Voorstel van Rijkswet
Regels met betrekking tot de uitlevering voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten (Rijkswet uitlevering voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten)
Voorstel van wet
Nummer: 2026D16532, datum: 2026-04-07, bijgewerkt: 2026-04-08 16:14, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van kamerstukdossier 36925 (R2219)-2 Regels met betrekking tot de uitlevering voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten (Rijkswet uitlevering voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten).
Onderdeel van zaak 2026Z07373:
- Volgcommissie: vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Koninkrijksrelaties
Preview document (🔗 origineel)
Regels met betrekking tot de uitlevering voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten (Rijkswet uitlevering voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten) [KetenID WGK026734]
VOORSTEL VAN RIJKSWET
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gelet op de artikelen 3, eerste lid, onderdeel h, en 14, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, artikel II van de Rijkswet van 21 oktober 2023 tot wijziging van de artikelen 14 en 38 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (Stb. 2023, 407) en artikel 8 van de Wet overlevering inzake oorlogsmisdrijven noodzakelijk is de bepalingen met betrekking tot de uitlevering in strafzaken voor de landen Aruba, Curaçao en Sint Maarten op te nemen in een Rijkswet;
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
Artikel 1.1
In deze rijkswet wordt verstaan onder:
Gouverneur: Gouverneur van het land waar de opgeëiste persoon wordt of is aangetroffen dan wel voor de toepassing van artikel 4.2 de Gouverneur van het land waar de persoon zich bevindt;
Hof: het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
opgeëiste persoon: degene wiens uitlevering door een vreemde staat is verzocht;
procureur-generaal: de procureur-generaal van het land waar de opgeëiste persoon wordt of is aangetroffen;
uitlevering: verwijdering van een persoon uit Aruba, Curaçao of Sint Maarten met het doel hem ter beschikking te stellen van de autoriteiten van een vreemde staat ten behoeve van hetzij een in die staat tegen hem gericht strafrechtelijk onderzoek, hetzij de tenuitvoerlegging van een hem in die staat opgelegde straf of maatregel;
verzoekende staat: vreemde staat waarvan het verzoek tot uitlevering is uitgegaan.
Hoofdstuk 2. Voorwaarden voor uitlevering
Artikel 2.1
Uitlevering geschiedt niet dan krachtens een verdrag.
Artikel 2.2
1. Uitlevering kan alleen worden toegestaan ten behoeve van:
een door de autoriteiten van de verzoekende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een feit waarvoor, zowel naar het recht van de verzoekende staat als naar dat van Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten, een vrijheidsstraf van een jaar, of van langere duur, kan worden opgelegd;
de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van vier maanden, of van langere duur, door de opgeëiste persoon op het grondgebied van de verzoekende staat te ondergaan wegens een feit als bedoeld in onderdeel a.
2. Voor de toepassing van het voorgaande lid wordt onder een naar het geldend recht in Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten, strafbaar feit mede verstaan een feit waardoor inbreuk is gemaakt op de rechtsorde van de verzoekende staat, terwijl krachtens de wetgeving van Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk, Sint Maarten eenzelfde inbreuk op de rechtsorde van Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten strafbaar is.
3. Indien het verzoek tot uitlevering betrekking heeft op verscheidene, afzonderlijke feiten, die alle krachtens de wetgeving van de verzoekende staat en van Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten, strafbaar zijn gesteld met vrijheidsstraf, maar waarvan sommige niet voldoen aan de voorwaarde met betrekking tot de hoogte van de straf, kan de uitlevering eveneens voor deze laatste feiten worden toegestaan.
4. De uitlevering ten behoeve van de tenuitvoerlegging bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt indien de veroordeling tot de vrijheidsstraf bij verstek heeft plaatsgevonden, slechts toegestaan als de opgeëiste persoon in voldoende mate in de gelegenheid is geweest of alsnog zal worden gesteld om zijn verdediging te voeren.
