[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Amendement van het lid Flach over een zware voorhang

Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs en de Wet financiering sociale verzekeringen teneinde aan flexibele arbeidskrachten meer zekerheden te verschaffen over werk en inkomen (Wet meer zekerheid flexwerkers)

Amendement

Nummer: 2026D16520, datum: 2026-04-08, bijgewerkt: 2026-04-08 15:35, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen:

Onderdeel van kamerstukdossier 36746 -21 Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs en de Wet financiering sociale verzekeringen teneinde aan flexibele arbeidskrachten meer zekerheden te verschaffen over werk en inkomen (Wet meer zekerheid flexwerkers) .

Onderdeel van zaak 2026Z07366:

Preview document (🔗 origineel)


TWEEDE KAMER DER STATEN-GENERAAL 2
Vergaderjaar 2025-2026
36 746 Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs en de Wet financiering sociale verzekeringen teneinde aan flexibele arbeidskrachten meer zekerheden te verschaffen over werk en inkomen (Wet meer zekerheid flexwerkers)
Nr. 21 AMENDEMENT VAN HET LID Flach
Ontvangen 8 april 2026
De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:

In artikel V wordt aan het voorgestelde artikel 229 een lid toegevoegd, luidende:

2. De voordracht voor het koninklijk besluit bedoeld in het eerste lid wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal is overgelegd. Indien de Tweede Kamer der Staten-Generaal besluit niet in te stemmen met het ontwerp, wordt geen voordracht gedaan en kan niet eerder dan zes weken na dat besluit een nieuw ontwerp aan de Tweede Kamer worden overgelegd.

Toelichting

Uit de uitvoeringstoets van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) is gebleken dat het wetsvoorstel binnen de huidige voorwaarden en uitvoering van het pgb niet uitvoerbaar is, zonder grote gevolgen voor pgb-houders en forse uitvoeringslasten voor de pgb-keten die van dien mate zijn dat uitvoering niet binnen afzienbare tijd (voor 2030) mogelijk is. De regering stelt in de nota van wijziging voor pgb-budgethouders tijdelijk uit te zonderen van een aantal onderdelen van het wetsvoorstel Wet meer zekerheid flexwerkers. De regering schrijft in een toelichting hierover het volgende:

Structurele oplossingen zorgen voor dilemma’s tussen de nieuwe beweging richting meer zekerheid op de arbeidsmarkt, het doenvermogen van pgb-houders én de vrijheid binnen en vormgeving van het pgb. Daarbij nemen we ook de constatering mee dat het doenvermogen voor pgb-houders om het werkgeverschap goed uit te voeren eigenlijk beperkt is. Een nieuwe vormgeving van het pgb waardoor er minder vaak of niet meer sprake is van individueel werkgeverschap zou een koerswijziging binnen het pgb zijn. Ook dit is niet binnen afzienbare tijd mogelijk. Dit betekent dat het wetsvoorstel invoeren per de beoogde datum van inwerkingtreding voor deze groep werkgevers niet mogelijk is. Dit brengt een dilemma met zich hoe daarmee om te gaan. Uitzonderingen specifiek voor pgb-houders stuiten snel op gelijke behandelingsgrenzen voor werknemers, omdat dat met zich brengt dat pgb-zorgverleners geen aanspraak kunnen maken op de extra bescherming die dit wetsvoorstel biedt. Het alternatief, namelijk het gehele wetsvoorstel uitstellen totdat ofwel de wijzigingen voor de SVB uitvoerbaar zijn ofwel er een structurele oplossing is, zou betekenen dat de verbeteringen in de positie van flexwerkers over de hele linie voorlopig uitblijven. Dat heeft gevolgen voor alle flexwerkers. Dit is lastig verdedigbaar nu het probleem zit bij een kleine groep werkgevers. Verdere verkenning van een structurele oplossing is noodzakelijk, om vergelijkbare situaties in de toekomst te voorkomen en deze situatie niet langer dan noodzakelijk te laten duren, ook met het oog op de rechten van de groep werknemers die het betreft. Daarom wordt uitvoering gegeven aan de aangenomen de motie van kamerlid Flach (SGP), waarin wordt opgeroepen een verkenning uit te voeren naar een vereenvoudigd en verlicht regime voor budgethouders, waarbij het verlichten van de administratieve lasten en de arbeidsrechtelijke verplichtingen nadrukkelijk wordt betrokken.1

Mede in het licht van het hiervoor beschreven dilemma is de regering van mening dat uitstel voor een aantal onderdelen van het wetsvoorstel voor pgb-houders en pgb-zorgverleners die bij deze particuliere werkgevers in dienst staan het meest zorgvuldig is. Dit zijn de onderdelen die nu onuitvoerbaar worden geacht. Dit betekent dat tijdelijk oproepovereenkomsten (waaronder een nulurencontract) nog gebruikt kunnen worden door pgb-houders en pgb-zorgverleners, dat de introductie van het bandbreedtecontract niet geldt, en de tussenpoos van de ketenbepaling op 6 maanden blijft staan. Voor het gebruik van oproepovereenkomsten is het dus niet noodzakelijk dat er sprake is van een scholier of student met een bijbaan. Voor alle pgb-zorgverleners kan gebruik gemaakt blijven worden van oproepovereenkomsten, met de huidige voorwaarden die daarbij horen.

