[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Verslag

Raming der voor de Tweede Kamer in 2027 benodigde uitgaven, alsmede aanwijzing en raming van de ontvangsten

Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader)

Nummer: 2026D16691, datum: 2026-04-09, bijgewerkt: 2026-04-09 11:50, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen:

Onderdeel van kamerstukdossier 36919 -5 Raming der voor de Tweede Kamer in 2027 benodigde uitgaven, alsmede aanwijzing en raming van de ontvangsten.

Onderdeel van zaak 2026Z06132:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


36 919 Raming der voor de Tweede Kamer in 2027 benodigde uitgaven, alsmede aanwijzing en raming van de ontvangsten
Nr. 5 Inbreng verslag

Vastgesteld 9 april 2026

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, belast met het voorbereidend onderzoek van de Raming der voor de Tweede Kamer in 2027 benodigde uitgaven, alsmede aanwijzing en raming van de ontvangsten (36919), heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat het Presidium op de gestelde vragen en de gemaakte opmerkingen afdoende zal hebben geantwoord, acht de commissie de openbare behandeling over de Raming voldoende voorbereid.

De voorzitter van de commissie,

Kisteman

De griffier van de commissie,

Honsbeek

INHOUDSOPGAVE

1. Inleiding 1

2. Algemeen begrotingsbeeld 2
2.1 Enveloppe "goed bestuur" 2

3. Toekomstbestendige Kamerorganisatie 7

3.1 Sociale veiligheid 7

3.2 Arbeidsmarkt in transitie 7

4. Werkwijze van de Kamer 7

4.1 Vergaderen in de regio 9

5. Integrale veiligheid in de Tweede Kamer 9

5.1 Weerbaarheid Kamer 9
6. Huisvesting Tweede Kamer 9
7. Overig
9

1. Inleiding


De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de raming. Deze leden danken alle medewerkers van de Kamerorganisatie voor het harde werk dat zij verzetten om deze organisatie en onze democratie draaiende te houden.

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de Raming der voor de Tweede Kamer in 2027 benodigde uitgaven, alsmede aanwijzing en raming van de ontvangsten; van de geleidende brief, waarin aandachtspunten voor het jaar 2027 staan beschreven, en de bijlagen. Graag willen deze leden het Presidium daarover een aantal vragen stellen.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de Raming voor het jaar 2027. Deze leden hebben hierover op dit moment een aantal vragen.

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de ramingen. Deze leden willen allereerst uitspreken dat zij de ondersteuning van de Kamerorganisatie in de vele hoedanigheden waarin zij plaatsvindt buitengewoon waarderen. Zij maken graag gebruik van deze gelegenheid om een aantal vragen te stellen.

De leden van de BBB-fractie danken de Voorzitter en het Presidium voor de toegestuurde stukken en de voorbereiding daarvan. Daarnaast spreken deze leden hun waardering uit voor alle medewerkers van de Kamer. Het functioneren van dit huis staat of valt met hun inzet, vaak achter de schermen en onder hoge druk. Deze leden vinden het belangrijk om dat expliciet te benoemen en zullen dat ook tijdens het wetgevingsoverleg onderstrepen.

De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de Raming voor het jaar 2027. Deze leden hebben veel waardering voor de inzet die op vele terreinen wordt verricht. Zij hebben slechts enkele vragen over de stukken.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de Raming der Tweede Kamer voor de in 2027 benodigde uitgaven, alsmede aanwijzing en raming van de ontvangsten. Deze leden danken de leden van het Presidium voor hun werk namens de hele Kamer en hebben ook veel waardering voor de inzet van de gehele ambtelijke organisatie voor hun bijdrage aan het functioneren van onze democratie. Deze leden maken gebruik van de mogelijkheid voor het stellen van vragen over de Raming.

2. Algemeen begrotingsbeeld


De leden van de SGP-fractie vragen of het Presidium een toelichting kan geven op de kostenontwikkeling in de meerjarenraming. Deze leden wijzen erop dat de bedragen van artikel 3 in de komende jaren een dalende trend laten zien en dat veel posten van dit artikel stabiel zijn. Zij vragen hoe dit te verklaren valt, alleen al gelet op de ontwikkeling van de inflatie.

Deze leden vragen of het Presidium wil toelichten welke uitgangspunten gehanteerd worden voor de kosten ten aanzien van het uitvoeren van parlementaire enquêtes. Voor de komende jaren blijkt hiervoor geen bedrag ingeboekt. In hoeverre is het nodig om hiervoor toch een voorziening te reserveren, ook in jaren dat geen enquêtes worden uitgevoerd, gelet op het feit dat de behoefte eraan vrij snel kan ontstaan?