Artikel 2.3
Voor de toepassing van deze wet worden gelijkgesteld:
met vrijheidsstraffen: door de rechter naast of in plaats van een straf op te leggen maatregelen strekkende tot vrijheidsbeneming;
met vrijheidsstraffen van langere duur dan een jaar: vrijheidsstraffen, met inbegrip van maatregelen als bedoeld in onderdeel a, voor de duur van het leven of voor onbepaalde tijd.
Artikel 2.4
1. Uitlevering wordt niet toegestaan voor strafbare feiten van politieke aard, met inbegrip van daarmee samenhangende feiten.
2. Voor zover deze bepalingen medegelding hebben voor Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten, is het eerste lid niet van toepassing op uitlevering aan een staat die gehouden is in een overeenkomstig geval uitlevering aan Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten niet te weigeren wegens de politieke aard van het feit, wegens een van de feiten, omschreven in:
- de artikelen 1 en 2 van het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme (Trb. 1977, 63);
- artikel 2 van het Verdrag inzake de bestrijding van terroristische bomaanslagen (Trb. 1998, 84);
c. artikel 2 van het Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme (Trb. 2000, 12);
- artikel 7 van het Verdrag inzake de fysieke beveiliging van kernmateriaal (Trb. 1981, 7), zoals gewijzigd bij de op 8 juli 2005 te Wenen tot stand gekomen wijziging van dat verdrag (Trb. 2006, 81);
- artikel 2 van het Internationaal Verdrag ter bestrijding van daden van nucleair terrorisme (Trb. 2005, 290);
- de artikelen 3, 3bis, 3ter of 3quater van het Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de zeevaart (Trb. 1989, 17), zoals gewijzigd bij het Protocol van 2005 bij dat Verdrag (Trb. 2006, 223);
- de artikelen 2, 2bis of 2ter van het Protocol tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van vaste platforms op het continentale plat (Trb. 1989, 18), zoals gewijzigd bij het Protocol van 2005 bij dat Protocol (Trb. 2006, 224);
- artikel 1 van het Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen betreffende de burgerluchtvaart (Trb. 2013, 134);
- artikel II van het Aanvullend Protocol bij het Verdrag tot bestrijding van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van luchtvaartuigen (Trb. 2013, 133);
- de artikelen 5, 6, 7 en 9 van het Europees Verdrag ter voorkoming van terrorisme (Trb. 2006, 34);
- de artikelen 2 tot en met 6 van het op 22 oktober 2015 te Riga tot stand gekomen Aanvullend Protocol bij het Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme (Trb. 2016, 180).
3. De aanslag tegen het leven of de vrijheid van een Staatshoofd of een lid van het regerende Huis wordt niet beschouwd als een strafbaar feit van politieke aard als bedoeld in het eerste lid.
4. Militaire delicten die niet tevens misdrijven naar het algemene strafrecht van Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten, zijn, en fiscale delicten kunnen geen aanleiding geven tot uitlevering, tenzij bij verdrag uitdrukkelijk anders is bepaald.
Artikel 2.5
Indien naar het recht van de verzoekende staat de doodstraf is gesteld op het feit waarvoor de uitlevering is gevraagd, wordt de opgeëiste persoon niet uitgeleverd, tenzij naar het oordeel van de Gouverneur voldoende is gewaarborgd dat die straf, mocht een veroordeling daartoe volgen, niet ten uitvoer zal worden gelegd.
Artikel 2.6
De uitlevering kan, naast wegens het begaan van het misdrijf, ook worden toegestaan wegens poging daartoe of medeplichtigheid daaraan, voor zover die poging of die medeplichtigheid ook in Aruba, Curaçao of Sint Maarten strafbaar is.
Artikel 2.7
1. Nederlanders worden niet uitgeleverd.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de uitlevering van een Nederlander is gevraagd ten behoeve van een tegen hem gericht strafrechtelijk onderzoek en naar het oordeel van de Gouverneur is gewaarborgd dat, als hij ter zake van de feiten waarvoor zijn uitlevering kan worden toegestaan in de verzoekende staat tot onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in eigen land zal mogen ondergaan.
