Vragenuur (ongecorrigeerd)
Stenogram
Nummer: 2026D16311, datum: 2026-04-07, bijgewerkt: 2026-04-08 09:07, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-04-07 14:00: Vragenuur (Vragenuur), TK
Preview document (🔗 origineel)
Vragenuur
Vragenuur
Aan de orde is het mondelinge vragenuur, overeenkomstig
artikel 12.3 van het Reglement van Orde.
Vragen Van Duijvenvoorde
Vragen van het lid Van Duijvenvoorde aan de
staatssecretaris Onderwijs en Emancipatie over een gelekte
taalgids van het ministerie van OCW, waarin diverse woorden en termen
als ongewenst of te vermijden zouden worden aangemerkt.
De voorzitter:
Aan de orde is het vragenuur. Ik heet de staatssecretaris van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap daarvoor van harte welkom in vak K. Ik geef het
woord aan de heer Van Duijvenvoorde voor zijn vragen namens de fractie
van Forum voor Democratie.
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
Voorzitter. Deze week is op GeenStijl een document van OCW gelekt over
welke taal er gebruikt dient te worden door de ambtenaren. Ik citeer:
"Om gelijkwaardigheid te bevorderen, kiest OCW in sommige gevallen
termen die nog niet gangbaar zijn in de officiële Nederlandse taal."
Voorbeelden hiervan zijn "Jij-dag" in plaats van "Vader- of Moederdag",
"Eid al-Fitr" in plaats van "Suikerfeest", of "illegaal verkregen geld"
in plaats van "zwart geld".
Voorzitter. Taal is een weerbarstig iets. Eerst dachten we dat taal de
werkelijkheid beschreef en daarna ontdekten we dat de werkelijkheid nu
juist aan taal ontsnapt. Nu zijn we tot slot tot de conclusie gekomen
dat taal de werkelijkheid niet altijd vatten kan, maar wel kan
construeren. Deze gedachte is leidend in het nieuwe taaldocument van
OCW. Meerduidigheid van taal wordt zo veel mogelijk teruggedrongen door
voor steeds meer situaties specifieke termen voor te schrijven.
Oneffenheden in taal mogen niet meer bestaan. Dit project is zonder
einde, want taal is altijd meerduidig. Taal schiet altijd tekort. Taal
is een hulpeloos hulpmiddel dat het enige is, en tegelijkertijd alles
is, dat we hebben. Juist daarom is het problematisch wanneer een
overheid de pretentie krijgt taal te kunnen vastleggen of zuiveren. Het
zal immers altijd gekleurd zijn en het zal nooit afdoende zijn.
Daarom heb ik een aantal vragen voor de staatssecretaris. Erkent de
staatssecretaris dat taalgebruik zoals in deze taalgids niet slechts
beschrijvend is, maar de werkelijkheid waarin wordt gedacht en
gehandeld, mede vormgeeft? De tweede vraag. Erkent de staatssecretaris
dat de taalgids daarmee uitgaat van een specifieke, niet-waardeneutrale
visie op taal? En op basis waarvan acht de overheid zich bevoegd om
dergelijke taalnormen richtinggevend te maken voor haar handelen en voor
haar communicatie? Vraag drie. Hoe wordt binnen deze taalgids ruimte
gelaten voor andere opvattingen over taal, die nadruk leggen op
bijvoorbeeld afbakening, op precisie of op culturele continuïteit? Op
basis waarvan meent het ministerie dat deze taalnormen aansluiten op een
behoefte in de samenleving? En indien dit niet kan worden onderbouwd, op
basis waarvan acht de staatssecretaris het dan gerechtvaardigd dat de
overheid hierin een normerende rol vervult? Tot slot. Deelt de
staatssecretaris de opvatting dat het niet de taak van de overheid is om
via taal een bepaalde visie op mensen en op de samenleving normatief
vast te leggen? Op basis waarvan denkt het ministerie dat deze
taalnormen aansluiten op een behoefte in de samenleving? En als dit niet
vastgesteld kan worden, op basis waarvan acht de staatssecretaris dan
dat het ministerie hier een rol in kan spelen?
Dank u wel.
De voorzitter:
Het woord is aan de staatssecretaris.
Staatssecretaris Tielen:
Wat zegt u?
De voorzitter:
Ik zei niks. Gaat uw gang.
Staatssecretaris Tielen:
Voorzitter, dank. Laat mij drie dingen zeggen over de vragen die meneer
Van Duijvenvoorde namens Forum voor Democratie stelt. Ik begin graag
door te zeggen dat het belangrijk is dat we zorgvuldig en gelijkwaardig
met elkaar omgaan en elkaar niet onnodig kwetsen. Taal doet er daarbij
toe. Maar de wereld verandert niet als je het ene woord wel en het
andere woord niet gebruikt; ik denk dat meneer Van Duijvenvoorde dat ook
bedoelde. De minister en ik zijn voortdurend met elkaar bezig om de
kwaliteit van ons onderwijs te verbeteren, en in mijn geval ook om
gelijkwaardigheid te verbeteren aan de hand van ons emancipatiebeleid.
Maar wij doen dat zonder te betuttelen. Betutteling druist juist in
tegen de emancipatie. Meneer Van Duijvenvoorde heeft dat woord zelf niet
in de mond genomen, maar het werd wel bij mij opgeroepen toen hij zijn
vragen stelde. Ik kan me voorstellen dat het enigszins betuttelend kan
overkomen, terwijl ik de ambtenaren die op het departement werken om te
zorgen dat de minister en ik ons kunnen inzetten voor de kwaliteit van
onderwijs, elke dag heel goed werk zie leveren vanuit gelijkwaardigheid.
Volgens mij kunnen zij dat heel goed zonder spiekbriefjes. Ik zie in
ieder geval elke dag de professionaliteit van mijn ambtenaren in de taal
die zij daarbij gebruiken.
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
Ik dacht eigenlijk dat dit de inleidende beschietingen waren en dat het
antwoord nog zou komen. Natuurlijk geloof ik, zoals de staatssecretaris
ook zegt, dat iedereen met elkaar omgaat op basis van gelijkwaardigheid.
Daarom vind ik juist dat dit document alles zo doodslaat. Dit speelt
toch allemaal al in het contact van mens tot mens? We stemmen het met
elkaar af, we merken dat sommige dingen vervelend zijn of we merken dat
dingen een bepaalde context hebben. De zwarte bladzijde heeft gewoon een
heel andere context dan een discriminatoire context. Voor mij is nog
niet duidelijk dat de ambtenaren blijkbaar al goed met elkaar omgaan,
waarom dit zo enorm gedetailleerde documenten nodig is en wat er precies
mee beoogd wordt wat momenteel in de werkelijkheid niet al gaande
is.
Staatssecretaris Tielen:
De vraag is of het document de waarde heeft die meneer Van Duijvenvoorde
eraan hecht. Als meneer Van Duijvenvoorde vraagt of het ministerie het
ook zonder taalgids kan, dan denk ik dat dat heel goed kan, omdat de
professionaliteit gewoon heel hoog is. Dat is mijn antwoord op de vraag
van meneer Van Duijvenvoorde.
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
Dan is mijn wedervraag: als het al zo goed gaat en zo goed kan, wat is
dan het nut van het document? En is er bereidheid op het ministerie om
dit document te herzien?
Staatssecretaris Tielen:
Het document is een jaar geleden gelanceerd, om het maar zo te zeggen,
dus gepubliceerd. Het lijkt mij best wel een goed moment om te kijken of
het daadwerkelijk nog nodig is. Nogmaals, ik zie in de dagelijkse
praktijk dat de professionaliteit van de ambtenaren op het ministerie
van OCW heel hoog is en bijdraagt aan de zorgvuldigheid en
gelijkwaardigheid die ik heel belangrijk vind. Herzien is dus zeker een
optie, om te kijken of het überhaupt nog nodig is.
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
Dan zal ik daar vervolgens iets mee gaan doen om het te herzien, zoals
een motie indienen of een debat aanvragen, maar voor nu is het afdoende
beantwoord.
