loopt om een preciezer beeld te krijgen van de redenen waarom gezinnen nu geen kraamzorg afnemen, zodat we daarop in kunnen zetten. Daarmee is het personeelstekort overigens niet opgelost. Dat is het ook niet zomaar, maar de indicatiemethodiek kan daar natuurlijk bij helpen. Ik kom zo meteen op regionale afspraken die we gaan maken.

De voorzitter:
De minister vervolgt haar betoog.

Minister Hermans:
Mevrouw Wiersma en de heer Bevers zeiden dat je vooral schaarste in bepaalde regio's ziet. Zij vroegen hoe je borgt dat juist op die plekken de zorg bij kwetsbare gezinnen terechtkomt. Ik denk dat het daarom belangrijk is om te zeggen dat per 2026 zorgverzekeraars en kraamzorgaanbieders regionale maatwerkafspraken maken om de uitdagingen per regio aan te pakken. Het is natuurlijk belangrijk dat dit per regio gebeurt, want de vraagstukken in de verschillende regio's kunnen verschillend zijn. Als onderdeel van het transformatieplan van de sector werken zorgverzekeraars en zorgaanbieders samen aan een regionaal dashboard dat inzicht biedt in de personeelscapaciteit. Met die informatie kunnen zorgverzekeraars gerichter sturen op passende kraamzorg, juist om ervoor te zorgen dat de schaarse capaciteit terechtkomt bij gezinnen die die het hardst nodig hebben.

Voorzitter. De heer Vervuurt vroeg mij, in het verlengde hiervan, naar de oplossing wat betreft het behoud van kraamzorg in kwetsbare wijken. Hij vroeg of het differentiëren in tarieven een oplossing zou kunnen zijn. Alle partijen die zich bezighouden met het leveren van kraamzorg, zoals de zorgverzekeraars en de aanbieders, hebben natuurlijk een verantwoordelijkheid in het leveren van kraamzorg in die gebieden en bij kwetsbare gezinnen. De NZa houdt toezicht op de uitvoering van de zorgplicht door zorgverzekeraars. Wij doen nu die onderzoeken bij het RIVM en bij het Zorginstituut om een beter beeld te krijgen van de redenen waarom sommige gezinnen die zorg niet afnemen.

Ik vind het wel belangrijk om die resultaten af te wachten. Op grond daarvan ben ik bereid om, als ik die rapporten heb, het gesprek met de NZa te voeren en te verkennen of en hoe je knelpunten in de tarieven zou kunnen wegnemen. Ik wil dat wel echt graag doen met de resultaten van die onderzoeken in de hand, juist omdat ik gericht problemen wil aanpakken. Als ik dat nu ga doen, dan kom ik in een algemene discussie over het differentiëren van tarieven terecht. Ik denk niet dat dat bijdraagt aan het gericht oplossen van het probleem.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik wil daar natuurlijk vaart in hebben. Ik snap de positie van de minister ook, maar ik breng in ieder geval één aspect bij haar onder de aandacht. Ik ben namelijk tegenkomen dat met name zzp-kraamverzorgenden andere afwegingen maken omdat dit niet in de tarieven zit. Het gaat dan bijvoorbeeld om de reiskosten of de parkeertarieven. Zou de minister dat dan ook willen meewegen als zij straks die onderzoeken heeft liggen, ook omdat het dus gevolgen heeft? Sommige kraamzorgorganisaties zullen altijd en overal hun best doen om mensen te leveren, maar in wijken waar de uitdaging al groter is, zien we namelijk dat zzp'ers terugtrekkende bewegingen maken. Daar vind ik van alles van, maar we moeten het in ieder geval niet te makkelijk maken.

Minister Hermans:
Ik weet dat mevrouw Bikker mij die vraag gesteld heeft. Ik kom daar zo op, of ik kan er ook nu op ingaan. Parkeertarieven en alles wat met salarissen samenhangt, vormen onderdeel van de cao-afspraak die tussen de zorgaanbieders en de kraamverzorgenden worden gemaakt. Laat ik zo meteen nog even specifiek op de wachttijden of de wachtdiensten ingaan. Dat is hoe wij dat geregeld hebben in Nederland en daar kan ik en wil ik ook niet in treden. Dat zeg ik ook direct tegen mevrouw Van Meetelen, die mij daar ook een vraag over stelde. Ik doe niet voor niets dat onderzoek of ik heb niet voor niets aan het RIVM en het Zorginstituut gevraagd om die verdiepende onderzoeken te doen.

Ik zal met die rapporten en met de uitkomsten en aanbevelingen uit die rapporten in de hand serieus gaan kijken wat we kunnen doen. Misschien betekent dat ook dat ik ergens het gesprek moet aangaan over iets wat wij zien. Ik heb hier niet de verantwoordelijkheid en kan hier niet treden in hoe wij dat georganiseerd hebben, maar dit is wel echt een knelpunt. Dat gesprek zal ik natuurlijk niet nalaten. Wij hebben een landelijke tafel waar ook alle geboortezorgpartijen aan tafel zitten. VWS faciliteert dat. Dat zou dus een plek kunnen zijn waar ik een keer aanschuif om zo'n gesprek te voeren, zonder dat ik direct treed in verantwoordelijkheden die niet bij mij liggen.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik zou de minister daarnaast nog extra willen aanmoedigen tot andere vormen van creativiteit. Het viel mij bijvoorbeeld op dat sommige gemeenten heel goed aanvoelen hoe rampzalig het is dat er in juli en augustus amper kraamzorg is. Die gemeenten komen tot een lokaal actieplan en ook tot afspraken voor de betreffende wijken, bijvoorbeeld dat een kraamverzorgster net als een verloskundige een parkeerkaart heeft op het moment dat er een bevalling is, zodat ze niet bij nacht en ontij door de wijk hoeft te lopen, met alle zorgen van dien. Ik zou de minister dus ook willen aanmoedigen. Die dingen voelen als hele kleine praktische zaken die wij eigenlijk niet in de Tweede Kamer zouden moeten bespreken, maar het hele pakket bij elkaar maakt een groot verschil. Ziet de minister dat ook zo en is zij bereid om daarmee aan de slag te gaan?

Minister Hermans:
Ik zie dat er lokaal en regionaal allerlei initiatieven en creatieve ideeën ontstaan. Er werd verwezen naar een pilot in Zuid-Limburg en in Zeeland. Daarin zie je dat zorgverzekeraars en gemeenten samen met aanbieders de handschoen oppakken, afspraken maken en daar ook geld voor beschikbaar stellen. Dat is soms ook gewoon een heel praktisch punt dat ingebracht moet worden. Ik denk zelf een bijdrage te kunnen leveren door dat soort ideeën snel naar bijvoorbeeld zo'n landelijke tafel te tillen, als ik het even zo mag zeggen. Ik zal er nog even over nadenken hoe ik dat op een goede manier kan doen, zodat die ideeën ook snel gedeeld kunnen worden met andere regio's en andere gebieden in Nederland. Die kunnen hier ook hun voordeel mee doen. Dit is geen verkenning en geen onderzoek. Het is: waar zien we dat iets werkt? We leggen het op tafel en dan kan men het mee naar huis nemen als men denkt dat het in de eigen regio ook een antwoord is op een ervaren knelpunt.

De voorzitter:
Nog een derde?

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ja, voorzitter, kort. Dat bespaart u een motie straks, en ik zie u glimmen van genoegen dat ik dat zo doe. Ik zou aan de minister willen vragen om er in een volgende voortgangsrapportage even op terug te komen wat succesvolle initiatieven zijn, hoe dat bij de VNG wordt opgepakt. Ik denk namelijk dat we daarmee elkaar kunnen stimuleren en dat vooral ook de regio's onderling elkaar verder kunnen helpen.

Minister Hermans:
Ja, dat kan ik toezeggen.

Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Ik hoorde de minister aangeven — zij sprak mij net ook aan — dat we nu eenmaal schaarste hebben en dus moeten verdelen. Is de minister het met mij eens dat schaarste verdelen altijd begint met de vraag wie iets krijgt?

Minister Hermans:
Het gaat hier over kraamzorg, waar iedereen recht op heeft. We zien schaarste en we zien dat met name kwetsbare gezinnen minder uren kraamzorg afnemen of soms helemaal geen kraamzorg afnemen. Terwijl wij het hier breed met elkaar eens zijn dat juist in die gezinnen kraamzorg het verschil kan maken. Dat neemt niet weg dat er schaarste is, maar die schaarste moet dus verdeeld worden en wij willen graag dat die op die plekken terechtkomt waar die het hardst nodig is.

Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Maar dan heb ik een vraag aan de minister: wie gaat u laten inleveren? Welke gezinnen gaan inleveren?

Minister Hermans:
Ik vind het belangrijk dat die nieuwe indicatiemethodiek, de KLIM, snel in alle regio's in Nederland wordt ingevoerd, omdat die hier juist rekening mee kan houden en ook veel meer rekening houdt met de zorgbehoefte van gezinnen. Via die methodiek kan er gestuurd worden op waar het echt terecht moet komen en waar we ook willen dat het terechtkomt.

Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Dan kom ik bij mijn laatste vraag in dit rondje. U heeft het al gehoord: het moge duidelijk zijn dat wij gewoon absoluut de boel niet nog verder willen uitkleden en de schaarste willen verdelen. De PVV vraagt zich echt af waarom de minister niet gewoon de oorzaken gaat aanpakken in plaats van die tekorten te normaliseren en te zeggen dat we de schaarste moeten oplossen. Nee, het gaat om betere beloning, fatsoenlijke vergoeding, reistijd, scholing en minder uitstroom; dat is ook winst. Daarmee kunnen we het ook oplossen. Dat is wat wij willen. We willen inderdaad ook dat er gekeken wordt naar de eigen bijdrage; kijk daarnaar. Is dat niet gewoon de oplossing? Zijn we er dan niet? Dan hoeven we niet te kiezen tussen die en die en die. Wij willen die keuze niet. U moet er gewoon voor zorgen dat die schaarste opgelost wordt en dat we niet gaan kiezen tussen gezinnen.

Minister Hermans:
Niet alleen in de kraamzorg, maar breed in de zorg en ook in andere sectoren is sprake van een arbeidsmarkttekort, een personeelstekort. Dat zorgt ervoor dat het op onderdelen piept en kraakt. We zien ook dat dat druk zet op de kraamzorg. Dat vind ik vervelend. Sterker nog, ik zie ook echt dat het zijn effect heeft in het aantal uren kraamzorg dat gezinnen kunnen krijgen. Dat heeft zeker ook effect op kwetsbare gezinnen. Dat personeelstekort heb ik, hebben wij met z'n allen, niet van vandaag op morgen zomaar opgelost. Ik heb wel een verantwoordelijkheid om te zorgen dat we de capaciteit die we wel hebben zo goed en zo gericht mogelijk inzetten. We nemen daarvoor een heel aantal maatregelen. Ik zei al iets over die indicatiemethodiek. Mevrouw Van Meetelen vraagt heel terecht hoe we ervoor zorgen dat die instroom blijft bestaan en het liefst ook omhooggaat. Ik voer daarom het gesprek met de minister van Onderwijs om te kijken hoe we ervoor kunnen zorgen dat in de opleiding het vak van kraamverzorgende eerder en met enthousiasme en passie onder de aandacht wordt gebracht. Daarom werken we aan zo'n regionaal dashboard en aan pools — ik ga daar zo meteen bij de wachtdiensten verder op in — waarin zorgverleners en kraamverzorgenden uit een regio in één pool terechtkomen, zodat je het goed kan verdelen en waarmee hopelijk het aantal wachtdiensten voor de kraamverzorgenden afneemt. Ik hoop dat dat — ik meen dit oprecht — helpt om het werkplezier vast te houden en om te blijven werken in deze prachtige sector.

De voorzitter:
Uw vierde interruptie, mevrouw Van Meetelen.

Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Nou, het is eigenlijk meer een persoonlijk feit, al weet ik niet of ik het zo moet noemen. Ik zei niet "instroom", maar "uitstroom". U kunt de uitstroom beter beheersen. Daar gaat het om. Die mensen werken er al en willen blijven werken. Ik heb het niet over de instroom gehad, maar over de uitstroom. Dat wil ik even helder hebben.

Minister Hermans:
Het klopt wat mevrouw Van Meetelen zegt. Het is instroom én uitstroom: instroom bevorderen en uitstroom voorkomen. Ik noemde het voorbeeld van die partuspools, waarin je kraamverzorgenden uit een regio in een pool zet zodat je de capaciteit beter kan verdelen en het aantal wachtdiensten hopelijk afneemt. Dat heeft hopelijk een positief effect op het werkplezier en zorgt voor minder werkdruk, waardoor je blijft werken in de sector.

Mevrouw Dobbe (SP):
Ik vind het wel goede vragen. Ik hoorde deze minister ook zeggen: er is nu eenmaal schaarste, daarom gaan wij vanuit die schaarste kijken en het verdelen. Dat zijn letterlijk de woorden die de minister gebruikte: "we gaan die schaarste verdelen". Maar "er is nu eenmaal schaarste"? Ziet deze minister een relatie tussen het beleid dat de afgelopen jaren is gevoerd, ook onder VVD-kabinetten, waardoor die schaarste van zorgpersoneel en het tekort in de kraamzorg is ontstaan? Als je met kraamverzorgenden spreekt, en dat zou ik deze minister echt willen aanraden, zeggen zij namelijk heel duidelijk: er ligt een oorzaak in slechte beloning, in rare wachtdiensten waarbij we maar €11 nog wat per dag verdienen om op wacht te moeten staan ...

De voorzitter:
U heeft dat allemaal al genoemd in uw eerste termijn, dus dit wordt een lange interruptie.

Mevrouw Dobbe (SP):
Ja, maar dit is wel een fundamenteel vraagstuk.

De voorzitter:
Ja, dat snap ik, maar u gaat door op een serie vragen over schaarste, dus maak even uw vraag af.

Mevrouw Dobbe (SP):
Ik was bijna bij mijn vraag, en nu duurt het alleen maar langer. Mijn vraag aan deze minister is of zij een relatie ziet tussen de schaarste die zij hier als een natuurwet presenteert en het eigen beleid dat is gevoerd onder VVD-kabinetten.

Minister Hermans:
Ik constateer een feit: het personeelstekort dat we in veel sectoren zien, is er ook in de kraamzorg. Ik heb net in de richting van mevrouw Van Meetelen gezegd dat ik het belangrijk vind om de mensen die in de kraamzorg werken, daar te houden en om jonge mensen te stimuleren om in de kraamzorg te gaan werken. In de afgelopen jaren hebben we gezien wat dat tekort, die schaarste, voor effect heeft op het aantal uren kraamzorg dat wordt afgenomen. De sector heeft al een paar jaar geleden gezegd dat ze op een andere manier willen gaan indiceren, omdat dat meer recht doet aan de vraag en de zorgbehoefte die er is, maar ook helpt bij dit vraagstuk. Ik zie het als mijn verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat de indicatiemethodiek snel wordt geïmplementeerd en dat we die verdiepende onderzoeken doen en oplossingen vinden voor de uitkomsten. Daar voel ik mij verantwoordelijk voor. Ik sta hier met u dit debat te voeren omdat we nú op de korte termijn dingen moeten doen en we ons klaar moeten maken voor de langere termijn.

Mevrouw Dobbe (SP):
Mijn vraag was natuurlijk: ziet deze minister een relatie tussen de schaarste die nu is gecreëerd en het eigen beleid dat is gevoerd? Ik kan u vertellen dat ik net, tijdens de inleiding van de minister, allemaal appjes kreeg van kraamverzorgenden — ik kan ze u ook prima laten zien — die zeggen: "We zijn zo moe van die onderzoeken. Er moet nu daadwerkelijk iets gebeuren. Het is toch allang duidelijk wat wij nodig hebben om niet te stoppen met ons werk?" Het is toch duidelijk waarom kraamverzorgenden nu weggaan uit de kraamzorg en waardoor die schaarste wordt gecreëerd? Is de minister nu bereid om ook daarnaar te kijken? Daarom zei ik: die vragen zijn gewoon goed. Hoe pakken we die schaarste dan aan in plaats van dat we die schaarste alleen maar verdelen?

Minister Hermans:
Dat er nu een probleem is en dat we zien dat het onder druk staat — ik zei het net ook tegen mevrouw Vliegenthart — zijn we volgens mij met elkaar eens. Dat we daar maatregelen voor moeten nemen ook en die nemen we ook: de indicatiemethodiek, het dashboard, het regionaal samenwerken, de betaaltitel. Zijn we er daarmee? Nee. Willen we gericht iets voor die kwetsbare gezinnen doen of misschien nog gerichter iets doen, dan is dat onderzoek cruciaal. We hebben daar nu onvoldoende zicht op. Als ik daar dan nu beleid op ga voeren, dan wordt het ongericht. En als ik iets niet wil dan is het dat doen, want dan los ik het probleem niet op.

Ja, dan klinkt het even lekker vanmiddag of volgende week, maar ik wil gericht iets aan die problemen doen. Ik ga ook gewoon door met alle acties die we al afgesproken hebben, net als met wat ik kan doen aan het aantrekkelijk houden om in de sector te werken. Daarbij ben ik er ook eerlijk over dat het maken van een cao-afspraak een verantwoordelijkheid is van de werkgevers en de werknemers. De overheid stelt echter wel loonruimte beschikbaar, de zogenaamde "ova-middelen", elk jaar. Dat blijf ik natuurlijk gewoon doen.

De heer Diederik van Dijk (SGP):
Schaarste is een taai probleem en dat moeten we zeker niet onderschatten. Tegelijkertijd is het geen noodlot waar je niks aan kan doen. In die zin val ik mijn collega's op dat punt graag bij. Heel concreet: wat kan dan eventueel wel werken, omdat het zich bewezen heeft? Ik wees bijvoorbeeld op het opleidingsfonds dat we tot 2024 kenden, dat honderden nieuwe medewerkers heeft opgeleverd. Is het niet gewoon een heel grote vergissing geweest dat we gestopt zijn met dit fonds?

Minister Hermans:
Ik zei al dat we zien dat te weinig studenten vanuit die verzorgendenopleiding kiezen voor de kraamzorg. Dat deel ik met de heer Van Dijk. Daar kunnen we wat aan doen in de opleidingsstructuur. Daarover voer ik dat gesprek met OCW. Vanuit VWS hebben we subsidieregelingen, zoals strategisch opleiden zorg en welzijn en het Stagefonds Zorg. Dat zijn manieren om bij te dragen. Daarnaast was er de aanspraak die je kon maken op het opleidingsfonds kraamzorg, dat was opgericht door de zorgverzekeraars en de branche. Het is dus ook aan hen om daar, als ze daarmee door willen gaan, vervolgafspraken over te maken. Ik kan nog wel zeggen — ik heb gelijk het antwoord dat ik aan de heer Van Dijk wilde geven erbij gepakt — dat ik op dit moment samen met de AZWA-partijen, dus de partijen van het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord, aan het kijken ben hoe we de beschikbare opleidingsmiddelen van VWS per 2027 het beste kunnen besteden en daarbij kijk ik natuurlijk ook naar de kraamzorg.

De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank voor deze reactie. Ik ben het eens met de minister. Het is helemaal niet zo dat de minister dat allemaal naar zich toe moet trekken, maar we hebben het — die frustratie merken we toch ook breder in de Kamer — alleen maar over weer onderzoeken en overleg met elkaar. Mijn punt is inderdaad: we hadden een instrument dat goed werkte en dat is gestopt. Hoe jammer is dat. Laten we dus alles op alles zetten om dingen waarvan we weten dat ze goed kunnen werken op te pakken. Ik moedig de minister ook heel graag aan, niet om het allemaal zelf te betalen of in gang te zetten, maar om daar gewoon wel de regie op pakken, in overleg met de zorgverzekeraars bijvoorbeeld.

Minister Hermans:
Ik zei net al tegen mevrouw Bikker dat we die Landelijke Tafel Integrale Geboortezorg hebben, waar alle partijen uit de geboortezorg aan tafel zitten. Ik ga heel graag een keer in gesprek, onder andere over die goede initiatieven en die pilots waar we het net over hadden. Dit lijkt me ook een onderwerp dat ik daar op tafel kan leggen, maar — ik ga het niet herhalen — ik heb niet voor niks gezegd wat we wel doen en wat er gebeurt. Dus soms stopt er iets, maar dat wil niet zeggen dat daar niks voor in de plaats komt of dat er dan helemaal niks meer overblijft.

De voorzitter:
Toch even een punt van orde. De minister is in de inleiding volgens mij al overgegaan naar het beantwoorden van vragen. Heeft ze ook een blokindeling? De heer Van Dijk had zijn vraag al gesteld en die zou aan bod zijn gekomen. Dan is het misschien voor de leden helder of ze nog in blokjes een aantal onderwerpen behandelt, voordat ze hun interrupties verspillen.

Minister Hermans:
Ik zit nu, na mijn inleiding, in een blok met alle vragen die gesteld zijn over de afname in het aantal uren, de kwetsbare wijken — u heeft het gehoord — en al het beleid dat we daarvoor voeren, en wat dat betekent voor de organisatie van de kraamzorg. Ik zal daarin ook nog iets zeggen over een kansrijke start. Daarna ga ik in op alle vragen die gesteld zijn over de arbeidsmarkt en opleiden, ook al heb ik daar al wat over gezegd. Daarna is er nog een blokje overig.

De voorzitter:
Dank.

Mevrouw Coenradie (JA21):
Hoeveel kraamverzorgsters heeft de minister gesproken over dit onderwerp de afgelopen tijd?

Minister Hermans:
Ik heb nog niet met kraamverzorgenden gesproken, maar het is de bedoeling — als ik het goed zeg, zo uit mijn hoofd — dat ik op 12 mei ga meelopen met een aantal kraamverzorgsters.

Mevrouw Coenradie (JA21):
Het is raadzaam, denk ik, om juist voorafgaand aan debatten met het werkveld te praten. Dat hoeft niet ingewikkeld te zijn. Met een aantal telefoontjes en een aantal afspraken kom je al een heel eind als het gaat om de vraag: goh, hoe komt het nou eigenlijk dat er een personeelstekort is, denken jullie? Waar schort het aan?

Daaropvolgend werd ik getriggerd door de term "korte termijn". De minister geeft aan dat er op korte termijn veranderingen worden aangebracht of dat er kortetermijnacties komen. Ik ben benieuwd: wat is dan precies die korte termijn? En wat gaan we dan doen? Dat staat even los van onderzoeken, want ik vind onderzoeken niet een kwestie van doen; dat is tijdrovend en dan zijn we lekker aan het onderzoeken. Ik vraag gewoon: wat gaan we doen en wat dan de korte termijn?

Minister Hermans:
Ik ben het hartgrondig met mevrouw Coenradie eens dat we hier niet alleen rapporten moeten lezen, maar juist gesprekken moeten voeren met de mensen, de bedrijven of de organisaties waar we het over hebben. Ik ga dat doen. Dat is ook mijn manier van werken. Daarover ben ik het dus helemaal eens met mevrouw Coenradie.

Dan wat we doen. We zijn bezig met de implementatie van die indicatiemethodiek. We hebben dat regionale dashboard ingericht en de pool waarin organisaties, zorgverleners … Een "pool" klinkt altijd zo gek als je het over mensen hebt, maar ik hoop dat mevrouw Coenradie … Het is wel een concrete actie. Zorgverleners zitten bij elkaar in een pool. Je kunt daardoor in de regio bekijken hoe we zo gericht mogelijk onze capaciteit kunnen inzetten, juist omdat we er daarmee voor willen zorgen dat het aantal wachtdiensten kan afnemen. Ik vind dat concrete acties. Ik begrijp heel erg wat mevrouw Coenradie zegt over onderzoeken en verkennen. Dat kan een reden zijn om iets nog even niet te doen of om een besluit nog even voor ons uit te schuiven. Maar ik sta er echt volledig, honderd procent achter dat we dit doen, juist om heel scherp te krijgen wat we nog meer kunnen doen om de kraamzorg heel gericht op de goede plek en op het goede moment te kunnen inzetten.