Artikel 2.8
Geen uitlevering wordt toegestaan wegens misdrijven waarvan de vervolging of de opgelegde straf of maatregel vóór de aanhouding in Aruba, Curaçao of Sint Maarten, of ingeval er nog geen aanhouding heeft plaats gehad, vóór de oproeping om door het Hof te worden verhoord, naar de aldaar geldende wetgeving is verjaard.
Artikel 2.9
1. Indien de persoon wegens een ander strafbaar feit dan waarvoor zijn uitlevering wordt verzocht in Aruba, Curaçao of Sint Maarten wordt vervolgd of straf ondergaat, mag de uitlevering niet worden toegestaan dan na afloop van de in Aruba, Curaçao of Sint Maarten ingestelde vervolging en nadat hij de hem opgelegde straf heeft ondergaan of hem daarvan gratie is verleend.
2. Deze bepaling belet niet dat de persoon tijdelijk wordt uitgeleverd, teneinde in de verzoekende staat terecht te staan, onder de voorwaarde dat hij na afloop van het onderzoek wordt teruggevoerd.
Artikel 2.10
Uitlevering wordt niet toegestaan dan onder de voorwaarde dat de opgeëiste persoon niet zal worden vervolgd of gestraft voor enig strafbaar feit vóór zijn uitlevering gepleegd en waarvoor hij niet is uitgeleverd, tenzij hij na zijn uitlevering dertig dagen de tijd heeft gehad om het land weer te verlaten, dan wel de instemming van de Gouverneur met zodanige vervolging of bestraffing zal zijn verkregen.
Artikel 2.11
1. Uitlevering van de opgeëiste persoon wordt niet toegestaan voor een feit ter zake waarvan:
a. ten tijde van de beslissing op het verzoek tot uitlevering een strafvervolging tegen hem gaande is in Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten;
b. hij in Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten, is vervolgd maar hernieuwde vervolging is uitgesloten op grond van artikel 282, eerste en tweede lid, van de Wetboeken van Strafvordering van Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten;
c. hij bij onherroepelijk geworden uitspraak van het Hof of het Gerecht in eerste aanleg van Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten is vrijgesproken of ontslagen van alle rechtsvervolging, dan wel te zijnen aanzien een overeenkomstige onherroepelijke beslissing door een andere rechter is genomen;
d. hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak is veroordeeld, in gevallen waarin:
1°. de opgelegde straf of maatregel reeds is ondergaan;
2°. die straf of maatregel niet voor onmiddellijke tenuitvoerlegging of
verdere tenuitvoerlegging vatbaar is;
3°. de veroordeling een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of
maatregel inhoudt; of
4°. de onherroepelijk geworden uitspraak afkomstig is van het Hof of het Gerecht in eerste aanleg van Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten en niet bij verdrag voor zodanig geval de bevoegdheid tot uitlevering is voorbehouden;
2. Het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, lijdt uitzondering in gevallen waarin de Gouverneur bij zijn beslissing tot inwilliging van het verzoek tot uitlevering tevens opdracht geeft de vervolging te staken.
3. Het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, lijdt uitzondering in gevallen waarin de vervolging in Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten is gestaakt omdat de strafwet op grond van de artikelen 1:2 tot en met 1:10 van de Wetboeken van Strafrecht van Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten, niet van toepassing bleek te zijn, hetzij omdat aan berechting in het buitenland de voorkeur werd gegeven.
Artikel 2.12
1. Uitlevering wordt niet toegestaan in gevallen waarin naar het oordeel van de Gouverneur een gegrond vermoeden bestaat dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden vervolgd, gestraft of op andere wijze getroffen in verband met zijn godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging, zijn nationaliteit, zijn ras of de groep van de bevolking waartoe hij behoort.
