Verslag
Wijziging van de Mijnbouwwet en enkele andere wetten in verband met de uitvoering van verordening (EU) 2024/1787 over de vermindering van methaanemissies in de energiesector (Uitvoeringswet methaanverordening)
Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader)
Nummer: 2026D16569, datum: 2026-04-08, bijgewerkt: 2026-04-08 17:26, versie: 2
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: J.M. Zwinkels, voorzitter van de vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei (CDA)
- Mede ondertekenaar: C.M. Teske, adjunct-griffier
Onderdeel van kamerstukdossier 36897 -6 Wijziging van de Mijnbouwwet en enkele andere wetten in verband met de uitvoering van verordening (EU) 2024/1787 over de vermindering van methaanemissies in de energiesector (Uitvoeringswet methaanverordening).
Onderdeel van zaak 2026Z03446:
- Volgcommissie: vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-03-10 17:00 ⇒ Inbrengdatum voor het verslag vastgesteld op 2 april 2026 te 14.00 uur. (Besluit)
- 2026-02-25 14:35 ⇒ Koninklijke boodschap, met de erbij behorende stukken, is al rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2026-02-25 14:35 ⇒ In handen gesteld van de vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei (Besluit)
- 2026-02-25 14:35: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-03-10 17:00: Procedurevergadering Klimaat en Groene Groei (Procedurevergadering), vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei
- 2026-04-02 14:00: Wijziging van de Mijnbouwwet en enkele andere wetten in verband met de uitvoering van verordening (EU) 2024/1787 over de vermindering van methaanemissies in de energiesector (Uitvoeringswet methaanverordening) (Inbreng verslag (wetsvoorstel)), vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei
Preview document (🔗 origineel)
36 897 Wijziging van de Mijnbouwwet en enkele andere wetten in verband met de uitvoering van verordening (EU) 2024/1787 over de vermindering van methaanemissies in de energiesector (Uitvoeringswet methaanverordening)
Nr. 6 VERSLAG
Vastgesteld 8 april 2026
De vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei, belast met het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.
Onder het voorbehoud dat de regering op de gestelde vragen en de gemaakte opmerkingen tijdig en genoegzaam zal hebben geantwoord, acht de commissie de openbare beraadslaging over dit wetsvoorstel voldoende voorbereid.
I. ALGEMEEN
De leden van de D66-fractie steunen het doel van de verordening om methaanemissies in de energiesector te reduceren. Methaan is een krachtig broeikasgas en snelle reductie levert directe klimaatwinst op. Deze leden hechten eraan dat beleid niet alleen ambitieus is, maar ook effectief, uitvoerbaar en gericht op daadwerkelijke emissiereductie. De leden van de D66-fractie hebben hierover nog enkele vragen.
De leden van de D66-fractie verzoeken de regering om toe te lichten hoe wordt voorkomen dat dit beleid leidt tot onbedoelde lock-in van fossiele infrastructuur.
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden hebben hierover nog enkele vragen en aandachtspunten. Met name de mogelijke impact op de toekomstige leveringszekerheid van Liquefied Natural Gas (LNG)/gas en olie baart deze leden grote zorgen. Wat betekent het als blijkt dat derde landen niet voldoen aan de standaarden voor methaanuitstoot die opgenomen zijn deze Europese verordening? Welke risico’s zou dit meebrengen voor de leveringszekerheid van Nederland? Is de regering het met deze leden eens dat in de huidige onrustig tijd extra standaarden en verplichtingen kunnen leiden tot leveringszekerheidsproblemen in de toekomst?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie stellen vast dat de fossiele lobby probeert de omzetting van de methaanverordening naar Nederlands recht af te zwakken of uit te stellen. Zij concluderen hierbij dat de fossiele lobby de eigen financiële belangen boven het algemeen belang stelt en klaarblijkelijk niet oprecht is geïnteresseerd in enige verduurzaming. Zal de regering garanderen dat er géén uitstel van de boeteclausule wordt verleend? Zal de regering ervoor zorgen dat de uitvoeringswet methaanverordening niet wordt aangehouden, maar conform oorspronkelijke planning spoedig wordt ingevoerd? Zal de regering zich standvastig tonen en niet toegeven aan gelegenheidsargumenten van de fossiele lobby, die geenszins het algemene belang dienen?