Mevrouw Coenradie (JA21):
Het is welbekend dat het echt wat tijd kost voordat je de effecten ziet van organisatorische veranderingen, systeemveranderingen of beleidsmatige veranderingen. Ik geloof dus wel dat er op korte termijn actie wordt ondernomen, maar de kortetermijneffecten daarvan zijn er niet, terwijl de nood hoog is. Ik zie de minister vertwijfelend kijken, maar ik heb die stellige overtuiging. De vraag is dus: is dit voldoende? Als je de vraag zou stellen aan het personeel zelf, dan zijn zaken als waardering, werkdruk, werkbeleving en werkomstandigheden de eerste die zij noemen, denk ik. Dat doet niets af aan wat de minister zojuist ook benoemde, maar dat zijn wel twee verschillende levels. Als ik kijk naar wat we op de korte termijn kunnen, spreken we wat mij betreft binnen nu en een paar weken met ontiegelijk veel mensen uit de kraamzorg, en doen we vooral eens navraag op dit soort thema's. Dan ben je niet alleen bezig met kortetermijnacties, maar ook met kortetermijneffecten.

Minister Hermans:
Dat gesprek moet je altijd voeren. Zoals ik al zei, ga ik dat zelf doen. Mijn collega's van het ministerie van VWS, die mij nu ook allemaal ondersteunen voor dit debat, doen dat natuurlijk met grote regelmaat. Daar is geen twijfel over. De reden dat ik net even nadacht over de interruptie van mevrouw Coenradie, is dat ik niet weet … Laat ik het anders zeggen. De acties die wij nu uitvoeren — ik kom straks bij het werkplezier — gaan nu ook echt effect hebben. Dat gaat sneller dan we misschien denken. Zouden we sneller willen? Ja, heel graag. Het probleem is het hier en nu. De zomer komt eraan. We weten allemaal dat in de zomer die tekorten extra groot zijn.

Dan ga ik naar het werkplezier. De discussie gaat heel vaak over geld en salarissen, maar werkplezier heeft ook met heel veel andere facetten te maken. Mevrouw Dobbe, mevrouw Vliegenthart en mevrouw Bikker noemden dat al. Daar speelt goed werkgeverschap een cruciale rol in. Dat is niet iets wat ik over kan nemen, maar wel iets wat ik natuurlijk kan bespreken met werkgevers. Dat is mede naar aanleiding van de signalen die mevrouw Coenradie noemde en de gesprekken die wij zelf voeren en die ik dus ook begin volgende maand ga hebben. Ik wil dus toezeggen aan mevrouw Coenradie dat ik bij een gesprek met die landelijke tafel ook dit punt daar op tafel leg. Het is volgens mij namelijk en-en-en.

De voorzitter:
De minister vervolgt haar betoog.

Minister Hermans:
Voorzitter. Met de interrupties heb ik al een aantal vragen beantwoord, maar nog niet de vraag van de heer Van Dijk. Hij vroeg of ik bereid ben een bestuurlijk akkoord met de sector te sluiten. Nou word ik enorm opgejaagd, aangejaagd en gemotiveerd om vooral tot actie over te gaan. Dat vind ik ook heel goed. Mijn eerste neiging is niet om nu een bestuurlijk akkoord te gaan sluiten. Er liggen heel veel afspraken die ook zijn gemaakt aan die landelijke tafel. Wat mij betreft besteden we alle energie aan het uitvoeren van die afspraken. Daar zou ik dus op in willen zetten. Sinds dit jaar is het natuurlijk zo dat zorgverzekeraars en kraamzorgaanbieders regionale maatwerkafspraken maken om de uitdagingen per regio aan te pakken. Ik denk dus dat er op heel veel plekken afspraken liggen en gemaakt worden. Mochten die onderzoeken begin volgend jaar aanleiding geven om daar dingen aan toe te voegen, ben ik daar altijd toe bereid, maar volgens mij moet de energie nu naar uitvoering.

Voorzitter. Mevrouw Dobbe vroeg mij nog of ik bereid ben om met de vijf punten uit het stappenplan van de SP aan de slag te gaan. Ik haal de woorden "manifest" en "stappenplan" door elkaar. Volgens mij had mevrouw Dobbe een manifest? Het woord maakt niet uit, zegt ze. In elk geval gaat het om een plan met vijf punten. Ik zal ze even kort doorlopen, want ik vind dat een dergelijk plan een reactie verdient.

De eerste actie waar mevrouw Dobbe mij toe oproept, is het verhogen van de tarieven. De NZa heeft afgelopen januari de tarieven verhoogd, op basis van het kostenprijsonderzoek. De NZa heeft de taak om dat eens in de zoveel tijd te doen, om te kijken of het nog redelijke kostendekkende tarieven zijn. Daar zijn die nieuwe tarieven uit voortgekomen. Binnen die systematiek is er ruimte voor aanvullende afspraken. Denk aan de zogenaamde max-maxtarieven van 10%, die kunnen worden ingezet voor kwaliteitsverbetering, innovaties en maatwerk in de regio. Daarnaast is er nog een toeslag voor integrale geboortezorg.

Voorzitter. Een tweede punt uit het manifest is het verbeteren van de salarissen. Ik zei al dat het salaris een cao-aangelegenheid is. VWS stelt wel elk jaar extra arbeidsvoorwaardenruimte beschikbaar. De meest recente cao Kraamzorg is op 13 maart van dit jaar aangemeld om algemeen verbindend verklaard te worden bij SZW. Als dat gebeurd is, dan is die verbindend voor de hele sector en kan er ook toezicht op worden gehouden en op worden gehandhaafd.

Dan de wachtdiensten. De vergoeding van wachtdiensten is ook onderdeel van de cao-afspraken die ik net genoemd heb. Ik vind het wel belangrijk om in dit verband te benoemen waar wij via de landelijke tafel een bijdrage aan hebben kunnen leveren. Ik heb het dan over de pools, waar ik nu al een paar keer iets over gezegd hebt. Die zijn er juist op gericht om ervoor te zorgen dat het aantal wachtdiensten dat een kraamverzorgende draait, wordt teruggebracht.

De een-na-laatste actie: schaf de eigen bijdrage af. Daar zijn meerdere vragen over gesteld, waar ik zo ook nog op inga. Ik heb daar bij de begrotingsbehandeling ook al met mevrouw Dobbe over gediscussieerd. Deze stap zet ik nu niet. We kijken met het onderzoek wel waar de financiële drempel een reden is om geen of minder kraamzorg af te nemen, zeker bij kwetsbare gezinnen. Daarom zijn we dit onderzoek, waar ik net al naar verwees, ook gestart.

Voorzitter. Tot slot, stop de marktwerking. Mevrouw Dobbe refereerde daar ook al aan in haar interruptie net. Ik denk dat investeerders in de zorg — dat kan ook private equity zijn — de mogelijkheden vergroten om kapitaal aan te trekken voor zorgactiviteiten. Dat kan natuurlijk een positief effect hebben op de beschikbaarheid, toegankelijkheid en continuïteit van zorg. We zien, zoals we gisteren ook wisselden in een debat over de eerstelijnszorg, natuurlijk ook de nadelen of de uitwassen hiervan. Daar moeten we wat aan doen en daarom werkt de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport aan het aanscherpen en verduidelijken van normen in de wet over integere bedrijfsvoering en het wetsvoorstel over de zorgspecifieke fusietoets.

Voorzitter. Zowel de heer Vervuurt als de heer Poortman vroegen mij naar de Kansrijke Start: kan ik die aanpak inzetten om ervoor te zorgen dat de toegang tot de kraamzorg voor met name kwetsbare gezinnen goed geregeld is? De aanpak van Kansrijke Start is heel belangrijk. Niet voor niets is daarvoor, zoals de heer Poortman ook zei, extra geld uitgetrokken in het coalitieakkoord. In het AZWA is ook afgesproken dat dit een basisfunctionaliteit wordt. Dat klinkt heel saai, maar het is natuurlijk ongelofelijk belangrijk dat die coalities in al die regio's een plek hebben. We hebben die extra middelen beschikbaar gesteld, maar moeten nog goed kijken naar hoe we die gaan besteden. Ik kan me voorstellen dat we daar ook dit vraagstuk bij betrekken. Dat doe ik dus heel graag.

De heer Van Dijk vroeg mij of ik kijk of de kinderwensverkenning kan worden meegenomen in de mogelijk wettelijke verankering van Kansrijke Start en wat ik dan precies wettelijk wil vastleggen. In het AZWA hebben we afgesproken dat de mogelijkheden voor de wettelijke verankering van gezondheidstaken van gemeenten verkend worden. Als onderdeel daarvan verkennen we of onderdelen van Kansrijke Start in de Wet publieke gezondheid kunnen worden vastgelegd, bijvoorbeeld of gemeenten een taak hebben om ondersteuning te bieden op het gebied van de kinderwensverkenning aan inwoners in de vruchtbare leeftijd en in een kwetsbare situatie, zodat zij een bewuste en geïnformeerde keuze kunnen maken over hun eventuele kinderwens. Nogmaals, dit is onderdeel van de verkenning, dus daar is nog geen besluit over genomen. Dat zullen we niet eerder doen dan rond de zomer. Dan zal ik de Kamer natuurlijk informeren of we dat gaan doen en, zo ja, hoe.

Mevrouw Bikker vroeg mij nog of ik initiatieven op het gebied van informele steun kan koppelen aan de kraamzorg. Ik denk dat mevrouw Bikker heel terecht zei dat informele steun een hele belangrijke rol kan spelen, en in heel veel gevallen ook speelt, bij een goede start van het gezin. In de coalities van Kansrijke Start krijgt dat ook een plek. Je ziet steeds meer dat vrijwilligersorganisaties of partijen als Humanitas en stichting Buurtgezinnen deelnemer zijn aan die coalities. Dan is er de zogenoemde leerinfrastructuur Kansrijke Start. Die gebruiken we om dit soort initiatieven en informele steun meer onder de aandacht te brengen. Dat is dus de manier waarop wij invulling geven aan de koppeling van informele steun aan de kraamzorg.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Dank aan de minister voor de beantwoording. Dit sluit ook een beetje aan bij het punt dat ik eerder opbracht, over die lokale creativiteit die ik graag meer zou zien. Juist in gemeenten waar het kraakt en piept qua kraamzorg zou ik het logisch vinden dat je deze elementen toevoegt aan de lokale kraamzorgagenda of welke naam je daar ook aan geeft. Opnieuw de vraag aan de minister om ook eens te kijken hoe we dit kunnen versterken. Over de vorm kunnen we echt wel praten, hoor. Wat mij betreft kan dit punt in diezelfde brief worden meegenomen.

Minister Hermans:
Ik zou het eigenlijk willen betrekken bij de goede lokale voorbeelden. Ik heb al toegezegd dat ik de Kamer daarover informeer, dus dat kan ik bij elkaar pakken.

De voorzitter:
De minister vervolgt haar betoog.

Minister Hermans:
Voorzitter. Dan kom ik bij de vragen over opleiden en de arbeidsmarkt. Ik kijk even om te voorkomen dat ik dingen dubbel ga beantwoorden.

Ik zei al iets over die opleidingsstructuur en dus kraamzorg vroeg in de opleiding onder de aandacht brengen. In de versnellingsagenda die geboortezorg en Zorgverzekeraars Nederland samen hebben gemaakt, is toekomstbestendig opleiden ook als urgent onderwerp opgenomen. Er wordt vanuit die kant aan gewerkt en ik overleg dus met OCW, de onderwijspartijen en Bo over die opleidingen.