De heer Martin Bosma (PVV):
Het is totale waanzin wat hier gebeurt. We mogen het woord "blank" niet
meer gebruiken. "Zwart" moet met een hoofdletter. "Vluchtelingenstroom"
mogen we niet meer zeggen. "Gouden Eeuw" kan ook niet meer. "Moederdag"
is ook al kwetsend. "Meneer of mevrouw" mag niet meer. "Beste dames en
heren" kan niet meer. "Slaaf" is ook een verboden woord. Nou is de
realiteit dat een op de drie 15-jarige leerlingen in Nederland
onvoldoende kan lezen om te functioneren in deze maatschappij. Zou het
niet handig zijn dat in plaats van het importeren van al die Amerikaanse
woke shit, de staatssecretaris en de minister zich gewoon gaan
concentreren op het onderwijs en dit soort onzin gewoon door de
papershredder halen?
Staatssecretaris Tielen:
Het antwoord op de tweede vraag van meneer Bosma gaf ik net al aan;
eigenlijk was het één vraag, maar ik wil nog iets zeggen over zijn
inleiding. Dat antwoord is dat de minister en ik ons dagelijks inzetten,
met behulp van een hele grote groep professionele ambtenaren, om de
kwaliteit van het onderwijs te verbeteren. Meneer Bosma heeft helemaal
gelijk, en ik hoop dat we dat kunnen keren en dat we de leesvaardigheid
en het taalbegrip van onze jonge mensen verbeteren. Meneer Bosma zei in
zijn inleiding ook iets over verboden, maar dat is natuurlijk geenszins
aan de hand. Er bestaat geen verbod op taal. Iedereen mag de taal
gebruiken die die wil.
De heer Martin Bosma (PVV):
Kom dan ook niet aan met lijstjes met "vaders en moeders" en dat je in
plaats daarvan moet zeggen "ouders" of "ouders/verzorgers". Doe dat dan
ook gewoon niet. Maar ik heb een principiële vraag. In dit werkje staat
ook: "We vermijden taal die het Westen beter doet lijken". De taal moet
dus gedekoloniseerd worden. Mensen mogen blijkbaar niet denken, want uw
ministerie wil denken beïnvloeden. Het ministerie wil niet dat mensen
denken dat het Westen superieur is. Maar het Westen, onze beschaving,
die alles heeft voortgebracht, die wetenschap, die cultuur, die
schrijvers, die muziek, Beethoven en noem maar op, is toch gewoon
superieur? Het Westen ís toch superieur?
Staatssecretaris Tielen:
Ik heb niet de behoefte om de hele taalgids samen met de heer Bosma te
recenseren, ook omdat ik daarover al eerder iets heb gezegd in antwoord
op de vragen van de heer Van Duijvenvoorde.
De heer Russcher (FVD):
Ik denk dat mijn vraag een beetje aansluit op die van de heer Bosma. In
de inclusieve woordenlijst van het ministerie van OCW lezen we dat men
"Zwart" met een hoofdletter moet schrijven en "tot slaaf gemaakte" moet
gebruiken in plaats van "slaaf". "Gouden Eeuw" wordt "zeventiende eeuw",
"minderheden" worden "gemarginaliseerde mensen" en "westerse beschaving"
mag niet worden gebruikt. "Midden-Oosten" wordt "Zuidwest-Azië" en je
mag niet "vluchtelingenprobleem" zeggen, want het is een
"opvangprobleem". Ook mag je niet meer spreken over "illegale
vluchtelingen". Het is niet meer "inburgeren", maar "integreren", en je
brief mag niet meer beginnen met "Geachte heer/mevrouw". Mijn vraag is
gewoon heel simpel: wie verzint dit en waarom vindt het ministerie
überhaupt dat het als een soort woordenpolitie moet functioneren?
Hoeveel mensen hebben hieraan gewerkt en hoeveel geld is hieraan
uitgegeven?
Staatssecretaris Tielen:
In herhaling op wat ik net al zei: dit gaat niet over verboden of wat
dan ook. Maar ik herken wel dat zodra je iets in een lijstje zet, het
gewoon onhandig is. Volgens mij zou ik mezelf niet eens meer een
"powervrouw" mogen noemen als dat de strekking zou zijn van het
document. Dat is dus niet zo, want ik noem mezelf graag wel een
powervrouw. Maar de vraag was hoeveel mensen hieraan gewerkt hebben en
hoeveel geld eraan besteed is. Het aantal mensen durf ik zo niet te
zeggen. Ik kan wel zeggen dat er ongeveer €40.000 is besteed aan het tot
stand brengen van de taalgids, die bedoeld is als document waarmee
ambtenaren een handvat hebben. Zoals ik ook al zei in mijn inleiding,
komt het op mij over als enige mate van betutteling, terwijl ik zie dat
de professionaliteit van de ambtenaren heel hoog is en het dus de vraag
is of ze die nodig hebben.
De heer De Beer (VVD):
De staatssecretaris gaf net volgens mij heel duidelijk aan dat het
lijstje geen meerwaarde heeft voor goed onderwijs. Daaraan werken en
trekken we eigenlijk ook vanuit de Kamer al jarenlang, namelijk zorgen
dat het onderwijs wordt vernieuwd en verbeterd en dat de veiligheid van
studenten wordt gewaarborgd op campussen die worden belegerd. De vraag
is: als het geen meerwaarde heeft, waarom kan het dan niet gewoon de
papierbak in? Moeten we niet gewoon open zeggen dat je woorden zoals
"brandweerman", "thuiszitten" en "partner" gewoon moet kunnen blijven
gebruiken?
Staatssecretaris Tielen:
Allereerst: iedereen mag alle woorden gebruiken die die wil gebruiken.
Dat geldt voor iedereen. Tegelijkertijd roept de vraag bij mij ook een
dilemma op. Aan de ene kant wil ik mij niet te veel bemoeien met wat
ambtenaren dagelijks over hun werkwijze met elkaar afspreken. Met hoe ze
met elkaar e-mailen en op welke manier ze documenten delen, wil ik me
gewoon echt niet bemoeien als staatssecretaris. Dat geldt uiteraard ook
voor de minister. Deze taalgids is een dergelijke werkwijze. Moet ik me
daar dan mee bemoeien of niet? Dat vind ik ingewikkeld. Gezien de vragen
die er zijn in de Kamer, gaat het om iets meer dan onderlinge afspraken
over hoe en wanneer je met elkaar e-mailt, om het maar zo te zeggen.
Zoals ik al zei, is de taalgids wat mij betreft niet nodig voor de
professionaliteit van mijn ambtenaren. Die mag wat mij betreft de kast
in.
De heer Boomsma (JA21):
De minister zegt dat die taalgids wat haar betreft niet nodig is, maar
het is natuurlijk niet zomaar even een document. Het is een heel
specifiek, ideologisch zeer geladen document, met een hele specifieke
ideologie. Die wordt hier als het ware opgelegd, of in ieder geval
uitgedragen. Dat gebeurt uiteraard een beetje op een passief agressieve
manier, met "liever zus of zo" in plaats van echte verplichtingen. Maar
wat is de opvatting van de staatssecretaris zelf over deze inhoudelijke
taalgids? Erkent zij dat hier een hele specifieke ideologie achter
schuilgaat en dat het dus niet gewenst is dat dit soort documenten
worden gehanteerd als een soort instructie?
Staatssecretaris Tielen:
Ik vind het belangrijk dat de overheid op een zorgvuldige en
gelijkwaardige manier communiceert. Dat is mijn opvatting. Dat vind ik
oprecht heel belangrijk. Gelijkwaardigheid zit wat mij betreft in de
kern van waar ik bestuurlijk voor sta opgesteld. Taal speelt daar een
rol in; dat kunnen we niet negeren. Tegelijkertijd zeggen woorden op
zichzelf vaak niet zo veel. Daarom heb ik ook een probleem met lijstjes.
Het gaat ook over de context en de toon. Iedereen die weleens een
communicatietraining heeft gevolgd, weet dat het veel meer is dan dat,
vandaar dat ik die lijstjes lastig vind. Dat zei ik net ook al. Wat vind
ik er dan zelf van? Ik zei net al: het suggereert volgens mij een mate
van betutteling. Tegelijkertijd is taal wel belangrijk. Elkaar begrijpen
begint met taal spreken en taal met elkaar delen. Dat maakt dat de vraag
van meneer Boomsma bij mij een dilemma oproept. Taal is namelijk
belangrijk en taalbegrip is ook heel belangrijk. In antwoord op de vraag
van meneer Bosma zei ik al dat het ook mijn ambitie is om ervoor te
zorgen dat onze jonge mensen gewoon een goed taalbegrip hebben. Daarom
moet je ook met elkaar in gesprek over taal. Om het in dit soort
lijstjes te vatten is dan misschien niet per se het beste.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
De staatssecretaris zegt dat iedereen de woorden mag gebruiken die men
wil, maar dat mag dus niet! Er is namelijk een hele afdeling bezig en er
wordt €40.000 in gestoken om een lijstje te maken van wat mensen
eigenlijk horen te zeggen. Dit lijstje is dus helemaal niet bedoeld als
iets wat men gewoon even gedaan heeft en "voor de rest mag iedereen
zeggen wat ie wil". Deze lijst is er niet voor niks gekomen. Mijn vraag
aan de staatssecretaris is ten eerste: welk probleem lossen we hier mee
op? En weet de staatssecretaris überhaupt dat dit soort dingen op haar
ministerie aan de hand zijn?
