Concept Wijziging Arbeidsomstandighedenbesluit en enige andere besluiten
Bijlage
Nummer: 2026D16725, datum: 2026-04-09, bijgewerkt: 2026-04-09 13:41, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Bijlage bij: Implementatie asbestrichtlijn (2026D16724)
Preview document (🔗 origineel)
Besluit van tot wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit en enige andere besluiten in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2668 van het Europees Parlement en de Raad van 22 november 2023 tot wijziging van Richtlijn 2009/148/EG betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan asbest op het werk (PbEU L 2023/2668) (Implementatiebesluit richtlijn 2023/2668) [KetenID WGK026090] |
|---|
Op de voordracht van de Minister van Werk en Participatie van datum openlaten , nr. nr. invullen , gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat;
Gelet op Richtlijn (EU) 2023/2668 van het Europees Parlement en de Raad van 22 november 2023 tot wijziging van Richtlijn 2009/148/EG betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan asbest op het werk (PbEU L 2023/2668), de artikelen 16, eerste, tweede, zevende, negende en tiende lid, 16a, 19a, tweede lid, 20, eerste en vierde lid, 29a, vijfde lid, 33, tweede lid, 34, vijfde en zevende lid en 45a, van de Arbeidsomstandighedenwet, artikel 4.3, eerste lid, van de Omgevingswet en artikel 9.2.2.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer;
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van datum, nr. );
Gezien het nader rapport van de Minister van Werk en Participatie van datum openlaten , nr. nr. invullen, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,
HEBBEN GOEDGEVONDEN EN VERSTAAN:
ARTIKEL I
Het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt als volgt gewijzigd:
A
Aan artikel 1.1, achtste lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel f door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:
g. Register gezond en veilig werken met asbest: het register, genoemd in artikel 1.5j, eerste lid, onderdeel g.
B
Aan artikel 1.5j, eerste lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel f door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:
g. het Register gezond en veilig werken met asbest.
C
In artikel 1.39 wordt ‘paragraaf 2 van afdeling 10 van hoofdstuk 4’ vervangen door ‘paragraaf 2 van afdeling 7 van hoofdstuk 4’.
D
Na afdeling 1a van hoofdstuk 2 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:
Afdeling 1b. Landelijke voorziening Omgevingswet
Artikel 2.1b. Gebruik landelijke voorziening
1. De meldingen, bedoeld in de artikelen 4.37, eerste en derde lid, 4.53, eerste lid, en 4.56, eerste lid, kunnen worden gedaan via de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 20.21 van de Omgevingswet.
2. De artikelen 14.2, 14.3 en 14.7 van het Omgevingsbesluit zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van ‘het bevoegd gezag’ wordt gelezen: ‘de daartoe aangewezen toezichthouder’.
Artikel 2.1c. Doorzendfunctionaliteit
Onverminderd artikel 14.5b van het Omgevingsbesluit, voorziet de landelijke voorziening in het elektronisch doorzenden van een melding of gegevens en bescheiden om te voldoen aan een andere informatieverplichting dan een melding op grond van de Omgevingswet naar een daartoe aangewezen toezichthouder voor het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens dit besluit.
Artikel 2.1d. Doorzenden berichten
1. Voor het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet, brengt Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening onverwijld de volgende berichten binnen het bereik van een daartoe aangewezen toezichthouder:
sloopmeldingen als bedoeld in artikel 7.10 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, indien bij de sloopwerkzaamheden asbest wordt verwijderd; en
berichten om te voldoen aan de informatieplichten, bedoeld in artikel 7.12, tweede en derde lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
2. Artikel 14.7b, tweede lid, van het Omgevingsbesluit is van toepassing op de berichten, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 2.1e. Verwerking van persoonsgegevens bij gebruik landelijke voorziening
1. De artikelen 14.8, tweede lid, 14.9 en 14.10 van het Omgevingsbesluit zijn van overeenkomstige toepassing op de daartoe aangewezen toezichthouder, met dien verstande dat in plaats van ‘het bevoegd gezag’ wordt gelezen ‘de daartoe aangewezen toezichthouder’.
2. Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening verwerkt voor het doorzenden van berichten als bedoeld in artikel 2.1d, eerste lid, de volgende persoonsgegevens:
over gebruikers: gegevens om te kunnen communiceren, waaronder de naam, de organisatienaam, het adres, het e-mailadres en het telefoonnummer;
over initiatiefnemers, opdrachtgevers en uitvoerders: gegevens voor het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet, waaronder gegevens over de activiteit, de locatie waar de activiteit wordt verricht, de naam, de organisatienaam en het adres; en
over derden: gegevens om het asbestinventarisatierapport en de resultaten van de eindbeoordeling, bedoeld in de artikelen 7.9 respectievelijk 7.12, derde lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving te verifiëren, waaronder de naam van de partij die het asbestinventarisatierapport heeft opgesteld respectievelijk de eindbeoordeling heeft verricht.
3. Artikel 14.10c, tweede lid, van het Omgevingsbesluit is van toepassing op de persoonsgegevens, bedoeld in het derde lid.
E
In artikel 2.26 wordt ‘hoofdstuk 4, afdeling 5’ vervangen door ‘hoofdstuk 4, afdeling 3’.
F
Artikel 4.1a, wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt ‘afdeling 5’ vervangen door ‘afdeling 3’.
2. In het tweede lid wordt ‘4.61b’ vervangen door ‘4.73’.
G
In artikel 4.10c, vierde lid, wordt ‘artikel 4.53, eerste lid’ vervangen door ‘artikel 4.46, eerste lid’.
H
Artikel 4.23 wordt vernummerd tot artikel 4.22.
I
Na artikel 4.22 (nieuw) wordt een afdeling ingevoegd, luidende:
Afdeling 3. Aanvullende voorschriften asbest
§ 1. Inleidende bepalingen
Artikel 4.23. Begripsbepalingen
In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
asbest: stoffen die een of meer van de volgende vezelachtige silicaten bevatten:
1°. actinoliet (CAS-nummer 77536–66–4);
2°. amosiet (CAS-nummer 12172–73–5);
3°. anthofylliet (CAS-nummer 77536–67–5);
4°. chrysotiel (CAS-nummer 12001–29–5);
5°. tremoliet (CAS-nummer 77536–68–6);
6°. crocidoliet (CAS-nummer 12001-28-4);
serpentijnasbest: het vezelachtige silicaat chrysotiel;
amfibool asbest: de vezelachtige silicaten actinoliet, amosiet, anthofylliet, tremoliet en crocidoliet;
asbesthoudende producten: producten, waaronder mede begrepen bodem, grond en baggerspecie, die een of meer van de vezelachtige silicaten, genoemd in onderdeel a, bevatten;
asbeststof: stof afkomstig van asbest of asbesthoudende producten;
asbestverdacht materiaal: materiaal dat naar redelijke verwachting asbest is of een product waarin naar redelijke verwachting asbest aanwezig is of asbest dan wel een asbesthoudend product is toegepast;
asbestvezel: een asbestdeeltje dat langer is dan 5 micrometer, een breedte heeft van minder dan 3 micrometer en een lengte/breedteverhouding van meer dan 3/1;
containment: gesloten, voor personen toegankelijke constructie waarin een onderdruk en mechanische ventilatie in stand worden gehouden om de arbeidsplaats waar asbest wordt verwijderd af te schermen, verspreiding van asbeststof buiten deze werkplek te voorkomen en de concentratie asbestvezels op de arbeidsplaats te beheersen;
object: object als bedoeld in artikel 1 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005.
Artikel 4.24. Toepasselijkheid
1. Indien arbeid wordt verricht waarbij werknemers worden of kunnen worden blootgesteld aan asbeststof, is naast de afdelingen 1 en 2 van dit hoofdstuk tevens deze afdeling van toepassing, met uitzondering van artikel 4.16, eerste en tweede lid, en met inachtneming van het tweede lid.
2. De paragrafen 2 tot en met 5 van deze afdeling zijn van toepassing op arbeid met betrekking tot asbesthoudende producten indien de concentratie serpentijnasbest, vermeerderd met tienmaal de concentratie amfibool asbest hoger is dan honderd milligram per kilogram droge stof.
3. Bij ministeriële regeling wordt bepaald op welke wijze de concentraties asbest als bedoeld in het tweede lid worden vastgesteld.
Artikel 4.25. Grenswaarde
Een werknemer wordt niet blootgesteld aan een asbestconcentratie in de ingeademde lucht die groter is dan 2000 vezels per m3, berekend als tijdgewogen gemiddelde over een periode van acht uur.
Artikel 4.26 Asbestbewustzijn
Aan werknemers die arbeid verrichten waarbij zij in aanraking komen of kunnen komen met asbest of asbesthoudende producten, wordt doeltreffende voorlichting gegeven over de eigenschappen van asbest, de in relatie tot de arbeid relevante asbesthoudende producten en de omgang met asbest en asbesthoudende producten.
§ 2. Algemene regels voor het werken met asbest
Artikel 4.27. Toepasselijkheid
1. Deze paragraaf is, in aanvulling op paragraaf 1 en met inachtneming van artikel 4.28, van toepassing op:
werkzaamheden met of aan asbest, asbesthoudende producten of asbestverdacht materiaal;
werkzaamheden, anders dan die bedoeld onder a, die vanwege hun aard onvermijdelijk leiden of kunnen leiden tot blootstelling aan asbeststof, met uitzondering van de artikelen 4.37, 4.39, eerste lid, onderdeel a, 4.40, tweede lid, onderdelen b en c, en 4.41, en voor zover, gelet op de aard van de werkzaamheden, naleving van de relevante bepalingen in redelijkheid mogelijk is.
2. Bij de toepassing van artikel 4.19, eerste lid, wordt onder een gevarenzone mede verstaan een plaats als bedoeld in artikel 4.11, onderdeel g, die buiten een bedrijf of inrichting ligt.
3. Artikel 1.5ha is van overeenkomstige toepassing op de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 4.28. Afwijkende bepalingen
In plaats van de artikelen, genoemd in de eerste kolom van onderstaande tabel, worden de daarachter vermelde artikelen toegepast:
| Artikel | |
|---|---|
| 4.15 | 4.46 |
| 4.16, derde tot en met vijfde lid | 4.42 en 4.43 |
| 4.19, eerste lid, onderdelen d en e | 4.39, eerste lid, onderdelen d en e |
| 4.20, vijfde lid | 4.44, derde lid |
Artikel 4.29. Aanvullende voorlichting
Aan werknemers die werkzaamheden verrichten waarop deze paragraaf van toepassing is, wordt, in aanvulling op artikel 4.10d, doeltreffende voorlichting gegeven over
de noodzaak van het toezicht op het asbestgehalte in de lucht en de daarvoor geldende grenswaarde.
Artikel 4.30. Aanvullend onderricht
De werkgever zorgt ervoor dat alle werknemers die werkzaamheden verrichten waarop deze paragraaf van toepassing is, een passende opleiding hebben gevolgd die is toegespitst op het beroep, de taken, en de werkmethoden die met het beroep gepaard gaan en hen op een begrijpelijke manier de nodige kennis en vaardigheden voor het verrichten van de werkzaamheden verschaft.
2. De opleiding vindt plaats aan het begin van een arbeidsrelatie en daarna met regelmatige tussenpozen en wanneer aanvullende opleidingsbehoeften worden vastgesteld.
3. De opleiding bestaat uit een theorie- en praktijkgedeelte en verschaft de werknemers de nodige kennis en vaardigheden inzake veiligheid en preventie in elk geval met betrekking tot:
het toepasselijke recht inzake het werken met asbest;
eigenschappen van asbest en de invloed van asbest op de gezondheid, met inbegrip van het synergetische effect van roken;
soorten producten en materialen die asbest kunnen bevatten;
handelingen die kunnen leiden tot blootstelling aan asbest en het belang van preventieve controles om blootstelling tot een minimum te beperken;
veilige werkwijzen, controles en beschermingsmiddelen;
de geëigende rol, keuze en selectie, beperkingen en het juiste gebruik van beschermingsmiddelen, met bijzondere aandacht voor ademhalingsapparatuur;
noodprocedures;
ontsmettingsprocedures;
de wijze waarop de verwijdering van afvalstoffen veilig kan worden uitgevoerd;
de eisen inzake medisch toezicht.
4. Onverminderd het derde lid, omvat de opleiding voor werknemers die werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.50 verrichten tevens het gebruik van technologische apparatuur en machines om het vrijkomen en de verspreiding van asbestvezels tijdens de arbeid te beperken.
5. Een werknemer mag slechts werkzaamheden verrichten waarop deze paragraaf van toepassing is, indien hij:
een opleiding heeft afgerond die voldoet aan dit artikel en de krachtens het achtste lid gestelde regels dan wel een opleiding heeft afgerond die overeenkomstig de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties als een zodanige opleiding is erkend;
tezamen met de opleiding is geregistreerd in het Register gezond en veilig werken met asbest; en
beschikt over een bewijs van registratie in het register, genoemd in onderdeel b.
6. Het bewijs van registratie, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel c, dan wel een afschrift hiervan is op de arbeidsplaats aanwezig.
7. Het vijfde en zesde lid zijn niet van toepassing op dienstverrichters als bedoeld in artikel 21 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties.
8. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de opleiding, waarbij onder andere kan worden bepaald dat:
voor het afronden van een opleiding het afleggen van een examen is vereist;
het examen, bedoeld in onderdeel a, wordt afgenomen door een in die regeling te bepalen partij.
Artikel 4.31. Permanente educatie
Aan de verplichting tot het met regelmatige tussenpozen herhalen van de opleiding, bedoeld in artikel 4.30, tweede lid, wordt ook voldaan, indien een werknemer vanaf het afronden van een opleiding tot en met de uiterste datum voor herhaling van de opleiding, onderwijsactiviteiten heeft gevolgd, anders dan een opleiding, en deze onderwijsactiviteiten tezamen gelijk kunnen worden gesteld aan een opleiding die voldoet aan de vereisten in artikel 4.30, eerste, derde en, indien van toepassing, vierde lid, en de krachtens artikel 4.30 achtste lid, gestelde nadere regels.
Indien een werknemer op de wijze, bedoeld in het eerste lid, heeft voldaan aan de verplichting, bedoeld in dat lid, wordt de uiterste datum voor herhaling van de opleiding bepaald aan de hand van de voorgaande uiterste datum voor herhaling van de opleiding en wordt voor de toepassing van het eerste lid gekeken naar de onderwijsactiviteiten die binnen deze periode zijn gevolgd.
Aan de verplichting tot het herhalen van de opleiding indien aanvullende opleidingsbehoeften worden vastgesteld, bedoeld in artikel 4.30, tweede lid, wordt ook voldaan indien een werknemer een of meer onderwijsactiviteiten, anders dan een opleiding, heeft gevolgd die voorzien in de aanvullende opleidingsbehoefte.
De artikelen 4.30, vijfde tot en met achtste lid, 4.32, 4.33, 4.34, eerste en vierde tot en met zevende lid, 4.35 en 4.36 zijn van overeenkomstige toepassing op onderwijsactiviteiten als bedoeld in het eerste en derde lid, met dien verstande dat:
in het geval van onderwijsactiviteiten die zijn gevolgd in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, Onze Minister beoordeelt of deze, al dan niet tezamen met andere gevolgde onderwijsactiviteiten, gelijk te stellen zijn aan een opleiding als bedoeld in artikel 4.30 respectievelijk voorzien in een aanvullende opleidingsbehoefte;
in afwijking van artikel 4.32, tweede lid, onderdeel a, voor erkenning is vereist dat de onderwijsactiviteiten ten aanzien waarvan een opleider wil worden erkend, voldoen aan de regels die op grond van artikel 4.30, achtste lid, op de betreffende onderwijsactiviteiten van toepassing zijn;
in aanvulling op artikel 4.34, vierde lid, Onze Minister op verzoek van een werkgever of werknemer tevens onderwijsactiviteiten als bedoeld in het eerste en derde lid registreert die:
zijn verzorgd door een opleider die door Onze Minister is erkend voor het verzorgen van de betreffende onderwijsactiviteiten;
zijn gevolgd in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of Zwitserland en naar het oordeel van Onze Minister gelijk te stellen zijn aan een opleiding als bedoeld in artikel 4.30 respectievelijk voorzien in een aanvullende opleidingsbehoefte.
Artikel 4.32. Erkende opleider
De opleiding, bedoeld in artikel 4.30, wordt verzorgd door een opleider die door Onze Minister is erkend voor het verzorgen van de betreffende opleiding dan wel een opleider of instructeur die door een daartoe bevoegde instantie in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of Zwitserland is erkend.
Onze Minister erkent op aanvraag een opleider, indien:
de opleidingen waarop het verzoek om erkenning als opleider betrekking heeft, voldoen aan artikel 4.30, eerste, derde, en, indien van toepassing, vierde lid en de krachtens artikel 4.30, achtste lid, gestelde nadere regels;
de opleider en de opleidingen aantoonbaar aansluiting hebben met de relevante werkvelden;
de personen die werkzaam zijn voor de opleider en de opleidingen verzorgen aantoonbaar beschikken over de benodigde kennis en didactische vaardigheden;
de opleider aantoonbaar voldoet of kan voldoen aan bij ministeriële regeling te bepalen organisatorische verplichtingen, waaronder in ieder geval verplichtingen inzake het verwerken van persoonsgegevens.
De aanvraag om erkenning wordt door de opleider ingediend met gebruikmaking van het door Onze Minister beschikbaar gestelde aanvraagformulier en gaat vergezeld van de bij ministeriële regeling te bepalen documenten.
Een erkenning is voor onbepaalde tijd geldig en vermeldt voor het verzorgen van welke opleidingen de opleider is erkend.
Aan een erkenning kunnen voorschriften worden verbonden.
Onverminderd het vijfde lid, worden aan een erkenning in ieder geval de volgende voorschriften verbonden:
de verplichting om uit eigen beweging en desgevraagd aan Onze Minister alle informatie te verstrekken die van belang kan zijn in relatie tot de erkenning;
de verplichting om op een door Onze Minister aangegeven wijze mee te werken aan onderzoeken naar het voldoen aan de erkenningsvoorwaarden, bedoeld in het tweede lid;
de verplichting om te blijven voldoen aan de organisatorische verplichtingen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel d;
de verplichting om de inhoud van de examens geheim te houden voor anderen dan de opleider zelf en, voor zover van toepassing, de partij die het examen afneemt, indien overeenkomstig artikel 4.30, achtste lid, is bepaald dat het afleggen van een examen is vereist voor afronding van de opleiding.
Onze Minister kan een erkenning geheel of gedeeltelijk intrekken, indien de opleider:
hierom heeft verzocht;
in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot afwijzing van de aanvraag om erkenning zou hebben geleid;
failliet is verklaard, aan hem surseance van betaling is verleend, ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend;
gedurende ten minste twee jaar geen opleidingen voor het verzorgen waarvan hij is erkend, heeft geregistreerd in het Register gezond en veilig werken met asbest, met dien verstande dat als de opleider voor het verzorgen van meerdere opleidingen is erkend, de intrekking van de erkenning alleen op deze opleiding betrekking heeft;
niet langer voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in het tweede lid;
opleidingen als bedoeld in artikel 4.30 heeft verzorgd, terwijl zijn erkenning op dat moment was geschorst;
niet voldoet aan de voorschriften, bedoeld in het vijfde lid.
Onze Minister kan een erkenning voor ten hoogste een jaar schorsen in de situatie, bedoeld in het zevende lid, onderdeel e.
Onze Minister kan de kosten voor het erkennen in rekening brengen bij de opleider die een aanvraag om erkenning indient.
Artikel 4.33. Van rechtswege erkende opleiders
In afwijking van artikel 4.32, zijn instellingen en aanbieders van niet uit ‘s Rijks kas bekostigd beroepsonderwijs als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs van rechtswege erkend als opleider ten aanzien van door hen gegeven opleidingen als bedoeld in artikel 4.30.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over het eerste lid, waaronder over de manier waarop een opleider kan aantonen dat een door hem gegeven opleiding voldoet aan de bij of krachtens artikel 4.30 gestelde eisen.
Artikel 4.34. Registratie opleidingen
In het Register gezond en veilig werken met asbest worden de volgende gegevens van een werknemer geregistreerd:
een uniek, aan de werknemer gekoppeld registratienummer;
de voornaam of -namen en achternaam van de werknemer;
de geboortedatum van de werknemer;
de naam, duur, inhoud, en taal van de afgeronde opleidingen en de datum en wijze van afronding;
de naam, kwalificatie en contactgegevens van de instellingen die de opleidingen hebben verzorgd.
Aan erkende opleiders als bedoeld in artikel 4.32 wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend om namens Onze Minister:
werknemers en opleidingen te registreren in het Register gezond en veilig werken met asbest op grond van het eerste lid en bewijzen van registratie te verstrekken als bedoeld in het vijfde lid, voor zover de registratie ziet op een door de erkende opleider verzorgde opleiding;
een door hem gedane registratie of geregistreerde opleiding te verwijderen indien is gebleken dat deze onjuist is of de geregistreerde de bij de erkende opleider gevolgde opleiding op frauduleuze wijze heeft afgerond;
ambtshalve of op verzoek van de geregistreerde gegevens aan te passen indien dit noodzakelijk is en voor zover het gegevens betreft die door de erkende opleider zijn geregistreerd;
beslissingen in bezwaarprocedures te nemen en op te treden in beroepsprocedures, voor zover deze procedures voortkomen uit de besluiten, bedoeld in de onderdelen a tot en met c.
De erkende opleider zorgt ervoor dat beslissingen in bezwaarprocedures, bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, worden genomen met inachtneming van het bepaalde in artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Onze Minister registreert op verzoek van een werknemer of werkgever een opleiding die:
is verzorgd door een van rechtswege erkende opleider als bedoeld in artikel 4.33;
is afgerond nog voor de schorsing of intrekking van de erkenning van een opleider, maar nog niet door de opleider was geregistreerd in het Register gezond en veilig werken met asbest;
uit het Register gezond en veilig werken met asbest is verwijderd op grond van artikel 4.35, eerste of tweede lid, indien onder het registratienummer van de werknemer een opleiding is geregistreerd die verband houdt met de eerder verwijderde opleiding.
Onze Minister verstrekt na registratie op grond van het eerste of vierde lid, aan de werknemer een bewijs van registratie waarop alle gegevens staan vermeld die over hem zijn geregistreerd.
Bij ministeriële regeling kunnen de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen d en e, nader worden ingevuld en kunnen nadere regels worden gesteld over de registratie, bedoeld in het vierde lid.
Artikel 4.35. Verwijdering registratie en geregistreerde opleidingen
Een registratie vervalt van rechtswege indien in een periode van drie jaar
geen opleidingen zijn geregistreerd onder het registratienummer van de geregistreerde.
De registratie van een opleiding vervalt van rechtswege indien in een periode van drie jaar geen opleidingen zijn geregistreerd die verband houden met de geregistreerde opleiding.
Onze Minister verwijdert een registratie dan wel een geregistreerde opleiding uit het register:
op verzoek van de geregistreerde;
indien de geregistreerde is overleden;
in de situaties, bedoeld in artikel 4.34, tweede lid, onderdeel b.
Indien een registratie of een geregistreerde opleiding van rechtswege vervalt of wordt verwijderd, worden in het Register gezond en veilig werken met asbest de datum en reden van verwijdering opgenomen en blijven de gegevens met betrekking tot de registratie respectievelijk de geregistreerde opleiding door Onze Minister voor een periode van maximaal vijf jaar bewaard.
Artikel 4.36. Afwijkingen Register gezond en veilig werken met asbest
Voor het Register gezond en veilig werken met asbest geldt dat:
in aanvulling op artikel 1.5o, eerste lid, Onze Minister alle gegevens in het Register gezond en veilig werken met asbest kan raadplegen ten behoeve van de verlening, schorsing en intrekking van een vergunning als bedoeld in artikel 19a van de wet en de partijen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, tevens de bij ministeriële regeling aangewezen informatie kunnen raadplegen over de opleidingen die de betreffende persoon heeft afgerond;
de artikelen 1.5j, zevende lid, 1.5l, 1.5m, 1.5n en 1.5p, tweede tot en met vijfde lid, niet van toepassing zijn; en
de verplichting tot aanpassing van gegevens in artikel 1.5p, eerste lid, betrekking heeft op de gegevens, bedoeld in artikel 4.34, eerste lid.
Artikel 4.37. Melding voorafgaande aan start werkzaamheden
1. Ten minste twee werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden doet de werkgever een melding aan een daartoe aangewezen toezichthouder. Deze melding bevat naast de contactgegevens van de werkgever ten minste de volgende gegevens en bescheiden:
de plaats waar de werkzaamheden worden verricht en, voor zover relevant, de specifieke zones waar de werkzaamheden zullen plaatsvinden;
de soorten en hoeveelheden asbest en asbesthoudende producten waaraan werkzaamheden worden verricht;
de werkzaamheden die met asbest of asbesthoudende producten worden verricht;
de werkmethoden, waaronder voor de bescherming en ontsmetting van werknemers, afvalverwijdering en, voor zover relevant, luchtverversing bij werkzaamheden in gesloten ruimten;
het aantal betrokken werknemers en een lijst van de werknemers die waarschijnlijk zullen werken op de plaats waar de werkzaamheden worden verricht;
het registratienummer in het Register gezond en veilig werken met asbest, bedoeld in artikel 4.34, eerste lid, onderdeel a, van de werknemers, bedoeld in onderdeel e;
of aan de werknemers, bedoeld in onderdeel e, in de drie jaar voorafgaande aan de datum waarop de melding wordt gedaan, een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 4.10a is aangeboden;
de data en de tijdstippen waarop de werkzaamheden plaatsvinden;
de duur van de werkzaamheden;
de maatregelen die zullen worden genomen om blootstelling van werknemers aan asbeststof te beperken, waaronder een overzicht van de te gebruiken uitrusting;
de documentatie, bedoeld in artikel 4.48, tweede lid, onderdeel a, het inventarisatierapport, bedoeld in artikel 4.49, tweede lid, dan wel het resultaat van het bodemonderzoek, bedoeld in artikel 4.48, vijfde lid, indien het werkzaamheden betreft als bedoeld in artikel 4.47;
het werkplan, bedoeld in artikel 4.52, indien het werkzaamheden betreft als bedoeld in artikel 4.50, met daarbij gevoegd:
de concentratie asbestvezels die is vastgesteld met het beoordelingsinstrument, bedoeld in artikel 4.51, tweede lid, onderdeel a;
de resultaten van de verrichte meting, bedoeld in artikel 4.51, tweede lid, onderdeel b; of
de erkende werkmethode, bedoeld in artikel 4.51, zevende lid, die zal worden gebruikt;
de naam en het unieke vergunningnummer, bedoeld in artikel 4.57, negende lid, van het bedrijf of de bedrijven die de werkzaamheden zullen verrichten, indien op de werkzaamheden de vergunningplicht, bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de wet van toepassing is;
het unieke nummer van de sloopmelding, bedoeld in artikel 7.10 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, indien voor de werkzaamheden het doen van een sloopmelding is vereist.
2. Indien voor de werkzaamheden een sloopmelding als bedoeld in artikel 7.10 van het Besluit bouwwerken leefomgeving is gedaan en voor zover de daarin opgenomen gegevens en bescheiden niet zijn gewijzigd, hoeven de gegevens en bescheiden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, wat betreft de plaats van de werkzaamheden, c, h, i, k, indien bij de sloopmelding een asbestinventarisatierapport is gevoegd, en m, niet in de melding te worden opgenomen.
3. Telkens wanneer een verandering in de arbeidsomstandigheden kan leiden tot een aanzienlijke toename van de blootstelling aan asbeststof, wordt een nieuwe melding gedaan.
4. De werkgever zorgt ervoor dat de op grond van het eerste en derde lid gemelde gegevens en bescheiden kunnen worden ingezien door de ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging of, bij het ontbreken daarvan, door de belanghebbende werknemers.
5. De toezichthouder verwijdert de gegevens en bescheiden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen e, f en g, zodra hij heeft vastgesteld dat de werknemers die de werkzaamheden zullen verrichten, een opleiding hebben gevolgd die voldoet aan artikel 4.30, eerste, derde, en, indien van toepassing, vierde lid en de krachtens artikel 4.30, achtste lid, gestelde nadere regels, en er geen met het toezicht verband houdende redenen zijn om nog over deze informatie te beschikken.
6. Indien een werknemer een dienstverrichter is als bedoeld in artikel 21 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, wordt, in afwijking van het eerste lid, onderdeel f, een opleidingscertificaat van deze werknemer bij de melding gevoegd, waaruit blijkt dat hij een opleiding als bedoeld in artikel 4.30 heeft gevolgd.
Artikel 4.38. Uitzonderingen melding
In afwijking van artikel 4.37, eerste lid, hoeft de werkgever slechts eenmaal een melding te doen, indien de werkzaamheden een voortdurend karakter hebben en steeds op dezelfde locatie worden verricht.
Artikel 4.37 is niet van toepassing op:
werkzaamheden die zijn gericht op:
1˚. het verschaffen van hulp in een levensbedreigende situatie of het verlenen van medische hulp;
2˚. het voorkomen van levensbedreigende situaties of een situatie waarin ernstige schade aan gebouwen, goederen of milieu ontstaat;
3˚. het uitvoeren van de politietaak, bedoeld in artikel 3 van de Politiewet 2012;
4°. het waarborgen van de levering van nutsvoorzieningen, voor zover het noodzakelijk is dat de werkzaamheden onmiddellijk worden verricht;
de volgende werkzaamheden:
1˚. verwijderingswerkzaamheden als bedoeld in artikel 4.57, tweede lid, aanhef en onderdeel a;
2˚. het bewaken en onderzoeken van de lucht en het nemen van monsters om vast te stellen of een bepaald materiaal asbest bevat, mits wordt voldaan aan het derde lid.
De werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, subonderdeel 2, zijn slechts uitgezonderd, indien de blootstelling of mogelijke blootstelling aan asbeststof sporadisch en van een geringe intensiteit is, en uit de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2, blijkt dat de grenswaarde, bedoeld in artikel 4.25, niet zal worden overschreden.
Artikel 4.39. Preventieve maatregelen
Onverminderd de artikelen 4.1c, eerste lid, onderdeel d, 4.17, 4.18, en 4.19, eerste lid, onderdelen a tot en met c, worden, om de concentratie asbestvezels in de lucht zo laag mogelijk te houden, de volgende maatregelen genomen:
de werkmethoden zijn zo ingericht dat er geen asbeststof wordt geproduceerd of, indien dat technisch niet mogelijk is, dat de blootstelling aan asbeststof zoveel als mogelijk wordt beperkt, door middel van maatregelen zoals:
1°. de onderdrukking van asbeststof;
2°. de afzuiging van asbeststof bij de bron; of
3°. het continu laten neerslaan van in de lucht zwevende asbestvezels;
het voorkomen van de verspreiding van stof afkomstig van asbest of asbesthoudende materialen buiten het gebied waar de werkzaamheden plaatsvinden;
installaties en uitrustingen die dienen voor het werken met asbest of asbesthoudende producten, en ruimtes waarin werkzaamheden met asbest of asbesthoudende producten worden verricht, worden doeltreffend en regelmatig gereinigd en onderhouden;
asbest, een asbesthoudend product en een product waaruit asbeststof vrijkomt worden opgeborgen en vervoerd in een daartoe geschikte en gesloten verpakking;
afvalstoffen, ontstaan als gevolg van het toepassen of bewerken van asbest of van asbesthoudende producten, worden onmiddellijk verzameld in een daartoe geschikte en gesloten verpakking, voorzien van een etiket met de duidelijke en goed leesbare vermelding dat de inhoud daarvan asbest bevat, en zo spoedig mogelijk afgevoerd;
de werknemers ondergaan een passende ontsmettingsprocedure.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de maatregelen, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 4.40. Aanvullende maatregelen bij verwachte overschrijding grenswaarde
De werkgever neemt in aanvulling op artikel 4.39 doeltreffende maatregelen ter bescherming van de betrokken werknemers als, gelet op de aard van de werkzaamheden, verwacht kan worden dat de concentratie asbestvezels de grenswaarde, genoemd in artikel 4.25 zal overschrijden.
Tot de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, behoren in ieder geval:
het ter beschikking stellen van aantoonbaar passende en geschikte ademhalingsapparatuur en andere persoonlijke beschermingsmiddelen en het zorgen dat deze middelen op de juiste wijze worden gedragen;
het aanbrengen van waarschuwingsborden die voldoen aan het bij of krachtens afdeling 2 van hoofdstuk 8 bepaalde, met de aanduiding dat een overschrijding van de grenswaarde, genoemd in artikel 4.25, kan worden verwacht;
het gebruik maken van een containment bij het uitvoeren van werkzaamheden in afgesloten ruimten.
De werkgever zorgt ervoor dat de duur van het dragen van de ademhalingsapparatuur voor iedere werknemer tot het strikt noodzakelijke wordt beperkt en dat wordt voorzien in regelmatige rustpauzes.
Het aantal rustpauzes, bedoeld in het derde lid, en de duur daarvan wordt bepaald aan de hand van de fysieke en de klimatologische omstandigheden waaronder de werknemer de werkzaamheden moet verrichten.
De werkgever zorgt ervoor dat de ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging of, bij het ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers:
in de gelegenheid worden gesteld een oordeel kenbaar te maken over de maatregelen, bedoeld in het eerste lid; en
indien relevant, in samenspraak met de werkgever de rustpauzes, bedoeld in het derde lid, vast kunnen stellen.
Een verwachte overschrijding van de grenswaarde, bedoeld in het eerste lid, wordt vermoed niet aanwezig te zijn, indien de te verrichten werkzaamheden bij ministeriële regeling aangewezen werkzaamheden zijn die worden verricht volgens een bij die regeling aangewezen erkende werkmethode.
Artikel 4.41. Luchtmetingen tijdens werkzaamheden met asbest
Afhankelijk van de resultaten van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2, wordt, om de naleving van de grenswaarde, genoemd in artikel 4.25, te kunnen waarborgen, op gezette tijden in specifieke operationele fasen de concentratie asbestvezels gemeten in de lucht waaraan de werknemers in verband met de arbeid worden blootgesteld.
De ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging of, bij het ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers wordt de gelegenheid gegeven een oordeel over de wijze van monsterneming kenbaar te maken.
De monsterneming is representatief voor de individuele blootstelling van de werknemers aan asbestvezels.
De monsterneming wordt zodanig uitgevoerd dat door meting, of door berekening van deze meting, gewogen in de tijd, de blootstelling van werknemers aan asbestvezels kan worden vastgesteld die representatief is voor een referentieperiode van 8 uur.
Het nemen van monsters wordt uitgevoerd door een persoon die de daarvoor vereiste deskundigheid bezit.
De na het nemen van monsters uit te voeren monsteranalyse wordt uitgevoerd in een laboratorium dat daarvoor adequaat is toegerust alsmede ervaring heeft met de vereiste identificatietechnieken.
De telling van de asbestvezels vindt plaats door middel van elektronenmicroscopie of een andere methode, indien deze gelijkwaardige of nauwkeurigere resultaten oplevert.
De ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging of, bij het ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers kunnen de resultaten van de metingen inzien en kunnen over de betekenis van deze resultaten uitleg krijgen, tenzij de metingen zijn verricht als onderdeel van werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.57, tweede lid.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over het eerste en het vijfde tot en met het zevende lid.
Artikel 4.42. Stillegging werkzaamheden
De werkzaamheden in de gevarenzone worden onmiddellijk stilgelegd, indien:
de grenswaarde, genoemd in artikel 4.25, wordt overschreden, tenzij reeds maatregelen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, zijn genomen; of
het aannemelijk is dat asbest of asbesthoudende producten worden verstoord die niet voor de aanvang van de werkzaamheden zijn geïdentificeerd en die asbeststof kunnen produceren.
De werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, worden pas hervat op het moment dat:
er doeltreffende maatregelen zijn genomen om de betrokken werknemers te beschermen tegen de blootstelling aan asbestvezels, overeenkomstig artikel 4.43, indien de werkzaamheden zijn stilgelegd vanwege de overschrijding van de grenswaarde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a;
een nieuwe beoordeling als bedoeld in artikel 4.2 heeft plaatsgevonden, indien de werkzaamheden zijn stilgelegd vanwege de situatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.
3. In dit artikel wordt onder gevarenzone verstaan: een gevarenzone als bedoeld in artikel 4.11, onderdeel g, met inbegrip van plaatsen als bedoeld in dat onderdeel die zich buiten een bedrijf of inrichting bevinden.
Artikel 4.43. Maatregelen bij overschrijding grenswaarde
Bij overschrijding van de grenswaarde, genoemd in artikel 4.25, worden de oorzaken van de overschrijding opgespoord en worden zo spoedig mogelijk doeltreffende maatregelen genomen om de concentratie terug te brengen tot onder de grenswaarde of, indien dit technisch niet mogelijk is, de betrokken werknemers doeltreffend te beschermen tegen de blootstelling aan asbestvezels.
De ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging dan wel, bij het ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers, worden zo spoedig mogelijk in kennis gesteld van de overschrijding, van de oorzaak daarvan en de te nemen maatregelen. Daarnaast wordt hen de gelegenheid gegeven een oordeel kenbaar te maken over de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, tenzij er sprake is van spoedeisende redenen om deze maatregelen te nemen zonder deze gelegenheid te bieden. In dat geval worden zij ingelicht over de getroffen maatregelen.
Wanneer de blootstelling niet met andere middelen kan worden beperkt en de grenswaarde het dragen van individuele ademhalingsapparatuur vereist, wordt de duur van het dragen daarvan voor iedere werknemer tot het strikt noodzakelijke beperkt en wordt voorzien in regelmatige rustpauzes. Artikel 4.40, derde, vierde en vijfde lid, aanhef en onderdeel b, is van overeenkomstige toepassing.
Nadat de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, zijn genomen wordt de concentratie asbestvezels in de lucht gemeten overeenkomstig artikel 4.41.
Artikel 4.44. Hygiënische beschermingsmaatregelen
De werkkleding mag uitsluitend buiten de arbeidsplaats worden gebracht indien dit geschiedt met het doel deze te laten reinigen in daartoe adequaat uitgeruste wasserijen of deze te laten vernietigen.
In gevallen als bedoeld in het eerste lid, wordt de werkkleding in een daartoe geschikte en gesloten verpakking vervoerd.
Wanneer beschermende uitrusting wordt verstrekt, wordt deze op een daartoe aangewezen plaats bewaard en na ieder gebruik gecontroleerd en gereinigd. Defecte uitrusting mag niet worden gebruikt.
Artikel 4.45. Arbeidsgezondheidskundig onderzoek
Zolang de blootstelling aan asbeststof duurt, worden, in aanvulling op artikel 4.10a, derde lid, de betrokken werknemers ten minste éénmaal in de drie jaar opnieuw in de gelegenheid gesteld om een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 4.10a te ondergaan.
Het arbeidsgezondheidskundig onderzoek, bedoeld in artikel 4.10a, omvat in ieder geval een specifiek onderzoek van de borstkas.
Indien het resultaat van het arbeidsgezondheidskundig onderzoek, bedoeld in artikel 4.10a, daartoe aanleiding geeft, worden doeltreffende maatregelen genomen om schade voor de gezondheid van de betrokken werknemer door blootstelling aan asbeststof te voorkomen.
Artikel 4.46. Blootstellingsregistratie
De werkgever houdt van iedere werknemer die in verband met de arbeid wordt blootgesteld aan asbeststof de blootstelling bij in een register, waarbij de aard en de duur van de arbeid alsmede de mate van de blootstelling worden vermeld.
De gegevens die in het register zijn vermeld kunnen worden ingezien door de deskundige persoon, bedoeld in artikel 2.14a, tweede lid, of de arbodienst.
Iedere werknemer heeft recht op inzage in en afschrift van zijn persoonlijke gegevens in het register.
De gegevens in het register kunnen, voorzien van een toelichting en in statistische, niet tot individuen herleidbare vorm, worden ingezien door de ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging of, bij het ontbreken daarvan, door de belanghebbende werknemers.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de in het register op te nemen informatie, bedoeld in het eerste lid.
§ 3. Asbestidentificatie
Artikel 4.47. Toepasselijkheid
Deze paragraaf is, in aanvulling op de paragrafen 1 en 2, van toepassing op de volgende werkzaamheden:
het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen van bouwwerken of objecten waarin naar redelijke verwachting asbest of een asbesthoudend product is toegepast;
het verwijderen van asbestverdacht materiaal;
het verrichten van onderhouds- of renovatiewerkzaamheden in of aan bouwwerken of objecten waarin naar redelijke verwachting asbest of een asbesthoudend product is toegepast;
het ontgraven van grond of baggerspecie uit de bodem respectievelijk waterbodem waarin naar redelijke verwachting asbest of een asbesthoudend product aanwezig is.
Artikel 4.48. Asbestidentificatieplicht
Ten behoeve van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2, verricht de werkgever voor aanvang van de werkzaamheden een onderzoek naar de aanwezigheid en precieze locaties van asbest en asbesthoudende producten op de plaats waar de werkzaamheden zullen worden verricht, de soorten asbest en, voor zover het asbesthoudende producten betreft, de in de producten aanwezige concentraties asbest, uitgedrukt in massapercentages.
Het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit het raadplegen van:
documentatie over specifieke materialen of producten, mits deze documentatie de benodigde informatie, bedoeld in het eerste lid, bevat; of
een op de plaats van de werkzaamheden betrekking hebbend asbestinventarisatierapport als bedoeld in artikel 4.49, tweede lid, indien de documentatie, bedoeld in onderdeel a, niet beschikbaar of niet toereikend is.
Iedere werkgever is verplicht om op verzoek van een andere werkgever de documenten en overige informatie te verstrekken die hij nodig heeft voor het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, voor zover de werkgever waar het verzoek aan is gericht over deze documenten en informatie beschikt.
Indien blijkt of het vermoeden ontstaat dat het asbestinventarisatierapport dat na een asbestinventarisatie is opgesteld, niet al het asbest of alle asbesthoudende producten bevat die hierin, gelet op de reikwijdte van het onderzoek, zouden moeten zijn opgenomen, wordt een aanvullende asbestinventarisatie verricht.
In afwijking van het eerste lid, is de werkgever in het geval van werkzaamheden die in de bodem worden verricht, verplicht om voor aanvang van de werkzaamheden te beschikken over de resultaten van een verkennend bodemonderzoek asbest dan wel een nader bodemonderzoek asbest als bedoeld in de artikelen 5.7c respectievelijk 5.7e van het Besluit activiteiten leefomgeving.
De documentatie en de resultaten van de onderzoeken, bedoeld in het tweede en vijfde lid, zijn op de arbeidsplaats aanwezig.
Dit artikel is niet van toepassing indien:
de werkzaamheden worden uitgevoerd in of aan bouwwerken of objecten die op of na 1 januari 1994 zijn gebouwd dan wel vervaardigd, tenzij er aanwijzingen zijn dat in het bouwwerk of het object asbest of een asbesthoudend product is toegepast;
er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 4.38, tweede lid, onderdeel a, mits de bij de werkzaamheden betrokken asbestverdachte materialen worden behandeld als asbest of asbesthoudende producten.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere eisen worden gesteld aan de documentatie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a.
Artikel 4.49. Nadere regels asbestinventarisatie
1. Een asbestinventarisatie wordt uitgevoerd door een bedrijf dat:
in het bezit is van een certificaat asbestinventarisatie dat is afgegeven door Onze Minister of een certificerende instelling; en
geen afhankelijkheid heeft van het bedrijf dat de werkzaamheden verricht ten behoeve waarvan de asbestinventarisatie wordt uitgevoerd.
2. De resultaten van de asbestinventarisatie zijn opgenomen in een asbestinventarisatierapport dat ten minste de volgende informatie bevat:
het doel van de inventarisatie;
een afbakening van de uitgevoerde inventarisatie op basis van de werkzaamheden ten behoeve waarvan de inventarisatie is verricht;
foto’s;
plattegronden;
analysecertificaten, voor zover van toepassing;
een aanduiding of sprake is van een binnen- of buitenruimte;
de aantekening dat het rapport geldig is zolang het rapport aansluit bij de actuele situatie en de geldende regelgeving.
§ 4. Bijzondere regels voor sloop- en asbestverwijderingswerkzaamheden
Artikel 4.50. Toepasselijkheid
Deze paragraaf is, in aanvulling op de paragrafen 1, 2 en 3, van toepassing op de volgende werkzaamheden met asbest:
het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen van bouwwerken of objecten waarin asbest of een asbesthoudend product is toegepast;
het verwijderen van asbest en asbesthoudende producten, met dien verstande dat artikel 4.51, tweede lid, onderdeel a, niet van toepassing is op het verwijderen van asbest uit de bodem, de waterbodem, grond of baggerspecie.
Artikel 4.51. Vaststellen van de blootstelling voor aanvang werkzaamheden
Voor aanvang van de werkzaamheden wordt, in het kader van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid en met inachtneming van artikel 4.39, de concentratie asbestvezels vastgesteld in de lucht waaraan de werknemers tijdens het verrichten van de werkzaamheden zullen worden blootgesteld.
Het vaststellen van de concentratie, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgevoerd met gebruikmaking van:
een door Onze Minister aan te wijzen beoordelingsinstrument dat, gelet op de stand van de wetenschap en de professionele dienstverlening, is ontwikkeld op basis van meetgegevens; of
een door de werkgever of degene die opdracht geeft tot de werkzaamheden met asbest zelf te verrichten of in opdracht te laten verrichten meting die specifiek is afgestemd op de werkwijze en de situatie ter plaatse conform een bij ministeriële regeling aangewezen genormaliseerde meetmethode.
Indien gebruik wordt gemaakt van een methode als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, wordt deze methode uitgevoerd of wordt de uitvoering getoetst door een persoon met aantoonbare deskundigheid op het gebied van blootstellingsonderzoek.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over het beoordelingsinstrument, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, de meting, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, en de deskundigheid, bedoeld in het derde lid.
Een bewijs van de concentraties, verkregen door middel van het beoordelingsinstrument, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, dan wel de meetgegevens verkregen door middel van gebruik van de meetmethode, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, is respectievelijk zijn op de arbeidsplaats aanwezig.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze waarop het bewijs van de vastgestelde concentratie, dan wel de meetgegevens, bedoeld in het vijfde lid, aan de toezichthouder beschikbaar worden gesteld.
Dit artikel is niet van toepassing op werkzaamheden die worden verricht volgens een bij ministeriële regeling aangewezen erkende werkmethode.
Artikel 4.52. Werkplan
1. Voordat wordt aangevangen met de werkzaamheden wordt door de werkgever van het bedrijf dat de werkzaamheden, bedoeld in artikel 4.50 verricht, een schriftelijk werkplan opgesteld dat doeltreffende, op de specifieke situatie van de betreffende arbeidsplaats toegespitste, maatregelen bevat ter bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de betrokken werknemers.
2. Indien een inventarisatierapport als bedoeld in artikel 4.49, tweede lid, is opgesteld, worden de resultaten van dat rapport opgenomen in het werkplan.
3. In het werkplan wordt voorgeschreven dat het aanwezige asbest en de aanwezige asbesthoudende producten worden verwijderd voordat wordt gestart met andere werkzaamheden, behalve wanneer dit voor de werknemers een groter gevaar voor de veiligheid en gezondheid zou inhouden.
4. Indien niet al het te verwijderen asbest of de aanwezige asbesthoudende producten worden verwijderd, vanwege het gevaar, bedoeld in het derde lid, wordt dit in het werkplan onderbouwd met daarbij een beschrijving van de wijze waarop wordt gezorgd dat het achterblijvende asbest niet leidt tot verspreiding van asbestvezels.
5. In het werkplan wordt voorgeschreven dat de werkgever van het bedrijf, bedoeld in het eerste lid, zich ervan vergewist dat voor de eindbeoordeling, bedoeld in artikel 4.55, er geen risico’s van blootstelling aan asbest of asbesthoudende producten meer zijn.
6. In het werkplan worden de volgende gegevens opgenomen:
a. een beschrijving van de maatregelen, bedoeld in de artikelen 4.1c, eerste lid, aanhef en onderdelen d en h, 4.7, derde lid, onderdelen b, c en e, 4.18, 4.19, eerste lid, aanhef en onderdelen b en c, 4.20, eerste tot en met vierde lid, 4.39, eerste lid, onderdelen a, b, c en e, 4.44 en, in voorkomend geval, 4.40, tweede lid;
b. een beschrijving van de aard, duur en plaats van de werkzaamheden alsmede van de werkmethode;
c. een beschrijving van de werktuigen, machines, toestellen en overige hulpmiddelen die bij de werkzaamheden worden gebruikt; en
d. de namen van de personen, die de werkzaamheden, bedoeld in artikel 4.50, uitvoeren.
7. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels met betrekking tot het werkplan worden gesteld.
8. De werkzaamheden worden overeenkomstig het opgestelde werkplan uitgevoerd.
9. Het werkplan of een afschrift daarvan is op de arbeidsplaats aanwezig.
Artikel 4.53. Melding na beëindiging werkzaamheden
1. Uiterlijk op de eerste werkdag na de beëindiging van de werkzaamheden, doet de werkgever hiervan melding bij een daartoe aangewezen toezichthouder, onder vermelding van het unieke nummer van de melding, bedoeld in artikel 4.37, eerste lid.
2. Artikel 4.38, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. Het eerste lid is niet van toepassing, indien het bevoegd gezag overeenkomstig artikel 7.12, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving is geïnformeerd over de beëindiging van de werkzaamheden.
Artikel 4.54. Reiniging
Na de beëindiging van de werkzaamheden met asbest worden de
arbeidsplaats en de arbeidsmiddelen die op de arbeidsplaats aanwezig
zijn of zijn geweest, doeltreffend gereinigd.
Artikel 4.55. Eindbeoordeling
1. Na reiniging van de arbeidsplaats en voordat wordt aangevangen met het opheffen van de gevarenzone, wordt op de betreffende arbeidsplaats een eindbeoordeling uitgevoerd, teneinde vast te stellen dat de locatie weer veilig kan worden betreden.
2. De werkgever van het bedrijf dat de werkzaamheden, bedoeld in artikel 4.50, uitvoert, zorgt ervoor dat de voor de eindbeoordeling noodzakelijke veiligheidsvoorzieningen in het werkgebied in stand blijven en stelt voor de eindbeoordeling arbeidsmiddelen beschikbaar totdat het werkgebied is vrijgegeven door het bedrijf dat de eindbeoordeling uitvoert.
3. De eindbeoordeling bestaat uit een visuele inspectie in het geval van verwijderingswerkzaamheden als bedoeld in artikel 4.57, tweede lid, aanhef en onderdeel a.
4. In aanvulling op het derde lid wordt de visuele inspectie uitgevoerd door een bedrijf dat daartoe adequaat is toegerust, in het geval van verwijderingswerkzaamheden als bedoeld in artikel 4.57, derde lid, aanhef en onderdeel a en artikel 4.57, vierde lid.
5. Indien de verwijderingswerkzaamheden als bedoeld in het vierde lid zijn verricht in een binnenruimte, geldt, in aanvulling op het vierde lid, tevens de verplichting tot een luchtmeting.
6. Bij de luchtmeting, bedoeld in het vijfde lid, worden kleefmonsters ingezet, indien:
asbest of asbesthoudende producten als bedoeld in artikel 4.57, vierde lid, zijn verwijderd;
er sprake is van asbestverontreinigingen waarover in het asbestinventarisatierapport is vermeld dat ze niet visueel waarneembaar zijn, maar zijn aangetoond met behulp van een kleefmonster.
7. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de eindbeoordeling, waarbij in ieder geval:
eisen kunnen worden gesteld aan de uitvoering van de eindbeoordeling na specifieke soorten asbestverwijderingswerkzaamheden;
uitzonderingen kunnen worden gemaakt op het vierde lid;
een maximaal toegestane waarde voor de luchtmeting, bedoeld in het vijfde lid, kan worden bepaald;
asbestverwijderingswerkzaamheden kunnen worden aangewezen waarop het vijfde lid niet van toepassing is.
Artikel 4.56. Melding na afronden eindbeoordeling
1. De werkgever meldt uiterlijk twee weken na afronding van een eindbeoordeling als bedoeld in artikel 4.55, vierde lid, onder vermelding van het unieke nummer van de melding, bedoeld in artikel 4.37, eerste lid, de resultaten van de eindbeoordeling aan een daartoe aangewezen toezichthouder.
2. Bij ministeriële regeling wordt bepaald in welke vorm de resultaten van de eindbeoordeling worden gemeld.
3. Artikel 4.38, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
4. Het eerste lid is niet van toepassing, indien het bevoegd gezag overeenkomstig artikel 7.12, derde lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving is geïnformeerd over het resultaat van de eindbeoordeling.
§ 5. Vergunningplicht
Artikel 4.57. Vergunningsoorten
1. De vergunning, bedoeld in artikel 19a van de wet, kent de volgende soorten:
asbestverwijdering beperkt;
asbestverwijdering basis;
asbestverwijdering uitgebreid;
startvergunning;
Aval-vergunning
Een vergunning asbestverwijdering beperkt kan worden verleend voor het verwijderen van:
bij ministeriële regeling aangewezen asbest en asbesthoudende producten, al dan niet als onderdeel van werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.50, onderdeel a;
asbest uit de bodem als het met asbest verontreinigde bodemvolume waarin wordt gegraven minder is dan 25 m3;
asbest uit de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam, indien de bodem of oever op grond van de concentratie asbest is ingedeeld in de kwaliteitsklasse ‘sterk verontreinigd’, bedoeld in bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit 2022, en het met asbest verontreinigde bodemvolume waarin wordt gegraven minder is dan 1000 m3.
Een vergunning asbestverwijdering basis kan worden verleend voor het verwijderen van:
bij ministeriële regeling aangewezen asbest en asbesthoudende producten, al dan niet als onderdeel van werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.50, onderdeel a;
asbest uit de bodem indien dit onderdeel uitmaakt van graafwerkzaamheden of het saneren van de bodem als bedoeld in artikel 3.48f respectievelijk 3.48h van het Besluit activiteiten leefomgeving;
asbest uit de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam, indien de bodem of oever op grond van de concentratie asbest is ingedeeld in de kwaliteitsklasse ‘sterk verontreinigd’, bedoeld in bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit 2022, en het met asbest verontreinigde bodemvolume waarin wordt gegraven gelijk is aan of meer is dan 1000 m3;
asbest uit grond of baggerspecie, voor zover dit plaatsvindt als onderdeel van het bewerken van grond of baggerspecie, bedoeld in artikel 3.178 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
4. Een vergunning asbestverwijdering uitgebreid kan worden verleend voor het verwijderen van bij ministeriële regeling aangewezen asbest en asbesthoudende producten, al dan niet als onderdeel van werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.50, onderdeel a.
5. Een vergunning asbestverwijdering uitgebreid kan ook worden verleend voor werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid, onderdelen b of c, en het derde lid, onderdelen b, c of d, indien bij de vergunningaanvraag een bij ministeriële regeling aangewezen erkenning is overgelegd en de vergunning tevens wordt verleend voor werkzaamheden als bedoeld in het vierde lid.
6. Een startvergunning wordt verleend voor het verrichten van bij ministeriële regeling te bepalen werkzaamheden, als onderdeel van het proces tot verkrijging van een certificaat of erkenning als bedoeld in artikel 4.58, tweede lid, onderdeel b.
7. Bij het verlenen van een vergunning asbestverwijdering basis voor verwijderingswerkzaamheden als bedoeld in het derde lid, aanhef en onderdeel a, en een vergunning asbestverwijdering uitgebreid kan worden bepaald dat de verwijderingswerkzaamheden mogen worden verricht met gebruikmaking van een containment.
8. Een Aval-vergunning kan worden verleend aan de houder van een vergunning voor werkzaamheden als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen a en b, van de wet die is afgegeven in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, voor de in die vergunning opgenomen werkzaamheden.
9. Onze Minister kent aan iedere verleende vergunning als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met c, en e, een uniek nummer toe en bakent bij het verlenen van de vergunning de toegestane werkzaamheden nader af, waaronder mede wordt begrepen het mogen werken met een containment.
Artikel 4.58. Aanvraagprocedure vergunning
1. Een aanvraag tot verlening, verlenging of wijziging van een vergunning wordt ingediend bij Onze Minister met gebruikmaking van het door Onze Minister ter beschikking gestelde aanvraagformulier.
2. De aanvraag gaat vergezeld van:
de unieke registratienummers, bedoeld in artikel 4.34, eerste lid, onderdeel a, van alle werknemers die de werkzaamheden zullen verrichten waarop de aangevraagde vergunning betrekking heeft;
een bij ministeriële regeling aangewezen erkenning, certificaat of ander bewijs van naleving van artikel 4.39;
een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens van:
1˚. de aanvrager, indien de aanvrager in Nederland is gevestigd;
2˚. de Nederlandse bestuurders van de aanvrager, indien de aanvrager niet in Nederland is gevestigd.
Artikel 4.59. Gebruik van toezichtsinformatie
1. Onze Minister maakt bij de beoordeling van de aanvraag gebruik van informatie over de naleving van wettelijke voorschriften door de aanvrager die is verkregen van een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 29a, eerste lid, van de wet, voor zover deze voorschriften verband houden met de werkzaamheden waarop de aangevraagde vergunning betrekking heeft.
2. De instanties die onderdeel uitmaken van het samenwerkingsverband, bedoeld in het eerste lid, verstrekken Onze Minister op zijn verzoek de informatie, bedoeld in dat lid, en doen dit op een door Onze Minister te bepalen wijze.
Artikel 4.60. Weigering vergunning
Onverminderd artikel 19a, vierde lid, van de wet, weigert Onze Minister de verlening, verlenging of wijziging van de vergunning indien:
uit het Register gezond en veilig werken met asbest blijkt dat de opleiding die de werknemers hebben genoten onvoldoende is voor het verrichten van de werkzaamheden waarop de aangevraagde vergunning betrekking heeft;
de geldigheidsduur van het certificaat of de erkenning, bedoeld in artikel 4.58, tweede lid, onderdeel b, is verlopen op het moment dat deze aan Onze Minister is verstrekt;
de verklaring omtrent het gedrag dan wel, in de situatie, bedoeld in artikel 4.58, tweede lid, onderdeel c, subonderdeel 2°, een verklaring omtrent het gedrag die bij de aanvraag is gevoegd, ouder is dan drie maanden;
uit de informatie, bedoeld in artikel 4.59, eerste lid, het gegronde vermoeden is ontstaan dat de aanvrager zich niet of onvoldoende zal houden aan de wettelijke voorschriften die verband houden met de werkzaamheden waarop de aangevraagde vergunning betrekking heeft;
de aanvrager failliet is verklaard, aan hem surseance van betaling is verleend, ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, of een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend;
de aanvrager al in het bezit is van een vergunning met een beperkte geldigheidsduur als bedoeld in artikel 4.61, eerste lid, en deze vergunning nog langer dan drie maanden geldig is.
Artikel 4.61. Geldigheidsduur vergunning
1. De vergunning wordt verleend of verlengd voor de duur van twee jaar indien op basis van de informatie, bedoeld in artikel 4.59, eerste lid, er onvoldoende zekerheid bestaat dat de aanvrager zich zal houden aan de wettelijke voorschriften die verband houden met de werkzaamheden waarop de aangevraagde vergunning betrekking heeft.
2. In overige gevallen wordt de vergunning verleend voor onbepaalde tijd.
Artikel 4.62. Vergunningvoorschriften
1. Onze Minister kan voorschriften verbinden aan een vergunning.
2. Onverminderd het eerste lid, worden aan een vergunning in ieder geval de volgende voorschriften verbonden:
een omschrijving van de werkzaamheden die de vergunninghouder mag verrichten op basis van de vergunning en de verplichting om met de vergunning alleen deze werkzaamheden te verrichten;
de verplichting om de werkzaamheden overeenkomstig het bij de aanvraag overgelegde bewijs van naleving te verrichten, in het geval van een vergunning asbestverwijdering beperkt;
de verplichting om uit eigen beweging en desgevraagd aan Onze Minister alle informatie te verstrekken die van belang kan zijn in relatie tot de vergunning, waaronder in ieder geval de schorsing of intrekking van het aan de vergunning ten grondslag liggende certificaat of erkenning, bedoeld in artikel 4.58, tweede lid, onderdeel b;
de verplichting om aan Onze Minister jaarlijks een overzicht te verstrekken van wijzigingen die zich hebben voorgedaan met betrekking tot de werknemers, bedoeld in artikel 4.58, tweede lid, onderdeel a, en de door hen gevolgde opleidingen en onderwijsactiviteiten als bedoeld in artikel 4.31;
de verplichting om een nieuwe verklaring omtrent het gedrag te overleggen, indien het bedrijf door een of meer nieuwe personen wordt gedreven of een of meer nieuwe bestuurders tot het bedrijf zijn toegetreden en het overleggen van een verklaring omtrent het gedrag bij de aanvraag was vereist.
3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter invulling van de voorschriften, bedoeld in het tweede lid.
Artikel 4.63. Actualisering vergunning
Onze Minister kan ambtshalve of op verzoek van de vergunninghouder de identificerende gegevens van de vergunninghouder wijzigen die zijn opgenomen in de vergunning.
Artikel 4.64. Schorsing en verval van rechtswege
1. Een vergunning is van rechtswege geschorst indien het certificaat of de erkenning, bedoeld in artikel 4.58, tweede lid, onderdeel b, die ten grondslag heeft gelegen aan de vergunning, is geschorst of ingetrokken, voor de duur van de schorsing van het certificaat of de erkenning respectievelijk voor de periode waarin de intrekking van het certificaat of de erkenning nog niet onherroepelijk is.
2. Een vergunning vervalt van rechtswege indien het certificaat of de erkenning, bedoeld in artikel 4.58, tweede lid, onderdeel b, die ten grondslag heeft gelegen aan de vergunning, is verlopen of is ingetrokken en deze intrekking onherroepelijk is geworden.
Artikel 4.65. Schorsing en intrekking vergunning
1. Onze Minister kan de vergunning schorsen indien bij Onze Minister het gegronde vermoeden bestaat dat er een grond tot intrekking van de vergunning aanwezig is, tot het moment dat Onze Minister een besluit tot intrekking van de vergunning heeft genomen dan wel heeft vastgesteld dat er geen grond tot intrekking aanwezig is.
2. Onverminderd artikel 19a, vierde lid, van de wet, trekt Onze Minister de vergunning in indien:
de vergunninghouder onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot afwijzing, schorsing of intrekking van de aanvraag respectievelijk de vergunning zou hebben geleid;
de vergunninghouder werkzaamheden heeft verricht waarop de vergunning betrekking heeft, terwijl de vergunning op dat moment was geschorst;
de vergunninghouder failliet is verklaard, aan hem surseance van betaling is verleend, ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend;
de vergunninghouder definitief is gestopt met het verrichten van bedrijfsactiviteiten;
de vergunninghouder hierom heeft verzocht.
Onze Minister kan een vergunning intrekken indien:
de vergunninghouder zich niet heeft gehouden aan de voorschriften die zijn verbonden aan de vergunning;
uit informatie als bedoeld in artikel 4.59, eerste lid, is gebleken dat de aanvrager zich niet of onvoldoende heeft gehouden aan de wettelijke voorschriften die verband houden met de werkzaamheden waarop de vergunning betrekking heeft.
Artikel 4.66. Startvergunning
Een startvergunning wordt van rechtswege verleend indien is voldaan aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden.
De vergunning geeft recht op het verrichten van ten hoogste vijf werkzaamheden en heeft een geldigheidsduur van een jaar, te rekenen vanaf de dag waarop wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid.
Onverminderd het tweede lid, vervalt een startvergunning van rechtswege zodra de aanvraag om een certificaat of erkenning, in het kader waarvan de startvergunning is verleend, wordt ingewilligd dan wel afgewezen.
Een van rechtswege verleende startvergunning wordt voor de toepassing van artikel 19a, eerste lid, van de wet aangemerkt als een door Onze Minister afgegeven vergunning.
Een van rechtswege verleende startvergunning wordt gelijkgesteld met een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht en op een bij ministeriële regeling te bepalen wijze bekendgemaakt.
De artikelen 4.58 tot en met 4.62, 4.64 en 4.65 zijn niet van toepassing op de startvergunning.
Artikel 4.67. Aval-vergunning
Indien de aangevraagde vergunning een Aval-vergunning is, kunnen in plaats van registratienummers als bedoeld in artikel 4.58, tweede lid, onderdeel a, bij de aanvraag opleidingscertificaten worden gevoegd die zijn afgegeven door een erkende opleider in een andere lidstaat van de Europese Economische ruimte, van alle werknemers die de werkzaamheden zullen verrichten waarop de aangevraagde vergunning betrekking heeft.
Als onderdeel van de behandeling van de vergunningaanvraag beoordeelt Onze Minister of uit de opleidingscertificaten, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat de door de werknemers afgeronde opleiding voldoet aan artikel 4.30 en de krachtens het achtste lid van dat artikel gestelde regels en is verzorgd door een erkende opleider in een andere lidstaat van de Europese Economische ruimte. Deze beoordeling vindt plaats overeenkomstig hoofdstuk 2 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, waarbij de werknemers, bedoeld in de eerste zin, worden beschouwd als migrerend beroepsbeoefenaar als bedoeld in dat hoofdstuk.
Onze Minister mag voor de beoordeling, bedoeld in het tweede lid, kosten in rekening brengen van de aanvrager die redelijk, evenredig en in verhouding tot de door hem gemaakte kosten zijn, de gemaakte kosten niet overschrijden, en het doen van een vergunningaanvraag niet ontmoedigen.
De beslissing op de vergunningaanvraag wordt opgeschort gedurende de beoordeling, bedoeld in het tweede lid.
Op werknemers waarvan is vastgesteld dat hun opleiding voldoet aan artikel 4.30 en de krachtens het achtste lid van dat artikel vastgestelde regels, is artikel 1.5j, vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.
Onverminderd artikel 4.60, weigert Onze Minister een Aval-vergunning indien uit de overgelegde opleidingscertificaten blijkt dat de opleiding die de werknemers hebben genoten onvoldoende is voor het verrichten van de werkzaamheden waarop de aangevraagde vergunning betrekking heeft.
J
Hoofdstuk 4, afdeling 5 vervalt.
K
De afdelingen 6, 7, 9 en 10 van hoofdstuk 4 worden vernummerd tot afdelingen 4, 5, 6 respectievelijk 7.
L
De artikelen 4.58 tot en met 4.62b in hoofdstuk 4, afdeling 4 (nieuw), worden vernummerd tot de artikelen 4.68 tot en met 4.76.
M
In artikel 4.84, eerste lid, wordt ‘afdelingen 1 tot en met 8’ vervangen door ‘afdelingen 1 tot en met 5’.
N
In artikel 4.103 wordt ‘Artikel 4.54b, aanhef en onderdeel a,’ vervangen door ‘Artikel 4.48, zevende lid, onderdeel a,’.
O
In artikel 7.23d, vierde lid, wordt ‘artikel 4.47c’ vervangen door ‘artikel 4.37’.
P
In artikel 9.1 wordt na ‘2.32 tot en met 2.34’ ingevoegd ‘, 4.32, tweede tot en met negende lid, 4.33 tot en met 4.36’.
Q
In artikel 9.3, tweede lid, onderdeel d, wordt ‘4.45, eerste lid, 4.47a, derde lid, 4.47b, eerste en tweede lid4.48a, eerste en vierde lid, 4.50, vijfde en zesde lid, 4.51, 4.54d, vijfde, zevende en negende lid, voor zover het certificaten uit het vijfde en zevende lid betreft, 4.58, eerste lid, 4.59, eerste lid, 4.60, eerste lid, 4.61, tweede tot en met vijfde lid, 4.61a, eerste lid, 4.61b, eerste lid,’ vervangen door ‘4.27, derde lid, 4.42, 4.44, 4.52, achtste en negende lid, 4.54, 4.55, eerste lid, 4.68, eerste lid, 4.69, eerste lid, 4.70, eerste lid, 4.71, tweede tot en met vijfde lid, 4.72, eerste lid, 4.73, eerste lid,’.
R
Artikel 9.5 wordt als volgt gewijzigd:
Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:
In onderdeel d wordt ‘4.45, 4.46, 4.47b, 4.47c, eerste lid, onderdelen a en e, 4.48a, eerste en tweede lid, onderdelen a, b en c, en vierde lid, 4.50, 4.51, 4.51a, 4.54a, met inachtneming van artikel 4.54b, 4.54d, 4.58, 4.59, 4.60, 4.61, 4.61a, 4.61b, 4.62b,’ vervangen door ‘4.25, 4.26, 4.30, eerste tot en met zesde lid, 4.31, eerste tot en met derde lid, 4.32, eerste lid, 4.37, eerste lid, onderdelen a, f, h en i, en tweede en zesde lid, 4.38, 4.39, eerste lid, 4.40, eerste, tweede en zesde lid, 4.42, eerste en derde lid, 4.43, eerste lid, 4.44, 4.47, 4.48, eerste tot en met zevende lid, 4.49, 4.51, eerste tot en met derde, vijfde en zevende lid, 4.52, eerste tot en met zesde, achtste en negende lid, 4.53, 4,54, 4.55, eerste tot en met zesde lid, 4.56, eerste, derde en vierde lid, 4.68 tot en met 4.73, 4.76,’.
In onderdeel h wordt na ‘11’ ingevoegd ‘, 19a, eerste lid,’.
In het vijfde lid, onderdeel c, subonderdeel 2, wordt ‘4.47a, eerste en derde tot en met achtste lid, 4.47c, eerste lid, onderdelen b, c en f, en tweede lid,’ vervangen door ‘4.27, derde lid, 4.37, eerste lid, onderdelen b, c, d en j, en derde lid, 4.40, derde tot en met vijfde lid, 4.42, tweede lid, 4.43, derde lid, met dien verstande dat de verplichting in artikel 4.40, vijfde lid, aanhef en onderdeel b, niet van overeenkomstige toepassing is, 4.43, vierde lid’.
S
In artikel 9.5a, eerste lid, onderdeel c, wordt ‘4.13 tot en met 4.21, 4.23, 4.44 tot en met 4.54d, 4.58 tot en met 4.61, 4.61a, 4.61b, 4.62b,’ vervangen door ‘4.13 tot en met 4.22, 4.25, 4.26, 4.29, 4.30, eerste tot en met zesde lid, 4.31, eerste tot en met derde lid, 4.32, eerste lid, 4.37, 4.38, 4.39, eerste lid, 4.40, 4.41, eerste tot en met achtste lid, 4.42 tot en met 4.45, 4.46, eerste tot en met vierde lid, 4.47, 4.48, eerste tot en met zevende lid, 4.49, 4.51, eerste tot en met derde, vijfde en zevende lid, 4.52, eerste tot en met zesde en achtste en negende lid, 4.53, 4.54, 4.55, eerste tot en met zesde lid, 4.56, eerste, derde en vierde lid, 4.68 tot en met 4.73, 4.76,’.
T
Na artikel 9.5b wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 9.5c. Verplichtingen van de erkende opleider
1. De erkende opleider, bedoeld in artikel 4.32, is verplicht tot naleving van de voorschriften die zijn opgenomen in de artikelen 4.32, eerste en derde lid, 4.34, eerste tot en met derde lid, en 4.35, vierde lid, en tot naleving van de voorschriften, bedoeld in artikel 4.32, vijfde en zesde lid.
2. De van rechtswege erkende opleider, bedoeld in artikel 4.33, eerste lid, is verplicht tot naleving van de voorschriften die zijn vastgesteld krachtens artikel 4.33, tweede lid.
U
In artikel 9.6 wordt ‘de artikelen 4.51a, eerste en derde lid, 4.54a, vierde en vijfde lid, en 4.54d, eerste lid’ vervangen door ‘de artikelen 4.49, eerste lid en 4.55, eerste lid, van dit besluit en artikel 19a, eerste lid, van de wet’.
V
In artikel 9.9b, eerste lid, onderdeel d, wordt ‘4.23, tweede en vierde lid, 4.45, eerste lid, 4.45a, 4.45b, 4.46, 4.47, eerste, tweede en vijfde tot en met achtste lid, 4.47a, eerste, derde tot en met zesde en achtste lid, 4.47b, 4.47c, eerste en tweede lid, 4.48a, eerste, tweede en vierde lid, 4.50, 4.51, 4.51a, eerste tot en met vijfde lid, 4.52, eerste en derde lid, 4.53, eerste tot en met derde lid, 4.54a, 4.54d, eerste en derde tot en met tiende lid, 4.58, 4.59, eerste en tweede lid, 4.60, eerste en derde lid, 4.61, tweede tot en met vijfde lid, 4.61a, eerste en derde lid, 4.61b, eerste lid, 4.62b,’ vervangen door
‘4.22, tweede en vierde lid, 4.25, 4.26, 4.27, derde lid, 4.29, 4.30, eerste tot en met zesde lid, 4.32, eerste lid, 4.37, eerste en derde lid, 4.39, eerste lid, 4.40, eerste tot en met vierde lid, 4.41, eerste, en derde tot en met zevende lid, 4.42, 4.43, eerste, derde en vierde lid, 4.44, 4.45, 4.46, eerste tot en met derde lid, 4.48, eerste tot en met zesde lid, 4.49, 4.51, eerste tot en met derde en vijfde lid, 4.52, eerste tot en met zesde en achtste en negende lid, 4.53, eerste en tweede lid, 4.54, 4.55, eerste tot en met zesde lid, 4.56, eerste lid, 4.68, 4.69, eerste en tweede lid, 4.70, eerste en derde lid, 4.71, tweede tot en met vijfde lid, 4.72, eerste en derde lid, 4.73, eerste lid, 4.76,’.
W
Artikel 9.10a, derde lid, onderdeel b, wordt als volgt gewijzigd:
In subonderdeel 1° wordt ‘de artikelen 4.54d, eerste lid, 4.58, 4.59, eerste en tweede lid, 4.60, eerste en derde lid, 4.61, tweede lid, 4.61a, eerste en derde lid, 4.61b, eerste lid,’ vervangen door ‘de artikelen 4.68, 4.69, eerste en tweede lid, 4.70, eerste en derde lid, 4.71, tweede lid, 4.72, eerste en derde lid, 4.73,’.
Onder vervanging van de punt aan het slot van subonderdeel 2° door een puntkomma, wordt een subonderdeel toegevoegd, luidende:
3˚. van de wet: artikel 19a, eerste lid.
X
In de artikelen 9.14, 9.15 en 9.16 wordt ‘artikel 4.59’ vervangen door ‘artikel 4.69’.
Y
In artikel 9.16a wordt ‘artikel 4.62b’ vervangen door ‘artikel 4.76’.
Z
In artikel 9.19, onderdeel d, wordt ‘de artikelen van afdelingen 2, 5, 6, 7, met uitzondering van artikel 4.62b, en 9 en de artikelen van de paragrafen 2 en 3 van afdeling 10’ vervangen door ‘de artikelen van de afdelingen 2 tot en met 6, met uitzondering van artikel 4.76, en de artikelen van de paragrafen 2 en 3 van afdeling 7’.
AA
In artikel 9.22, derde lid, onderdeel b, wordt ‘4.58, 4.59, 4.60, eerste en derde lid, 4.61, tweede lid, 4.61b’ vervangen door ‘4.68, 4.69, 4.70, eerste en derde lid, 4.71, tweede lid, 4.73’.
BB
Afdeling 4 van hoofdstuk 9 komt te luiden:
Afdeling 4. Overgangs- en slotbepalingen
§ 1. Overgangsrecht
Artikel 9.23. Veiligheids- en gezondheidszorgsysteem, aanvullende risico-inventarisatie en evaluatie en noodplan winningsindustrieën voor het opsporen en de winning van koolwaterstoffen
De aanvulling van het beleid en het veiligheids- en gezondheidszorgsysteem als bedoeld in artikel 2.42k, eerste en tweede lid, de aanvulling van de risico-inventarisatie en -evaluatie en maatregelen als bedoeld in artikel 2.42l, eerste en tweede lid, en de aanvulling van het noodplan, bedoeld in artikel 3.37za, worden door de werkgever vastgelegd en aan de toezichthouder gezonden:
voor bestaande installaties: voor 19 juli 2016;
voor nieuwe installaties: voor de aanvang van de werkzaamheden.
Artikel 9.24. Overgangsbepaling registratie
1. Personen die beschikken over een certificaat of getuigschrift dat is afgegeven krachtens het Arbeidsomstandighedenbesluit en nog geldig is op de datum van inwerkingtreding van een verplichting tot registratie in een van de registers, genoemd in artikel 1.5j, eerste lid, om de arbeid waarop dat certificaat of getuigschrift betrekking heeft te mogen verrichten, kunnen voor de resterende geldigheidsduur van dat certificaat of getuigschrift worden ingeschreven in het van toepassing zijnde register, genoemd in artikel 1.5j, eerste lid.
2. Indien de resterende geldigheidsduur van een certificaat als bedoeld in het eerste lid, verstrijkt binnen twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding, bedoeld in het eerste lid, kan Onze Minister in bijzondere gevallen de registratie in het van toepassing zijnde register verlengen voor ten hoogste zes maanden.
3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de inschrijving, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 9.25. Explosieve atmosferen
Artikel 3.5e, onder e, is niet van toepassing op arbeidsmiddelen voor gebruik op plaatsen waar een explosieve atmosfeer kan voorkomen die voor 30 juni 2003 in gebruik zijn genomen.
Artikel 9.26. Overgangsbepaling aanwijzing certificerende instellingen
1. Tenzij de aanwijzing op grond van artikel 1.5e, tweede lid, wordt ingetrokken, behoudt een certificerende instelling die niet over een accreditatie als bedoeld in artikel 1.5d, tweede lid, beschikt, haar aanwijzing, indien zij een certificerende instelling is als bedoeld in:
artikel 3.5h, vierde lid;
artikel 4.9, tweede lid.
2. Dit artikel vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 9.27. Overgangsbepaling voor bedrijven met procescertificaat asbestverwijdering
1. Bedrijven die op de dag voor de datum van inwerkingtreding van het Implementatiebesluit richtlijn 2023/2668 beschikken over een certificaat asbestverwijdering als bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, van dit besluit, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Implementatiebesluit richtlijn 2023/2668, mogen zonder een vergunning op grond van artikel 19a, eerste lid, van de wet, werkzaamheden met asbest blijven uitvoeren als zij binnen een maand na de inwerkingtreding van artikel 19a van de wet een aanvraag voor een vergunning hebben ingediend, tot de dag waarop Onze Minister een besluit neemt op de aanvraag, met een maximum van zes maanden na de inwerkingtreding van artikel 19a van de wet.
2. De bedrijven bedoeld in het eerste lid, kunnen hun certificaat asbestverwijdering bij hun vergunningaanvraag voegen om te voldoen aan artikel 4.58, tweede lid, onderdeel b, voorzover een certificaat op grond van dat artikel aangewezen is voor de aangevraagde vergunning.
Artikel 9.28. Overgangsbepaling voor bedrijven zonder procescertificaat asbestverwijdering
Bedrijven die binnen een maand na de inwerkingtreding van artikel 19a van de wet een aanvraag voor een vergunning hebben ingediend, mogen asbestwerkzaamheden blijven uitvoeren waarvoor op grond van dit besluit, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Implementatiebesluit richtlijn 2023/2668, geen certificaat asbestverwijdering vereist was, tot de dag waarop Onze Minister een besluit neemt op de aanvraag, met een maximum van zes maanden na de inwerkingtreding van artikel 19a van de wet.
Artikel 9.29. Overgangsbepaling voor opleidingen en registratie
1. Een opleiding die een werknemer heeft afgerond vóór de datum van inwerkingtreding van het Implementatiebesluit richtlijn 2023/2668 wordt in de eerste zes maanden na die inwerkingtreding op verzoek van de werkgever opgenomen in het Register gezond en veilig werken met asbest.
2. Na een registratie in reactie op een verzoek als bedoeld in het eerste lid voldoet de werkgever aan artikel 4.30, eerste lid, voor zover de opleiding voldoet aan artikel 4.30, derde en vierde lid, en de krachtens artikel 4.30, achtste lid, gestelde eisen aan de inhoud van de opleiding.