Mevrouw Bikker noemde nog een paar specifieke opties, bijvoorbeeld de baangarantie. Er zijn op dit moment natuurlijk heel veel vacatures in de kraamzorg. Ik vraag me dus af of een baangarantie dan het effectiefste instrument is, maar ik denk wel dat we in het stageaanbod verbeteringen aan kunnen brengen. Ik noemde net richting de heer Van Dijk al het stagefonds. Ik neem dat punt wel mee in het overleg dat ik voer. Ook hier geldt weer dat het natuurlijk nuttig is om goede voorbeelden uit te wisselen van passende opleidingstrajecten en hoe die ook leiden tot een goede plek, een goede baan, vinden. Die koppel ik dus graag aan het delen van de goede voorbeelden.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik geef toch een klein beetje achtergrond bij de vraag. Ik hoor geregeld van jonge mbo'ers die starten met de opleiding tot verzorgende dat de eerste stageplekken bijvoorbeeld in de ouderenzorg zijn, waar men eigenlijk al een baan aangeboden krijgt. Je hebt ook zin om te gaan sparen en een huisje te kopen, al dat soort dingen. Voor de kraamzorg moet men dan echter nog een poosje wachten, omdat je daar vaak pas vanaf je 18de verder aan de slag kan. Het zijn opnieuw van die hele praktische dingen. Soms heb je dat. Je hebt soms van die hele taaie stelseldebatten, maar vandaag hebben we eens even een heel praktisch debat. Ik zie hier gewoon goede kansen in. De minister moet dat vooral lekker met OCW, het mbo en het stagefonds oppakken, maar het zijn allemaal van die laaghangende dingen waarvan ik denk: hierin kunnen we gewoon meters maken.

Minister Hermans:
Ik sta intussen even na te denken over wat mevrouw Bikker zegt. Dit is dus nog wat anders dan dat je vroeg in je opleiding ermee bekend wordt gemaakt dat je ook kan kiezen voor kraamzorg. Dit gaat er meer om hoe je, als je eerste stage op een andere plek is, niet verleid wordt of daar naar binnen wordt gehengeld. Het lastige is, zeg ik er dan even bij … Ik sta hier even hardop te denken. Dat moet je ook niet altijd doen, maar het kan misschien in zo'n praktisch geval. Kijk, de andere kant is dat dat personeelstekort natuurlijk in de hele zorg speelt. Ook in de ouderenzorg en in de gehandicaptenzorg kunnen we iedereen heel hard gebruiken. Je wilt natuurlijk ook dat mensen kiezen voor een stage of een baan in zorg en welzijn die bij ze past. We moeten daar dus een balans in vinden, maar ik heb het praktische punt van mevrouw Bikker heel goed gehoord en zal dat ook betrekken in het gesprek.

De voorzitter:
De minister vervolgt haar betoog.

Minister Hermans:
Voorzitter. Ik heb al een paar dingen over de wachttijd gezegd, maar mevrouw Vliegenthart zei daarover nog specifiek: die wachttijd zou eigenlijk arbeidstijd moeten zijn. Ze vraagt hoe ik daarnaar kijk. Ik begrijp die vraag heel goed. Tegelijkertijd werken we vanuit de Arbeidstijdenwet, die vrij helder is over wat arbeidstijd is en wat rusttijd is. Bij een oproepdienst begint de arbeidstijd op het moment van de oproep. Het is aan sociale partners onderling om afspraken te maken over hoe je die wachtdiensten nou vergoedt en hoe je die inzet doet.

Er is ook jurisprudentie die zegt dat je per situatie moet bekijken of een oproepdienst een werknemer te veel beperkt in het vrij invullen van zijn tijd. Dan kan een rechter dus beoordelen of dat het geval is. Dit is eigenlijk het hele formele antwoord, maar het is wel belangrijk om dit te geven. Ik heb al een paar keer die partuspool genoemd. Ik vind dat zelf echt een heel belangrijk instrument. Ik hoop dat we met dat instrument het aantal wachtdiensten dat een kraamverzorgende heeft, kunnen terugbrengen. Dan doe je niet iets aan de vergoeding. Op deze manier maak je er ook geen arbeidstijd van, maar zorg je er gewoon voor dat zij minder van dat soort diensten hebben.

Mevrouw Vliegenthart (GroenLinks-PvdA):
Ik hoor goed wat u zegt: laten we partuspools maken. Dat ken ik natuurlijk helemaal uit de praktijk. Laten we dat doen. We zien echter ook dat dit in de praktijk niet helemaal goed werkt. Dat zeggen veel kraamverzorgenden en organisaties voor geboortezorg ook. Er worden afspraken gemaakt en er worden partuspools gemaakt, maar door de marktwerking in het systeem is er ook gewoon concurrentie. Dat wil zeggen dat er toch grote organisaties, grotere private-equityorganisaties, zijn die zich niet aan die afspraken houden. Zij leveren dan toch zelf iemand, want dan krijgen zij het geld zelf. Mijn verzoek aan de minister is om dit in brieven mee te nemen, zodat we dit heel goed kunnen evalueren. We hebben immers een systeem met concurrentie, wat maakt dat samenwerking wordt tegengewerkt. Dat horen we echt in de praktijk.

Minister Hermans:
Daar zal ik zeker op ingaan. Ik wil mijzelf wat nader verdiepen in het signaal dat mevrouw Vliegenthart nu geeft, want ik ben het met haar eens dat we voor een maatschappelijke opgave staan. Die is er überhaupt in de zorg en bij het georganiseerd krijgen van de zorg, maar vandaag hebben we het heel specifiek over de kraamzorg. Als je van dit soort pools in de regio hebt — straks hebben we natuurlijk de verloskundigensamenwerkingsverbanden met de betaaltitel en de zorgverzekeraar die afspraken maakt — dan moeten we ook strak gaan sturen op de zorgplicht. Dan hebben we het in het systeem ingeregeld, maar in de praktijk moet het dan nog wel zo werken. Ik zal mij hier dus in verdiepen en daarop in een volgende voortgangsbrief terugkomen.

Mevrouw Dobbe (SP):
Ik denk dat het goed is om het aantal oproepdiensten en wachtdiensten zo veel mogelijk terug te dringen — waar dat kan. Het is natuurlijk niet prettig; je leven staat immers letterlijk in de wacht, en je moet wel je kinderen naar de kinderopvang brengen. De minister zegt terecht dat het aan de sociale partners is, maar sociale partners zullen zeggen wat de minister ook zegt: we hebben niet genoeg ruimte om echt anders te belonen bij een verhoging van de wachtdiensten. Nu gaat deze minister over de ova-ruimte. Is de minister bij de volgende keer dat zij de ova-ruimte vaststelt, bereid om na te gaan of daarin ook een verhoging van de wachtdiensten gedekt zou kunnen worden? Nu wordt de ova-ruimte alleen geïndexeerd, maar de minister kan er natuurlijk voor kiezen om gewoon een verhoging toe te passen om deze inhaalslag te kunnen maken.

Minister Hermans:
Ik snap wat mevrouw Dobbe aan mij vraagt, maar dat kan ik niet doen. De ova-ruimte wordt elk jaar in de zomer bepaald en vastgesteld. Dat is dan de ruimte die er is om cao-afspraken te maken. En dat is wat het is.

Mevrouw Dobbe (SP):
Een aantal jaren geleden hebben wij in de Kamer veel debatten gevoerd over extra geld voor zorgverleners, over het verhogen van de salarissen. Dat gebeurde nadat iedereen in de coronacrisis voor hen had staan applaudisseren. Mensen zeiden: zet die waardering dan ook om in meer salaris. De Kamer heeft toen besloten om 625 miljoen extra, geloof ik, beschikbaar te stellen voor lonen. Via die weg zou het natuurlijk wel kunnen. Met wat creativiteit kan de minister hier wel voor kiezen. Is de minister bereid om te kijken welke mogelijkheden er zijn om er in ieder geval voor te zorgen dat de sociale partners genoeg geld hebben om die wachtdiensten beter te belonen?

Minister Hermans:
De crux zit precies in wat mevrouw Dobbe zegt: het is een apart budget dat bovenop de ova-ruimte beschikbaar is gesteld. Ik herinner mij dat nog uit die debatten. Dat bedrag moet wel elders vandaan komen. Ik zie die ruimte op dit moment niet. De ova-systematiek blijft natuurlijk gewoon in stand; daar heb ik het niet over. Maar dit gaat echt over het beschikbaar stellen van een aanvullend bedrag. Die ruimte zie ik op dit moment niet.

De voorzitter:
De minister vervolgt haar betoog.

Minister Hermans:
Voorzitter. Mevrouw Keijzer vroeg mij nog naar de kraamhotels. "Kan dat een oplossing zijn? Je moet ze niet verplichten, maar kunnen we langs die route iets doen?" Ik vind het goed en juich het in principe toe dat zorgverzekeraars en kraamzorgaanbieders samen initiatieven ontwikkelen of mogelijk maken, zodat iedereen die dat wil, kraamzorg kan ontvangen. Op dit moment is een kraamcentrum of een kraamzorghotel vooral ontstaan om de toegankelijkheid te borgen in krappe regio's. Volgens mij noemde mevrouw Keijzer het zelf ook al dat het kraamhotel rust bracht in de eerste dagen. Kraamverzorgenden gaven aan dat ze minder reistijd hadden, meer voorspelbare roosters en meer tijd voor de zorg. Het is aan de partijen om met de verloskundigen deze vorm van kraamzorg gezamenlijk te onderschrijven en die een plek te geven in de methodiek, zodat je zo'n vorm als een kraamhotel daar kan inzetten waar dat passend is, los van de oplossing die het natuurlijk biedt voor de uitdagingen in de toegankelijkheid. Daarmee het dus niet verplichten, maar het kan een vorm zijn.

Voorzitter. Dan kom ik nog bij een aantal overige aan mij gestelde vragen. Ik begin met de eigen bijdrage. De heer Van Dijk en ook mevrouw Dobbe hebben mij daarover vragen gesteld. Die vragen hebben zij mij ook gesteld bij de begrotingsbehandeling, dus ik denk dat mijn antwoord niet helemaal verrassend zal zijn. Mevrouw Dobbe liep al vooruit op een appreciatie die ik zal geven van de motie die daarover komt. Dat is niet geheel onterecht van mevrouw Dobbe, want ik ben geen voorstander van het afschaffen van de eigen bijdrage. Nogmaals, ik zie het probleem bij kwetsbare gezinnen. Ik zie dat de financiële drempel een oorzaak kan zijn, maar er kunnen er meerdere zijn. Gelukkig zien we ook nog steeds dat het overgrote deel van de gezinnen gebruikmaakt van kraamzorg. Wat het precieze effect is van die financiële drempels op het gebruikmaken van kraamzorg, onderzoeken we nu. Nogmaals, begin 2027 komen daar de resultaten van.

Voorzitter. Mevrouw Bikker vroeg in het verlengde van de eigen bijdrage ook nog of ik bij de gemeenten onder de aandacht wil brengen wat voor mogelijkheden zij hebben om daar iets aan te doen. Ik vind dat een hele terechte vraag, want in heel veel gemeenten — ik denk in ongeveer 90% van de gemeenten — hebben ze gemeentepolissen. In die gemeentepolissen zit vaak een volledige vergoeding van de eigen bijdrage voor kraamzorg. Het is zaak dat die gemeentepolis dan ook de gezinnen bereikt die dit het hardst nodig hebben, maar er is natuurlijk ook lokaal een rol en verantwoordelijkheid om dat voor elkaar te krijgen. Dit is zo'n instrument. Mevrouw Bikker wees al op de lokale creatieve initiatieven. Zoals gezegd ga ik me daarin verdiepen, maar die gemeentepolis wil ik toch echt ook als een belangrijk voorbeeld noemen.