2.1 Enveloppe ‘goed bestuur’

De leden van de D66-fractie merken op dat de Dienst Analyse en Onderzoek (DAO) in de afgelopen jaren is uitgebreid, en ook de komende jaren zal blijven groeien. Naar de mening van deze leden voorziet de DAO in zeer nuttige ondersteuning voor democratische controle, onder andere via het opstellen van notities. Tegelijk constateren zij dat uit onderzoek van de Universiteit Leiden blijkt dat de diensten van de Kamer nog maar beperkt door Kamerleden als informatiebron worden gebruikt. Op basis van welke overwegingen wordt voorgesteld om deze diensten uit te breiden? Welke mogelijkheden zijn er om het gebruik van deze diensten te vergroten? Zij vragen of het klopt dat notities en adviezen van DAO momenteel enkel intern beschikbaar zijn. Is overwogen om de adviezen van DAO standaard openbaar te maken, zodat ze voor het brede publiek en media beschikbaar zijn, zo vragen zij tevens. Wat zouden hiervan de voor- en nadelen zijn?
Deze leden constateren dat er in de afgelopen jaren een aantal rapporten zijn verschenen over het functioneren van de Kamer, waarin onder andere voorstellen worden gedaan om te komen tot betere behandeling van wetgeving. Deze aanbevelingen moeten vervolgens geïmplementeerd worden in de werkwijze van de Kamer en haar commissies om ook effect te hebben. De griffie van de commissies spelen hierin een belangrijke rol; zij kunnen op procedurevergaderingen voorstellen inbrengen om het proces van wetgevingsbehandeling beter te organiseren. Op welke wijze wordt de opvolging van de aanbevelingen belegd bij de griffie? Zijn er al best practices die gedeeld kunnen worden?

Voor de versterking van de kennis- en onderzoeksfunctie van de Tweede Kamer wordt in de Raming 2027 een bedrag van 10 miljoen euro geleidelijk overgeheveld van de begroting van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) naar de begroting van de Tweede Kamer. Daarmee zal structureel worden geïnvesteerd in de DAO. Een ander deel van dit bedrag zal worden besteed aan het versterken van de digitale ondersteuning en informatievoorziening. De leden van de VVD-fractie vragen in hoeverre die 10 miljoen euro al verdisconteerd is in de Raming. Deze leden krijgen graag inzicht in de verdeling en besteding van dit geld over de komende jaren heen. Kortom, kan worden aangegeven hoe de verdeling van de 10 miljoen euro over de drie sporen zal zijn? Graag krijgen zij een reactie van het Presidium.

In het kader van het aangegeven spoor 1 (versterking DAO) wordt er extra geïnvesteerd in wetgevingsadvisering, het borgen van expertise op het gebied van grondrechten en advisering over burgerbetrokkenheid. Waarom wordt er voor deze route gekozen? Zou er niet meer behoefte zijn aan wetgevingsjuristen bij Bureau Wetgeving in plaats van een extra investering in DAO, zo vragen deze leden. Verder vragen zij of kan worden toegelicht hoe de investering in DAO zich vertaalt naar een efficiëntere en betere ondersteuning van het parlementaire werk vanuit de Griffie Commissies, de Griffie Plenair en andere ondersteunende diensten.

Verder vragen deze leden of bij de fracties is nagegaan welke wensen zij hebben voor de besteding van die 10 miljoen euro? Zo ja, hoe is dat geïnventariseerd? Wat waren de uitkomsten van die inventarisatie? Zo neen, waarom is dat niet gebeurd? Graag krijgen deze leden een reactie van het Presidium. Overigens zouden zij zich kunnen voorstellen dat een deel van de 10 miljoen euro bij de fracties c.q. groepen terechtkomt.

Het is deze leden opgevallen dat er onder artikel 3 punt 02. (Kennis en onderzoek) in het jaar 2026 en verder sprake is van een enorme verhoging van het bedrag, van 240.000 euro in 2025 naar 1.421.000 euro in 2026 en verder. Wat zijn daarvan de redenen?

Deze leden willen graag aandacht vragen voor een aantal praktische zaken in de Kamer. Al lange tijd wordt door vele fracties bij de Kamerorganisatie aangekaart dat er problemen zijn met de doorlooptijden voor het verkrijgen van een Rijkspas en vervolgens met het verkrijgen van een laptop en werkomgeving. Na indiensttreding van nieuwe (fractie)medewerkers kan het ruim meer dan een week duren voordat zij een afspraak hebben met de Rijkspassenbalie en vervolgens bij de Dienst Automatisering (DA). Dat betekent dat tot die tijd nieuwe medewerkers niet aan het werk kunnen. Hoe kan dit probleem worden opgelost? Kan de tijd (drie à vier uur) tussen de afspraak bij de Rijkspassenbalie en de DA worden verkort? Zouden meer medewerkers een oplossing kunnen zijn? In hoeverre wordt er bij de Raming geld vrijgemaakt om dit probleem op te lossen? Zo neen, waarom niet? Graag krijgen deze leden een reactie van het Presidium.

Graag ontvangen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie een uitgesplitst overzicht van hoe de verdeling van de enveloppe ‘goed bestuur’ worden verdeeld over de verschillende posten die nu door het Presidium zijn voorzien (DAO, ontsluiten informatiebronnen etc.). Deze leden ontvangen daarnaast graag een nadere toelichting op wat concrete effecten zullen zijn van het versterken van de digitale ondersteuning en informatievoorziening zodat fracties en commissies toegang tot nieuwe en beter ontsloten informatiebronnen verkrijgen.