Staatssecretaris Tielen:
Ik herhaal wat ik net zei: zorgvuldige en gelijkwaardige communicatie
vanuit de overheid is heel belangrijk. Dat geldt trouwens ook voor
begrijpelijke communicatie; die derde zal ik er nog aan toevoegen. Ik
ben daar ook zelf erg alert op. Dat we erover in gesprek zijn hoe je dat
dan doet, met welke woorden en op welke manier je praat, is op zichzelf
niet verkeerd. Ik denk zelfs dat het heel goed is dat we met elkaar
praten over taal en over wat taal wel en niet kan doen. Het is de vraag
of het helpt als je dat vervolgens in een lijstje vat. Daarvan zei ik
al: ik zie niet dat dat nodig is, omdat ik elke dag brieven, teksten en
nota's op mijn bureau krijg, van hele professionele ambtenaren die
zorgvuldig, gelijkwaardig en begrijpelijk communiceren.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Nogmaals: er is een afdeling binnen het ministerie die hier kennelijk
met een doel mee bezig is. Dat moeten we toch niet willen, laat staan
dat er gewoon tienduizenden euro's aan belastinggeld worden besteed aan
dit soort onzin? Er is hier gewoon een afdeling mee bezig. Ik herhaal
mijn eerste vraag nog even; daar heb ik geen antwoord op gekregen. Weten
de bewindspersonen, de minister en de staatssecretaris, überhaupt dat
dit soort onzin bij hen op de afdeling aan de gang is, met het doel om
mensen toch te duwen naar een bepaald welgevallig woordgebruik?
Staatssecretaris Tielen:
Deze afdeling is bezig ervoor te zorgen dat overheidscommunicatie
zorgvuldig, gelijkwaardig en begrijpelijk is. De taalgids is één van de
producten die hieruit zijn voortgekomen. Daar heb ik al het een en ander
over gezegd en dat hebt u net ook kunnen horen. Op zichzelf is het, denk
ik, echter heel belangrijk dat wij als overheid zorgvuldig,
gelijkwaardig en begrijpelijk communiceren. Dat daar mensen mee bezig
zijn, lijkt mij op zichzelf ook belangrijk.
De heer Ceder (ChristenUnie):
De taalgids van OCW heeft een hele ambitieuze doelstelling. Er staat
namelijk: "Hiermee stellen we een norm voor inclusieve taal binnen en
buiten OCW." Voor de ChristenUnie is dat best ingewikkeld, want het
grijpt in op het dagelijks leven en ook bijvoorbeeld op het gezinsleven.
Er wordt namelijk een advies gegeven dat "Moederdag" en "Vaderdag"
tegenwoordig beide aangeduid zouden moeten worden als "Jij-dag". Dat,
specifiek het eruit halen van "Moederdag" en "Vaderdag", is bedoeld voor
binnen OCW, maar ook bedoeld om het als norm te stellen voor buiten OCW
en dus in de samenleving. Erkent de minister dat OCW hier een grens
overgaat, en voorbijgaat aan de doelstelling die de minister net zelf
schetst?
De voorzitter:
Het is de staatssecretaris.
Staatssecretaris Tielen:
Als ik terugga naar zorgvuldigheid, gelijkwaardigheid en
begrijpelijkheid, dan snap ik heel goed dat meneer Ceder denkt: wat is
dit nou? Dat begrijp ik heel goed.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dit stuk lijkt het bestaan van het stuk uit te sluiten. In het stuk
staat namelijk als een van de adviezen "neem elkaar serieus en voorkom
tone policing". Tone policing is dat iemand wordt aangevallen op de
toon, in plaats van op boodschap of op argument. Dit stuk zegt echter
eerder dat dit stuk ook bedoeld is om de toon neer te zetten, zowel
binnen als buiten OCW. Kan de staatssecretaris erkennen dat dit stuk een
vorm van tone policing is, en op grond van de strekking van dit stuk dus
niet had mogen bestaan?
Staatssecretaris Tielen:
Dat vind ik een ingewikkelde vraag, maar vooral door de formulering van
meneer Ceder. Ik ga even terug. Taal is ontzettend belangrijk en meer
dan alleen maar lijstjes met woorden. Ik denk dat deze taalgids, mede
doordat er lijstjes met woorden in staan, niet volledig bijdraagt aan
het goed met elkaar kunnen communiceren en het begrijpen van elkaar.
Zorgvuldige, gelijkwaardige en begrijpelijke overheidscommunicatie moet
volgens mij het uitgangspunt zijn van wat we doen.
De heer Stoffer (SGP):
Achter de staatssecretaris zit de minister van Infrastructuur. De
afgelopen weken ben ik geregeld benaderd over gaten in de weg en sluizen
die het niet meer doen. Daar is geen geld voor. Nu hoor ik dat er
€40.000 wordt uitgegeven aan iets waarvan ook de staatssecretaris zegt:
"Tja, of dat nu echt gemoeten had …" Zou het kabinet na kunnen gaan
hoeveel van dit soort dingen er in de breedte van de ministeries
gebeuren, om te kijken of we echt efficiënt met het geld omgaan en of we
dat wellicht in de gaten in de weg of de kapotte sluizen kunnen
stoppen?
Staatssecretaris Tielen:
Dit is een hele grote vraag van meneer Stoffer. Ik vind het een hele
sympathieke vraag, maar ook wel een hele grote. Ik ben maar de
staatssecretaris Onderwijs en Emancipatie. Ik ga maar over een klein
stukje van het totaal waarmee we bezig zijn. Plus, we hebben allerlei
begrotingsregels over hoe we met dingen omgaan. Het uitgangspunt dat we
heel efficiënt, doelgericht en doelmatig omgaan met belastinggeld is
volgens mij een opdracht aan het hele kabinet. Als meneer Stoffer dat
bedoelt, dan neem ik die vraag zeker serieus.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Goed om te horen dat de staatssecretaris de taalgids in een kast wil
stoppen. Dan moet ze wel even langs alle musea en de cultuursector om al
deze newspeak er daar ook uit te krijgen. Daar ziet mijn vraag ook op.
Dit komt natuurlijk weg achter het steeds maar willen beschermen van
elke minderheid, de volgende minderheid en die daarna, waarbij je elke
keer weer nieuwe woorden wil verbieden. Hoeveel ambtenaren zitten er op
OCW? 2.500 ambtenaren, zo heb ik net opgezocht; ik weet niet of dat
klopt. Is het niet verstandiger om aan iedereen gewoon een exemplaar van
het boek "1984" van Orwell te geven? Dan krijgen ze misschien eindelijk
een keer in de gaten waar dit uiteindelijk toe leidt, namelijk een
dystopische samenleving waarin niemand wil verblijven.
Staatssecretaris Tielen:
Een van onze kernboodschappen binnen het ministerie gaat over boeken en
boeken lezen. Een ander mooi motto is: een dag niet geleerd, is een dag
niet geleefd. Mevrouw Keijzer suggereert iets wat ik niet helemaal
herken en waar ik ook niet helemaal in meega. Waar mevrouw Keijzer
volgens mij naar vraagt en waar ik wel in meega, is het volgende. Ik heb
dit namelijk eerder gezegd: ik vind het belangrijk dat we als overheid
zorgvuldig, gelijkwaardig en begrijpelijk communiceren. Dat is de manier
waarop we met communicatie om moeten gaan. Dat is wat mij betreft
neutraal.
De voorzitter:
Ik dank de staatssecretaris voor haar beantwoording van de gestelde
vragen.