Mevrouw Vliegenthart (GroenLinks-PvdA):
Om daar even op aan te sluiten. Gelukkig heb ik de minister al veel gehoord, ook bij de vorige begrotingsbehandeling, over die "Kansrijke Start" en over die "gezondste generatie ooit" die het kabinet wil bereiken. Een groot onderdeel daarvan zijn die kwetsbare gezinnen, is ervoor zorgen dat zij niet met een gezondheidsachterstand starten. Je ziet in een hele hoop gemeentes, maar ook regio's, dat ze daar al heel erg duidelijk bezig zijn met hoe men wat daar speelt, kan aanpakken. De minister zei al dat ze niet weet of het alleen maar die financiële barrières zijn. Je ziet dat ze in de gemeentes al heel goed die passende zorg in die kwetsbare wijken kunnen leveren, dat ze heel goed kunnen bekijken wat daar nodig is als het gaat om dit probleem rond de kraamzorg, om juist die gezinnen die zorg te leveren. Mijn vraag is daarom: als je kijkt naar al die initiatieven en naar het doel van dit kabinet van die gezondste generatie ooit, is de minister dan bereid om net als bij de wijkgerichte aanpak vaccinaties, ook te faciliteren en in kaart te brengen hoe we die wijkgerichte aanpak kraamzorg verder kunnen uitrollen?

Minister Hermans:
Ik zie dit een beetje in het verlengde van de vraag van mevrouw Bikker. Je ziet lokaal creatieve initiatieven of pilots. Mevrouw Vliegenthart verwees naar de pilots in Amsterdam en Zuid-Limburg. Je kunt daar natuurlijk altijd inspiratie uit opdoen en lessen uit leren. Vandaar ook mijn toezegging aan mevrouw Bikker om te kijken hoe we dat kunnen verzamelen en op die tafel brengen, zodat dat breder verspreid wordt. De stap naar één wijkgerichte aanpak zet ik nu nog even niet — laat ik het zo zeggen — omdat ik denk dat het specifieke vraagstuk nog best weleens verschillend kan zijn per regio. In Zuid-Limburg kan de situatie dus heel anders zijn dan in een van de wijken in Amsterdam waar zo'n aanpak loopt. Dat neemt niet weg dat wat er in kwetsbare wijken in Amsterdam gebeurt, misschien ook in een van de andere grote steden goed kan werken. Als ik de vraag van mevrouw Vliegenthart dus zo mag interpreteren dat ik het gebruik voor het bij elkaar brengen en verspreiden van goede ideeën en goede voorbeelden, doe ik het graag. Maar de stap naar een wijkgerichte aanpak wil ik nu niet zetten.

Mevrouw Vliegenthart (GroenLinks-PvdA):
Ik zeg het volgende om even te verduidelijken waar we gelukkig die 7 miljoen voor hebben vrijgemaakt. Het is niet zo dat er maar één aanpak is. De wijkgerichte aanpak vaccinaties maakt het mogelijk, exact zoals de minister zegt, dat er op die locaties wordt gekeken wat er nodig is. Het maakt mogelijk dat we de regie kunnen nemen vanuit het kabinet en het ministerie om te faciliteren dat ze op locatie kunnen kijken wat er nodig is en dat in kunnen zetten. Nogmaals, ik snap dat er niet één aanpak is, maar het kabinet heeft er nu juist geld voor vrijgemaakt om die regio's zelf te kunnen laten kijken wat ze nodig hebben. Dat doen we bij vaccinaties, dus waarom niet ook bij kraamzorg?

Minister Hermans:
Het is niet zo dat het helemaal niet gebeurt. Per dit jaar kun je het namelijk, ook financieel, met regionaal maatwerk vormgeven. Ik vind dat je de vaccinatieaanpak en de kraamzorg niet helemaal kunt vergelijken. Ik snap de gedachtegang wel. Ik snap ook dat er in wijken aanpakken ontwikkeld worden. Die wil ik dus ook graag naar een hoger niveau brengen, juist om het maken van die regionale afspraken, wat dus per dit jaar kan en ook financieel ondersteund wordt, van inspiratie te voorzien; laat ik het zo zeggen.

De voorzitter:
De minister vervolgt haar betoog.

Minister Hermans:
Voorzitter. Mevrouw Coenradie vroeg mij nog naar cultuursensitief werken. Zij vroeg of dat niet symptoombestrijding in plaats van de oplossing is. Passende zorg is het uitgangspunt. Het is in ieder geval waar we aan en naartoe werken. Dat betekent dat bewezen effectieve zorg mensen ook echt bereikt wanneer ze het nodig hebben, ongeacht hun achtergrond. In het regeerakkoord hebben we afgesproken dat passende zorg ook inclusieve zorg is. Van daaruit werken wij aan het bereiken van kwetsbare gezinnen. In dit geval zijn dat specifiek kwetsbare gezinnen in de kraamzorg waar bijvoorbeeld migratieachtergrond, en daarmee dus culturele achtergrond, een reden kan zijn waarom de kraamzorg minder gebruikt of gevonden wordt. Daarom zien wij dit niet als symptoombestrijding, maar als een manier van passende zorg bieden.

Mevrouw Coenradie (JA21):
Dit is altijd het gevaar als je van tevoren wat vragen deelt met de minister en achteraf nog wat tekst en vragen aanpast. Daar is nu sprake van. We hadden ter voorbereiding wat vragen gedeeld. We hopen namelijk altijd dat als we vragen van tevoren delen, de minister zich daarop kan voorbereiden en dat kan meenemen in de beantwoording. De vraag waar de minister nu op doelt, heb ik zojuist niet meegenomen in mijn spreektekst. Dat is ook gewoon terug te zien. Ik denk dat het goed is om hierop te letten, zeg ik ter waarschuwing richting de ambtenaren of de medewerkers, want deze vraag had ik dus niet meegenomen. Maar ik waardeer het dat er van tevoren altijd wordt gekeken welke vragen er zijn en hoe zij zich daar zo goed mogelijk op kan voorbereiden. In dit geval heb ik alleen niet voor niets ook nog eens een hele alinea geschrapt.

Minister Hermans:
Ik hoorde het woord "symptoombestrijding". Ik dacht dat ik dat in het betoog van mevrouw Coenradie hoorde, maar dan heb ik een fout gemaakt in mijn eigen aantekeningen. Ik had dat woord namelijk bij haar bijdrage opgeschreven. Mijn excuses daarvoor. Ik vond het overigens best een goede en ook terechte vraag, dus ik heb 'm met plezier beantwoord.

De voorzitter:
De minister vervolgt haar betoog.

Minister Hermans:
Voorzitter. Tot slot de vraag van de heer Bevers over Veilig Thuis. Hij vroeg of kraamverzorgenden zich nu geremd voelen om te melden bij Veilig Thuis, of zij zich wel veilig voelen om daar te melden. Hij vroeg of we dat kunnen oplossen door anoniem te melden. Voor gezinnen en kinderen in onveiligheid is het van het allergrootste belang dat kraamverzorgenden, en zorgprofessionals in het algemeen, durven te handelen als ze signalen van geweld of kindermishandeling zien en dat ze een melding doen bij Veilig Thuis als dat nodig is. De kraamverzorgenden vallen ook onder de verplichte meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling. In die meldcode zijn het advies van een deskundige collega of Veilig Thuis opgenomen als belangrijke stappen die je moet zetten voordat je daadwerkelijk een melding doet. Wanneer die melding dan uiteindelijk gedaan wordt, kan dit anoniem. Daar zeg ik echter wel bij dat dit niet de voorkeur heeft, want het maakt het onderzoek van Veilig Thuis natuurlijk lastiger. Het is ook niet transparant naar de gezinnen; daar is natuurlijk ook veel over te zeggen. Als je een melding doet, wil Veilig Thuis de situatie natuurlijk zo goed mogelijk in beeld kunnen brengen en er een gevoel bij kunnen krijgen. Vandaar dat het niet de voorkeur heeft, maar het kan dus wel.

Onderliggend is er natuurlijk de vraag of je je veilig genoeg voelt om dat te kunnen doen. Ik vind dat elke zorgverlener, ook een kraamverzorgende, zich altijd veilig moet voelen om een melding te kunnen doen. Er wordt vanuit het kabinet dus ook op ingezet om ervoor te zorgen dat mensen zich veilig voelen om dat te kunnen doen. Daar is ook het programma Veilige Publieke Taak voor. Dat geldt voor alle publieke dienstverleners. Dat is natuurlijk breder, veilig je publieke werk kunnen doen, maar daar hoort hopelijk ook bij dat je je dan veilig voelt om zo'n melding te kunnen doen.

Wat wij wel zullen doen, is het gesprek aangaan met de brancheorganisatie, BO Geboortezorg, en met het Kenniscentrum Kraamzorg. Daarin zullen we verkennen in welke mate er aandacht voor en kennis van de meldcode is en wat er kan helpen bij het zorgvuldig doorlopen van het proces en het uiteindelijk doen van een melding als dat aan de orde is.

Voorzitter. Dan heb ik alle gestelde en niet gestelde vragen beantwoord.

De voorzitter:
Hartelijk dank. Ik zie toch nog een interruptie van mevrouw Dobbe en van mevrouw Van Meetelen.

Mevrouw Dobbe (SP):
Bedankt voor de beantwoording over de eigen bijdrage. Het klopt dat wij hier eerder over hebben gesproken in een ander debat. Nou hebben we wel voorafgaand aan dit debat een brief gekregen, en niet zomaar een brief. Dat was een heel breed gedragen oproep van een heel aantal gemeentes, werkgevers, vakbonden, artsen, ziekenhuizen en ook twee landelijke kenniscentra op dit gebied. Zij zeggen ook: schaf die eigen bijdrage af. Dat lijkt mij toch wel heel veel informatie en kennis, en reden voor de minister om hier serieus naar te gaan kijken en in ieder geval ook het standpunt te heroverwegen. Mijn vraag is: hoeveel meer onderzoek is er dan nog nodig? Deze minister wil meer onderzoeken doen, maar het lijkt mij dat twee kenniscentra misschien wel voldoende zijn.

Minister Hermans:
Ik heb dat gezien. Ik kan op zich ook de redenering volgen, maar ik heb uitgelegd waarom ik het niet doe. Daar kan ik nog een reden aan toevoegen. Dat is een financiële reden, want het heeft een effect waar ik op dit moment geen budget voor heb. Maar dat komt wel op de tweede plaats. Ik vind het gewoon niet gek dat wij een bijdrage vragen van mensen, als je gebruikmaakt van deze vorm van zorg. We zien dat voor kwetsbare gezinnen de eigen bijdrage mogelijk een drempel kan zijn, naast een aantal andere drempels. Wat kunnen we nou nog doen om die drempels gerichter weg te nemen? Daarover zal ik mij buigen als die onderzoeken er zijn.

De voorzitter:
Uw laatste interruptie, mevrouw Dobbe.

Mevrouw Dobbe (SP):
Het is een maatregel waarvan gezegd wordt "dit kan een drempel zijn". Dat wordt ook bevestigd door minimaal twee kennisinstituten en een hele trits aan organisaties die ik net noemde. Op het moment dat dit het gevolg kan zijn van een maatregel, zou het toch eigenlijk andersom moeten zijn? Dan zou deze minister toch eerst onderzoek moeten willen doen en dan pas willen kijken naar het invoeren van de maatregel? Het is toch de verkeerde volgorde om deze maatregel nu te laten staan, terwijl deze mogelijk negatieve effecten heeft voor deze gezinnen?

Minister Hermans:
Het is natuurlijk niet zo dat er niks is of niks gebeurt. In antwoord op een vraag van mevrouw Bikker noemde ik net de gemeentepolissen. Die worden in 90% van de gemeenten aangeboden. In bijna alle gevallen zit daar een volledige vergoeding van de eigen bijdrage voor de kraamzorg in. Je kunt de kraamzorg natuurlijk ook aanvullend verzekeren. Dan zal mevrouw Dobbe waarschijnlijk zeggen "ja, dat kost ook geld." We zien ook dat het overgrote deel van de gezinnen nog steeds wel gebruikmaakt van de kraamzorg. Dan houden we het vraagstuk van de kwetsbare gezinnen. Daar doen we nu dat onderzoek naar. Ik gaf in antwoord op de heer Vervuurt aan dat ik, als we dat onderzoek straks hebben, echt wel wil bezien of je iets kunt doen met differentiatie in tarieven. Kan dat een oplossing zijn? Dan wil ik wel zeker weten dat het een oplossing is voor een probleem. Dat is de volgorde die ik op dit onderwerp aanhoud.

Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Nog even terug naar het verdelen van de schaarste. Ik had daar heel specifieke vragen over gesteld en die zijn niet beantwoord. Ik heb gevraagd wat de definitie van "kwetsbaar" wordt, op basis van welke criteria die bepaald wordt en hoe transparant dat zou worden. Ik heb dat niet voor niks gevraagd. Wij lezen verderop in de tekst, niet in de brief van gisteren, maar van eerder, dat vrouwen met een taalachterstand worden beschouwd als kwetsbaar. Dat is heel vervelend voor die dames, maar u zult niet verbaasd zijn dat dat voor de PVV belangrijk is. Wij vinden namelijk dat je er gewoon voor moet zorgen dat je de taal machtig bent. Ik wil dus graag van de minister horen wat de definitie van "kwetsbaar" is, hoe die wordt bepaald en hoe dat transparant wordt teruggegeven aan de Kamer.

Minister Hermans:
Volgens mij blijkt ook uit eerdere onderzoeken van het RIVM en het Zorginstituut dat het bij "kwetsbaar" gaat over lagere inkomens en lagere opleidingen. Ook een migratieachtergrond kan een factor zijn. Ik denk dat mevrouw Van Meetelen hier op zich een heel terecht punt raakt. Als je iets wil gaan doen voor kwetsbare gezinnen, dan wordt het ingewikkeld hoe je "kwetsbaar" definieert, hoe je die doelgroep goed afbakent, zodat je daar gericht iets aan kan doen. Daar zijn we dus nog niet, maar ik denk dat je daar in algemene zin op grond van deze kenmerken wel iets over kan zeggen. Daarbij gaat het vooral om de vraag waar we willen dat de kraamzorg wordt ingezet.

Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Laat het duidelijk zijn: de PVV wil gewoon niet dat er een verschil wordt gemaakt. Wij willen dat die schaarste wordt opgelost en niet wordt verdeeld, in geen enkele groep. Wat ons betreft mag niet één groep op de een of andere manier hinder ondervinden of minder zorg krijgen. Wij staan voor basiszorg. Die moet gegeven worden, ongeacht de groep waar je uit komt. Dan is het heel vervelend voor sommige mensen, maar u moet er gewoon voor zorgen dat er minder uitstroom is, een betere instroom en dat de schaarste wordt opgelost. Die gaan we niet verdelen. Als dat wel gaat gebeuren, als de minister dat wel gaat doen, dan wil de PVV toch wel heel graag transparantie hebben over wat, aan wie en wanneer.

Minister Hermans:
Kraamzorg is een verzekerd recht, een individueel verzekerd recht, waar iedereen die verzekerd is recht op heeft. In de praktijk is er een tekort aan kraamverzorgenden, zoals er een tekort is in de hele zorg. Dat zet druk op het aantal uren kraamzorg dat kan worden geleverd of kan worden afgenomen. Gegeven de situatie dat je er recht op hebt, maar dat we met dat tekort zitten, willen we gaan bekijken hoe je die capaciteit zo goed mogelijk verdeelt en ervoor kunt zorgen dat die op de plekken komt waar mensen die het hardst nodig hebben. Ik benadruk toch nog een keer het belang van die indicatiemethodiek. Die kijkt daar natuurlijk heel gericht naar, ook in overleg met het gezin. "Wat is nou de zorgbehoefte?" De gedachte van die indicatiemethodiek is dat je al voordat het kindje geboren is het gesprek voert over de zorgbehoefte. Vanaf het moment van de geboorte kan je binnen zes weken de kraamzorg inzetten. In overleg met het gezin kijk je wat de behoefte is. Die kan natuurlijk verschillen en dat is ongelooflijk belangrijk, juist om ervoor te zorgen dat we iedereen die dat wil en die dat nodig heeft kraamzorg kunnen blijven leveren.

De voorzitter:
Mevrouw Vliegenthart nog. U heeft ook een tweede termijn, hè.

Mevrouw Vliegenthart (GroenLinks-PvdA):
Ik heb even zitten luisteren en heb, ook aanvullend op mevrouw Van Meetelen, een vraag. Ik wil heel ver meegaan in het kijken naar praktische oplossingen en het kijken naar wat we binnen het huidige systeem op korte termijn kunnen doen, maar ik blijf elke keer de minister horen zeggen dat we het maar te doen hebben met die arbeidstekorten, omdat we een arbeidskrapte hebben. Dat hoor ik heel veel zeggen. Daar doen we niks aan. Ik kan er heel ver in meegaan. We worden ouder. Daardoor is er een grotere zorgvraag en hebben we minder mensen. Maar dat geldt bij uitstek niet voor deze sector. Er worden zelfs minder kinderen geboren. We hebben dus geen grotere zorgvraag, maar we hebben een systeem dat ervoor zorgt dat al die kraamverzorgenden die gewoon willen en kunnen werken uitstromen. Ik hoor heel veel oplossingen, maar geen enkele van die oplossingen is gericht op de daadwerkelijke oorzaak. Dat is niet het personeelsprobleem, maar het systeem dat maakt dat ze uitstromen. Ik wil heel graag mijn collega's Dobbe en Van Meetelen duidelijk aanvullen met de vraag: wat wil de minister daadwerkelijk daaraan gaan doen?

Minister Hermans:
Natuurlijk wil je dat iedereen die nu in de kraamzorg werkt, daar blijft werken en niet uit deze sector vertrekt vanwege werkdruk of om wat voor reden dan ook. Dit gaat voor het grootste gedeelte over goed werkgeverschap. Dat zijn afspraken die worden gemaakt met de organisatie waar je voor werkt. Ik zei net ook in de richting van mevrouw Dobbe, die nu even weg is, wat ik kan doen. Via de ova-systematiek geef je jaarlijks de ruimte om in de beloning iets te kunnen doen. Er zijn ook nog heel veel secundaire arbeidsvoorwaarden die van heel groot belang zijn. Op dat punt mogen werkgevers niet verslappen.

Dan heb je de instroom. Dat is ervoor zorgen dat jonge of nieuwe mensen blijven kiezen voor de kraamzorg. Er gaan natuurlijk ook mensen met pensioen. Die uitstroom is nou een natuurlijk verschijnsel. Over de instroom heb ik al een heel aantal dingen gezegd. Daarop mogen we niet verslappen. Ik leg me er ook niet bij neer dat er een tekort is. Het is alleen niet heel eenvoudig en zomaar van vandaag op morgen opgelost. Ik leg me er niet bij neer dat dat zo is. Ik vind dat we de mensen die we nu hebben een fijne en veilige werkomgeving moeten bieden. Ik vind ook dat we moeten kijken hoe we de capaciteit zo goed mogelijk inzetten en zorgen dat de zorg terechtkomt bij de gezinnen die dat het hardst nodig hebben. Daarvoor is de kraamzorg uiteindelijk bedoeld.

De voorzitter:
Uw laatste interruptie, mevrouw Vliegenthart.

Mevrouw Vliegenthart (GroenLinks-PvdA):
Ik moet even ... Wat ga ik ervan zeggen? Het hele punt zit 'm hierin. Ik hoor heel veel oplossingen voor de korte termijn en heel veel dingen waarop de minister de regie wil nemen. Dat betreft het op korte termijn verdelen van de schaarste. Als we het hebben over het fundamentele probleem, zie ik echter dat er vooral gewezen wordt naar de werkgevers. Mijn vraag is dus: op welke punten zou de minister de regie hebben wat betreft de fundamentele oorzaken, de lange termijn en het behoud? Het behoud maakt ook dat ... De minister draagt wel de verantwoordelijkheid voor kwalitatieve, toegankelijke zorg. Die wordt nu ook niet geboden.

Minister Hermans:
Ik vind het altijd flauw om helemaal ... Ik was licht ongemakkelijk toen ik het antwoord over de Arbeidstijdenwet gaf aan mevrouw Vliegenthart, maar dat is wel hoe we het in Nederland geregeld hebben. Afspraken over loon en over secundaire arbeidsvoorwaarden vinden plaats aan de cao-tafel. Daar zit ik niet bij, behalve als het gaat over de ova-systematiek en de jaarlijkse indexatie van het ova-bedrag. Dat is de bijdrage die wij daaraan leveren.

Dan de instroom. Als ik met mijn collega van OCW een rol kan spelen om te zorgen dat stages aantrekkelijker worden en dat de opleiding eerder onder de aandacht wordt gebracht en bij alle andere voorbeelden die ik net noemde, dan zal ik dat natuurlijk en vanzelfsprekend doen. Ik denk dat een aantal keuzes die we maken, bijvoorbeeld met de partuspools ... Ik ben inderdaad altijd een beetje terughoudend als ik daarover dingen zeg tegen mevrouw Vliegenthart, want zij weet daar nog veel meer van dan ik. Je kan zeggen dat dat "organisatorische structuren" zijn, maar die helpen om de druk op de wachtdiensten te verminderen. Dat hoop ik echt. Daarmee wordt het werkplezier bevorderd. Die dingen doen we ook. Die zet ik in naast al die andere dingen, die ik omwille van de tijd niet zal herhalen.

Ik ben het hartgrondig met iedereen eens dat het gaat over met plezier gaan werken en blijven werken in deze sector. Wat ik daaraan kan doen, wat wij met elkaar daaraan kunnen doen, is ook in dit soort debatten met heel veel waardering over deze sector praten. Hopelijk heeft dat ook een positief effect op jongeren die toevallig kijken of een glimp hiervan opvangen en denken: wij gaan werken in de kraamzorg.

De voorzitter:
Dank. Dat was de eerste termijn van de zijde van de regering. We gaan gelijk door met de tweede termijn. De tweede termijn is geen verplichting, zeg ik er maar even bij. Mevrouw Bikker maakt er wel graag gebruik van. Zij gaat namens de ChristenUnie haar tweede termijn doen. Gaat uw gang.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. Ook dank aan de minister voor de beantwoording.

De kraamzorg piept en kraakt. Ik zie dat de minister een aantal maatregelen neemt, maar ik vind dat er meer nodig is. Daarom heb ik een tweetal moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat vergoedingen voor wachtdiensten laag zijn en in de tarieven geen reis- en parkeerkosten zijn opgenomen;

overwegende dat het beroep van kraamverzorgende hierdoor minder aantrekkelijk wordt en kraamzorgorganisaties veel kosten voor eigen rekening nemen;

verzoekt de regering te onderzoeken welke vergoeding voor wachtdiensten en reis- en parkeerkosten kostendekkend en fatsoenlijk is en hoe dit in de tarieven opgenomen kan worden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Bikker, Diederik van Dijk, Dobbe, Keijzer en Wiersma.

Zij krijgt nr. 273 (32279) (#1).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat kraamverzorgende een prachtig beroep is maar er grote tekorten in de sector zijn;

overwegende dat het moeilijk is om volledige contracten aan te bieden en daardoor om voldoende salaris te verdienen voor bijvoorbeeld een hypotheek;

overwegende dat er geen mbo-opleidingen zijn waar vanaf 16 jaar de richting kraamzorg kan worden gevolgd;

verzoekt de regering de kansen voor nieuwe kraamverzorgenden te vergroten door met partijen die hier verantwoordelijk voor zijn te verkennen hoe zij de mogelijkheden voor fulltimecontracten kunnen vergroten en hoe zij 16-jarigen vanaf het begin van hun opleiding kunnen motiveren om te kiezen voor de richting kraamzorg,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Bikker, Dobbe, Wiersma, Poortman en Bevers.