2. Uitlevering wordt niet toegestaan in gevallen waarin naar het oordeel van de Gouverneur de gevolgen daarvan voor de opgeëiste persoon van bijzondere hardheid zouden zijn in verband met diens jeugdige leeftijd, hoge ouderdom of slechte gezondheidstoestand.
Hoofdstuk 3. Procedure van uitlevering
§3.1 Voorlopige aanhouding
Artikel 3.1
1. Indien een verdrag daarin voorziet kan de persoon wiens uitlevering kan worden verzocht, in afwachting van het verzoek tot uitlevering, op verzoek van de daartoe bevoegde justitiële autoriteiten in de verzoekende staat, na een daartoe strekkend bevel van de procureur-generaal voorlopig worden aangehouden. Het bevel tot voorlopige aanhouding wordt zo spoedig mogelijk betekend.
2. Kan het optreden van de procureur-generaal niet worden afgewacht, dan is elke opsporingsambtenaar bevoegd de persoon, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, aan te houden, onder de verplichting zorg te dragen dat diegene onverwijld voor de procureur-generaal wordt geleid.
3. De voorwerpen die de aangehoudene met zich voert mogen in beslag worden genomen.
Artikel 3.2
1. Na de aangehoudene te hebben gehoord, kan de procureur-generaal bevelen dat deze gedurende drie dagen, te rekenen vanaf het tijdstip van de voorlopige aanhouding, in verzekering gesteld zal blijven tot het tijdstip waarop de rechter-commissaris over diens bewaring beslist. De termijn van inverzekeringstelling kan door de procureur-generaal eenmaal met drie dagen worden verlengd.
2. De rechter-commissaris kan, na de aangehoudene te hebben gehoord, op vordering van de procureur-generaal de bewaring van de aangehoudene bevelen.
3. De aangehoudene is bevoegd zich door een raadsman te doen bijstaan. Als raadsman mag worden gekozen ieder die bevoegd is voor de strafrechter tot verdediging van verdachten op te treden. De aangehoudene die de gebezigde voertaal niet of onvoldoende beheerst, is bevoegd zich door een tolk te doen bijstaan.
4. Het bevel tot inverzekeringstelling of bewaring kan te allen tijde ambtshalve of op verzoek van de aangehoudene of diens raadsman worden opgeheven of worden geschorst. De te stellen schorsingsvoorwaarden mogen alleen strekken tot voorkoming van vlucht.
5. De procureur-generaal, onderscheidenlijk de rechter-commissaris, beveelt de onmiddellijke invrijheidstelling van de aangehoudene, tenzij hij uit anderen hoofde behoort in verzekerde bewaring te blijven, en de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen, tenzij er uit anderen hoofde redenen van terughouding bestaan, een en ander indien hem geen verzoek tot uitlevering met de daarbij nodige bescheiden is medegedeeld binnen een termijn bij het verdrag te bepalen en van niet langer dan twee maanden na de dagtekening van het bevel tot voorlopige aanhouding. Geschiedt het verzoek tot uitlevering binnen de gestelde termijn, dan wordt verder gehandeld overeenkomstig het bepaalde bij de artikelen 3.6 tot en met 3.11.
§3.2 Behandeling van het verzoek tot uitlevering
Artikel 3.3
1. De uitlevering wordt aangevraagd langs diplomatieke weg of, voor zover het toepasselijke verdrag daarin voorziet, rechtstreeks door toezending aan de procureur-generaal of de Gouverneur.
2. De uitlevering wordt niet toegestaan dan na uitspraak van het Hof over de toelaatbaarheid van de uitlevering.
3. Het Hof beslist bij zijn uitspraak welke van de inbeslaggenomen voorwerpen in geval van uitlevering aan de opgeëiste persoon zullen worden teruggegeven en welke als stukken van overtuiging zullen worden afgegeven.