De leden van de PVV-fractie vragen waarom Nederland EU-klimaatmaatregelen steunt die leiden tot onbetaalbare energie en brandstoffen, verlies van strategische industrie en afname van leveringszekerheid, en of dit niet het tegenovergestelde van wat een verantwoord energiebeleid juist zou moeten doen. Zij vragen of de regering bereid is deze EU-regels naar de prullenbak te verwijzen.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de Uitvoeringswet Methaanverordening en hebben daarover enkele vragen.
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel. Deze leden onderschrijven het belang van het terugdringen van onnodige methaanemissies, maar constateren op basis van de voorliggende stukken dat bij deze implementatie wezenlijke vragen openstaan over rechtsstatelijke begrenzing, uitvoerbaarheid, regeldruk, energieleveringszekerheid en de mate waarin de Kamer thans daadwerkelijk zicht heeft op de praktische werking van deze wet.
De leden van de JA21-fractie merken daarbij op dat de regering het wetsvoorstel presenteert als strikte implementatie zonder nationale kop, terwijl uit de stukken tegelijk blijkt dat een wezenlijk deel van de praktische normstelling, toezichttoedeling en handhaafbaarheid pas gestalte krijgt via ministeriële regelingen, algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s), een aanvullend mandaatbesluit en toekomstige Europese gedelegeerde en uitvoeringshandelingen. Deze willen daarom allereerst scherp onderscheiden tussen problemen die voortvloeien uit het wetsvoorstel zelf, problemen die hun oorsprong vinden in de onderliggende verordening, en problemen die vooral samenhangen met de uitvoeringspraktijk.
De leden van de JA21-fractie vragen de regering uiteen te zetten welke keuzes per hoofdonderwerp dwingend voortvloeien uit de verordening. Welke keuzes nationaal nog wel zijn gemaakt en op welke onderdelen de Kamer feitelijk pas later via ministeriële regeling of AMvB zicht krijgt op de uiteindelijke normstelling en handhaving?
1. Inleiding
De leden van de D66-fractie verzoeken de regering om nader toe te lichten hoe deze uitvoeringswet zich verhoudt tot de bestaande nationale aanpak van methaanemissies. De Nederlandse olie- en gassector heeft samen met Noorwegen de laagste methaanuitstoot wereldwijd. Deze leden verzoeken de regering aan te geven welke resterende emissiebronnen in Nederland met deze wet worden aangepakt en wat de additionele verwachte bijdrage is aan de reductie van methaanemissies en het halen van de klimaatdoelen.
2. De verordening
De leden van de D66-fractie lezen dat de verordening ook van toepassing is op methaanemissies die buiten de Europese Unie (EU) plaatsvinden bij de productie van fossiele energie die in de EU in de handel wordt gebracht. Deze leden verzoeken de regering voorts toe te lichten hoe uitvoerbaar de eisen zijn voor importeurs van fossiele energie, gezien de afhankelijkheid van data en certificering uit derde landen. Deze leden verzoeken de regering aan te geven hoe wordt geborgd dat deze informatie betrouwbaar en controleerbaar is, en welk aandeel van de huidige import naar verwachting tijdig aan deze eisen kan voldoen.
3. Beleidscontext
De leden van de D66-fractie lezen dat het wetsvoorstel strikte uitvoering van een Europese verordening is. Deze leden verzoeken de regering aan te geven hoe wordt gewaarborgd dat andere lidstaten de verordening op vergelijkbare wijze implementeren en handhaven.