Ook vragen deze leden of het Presidium overwogen heeft om een deel van de middelen uit de enveloppe goed bestuur aan de fractiekostenregeling toe te voegen, zodat fracties zelf nadere invulling kunnen geven aan het versterken van de ondersteuning van Kamerleden.

De leden van de CDA-fractie hebben bedenkingen bij de voorgenomen besteding van de middelen uit de enveloppe ‘goed bestuur’ en betwijfelen of deze daadwerkelijk tegemoet komt aan de ondersteuningsbehoefte van Kamerleden. Wat deze leden betreft zou het (deels) gebruiken van dit budget als aanvulling op de fractiegelden, zoals benoemd in de geleidende brief, wenselijk zijn. Zij vragen of er reeds een voorstel ligt voor een voorgenomen invulling (in fte en functietitels) en, zo ja, of die meegestuurd kan worden in de beantwoording. Ook vragen zij of het Presidium bereid is een aanzienlijk deel van het budget beschikbaar te stellen voor de budgetten van fracties.

Deze leden merken op dat er de afgelopen jaren is geïnvesteerd in de uitbreiding van de DAO. Zij vragen of in beeld is hoe de investeringen in en de uitbreiding van DAO de afgelopen jaren hebben uitgepakt. Hierbij vragen zij hoe dit heeft geleid tot verbeterde ondersteuning van Kamerleden en of dit er in heeft geresulteerd dat Kamerleden meer gebruik maken van de diensten van DAO.

De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de passage over de enveloppe ‘goed bestuur’ en de daarin geschetste keuze om middelen over te hevelen naar de begroting van de Tweede Kamer, met name ten behoeve van de versterking van de DAO. Ook hebben deze leden kennisgenomen van de suggestie dat, indien gewenst, (een deel van) deze middelen via een amendement kan worden ingezet ter versterking van fracties.

Deze leden vragen het Presidium waarom er in eerste instantie voor wordt gekozen om deze middelen primair te investeren in de DAO. Voor zover bij deze leden bekend, zijn er geen signalen van acute capaciteitstekorten bij de DAO die een dergelijke substantiële investering rechtvaardigen. Kan het Presidium nader onderbouwen waar deze keuze op is gebaseerd en welke concrete knelpunten hiermee worden opgelost?

Tegelijkertijd willen deze leden nadrukkelijk aandacht vragen voor de positie van fracties, en in het bijzonder de kleinere fracties. Deze fracties hebben, net als grotere fracties, dezelfde constitutionele taken: het controleren van de regering, het behandelen van wetsvoorstellen en het deelnemen aan debatten en overleggen. Daar staat echter een aanzienlijk kleinere ondersteuningscapaciteit tegenover. In de praktijk betekent dit dat kleine fracties dezelfde hoeveelheid, vaak zeer complexe, stukken van het kabinet moeten doorgronden, maar met veel minder fractieondersteuning. Deze leden vragen het Presidium hoe het kijkt naar deze disbalans. Acht het Presidium het wenselijk dat de verschillen in ondersteuning tussen fracties zo groot zijn, terwijl de taken gelijk zijn? Is het in dat licht niet verstandiger om (een deel van) de beschikbare middelen juist in te zetten ter versterking van de fracties zelf, in plaats van primair te investeren in de DAO? Deze suggestie lijkt het Presidium ook zelf te doen in haar begeleidende brief. Deze leden willen wel benadrukken dat zij de inzet en kwaliteit van de DAO zeer waarderen.

De leden van de SGP-fractie vragen een toelichting op de suggestie in de brief dat de Kamer zou kunnen besluiten het budget voor DAO te gebruiken voor de aanvulling van de fractiegelden, na amendering door de Kamer. Deze leden zouden graag een nadere toelichting ontvangen op de meest doelmatige aanwending van de middelen volgens het Presidium en het proces waarmee over die besluitvorming op de meest zorgvuldige, geïnformeerde wijze tot stand kan komen.

Deze leden wijzen erop dat alleen al ten aanzien van DAO volgens de voorgelegde Raming in de komende jaren sprake zou zijn van meer dan een verdrievoudiging van het bestaande budget. Deze leden constateren dat het aantal medewerkers van de DAO sinds 2021 al met sprongen is gestegen van 40 naar 92 en dat nu kennelijk een nog verdergaande verhoging beoogd is. Zij vragen of deze verhogingen redelijkerwijs nodig en passend zijn gelet op de ambities die worden beschreven en in het licht van het totaalaantal van 800 medewerkers. Deze leden vragen hoe geëvalueerd wordt of de verhogingen tot het gewenste resultaat hebben geleid. Ook vragen zij of ook expliciet inzichtelijk gemaakt wordt of de uitbreiding van de capaciteit enigszins naar evenredigheid neerslaat bij de fracties, gelet op het feit dat in de onderbouwing verwezen wordt naar voordelen die de uitbreiding kan hebben voor de fracties.

Deze leden vragen of het Presidium kan toelichten wat de verhouding is tussen de extra investeringen die hoe dan ook in DAO gedaan zouden worden ten opzichte van de onduidelijkheid die nog bestaat of op termijn ook extra investeringen in de staf van de commissies te verwachten zijn. Waarom wordt voorafgaand aan nieuwe intensiveringen niet eerst onderzocht of juist een directe investering in de commissiestaf aan te bevelen valt, gelet op het feit dat die ondersteuning meer direct ten goede komt aan alle fracties en het primaire politieke proces?