Artikel 3.4
Het verzoek tot uitlevering gaat in ieder geval vergezeld van het origineel of een authentiek afschrift van een voor tenuitvoerlegging vatbaar, tegen de opgeëiste persoon gewezen strafvonnis, of van een door de daartoe bevoegde autoriteit van de verzoekende staat gegeven bevel tot zijn aanhouding, of van een stuk dat dezelfde rechtskracht heeft, een en ander opgemaakt in de vorm voorgeschreven door het recht van die staat, en betrekking hebbende op de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd en als zodanig in het verdrag aangewezen.
Artikel 3.5
1. De persoon wiens uitlevering wordt verzocht mag worden aangehouden, voor zover dit niet reeds is geschied. Artikel 3.2, eerste tot en met het vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. Het bevel van aanhouding wordt zo spoedig mogelijk betekend.
3. De voorwerpen die de aangehoudene met zich voert mogen in beslag genomen worden.
4. Zo spoedig mogelijk na de aanhouding wordt daarvan kennis gegeven aan de procureur-generaal.
5. Van elke krachtens deze rijkswet gedane aanhouding geeft de procureur-generaal onverwijld kennis aan de Gouverneur, die op zijn beurt onverwijld aan de procureur-generaal mededeling doet van ieder tot hem gericht verzoek tot uitlevering.
Artikel 3.6
1. De procureur-generaal vordert zo spoedig mogelijk na ontvangst van het verzoek tot uitlevering dat de opgeëiste persoon door het Hof wordt verhoord.
2. Aan de opgeëiste persoon wordt mededeling gedaan van de vordering en van de feiten waarvoor zijn uitlevering is gevraagd, met vermelding van de tijden en de plaatsen waarop deze zijn begaan, een en ander zoals bij het verzoek tot uitlevering omschreven, alsmede van de staat die het verzoek heeft gedaan.
3. Indien de opgeëiste persoon zich op Aruba of Sint Maarten bevindt, kan de aangehoudene naar Curaçao worden overgebracht voor het verhoor door het Hof.
Artikel 3.7
1. Het verhoor geschiedt in het openbaar, tenzij de opgeëiste persoon de behandeling van de zaak met gesloten deuren verlangt of het Hof om gewichtige redenen, bij het proces-verbaal van de zitting te vermelden, beveelt dat het geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren zal plaats hebben.
2. Het verhoor vindt plaats in aanwezigheid van de procureur-generaal.
3. Artikel 3.2, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3.8
1. Indien de opgeëiste persoon beweert dat hij onverwijld kan aantonen niet schuldig te zijn aan de feiten waarvoor zijn uitlevering is verzocht, dan onderzoekt het Hof die bewering.
2. Indien het Hof zulks met het oog op het in te stellen onderzoek noodzakelijk acht, gelast het Hof tegen een door het Hof te bepalen tijdstip de dagvaarding of schriftelijke oproeping van getuigen of deskundigen.
§3.3 Beslissing op het verzoek tot uitlevering
Artikel 3.9
1. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting doet het Hof binnen veertien dagen uitspraak over het verzoek tot uitlevering. De uitspraak wordt met redenen omkleed.
2. Het Hof verklaart bij zijn uitspraak de uitlevering ontoelaatbaar indien:
a. de door de verzoekende staat overgelegde stukken niet voldoen aan de vereisten omschreven in artikel 3.4 of aan nadere vereisten gesteld in het toepasselijke verdrag;
b. het verzoek tot uitlevering niet voor inwilliging vatbaar is; of
c. ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan de feiten waarvoor zijn uitlevering is gevraagd.
3. In andere dan in het tweede lid voorziene gevallen verklaart het Hof bij zijn uitspraak de uitlevering toelaatbaar onder vermelding van de toepasselijke wets- en verdragsbepalingen en het feit of de feiten waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan.
4. Indien de uitlevering toelaatbaar wordt verklaard ondanks een bewering van de opgeëiste persoon overeenkomstig artikel 3.8, dan vermeldt de uitspraak wat het Hof daarover heeft bevonden.