Vragen Kröger
Vragen van het lid Kröger aan de minister van
Infrastructuur en Waterstaat over het bericht "Laatste
kerosinetanker op weg naar Rotterdam: 'Als het op is, kun je niet meer
vliegen'".
De voorzitter:
Ik geef het woord aan mevrouw Kröger, voor haar vragen aan de minister
van Infrastructuur en Waterstaat. Dat doet zij namens de fractie van
GroenLinks-Partij van de Arbeid. Ik heet de minister van harte welkom.
Het woord is aan mevrouw Kröger, als zij zover is.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. De roekeloze aanvallen van de VS en Israël op Iran hebben
een mondiale energiecrisis veroorzaakt. In Zuidoost-Azië zijn er al
acute brandstoftekorten. Ook in Europa dreigen tekorten en daardoor zeer
hoge prijzen. De Europese Commissie en EIA waarschuwen ook voor de
gevolgen op de middellange en de lange termijn. Mijn eerste vraag aan de
minister is of hij erkent dat deze tekorten dreigen, ook op het gebied
van vliegtuigbrandstoffen, kerosine.
De voorzitter:
De minister.
Minister Karremans:
Dank, voorzitter. Ja, ik erken dat deze tekorten dreigen. Het is
natuurlijk evident wat we zien gebeuren in het Midden-Oosten. Als je
bedenkt dat een deel van de kerosine die we in Europa verbruiken uit het
Midden-Oosten komt, dan weet je dat dat natuurlijk potentieel gevolgen
heeft. Het is wel belangrijk om te zeggen dat we 77% van de kerosine die
we gebruiken, in Europa maken. Wat betreft de kerosine-import gaat het
dus over 23%, waarvan grofweg 55% uit het Midden-Oosten komt; dat
aandeel is vanwege de sluiting van de Straat van Hormuz natuurlijk
gedaald tot praktisch nul. Het gaat dus om een relatief beperkt deel van
de kerosine, maar we hebben elke druppel kerosine wel nodig om te kunnen
opereren.
Nederland is overigens netto kerosine-exporteur. Wij maken en exporteren
veel meer kerosine dan we zelf verbruiken. Ik heb natuurlijk veel
contact met de sector. Die maakt zich op dit moment geen zorgen over de
beschikbaarheid van kerosine in Nederland of in Europa, maar wel over de
beschikbaarheid van kerosine in bijvoorbeeld Zuidoost-Azië; mevrouw
Kröger zei dat zelf al. Het idee van luchtvaart is natuurlijk dat je
niet alleen een kist die kant op vliegt, maar dat je ook weer terug kan
vliegen. Dat is wel te mitigeren, maar dat vraagt dan weer veel
flexibiliteit en kerosine en levert heel veel omwegen, omleidingen en
meer CO2-uitstoot op. Dat is natuurlijk ook niet wenselijk.
Daarnaast zijn er natuurlijk grote zorgen om de prijsstijgingen.
Schaarste wordt namelijk beprijsd. Je ziet dat de prijs van kerosine
117% is gestegen sinds het uitbreken van deze oorlog. Dat dempt de
resultaten van de luchtvaartbranche natuurlijk flink.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
Dank voor deze schets van waar we voor staan. Ik heb wel een vraag.
Nederland produceert en exporteert zelf. Hoeveel kerosine exporteren
wij? In hoeverre hebben wij daar enige grip op?
Minister Karremans:
In principe is het natuurlijk aan de markt om te bepalen aan wie zij
verkopen. Daar hebben wij als Staat geen grip op. Sterker nog, ik denk
dat je heel voorzichtig moet zijn met daar grip op wíllen hebben. Zoals
ik net al zei, zit er een heel groot belang van de Nederlandse
luchtvaartsector in het beschikbaar houden van kerosine, ook in andere
delen van de wereld, omdat anders de operatie in gevaar komt. Om het
even plat te zeggen: je hebt niks aan kerosine alleen in Nederland. Dat
is het punt. 38% van de kerosine die geproduceerd wordt in Nederland,
consumeren we zelf. Het overgrote deel consumeren we dus niet zelf; we
exporteren bijvoorbeeld veel naar het VK, Noorwegen en andere landen
binnen de EU.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
Onze raffinaderijen die kerosine produceren, kunnen ook diesel
produceren. Is het makkelijk om te switchen tussen beide
productieprocessen? Is het dus ook bij dieseltekorten mogelijk om meer
diesel te produceren en, vice versa, bij kerosinetekorten om meer
kerosine te produceren? Is hier sturing op mogelijk?
Minister Karremans:
Sturing is natuurlijk mogelijk vanuit de markt. Voor diesel hebben we
bijvoorbeeld nog veel meer voorraad dan voor kerosine. Als de prijs van
het ene product door economische ontwikkelingen hoger wordt, dan wordt
het aantrekkelijker voor partijen om in dat product te stappen. Vanuit
de Staat is daar geen sturing op. Nogmaals, daar moet je ook erg
voorzichtig in zijn. De markt kan zelf heel goed bepalen wat de markt
nodig heeft, en de markt bepaalt ook de prijs. Dat is hoe het nu werkt.
In alle eerlijkheid weet ik niet of het heel makkelijk is om te switchen
tussen processen. Dat zal ik even moeten nagaan. Ik heb van dat
chemische proces geen verstand.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
Ik probeer eigenlijk een beetje te zoeken naar welke rol de minister en
het kabinet zien om hierin toch wat sturing aan te brengen. Is de
minister bijvoorbeeld op dit moment al in gesprek met Schiphol over
eventuele tekorten en wat de gevolgen daarvan zijn? Wat kan het
betekenen voor reizigers? Wat kunnen eventuele tekorten betekenen voor
Defensie? Wat zijn de mogelijkheden om te sturen op waar de kerosine die
wij produceren voor gebruikt wordt? In hoeverre ziet de minister,
misschien niet nu, maar wel als er echt tekorten komen, daarin een rol
voor het ministerie?
Minister Karremans:
Daar zie ik zeker een rol. We hebben daar nu ook gesprekken over. Ook al
is er nu geen tekort, je wil natuurlijk wel op tijd zijn op het moment
dat tekorten zich mogelijk op middellange termijn aandienen, als deze
oorlog inderdaad heel lang duurt. Daarbij zeg ik wel het volgende. Het
overgrote deel van de kerosine die in Europa gebruikt wordt, wordt ook
hier geproduceerd. Dat is belangrijk om als kanttekening mee te geven.
Dat neemt niet weg dat we voor het deel dat wij normaal importeren, dat
nu is drooggevallen, kijken welke maatregelen we samen met de sector
kunnen nemen om ervoor te zorgen dat die tekorten zo min mogelijk
gevolgen gaan hebben voor onze economie en voor Nederlanders.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
Maar de minister schetst net dat het aan de markt is. Toch zegt hij dat
hij in gesprek is met Schiphol over eventuele tekorten en hoe daarop in
te grijpen. Kan de minister dan schetsen wat dat betekent? Op welke
manier zou er ingegrepen kunnen worden? Wat zijn de mogelijkheden? Waar
gaan die gesprekken over?
Minister Karremans:
Ik kan niet helemaal ingaan op de details van die gesprekken. Het gaat
vaak om bedrijfsgevoelige informatie. Je zou bijvoorbeeld kunnen denken
aan de volgende zaken. Hoe richt je netwerken in? Waar ga je in dat
soort gevallen wel op vliegen en waarop niet? Daar hebben we natuurlijk
in algemene zin gesprekken over. Hoe ga je om met bepaalde scenario's?
Wanneer zet je strategische voorraden in, wanneer niet? Dat kan ook
marktverstorend werken. We hebben die strategische voorraden in Europa
en in Nederland. Daar gaan de gesprekken onder andere over.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
Dan over de planning van de komende tijd. Er komt een
capaciteitsdeclaratie aan van Schiphol. Daarin wordt aangegeven welke
capaciteit nodig is en waarop gevlogen gaat worden. Wordt er al rekening
gehouden met eventuele brandstofschaarste en zijn er al bestemmingen die
waarschuwingen afgeven voor de mogelijkheden om terug te kunnen vliegen?
Wordt dit dan ook meegenomen in die planning? En als bestemmingen niet
aangevlogen kunnen worden, wat gebeurt er dan met die slots? Welke
sturing heeft de minister daarop?