3.1 Nationaal
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie wijzen de regering erop dat deze wijzigingen in de Mijnbouwwet baat zouden hebben bij relevante aanvullingen. Het is wenselijk toe te voegen dat een opsporingsvergunning niet automatisch leidt tot een winningsvergunning en dat het aan de minister is om als bevoegd gezag naar aanleiding van een met een opsporingsvergunning vastgestelde vondst van delfstoffen, te bepalen of er ook een winningsvergunning wordt verstrekt, daarbij rekening houdende met de in de Mijnbouwwet artikel 9 opgenomen criteria. Verder zou een toevoeging wenselijk zijn dat de minister als bevoegd gezag een winningsvergunning kan pauzeren of intrekken indien de minister acht dat er aan de in artikel 9 genoemde criteria niet afdoende voldaan is, of indien nieuwe inzichten of in het verleden onvoldoende in overweging genomen overwegingen het pauzeren of intrekken van een reeds verleende winningsvergunning rechtvaardigen. Hoe kijkt de regering naar dergelijke toevoegingen?
4. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel
4.1 Aanwijzing bevoegde instanties
De leden van de JA21-fractie vragen de regering nader uiteen te zetten hoe de verantwoordelijkheden tussen de minister als bevoegde instantie en het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) als toezichthouder precies zijn afgebakend, in het bijzonder bij verlaten putten en gesloten of verlaten kolenmijnen waar de Staat zelf verantwoordelijkheden draagt. Deze leden vragen tevens hoe wordt voorkomen dat het stelsel de indruk wekt dat de minister uiteindelijk toeziet op de naleving van verplichtingen waarvoor de minister zelf verantwoordelijk is.
De leden van de JA21-fractie vragen waarom de regering, ondanks de uitdrukkelijke wens van SodM, er niet voor heeft gekozen het veiligheids- en methaantoezicht bij gesloten distributiesystemen in één hand te leggen. Kan de regering toelichten waarom zij hier vasthoudt aan een minder doelmatige toezichtstructuur, terwijl juist bij implementatiewetgeving eenvoud en uitvoerbaarheid voorop zouden moeten staan?
De leden van de JA21-fractie vragen ten aanzien van het alternatief gebruik van verlaten ondergrondse kolenmijnen of de regering alsnog bereid is glashelder af te bakenen voor welke vormen van alternatief gebruik Gedeputeerde Staten van Limburg bevoegd gezag zijn en voor welke niet, juist om te voorkomen dat bevoegdheden worden toegedeeld zonder dat het bijbehorende wettelijke instrumentarium aanwezig is.
4.2 Voorzien in handhavingsbevoegdheden
De leden van de JA21-fractie vragen de regering waarom ervoor gekozen is de concept-ministeriële regeling, waarin voor grote delen van de Mijnbouwwet, de Energiewet en de Wet milieubeheer de aan te wijzen voorschriften worden gekoppeld aan toezicht en sanctiebevoegdheden, niet gelijktijdig met het wetsvoorstel aan de Kamer voor te leggen. Acht de regering het zorgvuldig dat de Kamer nu een wet behandelt waarvan de feitelijke werking op kernpunten nog niet toetsbaar is?
5. Verhouding tot ander Europees recht
De leden van de D66-fractie lezen dat er strijdigheid bestaat tussen de (Net-Zero Industry Act; NZIA) en deze verordening. Deze leden verzoeken de regering aan te geven hoe wordt voorkomen dat de methaanverordening onbedoeld de ontwikkeling van CO₂-opslag belemmert en daarmee het behalen van de klimaatdoelen bemoeilijkt.
De leden van de JA21-fractie vragen welke inzet Nederland in Brussel thans concreet pleegt op de volgende punten: de uitwerking van rapportagemodellen, de bewijsregels rond gelijkwaardigheid in derde landen, de berekening van methaanintensiteit, de beschikbaarheid van geaccepteerde meetnormen, de afbakening van importeurs en de praktische uitvoerbaarheid voor bevoegde instanties. Kan de regering de Kamer toezeggen hierover periodiek te informeren zolang de gedelegeerde en uitvoeringshandelingen nog niet zijn vastgesteld?
5.1 Verordening inzake nettonultechnologie
De leden van de JA21-fractie lezen dat de regering in de memorie van toelichting de spanning beschrijft tussen de methaanverordening en de Verordening inzake nettonultechnologie (NZIA) ten aanzien van tijdelijk gedichte putten en toekomstig hergebruik voor CO2-opslag. Deze leden vragen de regering de formele status van de uitleg van de Europese Commissie hierover te verduidelijken. Beschikt de Kamer over een formeel stuk, of betreft het een informele interpretatie? Welke rechtszekerheid biedt dit exploitanten die op korte termijn investeringsbeslissingen moeten nemen?