Artikel 3.10
Binnen veertien dagen na de sluiting van het onderzoek ter zitting zendt het Hof een gewaarmerkt afschrift van zijn uitspraak met de tot de zaak behorende stukken toe aan de Gouverneur. Indien de uitlevering toelaatbaar is verklaard, gaat het afschrift vergezeld van zijn advies over het aan het verzoek tot uitlevering te geven gevolg. Een afschrift van de uitspraak en het advies worden aan de opgeëiste persoon en diens raadsman uitgereikt of toegezonden.
Artikel 3.11
1. Na kennis te hebben genomen van de uitspraak en het advies bedoeld in artikel 3.10 gelast of weigert de Gouverneur de uitlevering zo spoedig mogelijk. Indien de uitlevering door het Hof ontoelaatbaar is verklaard, weigert de Gouverneur de uitlevering.
2. Aan de last tot uitlevering van een Nederlander verbindt de Gouverneur de voorwaarde, dat als de opgeëiste persoon ter zake van de feiten waarvoor hij wordt uitgeleverd in de verzoekende staat tot onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in eigen land mag ondergaan.
3. In geval van weigering wordt de opgeëiste persoon, indien hij is aangehouden, onmiddellijk in vrijheid gesteld, tenzij hij uit anderen hoofde behoort in verzekerde bewaring te blijven, en worden hem de in beslag genomen voorwerpen teruggegeven, tenzij er uit anderen hoofde redenen van terughouding bestaan.
§3.4 De verkorte procedure
Artikel 3.12
Indien het toepasselijke verdrag daarin voorziet, wordt de persoon wiens voorlopige aanhouding of uitlevering door een vreemde staat is verzocht, zo spoedig mogelijk door de procureur-generaal in kennis gesteld van de mogelijkheid tot onmiddellijke uitlevering.
Artikel 3.13
1. De persoon wiens voorlopige aanhouding of uitlevering door een vreemde staat is verzocht kan, uiterlijk op de dag voorafgaande aan de dag welke is bepaald voor diens verhoor door het Hof, verklaren dat hij instemt met onmiddellijke uitlevering.
2. De verklaring wordt afgelegd ten overstaan van een rechter-commissaris.
3. De persoon wiens voorlopige aanhouding of uitlevering door een vreemde staat is verzocht wordt, voordat diegene de verklaring aflegt, op de mogelijke gevolgen gewezen, daaronder begrepen dat artikel 2.10 niet van toepassing is. Van de verklaring wordt proces-verbaal opgemaakt.
4. De persoon wiens voorlopige aanhouding of uitlevering door een vreemde staat is verzocht kan zich bij het afleggen van de verklaring doen bijstaan door een raadsman. Indien de persoon zonder raadsman verschijnt, vestigt de rechter-commissaris de aandacht van de persoon op dat recht. De persoon die de gebezigde voertaal niet of onvoldoende beheerst, is bevoegd zich door een tolk te doen bijstaan.
5. De rechter-commissaris ten overstaan van wie de verklaring bedoeld in het eerste lid is afgelegd, zendt het proces-verbaal daarvan aan de bij het verzoek tot voorlopige aanhouding of uitlevering betrokken procureur-generaal.
Artikel 3.14
1. In afwijking van artikel 3.3, tweede lid, en artikel 3.11, eerste lid, kan, nadat een verklaring overeenkomstig artikel 3.13 is afgelegd, de procureur-generaal beslissen dat de persoon wiens voorlopige aanhouding of uitlevering door een vreemde staat is verzocht ter beschikking zal worden gesteld van de autoriteiten van de staat waarvan het verzoek tot voorlopige aanhouding of uitlevering is uitgegaan.
2. Van deze beslissing geeft de procureur-generaal zo spoedig mogelijk kennis aan de Gouverneur.
3. De verzoekende staat wordt binnen twintig dagen na de datum van de verklaring bedoeld in artikel 3.13 in kennis gesteld van de beslissing ter zake van de onmiddellijke uitlevering.