Minister Karremans:
Ik ga zelf niet over die slots. Daarover gaat de slotcoördinator. Die
gaat ook over de eventuele waivers die daar wel of niet voor worden
afgegeven. Dat is een onafhankelijke slotcoördinator. Dat weet mevrouw
Kröger. Die gaat daar zelf over; ik heb daar geen politieke invloed op.
Als het gaat om bestemmingen: er is in Zuidoost-Azië inderdaad sprake
van bepaalde bestemmingen die niet kunnen garanderen dat er een bepaalde
hoeveelheid kerosine beschikbaar is. De luchtvaartmaatschappij kijkt dan
natuurlijk altijd hoe ze dat kan mitigeren: moeten we meer kerosine
meenemen, moeten we onderweg ergens bijtanken? Nogmaals, dat zijn vrij
onwenselijke situaties, want het kost én meer geld én meer tijd, het is
inefficiënt en het leidt tot meer CO2-uitstoot. Dat proberen
luchtvaartmaatschappijen zo veel mogelijk te voorkomen. Maar ja, het is
de realiteit dat er door de situatie in het Midden-Oosten
brandstoftekorten zijn in andere delen van de wereld, waar Nederlandse
luchtvaartmaatschappijen ook mee te maken hebben.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
Op welke manier denkt de minister regie te nemen of sturing te geven om
reizigers te beschermen en ervoor te zorgen dat reizigers niet vast
komen te zitten op het moment dat bepaalde bestemmingen ingewikkeld
worden? Ik zoek even naar de rol van deze minister als
systeemverantwoordelijke voor de luchtvaart. Aan de ene kant produceren
we kerosine en aan de andere kant hebben we Schiphol. Welke rol ziet de
minister hierin voor zichzelf?
Minister Karremans:
Omdat schaarste beprijsd wordt, zie je nu dat er veel kerosine richting
bijvoorbeeld Azië gaat. Dat is ook de strekking van het artikel naar
aanleiding waarvan deze vraag is gesteld. Mijn punt is dat dit op
zichzelf niet verkeerd is voor de Nederlandse luchtvaartbranche, omdat
daar op dit moment juist kerosine nodig is, ook voor de KLM-toestellen
die weer terug moeten naar Nederland. Mevrouw Kröger vroeg wat de
verantwoordelijkheid van de minister hierin is. Uiteindelijk is het in
de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de luchtvaartmaatschappij
om ervoor te zorgen dat zij passagiers, hun crew en het materieel op een
goede manier terugkrijgen.
Als er incidenteel sprake is van een brandstoftekort en er nu
bijvoorbeeld niet op een bepaalde bestemming kan worden gevlogen, dan is
dat niet iets waar wij ons op het ministerie direct mee bemoeien. Wij
bemoeien ons wel met de scenario's die zich kunnen ontvouwen waarin we
in Nederland … Ik heb gezegd dat de luchtvaartbranche zich op dit moment
geen zorgen maakt over de tekorten in Nederland, maar dat zou natuurlijk
wel nog kunnen komen op enig moment. Waar hebben we het dan over? Dan
zouden we natuurlijk eerst strategische voorraden kunnen inzetten, maar
onder welke voorwaarden doe je dat? Dat is een gesprek dat we voeren met
de luchtvaartsector, maar ook met andere Europese landen; dit kan
namelijk ook marktverstorend werken. Als je zoiets bijvoorbeeld doet ten
behoeve van het aanvullen van tekorten hier, wil je voorkomen dat die
tankers vervolgens de havens van Rotterdam uitvaren ergens anders
naartoe. Dat zijn allemaal zaken waar je rekening mee moet houden. Daar
bemoeien we ons als ministerie natuurlijk mee. Dat doet overigens niet
alleen het ministerie van IenW: dat doen we samen met EZK, Financiën en
alle andere betrokken ministeries.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
Wij kunnen onze raffinagecapaciteit inzetten voor zowel
kerosineproductie als dieselproductie. Kan de minister voor beide zaken
schetsen wat de economische impact is van schaarste? Is het dan ook
mogelijk om daarop te sturen?
Minister Karremans:
Daarvan zei ik: daar wordt vanzelf al door de markt op gestuurd. Op het
moment dat er sprake is van marktfalen en de markt niet stuurt, dan heb
je met elkaar een ander gesprek. Maar in eerste instantie is het aan de
markt om daar een prijs op te bepalen. Vervolgens zal daar een sturende
werking van uitgaan. Dat zeg ik even onder voorbehoud. Mevrouw Kröger
vroeg namelijk ook of het heel makkelijk is om tussen die twee te
switchen; dat weet ik niet. Dat ligt er natuurlijk ook heel erg aan hoe
lang deze situatie nog voortduurt.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
Misschien is dat dan ook mijn vraag. Ik hoor dat de minister nu nog een
vrij afwachtende houding heeft en zegt dat de markt dit eigenlijk zelf
oplost. Maar stel dat deze crisis lang aanhoudt. Dan is op een gegeven
moment de vraag aan de minister als volgt. Stel dat de Straat van Hormuz
wel weer open zou gaan en het aantal brandstoftransporten terug op het
oude niveau komt. Hoeveel tijd kost het dan voor die markt om te
herstellen? Met welke scenario's werkt de minister voor de komende drie,
zes, negen maanden? Wanneer denkt hij dat het wél opportuun is om in te
grijpen?
Minister Karremans:
Mevrouw Kröger zegt dat ik afwachtend ben. Zo ervaar ik het toch niet.
Ik ben nu namelijk heel proactief bezig, juist samen met de
luchtvaartsector, om allerlei scenario's uit te werken voor wat we
moeten doen als we te maken krijgen met acute brandstoftekorten. We zijn
nu bezig met die scenario's. Dat doen we ruim van tevoren, want we
hebben zeker nog voor vijf maanden aan kerosinevoorraad in Nederland en
Europa. Dat bereiden we dus ruim van tevoren voor. Op het moment dat we
bijvoorbeeld door die strategische voorraden heen zijn en er nog steeds
een blokkade is van de Straat van Hormuz, dan zul je met elkaar moeten
kijken welke maatregelen je treft. We zijn die scenario's dus aan het
uitwerken, maar ik wil daar niet al te veel op vooruitlopen, omdat dat
ook van heel veel dingen afhankelijk is en alles wat ik hierop zeg
natuurlijk ook op een goudschaaltje gewogen wordt door iedereen die
belang heeft bij de luchtvaart. Daar moet je dus voorzichtig in zijn.
Maar mevrouw Kröger, en de hele Kamer, kan ervan uitgaan dat wij op de
bal zitten en bezig zijn om te bekijken wat we moeten doen op het moment
dat die brandstof- en kerosinetekorten echt acuut worden en in Nederland
voor, laten we zeggen, opstijgende vliegtuigen op Schiphol een probleem
worden.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
Afrondend gaat het er natuurlijk ook om of mensen weer terug kunnen
komen op het moment dat ze een reis maken. Mijn slotvraag is dus: hoe
reëel is de kans dat reizigers stranden? Wordt daar nu rekening mee
gehouden? Welke verantwoordelijkheid heeft deze minister om reizigers te
informeren of er in ieder geval voor te zorgen dat dit goed gaat?
Minister Karremans:
Mijn verantwoordelijkheid als systeemverantwoordelijke — dat zei mevrouw
Kröger ook — is om erop toe te zien dat luchtvaartmaatschappijen dat op
een goede manier uitvoeren. De verantwoordelijkheid ligt primair
daar.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Twee weken geleden stond ik hier ook vanwege de brandstofprijzen. Toen
vroeg ik het kabinet: waar is het plan? Vanochtend opende ik Instagram,
zag ik een update van deze minister en dacht ik: ja, daar is het plan
met de scenario's waar de Kamer al heel lang op wacht. Maar nee, dat was
niet het plan; dat was een filmpje van deze minister, die blijkbaar
slecht geslapen had en een kopje koffie aan het bestellen was.
Minister Karremans:
Dat is ook brandstof, hè.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Echt schaamteloos! We zitten hier te wachten op scenario's over die
brandstofprijzen. We hebben straks mogelijk tekorten, maar in plaats van
dat de minister bezig is met die plannen, heeft hij blijkbaar nog tijd
om dit soort kinderachtige filmpjes online te zetten. Ik zeg tegen de
minister: stop daarmee! Stop met die onzin en ga aan het werk,
alstublieft. Ik wil weten wanneer wij deze scenario's van het kabinet
krijgen. Dat is namelijk zijn taak, zijn werk. Hij moet stoppen met die
achterlijke filmpjes.