6. Verhouding tot nationaal recht
6.1 Wet op de economische delicten
De leden van de JA21-fractie vragen de regering om nader te onderbouwen waarom voor bepaalde overtredingen wél strafrechtelijke handhaving via de Wet Economische Delicten (WED) noodzakelijk is, maar voor systeembeheerders en gesloten systemen niet. Welke objectieve proportionaliteitscriteria liggen daaraan ten grondslag? Hoe wordt voorkomen dat het verschil in handhavingsregime in de praktijk moeilijk uitlegbaar of arbitrair uitpakt?
7. Gevolgen
7.1 Gevolgen voor de ondertoezichtgestelden
De leden van de D66-fractie lezen dat de verordening en dit wetsvoorstel zorgen voor een verhoogde regeldruk en financiële lasten bij de ondertoezichtgestelden. De leden van de D66-fractie verzoeken de regering om toe te lichten hoe de verplichtingen uit de verordening in de praktijk uitwerken voor Nederlandse bedrijven door een compleet inzicht te geven in de regeldrukkosten voor bedrijven.
De leden van de D66-fractie lezen dat de implementatie van de verordening een toename van administratieve lasten en dus kosten voor de importeurs betekent. Deze leden verzoeken de regering voorts om aan te geven of de implementatie van de verordening gevolgen kan hebben voor de beschikbaarheid van vloeibaar aardgas/LNG. Deze leden verzoeken de regering te kwantificeren welk aandeel van de huidige LNG-import naar verwachting tijdig zal voldoen aan de eisen van de verordening.
De leden van de VVD-fractie vragen hoe de regering het grote verschil in kosten verklaart die gemaakt moeten worden volgens de ondertoezichtgestelden en de impact analyse van de Europese Unie. Deze leden merken op dat voor beide gevallen deze kosten zijn berekend voorafgaand aan de huidige geopolitieke onrust die is ontstaan op het gebied van energieleveranties. Is de regering voornemens een nieuwe impact assessment uit te voeren op basis van de huidige geopolitieke situatie? Kan het zo zijn dat door de ontstane geopolitieke situatie de kosten aanzienlijk anders uitvallen dan verwacht? Hoe kijkt de regering naar de gevolgen voor de Europese industrie als het gaat om de kosten van de uitvoering van deze wet en de opgelegde beperking van mogelijkheden om olie en LNG te importeren uit derde landen zonder de juiste certificering?
De leden van de JA21-fractie constateren dat het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) de regeldrukberekening onvoldoende acht, dat verplichte elementen uit de Rijksbrede methodiek ontbreken en dat ook de overgang van verwijderingsplan naar beperkingsplan onvoldoende is doorgerekend. Deze leden achten dat een relevant punt, juist omdat de regering tegelijk stelt dat dit voorstel slechts strikte implementatie betreft.
De leden van de JA21-fractie vragen de regering of zij bereid is alsnog een volledige, geactualiseerde regeldrukberekening conform de Rijksbrede methodiek aan de Kamer te sturen, inclusief de lasten van het beperkingsplan, de lasten van verificatie, de nalevingskosten voor kleine importeurs en de administratieve lasten die voortvloeien uit het ontbreken van een drempelwaarde in het importhoofdstuk.
De leden van de JA21-fractie vragen hoe de stelling van de regering dat de vervanging van het verwijderingsplan door het beperkingsplan niet tot extra regeldruk leidt zich verhoudt tot de opmerkingen van ATR en SodM dat op dit punt nog wezenlijke onduidelijkheid bestaat over reikwijdte, timing en feitelijke verplichtingen. Kan de regering uiteenzetten wat voor bedrijven, netbeheerders, importeurs en overige ondertoezichtgestelden de meest waarschijnlijke structurele kostenposten zijn, welke aannames daarbij zijn gehanteerd en op welke punten die aannames volgens de regering nog het meest onzeker zijn? En is de regering bereid een afzonderlijke appreciatie te geven van de waarschuwingen van Element NL, Vereniging Energie voor Mobiliteit en Omgeving (VEMOBIN) en de bijgevoegde impactstudie voor de gevolgen voor raffinage, havenactiviteiten, koolstofafvang en -opslag (CCS)-projecten, waterstofprojecten en de concurrentiepositie van de Nederlandse industrie, met daarbij expliciet onderscheid tussen aantoonbare risico's, aannemelijke risico's en lobbymatige scenario's?