Deze leden vragen welk beloningsbeleid gehanteerd wordt voor de functies die betrekking hebben op analyse en onderzoek en hoe dat beleid zich verhoudt tot vergelijkbare functies bij andere publieke instellingen, zoals het Centraal Planbureau (CPB) en Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP).

Deze leden vragen of het Presidium varianten in beeld zou kunnen brengen waarin in ieder geval een deel van het aanvullende budget voor analyse en onderzoek rechtstreeks bij de fracties terecht zou komen. Gelet op het aandeel medewerkers dat reeds bij DAO aanwezig is, zou het niet vreemd zijn als ook de fracties een bepaald extra budget toegewezen krijgen om zelf te kunnen investeren in een medewerker die zich richt op inhoudelijke verdieping en ondersteuning.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben vragen over de uitgaven aan de DAO. Deze dienst is de afgelopen jaren fors uitgebreid. In 2020 betrof het aantal medewerkers 40, in 2022 73, in 2024 83 en in 2025 92. In de geleidende brief lezen deze leden dat er een meerjarig ingroeimodel is waardoor er structureel wordt geïnvesteerd voor versterking van de DAO. Dat deze dienst, gezien het rapport van de werkgroep Versterking functies Tweede Kamer, groeit is begrijpelijk en noodzakelijk. Echter hebben deze leden vragen bij de omvang van de groei.
De omvang van de dienst is in een paar jaar tijd ruimschoots verdubbeld. Deze leden vragen het Presidium om een nadere duiding van de aard en noodzaak van deze sterke groei. Is deze sterke groei nog wel noodzakelijk gelet op de opkomst en het toenemende gebruik van AI, ook in het Kamerwerk?
Deze leden lezen in de begrotingstoelichting dat de uitgaven aan de DAO (spoor 1), bovenop de zeer sterke groei van afgelopen jaren, de komende jaren met 482 procent gaat groeien. Deze leden vragen het Presidium een overzicht te verschaffen van de aantallen medewerkers van DAO voor elk van de jaren tussen 2018 en 2025 en een prognose hiervan voor de jaren 2026 tot en met 2031. Aanvullend vragen zij het Presidium de noodzaak en invulling van de groei de komende jaren nader uiteen te zetten.

Deze leden vragen het Presidium nader te duiden wat de extra investering van 10 miljoen euro de komende jaren concreet gaat opleveren.

Deze leden vragen het Presidium hoeveel van het budget van het ingroeimodel, zoals uiteengezet in de tabel in de begrotingstoelichting, al een (structurele) bestemming heeft en voor welk bedrag nog een exacte bestemming gezocht moet worden. Hoeveel fte verwacht het Presidium extra te moeten aantrekken om het geld uit te kunnen geven?

Deze leden lezen in de geleidende brief dat het Presidium de mogelijkheid geeft om per amendement het budget (deels) te gebruiken als aanvulling op de fractiegelden. Klopt het dat het Presidium hier zelf niet voor heeft gekozen, maar er de voorkeur aan heeft dit budget enkel te besteden aan de ambtelijke organisatie? Zo ja, waarom? Waarom wordt er niet voor gekozen het geld evenredig te verdelen over de ambtelijke organisatie en de fractiegelden, aangezien het zeker voor relatief kleine fracties die volop meedoen aan het parlementaire proces een uitdaging is om voldoende ondersteuning voor al dat werk te organiseren? Ondersteuning die bovendien onmogelijk kan worden geboden door DAO.

Deze leden vragen het Presidium om nadere duiding te geven bij de volgende teksten uit de geleidende brief: “Dit versterkt o.a. de kennis- en informatiepositie van de Kamercommissies. Ook krijgt DAO meer capaciteit om maatwerk te leveren voor vragen vanuit Kamerleden en fracties.”Op deze manier ontwikkelt de Kamer een meer eigenstandige kennispositie.”

Wat is dit ‘maatwerk’ wat nu niet geleverd kan worden, maar in de toekomst wel, zo vragen zij. In hoeverre heeft de Kamer nu geen eigenstandige kennispositie? Heeft het Presidium signalen dat er behoefte is aan een meer eigenstandige kennispositie ten opzichte van de huidige situatie? Waar is dit op gebaseerd?

Deze leden vragen het Presidium ook te reflecteren op het onderzoek Van overvloed naar overzicht? van de Universiteit Leiden (Kamerstuk 28362, nr. 85), waaruit blijkt dat Kamerleden maar beperkt gebruikmaken van de diensten van DAO. In hoeverre zou een nog grotere groei van DAO in de komende jaren, ten opzichte van de groei van afgelopen jaren, te rechtvaardigen zijn gezien de conclusies van dit onderzoek?