De voorzitter:
De minister, die niet door de volksvertegenwoordiging heen spreekt.
Minister Karremans:
Uiteraard, voorzitter. Die filmpjes doe ik niet zelf. Ik wist niet dat
de heer Heutink zo veel aanstoot nam aan wat mijn socialmediateam op
Instagram zet. Ik heb het, denk ik, later gezien dan de heer Heutink
zelf. Maar goed, dat daargelaten ... Wij werken heel serieus samen met
de luchtvaartsector om te bezien welke maatregelen we kunnen nemen.
Volgens mij komt er binnenkort weer een brief van het kabinet. Daar zal
het een en ander in staan daarover. Een van de dingen die ik voornemens
was om hier uit te spreken, is dat we de Kamer vanzelfsprekend op
passende momenten op de hoogte zullen stellen van kerosinetekorten in de
wereld — want daar heeft de Nederlandse luchtvaartsector natuurlijk ook
mee te maken — en in Nederland zelf, als die zich zouden aandienen.
Mevrouw Zwinkels (CDA):
Als er op de langere termijn echt krapte gaat komen qua kerosine, ben ik
benieuwd: kunnen de politie, Defensie, traumavluchten en donorvluchten
dan gewoon doorgaan? Als ik hoor dat we het aan de markt laten, maak ik
me wel zorgen. Ik zou graag van de minister willen weten of er een
prioriteringskader komt, want blijkbaar is dat er nu niet eens in
Nederland. Komt er een prioriteringskader dat die zorg voor mij wegneemt
en ervoor gaat zorgen dat, net zoals we bij netcongestie hebben gezien,
dit soort dienstverleningsluchtvaart kan blijven plaatsvinden in
Nederland?
Minister Karremans:
Dat zal natuurlijk altijd de inzet zijn van het kabinet. Dat is ook een
les die we van covid hebben geleerd. Dat hebben we toen overigens ook
toegepast. We zorgen er altijd voor dat vitale sectoren kunnen blijven
vliegen, dus dat traumahelikopters en medische vluchten kunnen doorgaan.
Voor het beeld: dat is een heel klein deel van het totale
kerosinegebruik in Nederland en in de wereld. Het is evident — dat staat
absoluut boven water — dat die altijd doorgang zullen moeten vinden.
De voorzitter:
Meneer Goudzwaard. Mevrouw Teunissen, excuses. U stond er al voor de
heer Goudzwaard.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
De Partij voor de Dieren mist al weken een plan van het kabinet om
kerosine te besparen. In het licht van de gestegen energieprijzen en de
dreigende tekorten moet er op zijn minst een plan liggen. Het
Internationaal Energieagentschap is zelfs al met een plan gekomen. Daar
staan hele duidelijke energiebesparende maatregelen in, bijvoorbeeld
minder zakelijke vluchten en in plaats daarvan meer virtuele afspraken.
Ik hoor het kabinet daar helemaal niet over. Ik hoor alleen maar: alles
wordt overgelaten aan de vrije markt. Gaat het kabinet echt aan de slag
met zo'n rapport, als dat komt, of is het zo van "we nemen er kennis van
en we gaan verder gewoon alleen met Schiphol praten"?
Minister Karremans:
Dat was een rapport met algemene maatregelen voor de hele wereld, maar
de situatie is, zoals mevrouw Teunissen ook kan zien, in de wereld heel
verschillend. De situatie in Zuidoost-Azië ten aanzien van de
kerosinevoorziening is heel erg anders dan die in Europa. In antwoord op
mevrouw Kröger heb ik daar al een aantal punten over genoemd. Je zal
goed moeten bekijken: wat is de situatie hier in Nederland? Wat zijn de
tekorten? Hoeveel maanden voorraad hebben we nog? Daar moeten we
vervolgens naar handelen. Een van de dingen die we al gezien hebben, is
dat ticketprijzen zijn gestegen door de toegenomen prijzen. Dat komt
natuurlijk allemaal door de schaarste die is ontstaan in het
Midden-Oosten. Daar hebben luchtvaartmaatschappijen nu dus mee te maken.
Maar zoals ik al zei: zij maken zich op dit moment geen zorgen over de
beschikbaarheid van kerosine in Nederland, op Schiphol, maar wel over de
beschikbaarheid van kerosine elders in de wereld.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Ik hoor dat zij zich op dit moment geen zorgen maken, maar de minister
zei net zelf: we hebben in ieder geval voor nog vijf maanden voldoende
kerosine. Die vijf maanden zijn zo voorbij. Tegelijkertijd moeten we
kijken naar de Nederlandse situatie. De ticketprijzen zijn nu aan het
stijgen. Als je daar iets aan wilt doen, dan kun je de prijzen dempen en
tekorten voorkomen door energiebesparende maatregelen te nemen en door
niet door te gaan met het openen van Lelystad Airport. Is het kabinet
bereid om met een concreet energiebesparingsplan te komen, mede op basis
van de uitspraken van het Energieagentschap? Je kunt wel zeggen dat dat
algemene maatregelen zijn, maar daar staan hele goede maatregelen in,
die zeker ook van toepassing zijn op Nederland, zoals minder zakelijke
vluchten en geen nieuwe vliegvelden openen. Dat geldt juist voor de
Nederlandse situatie. Kan het kabinet met een plan komen?
Minister Karremans:
Nee, want dat gaat over een situatie waarin sprake is van enorme acute
tekorten en daar is in Nederland nu geen sprake van. We kunnen met de
strategische voorraad vijf maanden vooruit op het niveau waarop we nu
zitten. Ik zei net ook al even dat de import uit het Midden-Oosten de
helft is van de totale import van kerosine, namelijk 23%. Het overgrote
deel van de kerosine wordt gewoon in Nederland of Europa gemaakt. Dat
gebeurt voor een groot deel in Nederland, in de Rotterdamse haven.
Sterker nog, Nederland maakt veel meer kerosine dan we zelf verbruiken
via Schiphol. Het is dus beschikbaar, maar de prijzen zijn enorm
gestegen. Dat zie je terug in de ticketprijzen en in de surcharges die
de luchtvaartmaatschappijen opleggen aan mensen die het vliegtuig pakken
voor hun plezier of voor hun werk. Zoals ik net al zei, maakt men zich
zorgen over de beschikbaarheid van kerosine op bestemmingen. Dat is waar
ze nu mee bezig zijn. Er zijn allemaal mogelijkheden om dat te
mitigeren, bijvoorbeeld door meer kerosine mee te nemen of door ergens
anders te tanken. Ons luchtvaartnetwerk en het netwerk van KLM zijn heel
belangrijk voor de Nederlandse economie en voor ons verdienvermogen, en
daarmee voor alles wat wij hier in Den Haag besluiten uit te geven aan
hele belangrijke dingen, zoals onderwijs, cultuur, jeugdzorg en noem het
maar op.
De heer Goudzwaard (JA21):
In Nederland hebben wij het COVA, het Centraal Orgaan Voorraadvorming
Aardolieproducten. Ik heb vanochtend een belronde gehad. Ik heb begrepen
dat de strategische voorraad van kerosine in Nederland 19 dagen is,
terwijl die elders in Europa 40 dagen is. Dat is nogal een verschil. Ik
heb één vraag aan de minister, die een beetje tweeledig is. Kan de
minister ervoor zorgen dat de voorraad op korte termijn wordt
gelijkgetrokken met die in de ons omringende landen? En kan de minister
ervoor zorgen dat datgene wat we hebben, niet wordt verkocht aan
buitenlandse partijen die daar grof geld voor willen betalen?
Minister Karremans:
Met dat laatste moet je voorzichtig zijn, omdat de Nederlandse
luchtvaart juist erg gebaat is bij de beschikbaarheid van kerosine op
plekken waar nu minder kerosine is. We willen dus dat het verkocht wordt
aan landen, zodat we het daar kunnen gebruiken. Je moet dus erg
voorzichtig zijn als je daarin wilt ingrijpen. Zoals ik net al zei,
maakt de luchtvaartsector in Nederland zich op dit moment geen zorgen
over de beschikbaarheid van kerosine in Nederland en Europa.