7.2 Energievoorzieningszekerheid
De leden van de D66-fractie lezen dat de verordening ernaar streeft om de emissiereductiedoelen te realiseren zonder de energievoorzieningszekerheid in gevaar te brengen. Deze leden verzoeken de regering aan te geven de gevolgen voor de leveringszekerheid van gas en LNG te kwantificeren en aan te geven hoe deze mogelijke effecten op leveringszekerheid en energieprijzen worden gewogen. Deze leden verzoeken de regering toe te lichten welke maatregelen worden overwogen om eventuele risico’s voor leveringszekerheid te mitigeren, zonder de effectiviteit van de verordening te ondermijnen.
De leden van de VVD-fractie lezen dat de verordening ernaar streeft om de emissiereductiedoelen te realiseren zonder de energievoorzieningszekerheid in gevaar te brengen. Is de regering bekend met verschillende onderzoeken die laten zien dat de leveringszekerheid voor de import van LNG/gas en olie al vanaf 2027 in gevaar kunnen komen? Klopt de veronderstelling van Wood Mackenzie dat 43% van de Europese gasimporten en 87% van de Europese olie-importen in 2027 door deze verordening onder druk komen te staan? Hoe liggen deze percentages voor Nederland? Hoe weegt de regering de beslissing van de Amerikaanse equivalent, de Environemental Protection Agency (EPA), om een vorm van methaanuitstoot rapportage uit te stellen tot 2034? Welke invloed kan deze beslissing mogelijk hebben voor de import van LNG uit Amerika als de methaanverordening in werking treedt? Hoe weegt de regering het gebrek aan soortgelijke methaanuitstoot regels in landen als Algerije, Oman en Qatar als het gaat om de energievoorzieningszekerheid van Europa? Is de regering het met de leden van de VVD-fractie eens dat het beperken van de mogelijkheden om LNG of olie te importeren uit derde landen in de huidige situatie en toekomst kan leiden tot stijgende kosten voor het bedrijfsleven en huishoudens?
De leden van de VVD-fractie lezen dat artikel 33 aangeeft dat bij het opleggen van sancties een belangrijke voorwaarde is dat deze sancties de energievoorzieningszekerheid niet mogen ondermijnen. Geldt deze bepaling ook voor het opleggen van sancties aan bedrijven die olie en LNG/gas importeren uit derde landen die niet voldoen aan de standaarden van methaanuitstoot die zijn opgenomen in de uitvoering van deze Europese verordening?
De leden van de PVV-fractie vragen of de regering bekend is met het bericht “Nieuwe EU milieuregels blokkeren import olie en gas, forse prijsstijgingen verwacht: ‘Dit baart grote zorgen’”1 en de analyse van Wood Mackenzie. Zij vragen of het klopt dat producenten buiten de EU voorlopig niet aan de nieuwe EU-eisen kunnen voldoen, omdat de verplichte systemen voor methaanmeting, rapportages en certificering wereldwijd nauwelijks bestaan, waardoor importeurs niet kunnen aantonen dat olie en gas volgens de Europese standaard zijn geproduceerd, en dat daardoor tot 87% van de ruwe olie-import en tot 43% van de gasimport als “niet-conform” zullen worden beschouwd en dus niet meer ingevoerd zullen mogen worden. De leden vragen wat dit betekent voor de Nederlandse energievoorziening en leveringszekerheid.
De leden van de PVV-fractie vragen tevens of de regering de analyse van Wood Mackenzie deelt dat deze regels kunnen leiden tot een forse krimp van raffinagecapaciteit, vergelijkbaar met de sluiting van veertig raffinaderijen in Europa en wat dit betekent voor de Nederlandse raffinaderijen.