Ten aanzien van oproepovereenkomsten wordt volledigheidshalve opgemerkt dat die voor deze groep vallen onder de oproepdefinitie in het voorgestelde artikel 7:628a, eerste lid BW. De huidige regels die gelden voor oproepcontracten (die in het tweede lid van dat artikel vermeld worden) blijven daardoor ook van toepassing op oproepovereenkomsten van pgb-zorgverleners. Op grond van het voorgestelde artikel 27, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen blijft op deze oproepovereenkomsten ook de hoge WW-premie van toepassing.

De van rechtswege omzetting van oproepcontracten naar bandbreedtecontracten, zoals voorzien in het eerste lid van het voorgestelde artikel 228 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek, moet zolang het overgangsrecht geldt voor deze groep niet plaatsvinden. Dit wordt geregeld door het eerste lid, onderdeel a, van het in te voegen artikel 229.

Ook bij de ketenbepaling en de Ragetlieregel blijft de tussenpoos staan op de huidige tussenpoos van 6 maanden. Dit is in onderdeel d van het artikel geregeld.

De overige onderdelen van het wetsvoorstel (het benadelingsverbod, de wijziging van de uitzendovereenkomst en het deel van het overgangsrecht dat ziet op cao’s) hebben ofwel geen effect op de uitvoeringspraktijk, ofwel zijn al niet van toepassing op arbeidsovereenkomsten tussen pgb-houders en pgb-zorgverleners. Zo kunnen pgb-houders niet als uitzendwerkgevers kwalificeren.

Dit is nadrukkelijk tijdelijk geregeld en het doel is dan ook dat dit onderscheid op het vroegst mogelijke moment wordt opgelost, bijvoorbeeld door een andere vormgeving van het pgb. Het voorgestelde artikel 229 geldt tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. De regering is zich er terdege van bewust dat een structurele uitzondering gelet op gelijke behandelingsgrenzen zeer kwetsbaar is en ook overigens onwenselijk. In de tussentijd moet een structurele oplossing gevonden worden in een nieuwe vormgeving van het pgb, waardoor er minder vaak of niet meer sprake is van individueel werkgeverschap en het individueel werkgeverschap minder schuurt voor individuele pgb-houders.

Indiener is van mening dat alvorens de tijdelijke uitzondering van deze onderdelen voor pgb-budgethouders wordt beëindigd en deze maatregelen bij koninklijk besluit worden geactiveerd, de Staten Generaal in de gelegenheid moet worden gesteld zich hierover uit te spreken. Zoals de regering terecht zelf aangeeft heeft inwerkingtreding van deze onderdelen voor deze groep forse implicaties. Om die reden wordt nu een verkenning uitgevoerd naar een vereenvoudigd en verlicht regime voor budgethouders. Daarnaast komt uit de uitvoeringstoets van SVB naar voren dat voor 2030 uitvoering van deze maatregelen niet uitvoerbaar is. De regering benadrukt dat de uitzondering van tijdelijke aard is, waardoor maatregelen tegen flexibele arbeid in de pgb-sfeer nog altijd boven het hoofd van pgb-budgethouders blijven hangen. De regering geeft aan dat zij een structurele uitzondering onwenselijk acht en dat wordt gezocht naar een structurele oplossing in een nieuwe vormgeving van het pgb. Echter, de regering sluit niet uit dat activering van deze onderdelen bij koninklijk besluit, al dan niet onmiddellijk, eerder plaatsvindt. Ook blijft onduidelijk wat de regering doet als een structurele oplossing via deze route uitblijft.

Dit amendement voorziet in een voorhang aan de Tweede Kamer van het koninklijk besluit dat de inwerkingtreding van genoemde onderdelen van dit wetsvoorstel regelt. Het voorliggende wetvoorstel schaft onder meer de oproepcontracten af, terwijl daar in pgb-sfeer veelvuldig gebruik van wordt gemaakt. Pgb-budgethouders zijn geen reguliere werkgevers en pgb-zorg is moeilijk planbaar. Budgethouders hebben naast hun vaste medewerkers vaak ook werknemers in dienst die ingezet worden als flexibele schil voor het geval vaste medewerkers door ziekte of vakantie niet kunnen werken, waardoor oproepcontracten noodzakelijk blijven. Afschaffing daarvan kan de continuïteit van de benodigde medische zorg in gevaar brengen.

Om de Tweede Kamer de mogelijkheid te geven de consequenties van genoemde onderdelen voor pgb-houders volledig en volwaardig te beoordelen, acht de indiener het wenselijk om een voorhang aan de ingangsdatum van deze onderdelen van de wet te koppelen. Indiener ziet deze voorhangprocedure als een extra waarborg richting pgb-budgethouders, zodat de wenselijkheid van de voorgestelde maatregelen nogmaals zorgvuldig wordt afgewogen in het licht van hun situatie. Dit amendement geeft de Tweede Kamer de mogelijkheid de maatregelen te beoordelen op uitvoerbaarheid en doenbaarheid voor budgethouders en uitvoeringsorganisaties, in samenhang met de dan geldende arbeidsrechtelijke verplichtingen en de bijbehorende regeldruk voor pgb-budgethouders.

Flach


  1. [1] Kamerstukken II 2025/26, 36 744, nr. 43.↩︎