De vraag over de strategische voorraad moet ik mee terugnemen naar mijn
collega van KGG, de minister van Klimaat en Groene Groei, omdat het COVA
onder haar verantwoordelijkheid valt. Ik kan me zomaar voorstellen dat
het iets te maken heeft met het feit dat Nederland veel meer kerosine
produceert dan andere landen, maar dat weet ik niet zeker. Dat neem ik
dus even mee terug. Als de heer Goudzwaard er prijs op stelt, dan komen
we daar op een later moment schriftelijk op terug.
De heer Huidekooper (D66):
Ik hoor de minister zeggen: ik ben in goed overleg met de sector om te
kijken hoe we gaan handelen als er een acuut tekort ontstaat. Maar het
Internationaal Energieagentschap zegt iets anders. Dat zegt: landen
moeten nu al maatregelen nemen om te voorkomen dat er een
brandstoftekort ontstaat. Het advies is om niet specifiek naar één
sector te kijken, maar juist naar maatregelen waarbij het mes aan twee
kanten snijdt. Iedere treinreiziger bespaart brandstof en iedere
elektrische auto die we nu versneld de weg op kunnen sturen, bespaart
brandstof.
De voorzitter:
Wat is uw vraag?
De heer Huidekooper (D66):
Gaat deze minister daar een warm pleidooi voor houden in het
kabinet?
Minister Karremans:
Zeker. Daar kijken we natuurlijk ook naar. We kijken zowel naar wat je
op de korte termijn zou kunnen doen als naar wat je op de middellange en
lange termijn zou kunnen doen. Overigens is de toekomst van mobiliteit,
bijvoorbeeld van de auto, voor een groot deel elektrisch. Voor
vliegtuigen is dat nog wat lastiger. Daar zul je dus sowieso naartoe
moeten willen gaan. Daar vinden gesprekken over plaats in het kabinet,
maar op korte termijn lossen we het niet op met een beetje meer
elektrisch vervoer. We zullen dus ook andere maatregelen moeten
bekijken.
De heer Huidekooper (D66):
Ik ben blij om in ieder geval dat aanbod te horen. Ik zou dan toch ook
de oproep willen doen om de reiziger die nu nog die benzineauto heeft en
aan de pomp staat, met een kleine subsidie versneld te helpen aan die
elektrische auto. Dat kan natuurlijk ook heel erg helpen. Dat bespaart
ook brandstof. Vanuit mijn fractie zou dat een warme oproep zijn aan
deze minister.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
Volgens mij hoor ik van alle kanten de vragen naar regie. Het doet in
die zin denken aan of de covidcrisis of de energiecrisis na de inval in
Oekraïne. Hoeveel regie pakt dit kabinet? Of laat je dingen helemaal aan
de markt? Dan kunnen er gewoon hele onsolidaire en akelige dingen
gebeuren. Mijn vraag is de volgende. De minister heeft het de hele tijd
over die vijf maanden voorraad en dat het eigenlijk niet zo'n vaart gaat
lopen omdat we zelf heel veel kerosine produceren. Maar de kerosine die
we zelf produceren, is toch ook op basis van olie, die we toch weer
importeren en die nu juist moeilijker deze kant op komt? Kan de minister
toch nog even de risico's op tekorten duiden en hoe dat in de tijd zit
als de Straat van Hormuz niet binnenkort opengaat?
Minister Karremans:
We hebben te maken met die strategische voorraden. Die kunnen ons vijf
maanden verder helpen als we die zouden inzetten op die manier. Olie
komt overal uit de wereld vandaan. In de Rotterdamse haven komt olie
vanuit allerlei delen in de wereld Europa binnen. Het lastige van deze
situatie is natuurlijk dat we niet weten hoelang de Straat van Hormuz
nog geblokkeerd blijft. Het kost ongeveer vijf tot zes weken voor een
schip om vanuit Dubai of Qatar deze kant op te varen door de Straat van
Hormuz. We gaan natuurlijk niet wachten tot het moment dat het laatste
schip binnen is en we geen schepen meer aan de horizon zien en dan
bedenken: o, verhip, we hebben nu een probleem. We kijken natuurlijk erg
vooruit. Die vijf maanden helpen ons om een deel te overbruggen, maar we
zijn natuurlijk wel bezig met de situatie, ook gegeven de schets die
mevrouw Kröger geeft van: wat doe je met de levering vanuit andere
werelddelen? Daar worden ook allerlei exportbeperkingen opgelegd, want
iedereen heeft zijn eigen voorraden nodig. Dat zie je nu bijvoorbeeld
ook gebeuren in China. We kijken dus hoe we daarmee omgaan. Het is niet
zo dat wij dat maar afwachten en zeggen: we laten het aan de markt. We
zijn nu juist met de markt aan het kijken waar we op een gegeven moment
staan, ook een aantal maanden ervoor, ook al hebben we veel onzekerheid
over hoe dit conflict gaat aflopen. Als het allemaal weer wordt
vrijgegeven en open is, dan hebben we weer een hele andere situatie dan
wanneer we over vijf maanden nog steeds in deze situatie zitten. Daar is
het wel van afhankelijk. Maar we houden met elk scenario rekening en
zijn op voorhand al een tijd bezig samen met de sector en in
samenwerking met verschillende ministeries om te bekijken wat we op welk
moment moeten doen, welke stappen we als eerste moeten zetten, wat de
volgende stappen zijn, de daaropvolgende stappen en de weer
daaropvolgende stappen. We zitten er op die manier echt bovenop.
De voorzitter:
Ik dank de minister voor de beantwoording van de vragen.
Vragen Van der Plas
Vragen van het lid Van der Plas aan de staatssecretaris
van Infrastructuur en Waterstaat over onbeantwoorde
schriftelijke vragen inzake de compensatieregeling
vuurwerkbranche.
De voorzitter:
Ik geef het woord aan mevrouw Van der Plas voor haar vragen namens de
fractie van BBB aan de staatssecretaris van Infrastructuur en
Waterstaat, die ik van harte welkom heet in ons midden. Het woord is aan
mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Voorzitter. Maandenlang hebben vuurwerkondernemers niets maar dan ook
niets gehoord van het ministerie, maar vanmiddag om 13.10 uur kwam er
ineens een mailtje van het ministerie binnen bij de vuurwerkbranche.
Daarin stond dat er volgende week een afspraak gepland gaat worden met
de staatssecretaris. Maar er is verder tot op heden helemaal geen
contact geweest, tot 13.10 uur vanmiddag. Is dat toeval? Nee, dat is
geen toeval. Het komt omdat ik een mondelinge vraag heb ingediend en
toen werden ze wakker bij het ministerie en hebben ze maar gauw gemaild
dat er een afspraak gepland werd.
Voorzitter. Het is een grote schande hoe er met deze groep ondernemers
uit de vuurwerkbranche en met de ondernemers in het algemeen en burgers
in het algemeen wordt omgegaan door deze overheid.
Voorzitter. Een van de voorwaarden om het vuurwerkverbod in 2027 in te
kunnen laten gaan, is een nette compensatieregeling in overleg met de
branche. Maar deze ondernemers worden keihard genegeerd door deze
staatssecretaris. Daarom heb ik een aantal vragen.
Voorzitter. Het is van groot belang dat deze regeling niet onder
tijdsdruk en zonder inhoudelijke afstemming met de sector tot stand
komt. Is de staatssecretaris het daarmee eens? Het is essentieel dat een
eerlijke en nette compensatie niet slechts een beleidsmatige formulering
is, maar daadwerkelijk betekent dat de volledige aantoonbare schade
wordt vergoed. Anders is deze per definitie niet eerlijk en netjes. Is
de staatssecretaris het daarmee eens? Op basis van concrete
bedrijfsgegevens is er een eerste onderbouwde inschatting van de totale
schade, die uitkomt op 321 miljoen euro. Is de staatssecretaris bereid
om in te gaan op het voorstel van de vuurwerkbranche, dat zij op tafel
heeft liggen, om te werken met een gestandaardiseerd en geautoriseerd
schadeformulier waarbij ondernemers hun daadwerkelijke schade
inzichtelijk maken?
Hier hou ik het voor nu even bij. Dank u wel.
De voorzitter:
Het woord is aan de staatssecretaris.