Deze leden hebben ook vragen over het functiehuis en inschaling van de ambtelijke organisatie. Uit openbare informatie en openstaande vacatures en uit de begrotingstoelichting blijkt dat functies als griffier en kenniscoördinatoren ingeschaald worden in schaal 13. Hoe verhoudt deze inschaling zich tot de inschaling bij het Rijk, organisaties als het CPB en het SCP waar ook (gepromoveerd) onderzoekers werken (zie deze recente vacature bij het SCP voor een gepromoveerd wetenschappelijk medewerker in schaal 12 https://web.archive.org/web/20260218153045mp_/https:/www.werkenvoornederland.nl/vacatures/wetenschappelijk-medewerker-onderwijs-en-kwaliteit-van-de-samenleving-VWS-2026-2058 en deze vacature voor econoom bij het CPB waar wetenschappelijk medewerkers worden ingeschaald in schaal 10-12 https://web.archive.org/web/20250321093924/https:/www.cpb.nl/het-cpb-zoekt-een-leergierige-econoom-met-een-brede-belangstelling-voor-beleid), en tot inschaling van fractiemedewerkers?
Een groot deel van het extra budget wordt ook gebruikt voor informatievoorziening, zien deze leden in de Begrotingstoelichting. In de geleidende brief staat hierover: “Kamerleden en commissies krijgen hierdoor toegang tot nieuwe en beter ontsloten informatiebronnen”. Kan nader geconcretiseerd worden wat hiermee wordt bedoeld?

3. Toekomstbestendige Kamerorganisatie


Er wordt gewerkt aan het opstellen van een organisatievisie. Daarin wordt duidelijk waar de Kamerorganisatie in 2030 wil staan. Hoe wordt het werken aan deze visie vormgegeven? Worden er bijvoorbeeld gesprekken met mensen uit de organisatie en de fracties gevoerd? Gaat deze visie alleen over de ambtelijke organisatie of ook over de fracties in de Kamer? Wanneer zal deze visie, naar verwachting, gereed zijn? Wat is in dezen de relatie met de Kamerbrede gedragscode, waar op dit moment aan wordt gewerkt? In hoeverre zal in deze Kamerbrede gedragscode worden meegenomen dat leden van de Kamer zich dienen te onthouden van gedragingen die het gezag of de waardigheid van de Kamer schaden? In hoeverre kan daarbij een onderscheid worden gemaakt tussen gedragingen in de Kamer, gedragingen buiten de Kamer en gedragingen online? Graag krijgen de leden van de VVD-fractie een reactie van het Presidium.
In 2025 is er in de Kamer geëxperimenteerd met het gebruik van generatieve artificiële intelligentie. Dat experiment is inmiddels geëvalueerd. Hoe zal het gebruik van AI in de Kamer verder vorm worden gegeven, zo vragen deze leden.


De leden van de CDA-fractie hechten er waarde aan dat de Kamerorganisatie een lerende organisatie is. Deze leden vermoeden dat onder (recent vertrokken) Kamerleden waardevolle inzichtingen opgehaald kunnen worden over welke vormen van ondersteuning van waarde zijn voor het goed functioneren van Kamerleden. Daarom vragen deze leden of en hoe er geëvalueerd wordt onder Kamerleden welke vormen van ondersteuning zij het meest gebruik van maken, hoe zij verschillende vormen van ondersteuning waarderen en van welke vorm van ondersteuning versterking nodig is.

3.1 Sociale veiligheid

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hechten veel waarde aan een veilige sociale werkomgeving voor alle Kamerbewoners. Deze leden kijken dan ook met belangstelling uit naar de Kamerbrede gedragscode.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe het staat met de uitvoering van de motie Grinwis inzake een gedragscode (Kamerstuk 36714, nr. 15). Welke vorm krijgt deze en wanneer zal deze worden opgeleverd en geïmplementeerd?

3.2 Arbeidsmarkt in transitie

De leden van de CDA-fractie lezen dat er in 2026 een medewerkersonderzoek wordt uitgevoerd om inzicht te krijgen in thema’s als werkdruk, inclusie, leiderschap en sociale veiligheid. Voor deze leden is het van belang dat de medewerkers zich op hun gemak voelen in de omgang met Tweede Kamerleden. Zij vragen of in het onderzoek hier ook aandacht aan besteed wordt.

4. Werkwijze van de Kamer

De leden van de D66-fractie merken op dat er sinds een aantal maanden een nieuw inschrijfsysteem is voor plenaire debatten na afloop van de regeling van werkzaamheden. In plaats van inschrijving in de zaal dienen leden zich bij het vallen van de hamer digitaal in te schrijven voor debatten. Deze leden vragen wat de eerste ervaringen zijn met dit inschrijfsysteem. Zij merken zelf op dat het, in ieder geval in de eerste weken, leek voor te komen dat ook aanmeldingen ingediend vóór de hamerslag geaccepteerd werden. Het systeem van digitaal inschrijven is minder transparant dan inschrijven in de zaal. Wat waren de beweegredenen om van dit systeem af te stappen, zo vragen zij.

Eén van de aanbevelingen uit het rapport Voor een Kamer die werkt van de werkgroep-Kamminga is het evalueren van het nieuwe appreciatiekader van moties. De leden van de VVD-fractie vragen naar de stand van zaken van deze evaluatie.