De leden van de PVV-fractie vragen daarnaast of het klopt dat Nederland hierdoor afhankelijker wordt van een steeds kleiner aantal leveranciers met alle risico’s voor de leveringszekerheid van dien en hoe de regering hierover oordeelt.
De leden van de CDA-fractie lezen dat er met de Uitvoeringswet Methaanverordening wordt gestreefd naar het realiseren van de emissiereductiedoelen zonder de energievoorzieningszekerheid in gevaar te brengen. De Europese Commissie of nationale autoriteiten moeten daarom bij het vaststellen van methaanintensiteitswaarden rekening houden met de effecten op de energievoorzieningszekerheid. Tevens moet bij het opleggen van eventuele sancties energievoorzieningszekerheid worden meegenomen. Deze leden vragen de regering wanneer, met welke frequentie en op basis waarvan deze methaanintensiteitswaarden door de Europese Commissie en/of nationale autoriteiten worden vastgesteld en hoe de regering er daarbij precies op toe zal zien dat de energievoorzieningszekerheid niet in het geding komt.
De leden van de CDA-fractie merken in deze context op dat er grote zorgen bestaan binnen de energiesector over de importvereisten die voortvloeien uit de Methaanverordening. Deze kunnen namelijk tot gevolg hebben dat mogelijk 43% van de huidige gasimport van de EU en 87% van de ruwe olie vanaf 2027 niet meer aan de regelgeving voldoen en dus niet langer geïmporteerd kunnen worden. Deze leden delen deze zorgen (zie Kamerstuk 2026D11151), omdat de leveringszekerheid en de betaalbaarheid van gas voor huishoudens, elektriciteitsproductie en energie-intensieve industrieën in het geding kunnen komen. De leden vragen de regering of zij de genoemde percentages herkent en of zij deelt in de zorgen vanuit de sector. Deze leden vragen de regering nadrukkelijk hoe zij - zowel in nationaal als in Europees verband - zal voorkomen dat de leveringszekerheid en betaalbaarheid van aardgas in gevaar komen. Voorts vragen deze leden met welke effecten rekening wordt gehouden met betrekking tot de prijs van olie en gas en de concurrentiekracht van de Nederlandse en Europese economie als gevolg van dit wetsvoorstel in combinatie met de geopolitieke situatie in het Midden-Oosten. Tevens vragen deze leden in hoeverre het gezien deze context mogelijk en wenselijk is om de vereisten voortvloeiend uit de Methaanverordening aan te passen en zo ja, voor welke vereisten dat mogelijk is.
De leden van de CDA-fractie ontvangen signalen dat veel landen nog niet over een monitoringssysteem beschikken, waarmee kan worden aangetoond wat de methaanintensiteit van een product is. Dit komt onder meer doordat niet duidelijk is hoe dit moet en wie dat moet gaan doen. Hierdoor is beschikbaarheid van olie en aardgas die voldoet aan de methaanverordening vooralsnog zeer beperkt. Deze leden vragen de regering of zij dit signaal herkent en wat dat betekent voor de snelheid en striktheid waarmee deze uitvoeringswet wordt ingevoerd.
De leden van de CDA-fractie constateren dat de methaanvereisten niet gelden voor geïmporteerde eindproducten. Dit heeft tot gevolg dat raffinaderijen van buiten de Europese Unie nog steeds diesel, benzine en kerosine op de Europese markt kunnen brengen, zonder aan de vereisten te hoeven voldoen. De concurrentiekracht van de Nederlandse en Europese industrie wordt daarmee ondermijnd en de aantrekkelijkheid van import van eindproducten uit niet-EU landen wordt vergroot. Deze leden vragen de regering in hoeverre zij dit risico erkent en welke mitigerende maatregelen er op dit vlak worden genomen en/of voorbereid.