3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de manier waarop de werkgever aantoont dat een werknemer voldoet aan het theorie- of praktijkgedeelte, bedoeld in artikel 4.30, derde lid, wanneer hij een verzoek doet als bedoeld in het eerste lid.
4. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de indeling van opleidingen als bedoeld in het eerste lid in specifieke categorieën in het Register gezond en veilig werken met asbest en over de mate waarin een opleiding als bedoeld in het eerste lid voldoet aan artikel 4.30.
5. De werkgever voldoet uiterlijk zes maanden na de inwerkingtreding van het Implementatiebesluit richtlijn 2023/2668 aan artikel 4.30.
6. De werkgever die in de eerste zes maanden na de inwerkingtreding van het Implementatiebesluit richtlijn 2023/2668 een vergunningaanvraag als bedoeld in artikel 4.58 indient, levert in afwijking van artikel 4.58, tweede lid, onderdeel a, de unieke registratienummers, uiterlijk zes maanden na die inwerkingtreding aan bij Onze Minister.
7. Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, kan ook worden ingediend door een werknemer of voormalig werknemer.
Artikel 9.30. Overgangsbepaling voor het asbestinventarisatierapport
1. Het inventarisatierapport dat is opgesteld op grond van artikel 4.54a, zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van het Implementatiebesluit richtlijn 2023/2668, mag worden gebruikt om te voldoen aan artikel 4.48, eerste lid, tot uiterlijk zes maanden na de inwerkingtreding van het Implementatiebesluit richtlijn 2023/2668.
2. Artikel 4.48, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op het inventarisatierapport, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 9.31. Overgangsbepaling voor lopende asbestwerkzaamheden
Op werkzaamheden met asbest die zijn gestart voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Implementatiebesluit richtlijn 2023/2668, blijven hoofdstuk 4, afdeling 5 en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden op de dag voor inwerkingtreding van het Implementatiebesluit richtlijn 2023/2668, van toepassing tot uiterlijk zes maanden na de inwerkingtreding van het Implementatiebesluit richtlijn 2023/2668 en met inachtneming van de artikelen 9.27 tot en met 9.30.
§ 2. Slotbepalingen
Artikel 9.32. Wijziging bijlagen bij EU-Richtlijnen
Een wijziging van een van de bijlagen bij een EU-Richtlijn waarnaar in dit besluit wordt verwezen, gaat voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.
Artikel 9.33. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Arbeidsomstandighedenbesluit.
ARTIKEL II
Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:
In de alfabetische volgorde worden twee begripsbepalingen ingevoegd, luidende:
asbestdocumentatie: documentatie als bedoeld in artikel 4.48, tweede lid, onderdeel a, van het Arbeidsomstandighedenbesluit;
asbestidentificatie: onderzoek als bedoeld in artikel 4.48 van het Arbeidsomstandighedenbesluit;
In de begripsomschrijving van het begrip asbestinventarisatierapport wordt ‘artikel 4.54a, derde lid,’ vervangen door ‘artikel 4.49, tweede lid,’.
De begripsbepaling asbestinventarisatie vervalt.
B
In het opschrift van paragraaf 2 wordt ‘asbestinventarisatie’ vervangen door ‘asbestidentificatie’.
C
Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:
In het eerste, tweede en derde lid wordt ‘een asbestinventarisatie’ vervangen door ‘een asbestidentificatie’ en wordt voor ‘een asbestinventarisatierapport’ ingevoegd ‘, indien van toepassing,’.
In het eerste lid wordt in onderdeel a ‘, of’ vervangen door ‘; of’ en wordt de komma aan het slot van onderdeel b vervangen door een puntkomma.
In het vierde lid wordt voor ‘het asbestinventarisatierapport’ ingevoegd ‘de asbestdocumentatie dan wel’.
D
Artikel 4 komt te luiden:
Artikel 4
1. Artikel 3 is niet van toepassing op:
werkzaamheden die worden uitgevoerd in of aan objecten, niet zijnde zeeschepen als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, die op of na 1 januari 1994 zijn gebouwd dan wel vervaardigd;
handelingen die in de uitoefening van een beroep of bedrijf worden verricht en waarbij het vanwege de spoedeisendheid niet mogelijk is om een asbestidentificatie te verrichten, mits de materialen die naar redelijke verwachting asbest zijn of de producten waarin naar redelijke verwachting asbest of een asbesthoudend product is toegepast, bij het verrichten van de handelingen worden behandeld als asbest of asbesthoudende producten;
wegen als bedoeld in het Besluit asbestwegen milieubeheer.
2. Artikel 3 is daarnaast niet van toepassing op het anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf:
geheel of gedeeltelijk verwijderen van rem- en frictiematerialen;
als een geheel verwijderen van verwarmingstoestellen;
in zijn geheel verwijderen van geschroefde, asbesthoudende platen waarin de asbestvezels hechtgebonden zijn, niet zijnde dakleien, of asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde, asbesthoudende vloerbedekking uit een vaartuig, voor zover het vaartuig niet in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf wordt gebruikt of bedoeld is voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen asbesthoudende platen, vloertegels of vloerbedekking in totaal maximaal vijfendertig vierkante meter bedraagt.
E
In artikel 5 wordt voor ‘een afschrift’ ingevoegd ‘de asbestdocumentatie dan wel’.
F
Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:
1. De aanhef van het eerste lid komt te luiden:
De volgende handelingen mogen slechts worden verricht door een bedrijf dat in het bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 19a van de Arbeidsomstandighedenwet:
2. Het tweede lid komt te luiden:
2. Degene die anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf handelt, mag alleen de handelingen, bedoeld in artikel 4, tweede lid, verrichten.
3. In het derde lid vervalt ‘in verbinding met het tweede lid’.
G
Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:
In het eerste lid vervalt ‘in een binnenruimte’, en wordt ‘de artikelen 4.51a, eerste, tweede, vierde en zesde lid, en 4.53c van het Arbeidsomstandighedenbesluit’ vervangen door ‘artikel 4.55 van het Arbeidsomstandighedenbesluit’.
Het tweede, derde en vijfde lid vervallen, onder vernummering van het vierde lid tot tweede lid.
In het tweede lid (nieuw) vervalt ‘in een binnenruimte’ en wordt ‘bedoeld in de artikelen 4.51a, tweede lid, en 4.53c van het Arbeidsomstandighedenbesluit’ vervangen door ‘bedoeld in het krachtens artikel 4.55, zevende lid, onderdeel c, van het Arbeidsomstandighedenbesluit bepaalde,’.
H
In artikel 16 wordt voor ‘burgemeester en wethouders’ ingevoegd ‘het college van’.
ARTIKEL III
Het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 7.9 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het opschrift wordt ‘asbestinventarisatie’ vervangen door ‘asbestidentificatie’.
2. In het eerste lid wordt voor ‘een asbestinventarisatierapport’ ingevoegd ‘asbestdocumentatie dan wel’.
3. Het tweede lid komt te luiden:
2. Het eerste lid is niet van toepassing op:
werkzaamheden die worden verricht in of aan bouwwerken of een gedeelte daarvan dat op of na 1 januari 1994 is gebouwd, tenzij er aanwijzingen zijn dat in het bouwwerk respectievelijk het gedeelte daarvan asbest of een asbesthoudend product is toegepast;
werkzaamheden die in de uitoefening van een beroep of bedrijf worden verricht en waarbij het vanwege de spoedeisendheid niet mogelijk is om een asbestidentificatie te verrichten, mits de materialen die naar redelijke verwachting asbest zijn of de producten waarin naar redelijke verwachting asbest of een asbesthoudend product is toegepast, bij het verrichten van de handelingen worden behandeld als asbest of asbesthoudende producten;
de volgende werkzaamheden, mits zij anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf worden verricht:
1˚. het geheel of gedeeltelijk verwijderen van rem- en frictiematerialen;
2˚. het als een geheel verwijderen van verwarmingstoestellen;
3˚. het in zijn geheel verwijderen van geschroefde, asbesthoudende platen waarin de asbestvezels hechtgebonden zijn, anders dan dakleien, of van asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde, asbesthoudende vloerbedekking, uit een woonfunctie of nevengebruiksfunctie daarvan, voor zover die woonfunctie of die nevengebruiksfunctie niet in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf wordt gebruikt of bedoeld is voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen asbesthoudende platen, vloertegels of vloerbedekking in totaal ten hoogste 35 m2 bedraagt.
4. In het derde lid wordt voor ‘het asbestinventarisatierapport’ ingevoegd ‘de asbestdocumentatie dan wel’.
B
Artikel 7.10, vierde lid, onderdeel c, komt te luiden:
in de uitoefening van een beroep of bedrijf slopen van bouwwerken dat is gericht op:
1˚. het verschaffen van hulp in een levensbedreigende situatie of het verlenen van medische hulp;
2˚. het voorkomen van levensbedreigende situaties of een situatie waarin ernstige schade aan gebouwen, goederen of milieu ontstaat;
3˚. het uitvoeren van de politietaak, bedoeld in artikel 3 van de Politiewet 2012;
4˚. het waarborgen van de levering van nutsvoorzieningen, voor zover het noodzakelijk is dat de werkzaamheden onmiddellijk worden verricht;
5˚. het verwijderen van asbest of asbesthoudende producten als bedoeld in artikel 4.57, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
C
Artikel 7.11 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:
In onderdeel g wordt voor ‘een asbestinventarisatierapport’ ingevoegd ‘asbestdocumentatie dan wel’ en wordt voor ‘het asbestinventarisatierapport ingevoegd ‘de asbestdocumentatie dan wel’.
Onder vervanging van ‘; en’ aan het slot van onderdeel f door een puntkomma en onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel g door ‘; en’, wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:
h. als bij de sloopwerkzaamheden asbest wordt verwijderd en degene die de sloopwerkzaamheden verricht handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, de naam en het vergunningnummer, bedoeld in artikel 4.57, negende lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit van het bedrijf dat de sloopwerkzaamheden zal verrichten.
2. Het vierde lid vervalt.
D
Artikel 7.12 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het opschrift wordt na ‘sloopwerkzaamheden’ ingevoegd ‘en eindbeoordeling’.
2. Onder vernummering van het derde lid tot vierde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:
3. Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 2.2, wordt binnen twee weken nadat de eindbeoordeling, bedoeld in artikel 7.22, is verricht, geïnformeerd over het resultaat hiervan.
3. In het vierde lid (nieuw) wordt ‘Het eerste en tweede lid’ vervangen door ‘De informatieplichten in het eerste tot en met derde lid’ en wordt aan het lid toegevoegd ‘en bevatten het unieke nummer van de sloopmelding’.
E
Artikel 7.12a vervalt.
F
In artikel 7.13, onderdeel g, wordt voor ‘een asbestinventarisatierapport’ ingevoegd ‘asbestdocumentatie dan wel’ en wordt voor ‘het asbestinventarisatierapport’ ingevoegd ‘de asbestdocumentatie dan wel’.
G
Artikel 7.20 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het opschrift wordt ‘risicoklasse 2 en 2A’ vervangen door ‘door een vergund bedrijf’.
2. De aanhef van het eerste lid komt te luiden:
1. De volgende handelingen worden verricht door een bedrijf dat in het bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 19a van de Arbeidsomstandighedenwet:
3. Het tweede lid komt te luiden:
2. Degene die anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf handelt, mag alleen de werkzaamheden, bedoeld in artikel 7.9, tweede lid, onderdeel c, verrichten.
H
Artikel 7.22 wordt als volgt gewijzigd:
In het eerste lid vervalt ‘in een binnenruimte’, en wordt ‘de artikelen 4.51a, eerste, tweede, vierde en zesde lid, en 4.53c van het Arbeidsomstandighedenbesluit’ vervangen door ‘artikel 4.55 van het Arbeidsomstandighedenbesluit’.
Het tweede en vierde lid vervallen, onder vernummering van het derde lid tot tweede lid.
In het tweede lid (nieuw) wordt ‘In een binnenruimte’ vervangen door ‘Er’ en wordt ‘bedoeld in de artikelen 4.51a, tweede lid, en 4.53c van het Arbeidsomstandighedenbesluit’ vervangen door ‘bedoeld in het krachtens artikel 4.55, zevende lid, onderdeel c, van het Arbeidsomstandighedenbesluit bepaalde,’.
I
Onderdeel A van bijlage I wordt als volgt gewijzigd:
1. In de begripsomschrijving van asbestinventarisatierapport wordt ‘artikel 4.54a, eerste, derde en vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit’ vervangen door ‘artikel 4.49 van het Arbeidsomstandighedenbesluit’.
2. In de alfabetische volgorde wordt een nieuwe begripsbepaling ingevoegd, luidende:
asbestdocumentatie: documentatie als bedoeld in artikel 4.48, tweede lid, onderdeel a, van het Arbeidsomstandighedenbesluit;
3. De begripsbepaling LAVS vervalt.
ARTIKEL IV
Met ingang van de dag van inwerkingtreding van dit besluit vervallen van rechtswege alle aanwijzingen als certificerende instelling als bedoeld in artikel 4.54d, vijfde en zevende lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, zoals dit artikel luidde op de dag voor de inwerkingtreding van dit besluit.
ARTIKEL V
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
ARTIKEL VI
Dit besluit wordt aangehaald als: Implementatiebesluit richtlijn 2023/2668.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
De Minister van Werk en Participatie, A.A. Aartsen |
|---|
Toelichting
INHOUDSOPGAVE
ALGEMENE TOELICHTING
Inleiding
Implementatiewetgeving
Hoofdlijnen van het voorstel
3.1 Vergunningplicht
3.1.1 Reikwijdte van de vergunningplicht
3.1.2 Bewijs van naleving
3.1.2.1 Differentiatie en de rol van certificering
3.1.2.2 Een ander bewijs van naleving dan certificering
3.1.2.3 Mogelijk alternatief voor de gekozen vorm van differentiatie
3.1.2 Opleidingen
3.1.2.1 Nieuwe eisen richtlijn en verhouding tot de Nederlandse praktijk
3.1.2.2 Doel en reikwijdte
3.1.2.3 Voorlichting aan werknemers die asbest tegen kunnen komen
3.1.2.4 Gedifferentieerde opleidingseisen op basis van het type werkzaamheden
3.1.2.5 Opleidingen worden gegeven door erkende opleiders
3.1.2.6 De afgeronde opleiding wordt vastgelegd in een register
3.1.2.7 Wettelijke persoonscertificatie komt te vervallen
3.1.2.8 Examinering en invulling duurzame vakbekwaamheid
3.1.3 De aanvraag van een vergunning
3.1.4 Naleefgedrag en integriteit
3.1.4.1 Het gebruik van toezichtsinformatie
3.1.4.2 De Verklaring omtrent het gedrag voor rechtspersonen (VOG-rp)
3.1.4.3 De inzet van de Wet Bibob
3.2 Verbetering certificatiestelsel
3.3 Grenswaarde
3.4 Ondergrens
3.5 Asbestinventarisatie
3.6 Meldingsplicht
3.7 Eerdere uitzonderingen inventarisatie-, certificatie- en meldingsplicht
3.8 Het gebruik van SMART-ns
3.9 Eindbeoordelingen
3.10 Meten tijdens asbestwerkzaamheden
3.11 Blootstellingsregistratie
3.12 Het Validatie- en Innovatiepunt (VIP)
Verhouding tot hoger recht
4.1 Asbestrichtlijn
4.2 REACH-verordening
4.3 Verdrag betreffende veiligheid bij het gebruik van asbest (ILO 162)
4.4 Vrij verkeer van werknemers, vrij verkeer van diensten en vrijheid van vestiging
4.5 Grondwet, EVRM en IVBPR
4.6 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
4.7 Algemene verordening gegevensbescherming
4.8 Richtlijn erkenning beroepskwalificaties
5. Verhouding tot nationale regelgeving
6. Gevolgen (m.u.v. financiële gevolgen)
7. Uitvoering
8. Toezicht en handhaving
9. Financiële gevolgen
9.1 Regeldruk
9.1.1 Berekening regeldruk volgens Panteia
9.1.2 Niet door Panteia meegenomen wijzigingen in het conceptbesluit
9.1.3 Totaalbeeld
9.2 Kosten voor de overheid
10. Evaluatie
11. Advies en consultatie
12. Overgangsrecht en inwerkingtreding
13. Bijlagen
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
Artikel I (wijzigingen Arbeidsomstandighedenbesluit)
Artikel II (wijzigingen Asbestverwijderingsbesluit 2005)
Artikel III (wijzigingen Besluit bouwwerken leefomgeving)
Artikel IV (vervallen aanwijzingen certificerende instellingen)
Artikel V (inwerkingtreding)
Artikel VI (citeertitel)
Bijlage A Transponeringstabel bij de omzetting van Richtlijn (EU) 2023/2668
Bijlage B Afdeling 5 van hoofdstuk 4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit zoals die luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit implementatiebesluit
Algemeen
Inleiding
Achtergrond en totstandkoming
Dit wijzigingsbesluit dient ter implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2668 van het Europees Parlement en de Raad van 22 november 2023 tot wijziging van Richtlijn 2009/148/EG betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan asbest op het werk (hierna: Wijzigingsrichtlijn)1. Deze Wijzigingsrichtlijn wijzigt Richtlijn 2009/148/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan asbest op het werk (hierna: Asbestrichtlijn) en heeft tot doel om werknemers beter te beschermen tegen blootstelling aan asbest bij het verrichten van arbeid. De Wijzigingsrichtlijn introduceert onder meer een vergunningplicht voor bedrijven die sloop- of asbestverwijderingswerkzaamheden gaan verrichten. Om dit te kunnen bewerkstelligen is eerder een wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet2 (hierna: Arbowet) in procedure gebracht. Deze zal tegelijkertijd met dit besluit in werking treden.
De Wijzigingsrichtlijn moest uiterlijk op 21 december 2025 geïmplementeerd zijn. Dit was niet haalbaar. Desalniettemin voldoet Nederland al op een groot aantal punten aan de Richtlijn. Zo voldoet Nederland al aan de aangescherpte grenswaarde die de Richtlijn voorschrijft. De basis voor de grenswaarde in Nederland, zoals vastgelegd in het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: Arbobesluit), is het advies van de Gezondheidsraad uit 2010 “Risico’s van milieu- en beroepsmatige blootstelling”.3 Toegang tot de markt is weliswaar niet geregeld via een vergunningplicht, maar alleen gecertificeerde bedrijven kunnen de meest risicovolle werkzaamheden uitvoeren.
De Wijzigingsrichtlijn één op één overnemen in de Nederlandse regelgeving, en daarom een puur zuivere implementatie bewerkstelligen, was niet mogelijk. De Wijzigingsrichtlijn is op veel punten niet concreet en daarom is nadere invulling nodig, zoals de invulling van het bewijs van naleving. Het introduceren van een vergunningplicht voor bedrijven die sloop- en asbestverwijderingswerkzaamheden verrichten, werkt bovendien door op tal van onderdelen in de regelgeving en heeft een herziening van het grootste deel van de nationale regelgeving tot gevolg.
De Tweede Kamer is geïnformeerd over de hoofdlijnen van de wijze van implementatie van de Wijzigingsrichtlijn, per brief van 23 september 20244. Een nadere uitwerking daarvan is beschreven in de brief van 28 mei 20255. In deze laatste brief staat ook dat de implementatiedatum van 21 december 2025 haalbaar was.
Bij de nadere invulling van de artikelen uit de Wijzigingsrichtlijn is rekening gehouden met de bestaande nationale regelgeving en praktijk en het begrijpelijker maken van de asbestregelgeving. Daarnaast is beoogd de totale lasten zo laag mogelijk te houden zonder afbreuk te doen aan het belang dat werknemers hun werk gezond en veilig doen. Zo gelden er strengere regels waar de risico’s hoger zijn en minder strenge regels waar de risico’s lager zijn.
Omdat de Wijzigingsrichtlijn een aantal belangrijke aspecten slechts op hoofdlijnen beschrijft, is nadere concretisering vereist in nationale wet- en regelgeving. Dit biedt ruimte om bij de implementatie van de Wijzigingsrichtlijn gebruik te maken van de denkrichtingen in het eerder beoogde meer risicogerichte beleid. Met de brieven van 28 november 2017 en 27 september 20186 gaf de toenmalige staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: SZW) een beleidsreactie op het onderzoeksrapport van Tauw naar het asbeststelsel, dat was aangeboden per brief van 20 oktober 20177. In de brief van 27 september 2018 werd een aantal stappen aangekondigd om het asbeststelsel te verbeteren. Het betrof het verbeteren van de regelgeving en certificatie-eisen, het verduidelijken van de stand van de wetenschap met het instrument SMArt, het stimuleren van innovatie, het in balans brengen van de vertegenwoordiging bij certificatie, het richten van de certificeringsplicht op complexe technieken, het verkennen van verbetermogelijkheden in eindbeoordelingen en het effectiever maken van toezicht. Wanneer de genoemde maatregelen na invoering niet voldoende effectief zouden blijken te zijn, zouden de mogelijkheden worden verkend om met een erkenningsregeling notoire overtreders van de markt te kunnen halen. Voor het realiseren van een certificeringsplicht gericht op complexe technieken en de aanwijzing van het aangepaste SMArt, is een wijziging van het Arbobesluit voorbereid, tezamen met de daarvoor benodigde wijziging van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 en het Besluit bouwwerken leefomgeving. Deze wijziging is op 24 oktober 2022 aangeboden aan de Tweede Kamer8 en gelijktijdig aan de Eerste Kamer. Na publicatie van de Wijzigingsrichtlijn is met de brief van 21 december 20239 gemeld dat de Raad van State is verzocht de adviesvraag van 7 juli 2023 aan te houden, in afwachting van meer duidelijkheid over de gevolgen van de Wijzigingsrichtlijn. Toen duidelijk werd dat de benodigde wijzigingen in verband met de Wijzigingsrichtlijn niet aansloten bij de voorgenomen wijziging, is de adviesvraag aan de Raad van State teruggetrokken en is de Tweede Kamer daarover per brief van 22 april 202410 geïnformeerd.
Die concretisering van de Wijzigingsrichtlijn sluit waar mogelijk aan bij de eerdere oplossingsrichtingen, om de verbeterpunten te realiseren uit het rapport van Tauw. De implementatie van de Wijzigingsrichtlijn biedt hiervoor kansen. Zo is de eerdere gedachte achter een risicogerichte aanpak benut bij de invulling van het volgens de Wijzigingsrichtlijn benodigde bewijs van naleving. De invulling neemt een belemmerende factor voor innovatie weg. De vereiste herziening van het certificatiestelsel biedt gelegenheid voor een oplossing voor het destijds geconstateerde probleem van juridificering. De eerder geschetste mogelijkheid om pas over te gaan tot een erkenningenstelsel als de getroffen maatregelen onvoldoende effect zouden hebben, moet met de vergunningplicht uit de Wijzigingsrichtlijn nu al worden ingevoerd.
Hoewel de Asbestrichtlijn ziet op bescherming van werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan asbest op het werk, is niet alleen de Arboregelgeving gewijzigd. Er is een nauwe verwevenheid tussen de asbestregelgeving op arbogebied met de regelgeving aangaande de gebouwde omgeving, leefomgeving en milieu. Deze zijn niet los van elkaar te zien. Daarom is de regelgeving tot stand gekomen in nauwe samenspraak met het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (hierna: VRO) en het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (hierna: I&W) en de decentrale overheden.
Het Besluit bouwwerken leefomgeving en het Asbestverwijderingsbesluit 2005 zijn ook technisch aangepast om aan te sluiten op de nieuwe regels in de arboregelgeving. Het arbeidsomstandighedenbesluit en de regeling zijn tot stand gekomen met intensieve betrokkenheid van een klankbordgroep. Daarin waren zowel gecertificeerde als niet gecertificeerde asbestverwijderingsbedrijven vertegenwoordigd, naast asbestinventarisatiebedrijven, laboratoria, opdrachtgevers en toezichthouders. Bij gelegenheid zijn andere partijen, zoals CI’s en de schemabeheerder Ascert, aangesloten. FNV, VNO-NCW, het ministerie van VRO en IenW en de VNG waren betrokken als agendalid. Daarnaast was de VNG aangesloten bij de reguliere overleggen tussen SZW, IenW en VRO.
Algemeen
De Asbestrichtlijn voorziet in een consistent niveau van bescherming tegen de risico’s van beroepsmatige blootstelling aan asbest via een kader van algemene beginselen. Dit verplicht de lidstaten te zorgen voor een consequente toepassing van de minimumvoorschriften. De bescherming van werknemers komt zo op het niveau van de Europese Unie. Lidstaten kunnen daarnaast strengere bepalingen vaststellen. De Asbestrichtlijn is vanwege de zeer kankerverwekkende eigenschappen van asbest, en daarmee het grote gezondheidsrisico voor werknemers, van toepassing op álle activiteiten, zoals bouw-, renovatie- en sloopwerkzaamheden, met (mogelijke) blootstelling van werknemers aan stof afkomstig van asbest of asbesthoudende materialen.
Doelstelling
Voor bepaalde asbestwerkzaamheden was een certificaat al verplicht. Door de Wijzigingsregeling komt er een vergunningplicht voor het verwijderen van asbest. Volgens de Nederlandse Arbeidsinspectie (hierna: NLA)11 is momenteel sprake van een slechte naleving van voorschriften door gecertificeerde bedrijven. Zo presteert 19% goed, 63% matig en 18% slecht. Circa de helft van de overtredingen heeft betrekking op het werken op hoogte. Deze overtredingen spelen overigens geen rol bij het verlenen van vergunningen, aangezien deze niet direct asbestgerelateerd zijn.12. De vergunningverlening maakt effectiever optreden mogelijk tegen bedrijven die slecht presteren en die niet verbeteren ondanks de huidige handhaving. Zonder verbetering van naleefgedrag kunnen de overtredende bedrijven van de markt worden geweerd. Het instrument van certificering is niet bedoeld om dit soort gedrag te verbeteren, maar krijgt in dit wijzigingsbesluit wel een rol onder de vergunningplicht. Het certificaat is het door de Wijzigingsrichtlijn vereiste bewijs van naleving. Dankzij de vergunningplicht ontstaat meer zicht op de bedrijven die bepaalde asbestwerkzaamheden mogen uitvoeren. Dat zicht ontbreekt nu deels, omdat voor werkzaamheden in een lagere risicoklasse geen certificeringsplicht geldt.
Het verbeteren van het naleefgedrag draagt bij aan de doelstellingen van de Arbovisie13: er zouden geen mensen meer moeten overlijden door slechte omstandigheden op het werk, en, om dit te bereiken leven alle werkgevers, opdrachtgevers en werkenden de arboregelgeving na. Verder wil het kabinet tegemoetkomen aan de constatering van de Algemene Rekenkamer14 dat de handhavingsinstrumenten waarover de Arbeidsinspectie beschikt, niet toereikend zijn om het nalevingsgedrag van de groep hardnekkige overtreders te verbeteren. Dat komt, volgens de Algemene Rekenkamer, door de eisen aan het opleggen van zwaardere maatregelen en langlopende juridische trajecten van bezwaar- en beroepsprocedures. Vanwege het grote belang om het naleefgedrag te verbeteren, voorziet het wetsvoorstel onder meer in het kunnen inzetten van de Wet Bibob en bevat dit besluit onder meer een invulling van het gebruiken van toezichtinformatie bij de vergunningverlening.
In artikel 6 van de Wijzigingsrichtlijn staan maatregelen om de blootstelling van werknemers aan stof afkomstig van asbest- of asbesthoudende materialen op de werkplek tot een minimum te beperken bij bepaalde werkzaamheden. De Wijzigingsrichtlijn vraagt om een bewijs van naleving van dit artikel, waaruit duidelijk blijkt dat er groot belang wordt gehecht aan het zo laag mogelijk houden van de blootstelling aan de bron. Dit komt niet alleen ten goede aan de werknemer, maar ook aan de leefomgeving. De invulling van het bewijs van naleving met een procescertificaat of een erkende werkmethode, en de komst van het instrument SMART-ns (zie paragraaf 3.8), stimuleert het nemen van technische beheersmaatregelen.
Het wijzigingsbesluit
De vergunningplicht in het eerdere wetsvoorstel is een rechtstreekse uitwerking van Europese verplichtingen. Dit wijzigingsbesluit bevat onder meer de verdere uitwerking van de vergunningplicht. Daarnaast bevat het de nodige aanpassingen om te voldoen aan de overige bepalingen van de Wijzigingsrichtlijn. Daarvoor is ook een wijziging van de Arboregeling nodig. Omdat de asbestregelgeving van I&W en VRO, respectievelijk het Asbestverwijderingsbesluit 2005 en het Besluit bouwwerken leefomgeving, sterk verweven zijn met de bepalingen in het Arbobesluit zijn hier ook de nodige wijzigingen in aangebracht.
De opbouw van het Arbobesluit is grondig gewijzigd. Het is verduidelijkt dat de grenswaarde voor álle werknemers geldt, ongeacht of zij actief werken aan asbest of niet. Het besluit is verder opgebouwd van meer algemeen tot meer specifiek.
De scope van het wijzigingsbesluit betreft alleen het werken aan asbest zover dat door bedrijven gebeurt. Regels voor particulieren worden hiermee niet gewijzigd. Voor de arboregelgeving is het niet relevant of het om opzettelijk of niet-opzettelijk toegevoegd asbest gaat. In milieuregelgeving is dit onderscheid wel relevant. Alle producten die asbest bevatten boven de 100 mg/kg (de concentratie serpentijnasbest wordt vermeerderd met tienmaal de concentratie amfiboolasbest) vallen onder de reikwijdte van de afdeling asbest in dit besluit zolang bedrijven aan het asbest kunnen worden blootgesteld. Een uitzondering hierop zijn de grenswaarde waaraan een werknemer maximaal mag worden blootgesteld en de verplichting dat werknemers voorlichting krjjgen als ze in aanraking komen of kunnen komen met asbest. Deze gelden ook als wordt gewerkt met producten waarin minder dan 100 mg/kg asbest zit.
Implementatiewetgeving
Nederland kende risicoklassen waaruit bleek of er boven of onder de grenswaarde werd gewerkt en welke maatregelen dan op grond van de Asbestrichtlijn geldend waren. Alleen gecertificeerde bedrijven mochten werkzaamheden boven de grenswaarde verrichten. De grenswaarde lag in Nederland beduidend lager dan die van de Asbestrichtlijn15. Dit was gebaseerd op een advies van de Gezondheidsraad. In Nederland werd het instrument SMA-rt gebruikt om invulling te geven aan de vanuit de Asbestrichtlijn vereiste risicobeoordeling vooraf. In Nederland gold een verplichting om vooraf door een deskundige partij het asbest te laten inventariseren. Dit was geen vereiste vanuit de Asbestrichtlijn.
De Wijzigingsrichtlijn scherpt de regelgeving flink aan vanwege de te verwachten renovatiegolf waarbij werkenden met asbest in aanraking kunnen komen. Hieronder staan de voornaamste punten. Er zijn nu minder artikelen die niet gelden voor het werken onder de grenswaarde. Om de regelgeving te vereenvoudigen, vervallen de bestaande risicoklassen. De grenswaarde blijft bestaan. Een aantal artikelen geldt nog steeds alleen bij een overschrijding van de grenswaarde. Ten tweede vraagt de Wijzigingsrichtlijn om meer gegevens bij de verplichte melding voorafgaand aan werkzaamheden. Hiermee toont de werkgever aan dat de werknemers die asbestgerelateerde werkzaamheden verrichten naar behoren zijn opgeleid. Ook moet uit die gegevens blijken dat er meer aandacht is voor de langetermijneffecten van asbest op de gezondheid van werknemers. Ten derde is er meer aandacht voor de preventieve maatregelen bij asbestwerkzaamheden, door artikel 6 aan te scherpen. Een bewijs van naleving van artikel 6 is bovendien een voorwaarde voor de vergunning.
De grenswaarde is op Europees niveau aangescherpt16 en wordt op 21 december 2029 verder verlaagd17. De Nederlandse grenswaarde was al lager, waardoor de aanscherping van de Europese grenswaarde geen gevolgen heeft. Mogelijk heeft het onderscheid dat de Wijzigingsrichtlijn maakt in hele dunne vezels in de aangescherpte grenswaarde die de lidstaten uiterlijk op 21 december 2029 moeten implementeren nog wel gevolgen voor de Nederlandse grenswaarde. Het RIVM en TNO onderzoeken dit nog. Tenslotte schrijft de Wijzigingsrichtlijn op basis van het gewijzigde artikel 14 en bijlage I bis strengere eisen aan opleidingen voor, zoals een erkende instructeur. Deze opleiding van werknemers is tevens een vereiste voor het verkrijgen van de hierboven genoemde vergunning.
De introductie van een vergunningplicht voor bedrijven die sloop- of asbestverwijderings-werkzaamheden verrichten is een grote verandering in het Nederlandse stelsel. Hiervoor was een wijziging van de Arbowet nodig.
De Wijzigingsrichtlijn is hoofdzakelijk geïmplementeerd in hoofdstuk 4, afdeling 3, van het Arbobesluit. Zoals bij alle nieuwe regelgeving is op grond van het comply or explain principe beoordeeld of de voorgestelde wet- en regelgeving ook moet gelden voor de BES-eilanden. Door het kleinschalige karakter van de eilanden is deze wet- en regelgeving daar niet toepasbaar. De Asbestrichtlijn was zoals gebruikelijk bij Europese regels al niet van toepassing op de eilanden. Wel gelden daar sinds 1 juli 2019 nieuwe regels voor het werken met asbest18.
Hoofdlijnen van het voorstel
In dit wijzigingsbesluit (en onderliggend de arboregeling) staat het volgende:
De vergunningplicht voor bedrijven die asbest verwijderen in de Arbowet is in het Arbobesluit uitgewerkt. De vergunning geldt voor onbepaalde tijd tenzij er aanleiding is hiervan af te wijken. Het besluit schrijft de gronden voor schorsing, intrekking of weigering van een vergunning voor.
Het besluit regelt hoe bedrijven met een vergunning van een andere lidstaat in Nederland aan de vergunningplicht moeten voldoen om ook op de Nederlandse markt te mogen werken.
Er zijn verschillende typen vergunningen: beperkt, basis en uitgebreid. Waar hogere risico’s zijn, gelden strengere eisen. Deze indeling is gebaseerd op asbesttoepassingen. Hoe steviger de asbestvezels in een matrix zitten, hoe minder makkelijk deze vrijkomen.
In de Arboregeling staat welke toepassing met welk type vergunning mag worden verwijderd.
Voor afgifte van de vergunning is een bewijs van naleving vereist volgens de Wijzigingsrichtlijn. Voor de vergunning beperkt geldt hiervoor een erkende werkmethode. Voor de vergunningen basis en uitgebreid is een procescertificaat vereist.
Eerder was een procescertificaat nodig voor werkzaamheden boven de grenswaarde. Er was veel kritiek op het certificatiestelsel. Daarom is het procescertificaat aangepast. Publiek en privaat zijn beter gescheiden. De overheid kan de vergunning intrekken. Het certificatiestelsel richt zich meer op kwaliteitsverbetering en -borging.
Voor afgifte van de vergunning zijn ook erkende opleidingen van de medewerkers vereist. Daarnaast schrijft de Wijzigingsrichtlijn voor dat ook werknemers die andere werkzaamheden met asbest verrichten, een erkende opleiding moeten hebben gevolgd. De procedure voor het erkennen van opleidingen staat in het besluit. Net als welke opleiding geldt voor welke werkzaamheden.
Een samenwerkingsverband van toezichthouders levert toezichtsinformatie aan de vergunningverlener. Dit voorkomt dat herhaalde overtreders een vergunning krijgen of houden.
Voor personen die asbest tegen kunnen komen in het werk geldt net als voorheen een verplichte voorlichting van de werkgever. Voor personen in beroepen waarbij blootstelling kan optreden, zoals bij de brandweer, geldt een basisopleiding. Voor personen die aan asbest werken zijn verschillende categorieën erkende opleidingen opgenomen. Voor asbestverwijderingen sluiten deze aan bij de verschillende typen vergunningen.
Voor opleidingen in de categorie beperkt geldt een deelnameplicht, voor de categorieën basis en uitgebreid moet de werknemer ook een examen doen.
Elke drie jaar moet de werknemer een opleiding of bijscholing volgen. De persoonscertificatie is afgeschaft. Hiermee vervalt ook het doen van een examen elke drie jaar.
Alle personen die een erkende opleiding hebben gevolgd staan in het Register Gezond en Veilig werken met asbest. Daar staat bij welke werkzaamheden zij mogen uitvoeren.
De registratienummers van personen worden gebruikt bij de vergunningaanvraag en bij het doen van projectmeldingen. Dit voorkomt dat de werkgever elke keer de opleidingscertificaten moet aanleveren.
Voor alle asbestwerkzaamheden is een melding vooraf in het Omgevingsloket verplicht. Verwijderingswerkzaamheden in de categorie beperkt zijn hiervan uitgezonderd. Ook is er een uitzonderingsgrond voor levensbedreigende situaties, voor situaties waarbij ernstige schade moet worden voorkomen en voor het waarborgen van de levering van nutsvoorzieningen.
Voor de verwijdering moet ook een risicobeoordeling plaatsvinden. Met een erkende werkmethode is vooraf aangetoond dat er onder de grenswaarde wordt gewerkt. Als die er niet is, kan dit op basis van meetgegevens of een modelberekening via het nieuwe instrument SMART-ns.
SMART-ns stimuleert de asbestverwijderaar de blootstelling zo laag mogelijk te houden en geeft inzicht in te nemen maatregelen.
Een asbestinventarisatiebureau legt de feitelijke kenmerken van de aangetroffen asbestbronnen vast in een rapport en in SMART-ns. De asbestverwijderaar vult vervolgens de werkmethode in om de blootstelling te bepalen. Als de asbestverwijderaar documentatie heeft om de asbestbronnen te identificeren, vult hij deze zelf in SMART-ns in. De mogelijkheid om met documentatie de blootstelling te kunnen bepalen is nieuw. Voorheen kon dat alleen met een asbestinventarisatie.
Op basis van de blootstelling bepaalt SMART-ns of een afscherming vereist is, wat de minimale beschermingsmaatregelen zijn en wat voor eindbeoordeling nodig is.
Na afronding van de werkzaamheden en schoonmaak van het werkgebied is een eindbeoordeling verplicht. Dit toont aan of het werkgebied weer veilig is. De eindbeoordeling is afhankelijk van de asbesttoepassing en de hoogte van de blootstelling.
In het Besluit staat wanneer een eindbeoordeling mag worden gedaan door de asbestverwijderaar en wanneer dit door een onafhankelijke partij moet worden gedaan. Een eindbeoordeling bestaat altijd uit een visuele inspectie, soms ook uit luchtmetingen en soms ook uit kleefmonsters. In de Arboregeling staan de criteria voor het kunnen goedkeuren van de situatie.
De Wijzigingsrichtlijn schrijft voor dat ook onder de grenswaarde een werkplan, blootstellingsregistraties en medische keuringen nodig zijn.
3.1 Vergunningplicht
De Wijzigingsrichtlijn vereist dat alle ondernemingen die sloop- of asbestverwijderingswerkzaamheden verrichten een vergunning hebben. Via de wijziging van de Arbowet is daaraan invulling gegeven. Daarnaast biedt de Arbowet een grondslag voor een vergunningplicht voor het bewerken van asbest. De wetswijziging voorziet in het openbaar kunnen maken van verleende vergunningen. Ten slotte voorziet de wijziging van de wet, zoals toegelicht in de Memorie van toelichting, in een tweetal instrumenten om de integriteit van de aanvrager te beoordelen. Er geldt de verplichting van een VOG-rechtspersoon en het is mogelijk een Bibob-onderzoek te doen als daar aanleiding toe bestaat.
In de wijziging van de Arbowet is verder bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld over de aanvraag, verlening, wijziging, schorsing en intrekking van de vergunning. En ook over de geldigheidsduur, de reikwijdte van de vergunning met betrekking tot het type werkzaamheden, de aan de vergunning te verbinden voorschriften en de bij een aanvraag te overleggen gegevens. Deze wijziging van het Arbobesluit is de invulling daarvan.
De Wijzigingsrichtlijn stelt twee minimale eisen voor het verkrijgen van een vergunning. Ten eerste moet het bedrijf een bewijs van naleving van artikel 6 van de Wijzigingsrichtlijn overleggen (vertaald naar artikel 4.30 van dit Wijzigingsbesluit). Ten tweede moet het bedrijf de opleidingscertificaten verstrekken van alle werknemers die werkzaamheden zullen verrichten waarop de aanvraag betrekking heeft.
3.1.1 Reikwijdte van de vergunningplicht
In artikel 15 van de Wijzigingsrichtlijn is opgenomen dat ondernemingen die beogen werkzaamheden in verband met sloop of asbestverwijdering te verrichten, vóór aanvang van de werkzaamheden over een door de bevoegde autoriteit afgegeven vergunning beschikken. Volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie is een ‘onderneming’: elke eenheid die een economische activiteit uitvoert, ongeacht haar rechtsvorm en wijze van financiering.19 Dit betekent dat alle bedrijven en zelfstandigen een vergunning moeten aanvragen als ze werkzaamheden willen uitvoeren in verband met sloop- of asbestverwijdering.
Zelfstandigen kunnen als hoofdaannemer of onderaannemer werkzaam zijn. De vergunningplicht geldt voor alle ondernemingen, ongeacht hun rol in het project. Zowel hoofdaannemers als onderaannemers moeten een vergunning aanvragen als zij werkzaamheden willen verrichten in verband met sloop- of asbestverwijdering.
Wanneer een zelfstandige op projectbasis werkzaamheden uitvoert voor een (hoofd)aannemer, is het van belang om te beoordelen of sprake is van zelfstandig ondernemerschap. In de praktijk kan twijfel bestaan of een onderaannemer een werknemer of zelfstandige is. Voor deze beoordeling zijn er de criteria uit artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek en relevante jurisprudentie, zoals de Deliveroo-uitspraak20. Kernaspecten voor de beoordeling zijn: of de persoon onder leiding en toezicht van de ander werkt (gezag), of er een vast loon wordt ontvangen in ruil voor arbeid (loon) en er sprake is van de verplichting tot het leveren van (persoonlijke) arbeid (arbeid).
De beoordeling bestaat uit een afweging van alle feiten en omstandigheden, waarbij de gezichtspunten uit de Deliveroo-uitspraak als leidraad dienen. Zo is in feite sprake van een werknemer (schijnzelfstandigheid), indien een persoon gedurende zekere tijd onder het gezag van een ander werkt en daarvoor loon ontvangt. In dat geval is geen vergunning vereist.
3.1.2 Bewijs van naleving
Volgens de Wijzigingsrichtlijn is bij de aanvraag van een vergunning onder andere een bewijs van naleving van artikel 6 vereist. Artikel 6 ziet, kort samengevat, op het minimaliseren van de blootstelling van werknemers aan asbest, het beperken van het vrijkomen van asbest en het op de juiste wijze afvoeren van asbestafval. Bij de Wetswijziging is al een toelichting gegeven op de invulling van het bewijs van naleving. In de Wijzigingsrichtlijn zijn geen eisen gesteld het bewijs van naleving. Het is geheel aan de lidstaten om hier op nationaal niveau een nadere invulling aan te geven. Ook is ingegaan op de verschillen tussen de gehanteerde begrippen in Europese regelgeving. In bijvoorbeeld productregelgeving staat het begrip “declaration of conformity” waarbij een fabrikant zelf mag verklaren dat zijn product aan Europese eisen voldoet. In de Wijzigingsrichtlijn gaat het om “proof of compliance”, wat betekent dat een instrument met een zwaardere bewijskracht is beoogd dan een eigen verklaring. Dit kan bijvoorbeeld door een toetsing door een onafhankelijke partij.
In de toelichting bij de Wetswijziging is een afweging van de volgende drie opties beschreven voor de invulling van het bewijs van naleving, waarbij onder certificering procescertificering wordt verstaan:
Gedifferentieerde certificering voor alle vergunningplichtige werkzaamheden;
Een lichte vorm van certificering voor alle vergunningplichtige werkzaamheden;
Een ander bewijs van naleving dan certificering.
Bij de Wetswijziging is het voornemen toegelicht om uit te gaan van de inzet van het instrument van certificering als bewijs van naleving. Binnen de certificering is differentiatie mogelijk om invulling te geven aan een risicogerichte aanpak. Daarbij is ook het voornemen beschreven om te kijken naar werkzaamheden waarvoor een ander bewijs van naleving in plaats van een certificaat voldoende is, vanwege de zeer geringe risico’s. Dit zorgt voor een afstemming van de eisen op de risico’s. Wanneer er minder risico’s zijn, is het verdedigbaar dat er minder strenge borgingseisen zijn dan wanneer er hogere risico’s bestaan.
Dit Wijzigingsbesluit geeft invulling aan de optie van gedifferentieerde certificering als bewijs van naleving. De motivatie hiervoor is als volgt.
Een volledig dekkend bewijs dat een bedrijf de asbestregelgeving altijd en volledig naleeft is niet realistisch. Certificering (in combinatie met publiek toezicht) komt daar echter wel het meest aan tegemoet. Bij certificering toetst een onafhankelijke deskundige partij (de certificerende instelling, die daartoe geaccrediteerd is) bij een bedrijf, zowel op kantoor als bij de uitvoering van projecten, of een bedrijf in staat is een beschreven werkwijze in de praktijk uit te voeren en dat in de praktijk ook daadwerkelijk laat zien. Via certificering stelt de sector zelf de werkwijze op, wat een vorm is van zelfregulering. Dit benut de deskundigheid van de sector. Door certificaten te gebruiken bij de aanvraag van vergunningen, is een inhoudelijke beoordeling niet nodig. Dit maakt de vergunningverlening eenvoudiger uitvoerbaar. Er hoeft slechts te worden getoetst op de geldigheid en reikwijdte van het certificaat. Hiermee maakt de vergunningverlening optimaal gebruik van de positieve kenmerken van certificatie. Voor de aanvrager van een vergunning is dat gunstig vanwege de beperkte doorlooptijd en de rechtszekerheid dat een verkregen certificaat een afdoende bewijs van naleving biedt bij de vergunningaanvraag.
In de variant zonder certificering ligt het systeem vrijwel geheel bij de overheid, van het opstellen van de (technische) normen, het zorgen voor en eventueel ontwikkelen van een nieuw bewijs van naleving van de normen, toetsen van dit bewijs én controle op naleving in de praktijk. Dit zorgt voor een aanzienlijke toename van de overheidscapaciteit met dito kosten voor vergunningverlening.
Door te kiezen voor certificering, vraagt de regering meer verantwoordelijkheid en inspanning van het bedrijfsleven om de naleving te borgen. Een aanpassing van het huidige systeem van certificering is nodig voor een hogere effectiviteit en kwaliteitsverbetering (zie paragraaf 3.1.2.1). Certificering is geen vervanging van publiek toezicht, maar ondersteunt het toezicht door structureel de werkwijze te toetsen bij alle gecertificeerde bedrijven. Daardoor kunnen toezichthouders zich meer richten op bedrijven waarvan zij een slechte naleving verwachten of waar de risico’s het grootst zijn (risicogericht toezicht).
Werkzaamheden met licht of niet gebonden asbest zijn veel gevaarlijker voor de gezondheid van werknemers. Om de grote zorgvuldigheid te borgen die deze werkzaamheden vereisen, is een licht niveau van certificering niet toereikend. Daarom gaat het beleid uit van het niveau van certificering zoals dat werd gehanteerd in de hogere risicoklasse voor de inwerkingtreding van dit besluit. Daaraan komt de regering tegemoet gekomen met de optie gedifferentieerde certificering, die in dit Besluit is gekozen. Dit is verder toegelicht in de paragraaf Differentiatie (3.1.1.1).
3.1.2.1 Differentiatie en de rol van certificering
Het bewijs van naleving, zoals toegelicht in paragraaf 3.1.1. is een procescertificaat dat een bedrijf krijgt als het voldoet aan de vereisten die zijn vastgelegd in een certificatieschema. Er zijn twee niveaus van borging van het procescertificaat. Welk niveau geldt, is afhankelijk van de mate van het potentiële blootstellingsrisico. Daarnaast zijn er werkzaamheden waarvoor een ander bewijs van naleving dan een procescertificaat volstaat (omschreven in paragraaf 3.1.1.3). We noemen dit onderscheid in vormen van bewijs van naleving differentiatie. Het type vergunning bepaalt de vorm van het bewijs van naleving, en geldt alleen voor werkzaamheden die aan dat type vergunning zijn verbonden.
De potentiële blootstelling is bepalend voor de vereiste vergunning en vorm van bewijs van naleving. Potentiële blootstelling betekent hier: de blootstelling als er geen maatregelen zouden worden getroffen. In de praktijk treffen werkgevers wel maatregelen en is dit ook verplicht. Toch gaat het beleid hier uit van de situatie zonder maatregelen, uit voorzorg voor situaties met een slechte naleving van de genomen maatregelen. Dan treedt alsnog de hogere blootstelling op. Naarmate er meer fout kan gaan, is dus een hoger niveau van borging nodig. Dat is de reden om voor de borging, in de vorm van het bewijs van naleving, uit te gaan van het potentiële en niet van het daadwerkelijke blootstellingsrisico.
Bij de beoordeling van risico’s die tijdens de werkzaamheden optreden zal de aard, de mate en de duur van de blootstelling een essentiële rol blijven spelen. Ten alle tijden moet de werkgever zorgen voor een minimale blootstelling. Dit is verplicht. Innovatie om te komen tot werkmethoden en technieken om de blootstelling te verlagen, blijft van belang. Voor de werkgever (en de opdrachtgever) leidt dit mogelijk tot het kunnen werken onder de grenswaarde. Dit biedt aanzienlijke voordelen, zoals het achterwege kunnen laten van containment en adembescherming. Hierdoor is sneller en goedkoper werken mogelijk, zonder de fysieke belasting die het werken met adembescherming met zich meebrengt.
Hieronder volgt een toelichting op de differentiatie.
In principe is het basisniveau certificering vereist voor alle sloop- en verwijderingswerkzaamheden waarbij asbest vrijkomt. Echter, voor bepaalde werkzaamheden volstaat een ander bewijs van naleving. Voor sommige werkzaamheden is certificering een buitensporig zwaar instrument omdat de risico’s laag zijn. Dat speelt vooral bij de verwijdering van asbesttoepassingen die mogelijk is zonder overschrijding van de grenswaarde, ook zonder de toepassing van emissiebeperkende maatregelen. Ook dan moet de blootstelling nog zo veel mogelijk worden beperkt. Daarnaast zijn er asbesttoepassingen waarbij de potentiële blootstellingsrisico’s dermate hoog zijn dat een uitgebreid niveau van certificering is vereist.
Het onderscheid tussen het basisniveau en het uitgebreide niveau is bepalend voor de auditfrequentie door de certificerende instelling. Door het onderscheid zijn verschillende eisen mogelijk in het certificatieschema. Zo kunnen er aanvullende bepalingen komen voor werkzaamheden met een hoger blootstellingsrisico. Het voordeel daarvan is dat een bedrijf alleen hoeft te voldoen aan vereisten voor de werkzaamheden die dit bedrijf verricht. Dit wordt nader uitgewerkt bij het opstellen van een verbeterd certificatieschema.
Het voorgaande leidt tot een indeling van drie niveaus van werkzaamheden met asbest, namelijk:
categorie beperkt
categorie basis
categorie uitgebreid
Asbesttoepassingen kunnen worden ingedeeld in hoofdproductgroepen. Hierbij spelen onder andere de hechtgebondenheid en de samenstelling van de asbesthoudende toepassing een rol21. In algemene zin is de gebondenheid van belang voor het potentiële blootstellingsrisico, omdat asbestvezels bij verstoring sneller in de lucht terecht komen naarmate deze minder stevig zijn gebonden in het product. De hoofdproductgroepen, oplopend geordend in de mate van emissiepotentie, zijn:
In kunststof gebonden asbesthoudende toepassingen / imitatiemarmer
Elastische asbesthoudende toepassingen
Asbestcementtoepassingen
Geweven of geperste asbesthoudende toepassingen
Licht-gebonden asbesthoudende toepassingen
Niet-gebonden asbesthoudende toepassingen
Daarnaast kan asbest voorkomen in de vorm van asbestverontreinigingen. Die zijn over het algemeen ontstaan door beschadiging van asbesthoudende toepassingen, werkzaamheden aan asbesthoudende toepassingen, of incidenten. De herkomst van de verontreiniging is vaak niet bekend.
Ten slotte is asbest in de bodem een aparte categorie.
Hieronder volgt een koppeling van de bovenstaande asbesttoepassingen en de categorieën werkzaamheden.
Categorie beperkt: ander bewijs van naleving
Om te komen tot criteria voor een ander bewijs van naleving is gekeken naar de criteria die de Wijzigingsrichtlijn biedt voor de uitzondering van de meldingsplicht. Deze omschrijving in artikel 3 van de Wijzigingsrichtlijn luidt:
Een sporadische geringe blootstelling, zonder overschrijding van de grenswaarde en bestaande uit:
Korte niet continue onderhoudsactiviteiten waarbij alleen met niet-broze materialen wordt gewerkt
Verwijderen van niet beschadigde materialen zonder deze stuk te maken, waarin de asbestvezels stevig in een matrix zijn gebonden.
De Wijzigingsrichtlijn geeft geen toelichting over wat niet-beschadigde materialen zijn. Omdat asbesttoepassingen minimaal 30 jaar oud zijn, zal er vaak sprake zijn van enige verwering of gebruikssporen. Er zal dus altijd wel enige mate van beschadiging waarneembaar kunnen zijn. In essentie gaat het erom dat deze (beperkte) beschadiging niet zodanig is dat dit tot extra blootstellingsrisico’s leidt.
Overwogen is om aan de termen “sporadisch”, “kort” en “niet-continue” een kwantitatieve invulling te geven. Dit zou een arbitrair criterium opleveren, omdat niet goed te onderbouwen is hoe vaak een werkzaamheid dan kan worden uitgevoerd. Een bedrijf zou dan vooruit moeten kijken hoe vaak een werkzaamheid zal voorkomen, wat hooguit een inschatting vooraf kan zijn. Het bedrijf zou het aantal dan ook steeds moeten bijhouden en bij een dreigende overschrijding van de toegestane frequentie, alsnog overgaan op certificering. Daarbij is het lastig handhaafbaar. Toezicht richt zich ofwel op projectniveau, waarbij het toetsen van de frequentie niet mogelijk is. Ofwel op kantoorniveau, waarbij dan het doorzoeken van de boekhouding nodig is.
Er is daarom gekozen om de gedachte achter sporadisch, kort en niet-continue te verwerken bij de selectie van toepassingen die in aanmerking komen voor een ander bewijs van naleving. Zo kan voor bijvoorbeeld beglazingskit in overweging worden genomen dat het aantal gebouwen met asbesthoudende beglazingskit relatief beperkt zal zijn en een schilder die beglazingskit verwijdert dus in een relatief beperkt aantal gevallen in aanraking komt met asbest. Daarbij bestaan zijn werkzaamheden maar voor een deel uit het verwijderen van kit. Een andere overweging is dat het aantal toepassingen dat in aanmerking komt voor een ander bewijs van naleving zodanig beperkt zal zijn, dat alleen bedrijven die asbest verwijderen als een nevenactiviteit daar gebruik van zullen maken. Bedrijven die zich meer toeleggen op het verwijderen van asbest, kunnen met een ander bewijs van naleving waarschijnlijk niet uit de voeten en zullen zich daarom laten certificeren.
Dat sprake moet zijn van een geringe blootstelling wordt voor een belangrijk deel behartigd met de criteria dat het niet-broze materialen moeten zijn, stevig in een matrix gebonden en niet-beschadigd. Dat geldt ook voor het criterium dat de verwijdering van de toepassing moet kunnen zonder het stuk te maken. Dat betekent dat een toepassing hechtgebonden moet blijven bij het verwijderen. Er ontstaat geen breuk, er wordt niet gezaagd of anderszins bewerkt en geen mechanisch hoog-energetisch gereedschap gebruikt.
Wanneer het bewijs van naleving iets anders is dan certificering, zal er geen sprake zijn van een externe beoordeling van de naleving. De mate van bewijskracht is dan vrijwel nihil. Dat betekent dat eenvoudige beheersmaatregelen voldoende moeten zijn en dat de uitvoeringswijze tegen een stootje moet kunnen. Dat laatste houdt in dat de blootstelling gering blijft ook als niet goed wordt gewerkt. In ieder geval zal ook bij deze werkzaamheden de blootstelling van de werknemer moeten voldoen aan de grenswaarde. Bij het selecteren van toepassingen die in aanmerking komen voor een ander bewijs van naleving gaat het beleid niet uit van onrealistische extremen, omdat bij elke toepassing wel een hele hoge blootstelling kan ontstaan als er maar ruw genoeg wordt gewerkt.
De volgende hoofdproductgroepen komen in aanmerking voor een ander bewijs van naleving, omdat het asbest goed gebonden is in de matrix en de verwachting is dat de blootstelling tijdens het verwijderen van deze toepassingen laag zal zijn:
In kunststof gebonden asbesthoudende toepassingen / imitatiemarmer
Elastische asbesthoudende toepassingen
Daarnaast volstaat een ander bewijs van naleving voor geheel omsloten voorwerpen die in zijn geheel te verwijderen zijn en losse (hechtgebonden) voorwerpen of apparaten waaronder meszekeringen, losliggende inspectie- of kruipluiken en bloembakken. Bij het in zijn geheel verwijderen van geheel omsloten voorwerpen zal geen sprake zijn van blootstelling. Bij verwijdering van genoemde losse voorwerpen zal de blootstelling laag en van zeer korte duur zijn, waardoor deze handelingen in aanmerking komen voor een ander bewijs van naleving. Daarbij is de overweging ook dat deze handelingen dermate eenvoudig zijn dat certificering geen toegevoegde waarde heeft.
Categorie basis: basisniveau certificering
Boven een blootstelling van 2000 vezels/m3, berekend als tijdgewogen gemiddelde over een periode van acht uur, is sprake van een overschrijding van de grenswaarde. Dan zijn aanvullende maatregelen nodig om de werknemer te beschermen en moet de asbestconcentratie in de ingeademde lucht in ieder geval beneden de grenswaarde blijven. De concentratie die in de lucht ontstaat, hangt af van vele factoren en kan bij overschrijding van de grenswaarde oplopen tot tientallen miljoenen vezels/m3. Voor het basisniveau certificering komt het verwijderen van asbesttoepassingen in aanmerking waarbij het potentiële blootstellingsrisico weliswaar (ruim) boven de grenswaarde kan uitkomen, maar niet heel hoog is. Zodra de blootstellingsrisico’s enorm hoog worden vallen de toepassingen in uitgebreid.
Daarmee rekening houdend, komen de volgende hoofdproductgroepen in aanmerking voor het basisniveau certificering:
Asbestcementtoepassingen
Geweven of geperste asbesthoudende toepassingen
Categorie uitgebreid: uitgebreid niveau certificering
Een uitgebreid niveau van certificering is vereist voor asbesttoepassingen met een hoog potentieel blootstellingsrisico. Een zwaarder borgingsniveau is vereist, omdat er veel nodig is om het blootstellingsniveau te verlagen, met in veel gevallen een zware vorm van adembescherming.
De volgende hoofdproductgroepen vereisen een uitgebreid niveau van certificering:
Licht-gebonden asbesthoudende toepassingen
Niet-gebonden asbesthoudende toepassingen
Voorbeelden hiervan zijn board, doek, isolatiemateriaal, papier, karton, pluggen, stucwerk, spuitasbest, vilt, verontreinigingen, vinylzeil en vinyltegels.
Onderscheid werken in containment
De toepassing van containment is in principe nodig in binnensituaties wanneer de concentratie in de werkruimte boven de grenswaarde zal komen. Dat betekent dat containment niet altijd nodig is. Het onderdeel containment is optioneel bij zowel het basisniveau als het uitgebreide niveau certificering. Een bedrijf dat zich toelegt op asbestverwijdering in buitensituaties, bijvoorbeeld door gespecialiseerd te zijn in de verwijdering van asbestdaken, kan kiezen zich niet te laten certificeren voor containment. Dat leidt tot een vereenvoudiging van de voorwaarden. Voor het werken in containment zijn specifieke vaardigheden nodig, zoals het creëren van een bepaalde onderdruk en ventilatie en het werken met sluizen voor werknemers, gereedschap en af te voeren afval. Het vergt meer kennis en kunde van werknemers om onder deze omstandigheden gezond en veilig te kunnen werken.
Het certificatieschema zal daarom moeten voorzien in een onderdeel met bepalingen voor het werken in containment. Een bedrijf kan ervoor kiezen zich voor dat onderdeel wel of niet te laten certificeren, afhankelijk van de werkzaamheden waarop men zich richt. Die keuze moet zichtbaar zijn gemaakt op het certificaat. Het heeft daarmee invloed op de reikwijdte van de vergunning.
3.1.2.2 Een ander bewijs van naleving dan certificering
Voor werk met asbesttoepassingen in de vergunning beperkt is een ander bewijs van naleving mogelijk dan certificering. Een ander bewijs van naleving is een werkmethode die door onze minister is erkend. De minister laat zich hier bij adviseren door het Validatie- en Innovatiepunt asbest (VIP). Dit is verder uitgewerkt in paragraaf 3.12 over het VIP en de Arboregeling. Bij de vergunningaanvraag verklaart een bedrijf te zullen werken volgens zo’n werkmethode en geeft aan hoe dat geborgd is binnen het bedrijf. De werkmethode dient als een concrete handleiding die voorschrijft hoe je veilig kunt werken bij het verwijderen van asbest. De erkende werkmethode is een borging voor het niet overschrijden van de grenswaarde.
In plaats van een erkende werkmethode, volstaat voor bepaalde eenvoudige werkzaamheden een verklaring over het op een juiste manier verpakken en vervoeren van vrijkomende asbesthoudende afvalstoffen. Het gaat dan om werkzaamheden waarbij het verwijderen van asbest niet meer inhoudt dan het oppakken en verpakken van losliggende voorwerpen.
In tegenstelling tot het instrument certificering is er geen sprake van een onafhankelijke deskundige toetsing van de wijze van uitvoering van werkzaamheden. Wel zal op enige wijze invulling moeten worden gegeven aan een interne kwaliteitsbeoordeling, waarbij de werkgever zich er van vergewist dat zijn werknemers werken volgens de betreffende werkmethode. Vanwege de aard van de werkzaamheden en dat het bedrijven betreft waarvoor het verwijderen van asbest geen hoofdactiviteit is, zijn hieraan geen concrete eisen gesteld. Dit biedt de mogelijkheid tot maatwerk. Zo zou een werkgever de naleving periodiek in de praktijk kunnen beoordelen en dit vastleggen in een verslag. Bedrijven in een bepaalde sector kunnen ook komen tot een systeem van wederzijdse visitaties waarbij zij elkaar periodiek toetsen om te kijken of en waar verbeteringen mogelijk zijn. De werkmethode moet een beschrijving bevatten van de interne kwaliteitsborging. Dit zal nader uitgewerkt worden in het aanvraagproces om een vergunning te verkrijgen.
3.1.2.3 Mogelijk alternatief voor de gekozen vorm van differentiatie
De hiervoor geschetste vorm van differentiatie heeft als kenmerken dat asbesttoepassingen via de regelgeving worden ingedeeld in beperkt, basis of uitgebreid op basis van het potentiële blootstellingsrisico. Het potentiële blootstellingsrisico bepaalt daarmee welk borgingsniveau nodig is. De indeling van de asbesttoepassingen staat vast. Bedrijven weten dus van te voren welk niveau van vergunning nodig is voor de werkzaamheden die zij willen uitvoeren.
Vanuit het bedrijfsleven is als alternatief een variant aangereikt die inhoudt dat het niveau van de benodigde vergunning afhangt van het daadwerkelijke risico nadat maatregelen zijn genomen om de blootstelling te beperken. Ook speelt volgens het alternatief mee hoe vaak een werknemer een asbesttoepassing verwijdert en hoe lang dat per keer duurt. Een bedrijf kan dan met het aangewezen instrument de hoogte van de blootstelling berekenen het verwijderen van een toepassing en te weten komen welke vergunning daarvoor nodig is.
Het bezwaar tegen het aangereikte alternatief is dat het uitgaat van het goed uitvoeren van de maatregelen. In de praktijk blijkt dat helaas zeker niet altijd het geval te zijn. Bij een slechte uitvoering van een maatregel staan werknemers alsnog bloot aan hogere concentraties asbest in de lucht. Mogelijk op het niveau van de potentiële blootstelling. Daarom is het potentiële blootstellingsrisico bepalend voor het niveau van borging, in de vorm van verschillende niveaus van het bewijs van naleving dat voor de vergunningaanvraag nodig is.
Het nadeel van het aangereikte alternatief is verder dat een bedrijf zelf moet berekenen welke vergunning nodig is en dat de uitkomst in de tijd steeds kan variëren. Een bedrijf met een vergunning beperkt kan bijvoorbeeld denken bepaalde werkzaamheden te mogen doen op basis van een inschatting er twee uur mee bezig te zijn. Als het dan langer gaat duren, kan dat tot gevolg hebben dat het bedrijf ineens een andere vergunning nodig heeft. Het is dus kwetsbaar om dit aan het bedrijf zelf over te laten. Voor de toezichthouder zou het ingewikkelder zijn om na te gaan of een bedrijf de juiste vergunning heeft. Hij zou dan moeten toetsen aan de hand van blootstellingsberekeningen. Een indeling op basis van asbesttoepassingen die zijn vastgelegd in de regelgeving biedt daarentegen een robuuste en eenduidige basis voor de vraag welke vergunning een bedrijf nodig heeft, zowel voor het bedrijf zelf als voor de toezichthouder en de opdrachtgever.
Opleidingen
Nieuwe eisen richtlijn en verhouding tot de Nederlandse praktijk
De Wijzigingsrichtlijn stelt minimumeisen aan de opleiding van werknemers die worden of kunnen worden blootgesteld aan stof van asbest of asbesthoudende materialen. De Wijzigingsrichtlijn schrijft voor dat deze werknemers moeten beschikken over een opleiding die voldoet aan vastgestelde inhoudelijke en kwalitatieve criteria. De opleiding moet worden gegeven door een opleider wiens kwalificatie is erkend door nationaal recht en de nationale praktijk (hierna ‘erkende opleider’). Ook stelt de Wijzigingsrichtlijn eisen aan periodieke scholing, zodat kennis en vaardigheden actueel blijven. Na voltooien van de opleiding ontvangt de werknemer een opleidingsbewijs. De werkgever moet de opleidingsbewijzen verstrekken bij het aanvragen van een vergunning en bij het doen van een melding voorafgaand aan het uitvoeren van werkzaamheden aan asbest. Door deze borging van de vakbekwaamheid van werkenden wordt de kans op blootstelling aan asbest en de daarmee gepaard gaande gezondheidsrisico’s zoveel mogelijk beperkt.
Er was in Nederland een stelsel van persoonscertificering rondom asbest, vastgelegd in de Arbowet- en regelgeving. Voor werkzaamheden waarbij de blootstelling boven de grenswaarde uitkomt (voormalige risicoklassen 2 en 2A) moesten werknemers aantoonbaar gekwalificeerd zijn door middel van een persoonscertificaat.22 Daarnaast moesten alle werknemers met een mogelijke blootstelling aan asbeststof in hun werk al een periodieke opleiding volgen (waaronder voormalig risicoklasse 1). Daarbij werden geen verdere eisen gesteld aan de opleider of het bewijs dat er een opleiding gevolgd was.
Veel eisen uit de richtlijn bestonden dus al. Veranderingen ten opzichte van de vorige situatie zijn:
De opleiding vindt plaats aan het begin van een arbeidsrelatie en wanneer aanvullende opleidingsbehoeften worden vastgesteld23;
De opleiding wordt gegeven door een erkende opleider;
De opleiding voldoet aan enkele aanvullende minimumeisen (zoals vastgelegd in Bijlage I bis van de Wijzigingsrichtlijn);
De werknemer ontvangt een opleidingsbewijs na bevredigende afronding van de opleiding.
Doel en reikwijdte
Het doel van de opleidingsverplichting is het waarborgen van vakbekwaamheid van alle werknemers met mogelijke beroepsmatige blootstelling aan asbest. Dat betekent dat zij voldoende kennis moeten hebben over de risico’s van asbest en handelingsbekwaam zijn om veilig met asbesthoudende materialen om te gaan.
Binnen de reikwijdte van de opleidingsverplichting uit de Wijzigingsrichtlijn vallen alle werknemers die worden of kunnen worden blootgesteld aan stof van asbest of asbesthoudende materialen. Ook werknemers die geen werkzaamheden verrichten aan asbest kunnen hieraan worden blootgesteld. Bijvoorbeeld een kantoormedewerker die werkt in een gebouw van voor 1994 waarin nog asbest aanwezig is. Bij de afbakening van de opleidingsvereiste in de Nederlandse regelgeving wordt uitgegaan van werknemers die werkzaamheden verrichten aan asbest, met de volgende argumentatie:
De opleidingsvereisten in de Wijzigingsrichtlijn zijn vooral gericht op het verrichten van werkzaamheden aan asbest, voor andere typen blootstelling bieden deze geen handelingsperspectief.
Als op een werkplek sprake is van een te hoge concentratie asbest in de lucht, dan is de werkgever verantwoordelijk om dat te voorkomen of verhelpen. Er mag dus geen situatie bestaan waarin een werknemer te hoge blootstelling ondergaat en opgeleid moet worden om daarmee om te gaan.
Op deze afbakening is één uitzondering voorzien. Werknemers die zelf geen werkzaamheden aan asbest verrichten, maar waarbij potentiële blootstelling onlosmakelijk verbonden is aan hun werkzaamheden, zoals bij een toezichthoudende rol. Aangezien zij wel handelingsperspectief hebben, vallen zij ook onder de opleidingsverplichting.
3.1.2.3. Voorlichting aan werknemers die asbest tegen kunnen komen
Voor werknemers die geen werkzaamheden aan asbest verrichten, maar in de uitvoering van hun beroep wel asbest tegen kunnen komen, ligt de focus op het leren herkennen en bewust zijn van de risico’s van asbest. Het doel is het voorkomen dat deze werknemers (onbewust) werkzaamheden aan asbest verrichten. De kenniseisen voor deze categorie zijn grotendeels al geregeld in artikel 4.10d van het Arbobesluit en zijn voor asbest specifiek aangevuld met de noodzaak van het toezicht op het asbestgehalte in de lucht en de daarvoor geldende grenswaarde. De werkgever is verplicht om doeltreffende voorlichting te bieden aan werknemers die kunnen worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen, waaronder asbest. Doeltreffende voorlichting houdt in dat werknemers begrijpen wat asbest is, waar het in hun werkomgeving kan voorkomen en waarom het gevaarlijk is wanneer het wordt verstoord. Zij kennen de gezondheidsrisico’s en weten dat deze vaak onzichtbaar zijn en zich vertraagd uiten. De voorlichting stelt hen in staat om een mogelijke asbestsituatie te herkennen. Zij weten dat zij in geval van twijfel het werk moeten stoppen en de situatie moeten melden.
Voor deze categorie werknemers is een erkende opleiding niet verplicht. In de verdere uitwerking van de opleidingsverplichting blijft deze categorie daarom buiten beschouwing.
Gedifferentieerde opleidingseisen op basis van het type werkzaamheden
Voor werknemers die wel werkzaamheden verrichten aan asbest, moet de inhoud van de opleidingen in ieder geval voldoen aan de inhoudelijke onderwerpen die in de Wijzigingsrichtlijn worden genoemd. In essentie komt dit neer op het overdragen van kennis en vaardigheden die nodig zijn om gezond en veilig te kunnen werken met asbest. Daarnaast gaat het om het overdragen van aanvullende vakinhoudelijke kennis, die bijvoorbeeld van belang is voor werknemers die een asbestinventarisatie of eindbeoordeling uitvoeren. In de Arboregeling is een categorisering gemaakt, met verschillende eisen aan de inhoud van de opleiding per type werkzaamheden. Nadere concretisering van deze onderwerpen is nodig voor de toepassing in de praktijk. De relatie tussen de onderwerpen in de regelgeving en de concretisering naar de praktijk moet kunnen worden verantwoord.
Verdere specificatie, bijvoorbeeld op basis van beroepsgroep, kan de opleider in de opleidingen zelf verder uitwerken. De Wijzigingsrichtlijn biedt ruimte om de duur en inhoud van de opleiding af te stemmen op de kenmerken van het beroep en specifieke taken en werkmethoden die daarvoor nodig zijn. Maatwerk voor verschillende beroepen is dus mogelijk. Voor deze groep werknemers geldt naast de opleidingseisen dat zij op basis van artikel 17 van de Wijzigingsrichtlijn ook aanvullende voorlichting moeten krijgen over de noodzaak van het toezicht op het asbestgehalte in de lucht en de daarvoor geldende grenswaarde.
Voor het gebruik van het instrument SMART-ns komen geen wettelijke opleidingseisen. Correct gebruik van SMART-ns is belangrijk voor een betrouwbaar resultaat. Een opleiding of e-learning kan een goede manier zijn om SMART-ns te leren gebruiken, de regelgeving staat dit niet in de weg. Het verplicht stellen van opleidingseisen om een instrument technisch te leren gebruiken is niet passend, omdat dit weinig ruimte laat voor alternatieve manieren van leren. Het is ook geen verplichting uit de Wijzigingsrichtlijn. Door ruimte te laten voor verschillende vormen van kennisoverdracht en ondersteuning, is betere aansluiting mogelijk bij de behoeften van verschillende gebruikers. De inhoudelijke kennis over asbest die voor SMART-ns nodig is, bijvoorbeeld over bronmaatregelen, is wel onderdeel van de opleidingseisen.
Opleidingen worden gegeven door erkende opleiders
De implementatie van de Wijzigingsrichtlijn vraagt om het aanbieden van de opleiding door een erkende opleider. De brede reikwijdte van de Wijzigingsrichtlijn maakt dat opleiders van verschillende varianten van opleidingen aan deze erkenningseis moeten voldoen. Om aan te sluiten bij de nationale praktijk is daarom gekozen om de erkenning aan het opleidingsinstituut (hierna: opleider) te verbinden, niet aan de individuele instructeur. Het opleidingsinstituut zal vervolgens moeten voorzien in gekwalificeerde instructeurs, waar bij de erkenning ook op getoetst wordt. Het erkennen en aan criteria laten voldoen van de opleider, is een waarborg voor de kwaliteit van opleidingen. Het is daarnaast mogelijk om werkgevers (interne opleidingen) en zzp’ers te erkennen als opleider.
Om erkend te worden moet een opleider voldoen aan objectieve en toetsbare kwaliteitseisen. Die hebben betrekking op de kwaliteit en inhoud van de aangeboden opleidingen. Wanneer een opleider slechts gedeeltelijk of niet (meer) voldoet, kan de erkenning niet worden verleend, tijdelijk worden geschorst of worden ingetrokken. Eén van deze eisen is dat de opleider en opleidingen aantoonbaar aansluiting hebben met het werkveld. Dit betekent bijvoorbeeld dat instructeurs ook (werk)ervaring hebben in het relevante werkveld, de inhoud van opleidingen is gebaseerd op de actuele beroepspraktijk en dat er samenwerking is met relevante werkgevers. Deze criteria zullen verder worden uitgewerkt in een beleidsregel.
Interne opleidingen kunnen ook in aanmerking komen voor een erkenning, uiteraard als deze aan de gestelde criteria voldoen. Daarmee kunnen bedrijven en branches bestaande goede opleidingspraktijken voortzetten. Ook zzp’ers die een opleiding willen aanbieden kunnen een aanvraag tot erkenning doen. In dat geval is er geen onderscheid tussen opleidingsinstituut en instructeur.
Het verlenen van erkenningen aan opleiders is een taak van de minister. De minister zal hiervoor mandaat verlenen aan een instantie die is toegerust om de kwaliteit van opleiders te beoordelen. Deze instantie zal een aantal taken verrichten. De kernactiviteit wordt het initieel en periodiek toetsen van opleidingsinstanties aan vastgestelde erkenningscriteria en het verlenen van erkenningen. Hierbij wordt ook getoetst op organisatorische eisen, bijvoorbeeld met betrekking tot een kwaliteitssysteem, klachtenprocedure, en de organisatie van examens. De instantie beheert een openbare en actuele lijst van erkende opleidingsinstituten met daarbij de aangeboden opleidingen. Er kunnen nadere voorschriften komen aan het verlenen van een erkenning. In deze voorschriften wordt bijvoorbeeld verplicht om relevante informatie te verstrekken en mee te werken aan periodieke onderzoeken (audits).
3.1.2.6. De afgeronde opleiding wordt vastgelegd in een register
De Wijzigingsrichtlijn verplicht dat iedere werknemer die op bevredigende wijze heeft deelgenomen aan een opleiding een opleidingsbewijs ontvangt. De werkgever moet deze bewijzen aanleveren bij de aanvraag van een vergunning en het doen van een melding. Om deze bewijzen van opleiding op een centrale plek op te slaan is het register “gezond en veilig werken met asbest” opgericht. Hierin moeten opleiders werknemers die een opleiding met goed gevolg hebben afgerond registreren. De registratie geldt als opleidingsbewijs bij het doen van een melding en aanvragen van een vergunning.
Een centraal register heeft meerdere voordelen. Het beperkt de administratieve lasten voor werkgevers en werknemers. Bij het doen van meldingen of een vergunningsaanvraag kan zijn de registratienummers voldoende, in plaats van het uploaden van de opleidingscertificaten. Werkgevers, toezichthouders en de vergunningsautoriteit kunnen makkelijk controleren of iemand over de vereiste kwalificaties beschikt. Een register vermindert daarnaast het risico op vervalsing van opleidingscertificaten. Vanwege een risico op ongeautoriseerde toegang of misbruik van persoonsgegevens is het van belang dat de AVG wordt nageleefd en dat enkel bevoegde personen en instanties bij persoonsgegevens kunnen.
Het intrekken van een registratie op grond van het veroorzaken van gevaar voor personen (artikel 1.5p, tweede lid, van de Arbowet) is voor dit register niet voorzien, omdat het doel van het register anders is dan bij andere registratieverplichtingen in het Arbostelsel, namelijk het registreren van gevolgde opleidingen. In het verleden konden persoonscertificaten wel worden ingetrokken op basis van deze grond. Dat gebeurde echter weinig. Daarnaast versterkt de vergunningplicht de borging van veilig werken met asbest in het nieuwe stelsel. Onveilig werken kan leiden tot intrekking van een vergunning. Dit is een prikkel voor werkgevers, om te zorgen dat werknemers hun werk veilig uitvoeren. Wanneer een werknemer dit niet doet kan dat negatieve gevolgen hebben voor de vergunning van een bedrijf. Indien in de praktijk blijkt dat dat het kunnen intrekken van een registratie toch noodzakelijk is, kan hier opnieuw naar worden gekeken. Daarom is dit een evaluatiepunt in de invoeringstoets. In extreme situaties, waarbij sprake is van het veroorzaken van zeer ernstig gevaar, is ingrijpen uiteraard wel mogelijk via het strafrecht.
In het Besluit is geregeld dat registratie een verantwoordelijkheid van de minister zelf is. De minister mandateert een organisatie om het beheer van het register namens en voor hem uit te voeren.
3.1.2.7. Wettelijke persoonscertificatie komt te vervallen
De verplichting tot persoonscertificatie vervalt. Bij persoonscertificatie ligt de nadruk op het toetsen van de vereiste kennis via het periodiek afnemen van een examen. De Wijzigingsrichtlijn legt met het erkennen van opleidingen juist de nadruk op de kwaliteit van de opleidingen. Door hier met deze wijziging van de regelgeving invulling aan te geven, kan de verplichting tot persoonscertificatie komen te vervallen. Bij deze keuze zijn ook andere factoren meegewogen. Binnen persoonscertificatie moeten medewerkers elke drie jaar opnieuw examen doen. Relatief veel werknemers ervaren dit als zodanig belastend dat zij ander werk gaan doen. Het verloop in de sector is hoog. Dat is een ongewenst effect in deze krappe arbeidsmarkt. Ook was er een systeem van permanente educatie gewenst. Dit was niet mogelijk binnen certificatie. Dit volgt onder meer uit artikel 10, derde lid van de Arbowet, dat bepaalt dat een certificaat een beperkte tijdsduur heeft.