Tijdens een wetgevingsoverleg op 9 maart jl. is er door één van de aanwezige Kamerleden gevraagd om de avondschorsing gelijktijdig te laten plaatsvinden met de aanvang van de iftartijd. Dit ordevoorstel is behandeld conform artikel 8.10, derde lid, van het Reglement van Orde. Deze leden hebben de brief daarover van de Voorzitter d.d. 31 maart 2026 gelezen. Wat deze leden betreft, is het onwenselijk als tijdens plenaire vergaderingen, commissiedebatten en andere Kamerbijeenkomsten ordevoorstellen worden gedaan vanwege iftar of andere religieuze activiteiten. Schorsingen kunnen om die redenen wat hen betreft niet plaatsvinden. Naar de mening van deze leden is religie een privéaangelegenheid. Religieuze activiteiten horen dan ook niet thuis in de Kamer. In dezen moet de Kamer neutraliteit betrachten, want die vertegenwoordigt immers het gehele Nederlandse volk.


De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hechten aan het goede parlementaire debat. Deze leden vinden het daarom belangrijk dat de Kamer inhoudelijke debatten kan voeren waarin de regering zo goed mogelijk kan worden gecontroleerd en Kamerleden onderling een goed inhoudelijk debat kunnen voeren. Deze leden vinden het van belang dat er voldoende mogelijkheid is om tijdens het debat interrupties te kunnen plegen. Bij de afgelopen begrotingsbehandelingen was het echter niet bij alle begrotingen op een gelijk manier mogelijk omdat bij de ene begrotingsbehandeling het aantal interrupties niet werd beperkt en bij andere begrotingsbehandelingen juist wel. Zij zouden het goed vinden als voor alle begrotingsbehandelingen dezelfde regel wordt gehanteerd. Graag ontvangen zij op dit punt een reactie van het Presidium.

Een ander element waar deze leden graag aandacht voor vragen is de geregelde uitloop van de Regeling van Werkzaamheden omdat hier soms uitgebreide verzoeken worden geformuleerd en reacties op de verzoeken soms ook halve debatinbrengen zijn. Zij zouden het goed vinden als bij de Regeling van Werkzaamheden meer aandacht komt voor een korte en bondige procedurele gang van zaken.

Het is geen geheim dat de leden van de CDA-fractie van mening zijn dat de Kamer zorgvuldig en behoedzaam om dient te gaan met haar instrumenten. Deze leden hebben dan ook met tevredenheid gelezen dat het Presidium in haar geleidende brief beaamt dat zeker bij het intrument motie overdaad kan schaden. Wat zij echter missen is voorstellen om die zorgvuldigheid in de praktijk meer handen en voeten te geven. Kan hier verder op worden ingegaan?

4.1 Vergaderen in de regio

Naar aanleiding van de motie van de leden Wijen-Nass en Vijlbrief heeft het Presidium besloten in 2026 twee keer te experimenteren met een commissievergadering in de regio. Bij de volgende Raming zal de Kamer worden geïnformeerd over de opgedane ervaringen. De leden van de VVD-fractie vragen het Presidium of er een inschatting van de kosten kan worden gemaakt. Wat zullen die kosten zijn? Overigens vragen deze leden in hoeverre de veiligheid van Kamerleden, Kamerpersoneel en medewerkers van Kamerfracties kan worden gegarandeerd. In hoeverre kan hetzelfde niveau van veiligheid als in het gebouw van de Kamer worden geborgd? Graag krijgen zij een reactie van het Presidium.

De leden van de BBB-fractie danken het Presidium voor de uitwerking van de door BBB-fractie ingediende motie om commissiedebatten in de regio mogelijk te maken. Voor deze leden is dit geen symbolisch punt. Te vaak wordt beleid gemaakt op afstand van de praktijk, terwijl de gevolgen juist in de regio het hardst worden gevoeld. Het verheugt deze leden dan ook dat binnen de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken inmiddels een voorbereidingsgroep actief is om het voorstel van het Presidium nader uit te werken, en te komen tot een voorstel voor een commissiedebat in de regio.

5. Integrale veiligheid in de Tweede Kamer

5.1 Weerbaarheid Kamer

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vernemen graag wanneer het Presidium de Kamer nader kan informeren over de uitwerking dan wel vervolgstappen van het ‘programma weerbaarheid’ dat in opdracht van de Griffier gestart is.

6. Huisvesting Tweede Kamer


De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het belangrijk dat de Kamer gastvrij is naar bezoekers. Deze leden constateren dat met name in de avonduren wanneer er vergaderingen zijn, maar het Statenlokaal gesloten is er amper mogelijkheden zijn voor bezoekers om iets te drinken. Welke mogelijkheden ziet het Presidium om in de Statenpassage bijvoorbeeld een koffie/thee/water voorziening te plaatsen zodat bezoekers ook tijdens avonddebatten iets kunnen drinken?

7. Overig

De leden van de D66-fractie merken op dat tijdens verkiezingsrecessen bepaalde Kamerfaciliteiten hetzelfde rooster draaien als tijdens reguliere recessen. Meer dan tijdens reguliere recessen zijn veel medewerkers in het pand aanwezig en maken lange dagen, waarop zij juist graag gebruik maken van de faciliteiten zoals het restaurant en koffiecorner op de derde verdieping. Wat is de reden dat deze faciliteiten sluiten tijdens verkiezingsrecessen, zo vragen deze leden. Is het mogelijk om deze open te houden in die periodes?