De leden van de CDA-fractie wijzen erop dat indien er niet tijdig wordt opgetreden om het bovenstaande risico te beperken, de implementatie van deze regelgeving kan leiden tot grote negatieve gevolgen voor de Europese industrie, maar ook specifiek voor de Rotterdamse haven en de verduurzaming van de daar gevestigde industrie. Deze leden vragen de regering daarom in te gaan op de mogelijke gevolgen voor de rentabiliteit van raffinaderijen en, daaraan verbonden, de gevolgen voor o.a. de Europese afhankelijkheid van import voor kerosine en diesel, verduurzamingsprojecten in de Rotterdamse haven (o.a. waterstof en CCS) en de impact op de chemische industrie en het bredere economische ecosysteem.
De leden van de JA21-fractie onderkennen dat de regering in algemene zin wijst op bepalingen in de verordening die energievoorzieningszekerheid moeten waarborgen. Deze leden constateren echter tegelijk dat uit de stukken niet blijkt welke concrete Nederlandse toets de regering zelf heeft verricht op effecten voor leveringszekerheid, raffinage, industrie en de haven. Bovendien blijkt uit de stukken dat juist op het importhoofdstuk veel wezenlijke onderdelen aan de Europese Commissie zijn gelaten.
De leden van de JA21-fractie vragen de regering concreet te maken op basis van welke Nederlandse scenario's zij heeft beoordeeld dat de uitvoering van deze verordening de energievoorzieningszekerheid niet in gevaar brengt. Is daarbij afzonderlijk gekeken naar aardgas, ruwe olie, raffinage, vloeibaar aardgas (LNG), het Rotterdamse havencluster en industriële waardeketens?
8. Uitvoeringsaspecten
De leden van de JA21-fractie lezen met zorg dat SodM concludeert dat de uitvoeringswet alleen uitvoerbaar is wanneer voldoende middelen worden toegekend en een aantal aanpassingen wordt doorgevoerd, en dat de wet op het moment van de toets zelfs niet handhaafbaar werd geacht omdat de noodzakelijke sanctiebevoegdheden nog in een ministeriële regeling moesten worden geregeld. Deze leden lezen eveneens dat de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) zonder structurele middelen de opgedragen taken niet uitvoerbaar acht en ook met middelen slechts tot beperkte uitvoerbaarheid komt.
De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering om een integraal overzicht te geven van de actuele stand van zaken rond de uitvoeringsketen, waaronder de ministeriële regeling, het aanvullende mandaatbesluit, de benodigde informatie- en communicatietechnologievoorzieningen, samenwerkingsafspraken met de Douane en de structurele financiering van SodM en de NEa. Welke onderdelen zijn op dit moment nog niet gereed? Voor het importhoofdstuk constateren deze leden dat de NEa geen volledig zicht heeft op in Nederland gevestigde importeurs die via andere lidstaten invoeren, dat verificatie van gegevens uit derde landen uiterst moeilijk is en dat zonder ministeriële regeling feitelijk alleen verslagen kunnen worden ingenomen. Hoe kan onder deze omstandigheden worden gesproken van een handhaafbaar stelsel? Welke concrete stappen zet de regering richting Europese Commissie en andere lidstaten om dit uitvoeringslek te dichten?
9. Toezicht
De leden van de JA21-fractie constateren dat de regering zich op het punt van risicogestuurd toezicht in belangrijke mate beroept op de ruimte voor de toezichthouder. Kan de regering toelichten welke minimumeisen aan inspectiefrequentie, informatiebeoordeling en interventie in elk geval blijven gelden, zodat risicogestuurd toezicht niet de facto uitmondt in selectief of beperkt toezicht vanwege capaciteitstekorten?
10. Handhaving
De leden van de JA21-fractie vragen de regering nader te motiveren waarom het bestuurlijk bevel tot inbeslagname, ook na de aangebrachte aanvullingen, voldoende voorzienbaar, proportioneel en juridisch begrensd is. Welke concrete maatstaven gelden in de praktijk voor het vaststellen van “behaalde winsten of vermeden verliezen”, en kan de regering dit verduidelijken aan de hand van uitgewerkte voorbeelden? In hoeverre acht de regering het risico aanwezig dat het bestuurlijk bevel tot inbeslagname in de praktijk een zwaarder, onzekerder en juridisch diffuser instrument wordt dan de bestuurlijke boete, juist omdat dit instrument geen bestaande, uitgekristalliseerde plaats kent in het Nederlandse bestuursrecht? Waarom is niet gekozen voor een soberder nationale invulling, voor zover de verordening daarvoor ruimte zou laten?