Met het vervallen van de wettelijke persoonscertificaten vervalt ook het onderscheid tussen Deskundig asbestverwijderaar (DAV) 1 en 2 en Deskundig toezichthouder asbest (DTA). Uiteraard moeten de opleiding van werknemers nog steeds goed afgestemd zijn op de specifieke werkzaamheden die zij verrichten. Een opleiding tot asbestverwijderaar in de betreffende vergunningscategorie is vereist om werkzaamheden aan die asbesttoepassingen te mogen verrichten. De rol van deskundig toezichthouder asbest vervalt. Dat heeft een aantal redenen. De rol van de DTA overlapt inhoudelijk met andere borgingsmechanismen in bedrijven, zoals werkplannen, certificering van bedrijven, opleiding van uitvoerenden. De verplichte rol van een DTA leidt tot complexiteit, kosten, toezichtsdruk en afhankelijkheid van schaars personeel. Door de verantwoordelijkheid sterker bij het bedrijf en de werkprocessen te leggen kan het stelsel eenvoudiger en beter uitvoerbaar worden.
Ook het voormalige artikel 4.54d, achtste lid, van het Arbobesluit komt te vervallen. Deze bepaling regelde dat het afgraven, opslaan, voorhanden hebben, ter beschikking stellen of reinigen van grond met asbest gebeurde onder begeleiding van een persoonsgecertificeerd arbeidshygiënist of veiligheidskunde. De bepaling volgde uit de implementatie van richtlijn 2003/18/EG. Deze Richtlijn schreef voor dat bedrijven die asbest verwijderen eerst hun bekwaamheid moesten aantonen. De aanwezigheid van een arbeidshygiënist of HVK kwam toen overeen met de praktijk. De algemene bepaling past echter niet goed binnen het differentiatiesysteem. Het artikel verwijst daarnaast naar een onderdeel van het Productbesluit asbest dat zich niet verenigt met REACH, waardoor dit komt te vervallen. Ook geldt het certificaat voor deze deskundigen sinds 2022 alleen voor het adviseren over en toetsen van de RI&E. De deskundigheidseisen worden ondervangen door de opleidingseisen.
3.1.2.8. Examinering en invulling duurzame vakbekwaamheid
In de Wijzigingsrichtlijn staan geen aanvullende eisen met betrekking tot de examinering van opgedane kennis. Examinering is in Nederland een gebruikelijke afsluiting van een opleiding en heeft aanzienlijke meerwaarde, omdat hiermee kan worden nagegaan of iemand zich de opgedane kennis in de opleiding eigen heeft gemaakt en kan toepassen. Daarom blijft een verplicht examen na de eerst gevolgde opleiding onderdeel van een aantal opleidingscategorieën.
Voor de werkzaamheden in de categorie vergunning beperkt, volstaat een bewijs van deelname. Voor de categorieën vergunning basis en vergunning uitgebreid blijft een examen vereist. Een onafhankelijke partij moet het examen verzorgen. De minister stelt de examens vast. Dat is belangrijk om kwaliteitsverschillen tussen examens te voorkomen. Het opstellen en verspreiden van deze examens zal de minister mandateren aan een externe organisatie.
Om het voor de praktijk minder belastend te maken vindt examinering in het nieuwe stelsel plaats bij aanvang van het dienstverband, gevolgd door permanente educatie. Herhaalde examinering kan voor praktisch ingestelde werknemers een drempel vormen om het persoonscertificaat te behouden. Terwijl het vooral belangrijk is dat de werknemer in de praktijk veilig met asbest omgaat. Een systeem van permanente educatie biedt hiervoor een oplossing en is met deze wijziging mogelijk gemaakt. Permanente educatie is een manier om de vakbekwaamheid van werknemers actueel te houden en hen in de praktijk bij te scholen. Ook wanneer er aanvullende opleidingsbehoeften komen, zoals een nieuwe werkwijze, kan permanente educatie daarin voorzien. Dit systeem werd al toegepast voor niet-wettelijke persoonscertificaten als deskundige inventariseerders (DIA) en asbestdeskundigen (ADK). Gezien de kennis over effectieve gedragsverandering, waarbij herhaalde, kleine en praktische stappen vaak het meest effectief zijn, zal een systeem van permanente educatie naar verwachting een positief effect hebben op het kennisniveau en het daadwerkelijk toepassen van kennis. Zo zet het beleid in op duurzame vakbekwaamheid van werknemers. Ook in andere beroepsgroepen, zoals kraanmachinisten, wordt gebruik gemaakt van een vorm van permanente educatie.
3.1.3 De aanvraag van een vergunning
De werkgever doet een aanvraag voor een vergunning bij de vergunningsautoriteit, via een aanvraagformulier. Daarbij dient hij de volgende documenten in:
Opleidingscertificaten van de werknemers
Bewijs van naleving
VOG-rechtspersoon (niet ouder dan 3 maanden)
De Wijzigingsrichtlijn vereist allereerst dat de opleidingscertificaten van de werknemers worden ingediend om aan te tonen dat de medewerkers afdoende zijn opgeleid voor het verrichten van de vergunde werkzaamheden. Om de lasten voor de aanvrager te beperken, kunnen in plaats van de opleidingscertificaten de unieke registratienummers van de medewerkers uit het Register gezond en veilig werken met asbest worden ingediend bij de vergunningaanvraag.
De Wijzigingsrichtlijn vereist tevens een bewijs van naleving van artikel 4.37 van het Besluit. Afhankelijk van het type werkzaamheden zijn dit verschillende vormen van het bewijs van naleving, zoals toegelicht in paragraaf 3.1.1.
Bij de aanvraag moet duidelijk zijn voor welke werkzaamheden/scope de gevraagde vergunning is. Het aanvragen van een vergunning is gratis.
3.1.4 Naleefgedrag en integriteit
3.1.4.1 Het gebruik van toezichtsinformatie
Met het verlenen van een vergunning biedt de overheid bedrijven toegang tot de markt en spreekt daarmee het vertrouwen uit in een bedrijf. Naleving is daarom een cruciaal aspect voor het krijgen en behouden van een vergunning.Hierbij gaat het alleen om Arbowet en -regelgeving die te maken heeft met asbest. Andere overtredingen op arbogebied wegen niet mee in de vergunningverlening.
Het bewijs van naleving is een document waar een bedrijf zelf over moet beschikken, waarmee het bedrijf bij de vergunningverlening aannemelijk maakt dat sprake zal zijn van een adequate naleving. In paragraaf 3.1.1 staat meer over de invulling hiervan. Inzicht in de mate waarin daadwerkelijk sprake is van naleving, kan blijken uit toezichtinformatie over geconstateerde overtredingen en eventuele sancties die door toezichthouders zijn opgelegd. Toezichtinformatie kan daarmee een contra-indicatie zijn van het bewijs van naleving dat een bedrijf heeft aangeleverd bij de vergunningaanvraag. Daarbij geldt dat de vergunningverlener deze informatie alleen kan gebruiken voor zover dit beschikbaar is. Niet van elk bedrijf zal toezichtinformatie beschikbaar zijn. Dan is er geen contra-indicatie van het bewijs van naleving. Het bedrijf kan dan de vergunning krijgen, als het aan de gestelde eisen voldoet.
Vanwege de grote gezondheidsrisico’s bij het onveilig werken met asbest, komen bedrijven met herhaaldelijk onvoldoende naleefgedrag niet in aanmerking komen voor een vergunning. Het gebruik van toezichtinformatie bij de vergunningplicht is daarmee een effectief middel om herhaalde overtreders aan te pakken, zoals ook aangegeven in de kamerbrief van 4 juni 202424. Dit is naar verwachting een belangrijke verbetering ten opzichte van het huidige asbeststelsel. Bedrijven die met een dusdanige gevaarlijke stof herhaaldelijk overtredingen begaan en daarmee de gezondheid van werknemers op het spel zetten, kunnen de toegang tot de markt worden ontzegd of van de markt worden gehaald. Bovendien beschikken toezichthouders ook over contextinformatie over hoe bedrijven opereren binnen deze markt. Deze informatie kan ook gebruikt worden bij het bepalen of de inzet van de Wet Bibob nodig is, wat een effectief instrument kan zijn tegen doorstartstrategieën van slecht presterende bedrijven.
Uit de toezichtinformatie kan blijken dat het niet verantwoord is een aangevraagde vergunning af te geven. Er kunnen zich ook situaties voordoen dat er gerede twijfel is over de mogelijkheden en/of intenties tot naleving, of dat een bedrijf overtredingen heeft begaan maar duidelijk toewerkt naar verbetering. Voor die situaties kan een vergunning voor bepaalde tijd worden afgegeven.
Als het naleefgedrag in de praktijk een gegrond vermoeden oplevert dat een bedrijf in de toekomstig herhaaldelijk ernstige overtredingen zal (blijven) begaan, kan de overheid de verleende vergunning ook (tijdelijk) schorsen.
Omdat een vergunning het instrument is voor markttoelating, is het niet verlenen, schorsen of intrekken een zware maatregel die proportioneel moet zijn. Het moet daarom bij dergelijke maatregelen gaan om een zodanig ernstig en herhaaldelijk gebrek aan naleving dat handhavingsinstrumenten als preventieve stilleggingen, boetes of een last onder dwangsom niet meer toereikend zijn. Om te bepalen in welke mate een bedrijf de voorschriften niet naleeft, en dus de werknemers onvoldoende beschermt tegen blootstelling aan asbest, kijkt de vergunningsinstantie naar geconstateerde overtredingen en opgelegde sancties. In een beleidsregel en/of een afwegingskader wordt gespecificeerd op welke wijze overtredingen en sancties gewogen worden ten behoeve van een besluit tot weigering, schorsing of intrekking. In deze afweging hebben de toezichthouders een belangrijke rol, met inachtneming van de scheiding in verantwoordelijkheden tussen toezicht en bestuur.
3.1.4.2 De Verklaring omtrent het gedrag voor rechtspersonen (VOG RP)
Het overleggen van een VOG voor rechtspersonen (VOG RP) is een voorwaarde voor het verkrijgen en, in het geval van een wisseling van bestuurders van een bedrijf, behouden van een vergunning. Dit voorkomt dat ondernemingen die relevante strafbare feiten op hun naam hebben staan, of waarvan een of meer bestuurders dat hebben, een vergunning verkrijgen of behouden.
Het gebruik van de VOG draagt bij aan het doel om bedrijven met een slecht naleefgedrag te weren van de markt. Het betrekken van strafrechtelijke informatie via de VOG RP heeft naar verwachting een preventieve werking, aangezien bedrijven zullen willen voorkomen dat zij hun positie voor het kunnen verkrijgen van een vergunning in gevaar brengen.
Ook bij het gebruiken van toezichtinformatie kan mogelijk bezwaarlijke informatie over het gedrag van de aanvrager aan het licht komen, maar het delen van strafrechtelijke informatie is aan beperkingen gebonden. Bovendien is bij de Arbeidsinspectie niet alle informatie bekend over strafbare feiten die een aanvrager heeft begaan. De VOG RP geeft een veel vollediger inzicht in het voor de vergunning relevante criminele verleden van de aanvrager voor zover misdrijven en/of overtredingen zijn ingeschreven in het Justitieel Documentatie Systeem.
Een bedrijf moet betalen voor het aanvragen van een VOG RP. Deze kosten bedragen eenmalig €207 en zijn dus relatief beperkt. Omdat vergunningen voor onbepaalde tijd kunnen worden verleend, zoals toegelicht in paragraaf 3.3, zijn het slechts eenmalige kosten voor zover er geen sprake is van wijzigingen zoals hieronder genoemd.
De VOG voor rechtspersonen mag ten tijde van overlegging niet ouder zijn dan drie maanden. Bij een wisseling van personen op sleutelposities bij het bedrijf, zoals bestuurders, vennoten, maten of beheerders, moet de onderneming opnieuw een VOG overleggen. Dat gaat structurele malafiditeit in de sector tegen.
De voorwaarde om een VOG voor rechtspersonen te overleggen zal niet gelden voor ondernemingen die buiten Nederland zijn gevestigd. Dergelijke ondernemingen kunnen geen VOG voor rechtspersonen aanvragen. Een buitenlandse rechtspersoon met een of meer Nederlandse bestuurders dient wel voor de betreffende bestuurder(s) een VOG voor natuurlijke personen te overleggen. In dat geval worden deze bestuurders gescreend, maar niet de buitenlandse rechtspersoon. De regering heeft overwogen om buitenlandse rechtspersonen een verklaring te laten overleggen die naar aard en strekking overeenkomt met een VOG en die door een daartoe bevoegde instantie van het land van vestiging is afgegeven. Voor de beoordeling van een dergelijke verklaring is echter kennis nodig van het strafrechtelijke systeem van andere landen. Onduidelijk is welke landen een vergelijkbare verklaring kunnen overleggen en wat daarvan de status is. Deze kennis is dusdanig specifiek, dat het niet proportioneel is om deze eis in te voegen. Het onderscheid dat hierdoor tussen Nederlandse en buitenlandse bedrijven ontstaat acht de regering onvermijdelijk. Het VOG-vereiste is een onmisbaar element in de beoordeling van vergunningaanvragen.
3.1.4.3 De inzet van de Wet Bibob
De inzet van de Wet bevordering integriteitsbeoordeling door het openbaar bestuur (hierna: Wet Bibob) is beschreven in de Memorie van toelichting bij het wetsvoorstel. Met het wetsvoorstel krijgt de minister van SZW de bevoegdheid om overeenkomstig de Wet Bibob een vergunning te weigeren of in te trekken. In het besluit is dit daarom niet meer opgenomen als weigeringsgrond, dit is al op wetsniveau geregeld. De inzet van de Wet Bibob is onder andere noodzakelijk vanwege de constatering van de Arbeidsinspectie over de onwenselijke doorstart van ondernemingen. Dit houdt in dat verschillende bedrijven die hun certificaat dreigen kwijt te raken een doorstart maken onder een andere naam en daarbij telkens nieuwe rechtspersonen inzetten, om onder de schorsing van het certificaat uit te komen. Langlopende juridische trajecten belemmeren in sommige gevallen het intrekken van certificaten. Hierdoor verstrijken termijnen en telt het begaan van vergelijkbare overtredingen niet als recidive. De vergunningplicht en de Wet Bibob bieden mogelijkheden om dergelijke malafide bestuurders te weren.
3.2 Verbetering certificatiestelsel
Als onderdeel van het vergunningenstelsel krijgt het certificaat een andere positie. Voorheen was het certificaat verplicht om werkzaamheden in risicoklasse 2 en 2A te mogen verrichten en het diende daarmee als markttoelatingsinstrument. In een vergunningenstelsel dient de vergunning als markttoelatingsinstrument en dient het certificaat als het volgens de Wijzigingsrichtlijn vereiste bewijs van naleving bij de aanvraag van een vergunning. Het certificaat moet minimaal voldoen aan de vereisten in artikel 6 van de Wijzigingsrichtlijn.
De andere positie van het certificaat vereist een aanpassing van het eerdere certificatiestelsel. Zo vergt de differentiatie in de vergunningen ook een differentiatie binnen certificering. Naast een niveau dat vergelijkbaar is met het voorgaande certificatiestelsel, moet er ook een lichter niveau zijn als bewijs van naleving voor de vergunning basis. Met deze benodigde aanpassing ontstond de gelegenheid en noodzaak om het certificatiestelsel, waar al langere tijd kritiek op is, aan te passen. Dit wordt hieronder nader toegelicht.
Met de introductie van een publiek vergunningenstelsel, waarbij het certificaat niet meer bepalend is voor de markttoegang maar één van de voorwaarden wordt om de vergunning te verkrijgen, worden de publieke en private belangen beter gescheiden. Om deze scheiding nog verder door te voeren, zijn in dit Besluit bepalingen opgenomen die voorheen alleen waren opgenomen in het Certificatieschema voor de Procescertificaten Asbestinventarisatie en Asbestverwijdering (hierna: processchema) en waarvan overtreding een risico oplevert voor de gezondheid en veiligheid van werknemers. De Arbeidsinspectie krijgt daarmee de bevoegdheid om toezicht te houden op deze voorschriften25.
Daarnaast zijn kaders meegegeven om rekening mee te houden bij het opstellen van het nieuwe certificatieschema. Die hadden onder andere betrekking op het omgaan met afwijkingen en de ruimte die certificerende instellingen hebben om vast te stellen of een bedrijf voldoet aan de certificatievereisten. Deze kaders zijn meegegeven aan een werkgroep die onder leiding van de schemabeheerder het schema verder heeft uitgewerkt. Vervolgens heeft het College van Deskundigen het schema verder opgesteld.
Certificerende instellingen hadden in het eerdere asbeststelsel te maken met het probleem van juridificering. Dat wil zeggen dat certificaathouders vaak tegen sancties op een afwijking van het processchema, hoe gering ook, in beroep gingen. Een van de daarvan aangevoerde oorzaken is de zogeheten ‘escalatieladder’, de regel in het processchema dat iedere sanctie opgeteld kan leiden tot een zwaardere sanctie, en uiteindelijk tot schorsing of intrekking van het certificaat. In plaats van deze escalatieladder is een alternatieve invulling voor het omgaan met afwijkingen bedacht. Die houdt in dat een basisauditfrequentie wordt gehanteerd die lager is dan de bestaande auditfrequentie en dat een extra audit wordt uitgevoerd wanneer een afwijking wordt geconstateerd. Met de extra audit wordt getoetst of de geconstateerde afwijking zich niet meer voordoet. De extra audit moet door het bedrijf worden betaald, zodat de certificaathouder wordt gestimuleerd om afwijkingen te voorkomen. Daarnaast kunnen ernstige afwijkingen worden benoemd die leiden tot schorsing of intrekking van het certificaat.
De bepalingen in het processchema waren gedetailleerd en in de vorm van middelvoorschriften. Een veelgehoorde klacht was dat het afvinklijsten zijn die geen ruimte bieden om na te denken. Dat houdt onder meer in dat de auditor geen ruimte heeft om rekening te houden met de mate van afwijking of te kijken of sprake is van een gelijkwaardige werkwijze. Voor een minimale afwijking moet dezelfde sanctie worden opgelegd als bij een flagrante afwijking daarvan. In combinatie met de escalatieladder kunnen hierdoor een paar geringe afwijkingen al heel grote gevolgen hebben voor een certificaathouder. Dit leidt niet altijd tot het doel van het schema, namelijk dat iedereen gezond en veilig werkt en dat het verbeteren van de kwaliteit van de uitvoering wordt geborgd en gestimuleerd. Auditoren krijgen daarom meer ruimte om met gebruikmaking van hun expertise bij constatering van een afwijking de ernst van de afwijking en de omstandigheden waaronder deze is begaan te wegen bij het opleggen van een sanctie daarop.
3.3 Grenswaarde
De concentratie asbestvezels moet zo laag mogelijk worden gehouden. Het is belangrijk dat artikel 4.25, waarin de grenswaarde voor asbest is opgenomen, wordt toegepast in combinatie met artikel 4.17, 4.18 en 4.19 van het Arbobesluit. Die artikelen verplichten tot het voorkomen en beperken van de blootstelling voor onder meer kankerverwekkende stoffen. Omdat asbest een kankerverwekkende stof is, moet de blootstelling van werknemers aan asbeststof altijd zo ver onder de grenswaarde zijn als technisch mogelijk is26. In diverse situaties is de concentratie in de lucht op de werkplek, ondanks het treffen van maatregelen om stofemissie te beperken, hoger dan de grenswaarde. Het is dan onvermijdelijk om adembescherming toe te passen, zodat de concentratie asbestvezels in de in te ademen lucht onder de grenswaarde blijft. Het niveau van adembescherming moet dan worden afgestemd op de concentratie in de lucht, met een zodanige beschermingsfactor dat de in te ademen lucht in ieder geval onder de grenswaarde blijft.
De huidige grenswaarde in het Arbobesluit van 2000 vezels/m3 voldoet aan de grenswaarde in de Wijzigingsrichtlijn. Lidstaten moeten op de datum van implementatie van de Wijzigingsrichtlijn tot en met 20 december 2029 een grenswaarde hanteren van maximaal 0,01 asbestvezels/cm3, berekend als tijdgewogen gemiddelde (TGG) over een periode van acht uur. Dit komt overeen met 10.000 vezels/m3. Aangezien dit een waarde is die ruim hoger is dan de al in Nederland geldende norm van 2.000 vezels/m3, heeft dit niet geleid tot aanpassing van de grenswaarde die nu is opgenomen.
Volgens de Wijzigingsrichtlijn moet een verder verlaagde grenswaarde van 0,002 vezels/cm3 (als geen dunne vezels worden gemeten) gelden vanaf 21 december 2029. Aan deze verder verlaagde grenswaarde voldoet de Nederlandse grenswaarde ook al op dit moment. In het genoemde advies uit 2010 beschreef de Gezondheidsraad een onzekerheid over de gezondheidsrisico’s van dunnere vezels. Aan de hand van actuele wetenschappelijke inzichten zal te zijner tijd, en uiterlijk geval in 2028, worden bekeken wat bekend is over de klinische relevantie van de dunnere vezels en in welke mate de grenswaarde aanpassing behoeft. Het RIVM is door SZW gevraagd een literatuurstudie naar de klinische relevantie van dunnere vezels uit te voeren. VOETNOOT OPNEMEN Het RIVM is tevens gevraagd of het geboortegeslacht relevant is voor de gevoeligheid voor asbest. Dit rapport is gepubliceerd op 17 september 202527. Het RIVM concludeert dat er geen aanleiding is voor een aparte grenswaarde voor vrouwen volgens de wetenschappelijke literatuur.
De huidige grenswaarde is gebaseerd op een advies van de Gezondheidsraad uit 201028. Voor chrysotiel asbest is de waarde overgenomen zoals die door de Gezondheidsraad is geadviseerd. Voor amfibool asbest adviseerde de Gezondheidsraad echter een lagere waarde van 420 vezels/m3, maar deze is vooralsnog niet overgenomen. Voor amfibool asbest wordt nu dezelfde grenswaarde gehanteerd als voor chrysotiel, waarbij beide typen vezels opgeteld moeten voldoen aan de grenswaarde van 2000 vezels/m3.
De verlaging van de grenswaarde voor amfibool op grond van het advies van de Gezondheidsraad is destijds in 2011 voorgelegd aan de Subcommissie Grenswaarden Stoffen op de Werkplek van de Sociaal Economische Raad (SER). De SER adviseerde toen de grenswaarde voor amfibool asbest niet tot dat niveau te verlagen, omdat de meet- en analysetechnieken niet toereikend waren om deze lage asbestvezelconcentraties in de lucht te kunnen meten. Daarbij was een gebrek aan betrouwbare monitoringsinformatie om de haalbaarheid van deze lage grenswaarde te kunnen beoordelen. In 2024 is aan de SER gevraagd of de situatie inmiddels zodanig is veranderd dat het verlagen van de grenswaarde voor amfibool wel mogelijk is. De SER heeft geadviseerd de hiervoor benodigde haalbaarheidstoets uit te stellen vanwege de Wijzigingsrichtlijn, die gevolgen heeft voor te gebruiken analysemethoden en criteria. Daarnaast speelt mee dat het nog steeds lastig en omslachtig is om betrouwbaar lage concentraties te meten en er ook nog steeds een gebrek is aan voldoende betrouwbare monitoring vanuit de branche. In paragraaf 3.10 wordt beschreven welke stappen worden gezet om te komen tot genoemde monitoring.
Het jaar 2028 is een geschikt moment om een besluit te nemen over het meten van dunne vezels en om een lagere grenswaarde voor amfibool asbest te heroverwegen.
Het is in dit wijzigingsbesluit verduidelijkt dat de grenswaarde altijd geldt, niet alleen wanneer het asbesthoudende materiaal meer dan 100 mg/kg asbest bevat.
Er waren voorheen twee grenswaarden opgenomen in het Arbobesluit, een grenswaarde voor chrysotiele asbestvezels en een grenswaarde voor amfibole asbestvezels. Omdat nog geen invulling is gegeven aan een lagere grenswaarde voor amfibole asbestvezels, waren dit dezelfde grenswaarden. Daarmee was er geen noodzaak voor aparte grenswaarden voor chrysotiel enerzijds en amfibool asbest anderzijds. In artikel 4.25, dat in de plaats is gekomen van het oude artikel 4.46, is daarom nog maar één grenswaarde opgenomen die geldt voor alle typen asbestvezels waarop afdeling 3 van hoofdstuk 4 van het Arbobesluit van toepassing is. Deze grenswaarde bedraagt 2.000 asbestvezels/m3, berekend over een referentieperiode van acht uur per dag. In de praktijk leidt dit niet tot een verandering, aangezien de grenswaarde voor beide typen vezels toch al gelijk was. Wanneer in de toekomst wordt besloten tot een lagere grenswaarde voor amfibole vezels, zal uiteraard weer een aparte grenswaarde voor amfibole vezels in het Arbobesluit worden opgenomen.
3.4 Ondergrens
In het Arbobesluit geldt een ondergrens van 100 mg/kg waarboven de afdeling asbest van toepassing is. Het betreft een gewogen waarde, wat wil zeggen dat de aanwezige concentratie serpentijnasbest wordt vermeerderd met tienmaal de concentratie amfiboolasbest om te toetsen aan de ondergrens. Bij deze wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit is overwogen of de ondergrens aanpassing behoeft. Besloten is de ondergrens in stand te houden. De motivatie daarvoor is als volgt.
In verreweg de meeste gevallen is bij werkzaamheden met asbest sprake van asbesthoudende toepassingen waarbij asbest in het verleden opzettelijk is toegevoegd vanwege de technische eigenschappen van asbest. Doordat er dan altijd sprake is van relatief hoge concentraties asbest, ruim boven de ondergrens, speelt de ondergrens voor deze asbesttoepassingen geen rol. Om de technische eigenschappen van asbest zoals de bestandheid tegen agressieve stoffen en hoge temperaturen, slijtvastheid en isolerende eigenschappen te kunnen benutten, moest vaak vrij veel asbest in een bepaalde toepassing worden verwerkt. In de meeste asbesttoepassingen is de concentratie asbest daarom vrij hoog, bijvoorbeeld vanaf 10% asbest in asbestcement en vanaf 60% asbest in asbesthoudend isolatiemateriaal. In asbesthoudende kit zit 0,1 tot 5% asbest.29 De percentages die hier worden genoemd zijn massapercentages (m/m), waarbij 0,01% chrysotiel (m/m) overeenkomt met de ondergrens van 100 mg/kg. Als het asbest volledig uit amfiboolasbest bestaat, komt 0,001% (m/m) overeen met de ondergrens. De asbestconcentraties in de hiervoor genoemde voorbeelden van asbesthoudende producten zitten dus ruim boven de ondergrens van 100 mg/kg.
Asbest kan ook voorkomen in materialen waarbij het van nature aanwezig is, in materialen waarin restconcentraties aanwezig kunnen zijn en in de bodem. In deze gevallen kan asbest in hele lage concentraties voorkomen vanaf 0% of 0 mg/kg. Hiervoor is het vanuit praktische overwegingen gewenst om een ondergrens te hanteren, omdat anders zelfs door de aanwezigheid van een enkele asbestvezel alle asbestregels van toepassing zouden worden. Met als gevolg dat in heel veel gevallen maatregelen moeten worden genomen, zonder dat dit zinvol is om risico’s te beperken.
De waarde van 100 mg/kg komt in de regelgeving op meerdere plaatsen voor en de ondergrens in het Arbobesluit voorkomt daarmee conflicterende regelgeving. Volgens de Regeling bodemkwaliteit 2022 geldt deze waarde als kwaliteitseis voor alle kwaliteitsklassen landbodems, zoals landbouw/natuur, wonen en industrie. Dat houdt in dat een bodem met een lagere asbestconcentratie wordt geacht geschikt te zijn voor deze functies. In de Circulaire bodembescherming is als interventiewaarde bodemkwaliteit voor asbest een waarde van 100 mg/kg opgenomen. Deze interventiewaarde is ook vastgelegd in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en wordt onder meer gehanteerd als criterium voor het aanwijzen van milieubelastende activiteiten. Zo wordt het graven in een bodem onder de interventiewaarde niet aangewezen als milieubelastende activiteit. Als criterium voor asbesthoudend afval geldt ook een grens van 100 mg/kg.
De ondergrens van 100 mg/kg sluit ook aan op bepalingsgrenzen in de Ontwerp-NEN 5896 “Kwalitatieve analyse van asbest in materialen met polarisatiemicroscopie (PLM) en scanning elektronenmicroscopie met röntgen microanalyse (SEM/RMA)”.
Onderbouwing ondergrens voor bodem
Asbest in de bodem kan in zeer lage concentraties worden vastgesteld, door het wegen van de visueel waarneembare stukjes asbest. Een bepalingsgrens is voor bodem dus niet van toepassing. Op grond van de hieronder beschreven overwegingen wordt het verantwoord geacht de afdeling asbest niet van toepassing te laten zijn op werkzaamheden in de bodem of met grond of baggerspecie beneden de waarde van 100 mg/kg.
In CROW-publicatie 400 “Werken in en met verontreinigde grond” zijn criteria opgenomen voor het bepalen van de veiligheidsklasse waarin wordt gewerkt. Behalve het totale gehalte aan asbest betreft dat als criterium ook respirabele asbestvezels, waarbij vanaf 5 mg/kg in veiligheidsklasse oranje en vanaf 10 mg/kg in veiligheidsklasse zwart moet worden gewerkt. Volgens bijlage 3 van de Circulaire bodembescherming, die tevens verwijst naar NEN 5707 Bodem - Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond”, wordt het gehalte aan respirabele vezels pas bepaald als het totale gehalte aan asbest meer dan 100 mg/kg bedraagt. In de Circulaire is dit onderbouwd met een verwijzing naar het RIVM-rapport 711701034/200330. Hieruit volgt dat, ondanks de strengere criteria die worden gehanteerd in CROW-publicatie 400, het verantwoord is om als ondergrens in het Arbobesluit uit te gaan van 100 mg/kg. Vanuit de zorgplicht van de werkgever kunnen afhankelijk van de situatie ook onder deze ondergrens maatregelen nodig zijn om een te hoge blootstelling van werknemers aan gevaarlijke stoffen te voorkomen.
Relatie ondergrens met de grenswaarde
De ondergrens in artikel 4.26 sluit niet uit dat - naast het moeten voldoen aan de afdeling kankerverwekkende stoffen in dit besluit – moet worden voldaan aan de grenswaarde. Afhankelijk van de aard van het materiaal, het gebruik en de ruimte waarin werkzaamheden plaatsvinden, kunnen in bijzondere situaties hoge concentraties asbest in de lucht ontstaan.
Een voorbeeld uit het verleden is het gebruik van straalgrit met lage concentraties asbest door een verontreiniging. Doordat het straalgrit met hoge snelheid op een te behandelen oppervlak wordt gebracht, komen veel asbestvezels in de lucht. Ondanks de lage concentratie in het materiaal kan de grenswaarde dan in hoge mate worden overschreden. Talkpoeder kan bij een onzorgvuldige productie van nature verontreinigd zijn met asbest. Vanwege de poedervorm kan het gebruik ook tot overschrijding van de grenswaarde leiden. Ook sommige soorten gesteenten kunnen van nature asbest bevatten.
Werkgevers moeten er daarom op bedacht zijn dat bepaalde producten asbesthoudend kunnen zijn en dat ook in concentraties onder de ondergrens blootstelling aan asbest een probleem kan zijn. Dat geldt in het bijzonder als sprake is van stofvorming en/of afgesloten omstandigheden waarin de concentratie kan oplopen. Door bijvoorbeeld kwaliteitseisen te stellen aan het te leveren product, kunnen werkgevers invulling geven aan hun verantwoordelijkheid en voorkomen dat werknemers worden blootgesteld aan asbest. Werkgevers moeten in ieder geval altijd zorgen dat de grenswaarde niet wordt overschreden.
3.5 Asbestinventarisatie
Volgens artikel 11 van de Wijzigingsrichtlijn moet een werkgever voorafgaand aan sloop-, onderhouds- en renovatiewerkzaamheden in gebouwen die voor de inwerkingtreding van het nationale asbestverbod zijn gebouwd, alle nodige maatregelen nemen om de materialen te identificeren waarvan wordt vermoed dat zij asbest bevatten. 1 januari 1994 kan aangemerkt worden als datum waarop asbest niet meer zou moeten zijn toegepast. Daarbij is rekening gehouden met en een periode na de inwerkingtreding van het asbestverbod op 1 juli 1993, waarin lopende projecten zouden moeten zijn afgerond en bestaande voorraden asbesthoudende bouwmaterialen zijn verwerkt. Dit betekent echter niet dat er geen risico bestaat dat er in bouwwerken of objecten die na deze datum zijn gebouwd dan wel vervaardigd toch asbest zit. Asbest kan nog zijn toegepast door particulieren tot 2005, zijn geïmporteerd uit landen zonder asbestverbod, of zijn geïntroduceerd door hergebruik van oude materialen (bijv. keukens). Deze uitzondering ontslaat de werkgever dus niet van de zorgplicht om werknemers tegen deze eventuele blootstelling te beschermen. Indien inderdaad toch asbest wordt aangetroffen gelden alle plichten zoals in bouwwerken en objecten die voor 1994 zijn vervaardigd.
De werkgever is ervoor verantwoordelijk dat hij over informatie over de aanwezigheid van asbest beschikt. Voor een juiste risicobeoordeling moet deze informatie ook het soort en het percentage asbest bevatten. Zo kan bepaald worden welke werkwijze en beschermende maatregelen nodig zijn om te voldoen aan de grenswaarde en om verspreiding van stof en blootstelling zoveel mogelijk te beperken.
Er kan op twee manieren aan dit doelvoorschrift worden voldaan. Dat kan in de vorm van documentatie van een specifiek materiaal of product met informatie over soorten asbest en percentages. Indien deze informatie niet beschikbaar of toereikend is, moet een gekwalificeerd marktdeelnemer onderzoek uitvoeren. Een gekwalificeerd marktdeelnemer is in Nederland een gecertificeerd asbestinventarisatiebureau.
Het is van groot belang dat een asbestinventarisatie zorgvuldig wordt uitgevoerd, omdat het de basis is voor besluitvorming of verwijderen nodig is en alle verdere processtappen in de asbestverwijderingsketen. Kwaliteitsborging via certificering is daarom gerechtvaardigd. Een asbestinventarisatiebedrijf moet onafhankelijk zijn en beschikken over een procescertificaat.
De inventariseerder moet beschikken over aantoonbare specifieke deskundigheid. Hiertoe moet de inventariseerder een opleiding hebben gevolgd en in het register ‘gezond en veilig werken met asbest’ opgenomen staan.
In het asbestinventarisatierapport moet de duur van de geldigheid van het rapport worden vermeld. Er is geen sprake meer van een standaard maximale geldigheidsduur van het asbestinventarisatierapport van drie jaar, zoals eerst via het certificatieschema werd voorgeschreven. De geldigheid van een asbestinventarisatierapport kan afhankelijk worden gemaakt van de specifieke omstandigheden. In buitensituaties met een sterke verwering van materialen, kan een geldigheidsduur van drie jaar passend zijn omdat de mate van verwering in die periode toeneemt. Als er geen sprake is van verwering, kan een langere geldigheidsduur van toepassing zijn.
In sommige gevallen kan een asbestinventarisatie niet worden
uitgevoerd, bijvoorbeeld als een incident dermate spoedeisend is dat
direct moet worden gehandeld, een asbesttoepassing niet bereikbaar is of
als het niet acceptabel is dat een in gebruik zijnde toepassing niet
meer functioneert als gevolg van bemonstering. Voorbeelden van het
eerste punt zijn het moeten bestrijden van brand in een gebouw waar
mogelijk asbest in aanwezig is en het repareren van een lekkage in een
brandstofleiding om een calamiteit te voorkomen. Een voorbeeld van het
laatste punt is een transformator die je zou moeten slopen omdat ergens
binnenin asbest aanwezig kan zijn. In die gevallen moet ervan uit worden
gegaan dat de toepassing asbesthoudend is. Als het gaat om werkzaamheden
in bijvoorbeeld een gemeentelijk afvalstation is een
asbestinventarisatie niet aan de orde, ervan uitgaande dat het
aangeleverde asbestafval is ingepakt en een sloopmelding gedaan is.
Voor werkzaamheden in de bodem is aangesloten op de daarvoor gebruikelijke en via bodemregelgeving voorgeschreven onderzoeksmethodieken. Daarvoor gelden niet de bovenstaande regels over identificatie en inventarisatie.
3.6 Meldingsplicht
Gebruik van het Omgevingsloket (DSO)
Om de lasten voor bedrijven te beperken is naar een oplossing gezocht om tot één meldloket te komen. Dit is bewerkstelligd door de melding vereist vanuit de arbeidsomstandighedenregelgeving (hierna: arbomelding) onder te brengen bij de al bestaande sloopmelding voor asbest in het Omgevingsloket, onderdeel van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (hierna: DSO).
Voor het verwijderen van asbest in bouwwerken en het slopen van bouwwerken met asbest (of als meer dan 10 m3 bouwafval ontstaat) werd al op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) vier weken van tevoren een sloopmelding in het Omgevingsloket gedaan. In sommige situaties geldt een termijn van één week. Daarnaast werden werkzaamheden in risicoklasse 2 en 2A op grond van het Arbobesluit en het Bbl 2 dagen van tevoren in het LAVS gemeld. Voor werkzaamheden in risicoklasse 1 was op grond van het Arbobesluit een melding nodig in het meldportaal van de Nederlandse Arbeidsinspectie.
Er is een overlap van ingevoerde gegevens tussen de sloop- en arbomelding. Door de twee meldingen aan elkaar te koppelen, hoeven bedrijven gegevens niet dubbel in te voeren. Via een nieuwe ICT-toepassing komen al deze gegevens bij elkaar. Via de doorzendfunctionaliteit in het DSO, die met dit Besluit wordt geregeld, ontvangen verschillende toezichthouders de informatie die zij nodig hebben. Voor het verwijderen van asbest anders dan uit bouwwerken, zoals objecten, is het Bbl niet van toepassing. Daarvoor hoeft dus geen sloopmelding te worden gedaan. Op het moment dat op grond van het Arbobesluit een melding moet worden gedaan, is dus geen informatie beschikbaar uit een meldmoment daarvoor. Dat heeft tot gevolg dat meer gegevens nodig zijn bij de arbomelding omdat er geen voorgaande sloopmelding is.
Het Omgevingsrecht en daarmee het Bbl maakt onderscheid tussen een meldingsplicht en een informatieplicht. Een meldingsplicht houdt in dat niet mag worden gestart met werkzaamheden als geen melding is gedaan. Bij een informatieplicht geldt een verplichting om het bevoegd gezag te informeren. Het Arbobesluit maakt geen onderscheid tussen een meldingsplicht en een informatieplicht.
In het proces van werkzaamheden gaat het om de volgende meldmomenten:
Sloopmelding Bbl, indien van toepassing, meestal ten minste vier weken van tevoren.
Melding op grond van het Arbobesluit van de werkzaamheden en informatieplicht Bbl dat wordt gestart, ten minste 2 werkdagen van tevoren.
Melding op grond van het Arbobesluit en informatieplicht Bbl dat werkzaamheden zijn beëindigd, uiterlijk de volgende werkdag.
Melding op grond van het Arbobesluit en informatieplicht Bbl dat een onafhankelijke eindbeoordeling is uitgevoerd, uiterlijk twee weken na beëindiging werkzaamheden.
Voor de meld-/informatieplichten op grond van het Bbl is de gemeente voor de betreffende locatie het bevoegd gezag en ontvangt de betreffende omgevingsdienst de informatie. De meldingen van de werkzaamheden op grond van het Arbobesluit komen rechtstreeks bij de Arbeidsinspectie terecht. De informatie via de sloopmelding en de informatieplichten voor begin en na beëindiging van de werkzaamheden en voor de onafhankelijke eindbeoordeling komt primair bij de gemeente/omgevingsdienst en komt via de doorzendfunctionaliteit ook bij de Arbeidsinspectie.
Verschil met het LAVS: asbestinventarisaties, eindbeoordelingen en afvalmeldingen
In het LAVS meldden inventarisatiebureaus op basis van het certificatieschema het inventarisatierapport. De verplichting vanuit de Richtlijn is echter dat het bedrijf dat asbest verwijdert vooraf beschikt over documentatie over het de aan- of afwezigheid van asbest. De saneerder moet deze documentatie invoeren bij de melding. Daarbij is het alleen een vereiste documentatie te hebben van de bronnen die verwijderd worden.
Ook de eindinspectie-instellingen moesten in het LAVS het eindbeoordelingsrapport invoeren. Dit moet de saneerder voortaan zelf invoeren in het Omgevingsloket. Zowel de inventarisatiebureaus als de eindinspectie-instellingen zijn op dit moment geen normadressaat in het Arbobesluit. Verplichtingen kunnen daarmee alleen aan het bedrijf dat asbest verwijdert worden opgelegd. Daarbij komt dat het de verantwoordelijkheid van dat bedrijf is dat de werkplek veilig wordt achtergelaten.
De afvalmeldingen die in het LAVS waren opgenomen komen te vervallen. Die informatie wordt al ingevoerd in AMICE. Volgens het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) moet binnen twee weken nadat de eindbeoordeling of de visuele inspectie is verricht, in het LAVS een bewijs worden ingevoerd van de afvoer van het asbestafval, onder opgave van het gewicht en van de afvoerbestemming van het asbestafval. Met het beëindigen van het LAVS zou in plaats van deze bepaling in het Bbl een informatieplicht kunnen worden opgenomen, waarbij deze informatie moet worden ingevoerd in het Omgevingsloket. Met het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen is echter beoogd een uitputtende regeling te geven voor de wijze waarop de ontvangst en de afgifte van afvalstoffen moeten worden gemeld31. Daarom is er niet voor gekozen om een informatieplicht op te nemen voor het verwijderen van asbesthoudend afval.
Indieningsvereisten bij de melding
De voorwaarden van de melding zijn uitgebreid in de Wijzigingsrichtlijn. De uitgebreide melding moet nu een beschrijving omvatten van de plaats waar de werkzaamheden worden verricht, informatie over het asbest of de asbesthoudende producten (onder andere of het een verontreiniging betreft), de werkzaamheden, werkmethoden en de betrokken werknemers. Bij de informatie over de werknemers gaat het niet alleen om welke werknemers waarschijnlijk op de plaats in kwestie zullen werken, maar ook om hun opleidingscertificaten en de datum van hun laatste arbeidsgezondheidskundig onderzoek.
Het uitbreiden van de meldingen in de Wijzigingsrichtlijn heeft onherroepelijk extra administratieve lasten voor het bedrijfsleven tot gevolg. Deze worden zoveel mogelijk beperkt door te kiezen om alle meldingen onder te brengen in hetzelfde loket, het Omgevingsloket. Ook zijn er keuzes gemaakt bij de invulling van de nieuwe verplichting om deze zo eenvoudig mogelijk in te regelen. Er zal bij de uitwerking verder bekeken worden of er technische mogelijkheden zijn om de lasten te beperken.
Voor de toezichthouder is het belangrijk te weten wanneer bedrijf de gemelde werkzaamheden uitvoert. Hiervoor moet het bedrijf de data en de tijdstippen waarop de werkzaamheden worden uitgevoerd opgeven als onderdeel van de meldingsvereisten bij de melding die tenminste twee werkdagen van tevoren moet worden gedaan. Dit houdt in dat een werkschema nodig is. Daarin staat welke dagen wordt gewerkt, bijvoorbeeld ook of dat op zaterdagen en zondagen is en welke werktijden. In de praktijk komt het regelmatig voor dat een dergelijke planning wijzigt. Dan moet daarvan melding worden gedaan. Het gaat dan bijvoorbeeld om een wijziging van de begin- en eindtijd, of andere werkdagen, waardoor het werkschema dus verandert. Geen nieuwe melding is nodig bij incidentele afwijkingen van het schema, bijvoorbeeld als door omstandigheden een dag of deel daarvan niet kan worden gewerkt.
Vaak bestaat een asbestverwijderingsproject uit meerdere fasen, zoals het opbouwen van een containment, andere voorbereidende werkzaamheden zoals het vrijmaken van het asbest, het verwijderen van asbest en de schoonmaak. Er geldt een meldingsplicht voor werkzaamheden als er sprake is van blootstelling aan asbest of een mogelijke blootstelling aan asbest.
De sloopmelding in het Bbl wijzigt minimaal vanwege de komst van SMART-ns. Voorheen werd de SMArt-uitdraai volledig door de inventariseerder opgemaakt en maakte deze deel uit van het inventarisatierapport. In de nieuwe situatie is dit gewijzigd en zet de inventariseerder alleen de feitelijke gegevens (asbestsoort, percentage etc.) in SMART-ns. Alleen dit deel wordt bij de sloopmelding met het inventarisatierapport meegezonden. Een beschrijving van de werkwijze maakt geen deel meer uit van het inventarisatierapport. Bij de sloopmelding wordt globaal aangegeven wat voor werkzaamheden er uitgevoerd gaan worden. Dit vraagt een andere manier van risicogericht toezicht houden. Eerder werd de werkwijze door de inventariseerder in SMArt gekozen en werd de risicoklasse in SMArt bepaald. De verantwoordelijkheid voor het uitvoeren van de werkzaamheden ligt echter bij de werkgever, in dit geval de asbestsaneerder. In SMART-ns wordt de exacte werkwijze door de saneerder ingevoerd. Daar is te kiezen tussen erkende werkmethoden, werkmethoden en verschillende bronmaatregelen. Deze exacte werkwijze wordt, samen met de SMART-ns uitdraai, twee werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden met de arbomelding door de werkgever gemeld in het DSO. Op de SMART-ns uitdraai staat een meer nauwkeurige blootstellingsschatting. Voorheen was alleen helder of de verwachting onder of boven de grenswaarde was. Voorheen werden de sloopmeldingen regelmatig aangepast. Saneerders gaven aan vier weken van tevoren vaak nog niet te weten hoe de werkzaamheden precies zouden worden uitgevoerd. Met de melding twee werkdagen vooraf, inclusief de SMART-ns uitdraai, wordt dit voorkomen.
SMART-ns geeft een overzicht van het beheers- en borgingsregime op basis van de te verwachten blootstelling. Het gaat hier om de getroffen bronmaatregelen, het al dan niet plaatsen van een afscherming, persoonlijke beschermingsmiddelen en de uit te voeren eindbeoordeling. Een verandering in de arbeidsomstandigheden, zoals een minder eenvoudig dan gedacht te verwijderen toepassing (een voorwerp moet bijvoorbeeld bij nader inzien op grovere wijze worden stukgemaakt), kan leiden tot een verandering van het beheers- en borgingsregime. Indien dat het geval is, moet de toezichthouder worden geïnformeerd over de gewijzigde omstandigheden, werkzaamheden, werkmethode en blootstelling.
Soms is er vooraf al in te schatten dat er een kans bestaat dat werkzaamheden toch op een andere manier moeten worden uitgevoerd dan verwacht en/of gewenst. Daar kan in de melding al rekening mee worden gehouden door te omschrijven in welke situatie er welke aanpassingen worden gedaan. Daarvoor kan dan ook al een risicobeoordeling op basis van een alternatieve SMART-ns-uitdraai worden toegevoegd. Dit vergt een goede voorbereiding van de werkgever, die sowieso noodzakelijk is, maar kan het opnieuw moeten doen van een melding voorkomen.
De Richtlijn vereist dat bij de melding wordt aangegeven welke personen deze werkzaamheden waarschijnlijk gaan uitvoeren. Tevens moet hun opleidingscertificaat en de datum van de laatst aangeboden medische keuring worden meegestuurd met de melding. Het volstaat om melding te maken van de waarschijnlijk aanwezige werknemers zodat rekening gehouden kan worden met een flexibele planning. Indien deze wijzigen hoeft geen nieuwe melding te worden gedaan. Zoals beschreven onder opleidingen, kan in plaats van het opleidingscertificaat het registratienummer uit het register ‘gezond en veilig werken met asbest’ worden gebruikt in de melding.
Voor het melden van de datum van de laatst aangeboden medische keuring voor elke individuele werknemer is een andere oplossing gezocht. De werkgever moet bij de melding verklaren dat de medewerkers gedurende de laatste drie jaren, conform regelgeving, in staat zijn gesteld een medische keuring te ondergaan. De datum van de laatste medische keuring is namelijk minder relevant. Een werknemer moet in de gelegenheid worden gesteld een medische keuring te krijgen, maar kan besluiten deze niet te ondergaan. In dat geval is er geen datum beschikbaar. Met deze oplossing zijn de administratieve lasten lager en wordt er meer relevante informatie ontvangen. Naar het oordeel van de regering is dit een passende invulling van de meldingsplicht uit artikel 4, derde lid, van de Asbestrichtlijn.
Vrijstellingen op de meldplicht
Vrijstellingen op de meldingsplicht zijn volgens de Wijzigingsrichtlijn mogelijk als aan al deze voorwaarden is voldaan:
Er is sprake van sporadische blootstelling van werknemers;
De eventuele blootstelling is van geringe intensiteit;
Uit de risicobeoordeling is gebleken dat de grenswaarde niet zal worden overschreden; en
Het gaat om één van de vier hierna genoemde werkzaamheden:
korte niet-continue onderhoudsactiviteiten, waarbij uitsluitend met niet-broze materialen wordt gewerkt;
het verwijderen van niet-beschadigde materialen, zonder deze stuk te maken, waarin de asbestvezels stevig in een matrix zijn gebonden;
het inkapselen en omhullen van asbesthoudende materialen die in goede staat zijn; of
het bewaken en onderzoeken van de lucht en het nemen van monsters om vast te stellen of een bepaald materiaal asbest bevat.
Bovenstaande is ingevuld met een vrijstelling voor de toepassingen met een beperkt blootstellingsrisico. Deze toepassingen hebben als bewijs van naleving een erkende werkmethode waarmee uit de risicobeoordeling blijkt dat de grenswaarde niet wordt overschreden. Tevens bevat deze groep enkel hechtgebonden, niet-broze asbesttoepassingen en worden deze over het algemeen verwijderd door bedrijven die niet dagelijks bezig zijn met asbestverwijderingen, waardoor er gesproken kan worden van een sporadische blootstelling.
De meldplicht geldt volgens de Wijzigingsrichtlijn voor alle werkzaamheden waarbij iemand wordt of kan worden blootgesteld aan asbest. Daarentegen blijkt uit de beschrijving in de Wijzigingsrichtlijn van de informatie die bij een melding moet worden verstrekt, dat de meldplicht zich duidelijk richt op verwijderingswerkzaamheden met asbest. Daarom is een vrijstelling op de meldplicht voor het uitvoeren van inventarisaties, luchtmetingen, labonderzoeken en incidenten opgenomen. Inventarisaties vallen momenteel niet onder de meldplicht en het is wenselijk dit zo te houden. Voor bijvoorbeeld inventariseerders sluit de door de Wijzigingsrichtlijn vereiste informatie niet aan op het type werkzaamheden, het melden verhoogt de administratieve last en het is ingewikkeld te melden als je nog niet weet wat je aantreft. Daarbij zijn de werkzaamheden van een inventariseerder niet van dien aard dat doorlopende blootstelling waarschijnlijk is. In de eerste plaats hoeft er niet altijd asbest aangetroffen te worden. Bij de meeste bronnen zal niet of nauwelijks asbeststof vrijkomen als je er niet aan komt. En daarbij is een inventariseerder niet continu met asbest bezig: hij doet vooronderzoek, rijdt van locatie naar locatie, kijkt rond in een gebouw, neemt zo nodig een monster en schrijft rapportages. Voor een eindbeoordeling zou het lastig in te schatten zijn wanneer die exact gaat plaatsvinden, aangezien dat afhangt van wanneer de saneerder de werkzaamheden afrondt. Uiteraard is het van belang dat iemand die werkzaamheden uitvoert waarbij je mogelijk kan worden blootgesteld gezond en veilig werkt en zich voldoende beschermt tegen te hoge blootstelling aan asbest. Daarop kan dan ook toezicht worden uitgeoefend, maar het zou te ver gaan om daarvoor al deze werkzaamheden te moeten melden.
Op grond van artikel 5:5 van de Awb mag een bestuursorgaan geen bestuurlijke sanctie opleggen als er voor de overtreding een rechtvaardigingsgrond bestaat. In het geval van een calamiteit, incident of spoedwerkzaamheden kan daar sprake van zijn. Of bij een onverwachte, ernstige gebeurtenis die grote schade of ontwrichting veroorzaakt en die onmiddellijk actie of ingrijpen vereist. Hierbij kan worden gedacht aan onvoorziene spoedwerkzaamheden wanneer er sprake is van bijvoorbeeld een brand, het repareren van een gaslek, het herstellen van een kapotte waterleiding, ongepland of spoedeisend noodzakelijk onderhoud of het opruimen van een ongeval op de weg. In deze gevallen is een melding niet verplicht. Deze ruimte wordt niet geboden door de wijzigingsrichtlijn maar is naar oordeel van de regering onoverkomelijk. De regering kiest ervoor om al op voorhand duidelijk te maken dat er in dit soort situaties geen melding hoeft te worden gedaan. Het heeft immers geen zin om een melding te verplichten die vanwege evidente rechtvaardigingsgronden niet gehandhaafd kan worden.
Er zijn nog meer kortdurende werkzaamheden waarvoor het doen van een melding onevenredig lijkt. De richtlijn biedt echter geen ruimte om nog meer vrijstellingen op de melding te regelen. Zoals hierboven uitgelegd moet er namelijk ook aan de voorwaarden onder a, b, c of d worden voldaan. Een van de belangrijkste criteria daarbij is dat het niet-broze en stevig in een matrix gebonden asbesttoepassingen zijn, die onder de categorie beperkt vallen.
3.7 Eerdere uitzonderingen inventarisatie-, certificatie- en meldingsplicht
De eerdere regelgeving kende uitzonderingen op de inventarisatieplicht en een daaraan gekoppelde uitzondering op de certificatie- en meldingsplicht. Al voor de introductie van de Wijzigingsrichtlijn was er het voornemen om de uitzonderingen op de inventarisatieplicht opnieuw te bezien en deze te harmoniseren. Zoals in 2018 aangekondigd in een kamerbrief van de staatssecretaris van SZW,32 is nader gekeken naar de onderbouwing van deze uitzonderingen. In dat kader is in dat jaar door Bureau KLB onderzoek uitgevoerd naar de herkomst van de vrijstellingen33.
Uit dit onderzoek is gebleken dat de herkomst van de vrijstelling niet in alle gevallen te herleiden is. Ook bleek er geen eenduidige grond te zijn voor de verschillende uitzonderingen. Voor het grootste deel van de uitzonderingen geldt dat de vrijstelling gebaseerd is op de volgende argumentatie:
routinematige – beroepshalve – asbestverwijderingswerkzaamheden,
waarvan door middel van objectief, representatief en betrouwbaar onderzoek,
(waarvoor het initiatief in beginsel bij de betrokken branches ligt),
is vastgesteld dat daarbij uit oogpunt van arbeidsomstandigheden en milieu een relatief beheersbaar risico aan blootstelling aan asbest bestaat.
De Wijzigingsrichtlijn biedt echter geen ruimte en grond voor de uitzonderingen zoals deze nu in de regelgeving opgenomen staan. Dit betekent dat deze uitzonderingen moeten worden herzien waar het gaat om het vrijstellen van de inventarisatieplicht en de meldingsplicht. Een vrijstelling van de certificatieplicht past binnen de Wijzigingsrichtlijn, maar een vrijstelling van de vergunningplicht en het bijbehorende bewijs van naleving is niet mogelijk in het geval van sloop- en asbestverwijderingswerkzaamheden. Aangezien het certificaat een bewijs van naleving is, is er geen ruimte voor vrijstelling van de certificatieplicht, behoudens de categorie vergunning beperkt.
Om invulling te geven aan de informatieplicht zoals benoemd in paragraaf 3.6 asbestinventarisatie kan in een aantal van de momenteel vrijgestelde gevallen een asbestidentificatie voldoen. Er zijn gesprekken gevoerd met bedrijven en branche(vertegenwoordigers) die tot nu toe uitgezonderd waren van de verplichtingen. Daaruit blijkt dat het in veel gevallen goed mogelijk is om de vereiste informatie in kaart te brengen. Een werkgever kan zonder dat een inventarisatie noodzakelijk is over de kennis beschikken welke asbestbron waar te vinden is en hoe hiermee om te gaan. Het is in de meeste gevallen mogelijk om de aangetroffen asbestbron op deze manier te identificeren. Als basis hiervoor kan bijvoorbeeld een bronnenboek voor asbesthoudende componenten in de energiesector34 dienen, documentatie over het netwerk van asbestcementleidingen van waterleidingbedrijven of onderzoek waaruit blijkt dat tegellijm van na een bepaalde datum asbestvrij is.
De hierboven in paragraaf 3.1.1.1. beschreven differentiatie binnen het vergunningsstelsel biedt een basis om de lasten van de verplichtingen die volgen uit het vervallen van de uitzonderingen proportioneel te houden zonder dat de veiligheid en gezondheid van werknemers in het geding komt. Tevens is op dit deel van de werkzaamheden de meldplicht niet van toepassing zoals in paragraaf 3.5 meldingen is toegelicht.
Een aantal van de bestaande uitzonderingen zal echter onder een zwaarder regime gaan vallen doordat de toepassingen zijn ingedeeld op het potentiële risico. Bijvoorbeeld asbesthoudende pakkingen zijn als toepassing op basis van het potentiële blootstellingsniveau bij verwijdering ingedeeld onder vergunning basis. Dit maakt dat bij deze toepassingen sprake is van een meldplicht wanneer er werkzaamheden aan het asbesthoudende materiaal worden verricht. De Wijzigingsrichtlijn biedt geen ruimte hier af te zien van een melding.
Dit levert voor de uitzonderingen zoals we die tot nu toe kenden de volgende nieuwe situatie op:
| Huidige uitzondering35 | Bewijs van naleving | Meldplicht | |
|---|---|---|---|
| 1 | Bouwwerken of objecten op of na 1994 vervaardigd | - | - |
| 2 | Waterleidingbuizen, gasleidingbuizen etc openbare net | Basisniveau certificering | Ja |
| 3 | Rem- en frictiematerialen | Basisniveau certificering | Ja |
| 4 | Vloerplaten onder verwarmingstoestellen | Erkende werkmethode | Nee |
| 5 | Verwarmingstoestellen | Erkende werkmethode | Nee |
| 6 | Beglazingskit in kassen | Erkende werkmethode | Nee |
| 7 | Pakkingen uit verbrandingsmotoren | Basisniveau certificering | Ja |
| 8 | Pakkingen uit procesinstallaties | Basisniveau certificering | Ja |
| 9 | Pakkingen uit verwarmingstoestellen | Basisniveau certificering | Ja |
| 10 | Wegen | Afhankelijk van in welke vorm het asbest in de weg zit | Ja, tenzij de toepassing in Beperkt valt (als het alleen asbesthoudende kit is) |
| 11 | Gas en electrotechnische componenten | Erkende werkmethode | Nee |
3.8 Het gebruik van SMART-ns
Het onderhavige besluit introduceert in het Arbobesluit een door de minister aan te wijzen instrument. In de Arboregeling wordt het instrument SMART-ns aangewezen. SMART-ns is een nieuw instrument (IT-tool), ontwikkeld in opdracht van het Ministerie van SZW.
Met behulp van dit instrument kan het blootstellingsniveau worden ingeschat. Dit kan door de werkgever benut worden in het kader van het uitvoeren van een risicobeoordeling voordat de werkzaamheden starten, wanneer geen erkende werkmethode beschikbaar is.
In SMART-ns kan de blootstelling worden geschat op basis van het TNO-model AREAT36. Naast deze schatting kent het instrument nog twee routes om het blootstellingsniveau te bepalen, namelijk door het kiezen van een erkende werkmethode (voorheen bekend als veilige werkwijze) of door het toevoegen van eigen meetgegevens. In deze gevallen wordt er gebruik gemaakt van meetgegevens in plaats van modelschattingen.
In tegenstelling tot metingen tijdens de sanering kan hiermee voorafgaande aan de sanering een betrouwbare blootstellingsschatting worden gemaakt, terwijl van metingen de resultaten pas achteraf bekend zijn. Hierdoor is beter vast te stellen welke maatregelen moeten worden genomen ter bescherming van de werknemers en de leefomgeving.
Het is een meer risicogericht instrument dan het tot dusverre gebruikte instrument SMArt dat feitelijk alleen de van toepassing zijnde risicoklasse aangaf (boven of onder de grenswaarde). SMART-ns zal nauwkeuriger het verwachte blootstellingsniveau inschatten. In de blootstellingsbepaling kunnen ook de bronmaatregelen die door de saneerder worden uitgevoerd worden meegenomen. De tool maakt de verwachte blootstellingsniveaus inzichtelijk en dit is noodzakelijk voor een werkgever om aan de regelgeving te kunnen voldoen (zonder vanaf de eerste dag uitgebreide metingen tijdens het verwijderen van asbest te hoeven verrichten).
Het instrument geeft ook de stand van de wetenschap en de professionele dienstverlening weer ten aanzien van de door de werkgever te treffen maatregelen. Hiermee wordt de saneerder geholpen met het op een juiste wijze saneren en het zo laag mogelijk houden van de blootstelling zoals de regelgeving vereist. Het instrument motiveert de saneerder om de werkwijze zodanig in te richten dat de blootstelling zo laag mogelijk blijft.
SMART-ns geeft bij de te maken keuzes informatie weer die gebaseerd is op de laatste stand van de wetenschap. Bijvoorbeeld bij het kiezen van toe te passen bronmaatregelen kan de saneerder de keuze baseren op de toelichtende informatie in de bijgevoegde informatiebladen. De informatiebladen zijn bedoeld om de saneerder te informeren over aandachtspunten en randvoorwaarden voor het toepassen van de bronmaatregelen. Daarmee kan de saneerder bepalen of hij hieraan kan voldoen en of hij daadwerkelijk kan verwachten dat de blootstellingsreductie bij het kiezen van deze maatregel optreedt. Deze informatiebladen zijn niet vergelijkbaar met de erkende werkmethoden. De erkende werkmethoden geven een exacte werkmethode weer, al dan niet met behulp van technische bronmaatregelen, waarmee wordt aangetoond dat er onder de grenswaarde wordt gewerkt. De informatiebladen geven niet weer welke werkmethode wordt toegepast, maar enkel welke technische bronmaatregel(en). Per situatie kan het verschillen hoe dit exact wordt uitgevoerd. De informatiebladen geven wel een beeld in welke situatie de bronmaatregel leidt tot een lagere blootstelling en deze optie dus in SMART-ns kan worden gekozen.
SMART-ns maakt het ook inzichtelijk op basis van de blootstellingsschatting welke beheers- en borgingsmaatregelen moeten worden getroffen die gelden volgens de regelgeving. Zoals de nodige typen vergunning, eindbeoordeling en adembescherming.
Voor het verwijderen van asbest stelt de werkgever naast een risicobeoordeling ook een werkplan op. De uit te voeren werkmethode op de SMART-uitdraai dient overeen te komen met het werkplan. Het is echter niet altijd te voorspellen of zich onverwachte gebeurtenissen voordoen waardoor er toch van de voorgestelde werkwijze moet worden afgezien. Het is saneringsbedrijven in die gevallen toegestaan om, met een goede motivatie, het werkplan aan te passen en af te wijken van de voorgestelde werkwijze in SMART-ns, als dit met zekerheid leidt tot een gelijkwaardig beschermingsniveau voor de betrokken werknemers. Dit geldt ook in gevallen waar bijvoorbeeld enige extra tijd nodig is voor zorgvuldige sanering. De saneerder kan er bij het opstellen van het werkplan al rekening mee houden dat er zaken anders kunnen lopen. Zo kan die in het werkplan al verwijzen naar een eventuele alternatieve SMART-uitdraai, mocht de situatie zich voordoen. Op die manier is het aan de toezichthouder goed aan te tonen dat er aan het vereiste beschermingsniveau wordt voldaan.
Hoewel het gebruik van het instrument enige lastendruk met zich meebrengt, weegt dit op tegen het alternatieve scenario waarin een dergelijk instrument niet aanwezig is. Met SMART-ns kan een nauwkeurigere blootstellingsschatting worden verkregen dan met SMA-rt, waardoor meer risicogerichte maatregelen kunnen worden gekozen. Zo kan bijvoorbeeld het gebruik van containment niet nodig blijken als met behulp van SMART-ns blijkt dat met een bepaalde werkmethode onder de grenswaarde kan worden gewerkt. Zonder SMART-ns zouden werkgevers of opdrachtgevers voor elke situatie zelf metingen uit moeten voeren, wat (aanzienlijk) duurder is. De introductie en verplichtstelling van het instrument zal in de praktijk wel een verandering betekenen ten opzichte van het huidige SMA-rt. Het is de verwachting dat door de introductie van het instrument minder projectvalidaties nodig zullen zijn waarmee op basis van metingen wordt aangetoond dat onder de grenswaarde kan worden gewerkt. Hoeveel minder is lastig te bepalen. De verwachte lastenverlichting vanuit deze wijziging is dan ook vooralsnog niet te kwantificeren.
Over de governance van SMART-ns wordt nog gesproken. Dit wordt daarom later nog aangevuld. Na inwerkingtreding is het belangrijk dat bij wijzigingen het bedrijfsleven voldoende wordt betrokken. Zo komen zij niet voor onverwachte of onuitvoerbare wijzigingen te staan.
De minister van SZW heeft volledige zeggenschap over de inhoud van SMART-ns. TNO beheert in beginsel eigenstandig het blootstellingsmodel AREAT, maar aanpassingen aan het model in SMART-ns zullen altijd met instemming van de minister van SZW plaatsvinden. De beheerder van het systeem is alleen verantwoordelijk voor het technische beheer.
Deze rolverdeling wordt vastgelegd in een tripartiet convenant met TNO en de functioneel beheerder van het nieuwe systeem. Taken van de functioneel beheerder zijn onder meer het organiseren van de helpdesk, verzamelen van terugkerende vragen en eventuele wijzigingsvoorstellen ten aanzien van de functionaliteit en financiële administratie onder een concessieovereenkomst tussen het Ministerie van SZW en de functioneel beheerder. Als onderdeel daarvan wordt geregeld dat de functioneel beheerder geen financieel gewin uit SMART-ns mag halen. De functioneel beheerder heeft tevens geen inhoudelijke inbreng bij aanpassingen en neemt geen inhoudelijke beslissingen.
SMART-ns is, in verhouding tot het huidige SMArt, minder gebaseerd op worst-case scenario’s. Desondanks zal het blootstellingsmodel AREAT altijd een conservatieve schatting geven van het blootstellingsniveau. In de internetconsultatie van het eerdere ontwerpbesluit waren er zowel partijen die zorgen hadden dat het model te lage blootstellingsniveaus aangeeft als partijen die zorgen hadden dat het model te hoge blootstellingsniveaus geeft. De zorgen zijn gedeeltelijk gebaseerd op een gebrek aan vertrouwen in de representativiteit van validatiemetingen. Dergelijke validatiemetingen hebben door de wijze waarop zij in het model AREAT gebruikt worden echter een zeer kleine invloed op de uitkomst. In SMART-ns wordt een blootstellingsschatting gemaakt met behulp van het model AREAT. Met een rekenmodel wordt een zo betrouwbaar mogelijke inschatting gemaakt van de werkelijkheid. In de praktijk zullen zich echter omstandigheden voordoen waardoor de werkelijke blootstelling anders kan blijken te zijn dan de uitkomsten van AREAT. Zo kan het gedrag van de werknemer invloed hebben doordat voorzichtiger of juist minder voorzichtig te werk wordt gegaan. Er zit bijvoorbeeld ook variatie in de samenstelling en andere eigenschappen van asbestproducten, ook omdat asbestgehalten in bandbreedten van percentages worden gerapporteerd. Ook in meetresultaten zit variatie en dus onzekerheden. Daarom wordt het resultaat van een luchtmeting niet alleen gerapporteerd als de getelde (nominale) waarde maar ook met een ondergrens en bovengrens waarbij kan worden gesteld dat de werkelijke waarde met 95% betrouwbaarheid in die bandbreedte zit. Met behulp van kalibratie op basis van praktijkmetingen is ervoor gezorgd dat AREAT rekening houdt met al deze onzekerheden. Daardoor ligt de uitkomst van AREAT aan de veilige kant en representeert deze een schatting van het 90e percentiel van de blootstelling. Dit betekent dat naar verwachting ongeveer 90% van de individuele metingen onder deze geschatte concentratie ligt.
Daardoor ligt de uitkomst van AREAT aan de veilige kant. Het model is ontwikkeld om het 90e percentiel van de blootstelling te schatten. Dit betekent dat naar verwachting circa 90% van de individuele metingen in een praktijksituatie onder de geschatte concentratie asbestvezels ligt.
De verdeling van concentraties in de praktijk vertoont doorgaans een grote spreiding met een uitloop naar hoge waarden ten opzichte van het gemiddelde. Hierdoor ligt het 90e percentiel aanzienlijk hoger dan zowel het rekenkundig gemiddelde als het geometrisch gemiddelde van de verdeling. In AREAT kan de berekende waarde daarom een veelvoud zijn van het geometrisch gemiddelde.
AREAT wordt daarnaast periodiek geëvalueerd en waar nodig aangepast op basis van nieuwe praktijkmetingen, waardoor de betrouwbaarheid van het model wordt geborgd.’ of iets in de richting.
SMART-ns heeft ook een educatieve functie. Het instrument geeft hulpteksten en toelichting. Het kan zo misverstanden die in de uitvoerings- en handhavingspraktijk bestaan wegnemen en volgens de stand van de wetenschap weergeven welke invulling van bepaalde verplichtingen gewenst is, op maat afgestemd op de situatie van een bepaalde asbestverwijdering. SMART-ns kan ook maatregelen adviseren die niet verplicht zijn gesteld vanuit de Arboregelgeving. Ook geeft SMART-ns inzicht in de factoren die van invloed zijn op de mate van blootstelling aan asbestvezels. SMART-ns stuurt erop dat waar mogelijk een werkwijze wordt gekozen waarmee het blootstellingsniveau onder de grenswaarde komt.
Het invullen van SMART-ns is met deze wijzigingen de gedeelde verantwoordelijkheid van de inventariseerder en de asbestverwijderaar. De inventariseerder is verantwoordelijk voor feitelijke rapportage van de te verwijderen asbesttoepassingen. De asbestverwijderaar dient uit te gaan van de in het inventarisatierapport opgegeven gegevens over de asbesttoepassing en kan die gegevens niet aanpassen. Hij kan naar eigen inzicht invullen hoe de asbesttoepassing verwijderd zal gaan worden.
Met deze werkwijze wordt ook beter geïmplementeerd dat de verantwoordelijkheid voor veilig omgaan met asbest bij de werkgever (in casu de asbestverwijderaar) ligt en niet bij de inventariseerder.
De inrichting van SMART-ns is zodanig dat de verwijderaar kan aangeven hoe de verwijdering plaatsvindt, uiteraard met inachtneming van de wettelijke bepaling om de blootstelling zoveel mogelijk te beperken. Het wordt niet wenselijk geacht de verwijderingsmethode dwingend voor te schrijven middels SMART-ns omdat de specifieke situatie tijdens de verwijdering alleen ter plekke door het asbestverwijderingsbedrijf kan worden beoordeeld.
Een uitzondering op bovenstaande verdeling in SMART-ns vormen de saneringen die plaatsvinden op basis van een document waarmee het asbest geïdentificeerd is. Daarbij volgt de saneerder een aparte route waarin hij zelf de gegevens over de asbesttoepassing moet invullen. Op de uitdraai is duidelijk zichtbaar dat deze route is gekozen.
3.9 Eindbeoordelingen
Een belangrijke stap na het verwijderen van asbest en het schoonmaken van de werkplek, is het beoordelen of het asbest geheel is verwijderd en de locatie weer veilig in gebruik kan worden genomen zonder verdere beschermingsmaatregelen. De Wijzigingsrichtlijn schrijft voor dat zodra de sloop- of asbestverwijderingswerkzaamheden beëindigd zijn, men zich er overeenkomstig het nationale recht en de nationale praktijk van vergewist dat er geen risico’s van blootstelling aan asbest meer zijn op de werkplek voordat andere activiteiten worden hervat.
In het bestaande Arbobesluit waren de eisen aan de eindbeoordeling gerelateerd aan de risicoklassen. Zo kon in risicoklasse 1 worden volstaan met een visuele inspectie om vast te stellen dat er geen asbest visueel waarneembaar meer was, door het bedrijf dat het asbest verwijdert. Pas als er geen visueel waarneembaar asbest meer werd vastgesteld, dat bedoeld was verwijderd te worden, mochten andere werkzaamheden worden gestart. Voor risicoklassen 2 en 2A gold als eis dat de eindbeoordeling door een onafhankelijke partij moest worden gedaan. Dat hield altijd een visuele inspectie in, gevolgd door een luchtmeting als de asbestverwijdering in een binnenruimte was uitgevoerd.
Aangezien met dit wijzigingsbesluit de risicoklassen zijn vervallen, is een andere benadering nodig. Om de regelgeving zo eenvoudig mogelijk te houden is deze aanpak gebaseerd op dezelfde categorieën beperkt, basis en uitgebreid, als de vergunningplicht. Voor elk van deze categorieën is voorgeschreven wie de eindbeoordeling mag of moet uitvoeren en is invulling gegeven aan de visuele inspectie en criteria voor wanneer een luchtmeting en/of kleefmonsters nodig zijn. Nieuw in het besluit is dat er invulling is gegeven aan criteria voor het goed- of afkeuren. Voorheen baseerden laboratoria zich hierbij op de NEN 2990. Deze criteria passen echter beter onder de publieke regelgeving, en zijn daarom in het Arbobesluit opgenomen.
Door het opnemen van eisen aan eindbeoordelingen met daarbij de criteria voor goed- of afkeuren is de werkgever verplicht om te zorgen voor een eindbeoordeling conform de vereisten en mag hij de werklocatie pas vrijgeven als volledig is voldaan aan de betreffende goedkeurcriteria.
Voor categorie beperkt kan, in analogie met de voorwaarden bij de eerdere risicoklasse 1, een bedrijf dat de asbestverwijdering doet ook zelf de eindbeoordeling doen, die alleen uit een visuele inspectie bestaat. Hiermee wordt met het blote oog vastgesteld dat er geen asbest meer aanwezig is op de werkplek en de werkplek veilig kan worden betreden. Uiteraard is het belangrijk dat dit zorgvuldig gebeurt. Via de (erkende) opleidingen wordt die kennis overgedragen. Ook het bedrijf dat zelf de visuele inspectie uitvoert, zal dit zorgvuldig moeten doen. Het opleveren van het werk met nog visueel waarneembare asbestrestanten kan worden gezien als een overtreding die afhankelijk van ernst en herhaling invloed kan hebben op de vergunning. Aangezien de grenswaarde niet wordt overschreden tijdens de werkzaamheden, heeft een luchtmeting na afloop geen toegevoegde waarde. Dit ontslaat het bedrijf er niet van in voorkomende gevallen een meting tijdens de werkzaamheden uit te voeren. De frequentie hiervan wordt bepaald in een bijlage bij de Arboregeling.
In de Arboregeling is ook invulling gegeven aan de wijze waarop een visuele inspectie moet worden uitgevoerd.
Voor de categorieën basis en uitgebreid moet de eindbeoordeling door een onafhankelijke en geaccrediteerde instelling worden gedaan volgens NEN 2990. Alleen in de categorie basis mag een eindbeoordeling worden uitgevoerd door het bedrijf dat de asbestverwijdering heeft uitgevoerd, mits gebruik wordt gemaakt van een erkende werkmethode. Dit gaat niet op als kleefmonsters nodig zijn, omdat die door een onafhankelijke en geaccrediteerde instelling moeten worden genomen en geanalyseerd. In dat geval wordt de gehele visuele eindbeoordeling door een onafhankelijke en geaccrediteerde instelling uitgevoerd.
Voor de categorie basis zou het standaard verplichten tot een luchtmeting in binnenruimten, zoals voorheen gold boven de grenswaarde, leiden tot een aanzienlijke verzwaring, omdat daar ook verwijderingen onder de grenswaarde kunnen blijven. Dat is bijvoorbeeld het geval als gebruik wordt gemaakt van een erkende werkmethode. Luchtmetingen zijn nodig wanneer er een reële kans is op overschrijdingen van de waarde waarop wordt getoetst en dus niet als op voorhand al duidelijk is dat dit niet zal gebeuren. Uit onderzoek van TNO37, en uit daarna nog verrichte nadere analyses, blijkt dat een eindbeoordeling, bestaande uit een visuele inspectie zonder luchtmeting als de taakblootstelling tijdens de werkzaamheden aan asbest lager blijft dan 10.000 vezels/m3, voor zowel chrysotiel als amfibool asbest, voldoende garanties biedt dat de vezelconcentratie in de praktijk kort na de werkzaamheden ook beneden de grenswaarde van 2.000 vezels/m3 zal liggen. Daarbij mag er van worden uitgegaan dat de concentratie in de lucht na afloop van de werkzaamheden en tijdens de eindbeoordeling nog verder zal dalen.
Op basis van het uitgangspunt dat de asbestvezels tijdens de asbestverwijdering door ventilatie en/of afzuiging worden weggezogen, mag volgens het TNO-onderzoek verwacht worden dat als tijdens de asbestverwijdering sprake is van een vezelconcentratie in de ruimte van minder dan 10.000 asbestvezels/m3, de concentratie asbestvezels voldoende is verlaagd op het moment dat de eindbeoordeling zou worden gestart. Het doen van luchtmetingen na de visuele inspectie heeft dan geen toegevoegde waarde meer. Daarom is deze waarde als criterium gekozen voor het al dan niet vereisen van een luchtmeting. Het criterium van 10.000 vezels/m3, dat is voorgeschreven in artikel 4.56 van dit besluit, wordt door TNO gezien als een conservatieve (beschermende) keuze, die zich daarbij baseerde op modelmatige overwegingen. Dit is nadien bevestigd door metingen die TNO in experimentele opzet heeft uitgevoerd.38
De eisen inzake de eindbeoordeling worden daarmee meer afgestemd op het te verwachten risico.
De manieren waarop kan worden aangetoond dat de taakblootstelling39 bij het werken onder de 10.000 v/m3 blijft is in de Arbeidsomstandighedenregeling bepaald. Het gaat om de volgende wijzen:
Een erkende werkmethode.
Een inschatting van de blootstelling via SMART-ns. Hieronder vallen de situaties waarbij SMART-ns de taakblootstelling met AREAT schat op minder dan 10.000 v/m3, alsmede ingevoerde resultaten van persoonlijke blootstellingsmetingen waaruit dat blijkt.
Een luchtmeting tijdens het werk door een onafhankelijk lab.
Er kan met een inschatting van de blootstelling of een luchtmeting tijdens de werkzaamheden worden aangetoond dat de totale taakblootstelling onder de 10.000 v/m3 blijft. Dit kan tijdswinst opleveren doordat het werk na een gunstige visuele eindinspectie al kan worden vrijgegeven en niet hoeft te worden gewacht op de luchtmeting. De eindinspectie-instelling legt de resultaten van de meting vast in de rapportage van de eindbeoordeling.
Voor de categorie uitgebreid zal altijd een onafhankelijke visuele inspectie moeten plaatsvinden. In deze categorie kan alleen worden afgezien van een luchtmeting wanneer er tijdens de sanering is gemeten en het aantal vezels onder de 10.000/m3 bleek. De kans dat dit voorkomt is beperkt.