Deze leden vragen waar de verdeling van recesweken over het jaar op is gebaseerd. Zo heeft de Kamer drie weken reces rondom de Kerstdagen en de jaarwisseling, maar één week rondom de voorjaarsvakantie. Dit terwijl in heel Nederland de schoolvakantie rond Kerst en de jaarwisseling twee weken duurt, terwijl de voorjaarsvakantie een vakantiespreiding over twee weken heeft. Dat heeft als gevolg dat de Kamer vergadert terwijl het in een groot deel van Nederland vakantie is. Daarnaast is dit lastig voor Kamerleden met schoolgaande kinderen die vakantie hebben in de week dat de Kamer geen reces heeft en vice versa. Welke mogelijkheden zijn er om het Kerstreces met een week in te korten en deze week bij het voorjaarsreces te betrekken?

Deze leden lezen dat binnen de politieke artikelen 8,7 miljoen euro voor wachtgelduitkeringen wordt toegevoegd als gevolg van een groter beroep op de wachtgeldregeling door vertrekkende en niet herkozen Kamerleden. Zij constateren dat er Kamerleden zijn die zeggen tijdelijk ontslag te nemen om andere werkzaamheden te verrichten en zich “laten vervangen”. Van deze Kamerleden stelt een deel geen gebruik te maken van de wachtgeldregeling, maar die claim kan niet worden gecontroleerd. Het tijdelijk terugtreden als Kamerlid is een vreemde figuur die zich volgens deze leden niet laat rijmen met de ambtseed (tenzij het formeel verlof betreft of er duidelijk sprake is van ziekte), maar is al helemaal niet uit te leggen als er gebruik zou worden gemaakt van wachtgeld. Dat geldt ook voor de “vervanger” die recht zou hebben op wachtgeld als deze het daarvoor vereiste minimaal aantal maanden Kamerlid is geweest. Dit fenomeen is echter lastig te bestrijden als men niet kan controleren of er daadwerkelijk gebruik kan worden gemaakt van wachtgeld. Welke mogelijkheden ziet het Presidium om hier toch enige vorm van toezicht op uit te oefenen, zo vragen zij.

Deze leden constateren dat bij de stemmingen met enige regelmaat sprake is van stakende stemmen. Zij constateren tevens dat er in het geval van stakende stemmen vaak direct voor een tweede keer bij handopsteken en aansluitend hoofdelijk wordt gestemd. Dit is veelal een tijdrovende exercitie. Zij vragen op welke regel in het Reglement van Orde deze praktijk gebaseerd is. Op grond van paragraaf 8.3.2 van het Reglement van Orde kan worden volstaan met stemmen bij handopsteken. Zij vragen of bij stakende stemmen bij handopsteken alleen kan worden overgegaan tot hoofdelijk stemmen indien een lid daartoe actief verzoekt en het voorstel anders niet wordt aangenomen.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het belangrijk dat jongeren in aanraking komen met de instituties van de democratische rechtsstaat. Het werk van ProDemos is daarin van belang. Deze leden hebben afgelopen jaar een motie ingediend (Kamerstuk 36714, nr. 14) waarin het Presidium verzocht werd om het ministerie van BZK en het ministerie van Justitie en Veiligheid (J&V) in overleg te treden met als doel om de activiteiten van ProDemos voort te laten zetten. In de Raming zijn de middelen voor ProDemos vanuit de Kamer voor de komende periode tot en met 2031 opgenomen. Zij lezen in reactie op de aangenomen motie dat de middelen vanuit het kabinet tot 2027 geborgd zijn, maar dat de afspraken voor de periode vanaf 2027 nog niet helder zijn. Wat is de stand van zaken nu? Is het Presidium bereid om opnieuw met BZK en J&V te bezien hoe de activiteiten van ProDemos structureel geborgd kunnen worden.

De leden van de CDA-fractie vragen om een stand van zaken rondom de evaluatie van de dienstauto van de Griffier.

Deze leden zouden graag nader inzicht hebben in de buitenlandse reiskosten van Kamerleden. Specifiek vragen zij of aangegeven kan worden hoeveel geld er is uitgegeven aan vluchten naar het buitenland voor Kamerleden, uitgesplitst in eerste en tweede klas, en of hierbij aangegeven kan worden om hoeveel vluchten dit gaat.

Deze leden vragen welke inzet er vanuit de organisatie gepleegd wordt op leefstijl van de Kamerbewoners. Met onder andere de onregelmatige werktijden en veelal zitgebonden werkomgeving is de Kamer immers niet in alle opzichten een gezonde werkomgeving.

Deze leden vragen of er signalen bekend zijn van medewerkers die veelvuldig dienst draaien in de plenaire zaal over de verlichtingstechniek in de plenaire zaal in relatie tot een natuurlijke dag-en-nachtcyclus.