11. Financiële gevolgen
De leden van de PVV-fractie vragen of de regering de analyse van Wood Mackenzie deelt dat deze EU-regels kunnen leiden tot (benzine- en dieselprijsstijgingen van 24% en tot een structurele kostenstijging van 17 miljard dollar per jaar voor Europese brandstofimport. Zij vragen wat betekent dit voor de Nederlandse energievoorziening, leveringszekerheid en betaalbaarheid.
Deze leden vragen of de regering kan garanderen dat deze EU-regels níét zullen leiden tot nóg hogere prijzen aan de pomp, nóg hogere energierekeningen en verdere economische schade voor Nederlandse huishoudens en bedrijven.
De leden van de JA21-fratie vragen of de regering het grote verschil tussen de in de memorie van toelichting opgenomen financiële raming voor SodM en de door SodM genoemde veel grotere capaciteitsbehoefte, waaronder 36 FTE voor methaantoezicht en 6 FTE voor veiligheidstoezicht op gesloten distributiesystemen, kan verklaren? Welke raming acht de regering thans leidend?
12. Adviezen en toetsen
12.1 Toetsing
De leden van de VVD-fractie maken zich zorgen over de constatering van de emissieautoriteit dat er veel ruimte bestaat voor interpretatie bij de uitvoering van de verordening. Hoe wordt voorkomen dat in de Europese Unie er verschillende regimes gaan ontstaan omtrent de uitvoering van deze verordening? Voor deze leden is met name de concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven met omringende landen van belang bij de uitvoering van deze wet. Zij lezen dat de regering deze punten herkend en waar mogelijk op EU-niveau zal aankaarten. Over welke specifieke punten heeft de regering het hier precies? Op welke manier is de regering van plan zich hier op Europese niveau voor in te zetten?
Daarnaast lezen de leden van de VVD-fractie dat emmissieautoriteit voorziet dat het ontbreken van een drempelwaarde in de verordening leidt tot onevenredig hoge administratieve lasten bij importeurs die kleine hoeveelheden importeren. Hoe kijkt de regering aan tegen dit kritiekpunt van de emmissieautoriteit? Voor deze leden is het onwenselijk dat kleine importeurs onevenredig hard worden geraakt door grote regeldruklasten. Waarom is er bij de implementatie niet gekozen voor een drempelwaarde om kleine importeurs te ontzien van grote administratieve lasten?
De leden van de VVD-fractie vragen hoe de regering de gevolgen voor de regeldruk van bedrijven weegt met de constatering van TNO en SodM dat er bij een afgesloten put slechts een kleine kans bestaat op methaanlekkage? Tevens zijn deze leden benieuwd hoe de regering de eeuwige verantwoordelijkheidsplicht strookt met de hoge kosten die moeten worden gemaakt voor het monitoren van gesloten gasputten. Welke invloed zal de uitvoering van de verordening hebben op projecten als Aramis die zich bezighouden met koolstofopvang en -opslag?
Daarnaast lezen de leden van de VVD-fractie in de reactie van de SodM dat de verordening exploitanten verplicht tot het sluiten van putten als deze niet worden gebruikt en hiermee mogelijk toekomstig hergebruik voor CO2-opslag onmogelijk wordt gemaakt. Hoe verhoudt deze constatering zich volgens de regering tot de Europese doelen om CO2-opslag de realiseren in lege gasvelden?
13. Overgangsrecht en inwerkingtreding
De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering de Kamer vóór de verdere behandeling van dit wetsvoorstel te voorzien van de concept-ministeriële regeling, een update over het aanvullende mandaatbesluit, een nadere brief over de NZIA-relatie, en een geactualiseerde regeldruk- en uitvoerbaarheidsnotitie. Acht de regering het zelf wenselijk dat de Kamer anders over dit voorstel beslist op basis van een onvolledig beeld?
De voorzitter van de commissie,
Zwinkels
De adjunct-griffier van de commissie,
Teske