De toetsingswaarde waaraan getoetst wordt met de luchtmeting blijft 10.000 v/m3 voor chrysotiel asbest als de analyse is uitgevoerd met fasecontrastmicroscopie. Wanneer de analyse is uitgevoerd met elektronenmicroscopie is de toetsingswwaarde 2000 v/m3. Elektronenmicroscopie mag worden gebruikt voor de analyse van chrysotiel maar is verplicht voor amfibool asbest. De term ‘toetsingswaarde’ dient overigens niet verward te worden met de term ‘grenswaarde’ (die geldt als norm voor een maximale blootstelling tijdens asbestverwijdering, gemiddeld over 8 uur per dag). Het meetresultaat, dat wordt getoetst aan de toetsingswaarde, geeft het gemiddelde weer over de meetperiode en moet daarom als een momentopname worden gezien.
Geaccrediteerde laboratoria die de eindbeoordelingen uitvoeren, moeten volgens hun accreditatievoorwaarden werken volgens NEN 2990 “Lucht - Eindbeoordeling na asbestverwijdering”. Volgens NEN 2990 zijn kleefmonsters alleen verplicht voor asbestverwijdering in risicoklasse 2A, dat wil zeggen dat tijdens de werkzaamheden de concentratie amfibool asbest hoger was dan de grenswaarde. Met het vervallen van de risicoklassen is dit onderscheid voor amfibool asbest lastiger te maken. Er is voor gekozen kleefmonsters voor te schrijven voor de categorie uitgebreid omdat hierbij hoge concentraties asbestvezels in de lucht moeten worden verwacht en de kleefmonsters met name dan zinvol zijn om te achterhalen of er veel vezels zijn neergeslagen die niet met het blote oog kunnen worden waargenomen. In de categorie basis zijn kleefmonsters volgens dit wijzigingsbesluit alleen verplicht als asbestverontreinigingen aanwezig waren die niet visueel waarneembaar waren, maar wel aangetoond met een kleefmonster voorafgaande aan de sanering.
In onderstaande tabel zijn de eisen aan eindbeoordelingen samengevat.
Een eindbeoordeling bestaat altijd uit een visuele inspectie en afhankelijk van de situatie ook uit een luchtmeting en kleefmonsters.
| Beperkt | Basis | Uitgebreid |
|---|---|---|
| Eindbeoordeling door werkgever. | Eindbeoordeling door:
|
Eindbeoordeling door geaccrediteerd lab en volgens NEN 2990. |
| 1: Visuele inspectie: altijd | ||
Toetscriterium: Asbest is visueel niet meer waarneembaar aanwezig tenzij het asbest betreft dat volgens het werkplan niet verwijderd hoeft te worden. |
||
| 2: Luchtmeting in binnensituaties | ||
| Geen luchtmeting | Luchtmeting, tenzij:
|
Luchtmeting, tenzij:
|
Toetscriterium: Alleen chrysotiel, analyse met fasecontrastmicroscopie: <10.000 vezels/m3 met fasecontrastmicroscopie Chrysotiel en amfibool, analyse met elektronenmicroscopie: <2.000 vezels/m3 |
||
| 3: Kleefmonsters in binnensituaties | ||
| Geen kleefmonsters | Kleefmonsters indien:
|
altijd kleefmonsters |
Toetscriterium kleefmonsters: <100 vezels/cm2 bepaald met elektronenmicroscopie |
||
3.10 Meten tijdens asbestwerkzaamheden
In het nieuwe artikel 4.36 zijn de luchtmetingen tijdens werkzaamheden met asbest vastgelegd. Deze meetverplichting bestond al langere tijd. In artikel 7 van de Asbestrichtlijn van 2019 stond: “1. Afhankelijk van de resultaten van de eerste risicobeoordeling wordt, om de naleving van de in artikel 8 vastgestelde grenswaarde te waarborgen, op gezette tijden de concentratie (…) gemeten.
2. De monstername is representatief voor de persoonlijke blootstelling van de werknemer (…).
(…)
5. De duur van de monstername wordt zo gekozen dat (…) de representatieve blootstelling (…) kan worden vastgesteld.”
De Wijzigingsrichtlijn heeft aan het eerste lid toegevoegd dat de meting op gezette tijden “in specifieke operationele fasen” moet gebeuren. In het tweede lid is de eis dat de meting representatief moet zijn voor de blootstelling van de werknemer vervangen door de eis dat de meting de blootstelling van de werknemer weerspiegelt. Wat blijft staan is dat de metingen tot doel hebben te controleren dat er geen blootstelling is boven de grenswaarde. De wijzigingen houden in dat metingen op het juiste moment tijdens de sanering worden uitgevoerd zodat ze een goed beeld geven van de blootstelling en dat de meting aansluit bij het feit dat de blootstellingsrisico’s kunnen verschillen tijdens verschillende fases van de werkzaamheden.
Wat nu in artikel 4.36 wordt geregeld, komt in plaats van het vervallen artikel 4.47 van het Arbobesluit. Daarin warende vereisten van de Asbestrichtlijn uit 2009 geïmplementeerd, waardoor het wettelijk verplicht was om op gezette tijden te meten tijdens de werkzaamheden. Ook voor 2009 was al sprake van een dergelijke meetverplichting. Zo is in 200640 een aanpassing verricht in deze bepalingen op grond van een wijzigingsrichtlijn uit 2003. Die wijzigingsrichtlijn uit 2003 bepaalde al dat de metingen op gezette tijden moest plaatsvinden afhankelijk van de risicobeoordeling. Voor die tijd werd een frequentie van 1 keer per 3 maanden voorgeschreven. Dit kon worden teruggebracht in bepaalde omstandigheden tot 1 keer per jaar. Bij de wijziging in 2006 is het betreffende artikel verplaatst waardoor het ook van toepassing werd op werkzaamheden met een lage blootstelling. Volgens de toelichting bij het wijzigingsbesluit uit 2006 biedt het afhankelijk zijn van de risicobeoordeling gelegenheid tot het minder vaak meten als de blootstelling heel laag is. Meten is immers geen doel op zich, maar dient ter voorkoming van blootstelling boven de grenswaarde. Het op gezette tijden meten betekent dus niet dat er bij elke sanering moet worden gemeten. Met behulp van SMART-ns kan een goede risicobeoordeling vooraf worden gemaakt. Het is desondanks zinvol om wel zo nu en dan te meten of de manier waarop er in de praktijk gewerkt wordt, wel aansluit op de risicobeoordeling.
De naleving van dit artikel was beperkt. Metingen tijdens het verwijderen van asbest worden vooral gedaan in het kader van validatie-onderzoeken om aan te tonen dat onder de grenswaarde kan worden gewerkt. Aangezien metingen tijdens het saneren wel relevant zijn, is de branche gevraagd om te komen tot een meetkader waarin concreet is vastgelegd wanneer er gemeten wordt. Dit kader wordt opgenomen in de Arboregeling. Door op deze wijze de uitvoering van het meetkader te borgen, kan het niet naleven daarvan gevolgen hebben voor de vergunning.
Met dit meetkader wordt ervoor gezorgd dat het meten een zinvolle bijdrage levert aan het borgen van gezond en veilig werken door het inzetten van metingen waar ze ook zinvol zijn. Kosten en baten moeten namelijk wel in verhouding tot elkaar staan. De meetresultaten zullen ook gedeeld worden met TNO voor aanvulling van de database, zodat de meetresultaten meer wetenschappelijk inzicht geven in de hoogte van de blootstelling bij diverse werkzaamheden. De data kunnen op die manier ook bijdragen aan de validatie van de blootstellingsschattingen in SMART-ns, zodat deze nog betrouwbaarder worden. Daartoe is het belangrijk dat het meetkader aan TNO wordt voorgelegd voordat het definitief wordt vastgesteld, zodat kan worden bekeken of de data op die manier voldoende bruikbaar zijn.
Er wordt onderscheid gemaakt in verschillende meetdoelen, waarbij relevant is of de concentratie in de lucht onder de grenswaarde blijft, onder de taakblootstelling die bepaalt of er een luchtmeting moet worden uitgevoerd tijdens de eindbeoordeling of onder een bepaalde waarde waarbij een bepaalde adembescherming nog voldoende werkzaam is. Er wordt rekening gehouden met de robuustheid van uitkomsten: wanneer er steeds hetzelfde resultaat uitkomt, kan er veel minder vaak worden gemeten dan wanneer de resultaten een grote spreiding vertonen. Ook de mate waarin het meetresultaat voldoet aan de waarde uit de risicobeoordeling waaraan wordt getoetst, kan daarvoor bepalend zijn.
Het meetkader creëert een gelijk speelveld doordat alle partijen dezelfde aanpak hanteren en daadwerkelijk meten.
De Wijzigingsrichtlijn schrijft voor dat metingen tijdens het saneren moet worden uitgevoerd met behulp van een elektronenmicroscoop. Dit is geen verandering voor de Nederlandse praktijk.
3.11 Blootstellingsregistratie en medische keuring
De Asbestrichtlijn verplicht om werknemers een medische keuring aan te bieden en hun blootstelling te registreren. In de Arboregelgeving zijn deze verplichtingen in belangrijke mate al opgenomen. Voor enkele verplichtingen bij de medische keuring zijn deze echter nu alleen opgenomen voor risicoklasse 2, terwijl de verplichting volgens de Asbestrichtlijn voor alle werkzaamheden geldt. Het betreft:
Specifiek onderzoek van de borstkas.
Herhaling van de keuring elke 3 jaar zolang de blootstelling duurt.
Maatregelen treffen als de keuring daartoe aanleiding geeft. Die verplichting geldt nu voor werkgevers, volgens de Asbestrichtlijn zou de arts zich hierover moeten uitspreken.
De verplichtingen rondom de blootstellingsregistratie zijn al geïmplementeerd in nationale regelgeving.
3.12 Het Validatie- en Innovatiepunt (VIP)
Op 2 juni 2020 is het Validatie- en Innovatiepunt Asbest (hierna: VIP) geopend41. Het VIP is een onafhankelijk orgaan en beoordeelt (innovatieve) werkmethoden in het asbestwerkveld. Daarover brengt zij advies uit aan het Ministerie van SZW. In eerste instantie zagen de beoordelingen van het VIP op het beoordelen van werkmethoden waarmee werd aangetoond dat verwijderingen onder de grenswaarde konden worden uitgevoerd. Sinds september 202442 heeft het VIP ook een rol gekregen in het beoordelen van bewerkingen, zover deze zijn toegestaan volgens de geldende regelgeving. Dit verandert niet.
De minister van SZW kan ook in de nieuwe situatie op basis van een positief advies van het VIP beslissen of met de betreffende innovatie of werkmethode voldoende wordt aangetoond dat er onder de grenswaarde wordt gewerkt. Hiermee stelt de minister de werkmethode vast als een erkende werkmethode (voorheen beter bekend als een veilige werkwijze. Erkende werkmethoden voor verwijderingen zullen worden opgenomen in SMART-ns.
Daarnaast zullen alle erkende werkmethoden worden gepubliceerd op de website van het VIP en een plek krijgen in de Arboregeling.
Omdat in de nieuwe regelgeving erkende werkmethoden ook worden ingezet als bijvoorbeeld het bewijs van naleving als vereiste bij een vergunningaanvraag, zal de regelgeving omtrent het VIP en erkende werkmethoden worden uitgebreid. Omwille van de korte implementatieperiode van de Richtlijn zullen deze regelgevingswijzigingen op een later momentvolgen. Partijen zijn al bekend met het VIP en zodoende wordt dit voldoende bekend geacht om het voorliggende besluit goed te kunnen begrijpen. Later in het proces zullen de artikelen rondom het VIP en erkende werkmethoden worden samengevoegd met de regelgevingswijzigingen die nu ter consultatie worden aangeboden.
4. Verhouding tot hoger recht
4.1. Asbestrichtlijn
De Asbestrichtlijn bevat voorschriften die zijn bedoeld om werknemers te beschermen tegen risico’s voor hun gezondheid die zich voordoen of kunnen voordoen als gevolg van blootstelling aan asbest op het werk.
De Wijzigingsrichtlijn heeft de Asbestrichtlijn op een aantal punten gewijzigd. Het bovenliggende wetsvoorstel diende ter implementatie van twee van deze wijzigingen. Dit zijn de verplichting voor bedrijven om over een vergunning te beschikken om bepaalde asbestgerelateerde werkzaamheden te mogen verrichten en de verplichting om een lijst met bedrijven openbaar te maken waaraan een vergunning is verleend.
Alle overige wijzigingen worden met dit besluit en een regeling tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenregeling doorgevoerd. In de transponeringstabel die hoort bij deze toelichting, is opgenomen in welke artikelen van het Arbeidsomstandighedenbesluit en de Arbeidsomstandighedenregeling de artikelen van de Wijzigingsrichtlijn zijn geïmplementeerd.
4.2. REACH-verordening
De REACH-verordening43 bevat een verbod op de vervaardiging, het in de handel brengen en het gebruik van bepaalde asbestvezels en voorwerpen en mengsels waaraan deze vezels opzettelijk zijn toegevoegd. Tevens bevat de REACH-verordening een klein aantal uitzonderingen op dit verbod. Het verbod in de REACH-verordening is van toepassing in alle lidstaten van de Europese Unie.
Voor asbest is in de REACH-verordening opgenomen dat voorwerpen waaraan asbest opzettelijk is toegevoegd en die voor 1 januari 2005 in gebruik zijn genomen, mogen worden blijven gebruikt tot ze worden verwijderd of aan vervanging toe zijn. De arbeidsomstandighedenregelgeving ziet onder meer op de bescherming van de werknemer bij het gebruik van asbest en asbesthoudende voorwerpen dat volgens de REACH-verordening is toegestaan en op het verwijderen van asbest. De nieuwe regels in dit besluit passen binnen de kader van de REACH-verordening.
4.3. Verdrag betreffende veiligheid bij het gebruik van asbest (ILO 162)
Het Verdrag betreffende veiligheid bij het gebruik van asbest is een verdrag van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) dat door Nederland is ondertekend en geratificeerd. Het verdrag bevat regels om werknemers die werken met asbest te beschermen tegen de gezondheidsgevaren van asbest. Deze regels moeten door landen worden opgenomen in hun nationale wet- en regelgeving. Voorbeelden van deze regels zijn voorgeschreven grenswaarden voor de blootstelling van werknemers aan asbest, de verplichting om bepaalde sloopwerkzaamheden alleen door erkende partijen te laten verrichten en het meten van de concentraties asbeststof op de werkplek.
De arbeidsomstandighedenregelgeving geeft invulling aan de bepalingen in het verdrag die zien op de arbeidsveiligheid. De nieuwe regels in dit besluit passen binnen de kaders van het Verdrag.
4.4. Vrij verkeer van werknemers, vrij verkeer van diensten en vrijheid van vestiging
Vanwege de harmonisering van regels inzake het werken met asbest door middel van de Asbestrichtlijn, moeten alle nationale regels die hierover gaan, passen binnen de Europese beginselen voor de interne markt. Voor dit besluit zijn het vrij verkeer van werknemers, het vrij verkeer van diensten en de vrijheid van vestiging relevant.
Vrij verkeer van werknemers
Artikel 45 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (verder: VWEU) bepaalt dat het verkeer van werknemers binnen de Unie vrij is (vrij verkeer van werknemers). Ook bepaalt het artikel onder meer dat het vrij verkeer van werknemers op bepaalde gronden kan worden ingeperkt.
Het vrij verkeer van werknemers is nader uitgewerkt in Verordening (EU) Nr. 492/2011 van het Europees parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie. Deze Verordening geeft werknemers die afkomstig zijn uit andere lidstaten van de Europese Unie dezelfde rechten als de eigen onderdanen van een lidstaat met betrekking tot de toegang tot werk, de arbeidsvoorwaarden en toegang tot onderwijs. Ook kent de Verordening bepaalde sociale rechten toe aan werknemers uit andere lidstaten, waaronder een recht om zich aan te sluiten bij een vakorganisatie.
De voorschriften in dit besluit maken geen onderscheid tussen Nederlandse werknemers en werknemers afkomstig uit andere lidstaten van de Europese Unie, andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte of Zwitserland. Voor al deze werknemers gelden dus dezelfde regels. De voorschriften in dit besluit raken daarnaast niet de rechten die in de Verordening aan werknemers worden toegekend. Gelet hierop leveren de voorschriften in dit besluit geen strijd op met Verordening 492/2011. Wel dienen deze voorschriften nog te worden getoetst aan artikel 45 van het VWEU.
Vrijheid van vestiging en vrij verkeer van diensten
In artikel 49 van het VWEU is het recht geregeld van zelfstandigen en bedrijven om zich in een andere lidstaat te vestigen (vrijheid van vestiging). Daarnaast regelt artikel 56 van het VWEU het recht van onderdanen van de Europese Unie om diensten te verrichten in andere lidstaten dan die waar zij gevestigd zijn (vrij verkeer van diensten).
Zowel de hiervoor genoemde vrijheid van vestiging en het vrij verkeer van diensten zijn nader uitgewerkt in Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (verder: Dienstenrichtlijn). Op grond van artikel 1, zesde lid, van de Dienstenrichtlijn is die richtlijn echter niet van toepassing op wettelijke bepalingen betreffende arbeidsvoorwaarden, ‘met inbegrip van de gezondheid en veiligheid op het werk’. De voorschriften in dit besluit die raken aan het vrij verkeer van diensten en de vrijheid van vestiging, zullen daarom moeten worden getoetst aan de artikelen 49 en 56 van het VWEU.
Beperkingen van het vrij verkeer van werknemers, het vrij verkeer van diensten en de vrijheid van vestiging
Het onderhavige besluit voegt bepalingen toe aan het Arbeidsomstandighedenbesluit die kunnen worden beschouwd als een beperking van het vrij verkeer van werknemers, het vrij verkeer van diensten en de vrijheid van vestiging. Het gaat hierbij om de bepalingen die het volgende regelen:
De verplichting om een gevolgde opleiding als bedoeld in artikel 4.30 te laten registreren in het Register gezond en veilig werken met asbest.
De verplichting om over een erkenning te beschikken voor opleiders die opleidingen als bedoeld in artikel 4.30 verzorgen.
De verplichting om over een certificaat, erkenning of ander voorgeschreven bewijs van naleving van artikel 6 van de Asbestrichtlijn te beschikken voor het aanvragen en behouden van een vergunning voor het verrichten van sloop- en asbestverwijderingswerkzaamheden.
Het gebruik van toezichtsinformatie en een onderzoek op grond van de Wet Bibob bij de aanvraag om een vergunning en als grond om een verleende vergunning in te trekken.
De verplichting voor bedrijven om bij een vergunningaanvraag een Verklaring omtrent het gedrag (VOG) voor rechtspersonen te overleggen.
De verplichting voor bedrijven die in het bezit zijn van een vergunning om periodiek een overzicht te verstrekken van wijzigingen die zich hebben voorgedaan met betrekking tot door de werknemers gevolgde opleidingen en de verplichting om een nieuwe VOG te overleggen indien het bedrijf door andere personen wordt gedreven dan wel een of meer nieuwe bestuurders zijn toegetreden.
Een onderscheid in vergunningcategorieën
Verplichting voor buitenlandse vergunninghouders om een Nederlandse vergunning aan te vragen.
Indien bepaalde maatregelen een beperking opleveren van een van de eerdergenoemde vrijheden, zal moeten worden bekeken of deze beperking gerechtvaardigd is. Voor het vrij verkeer van werknemers is in dit verband artikel 45, derde en vierde lid, van het VWEU relevant. Voor de vrijheid van vestiging zijn dit de artikelen 51 en 52 van het VWEU, die op grond van artikel 62 van het VWEU ook van toepassing zijn op het vrij verkeer van diensten. Daarnaast kan, overeenkomstig jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie44, een beperking van de vrijheid van vestiging en het vrij verkeer van diensten gerechtvaardigd zijn, indien de beperking niet discriminerend van aard is, deze noodzakelijk is om dwingende redenen van algemeen belang, de beperkende maatregel geschikt is om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te waarborgen en niet verder gaat dan noodzakelijk is om dat doel te bereiken (‘rule of reason’).
In paragraaf 5.4 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel waarmee artikel 19a, zijnde de grondslag voor de vergunningplicht, aan de Arbeidsomstandighedenwet wordt toegevoegd45, is ten aanzien van de maatregelen die zijn genoemd bij de nummers 3, 4, 5 en, voor zover het de verplichting tot het overleggen van een nieuwe VOG betreft, 6, reeds toegelicht waarom deze maatregelen een gerechtvaardigde beperking opleveren van de hiervoor genoemde vrijheden. Wat deze maatregelen betreft wordt daarom verwezen naar de betreffende paragraaf van de memorie van toelichting. Voor de overige maatregelen wordt hieronder toegelicht waarom zij naar het oordeel van de regering een gerechtvaardigde beperking van een of meer van de eerdergenoemde vrijheden opleveren.
Naar het oordeel van de regering zijn de beperkingen van de eerdergenoemde vrijheden die niet al zijn besproken in het wetsvoorstel, gerechtvaardigd op grond van de rule of reason. Hiertoe overweegt zij als volgt.
Registratieplicht in het Register gezond en veilig werken met asbest
Het moeten hebben afgerond van een opleiding die aan bepaalde eisen voldoet, is een eis die rechtstreeks voortvloeit uit de Asbestrichtlijn. Deze verplichting als zodanig levert dus geen beperking op van de genoemde vrijheden. De verplichting om een afgeronde opleiding en de werknemer die deze heeft afgerond te laten registreren in het Register gezond en veilig werken met asbest kan daarentegen wel worden gezien als een beperking. Nu deze verplichting ook buitenlandse bedrijven raakt die zich willen vestigen in Nederland en deze verplichting ook zal gelden voor zelfstandigen, kan de registratieplicht zowel als een beperking van het vrij verkeer van werknemers als de vrijheid van vestiging worden gezien.
De registratieplicht geldt niet voor dienstverrichters als bedoeld in artikel 21 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties die in het kader van tijdelijke en incidentele dienstverrichting werkzaamheden zullen verrichten in Nederland. Bij dit type werkzaamheden is er dus geen sprake van een beperking van het vrij verkeer van werknemers. Daarnaast is er door deze uitzondering geen sprake van een beperking van het vrij verkeer van diensten: buitenlandse bedrijven die in het kader van tijdelijke en incidentele dienstverrichting werkzaamheden willen verrichten in Nederland hoeven immers de opleidingen van hun werknemers, voor zover zij zijn aan te merken als dienstverrichter, niet te laten registeren in het Register gezond en veilig werken met asbest. Dit geldt tevens voor zelfstandigen die zijn aan te merken als dienstverrichter en in Nederland werkzaamheden willen verrichten bij wijze van tijdelijke en incidentele dienstverrichting. Voor het overige, geldt het volgende.
Het is van groot belang dat werkzaamheden waarbij er sprake is of kan zijn van blootstelling aan asbeststof, alleen worden verricht door personen die hier deugdelijk toe zijn opgeleid. Dit niet alleen vanwege de opleidingseis in de Asbestrichtlijn, maar ook vanwege de grote gevaren die het werken met asbest met zich meebrengen en de schadelijke effecten van asbestvezels voor mens en milieu. Het instellen van het Register gezond en veilig werken met asbest maakt het mogelijk voor de toezichthouder om eenvoudig na te gaan welke personen een opleiding hebben gevolgd en dus werkzaamheden met asbest mogen verrichten, en om ondubbelzinnig te kunnen bepalen welke werkzaamheden zij mogen verrichten. Hiermee kan beter worden gewaarborgd dat de opleidingseis wordt nageleefd en dat werkzaamheden met asbest worden verricht door personen die hier deugdelijk toe zijn opgeleid. Dit voorkomt op zijn beurt weer dat zich schadelijke gevolgen voor zowel mens als milieu voordoen, omdat de werkzaamheden door een ondeskundig persoon zijn verricht.
Daarnaast maakt het Register het mogelijk om op vereenvoudigde wijze informatie te verstrekken over opleidingen bij een melding als bedoeld in artikel 4.37 of een vergunningaanvraag als bedoeld in artikel 4.58. Hier kan worden volstaan met een vermelding van de registratienummers van de betrokken werknemers, in plaats van dat diploma’s of andere bewijzen van afronding van de opleiding hoeven te worden verstrekt. Dit vermindert de hoeveelheid persoonsgegevens die van deze werknemers zullen worden opgevraagd, verstrekt en vastgelegd.
Gezien het voorgaande acht de regering de registratieplicht als een gerechtvaardigde beperking van het vrij verkeer van werknemers, het vrij verkeer van diensten en de vrijheid van vestiging.
Erkenningsplicht opleiders
Een opleider die opleidingen wil verzorgen als bedoeld in artikel 4.30 en niet op grond van artikel 4.33 van rechtswege is erkend als opleider, zal over een erkenning moeten beschikken die is afgegeven door de Minister van Werk en Participatie. De eis dat een opleider moet zijn erkend, is de Nederlandse invulling van de eis in de Asbestrichtlijn dat een opleiding moet worden gegeven door een instructeur van wie de kwalificatie wordt erkend overeenkomstig het nationaal recht en de nationale praktijk (bijlage I bis van de Asbestrichtlijn). Deze invulling kan worden gezien als een beperking van de vrijheid van vestiging en het vrij verkeer van diensten voor opleiders die zijn gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte.
Vanwege de risico’s die gepaard gaan met het werken met asbest en asbesthoudende producten, is het van het grootste belang dat degenen die deze werkzaamheden verrichten, deugdelijk zijn opgeleid. Op deze manier kan worden geborgd dat degenen die dergelijke werkzaamheden verrichten, dit op een veilige en verantwoorde wijze doen en zich bewust zijn van de risico’s die horen bij de betreffende werkzaamheden. Een opleiding is deugdelijk, indien deze voldoet aan de eisen die bij en krachtens artikel 4.30 zijn gesteld.
Als alleen de eis zou worden gesteld dat de persoon die de opleiding feitelijk geeft gekwalificeerd moet zijn, dan biedt dit geen garantie dat de opleiding als zodanig voldoet aan alle eisen die bij en krachtens artikel 4.30 aan een opleiding zijn gesteld. Om te verzekeren dat een opleider niet alleen beschikt over gekwalificeerd personeel, maar ook een opleiding aanbiedt die voldoet aan de relevante eisen, wordt de eis gesteld dat een opleider over een erkenning moet beschikken.
Gelet op het voorgaande, is de regering van oordeel dat de beperking van de vrijheid van vestiging en het vrij verkeer van diensten door het stellen van een erkenningseis, gerechtvaardigd is.
Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat de erkenningseis alleen geldt voor opleiders die actief zijn in Nederland. Voor opleidingen die zijn verzorgd door een opleider in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, volstaat het dat deze voldoen aan de bij en krachtens artikel 4.30 gestelde eisen. Of hiervan sprake is, wordt beoordeeld aan de hand van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties.
Vergunningplicht
De maatregelen ter uitwerking van de vergunningplicht in de Arbeidsomstandighedenwet raken buitenlandse bedrijven die zich in Nederland willen vestigen voor het verrichten van sloop- en asbestverwijderingswerkzaamheden of deze werkzaamheden vanuit het buitenland in Nederland willen laten verrichten. Zij kunnen daarom worden gezien als beperkingen van het vrij verkeer van diensten en de vrijheid van vestiging. Een deel van deze maatregelen en hun verhouding tot deze vrijheden is al besproken in paragraaf 5.4 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel waarmee artikel 19a aan de Arbeidsomstandighedenwet wordt toegevoegd. Voor de overige maatregelen, wordt hierna toegelicht waarom zij naar het oordeel van de regering een gerechtvaardigde beperking opleveren van het vrij verkeer van diensten en de vrijheid van vestiging.
Daarnaast kan het onderscheid in vergunningcategorieën worden gezien als een beperking van de vrijheid van vestiging en het vrij verkeer van diensten van bedrijven die in Nederland gevestigd zijn. Ook ten aanzien van deze maatregel wordt hierna toegelicht waarom zij naar het oordeel van de regering gerechtvaardigd is.
Periodiek overzicht opleidingen van werknemers
De verplichting voor bedrijven die in het bezit zijn van een vergunning om periodiek een overzicht te verstrekken van wijzigingen die zich hebben voorgedaan met betrekking tot door de werknemers gevolgde opleidingen, is bedoeld om na te gaan of het bedrijf waaraan een vergunning is verleend, nog steeds beschikt over werknemers die een opleiding als bedoeld in artikel 4.30 hebben afgerond waarmee zij de vergunde werkzaamheden kunnen verrichten. Hierbij gaat het ook om de vraag of de werknemers de nodige bijscholing hebben gevolgd, overeenkomstig de eisen van artikel 4.30. Met deze maatregel kan beter worden nagegaan of de opleidingseis uit de Asbestrichtlijn wordt nageleefd en de vergunde werkzaamheden worden verricht door personeel dat hier deugdelijk toe is opgeleid. Indien de informatie niet wordt verstrekt of de informatie hier aanleiding toe geeft, kan de vergunning daarbij worden geschorst of ingetrokken.
Deze maatregel kan worden gezien als een beperking van het vrij verkeer van diensten en de vrijheid van vestiging, dit geen geharmoniseerde regel is die op basis van de Asbestrichtlijn in alle lidstaten zal gelden, maar in Nederland is opgenomen voor de handhaafbaarheid van de opleidingseis. De regering is echter van mening dat vanwege datgene wat in de vorige alinea is beschreven, deze beperking gerechtvaardigd is. Met de maatregel kunnen immers gevaren voor zowel personen, waaronder werknemers, als het milieu, voortkomend uit het niet of onvoldoende opgeleid zijn van zij die bepaalde asbestwerkzaamheden verrichten, worden voorkomen. De maatregel is daarbij een maatregel die naar het oordeel van de regering noodzakelijk en evenredig is om dit doel te bereiken. Wat de evenredigheid betreft, wijst de regering hierbij in het bijzonder op het feit dat het genoemde overzicht slechts eens per jaar hoeft te worden verstrekt.
Onderscheid in vergunningcategorieën
De Asbestrichtlijn verplicht lidstaten om een vergunningplicht in te voeren, maar schrijft niet voor dat zij daarbij een onderscheid moeten maken tussen typen werkzaamheden die een bedrijf met een vergunning mag verrichten. In artikel 4.57 wordt een dergelijk onderscheid echter wel gemaakt: er zijn verschillende soorten vergunningen die elk recht geven op het verrichten van bepaalde werkzaamheden. Bedrijven die over een vergunning beschikken die is afgegeven in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, kunnen met de buitenlandse vergunning een Nederlandse vergunning aanvragen die hen het recht geeft om in Nederland dezelfde werkzaamheden te verrichten die zij met hun buitenlandse vergunning mogen verrichten. Hiermee is echter niet gezegd dat andere lidstaten een zelfde soort regeling kennen of een identieke of vergelijkbare indeling in vergunningcategorieën hebben. Met name voor bedrijven die een vergunning asbestverwijdering beperkt hebben, kan dit hun mogelijkheden beperken om in een andere lidstaat werkzaamheden te verrichten, wat gezien kan worden als een beperking van het vrij verkeer van diensten en de vrijheid van vestiging.
De Asbestrichtlijn stelt een vergunning verplicht voor alle sloop- en asbestverwijderingswerkzaamheden en kent hierop geen uitzonderingen. Als er maar één type vergunning zou zijn, dan zou dit betekenen dat een bedrijf bij de vergunningaanvraag moet aantonen dat hij de meest complexe en risicovolle sloop- en asbestverwijderingswerkzaamheden kan verrichten en beschikt over personeel dat deze werkzaamheden kan verrichten. De vergunning geeft in dit geval immers het recht om alle sloop- en asbestverwijderingswerkzaamheden te verrichten die er zijn. Dat een bedrijf in de praktijk slechts bepaalde, minder risicovolle asbestverwijderingswerkzaamheden wil verrichten met de vergunning, is hierbij niet relevant.
Een systeem met maar één type vergunning zou vanwege het voorgaande een forse investering vragen van bedrijven die slechts bepaalde werkzaamheden willen verrichten. Zij zullen namelijk moeten aantonen dat zij bepaalde werkzaamheden kunnen verrichten, terwijl zij in de praktijk helemaal niet van plan zijn om die werkzaamheden te verrichten. De regering acht het niet redelijk om van deze bedrijven te verlangen dat zij investeringen doen om het kunnen uitvoeren van bepaalde werkzaamheden aan te tonen, terwijl zij deze werkzaamheden in de praktijk niet zullen verrichten. De differentiatie in vergunningsoorten voorkomt dat bedrijven dergelijke investeringen moeten doen en maakt het mogelijk voor hen om zich te richten op die werkzaamheden die zij willen verrichten.
Het voorgaande maakt het naar het oordeel van de regering gerechtvaardigd om het vrij verkeer van diensten en de vrijheid van vestiging te beperken middels het systeem van differentiatie, ook als dit betekent dat bedrijven die in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte werkzaamheden willen verrichten, aan aanvullende eisen moeten voldoen om aldaar een vergunning te verkrijgen. De regering is van mening dat het belang van het voorkomen van onnodige investeringen en het daarmee gepaard gaande toegankelijk houden van de markt voor sloop- en asbestverwijderingswerkzaamheden, zwaarder weegt dan het belang om met één vergunningsoort te werken. De differentiatie is hierbij een noodzakelijk middel om deze doelen te bereiken en is ook als evenredig te beschouwen gelet op de te bereiken doelen. Dit met name omdat ook een vergunning kan worden aangevraagd en verkregen waarmee alle sloop- en asbestverwijderingswerkzaamheden mogen worden verricht waarop de vergunningplicht van toepassing is.
Verplichting aanvragen Nederlandse vergunning
Een bedrijf waaraan door een bevoegde autoriteit in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte een vergunning is verleend voor sloop- en asbestverwijderingswerkzaamheden, kan deze vergunning niet zonder meer gebruiken in Nederland. Wel kan dit bedrijf de buitenlandse vergunning die hij heeft, gebruiken om in Nederland een vergunning aan te vragen voor het verrichten van sloop- en asbestverwijderingswerkzaamheden (aval-vergunning).
Deze vergunningseis, ook als een bedrijf al een vergunning heeft die is afgegeven in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, kan worden gezien als een beperking van de vrijheid van vestiging en het vrij verkeer van diensten. De regering is echter van oordeel dat er in dit geval geen sprake is van zodanige beperkingen.
Op grond van artikel 15 van de Asbestrichtlijn mogen sloop- en asbestverwijderingswerkzaamheden slechts worden verricht als een bedrijf beschikt over een “door de bevoegde autoriteiten” afgegeven vergunning. De regering leidt uit de tekst van artikel 15 en de overwegingen bij de Wijzigingsrichtlijn af dat onder “bevoegde autoriteiten” moet worden verstaan: de bevoegde autoriteiten van het land waar de werkzaamheden zullen plaatsvinden. De eis dat ook bedrijven die al over een buitenlandse vergunning beschikken, een Nederlandse vergunning moeten hebben, past naar het oordeel van de regering daarom binnen de kaders van de Asbestrichtlijn. Aangezien de vergunningplicht is opgenomen in de Asbestrichtlijn en dus een geharmoniseerde verplichting is, is er daardoor volgens de regering geen sprake van een beperking van de vrijheid van vestiging en het vrij verkeer van diensten.
Voor een bedrijf dat al over een buitenlandse vergunning beschikt, geldt hetzelfde aanvraagproces als voor bedrijven die nog niet over een vergunning beschikken. Dit houdt onder meer in dat toezichtsinformatie wordt betrokken bij de aanvraag, voor zover die beschikbaar is. Ook na verlening van de vergunning gelden dezelfde eisen, waaronder de eis om jaarlijks een overzicht te verstrekken met daarop de opleidingen van werknemers. Voor de verhouding van deze maatregelen tot de vrijheid van vestiging en het vrij verkeer van diensten, wordt terugverwezen naar dat wat hier eerder in deze toelichting over is gezegd.
4.5. Grondwet, EVRM en IVBPR
Op grond van artikel 10, eerste lid, van de Grondwet heeft eenieder recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer. Dit recht kan bij of krachtens de wet worden beperkt.
Daarnaast heeft op grond van artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (verder: EVRM) eenieder recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Artikel 8, tweede lid, van het EVRM bepaalt de voorwaarden waaronder een inmenging in het recht op privéleven is toegestaan. Een inmenging moet zijn voorzien bij de wet en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn voor een van de in dit lid genoemde doelen. Het begrip ‘wet’ in de zin van het EVRM is een breed begrip dat ook lagere regelgeving omvat.
Artikel 17, eerste lid, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (verder: IVBPR) bepaalt voorts dat niemand mag worden onderworpen aan een willekeurige of onwettige inmenging in zijn privéleven.
Dit besluit voegt een aantal bepalingen toe aan het Arbeidsomstandighedenbesluit op grond waarvan persoonsgegevens zullen worden verwerkt of die kunnen leiden tot de verwerking van persoonsgegevens, in aanvulling op de bestaande verwerkingen van persoonsgegevens. De verwerking van persoonsgegevens kan worden gezien als een inmenging in de hiervoor genoemde rechten op bescherming van de persoonlijke levenssfeer en het privéleven.
Aan het vereiste dat de inmenging bij of krachtens de wet moet zijn gesteld, zoals verwoord in artikel 10, eerste lid van de Grondwet, 8, tweede lid, van het EVRM en 17, eerste lid, van het IVPBR, wordt naar het oordeel van de regering voldaan. Dit nu de verwerkingen van persoonsgegevens die dit besluit introduceert, zijn vastgelegd in bepalingen in het Arbeidsomstandighedenbesluit en deze bepalingen zijn terug te voeren op de Arbeidsomstandighedenwet. De regering is daarnaast van mening dat deze verwerkingen noodzakelijke en evenredige inmengingen zijn in de hierboven genoemde rechten op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het privéleven die, in het geval van het EVRM, beantwoorden aan twee van de beperkingsdoelen die worden genoemd in artikel 8, tweede lid, van het EVRM. Hieronder wordt dit toegelicht.
Vergunningplicht
Zoals eerder aangegeven, geven de artikelen in paragraaf 5 van de nieuwe afdeling 3 van het Arbeidsomstandighedenbesluit een uitwerking aan de vergunningplicht die wordt opgenomen in artikel 19a van de Arbeidsomstandighedenwet. Deze artikelen bevatten onder meer de eis dat het bedrijf dat een vergunning aanvraagt, een verklaring omtrent het gedrag moet overleggen en de registratienummers van zijn werknemers in het Register gezond en veilig werken met asbest. Ook regelt de paragraaf het gebruik van toezichtsinformatie (voor zover beschikbaar) bij het verlenen of intrekken van een vergunning.
De verwerkingen van persoonsgegevens die voortkomen uit de artikelen op het gebied van de vergunning, zijn naar het oordeel van de regering gerechtvaardigd in het licht van de Grondwet, het EVRM en het IVBPR. Voor een deel is dit al onderbouwd in paragraaf 5.4 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel waarmee artikel 19a, zijnde de grondslag voor de vergunningplicht, aan de Arbeidsomstandighedenwet wordt toegevoegd. Voor het overige, geldt het volgende.
In de betreffende paragraaf van de memorie van toelichting staat dat in lagere regelgeving het gebruik van toezichtsinformatie nader zal worden uitgewerkt, waardoor duidelijk wordt wanneer en waarvoor de toezichtsinformatie wordt gebruikt. Deze uitwerking zit in de artikelen 4.58, 4.60, eerste lid, en 4.64, derde lid, onderdeel b. Deze artikelen bepalen niet alleen in welke gevallen er toezichtsinformatie zal worden gebruikt (bij de vergunningaanvraag, de verlening en als mogelijke grond voor intrekking), maar ook dat de Minister van SZW zal bepalen op welke wijze de toezichtsinformatie met hem wordt gedeeld. De toezichtsinformatie zal zich daarbij beperken tot informatie over de naleving van wettelijke voorschriften, voor zover deze verband houden met de werkzaamheden waarop de vergunning betrekking heeft. Met deze afbakeningen is een balans gezocht tussen enerzijds de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en anderzijds het belang om bij de beoordeling van een vergunningaanvraag, het verlenen hiervan en de mogelijke intrekking van een vergunning, te beschikken over informatie waarmee kan worden nagegaan of de relevante regels op het gebied van het werken met asbest worden of zullen worden nageleefd.
Verder is bij het bepalen van de gegevens die bij de vergunningaanvraag moeten worden overgelegd, in lijn met dat wat is aangekondigd in de hiervoor genoemde paragraaf van de memorie van toelichting, de hoeveelheid persoonsgegevens zoveel als mogelijk beperkt. Hiermee blijft de inmenging in het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het privéleven op dit vlak tot een minimum beperkt. Dit wordt onder andere bereikt door als uitgangspunt de unieke registratienummers in het Register gezond en veilig werken met asbest te vragen bij de vergunningaanvraag, in plaats van opleidingscertificaten van elk van de werknemers die de te vergunnen werkzaamheden zullen verrichten.
Tot slot zijn er vergunningvoorschriften die op grond van artikel 4.61, tweede lid, verplicht aan een vergunning moeten worden verbonden en die leiden tot de verwerking van persoonsgegevens. Het gaat hierbij om de vergunningvoorschriften in artikel 4.62, tweede lid, onderdelen d en e. Deze vergunningvoorschriften zijn echter nodig om na te kunnen gaan of de vergunninghouder nog werknemers heeft die bekwaam zijn om de vergunde werkzaamheden te verrichten respectievelijk om te voorkomen dat het vergunninghoudende bedrijf wordt gedreven of bestuurd door een of meer personen die strafbare feiten hebben begaan, waardoor zij geen VOG kunnen krijgen. Deze vergunningvoorschriften dragen hierdoor bij aan de deugdelijke naleving van de regels op het gebied van het werken met asbest en de bescherming van mens en milieu. De inmenging in de persoonlijke levenssfeer die met deze verwerkingen van persoonsgegevens gepaard gaat, beantwoordt aan twee van de doelen in artikel 8, tweede lid, van het EVRM, namelijk het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten en het beschermen van de gezondheid. De regering beschouwt deze inmenging tevens als proportioneel, nu de verplichting in onderdeel d verplicht tot het slechts eenmaal per jaar verstrekken van een overzicht en op dit overzicht alleen wijzigingen met betrekking tot de gevolgde opleidingen van de werknemers van de vergunninghouder hoeven te worden opgenomen. De verplichting in onderdeel e beschouwt de regering als proportioneel, omdat met een VOG op eenvoudige wijze kan nagaan of er sprake is van het gepleegd hebben van relevante strafbare feiten, zonder dat concrete informatie over die strafbare feiten hoeft te worden gedeeld. Daarbij geldt de verplichting tot het verstrekken van een nieuwe VOG slechts als zich veranderingen hebben voorgedaan ten aanzien van degenen die het bedrijf drijven of daartoe zijn toegetreden als bestuurders.
Erkenning opleiders
Als onderdeel van de erkenningsaanvraag van opleiders, wordt getoetst of de personen die werkzaam zijn voor de opleider en de opleidingen verzorgen, over de benodigde kennis en didactische vaardigheden beschikken. Hiervoor zullen identificerende gegevens van deze personen en gegevens over onder andere de door hen gevolgde opleidingen en werkervaring nodig zijn. Dit komt neer op een verwerking van persoonsgegevens en daarmee een inmenging in het recht op privéleven en eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, zoals opgenomen in de Grondwet, het EVRM en het IVBPR.
Naar het oordeel van de regering is deze verwerking van persoonsgegevens echter gerechtvaardigd in het licht van de Grondwet, het EVRM en het IVBPR. Deze verwerking beantwoordt hierbij aan twee van de doelen in artikel 8, tweede lid, van het EVRM, namelijk het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten en het beschermen van de gezondheid.
De Asbestrichtlijn vereist dat de opleidingen die een werknemer moet hebben gevolgd om werkzaamheden met asbest te verrichten, worden gegeven door een instructeur waarvan de kwalificatie is erkend overeenkomstig het nationale recht en de nationale praktijk. Hoewel het mogelijk is om hier geen controle op uit te voeren en de invulling van deze eis over te laten aan de opleider, acht de regering dit onwenselijk, vanwege de gevaren die zijn verbonden aan werkzaamheden met asbest en de daaruit volgende noodzaak dat de werknemers die deze werkzaamheden verrichten, deugdelijk zijn opgeleid. Om een deugdelijke opleiding mogelijk te maken, is het niet alleen van belang dat de opleiding qua inhoud voldoet aan de eisen die hieraan worden gesteld, maar ook dat het personeel dat de opleiding verzorgd over de vereiste kennis en didactische vaardigheden beschikt om dit te doen. Hiermee kan ook beter worden gewaarborgd dat de relevante eis uit de Asbestrichtlijn inzake de instructeur die de opleiding geeft, wordt nageleefd.
Om deze reden wordt als onderdeel van het erkenningsproces gecontroleerd of het opleidend personeel van de opleider over de vereiste kennis en kunde beschikt om de opleiding te geven. De hiermee gepaard gaande verwerking van persoonsgegevens is hierbij noodzakelijk om deze controle te kunnen uitvoeren. De verwerking van persoonsgegevens zal daarbij plaatsvinden overeenkomstig de regels van de AVG, wat onder andere betekent dat niet meer gegevens zullen worden verwerkt dan nodig is en de gegevens die worden verwerkt, niet langer zullen worden bewaard dan nodig is. De evenredigheid van de verwerking is hiermee geborgd.
Register gezond en veilig werken met asbest
Dit besluit roept daarnaast een nieuw Register gezond en veilig werken met asbest in het leven, waarin persoonsgegevens zullen worden verwerkt. Het gaat dan om de gegevens van werknemers die een opleiding als bedoeld in artikel 4.30 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, hebben afgerond, met inbegrip van buitenlandse opleidingen die als zodanige opleidingen zijn erkend. Naast de verwerking van persoonsgegevens in het register zelf, zullen er ook verwerkingen van persoonsgegevens plaatsvinden die samenhangen met de daadwerkelijke registratie. Het gaat hierbij dan bijvoorbeeld om het aanleveren van gegevens bij het doen van een verzoek om registratie. Het na registratie in het register af te geven bewijs van registratie, waarop tevens persoonsgegevens zullen staan, vervult de functie van opleidingscertificaat als bedoeld in bijlage I bis van de gewijzigde Asbestrichtlijn.
De regering is van oordeel dat deze verwerkingen van persoonsgegevens toelaatbaar zijn in het licht van de Grondwet, het EVRM en het IVBPR.
De regering is namelijk van mening dat het toezichtsbelang en de vergemakkelijking van informatiedeling, zoals beschreven in paragraaf 4.4 van deze nota van toelichting, een inmenging in het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het privéleven, zoals opgenomen in de Grondwet, het EVRM en het IVBPR, rechtvaardigen. Hierbij is met name van belang dat met het Register de noodzaak vervalt om bij elke melding voorafgaande aan het uitvoeren van werkzaamheden (artikel 4.37), opleidingscertificaten van werknemers te voegen en deze nadien te bewaren als onderdeel van de gedane melding, om later aan te kunnen tonen dat de melding is gedaan. Daarnaast speelt mee dat de hoeveelheid gegevens die over een persoon zullen worden geregistreerd in het Register, beperkt blijven tot datgene wat nodig is om de betrokken persoon en de opleidingen die hij heeft gevolgd, te identificeren. Het met de inmenging na te streven doel in de zin van artikel 8, tweede lid, van het EVRM, is in dit geval het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten en de bescherming van de gezondheid.
Wat het bewijs van registratie betreft, merkt de regering op dat het bewijs van registratie de functie vervult van het opleidingscertificaat dat op grond van bijlage I bis van de gewijzigde Asbestrichtlijn moet worden verstrekt. De hierop te vermelden persoonsgegevens zijn noodzakelijk om de houder van het bewijs van registratie en de door hem gevolgde opleidingen te kunnen identificeren en, in het verlengde daarvan, vast te stellen welke werkzaamheden met asbest hij mag verrichten. Ook deze inmenging in het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer dient de in de vorige alinea genoemde doelen, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM. De regering is daarom van oordeel dat ook de verwerking van persoonsgegevens in relatie tot het bewijs van registratie een toelaatbare inmenging in het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is.
Meldingsplichten
Op grond van artikel 4.37 moet een werkgever uiterlijk twee werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden, een melding doen bij de toezichthouder. Deze verplichting is niet nieuw en was voorheen opgenomen in artikel 4.47c van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Wel nieuw is dat een aantal gegevens over de werknemers die de gemelde werkzaamheden zullen verrichten, moet worden opgenomen in de melding. Het betreft een lijst van de werknemers die de werkzaamheden zullen verrichten en de registratienummers in het Register gezond en veilig werken met asbest van deze werknemers en of in de drie jaar voorafgaande aan de datum van de melding, een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 4.10a is aangeboden aan de betrokken werknemers. De verplichting tot het verstrekken van deze aanvullende gegevens is afkomstig uit de gewijzigde Asbestrichtlijn en leidt tot een extra verwerking van persoonsgegevens. De verplichting om te verklaren dat in de afgelopen drie jaar een arbeidsgezondheidskundig onderzoek is aangeboden, is hierbij een invulling van de nieuwe eis in de Asbestrichtlijn dat in de melding de datum moet worden opgenomen wanneer de werknemers voor het laatst medisch zijn gekeurd.
Omdat de verplichting tot verstrekking van de hiervoor genoemde gegevens rechtstreeks voortvloeit uit de Asbestrichtlijn, acht de regering de inmenging in de persoonlijke levenssfeer die hieruit voortkomt als toelaatbaar in het licht van de Grondwet, het EVRM en het IVBPR. De regering gaat er hierbij van uit dat de inhoud van de Wijzigingsrichtlijn in lijn is met het EVRM en het IVBPR, waardoor de verstrekking van de genoemde gegevens een toelaatbare inmenging in het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het privéleven is. In het verlengde hiervan kan ook worden gesteld dat de beperking op het grondwettelijke recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, gerechtvaardigd is.
Bij de hierboven genoemde meldplicht, zullen ook persoonsgegevens worden verwerkt van de persoon die ofwel zelf als werkgever de melding doet ofwel handelt ten behoeve van een werkgever. Deze gegevens zullen ook worden verwerkt als een melding na afronding van de werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.53 wordt gedaan of een melding na het afronden van de eindbeoordeling als bedoeld in artikel 4.56. Aangezien deze gegevens noodzakelijk zijn om te kunnen identificeren welke werkgever een melding heeft gedaan dan wel met wie er contact kan worden opgenomen, indien bijvoorbeeld de melding onvolledig is of er nog nadere vragen zijn, acht de regering de inmenging in het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer die de verwerking van deze gegevens met zich meebrengt, gerechtvaardigd in het licht van de Grondwet, het EVRM en het IVBPR. Deze inmengingen beantwoorden daarbij naar het oordeel van de regering aan de volgende doelen in artikel 8, tweede lid, van het EVRM: het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten en het beschermen van de gezondheid.
4.6. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
Het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (verder: het Handvest) bevat fundamentele rechten, vrijheden en beginselen en is van toepassing op de instellingen van de EU en, voor zover zij het EU-recht ten uitvoer brengen, de lidstaten van de EU (artikel 51, eerste lid, van het Handvest). Artikel 7 van het Handvest bevat het recht van eenieder op eerbiediging van onder andere zijn privéleven. In artikel 8, eerste lid, van het Handvest is het recht van eenieder op bescherming van zijn persoonsgegevens vastgelegd. Het tweede lid van artikel 8 schrijft voor dat als gegevens worden verwerkt, dit op een eerlijke manier moet plaatsvinden, voor bepaalde doeleinden en met toestemming van de betrokkene of op basis van een andere gerechtvaardigde grondslag waarin de wet voorziet. Daarnaast heeft eenieder recht op inzage in zijn gegevens en rectificatie hiervan.
Verder bepaalt artikel 16 van het Handvest dat de vrijheid van ondernemerschap wordt erkend overeenkomstig het Gemeenschapsrecht en de nationale wetgeving en praktijken. Bij het opstellen van de regels in dit besluit, is met het principe van de vrijheid van ondernemerschap rekening gehouden.
De rechten in het Handvest kunnen op grond van artikel 52, eerste lid, worden beperkt, mits wordt voldaan aan de in dat artikellid opgenomen voorwaarden.
De nieuwe maatregelen, genoemd in paragraaf 4.4 van de nota van toelichting, kunnen worden gezien als een beperking van de hiervoor genoemde rechten. Voor wat betreft de beperking van de vrijheid van ondernemerschap, wordt verwezen naar datgene wat in paragraaf 4.4 is aangegeven over de beperking van het vrij verkeer van diensten en de vrijheid van vestiging.
Omdat de eisen die het Handvest stelt aan de verwerking van persoonsgegevens en de
beperking van de in het Handvest opgenomen rechten samenvallen met de eisen die in de AVG
zijn opgenomen, wordt voor een toelichting op de beperking van de artikelen 7 en 8, eerste lid, van het Handvest, verwezen naar paragraaf 4.7.
4.7. Algemene verordening gegevensbescherming
De Algemene verordening gegevensbescherming (verder: AVG) is een Europese verordening die regels bevat over de verwerking van persoonsgegevens. De AVG is niet op alle verwerkingen van persoonsgegevens van toepassing, maar alleen op de geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens en op de verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen of die bestemd zijn om daarin te worden opgenomen (artikel 2, eerste lid, AVG).
Uit artikel 5 van de AVG volgt een aantal eisen waaraan dient te worden voldaan bij het
verwerken van persoonsgegevens. Zo dient de verwerking plaats te vinden op een zodanige
wijze dat het voor betrokkenen rechtmatig, behoorlijk en transparant is. De verwerking dient
daarnaast gebonden te zijn aan specifieke doelen en de gegevens moeten toereikend, ter zake
dienend en beperkt tot het noodzakelijke zijn. Voorts geldt de eis dat de verwerkte gegevens
juist zijn, dat gegevens niet langer mogen worden bewaard dan nodig en dat maatregelen
worden getroffen ter bescherming van de integriteit en vertrouwelijkheid van de gegevens.
Als onderdeel van de totstandkoming van dit besluit is een Data protection impact assessment (DPIA) opgesteld. In deze DPIA zijn alle verwerkingen van persoonsgegevens die voortkomen uit de voorschriften in dit besluit, in kaart gebracht en getoetst aan de eisen die de AVG stelt. Ook zijn hierin mogelijke risico’s opgenomen en de maatregelen die zullen worden getroffen om deze risico’s te voorkomen of te verminderen.
De verwerkingen van persoonsgegevens die in de DPIA zijn opgenomen, zijn de verwerkingen beschreven in paragraaf 4.5. Tot de verwerkte persoonsgegevens behoren zowel reguliere persoonsgegevens als gevoelige persoonsgegevens. Bij de reguliere gegevens gaat het onder andere om identificerende gegevens van werkgevers, contactpersonen van werkgevers en werknemers, terwijl het registratienummer in het Register gezond en veilig werken met asbest een gevoelig gegeven is, nu dit is opgenomen in een register en toegang biedt tot informatie over een concrete persoon. Ook de persoonsgegevens die onderdeel uitmaken van toezichtsinformatie kunnen worden gezien als gevoelige persoonsgegevens. Als een Bibob-onderzoek wordt uitgevoerd als onderdeel van het vergunningsproces, dan worden ook strafrechtelijke gegevens verwerkt. Het Bibob-onderzoek wordt hier niet verder besproken, omdat hier al aandacht aan is besteed in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel waarmee artikel 19a, zijnde de grondslag voor de vergunningplicht, aan de Arbeidsomstandighedenwet wordt toegevoegd46.
In de DPIA is ten aanzien van elke verwerking van persoonsgegevens getoetst met welk doel deze verwerking plaatsvindt en of de verwerking noodzakelijk en evenredig is, ook rekening houdend met de precieze gegevens die worden verwerkt. De conclusie is dat alle verwerkingen van persoonsgegevens noodzakelijk zijn voor de doelen waarvoor deze plaatsvinden en dat de verwerkingen als evenredig te beschouwen zijn.
In de DPIA is daarnaast een aantal risico’s geïdentificeerd. Deze risico’s zijn met name dat ongeautoriseerden toegang krijgen tot persoonsgegevens, met inbegrip van gegevens die voorkomen in bibob-onderzoeken, en het anderszins uitlekken van deze gegevens. Om te voorkomen dat deze risico’s zich voor zullen doen of het risico hierop zoveel mogelijk terug te dringen, zullen technische en organisatorische maatregelen worden genomen, zoals beschreven in de DPIA.
Op basis van de DPIA en de te nemen technische en organisatorische maatregelen is vastgesteld dat de verwerkingen van persoonsgegevens die voortkomen uit dit besluit, voldoen aan de eisen van de AVG. De verwerkingen zijn noodzakelijk, evenredig en vinden plaats met inachtneming van de beginselen van doelbinding, dataminimalisatie en integriteit en vertrouwelijkheid.
4.8. Richtlijn erkenning beroepskwalificaties
Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties bevat regels voor de erkenning van beroepskwalificaties die in een lidstaat van de Europese Unie, andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte of Zwitserland zijn behaald en zijn vereist voor het uitoefenen van een gereglementeerd beroep. De werkzaamheden met asbest waarop de opleidingseis in artikel 4.30 van toepassing is, zijn vanwege deze opleidingseis aan te merken als gereglementeerde arbeid. Dit betekent dat personen die een opleiding voor het verrichten van een of meer van deze werkzaamheden met asbest hebben afgerond in een van de hiervoor bedoelde landen, de mogelijkheid moeten hebben om deze opleiding te laten erkennen in Nederland.
De Richtlijn is in Nederland hoofdzakelijk geïmplementeerd in de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties en de daarop gebaseerde regelgeving. Bij het opstellen van de voorschriften in dit besluit is getoetst of deze in lijn zijn met de Richtlijn en de Algemene wet. Naar aanleiding van deze toetsing zijn uitzonderingen opgenomen voor dienstverrichters als bedoeld in artikel 21 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, die werkzaamheden verrichten met een tijdelijk en incidenteel karakter. Een voorbeeld van een dergelijke uitzondering is dat zij hun opleidingen niet hoeven te registreren in het Register gezond en veilig werken met asbest.
5. Verhouding tot nationale regelgeving
Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties
De Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties is een implementatie van de Richtlijn erkenning beroepskwalificaties en bevat een algemeen wettelijk kader voor de erkenning van beroepskwalificaties die zijn behaald in lidstaten van de Europese Unie, andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte of Zwitserland en die toegang geven tot een gereglementeerd beroep. Beroepskwalificaties die zien op het werken met asbest en die zijn behaald in een van de hiervoor bedoelde landen, kunnen op grond van deze wet in Nederland worden erkend.
Arbeidsomstandighedenwet
De Arbeidsomstandighedenwet bevat algemene regels op het gebied van arbeidsomstandigheden. In deze wet is onder meer een grondslag opgenomen om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels te stellen in verband met de arbeidsomstandigheden van werknemers die werken met gevaarlijke stoffen – zoals asbest. Met het wetsvoorstel wordt verder in de Arbeidsomstandighedenwet de verplichting opgenomen voor bedrijven om te beschikken over een vergunning voor het verrichten van sloopwerkzaamheden waarbij asbest is betrokken en asbestverwijderingswerkzaamheden.
Arbeidsomstandighedenregeling
In de Arbeidsomstandighedenregeling worden bepaalde bepalingen in de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit nader uitgewerkt. De Arbeidsomstandighedenregeling bevat onder meer de indeling van asbesttoepassingen op basis van het potentiële blootstellingsrisico dat de basis vormt van de differentiatie binnen het vergunningenstelsel.
Asbestverwijderingsbesluit 2005
In het Asbestverwijderingsbesluit 2005 zijn regels opgenomen over de verwijdering van asbest uit objecten en de sloop van objecten als bedoeld in dat besluit waarin asbest of een asbesthoudend product is toegepast of ten aanzien waarvan het redelijke vermoeden bestaat dat dit het geval is. De regels richten zich primair op opdrachtgevers en particulieren en hebben tot doel om mens en milieu te beschermen tegen de gevaren van asbest; anders dan in de arbeidsomstandighedenwetgeving gaat het hier dus niet om het belang van gezond en veilig werken.
Productenbesluit asbest
Het Productenbesluit asbest bevat onder meer een verbod tot het vervaardigen, in Nederland invoeren, voorhanden hebben, aan een ander ter beschikking stellen, toepassen en bewerken van asbest of asbesthoudende producten. Ook bevat het besluit een aantal uitzonderingen op dit verbod.
Het Productenbesluit asbest is als gevolg van de REACH-verordening op een aantal punten achterhaald. Het voornemen is om te zijner tijd het Productenbesluit asbest in lijn te brengen met de REACH-verordening.47
Besluit asbestwegen milieubeheer
Het Besluit asbestwegen milieubeheer geldt voor wegen waarin asbest is verwerkt. Onder een weg wordt onder andere verstaan een pad, erfverharding of grond die bestemd is om door rij- of ander verkeer te worden gebruikt. Degene die een asbestweg voorhanden heeft, moet dit melden aan de minister van IenW. Volgens het besluit is het verboden om een weg die asbest bevat voorhanden te hebben, tenzij het asbest voor 1 juli 1993 is aangebracht en het asbest is afgeschermd.
Werkzaamheden aan asbestwegen vallen onder de reikwijdte van het Arbobesluit. Voorheen waren asbestwegen als bedoeld in het Besluit asbestwegen milieubeheer uitgezonderd van de inventarisatie-, meldings- en certificatieplicht. Daarnaast waren er ook andere uitzonderingen. De Wijzigingsrichtlijn biedt echter geen ruimte en grond voor deze uitzonderingen en de uitzonderingen zijn daarom komen te vervallen. Als gevolg hiervan zijn de verplichtingen uit het Arbobesluit, waaronder de identificatieplicht, meldingsplicht en vergunningplicht, onverkort van toepassing op werkzaamheden aan asbestwegen. Hiermee wordt verzekerd dat werknemers die dergelijke werkzaamheden uitvoeren, worden beschermd overeenkomstig het geldende Arbobesluit.
Zowel het Besluit asbestwegen milieubeheer als het Arbobesluit bevatten een meldingsplicht. Het besluit asbestwegen verplicht tot melding van het voorhanden hebben van een asbestweg, terwijl het Arbobesluit een meldingsplicht kent voor het uitvoeren van werkzaamheden waarbij asbest wordt verwijderd of bewerkt. Deze meldingsplichten kunnen naast elkaar van toepassing zijn. Als een weg wordt aangemerkt als asbestweg en werkzaamheden noodzakelijk zijn, kan dit ertoe leiden dat zowel een melding op grond van het Besluit asbestwegen milieubeheer als een melding op grond van het Arbobesluit moet worden gedaan.
Voor werkzaamheden die vallen in de categorie beperkt geldt geen meldingsplicht op grond van het Arbobesluit. Een voorbeeld hiervan is het verwijderen van asbesthoudende kit uit dilatatievoegen van een weg.
Asbest kan in wegen op verschillende manieren voorkomen. De aard van het materiaal is bepalend voor de wijze waarop de werkzaamheden worden ingedeeld. Als sprake is van asbesthoudende kit, bijvoorbeeld in dilatatievoegen, vallen de werkzaamheden doorgaans in de categorie beperkt. Er geldt dan geen meldingsplicht volgens het Arbobesluit. Als asbest is toegepast als los materiaal, bijvoorbeeld in (half)verhardingen, en sprake is van niet-hechtgebonden asbest, worden de werkzaamheden aangemerkt als uitgebreid. Indien asbest aanwezig is in de bodem, wordt de verwijdering beoordeeld overeenkomstig de regels die gelden voor het verwijderen van asbest uit de bodem.
Besluit bouwwerken leefomgeving
Het Besluit bouwwerken leefomgeving bevat regels over onder meer de sloop van bouwwerken waarin asbest voorkomt of ten aanzien waarvan het redelijke vermoeden bestaat dat dit daarin voorkomt. Ook bevat dit besluit regels over de verwijdering van asbest uit bouwwerken en geeft het de maximaal toegestane concentratie aan asbestvezels in gebouwen aan.
Besluit bodemkwaliteit/Regeling bodemkwaliteit 2022/Besluit activiteiten leefomgeving
Volgens het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) mogen op grond van dat besluit aangewezen werkzaamheden alleen worden uitgevoerd door instellingen die daarvoor een erkenning hebben van de minister van Infrastructuur en Waterstaat. In de Regeling bodemkwaliteit 2022 zijn deze werkzaamheden aangewezen, waaronder het ontgraven in een bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit en het saneren van de bodem. De erkenningsverplichting voor deze werkzaamheden volgt ook uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Omdat het bij genoemde werkzaamheden mede kan gaan om een verontreiniging met asbest, is bij het ontgraven of saneren dan ook sprake van het verwijderen van asbest in de zin van de Asbestrichtlijn. Dat betekent dat hierop ook de vergunningplicht van toepassing is.
6. Gevolgen (m.u.v. financiële gevolgen)
Dit besluit leidt tot een aantal gevolgen:
Dankzij de vergunningplicht is het beter mogelijk om bedrijven die de regelgeving zeer slecht naleven van de markt te weren.
Het instrument van certificering komt dan beter tot zijn recht, omdat dit zich niet goed leent voor bedrijven die bewust de regelgeving niet naleven.
Het publieke en private stelsel worden meer uit elkaar getrokken en versterken elkaar.
Er komt meer zicht op bedrijven die asbest verwijderen. Voor werkzaamheden in risicoklasse 1 was geen sprake van een certificeringsplicht en daarnaast was sprake van diverse vrijstellingen van de certificeringsplicht in risicoklasse 2.
Bedrijven die het verwijderen van asbest momenteel als een nevenactiviteit verrichten, zullen moeten kiezen of zij deze nevenactiviteit willen voortzetten en daarvoor de vereiste vergunning willen aanvragen en aan de bijbehorende verplichtingen willen voldoen, of dat zij deze nevenactiviteit opgeven. Het wordt hiermee veel duidelijker welke bedrijven asbestwerkzaamheden mogen verrichten en deze bedrijven zijn beter toegerust.
Een deel van de werkzaamheden waarvoor nu een certificeringsplicht geldt op grond van een indeling in risicoklasse 2, kunnen met een lichtere vorm van certificering in de categorie vergunning basis worden gedaan. Daarbij kunnen bedrijven die bijvoorbeeld alleen werkzaamheden in de buitenlucht uitvoeren, ervoor kiezen zich niet te laten kwalificeren voor het werken in containment. Voor bijvoorbeeld het verwijderen van asbestdaken wordt daarmee de drempel verlaagd voor bedrijven om zich daarvoor te laten kwalificeren.
Voor de vergunning beperkt geldt als bewijs van naleving een erkende werkmethode. Hiermee worden erkende werkmethoden in de regelgeving verankerd.
De bestaande uitzonderingen op de inventarisatie-, certificatie- en meldplicht komen te vervallen. Hierdoor bestaan er geen uitzonderingssituaties voor specifieke groepen meer.
In plaats van inventarisatie is er een mogelijkheid tot identificatie van asbestbronnen. Hiervoor kan bijvoorbeeld een bronnenboek in aanmerking komen.
Er zal sprake zijn van een kwaliteitsimpuls in de opleidingen door de verplichting dat een opleiding erkend moet zijn. Er is nu sprake van een divers aanbod van opleidingen, waarbij niet duidelijk is wat de kwaliteit daarvan is.
Het is makkelijker te controleren dat iedereen die aan asbest werkt een afdoende opleiding heeft gevolgd.
Het vervallen van de verplichting om voor bepaalde werkzaamheden (risicoklasse 2 en 2A) te beschikken over een persoonscertificaat betekent dat werknemers niet elke drie jaar examen hoeven te doen. Dit lijkt voor een deel van de werknemers een drempel te zijn en mogelijk zelfs te leiden tot uitstroom in een markt waar het personeel schaars is.
Het wordt mogelijk om voor bepaalde werkzaamheden een luchtmeting als onderdeel van de eindbeoordeling achterwege te laten. Naast een kostenbesparing leidt dit ook tot het sneller kunnen vrijgeven van een werklocatie na de beëindiging van de werkzaamheden. Bovendien biedt het een extra stimulans om de blootstelling dusdanig laag te houden dat de luchtmeting niet meer hoeft te worden uitgevoerd.
In de categorie basis is geen onafhankelijke visuele eindinspectie nodig indien met een erkende werkmethode wordt gewerkt. Dit stimuleert het gebruik van erkende werkmethoden en innovatie.
Er komt een meetkader voor het uitvoeren van metingen tijdens de sanering. Hiermee wordt een al langer bestaande verplichting concreter ingevuld waardoor er ook metingen plaats gaan vinden. Deze data kunnen onder andere worden gebruikt om het blootstellingsmodel in SMART-ns te verbeteren.
De inzet van het instrument SMART-ns en het schrappen van de risicoklassen leidt tot een veel beter inzicht in de concentratie asbestvezels die vrijkomen bij werkzaamheden. Hierdoor kunnen veel beter de juiste maatregelen worden ingezet om voldoende bescherming van de werknemers te bewerkstelligen. SMART-ns stimuleert daarnaast het zo laag mogelijk houden van de concentratie asbestvezels in de lucht door het aanreiken van werkmethoden en bronmaatregelen die volgens de minimalisatieverplichting zouden moeten worden gehanteerd.
De rollen van inventariseerder en saneerder wordt met de komst van SMART-ns beter uiteen getrokken. Hiermee komt de verantwoordelijkheid voor het uitvoeren van de sanering te liggen bij de werkgever, waar deze hoort te liggen.
De meldplichten voor asbestwerkzaamheden vanuit arbo-, bouw- en milieuregelgeving worden samengebracht in het DSO. Hierdoor hoeven bedrijven gegevens niet dubbel in te voeren. Voor het goed kunnen uitvoeren van risicogericht toezicht moet er een ICT-oplossing komen waarin de data vanuit het DSO wordt opgeslagen en inzichtelijk is. Deze ICT-oplossing is naar verwachting nog niet beschikbaar bij inwerkintreding van de regelgeving. Dit betekent dat er tijdelijk op een andere manier toezicht wordt gehouden.
Door het vervallen van het LAVS zijn niet meer alle inventarisatierapporten die worden gemaakt in te zien door de toezichthouder. Alleen de inventarisatierapporten voor asbestbronnen die worden verwijderd, worden door de saneerder bij de melding gevoegd.
In het LAVS moet continu inzichtelijk worden gemaakt of de saneringsbedrijven op de locatie aan het werk zijn zodat toezichthouders niet langskomen als er geen werkzaamheden plaatsvinden. Dit wordt minder gedetailleerd.
Met behulp van het Beleidskompas48 is bekeken welke verplichte gevolgenbeoordelingen (toetsen) voor deze regeling van toepassing zijn. Aanvullend daaraan is ook een UDO uitgevoerd.
Door het strakke EU-rechtelijke kader was er weinig ruimte om in dit besluit rekening te houden met het doenvermogen van de mensen die in de asbestsector werken. Wel is geprobeerd de regels zo eenvoudig mogelijk te houden, wat vanzelfsprekend bijdraagt aan de haalbaarheid om de verschillende verplichtingen ook daadwerkelijk na te komen. Een voorbeeld waar wel maximaal rekening is gehouden met het doenvermogen van mensen is de keuze om niet langer te verplichten dat mensen periodiek een examen moeten halen om als voldoende gekwalificeerd te kunnen worden gezien; scholing is verplicht maar examinering niet.
De gevolgen voor de regeldruk zijn opgenomen in hoofdstuk 9.
7. Uitvoering
Voor de uitvoering is met name van belang dat in dit besluit nader wordt bepaald op welke wijze de afgifte, schorsing en intrekking van vergunningen zal plaatsvinden. De bevoegdheid tot vergunningverlening, schorsing en intrekken zullen onder verantwoordelijkheid van de minister van SZW worden uitgevoerd door een ambtelijke dienst of agentschap.
In afstemming met de beoogde vergunningverlener / vergunning autoriteit en toezichthouders wordt uitgewerkt op welke wijze de vergunningplicht uit de Wijzigingsrichtlijn praktisch kan worden geïmplementeerd. De betreffende organisatie, waarover de Tweede Kamer is geïnformeerd in de verzamelbrief Gezond & Veilig werken 26 mei 2025, zal naar aanleiding van het Arbobesluit een UMO-toets (Uitvoering, Misbruik en Oneigenlijk gebruik) doen. De toets zal input geven voor de nadere invulling van de bevoegdheid tot vergunningverlening, schorsing en intrekking
De voorgenomen wijze van de implementatie van de Wijzigingsrichtlijn is besproken in een klankbordgroep. . Hierin zijn zowel de gecertificeerde asbestverwijderingsbedrijven als niet-gecertificeerde partijen vertegenwoordigd. Daarnaast bestaat de groep uit vertegenwoordigers van laboratoria- en eindinspectie-instellingen, asbestinventariseerders, opdrachtgevers en toezichthouders. Voor de invulling van de vergunningplicht zijn ook de huidige beheerder van het certificatieschema en de certificerende instellingen betrokken.
Vanuit een deel van het uitvoerend bedrijfsleven dat de bedrijven vertegenwoordigt die nu nog niet gecertificeerd zijn (met name de onderhoudsbedrijven) en opdrachtgevers van werkzaamheden die nu niet onder de certificeringsplicht vallen, is zorg geuit over de verzwaring van de eisen door het verplicht stellen van certificering als bewijs van naleving. In paragraaf 4.2 is gemotiveerd waarom certificering nodig is als invulling van het bewijs van naleving. Om aan de genoemde zorgen zoveel mogelijk tegemoet te komen is in overleg met stakeholders gekomen tot een differentiatie binnen het vergunningenstelsel. Dit houdt in dat voor een deel van de werkzaamheden kan worden volstaan met een ander bewijs van naleving dan certificering. Daarnaast kunnen er binnen het certificatiestelsel verschillende niveaus worden gekozen, afhankelijk van het potentiële blootstellingsrisico van de soort werkzaamheden die worden verricht.
Complexiteit
Er is naar gestreefd de regelgeving eenvoudig en begrijpelijk te houden. De wijziging van twee beheersregimes (één horend bij risicoklasse 1, één horend bij risicoklasse 2/2A) naar meer maatwerk in de te nemen maatregelen bij een asbestverwijdering leidt echter per definitie tot meer complexiteit. Echter, deze risicobeoordeling is noodzakelijk. Daarmee wordt inzichtelijk hoe hoog de te verwachten concentratie asbestvezels is. Om er voor te zorgen dat de uitvoering voor de saneerder niet ingewikkelder wordt dan nodig, deze wijzigingen op een goede manier te introduceren bij de doelgroep én naleving te vergemakkelijken, wordt SMART-ns ingevoerd. SMART-ns geeft op een overzichtelijke manier aan welke eisen aan de werkgever worden gesteld , zowel op basis van de wet- en regelgeving als op basis van de stand van de wetenschap.
Het instrument SMART-ns wordt doorontwikkeld en moet opgeleverd, getest en toegankelijk zijn op het moment dat deze wijzigingen in werking treden om een goede uitwerking van de wijzigingen in de praktijk te vergemakkelijken.
Tijdens de ontwikkeling van SMART-ns wordt zo veel mogelijk de gebruiksvriendelijkheid van het oude SMArt gehandhaafd. SMART-ns is echter geen aanpassing van een bestaand instrument, maar een nieuw instrument met nieuwe functionaliteiten: in het bijzonder de inbouw van het door TNO ontwikkelde blootstellingsmodel AREAT.
Om de introductie van SMART-ns goed te laten verlopen wordt een plan uitgevoerd ter implementatie van het nieuwe instrument met als onderdeel daarvan training.
De onderhavige wijzigingen hebben ook gevolgen voor de meldingen die moeten worden gedaan voorafgaand aan een asbestverwijdering.
8. Toezicht en handhaving
Het introduceren van een vergunningplicht voor sloop- of verwijderingswerkzaamheden met betrekking tot asbest biedt de handhaving een instrument om herhaalde overtreders beter aan te kunnen pakken. Op dit moment wordt de markttoelating voor een deel van de bedrijven ingevuld door middel van certificering. De toezichthouders kunnen signalen over overtredingen doorgeven aan een conformiteitsbeoordelende instelling, maar deze kunnen alleen volgens de bepalingen in het certificatieschema hieraan opvolging geven. Omdat het verlenen van vergunningen wordt belegd bij de overheid, kan directer de beschikbare toezichtsinformatie worden benut.
Voor de wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt een Uitvoerbaarheids- en Handhaafbaarheidstoets uitgevoerd door de toezichthouders. Dit betreft naast de Arbeidsinspectie ook ODNL, de ILT en SodM. De certificerende instellingen hebben ook een rol in het stelsel en hebben tot taak de naleving van de certificatieplichten te waarborgen. Indien het procescertificaat van een bedrijf vervalt, wordt van rechtswege de vergunning ingetrokken. Ook kan relevante informatie die voortkomt uit de audits worden gebruikt in de toezichtspraktijk van de Arbo-toezichthouders.
De implementatie van de Wijzigingsrichtlijn kan tegelijk ook een aanleiding zijn voor de gezamenlijke toezichthouders in de asbestsector om het eigen instrumentarium en de onderlinge samenwerking te herijken. Aangezien de nieuwe asbestregels de nodige veranderingen met zich mee zullen brengen, zal ook bezien moeten worden hoe het bestaande instrumentarium in het toezicht en de handhaving complementair en optimaal kan functioneren, zowel op zichzelf staand als in relatie tot de vergunningplicht.
9. Financiële gevolgen
In de Memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is een kostenberekening opgenomen voor de vergunningplicht. Dit betrof alleen een inschatting van de kosten voor het onderdeel vergunningplicht en was gebaseerd op een eerste inschatting van aantallen vergunningen destijds.
Voor een nauwkeurigere inschatting van aantallen en een berekening van de totale lastendruk van alle wijzigingen die met dit besluit worden doorgevoerd, heeft Panteia een impactanalyse uitgevoerd. De uitkomsten zijn beschreven in het rapport “Implementatie van de nieuwe richtlijn asbest, Markt- en impactanalyse”.
In paragraaf 9.1.1 worden eerst de uitkomsten van de impactanalyse beschreven. Tijdens de uitvoering van de impactanalyse zijn er nog wijzigingen doorgevoerd in dit besluit die niet meer konden worden verwerkt in de impactanalyse. In paragraaf 9.1.2 zijn deze wijzigingen beschreven en worden daarvan de kosteneffecten ingeschat. De totale kosten inclusief deze aanpassingen zijn beschreven in paragraaf 9.1.3. In paragraaf 9.2 zijn de kosten voor de overheid geschat.
| NB: De kosten in dit hoofdstuk zijn nauwkeuriger ingeschat op basis van de impactanalyse van Panteia dan de kostenschatting in de Memorie van toelichting bij het wetsvoorstel. Bovendien zijn de kosten in dit hoofdstuk gebaseerd op de actuele stand van zaken. Het is niet meer mogelijk de Memorie van toelichting bij het wetsvoorstel te wijzigen, aangezien dit document is aangeboden aan de Tweede Kamer en dan niet meer wijzigt. Voor het inzicht krijgen in de kosten voor bedrijven en de overheid wordt daarom verwezen naar de toelichting bij dit Besluit. |
|---|
9.1 Regeldruk
9.1.1 Berekening regeldruk volgens Panteia
In de periode september tot en met december 2025 voerde Panteia een markt- en impactanalyse49 uit die inzicht biedt in de (mogelijke) gevolgen van de implementatie van de nieuwe asbestrichtlijn. Het onderzoek richtte zich op twee centrale vragen:
Hoeveel bedrijven en welk soort bedrijven gaan straks een vergunning aanvragen? Met specifieke aandacht voor de bedrijven die in de huidige situatie buiten het certificatiestelsel werkzaamheden in risicoklasse 1 verrichten.
Wat zijn de effecten van de nieuwe regelgeving voor de verschillende stakeholders? Bedoeld wordt: de gevolgen voor bedrijven, medewerkers, toezichthouders en opleidingsinstituten.
Panteia benoemt in het rapport dat er ondanks een brede onderzoeksopzet, via een bureaustudie, interviews en enquêtes belangrijke onzekerheden bestaan. Daardoor moesten diverse aannames worden gedaan en is gewerkt met bandbreedtes waarbinnen de werkelijke effecten kunnen liggen.