Gastvrijheid is voor de leden van de BBB-fractie een kernwaarde. De Kamer moet een toegankelijke plek zijn voor iedere Nederlander. In dat licht vragen deze leden aandacht voor een ogenschijnlijk klein, maar betekenisvol punt: het verstrekken van een muntje voor koffie aan bezoekers. Dit was in het verleden gebruikelijk, maar is inmiddels afgeschaft. Kan het Presidium toelichten waarom hiervoor is gekozen? Is het Presidium bereid te bezien of dit soort laagdrempelige vormen van gastvrijheid heringevoerd kunnen worden? Juist dit soort gebaren maken dat mensen zich welkom voelen in hun eigen parlement.

Deze leden hebben tot slot nog een opmerking over de brief van het Presidium inzake de regels omtrent een religieuze schorsing, in dit geval een iftar. Zij constateren dat het Reglement van Orde een dergelijke schorsing niet verbiedt. Tegelijkertijd zijn zij van mening dat het faciliteren van religieuze momenten niet tot de kerntaken van de Kamer behoort. De Kamer is er voor wetgeving en controle en dient daarin neutraal en verbindend te opereren.

Het Presidium roept de Kamer op om zich hierover uit te spreken. Deze leden geven in ieder geval aan dat zij een aanpassing van het Reglement van Orde op dit punt het overwegen waard vinden, om duidelijkheid te scheppen voor de toekomst. Zij vragen de Voorzitter welke mogelijke nadelen of onbedoelde gevolgen een dergelijke aanpassing met zich mee zou kunnen brengen, zowel praktisch als staatsrechtelijk.

De leden van de SGP-fractie vragen hoe het Presidium reflecteert op de grote verschillen die bestaan in de termijnen van de beantwoording van schriftelijke vragen door de verschillende ministeries. In hoeverre wordt gerichte actie ingezet om bijvoorbeeld een top-5 van wanpresteerders tot verbetering te bewegen? Deze leden wijzen erop dat er departementen zijn die zowel een zeer laag percentage kennen van vragen die binnen de gestelde termijn zijn beantwoord als een hoog percentage antwoorden die meer dan een maand buiten de gestelde termijn worden aangeleverd. Welke rol wil het Presidium vervullen om verbetering aan te jagen en hoe kan de ervaring van departementen die het juist heel goed doen hierbij van nut zijn?
Deze leden vragen het Presidium naar aanleiding van recente ophef over een iftarschorsing om toe te lichten hoe wordt omgegaan met een beroep op religieuze verplichtingen en gewoonten in de organisatie en de agenda van de Kamer. Kan het Presidium bevestigen dat in de recentere parlementaire geschiedenis niet op bijzondere wijze rekening is gehouden met bijvoorbeeld bijzondere gebedsdagen en dat er geen reden is om tot wijziging van de staande praktijk te komen dat dit vooral aan de individuele verantwoordelijkheid van de Kamerleden wordt overgelaten? Hoe wil het Presidium eraan bijdragen dat dit hierover voldoende duidelijkheid bestaat binnen de Kamer en dat bijvoorbeeld niet opnieuw discussie ontstaat in commissievergaderingen?

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van de brief van het Presidium over de schorsing tijdens het wetgevingsoverleg Integratie en maatschappelijke samenhang. Deze leden lezen in de brief dat in het Presidium geen overeenstemming is bereikt over de te nemen maatregelen. Zij achten het bijzonder ongewenst dat een vergadering wordt geschorst vanwege een religieuze activiteit van één van de aanwezige leden bij een vergadering. Zij begrijpen dat over een dergelijk voorstel de Kamer c.q. commissie altijd besluit of het ordevoorstel wordt gehonoreerd. Zij vragen of het huidig Reglement van Orde een mogelijkheid biedt voor de Voorzitter van de Kamer of de voorzitter van een commissie om een verzoek voor een dergelijke schorsing te kunnen weigeren? Zo nee, moet het Reglement van Orde hierop worden aangescherpt? Op welke wijze zou het Reglement van Orde kunnen worden aangescherpt om schorsingen voor religieuze activiteiten te voorkomen?
Deze leden hebben gezien dat de Kamer fysiek te ontoegankelijk is voor mensen in een rolstoel. Voor het huis van de democratie was het beschamend dat bij een debat over het gehandicaptenbeleid er geen ruimte was voor bezoekers in een rolstoel het debat fysiek bij te kunnen wonen. Zij vragen het Presidium de aangenomen motie van het lid Bikker (Kamerstuk 36800-XVI, nr. 183) met spoed op te pakken en verbeteringen aan te brengen. Zij vragen het Presidium naar de stand van zaken en de planning voor uitvoering van deze motie.

Deze leden merken op dat de Tweede Kamer in het verleden deelnemer was van de Nationale Prokkelstagedag, een stage voor één dag voor iemand met een beperking bij een bedrijf of organisatie. Veel andere vergelijkbare organisaties, zoals de Eerste Kamer en veel ministeries, doen hier jaarlijks aan mee. De Tweede Kamer doet nu al een aantal jaar niet mee en ook dit jaar niet. Deze leden vragen het Presidium toe te lichten waarom zij hieraan niet deelneemt en of zij dit besluit wil heroverwegen en alsnog wil deelnemen aan de nationale Prokkelstagedag op 4 juni aanstaande.