Reactie op het verzoek van het lid Keijzer, gedaan bij de Regeling van Werkzaamheden van 17 maart 2026, over het voornemen van de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme (NCDR) om een programmaleider Nationale Aanpak Moslimdiscriminatie aan te stellen
Racisme en Discriminatie
Brief regering
Nummer: 2026D16595, datum: 2026-04-09, bijgewerkt: 2026-04-09 13:45, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: P.E. Heerma, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Ooit CDA kamerlid)
Onderdeel van kamerstukdossier 30950 -514 Racisme en Discriminatie.
Onderdeel van zaak 2026Z07413:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-04-16 11:30 ⇒ (Concept voorstel)
- 2026-04-16 11:30: Procedurevergadering Binnenlandse Zaken (Procedurevergadering), vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
- Geen datum: Dertigledendebat over het bericht dat de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme een programmaleider islamofobie wil aanstellen (Plenair debat (dertigledendebat)), TK
Preview document (🔗 origineel)
Tijdens de regeling van werkzaamheden van 17 maart heeft het lid Keijzer verzocht om informatie te ontvangen over het voornemen van de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme (NCDR) om een programmaleider Nationale Aanpak Moslimdiscriminatie aan te stellen en over het functioneren van de NCDR. Ook verzoekt zij om herziening van het programma. Met deze brief geef ik opvolging aan dit verzoek.
Op 15 maart 2026 heeft de NCDR bekend gemaakt dat deze voornemens is een Programmaleider Nationale Aanpak Moslimdiscriminatie aan te stellen. De programmaleider zal in dialoog met de moslimgemeenschappen zelf, met maatschappelijke organisaties, met onderzoekers, beleidsmakers en lokale bestuurders werken aan het ontwikkelen van een dergelijke aanpak.
Als regeringscommissaris heeft de NCDR tot doel om racisme en discriminatie te bestrijden en diversiteit en inclusie te bevorderen. Dit gebeurt onder meer op basis van signalen in de contacten met maatschappelijke organisaties en burgers. Zo is de NCDR in staat om te adviseren over de voortgang, uitvoering en de doorontwikkeling van de doelen en richtingen voor het overheidsbrede beleid ten aanzien van de bestrijding en het voorkomen van discriminatie en racisme. De NCDR is er voor alle discriminatiegronden, dus ook voor de bestrijding van moslimdiscriminatie. Hierin vertrouw ik op de expertise en het inzicht van de NCDR. De opgave waar we gezamenlijk voor staan is om discriminatie tegen te gaan in al haar verschijningsvormen. Het kabinet treedt hierover regelmatig in overleg met (het bureau van) de NCDR.
Het besluit om een Programmaleider Nationale Aanpak Moslimdiscriminatie te benoemen, past binnen de hierboven beschreven taak van de NCDR en de adviserende rol richting het kabinet. De rol van programmaleider Nationale Aanpak Moslimdiscriminatie is voorzien als een nieuwe ambtelijke functie binnen het bureau van de NCDR. De NCDR gaat over de inrichting van het eigen bureau en is hierin vrij om het kabinet te adviseren over de aanpak van discriminatie van specifieke groepen of over domeinen.
Als regeringscommissaris maakt de NCDR deel uit van het ambtelijk apparaat en valt onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van BZK. Het functioneren is daarmee een interne aangelegenheid. Het programma van de NCDR wordt herzien in zoverre dat het kabinet voornemens is om de NCDR wettelijk te verankeren, zoals opgenomen in het regeerakkoord.
Tot slot is het goed om te vermelden dat uw Kamer tijdens het debat over de regeringsverklaring op 26 februari een motie heeft aangenomen, ingediend door het lid Van Baarle (DENK).1 Hierin wordt het kabinet verzocht om te komen tot een nieuwe rijksbrede en overkoepelende aanpak tegen discriminatie met centrale regievoering vanuit het kabinet waarbij, onder andere, de NCDR betrokken wordt bij de totstandkoming van deze aanpak.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
Pieter Heerma
Kamerstukken II 2025-2026, 36848, nr. 76↩︎