Aantallen vergunningen
Panteia schat het aantal vergunningen als volgt in. Zoals in de Bedrijfseffectentoets (zie hoofdstuk 11) is toegelicht, is het lagere aantal vergunningen het meest plausibel omdat dit in de orde van grootte overeen komt met het aantal bedrijven dat een melding heeft gedaan via het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen.
| Aantallen vergunningen | Minimaal | Maximaal |
|---|---|---|
| Beperkt | 200 | 1.900 |
| Basis | 3.900 | 6.800 |
| Uitgebreid | 250 | 300 |
| Totaal | 4.350 | 9.000 |
Aantallen werkenden
Panteia schat het aantal werkenden als volgt in. Het betreft hier niet alleen werkenden die asbest verwijderen, maar ook asbest bewerken (voor zover het bewerken is toegestaan).
| Aantallen werkenden | Minimaal | Maximaal |
|---|---|---|
| Beperkt | 3.500 | 5.000 |
| Basis | 32.100 | 39.500 |
| Uitgebreid | 3.400 | 3.500 |
| Totaal | 39.000 | 48.000 |
Aantallen projecten en eindbeoordelingen
Panteia schat het aantal projecten en de verschillende onderdelen van eindbeoordelingen als volgt in:
| Minimaal | Maximaal | |
|---|---|---|
| Projecten | 351.100 | 498.300 |
| Inventarisaties | 88.400 | 128.900 |
| Meldingen | 222.200 | 312.400 |
| Eindbeoordelingen (visueel door uitvoerder) | 153.000 | 216.100 |
| Eindbeoordelingen (visueel, onafhankelijk) | 748.300 | 1.027.600 |
| Eindbeoordelingen (luchtmeting) | 8.500 | 8.500 |
| Eindbeoordelingen (kleefmonsters | 11.400 | 11.400 |
Met behulp van de geschatte aantallen zoals hierboven weergegeven, komt Panteia tot de volgende kosten. De lage variant is gebaseerd op de lage inschatting van de aantallen zoals hierboven genoemd en vice versa.
Eenmalige kosten (x miljoen euro, afgerond op één decimaal)
| Lage variant | Hoge variant | |
|---|---|---|
| Aanvraag vergunning | 1,75 | 3,6 |
| Bewijs van naleving | 9,1 | 17,6 |
| Opleidingen | 14,8 | 18,1 |
| Totaal | 25,7 | 39,3 |
Naast de eenmalige kosten zijn er ook terugkerende jaarlijkse kosten. Voor de jaarlijkse kosten heeft Panteia twee scenario’s doorgerekend:
In het eerste scenario is ervan uitgegaan dat in de categorie basis voor alle projecten een onafhankelijke (visuele) eindbeoordeling nodig is, zoals aanvankelijk in de concept regelgeving stond. Dat zou een hoge kostenpost betekenen, waardoor de jaarlijkse kosten uitkomen op 160,0 miljoen (lage variant) tot 255,6 miljoen (hoge variant).
Daarnaast heeft Panteia ook gekeken naar de gevolgen als bij de nutsvoorzieningen en in de industrie de uitvoerder van de asbestverwijdering zelf een eindbeoordeling mag doen. Volgens dit scenario komen de jaarlijkse kosten uit op 21,5 miljoen euro (lage variant) en 66,3 miljoen euro (hoge variant).
Na de uitvoering van de impactanalyse is een wijziging doorgevoerd in de regelgeving waardoor het eerste scenario niet meer van toepassing is. De wijziging houdt in dat in de categorie basis de werkgever de visuele eindbeoordeling zelf mag doen als gebruik wordt gemaakt van een erkende werkmethode. In de industrie gaat het veelal om pakkingen waarvoor een erkende werkmethode al beschikbaar is. Voor de nutsvoorzieningen zouden veelal al bestaande veilige werkmethoden nog door het VIP beoordeeld moeten worden en worden erkend door de minister. Met dit als uitgangspunt, wordt in deze toelichting verder uitgegaan van het tweede scenario.
De jaarlijkse kosten volgens dit scenario volgens Panteia zijn weergegeven in de onderstaande tabel. In paragraaf 9.1.2 is de invloed op de kosten berekend van verdere wijzigingen in de regelgeving die nog niet waren meegenomen in de impactanalyse van Panteia.
Jaarlijkse kosten (x miljoen euro, afgerond op één decimaal) volgens Panteia, nog exclusief verdere wijzigingen in de regelgeving
| Lage variant | Hoge variant | |
|---|---|---|
| Bewijs van naleving | 16,8 | 30,8 |
| Opleidingen | 4,6 | 8,3 |
| Inventarisatie | 7,0 | 23,2 |
| Meldingsplicht | 1,6 | 2,5 |
| SMART-ns | 2,2 | 3,1 |
| Tussentijdse metingen | - | - |
| Eindbeoordelingen | -13,3 | -5,5 |
| Afzettingen en waarschuwingsborden | 0,7 | 1,5 |
| Medische keuring | 2,0 | 2,5 |
| Totaal | 21,5 | 66,3 |
9.1.2 Niet door Panteia meegenomen wijzigingen in het conceptbesluit
Ten opzichte van de wijzigingen die Panteia heeft doorgerekend, zijn in dit besluit nog enige aanpassingen verricht die van invloed zijn op de kostenberekening:
Verschuiving van de categorie basis naar beperkt: aan de categorie beperkt is toegevoegd: kleinschalige asbestcementtoepassingen voor zover deze losliggen of geklemd bevestigd zijn, niet verweerd zijn en de lengte van de te verwijderen toepassing maximaal 1 meter is.
Aan de categorie beperkt is bij geheel omsloten asbesttoepassingen die in zijn geheel worden verwijderd toegevoegd: ’’of geheel omsloten te maken’’. Deze toepassingen kunnen uit zowel basis als uitgebreid komen.
In de categorie basis is de mogelijkheid opgenomen dat de visuele inspectie door het bedrijf zelf kan worden gedaan als er een erkende werkmethode is gebruikt. In scenario 2 ging Panteia er al vanuit dat nutsbedrijven en de industrie konden volstaan met zelf een visuele inspectie uitvoeren. Echter is niet de doelgroep een voorwaarde om te kunnen volstaan met een visuele inspectie, maar het gebruik van een erkende werkmethode. Daardoor komen meer bedrijven en meer projecten hiervoor in aanmerking.
Kosteneffect verschuiving asbesttoepassingen van basis naar beperkt
Doordat kleinschalige asbestcementtoepassingen en toepassingen die geheel omsloten te maken zijn in de categorie beperkt worden ingedeeld, is de verwachting dat een aantal bedrijven in plaats van een vergunning basis slechts een vergunning beperkt nodig heeft. De kosten voor het bewijs van naleving volgen uit tabel 13 en 14 van het Panteia-rapport en bedragen 520 euro (8 maal het uurtarief van 65 euro) eenmalig voor categorie beperkt. Voor basis is dit eenmalig 2600 euro (40 maal het uurtarief van 65 euro) en jaarlijks 4800 euro.
Als wordt aangenomen dat 20% van de 3900 (is 780) tot 6800 (is 1360) bedrijven geen vergunning basis nodig hebben, maar een vergunning beperkt, dan leidt dit tot een verlaging van de kosten voor het bewijs van naleving met:
Effect op kosten bewijs van naleving
Minimaal 20% van 3900 = 780 bedrijven |
Maximaal 20% van 6800 = 1360 bedrijven |
|
|---|---|---|
| Eenmalig | Verschil tussen basis en beperkt is 2600-520=2080. Kostenverlaging is 780 x 2080=1,6 miljoen |
Verschil tussen basis en beperkt is 2600-520=2080. Kostenverlaging is 1360 x 2080=2,8 miljoen |
| Jaarlijks | Verschil tussen basis en beperkt is 4800-0=4800. Kostenverlaging is 780 x 4800=3,7 miljoen/jaar |
Verschil tussen basis en beperkt is 4800-0=4800. Kostenverlaging is 1360 x 4800=6,5 miljoen/jaar |
Een verschuiving van basis naar beperkt heeft daarnaast een effect op de opleidingskosten. Volgens Panteia zijn de opleidingskosten per medewerker in de categorie beperkt 175 euro per 3 jaar en per medewerker basis 315 euro. Het verschil is 140 euro per medewerker per 3 jaar. Panteia rekent voor een medewerker in de categorie basis als eenmalige kosten 280 euro voor het examen dat in deze categorie is voorgeschreven. De aantallen medewerkers in de categorie basis en de kosten volgen uit tabellen 19, 20 en 21 van het Panteiarapport.
Effect op kosten opleidingen
Minimaal 20% van 32000 = 6400 medewerkers |
Maximaal 20% van 39500 = 7900 medewerkers |
|
|---|---|---|
| Eenmalig | Verschil tussen basis en beperkt is 280 euro Kostenverlaging is 6400 x 280 =1,8 miljoen |
Verschil tussen basis en beperkt is 280 euro Kostenverlaging is 7900 x 280= 2,2 miljoen |
| Jaarlijks | Verschil tussen basis en beperkt is 140 euro/3 jaar. Kostenverlaging is 6400 x 140/3 = 0,3 miljoen/jaar |
Verschil tussen basis en beperkt is 140 euro. Kostenverlaging is 7900 x 140/3=0,4 miljoen/jaar |
Kosteneffect eindbeoordelingen door bedrijf dat gebruik maakt van een erkende werkmethode
De verschuiving van toepassingen van basis naar beperkt heeft ook invloed op de kosten voor de eindbeoordelingen. Omdat de toepassingen waar het hier om gaat ook zouden vallen onder de toepassingen die met een erkende werkmethode kunnen volstaan met een eindbeoordeling door het bedrijf dat het asbest heeft verwijderd, worden die meegenomen met de berekening van het kosteneffect van die wijziging. Anders zou dit een dubbeltelling tot gevolg hebben.
Volgens tabel 31 van het Panteia-rapport zijn de kosten van een onafhankelijke eindbeoordeling (in de vorm van een visuele inspectie) 200 euro. In de minimale en maximale variant gaat het nog om 11.700 respectievelijk 44.400 projecten per jaar. Deze aantallen zijn volgens scenario 2, waarbij al vanuit is gegaan dat de nutsbedrijven en de industrie de eindbeoordelingen zelf doen. Als met een erkende werkmethode wordt aangenomen dat nog eens 20% minder projecten in aanmerking komen voor een onafhankelijke eindbeoordeling, dan worden de jaarlijkse kosten verlaagd met:
20% van 11.700 x 200 euro = 468.000 euro (0,5 miljoen).
20% van 44.400 x 200 euro = 1.776.000 euro (1,8 miljoen).
9.1.3 Totaalbeeld
Eenmalige kosten (x miljoen euro, grijze tekst is berekening Panteia, zwarte tekst is mutatie)
| Lage variant | Hoge variant | |
|---|---|---|
| Aanvraag vergunning | 1,75 | 3,6 |
| Bewijs van naleving | 9,1 | 17,6 |
| Kosteneffect verschuiving van basis naar beperkt op bewijs van naleving | -1,6 | -2,8 |
| Opleidingen | 14,8 | 18,1 |
| Kosteneffect verschuiving van basis naar beperkt op opleidingen | -1,8 | -2,2 |
| Totaal | 22,3 (was 25,7) | 34,3 (was 39,3) |
Jaarlijkse kosten (x miljoen euro, grijze tekst is berekening Panteia, zwarte tekst is mutatie)
| Lage variant | Hoge variant | |
|---|---|---|
| Bewijs van naleving | 16,8 | 30,8 |
| Kosteneffect verschuiving van basis naar beperkt op bewijs van naleving | -3,7 | -6,5 |
| Opleidingen | 4,6 | 8,3 |
| Kosteneffect verschuiving van basis naar beperkt op opleidingen | -0,3 | -0,4 |
| Inventarisatie | 7,0 | 23,2 |
| Meldingsplicht | 1,6 | 2,5 |
| SMART-ns | 2,2 | 3,1 |
| Tussentijdse metingen | - | - |
| Eindbeoordelingen | -13,4 | -5,5 |
| Kosteneffect eindbeoordeling door bedrijf zelf | -0,5 | -1,8 |
| Afzettingen en waarschuwingsborden | 0,7 | 1,5 |
| Medische keuring | 2,0 | 2,5 |
| Totaal | 17,0 (was 21,5) | 57,7 (was 66,3) |
9.2 Kosten voor de overheid
De initiële en jaarlijkse kosten voor de overheid zijn hieronder berekend op basis van het aantal vergunningen dat Panteia heeft ingeschat. Omdat wordt ingeschat dat het lagere aantal van 4350 het meest plausibel is, is dit aantal in deze berekening aangehouden.
Voor het inschatten van de kosten zijn voorlopige aannamen gedaan. Dat geldt vooral voor de kosten voor ICT.
Voor het toezicht wordt ingeschat dat aanvullende capaciteit nodig is. Dit bestaat onder andere uit het verzamelen en delen van toezichtsinformatie voor de vergunningverlening, het uitoefenen van toezicht op nieuwe doelgroepen en het toezien op de naleving van de vergunningplicht. Als onderdeel van een nog uit te voeren uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoets (U&H-toets) wordt de capaciteit ingeschat die nodig is vanwege de wijzigingen in de regelgeving. Hiervoor is voorlopig een p.m.-post opgenomen. De Arbeidsinspectie voert de U&H-toets parallel aan de internetconsultatie uit. Dit geldt ook voor de overige toezichthouders. De grootste impact van deze regelgeving op toezicht komt echter bij de Arbeidsinspectie terecht omdat de meeste wijzigingen in de regelgeving in de arboregelgeving staan. In een volgende versie van dit conceptbesluit worden de toezichtskosten op basis van de uitvoeringstoetsen aangevuld in de schatting van de kosten voor de overheid. De kosten voor de vergunningverlening zijn een voorlopige inschatting gebaseerd op 4350 bedrijven. De gereserveerde gelden komen hier niet altijd mee overeen omdat die gedaan zijn op het eerder ingeschatte aantal van circa 2000 bedrijven. Aangezien er een grote onzekerheid bestaat in het aantal bedrijven dat een vergunning zal aanvragen (spreiding ca. 2000-9000 in schattingen), wordt er een aantal scenario’s uitgewerkt hoe te starten en hoe eventueel de capaciteit te kunnen uitbreiden of afschalen indien nodig. Beoogd vergunningverlener DSU voert tijdens de internetconsultatie ook nog een uitvoeringstoets uit. Voor de ICT voor de vergunningverlening is al bekend dat de kosten hoger zijn dan eerder ingeschat.
| Initiële kosten overheid | Berekening | Uitkomst |
|---|---|---|
| Vergunningverlening | 4350 aanvragen, gemiddeld 6 uur per aanvraag à €90 | €2.349.000 |
| Inrichten bevoegde autoriteit vergunningen | 125 dagen à €800 | €100.000 |
| Bibob | 10 onderzoeken. 5 dagen per onderzoek à €800, 10 keer het tarief van €700 van Bureau Bibob | €47.000 |
| Bezwaar en beroep vergunningen | 30 keer bezwaar en beroep, zijnde 6 dagen à €800 | €144.000 |
| ICT ontwikkelkosten vergunningen | €1.100.000 | |
| ICT ontwikkelkosten SMART-ns | €600.000 | |
| Aanpassen meldingensysteem DSO en Arbeidsinspectie | €1.600.000 | |
| Voorlichting nieuwe regelgeving | €200.000 | |
| Totaal | €6.140.000 (afgerond) |
*de beëindiging van het LAVS maakt het voor toezichthouders nodig dat de ICT waarop het toezicht is gebaseerd wordt aangepast. Voor de Arbeidsinspectie zijn die kosten hierin meegenomen omdat het ook uitbreiding van de meldingen betreft die de richtlijn vereist. De kosten voor andere toezichthouders staan los van deze implementatie en zijn toe te rekenen aan de beëindiging van het LAVS.
| Structurele kosten overheid (jaarlijks) | Berekening | Uitkomst |
|---|---|---|
| Wijzigingen vergunningen/in stand houden vergunningautoriteit | €400.000 | |
| Bibob | 10 onderzoeken per jaar. 5 dagen per onderzoek à€800, 2 keer het tarief van 700€ van Bureau Bibob | €47.000 |
| Bezwaar en beroep | 20 keer, 5 dagen à €800 | €438.000 |
| ICT onderhoudskosten vergunningen | €50.000 | |
| ICT onderhoudskosten SMART-ns | 0* | |
| Meldingensysteem onderhoud | ||
| Voorlichting en beantwoorden vragen | €20.000 | |
| Extra capaciteit toezicht | p.m. | |
| Totaal | €1.000.000 + p.m. (afgerond) |
*de structurele onderhoudskosten van SMART-ns worden gedekt met de kosten voor gebruik
10. Evaluatie
Dit besluit voorziet in een ingrijpende herziening van het asbeststelsel ter implementatie van de Europese asbestrichtlijn. Gegeven de impact op de bedrijfsvoering van een groot aantal ondernemingen en de introductie van het instrument van de vergunningplicht, zal één jaar na inwerkingtreding van dit besluit dit besluit een invoeringstoets worden gestart.
Dit is een beperkt onderzoek om na te gaan of er voor de doelgroep of voor de uitvoering knelpunten blijken te zijn die snel moeten en kunnen worden opgelost.
Vervolgens zal twee jaar na inwerkingtreding een evaluatie starten. Het doel van deze evaluatie is tweeledig: het toetsen van de gevolgen voor ondernemingen, waaronder zal worden gekeken naar de financiële gevolgen en de praktische uitvoerbaarheid, en de effectiviteit van de nieuwe maatregelen. De evaluatie richt zich in het bijzonder op de werking van de vergunningplicht als instrument om de naleving te verbeteren en het nieuwe stelsel van opleidingen. Hierbij worden gegevens van de Nederlandse Arbeidsinspectie, omgevingsdiensten, ILT, SodM en de vergunningverlenende instantie betrokken.
Naast de wijzigingen via dit besluit, zijn er diverse aanvullende wensen ter verdere verbetering van het asbeststelsel die in de huidige wijziging niet zijn meegenomen. Een belangrijk argument hiervoor is dat de implementatie van de Asbestrichtlijn anders verder zou worden vertraagd. De aanvullende wensen hebben voor een belangrijk deel betrekking op het Asbestverwijderingsbesluit 2005 en het Besluit bouwwerken leefomgeving. Naar aanvullende wensen zal worden gekeken in samenhang met de uitkomsten van de evaluatie na twee jaar. Door deze zaken in één volgend wijzigingstraject te combineren, wordt voorkomen dat de sector geconfronteerd blijft worden met opeenvolgende, gefragmenteerde wetswijzigingen. Dit biedt de markt de gewenste stabiliteit voor de middellange termijn. Dit is onder andere van belang om ondernemers in staat te stellen om te investeren en te innoveren.
11. Advies en consultatie
Bij de wijziging van zowel het Asbestverwijderingsbesluit 2005 als het Besluit bouwwerken leefomgeving is normaal gesproken een voorhangprocedure verplicht. De voorhangprocedure kan worden overgeslagen als de betrokken wijziging uitsluitend strekt tot uitvoering van internationaalrechtelijke verplichtingen – zoals een Europese richtlijn. Van die mogelijkheid is gebruik gemaakt. De Tweede Kamer wordt geïnformeerd over de lagere regelgeving tijdens de behandeling van het wetsvoorstel.
De verplichte voorhang van de wijziging van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 wordt overgeslagen op grond van artikel 1:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Op grond van artikel 21.6, vierde lid, van de Wet milieubeheer zal gelijktijdig met de voordracht aan de Koning wel een kennisgeving van de wijziging worden gestuurd aan de Eerste en Tweede Kamer.
De verplichte voorhang van de wijziging van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt overgeslagen op grond van artikel 23.5, derde lid van de Omgevingswet. Ook dit artikel verplicht tot een kennisgeving aan de Eerste en Tweede Kamer, die gelijktijdig met de eerder genoemde kennisgeving op grond van de Wet milieubeheer zal worden gedaan.
Uitvoeringstoets Decentrale Overheden (UDO)
De Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden (hierna: UDO) is een proces waarmee de Rijksoverheid samen met de koepels van decentrale overheden beleid uitwerkt dat invloed heeft op decentrale overheden. In dat kader is met de VNG samengewerkt bij de totstandkoming van dit wijzigingsbesluit. Provincies en waterschappen zijn zowel door SZW als de VNG op de hoogte gesteld van het proces, maar dit heeft niet geleid tot reacties. Tijdens de samenwerking is geconstateerd dat een aantal wensen van de VNG buiten de implementatie van de gewijzigde richtlijn liggen, maar meer op de bouw- en milieuregelgeving zien. Daarover is de procesafspraak gemaakt om nog met de betrokken ministeries en de VNG te kijken naar aanvullende punten die nu niet met deze wijzigingen worden meegenomen.
Eind 2025 heeft de VNG een uitvoeringstoets gedaan op basis van een eerste conceptversie van het wijzigingsbesluit. Er bleken nog veel onduidelijkheden te bestaan over de gevolgen van de voorgenomen wijzigingen voor de exacte rol voor gemeenten en omgevingsdiensten. Een deel van deze onduidelijkheden was al uit de concept regelgeving af te leiden. De toelichting is hierop verduidelijkt. Er zal met de VNG in het kader van het UDO proces hier ook verder over worden doorgesproken. De VNG bekijkt nog of de consultatieversie van de conceptregelgeving tot aanvullende opmerkingen leidt. De verwachting is dat er geen voor de VNG essentiële zaken zijn gewijzigd ten opzichte van de eerdere conceptversie. Een aantal punten waarop de VNG om verduidelijking vroeg in de uitvoeringstoets staan niet op het niveau van dit wijzigingsbesluit maar worden in de vorm van beleidsregels verder uitgewerkt. Een voorbeeld van het laatste is de manier waarop welke beschikbare toezichtsinformatie moet worden aangeleverd aan de vergunningautoriteit.
In de uitvoeringstoets werd aangegeven dat omgevingsdiensten zijn uitgerust om de taken uit de gewijzigde regelgeving uit te voeren, met uitzondering van het beoordelen van een startmelding binnen twee werkdagen. Dit is later opnieuw met OD’s besproken en daar is een oplossing gevonden door de werkmethoden op hoofdlijnen (excl. bronmaatregelen etc.) wel al vier weken van tevoren te laten melden. Zoals ook in de Nota van toelichting staat vermeld vergt de omschakeling naar het DSO een andere benadering van risicogericht toezicht Dit wordt gezamenlijk verder uitgewerkt met de ontwikkeling van de bijbehorende ICT.
Tevens is er in de toets gereageerd op de uitfasering van het LAVS en het gebruik van DSO voor alle meldingen. Daarbij geven de OD’s aan dat zij het LAVS dagelijks gebruiken en dat zij een volwaardig alternatief nodig hebben. In de wijzigingen van de regelgeving worden de meldingen omtrent arbeidsomstandigheden inderdaad opgenomen in het DSO. Dit is echter niet een melding die in eerste instantie aan de OD’s is gericht. De sloopmelding was al opgenomen in het DSO. Het afschaffen van het LAVS loopt samen met deze regelgevingswijzigingen, maar staat daar eigenlijk los van. Tegelijkertijd maakt deze samenloop van omstandigheden het wel zo dat er in de beginperiode na inwerkingtreding van de regelgeving waarschijnlijk geen systeem is waarin data van meldingen worden opgeslagen zoals dat nu via het LAVS gebeurt. Het DSO stuurt alleen afzonderlijke meldingen richting de toezichthouder. Met de verschillende betrokken toezichthouders wordt gekeken naar de mogelijkheden om de toezichthouders zo spoedig mogelijk in staat te stellen toezicht uit te oefenen aan de hand van alle bij de meldingen ingevoerde en (centraal) opgeslagen data.
Gemeenten en OD’s geven tevens aan dat ze verwachten dat het publieke vergunningstelsel zal bijdragen aan het effectiever optreden tegen slecht presterende bedrijven. Zij zouden de vergunningplicht graag uitgebreid zien naar onder andere inventarisatiebedrijven en eindinspectie-instellingen. Daar wordt op dit moment niet voor gekozen. Ten eerste is dit geen vereiste vanuit de Richtlijn. Ten tweede zouden er eerst andere, minder zware instrumenten moeten worden verkend en mogelijk ingezet.
Daarnaast zijn er een aantal aanbevelingen gedaan op basis waarvan een aantal artikelen en de toelichting zijn verduidelijkt.
Overleg Platform Bouwregelgeving
Op 31 oktober 2025 heeft het Overleg Platform Bouwregelgeving de voorgenomen wijzigingen in het Bbl besproken en als volgt geadviseerd. Het OPB kan zich vinden in de beperkte wijzigingen in het Bbl, maar maakt zich zorgen over de gevolgen van de volledige herziening van het asbeststelsel (Arbowet, Arbobesluit, Bal). Het OPB vraagt aandacht voor de impact op bedrijven die slechts incidenteel met asbest werken zoals installatie- en onderhoudsbedrijven, om te voorkomen dat Nederland onbedoeld een strengere lijn kiest dan de Europese richtlijn. Ook vraagt het OPB bij de indeling van de soort vergunningen rekening te houden met emissiebeperkende maatregelen.
De Asbestrichtlijn geldt voor alle bedrijven die asbest verwijderen, dus ook voor bedrijven die bij installatie- of onderhoudswerkzaamheden asbest verwijderen. Door de differentiatie in vergunningtypen worden de lasten voor deze bedrijven zo beperkt mogelijk gehouden. In paragraaf 3.1.2.3 is toegelicht waarom niet is gekozen voor een alternatief waarbij de indeling wordt gebaseerd op de risico’s nadat emissiebeperkende maatregelen zijn getroffen.
Bedrijfseffectentoets (BET)
In deze paragraaf worden de effecten die dit voorstel heeft op bedrijven omschreven.
Geraakte doelgroep
De doelgroep die geraakt wordt door de implementatie van de Richtlijn is breed. Het meest voor de hand liggend zijn de professionele asbestverwijderingsbedrijven. Daarnaast is er echter een brede groep bedrijven die in aanraking kan komen met asbest tijdens het werk. Daarbij gaat het om bedrijven die ook asbest verwijderen, zoals kleinschalige toepassingen als beglazingskit die door schilders worden verwijderd, of bedrijven zoals loodgieters en installateurs die asbest bewerken door een doorvoer aan te brengen door het dak wanneer er een nieuwe CV wordt geplaatst. Deze groep van onderhoudsbedrijven is heel breed. Het gaat bijvoorbeeld ook om werkzaamheden aan het elektriciteitsnet, weg- en bodemwerkzaamheden etc. Daarnaast zijn er mensen die niet direct aan asbest werken maar wel op een andere manier in aanraking komen met asbest, zoals werknemers van gemeentewerven of brandweerlieden. De bedrijven variëren van klein tot groot.
EU-regelgeving
Het gaat hier om een EU Richtlijn met nationale beleidsruimte. Een groot deel van de artikelen in de Richtlijn is dermate abstract dat de implementatie nadere concretisering en uitwerking vereist. Wel wordt de Richtlijn lastenluw geïmplementeerd. Daarbij is tevens gekeken of bestaande verplichtingen konden worden aangepast. Omdat in Nederland al een asbeststelsel was ingericht moest dit flink worden aangepast. Enerzijds om de Richtlijn te implementeren maar ook om de lasten waar mogelijk te beperken en tot eenduidige regelgeving te komen. Zo is, in lijn met de beleidsbrief uit 2019, voor een risicogebaseerde aanpak gekozen. Hiermee worden de regels streng waar nodig, maar niet onnodig streng wanneer de risico’s lager liggen. Dit heeft geleid tot verschillende gradaties in de vergunningplicht en de vereisten daarvoor. Ook bij de uitzonderingen op de meldingen, de eisen aan opleidingen en eindbeoordelingen is hiermee rekening gehouden.
Implementatie omringende lidstaten
PM
Regeldrukeffecten
De Richtlijn is aangescherpt waardoor er extra regels gaan gelden voor bedrijven. Alle bedrijven die asbestsloop- of verwijderingswerkzaamheden willen uitvoeren, moeten hiervoor een vergunning aanvragen. Daarbij vereist de Richtlijn een bewijs van naleving en dat de werknemers allen een erkende opleiding hebben gevolgd. Ook de informatie die moet worden verstrekt bij de melding voorafgaand aan asbestverwijderingen is uitgebreid in de Richtlijn. Daarnaast stelt de richtlijn verdergaande eisen aan de blootstellingsregistratie en het gezondheidskundig onderzoek van werkenden aan asbest.
Alleen op het doen van meldingen zijn uitzonderingen mogelijk binnen de Richtlijn. Die ruimte is ook volledig benut.
In de regelgeving is het toenemen van kosten door bedrijven zoveel mogelijk beperkt:
- Zo worden er geen leges geheven voor het aanvragen van een vergunning en wordt de vergunning in principe voor onbepaalde tijd verstrekt;
- persoonscertificatie wordt niet meer verplicht;
- identificatie wordt mogelijk gemaakt in plaats van inventarisatie;
- voor het moeten uitvoeren van een luchtmeting bij de eindbeoordeling wordt een ander criterium gehanteerd waardoor deze minder vaak vereist is.
Een impactanalyse uitgevoerd door Panteia laat zien dat desalniettemin de financiële gevolgen van de implementatie van de richtlijn mogelijk aanzienlijk zijn. Mede door het grote aantal bedrijven dat er mee gemoeid is. Dit komt ook door de veelheid aan soorten bedrijven die tijdens het werk met asbest in aanraking kunnen komen, zoals bijvoorbeeld loodgieters, installatiebedrijven, schildersbedrijven, etc.. Voor de bedrijven die met asbest werken volgt rechtstreeks uit de Richtlijn dat werknemers een erkende opleiding moeten hebben gevolgd en wanneer het asbest verwijderd wordt het bedrijf een vergunning moet hebben.
Uit de markt- en impactanalyse die is uitgevoerd door Panteia, blijkt dat het lastig in te schatten is wat het aantal asbestgerelateerde werkzaamheden per bedrijf is, hoeveel werknemers hiermee in aanraking komen en hoeveel bedrijven een vergunning nodig zullen hebben. Daarom is gewerkt met bandbreedtes. Ook dan is de onzekerheid nog groot, omdat niet bekend is hoeveel bedrijven momenteel in enige mate asbest verwijderen en welk deel daarvan hiervoor een vergunning zal aanvragen of zal besluiten de werkzaamheden niet meer uit te voeren. Dit laatste is met name een overweging voor bedrijven waar het verwijderen van asbest een beperkte nevenactiviteit is en het mogelijk is dit aan dit aan andere bedrijven over te laten.
Het geschatte aantal bedrijven dat een vergunning gaat aanvragen ligt tussen de 4.350 en 9.000 bedrijven. Dit ligt hoger dan het in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel ingeschatte aantal van 2.000 bedrijven. Deze getallen zijn dan ook met veel onzekerheden omgeven. De inschatting is dat de waarheid dichter in de buurt ligt van de 4.350 dan de 9.000. Volgens Panteia is de lage variant plausibel, omdat dit wordt onderbouwd met het aantal bedrijven dat melding heeft gedaan van de afvoer van asbesthoudend afval via het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen (LMA). Volgens Panteia blijkt uit de cijfers van het LMA dat circa 3.159 tot 4.245 bedrijven waarschijnlijk ontdoeners zijn. Dat ligt in de orde van grootte van de geschatte lage variant van 4.350 bedrijven. Als een deel van de gemelde afvalstoffen zijn vrijgekomen bij het bewerken van asbesthoudende materialen, dan zou het aantal bedrijven dat een vergunning nodig heeft iets lager kunnen zijn dan op grond van de LMA-cijfers. Daarentegen stelt Panteia dat ook de hoge variant plausibel kan zijn als bedrijven bij werkzaamheden in opdracht van particulieren het asbesthoudende afval achterlaten om door de particulier te worden afgevoerd. Dit is echter niet toegestaan en het zou op grote schaal moeten gebeuren om de hoge variant te verklaren.
Het geschatte aantal werkenden die vallen onder opleidingseisen wordt ingeschat tussen de 39.000 en 48.000 personen. Ter vergelijking: het aantal personen die werkzaam zijn bij de voorheen gecertificeerde asbestverwijderaars ligt tussen de 3.400 en 3.500 personen. Daarbij moet worden opgemerkt dat volgens de huidige regelgeving ook al werknemers moeten zijn opgeleid als zij werken met asbest. Dus ook de werknemers die niet bij de gecertificeerde asbestverwijderaars werken.
Een groot deel van de extra lasten die Panteia heeft opgenomen in haar rapport volgt uit uitzonderingen die voorheen golden, maar niet meer passen binnen de gewijzigde richtlijn. Dit gaat om uitzonderingen op de inventarisatie-, certificatie- en meldingsplicht. Bedrijven die werkzaamheden uitvoeren die waren uitgezonderd van de certificeringsplicht, moeten nu in ieder geval een vergunning aanvragen, en afhankelijk van de mogelijke risico’s ook een certificaat als invulling van het door de richtlijn vereiste bewijs van naleving. De borging van de mogelijke risico’s is als uitgangspunt genomen en daardoor vallen een aantal eerdere uitzonderingen onder die certificeringsplicht.
Naar aanleiding van de impactanalyse is er voor gekozen om de eindbeoordeling door de werkgever zelf te laten doen als gebruik wordt gemaakt van een erkende werkmethode. Daarmee wordt aangetoond dat onder de grenswaarde gewerkt wordt. Dit komt overeen met de eerdere bepaling dat de eindbeoordeling zelf mocht worden uitgevoerd als onder de grenswaarde werd gewerkt, hetgeen werd aangeduid als risicoklasse 1. De effecten hiervan op de kosten zijn in hoofdstuk 9 beschreven.
Voor de meldingsplicht is alle ruimte die de richtlijn toelaat al benut door werkzaamheden in de categorie beperkt vrij te stellen van de meldingsplicht.
Op basis van de impactanalyse is er ook voor gekozen kleinschalige asbestcementtoepassingen onder de vergunning beperkt onder te brengen in plaats van onder basis. Hiermee is voor deze vrij veel voorkomende werkzaamheden van beperkte omvang geen onafhankelijke eindbeoordeling en melding vereist.
Samenvatting verkende alternatieven
Naast de gekozen indeling op basis van het potentiële risico van asbesttoepassingen is ook gekeken naar alternatieve varianten waarbij het risico na het nemen van maatregelen bepalend zou zijn voor de indeling in typen vergunning. In paragraaf 3.1.2.3 is dit toegelicht. Voor het vaststellen van het benodigde type vergunning zou de blootstelling van werknemers over een bepaalde periode of de blootstelling voor een specifieke verwijderingshandeling moeten worden berekend. Hoewel deze varianten mogelijk leiden tot lagere kosten, afgezien van de inspanningen die nodig zijn om het type vergunning vast te kunnen stellen, is hier niet voor gekozen. Redenen zijn onder andere dat dit niet werkbaar zou zijn en geen recht doet aan het principe dat het borgingsniveau rekening moet houden met het potentiële risico.
MKB toets
Er zijn twee online panelgesprekken geweest met MKB-bedrijven. Het eerste met momenteel niet-gecertificeerde bedrijven en het tweede met gecertificeerde (gespecialiseerde) asbestverwijderingsbedrijven. Tijdens de gesprekken bleken er veel vragen te bestaan bij ondernemers en zij vonden het lastig om iets te zeggen over de uiteindelijke impact. Zij zijn bang dat het vergunningenstelsel, met bijbehorend certificatiestelsel tot meer kosten en administratie gaat leiden. De deelnemers begrijpen dat de richtlijn geïmplementeerd moet worden, maar hebben twijfels of het gaat bijdragen aan een betere bescherming van werknemers. Bedrijven hadden liever gezien dat de categorieën waren ingedeeld op basis van daadwerkelijke blootstelling in plaats van de mogelijke blootstelling vanwege het soort asbesttoepassing. Een deel van de bedrijven geeft aan geen asbest meer te gaan verwijderen in de nieuwe situatie, vanwege de extra lasten die erbij komen kijken. Er zijn zorgen over de tijd die gemoeid gaat met het onverwachts moeten inventariseren van asbesttoepassingen en de meldingen die dan niet meer op tijd kunnen worden gedaan bij het onverwachts aantreffen van asbest. Dit is in de huidige situatie echter niet anders, voor zover geen gebruik kan worden gemaakt van de bestaande uitzonderingen op de meldings- en inventarisatieplicht. Er zijn bezwaren tegen het aanleveren van opleidingscertificaten bij de meldingen en het aanbieden van een medische keuring bij minder risicovolle werkzaamheden. Beiden volgen rechtstreeks uit de Richtlijn. Aan het bezwaar tegen het aanleveren van opleidingscertificaten wordt wel tegemoet gekomen door de oprichting van het Register gezond en veilig werken. Daarmee kan worden volstaan met een registratienummer en wordt voorkomen dat telkens diploma’s moeten worden overhandigd bij de meldingen.
Bij de nu al gecertificeerde bedrijven waren er ook bezwaren tegen het doorgeven bij de melding van welke werknemers waarschijnlijk het werk gaan uitvoeren. Ook dit volgt rechtstreeks uit de Richtlijn. Dit punt is samen met het eerder genoemde punt over opleidingscertificaten opgenomen in de melding als het registratienummer uit het register gezond en veilig werken met asbest om de lasten te beperken. Bedrijven vrezen dat wijzigingen in de inzet van medewerkers telkens moeten worden doorgegeven. Dit is echter niet zo. Bij de melding moet worden aangegeven welke medewerkers waarschijnlijk zullen worden ingezet en dit betekent dat er naderhand wijzigingen mogelijk zijn, zonder dat daarvoor een nieuwe melding moet worden gedaan.
De bedrijven geven aan dat er stabiliteit nodig is in de regelgeving om innovatie van de grond te laten komen. De overgangsperiode van een half jaar wordt als krap ervaren en de zorgen zitten met name op de overgangsbepalingen rondom al gevolgde opleidingen. Vanwege de krappe implementatietermijn van de Asbestrichtlijn blijft de inzet om de overgangsperiode te beperken tot een half jaar, maar is voorzien in de mogelijkheid om die te verlengen met nog een half jaar als mocht blijken dat dit echt nodig is voor het behandelen van de vergunningaanvragen. Er is vrees dat de controles op medewerkers en de vereiste opleidingen toenemen en de personeelsschaarste in de branche daarmee toeneemt. Deze groep ondernemers uit vooral veel klachten over het toezicht op het werk. Zij geven aan dat er veel toezicht is en dat medewerkers neerbuigend worden behandeld. Hier zijn veel zorgen over, ook in relatie tot personeelsschaarste.
Uit de MKB-toets zijn geen concrete alternatieve voorstellen gekomen. De alternatieve voorstellen die vanuit het bedrijfsleven wel zijn aangereikt, zijn toegelicht in paragraaf 3.1.2.3.
Innovatie-effecten
Om innovatie in het asbestwerkveld te bevorderen is in 2020 het Validatie- en Innovatiepunt Asbest (hierna: VIP) geopend. In de nieuwe regelgeving is de rol van het VIP ingebed. Zo is er voor gekozen om in de categorie met de laagste risico’s als bewijs van naleving voor de vergunningaanvraag een erkende werkmethode te hanteren. Dit zijn door de minister erkende werkmethoden na advisering hierover door het VIP. Ook in de hogere categorieën van vergunningen biedt het gebruiken van een erkende werkmethode voordelen. Het aantonen dat met een bepaalde werkwijze onder de grenswaarde kan worden gewerkt leidt weliswaar niet meer tot het vervallen van de certificeringsplicht. Wel biedt het werken met een dergelijke erkende werkmethode nog steeds belangrijke voordelen, waaronder het niet meer hoeven te werken in containment. Er zijn partijen die de indeling van toepassingen in de verschillende vergunningcategorieën graag anders zou zien en belemmerend vinden voor innovatie. De categorieën zijn echter ingedeeld op basis van potentie tot hoge blootstelling van toepassingen en daarin ingedeeld om voldoende borging op gezond en veilig werken te hebben. Daarin zijn verantwoorde keuzes gemaakt. Met deze regelgevingswijzigingen is ook meegenomen dat als een toepassing afgesloten is van de grotere ruimte, geen eindbeoordeling van de oorspronkelijke ruimte hoeft te worden gedaan.
Markteffecten
De marktstructuur zal er op basis van de vergunningplicht waarschijnlijk anders uit komen te zien. In de voorgaande regelgeving was er een groep niet-gecertificeerde bedrijven en een bedrijf gecertificeerde bedrijven. Nu geldt voor alle bedrijven die asbest verwijderen dat zij een vergunning moeten hebben. Dit zal vooral effect hebben op de niet-professionele asbestverwijderingsbedrijven, zoals onderhoudsbedrijven. Het is voor deze bedrijven de vraag of zij de keuze maken om een vergunning aan te vragen met alle bijbehorende eisen of dat een deel van de sectoren dat zal doen en deze werkzaamheden meer aan daartoe gespecialiseerde bedrijven over zal worden gelaten. Het voordeel van de vergunningplicht voor alle bedrijven die asbest verwijderen is dat duidelijk is welke bedrijven bevoegd zijn om deze werkzaamheden mogen verrichten. In de bestaande regelgeving mochten niet-gecertificeerde bedrijven in risicoklasse 1 asbest verwijderen, maar was niet duidelijk welke bedrijven dat waren en of zij daarvoor de benodigde kennis en vaardigheden hadden.
Voor buitenlandse bedrijven was er voor de meer risicovolle werkzaamheden met asbest (voorheen risicoklasse 2 en 2A) al een drempel om in Nederland aan het werk te gaan vanwege het vereiste procescertificaat. Op dit punt zal de toegang tot de Nederlandse markt vergemakkelijken, want met een vergunning uit een andere lidstaat kan er ook in Nederland een vergunning worden aangevraagd. Daarbij is het wel een vereiste vanuit de Richtlijn dat de werknemers van deze bedrijven kennis hebben van de de wet- en regelgeving rondom asbest in de lidstaat waarin de werkzaamheden worden verricht. Dit is ook nodig aangezien de Richtlijn nader ingevuld moet worden door lidstaten en werknemers uit andere landen dus wel moeten weten hoe zij de geldende wet- en regelgeving moeten naleven. Zo laat de Richtlijn lidstaten de keuze tussen twee verschillende minimale grenswaarden. De asbestbranche is nu ook overwegend een nationale markt en er worden niet veel veranderingen daarop verwacht. De inzet van buitenlandse werknemers komt in sommige bedrijfstakken wel voor.
Sociaaleconomische effecten
Op het gebied van werkgelegenheid en arbeidsvoorwaarden zullen er mogelijk veranderingen plaatsvinden. De asbestbranche kampt over het algemeen met een tekort aan medewerkers en heeft moeite medewerkers vast te houden. Doordat er nu erkende opleidingen moeten worden gevolgd door iedereen die met asbest in aanraking komt tijdens het werk, en daar meer controle op mogelijk is dan voorheen, zal dat er wellicht toe leiden dat er een bewustere keuze wordt gemaakt om deze werkzaamheden al dan niet te gaan uitvoeren. Dit, samen met het feit dat er niet elke drie jaar opnieuw herexamen moet worden gedaan, leidt er mogelijk ook toe dat medewerkers langer in de branche werkzaam blijven. Het telkens opnieuw examen moeten doen, zoals nu is vereist als onderdeel van de verplichte persoonscertificering voor bepaalde werkzaamheden (voorheen risicoklasse 2 en 2A), bleek voor werknemers veelal een drempel.
Het is ook voorstelbaar dat bedrijven meer vaste werknemers in dienst zullen nemen om meer duurzame werkrelaties aan te gaan. Het inhuren van niet bekwame of verantwoordelijke werkenden kan namelijk gevolgen hebben voor de vergunning die een bedrijf heeft en kan mogelijk zelfs tot het intrekken van de vergunning leiden.
Andersoortige bedrijfseffecten
De kosten waar bedrijven mee te maken gaan krijgen zijn in de financiële paragraaf en de regeldrukeffecten alinea hierboven beschreven. Er is getracht om de lasten voor bedrijven zo laag mogelijk te houden.
Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR)
PM na internetconsultatie
U&H-toets Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA)
PM na internetconsultatie
U&H-toets Omgevingsdienst NL
PM na internetconsultatie
UHT Staatstoezicht op de Mijnen (SodM)
PM na internetconsultatie
HUF-toets Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT)
PM na internetconsultatie
Autoriteit Persoonsgegevens
PM na internetconsultatie
Raad voor de Rechtspraak
PM
Data Protection Impact Assessment
De beleids-Data privacy impact assessment (DPIA) van 5 maart 2026 ligt ter beoordeling bij de Functionaris Gegevensbescherming. Hieronder worden de voorlopige conclusies weergegeven.
In de Arbowet is een wettelijke basis gegeven aan de op grond van Richtlijn (EU) 2023/2668 vereiste vergunningplicht en aan de mogelijkheid om, bij besluiten over het verstrekken van vergunningen, beoordelingen in het kader van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Bibob) te betrekken. Dit is op beleidsmatig niveau uitgewerkt in het Arbobesluit en de Arboregeling. De geïntroduceerde gegevensverwerkingen die reden geven tot deze beleids-DPIA vinden alle hun grondslag in de Arbowet, in het Arbobesluit en in de Arboregeling.
De gegevensverwerkingen zullen plaatsvinden in de uitvoering van de volgende processen:
Het proces rond de in te voeren vergunningen, wat zal worden uitgevoerd door de directie Dienstverlening, Samenwerkingsverbanden en Uitvoering (DSU) van SZW;
Het proces rond het publiceren van de lijst met vergunninghouders;
Het proces rond het beheer van het in te voeren Register Gezond en Veilig Werken met Asbest, wat zal worden uitgevoerd door de Stichting Ascert;
Het proces rond het erkennen van opleiders en het bijhouden van de in te voeren Lijst van Erkende Opleiders, wat zal worden uitgevoerd door de Stichting Ascert;
Het reeds bestaande proces rond de Arbomeldingen, waarbinnen nu ook persoonsgegevens zullen moeten worden verwerkt, wat zal worden uitgevoerd binnen het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Het DSO wordt beheerd door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK);
Het proces rond de in te voeren Melding na afronden eindbeoordeling.
De meeste gegevensverwerkingen worden geïntroduceerd omdat de Wijzigingsrichtlijn daartoe verplicht. Voornamelijk in het proces rond de in te voeren vergunningen is sprake van gevoelige of strafrechtelijke persoonsgegevens en nationale identificatienummers. Het introduceren daarvan staat op zich los van de door de Richtlijn opgelegde vergunningplicht, maar is noodzakelijk om het naleefgedrag door bedrijven die zich bezighouden met asbestverwijdering in het nieuwe stelsel te verbeteren ten opzichte van het bestaande stelsel. Met de hierboven opgesomde ‘bewijzen van naleving’, die bij een vergunningaanvraag moeten worden overgelegd, kan weliswaar worden geborgd dat de aanvrager in staat is om de bepalingen van artikel 6 van de Asbestrichtlijn na te leven, maar niet dat de aanvrager dat ook daadwerkelijk zal gaan doen. Om daar zicht op te krijgen moet ook het daadwerkelijke nalevingsgedrag van een aanvrager voorafgaand aan de aanvraag worden beoordeeld. Verder heeft ervaring met het huidige certificatiestelsel geleerd dat er situaties zijn waarin zelfs daarmee niet alle nodige informatie op tafel komt. Verschillende bedrijven die na herhaaldelijke overtredingen hun certificaat dreigen kwijt te raken maken een doorstart met een certificaat onder een andere naam en als een andere rechtspersoon. Zulke bedrijven zijn in het huidige stelsel bijna niet van de markt te weren. Als er in het nieuwe stelsel redelijkerwijs aanwijzingen zijn dat sprake is van zo’n situatie kan de Minister op grond van de Wet Bibob (Wet bevordering integriteitsbeoordeling door het openbaar bestuur) zelf onderzoek doen en op basis van dat onderzoek de vergunning weigeren of intrekken, of er voorschriften aan verbinden. Daarmee wordt weliswaar niet naar de letter, maar wel naar de geest van het in de Wijzigingsrichtlijn gestelde vereiste van een bewijs van naleving gehandeld. Alle verwerkingen van strafrechtelijke en gevoelige persoonsgegevens zijn noodzakelijk om te voldoen aan een wettelijke verplichting of zijn noodzakelijk voor de uitvoering van een taak van algemeen belang.
De wetgeving introduceert nieuwe gegevensverwerkingen, waarbij met name de verwerking van financiële gegevens, BSN, strafrechtelijke en gevoelige persoonsgegevens en het Bibob-proces een (zeer) hoog risico kunnen inhouden voor de rechten en vrijheden van betrokkenen, zonder (aanvullende) maatregelen.
Een inbreuk op vooral de vertrouwelijkheid en de integriteit van bovenstaande gegevens kan leiden tot onder andere identiteitsfraude, discriminatie, stigma, chantage, afpersing voor de betrokkenen/ burgers.
Om bovenstaande risico’s te mitigeren zijn voor de uitvoering van de wetgeving betrouwbare uitvoerende partijen ingeschakeld. Deze zijn of zelf gebonden aan de voor de Rijksoverheid geldende kaders op het gebied van informatiebeveiliging (zoals de VIR, VIR-BI, BIO, Rijkscloudbeleid etc.) of verwerkers en hun leveranciersketen zullen via (verwerkers)overeenkomsten worden gehouden aan de geldende kaders.
Impactanalyse Justis/Landelijk Bureau Bibob (LBB)
PM
Internetconsultatie
PM na internetconsultatie
12. Overgangsrecht en inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Implementatie van de Wijzigingsrichtlijn had uiterlijk 21 december 2025 moeten plaatsvinden. Nederland voldoet al op een aantal punten die essentieel zijn voor de bescherming van de werknemer aan de Wijzigingsrichtlijn, waaronder de verlaagde grenswaarde. Voor de markttoelating en de kwalificatie van werknemers kent Nederland voor het werken in een hogere risicoklasse al een borgingsniveau, maar dit moet worden aangepast om te kunnen voldoen aan de Wijzigingsrichtlijn. Hiervoor is de Arbeidsomstandighedenwet aangepast om de vergunningplicht zoals omschreven in de Wijzigingsrichtlijn te kunnen implementeren. Deze regelgeving moet daarom, samen met de wijziging op de Arbeidsomstandighedenwet, intreden zo snel als mogelijk is.
De wijzigingen zullen bij inwerkingtreding vergaande gevolgen hebben op de wijze waarop een asbestverwijdering in de praktijk moeten worden aangepakt. Met name de introductie van een vergunningplicht en de differentiatie daarbinnen zijn ingrijpende wijzigingen ten opzichte van de situatie voorheen. Er kan dus niet worden ontkomen aan overgangsbepalingen om deze overgang soepel te laten verlopen.
De differentiatie waarmee risicogericht werken verder wordt gestimuleerd en het vervallen van de risicoklassen zal vergemakkelijkt worden door de lancering van SMART-ns die de wettelijke verplichtingen rondom een bepaalde asbestverwijdering overzichtelijk weergeeft. Het is wenselijk dat al vóór de inwerkingtreding van dit besluit gebruik kan worden gemaakt van de informatie die door middel van SMART-ns kan worden verkregen, zodat het mogelijk is inzicht te krijgen in de gevolgen die het gebruik van SMART-ns zal hebben bij een in de nabije toekomst gepland project.
Doordat er voldoende tijd zit tussen de ingebruikname van SMART-ns en de inwerkingtreding van de wijziging hebben partijen voldoende tijd om zich voor te bereiden op de nieuwe bepalingen. Daarom is bij de overgangsbepaling uitgegaan van de start van de asbestverwijdering.
Asbestverwijderingen die al zijn gestart voor de inwerkingtreding van deze wijziging worden vanzelfsprekend op basis van de oude bepalingen uitgevoerd. Deze kunnen ook volgens die bepalingen worden voortgezet tot maximaal een half jaar na de inwerkingtreding.
Op grond van artikel 21.6, vijfde lid, van de Wet milieubeheer, mag deze algemene maatregel van bestuur op zijn vroegst vier weken na de publicatie in het Staatsblad in werking treden. Het wijzigingsbesluit treedt zo snel mogelijk na het verstrijken van deze termijn in werking.
Voor de invoering van het gemoderniseerde asbeststelsel als zodanig is de beoogde inwerkingtredingsdatum 1 januari 2027.
13. Bijlagen
Na de artikelsgewijze toelichting bij dit wijzigingsbesluit is een aantal bijlagen toegevoegd. Ten eerste is dit een transponeringstabel, zoals gebruikelijk bij de implementatie van een richtlijn. Daarnaast is een aantal bijlagen toegevoegd om de verhoudingen tussen het oude en nieuwe recht inzichtelijk te maken en de toepassing van het overgangsrecht makkelijker te maken.
Artikelsgewijs
Artikel I (wijzigingen Arbeidsomstandighedenbesluit)
Met dit besluit is een groot aantal artikelen in het Arbobesluit gewijzigd die zien op het verrichten van werkzaamheden met asbest. Daarbij is de afdeling waarin deze artikelen voorkomen, in zijn geheel opnieuw vastgesteld. Daarnaast is een aantal nieuwe artikelen toegevoegd en zijn er wijzigingen aangebracht in de nummering van afdelingen en artikelen in het Arbobesluit. Tot slot zijn wijzigingen doorgevoerd in het Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl) en het Asbestverwijderingsbesluit 2005 die samenhangen met de hiervoor genoemde wijzigingen in het Arbobesluit.
Ter verduidelijking is in de artikelsgewijze toelichting bij artikel I per onderdeel aangegeven of er sprake is van een nieuw artikel en, in het geval van een wijziging, om wat voor soort wijziging het gaat: een inhoudelijke wijziging of een technische wijziging. Inhoudelijke wijzigingen zijn alle wijzigingen waarmee een nieuwe norm wordt toegevoegd aan een bestaand artikel of een reeds bestaande norm in een artikel inhoudelijk wordt gewijzigd. De overige wijzigingen worden in deze toelichting beschouwd als technische wijzigingen. Hierbij gaat het in elk geval om vernummeringen, aanpassingen van verwijzingen naar artikelen en andere onderdelen van regelingen, het herformuleren van bestaande teksten, zonder de daarin opgenomen normen te veranderen, en het herstel van verschrijvingen. Als een onderdeel zowel inhoudelijke als technische wijzigingen bevat, staat bij het betreffende onderdeel alleen dat dit inhoudelijke wijzigingen bevat.
Tot slot is voor een goed begrip van de artikelen van belang dat de normadressaat niet in alle artikelen expliciet wordt genoemd, omdat normadressaten volgens de systematiek van het Arbobesluit worden aangewezen in afdeling 1 van hoofdstuk 9.
Onderdelen A en B (artikelen 1.1 en 1.5j)
Inhoudelijke wijzigingen
Deze onderdelen voegen het Register gezond en veilig werken met asbest toe aan de begripsbepalingen en de opsomming van registers in artikel 1.5j, eerste lid. Voor een verdere toelichting op dit register wordt verwezen naar paragraaf 3.1.2 van de algemene toelichting en naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 4.34.
Onderdelen C, E tot en met H, J tot en met O en X tot en met AA
Technische wijzigingen
De voormalige afdeling 5 van hoofdstuk 4 van het Arbobesluit, waarin aanvullende voorschriften inzake het werken met asbest waren opgenomen, is met dit besluit opnieuw vastgesteld als afdeling 3 van het genoemde hoofdstuk. Hiervoor is gekozen, omdat er al geruime tijd geen afdelingen 3 en 4 meer waren in hoofdstuk 4 en vanwege het grote aantal wijzigingen dat is aangebracht in de nadere voorschriften die betrekking hebben op het werken met asbest. Tegelijkertijd is de oude afdeling 5 komen te vervallen en zijn de daaropvolgende afdelingen van hoofdstuk 4 vernummerd, zodat de nummering van de afdelingen logisch op elkaar aansluiten. Bij de hernummering van de afdelingen is ook verwerkt dat afdeling 8 was vervallen.
De nieuw vastgestelde afdeling 3 van hoofdstuk 4 heeft een andere nummering dan de voormalige afdeling 5 van dit hoofdstuk: deze nummering sluit nu aan op de artikelen in de daaraan voorafgaande afdelingen. Daarnaast zitten er, in tegenstelling tot de voormalige afdeling 5, in de nieuwe afdeling 3 geen artikelen waar een letter onderdeel uitmaakt van het artikelnummer. Ook heeft de nieuwe afdeling 3 meer artikelen dan de oude afdeling 5. Dit alles maakte het nodig om in meerdere artikelen de verwijzingen naar bepaalde artikelen uit hoofdstuk 4 aan te passen, zodat deze verwijzingen in lijn zijn met de nieuwe nummering binnen dat hoofdstuk. Ook zijn de verwijzingen naar de afdelingen van hoofdstuk 4 in andere artikelen daar waar nodig aangepast, om deze in lijn te laten zijn met de nieuwe opzet van dit hoofdstuk.
Onderdeel D (hoofdstuk 2, afdeling 1b)
Nieuwe artikelen
In het bij koninklijke boodschap van 28 oktober 2025 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet in verband met een nieuwe vergunningplicht bij bepaalde asbestwerkzaamheden ten behoeve van de implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2668 (Kamerstukken 36843) wordt voorgesteld om aan de Arbowet een nieuw artikel 16a toe te voegen. Op grond van dat artikel kunnen informatieverplichtingen die gelden op grond van de Arbowet worden aangewezen, waar via de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 20.21 van de Omgevingswet, aan kan worden voldaan.
Artikel I, onderdeel D, van dit besluit voegt een nieuwe afdeling toe aan hoofdstuk 2 van het Arbobesluit met daarin vier nieuwe artikelen. Hiermee wordt gebruikgemaakt van de hiervoor genoemde bevoegdheid en worden de nodige regels gesteld om het gebruik van de landelijke voorziening mogelijk te maken.
Artikel 2.1b
Nieuw artikel
Op grond van het nieuwe artikel 2.1b, eerste lid, mag een werkgever de meldingen, bedoeld in de artikelen 4.37, eerste en tweede lid, 4.53, eerste lid, en 4.56, eerste lid, indienen via de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 20.21 van de Omgevingswet. De meldingen waar het om gaat, zijn:
de melding die voorafgaande aan het verrichten van werkzaamheden met asbest als bedoeld in artikel 4.27 moet worden gedaan;
de melding die moet worden gedaan als een verandering in de arbeidsomstandigheden kan leiden tot een aanzienlijke toename van de blootstelling aan asbeststof;
de melding die moet worden gedaan na afronding van sloop- en verwijderingswerkzaamheden;
de melding die moet worden gedaan na afronding van de eindbeoordeling.
Het Omgevingsbesluit bevat regels over onder meer de werking van de landelijke voorziening en de verwerking van persoonsgegevens in relatie tot de landelijke voorziening. Deze regels zijn vaak specifiek toegespitst op het elektronische berichtenverkeer, bedoeld in artikel 16.1 van de Omgevingswet. Om die reden is het nodig om bepaalde voorschriften van het Omgevingsbesluit van overeenkomstige toepassing te verklaren. Dit is gedaan in artikel 2.1b, tweede lid, en artikel 2.1e. Hierbij is een splitsing aangebracht tussen voorschriften die zien op het gebruik van de landelijke voorziening (artikel 2.1b, tweede lid) en voorschriften die zien op de verwerking van persoonsgegevens (artikel 2.1e).
Artikel 2.1b, tweede lid, verklaart de artikelen 14.2, 14.3 en 14.7 van het Omgevingsbesluit van overeenkomstige toepassing. Deze artikelen regelen onder meer het verplicht gebruik van het in de landelijke voorziening opgenomen elektronische formulier, de ondertekening van via de landelijke voorziening gedane meldingen en het beheer van in de landelijke voorziening opgenomen berichten. Deze artikelen en de onderdelen hiervan zijn ofwel alleen van toepassing op het elektronisch berichtenverkeer, bedoeld in artikel 16.1 van de Omgevingswet, ofwel hebben zij betrekking op het bevoegd gezag als bedoeld in die wet. Zonder het van overeenkomstige toepassing verklaren van deze voorschriften, gelden deze niet wanneer een melding als bedoeld in artikel 4.37, eerste en tweede lid, 4.53, eerste lid, of 4.56, eerste lid, via de elektronische voorziening wordt gedaan, terwijl deze voorschriften ook in die situatie moeten gelden. Hierin voorziet artikel 2.1b, tweede lid.
De meldingen, bedoeld in artikel 2.1b, eerste lid, moeten worden gedaan aan de toezichthouder. Het is daarom van belang dat daar waar in de hiervoor genoemde artikelen van het Omgevingsbesluit wordt gesproken over het bevoegd gezag, dit wordt gelezen als de toezichthouder indien het gaat om de meldingen, bedoeld in artikel 2.1b, eerste lid, van het Arbobesluit. Dit is ook geregeld in artikel 2.1b, tweede lid. Hierdoor zijn de onderdelen van de hiervoor genoemde artikelen van het Omgevingsbesluit die zien op het bevoegd gezag, in het geval van de meldingen, bedoeld in de artikelen 4.37, eerste en tweede lid, 4.53, eerste lid, en 4.56, eerste lid, van toepassing op de toezichthouder. Het gaat hierbij onder meer om de verplichting in artikel 14.2, derde lid, om aan de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, als beheerder van de Landelijke Voorziening, de benodigde informatie aan te leveren om een elektronisch formulier in de landelijke voorziening te kunnen samenstellen.
Artikelen 2.1c en 2.1d
Nieuwe artikelen
Op grond van artikel 20.22 van de Omgevingswet kan bij algemene maatregel van bestuur een andere functionaliteit worden aangewezen waarin de landelijke voorziening voorziet. Een van deze functionaliteiten is de doorzendfunctionaliteit, die is geregeld in artikel 14.5b van het Omgevingsbesluit. Met deze doorzendfunctionaliteit kunnen meldingen en gegevens of bescheiden om te voldoen aan een andere informatieverplichting op grond van de Omgevingswet, worden doorgestuurd naar de Minister van Infrastructuur en Waterstaat.
Voor werkgevers die een sloopmelding als bedoeld in artikel 7.10 van het Besluit bouwwerken leefomgeving hebben gedaan, heeft het doorzenden van deze melding aan de toezichthouder als voordeel dat de toezichthouder al over bepaalde informatie beschikt die ziet op de te verrichten werkzaamheden. Het is dan niet meer nodig voor de werkgever om deze informatie te verstrekken bij de melding, bedoeld in artikel 4.37, eerste lid, van het Arbobesluit, erven uitgaande dat de informatie die is opgenomen in de sloopmelding, tussentijds niet is gewijzigd. Als een werkgever daarnaast heeft voldaan aan de informatieplichten, bedoeld in artikel 7.12, tweede en derde lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving en deze worden doorgezonden aan de toezichthouder, dan vervalt daarmee de noodzaak voor de werkgever om nog een melding te doen als bedoeld in de artikelen 4.53 en 4.56 van het Arbobesluit.
Vanwege deze voordelen van doorzending voor de werkgever, bepaalt artikel 2.1c dat de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 20.21 van de Omgevingswet, ook voorziet in het doorzenden van een melding of gegevens en bescheiden om te voldoen aan een andere informatieverplichting dan een melding op grond van de Omgevingswet naar de toezichthouder voor het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens dit besluit. Artikel 2.1d, eerste lid, bepaalt daarbij welke informatie zal worden doorgezonden: dit zijn de hiervoor bedoelde sloopmelding en berichten om te voldoen aan de informatieplichten, bedoeld in artikel 7.12, tweede en derde lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
De toevoeging ‘onverminderd artikel 14.5b van het Omgevingsbesluit’ in artikel 2.1c, is om te verduidelijken dat deze doorzendfunctionaliteit niet in de plaats komt van de doorzendfunctionaliteit als bedoeld in dat artikel, maar hier een aanvulling op is.
Een andere functionaliteit moet op grond van artikel 20.22, eerste lid, van de Omgevingswet bijdragen aan de doelen, bedoeld in artikel 20.20 van die wet. Door het van overeenkomstige toepassing verklaren van afdeling 20.5 van de Omgevingswet in artikel 16a van de Arbowet, moeten deze doelen in het licht van de arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving worden gelezen. Dit betekent bijvoorbeeld dat het beschikbaar stellen van informatie over de fysieke leefomgeving (artikel 20.20, onderdeel a), moet worden gelezen als: het beschikbaar stellen van informatie over arbeidsomstandigheden. De doorzendfunctionaliteit, bedoeld in artikel 2.1c van het Arbobesluit, dient in dit geval het doel, bedoeld in artikel 20.20, onderdeel c, van de Omgevingswet, wat in het licht van het voorgaande inhoudt: het bevorderen van een doelmatige en doeltreffende uitoefening van taken en bevoegdheden op grond van de Arbowet.
De meldingen, bedoeld in artikel 4.37, eerste en derde lid, 4.53 en 4.56 van het Arbobesluit moeten allemaal worden gedaan aan een daartoe aangewezen toezichthouder. Om deze reden bepaalt artikel 2.1d, eerste lid, dat ook het doorzenden aan een daartoe aangewezen toezichthouder moet plaatsvinden. Dit zal dezelfde toezichthouder zijn als waaraan de hiervoor bedoelde meldingen moeten worden gedaan.
Artikel 2.1d, tweede lid, verklaart artikel 14.7b, tweede lid, van het Omgevingsbesluit van overeenkomstige toepassing op de berichten die op grond van het eerste lid worden doorgezonden. Hierdoor geldt door deze berichten dezelfde bewaartermijn als voor berichten die op grond van de doorzendfunctionaliteit, bedoeld in artikel 14.5b van het Omgevingsbesluit, worden doorgezonden.
Artikel 2.1e
Nieuw artikel
Artikel 14.8 van het Omgevingsbesluit bepaalt wie de verwerkingsverantwoordelijke is voor de verwerking van persoonsgegevens in de landelijke voorziening en wie de verantwoordelijke is op het moment dat een bericht wordt opgehaald uit de landelijke voorziening. Dit artikel geeft daarmee invulling aan de verplichting in artikel 20.25, eerste lid, van de Omgevingswet tot het stellen van regels hierover. In het geval van meldingen als bedoeld in artikel 4.37, eerste en tweede lid, 4.53, eerste lid, en 4.56, eerste lid, zal de toezichthouder, zodra hij een melding ophaalt uit de landelijke voorziening, de verwerkingsverantwoordelijke worden voor de verwerking van de persoonsgegevens die in de melding zijn opgenomen. In artikel 2.1e, eerste lid, van het Arbobesluit is dit geregeld door artikel 14.8, tweede lid, van het Omgevingsbesluit van overeenkomstige toepassing te verklaren. Hierbij is tevens bepaald dat ‘bevoegd gezag’ in dit artikellid moet worden gelezen als ‘toezichthouder’, omdat de arboregelgeving het begrip ‘bevoegd gezag’ niet kent.
Artikel 2.1e, eerste lid, verklaart daarnaast twee andere artikelen uit het Omgevingsbesluit van overeenkomstige toepassing en bepaalt ook hier dat daar waar gesproken wordt over het bevoegd gezag, de toezichthouder moet worden gelezen. Beide artikelen gaan over het verwerken van persoonsgegevens door de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening voor het verlenen van toegang tot de landelijke voorziening respectievelijk het doorgeleiden van berichten die zich in de landelijke voorziening bevinden. Om deze artikelen ook van toepassing te laten zijn in het geval van meldingen als bedoeld in de artikelen 4.37, eerste en tweede lid, 4.53, eerste lid, en 4.56, eerste lid, en zo te voldoen aan de verplichtingen tot het stellen van regels in artikel 20.25, eerste lid, van de Omgevingswet, zijn ook deze artikelen van overeenkomstige toepassing verklaard met daarbij de bepaling dat voor het bevoegd gezag de toezichthouder moet worden gelezen.
In het derde lid wordt bepaald welke persoonsgegevens de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening verwerkt om de berichten, bedoeld in artikel 2.1d, eerste lid, door te zenden naar de toezichthouder. Deze bepaling is nodig, omdat artikel 14.10c van het Omgevingsbesluit, dat ook gaat over de verwerking van persoonsgegevens bij het doorzenden van berichten met de doorzendfunctionaliteit, alleen betrekking heeft op het doorzenden middels de doorzendfunctionaliteit, bedoeld in artikel 14.5 van het Omgevingsbesluit. Het is daarnaast passender om een bepaling over deze verwerking van persoonsgegevens op te nemen in het Arbobesluit in plaats van deze toe te voegen aan het Omgevingsbesluit, omdat de doorzendfunctionaliteit waar artikel 2.1e, derde lid, betrekking op heeft, ook in het Arbobesluit is geregeld.
De artikelen 14.8 tot en met 14.10 van het Omgevingsbesluit zijn al van toepassing op de berichten die met de doorzendfunctionaliteit worden doorgezonden. Deze artikelen hoefden in de context van de doorzendfunctionaliteit daarom niet van overeenkomstige toepassing te worden verklaard. Wel was het nodig om de bewaartermijn, bedoeld in artikel 14.10c, tweede lid, van het Omgevingsbesluit van overeenkomstige toepassing te verklaren. Dit is gebeurd in het vierde lid van artikel 2.1e.
Onderdeel I (hoofdstuk 4, afdeling 3)
Inhoudelijke wijzigingen
Vanwege het grote aantal wijzigingen dat met dit besluit is aangebracht in de aanvullende voorschriften inzake het werken met asbest en om de nummering van de afdelingen in hoofdstuk 4 weer logisch op elkaar aan te laten sluiten, is de voormalige afdeling 5 van hoofdstuk 4 opnieuw vastgesteld als afdeling 3.
De nieuw vastgestelde afdeling 3 heeft een andere paragrafenindeling dan de oude afdeling 5. Dit is het gevolg van het vervallen van de risicoklassen bij het werken met asbest en om duidelijker naar voren te laten komen welke voorschriften wanneer van toepassing zijn. De Asbestrichtlijn bevat voorschriften die van toepassing zijn op alle werkzaamheden waarbij er sprake is van (mogelijke) blootstelling aan asbeststof, maar ook voorschriften die slechts bij het verrichten van bepaalde werkzaamheden van toepassing zijn. De nieuwe paragrafenindeling is hierop gebaseerd.
De eerste paragraaf bevat net als de eerste paragraaf in de oude afdeling 5 enkele relevante begripsbepalingen. Daarnaast bevat de eerste paragraaf regels over de toepasselijkheid van de afdeling en twee inhoudelijke voorschriften die in alle gevallen waarin werknemers worden of kunnen worden blootgesteld aan asbeststof, van toepassing zijn.
De tweede paragraaf bevat algemene regels voor het werken met asbest die van toepassing zijn bij werkzaamheden met of aan asbest, asbesthoudende producten of asbestverdacht materiaal. De regels in de tweede paragraaf zijn daarnaast, met een paar uitzonderingen, van toepassing bij werkzaamheden die vanwege hun aard onvermijdelijk leiden of kunnen leiden tot blootstelling aan asbeststof.
Op grond van de Asbestrichtlijn is bij bepaalde werkzaamheden een asbestidentificatie of -inventarisatie vereist. Regels die hierover gaan, zijn opgenomen in paragraaf 3. Verder bevat paragraaf 4 regels die alleen van toepassing zijn bij sloop- en asbestverwijderingswerkzaamheden. Het opruimen van asbest of asbesthoudende producten die bij een incident zijn vrijgekomen was voorheen een aparte categorie van werkzaamheden in het Arbobesluit. Omdat voor deze categorie van werkzaamheden echter dezelfde regels gelden als asbestverwijderingswerkzaamheden en het opruimen neerkomt op het verwijderen van asbest, worden deze werkzaamheden niet langer apart benoemd. In plaats daarvan vallen zij onder de noemer ‘asbestverwijderingswerkzaamheden’.
Voor de paragrafen 1 tot en met 4 geldt dat als een paragraaf met een hoger nummer van toepassing is, ook de regels uit de lager genummerde paragrafen gelden. Als bijvoorbeeld de voorschriften van paragraaf 4 van toepassing zijn, dan gelden ook de regels in de paragrafen 1 tot en met 3.
Tot slot bevat paragraaf 5 regels ter uitwerking van de vergunningplicht in artikel 19a van de Arbowet, dat aan de Arbowet zal worden toegevoegd met het bij koninklijke boodschap van 28 oktober 2025 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet in verband met een nieuwe vergunningplicht bij bepaalde asbestwerkzaamheden ten behoeve van de implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2668 (Kamerstukken 36843).
De artikelen die voorheen in afdeling 5 en nu in de nieuwe afdeling 3 zijn opgenomen, staan vanwege de nieuwe paragrafenindeling in een andere volgorde. Daarnaast zijn de artikelen binnen de paragrafen zoveel als mogelijk gerangschikt op basis van de fase van de werkzaamheden (voor aanvang, tijdens de uitvoering en na de uitvoering) waarop zij betrekking hebben. Naast deze herschikking zijn de artikelen vernummerd, zodat de nummering aansluit op de voorgaande afdeling 2 en binnen de afdeling een logische nummering wordt gehanteerd.
In de tekst hierna worden de individuele artikelen van de nieuwe afdeling 3 toegelicht. Vanwege de vernummering van de reeds bestaande artikelen, is bij deze artikelen tevens aangegeven wat het oude artikelnummer van het betreffende artikel was. Indien een artikel nieuw is, is dit bij het betreffende artikel vermeld.
Artikel 4.23
Voorheen: artikel 4.37
Inhoudelijke wijzigingen
Dit artikel bevat de definities van begrippen die in deze afdeling worden gebruikt.
In de begripsbepaling van asbest werd bij vijf van de zes soorten asbest die in de begripsbepaling worden genoemd, de aanduiding ‘CAS’ (Chemical Abstracts Service) met kleine letters geschreven. De juiste schrijfwijze is echter met hoofdletters. De begripsbepaling is hierop aangepast.
Voor chrysotiel zijn twee CAS-nummers in gebruik, CAS 132207-32-0 en CAS 12001–29–5. In het besluit is CAS 12001-29-5 genoemd omdat dit overeenkomt met het nummer in de Wijzigingsrichtlijn. Het andere nummer (CAS 32207-32-0) komt overeen met dezelfde stof.
In deze afdeling wordt op meerdere plekken gesproken over asbesthoudende producten. In artikel 4.23 is, net als voorheen het geval was in artikel 4.37, een definitie van dit begrip opgenomen. Aan de bestaande begripsomschrijving is echter toegevoegd dat ook bodem, grond en baggerspecie moeten worden gezien als een product. Hiermee wordt buiten twijfel gesteld dat de relevante bepalingen van deze afdeling ook van toepassing zijn als wordt gewerkt met bodem, grond en baggerspecie waar een of meer vormen van asbest in voorkomt.
Aan de bestaande definities die reeds waren opgenomen in het oude artikel 4.37, zijn vier begripsbepalingen toegevoegd.
De definitie van amfibool asbest is toegevoegd om duidelijk te maken welke soorten asbest hieronder worden begrepen. Voorheen werden de soorten amfibool asbest telkens uitgeschreven na het gebruik van het begrip amfibole asbestvezels.
Het begrip asbeststof is toegevoegd, omdat dit begrip werd en wordt gebruikt in meerdere artikelen en ook voorkomt in de Asbestrichtlijn waar de artikelen in deze afdeling voor een groot deel op zijn gebaseerd.
De begrippen containment en asbestverdacht materiaal zijn toegevoegd, omdat deze begrippen in meerdere artikelen van deze afdeling terugkomen.
In de begripsomschrijving van het begrip object wordt nu verwezen naar het Asbestverwijderingsbesluit 2005, omdat dit begrip in beide besluiten dezelfde betekenis heeft.
Artikel 4.24
Voorheen: artikelen 4.37a en 4.37c
Inhoudelijke wijzigingen
Artikel 4.24 vervult dezelfde functie als het oude artikel 4.37a, namelijk het bepalen van het toepassingsbereik van de afdeling waarin het is opgenomen. Wel wijkt artikel 4.24 op een aantal punten af van het oude artikel 4.37a.
Allereerst is het opschrift ten opzichte van artikel 4.37a gewijzigd in ‘toepasselijkheid’ om duidelijker te maken wat het artikel regelt. In artikel 4.24 wordt daarnaast gesproken over asbeststof in plaats van asbest of asbesthoudende producten, zoals in het voormalige artikel 4.37a het geval was. Hiervoor is gekozen om de tekst van het artikel beter te laten aansluiten op de Asbestrichtlijn. In artikel 3 van de Asbestrichtlijn staat namelijk dat deze van toepassing is op werkzaamheden waarbij er sprake is of kan zijn van blootstelling aan asbeststof.
Het tweede lid van artikel 4.24 bevat een ondergrens voor de toepasselijkheid van de paragrafen 2 tot en met 5 van de afdeling. Deze ondergrens was voorheen opgenomen in artikel 4.37c. Daarin werd verwezen naar artikel 2, onderdeel b, van het Productenbesluit asbest. In plaats van een verwijzing naar het Productenbesluit, is in het tweede lid de ondergrens nu volledig uitgeschreven.
De ondergrens in artikel 4.37c was bepalend voor het van toepassing zijn van alle bepalingen in de afdeling. Op grond van artikel 4.24 is de ondergrens nu alleen nog maar bepalend voor het van toepassing zijn van de paragrafen 2 tot en met 5 van de afdeling. Dit betekent dat de voorschriften in paragraaf 1 ook van toepassing zijn als de ondergrens niet wordt gehaald. Omdat de grenswaarde in paragraaf 1 staat, is die nu dus nadrukkelijk ook van toepassing op concentraties asbest onder de ondergrens. Dat is belangrijk omdat heel lage concentraties asbest in sommige gevallen tot een hoge blootstelling kunnen leiden, zoals in onderdeel 3.4 van het algemeen deel van deze toelichting is uitgelegd.
Ook is de ondergrens nu alleen van toepassing op asbesthoudende producten. In het oude artikel 4.37c was de ondergrens ook van toepassing op asbest. Als er echter wordt gewerkt met zuiver asbest, dan zal er in de praktijk altijd aan de ondergrens worden voldaan. Het heeft daarom geen toegevoegde waarde om de ondergrens ook van toepassing te verklaren op asbest. Als er wordt gewerkt met zuiver asbest, dan is de gehele afdeling op deze werkzaamheden van toepassing.
Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat de ondergrens van toepassing is op de specifieke asbesthoudende producten waarmee wordt gewerkt. Als een asbesthoudend product onderdeel uitmaakt van een bouwwerk of object, dan moet worden nagegaan of de asbestconcentraties van het betreffende product de ondergrens van 100 mg per kilogram droge stof overschrijdt. Er moet dus niet worden gekeken naar de concentraties asbest van het gehele bouwwerk of object.
De ondergrens wordt gehaald als de concentratie serpentijnasbest vermeerderd met tienmaal de concentratie amfiboolasbest in het asbesthoudende product meer bedraagt dan honderd milligram per kilogram droge stof. Deze concentraties moeten, op grond van het derde lid van artikel 4.24, worden vastgesteld volgens een methode die in de Arboregeling is beschreven. Hierbij wordt nog opgemerkt dat het tweede en derde lid niet verplichten tot het telkens vaststellen van de aanwezige concentraties asbest in een product. Dit zal alleen nodig zijn in die situaties waarin er twijfel bestaat of de ondergrens wordt gehaald. Als op voorhand duidelijk is dat een product concentraties asbest bevat boven de ondergrens, dan hoeft niet te worden vastgesteld of de ondergrens ook daadwerkelijk wordt overschreden.
Artikel 4.25
Voorheen: artikel 4.46
Inhoudelijke wijzigingen
In het oude artikel 4.46 waren de grenswaarden opgenomen die van toepassing waren bij het werken met asbest. Hierbij werd een onderscheid gemaakt tussen enerzijds de concentratie chrysotiel en anderzijds de gezamenlijke concentratie actinoliet, amosiet, anthofylliet, tremoliet en crocidoliet (amfibool asbest). Voor beide concentraties gold een grenswaarde van 2.000 vezels per kubieke meter, berekend over een referentieperiode van acht uur per dag.