Zij krijgt nr. 274 (32279) (#2).

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Voorzitter. Ik heb gezien dat meerdere collega's aandacht hebben gevraagd voor gezinnen in de meest kwetsbare omstandigheden. Ik verwacht er ook nog wel wat moties over van collega's. Ik zal de minister op dat punt nauw blijven volgen.

De voorzitter:
Hartelijk dank. We gaan luisteren naar mevrouw Dobbe, die namens de Socialistische Partij haar tweede termijn gaat uitspreken. Gaat uw gang.

Mevrouw Dobbe (SP):
Dank u wel. Ik heb een aantal moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de kraamzorg onder grote druk staat doordat kraamverzorgenden het vak verlaten en gezinnen steeds vaker te weinig of geen zorg krijgen;

overwegende dat het kabinet inzet op het verdelen van de schaarse capaciteit, maar niet op het oplossen van de oorzaken van deze schaarste;

overwegende dat de schaarste alleen nog maar zal toenemen als er niet ook een aanpak van de oorzaken daarvan komt;

verzoekt de regering om bij de aanpak van de problemen in de kraamzorg in ieder geval maatregelen te nemen om de schaarste te verkleinen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Dobbe en Diederik van Dijk.

Zij krijgt nr. 275 (32279) (#3).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat concurrentie in de kraamzorg het lastiger maakt om via samenwerking problemen, zoals de hoeveelheid wachtdiensten, aan te pakken;

verzoekt de regering om te onderzoeken wat de precieze impact is van marktwerking in de kraamzorg en welke mogelijkheden er zijn om de marktwerking in de kraamzorg te verminderen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Dobbe.

Zij krijgt nr. 276 (32279) (#4).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat goede tarieven en salarissen essentiële voorwaarden zijn voor goede en toegankelijke kraamzorg;

overwegende dat de minister hier weliswaar niet rechtstreeks over gaat, maar wel stelselverantwoordelijk is;

verzoekt de regering om de Kamer voor het zomerreces een overzicht te sturen van alle maatregelen die het kabinet wettelijk kan nemen om te komen tot fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden en op basis daarvan ervoor te zorgen dat tarieven daarop worden aangepast,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Dobbe en Diederik van Dijk.

Zij krijgt nr. 277 (32279) (#5).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat goede tarieven en salarissen essentiële voorwaarden zijn voor goede en toegankelijke kraamzorg;

overwegende dat de minister hier weliswaar niet rechtstreeks over gaat, maar wel stelselverantwoordelijk is;

verzoekt de regering om via de ova-systematiek extra financiering beschikbaar te stellen om ervoor te zorgen dat wachtdiensten in de kraamzorg kunnen worden vergoed als volwaardige werktijd,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Dobbe.

Zij krijgt nr. 278 (32279) (#6).

Mevrouw Dobbe (SP):
Dank u wel.

De voorzitter:
Hartelijk dank. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Diederik van Dijk, die spreekt namens de SGP. Gaat uw gang.

De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank u wel, voorzitter. Veel dank aan de minister voor de beantwoording van de gestelde vragen.

Ik heb twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat via het Opleidingsfonds Kraamzorg tot 2024 extra opleidingsplekken werden gecreëerd waardoor ongeveer 400 extra kraamverzorgenden zijn opgeleid;

overwegende dat een nieuw opleidingsfonds een belangrijke bijdrage kan leveren aan het tegengaan van het tekort aan kraamverzorgenden;

verzoekt de regering in overleg te treden met zorgverzekeraars en de kraamzorgbranche om te komen tot afspraken over een nieuw opleidingsfonds,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Diederik van Dijk, Dobbe en Bikker.

Zij krijgt nr. 279 (32279) (#7).

De heer Diederik van Dijk (SGP):
De tweede motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat uit diverse onderzoeken blijkt dat de eigen bijdrage voor kraamzorg een drempel vormt voor de toegankelijkheid van zorg voor moeders en kinderen in een kwetsbare situatie;

overwegende dat investeren in zorg en ondersteuning in de eerste 1.000 dagen aantoonbaar leidt tot een kostenbesparing in de zorg en sociale zekerheid op latere leeftijd;

verzoekt de regering om bij de begroting 2027 een voorstel te doen om de financiële drempel voor kraamzorg voor in ieder geval kwetsbare moeders en gezinnen weg te nemen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Diederik van Dijk, Bikker en Dobbe.

Zij krijgt nr. 280 (32279) (#8).

De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank u, voorzitter.

De voorzitter:
U ook bedankt. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Vliegenthart, die spreekt namens GroenLinks-Partij van de Arbeid. Gaat uw gang.

Mevrouw Vliegenthart (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat een kraamverzorgende voor een wachtdienst van acht uur een schamele brutovergoeding van €11,44 krijgt;

overwegende dat een kraamverzorgende tijdens een wachtdienst meteen moet reageren en binnen een uur op locatie moet zijn, waardoor hij of zij zeer sterk wordt beperkt in de dagelijkse activiteiten en een wachtdienst grote impact heeft op het persoonlijke leven;

verzoekt de regering te verduidelijken of wachtdiensten van kraamverzorgenden als arbeidstijd of als rusttijd moeten worden aangemerkt en dienovereenkomstig beloond moeten worden, en de Kamer hierover te informeren voor het zomerreces,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Vliegenthart.

Zij krijgt nr. 281 (32279) (#9).

Mevrouw Vliegenthart (GroenLinks-PvdA):
De volgende.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de kraamzorg momenteel onder druk staat, wat in de praktijk leidt tot een gebrek aan toegang tot kraamzorg, wat gezinnen in kwetsbare situaties en wijken extra hard raakt;

constaterende dat in diverse gemeenten er pilots zijn om de financiële drempel voor kraamzorg weg te nemen en kraamzorg flexibeler in te zetten bij gezinnen in kwetsbare situaties, zoals Geboortezorg Flex in Zuid-Limburg;

overwegende dat alle moeders en kinderen een veilige en gezonde start verdienen, ongeacht hun woonplaats;

verzoekt de regering om in kaart te brengen hoe een dergelijke wijkgerichte aanpak voor kraamzorg landelijk uitgerold zou kunnen worden, en de Kamer hierover te informeren voor het zomerreces,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Vliegenthart.

Zij krijgt nr. 282 (32279) (#10).

Hartelijk dank. Dan gaan we luisteren naar mevrouw Wiersma namens BBB. Gaat uw gang.

Mevrouw Wiersma (BBB):
Dank, voorzitter. Ik heb geen moties. Ik heb de moties van het lid Bikker meeondertekend, want dat waren uitstekende moties.

Maar ik zou wel graag nog één keer stilstaan bij de mensen die dit werk elke dag doen, en dat zijn de kraamverzorgenden. Zij stappen de gezinnen binnen in Nederland op het meest kwetsbare moment, de eerste dagen na de geboorte van een kind — nieuw leven. Ze begeleiden de ouders en houden een oog in het zeil als het gaat om de gezondheid van moeder en kind. Ze geven rust en vertrouwen in een week die voor heel veel gezinnen, zeker voor nieuwe ouders, overweldigend is. Zij staan aan het begin van een mensenleven en dat is van onschatbare waarde. Tegelijkertijd horen we hier hoe zwaar hun werk geworden is, de hoge werkdruk, onvoorspelbare diensten en wachtdiensten waarbij je altijd paraat moet staan, zonder daar compensatie voor te krijgen, zonder een behoorlijke vergoeding. Er staat geen salaris tegenover. Ze staan eigenlijk altijd aan en dat maakt het moeilijk vol te houden.

Voorzitter. Ik hoop echt dat deze minister snel met concrete stappen komt om de werkdruk te verlagen, het vak aantrekkelijker te maken, zodat de kraamverzorgenden die elke dag klaarstaan voor nieuwe gezinnen, ook zelf kunnen rekenen op een overheid die voor hen klaarstaat. Dank.

De voorzitter:
U ook bedankt voor uw inbreng in tweede termijn. De heer Vervuurt gaat nu spreken namens de D66-fractie. Gaat uw gang.

De heer Vervuurt (D66):
Voorzitter. Ik denk dat we vrij breed de urgentie van dit onderwerp delen en dat we ook de minister met een duidelijke opdracht op pad kunnen sturen om hier op korte termijn verbetering in aan te brengen. Ik heb één motie om haar daarbij te helpen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de beschikbaarheid van kraamzorg onder druk staat;

constaterende dat juist in wijken met veel kwetsbare gezinnen de tekorten groot zijn en soms helemaal geen kraamzorg geleverd wordt;

overwegende dat goede kraamzorg van groot belang is voor een goede start voor kinderen en voor gelijke kansen;

overwegende dat het leveren van kraamzorg aan kwetsbare gezinnen vaak meer tijd en aandacht vraagt van het personeel;

verzoekt de regering om samen met de NZa te verkennen welke knelpunten binnen de kraamzorgtarieven weggenomen kunnen worden om bij te dragen aan een betere verdeling van het aanbod,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Vervuurt en Poortman.

Zij krijgt nr. 283 (32279) (#11).

Hartelijk dank. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Coenradie namens JA21. Gaat uw gang.

Mevrouw Coenradie (JA21):
Voorzitter. Twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in de zorg al geruime tijd wordt gesproken over het terugdringen van administratieve lasten, terwijl zorgprofessionals in de praktijk nog altijd veel hinder van dergelijke lasten ondervinden;

constaterende dat ook in de kraamzorg onnodige registratiedruk en bureaucratie bijdragen aan hoge werkdruk en minder tijd voor moeder en kind;

overwegende dat het terugdringen van administratieve lasten niet opnieuw mag blijven steken in goede bedoelingen en overlegstructuren;

verzoekt de regering om samen met kraamzorgorganisaties en professionals concrete administratieve verplichtingen in de kraamzorg te schrappen of te vereenvoudigen, hierover voor eind 2026 uitvoeringsafspraken te maken, en de Kamer te informeren welke merkbare vermindering van regeldruk dit in de praktijk oplevert,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Coenradie.

Zij krijgt nr. 284 (32279) (#12).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de uitstroom van kraamzorgprofessionals hoog is en personeelstekorten daardoor verder toenemen;

overwegende dat het behoud van ervaren medewerkers minstens zo belangrijk is als het werven van nieuwe instromers;

overwegende dat factoren als hoge werkdruk, onregelmatigheid, administratieve lasten, reistijd en beperkte aantrekkelijkheid van het vak kunnen bijdragen aan uitstroom;

verzoekt de regering om samen met de sector opties uit te werken om het werken in de kraamzorg aantrekkelijker te maken en de uitstroom terug te dringen, en de Kamer hierover voor eind 2026 te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Coenradie.

Zij krijgt nr. 285 (32279) (#13).

Dank u wel. Dan gaan we luisteren naar de heer Poortman namens het CDA.

De heer Poortman (CDA):
Voorzitter, dank. Ook dank aan de minister voor de beantwoording van alle vragen en voor het debat vanmiddag.

Ik heb één motie, met het oog op de uitbreiding van het programma Kansrijke Start.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat uit verschillende onderzoeken blijkt dat 21% van de kwetsbare gezinnen minder dan de aanbevolen 24 uur kraamzorg ontvangt;

overwegende dat een goede start voor kinderen en gezinnen van groot belang is, en dat de toegang tot kraamzorg hier een belangrijk onderdeel van is;

overwegende dat kwetsbare gezinnen niet de dupe mogen zijn van de personeelstekorten in de kraamzorg;

overwegende dat in het coalitieakkoord is afgesproken dat gerichte ondersteuning aan gezinnen via het programma Kansrijke Start wordt uitgebreid en structureel wordt ingebed als interdepartementale prioriteit;

verzoekt de regering voorstellen te doen voor de uitbreiding van het programma Kansrijke Start, hierover te rapporteren voor de begroting 2027 en te bezien hoe de ondersteuning bij zwangerschap en geboorte voor kwetsbare gezinnen meegenomen kan worden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Poortman, Vervuurt, Bevers, Bikker en Diederik van Dijk.