4. De procureur-generaal bepaalt, na overleg met de autoriteiten van de staat waarvan het verzoek tot voorlopige aanhouding of uitlevering is uitgegaan, zo spoedig mogelijk de tijd en de plaats waarop de uitlevering zal geschieden.
5. Het eerste lid blijft buiten toepassing:
a. indien voor het feit of de feiten, in verband waarmee de voorlopige aanhouding of de uitlevering is verzocht, ingevolge de artikelen 2.4, 2.5, 2.7, 2.8, 2.9, 2.11 of 2.12 geen uitlevering kan worden toegestaan; of
b. indien blijkt dat tegen de persoon wiens voorlopige aanhouding of uitlevering door een vreemde staat is verzocht in Aruba, Curaçao dan wel Sint Maarten een strafrechtelijke vervolging gaande is, of dat tegen deze persoon door een rechter van Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten, een nog geheel of ten dele voor tenuitvoerlegging vatbaar strafvonnis is gewezen.
Artikel 3.15
1. Indien het toepasselijke verdrag daarin voorziet wordt, in afwijking van artikel 3.2, vijfde lid, de verzoekende staat binnen tien dagen na datum van de voorlopige aanhouding door de procureur-generaal ervan in kennis gesteld of de aangehoudene al dan niet een verklaring overeenkomstig artikel 3.13 heeft afgelegd teneinde de verzoekende staat in de gelegenheid te stellen een verzoek tot uitlevering in te dienen. Indien een verklaring overeenkomstig artikel 3.13 is afgelegd nadat de termijn van tien dagen is verstreken, wordt de procedure bedoeld in artikel 3.14 toegepast.
2. Na de dag waarop een verklaring overeenkomstig artikel 3.13 is afgelegd, kan de aangehoudene op bevel van de rechter-commissaris ten hoogste veertig dagen in bewaring gesteld blijven of gesteld worden. Wanneer de uitlevering door bijzondere omstandigheden niet binnen de termijn van veertig dagen heeft kunnen plaatsvinden, kan deze termijn op vordering van de procureur-generaal door de rechter-commissaris voor ten hoogste dertig dagen worden verlengd. De aangehoudene wordt in de gelegenheid gesteld op de vordering tot verlenging door de rechter-commissaris te worden gehoord.
3. Indien de aangehoudene een verklaring als bedoeld in artikel 3.13 heeft afgelegd, maar de procureur-generaal niettemin besluit de procedure bedoeld in artikel 3.14 niet toe te passen, stelt de procureur-generaal de verzoekende staat daarvan zo spoedig mogelijk in kennis om deze in de gelegenheid te stellen een verzoek tot uitlevering in te dienen op de wijze als voorzien in artikel 3.3, eerste lid, voordat de gestelde termijn in artikel 3.2, vijfde lid, verstrijkt. Het tweede lid blijft in dat geval buiten toepassing.
§3.5 Recht op rechtsbijstand
Artikel 3.16
Bijstand door en vergoeding van een raadsman geschieden op overeenkomstige wijze als bepaald in de Wetboeken van Strafvordering van Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten.
Hoofdstuk 4. Andere vormen van rechtshulp
Artikel 4.1
1. De Gouverneur kan toestaan dat een persoon wiens uitlevering door een vreemde staat aan een andere vreemde staat is toegestaan over het grondgebied van Aruba, Curaçao of Sint Maarten onder medegeleide van ambtenaren van Aruba, Curaçao of Sint Maarten wordt vervoerd, mits met de staat waaraan de uitlevering geschiedt een uitleveringsverdrag is gesloten en het misdrijf waarvoor uitlevering is toegestaan onder de werking van dat verdrag valt.
2. Als het ten gevolge van bijzondere omstandigheden niet mogelijk is het vervoer door Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten, zonder onderbreking voort te zetten, kan de persoon, in afwachting van een passende gelegenheid tot vertrek in verzekering worden gesteld krachtens een bevel van de procureur-generaal.