Vanwege de afschaffing van de indeling in risicoklassen bestaat er geen noodzaak meer tot het behouden van aparte grenswaarden voor chrysotiel enerzijds en amfibool asbest anderzijds. In artikel 4.25, dat in de plaats is getreden van het oude artikel 4.46, is daarom nog maar één grenswaarde opgenomen die geldt voor alle typen asbestvezels waarop afdeling 3 van hoofdstuk 4 van het Arbobesluit van toepassing is. Deze grenswaarde bedraagt 2.000 asbestvezels per kubieke meter, berekend over een referentieperiode van acht uur per dag. In de praktijk leidt dit niet tot een verandering, aangezien voor het onderscheid tussen werkzaamheden in risicoklasse 1 of 2, en daarmee de te nemen maatregelen, de totale concentratie asbestvezels in de lucht al leidend was. De voor risicoklasse 2A geldende bijzondere regels met betrekking tot de eindbeoordeling zijn daarnaast gehandhaafd in het nieuwe artikel 4.55 dat gaat over de eindbeoordeling.
Het is voor de praktijk erg belangrijk dat dit artikel wordt toegepast in combinatie met de artikelen 4.17, 4.18 en 4.19 van het Arbobesluit. Het is immers niet de bedoeling dat de concentratie asbestvezels op de werkplek niet meer verder wordt teruggedrongen indien deze concentratie zich onder de grenswaarde bevindt. Omdat asbest een kankerverwekkende stof is, is het vanwege Richtlijn 2004/3750 en de afdelingen 1 en 2 van het Arbobesluit – die daarvan de implementatie vormen – altijd noodzakelijk om de concentratie asbestvezels in de lucht zo ver onder de grenswaarde te brengen als technisch mogelijk is.
Artikel 4.26
Nieuw artikel
Een minimale eis voor alle werknemers die tijdens hun werkzaamheden in aanraking komen of kunnen komen met asbest of asbesthoudende producten, is dat zij voorlichting krijgen over de eigenschappen van asbest en de in relatie tot de arbeid relevante asbesthoudende producten. Dit is een aanvulling op de verplichting van de werkgever volgens artikel 4.10d om voorlichting te bieden aan werknemers die kunnen worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen. Het doel van de voorlichting is dat werknemers het asbest en de asbesthoudende producten waar zij tijdens hun werkzaamheden mee in aanraking zouden kunnen komen, kunnen herkennen. Hiermee kan worden voorkomen dat bij het verrichten van werkzaamheden asbeststof wordt geproduceerd en dat handelingen met asbest of asbesthoudende toepassingen worden verricht door werknemers die niet de hiervoor vereiste opleiding als bedoeld in artikel 4.30 hebben. Ook kan het voorkomen dat asbest of asbesthoudende toepassingen worden verwijderd, terwijl hierop de vergunningplicht van artikel 19a van de Arbowet van toepassing is.
Voor werknemers waarvan het de bedoeling is dat zij asbest en asbesthoudende producten kunnen herkennen en op grond daarvan afzien van werkzaamheden daaraan, volstaat de asbestherkenning als bedoeld in artikel 4.26. Voor werknemers die wel werkzaamheden aan asbest zullen verrichten of werkzaamheden verrichten die vanwege hun aard onvermijdelijk leiden of kunnen leiden tot blootstelling aan asbeststof, zijn tevens de bepalingen over aanvullende voorlichting en onderricht in paragraaf 2 van toepassing.
Voor werknemers die geen werkzaamheden met of aan asbest zullen verrichten, ligt de focus op het leren herkennen van en bewust zijn over de risico’s van asbest. Het primaire doel daarvan is het voorkomen dat deze werknemers onbewust werkzaamheden aan asbest verrichten.
Artikel 4.27
Nieuw artikel
Artikel 4.27 is nieuw en bepaalt in het eerste lid op welke werkzaamheden paragraaf 2 van toepassing is. Deze werkzaamheden bestaan uit twee categorieën: werkzaamheden met of aan asbest, asbesthoudende producten of asbestverdacht materiaal en werkzaamheden die onvermijdelijk leiden of kunnen leiden tot blootstelling aan asbeststof.
Bij de eerste categorie gaat het om werkzaamheden waarbij er concrete handelingen worden verricht met of aan asbest, asbesthoudende producten of asbestverdacht materiaal. Werkzaamheden waarbij een werknemer stuit op asbest, asbesthoudende producten of asbestverdacht materiaal, zonder hier iets mee te doen, vallen dus niet onder deze categorie. Voorbeelden van werkzaamheden in deze categorie zijn asbestverwijderingswerkzaamheden, het bewerken van asbest, het verrichten van laboratoriumonderzoek naar asbesttoepassingen en het in ontvangst nemen van asbesthoudend afval.
Bij asbestverdacht materiaal gaat om materialen waarvan nog niet duidelijk is of zij asbest zijn of producten waarvan nog niet duidelijk is of hierin asbest of een asbesthoudend product is toegepast. Omdat in deze gevallen de kans bestaat dat het asbestverdachte materiaal ook daadwerkelijk asbest of een asbesthoudend product blijkt te zijn, zijn de voorschriften in paragraaf 2 ook van toepassing op werkzaamheden met of aan asbestverdacht materiaal. Hiermee wordt gewaarborgd dat als het betreffende materiaal achteraf bezien toch asbest of een asbesthoudend product blijkt te zijn, de relevante voorschriften met betrekking tot het werken met asbest en asbesthoudende producten, zijn nageleefd. Dit is ook in lijn met het principe uit de Asbestrichtlijn dat als er ook maar de geringste twijfel bestaat over de aanwezigheid van asbest, de van toepassing zijnde bepalingen van de Asbestrichtlijn moeten worden gevolgd.
De tweede categorie betreft werkzaamheden, anders dan werkzaamheden in de eerste categorie, die vanwege hun aard onvermijdelijk leiden of kunnen leiden tot blootstelling aan asbeststof. Dit zijn werkzaamheden waar een (mogelijke) blootstelling aan asbeststof onvermijdelijk is om de werkzaamheden te kunnen verrichten. Een werknemer heeft in dit geval, anders gezegd, niet de mogelijkheid om af te zien van het verrichten van de werkzaamheden en de daarmee gepaard gaande blootstelling aan asbeststof of het risico daarop. Een voorbeeld van werkzaamheden in deze categorie is het houden van toezicht op de naleving van de voorschriften in deze afdeling op een locatie waar asbest wordt verwijderd. Om dit toezicht deugdelijk te kunnen uitoefenen, zal de toezichthouder die deze werkzaamheden verricht zich moeten begeven op de locatie waar de verwijderingswerkzaamheden worden verricht. De toezichthouder loopt hierbij het risico om te worden blootgesteld aan asbeststof, maar kan er vanwege de aard van zijn werkzaamheden niet voor kiezen om niet naar de locatie van de verwijderingswerkzaamheden te gaan: het is immers zijn taak om toezicht te houden en het bezoeken van de locatie is vereist om dit goed te kunnen doen. Een ander voorbeeld van werkzaamheden die vallen in deze categorie, is het uitvoeren van een asbestinventarisatie op locatie door een asbestinventariseerder. Ook in dit geval bestaat er een risico op blootstelling aan asbeststof die niet kan worden vermeden, vanwege de aard van de te verrichten werkzaamheden.
Op de tweede categorie van werkzaamheden zijn niet alle bepalingen van paragraaf 2 van toepassing. De bepalingen waar het om gaat, zijn opgenomen in het eerste lid, onderdeel b. Het gaat daarbij om bepalingen die niet passend zijn of niet kunnen worden toegepast bij deze categorie van werkzaamheden. In aanvulling daarop bepaalt onderdeel b dat de bepalingen van paragraaf 2 alleen gelden voor zover, gelet op de aard van de werkzaamheden, naleving van de relevante bepalingen in redelijkheid mogelijk is. Dit houdt in dat als iemand werkzaamheden verricht die behoren tot deze categorie, maar vanwege zijn werkzaamheden (redelijkerwijs) niet kan voldoen aan een of meer niet-uitgezonderde bepalingen in paragraaf 2, deze bepalingen buiten toepassing kunnen blijven. De formulering van de uitzondering maakt het mogelijk om in elke situatie een individuele afweging te maken. Tegelijkertijd moet deze uitzondering restrictief worden uitgelegd: slechts als het in alle redelijkheid niet mogelijk is om in de gegeven situatie aan een of meer bepalingen te voldoen, kan een succesvol beroep op deze uitzondering worden gedaan. Een voorbeeld hiervan is wanneer de toezichthouder in de uitoefening van haar toezichtstaak onmiddellijk moet ingrijpen en om die reden niet aan alle voorschriften die eigenlijk op hem van toepassing zijn, kan voldoen. Hierbij geldt dat puur financiële overwegingen geen reden kunnen zijn om bepalingen niet na te leven.
Vanwege het voorgaande, zijn de regels in deze paragraaf (en de daaropvolgende paragrafen van deze afdeling) niet van toepassing op werknemers die weliswaar worden blootgesteld of kunnen worden blootgesteld aan asbest, maar deze blootstelling niet het resultaat is van werkzaamheden die behoren tot een van de hiervoor beschreven categorieën. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan werknemers die kantoorwerkzaamheden verrichten en worden blootgesteld aan asbeststof door een beschadigde asbestwandplaat in de ruimte waarin zij werkzaam zijn. Op deze passieve blootstelling is daarentegen wel artikel 4.25 van toepassing. Dit betekent dat de werkgever er ook in deze gevallen voor moet zorgen dat werknemers in ieder geval niet worden blootgesteld aan een asbestconcentratie in de ingeademde lucht van meer dan 2.000 vezels per m3 en, gelet op de artikelen 4.17, 4.18 en 4.19, de concentratie asbestvezels in de lucht zo ver als technisch mogelijk is onder de grenswaarde moet brengen.
In aanvulling daarop, zullen werknemers die geen werkzaamheden verrichten waarop paragraaf 2 van toepassing is, ook moeten voldoen aan artikel 4.26 als zij als onderdeel van hun werkzaamheden in aanraking komen of kunnen komen met asbest of asbesthoudende producten. Hiermee kan worden voorkomen dat werknemers handelingen verrichten met asbest of asbesthoudende producten, terwijl daarbij niet wordt voldaan aan de voorschriften in paragraaf 2.
Het tweede lid van artikel 4.27 breidt de reikwijdte van het begrip ‘gevarenzone’ uit, zoals dit wordt gebruikt in artikel 4.19, eerste lid. Dit houdt in dat de verplichtingen in artikel 4.19, eerste lid, onderdelen b en c, niet alleen gelden voor gevarenzones die zich binnen een bedrijf of inrichting bevinden, maar ook daarbuiten, zoals in woningen, schepen of openbare terreinen. Gelet op artikel 16, eerste lid, onderdeel a, van de Asbestrichtlijn waren in het geval van het werken met asbest, de verplichtingen in artikel 4.19, eerste lid, onderdelen b en c, al van toepassing op dergelijke gevarenzones buiten bedrijven of inrichtingen. Met het tweede lid wordt dit nu expliciet vastgelegd in het Arbobesluit.
Het derde lid verklaart de taaleis in artikel 1.5ha van overeenkomstige toepassing op de werkzaamheden waarop deze paragraaf van toepassing is. Dit betekent dat degenen die deze werkzaamheden verrichten, de Nederlandse taal moeten beheersen op het niveau dat nodig is om de werkzaamheden op verantwoorde wijze te kunnen verrichten, dan wel een andere gemeenschappelijke taal waarmee alle bij de arbeid betrokkenen de werkzaamheden op verantwoorde wijze kunnen uitvoeren.
Het van overeenkomstige toepassing verklaren van de taaleis in artikel 1.5ha op werkzaamheden met asbest geeft een invulling aan de taaleis in artikel 31 van de Algemene wet erkenning beroepskwalificaties. De taaleis, bedoeld in dat artikel, geldt ten aanzien van gereglementeerde beroepen. De werkzaamheden met asbest waarop paragraaf 2 van toepassing is, vallen onder deze noemer, nu er op grond van de Asbestrichtlijn en de arboregelgeving eisen gelden om deze werkzaamheden te mogen verrichten.
Artikel 4.28
Voorheen: artikel 4.37b
Technische wijziging
Artikel 4.28 komt inhoudelijk overeen met het oude artikel 4.37b en bepaalt dat in plaats van bepaalde artikelen uit de voorgaande afdelingen, bepaalde artikelen uit deze afdeling moeten worden toegepast. Wel is de nummering van de artikelen in deze afdeling die moeten worden toegepast, aangepast, vanwege de nieuwe opzet van deze afdeling.
Artikel 4.37b was onderverdeeld in vijf leden. Ten behoeve van de leesbaarheid is er nu voor gekozen om de artikelen die in plaats van andere artikelen moeten worden toegepast, op te nemen in een tabel.
Artikel 4.29
Voorheen: artikel 4.45a
Technische wijziging
Dit artikel is, tezamen met artikel 4.10d, eerste lid, de implementatie van artikel 17, eerste lid, van de Asbestrichtlijn, waarin een verplichting tot het geven van voorlichting is opgenomen. Op grond van artikel 4.10d zal aan alle werknemers die worden of kunnen worden blootgesteld aan asbeststof, doeltreffende voorlichting moeten worden gegeven over in ieder geval de in dat artikel genoemde onderwerpen. Op grond van dit artikel zal daarnaast voor werkzaamheden waarop paragraaf 2 van deze afdeling van toepassing is, doeltreffende voorlichting moeten worden gegeven over de noodzaak van het toezicht op het asbestgehalte in de lucht en de daarvoor geldende grenswaarde.
Onderdeel a van het oude artikel 4.45a, waarin de verplichting was opgenomen om voorlichting te geven over de mogelijke gevaren voor de gezondheid van blootstelling aan asbeststof, komt niet terug in artikel 4.29. Dit omdat de verplichting om over dit onderwerp voorlichting te geven reeds voortvloeit uit artikel 4.10d, eerste lid, onderdeel a.
Dit artikel bevat tot slot een verwijzing naar artikel 4.10d, om de relatie met dat artikel te verduidelijken.
Artikel 4.30
Voorheen: artikel 4.45b
Inhoudelijke wijzigingen
In dit artikel is de verplichting voor werkgevers opgenomen om aan werknemers die werkzaamheden verrichten waarbij zij worden of kunnen worden blootgesteld aan asbeststof, een passende opleiding aan te bieden. Ook bevat dit artikel de eisen die aan deze opleiding worden gesteld.
Deze verplichting en de eisen die worden gesteld aan de opleiding zijn een implementatie van artikel 14 van de Asbestrichtlijn. De Wijzigingsrichtlijn heeft de eisen die aan de opleiding worden gesteld op een aantal punten gewijzigd en aangevuld, met name in een nieuwe bijlage I bis bij de Asbestrichtlijn. Deze aanvullingen en wijzigingen zijn verwerkt in dit artikel van het Arbobesluit.
Het eerste lid verplicht werkgevers om ervoor te zorgen dat werknemers die werkzaamheden verrichten waarop deze paragraaf van toepassing is, een passende opleiding hebben gevolgd. Dit is een bestaande verplichting die door de Wijzigingsrichtlijn niet is veranderd. Wel is deze verplichting ten opzichte van het oude artikel 4.45b, eerste lid, stelliger geformuleerd: op grond van artikel 4.45b, eerste lid, diende de werkgever een passende opleiding te verzorgen. Om te benadrukken dat de werknemer de opleiding ook moet hebben afgerond, heeft het eerste lid nu als eis dat de opleiding moet zijn gevolgd. Dat de opleiding passend moet zijn, houdt onder andere in dat de duur van de opleiding moet zijn afgestemd op de werkzaamheden van de betrokken werknemers en voor werknemers gemakkelijk te begrijpen moet zijn.
De eis dat de opleiding moet zijn toegespitst op het kennisniveau van de werknemer is een bestaande eis. De overige eisen die in het eerste lid worden genoemd, zijn ontleend aan het gewijzigde artikel 14 en de nieuwe bijlage I bis van de Asbestrichtlijn.
Daarnaast is de frequentie waarmee de opleiding moet worden verzorgd, die voorheen was opgenomen in artikel 4.45b, eerste lid, ondergebracht in een apart artikellid. Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat naast de verplichting in het eerste lid voor de werkgever om een passende opleiding aan te bieden, er ook een verplichting is voor de werknemer om deze te volgen. Dit volgt uit artikel 11, aanhef en onderdeel d, van de Arbowet.
De Wijzigingsrichtlijn heeft de frequentie waarmee de opleiding dient te worden verzorgd, aangepast. Deze gewijzigde frequentie is nu opgenomen in het tweede lid van dit artikel. Een opleiding dient aan het begin van een arbeidsrelatie plaats te vinden en met regelmatige tussenpozen te worden herhaald. Hoe lang deze tussenpozen duren, hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de werkzaamheden en de risico’s die de werknemer hierbij loopt. Een tussenpoze dient hoe dan ook korter te zijn dan drie jaar, aangezien op grond van artikel 4.35, eerste en tweede lid, een in het Register gezond en veilig werken met asbest geregistreerde opleiding of, indien slechts één opleiding is geregistreerd, de gehele registratie, van rechtswege komt te vervallen indien de opleiding niet binnen een periode van drie jaar is herhaald. De werkgever zal zijn werknemers daarnaast een nieuwe opleiding moeten laten volgen wanneer hij aanvullende opleidingsbehoeften vaststelt. Van aanvullende opleidingsbehoeften zal in de praktijk onder meer sprake zijn bij ontwikkelingen inzake het werken met asbest, zoals nieuwe werkwijzen, arbeidsmiddelen en persoonlijke beschermingsmiddelen, of een relevante wijziging in wet- en regelgeving.
Het kan voorkomen dat een werknemer na het afronden van een opleiding die een werkgever hem heeft aangeboden, overstapt naar een andere werkgever. In dat geval hoeft de werknemer, mits hij voor zijn nieuwe werkgever dezelfde werkzaamheden verricht als waar hij eerder voor is opgeleid, niet opnieuw een opleiding te volgen. Het vereiste dat de opleiding aan het begin van een arbeidsrelatie moet plaatsvinden, kan dus ook zien op eerdere arbeidsrelaties. Wel geldt in alle gevallen het vereiste dat de opleiding met regelmatige tussenpozen moet worden herhaald. Als een opleiding bijvoorbeeld normaal gesproken na zes maanden moet worden herhaald en een werknemer stapt twee maanden na het afronden van een opleiding over naar een andere werkgever waar hij dezelfde werkzaamheden zal verrichten, dan moet de betreffende werknemer vier maanden na de overstap de door hem gevolgde opleiding herhalen. Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat als de werknemer in het voorbeeld ook nog andere werkzaamheden met asbest verricht bij zijn nieuwe werkgever en op deze werkzaamheden de opleidingseis van artikel 4.30 van toepassing is, hij voor deze werkzaamheden moet worden opgeleid.
In het derde lid van artikel 4.30 zijn inhoudelijke eisen opgenomen die gelden voor de opleiding als bedoeld in dit artikel. Deze eisen komen grotendeels overeen met de reeds bestaande eisen die al waren gebaseerd op de Asbestrichtlijn. De wijzigingen ten opzichte van de reeds bestaande eisen worden hierna benoemd en zijn alle afkomstig uit de Wijzigingsrichtlijn.
Nieuw ten opzichte van de bestaande eisen is allereerst de eis dat de opleiding moet bestaan uit een theorie- en een praktijkgedeelte. Daarnaast zal in de opleiding ook aandacht moeten worden besteed aan het toepasselijke recht inzake het werken met asbest. Van werkgevers wordt hiermee verwacht dat hun werknemers op de hoogte zijn van de geldende regels op het gebied van het werken met asbest. Verder zal de opleiding aandacht moeten besteden aan de aangewezen rol, de keuze, selectie, de beperkingen en het juiste gebruik van beschermingsmiddelen in het algemeen, in plaats van enkel in relatie tot ademhalingsapparatuur. Daarbij moet echter wel in het bijzonder aandacht worden besteed aan ademhalingsapparatuur.
Het vierde lid bevat een aanvullende opleidingseis voor werknemers die sloop- of asbestverwijderingswerkzaamheden zullen verrichten. Aan hen zal een opleiding moeten worden aangeboden waarin niet alleen aandacht wordt besteed aan de onderwerpen in het derde lid, maar ook het gebruik van technologische apparatuur en machines om het vrijkomen en de verspreiding van asbestvezels tijdens de arbeid te beperken. Dit is een aanvullende eis die ook afkomstig is uit de Wijzigingsrichtlijn.
De aanvullende opleidingseis in het vierde lid geldt ook voor werknemers die werkzaamheden zullen verrichten bestaande uit het opruimen van asbest of asbesthoudende producten die ten gevolge van een incident zijn vrijgekomen. Dit zijn werkzaamheden die vallen onder het begrip verwijderen van asbest. Vanwege de aard van deze werkzaamheden en het feit dat in deze situatie zowel de werknemers als anderen worden of kunnen worden blootgesteld aan mogelijk grote hoeveelheden asbeststof, is het van groot belang dat de werknemers die de opruimwerkzaamheden zullen verrichten, deugdelijke kennis hebben van apparatuur en machines die erop zijn gericht om de (verdere) verspreiding van asbestvezels te beperken.
Het vijfde lid kent een drietal eisen waaraan moet worden voldaan alvorens een werknemer werkzaamheden mag verrichten waarbij hij aan asbeststof wordt of kan worden blootgesteld. De eerste eis is dat de werknemer een opleiding moet hebben afgerond die voldoet aan dit artikel en de eventuele op grond van het achtste lid gestelde nadere eisen dan wel een opleiding moet hebben afgerond die overeenkomstig de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties als een zodanige opleiding is erkend. Dat de opleiding moet voldoen aan de eisen die bij of krachtens dit artikel zijn gesteld, betekent onder meer dat de opleiding zal moeten zijn toegespitst op het beroep, de taken, het kennisniveau en de ervaring van de betreffende werknemer en de werkmethoden die met zijn beroep gepaard gaan. De tweede eis is dat zowel de werknemer als het door hem afronden van de betreffende opleiding moet zijn geregistreerd in het Register gezond en veilig werken met asbest. Tot slot moet de werknemer in het bezit zijn van een bewijs van deze registratie. Deze laatste twee eisen maken het mogelijk om relatief eenvoudig na te gaan of een werknemer over de voor zijn werkzaamheden vereiste opleiding beschikt.
Met het oog op het toezicht door de toezichthouder, bepaalt het zesde lid dat het bewijs van registratie of een afschrift hiervan, op de arbeidsplaats aanwezig moet zijn.
Op grond van artikel 22 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties mogen aan personen die vanuit een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of Zwitserland gereglementeerde werkzaamheden in Nederland willen verrichten (dienstverrichters), in beginsel geen beperkingen wegens beroepskwalificaties worden gesteld. Daarnaast zijn deze personen op grond van artikel 24 van die wet vrijgesteld van de inschrijving in een bij of krachtens de wet ingesteld register. Om deze redenen is in het zevende lid bepaald dat het vijfde en zesde lid van dit artikel niet van toepassing zijn op dienstverrichters als bedoeld in artikel 21 van de Algemene wet erkenning beroepskwalificaties. Wel zal er bij deze werkzaamheden nog moeten worden voldaan aan de eisen die de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties stelt aan het verrichten van deze werkzaamheden. Dit kan voor bepaalde werkzaamheden de verplichting inhouden om voor aanvang van de werkzaamheden de beroepskwalificaties te laten controleren op grond van artikel 27 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties.
Het achtste lid biedt de mogelijkheid om bij ministeriële regeling nadere regels te stellen over de opleidingen, bedoeld in dit artikel. Bij deze regels kan in ieder geval worden gedacht aan concretiseringen van de onderwerpen in het derde lid en een nadere invulling van het begrip ‘regelmatige tussenpozen’. Bij het formuleren van de nadere regels kan onderscheid worden gemaakt naar bijvoorbeeld beroepen, sectoren of soorten opleidingen.
De onderdelen a en b maken duidelijk dat de nadere regels ook een verplichting kunnen inhouden om een opleiding met een examen af te ronden en een verplichting om het examen af te laten nemen door een nader te bepalen partij.
Artikel 4.31
Nieuw artikel
Op grond van artikel 4.30, tweede lid, moeten opleidingen die zijn vereist om werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.27, eerste lid, te verrichten, met regelmatige tussenpozen worden herhaald en daarnaast wanneer aanvullende opleidingsbehoeften worden vastgesteld. In plaats van het in zijn geheel opnieuw volgen van een opleiding, geeft artikel 4.31 werknemers de mogelijkheid om door middel van onderwijsactiviteiten aan deze verplichtingen te voldoen. Dit sluit aan bij het stelsel van permanente educatie, zoals dit gold voor de Deskundig Inventariseerder Asbest (DIA) en de Asbestdeskundige (ADK).
Het eerste lid van artikel 4.31 bepaalt dat aan de eis van het met regelmatige tussenpozen herhalen van een opleiding, ook kan worden voldaan door het volgen van onderwijsactiviteiten, anders dan een opleiding. Het begrip ‘onderwijsactiviteiten’ is een breed begrip: dit kunnen losse opleidingsmodules, trainingen en cursussen zijn, maar bijvoorbeeld ook praktijkdagen of stages bij andere werkgevers.
In het eerste lid zijn twee aanvullende voorwaarden opgenomen om middels onderwijsactiviteiten te kunnen voldoen aan de hiervoor genoemde verplichting tot herhaling van de opleiding. Allereerst moet het gaan om onderwijsactiviteiten die zijn gevolgd vanaf het moment waarop de eerste of een eerdere opleiding is afgerond tot en met het moment dat deze opleiding moet zijn herhaald op grond van artikel 4.30, tweede lid.
Aangezien artikel 4.31, eerste lid, een alternatieve manier is om te voldoen aan de verplichting tot het met regelmatige tussenpozen herhalen van de opleiding in artikel 4.30, tweede lid, zal het geheel aan onderwijsactiviteiten dat door een werknemer is gevolgd, vergelijkbaar moeten zijn met het opnieuw hebben gevolgd van een opleiding die aan alle relevante eisen voldoet. De tweede aanvullende voorwaarde is daarom dat de onderwijsactiviteiten die in deze periode zijn gevolgd, tezamen gelijkgesteld moeten kunnen worden met een opleiding die voldoet aan de vereisten in artikel 4.30, eerste, derde en, indien van toepassing, vierde lid, en de krachtens artikel 4.30 achtste lid, gestelde nadere regels.
De gelijkstelling aan een opleiding ziet op het geheel aan gevolgde onderwijsactiviteiten. Het is, anders gezegd, dus niet zo dat elke individuele onderwijsactiviteit bijvoorbeeld aandacht moet besteden aan alle onderwerpen, genoemd in artikel 4.30, derde lid, of uit een theorie- en een praktijkgedeelte moet bestaan. Wel is het van belang dat op het moment dat de opleiding uiterlijk moet zijn herhaald, alle gevolgde onderwijsactiviteiten tezamen gelijk te stellen zijn aan een opnieuw gevolgde opleiding. Dit betekent onder meer dat het geheel aan gevolgde onderwijsactiviteiten de werknemer moet hebben voorzien van de nodige kennis en vaardigheden voor het verrichten van de werkzaamheden en uit theorie- en praktijkelementen moet hebben bestaan. Ook moeten de onderwijsactiviteiten toegespitst zijn geweest op het beroep en de taken van de werknemer, en de specifieke werkmethoden die met zijn beroep gepaard gaan.
Het tweede lid ziet op de situatie dat een werknemer onderwijsactiviteiten als bedoeld in het eerste lid heeft gevolgd om te voldoen aan de verplichting tot het met regelmatige tussenpozen herhalen van de opleiding. Als de gevolgde onderwijsactiviteiten gelijk te stellen zijn aan een opleiding en de werknemer dus voldaan heeft aan de hiervoor genoemde verplichting, dan kan hij aan de eerstvolgende plicht tot herhaling van de opleiding voldoen door ofwel het volgen van een volwaardige opleiding ofwel het volgen van onderwijsactiviteiten, anders dan een opleiding, die aan een opleiding gelijk kunnen worden gesteld.
Een vraag die zich hierbij kan voordoen, is vanaf welke datum er is voldaan aan de verplichting tot het herhalen van de opleiding en of dit nog binnen de termijn valt waarbinnen de opleiding had moeten zijn herhaald. Om hier geen onduidelijkheden over te laten ontstaan, bepaalt het tweede lid dat in deze situatie de nieuwe uiterste datum van het herhalen van de opleiding moet worden bepaald aan de hand van de voorgaande uiterste datum voor herhaling. Indien een werknemer ervoor kiest om opnieuw met onderwijsactiviteiten als bedoeld in het eerste lid te voldoen aan de verplichting tot het herhalen van de opleiding, dan mogen, op grond van het tweede lid, alleen onderwijsactiviteiten die zijn gevolgd in de hiervoor genoemde periode in aanmerking worden genomen.
Als bijvoorbeeld een opleiding elk jaar moet worden herhaald en de werknemer heeft aan deze plicht tot herhaling voldaan door het volgen van onderwijsactiviteiten als bedoeld in het eerste lid, dan zal hij, als hij opnieuw op deze wijze aan de plicht tot herhaling wil voldoen, onderwijsactiviteiten moeten volgen in een periode die een jaar na het volgen van de eerste opleiding begint en een jaar daarna afloopt.
Het derde lid maakt het mogelijk om door middel van onderwijsactiviteiten als bedoeld in het eerste lid te voldoen aan de verplichting tot het opnieuw volgen van een opleiding bij aanvullende opleidingsbehoeften. Hierbij is het van belang dat de gevolgde onderwijsactiviteiten voorzien in de aanvullende opleidingsbehoefte. Is dit het geval, dan wordt de werknemer die deze onderwijsactiviteiten heeft gevolgd, geacht te voldoen aan de eis tot herhaling van de opleiding in artikel 4.30, tweede lid, vanwege een aanvullende opleidingsbehoefte.
Het vierde lid verklaart een aantal artikelen van overeenkomstige toepassing.
Het van overeenkomstige toepassing verklaren van artikel 4.30, vijfde lid, met de aanvullende voorwaarde over de toepassing van de onderdelen a en b van dit artikellid, heeft tot gevolg dat een werknemer die onderwijsactiviteiten als bedoeld in het eerste lid heeft gevolgd om te voldoen aan de verplichting tot herhaling van de opleiding, zijn werkzaamheden na het verstrijken van de uiterste datum voor herhaling van de opleiding pas mag voortzetten als de voor die datum gevolgde onderwijsactiviteiten gelijk te stellen zijn aan een opleiding die voldoet aan de bij of krachtens artikel 4.30 gestelde regels en in het Register gezond en veilig werken met asbest zijn geregistreerd. In het geval van een aanvullende opleidingsbehoefte mogen de werkzaamheden pas worden voortgezet zodra de onderwijsactiviteiten die voorzien in de aanvullende opleidingsbehoefte zijn afgerond en zijn geregistreerd in het Register gezond en veilig werken met asbest. In beide gevallen zal de werknemer ook moeten beschikken over een bewijs van deze registratie.
In artikel 4.30, vijfde lid, onderdeel a, wordt verwezen naar opleidingen die zijn erkend overeenkomstig de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties. Deze wet ziet echter alleen op de erkenning van volledige opleidingen. Om deze reden is bepaald dat de Minister van SZW in het geval van onderwijsactiviteiten die zijn gevolgd in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, moet beoordelen of deze in aanmerking genomen kunnen worden.
Vanwege de samenhang met het vijfde lid, zijn ook het zesde en zevende lid van artikel 4.30 van overeenkomstige toepassing verklaard. Het van overeenkomstige toepassing zijn van artikel 4.30, achtste lid, maakt het mogelijk voor de Minister van SZW om nadere regels te stellen over de onderwijsactiviteiten, bedoeld in het eerste en derde lid.
Onderwijsactiviteiten als bedoeld in het eerste lid moeten net als opleidingen worden verzorgd door een erkende opleider. Dit geldt zowel voor onderwijsactiviteiten die in Nederland zijn gevolgd als onderwijsactiviteiten die in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of Zwitserland zijn gevolgd. Om deze reden zijn de artikelen 4.32 en 4.33 van overeenkomstige toepassing verklaard. Een onderwijsactiviteit die niet is verzorgd door een erkende opleider, mag niet worden meegenomen bij het bepalen of een geheel aan onderwijsactiviteiten gelijk te stellen is aan een opleiding respectievelijk of de onderwijsactiviteit voorziet in de aanvullende opleidingsbehoefte.
Van onderwijsactiviteiten als bedoeld in het eerste en derde lid wordt niet verwacht dat zij voldoen aan de eisen die aan een opleiding worden gesteld. De erkenningsvoorwaarde in artikel 4.32, tweede lid, onderdeel a, is daarom niet van toepassing op aanvragen om te worden erkend als opleider ten aanzien van een of meer onderwijsactiviteiten. Wel zullen de onderwijsactiviteiten moeten voldoen aan de regels die op grond van artikel 4.30, achtste lid, zijn gesteld en van toepassing zijn op de betreffende onderwijsactiviteiten. De bevoegdheid om op grond van het hiervoor genoemde artikellid regels te stellen over onderwijsactiviteiten als bedoeld in het eerste en derde lid, komt voort uit het van overeenkomstige toepassing verklaren van dit artikellid.
Bij de invulling van de erkenningscriteria, bedoeld in artikel 4.32, tweede lid, onderdelen b en c, zal rekening worden gehouden met de aard en omvang van de onderwijsactiviteiten, nu onderwijsactiviteiten op deze punten verschillen van een volwaardige opleiding.
Onderwijsactiviteiten als bedoeld in het eerste en derde lid moeten, vanwege het van overeenkomstige toepassing verklaren van artikel 4.30, vijfde lid, in het Register gezond en veilig werken met asbest worden geregistreerd. De artikelen 4.34 tot en met 4.36, met uitzondering van het tweede en derde lid van artikel 4.34, zijn daarom van overeenkomstige toepassing verklaard. Door het niet van toepassing laten zijn van artikel 4.34, tweede en derde lid, zullen de werkgever of de werknemer zelf een verzoek tot registratie van de onderwijsactiviteiten moeten indienen bij de partij die namens de Minister van SZW het Register gezond en veilig werken met asbest beheert. Dit beperkt de uitvoeringslasten van de aanbieders van onderwijsactiviteiten en maakt het mogelijk om een geheel aan onderwijsactiviteiten in één keer te laten registreren. Hierdoor kan bovendien gelijk worden gecontroleerd of een geheel aan onderwijsactiviteiten gelijk te stellen is aan een volwaardige opleiding.
Artikel 4.32
Nieuw artikel
De nieuwe bijlage I bis van de Asbestrichtlijn schrijft voor dat een opleiding moet worden gegeven door een erkend instructeur. Artikel 4.32 is de implementatie van deze verplichting.
Het eerste lid bepaalt dat de opleiding ten behoeve van het werken met asbest moet worden verzorgd door een erkende opleider. Dit kan een erkende opleider in Nederland zijn, maar ook een opleider of instructeur die door een daartoe bevoegde instantie in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of Zwitserland is erkend. Omdat de opleidingseis uit de Asbestrichtlijn, inclusief de eis dat de opleiding moet zijn gegeven door een erkende opleider, ook in de andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte van toepassing is, mag de opleiding ook zijn verzorgd door een erkende opleider in een van deze andere lidstaten. De Asbestrichtlijn is niet van toepassing op Zwitserland, maar de Richtlijn erkenning beroepskwalificaties (Richtlijn 2005/36/EG) wel. Om die reden komen ook opleidingen die zijn gevolgd in Zwitserland in aanmerking voor erkenning. Omdat de Asbestrichtlijn echter verplicht dat de opleiding moet zijn verzorgd door een erkende instructeur, wordt deze eis ook gehanteerd ten aanzien van opleidingen die in Zwitserland zijn gevolgd. Verder geldt dat ongeacht of de opleiding in Nederland of in het buitenland is gevolgd, deze hoe dan ook zal moeten voldoen aan de inhoudelijke eisen die bij of krachtens artikel 4.30 zijn gesteld, waaronder de eis dat men kennis heeft van het toepasselijke recht.
De Asbestrichtlijn schrijft voor dat de kwalificatie van de instructeur die de opleiding verzorgt, moet zijn erkend naar nationaal recht en de nationale praktijk. Voor opleidingen die worden verzorgd in Nederland is dit vertaald naar een erkenning op het niveau van de opleider, dat wil zeggen: de organisatie die de opleiding aanbiedt. Dit wil echter niet zeggen dat andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte ook deze vertaling maken. Om die reden mag in het geval van opleidingen die zijn verzorgd in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, de opleiding ook zijn verzorgd door een instructeur die is erkend door een daartoe bevoegde instantie in het betreffende land.
In Nederland zal de erkenning als opleider worden afgegeven door de Minister van SZW. Deze erkenning is daarbij gekoppeld aan een of meer concrete opleidingen. Anders gezegd: een erkenning geeft de opleider het recht om een bepaalde opleiding te verzorgen die voldoet aan artikel 4.30 en die, bij het goed afronden hiervan, werknemers het recht geeft om bepaalde asbestwerkzaamheden te verrichten. Een erkenning geeft een opleider daarnaast het recht om namens de Minister van SZW bepaalde registraties door te voeren in het Register gezond en veilig werken met asbest en deze in bepaalde gevallen te verwijderen.
Een erkenning wordt, zo volgt uit het tweede lid, op aanvraag verleend door de Minister van SZW. De criteria voor erkenning zijn ook opgenomen in het tweede lid. Aangezien de erkenning van de opleider gekoppeld is aan opleidingen die voldoen aan de criteria van artikel 4.30, zal de opleider in ieder geval moeten aantonen dat de opleidingen ten aanzien waarvan hij als opleider wil worden erkend, voldoen aan de eisen van artikel 4.30.
Ook zal de opleider moeten aantonen dat zowel hijzelf als de relevante opleidingen die hij aanbiedt, aansluiting hebben op de relevante werkvelden. Met deze eis wordt gewaarborgd dat de opleider en de opleidingen aansluiten bij de kennisbehoeften van werkgevers en werknemers in het betreffende werkveld. In onderdeel 3.2.1 van de algemene toelichting is hierover meer uitleg opgenomen.
De Asbestrichtlijn vereist dat de instructeur over een erkenning beschikt. In dit artikel wordt dit zo ingevuld dat de opleider, als voorwaarde voor erkenning, over aantoonbaar deskundige instructeurs moet beschikken. Het gaat hierbij om het personeel dat in de praktijk de opleiding zal geven: zij moeten beschikken over de hiervoor benodigde kennis en didactische vaardigheden. Dit wil niet zeggen dat elke docent kennis moet hebben van elk onderdeel van de opleiding. Indien een opleiding door meerdere docenten wordt gegeven die bijvoorbeeld elk een bepaald onderwerp of thema binnen de opleiding verzorgen, dan is het van belang dat elk van hen beschikt over de benodigde kennis voor dat deel van de opleiding dat zij geven en dat zij tezamen over alle kennis beschikken die voor (het geven van) de gehele opleiding is vereist.
Het is ook na erkenning aan de opleider om erop toe te zien dat de kennis en didactische vaardigheden van zijn personeel op peil blijft. Schiet hij hierin tekort, dan kan dit leiden tot intrekking van de erkenning.
Tot slot zal een opleider moeten kunnen aantonen dat hij voldoet of kan voldoen aan bij ministeriële regeling te bepalen organisatorische verplichtingen. Een zodanige verplichting kan bijvoorbeeld inhouden dat personen die een opleiding hebben gevolgd, een klacht moeten kunnen indienen bij de opleider. Een ander voorbeeld is de verplichting dat de opleider moet beschikken over personeel dat in staat is om bezwaar- en beroepsprocedures te voeren in relatie tot beslissingen die de opleider namens de minister zal nemen.
De te stellen organisatorische verplichtingen zullen relevant moeten zijn voor de erkenning als opleider. Het is dus niet de bedoeling dat eisen worden gesteld die geen verband houden met de verzorging van opleidingen door de opleider.
Er zullen echter hoe dan ook verplichtingen moeten worden gesteld inzake het verwerken van persoonsgegevens. Dit omdat aan een opleider, indien hij wordt erkend, mandaat, volmacht en machtiging wordt verleend om namens de Minister van SZW bepaalde handelingen te verrichten in relatie tot het Register gezond en veilig werken met asbest (artikel 4.34, tweede lid). De erkende opleider zal hierbij persoonsgegevens verwerken in de hoedanigheid van verwerker van de Minister van SZW. Op grond van artikel 28 van de AVG moet in een overeenkomst of andere rechtshandeling het nodige worden vastgelegd over de relatie tussen de verwerkingsverantwoordelijke en de verwerker. In dit geval wordt ervoor gekozen om dat wat op grond van artikel 28 van de AVG moet worden vastgelegd, vast te leggen in de vorm van verplichtingen waar de opleider aan moet voldoen. Als een opleider wordt erkend, dan zal hij op grond van het erkenningsvoorschrift, bedoeld in het zesde lid, onderdeel c, gehouden zijn om de verplichtingen inzake het verwerken van persoonsgegevens na te leven.
Het kan zo zijn dat een opleider op het moment dat hij een aanvraag om erkenning heeft ingediend, nog niet aan een of meer van deze verplichtingen voldoet. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als het voldoen aan een verplichting de nodige investeringen met zich meebrengt, maar het doen van deze investeringen redelijkerwijs niet van de opleider kan worden verwacht nog voordat hij is erkend. Om die reden kan een opleider ook worden erkend als hij op het moment van de aanvraag nog niet aan een of meer verplichtingen voldoet, maar wel aan kan tonen dat hij in staat is om hier op termijn aan te voldoen. Indien een opleider weet aan te tonen dat hij op termijn aan een verplichting kan voldoen, maar dit een langere tijd in beslag zal nemen, dan kan de Minister van SZW overeenkomstig het vijfde lid een voorschrift verbinden aan de erkenning om te waarborgen dat de opleider ook daadwerkelijk aan de verplichting zal voldoen. Wordt door de opleider niet of niet langer aan een verplichting voldaan, dan kan de erkenning worden ingetrokken.
Als de inhoud van een opleiding wijzigt, is het niet altijd nodig om een nieuwe aanvraag om erkenning in te dienen. Of dit nodig is, hangt af van de wijzigingen die zijn doorgevoerd. Gaat het bijvoorbeeld alleen om een actualisering van bepaalde onderdelen van de opleiding, bijvoorbeeld vanwege nieuwe technologieën of werkmethoden, dan is het niet nodig om een nieuwe erkenning aan te vragen. Zijn de wijzigingen echter zodanig, dat er in feite sprake is van een nieuwe opleiding, dan zal de opleider wel een nieuwe erkenning moeten aanvragen. Doet de opleider dit niet of wordt aan hem geen erkenning verleend voor de gewijzigde opleiding, dan kan hij niet langer worden aangemerkt als een voor die opleiding erkende opleider.
Als een opleider al over een erkenning beschikt en ook voor andere opleidingen wil worden erkend als opleider, dan hoeft hij in zijn aanvraag om erkenning alleen informatie op te nemen over deze andere opleidingen. De opleider hoeft dus niet opnieuw aan te tonen dat hij voldoet aan alle voorwaarden ten aanzien van die opleidingen waarvoor hij al als opleider is erkend.
Op grond van het derde lid moet de erkenningsaanvraag worden ingediend door middel van een door de Minister van SZW ter beschikking gesteld formulier. Daarnaast zullen bij de aanvraag bepaalde stukken moeten worden gevoegd. De stukken waar het om gaat, zijn benoemd in de Arboregeling.
Een erkenning is op grond van het vierde lid voor onbepaalde tijd geldig. Wel kan een erkenning, als hier aanleiding toe is, worden ingetrokken of geschorst op grond van het zevende respectievelijk het achtste lid. Het vierde lid bepaalt ook dat in een erkenning moet worden opgenomen voor het verzorgen van welke opleidingen de opleider is erkend.
Het vijfde lid geeft de bevoegdheid om voorschriften te verbinden aan een erkenning. Het zesde lid bevat echter voorschriften die de Minister van SZW zonder meer aan een erkenning moet verbinden.
Een opleider waaraan een erkenning is verleend, zal moeten blijven voldoen aan de voorwaarden voor erkenning. Zo zal de opleider ervoor moeten zorgen dat de opleidingen ten aanzien waarvan hij is erkend, aantoonbaar aansluiting behouden met de relevante werkvelden. Ook zullen de personen die de opleidingen verzorgen hun inhoudelijke kennis en didactische vaardigheden op peil moeten houden. Om naleving van de erkenningsvoorwaarden te waarborgen, bevat het zesde lid vier voorschriften die aan elke erkenning als opleider worden verbonden.
Het voorschrift in onderdeel a behelst de verplichting voor de erkende opleider om aan de Minister van SZW alle omstandigheden te melden die relevant zijn voor de erkenning. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een grote inhoudelijke wijziging van een opleiding. Het voorschrift in onderdeel b is een verplichting voor de opleider om mee te werken aan onderzoeken van de Minister van SZW naar de vraag of de erkende opleider nog voldoet aan de erkenningsvoorwaarden. Hoe dit onderzoek eruit zal zien en hoe frequent dit wordt uitgevoerd, is aan de Minister van SZW om te bepalen. Het kan bij een onderzoek als hier bedoeld onder meer gaan om een periodieke audit die eens in de zoveel tijd plaatsvindt.
Het voorschrift in onderdeel c houdt de verplichting in om te blijven voldoen aan de organisatorische verplichtingen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel d. Indien een opleider wel al is erkend, maar nog niet voldoet aan een of meer van deze verplichtingen, dan kan dit voorschrift worden gecombineerd met het voorschrift dat aan deze verplichtingen pas hoeft te worden voldaan op een nader te bepalen datum of termijn. Dit geeft de opleider de gelegenheid om aan de verplichtingen te voldoen, zonder dat dit meteen leidt tot intrekking van zijn erkenning. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat het in dit geval gaat om verplichtingen waar op het moment van erkenning nog niet aan wordt voldaan, maar waarvan wel vast is komen te staan dat de opleider hier op enig moment aan kan voldoen. Slaagt de opleider er niet in om binnen de gestelde termijn of nog voor de gestelde datum aan de verplichting of verplichtingen te voldoen, dan kan dat leiden tot intrekking van de erkenning.
Het voorschrift in onderdeel d verplicht de erkende opleider om de inhoud van examens geheim te houden. Dit voorschrift is alleen van toepassing op opleidingen die op grond van artikel 4.30, achtste lid, met een examen moeten worden afgesloten. Het doel van dit voorschrift is voorkomen dat degenen die een zodanige opleiding volgen, op de een of andere manier kennisnemen van de inhoud van de examens. De geheimhoudingsplicht geldt niet alleen voor de erkende opleider zelf, maar ook voor de partijen die hij inschakelt om het examen af te nemen.
Het zevende lid bevat gronden tot intrekking van een erkenning. Een erkenning kan op grond van dit lid geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken. Een gedeeltelijke intrekking kan zich voordoen als een opleider ten aanzien van meerdere opleidingen is erkend. Als blijkt dat een opleider ten aanzien van een van de door hem verzorgde opleidingen niet langer voldoet aan de voorwaarden van het tweede lid, kan de erkenning voor deze opleiding worden ingetrokken en voor de overige opleidingen in stand blijven.
Het achtste lid geeft de Minister van SZW de mogelijkheid om de erkenning te schorsen in plaats van in te trekken als een opleider niet langer voldoet aan de voorwaarden in het tweede lid. Een schorsing heeft hetzelfde effect als een intrekking in die zin dat een opleider niet langer erkend is voor het verzorgen van een of meer opleidingen als bedoeld in artikel 4.30. Het verschil met een intrekking is dat een schorsing slechts een tijdelijke duur heeft. Gedurende de schorsing mag een opleider wat betreft deze opleidingen ook geen nieuwe gegevens invoeren of wijzigen in het Register gezond en veilig werken met asbest.
De Minister van SZW zal in de praktijk overgaan tot schorsing in situaties dat er niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden in het tweede lid, maar er wel nog een mogelijkheid is voor de opleider om het gebrek binnen een bepaalde termijn te herstellen. Wordt het gebrek tijdig hersteld, dan zal de schorsing worden opgeheven en ‘herleeft’ de erkenning. Als daarentegen geen herstel plaatsvindt, dan zal de erkenning worden ingetrokken. Om ervoor te zorgen dat een schorsing niet voor al te lange tijd voortduurt, bepaalt het zevende lid dat een schorsing niet langer dan een jaar kan duren. Uiterlijk binnen deze termijn zal een opleider dus moeten aantonen het gebrek te hebben hersteld dat ten grondslag heeft gelegen aan de schorsing.
Om iedereen in staat te stellen na te gaan welke opleiders zijn erkend en voor welke opleidingen, zal de Minister van SZW, met inachtneming van de Wet open overheid, een digitale lijst publiceren waarop deze informatie staat vermeld. Het wettelijk kader hiervoor zal de Wet open overheid zijn. Ook schorsingen en intrekkingen zullen op deze lijst worden aangetekend.
Het negende lid geeft de Minister van SZW de bevoegdheid om kosten in rekening te brengen bij de opleider voor de erkenningsaanvraag. Deze kosten zullen in redelijke verhouding moeten staan tot de werkelijke kosten die de Minister van SZW maakt voor het beoordelen van de erkenningsaanvraag.
Artikel 4.33
Nieuw artikel
Op grond van artikel 4.32 dient een opleider een aanvraag in te dienen bij de Minister van SZW om te worden erkend. Artikel 4.33 bevat een uitzondering op dit vereiste en wijst opleiders aan die van rechtswege over een erkenning als opleider beschikken.
De aangewezen opleiders zijn opgenomen in het eerste lid. Met instellingen als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs worden opleiders bedoeld die beroepsopleidingen als bedoeld in die wet (mbo-opleidingen) verzorgen en hier bekostiging voor ontvangen uit ’s Rijks kas. Met de term ‘aanbieders van niet uit ‘s Rijks kas bekostigd beroepsonderwijs’ worden opleiders bedoeld die niet door het Rijk worden bekostigd, maar die wel door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap erkende beroepsopleidingen verzorgen.
De term ‘aanbieders van niet uit ‘s Rijks kas bekostigd beroepsonderwijs’ wordt op dit moment nog niet gebruikt in de Wet educatie en beroepsonderwijs. Hij is echter wel opgenomen in het bij koninklijke boodschap van 12 december 2024 ingediende voorstel van wet houdende wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en een aantal andere wetten in verband met het verbeteren van de aansluiting van het beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt (verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt) (Kamerstukken 36670). Omdat het wetsvoorstel naar verwachting eerder in werking zal treden dan dit besluit, is in dit artikel ervan uitgegaan dat het wetsvoorstel reeds tot wet is verheven en in werking is getreden. Mocht het wetsvoorstel worden verworpen, dan zal de tekst van artikel 4.33 hierop worden aangepast.
De hiervoor genoemde opleiders worden van rechtswege erkend, omdat op hen reeds kwaliteitseisen met betrekking tot het verzorgen van opleidingen van toepassing zijn en deze eisen overeenkomen met de eisen die in artikel 4.32 aan de erkenning van opleiders worden gesteld. Het heeft dan geen toegevoegde waarde om deze opleiders een aanvraag om erkenning te laten indienen en te beoordelen of aan de eisen van artikel 4.32 wordt voldaan. De opleiders vallen daarnaast onder het toezicht van de Onderwijsinspectie waardoor is gewaarborgd dat zij naar behoren blijven functioneren.
Een erkenning van rechtswege is net als een erkenning die op grond van artikel 4.32 is aangevraagd, gekoppeld aan een of meer opleidingen die voldoen aan de vereisten van artikel 4.30. Dit omvat ook de eventuele nadere eisen die aan opleidingen zijn gesteld op grond van artikel 4.30, achtste lid. Een opleider die onder de erkenning van rechtswege valt, hoeft geen aanvraag om erkenning in te dienen, maar zal wel moeten aangeven ten aanzien van welke opleidingen de erkenning moet gelden en moeten aantonen dat deze opleidingen voldoen aan de eisen die bij of krachtens artikel 4.30 aan opleidingen zijn gesteld. In de Arboregeling zal op grond van artikel 4.33, tweede lid, worden bepaald hoe de opleider dit moet aangeven en aantonen.
Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat met opleidingen als bedoeld in dit artikel niet alleen wordt verwezen naar volwaardige beroepsopleidingen als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, maar dat ook onderdelen van deze opleidingen onder dit begrip vallen. Wat van belang is, is of een beroepsopleiding of onderdeel daarvan voldoet aan de vereisten die bij of krachtens artikel 4.30 worden gesteld. Een keuzedeel kan bijvoorbeeld ook een opleiding zijn als bedoeld in dit artikel.
Artikel 4.34
Nieuw artikel
Artikel 4.34 bevat regels over het Register gezond en veilig werken met asbest dat is toegevoegd aan de lijst met registers in artikel 1.5j, eerste lid. Net als de andere registers in dat artikellid, is het Register gezond en veilig werken met asbest een register waarin personen zijn geregistreerd die voldoen aan bij of krachtens het Arbobesluit gestelde eisen die aan bepaalde beroepsgroepen worden gesteld. In dit geval gaat het dan om de opleidingseis in artikel 4.30 die wordt gesteld aan werknemers die werkzaamheden verrichten waarbij asbeststof ontstaat of kan ontstaan.
Het Register gezond en veilig werken met asbest heeft primair als doel om toezichthouders en de vergunningautoriteit inzage te geven in de opleidingen als bedoeld in artikel 4.30 die een persoon heeft gevolgd. Vanwege deze beperktere functie ten opzichte van de registratie als bedoeld in afdeling 1B van hoofdstuk 1, zijn niet alle van de daarin opgenomen bepalingen van toepassing op het Register gezond en veilig werken met asbest. De bepalingen waar het om gaat, zijn opgenomen in artikel 4.36. In de artikelsgewijze toelichting bij dat artikel is toegelicht waarom deze bepalingen buiten toepassing blijven.
Het Register gezond en veilig werken met asbest zal formeel worden beheerd door de Minister van SZW. Op grond van artikel 1.5k, tweede lid, zal hij een verwerker aanwijzen die namens hem het register feitelijk beheert. Aan deze verwerker zal ook mandaat en machtiging worden verleend om bepaalde handelingen ten aanzien van het register te verrichten, zoals het in bepaalde gevallen verwijderen van registraties en geregistreerde opleidingen.
De grondslag voor de registratie van personen en opleidingen in het Register gezond en veilig werken met asbest, is, net als bij de andere registers, artikel 1.5j, derde en vijfde lid. Op grond van het derde lid van dat artikel kunnen opleidingen worden geregistreerd die in Nederland zijn afgerond, terwijl op grond van het vijfde lid opleidingen kunnen worden geregistreerd die in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of Zwitserland zijn afgerond en overeenkomstig de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties zijn erkend. Het gaat in dit laatste geval alleen om opleidingen van personen die zich in Nederland vestigen of hebben gevestigd en die kunnen worden aangemerkt als migrerend beroepsbeoefenaar als bedoeld in de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties. Personen die werkzaamheden verrichten in Nederland in het kader van tijdelijke en incidentele dienstverrichting als bedoeld in die wet, kunnen hun opleidingen niet laten registreren in het register, nu zij op grond van artikel 24 van de Algemene wet EU-beroepskwalificaties zijn vrijgesteld van registratieplichten.
Een opleiding die in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of Zwitserland is afgerond en is erkend op grond van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, kan daardoor worden aangemerkt als een opleiding als bedoeld in artikel 4.30 van dit besluit. Waar in het besluit dan ook wordt gesproken over een opleiding als bedoeld in artikel 4.30, worden ook deze erkende opleidingen bedoeld.
Het eerste lid bevat de gegevens die in het register worden geregistreerd. Komt een persoon al voor in het register, dan zal alleen bepaalde informatie over de door hem afgeronde opleiding in het register worden opgenomen. Deze informatie wordt opgenomen onder het unieke registratienummer waarmee de persoon in eerste instantie in het register is geregistreerd.
Voor de registratie, bedoeld in het eerste lid, hoeft geen verzoek te worden gedaan: deze zal ambtshalve plaatsvinden na afronding van de opleiding. De formele verantwoordelijkheid voor deze registraties berust bij de Minister van SZW. Om het registratieproces zo snel en soepel mogelijk te laten verlopen en gegevensuitwisselingen tussen de Minister van SZW, de aangewezen verwerker en de erkende opleiders te beperken, wordt aan door de Minister van SZW erkende opleiders mandaat, volmacht en machtiging verleend om namens de Minister van SZW bepaalde handelingen te verrichten met betrekking tot het Register gezond en veilig werken met asbest. Het gaat hierbij om het registreren van werknemers en opleidingen overeenkomstig het eerste lid, voor zover het gaat om opleidingen die de erkende opleider verzorgt, en het verrichten van handelingen die samenhangen met de verrichte registraties.
De erkende opleiders waaraan mandaat, volmacht en machtiging wordt verleend, zijn alleen de opleiders die hun erkenning hebben verkregen na een besluit van de Minister van SZW. Aan erkende opleiders die van rechtswege zijn erkend overeenkomstig artikel 4.33, wordt geen mandaat, volmacht en machtiging verleend. Een werknemer of werkgever die een opleiding wil laten registeren die is verzorgd door een van rechtswege erkende opleider, zal hiertoe een verzoek moeten indienen bij de Minister van SZW op grond van het vijfde lid.
In het geval van een opleiding die is verzorgd door een opleider als bedoeld in artikel 4.32, is het deze opleider die ervoor moet zorgen dat de opleiding wordt geregistreerd in het Register gezond en veilig werken met asbest. Als de werknemer die de opleiding heeft afgerond nog niet voorkomt in het register, zal de opleider naast de vereiste gegevens over de opleiding, ook de in het eerste lid, onderdelen a tot en met c, opgenomen gegevens moeten registreren. Het is ook aan de erkende opleider om na het afronden van de registratie een bewijs van registratie aan de werknemer te verstrekken. Dit bewijs van registratie vervult de rol van opleidingscertificaat als bedoeld in bijlage I bis van de Asbestrichtlijn en is het bewijs dat een werknemer een opleiding die voldoet aan de eisen van artikel 4.30 heeft afgerond. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat het mandaat en de machtiging van een erkende opleider niet zover strekt dat hij ook opleidingen in het register mag registreren die hij niet zelf heeft verzorgd.
De erkende opleider is ten aanzien van de door hem gedane registraties en geregistreerde opleidingen in bepaalde gevallen bevoegd om deze zelf ook weer te verwijderen namens de Minister van SZW. Deze situaties staan beschreven in onderdeel b van het tweede lid. Hierbij worden zowel de registratie als de geregistreerde opleiding genoemd om duidelijk te maken dat het niet noodzakelijk is om alle gegevens uit het register te verwijderen. Als er bij een werknemer bijvoorbeeld fraude is geconstateerd ten aanzien van een van de geregistreerde opleidingen, dan kan worden volstaan met het verwijderen van deze geregistreerde opleiding uit het register in plaats van alle gegevens van de werknemer. De geregistreerde opleidingen waarbij geen grond voor verwijdering aanwezig is, kunnen zo dus in het register blijven staan.
Onderdeel c van het tweede lid geeft de erkende opleider de bevoegdheid, wederom alleen met betrekking tot registraties die hij zelf heeft opgenomen in het register, om ambtshalve of op verzoek gegevens van de geregistreerde aan te passen. Hierbij gaat het om het herstel van foute of onvolledige gegevens. Na herstel van de fout wordt van de erkende opleider verwacht dat hij een nieuw bewijs van registratie verstrekt. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat ook de partij die overeenkomstig artikel 1.5k, tweede lid, is aangewezen als verwerker voor het Register gezond en veilig werken met asbest, bevoegd is om foute of onvolledige gegevens te herstellen op grond van artikel 1.5p, eerste lid.
Tot slot geeft onderdeel d de erkende opleider de bevoegdheid om namens de Minister van SZW beslissingen te nemen in bezwaarprocedures en op te treden in beroepsprocedures. Het gaat hierbij om het voeren van het gehele proces van bezwaar, beroep en hoger beroep. Hierbij geldt wel dat deze bevoegdheid zich alleen uitstrekt tot die procedures die voortkomen uit de besluiten, bedoeld in de onderdelen a tot en met c. De erkende opleider is dus niet bevoegd om in bezwaar en beroep op te treden ten aanzien van beslissingen met betrekking tot het Register gezond en veilig werken met asbest die hij niet zelf namens de Minister van SZW heeft genomen.
Op grond van artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is het niet toegestaan om mandaat tot het beslissen op bezwaar te verlenen aan degene die het besluit waartegen het bezwaar zich richt, op grond van mandaat heeft genomen. Om deze reden bepaalt het derde lid dat de erkende opleider ervoor moet zorgen dat beslissingen in bezwaarprocedures worden genomen met inachtneming van dit artikellid van de Algemene wet bestuursrecht. Concreet houdt dit in dat de erkende opleider ervoor moet zorgen dat beslissingen op bezwaar tegen bijvoorbeeld een weigering tot registratie worden genomen door een andere medewerker dan degene die het besluit tot weigering heeft genomen. Het is hierbij van belang dat de medewerker die het besluit op bezwaar neemt niet ondergeschikt is aan degene die het besluit in eerste aanleg heeft genomen. Deze voorwaarde geldt ook voor een erkende opleider die zzp’er is.
Het vierde lid bevat drie situaties waarin de Minister van SZW op verzoek zorgdraagt voor een registratie in het Register gezond en veilig werken met asbest. Dit is een invulling voor het Register gezond en veilig werken met asbest van de bevoegdheid tot registratie die is opgenomen in artikel 1.5j, derde lid.
Bij de eerste situatie gaat het om opleidingen die zijn verzorgd door een opleider die van rechtswege is erkend op grond van artikel 4.33. Bij deze opleidingen draagt niet de opleider, maar de Minister van SZW zorg voor registratie in het Register gezond en veilig werken met asbest. De werknemer die de betreffende opleiding heeft afgerond of zijn werkgever, kunnen hiertoe een verzoek tot registratie doen aan de minister.
De tweede situatie ziet op het geval dat de erkenning van een opleider is geschorst of ingetrokken, maar een werknemer nog daarvoor een opleiding bij de betreffende opleider heeft afgerond. In deze situatie heeft de opleider niet langer het recht om personen en opleidingen te registreren in het Register gezond en veilig werken met asbest. Om de opleiding toch in het Register gezond en veilig werken met asbest te laten registreren, kan de werknemer of zijn werkgever daarom een verzoek doen aan de Minister van SZW, via de verwerker, om dit te doen.
Bij de derde situatie gaat het om het opnieuw opnemen van een eerder verwijderde opleiding. Deze situatie zal zich voordoen als de volledige registratie van rechtswege is vervallen op grond van artikel 4.35, eerste lid, of als de registratie van een specifieke opleiding van rechtswege is vervallen op grond van artikel 4.35, tweede lid. Als een werknemer na het van rechtswege vervallen van zijn registratie of de registratie van een opleiding, een nieuwe opleiding heeft afgerond, die voortbouwt op een opleiding die vanwege het verval van rechtswege uit het Register is verwijderd, dan kan de Minister van SZW deze verwijderde opleiding opnieuw registreren in het Register. Hiermee wordt dan duidelijk dat de nieuw afgeronde opleiding geen los op zichzelf staande opleiding is, maar een relatie heeft met een eerder afgeronde opleiding.
In al deze gevallen vindt de registratie plaats op verzoek. Dit verzoek kan worden gedaan door zowel de werknemer als zijn werkgever. Dat in het vierde lid wordt gesproken over een werknemer in plaats van een geregistreerde, komt omdat in de situatie, bedoeld in onderdeel a, er niet per se sprake hoeft te zijn van een werknemer die al in het Register gezond en veilig werken met asbest is opgenomen.
Als gevolg van de Wijzigingsrichtlijn bepaalt bijlage I bis van de Asbestrichtlijn nu expliciet dat na de succesvolle afronding van een opleiding, een opleidingscertificaat moet worden verstrekt waaruit dit blijkt. Dit opleidingscertificaat zal daarbij ten minste de in dezelfde bijlage van de Asbestrichtlijn genoemde elementen moeten bevatten. Artikel 4.34 geeft invulling aan deze eisen door in het vijfde lid te bepalen dat Onze Minister aan de werknemer een bewijs van registratie moet verstrekken waarop alle van hem geregistreerde gegevens in het register staan vermeld. Tot deze gegevens behoren de gegevens die op grond van bijlage I bis van de Asbestrichtlijn op een opleidingscertificaat moeten worden vermeld (artikel 4.34, eerste lid, onderdelen d en e). Het bewijs van registratie vervult daarmee de rol van opleidingscertificaat als bedoeld in de Asbestrichtlijn.
Als de registratie is verricht door een opleider die door de Minister van SZW is erkend, dan zal deze opleider het bewijs van registratie verstrekken, namens de Minister van SZW. Bij een registratie op verzoek op grond van het vierde lid zal het bewijs van registratie worden verstrekt door de partij die als verwerker is aangewezen voor het Register gezond en veilig werken met asbest, ook namens de Minister van SZW.
Het is de bedoeling dat telkens wanneer een opleiding wordt geregistreerd in het Register gezond en veilig werken met asbest, er een nieuw bewijs van registratie wordt verstrekt. Op dit bewijs moeten alle van een persoon geregistreerde gegevens staan. Op die manier beschikt een werknemer altijd over een volledig en recent overzicht van alle door hem afgeronde opleidingen.
Met het bewijs van registratie of het unieke registratienummer van de werknemer in het register kunnen werkgevers en werknemers richting de toezichthouder aantonen dat wordt voldaan aan de opleidingseis in artikel 4.30. De werkgever kan daarnaast het unieke registratienummer gebruiken voor de verplichting tot het doen van een arbomelding op grond van artikel 4.37, en, indien hij voornemens is om sloop- of asbestverwijderingswerkzaamheden te verrichten, om op grond van artikel 4.58 een vergunning aan te vragen.
Het zesde lid biedt de mogelijkheid om de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen d en e, die in het Register gezond en veilig werken met asbest worden opgenomen, nader in te vullen. Hiervan zal in ieder geval gebruik worden gemaakt om nader af te bakenen wat er over de inhoud van een opleiding moet worden opgenomen in het Register. Daarnaast biedt het zesde lid de mogelijkheid om nadere regels te stellen met betrekking tot de registraties die door de Minister van SZW worden verricht. Van deze bevoegdheid zal in ieder geval gebruik worden gemaakt om te bepalen welke informatie aan de Minister van SZW moet worden overgelegd bij een verzoek om registratie op grond van het vierde lid.
Artikel 4.35
Nieuw artikel
Artikel 4.35 bevat de gronden waarop een registratie of een geregistreerde opleiding worden verwijderd uit het Register gezond en veilig werken met asbest.
Op grond van het eerste lid vervalt een registratie in zijn geheel, als in een periode van drie jaar er geen opleidingen zijn geregistreerd op naam van de geregistreerde. Zoals volgt uit artikel 4.30, tweede lid, en bij dat artikel is toegelicht, moeten opleidingen als bedoeld in dat artikel met regelmatige tussenpozen worden herhaald. De termijn van drie jaar in het eerste lid geeft een invulling aan het begrip ‘regelmatige tussenpozen’: hiervan is in ieder geval geen sprake meer als een werknemer drie jaar lang geen opleidingen meer heeft gevolgd. Het gevolg is dat de registratie van een werknemer ten aanzien waarvan drie jaar lang geen opleidingen zijn geregistreerd, van rechtswege komt te vervallen.
Het tweede lid bevat ook een verval van rechtswege. In tegenstelling tot het eerste lid, gaat het hierbij niet om een verval van rechtswege van de gehele registratie, maar van de registratie van een concrete opleiding. Ook dit verval van rechtswege komt voort uit de hiervoor genoemde termijn van drie jaar: een werknemer die drie jaar lang geen vervolg heeft gegeven aan een bepaalde opleiding, in de vorm van bijvoorbeeld een herhaalde opleiding of het opnieuw volgen van de opleiding, wordt beschouwd als niet te hebben voldaan aan het vereiste van het met regelmatige tussenpozen volgen van een opleiding. Het gevolg is dat de registratie van de opleiding waar geen vervolg aan is gegeven, van rechtswege komt te vervallen.
Het tweede lid spreekt over de registratie van opleidingen ‘die verband houden met de geregistreerde opleiding’. Dit verband zal in het Register gezond en veilig werken met asbest blijken uit de aanduiding van de inhoud van de opleiding, bedoeld in artikel 4.34, eerste lid, onderdeel d, die in het Register zal zijn opgenomen en nader zal worden uitgewerkt in de Arboregeling op grond van het zesde lid van dat artikel.
Op grond van het derde lid kunnen een registratie en geregistreerde opleiding ook door de Minister van SZW uit het Register gezond en veilig werken met asbest worden verwijderd. Dit kan allereerst op verzoek van de geregistreerde zelf. Hierbij moet wel worden bedacht dat als een registratie of geregistreerde opleiding op deze grond uit het Register wordt verwijderd, het niet mogelijk is om de verwijderde registratie respectievelijk opleiding weer opnieuw te laten opnemen in het Register gezond en veilig werken met asbest. Er zal in dit geval dus een nieuwe, door de erkende opleider te registreren opleiding moeten worden gevolgd.
Een registratie en geregistreerde opleiding kunnen daarnaast worden verwijderd als de geregistreerde is overleden. Een verwijdering op deze grond zal in de praktijk altijd neerkomen op een verwijdering van de gehele registratie en kan door de Minister van SZW ambtshalve worden verricht. De Minister van SZW zal echter pas tot verwijdering op deze grond overgaan, als vast is komen te staan dat de geregistreerde is overleden. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit een akte van overlijden of een mededeling van de werkgever van de geregistreerde.
Tot slot kan de Minister van SZW ambtshalve een registratie of geregistreerde opleiding verwijderen als er sprake is van de situatie, bedoeld in artikel 4.34, tweede lid, onderdeel b. Dit is aan de orde als een registratie onjuist is of de opleiding op frauduleuze wijze is afgerond. De Minister van SZW zal alleen van deze grond gebruikmaken, indien de erkende opleider heeft nagelaten om (tijdig) een registratie of geregistreerde opleiding op deze grond te verwijderen of als de erkenning van de opleider is geschorst of ingetrokken.
Het vierde lid bepaalt dat bij een verwijdering van een registratie of geregistreerde opleiding moet worden aangetekend wat de reden hiervan is geweest en op welke datum de verwijdering heeft plaatsgevonden. Net als bij de andere registers het geval is, zal een verwijderde registratie nog maximaal vijf jaar bewaard moeten blijven. Dit om toezicht achteraf door de toezichthouder mogelijk te maken en vanwege eventuele bezwaar- of beroepszaken.
Artikel 4.36
Nieuw artikel
Artikel 4.36 bevat de bepalingen in afdeling 1B van hoofdstuk 1 die niet van toepassing zijn op het Register gezond en veilig werken met asbest. Dit heeft te maken met de beperktere functie van het Register, zoals is beschreven in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 4.34. Hierna wordt toegelicht waarom de bepalingen die worden genoemd in dit artikel, niet op het Register van toepassing zijn.
Artikel 1.5o, eerste lid, somt limitatief op wie er toegang hebben tot de registers, genoemd in artikel 1.5j. Aangezien bij de aanvraag van een vergunning als bedoeld in artikel 19a van de wet de registratienummers in het Register gezond en veilig werken met asbest moeten worden aangeleverd van de werknemers van een bedrijf die de vergunde werkzaamheden zullen verrichten, is het noodzakelijk dat ook de Minister van SZW, als vergunningverlener, toegang heeft tot alle gegevens in het hiervoor genoemde register. Deze toegang heeft hij ook nodig bij het bepalen of een vergunning moet worden geschorst of ingetrokken, bijvoorbeeld omdat er signalen zijn dat een werknemer die niet daartoe was opgeleid, vergunde werkzaamheden heeft verricht. In artikel 4.36, eerste lid, is daarom bepaald dat, in aanvulling op artikel 1.5o, eerste lid, ook de Minister van SZW toegang heeft tot de gegevens in het Register gezond en veilig werken met asbest voor de hiervoor genoemde werkzaamheden.
Voor werkgevers, opdrachtgevers, de door hen gemachtigden en overige betrokkenen geldt normaal gesproken de regel dat zij alleen kunnen zien of een persoon in het Register gezond en veilig werken met asbest is geregistreerd (artikel 1.5o, eerste lid, onderdelen b en c). In het geval van het Register gezond en veilig werken met asbest zou dit neerkomen op een mededeling dat een werknemer voorkomt in het register en er dus een of meer opleidingen op zijn naam zijn geregistreerd. Omdat dit echter onvoldoende is om te bepalen voor het verrichten van welke werkzaamheden een werknemer is opgeleid, zullen de hiervoor genoemde partijen ook bij ministeriële regeling te bepalen informatie kunnen raadplegen over de opleidingen die een werknemer heeft afgerond. Er is gekozen om de te raadplegen informatie vast te leggen op het niveau van de Arboregeling, omdat zo kan worden aangesloten bij de eventuele verdere invulling van de gegevens over de opleiding en opleider, die op grond van artikel 4.34, zesde lid, in de Arboregeling kunnen worden opgenomen.
Artikel 1.5j, zevende lid, is niet van toepassing, omdat het Register gezond en veilig werken met asbest primair tot doel heeft om inzage te geven in gevolgde opleidingen. De verplichting tot het alleen werkzaam zijn in de eigen sector in artikel 1.5j, zevende lid, is daarom niet aan de orde.
De artikelen 1.5l en 1.5m zijn niet van toepassing, omdat in het Register gezond en veilig werken met asbest andere gegevens worden geregistreerd dan de gegevens die normaliter in de registers, genoemd in artikel 1.5j, eerste lid, worden geregistreerd. Aangezien afgeronde opleidingen worden geregistreerd door erkende opleiders zal er daarnaast geen sprake zijn van een door een burger ingediend verzoek om registratie als bedoeld in artikel 1.5l. Tot slot is de grond tot buitenbehandelingstelling in artikel 1.5l, derde lid, niet van toepassing, nu de verwijderingsgronden waar in dat lid naar wordt verwezen niet van toepassing zijn op registraties in het Register gezond en veilig werken met asbest.
Artikel 1.5n is niet van toepassing, omdat de registratie in het Register gezond en veilig werken met asbest geen vastgelegde begin- en einddatum kent. Na het afronden van een opleiding zal de erkende opleider of de Minister van SZW de datum van afronding van de opleiding registreren in het Register gezond en veilig werken met asbest. Een opleiding die is geregistreerd in het register blijft hier vervolgens in opgenomen, tenzij deze op een van de gronden, bedoeld in artikel 4.35, uit het register wordt verwijderd.
Het tweede, derde en vijfde lid van artikel 1.5p zijn niet van toepassing, omdat de gronden tot verwijdering van een registratie of opleiding uit het Register gezond en veilig werken met asbest en de bewaartermijn van gegevens na verwijdering in artikel 4.30 zijn geregeld. Het vierde lid van artikel 1.5p is niet van toepassing, omdat er geen noodzaak is tot het schorsen van een registratie in het geval van het Register gezond en veilig werken met asbest.
Tot slot bevat artikel 4.36 een afwijking van de verplichting in artikel 1.5p, eerste lid, tot het aanpassen van gegevens. De verplichting tot aanpassing in artikel 1.5p, eerste lid, ziet op de gegevens, bedoeld in artikel 1.5m. Omdat in het Register gezond en veilig werken met asbest de gegevens, bedoeld in artikel 4.34, eerste lid, worden geregistreerd in plaats van de gegevens, bedoeld in artikel 1.5m, bepaalt artikel 4.36 dat de aanpassingsverplichting in artikel 1.5p, eerste lid, voor het Register gezond en veilig werken met asbest ziet op deze gegevens.
Artikel 4.37
Voorheen: artikel 4.47c, eerste tot en met derde lid
Inhoudelijke wijzigingen
In artikel 4 van de Asbestrichtlijn staat de verplichting tot het doen van een melding aan de toezichthouder voorafgaande aan het verrichten van werkzaamheden waarbij er sprake is van een (mogelijke) blootstelling aan asbeststof. Deze meldplicht was voorheen geïmplementeerd in het vervallen artikel 4.47c.
De inhoud van artikel 4.37 is deels gelijk aan het met dit besluit vervallen artikel 4.47c. Op grond van het eerste lid moet een melding uiterlijk twee werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden worden gedaan, in plaats van twee dagen. Werkdagen zijn in dit geval maandag tot en met vrijdag. Als de werkzaamheden beginnen op een maandag kan dus niet in het daaraan voorafgaande weekend of op vrijdag een melding worden gedaan.
Nieuw is bepaalde informatie die op grond van de Wijzigingsrichtlijn ook moet worden opgenomen in de arbomelding. Deze nieuwe informatie maakt onderdeel uit van de opsomming van informatie in het eerste lid.
Het gaat om de volgende aanvullende informatie:
De specifieke zones waar de werkzaamheden zullen plaatsvinden, indien relevant en als aanvulling op de plaats waar deze zullen plaatsvinden (onderdeel a)
Informatie over de bescherming en ontsmetting van werknemers, afvalverwijdering en, indien relevant, luchtverversing bij werkzaamheden in gesloten ruimten (onderdeel d)
Een lijst van de werknemers die waarschijnlijk op de arbeidsplaats zullen werken, hun registratienummer in het Register gezond en veilig werken met asbest en of de betrokken werknemers in de afgelopen drie jaar een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 4.10a is aangeboden (onderdelen e tot en met g)
Een overzicht van de te gebruiken uitrusting (onderdeel j)
Met de ‘specifieke zones’ waar de werkzaamheden zullen plaatsvinden, worden de concrete plekken op een arbeidsplaats bedoeld waar de werkzaamheden zullen worden verricht. Als de werkzaamheden bijvoorbeeld zullen worden verricht op een fabrieksterrein met meerdere bouwwerken, dan kan een beschrijving van de specifieke zone een aanduiding zijn van het bouwwerk waaraan of waarin zal worden gewerkt, met eventueel, indien van toepassing, een aanduiding van de verdieping en ruimte(n) binnen het bouwwerk (bijvoorbeeld de hal, de cv-ruimte, de machinekamer etc.).
Op grond van het gewijzigde artikel 4, derde lid, onderdeel d, van de Asbestrichtlijn moeten de individuele opleidingscertificaten van de werknemers die waarschijnlijk op de arbeidsplaats zullen werken, in de arbomelding worden opgenomen. In het eerste lid, onderdeel f, is hier invulling aan gegeven door voor te schrijven dat de registratienummers in het Register gezond en veilig werken met asbest van de betrokken werknemers, in de arbomelding moeten worden opgenomen. Hiermee kan de toezichthouder nagaan of de betrokken werknemers beschikken over de vereiste opleiding voor het verrichten van de gemelde werkzaamheden.
Het hiervoor genoemde onderdeel van de Asbestrichtlijn schrijft voor dat in de arbomelding de datum van de laatste medische keuring van de bij de werkzaamheden betrokken werknemers moet worden opgenomen. In artikel 4.37 is dit zo ingevuld dat de werkgever in de arbomelding moet aangeven of de betrokken werknemers in de afgelopen drie jaar een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 4.10a aangeboden hebben gekregen. Voor de termijn van drie jaar is gekozen, omdat op grond van artikel 18 van de Asbestrichtlijn werknemers eens in de drie jaar in de gelegenheid moeten worden gesteld om opnieuw een medische keuring te ondergaan.
Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat het niet nodig is om opnieuw een arbomelding te doen, als na het doen van de arbomelding zich een verandering voordoet in de werknemers die de gemelde werkzaamheden verrichten. Een nieuwe arbomelding is, net als nu het geval is, alleen nodig in de situatie, bedoeld in het tweede lid. Verder hoeft bij de beschrijving van de te verrichten werkzaamheden (onderdeel c) niet tot in detail te worden beschreven welke werkzaamheden zullen worden verricht: een globale omschrijving van de werkzaamheden volstaat.
De bestaande verplichting om de datum en het tijdstip waarop de werkzaamheden aanvangen, is aangescherpt. Voortaan zal een werkgever de precieze data en tijdstippen moeten doorgeven waarop de werkzaamheden zullen plaatsvinden. De toezichthouder weet hierdoor of de werkzaamheden op één moment plaatsvinden of verspreid zijn over een dag dan wel meerdere dagen.