Zij krijgt nr. 286 (32279) (#14).

De heer Poortman (CDA):
Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Van Meetelen krijgt nu het woord namens de PVV-fractie. Gaat uw gang.

Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Dank u, voorzitter. Bedankt aan de minister voor de beantwoording.

Ik heb drie moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de kraamzorg al geruime tijd kampt met hardnekkige personeelstekorten en dat gezinnen daarvan de gevolgen ondervinden;

overwegende dat er verdeeld gaat worden in de schaarste ten gunste van bepaalde groepen en daarmee ten koste van andere groepen;

verzoekt de regering om het beleid niet te richten op het anders verdelen van de schaarste maar op het terugdringen van de schaarste, zodat ieder gezin de steun krijgt die het verdient,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Meetelen.

Zij krijgt nr. 287 (32279) (#15).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de kraamzorg kampt met grote tekorten;

overwegende dat de schaarse basiszorg niet op grond van een taalachterstand met voorrang mag worden verdeeld;

verzoekt de regering te waarborgen dat kraamzorg niet terechtkomt bij vrouwen met een taalachterstand ten koste van kraamzorg aan andere Nederlandse vrouwen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Meetelen.

Zij krijgt nr. 288 (32279) (#16).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de overheid kraamzorg wel basiszorg noemt, maar gezinnen steeds vaker te maken krijgen met minder uren, tekorten en verschillen in beschikbaarheid;

overwegende dat kraamzorg geen restvoorziening is die alleen geleverd wordt als het toevallig uitkomt, maar onmisbare zorg rond de geboorte van een kind;

verzoekt de regering om kraamzorg niet langer te behandelen als restcapaciteit, maar als essentiële basiszorg waarvoor beschikbaarheid en continuïteit actief moeten worden gegarandeerd, en de Kamer te laten weten welke concrete maatregelen daarvoor worden genomen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Meetelen en Diederik van Dijk.

Zij krijgt nr. 289 (32279) (#17).

Hartelijk dank. Ik kijk nog even rond. Dat was de tweede termijn van de zijde van de Kamer. Er zijn volgens mij zeventien moties ingediend. We schorsen even, tot 18.40 uur. Dan krijgen we de appreciatie van de ingediende moties. Daarna gaan we schorsen voor de dinerpauze, omdat er later op de avond nog een debat over zorgvilla's is. Dat debat is waarschijnlijk rond 20.00 uur. Dan zijn we nu geschorst tot 18.40 uur.

De vergadering wordt van 18.25 uur tot 18.39 uur geschorst.

De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het vervolg van het debat over de kraamzorg. We zijn toe aan de tweede termijn van de zijde van de regering. Ik geef het woord aan de minister van VWS.

Minister Hermans:
Voorzitter, dank. Ik begin met de motie op stuk nr. 273 van mevrouw Bikker. Die motie moet ik ontraden. Ik heb daar in het debat veel over gezegd. Wij gaan niet over de cao en wat daarin wordt afgesproken. Natuurlijk is de NZa wel verantwoordelijk voor het vaststellen van redelijkerwijs kostendekkende tarieven. Dat is gebeurd en daarmee zijn de tarieven ook aangepast in het begin van het jaar.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 273 is ontraden.

Minister Hermans:
De motie op stuk nr. 274 is eigenlijk een uitwerking van het praktische punt waarover mevrouw Bikker en ik een interruptiedebatje hadden. Die motie geef ik graag oordeel Kamer. Ik heb volgens mij de verantwoordelijkheidsverdeling geschetst, maar ik zal het in dat gesprek aan die tafel onder de aandacht brengen en bespreken.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 274 heeft oordeel Kamer.

Minister Hermans:
Dan de motie op stuk nr. 275 van mevrouw Dobbe en de heer Van Dijk om maatregelen te nemen om de schaarste te verkleinen. Dat is natuurlijk een doel dat we hebben met het AZWA. Mijn gesprekken met OCW zijn ook echt daarop gericht. Daar ga ik dus mee door. Ik zie deze motie als een aansporing om daar goed werk van te maken, dus oordeel Kamer.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 275 heeft oordeel Kamer.

Minister Hermans:
De motie op stuk nr. 276, ook van mevrouw Dobbe, moet ik ontraden. We komen met een aanpassing van de Wet integere bedrijfsvoering. Daarin zullen we de uitwassen van de private equity verder normeren en de normen die we hebben, verduidelijken.

Voorzitter, dan de motie op stuk nr. 277.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 276 is ontraden.

Minister Hermans:
Ja, sorry. De motie op stuk nr. 277 van mevrouw Dobbe en de heer Van Dijk moet ik ook ontraden, waarbij ik wel wil opmerken dat de arbeidskosten ook verwerkt zitten in de tarieven.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 277 is ontraden.

Minister Hermans:
De motie op stuk nr. 278, om via de ova-systematiek extra financiering beschikbaar te stellen, moet ik onder verwijzing naar het debat ook ontraden.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 278 is ontraden.

Minister Hermans:
Dan de motie op stuk nr. 279 over het opleidingsfonds. De motie verzoekt mij om in overleg te treden om te komen tot afspraken over een nieuw opleidingsfonds. Wat ik heb toegezegd, is dat ik het onder de aandacht wil brengen wanneer ik aanschuif aan die tafel. Maar ik kan niet garanderen dat ik tot afspraken kom over een nieuw opleidingsfonds. Dus het gesprek zeg ik toe, maar zoals het verzoek nu is geformuleerd treedt dat in een verantwoordelijkheid die ik niet heb. Dan moet ik 'm ontraden. Als de heer Van Dijk 'm iets wil aanpassen na mijn toezegging, dan uiteraard oordeel Kamer.

De heer Diederik van Dijk (SGP):
De bewoording "in overleg treden met" was bedoeld om de ruimte te geven aan de minister om 'm uit te leggen zoals zij nu doet. Ik vraag niet om een resultaatsverplichting, maar om in overleg te gaan met als doel, in de hoop om daartoe te komen, maar daar rekent deze motie de minister niet op af. Ik reken de minister nergens op af, maar vraag haar wel om in overleg te treden met.

Minister Hermans:
Over dat overleg heb ik gezegd dat ik het onder de aandacht zal brengen, maar het is een afspraak tussen de branche en de zorgverzekeraars. Dus of het er daadwerkelijk komt, is echt aan hen. Als we dat echt met elkaar eens zijn en 'm zo lezen, kan ik 'm oordeel Kamer geven.

De voorzitter:
De heer Diederik van Dijk knikt instemmend, dus daarmee krijgt deze motie oordeel Kamer. Dat is de motie op stuk nr. 279.

Minister Hermans:
Dan de motie op stuk nr. 280. Die moet ik ontraden. Dat is een variant op discussies die we over de eigen bijdrage hebben gehad.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 280 is ontraden. Dan de motie op stuk nr. 281.

Minister Hermans:
De motie op stuk nr. 281 van mevrouw Vliegenthart geef ik oordeel Kamer. Ik ben graag bereid om dit, natuurlijk samen met de collega van SZW, nog eens goed en helder op papier te zetten.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 281 heeft oordeel Kamer.

Minister Hermans:
De motie op stuk nr. 282, ook van mevrouw Vliegenthart, moet ik ontraden onder verwijzing naar het debat. Ik benadruk wel dat ik de lessen en de ervaringen uit de wijkgerichte aanpakken, de pilots en de initiatieven zoals mevrouw Bikker die noemde ga delen en dat ik ga kijken hoe we die verder kunnen verspreiden aan die tafel.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 282 is ontraden.

Minister Hermans:
De motie op stuk nr. 283 van de heer Vervuurt en de heer Poortman gaat over de tarieven. Ik wil dat doen. Ik wil daar met de NZa naar kijken, maar ik benadruk wel — dat heb ik in het debat ook gezegd — dat ik dat wil doen met de resultaten van de onderzoeken van het RIVM en het Zorginstituut in de hand, want de tariefsystematiek is natuurlijk echt een instrument. Het moet een oplossing zijn voor een probleem dat ik nader onderzoek in die beide onderzoeken. Dus als ik 'm zo mag lezen dat ik dat gesprek met de NZa doe op een moment dat die onderzoeken er zijn, dan geef ik 'm oordeel Kamer.

De voorzitter:
De heer Vervuurt knikt instemmend. Daarmee heeft de motie op stuk nr. 283 oordeel Kamer.

Minister Hermans:
Dan de motie op stuk nr. 284 van mevrouw Coenradie over de regeldruk. Daar lopen eigenlijk twee trajecten op dit moment. De sector werkt zelf aan afspraken hierover en we hebben in breder verband aan de AZWA-tafel hier afspraken over gemaakt. Als we daarbovenop nu weer nieuwe afspraken maken, ben ik eigenlijk bang dat we zelf regeldruk toevoegen. Dus dat kan ik niet doen. Ik kan wel toezeggen dat ik in de volgende voortgangsrapportage van het IZA — daar hebben we het gisteren over gehad — die voor het debat in juli komt, inga op de stand van zaken. Maar nieuwe afspraken maken, zoals de motie verzoekt, dat kan ik niet doen. Als mevrouw Coenradie dat echt wil, moet ik 'm ontraden. Als zij genoegen neemt met wat ik net schetste, dan … Nee? Dan moet ik 'm ontraden.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 284 is ontraden.

Minister Hermans:
Dan de motie op stuk nr. 285. Die motie moet ik ontraden. Ik heb toegezegd dat ik dat gesprek voer en kijk wat ik onder de aandacht kan brengen, maar opties uitwerken en daar zelf een rol in nemen anders dan wat ik geschetst heb, dat kan ik niet doen. Daarmee ontraad ik de motie.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 285 is ontraden.

Minister Hermans:
De motie op stuk nr. 286 van de heer Poortman, de heer Vervuurt, de heer Bevers, mevrouw Bikker en de heer Van Dijk: oordeel Kamer. We werken op dit moment uit hoe we Kansrijke Start-middelen het beste kunnen vormgeven. Ik zal de Kamer daar natuurlijk over informeren. Dat zal ik voor de begrotingsbehandeling doen.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 286 krijgt oordeel Kamer.

Minister Hermans:
De motie op stuk nr. 287 van mevrouw Van Meetelen moet ik ontraden. We hebben daar uitgebreid over gedebatteerd. We richten het beleid zo in dat we werken aantrekkelijk maken, zodat mensen hopelijk blijven werken, en we willen de instroom vergroten, maar we zullen ook maatregelen moeten blijven nemen om de capaciteit die er is, in te zetten waar die het hardst nodig is.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 287 is ontraden.

Minister Hermans:
De motie op stuk nr. 288 van mevrouw Van Meetelen moet ik ook ontraden, onder verwijzing naar het laatste interruptiedebat dat ik had met mevrouw Van Meetelen.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 288 is ontraden.

Minister Hermans:
De motie op stuk nr. 289 van mevrouw Van Meetelen en de heer Van Dijk moet ik ook ontraden. Hierbij wil ik een extra opmerking maken. In het dictum staat: verzoekt de regering om kraamzorg niet langer te behandelen als restcapaciteit. Daar neem ik echt afstand van. Dat is waarom ik dit ontraad. Dat is in de verste verte niet wat dit kabinet doet en hoe er samengewerkt wordt met partijen in de sector. We staan inderdaad voor problemen en er is inderdaad een personeelstekort, maar we gaan niet op deze manier met deze sector om. Integendeel, zou ik willen zeggen.

De voorzitter:
Dank u wel. Dat was het einde van de tweede termijn van de zijde van de regering en daarmee ook van het debat.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:
Aanstaande dinsdag stemmen we over de ingediende moties. We gaan nu even schorsen tot 19.35 uur. Dan vindt een debat plaats met een andere bewindspersoon over zorgvilla's. We zijn geschorst tot 19.35 uur.

De vergadering wordt van 18.49 uur tot 19.35 uur geschorst.