3. In geval van een landing in Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten, kan de persoon, op verzoek van de begeleidende buitenlandse ambtenaren, voorlopig worden aangehouden krachtens een bevel van de procureur-generaal. De artikelen 3.1 en 3.2, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
4. Het vervoer van de voorlopig aangehouden persoon kan worden voortgezet, zodra de Gouverneur daartoe alsnog toestemming verleent. Is de toestemming na afloop van de termijn, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, niet verleend, of binnen die termijn geweigerd, dan wordt de voorlopig aangehouden persoon in vrijheid gesteld, behoudens de mogelijkheid van verdere vrijheidsbeneming uit anderen hoofde.
Artikel 4.2
1. Personen die in Aruba, Curaçao of Sint Maarten in voorlopige hechtenis zijn of straf ondergaan mogen ter confrontatie of tot het afleggen van verklaringen in strafgedingen die in een vreemde staat aanhangig zijn, op last van de Gouverneur tijdelijk worden overgezonden.
2. Indien die personen in Aruba, Curaçao of Sint Maarten straf ondergaan, zal hun straftijd geacht worden niet te zijn afgebroken door die tijdelijke overzending.
Hoofdstuk 5 Slotbepalingen
Artikel 5.1
1. Alle akten en stukken ten gevolge van deze rijkswet op te maken worden kosteloos afgegeven.
2. Alle ingevolge deze rijkswet te verrichten betekeningen geschieden op overeenkomstige wijze als bepaald in de Wetboeken van Strafvordering van Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten.
Artikel 5.2
Waar in deze rijkswet de bevoegdheid wordt gegeven tot het horen of verhoren van personen, kan daaronder mede worden begrepen het horen of verhoren per videoconferentie op overeenkomstige wijze als bepaald in de Wetboeken van Strafvordering van Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten.
Artikel 5.3
Deze rijkswet is niet van toepassing op het aanhouden, het aan boord terugbrengen of het ter beschikking van de consulaire ambtenaren stellen van gedeserteerde matrozen.
Artikel 5.4
In artikel 2, derde lid, van de Uitvoeringswet Internationaal Strafhof wordt “het Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten” vervangen door “de Rijkswet uitlevering voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten”.
Artikel 5.5
De Rijkswet cassatierechtspraak in uitleveringszaken voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten wordt als volgt gewijzigd:
a. In artikel 1, onderdeel b, wordt “het advies van het Gemeenschappelijk Hof, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten (Pb. 1983, 84), voor zover dit advies” vervangen door “de uitspraak van het Hof, bedoeld in artikel 3.3, tweede lid, van de Rijkswet uitlevering voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten, voor zover deze uitspraak”.
b. In artikel 1, onderdeel c, wordt “artikel 18, eerste lid, van het Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten” vervangen door “artikel 3.11, eerste lid, van de Rijkswet uitlevering voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten”.
Artikel 5.6
Artikel 7 van het Besluit overlevering inzake oorlogsmisdrijven Aruba, Curaçao en Sint Maarten komt te luiden:
Artikel 7
De artikelen 2.2, 2.5, 2.7, 2.8, 2.10, 2.11, 2.12, 3.1, 3.2, 3.5 tot en met 3.16 en 5.1 van de Rijkswet uitlevering voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de voorlopige aanhouding ook kan worden bevolen in gevallen waarin de mogelijkheid daartoe niet bij verdrag is voorzien.
Artikel 5.7
Het Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten
blijft van toepassing op de behandeling van een verzoek tot uitlevering
en op de in verband daarmee te nemen beslissingen, in gevallen waarin de
stukken betreffende dat verzoek reeds vóór het tijdstip van het in
werking treden van deze rijkswet door het Hof zijn ontvangen.
Artikel 5.8
Het Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten wordt ingetrokken.
Artikel 5.9
Deze rijkswet treedt in werking met ingang van de eerste dag van de tweede kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 5.10
Deze rijkswet wordt aangehaald als: Rijkswet uitlevering voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad, in het Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven
De Minister van Justitie en Veiligheid,