[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Amendement van de leden Neijenhuis en Patijn over bij ministeriële regeling regels kunnen stellen aan vergoedingen

Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs en de Wet financiering sociale verzekeringen teneinde aan flexibele arbeidskrachten meer zekerheden te verschaffen over werk en inkomen (Wet meer zekerheid flexwerkers)

Amendement

Nummer: 2026D16709, datum: 2026-04-09, bijgewerkt: 2026-04-09 12:30, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen:

Onderdeel van kamerstukdossier 36746 -27 Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs en de Wet financiering sociale verzekeringen teneinde aan flexibele arbeidskrachten meer zekerheden te verschaffen over werk en inkomen (Wet meer zekerheid flexwerkers) .

Onderdeel van zaak 2026Z07484:

Preview document (🔗 origineel)


TWEEDE KAMER DER STATEN-GENERAAL 2
Vergaderjaar 2025-2026
36 746 Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs en de Wet financiering sociale verzekeringen teneinde aan flexibele arbeidskrachten meer zekerheden te verschaffen over werk en inkomen (Wet meer zekerheid flexwerkers)
Nr. 27 AMENDEMENT VAN de leden neijenhuis en patijn
Ontvangen 9 april 2026
De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:

Na artikel II, onderdeel A, wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

Aa

Aan artikel 9a wordt een lid toegevoegd, luidende:

3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de hoogte van de in het tweede lid genoemde redelijke vergoeding.

Toelichting

Met dit amendement willen de indieners een grens stellen aan de mogelijkheid die de wet biedt om een vergoeding te vragen als een arbeidskracht gaat werken bij de inlenende werkgever na afloop van een terbeschikkingstelling. De indieners zien namelijk dat in de praktijk veel en hoge vergoedingen betaald worden om werknemers in dienst te kunnen nemen nadat zij via een uitzendcontract hebben gewerkt. Op dit moment bestaat er in de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi) een abstracte voorwaarde aan deze vergoeding dat deze redelijk dient te zijn, maar indieners zijn van mening dat de hoogtes van deze vergoedingen in de praktijk niet in verhouding staan tot de gemaakte kosten van het uitzendbureau. Bijvoorbeeld in het onderwijs wordt op dit moment veel onderwijsgeld besteed aan het afkopen van uitzendbureaus, wat op zich al onwenselijk is en ook een belemmering opwerpt om mensen in dienst te nemen. De indieners vinden dat juist gestimuleerd moet worden om uitzendkrachten in dienst te nemen. Daarom stelt dit amendement voor om met regelgeving een concrete grens te kunnen stellen aan deze vergoedingen. De hoogte van die grens kan nader bepaald worden per ministeriële regeling.

Neijenhuis

Patijn