Daarnaast zijn contactgegevens van de werkgever toegevoegd als gegevens die in de arbomelding moeten worden opgenomen. Ook zijn vier onderdelen toegevoegd aan de lijst met te melden informatie, die niet direct voortvloeien uit de Wijzigingsrichtlijn. Het doel van deze nieuwe onderdelen is om het toezicht door de toezichthouder te vergemakkelijken.
Als er sprake is van werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.47, dan zullen werkgevers op grond van onderdeel k de resultaten van het onderzoek, bedoeld in artikel 4.48, eerste lid, bij de arbomelding moeten voegen. Het onderzoek is een onderzoek naar de aanwezigheid en precieze locaties van asbest en asbesthoudende producten op de plaats waar de werkzaamheden zullen worden verricht, de soorten asbest en, voor zover het asbesthoudende producten betreft, de in de producten aanwezige concentraties asbest, uitgedrukt in massapercentages. De resultaten van dit onderzoek kunnen de vorm hebben van asbestdocumentatie als bedoeld in artikel 4.48, tweede lid, onderdeel a, een asbestinventarisatierapport of, in het geval van bodemwerkzaamheden, een verkennend of nader bodemonderzoek asbest.
Het nieuwe onderdeel l verplicht werkgevers daarnaast om het werkplan, bedoeld in artikel 4.52, bij de arbomelding te voegen, indien de werkzaamheden waarvoor zij een arbomelding doen, werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.50 zijn. Aangezien een werkgever in beginsel gehouden is om de verwachte concentratie asbestvezels vast te stellen voorafgaande aan de werkzaamheden (artikel 4.51), zal hij naast het werkplan ofwel een uitdraai uit het beoordelingsinstrument SMART-ns ofwel de resultaten van een uitgevoerde meting mee moeten sturen. Is de verplichting in artikel 4.51 niet van toepassing op de werkgever, omdat hij gebruikmaakt van een erkende werkmethode, dan zal de werkgever in de arbomelding moeten aangeven welke erkende werkmethode hij zal gebruiken voor het verrichten van de werkzaamheden.
Bij werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.50 zal de werkgever daarnaast, op grond van het nieuwe onderdeel m, de naam en het unieke vergunningnummer moeten melden van de bedrijven die de werkzaamheden zullen verrichten. Voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 4.50, geldt namelijk de vergunningplicht, bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de Arbowet. Door het melden van de naam en het vergunningnummer kan de toezichthouder nagaan of de bedrijven die de gemelde werkzaamheden zullen verrichten, over de juiste vergunning beschikken.
Onderdeel n verplicht de werkgever om het unieke nummer van de sloopmelding, bedoeld in artikel 7.10 van het Bbl, in de arbomelding op te nemen, indien voor de werkzaamheden het doen van een sloopmelding is vereist. Het unieke nummer is het nummer dat bij het doen van de sloopmelding in de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 20.21 van de Omgevingswet, door die voorziening wordt aangemaakt. Het gaat hier om een uniek nummer aan de hand waarvan de gedane melding kan worden geïdentificeerd. Is de sloopmelding niet via de Landelijke voorziening, maar schriftelijk ingediend, dan is het unieke nummer het nummer dat het bevoegd gezag heeft toegekend aan de ontvangen sloopmelding.
Voor het overige komt de informatie in het eerste lid overeen met de informatie die op grond van het voormalige artikel 4.47c, eerste lid, moest worden gemeld aan de toezichthouder.
In het tweede lid staan een aantal soorten informatie uit het eerste lid opgesomd die niet met de arbomelding te hoeven worden meegestuurd als er ook al een sloopmelding is gedaan op grond van artikel 7.10 van het Bbl. De betreffende informatie is dan namelijk al gedeeld bij de sloopmelding. Uiteraard geldt dit alleen voor zover de informatie uit de sloopmelding nog actueel is.
Het derde en vierde lid zijn inhoudelijk hetzelfde als het voormalige artikel 4.47c, tweede en derde lid. Van een verandering in de arbeidsomstandigheden die kan leiden tot een aanzienlijke toename van de blootstelling aan asbeststof, zal in ieder geval sprake zijn indien een toename van de blootstelling leidt tot een zwaarder beheers- of borgingsregime.
Het vijfde lid is nieuw en geeft invulling aan de eis in de laatste alinea van het gewijzigde artikel 4, derde lid, van de Asbestrichtlijn. De eis houdt in dat de gegevens van de werknemers die in de arbomelding zijn opgenomen, niet langer bewaard mogen worden dan nodig is om te waarborgen dat de betreffende werknemers naar behoren zijn opgeleid. De Wijzigingsrichtlijn vereist tevens dat er bij het bewaren van de informatie rekening wordt gehouden met de langetermijneffecten van asbest op de gezondheid van werknemers. Gelet hierop is in het vierde lid opgenomen dat de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen e, f en g, worden verwijderd zodra de toezichthouder heeft vastgesteld dat de betrokken werknemers naar behoren zijn opgeleid en er geen met het toezicht verband houdende redenen zijn om nog over de informatie te beschikken.
Het zesde lid bevat een afwijking voor werknemers die kunnen worden aangemerkt als dienstverrichters als bedoeld in artikel 21 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties. Dienstverrichters als bedoeld in dat artikel zijn personen die vanuit een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of Zwitserland naar Nederland komen om hier bij wijze van tijdelijke en incidentele dienstverrichting werkzaamheden te verrichten. Op grond van artikel 24 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties zijn deze personen vrijgesteld van registratieplichten die in Nederland gelden. Er kan dan ook niet van de werkgever worden geëist dat hij bij de arbomelding de registratienummers in het Register gezond en veilig werken met asbest verstrekt van werknemers die zijn aan te merken als dienstverrichter. Dit zou immers neerkomen op een verplichting om deze werknemers te registreren in het register, terwijl deze werknemers van deze verplichting zijn vrijgesteld.
Omdat de Asbestrichtlijn echter verplicht dat de opleidingscertificaten worden meegestuurd van de werknemers die de gemelde werkzaamheden zullen verrichten, is het wel nodig dat er enig bewijs wordt meegestuurd van de opleidingen die de betreffende werknemers hebben afgerond. Het zesde lid bepaalt daarom dat van werknemers die zijn aan te merken als dienstverrichter, een opleidingscertificaat moet worden verstrekt waaruit blijkt dat de werknemer een opleiding als bedoeld in artikel 4.30 heeft gevolgd. Deze verplichting komt voor deze werknemers in de plaats van de verplichting om het registratienummer uit het Register gezond en veilig werken met asbest bij de arbomelding te voegen.
Artikel 4.38
Voorheen: artikel 4.47c, vierde en vijfde lid
Inhoudelijke wijzigingen
In het oude artikel 4.47c, vierde en vijfde lid, stonden uitzonderingen op de verplichting om voor aanvang van de werkzaamheden een arbomelding te doen bij de toezichthouder. Deze uitzonderingen kwamen grotendeels overeen met de uitzonderingen op de asbestinventarisatieplicht in het voormalige artikel 4.54b. Bij de voorbereiding van dit besluit zijn de uitzonderingen op de meldplicht opnieuw tegen het licht gehouden, waarbij onder meer is gekeken naar de ruimte die de Asbestrichtlijn biedt om uitzonderingen te maken op de daarin opgenomen meldplicht. Ook is nagegaan in welke situaties het doen van een arbomelding redelijkerwijs niet mogelijk is en in welke situaties het doen van een arbomelding geen toegevoegde waarde zou hebben. Dit alles heeft geresulteerd in de uitzonderingen die zijn opgenomen in artikel 4.38.
Op grond van het eerste lid hoeven werkgevers voor bepaalde werkzaamheden slechts eenmaal een arbomelding te doen aan de toezichthouder. Het gaat hierbij om werkzaamheden die een voortdurend karakter hebben en steeds op dezelfde locatie worden verricht. Voorbeelden van dergelijke werkzaamheden zijn werkzaamheden met asbest of asbesthoudende producten in een laboratorium of op een milieustraat. Omdat het in deze situaties steeds om dezelfde werkzaamheden gaat en de locatie niet verandert, heeft het geen toegevoegde waarde om telkens opnieuw een arbomelding te doen. De toezichthouder zal immers weten waar de werkzaamheden plaatsvinden en dat deze doorlopend worden verricht.
Een werkgever die een eenmalige arbomelding heeft gedaan voor bepaalde werkzaamheden, zal nog steeds melding moeten doen van andere dan deze gemelde werkzaamheden. Dit geldt ook als hij weliswaar dezelfde werkzaamheden zal verrichten, maar dit doet op een andere locatie dan vermeld in de eerdere arbomelding.
In het tweede lid is een aantal uitzonderingen op de meldplicht opgenomen. De uitgezonderde werkzaamheden in onderdeel a zijn werkzaamheden waarbij het onmogelijk is om uiterlijk twee werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden een arbomelding te doen of dit redelijkerwijs niet van de werkgever kan worden verwacht.
De werkzaamheden in onderdeel b zijn een invulling van de uitzonderingsmogelijkheden die artikel 3, derde lid, van de Asbestrichtlijn biedt. De werkzaamheden in subonderdeel 1 zijn werkzaamheden, die met een vergunning asbestverwijdering beperkt mogen worden verricht, met uitzondering van bodemwerkzaamheden. Het gaat om werkzaamheden die vallen onder de uitzonderingsgrond in artikel 3, derde lid, aanhef en onderdelen a en b, van de Asbestrichtlijn.
Subonderdeel 2 en het derde lid komen tezamen overeen met de uitzondering in artikel 3, derde lid, aanhef en onderdeel d, van de Asbestrichtlijn. Bij de werkzaamheden waarop deze onderdelen van artikel 4.38 van toepassing zijn, gaat het bijvoorbeeld om asbestinventarisatiewerkzaamheden en het verrichten van tussentijdse metingen tijdens saneringswerkzaamheden.
Artikel 4.39
Voorheen: artikel 4.45
Inhoudelijke wijzigingen
Artikel 4.39 is de opvolger van het oude artikel 4.45 en is de implementatie van artikel 6 van de Asbestrichtlijn. Dit artikel bevat de preventieve maatregelen die genomen moeten worden om de blootstelling aan asbestvezels tot een zo laag mogelijk niveau te beperken. De Wijzigingsrichtlijn heeft een aantal maatregelen toegevoegd aan het betreffende artikel van de Asbestrichtlijn. Deze zijn opgenomen in artikel 4.39 en worden hierna toegelicht.
Dit artikel bouwt voort op de verplichting om de blootstelling aan asbest te beperken tot een niveau dat zo laag is als technisch uitvoerbaar. Deze verplichting volgt voor asbest als kankerverwekkende stof al uit de artikelen 4.17, 4.18 en 4.19, eerste lid, onderdelen a, b en c van het Arbobesluit, en is daarom niet nogmaals in dit artikel opgenomen, zoals in het oude artikel 4.45 nog wel het geval was. Om echter te benadrukken dat deze bepalingen ook in het geval van asbest onverkort van toepassing zijn, wordt in het eerste lid van artikel 4.39 naar deze artikelen verwezen. Dit geldt eveneens voor de in artikel 6 van de Asbestrichtlijn opgenomen verplichting om het aantal werknemers dat wordt of kan worden blootgesteld, te minimaliseren. Deze verplichting is opgenomen in artikel 4.1c, eerste lid, onderdeel d, dat ook op werkzaamheden met asbest van toepassing is. Om dit te benadrukken, wordt in het eerste lid van artikel 4.39 ook naar deze bepaling verwezen.
De verplichting van de werkgever om de blootstelling te beperken eindigt vanwege de eerdergenoemde artikelen nadrukkelijk niet op het moment dat de concentratie asbestvezels zich onder de grenswaarde bevindt. Een werkgever zal zich continu moeten inspannen om de concentratie asbestvezels in de lucht tot een zo laag mogelijk niveau te brengen. Van hem wordt verwacht dat hij in elk geval de in dit artikel genoemde maatregelen neemt en handelt overeenkomstig de artikelen 4.1c, eerste lid, onderdeel d, 4.17, 4.18, en 4.19, eerste lid, onderdelen a, b en c.
Artikel 4.39, eerste lid, bevat de maatregelen die een werkgever in ieder geval moet nemen om de concentratie asbestvezels in de lucht zo laag mogelijk onder de grenswaarde te houden. Deze maatregelen zijn ontleend aan artikel 6 van de Asbestrichtlijn. Zoals hiervoor aangegeven, heeft de Wijzigingsrichtlijn een aantal nieuwe maatregelen aan dit artikel van de Asbestrichtlijn toegevoegd.
Bij het inrichten van de werkmethoden worden op grond van de richtlijn drie maatregelen genoemd die de werkgever in het bijzonder kan nemen om het vrijkomen van asbeststof te beperken, namelijk:
de onderdrukking van asbeststof;
de afzuiging van asbeststof bij de bron; of
het continu laten neerslaan van in de lucht zwevende asbestvezels.
Deze maatregelen zijn niet uitputtend bedoeld. Als er maatregelen zijn die de blootstelling aan asbeststof even goed of nog beter beperken dan de hierboven genoemde maatregelen, dan kunnen ook deze maatregelen worden toegepast. Hierbij kan onder andere worden gedacht aan het afschermen van de asbestbron. SMART-ns helpt bij het kiezen voor de meest effectieve maatregelen.
Werknemers dienen als gevolg van de Wijzigingsrichtlijn een passende ontsmettingsprocedure te ondergaan. De Wijzigingsrichtlijn schrijft daarnaast als nieuwe maatregel voor dat bij werkzaamheden in gesloten ruimten, adequate bescherming moet worden gewaarborgd. Deze verplichting is niet afzonderlijk opgenomen in artikel 4.39, omdat deze verplichting feitelijk al voortvloeit uit de andere verplichtingen in het Arbobesluit.
Ook onderdeel b is nieuw in dit artikel, maar deze verplichting stond al wel op een andere plaats in het Arbobesluit, namelijk in artikel 4.48a, tweede lid. Dat artikel was alleen van toepassing op situaties waarin de grenswaarde naar verwachting zou worden overschreden. Door de verplaatsing naar dit artikel is het nu bij alle werkzaamheden met asbest verplicht om de verspreiding van asbestvezels buiten het werkgebied te voorkomen. Hier is voor gekozen, omdat dit voor de bescherming van werknemers van toegevoegde waarde is.
Op grond van het voormalige artikel 4.48a, tweede lid, onderdeel c, moest worden voorkomen dat asbeststof zich zou verspreiden buiten de ruimten waar de werkzaamheden plaatsvinden. In het nieuwe artikel 4.39, eerste lid, onderdeel b, wordt gesproken over het ‘gebied’ in plaats van ‘ruimten’ om te verduidelijken dat de verplichting tot het voorkomen van de verspreiding van asbeststof ook geldt indien de werkzaamheden in de buitenlucht worden verricht.
De verplichting in onderdeel b staat overigens los van de verplichting om bij een verwachte overschrijding van de grenswaarde een containment in te richten indien de werkzaamheden worden verricht in afgesloten ruimten. Zie daarvoor artikel 4.40, tweede lid, onderdeel c.
De verplichtingen in de onderdelen c en d zijn bestaande verplichtingen die voorheen waren opgenomen in artikel 4.45, tweede lid, onderdelen b en c. Wel is onderdeel c iets anders geformuleerd dan het voormalige artikel 4.45, tweede lid, onderdeel b: daar werd namelijk nog gesproken over het toepassen van asbest of asbesthoudende producten, maar dit is al geruime tijd niet meer toegestaan. Om deze reden wordt in onderdeel c niet meer gesproken over ‘toepassen’. Daarnaast werd in het voormalige onderdeel b gesproken over gebouwen die doeltreffend en regelmatig zouden moeten worden gereinigd en onderhouden. De Asbestrichtlijn spreekt echter over ruimten die doeltreffend en regelmatig moeten worden gereinigd en onderhouden. In het nieuwe onderdeel c is de verplichting tot reiniging en onderhoud daarom nu van toepassing op de ruimten waar de werkzaamheden plaatsvinden, in plaats van het gehele gebouw. De invulling van de begrippen ‘doeltreffend’ en ‘regelmatig’ zullen afhangen van de omstandigheden van het geval. Van belang is in ieder geval dat er bij het vervoer van gereedschappen die bij de werkzaamheden worden gebruikt, geen blootstelling aan asbeststof optreedt en dat de werkzaamheden waarop deze paragraaf van toepassing is, worden gestart met schone installaties en uitrustingen.
Verder is in onderdeel e nu bepaald dat afvalstoffen onmiddellijk in plaats van zo spoedig mogelijk moeten worden verzameld. In de praktijk kwam het voor dat asbesthoudende afvalstoffen tijdens en na een sanering niet onmiddellijk werden ingepakt, maar los op de arbeidsplaats bleven liggen. Dit leidde ertoe dat werknemers tot het uiteindelijke moment van inpakken onnodig werden blootgesteld aan asbestvezels die voortkwamen uit het asbesthoudende afval. Om dit te voorkomen is nu bepaald dat de afvalstoffen direct moeten worden ingepakt in een daartoe geschikte en gesloten verpakking.
Het tweede lid is gebaseerd op het oude artikel 4.45, vierde lid. Op grond van dat lid konden bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld over de werkmethoden, gericht op het voorkomen van de productie en het vrijkomen van asbeststof in de lucht. Deze bevoegdheid tot het stellen van nadere regels is nu uitgebreid tot alle maatregelen die worden genoemd in het eerste lid, vanwege het grote belang daarvan om de blootstelling te beperken.
Op grond van het oude artikel 4.45, derde lid, hoefden er bij werkzaamheden in risicoklasse 1 geen douches beschikbaar te zijn voor werknemers. Deze uitzondering was uniek: hij gold namelijk niet voor alle andere werkzaamheden met kankerverwekkende stoffen. Gelet hierop en gelet op de risico’s die ook werkzaamheden in wat voorheen risicoklasse 1 was met zich meebrengen, komt de hiervoor bedoelde uitzondering niet terug in artikel 4.39 of een ander artikel van het Arbobesluit. Dit betekent dat de aanwezigheid van douches ook verplicht is als werkzaamheden worden verricht die voorheen in risicoklasse 1 zouden zijn gevallen. Het gebruik van douches wordt niet verplicht gesteld, maar dit kan onderdeel zijn van de ontsmettingsprocedure die wordt genoemd in het eerste lid, onderdeel f, van dit artikel.
Artikel 4.40
Voorheen: artikel 4.48a
Inhoudelijke wijzigingen
Dit artikel is de implementatie van artikel 12 van de Asbestrichtlijn. Het artikel is gebaseerd op het oude artikel 4.48a en bevat regels over de aanvullende maatregelen die een werkgever moet nemen als op basis van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2, verwacht kan worden dat de concentratie asbestvezels in de lucht, tijdens de werkzaamheden boven de grenswaarde zal uitkomen.
Het eerste lid komt inhoudelijk overeen met het oude artikel 4.48a, eerste lid, afgezien van de verwijzing naar de grenswaarde. Omdat er nu nog maar één grenswaarde is, is de voorheen in artikel 4.48a, eerste lid, opgenomen verwijzing naar de concentraties asbestvezels als fractie van de grenswaarde, vervangen door een korte verwijzing naar de grenswaarde in artikel 4.25.
Het tweede lid bevat de maatregelen die een werkgever in ieder geval moet nemen om werknemers te beschermen bij een verwachte overschrijding van de grenswaarde. De maatregelen in de onderdelen a en b zijn reeds bestaande maatregelen. De maatregel die was opgenomen in het voormalige artikel 4.48a, tweede lid, onderdeel c, te weten het voorkomen van de verspreiding van stof afkomstig van asbest of asbesthoudende materialen buiten de ruimten waar de werkzaamheden plaatsvinden, is nu opgenomen in artikel 4.39, eerste lid. Hierdoor dient deze maatregel ook te worden genomen als er geen verwachte overschrijding van de grenswaarde is.
Wat het ter beschikking stellen van aantoonbaar passende en geschikte ademhalingsapparatuur betreft, wordt nog opgemerkt dat met het woord ‘geschikte’ niet wordt gedoeld op de vraag of het gebruik van ademhalingsapparatuur in de gegeven situatie nodig is. Bedoeld is dat uit de verschillende soorten ademhalingsapparatuur die beschikbaar zijn, de apparatuur wordt gekozen die in de gegeven situatie het meest geschikt is.
De maatregel in onderdeel c is nieuw en komt voort uit de Wijzigingsrichtlijn. Indien er wordt gewerkt in afgesloten ruimten, zal de werkgever ervoor moeten zorgen dat er een containment wordt gebruikt. Dit houdt in dat de afgesloten ruimte luchtdicht wordt gemaakt en mechanisch wordt geventileerd door afzuiging. Door een containment te gebruiken, worden met name werknemers die buiten het containment aan het werk zijn en derden beschermd tegen blootstelling aan asbeststof.
Het begrip ‘afgesloten ruimten’ is afkomstig uit de Asbestrichtlijn en verwijst naar werkzaamheden die in een binnenruimte plaatsvinden, zoals een kamer in een woning of de kajuit van een boot. Het gaat hierbij niet om ruimten die in hun geheel zijn afgescheiden van de buitenlucht: het enkele openzetten van bijvoorbeeld een deur of raam betekent dus niet dat er geen sprake meer is van een afgesloten ruimte.
Het derde lid is nieuw en schrijft voor dat als ademhalingsapparatuur ter beschikking wordt gesteld, de werkgever ervoor moet zorgen dat de duur van het dragen hiervan tot het strikt noodzakelijke wordt beperkt en dat wordt voorzien in regelmatige rustpauzes. In de Asbestrichtlijn is deze verplichting opgenomen in artikel 10, derde lid, dat gaat over de situatie dat tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden de grenswaarde wordt overschreden. Het ligt echter voor de hand dat deze verplichting ook geldt als voorafgaande aan de start van de werkzaamheden al duidelijk is dat de grenswaarde zal worden overschreden. Om deze reden en gelet op artikel 4.4, zesde lid, is het derde lid opgenomen in dit artikel.
Het vierde lid stelt nadere eisen aan de rustpauzes waar op grond van het derde lid in moet worden voorzien. De inhoud van dit lid komt overeen met het oude artikel 4.47a, zesde lid. Het oude artikel 4.47a zag alleen op maatregelen die moeten worden genomen bij overschrijding van een grenswaarde. Deze maatregelen zijn nu opgenomen in artikel 4.43. Het is echter niet logisch om bij een overschrijding van de grenswaarde wel nadere eisen te stellen aan de rustpauzes, maar dit niet te doen als een dergelijke overschrijding slechts kan worden verwacht, terwijl in beide gevallen door de werknemers ademhalingsapparatuur moet worden gedragen en het dragen van ademhalingsapparatuur een voor werknemers belastende maatregel is. Om deze reden is de inhoud van het oude artikel 4.47a, zesde lid, in het nieuwe artikel 4.40 opgenomen als vierde lid.
Het vijfde lid, aanhef en onderdeel a, is identiek aan het derde lid van het oude artikel 4.48a. Het vijfde lid, aanhef en onderdeel b, is gebaseerd op het oude artikel 4.47a, zevende lid. In dat lid werd alleen verwezen naar de situatie dat er geen ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging in het bedrijf aanwezig is. Echter, ook als er wel een ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging is, zullen, indien relevant, de rustpauzes in samenspraak moeten worden vastgesteld. In de tekst van de aanhef in combinatie met onderdeel b komt dit nu duidelijk naar voren.
Het zesde lid maakt het mogelijk om bij ministeriële regeling werkzaamheden aan te wijzen waarbij ervan uit mag worden gegaan dat de grenswaarde niet zal worden overschreden. Het gaat hierbij om werkzaamheden die worden verricht volgens een bij ministeriële regeling aangewezen erkende werkmethode. Dit zijn werkzaamheden waarvan kan worden verwacht dat de grenswaarde, ondanks het nemen van preventieve maatregelen, zal worden overschreden, maar waar deze overschrijding zich niet voor zal doen, als een bepaalde erkende werkmethode wordt gevolgd. De systematiek van erkende werkmethoden bouwt voort op de erkenning van werkmethoden door het Validatie- en Innovatiepunt Asbest (VIP) waarmee onder de oude regelgeving kon worden teruggeschaald van risicoklasse 2 naar risicoklasse 1.
Als er sprake is van aangewezen werkzaamheden die volgens een aangewezen erkende werkmethode worden verricht, dan brengt dit met zich mee dat de werkgever de maatregelen, bedoeld in dit artikel, niet hoeft te nemen. Hij zal echter wel nog steeds bij een daadwerkelijke overschrijding van de grenswaarde de werkzaamheden moeten stilleggen overeenkomstig artikel 4.42 en vervolgens moeten handelen overeenkomstig artikel 4.43. Het zesde lid gaat daarnaast uit van een rechtsvermoeden: de werkgever zal nog steeds de in dit artikel bedoelde maatregelen moeten nemen, indien in een gegeven situatie blijkt dat ondanks het volgen van een erkende werkmethode, de grenswaarde naar verwachting zal worden overschreden.
Artikel 4.41
Voorheen: artikel 4.47
Inhoudelijke wijzigingen
Dit artikel is de implementatie van de artikelen 7 en 17, tweede lid, onderdeel a, van de Asbestrichtlijn en bevat de verplichting om, afhankelijk van de resultaten van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2, bij het verrichten van werkzaamheden met asbest, tussentijds de concentratie asbestvezels in de lucht waaraan de werknemer wordt blootgesteld te meten.
Het artikel is gebaseerd op het vervallen artikel 4.47 en komt grotendeels met dat artikel overeen. Een van de onderdelen die ten opzichte van het vervallen artikel 4.47 is gewijzigd, is het opschrift. Dit is gedaan om duidelijker tot uitdrukking te brengen dat artikel 4.41 gaat over de metingen die tussentijds moeten worden verricht.
De Wijzigingsrichtlijn heeft de verplichting geïntroduceerd om de tussentijdse metingen niet alleen op gezette tijden, maar ook in specifieke operationele fasen te laten plaatsvinden. Wat deze operationele fasen zijn, zal afhankelijk zijn van de werkzaamheden die worden verricht. Het is aan de werkgever om de fasen te bepalen en voor elk van deze fasen, afhankelijk van het resultaat van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2, te bepalen op welke momenten er metingen zullen worden verricht. Vanwege het doel van de tussentijdse metingen, zullen de operationele fasen enkel fasen kunnen zijn waarin de werknemer wordt of kan worden blootgesteld aan asbeststof. Het is dus niet de bedoeling dat er wordt gemeten tijdens fasen waarin geen werkzaamheden plaatsvinden met (mogelijke) blootstelling aan asbeststof.
Het tweede tot en met zesde lid komen overeen met het vierde tot en met achtste lid van het vervallen artikel 4.47.
De voorheen in artikel 4.47, derde lid, opgenomen bepaling over de wijze van uitvoering van de meting, is in artikel 4.41 opgenomen als het zevende lid. Dit omdat de meting chronologisch gezien pas na het nemen van monsters plaatsvindt, waar de voorgaande leden op zien. Hierbij is de term ‘meting’ vervangen door ‘telling’, om duidelijker te maken waar het lid betrekking op heeft. Dit sluit ook beter aan bij de Asbestrichtlijn, die het tevens heeft over de telling van vezels.
Het zevende lid is naast het bovenstaande ook op een ander punt gewijzigd ten opzichte van artikel 4.47, derde lid. Deze aanpassing is de implementatie van het gewijzigde artikel 7, zesde lid, van de Asbestrichtlijn. Op grond van dit lid van de Asbestrichtlijn moet bij de telling van de asbestvezels die middels monsterneming zijn verzameld, gebruik worden gemaakt van elektronenmicroscopie of een andere methode, mits deze gelijkwaardige of nauwkeurigere resultaten oplevert. Dit is nu in het zevende lid opgenomen.
Het achtste lid komt grotendeels overeen met het negende lid van het vervallen artikel 4.47. Nieuw is een uitzondering voor werkzaamheden die met een vergunning asbestverwijdering beperkt mogen worden verricht: de werkgever hoeft de resultaten van de tussentijdse metingen die bij deze werkzaamheden zijn verricht, niet ter inzage aan te bieden, en hij hoeft ook geen uitleg te geven over de betekenis.
In het negende lid is een bevoegdheid opgenomen om nadere regels te stellen over het eerste lid en het vijfde tot en met zevende lid. De bevoegdheid om nadere regels te stellen over de meetmethode die was opgenomen in artikel 4.47, derde lid, valt nu onder de bevoegdheid om nadere regels te stellen in het negende lid. Daarnaast mogen op grond van deze bevoegdheid nadere regels worden gesteld over de telmethode en de gezette tijden waarop de concentratie asbestvezels in de lucht moet worden gemeten. Indien nodig kan hiermee nader worden bepaald op welke momenten er in ieder geval metingen moeten plaatsvinden. Ook kunnen op grond van het negende lid nadere regels worden gesteld over de monstername, de persoon die de monsters neemt, de monsteranalyse en het laboratorium dat deze analyse uitvoert.
Artikel 4.42
Nieuw artikel
Artikel 4.42 is de implementatie van het gewijzigde artikel 10, eerste lid, eerste en tweede alinea, van de Asbestrichtlijn.
Als de concentratie asbestvezels in de lucht tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden de grenswaarde van 2.000 vezels per kubieke meter overschrijdt, moeten de werkzaamheden in de gevarenzone onmiddellijk worden stilgelegd, tenzij na een eerdere overschrijding van de grenswaarde al doeltreffende maatregelen zijn getroffen overeenkomstig artikel 4.42. Met deze uitzondering wordt voorkomen dat als het technisch niet mogelijk is om de concentratie asbestvezels terug te brengen tot onder de grenswaarde, de werkzaamheden meteen weer moeten worden stilgelegd, ook al zijn doeltreffende maatregelen getroffen om de betrokken werknemers te beschermen tegen blootstelling aan asbestvezels.
Stilleggen moet ook als bij het uitvoeren van de werkzaamheden er een reden bestaat om aan te nemen dat er asbesthoudende materialen die niet voor de aanvang van de werkzaamheden waren geïdentificeerd, worden verstoord en asbeststof kunnen produceren.
De stillegging ziet alleen op werkzaamheden die in de gevarenzone worden verricht. In het derde lid is opgenomen wat in dit artikel onder dit begrip moet worden verstaan. De definitie van dit begrip komt overeen met de uitgebreide definitie van het begrip gevarenzone op grond van artikel 4.27, tweede lid, namelijk elke plaats waar werknemers worden of kunnen worden blootgesteld aan mutagene of kankerverwekkende stoffen, of stoffen die vrijkomen bij kankerverwekkende processen. Als bijvoorbeeld op een bouwplaats op meerdere plaatsen werkzaamheden met asbest plaatsvinden, dan hoeven niet al deze werkzaamheden te worden stilgelegd, maar slechts die werkzaamheden die in de gevarenzone worden verricht.
Gedurende de stillegging mogen er geen werkzaamheden meer worden verricht op de betreffende arbeidsplaats. Wel mogen er handelingen worden verricht die nodig zijn om de stillegging op te heffen. In het geval van een stillegging die voortkomt uit het overschrijden van de grenswaarde, zijn dit het treffen van doeltreffende maatregelen om de concentratie asbestvezels in de lucht tot onder de grenswaarde te brengen en de betrokken werknemers te beschermen tegen de blootstelling aan asbestvezels. Als de stillegging het gevolg is van niet eerder geïdentificeerd asbest, dan zal er een nieuwe beoordeling op grond van artikel 4.2 van het Arbobesluit plaats moeten vinden. Dit houdt, gelet op artikel 4.48, ook in dat een nieuw onderzoek naar de aanwezigheid van asbest zal moeten worden verricht, al dan niet door middel van een asbestinventarisatie. Afhankelijk van het resultaat hiervan kan het zo zijn dat op grond van het Bbl een nieuwe melding moet worden gedaan.
De werkzaamheden mogen na overschrijding van een grenswaarde pas weer worden hervat als er doeltreffende maatregelen zijn genomen om de betrokken werknemers te beschermen tegen de blootstelling aan asbestvezels. Hiervan kan sprake zijn als de concentratie asbestvezels in de lucht weer tot onder de grenswaarde is gebracht of als er maatregelen zijn genomen om te voorkomen dat werknemers bij het uitvoeren van hun werkzaamheden grote hoeveelheden asbestvezels (kunnen) inademen, zoals het ter beschikking stellen van ademhalingsapparatuur. Als een werkgever deze laatstgenoemde maatregelen neemt, dan ontslaat hem dat echter niet van zijn plicht om de concentratie asbestvezels in de lucht weer tot onder de grenswaarde te krijgen, indien dit haalbaar is. Indien de concentratie asbestvezels weer tot onder de grenswaarde is gebracht, zal een werkgever zich daarnaast moeten blijven inspannen om de concentratie asbestvezels zo laag mogelijk onder de grenswaarde te krijgen en te houden.
Als er niet eerder geïdentificeerd asbest is ontdekt, dan mogen de werkzaamheden pas weer worden hervat als een nieuwe beoordeling overeenkomstig artikel 4.2 heeft plaatsgevonden.
Artikel 4.43
Voorheen: artikel 4.47a
inhoudelijke wijzigingen
Artikel 4.43 is de implementatie van de artikelen 10, eerste lid, derde alinea, tweede en derde lid, en 17, tweede lid, onderdeel b, van de Asbestrichtlijn. Het artikel bevat minder leden dan het vervallen artikel 4.47a, omdat de regels over het hervatten van de werkzaamheden zijn overgebracht naar het nieuwe artikel 4.42 en omdat voor een aantal regels over het gebruik van ademhalingsapparatuur is verwezen naar artikel 4.40.
Als de werkzaamheden zijn stilgelegd vanwege een overschrijding van de grenswaarde, dan zal de werkgever op grond van het eerste lid, net als nu het geval is, de oorzaken van deze overschrijding moeten opsporen en doeltreffende maatregelen moeten treffen om de concentratie asbestvezels terug te brengen tot onder de grenswaarde. Daarbij geldt dat zolang de concentratie asbestvezels zich boven de grenswaarde bevindt, de werkzaamheden niet mogen worden voortgezet, tenzij doeltreffende maatregelen zijn geenomen om de betrokken werknemers te beschermen tegen de blootstelling aan asbestvezels.
Zoals nu al het geval is, zal een werkgever op grond van het tweede lid de ondernemingsraad, personeelsvertegenwoordiging of de belanghebbende werknemers in kennis moeten stellen van een overschrijding van de grenswaarde, de oorzaak daarvan en de te nemen maatregelen. Daarnaast moeten zij de gelegenheid krijgen om een oordeel te vellen over de voorgestelde maatregelen, tenzij dit vanwege de spoedeisendheid van de situatie niet mogelijk is. Indien de werkgever ademhalingsapparatuur ter beschikking stelt, moeten de voornoemde partijen daarnaast, indien relevant, worden betrokken bij het vaststellen van de rustpauzes (derde lid, tweede zin, in samenhang met artikel 4.40, vijfde lid, onderdeel b).
Als het niet mogelijk is om de blootstelling aan asbestvezels met andere middelen te beperken, dan zal, overeenkomstig het derde lid, ademhalingsapparatuur ter beschikking moeten worden gesteld aan de werknemers. Het is daarbij aan de werkgever om ervoor te zorgen dat deze ademhalingsapparatuur ook daadwerkelijk door de werknemers wordt gedragen. Dat vloeit ook voort uit het eerste lid, dat vereist dat de genomen maatregelen doeltreffend zijn. De werkgever moet er uiteraard ook voor zorgen dat de ademhalingsapparatuur voldoet aan de vereisten in afdeling 1 van hoofdstuk 8 van het Arbobesluit. De werkgever zal er verder voor moeten zorgen dat de duur van het dragen van de ademhalingsapparatuur voor iedere werknemer tot het strikt noodzakelijke wordt beperkt en wordt voorzien in regelmatige rustpauzes. Hoeveel rustpauzes nodig zijn en hoe lang deze moeten duren, dient de werkgever te bepalen overeenkomstig artikel 4.40, vierde lid, dat van overeenkomstige toepassing is verklaard.
Indien de werkgever maatregelen als bedoeld in het eerste lid heeft genomen, rust op grond van het vierde lid op hem de verplichting om een nieuwe meting te verrichten. Deze verplichting stond voorheen in artikel 4.47a, achtste lid.
Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat als een werkgever doeltreffende maatregelen als hiervoor bedoeld heeft genomen en als gevolg daarvan de werknemers hun werkzaamheden weer mogen hervatten, dit niet betekent dat de werkgever geen verplichting meer heeft om de concentratie asbestvezels in de lucht tot onder de grenswaarde terug te brengen, voor zover dat haalbaar is. Deze verplichting blijft op hem rusten totdat hiervan sprake is. Daarnaast blijft de verplichting gelden om de concentratie asbestvezels zo laag als technisch mogelijk onder de grenswaarde te houden.
Artikelen 4.44 tot en met 4.46
Voorheen: artikelen 4.51, 4.52 en 4.53
Deze artikelen zijn inhoudelijk grotendeels identiek aan de artikelen waarop zij zijn gebaseerd, namelijk de vervallen artikelen 4.51, 4.52 en 4.53. De artikelen 4.44 tot en met 4.46 zijn een implementatie van de volgende artikelen van de Asbestrichtlijn:
Artikel 4.44: artikel 16, eerste lid, onderdelen c en f, van de Asbestrichtlijn;
Artikel 4.45: artikel 18, tweede lid, tweede en vierde alinea, en derde lid, van de Asbestrichtlijn;
Artikel 4.46: artikel 19, tweede lid, van de Asbestrichtlijn.
De voorschriften in de vervallen artikelen 4.51, 4.52 en 4.53 golden alleen voor werkzaamheden die in risicoklasse 2 of 2A vielen. Met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit gelden deze voorschriften, die nu zijn opgenomen in de artikelen 4.44 tot en met 4.46, voor alle werkzaamheden waarbij werknemers worden of kunnen worden blootgesteld aan asbeststof.
Artikel 16 van de Asbestrichtlijn biedt de mogelijkheid om dit artikel van de Richtlijn buiten toepassing te laten, indien er sprake is van werkzaamheden als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Asbestrichtlijn en wordt voldaan aan de overige voorwaarden die dat lid stelt. De Wijzigingsrichtlijn heeft geen verandering gebracht in deze uitzonderingsmogelijkheid. In artikel 4.51 werd van deze mogelijkheid gebruikgemaakt door dat artikel alleen van toepassing te laten zijn op werkzaamheden in risicoklasse 2 of 2A. Bij de totstandkoming van dit besluit is opnieuw gekeken of bepaalde werkzaamheden zouden moeten worden uitgezonderd van de toepassing van de voorschriften in artikel 16, eerste lid, onderdelen c en f, waar artikel 4.51 een implementatie van was en het huidige artikel 4.44 een implementatie van is. Er is gekozen om geen werkzaamheden uit te zonderen, met name vanwege de eis in het derde lid: het is in alle gevallen belangrijk dat wanneer beschermende uitrusting wordt verstrekt, deze deugdelijk wordt bewaard, gecontroleerd en gereinigd, en er geen defecte uitrusting wordt gebruikt.
Op grond van artikel 4.10a, eerste lid, moet iedere werknemer die voor de eerste keer beroepsmatig kan worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen, waartoe ook asbest behoort, in de gelegenheid worden gesteld om een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan. In het vervallen artikel 4.52 waren enkele aanvullende voorschriften met betrekking tot dit onderzoek opgenomen die van toepassing waren indien iemand arbeid verrichte of zou gaan verrichten waarbij er sprake was van (mogelijke) blootstelling aan asbeststof. Artikel 4.53 bevatte aanvullende voorschriften, afkomstig uit de Asbestrichtlijn, met betrekking tot de registratie van werknemers die worden blootgesteld aan asbeststof.
In artikel 3, derde lid, van de Asbestrichtlijn was een mogelijkheid opgenomen om bij bepaalde werkzaamheden af te wijken van artikel 18 en 19 van de Asbestrichtlijn, waar de toenmalige artikelen 4.52 en 4.53 en de huidige artikelen 4.45 en 4.46 op zijn gebaseerd. In Nederland werd van deze mogelijkheid gebruikgemaakt door de voorschriften in de artikelen 4.52 en 4.53 alleen van toepassing te verklaren op werkzaamheden die waren ingedeeld in risicoklasse 2 en 2A.
Als gevolg van de Wijzigingsrichtlijn is de hiervoor genoemde afwijkingsmogelijkheid echter komen te vervallen, waardoor de hiervoor bedoelde aanvullende voorschriften van toepassing zijn op alle werkzaamheden waarbij werknemers worden of kunnen worden blootgesteld aan asbeststof.
Gelet op het voorgaande en door de verplaatsing van het artikel inzake het werkplan (voormalig artikel 4.50, nu artikel 4.52) was het onderscheid in regels tussen risicoklasse 1 enerzijds en risicoklassen 2 en 2A anderzijds zo klein geworden, dat het in stand houden van de risicoklassen geen toegevoegde waarde meer had. De risicoklasse-indeling is om deze reden dan ook komen te vervallen. De artikelen 4.44, 4.45 en 4.46, waar datgene is geregeld wat eerst in de artikelen 4.51, 4.52 en 4.53 stond, zijn nu ondergebracht in paragraaf 2 van de nieuw vastgestelde afdeling 3 van het Arbobesluit.
Zoals eerder aangegeven, komen de artikelen 4.44 tot en met 4.46 grotendeels overeen met de oude artikelen 4.51 tot en met 4.53. Hieronder wordt toegelicht op welke punten deze artikelen van elkaar verschillen.
In het oude artikel 4.51 stond dat de werkkleding alleen buiten het bedrijf of de inrichting mocht worden gebracht om deze te laten reinigen door een daartoe adequaat uitgeruste wasserij. In artikel 4.44 is de zinsnede ‘het bedrijf of de inrichting’ vervangen door ‘arbeidsplaats’ om te verduidelijken dat de hiervoor genoemde uitzondering ook geldt als de werkkleding zich niet binnen een bedrijf of inrichting bevindt, maar op een plaats buiten een bedrijf of inrichting waar werkzaamheden worden verricht, zoals een woning waaruit asbest wordt verwijderd. Omdat er daarnaast in de praktijk veelvuldig gebruik wordt gemaakt van werkkleding die na gebruik wordt vernietigd, is in artikel 4.44, eerste lid, nu opgenomen dat de werkkleding ook buiten de arbeidsplaats mag worden gebracht om deze te laten vernietigen.
In het oude artikel 4.53 stond niet expliciet vermeld op wie de verplichting tot het bijhouden van de blootstellingsregistratie rustte. In de praktijk heeft dit tot de vraag geleid of de werkgever de registratie zelf mag bijhouden en raadplegen of dat alleen een bedrijfsarts of arbodienst dit mag doen. In artikel 4.46, eerste lid, is nu verduidelijkt dat de verplichting tot het bijhouden van de blootstellingsregistratie berust bij de werkgever. De werkgever zelf mag dus de gegevens van personen vastleggen in de blootstellingsregistratie en deze waar nodig raadplegen, bijvoorbeeld om inzage hierin te geven aan de arbodienst.
Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat bij het arbeidsgezondheidskundig onderzoek, bedoeld in artikel 4.45, het in beginsel niet gaat om belastende (invasieve) onderzoeken. Wel zal de arts aandacht besteden aan de longfunctie, bijvoorbeeld met behulp van een longfunctietest. Een aandachtspunt is onder meer dat het werken met adembeschermingsmiddelen in combinatie met fysieke arbeid belastend is voor de werknemer en dit een goede algehele conditie vraagt. Onder de maatregelen die op basis van het onderzoek nodig kunnen blijken, kan dan bijvoorbeeld worden gedacht dat werkzaamheden worden verricht die fysiek minder belastend zijn. Het maken van röntgenfoto’s van longen of verder medisch onderzoek kan aan de orde zijn als daar aanleiding voor is.
Artikel 4.47
Voorheen: artikel 4.54a, eerste lid
Inhoudelijke wijzigingen
Artikel 4.47 is samen met de artikelen 4.48 en 4.49 de implementatie van artikel 11 van de Asbestrichtlijn. Dit artikel benoemt net als het voormalige artikel 4.54a, eerste lid, de werkzaamheden waarbij eerst de aanwezigheid van asbest en asbesthoudende producten in kaart moet worden gebracht, alvorens de werkzaamheden mogen worden verricht.
De genoemde werkzaamheden in artikel 4.47 wijken op enkele punten af van de werkzaamheden die werden genoemd in artikel 4.54a, eerste lid. Ten eerste is de uitzondering voor grondwerken, die in artikel 4.54a, eerste lid, onderdeel a, was opgenomen, nu komen te vervallen, omdat voor de identificatie van asbest en asbesthoudende producten bij grondwerken nu een bepaling is opgenomen in artikel 4.48.
Daarnaast wordt er nu niet langer gesproken over het verwijderen van asbest of asbesthoudende producten, maar het verwijderen van asbestverdacht materiaal. Bij asbestverdacht materiaal gaat het, zoals volgt uit de begripsbepaling, om materiaal dat naar redelijke verwachting asbest is en om producten waarin asbest voorkomt of naar redelijke verwachting asbest of een asbesthoudend product is toegepast. Voor deze nieuwe formulering is gekozen, omdat voorafgaande aan de werkzaamheden vaak niet vast zal staan dat er sprake is van asbest of een asbesthoudend product dat zal worden verwijderd. Door het gebruik van de term asbestverdacht materiaal wordt duidelijk dat er ook een asbestidentificatie plaats zal moeten vinden als nog niet vaststaat dat er sprake is van asbest of een asbesthoudend product, maar wel redelijkerwijs kan worden verwacht dat dit het geval is.
Het verwijderen van asbestverdacht materiaal moet breed worden opgevat. Hieronder valt bijvoorbeeld ook het opruimen van asbestverdachte materialen die ten gevolge van een incident zijn vrijgekomen en procesmatige reiniging van grond of baggerspecie waarin zich asbestverdacht materiaal bevindt.
Nieuw ten opzichte van het oude artikel 4.54a, eerste lid, is verder dat ook een identificatie van asbest en asbesthoudende producten zal moeten worden uitgevoerd als in of aan bouwwerken of objecten onderhouds- of renovatiewerkzaamheden worden uitgevoerd. Ook in dit laatste geval kan sprake zijn van werkzaamheden aan asbest of asbesthoudende producten. Het moet dan wel gaan om onderhouds- of renovatiewerkzaamheden waarbij eventueel aanwezig asbest of asbesthoudende producten worden beroerd waardoor blootstelling aan asbeststof kan ontstaan.
Verder is nieuw dat een identificatie plaats moet vinden in het geval van het ontgraven van grond of baggerspecie uit de bodem respectievelijk waterbodem waarin naar redelijke verwachting asbest of een asbesthoudend product aanwezig is. Voorafgaande aan deze werkzaamheden zal, net als nu het geval is, een verkennend of nader bodemonderzoek asbest als bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving moeten zijn uitgevoerd.
Artikel 4.48
Voorheen: artikel 4.54a
Inhoudelijke wijziging
Artikel 4.48 maakt onderdeel uit van de implementatie van artikel 11 van de Asbestrichtlijn.
In het eerste lid is invulling gegeven aan de verantwoordelijkheid van de werkgever om voor aanvang van de werkzaamheden onderzoek te doen naar de aanwezigheid en precieze locaties van asbest en asbesthoudende producten op de plaats waar de werkzaamheden worden verricht, de soorten asbest waar het om gaat en, in het geval van de aanwezigheid van asbesthoudende producten, de percentages asbest in het materiaal. In het eerste lid is met de zinsnede op de plaats waar de werkzaamheden worden verricht bedoeld dat de benodigde informatie zich mag beperken tot de asbestverdachte toepassingen waaraan zal worden gewerkt. In het geval er echter risico bestaat op blootstelling door asbesttoepassingen waaraan niet wordt gewerkt, moeten deze ook worden betrokken.
De bedoelde informatie moet worden verzameld in het kader van de beoordeling in artikel 4.2, die de werkgever verplicht om te bepalen wat de aard, mate en duur van de blootstelling aan gevaarlijke stoffen zal zijn op grond waarvan passende maatregelen moeten worden genomen om die blootstelling te beperken.
In het tweede lid, onderdeel a, wordt vervolgens de mogelijkheid geboden om bestaande informatie te gebruiken. Dit kan productinformatie zijn van een specifieke toepassing die asbestverdacht is. Ook kan gebruik worden gemaakt van een bronnenboek, waarin bijvoorbeeld een beheerder van een installatie in kaart heeft gebracht welke onderdelen zich daarin bevinden met een karakterisering van het asbestgehalte. Het is van belang dat de documentatie de gevraagde informatie biedt en daarvoor moet dus voldoende informatie beschikbaar zijn van de materialen en producten die mogelijk asbesthoudend kunnen zijn. Het zal dan gaan om werkzaamheden aan duidelijk afgebakende materialen en producten, zoals bijvoorbeeld een verwarmingstoestel waarvan aan de hand van het bouwjaar, merk en het type kan worden achterhaald of daarin asbest aanwezig is. Wanneer bijvoorbeeld een gebouw gedeeltelijk of geheel wordt gesloopt, met daarin mogelijk zeer uiteenlopende asbesttoepassingen, zal dergelijke informatie doorgaans niet toereikend zijn en dan is een asbestinventarisatie vereist.
Artikel 4.48 bepaalt niet wie er opdracht moet geven tot het verrichten van een asbestinventarisatie. Wel is het van belang dat als er geen documentatie als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, voorhanden is, het naar aanleiding van de inventarisatie opgestelde asbestinventarisatierapport bij de werkgever terechtkomt. Dit omdat hij op grond van het tweede lid, onderdeel b, dit rapport moet raadplegen om te kunnen voldoen aan zijn onderzoeksplicht op grond van het eerste lid. Het asbestinventarisatierapport dient hierbij te zijn toegespitst op de plaats waar de werkzaamheden zullen plaatsvinden.
In het derde lid is een verplichting opgenomen voor andere werkgevers om op verzoek van een werkgever aan hem de documenten en andere informatie te verschaffen die hij nodig heeft voor het onderzoek, bedoeld in het eerste lid. Deze verplichting geldt alleen voor zover de werkgever waaraan het verzoek is gericht, over de gevraagde informatie beschikt. Het derde lid verplicht een werkgever waaraan een verzoek is gericht tot medewerking, maar deze verplichting gaat niet zo ver dat de werkgever geheel nieuwe documenten moet opstellen of zelf een uitgebreid onderzoek moet doen om de gevraagde informatie te verstrekken.
Het vierde lid bepaalt dat een aanvullende asbestinventarisatie moet worden uitgevoerd als het vermoeden bestaat of blijkt dat het opgestelde asbestinventarisatierapport niet al het asbest of alle asbesthoudende producten bevat. Dit kan zich voordoen als tijdens de werkzaamheden, bijvoorbeeld na verwijderingswerkzaamheden, onverwachte asbestverdachte materialen of producten worden aangetroffen.
Voor bodemwerkzaamheden wordt, zoals in het vijfde lid beschreven, invulling gegeven aan de asbestidentificatie via de reguliere wijze van bodemonderzoeken zoals die zijn voorgeschreven in het Besluit activiteiten leefomgeving. Dergelijk bodemonderzoek bestaat uit een verkennend bodemonderzoek, met aanvullend een nader bodemonderzoek als het verkennend bodemonderzoek daartoe aanleiding biedt.
De documentatie waaruit de informatie, bedoeld in het eerste lid, blijkt, moet volgens het zesde lid aanwezig zijn op de arbeidsplaats, zodat de toezichthouder deze kan controleren.
Het zevende lid bevat uitzonderingen op de asbestidentificatieplicht.
Op grond van het voormalige artikel 4.54b, onderdeel a, hoefde geen asbestinventarisatie te worden verricht bij werkzaamheden die werden uitgevoerd in of aan bouwwerken of objecten die op of na 1 januari 1994 zijn gebouwd dan wel vervaardigd. Deze uitzondering blijft bestaan, maar bevat nu wel een voorbehoud: er zal wel een onderzoek moeten worden verricht als er aanwijzingen zijn dat er toch asbest of een asbesthoudend product in het bouwwerk of object is toegepast. Hoewel er in beginsel van uit mag worden gegaan dat in bouwwerken en objecten van na deze datum geen asbest of asbesthoudende producten zijn toegepast, kan niet volledig worden uitgesloten dat dit toch het geval is. Door de toevoeging aan de uitzondering, zal in bepaalde gevallen ook bij werkzaamheden in of aan bouwwerken of objecten van op of na 1 januari 1994 moeten worden nagegaan of er sprake is van asbest of asbesthoudende producten voor aanvang van de werkzaamheden. Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat de uitzondering, net als nu het geval is, zonder meer niet van toepassing is op zeeschepen op grond van artikel 4.103.
Daarnaast bevat het zevende lid een uitzondering voor gevallen waarin sprake is van dermate spoed om werkzaamheden uit te voeren, dat het niet mogelijk is om eerst onderzoek te verrichten naar de mogelijke aanwezigheid en hoedanigheid van asbest. Hierbij kan worden gedacht aan het moeten repareren van een lekkage in een brandstofleiding om een calamiteit te voorkomen. In dat geval moet ervan worden uitgegaan dat het om asbest of een asbesthoudende toepassing gaat en moet de uitvoering van de werkzaamheden daar dus ook op worden afgestemd.
Het voormalige artikel 4.54b benoemde daarnaast in de onderdelen b tot en met k nog meer uitzonderingen op de asbestinventarisatieplicht die volgde uit het voormalige artikel 4.54a. De Asbestrichtlijn biedt geen grond voor deze uitzonderingen, zodat dit artikel is vervallen. Dit betekent dat de bepalingen in deze paragraaf nu ook van toepassing zijn op deze voormalige uitzonderingssituaties. Wel kan ook in deze gevallen gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid om een documentonderzoek te doen en blijft er een mogelijkheid bestaan om in spoedeisende gevallen een beroep te doen op het zevende lid.
Het achtste lid bevat een bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen aan de documentatie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a.
Artikel 4.49
Nieuw artikel
Het eerste lid bepaalt dat een asbestinventarisatie wordt gedaan door een bedrijf dat in het bezit is van een certificaat asbestinventarisatie. Dit was eerder zo bepaald in het vierde lid van artikel 4.54a.
In het eerste lid, onderdeel b, is daarbij aanvullend voorgeschreven dat het bedrijf dat de asbestinventarisatie uitvoert, onafhankelijk moet zijn ten opzichte van degene die de werkzaamheden verricht waarvoor de asbestinventarisatie wordt uitgevoerd.
Het tweede lid bepaalt welke inhoud moet worden vastgelegd in het asbestinventarisatierapport. Deze inhoudseisen zijn ontleend aan het ‘Certificatieschema voor de Procescertificaten Asbestinventarisatie en Asbestverwijdering’, zoals dit luidde voor de inwerkingtreding van dit besluit. Een belangrijk verschil ten opzichte van dit processchema is dat er geen sprake is van een standaard maximale geldigheidsduur van het asbestinventarisatierapport van drie jaar. De geldigheid van een asbestinventarisatierapport is op grond van onderdeel g afhankelijk van de specifieke omstandigheden. In buitensituaties met een sterke verwering van materialen, kan het daardoor zijn dat een inventarisatierapport drie jaar geldig is, omdat de mate van verwering in die periode toeneemt. Als er echter geen sprake is van verwering, kan een langere geldigheidsduur van toepassing zijn. Ook kan de geldigheidsduur van het asbestinventarisatierapport beperkt worden door veranderende regelgeving. In dat geval zal daarover in de betreffende nieuwe regelgeving duidelijkheid moeten worden gegeven.
Het tweede lid richt zich tot de werkgever: hij zal erop toe moeten zien dat het asbestinventarisatierapport dat aan hem worden verstrekt, ten minste de in dit lid genoemde informatie bevat, voordat hij begint met de werkzaamheden ten behoeve waarvan het inventarisatierapport is opgesteld.
Artikel 4.50
Nieuw artikel
Paragraaf 4 van afdeling 3 van het Arbobesluit bevat bepalingen die alleen van toepassing zijn bij de sloop van bouwwerken of objecten waarin naar redelijke verwachting asbest of een asbesthoudend product is toegepast en asbestverwijderingswerkzaamheden. Dit is geregeld in het nieuwe artikel. Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat onder deze laatste categorie ook het opruimen van asbest of asbesthoudende producten die ten gevolge van een incident zijn vrijgekomen vallen.
In het artikel is tevens bepaald dat artikel 4.51, tweede lid, onderdeel a, van deze paragraaf niet van toepassing is op het verwijderen van asbest uit de bodem, de waterbodem, grond of baggerspecie. Dit komt omdat het beoordelingsinstrument, bedoeld in dat onderdeel, niet voorziet in deze werkzaamheden.
Artikel 4.51
Nieuw artikel
Dit artikel is nieuw en bedoeld om te regelen dat aan de basisverplichting, het vooraf bepalen van het te verwachten blootstellingsniveau, op twee manieren kan worden voldaan bij werkzaamheden waarop deze paragraaf van toepassing is, anders dan het verwijderen van asbest uit de bodem, de waterbodem, grond of baggerspecie. Namelijk ofwel door gebruik te maken van een blootstellingsmodel dat ter beschikking wordt gesteld via een door de Minister van SZW aan te wijzen beoordelingsinstrument, dat is ontwikkeld met gebruikmaking van eerdere meetgegevens. Ofwel door het daadwerkelijk meten zelf waarbij de te gebruiken metingen representatief moeten zijn voor de uit te voeren werkzaamheden. Deze meetgegevens moeten tevens in het beoordelingsinstrument worden ingevoerd. Door het opnemen van dit artikel wordt een al lang bestaande en geaccepteerde praktijk vastgelegd, namelijk dat er niet bij elke asbestsanering gemeten hoeft te worden als er gebruik gemaakt wordt van een instrument dat de blootstellingsschatting vooraf maakt, geformaliseerd. Hiermee kan er in vrijwel alle situaties een goede inschatting vooraf worden gemaakt van de blootstelling waaraan werknemers worden blootgesteld.
In het eerste lid van dit artikel wordt verwezen naar artikel 4.39 om te verduidelijken dat altijd gekozen moet worden voor de methode die de minste blootstelling aan asbestvezels oplevert. Het adequaat vaststellen van het blootstellingsniveau, dat ontstaat door een combinatie van omstandigheden, asbestbron en werkmethode, is een verplichting die losstaat van de verplichting om te kiezen voor een werkmethode die de minste blootstelling oplevert. Eerst treft men maatregelen om de blootstelling te minimaliseren (artikel 4.39). Onderdeel daarvan is het kiezen van een werkmethode die tot zo min mogelijk blootstelling leidt. Vervolgens stelt men het blootstellingsniveau vast dat te verwachten is vast en afhankelijk van de blootstelling die ondanks de eerdere maatregelen toch ontstaat, neemt men verdere maatregelen. Deze verplichtingen bestaan ongeacht welke methode wordt gekozen voor vaststelling van het blootstellingsniveau.
Op grond van het tweede lid, onderdeel a, wordt het mogelijk om voor het vooraf inschatten van het blootstellingsniveau gebruik te maken van het door de Minister van SZW aangewezen instrument om het risico op blootstelling aan asbestvezels te bepalen. Het in onderdeel a bedoelde beoordelingsinstrument zal aangewezen worden in de Arboregeling. Daarvoor zal de Minister van SZW het instrument SMART-ns aanwijzen. Dit instrument heeft naast het vaststellen van het blootstellingsniveau nog een andere functie, namelijk het geven van duidelijkheid over de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening. Het instrument geeft weer welke erkende werkmethoden en bronmaatregelen beschikbaar zijn en geeft inzicht in de effectiviteit in het reduceren van de blootstelling daarvan. Tevens maakt het op basis van de geschatte blootstelling het beheers- en borgingsregime inzichtelijk.
In het tweede lid, onderdeel b, is de al bestaande wijze van meten opgenomen. De in onderdeel b opgenomen bepaling vereist ‘een voor dat doel geschikte genormaliseerde methode’. Daarvoor wordt in de Arboregeling verwezen naar NEN 2939: Bepaling van concentratie aan respirabele asbestvezels in de lucht […].
Onderdeel b bepaalt dat het de werkgever of de opdrachtgever zelf is, die meet of laat meten volgens een genormaliseerde meetmethode. Het gaat dus om bij de asbestverwijdering direct betrokken partijen. Die betrokkenheid van werkgever of opdrachtgever is ter verduidelijking in onderdeel b opgenomen. Tevens is bepaald dat de meting specifiek moet zijn afgestemd op de werkwijze en situatie op de plaats waar de werkzaamheden met asbest plaatsvinden. Deze opzet werd ook al beoogd in de huidige situatie, maar dit leverde in de handhavingspraktijk discussies op.
In het derde lid wordt bepaald dat indien gebruik wordt gemaakt van een methode als bedoeld in onderdeel b van het tweede lid, de methode uitgevoerd dient te worden door een persoon met een aantoonbare deskundigheid op het gebied van blootstellingsonderzoek. Indien de uitvoering van de meting niet gebeurt door zo’n deskundige, dient er in ieder geval een toets van die meting plaats te vinden door een persoon met deze kwalificaties. Onder een persoon met aantoonbare deskundigheid van blootstellingsonderzoek wordt in ieder geval een arbeidshygiënist verstaan. Deze deskundigheid wordt op dit moment niet verder ingevuld, maar deze eis kan, indien nodig, op basis van het vierde lid bij ministeriële regeling nader worden ingevuld. Daarnaast zullen de resultaten van de metingen moeten worden ingevoerd in het beoordelingsinstrument, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a.
In het vierde lid is een bevoegdheid opgenomen om in de Arboregeling nadere regels te stellen over het beoordelingsinstrument, de meetmethode en de deskundigheid van de persoon die het blootstellingsonderzoek uitvoert of toetst. Hier kan gebruik van worden gemaakt als dat in de handhavingspraktijk noodzakelijk zou blijken.
In het vijfde lid is de verplichting opgenomen om het bewijs van de verkregen concentratiesop de arbeidsplaats aanwezig te hebben. Het is van belang voor de toezichthouder om deze gegevens ter plekke vlot in te kunnen zien en de gegevens moeten in de nabijheid aanwezig zijn.
Met ‘het bewijs van de vastgestelde concentraties’ wordt, indien de methode uit het tweede lid, onderdeel a, gevolgd wordt en zolang het instrument SMART-ns is aangewezen als het daar genoemde beoordelingsinstrument, de zogenoemde (in het asbestveld bekende) ‘SMART-ns-uitdraai’ bedoeld.
Een vergelijkbare verplichting tot het op de arbeidsplaats aanwezig hebben van een bepaald document bestond al ten aanzien van het werkplan op grond van artikel 4.50, zesde lid, dat nu vernummerd is tot artikel 4.52, negende lid.
Het zesde lid bevat een grondslag om in de Arboregeling nadere regels te stellen, omdat meetgegevens op zichzelf niet voldoende zijn om naleving van de grenswaarden, zoals bepaald in het eerste lid, te kunnen waarborgen en beoordelen. Contextuele informatie is eveneens van groot belang voor de toezichthouder om te kunnen beoordelen of aan de verplichtingen uit dit artikel wordt voldaan en of de juiste conclusies uit de metingen worden getrokken.
Op grond van het zevende lid hoeft er geen vaststelling van de blootstelling met een van de methoden in het tweede lid plaats te vinden, als er gebruik wordt gemaakt van een bij ministeriële regeling aangewezen erkende werkmethode. In dit geval volgen de verwachte concentraties asbestvezels waaraan werknemers kunnen worden blootgesteld, uit de werkmethode. Een werkgever mag van deze concentraties uitgaan. Een werkgever die een erkende werkmethode gebruikt, zal aan de toezichthouder wel moeten kunnen laten zien om welke erkende werkmethode het gaat, om aan te tonen dat dit artikel in zijn geval niet van toepassing is.
Artikel 4.52
Voorheen: artikel 4.50
Inhoudelijke wijzigingen
Dit artikel bevat de verplichting tot het opstellen van een werkplan voorafgaande aan de start van de werkzaamheden en voorschriften die met dit werkplan samenhangen. Deze bepalingen waren voorheen opgenomen in artikel 4.50 en zijn een implementatie van artikel 13 van de Asbestrichtlijn.
De verplichting tot het opstellen van een werkplan gold voorheen alleen bij werkzaamheden die waren ingedeeld in risicoklasse 2 of 2A. De Asbestrichtlijn kende en kent echter geen mogelijkheid om de verplichting tot het opstellen van een werkplan te beperken tot die situaties waarin de (verwachte) concentratie asbestvezels in de lucht op de arbeidsplaats meer bedraagt dan de grenswaarde. Om deze reden zijn de verplichting tot het opstellen van een werkplan en de bijbehorende voorschriften, die voorheen waren opgenomen in artikel 4.50, nu opgenomen in dit artikel, dat onderdeel uitmaakt van paragraaf 4 van de nieuwe afdeling 3 van het Arbobesluit. Door de opname van dit artikel in deze paragraaf, is zij van toepassing op alle voornoemde werkzaamheden, ongeacht de (verwachte) concentratie asbestvezels op de plaats of plaatsen waar de werkzaamheden zullen worden verricht.
De inhoud van artikel 4.52 komt grotendeels overeen met het oude artikel 4.50. Hieronder wordt toegelicht op welke punten het artikel afwijkt van het oude artikel 4.50.
Op grond van het vervallen artikel 4.50, eerste lid, diende de werkgever van het bedrijf, bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, een werkplan op te stellen. Bedrijven als bedoeld in dat artikellid waren bedrijven die sloop- of asbestverwijderingswerkzaamheden verrichtten, bedrijven die asbest of asbesthoudende producten opruimden die ten gevolge van een incident waren vrijgekomen, maar ook bedrijven die de arbeidsplaats reinigden na het uitvoeren van sloop- of asbestverwijderingswerkzaamheden. De verplichting tot het opstellen van een werkplan is echter niet bedoeld voor de bedrijven die de arbeidsplaats reinigen. In het eerste lid van artikel 4.52 is daarom nu verduidelijkt dat de verplichting tot het opstellen van een werkplan slechts geldt voor de werkgever van de bedrijven die de werkzaamheden, bedoeld in artikel 4.50, verrichten.
In het derde lid staat de verplichting om alle asbest en asbesthoudende producten te verwijderen voordat met andere werkzaamheden wordt begonnen, tenzij dit de bescherming van de werknemers niet ten goede komt. Deze verplichting stond voorheen niet in artikel 4.50, maar in artikel 4.48a over maatregelen bij een verwachte overschrijding van de grenswaarde. Op grond van artikel 13 van de Asbestrichtlijn hoort deze verplichting echter te gelden bij alle sloop- en verwijderingswerkzaamheden, en niet alleen bij werkzaamheden waarbij een overschrijding van de grenswaarde wordt verwacht. Daarom is ervoor gekozen om – net als in artikel 13 van de Asbestrichtlijn – deze verplichting op te nemen in het artikel over het werkplan. Voor een verdere toelichting op deze verplichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 4.48a in Stb. 2006, 348.
Als ervoor wordt gekozen om niet al het asbest of niet alle asbesthoudende producten te verwijderen, omdat dit voor de werknemers een groter gevaar voor de veiligheid en gezondheid zou inhouden, dan zal een werkgever op grond van het vierde lid in het werkplan moeten onderbouwen waarom deze keuze is gemaakt en hoe hij ervoor zorgt dat het achterblijvende asbest niet leidt tot verspreiding van asbestvezels. Dit kan bijvoorbeeld door het toepassen van een duurzame afscherming van het asbest.
In het zesde lid is aan de verwijzing naar artikel 4.40, tweede lid – voorheen artikel 4.48a, tweede lid – toegevoegd dat de daar genoemde maatregelen alleen in voorkomend geval beschreven worden in het werkplan. Deze toevoeging is nodig omdat het werkplan niet meer alleen van toepassing is op situaties waarin de grenswaarde naar verwachting wordt overschreden. Als de grenswaarde naar verwachting niet wordt overschreden, zijn de maatregelen van artikel 4.40, tweede lid, ook niet verplicht.
Het zevende lid is ook nieuw en geeft de Minister van SZW de bevoegdheid om bij ministeriële regeling nog nadere regels te stellen met betrekking tot het werkplan. Van deze mogelijkheid kan gebruik worden gemaakt als dat nodig blijkt in de handhavingspraktijk. Signalen van de NLA geven aan dat de kwaliteit van het werkplan zeer regelmatig voor verbetering vatbaar is.
Artikel 4.53
Nieuw artikel
Het verrichten van sloop- en asbestverwijderingswerkzaamheden brengt bijzondere risico’s met zich mee. Het is daarom van het grootste belang dat deze werkzaamheden niet alleen zorgvuldig worden uitgevoerd, maar ook dat na afronding de arbeidsplaats grondig wordt gereinigd en een eindbeoordeling plaatsvindt. Voor de toezichthouder is het van belang dat hij kan controleren of dit gebeurt. Artikel 4.53, eerste lid, verplicht werkgevers daarom om het afronden van sloop- en asbestverwijderingswerkzaamheden te melden aan de toezichthouder. Deze melding moet uiterlijk op de eerste werkdag na de beëindiging van de werkzaamheden worden gedaan. Werkdagen zijn, net als bij de melding, bedoeld in artikel 4.37, maandag tot en met vrijdag.
In de melding hoeft alleen te worden aangegeven dat de werkzaamheden zijn afgerond, onder vermelding van de contactgegevens van de werkgever die de melding doet en het nummer van de melding die op grond van artikel 4.37, eerste lid, is gedaan. Het hier bedoelde nummer, is het unieke nummer dat het DSO aan de melding heeft toegekend.
De melding, bedoeld in artikel 4.53, kan, net als de meldingen, bedoeld in artikel 4.37, eerste lid, en 4.56, eerste lid, worden gedaan met gebruikmaking van het DSO. Dit maakt het mogelijk om deze melding tegelijkertijd te doen met de melding na afronding van de werkzaamheden die op grond van artikel 7.12 van het Besluit bouwwerken leefomgeving moet worden gedaan, indien de werkzaamheden betrekking hadden op een bouwwerk.
Het tweede lid verklaart de uitzonderingen in artikel 4.38, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat als het niet nodig was om een melding te doen op grond van artikel 4.37, eerste lid, er ook geen melding hoeft te worden gedaan op grond van dit artikel. Het is in het geval van bijvoorbeeld werkzaamheden die mogen worden verricht met een vergunning asbestverwijdering beperkt (artikel 4.57, tweede lid, aanhef en onderdeel a) dus niet nodig om te melden dat de werkzaamheden zijn afgerond. Voor de in artikel 4.38, tweede en derde lid, uitgezonderde werkzaamheden hoeft ook geen melding te worden gedaan na afronding van de eindbeoordeling (artikel 4.57).
Het derde lid bepaalt dat geen melding hoeft te worden gedaan als er al op grond van artikel 7.12 van het Bbl een melding van de beëindiging van de werkzaamheden is ingediend. Een melding op grond van het eerste lid is dan namelijk overbodig.
Artikel 4.54
Voorheen: artikel 4.47b, eerste lid
Technische wijziging
Artikel 4.54 bevat de verplichting die eerder stond in het vervallen artikel 4.47b, eerste lid, om de arbeidsplaats en de arbeidsmiddelen na werkzaamheden met asbest, doeltreffend te reinigen. Dat de reiniging doeltreffend moet zijn, betekent in ieder geval dat op de arbeidsplaats geen asbestrestanten meer aanwezig mogen zijn en dat gebruikte arbeidsmiddelen zodanig worden gereinigd, dat zij vrij zijn van eventuele asbestvezels.
Het tweede en derde lid van artikel 4.47b gingen over de eindbeoordeling en zijn om die reden toegevoegd aan het nieuwe artikel 4.56 waarin de eindbeoordeling is geregeld.
Artikel 4.55
Voorheen: Artikel 4.47b, tweede en derde lid, 4,51a en 4.53c
Inhoudelijke wijzigingen
Artikel 4.55 bevat de verplichting tot het uitvoeren van een eindbeoordeling na afronding van de werkzaamheden waarop deze paragraaf van toepassing is, en na afronding van de reiniging, bedoeld in artikel 4.54. Dit artikel is een implementatie van de verplichting in artikel 13, tweede lid, onderdeel c, van de Asbestrichtlijn, om overeenkomstig het nationale recht en de nationale praktijk te vergewissen dat er geen risico’s van blootstelling aan asbest op de werkplek meer zijn voordat andere activiteiten worden hervat.
De eindbeoordeling, bedoeld in dit artikel, is niet van toepassing op werkzaamheden met betrekking tot de bodem, de oever van een oppervlaktewaterlichaam, grond of baggerspecie. Op deze werkzaamheden zijn de regels uit het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bodemkwaliteit van toepassing.
Nieuw aan dit artikel is dat voorheen de eindbeoordeling in verschillende artikelen was opgenomen vanwege het onderscheid tussen risicoklasse 1 en 2. Met het vervallen van de risicoklassen kan de eindbeoordeling in één artikel worden opgenomen.
Het eerste lid bevat de verplichting tot het uitvoeren van een eindbeoordeling. Ten behoeve van de handhaafbaarheid is in het eerste lid verduidelijkt dat de eindbeoordeling moet plaatsvinden vóórdat wordt aangevangen met het opheffen van de gevarenzone. Boven de grenswaarde dient in binnensituaties een containment te worden gebouwd. Dit containment is onderdeel van de gevarenzone. Dit betekent dat het containment niet mag worden afgebroken voordat de eindbeoordeling heeft plaatsgevonden. Verder geldt uiteraard voor de toepassing van dit artikel dat alleen wordt gecontroleerd op het asbest dat volgens het werkplan verwijderd moest worden.
Het tweede lid stond eerder in artikel 45 van het processchema en is dus één van de verplichtingen die vanuit het processchema naar de regelgeving is overgeheveld omdat de verplichting is gericht op de gezondheid en veiligheid van werknemers (zie ook paragraaf 3.2 van de algemene toelichting). Dit lid verplicht de werkgever van het asbestverwijderingsbedrijf om die veiligheidsmaatregelen in stand te houden die voor de werknemers van de inspectie-instelling noodzakelijk zijn om veilig hun werk te doen. Het kan bijvoorbeeld gaan om het containment en de decontaminatie-unit. Ook uit NEN2990 kan voortvloeien welke veiligheidsmaatregelen nodig zijn voor de werknemers van de inspectie-instelling.
Het derde lid bepaalt dat in het geval het werkzaamheden betreft aan asbest en asbesthoudende producten die met de vergunning asbestverwijdering beperkt mogen worden verwijderd, de eindbeoordeling bestaat uit een visuele inspectie door de werkgever. In de Arboregeling zijn eisen opgenomen over de manier waarop deze visuele inspectie dient te worden uitgevoerd.
In het vierde lid worden eisen gesteld aan de eindbeoordeling in de buitenlucht in het geval van werkzaamheden aan asbest en asbesthoudende producten die met de vergunning asbestverwijdering basis mogen worden verwijderd. In deze gevallen dient de visuele inspectie te worden uitgevoerd door een bedrijf dat daartoe adequaat is toegerust. In de Arboregeling is verduidelijkt dat het hier gaat om een geaccrediteerde inspectie-instelling en dat dit dient te worden uitgevoerd conform NEN2990.
In het vijfde lid worden eisen gesteld aan de eindbeoordeling in het geval van werkzaamheden aan asbest en asbesthoudende producten die met de vergunning asbestverwijdering basis of een vergunning asbestverwijdering uitgebreid mogen worden verwijderd en die zijn verricht in een binnenruimte. Aanvullend op de visuele inspectie omschreven in het vierde lid geldt in dat geval ook een luchtmeting om vast te stellen of de concentratie chrysotiele asbestvezels in de lucht lager is dan 2.000 vezels per kubieke meter en of de concentratie amfibole asbestvezels in de lucht lager is dan 2.000 vezels per kubieke meter. Beide waarden zijn gebaseerd op het gebruik van elektronenmicroscopie. Voor het meten van amfibole asbestvezels is dat ook de enige toegestane methode. Chrysotiele asbestvezels mogen ook gemeten worden met fasecontrastmicroscopie. In dat geval is de toetswaarde 10.000 vezels per kubieke meter. Deze toetswaarden worden overigens op grond van het zesde lid, onderdeel c, opgenomen in de Arboregeling.
De referentieperiode van twee uur die voorheen voor luchtmetingen gold, is komen te vervallen omdat dit bij nader inzien een onnodige inperking is van de mogelijkheden om een effectieve luchtmeting te doen die niet een eigenstandig doel dient, maar alleen van belang is in relatie tot andere technische parameters bij de meting.
In het zesde lid wordt opgenomen wanneer kleefmonsters moeten worden ingezet bij een eindbeoordeling.
Het zevende lid schrijft voor dat bij ministeriële regeling nadere regels moeten worden gesteld over de eindbeoordeling. Dit kunnen verschillende regels zijn, maar in de onderdelen a tot en met c worden drie typen regels benoemd die in ieder geval gesteld kunnen worden. Op grond van onderdeel a kunnen regels worden gesteld voor specifieke categorieën werkzaamheden. Deze regels zullen in ieder geval bestaan uit de verplichting om de eindbeoordeling uit te voeren overeenkomstig NEN2990 in het geval van werkzaamheden die met een vergunning basis of uitgebreid mogen worden verricht. Onderdeel b biedt expliciet een grondslag om in de Arboregeling uitzonderingen te maken op de eis om een gespecialiseerd bedrijf in te zetten voor de eindbeoordeling. Onderdeel c is ingevoegd om voor de luchtmeting maximaal toegestane toetswaarden te bepalen, zoals bij het zesde lid als is toegelicht. Tot slot staat in onderdeel d dat bij ministeriële regeling asbestverwijderingswerkzaamheden kunnen worden aangewezen waarop de verplichting tot het doen van een luchtmeting, bedoeld in het vijfde lid, niet van toepassing is. Hiermee wordt de mogelijkheid gecreëerd om, uitzonderingen op te nemen op de verplichting om een luchtmeting te verrichten, zoals die voorheen waren opgenomen in het vervallen artikel 4.53c, tweede lid, van het Arbobesluit en het oude artikel 4.30 van de Arboregeling.
Artikel 4.56
Nieuw artikel
Artikel 4.56 bevat een nieuwe meldplicht voor werkgevers. Deze melding is op eenzelfde manier opgebouwd als de melding na afronding van de werkzaamheden van artikel 4.53. Een werkgever zal op grond van het eerste lid uiterlijk twee weken na het afronden van een eindbeoordeling als bedoeld in artikel 4.55, vierde lid, de toezichthouder hiervan op de hoogte moeten stellen. Het gaat hierbij om eindbeoordelingen waarvoor een inspectie-instelling moet worden ingeschakeld. In de melding moet de werkgever de informatie, bedoeld in het eerste lid, opnemen.
Met de resultaten van de eindbeoordeling wordt niet alleen de uitkomst van de eindbeoordeling bedoeld (positief of negatief), maar ook de daaraan ten grondslag liggende informatie. Omdat de te melden eindbeoordeling wel of niet kan bestaan uit een luchtmeting, zal niet aan elke te melden eindbeoordeling dezelfde informatie ten grondslag liggen. Om die reden schrijft het tweede lid voor dat bij ministeriële regeling wordt bepaald in welke vorm de resultaten van de eindbeoordeling moeten worden gemeld.
Het derde lid verklaart de uitzonderingen in artikel 4.38, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing. De resultaten van de eindbeoordeling hoeven dus niet te worden gemeld aan de toezichthouder, als de werkzaamheden waarop de eindbeoordeling ziet niet aan de toezichthouder hoefden te worden gemeld voor aanvang daarvan.
Het vierde lid bepaalt, vergelijkbaar met het derde lid van artikel 4.53, dat geen melding hoeft te worden gedaan als de informatie al gemeld is op grond van artikel 7.12 van het Bbl. In de praktijk betekent dit dat alleen bij sloop van of verwijdering uit objecten een melding op grond van het eerste lid moet worden gedaan, omdat in de overige gevallen het Bbl van toepassing is.