Staatssecretaris Bertram:
Voorzitter. De opdracht vanuit de Kamer was: wij willen toe naar een
verbod op vuurwerk, maar er moet een ontheffing komen. Dat puzzelstuk is
gelegd. Er moet ook een handhavingsplan komen — dat puzzelstuk is
gelegd, althans dat is aangeleverd bij uw Kamer — en er moet sprake zijn
van een eerlijke en nette nadeelcompensatie. Ik neem die
nadeelcompensatie net zo serieus als de eerste twee onderdelen. Wat ik
de afgelopen weken heb gedaan, is het volgende. Ik heb mij eerst met de
landsadvocaat verstaan, omdat ik wilde weten wat die nadeelcompensatie
betekent, wat er al is uitgezocht, tot hoever die reikt en ook wat er
niet mag. Dan het tweede wat ik heb uitgezocht. Er was namelijk niet
alleen een uitdrukkelijk verzoek vanuit uw Kamer; er is ook tegen het
ministerie van IenW gezegd: u moet zelf het budget voor de
nadeelcompensatie vinden. Dat heb ik naar eer en geweten geprobeerd te
doen. Daar moet ik interdepartementale afstemming over hebben, onder
andere met het ministerie van Financiën. Mijn plan is nu dus om voordat
ik die interdepartementale afstemming heb, volgende week met de branche
te spreken, zowel met de importeurs als met de detailhandel. U had het
over dat bericht om 13.10 uur. Nou ja, goed, ik geef toe: het had zo
kunnen zijn dat ik dat had gedaan omdat deze vraag er was, maar de
eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik gisteravond bij het nagaan van alle
acties zei: ik wil volgende week overleg met de branche. Daar kunnen we
het een andere keer nog over hebben, maar zo is het wel gegaan. Dat
betekent dat ik volgende week met de importeurs en met de detailhandel
om de tafel zit en dat ik dan het interdepartementale overleg inga.
Daarna ga ik nog een keer met de importeurs en de detailhandel om de
tafel.
Mijn planning is dus nog steeds om, conform de planning die met uw Kamer
is gedeeld, voor het meireces een brief naar de Tweede Kamer te sturen
met alle uitgangspunten. Daarin worden dan ook de vragen van mevrouw Vos
en mevrouw Van der Plas beantwoord. Zo spoedig mogelijk daarna komt het
inwerkingtredingsbesluit.
Dan de vragen van mevrouw Van der Plas. Ik ben het ermee eens dat het
net en eerlijk moet. Dat was ook de opdracht vanuit uw Kamer. Ten tweede
is het nadeelcompensatie. Dat betekent dat je goed in de gaten moet
houden wat je wel en niet kunt compenseren. Er is inderdaad een bedrag
genoemd van 321 miljoen; dat heb ik ook gelezen in de stukken.
Tegelijkertijd heeft mijn voorganger gesprekken gevoerd met zowel de
importeurs als de detailhandel. Mijn ambtenaren hebben dat ook gedaan.
Op basis daarvan ga ik het gesprek met hen aan, ook vooruitlopend op het
interdepartementale overleg dat ik moet hebben over het bedrag dat we zo
meteen ter beschikking hebben.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dit is allemaal weer beleidsmatige taal. Hier is een andere
staatssecretaris ook al mee bezig geweest. Er hoeft dus helemaal niet
van alles en nog wat te worden uitgevonden, uitgedokterd en uitgevogeld.
Feit is gewoon dat deze vuurwerkondernemers in de kou zijn gelaten. Wat
betreft de nadeelcompensatie: ik noem even op waarin ze nu al moeten
investeren. Ze moeten investeren in de inpandige bunkers, externe
opslaglocaties, keuringen en zware veiligheidsvoorzieningen. Ze zitten
nog vast aan langjarige huurcontracten. Hoe gaan we daarmee om? Komt er
een aparte component voor de transitievergoedingen die moeten worden
betaald aan personeel dat vanwege het verbod moet worden ontslagen en nu
helemaal niet ontslagen kan worden, omdat er nog helemaal niks ligt? Dit
zijn toch zaken die gewoon meegenomen moeten worden? De daadwerkelijke
schade moet toch vergoed worden, en niet een beleidsmatige schade die is
ingeschat door ambtenaren?
Staatssecretaris Bertram:
Ik zal graag op deze vragen van mevrouw Van der Plas ingaan, maar wel
nadat ik én met de branche heb gesproken én uiteindelijk de
interdepartementale afstemming heb gehad. Volgens mij zitten ze voor een
belangrijk deel ook in de vragen die u gesteld heeft. Ik zal zo goed
mogelijk antwoord geven op die vragen. De nadeelcompensatie — want dat
was de opdracht vanuit de Kamer — betekent dat je binnen een bepaald
kader nadeel kunt compenseren. Daar moet je op een goeie manier mee
omgaan. U heeft als Kamer gevraagd om een nette en eerlijke
nadeelcompensatie. Ik zet alles op alles om dat voor mekaar te
krijgen.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Er is kennelijk een aanbod gedaan van het Rijk aan de vuurwerkbranche
voor een vergoeding van eenmalig 20% van de jaaromzet plus 15%. Dat is
toch geen nette, eerlijke compensatievergoeding?
Staatssecretaris Bertram:
Ik denk toch dat ik het bij mijn eerste antwoord moet laten. Het overleg
met de branche ga ik ook op een nette en eerlijke manier doen. Ik ga het
interdepartementale overleg in, want ik moet ook een akkoord krijgen op
het regelen van de financiële middelen die uiteindelijk nodig zijn. Voor
het meireces kom ik met zowel de antwoorden op de vragen als de uitslag
over hoe de nadeelcompensatie eruit zou kunnen zien, inclusief de
uitgangspunten. Dan volgt zo snel mogelijk het
inwerkingtredingsbesluit.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Echt, deze voorwaarden zijn al ik-weet-niet-hoelang vastgesteld. We
zitten nu op 8 april. Ik heb mijn vragen op 16 december gesteld. De
vuurwerkbranche heeft tot nu toe gewoon niets van het ministerie
gehoord. Nu gaan we "voor het meireces" met iets komen. Dat kan toch
niet?
Staatssecretaris Bertram:
Als ik goed geïnformeerd ben, in ieder geval in de weken dat ik nu
staatssecretaris ben, is er contact geweest met de branche. In december
is er echt goed overleg geweest, ook met behulp van de landsadvocaat. Ik
denk dus dat ik wel een basis heb om uiteindelijk het gesprek aan te
gaan met de leveranciers en de detailhandel.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik denk dat de beleving van een goed overleg bij het ministerie wel iets
anders is dan bij de vuurwerkondernemers, want zij zeggen dat er gewoon
geen enkel contact is geweest. Ik wil nog één vraag stellen. Hoe gaan we
dit doen? We hebben het bij de nertsenhouders gezien. Zij kregen ook een
"eerlijke compensatie". Dat was geen eerlijke compensatie, want er zaten
oneerlijke kortingen in. Die mensen hebben naar de rechter moeten gaan
om iets te krijgen waar ze verdorie in het begin recht op hadden. Ik
voorzie dat dit ook met de vuurwerkbranche gaat gebeuren. Er zitten ook
allemaal kleine ondernemers bij. Het zijn niet allemaal grote jongens.
Zij moeten dan tegen de machtige landsadvocaat naar de rechter en
jarenlange procedures volgen om hun recht te halen.
De voorzitter:
U rondt af.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik vraag de minister om serieus naar het voorstel van de vuurwerkbranche
te kijken dat op tafel ligt. Dat is onderbouwd geregistreerd. We moeten
niet zo meteen weer een geval hebben van een situatie waarin burgers
tegen de machtige overheid moeten procederen, terwijl ze om iets vragen
waar ze gewoon recht op hebben. Hun onderneming wordt ook nog eens
afgepakt. Want daar praten we hier over: afgepakt.
Staatssecretaris Bertram:
Mevrouw Van der Plas kan ervan op aan dat ik alles wat op tafel is
gelegd, op een nette en eerlijke manier met de branche ga bespreken. Ik
hou rekening met het advies van de landsadvocaat. Uiteindelijk belandt
dit als puzzelstuk bij u in de Kamer, met alle uitgangspunten. Dat
betekent dat u dan eigenlijk de drie puzzelstukken bij elkaar heeft. Dan
hebben we het inwerkingtredingsbesluit. Dan is het aan de Kamer om
uiteindelijk het totaaloordeel te vellen.
De voorzitter:
Ik dank de staatssecretaris voor haar beantwoording van de gestelde
vragen en haar aanwezigheid. We zijn aan het einde gekomen van dit
vragenuur. Ik schors tot 15.00 uur. Daarna gaan we stemmen.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.