Paragraaf 5
De regels in paragraaf 5 zijn een uitwerking van de vergunningplicht die is opgenomen in artikel 19a van de Arbowet en maken onderdeel uit van de implementatie van artikel 15 van de Asbestrichtlijn. Deze bepalingen zijn allemaal gebaseerd op de delegatiegrondslag in artikel 19a, derde lid, van de Arbowet.
Artikel 4.57
Nieuw artikel
Artikel 4.57 bepaalt welke soorten vergunningen voor asbestwerkzaamheden er zijn en welke vergunning voor welk type werkzaamheden kan worden verleend. Ook bevat het artikel een bevoegdheid voor de Minister van SZW tot het afbakenen van de werkzaamheden die een vergunninghouder mag verrichten.
Het eerste lid onderscheidt vijf typen vergunningen. De vergunningen in de onderdelen a tot en met c zijn ingedeeld naar risico: bij de vergunning asbestverwijdering beperkt gaat het om werkzaamheden met een relatief laag risico op (hoge) blootstelling aan asbeststof, terwijl de vergunning asbestverwijdering uitgebreid bedoeld is voor werkzaamheden waarbij de verwachting is dat er een hoge blootstelling kan optreden. De vergunning asbestverwijdering basis zit qua risico tussen deze beide vergunningen in.
De startvergunning is een vergunning die alleen wordt verleend als onderdeel van het proces tot verkrijging van een certificaat of erkenning. Het gaat hierbij om de certificaten en erkenningen die nodig zijn om de vergunningen, genoemd in de onderdelen a tot en met c van het eerste lid aan te vragen. De startvergunning wordt verder uitgewerkt in artikel 4.66.
De Aval-vergunning is bedoeld voor bedrijven die al een vergunning hebben in een andere lidstaat, en wordt verder uitgewerkt in het achtste lid en in artikel 4.67.
De vergunningen in de onderdelen a tot en met c dragen allemaal de naam ‘asbestverwijdering’. Dit wil echter niet zeggen dat zij alleen zien op asbestverwijderingswerkzaamheden als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel a, van de Arbowet. Ook de werkzaamheden in onderdeel b van dat lid, zijnde sloopwerkzaamheden waarbij personen worden of kunnen worden blootgesteld aan asbest, kunnen met de vergunning worden verricht. Hierbij geldt wel dat dit in de vergunning moet zijn bepaald: als een vergunning is afgegeven voor het verwijderen van asbest uit de bodem, dan betekent dit niet dat de vergunninghouder ook sloopwerkzaamheden als hiervoor bedoeld mag verrichten. Dit is anders als iemand bijvoorbeeld een vergunning asbestverwijdering uitgebreid heeft of een vergunning asbestverwijdering basis voor het verwijderen van bepaalde asbesttoepassingen. Houders van laatstgenoemde vergunning mogen immers, op grond van het derde lid, onderdeel a, bij ministeriële regeling aangewezen asbest en asbesthoudende producten verwijderen ‘al dan niet als onderdeel van werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.50, eerste lid, onderdeel a’, zijnde sloopwerkzaamheden. Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat een bedrijf dat een vergunning heeft om sloopwerkzaamheden te verrichten, ook moet voldoen aan andere regels die van toepassing zijn op deze werkzaamheden.
Het tweede tot en met zesde lid geven aan voor welke werkzaamheden de vier typen vergunningen kunnen worden verleend. De vergunning zal in alle gevallen worden verleend door of namens de Minister van SZW. Voorwaarde daarbij is wel dat er geen weigeringsgronden van toepassing zijn en er wordt voldaan aan alle relevante eisen die bij en krachtens deze paragraaf worden gesteld.
In het tweede en derde lid worden de begrippen ‘bodem’, ‘grond’ en ‘baggerspecie’ gebruikt. Deze begrippen hebben de definitie die hieraan is gegeven in de Omgevingswet respectievelijk het Besluit bodemkwaliteit. Het begrip ‘oppervlaktewaterlichaam’ heeft de definitie die hieraan is gegeven in de Omgevingswet.
Zoals eerder aangegeven, is bij de vergunningen, genoemd in het eerste lid, onderdelen a tot en met c, het risico op blootstelling aan asbeststof bepalend voor de werkzaamheden die een bedrijf met een bepaalde vergunning mag verrichten. Het tweede tot en met vierde lid maakt voor elk van deze vergunningen duidelijk welke categorieën van werkzaamheden er met de betreffende vergunning mogen worden verricht. Het zesde lid verduidelijkt waarvoor de startvergunning is bedoeld.
De vergunning asbestverwijdering uitgebreid geeft een vergunninghouder het recht om alle asbestverwijderingswerkzaamheden en sloopwerkzaamheden waarbij asbeststof vrijkomt of er een risico bestaat op blootstelling aan asbeststof, te verrichten, maar kent een voorbehoud waar het gaat om de bodemwerkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, onderdelen b en c, en het derde lid, onderdelen b tot en met d. Vanwege de specifieke deskundigheid die is vereist bij bodemwerkzaamheden, mogen, op grond van het vijfde lid, deze werkzaamheden alleen met deze vergunning worden verricht als bij de aanvraag van de vergunning een bij ministeriële regeling aangewezen erkenning is overgelegd. Een vergunning asbestverwijdering uitgebreid kent dus een variant waarbij de bodemwerkzaamheden wel zijn inbegrepen en een variant waarbij dit niet het geval is.
Bij verwijderingswerkzaamheden, niet zijnde bodemwerkzaamheden, die mogen worden verricht met een vergunning asbestverwijdering basis of uitgebreid, kan het gaan om zowel werkzaamheden waarbij niet wordt gewerkt met een containment als werkzaamheden waarbij dit wel het geval is. Het werken met een containment vereist echter gespecialiseerde kennis wat betekent dat niet iedere vergunninghouder zonder meer deze werkzaamheden mag verrichten. Dit mag alleen als in de vergunning is bepaald dat dit is toegestaan. Het zevende lid biedt de grondslag om in een vergunning voor werkzaamheden als hiervoor bedoeld te bepalen dat de werkzaamheden mogen worden verricht met een containment. Of een bedrijf werkzaamheden met een containment mag verrichten, zal afhangen van het certificaat dat bij de vergunningaanvraag is overgelegd.
Het achtste lid bepaalt dat een Aval-vergunning kan worden verleend aan de houder van een vergunning voor sloop- en asbestverwijderingswerkzaamheden die is afgegeven in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte. Aval is een afkorting die staat voor ‘AsbestVerwijderaar uit een Andere Lidstaat’. Op een Aval-vergunning zijn dezelfde bepalingen van toepassing als de overige vergunningen. Wel gelden er een paar aanvullende voorschriften die zijn opgenomen in artikel 4.67.
Een Aval-vergunning geeft net als de vergunningen asbestverwijdering beperkt, basis en uitgebreid, het recht om doorlopend bepaalde sloop- en asbestverwijderingswerkzaamheden te verrichten. Een belangrijk verschil tussen de beide typen vergunningen is dat in het geval van de Aval-vergunning, de in het buitenland afgegeven vergunning het bij de aanvraag te overleggen bewijs van naleving is, terwijl dit bij de vergunningen asbestverwijdering een schriftelijke verklaring over het gebruik van een bepaalde werkmethode dan wel een certificaat zal zijn. Dit is gedaan mede met het oog op het vrij verkeer van diensten: een bedrijf met een vergunning om in een andere lidstaat bepaalde sloop- en asbestverwijderingswerkzaamheden te verrichten, zal bij de aanvraag van die vergunning een bewijs van naleving hebben overgelegd dat door de autoriteit in het land van afgifte is getoetst. Om deze reden wordt van een dergelijk bedrijf dat in Nederland een vergunning wil aanvragen, niet verwacht dat hij een in Nederland vereist bewijs van naleving verkrijgt en bij zijn vergunningaanvraag voegt. Het bedrijf kan in dit geval volstaan met zijn buitenlandse vergunning als bewijs van naleving.
Welk type vergunning asbestverwijdering in Nederland nodig is, hangt af van de asbesthoudende toepassingen waar het bedrijf mee zal gaan werken, of het bedrijf zal werken met zuiver asbest of niet en of er sprake is van bodem- of niet-bodemwerkzaamheden. Omdat artikel 15 van de Asbestrichtlijn slechts spreekt over een vergunning en geen onderscheid maakt in categorieën, kan elke lidstaat van de Europese Economische Ruimte er zelf voor kiezen om wel of geen onderscheid te maken in vergunningsoorten. Een lidstaat die voor een onderscheid heeft gekozen, kan daarnaast zelf bepalen welke invulling zij hieraan geeft. De lidstaat kan bovendien op een later moment voor een andere invulling kiezen. Dit alles betekent dat de werkzaamheden die met een buitenlandse vergunning mogen worden verricht, mogelijk niet aan zullen sluiten op de indeling van werkzaamheden die met de Nederlandse vergunningen asbestverwijdering mogen worden verricht. Om die reden wordt in het geval van de Aval-vergunning aangesloten bij de werkzaamheden die het bedrijf met de buitenlandse vergunning mag verrichten. Anders gezegd: de buitenlandse vergunning die bij de aanvraag van een Aval-vergunning wordt overgelegd, bepaalt welke werkzaamheden er uiteindelijk met de Aval-vergunning mogen worden verricht. Deze werkzaamheden zullen, bij inwilliging van de aanvraag, op de vergunning worden vermeld, overeenkomstig het negende lid.
Het negende lid verplicht de Minister van SZW om aan elke verleende vergunning een uniek nummer toe te kennen en bij het verlenen van de vergunning af te bakenen welke precieze werkzaamheden de vergunninghouder mag verrichten. De startvergunning wordt niet benoemd in het negende lid, omdat die niet door de Minister wordt verleend.
Bij het verlenen van de vergunning zal de Minister ook moeten aangeven of de vergunninghouder mag werken met een containment of niet. De afbakening van de werkzaamheden die een bedrijf mag verrichten, wordt bepaald door het type vergunning dat hij heeft aangevraagd en de informatie die hij bij zijn aanvraag heeft overgelegd.
Een bedrijf waaraan bijvoorbeeld een vergunning asbestverwijdering beperkt is verleend, mag dus niet alle werkzaamheden verrichten die worden genoemd in het tweede lid. Welke werkzaamheden hij precies mag verrichten, zal afhangen van datgene waar hij in zijn aanvraag om heeft verzocht en de stukken die hij bij zijn aanvraag heeft overgelegd. Als het bedrijf in kwestie in zijn aanvraag heeft aangegeven alleen bepaalde asbesttoepassingen die op grond van het tweede lid, onderdeel a, zijn aangewezen te willen verwijderen en informatie heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij en zijn personeel hiertoe in staat zijn, dan zullen dit de werkzaamheden zijn die hij met zijn vergunning mag verrichten, maar hij mag dan geen bodemwerkzaamheden verrichten.
Een bedrijf kan meerdere vergunningen hebben en een vergunning kan recht geven op het verrichten van werkzaamheden die in meerdere categorieën vallen. Het is dus mogelijk dat een bedrijf zowel een vergunning asbestverwijdering beperkt heeft voor het verwijderen van bepaalde asbesttoepassingen die zijn aangewezen op grond van het tweede lid, onderdeel a, als een vergunning asbestverwijdering basis voor het verwijderen van asbest als onderdeel van graafwerkzaamheden in de bodem en het verwijderen van asbest uit grond of baggerspecie als onderdeel van het bewerken van grond of baggerspecie (derde lid, onderdelen b en d).
Tegelijkertijd geldt dat werkzaamheden die horen bij een ‘lager’ vergunningstype, ook mogen worden verricht met een ‘hoger’ vergunningstype, zolang deze werkzaamheden binnen de afgebakende werkzaamheden van de ‘hogere’ vergunning passen. Een bedrijf dat in het bezit is van een vergunning asbestverwijdering basis voor het uitvoeren van werkzaamheden als bedoeld in het derde lid, onderdeel b, mag ook werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, verrichten. Het bedrijf mag echter geen werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, verrichten, tenzij hij met zijn vergunning ook asbest of asbesttoepassingen als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, mag verwijderen. Het werken met een containment is in alle gevallen alleen toegestaan als dit in de vergunning is bepaald.
De afbakening van werkzaamheden wordt opgenomen in de vergunning als een van de verplichte vergunningvoorschriften (artikel 4.62, tweede lid, onderdeel a). Doordat de afbakening een vergunningvoorschrift is, zal het niet naleven hiervan tot intrekking van de vergunning kunnen leiden.
Artikel 4.58
Nieuw artikel
Het eerste lid van artikel 4.58 schrijft voor dat een vergunningaanvraag moet worden ingediend middels een door de Minister van SZW ter beschikking gesteld aanvraagformulier. Op dit formulier zal de aanvrager onder meer gevraagd worden om aan te geven welk type vergunning hij aanvraagt en welke werkzaamheden hij met de vergunning wil verrichten. Deze informatie zal bepalend zijn voor de stukken die de aanvrager bij de aanvraag moet overleggen en de vergunning die hij uiteindelijk krijgt, ervan uitgaande dat aan alle voorwaarden voor verlening wordt voldaan.
Het tweede lid somt de stukken op die een aanvrager bij zijn aanvraag moet overleggen. Artikel 15 van de Asbestrichtlijn verplicht bedrijven die een vergunning willen om een bewijs van naleving van artikel 6 van de Asbestrichtlijn te verstrekken. Ook zullen zij opleidingscertificaten moeten verstrekken waaruit blijkt dat hun werknemers opleidingen hebben afgerond die voldoen aan de eisen in de Asbestrichtlijn. Deze twee eisen zijn verwerkt in de onderdelen a en b van het tweede lid.
De eis dat een opleidingscertificaat moet worden verstrekt na het afronden van een opleiding, is in dit besluit ingevuld middels een registratie van de opleiding in het Register gezond en veilig werken met asbest en de verstrekking van een bewijs van registratie hiervan. De Minister van SZW kan aan de hand van het Register zelf nagaan welke opleidingen een werknemer heeft gevolgd en of deze opleidingen passend en voldoende zijn voor de werkzaamheden waarvoor een vergunning is aangevraagd. Het bedrijf dat de vergunning aanvraagt kan daarom in de vergunningaanvraag volstaan met het vermelden van de unieke registratienummers in het Register gezond en veilig werken met asbest van de werknemers die de werkzaamheden zullen verrichten waarop de aangevraagde vergunning betrekking heeft.
Het bewijs van naleving als bedoeld in artikel 15 van de Asbestrichtlijn dat bij de aanvraag moet worden gevoegd, kan een erkenning, certificaat of ander bewijs van naleving zijn. Welk document precies moet worden overgelegd, is afhankelijk van het type vergunning dat wordt aangevraagd en, in het geval van de vergunning asbestverwijdering beperkt en basis, de categorie van werkzaamheden. In de Arboregeling is bepaald welk document in welk geval als bewijs van naleving moet worden overgelegd. De grondslag hiervoor is opgenomen in het tweede lid, onderdeel b.
Op grond van het tweede lid, onderdeel c, zal een Nederlands bedrijf ook een verklaring omtrent het gedrag moeten overleggen bij zijn aanvraag. Het gaat hierbij om een verklaring omtrent het gedrag voor rechtspersonen, behalve als de aanvrager een eenmanszaak is. In dat geval zal de verklaring omtrent het gedrag een verklaring omtrent het gedrag voor een natuurlijke persoon zijn.
De eis van een verklaring omtrent het gedrag geldt niet voor buitenlandse aanvragers, omdat buitenlandse bedrijven geen Nederlandse verklaring omtrent het gedrag kunnen aanvragen. Als een buitenlands bedrijf echter Nederlandse bestuurders heeft, dan zal de aanvrager verklaringen omtrent het gedrag moeten overleggen van deze bestuurders. Voor een toelichting waarom buitenlandse bedrijven geen verklaring omtrent het gedrag hoeven te overleggen, wordt verwezen naar onderdeel 4.4 van de memorie van toelichting bij de wet tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet in verband met een nieuwe vergunningplicht bij bepaalde asbestwerkzaamheden ten behoeve van de implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2668.
Een verklaring omtrent het gedrag mag niet ouder zijn dan drie maanden. Dit op grond van artikel 4.60, onderdeel c. Is de verklaring ouder dan drie maanden, dan zal, na het bieden van een mogelijkheid tot herstel, de aanvraag worden afgewezen.
Artikel 4.58 is ook van toepassing op aanvragen tot wijziging en verlenging van een vergunning. Bij de wijziging van een vergunning gaat het om een aanpassing van de werkzaamheden waarvoor een eerdere vergunning is verstrekt. Indien een bedrijf bijvoorbeeld in het bezit is van een vergunning asbestverwijdering basis voor het verwijderen van een bepaalde asbesttoepassing, maar ook asbest wil verwijderen uit de bodem (artikel 4.57, derde lid, onderdeel b), dan kan hij met een verzoek tot wijziging deze werkzaamheden laten toevoegen aan zijn vergunning.
Artikel 4.59
Nieuw artikel
Artikel 4.59, eerste lid, verplicht de Minister van SZW om bij het beoordelen van een vergunningaanvraag, waaronder een aanvraag tot verlenging of wijziging, gebruik te maken van toezichtsinformatie. Met toezichtsinformatie kan worden nagegaan of aan de aanvrager van de vergunning bestuursrechtelijke sancties zijn opgelegd. Ook kan hiermee worden nagegaan of er andere zaken zijn, voorkomend uit het houden van toezicht door de toezichthouder, die maken dat aan de aanvrager geen vergunning of een vergunning met een tijdelijke duur zou moeten worden verstrekt.
De toezichtsinformatie zal alleen bestaan uit informatie die verband houdt met de werkzaamheden waarvoor de vergunning is aangevraagd. Informatie over bijvoorbeeld bestuursrechtelijke overtredingen die niet hebben plaatsgevonden bij het werken met asbest, worden niet met de Minister van SZW gedeeld.
Het is voorts niet zo dat elke bestuursrechtelijke overtreding of andere aangelegenheid die voortkomt uit het houden van toezicht, ertoe leidt dat een vergunning wordt afgewezen of wordt verleend met een beperkte geldigheidsduur. De Minister van SZW zal bij de beoordeling van de toezichtsinformatie rekening houden met onder andere de aard, ernst en hoeveelheid bestuursrechtelijke overtredingen en signalen, en of er sprake is geweest van recidive. Ook de houding van de aanvrager, voor zover deze blijkt uit de toezichtsinformatie, kan worden betrokken in het oordeel van de minister. Bij elke aanvraag zal een afweging plaatsvinden op basis van de omstandigheden van het geval. Hierbij zal de Minister van SZW gebruikmaken van een door hem opgesteld afwegingskader.
De toezichtsinformatie die de Minister van SZW dient te gebruiken, zal op verzoek aan hem moeten worden verstrekt door een samenwerkingsverband van toezichthouders. Dit samenwerkingsverband is een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 29a, eerste lid, van de Arbowet. In het tweede lid van artikel 4.59 is de verplichting opgenomen voor het samenwerkingsverband om de gevraagde informatie te verstrekken en dit te doen op een door de Minister van SZW te bepalen wijze. Deze wijze van verstrekken is opgenomen in de Arboregeling.
Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat het samenwerkingsverband, overeenkomstig artikel 29a, eerste lid, van de Arbowet, ook op eigen initiatief toezichtsinformatie mag verstrekken, voor zover dit naar zijn oordeel relevant is voor de vergunningaanvraag. Het voorgaande geldt ook als al een vergunning is verleend: in dat geval kan de (ambtshalve) verstrekte toezichtsinformatie een reden zijn om de vergunning te schorsen of in te trekken.
Artikel 4.60
Nieuw artikel
In artikel 4.60 zijn de gronden tot weigering van een vergunning opgenomen. Deze weigeringsgronden zijn van toepassing op zowel aanvragen om een nieuwe vergunning als aanvragen tot verlenging of wijziging van een reeds verleende vergunning.
Een aanvraag kan in ieder geval worden geweigerd indien een onderzoek op grond van de Wet Bibob hier aanleiding toe geeft (artikel 19a, vierde lid, van de Arbowet).
De weigeringsgronden in de onderdelen a tot en met d zijn gebaseerd op de informatie die op grond van artikel 4.58, tweede lid, bij de aanvraag moet worden gevoegd en de toezichtsinformatie die op grond van artikel 4.59 bij de aanvraag wordt betrokken.
Uit de weigeringsgrond in onderdeel a volgt dat de vergunning niet wordt verleend als er geen werknemers werknemers zijn die voldoen aan de opleidingseisen. Het bedrijf zal, anders gezegd, ten minste één werknemer moeten hebben die is opgeleid om de werkzaamheden te verrichten waarvoor de vergunning is aangevraagd. Werknemers die niet daartoe zijn opgeleid, mogen de vergunde werkzaamheden niet verrichten.
Bij de weigeringsgrond die is opgenomen in onderdeel b gaat het om de situatie dat het certificaat of de erkenning die op grond van artikel 4.58, tweede lid, onderdeel b, is vereist voor de vergunning die is aangevraagd, op het moment van verstrekken is verlopen. Hierbij wordt opgemerkt dat ook na het verlenen van de vergunning er een geldig certificaat of erkenning moet zijn. Als een certificaat of erkenning na verlening van de vergunning zijn geldigheid verliest door het verlopen van de geldigheidsduur, dan vervalt de vergunning van rechtswege.
De weigeringsgrond in onderdeel c ziet zowel op de situatie dat alleen de aanvrager een verklaring omtrent het gedrag hoeft te overleggen als de situatie dat er verklaringen omtrent het gedrag van de Nederlandse bestuurders van de aanvrager moeten worden overgelegd. In het laatste geval zal de vergunning worden geweigerd als ten minste een van de overgelegde verklaringen omtrent het gedrag ouder is dan drie maanden.
In onderdeel d staat dat ook toezichtsinformatie als bedoeld in artikel 4.60 kan leiden tot een weigering van de vergunning. Een vergunning kan echter alleen worden geweigerd als de Minister van SZW op basis van de toezichtsinformatie het gegronde vermoeden heeft dat de aanvrager zich niet of onvoldoende zal houden aan de relevante wettelijke voorschriften. Omdat er sprake moet zijn van een ‘gegrond vermoeden’, zal de Minister van SZW na moeten gaan of uit de toezichtsinformatie zodanige feiten naar voren komen, dat het aannemelijk is dat de aanvrager zich niet of onvoldoende aan de relevante wettelijke voorschriften zal houden. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als uit de toezichtsinformatie blijkt dat de aanvrager in het verleden herhaaldelijk sancties opgelegd heeft gekregen voor (ernstige) asbestgerelateerde bestuursrechtelijke overtredingen en geen verbetering heeft laten zien op dit vlak.
De weigeringsgrond in onderdeel e is er om te voorkomen dat een vergunning wordt verleend aan een bedrijf dat de werkzaamheden waarvoor de vergunning is aangevraagd, naar alle waarschijnlijkheid niet zal kunnen uitvoeren, omdat het bedrijf in de nabije toekomst mogelijk niet meer zal bestaan.
Als er onvoldoende zekerheid bestaat dat een bedrijf zich zal houden aan de wettelijke voorschriften die verband houden met de werkzaamheden waarop een vergunning betrekking heeft, dan zal een vergunning met een tijdelijke geldigheidsduur van twee jaar worden verleend (artikel 4.61, eerste lid). Tijdens deze periode van twee jaar kan dan worden bekeken of de relevante voorschriften ook inderdaad niet of onvoldoende worden nageleefd door het bedrijf. De constateringen die in dit verband worden gedaan, zullen worden meegenomen bij een eventuele aanvraag tot verlenging van de vergunning.
De periode van twee jaar geeft de toezichthouder voldoende de tijd om de naleving van de relevante voorschriften door het bedrijf te controleren. Omdat het bedrijf in deze periode moet laten zien dat hij tot naleving in staat is, is het niet de bedoeling dat een bedrijf met een tijdelijke vergunning ver voor het verloop hiervan al een verlenging van zijn vergunning aanvraagt. Om deze reden bepaalt onderdeel f dat de aanvraag om een vergunning wordt geweigerd, indien de vergunning die het aanvragende bedrijf bezit, nog langer dan drie maanden geldig is.
Naast een afwijzing op grond van de weigeringsgronden in dit artikel en artikel 19a, vierde lid, van de Arbowet, kan een aanvraag buiten behandeling worden gesteld op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht indien niet is voldaan aan een of meer van de indieningseisen in artikel 4.59 of de aanvraag onvolledig is.
Artikel 4.61
Nieuw artikel
Het uitgangspunt is dat een vergunning voor onbepaalde tijd wordt verleend. Dit uitgangspunt staat in het tweede lid. Op dit uitgangspunt bestaat één uitzondering, die is opgenomen in het eerste lid.
Uit toezichtsinformatie kan blijken dat de aanvrager in het verleden meerdere asbestgerelateerde overtredingen heeft begaan, maar deze overtredingen hem niet of niet volledig konden worden verweten. Ook kan uit de toezichtsinformatie blijken dat hoewel de aanvrager dergelijke overtredingen heeft begaan, er geruime tijd tussen de overtredingen zit en de aanvrager maatregelen heeft genomen om deze overtredingen te voorkomen. In deze gevallen kan de Minister van SZW tot de conclusie komen dat hij onvoldoende grond heeft om aan te nemen dat de aanvrager zich niet of onvoldoende zal houden aan de relevante wettelijke voorschriften. Tegelijkertijd kan er bij hem nog steeds twijfel bestaan over het wel of niet naleven van de relevante voorschriften door de aanvrager. In dergelijke gevallen, waarbij er sprake is van onvoldoende zekerheid of de aanvrager zich zal houden aan de voorschriften die verband houden met de werkzaamheden waarop de aangevraagde vergunning betrekking heeft, kan de Minister van SZW ervoor kiezen om een vergunning met een beperkte geldigheidsduur van twee jaar te verlenen.
De aanvrager waaraan een tijdelijke vergunning is verleend kan voorafgaande aan het verlopen van zijn vergunning een aanvraag tot verlenging van de vergunning indienen. Deze aanvraag volgt het reguliere aanvraagproces. Zijn er geen weigeringsgronden van toepassing en leidt de toezichtsinformatie niet tot onvoldoende zekerheid over de naleving van voorschriften bij de Minister van SZW, dan zal de vergunning worden omgezet naar een vergunning voor onbepaalde tijd. Bestaat er nog steeds onvoldoende zekerheid over de naleving, dan zal de vergunning worden verlengd met nogmaals twee jaar.
Het is niet mogelijk om een tijdelijke vergunning al te ver voor het verlopen hiervan, om te zetten naar een vergunning voor onbepaalde tijd. Een vergunninghouder zal dus moeten wachten tot zijn vergunning aan verlenging toe is. Zie hiervoor ook de toelichting bij artikel 4.61.
Artikel 4.62
Nieuw artikel
Artikel 4.62, eerste lid, bevat een bevoegdheid voor de Minister van SZW om voorschriften te verbinden aan een vergunning.
Het tweede lid bevat een aantal voorschriften die in alle gevallen aan een vergunning worden verbonden.
Het voorschrift in onderdeel a is de uitwerking van artikel 4.57, negende lid: de Minister van SZW zal in de vergunning moeten aangeven welke werkzaamheden hiermee mogen worden verricht. Bij deze afbakening zal hij uitgaan van de aangevraagde vergunning en de bij de aanvraag overgelegde informatie. Tot de afbakening van de werkzaamheden behoort ook of er met een containment mag worden gewerkt of niet.
Aan de vergunning wordt op grond van onderdeel a ook de verplichting gekoppeld om alleen die werkzaamheden te verrichten die op grond van de vergunning mogen worden verricht.
Onderdeel b bevat een voorschrift dat alleen wordt verbonden aan de vergunning asbestverwijdering beperkt. Als onderdeel van de vergunningaanvraag moet een bewijs van naleving worden overgelegd. In het geval van de vergunning asbestverwijdering beperkt zal dit een erkende werkmethode zijn tezamen met een verklaring dat de aanvrager volgens deze werkmethode zal werken. Om deze reden maakt het verrichten van de vergunde werkzaamheden overeenkomstig het bij de aanvraag overgelegde bewijs van naleving, onderdeel uit van de vergunningvoorschriften bij een vergunning asbestverwijdering beperkt.
Om ervoor te zorgen dat de Minister van SZW op de hoogte wordt gesteld van alle informatie die relevant kan zijn voor de vergunning, bevat onderdeel c een informatieplicht voor de vergunninghouder. Op grond van de informatieplicht zal de vergunninghouder zowel spontaan als op verzoek informatie moeten verstrekken. Een vergunninghouder zal in ieder geval een schorsing of intrekking van het aan de vergunning ten grondslag liggende certificaat of erkenning moeten melden. Andere omstandigheden die van belang kunnen zijn voor de vergunning zijn bijvoorbeeld de overname of stopzetting van het bedrijf of het niet langer hebben van (voldoende) gekwalificeerde werknemers.
Het voorschrift in onderdeel d verplicht de vergunninghouder om jaarlijks een overzicht met mutaties te verstrekken dat ziet op de werknemers van de vergunninghouder die de vergunde werkzaamheden in de praktijk verrichten en de door hen gevolgde opleidingen. Het gaat hierbij meer in het bijzonder om een overzicht van werknemers die niet langer voor de vergunninghouder werkzaam zijn, nieuwe werknemers, de unieke registratienummers in het Register gezond en veilig werken met asbest van de nieuwe werknemers en een aanduiding van de werknemers die nieuwe opleidingen of onderwijsactiviteiten in het kader van permanente educatie hebben gevolgd. Hiermee kan worden nagegaan of de vergunninghouder nog beschikt over werknemers die de vergunde werkzaamheden kunnen verrichten.
Omdat het aanzienlijke lasten met zich mee zou brengen als een vergunninghouder elke relevante wijziging in zijn personeelsbestand meteen zou moeten doorgeven aan de Minister van SZW, maar het tegelijkertijd nodig is om erop toe te zien dat de vergunninghouder over deugdelijk opgeleid personeel beschikt, is gekozen voor de verplichting om jaarlijks een overzicht als hiervoor bedoeld te overleggen.
Onderdeel e verplicht de vergunninghouder om een nieuwe verklaring omtrent het gedrag te overleggen in de in dat onderdeel genoemde situaties. Deze eis geldt alleen voor zover het overleggen van een verklaring omtrent het gedrag bij de aanvraag was vereist. Als de vergunninghouder bijvoorbeeld een buitenlands bedrijf is en er treedt een nieuwe buitenlandse bestuurder toe tot dit bedrijf, dan is het overleggen van een nieuwe verklaring omtrent het gedrag niet verplicht.
Het derde lid bevat een bevoegdheid om bij ministeriële regeling nadere regels te stellen ter invulling van de vergunningvoorschriften, bedoeld in het tweede lid. Hiervan is in ieder geval gebruikgemaakt waar het gaat om de informatie die moet worden opgenomen in het overzicht, bedoeld in het tweede lid, onderdeel d.
Artikel 4.63
Nieuw artikel
De bevoegdheid tot het ambtshalve of op verzoek wijzigen van identificerende gegevens in de vergunning is bedoeld voor het wijzigen van bijvoorbeeld de naam van de vergunninghouder of het adres waarop deze is gevestigd, zodat deze overeenkomen met de situatie van dat moment. Voor deze wijzigingen hoeft dus niet het hele gebruikelijke aanvraagproces te worden doorlopen.
Artikel 4.64
Nieuw artikel
Voor het verkrijgen en behouden van sommige typen vergunningen is het bezit van een certificaat of een erkenning als bedoeld in artikel 4.58, tweede lid, onderdeel b, een vereiste. Dit betekent dat als dit certificaat of deze erkenning wordt geschorst of ingetrokken, dit automatisch gevolgen zou moeten hebben voor de geldigheid van de vergunning die met een dergelijk certificaat of een dergelijke erkenning is verkregen.
Artikel 4.64 voorziet hierin door in het eerste lid te bepalen dat een vergunning van rechtswege wordt geschorst, als het onderliggende certificaat of de onderliggende erkenning wordt geschorst. De schorsing van de vergunning volgt in dit geval de schorsing van het certificaat of de erkenning: wordt deze schorsing opgeheven of komt deze ten einde, dan geldt dit ook voor de schorsing van de vergunning.
Ook vindt ambtshalve schorsing van de vergunning plaats als het certificaat of de erkenning is ingetrokken, zolang deze intrekking nog niet onherroepelijk is. Is de intrekking van het certificaat of de erkenning onherroepelijk geworden, dan leidt dit op grond van het tweede lid van artikel 4.64 tot het van rechtswege vervallen van de vergunning. Wordt de intrekking van het certificaat of de erkenning in bezwaar of beroep ongedaan gemaakt, dan vervalt vanaf dat moment de schorsing van de vergunning.
Daarnaast vervalt op grond van het tweede lid de vergunning van rechtswege, indien het certificaat of de erkenning die ten grondslag heeft gelegen aan de vergunning, is verlopen.
Artikel 4.65
Nieuw artikel
Artikel 4.65 bevat gronden tot schorsing en intrekking van de vergunning. In tegenstelling tot artikel 4.64, gaat het hierbij om schorsingen en intrekkingen waaraan een beslissing van de Minister van SZW ten grondslag ligt.
Op grond van het eerste lid kan de Minister van SZW een vergunning schorsen als er bij hem het gegronde vermoeden bestaat dat er een grond tot intrekking van de vergunning bestaat. Deze schorsing duurt totdat de vergunning ook daadwerkelijk is ingetrokken of de minister heeft vastgesteld dat er geen grond tot intrekking aanwezig is.
De schorsingsbevoegdheid in het eerste lid is bedoeld voor situaties waarin er nader onderzoek nodig is om vast te stellen of er inderdaad een grond tot intrekking aanwezig is en waarbij het, naar het oordeel van de Minister van SZW, niet verantwoord is om de vergunninghouder tot die tijd werkzaamheden te laten verrichten met de vergunning. Omdat de schorsing van een vergunning een ingrijpende bevoegdheid is, zal de minister een ‘gegrond vermoeden’ moeten hebben. Dit houdt in dat bij hem feiten en omstandigheden bekend moeten zijn op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat er een grond tot intrekking van de vergunning bestaat. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan signalen dat de vergunninghouder herhaaldelijk andere asbestwerkzaamheden heeft verricht dan de werkzaamheden die hij met zijn vergunning mag verrichten. Een ander voorbeeld is de constatering van een toezichthouder dat een vergunninghouder meerdere malen gebruik heeft gemaakt van onbevoegd personeel om vergunde werkzaamheden te verrichten.
Een schorsing kan leiden tot de intrekking van een vergunning, maar het kan ook zo zijn dat de Minister van SZW vaststelt dat er geen grond tot intrekking aanwezig is. Deze vaststelling kan de Minister van SZW doen als op basis van eigen onderzoek is gebleken dat er, achteraf bezien, toch geen grond voor intrekking bestond of als deze grond er wel degelijk was, maar de vergunninghouder inmiddels maatregelen heeft genomen waardoor de grond tot intrekking is komen te vervallen.
In het geval van de verplichte intrekkingsgronden in het tweede lid van artikel 4.65, zal de Minister van SZW altijd tot intrekking moeten overgaan. Als daarom tijdens de schorsing van de vergunning blijkt dat er een verplichte intrekkingsgrond van toepassing is, dan zal de minister hier gebruik van moeten maken. In het geval van de facultatieve intrekkingsgronden in het derde lid, kan de Minister van SZW echter besluiten om hier geen gebruik van te maken. Het kan dus ook voorkomen dat de Minister van SZW een vergunning schorst, constateert dat een intrekkingsgrond van toepassing is, maar toch niet overgaat tot intrekking, omdat er sprake is van een facultatieve intrekkingsgrond. De Minister van SZW kan hiertoe besluiten als hij bijvoorbeeld van oordeel is dat er weliswaar sprake is van een reden om de vergunning in te trekken, maar de vergunninghouder duidelijk verbeteringen heeft laten zien, of de gebeurtenis die een grond tot intrekking opleverde, zich slechts incidenteel heeft voorgedaan of niet aan de vergunninghouder kan worden toegerekend. Als de Minister van SZW besluit om een vergunning niet in te trekken, dan komt de schorsing met deze beslissing te vervallen.
Artikel 4.65, tweede lid, bevat verplichte intrekkingsgronden. Deze zullen in beginsel dus te allen tijde door de Minister van SZW moeten worden toegepast.
Naast de intrekkingsgronden in de onderdelen a tot en met e, zal de Minister van SZW ook over moeten gaan tot intrekking van de vergunning als de resultaten van een onderzoek op grond van de Wet Bibob hier aanleiding toe geven (artikel 19a, vierde lid, van de Arbowet).
Bij de intrekkingsgrond in onderdeel d van het tweede lid gaat het om de situatie dat een bedrijf definitief is gestopt met zijn werkzaamheden. Deze grond kan in ieder geval worden toegepast als een bedrijf niet langer geregistreerd is in het Handelsregister, bedoeld in de Handelsregisterwet 2007.
Het derde lid van artikel 4.65 bevat de bevoegdheid om in twee gevallen een vergunning in te trekken. De Minister van SZW zal bij het bepalen of hij van deze gronden gebruikmaakt, een afweging moeten maken aan de hand van de omstandigheden van het geval, waarbij hij in ieder geval rekening moet houden met het beginsel van evenredigheid. Het is dus niet zo dat bijvoorbeeld het niet naleven van een vergunningvoorschrift onmiddellijk zal leiden tot intrekking van de vergunning.
Artikel 4.66
Nieuw artikel
Artikel 4.66 is een uitwerking van de startvergunning. Voor het verkrijgen van bepaalde vergunningen asbestverwijdering is het nodig om bij de aanvraag een bepaald certificaat of een bepaalde erkenning te overleggen. Deze certificaten en erkenningen worden op aanvraag verstrekt door daartoe bevoegde instanties nadat de aanvrager heeft aangetoond aan bepaalde voorwaarden te voldoen. Als onderdeel van het certificerings- of erkenningsproces wordt de aanvrager doorgaans getoetst op het correct kunnen uitvoeren van een aantal asbestverwijderingen of sloopwerkzaamheden waarbij asbeststof kan vrijkomen. Omdat artikel 15 van de Asbestrichtlijn geen uitzonderingen op de vergunningplicht kent voor dergelijke werkzaamheden, zal de aanvrager van een certificaat of erkenning ook voor de hiervoor bedoelde werkzaamheden een vergunning moeten krijgen. De startvergunning voorziet hierin.
Het eerste lid bepaalt dat de startvergunning van rechtswege wordt verleend als is voldaan aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden. De werkzaamheden die met een startvergunning mogen worden verricht, worden uitgevoerd als onderdeel van het proces tot verkrijging van een certificaat of erkenning. De beslissing op de aanvraag om een certificaat of erkenning is een besluit als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht. Als de startvergunning net als de andere vergunningen door of namens de Minister van SZW zou worden verleend, dan betekent dit dat er in het kader van de aanvraag van een certificaat of erkenning twee beschikkingen gegeven dienen te worden door twee verschillende bestuursorganen: de eerste beschikking is de startvergunning, die wordt verleend door of namens de Minister van SZW, en de tweede de uiteindelijke beslissing op de aanvraag om een certificaat of erkenning, die wordt verleend door de instelling die bevoegd is om het certificaat of de erkenning af te geven. Tussen beide beschikkingen bestaat echter een nauwe samenhang: een bedrijf dat niet in staat wordt geacht om de eerdergenoemde werkzaamheden met asbest te verrichten, zal geen startvergunning krijgen en, in het verlengde daarvan, ook geen certificaat of erkenning. Een procedure in bezwaar- of beroep tegen de afwijzing van een startvergunning zal daardoor in feite ook gericht zijn op de afwijzing van de aanvraag om een certificaat of erkenning.
Om een stapeling van procedures te voorkomen en vanwege de hiervoor beschreven samenhang, zal de startvergunning van rechtswege worden verleend op het moment dat aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden wordt voldaan. Deze voorwaarden zullen worden afgestemd op het proces van certificatie of erkenning en dienen om te waarborgen dat het bedrijf waaraan de startvergunning zal worden verleend, in staat is om de werkzaamheden te verrichten waarop de startvergunning betrekking heeft. Dit heeft tot gevolg dat als een bedrijf bij het beoordelen van de aanvraag om een certificaat of erkenning niet in staat wordt geacht om de werkzaamheden waarop het certificaat of erkenning betrekking heeft, te verrichten, er geen vergunning wordt verleend en, als de aanvraag om een certificaat of erkenning in het verlengde daarvan wordt afgewezen, er alleen bezwaar en beroep kan worden ingesteld tegen deze afwijzing. In deze procedure kan echter ook naar voren worden gebracht dat wel degelijk aan de voorwaarden voor de startvergunning werd voldaan.
Dat de voorwaarden voor verlening van de startvergunning worden opgenomen in de Arboregeling in plaats van het Arbobesluit, heeft te maken met de beperkte geldigheidsduur van de vergunning, de beperkte hoeveelheid werkzaamheden die daarmee mogen worden verricht en het feit dat de werkzaamheden die mogen worden verricht nauw verbonden zijn met het proces van certificatie en erkenning. Om deze reden wordt het passend geacht om bij ministeriële regeling te bepalen aan welke voorwaarden moet worden voldaan voor de van rechtswege verlening van een startvergunning.
Het tweede lid in combinatie met artikel 4.57, zesde lid, bepaalt de geldigheidsduur van de vergunning en de werkzaamheden die met de startvergunning mogen worden verricht. Een startvergunning is slechts geldig voor ten hoogste vijf werkzaamheden en heeft een geldigheidsduur van een jaar. Tegelijkertijd vervalt de startvergunning op grond van het derde lid van rechtswege indien de aanvraag om een certificaat of erkenning, in het kader waarvan de vergunning is verleend, wordt ingewilligd dan wel afgewezen. Hiermee wordt tevens voorkomen dat een bedrijf de startvergunning nog gebruikt, terwijl het doel waarvoor deze vergunning is verstrekt, namelijk het voldoen aan de praktijkeisen die gelden voor het verkrijgen van een certificaat of erkenning, niet meer aan de orde is.
Als bijvoorbeeld voor het verkrijgen van een certificaat drie werkzaamheden moeten worden verricht en het bedrijf dat de vergunning heeft aangevraagd deze werkzaamheden met succes uitvoert, met inwilliging van de aanvraag tot gevolg, dan zal de startvergunning van rechtswege vervallen op het moment dat de aanvraag om een certificaat wordt ingewilligd. De startvergunning vervalt hoe dan ook na een jaar. Een bedrijf dat na een jaar nog niet de vereiste werkzaamheden heeft verricht voor het krijgen van een certificaat of erkenning zal in dat geval opnieuw moeten aantonen aan de voorwaarden voor verlening van een startvergunning te voldoen. Dit geldt tevens voor het bedrijf wiens aanvraag om een certificaat of erkenning is afgewezen, nu dat tevens leidt tot het van rechtswege vervallen van de startvergunning.
Artikel 19a, eerste lid, van de Arbowet bepaalt expliciet dat bedrijven geen asbestverwijderingswerkzaamheden of sloopwerkzaamheden waarbij personen worden of kunnen worden blootgesteld aan asbest mogen verrichten, zonder een vergunning van de Minister van SZW. Om die reden bepaalt het vierde lid dat een van rechtswege verleende startvergunning voor de toepassing van artikel 19a, eerste lid, van de Arbowet wordt aangemerkt als een door de Minister van SZW afgegeven vergunning. De houder van een startvergunning die werkzaamheden verricht die binnen de startvergunning vallen, voldoet door het vierde lid dus aan de vergunningplicht in artikel 19a, eerste lid, van de wet.
Er kan niet worden uitgesloten dat bij inwilliging van een startvergunning, er derden zijn die zich hier niet in kunnen vinden en bezwaar en beroep hiertegen wensen aan te tekenen. Om deze reden bepaalt het vijfde lid dat een van rechtswege verleende startvergunning wordt gelijkgesteld aan een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Dit maakt het mogelijk om bezwaar en beroep in te stellen tegen een van rechtswege verleende startvergunning. Vanwege het specifieke doel en de beperkte scope van de startvergunning en het feit dat deze rechtstreeks voortvloeien uit regelgeving, verwacht de regering dat van de mogelijkheden tot bezwaar en beroep niet veel gebruik zal worden gemaakt.
De gelijkstelling geldt enkel in de situatie dat een startvergunning wordt verleend: als een partij niet voldoet aan de voorwaarden voor het van rechtswege verlenen van een startvergunning, dan kan daartegen niet zelfstandig bezwaar en beroep worden ingesteld. Wel kan de startvergunning worden betrokken in een bezwaar- of beroepsprocedure die is ingesteld tegen de afwijzing van een certificaat of erkenning, bijvoorbeeld als een bedrijf van mening is dat de aanvraag om een certificaat ten onrechte is afgewezen en hij wel degelijk aan de voorwaarden voor een startvergunning voldeed.
Het vijfde lid bepaalt daarnaast dat de van rechtswege verleende startvergunning op een bij ministeriële regeling te bepalen wijze moet worden bekendgemaakt. Deze bepaling is opgenomen om onduidelijkheden in de praktijk weg te nemen over de vraag of een bedrijf nu wel of niet van rechtswege een startvergunning heeft verkregen, op welke datum dit heeft plaatsgevonden en wanneer de geldigheidsduur van een jaar afloopt. Het voornemen is om de partij die is belast met de afgifte van het certificaat of de erkenning en in het kader waarvan de startvergunning wordt verleend, te verplichten om het voorgaande schriftelijk mede te delen aan het bedrijf waaraan van rechtswege een startvergunning is verleend.
Het zesde lid verklaart het grootste deel van de artikelen dat over de overige vergunningen gaat, niet van toepassing op de startvergunning. Dit heeft te maken met de specifieke functie die de startvergunning vervult en de eigen, afwijkende eisen die aan de vergunning zijn gesteld. Wel blijft de mogelijkheid bestaan om de vergunning ambtshalve of op verzoek te wijzigen, indien de identificerende gegevens van het bedrijf waaraan van rechtswege een vergunning is verleend, zijn gewijzigd. Een beslissing tot het ambtshalve of op verzoek wijzigen van een startvergunning is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4.67
Nieuw artikel
Artikel 4.67 bevat een aantal bepalingen die van toepassing zijn op de Aval-vergunning en gelden in aanvulling op de overige artikelen van deze paragraaf.
Op grond van artikel 4.58, tweede lid, onderdeel a, moet een bedrijf bij de vergunningaanvraag de unieke registratienummers in het Register gezond en veilig werken met asbest voegen van alle werknemers die de te vergunnen werkzaamheden zullen verrichten. Een bedrijf met een vergunning die is afgegeven in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, zal over het algemeen echter geen werknemers hebben die al zijn geregistreerd in het Register gezond en veilig werken met asbest. Tegelijkertijd zijn lidstaten op grond van artikel 15 van de Asbestrichtlijn verplicht om te beoordelen of de werknemers van het bedrijf dat de vergunning aanvraagt, deugdelijk zijn opgeleid. Het eerste lid van artikel 4.67 bepaalt daarom dat in plaats van de registratienummers, het bedrijf dat een Aval-vergunning aanvraagt de opleidingscertificaten die zijn afgegeven door een erkende opleider in een andere lidstaat van de Europese Economische ruimte bij de aanvraag mag voegen.
Een in het buitenland gevolgde opleiding kan niet zonder meer worden gebruikt om in Nederland werkzaamheden met asbest te verrichten, onder andere omdat bijlage I bis van de Asbestrichtlijn vereist dat een werknemer kennis moet hebben van het toepasselijke recht van de lidstaat waar hij werkzaamheden verricht. Er zal eerst moeten worden beoordeeld of de buitenlandse opleiding gelijk kan worden gesteld met een opleiding als bedoeld in artikel 4.30 en de krachtens het achtste lid van dat artikel gestelde regels en of deze is verzorgd door een erkende opleider in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte. Het tweede lid verplicht de Minister van SZW om deze beoordeling uit te voeren ten aanzien van alle werknemers waarvan een opleidingscertificaat als bedoeld in het eerste lid is verstrekt.
De beoordeling van deze opleidingen zal op dezelfde manier plaatsvinden als het geval is bij migrerende beroepsbeoefenaren die in Nederland werkzaamheden met asbest willen verrichten en zich daartoe willen laten registreren in het Register gezond en veilig werken met asbest. Dit houdt, gelet op de artikelen 1.5j, vijfde lid en 4.30, vijfde lid, onderdeel a, in dat aan de hand van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties wordt beoordeeld of er sprake is van een gelijkwaardige opleiding. Omdat de werknemers van wie de opleidingen worden beoordeeld niet in alle gevallen zullen kunnen worden aangemerkt als migrerend beroepsbeoefenaar in de zin van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, is in de tweede zin van het tweede lid uitdrukkelijk bepaald dat de beoordeling van de opleidingen plaatsvindt overeenkomstig hoofdstuk 2 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties en dat bij de toepassing van die wet de werknemers van wie de opleidingen worden beoordeeld, worden beschouwd als migrerend beroepsbeoefenaar.
Het derde lid maakt het mogelijk voor de Minister van SZW om kosten in rekening te brengen voor de beoordeling, bedoeld in het tweede lid. De formulering van het derde lid is ontleend aan artikel 33, derde lid, van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, dat het mogelijk maakt om kosten in rekening te brengen voor het erkennen van beroepskwalificaties op grond van die wet.
In het vierde lid staat dat de Minister van SZW de beslistermijn opschort tijdens de beoordeling van de opleidingscertificaten, bedoeld in het tweede lid. Er is geen concrete termijn voor het nemen van een beslissing op een vergunningaanvraag. Om die reden geldt dat wat in artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht is opgenomen voor deze situatie: de beslissing moet worden genomen binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag, waarbij deze redelijke termijn in ieder geval is verstreken als binnen acht weken na ontvangst geen beslissing is genomen of de beslistermijn is verlengd overeenkomstig artikel 4:14, derde lid.
De hiervoor bedoelde beslistermijn kan worden opgeschort in de gevallen, bedoeld in artikel 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht. De Minister van SZW kan op grond van dit artikel de beslistermijn bijvoorbeeld opschorten als hij nadere informatie nodig heeft van de aanvrager (artikel 4:15, eerste lid, onderdeel a) Het vierde lid is een aanvulling op deze opschortingsmogelijkheden, nu het beoordelen van de opleidingen van de betrokken werknemers de nodige tijd in beslag kan nemen waardoor het nemen van een beslissing binnen een redelijke termijn niet langer mogelijk is. Het vierde lid zorgt ervoor dat de tijd die nodig is voor de beoordeling van de opleidingscertificaten geen onderdeel uitmaakt van de beslistermijn van maximaal acht weken.
Het vijfde lid verklaart artikel 1.5j, vijfde lid, van overeenkomstige toepassing op de werknemers waarvan bij de beoordeling, bedoeld in het tweede lid, is vastgesteld dat hun opleiding gelijkgesteld kan worden aan een Nederlandse opleiding. Dit is gedaan om te voorkomen dat wanneer deze werknemers hun opleiding willen laten registreren in het Register gezond en veilig werken met asbest, zij opnieuw hun buitenlandse opleiding moeten laten erkennen, omdat de beoordeling van de opleiding als onderdeel van de vergunningaanvraag strikt genomen geen beoordeling is op grond van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties.
Het zesde lid bevat een aanvullende weigeringsgrond die alleen van toepassing is bij aanvragen om een Aval-vergunning. Deze weigeringsgrond is een aanvulling op de weigeringsgrond van artikel 4.60, onderdeel a, en komt op hetzelfde neer : indien de werknemers niet of onvoldoende zijn opgeleid voor de vergunde werkzaamheden, moet de vergunning worden geweigerd. De aanvulling zit hem in het feit dat alleen bij een Aval-vergunning in plaats van registratienummers, opleidingscertificaten mogen worden gevoegd en een vergunning ook moet worden geweigerd als uit de opleidingscertificaten niet blijkt dat de werknemers deugdelijk zijn opgeleid voor het verrichten van de te vergunnen werkzaamheden.
Onderdeel P (artikel 9.1)
Inhoudelijke wijzigingen
Dit besluit voegt een aantal bepalingen toe aan het Arbobesluit die niet zijn gericht aan de werkgever, maar aan de erkende opleider. Omdat het niet de bedoeling is dat ook de werkgever verantwoordelijk wordt gehouden voor de naleving van deze bepalingen, zijn de betreffende bepalingen nu als uitgezonderde bepalingen toegevoegd aan artikel 9.1.
Onderdeel Q (artikel 9.3)
Inhoudelijke wijzigingen
In artikel 9.3 worden de artikelen aangewezen die ook de werknemer moet naleven. In dit artikel zijn de verwijzingen naar de oude asbestafdeling vervangen door verwijzingen naar de overeenkomstige artikelen in de nieuwe asbestafdeling. Een aantal verwijzingen is niet meer teruggekomen, zoals de verwijzing naar de verplichte persoonscertificaten, omdat die niet langer bestaan. Ook zijn verwijzingen toegevoegd naar inhoudelijk nieuwe artikelen, zoals de verwijzing naar artikel 4.42 over de stillegging bij overschrijding van de grenswaarde. Tot slot zijn ook de verwijzingen naar de artikelen uit de nieuwe afdeling 4 aangepast aan de nieuwe nummering.
Onderdeel R (artikel 9.5)
Inhoudelijke wijzigingen
In artikel 9.5 worden de artikelen aangewezen die zelfstandigen en meewerkende werkgevers moeten naleven. In het eerste lid, onderdeel d, zijn de oude artikelen over asbest vervangen door de nieuwe. Daarbij zijn ook verplichtingen aangewezen uit de artikelen die met dit wijzigingsbesluit zijn toegevoegd aan het Arbobesluit, en zijn de verwijzingen naar artikelen uit de nieuwe afdeling 4 aangepast aan de nieuwe nummering.
In het eerste lid, onderdeel h, is nu bepaald dat ook de vergunningplicht moet worden nageleefd door de zelfstandige en de meewerkende werkgever.
In het vijfde lid worden artikelen aangewezen die alleen gelden voor zelfstandigen en meewerkende werkgevers als ze niet alleen op de arbeidsplaats aanwezig zijn. Ook in dit lid zijn de oude artikelen over asbest vervangen door de nieuwe, en zijn ook verplichtingen aangewezen die met dit wijzigingsbesluit zijn toegevoegd aan het Arbobesluit.
Onderdeel S (artikel 9.5a)
Inhoudelijke wijzigingen
In artikel 9.5a zijn artikelen aangewezen die ook organisaties waar vrijwilligers actief zijn moeten naleven. De verwijzingen zijn aangepast aan de nieuwe artikelnummering – ook de verwijzingen naar de nieuwe afdeling 4 – en is een aantal verwijzingen toegevoegd naar artikel die inhoudelijk nieuw zijn.
Onderdeel T (artikel 9.5c)
Nieuw artikel
Dit besluit bevat bepalingen die gericht zijn aan de opleiders die door de Minister van SZW zijn erkend en de van rechtswege erkende opleiders, bedoeld in de artikelen 4.32 respectievelijk 4.33, eerste lid.
De grondslag om de hiervoor bedoelde bepalingen te richten aan de eerdergenoemde partijen, is artikel 16, negende lid, van de wet, zoals dit zal luiden na inwerkingtreding van het bij koninklijke boodschap van 28 oktober 2025 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet in verband met een nieuwe vergunningplicht bij bepaalde asbestwerkzaamheden ten behoeve van de implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2668 (Kamerstukken 36843). Het gaat namelijk om bepalingen die strekken tot implementatie van de Asbestrichtlijn. Door in het nieuwe artikel 9.5c, te bepalen welke bepalingen moeten worden nageleefd door de eerdergenoemde partijen, wordt invulling gegeven aan artikel 16, tiende lid, op grond waarvan moet worden bepaald welke voorschriften die bij of krachtens het Arbobesluit zijn vastgesteld, moeten worden nageleefd.
De artikelen in paragraaf 5 van de nieuwe afdeling 3 van het Arbobesluit zijn niet gebaseerd op een van de in artikel 16, tiende lid, van de Arbowet genoemde grondslagen. De bepalingen in die paragraaf zijn daarom onverkort van toepassing op degenen aan wie de betreffende bepalingen zich richten.
Onderdeel U (artikel 9.6)
Inhoudelijke wijzigingen
In artikel 9.6 zijn de verplichtingen voor opdrachtgevers vervangen door de verplichtingen die daar onder de nieuwe asbestregels het meest op lijken. Daarom is de verwijzing naar de certificatieplicht in het Arbobesluit vervangen door de vergunningplicht uit de Arbowet.
Onderdeel V (artikel 9.9b)
Inhoudelijke wijzigingen
In artikel 9.9b, eerste lid, onderdeel d, zijn de beboetbare overtredingen die over asbest gaan gewijzigd. De oude artikelnummers zijn verwijderd, en alle nieuwe bepalingen uit dit besluit die een verplichting opleggen aan een normadressaat zijn toegevoegd. De vergunningplicht zelf is overigens niet beboetbaar op grond van dit artikel, maar op grond van artikel 33 van de Arbowet.
Onderdeel W (artikel 9.10a)
Inhoudelijke wijzigingen
In artikel 9.10a, derde lid, worden ernstige overtredingen aangewezen. Op grond van het tweede lid is het mogelijk om bij deze ernstige overtredingen sneller over te gaan tot een waarschuwing voor een preventieve stillegging, en vervolgens tot de stillegging zelf. In subonderdeel 1 van het eerste lid is de certificatieplicht voor asbest geschrapt en zijn de verwijzingen naar artikelen uit de nieuwe afdeling 4 van hoofdstuk 4 van de juiste nummers voorzien. In plaats van de certificatieplicht voor asbest is vervolgens in een nieuw subonderdeel 3 de vergunningplicht uit de Arbowet toegevoegd, zodat overtreding van die vergunningplicht een ernstige overtreding is.
Onderdeel BB (hoofdstuk 9, afdeling 4)
Inhoudelijke wijzigingen
Om ervoor te zorgen dat de toepassing van de oude asbestregels soepel kan overgaan in de toepassing van de nieuwe asbestregels, voegt dit besluit een aantal overgangsbepalingen toe aan het Arbobesluit. Hiervoor is het nodig om voor een aantal artikelen uit dit implementatiebesluit te bepalen dat ze op de datum van inwerkingtreding nog niet (volledig) van toepassing zijn. Van de overgangsbepalingen zijn er een aantal die betrekking hebben op de vergunningplicht. Deze bepalingen rusten op de grondslag die voor de implementatie van de Wijzigingsrichtlijn wordt opgenomen in artikel 45a van de Arbowet.
Omdat afdeling 4 van hoofdstuk 9 van het Arbobesluit, waar de overgangsbepalingen in zijn opgenomen, veel artikelen bevat die inmiddels zijn vervallen, is van de gelegenheid gebruikgemaakt om de afdeling in zijn geheel opnieuw vast te stellen. De nummering van de artikelen in de nieuw vastgestelde afdeling 4 sluit hierdoor niet alleen op elkaar aan, maar ook op die van de voorgaande afdeling van hoofdstuk 9. Hierna wordt een toelichting gegeven op elk van de artikelen in de nieuw vastgestelde afdeling 4.
Artikelen 9.23, 9.24, 9.25 en 9.33
Technische wijzigingen
Afgezien van een wijziging van de artikelnummers, zijn deze artikelen inhoudelijk hetzelfde als de voormalige artikelen 9.33, 9.34, 9.37 respectievelijk 9.41 van het Arbobesluit.
Artikel 9.26
Technische wijzigingen
Artikel 9.26 komt inhoudelijk overeen met het voormalige artikel 9.37d op twee punten na: het artikelnummer en het oude onderdeel c van het eerste lid. In het oude onderdeel c van het eerste lid werd verwezen naar certificerende instellingen als bedoeld in artikelen 6.14a, derde lid, en 6.16, derde, zesde, en zevende lid. In deze artikelleden worden echter geen certificerende instellingen genoemd, omdat de certificeringsplichten die voorheen in die artikelleden waren geregeld, zijn vervangen door registratieplichten. Om deze reden komt het oude onderdeel c van het voormalige artikel 9.37d, eerste lid, niet terug in artikel 9.26.
Artikel 9.27
Nieuw artikel
In artikel 9.27 staat overgangsrecht voor bedrijven die onder het oude recht een procescertificaat asbestverwijdering hadden. Daarmee mochten deze bedrijven asbest slopen en verwijderen in risicoklasse 2. Onder het nieuwe recht hebben deze bedrijven naast hun certificaat ook een vergunning nodig. Dat zou betekenen dat deze bedrijven vanaf de datum van inwerkingtreding van dit implementatiebesluit geen werkzaamheden zouden kunnen uitvoeren totdat ze een vergunning hebben. Om die situatie te voorkomen bepaalt het eerste lid dat de gecertificeerde bedrijven tijdelijk hun werkzaamheden mogen blijven uitvoeren. Van dit recht kunnen deze bedrijven alleen gebruik maken als ze binnen een maand na de inwerkingtreding van artikel 19a van de wet een vergunningaanvraag indienen. Die voorwaarde is er om te bevorderen dat de overgangssituatie zo kort mogelijk duurt. Er zijn nog twee andere maatregelen genomen om ervoor te zorgen dat de overgangssituatie voor de vergunningplicht duidelijk in tijd beperkt is. Ten eerste loopt de overgangsperiode direct af als de Minister een besluit heeft genomen op de aanvraag. Als dat een afwijzend besluit is moet het bedrijf zich daar dus direct aan conformeren, en kan het niet door het indienen van een bezwaarschrift en een verzoek om een voorlopige voorziening de overgangssituatie voortzetten. Ten tweede loopt de overgangsperiode af na uiterlijk zes maanden. Dit is om te garanderen dat de Wijzigingsrichtlijn uiterlijk zes maanden na de inwerkingtreding van dit implementatiebesluit volledig geïmplementeerd is.
In het tweede lid van dit artikel staat dat het procescertificaat asbestverwijdering ook direct al kan worden ingezet als bewijs van naleving. Zoals in onderdeel 3.1.1.2 van de algemene toelichting is uitgelegd, blijft voor een aantal vormen van asbestsloop en asbestverwijdering een procescertificaat verplicht. Bedrijven die een vergunning aanvragen waarvoor op grond van artikel 4.58, tweede lid, onderdeel b, een procescertificaat vereist is, hoeven geen nieuw procescertificaat aan te vragen, maar kunnen hun bestaande procescertificaat behouden. Via het processchema zal ervoor worden gezorgd dat de oude procescertificaten ook voldoen aan de nieuwe regels.
Artikel 9.28
Nieuw artikel
In artikel 9.28 staat overgangsrecht voor bedrijven die asbestverwijderings- of asbestsloopwerkzaamheden verrichten die onder het oude recht onder de regels van risicoklasse 1 of onder een vrijstelling op de certificatieplicht vielen. Deze bedrijven kunnen hun werkzaamheden in de overgangsperiode blijven uitvoeren zonder vergunning, op voorwaarde dat ze binnen een maand na de inwerkingtreding van artikel 19a van de wet een vergunningaanvraag hebben ingediend. De betreffende bedrijven dienen zich verder te beperken tot de werkzaamheden die zij onder het oude recht mochten uitvoeren zonder certificaat asbestverwijdering. Het is hiermee nadrukkelijk de bedoeling dat deze bedrijven hun gebruikelijke werkzaamheden kunnen voortzetten, en zich in de overgangsperiode niet bezighouden met werkzaamheden die onder het oude recht in risicoklasse 2 of 2A vielen. Voor ieder bedrijf dat binnen een maand na de inwerkingtreding van de vergunningplicht een vergunning heeft aangevraagd duurt deze overgangsperiode tot het moment waarop de Minister een besluit neemt op de aanvraag, met een maximum van zes maanden. Net als bij de toepassing van artikel 9.27 kunnen bedrijven de werking van het overgangsrecht dus niet verlengen door na een afwijzing van de aanvraag een bezwaar in te dienen en de rechter om een voorlopige voorziening te vragen. Bedrijven die niet binnen een maand een vergunningaanvraag indienen kunnen geen gebruik maken van dit overgangsrecht, en zullen vergunningplichtige werkzaamheden dus niet kunnen uitvoeren totdat ze daadwerkelijk over een vergunning beschikken.
Artikel 9.29
Nieuw artikel
In artikel 9.29 staat het overgangsrecht voor opleidingen en de registratie daarvan. Op grond van artikel 4.30 en 4.32 bevatten opleidingen meer verplichte onderdelen, moeten ze worden verzorgd door een erkende opleider en moeten ze geregistreerd worden in het Register gezond en veilig werken met asbest. Het is voor werknemers en werkgevers niet haalbaar om daar op de dag van inwerkingtreding van dit implementatiebesluit direct aan te voldoen. Dit overgangsartikel bepaalt daarom in het eerste lid dat een werkgever voor zijn werknemers de opleidingen kan laten registreren die de werknemers al hebben afgerond. Als de werkgever daarom verzoekt, worden de betreffende opleidingen in het register opgenomen. Het is aan de werkgever om vast te stellen in hoeverre de werknemer na de registratie voldoet aan de nieuwe opleidingsverplichtingen. Bij ontvangst van een registratieverzoek wordt de betreffende opleiding dus geregistreerd zonder dat wordt beoordeeld welke verplichte onderdelen van de opleiding nog ontbreken. Het is de taak van de werkgever om die beoordeling uit te voeren en om de opleiding van de werknemer aan te vullen als de al voltooide opleidingen nog niet aan alle eisen van de nieuwe regelgeving voldoen. Deze eigen verantwoordelijkheid van de werkgever wordt benadrukt in het tweede lid. In het derde en vierde lid staan grondslagen om bij ministeriële regeling te bepalen op welke manier de werkgever moet bewijzen dat de werknemer de opleiding heeft gevolgd en in welke opleidingscategorie specifieke bestaande opleidingen worden ingedeeld. In het vijfde lid is bepaald dat de werkgever zes maanden na inwerkingtreding van dit implementatiebesluit in ieder geval moet voldoen aan de opleidingsverplichting van artikel 4.30, eerste lid. In aansluiting hierop bepaalt het zesde lid dat de werkgever bij een vergunningaanvraag in de eerste zes maanden na de inwerkingtreding van dit implementatiebesluit nog niet de registratienummers voor de opleidingen van zijn werknemers hoeft mee te sturen. De werkgever krijgt zes maanden de tijd om aan de opleidingsverplichting te voldoen, en is daarom ook pas na zes maanden verplicht om de registratienummers aan te leveren. Dat betekent dat een werkgever die voor zijn bedrijf een vergunning aanvraagt in de eerste zes maanden na de inwerkingtreding een vergunning kan krijgen zonder te voldoen aan de eis van artikel 4.58, tweede lid, onderdeel a. Dit is dan een voorwaardelijke vergunning, want als de werkgever de registratienummers na zes maanden nog niet heeft aangeleverd, wordt de vergunning ingetrokken op grond van artikel 4.65, tweede lid, onderdeel a, eventueel voorafgegaan door een schorsing op grond van artikel 4.65, eerste lid.
Het zevende lid is toegevoegd voor personen die tijdens de eerste zes maanden na de inwerkingtreding van dit implementatiebesluit geen werkzaamheden met asbest uitvoeren, bijvoorbeeld omdat zij tijdelijk niet werken. Als alleen een werkgever opleidingen kan laten registreren die gevolgd zijn vóór de datum van inwerkingtreding, kan de situatie ontstaan dat een persoon die al opleidingen heeft gevolgd, deze opleidingen overnieuw moet doen als hij pas na de overgangstermijn weer werkzaamheden met asbest gaat uitvoeren. Om dat te voorkomen kan een persoon die tijdens de overgangsperiode geen werknemer is, of die wel werknemer is maar niet met asbest werkt, in de eerste zes maanden na de inwerkingtreding ook zelf een registratieverzoek indienen. De formulering van dit lid sluit niet uit dat een werknemer die wel met asbest werkt, een verzoek indient in plaats van zijn werkgever. In dat geval is het aan de werknemer om zijn werkgever hierover in te lichten.
Artikel 9.30
Nieuw artikel
Onder het oude recht was een inventarisatierapport 3 jaar geldig als het aansloot bij de actuele situatie en de geldende regelgeving. Door die laatste voorwaarde kan na de inwerkingtreding van dit implementatiebesluit twijfel ontstaan over de geldigheid van bestaande asbestinventarisatierapporten. De inventarisatierapporten ‘oude stijl’ voldoen weliswaar grotendeels aan de eisen die dit implementatiebesluit stelt aan inventarisatierapporten, maar er zijn ook veranderingen. Om twijfels over de geldigheid van het inventarisatierapport te voorkomen bepaalt artikel 9.30 dat alle inventarisatierapporten ‘oude stijl’ geldig blijven tot zes maanden na de inwerkingtreding van dit implementatiebesluit. Als de werkzaamheden na die zes maanden nog niet zijn afgerond, zullen ze dus moeten worden voortgezet met een inventarisatierapport of identificatiedocumenten op grond van de artikelen 4.48 en 4.49. Deze overgangsbepaling is niet beperkt tot werkzaamheden die zijn gestart vóór de datum van inwerkingtreding van dit implementatiebesluit. Werkzaamheden die na de inwerkingtreding starten, en waarvoor een inventarisatierapport was gemaakt op grond van het oude artikel 4.54a, mogen op grond van dat rapport worden uitgevoerd tot maximaal zes maanden na de inwerkingtreding, ook al voldoen ze niet volledig aan de nieuwe regels van dit implementatiebesluit.
Het tweede lid van artikel 9.30 gaat over de situatie waarin tijdens de overgangsperiode blijkt dat het inventarisatierapport niet al het asbest of alle asbesthoudende producten bevat. In dat geval moet het inventarisatierapport worden aangevuld met toepassing van het nieuwe artikel 4.48, vierde lid. Het inventarisatierapport ‘oude stijl’ kan dan op basis van het oude recht worden aangevuld. Artikel 4.49 is namelijk niet van overeenkomstige toepassing.
Artikel 9.31
Nieuw artikel
Artikel 9.31 bevat de standaardregel voor werkzaamheden die vóór de datum van inwerkingtreding van dit implementatiebesluit zijn gestart. Daarmee worden de daadwerkelijke werkzaamheden met asbest bedoeld. Die beginnen bij de praktische voorbereiding ter plaatse, zoals het plaatsen van een afzetting of het opzetten van een containment. Als alleen nog maar een arbomelding is gedaan of een werkplan is opgesteld moeten de werkzaamheden volgens de nieuwe regels worden uitgevoerd. Het kan dan bijvoorbeeld ook voorkomen dat een bestaand werkplan of een arbomelding – met inachtneming van artikel 9.30 – moet worden aangepast of vernieuwd als de werkzaamheden op of na de datum van inwerkingtreding van dit implementatiebesluit starten. Voor het inventarisatierapport geldt dit niet, op grond van artikel 9.30.
Er is voor gekozen om alle bepalingen uit de oude afdeling 5 van hoofdstuk 4 te blijven toepassen op lopende werkzaamheden, dus ook de bepalingen die zien op de fase voorafgaand aan de daadwerkelijke werkzaamheden. De vrijstellingen op de asbestinventarisatieplicht van het oude artikel 4.54b blijven bijvoorbeeld van toepassing, zodat aan een werkgever niet kan worden tegengeworpen dat hij geen asbestinventarisatie heeft laten uitvoeren, terwijl dat voor de datum van inwerkingtreding ook niet verplicht was. Vergelijkbare situaties kunnen onder andere ontstaan rondom de arbomelding en het werkplan.
Ook dit overgangsartikel bevat de beperking dat het maximaal zes maanden van kracht is. Als de werkzaamheden dan nog niet zijn afgerond, zullen die dus direct op grond van de nieuwe regels moeten worden uitgevoerd. Verder is dit artikel nadrukkelijk beperkt tot werkzaamheden die al gestart zijn op de datum van inwerkintreding van dit implementatiebesluit. Dat betekent dat dit artikel niet van toepassing is op werkzaamheden die op of na de datum van inwerkingtreding starten.
De overgangsartikelen 9.27 tot en met 9.30 overlappen deels met artikel 9.31, maar bieden ook overgangsregels die afwijken van de standaard van artikel 9.31. Daarom is aan het slot van artikel 9.31 toegevoegd dat dit artikel wordt toegepast met inachtneming van de artikelen 9.27 tot en met 9.30, om te onderstrepen dat artikel 9.31 niet in de weg staat aan de toepassing van de overige overgangsartikelen, of andersom.
Artikel 9.32
Technische wijziging
Artikel 9.32 is het voormalige artikel 9.39 van het Arbobesluit. In het artikel is de verwijzing naar de Europese Gemeenschap (‘EG’) vervangen door een verwijzing naar de Europese Unie (‘EU’). Dit is een louter technische wijziging.
ARTIKEL II (wijzigingen Asbestverwijderingsbesluit 2005)
Onderdeel A (artikel 1)
Op grond van artikel 4.48 van het Arbobesluit kan de aanwezigheid van asbest en asbesthoudende producten niet alleen meer met een asbestinventarisatie, maar ook met een documentonderzoek in kaart worden gebracht. Deze mogelijkheid is nu ook doorgevoerd in de relevante artikelen van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Omdat er nu in meerdere artikelen naar het nieuwe proces van identificatie van asbest en asbesthoudende producten wordt verwezen en de documentatie waarmee de aanwezigheid hiervan kan worden aangetoond, zijn aan artikel 1 twee begripsbepalingen toegevoegd, met daarin een verwijzing naar de relevante artikelen in het Arbobesluit.
In de begripsomschrijving van asbestinventarisatierapport is de verouderde verwijzing naar artikel 4.54a, derde lid, vervangen door een verwijzing naar het nieuwe artikel waarin het asbestinventarisatierapport wordt beschreven.
De begripsbepaling asbestinventarisatie heeft vanwege het nieuwe begrip asbestidentificatie geen doel meer en is daarom komen te vervallen.
Onderdeel B (paragraaf 2)
Het opschrift van paragraaf 2 is aangepast, omdat de aanwezigheid van asbest en asbesthoudende producten ook kan worden vastgesteld aan de hand van een documentonderzoek in plaats van slechts een asbestinventarisatie.
Onderdeel C (artikel 3)
De wijzigingen zijn doorgevoerd vanwege het nieuwe proces van asbestidentificatie. De tekst ‘, of’ in het eerste lid, onderdeel a, was niet in lijn met de Aanwijzingen voor de regelgeving en is daarom vervangen door ‘; of’. Dit geldt ook voor de komma aan het slot van het eerste lid, onderdeel b, die nu is vervangen door een puntkomma.
Onderdeel D (artikel 4)
In artikel 4 waren de situaties opgenomen waarin geen asbestinventarisatie hoefde te worden uitgevoerd. Deze uitzonderingen kwamen grotendeels overeen met de uitzonderingen in artikel 4.54b van het Arbobesluit. De uitzonderingen in artikel 4.54b zijn echter met dit besluit komen te vervallen, afgezien van de uitzondering voor werkzaamheden die worden uitgevoerd in of aan objecten, niet zijnde zeeschepen, die op of na 1 januari 1994 zijn gebouwd of vervaardigd.
Daarnaast bevat artikel 4, eerste lid, nu een generieke uitzondering op de asbestidentificatieplicht voor gevallen van spoedeisendheid en is de uitzondering voor asbestwegen in stand gebleven. Net als in artikel 4.48, zevende lid, onderdeel a, van het Arbobesluit, kan op de uitzondering voor spoedeisende gevallen alleen een beroep worden gedaan als het vanwege de spoedeisendheid niet mogelijk is om een asbestidentificatie uit te voeren. Bovendien zal degene die de handelingen verricht, alle materialen en producten waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij asbest zijn respectievelijk asbest of een asbesthoudend product bevatten, als zodanig moeten behandelen. Over de uitzondering voor asbestwegen is belangrijk om te vermelden dat die uitzondering niet is opgenomen in het Arbobesluit. Dat betekent dat de werkgever van het bedrijf dat een asbestweg (gedeeltelijk) verwijdert wel verplicht is om het asbest te identificeren of te inventariseren. De opdrachtgever blijft op grond van deze uitzondering echter vrijgesteld van die verplichting.
Het tweede lid van artikel 4 bevat uitzonderingen op de asbestidentificatieplicht voor particulieren. Deze uitzonderingen vallen samen met de werkzaamheden die particulieren zelf mogen verrichten en komen overeen met de bestaande uitzonderingen.
Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat de uitzondering in het tweede lid, onderdeel c, alleen ziet op vaartuigen die niet in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf worden gebruikt of bedoeld zijn voor gebruik in dat kader. Dit betekent dat een particulier op grond van deze uitzondering alleen uit een vaartuig als hiervoor bedoeld geschroefde, asbesthoudende platen waarin de asbestvezels hechtgebonden zijn, niet zijnde dakleien, asbesthoudende vloertegels en niet-gelijmde, asbesthoudende vloerbedekking mag verwijderen.
Onderdeel E (artikel 5)
Er kan op twee manieren worden aangetoond dat aan de plicht tot asbestidentificatie is voldaan: met asbestdocumentatie of, als er geen documentatie aanwezig is of deze onvoldoende is om aan de asbestidentificatieplicht te voldoen, een asbestinventarisatierapport. Artikel 5 is op dit punt aangevuld: als voor de asbestidentificatie kon worden volstaan met een documentonderzoek, dan rust op de opdrachtgever de plicht om de asbestdocumentatie te verstrekken aan degene die de handeling zal verrichten. Als het daarentegen nodig was om een asbestinventarisatie uit te laten voeren, dan zal de opdrachtgever, net als voorheen het geval was, het asbestinventarisatierapport moeten verstrekken.
Onderdeel F (artikel 6)
Artikel 6 bevatte de verplichting om werkzaamheden in risicoklasse 2 of 2A te laten verrichten door een gecertificeerd bedrijf. De risicoklassen zijn met dit besluit echter komen te vervallen. Daarnaast is de certificeringsplicht vervangen door een vergunningplicht en geldt de vergunningplicht voor alle werkzaamheden die worden genoemd in artikel 6, eerste lid, onderdelen a tot en met c. Om deze reden bepaalt artikel 6, eerste lid, nu dat het verboden is om de genoemde werkzaamheden te verrichten zonder vergunning als bedoeld in artikel 19a van de Arbowet. Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat het enkele bezit van een vergunning als zodanig niet voldoende is. De vergunning waarover het bedrijf beschikt zal hem ook het recht moeten geven om de betreffende werkzaamheden te verrichten.
Artikel 19a van de Arbowet, waarin de vergunningplicht is opgenomen, is een implementatie van artikel 15 van de Asbestrichtlijn, dat een vergunningplicht voorschrijft. Aangezien dit artikel geen uitzonderingen op de vergunningplicht toelaat, bevat ook artikel 6 geen uitzonderingen op de vergunningplicht.
Overigens is het voor bedrijven ook op grond van artikel 19a van de Arbowet al verboden om zonder vergunning de werkzaamheden uit te voeren die staan opgesomd in het eerste lid. Er is echter voor gekozen om het verbod ook in het Asbestverwijderingsbesluit 2005 op te nemen. De Omgevingsdiensten kunnen namelijk niet handhaven op de Arbeidsomstandighedenregelgeving, maar het is wel wenselijk dat zij kunnen optreden tegen een bedrijf dat handelt in strijd met de vergunningplicht als het gaat om het opruimen van asbest na een incident – in verband met de bevoegdheid van artikel 16 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Daarmee wordt de situatie zoals die bestond voor de inwerkingtreding van dit implementatiebesluit voortgezet, omdat het toenmalige verbod om te werken zonder procescertificaat ook al overlapte met de Arbeidsomstandighedenregelgeving. Een vergelijkbare bepaling voor bouwwerken is om dezelfde reden opgenomen in artikel 7.20 van het Bbl.
In artikel 6, tweede lid, zijn voor de duidelijkheid de werkzaamheden opgenomen die particulieren zelf mogen verrichten. Dit zijn de werkzaamheden, bedoeld in artikel 4, tweede lid. Wat betreft de werkzaamheden waarop het Asbestverwijderingsbesluit 2005 van toepassing is, zijn dit de enige asbestwerkzaamheden die particulieren zelf mogen verrichten.
Het derde lid van artikel 6 is gewijzigd. Dit lid bepaalt nog steeds dat het verbod uit het eerste lid ook geldt voor de opdrachtgever, maar de verbinding met de uitzonderingen in het tweede lid is vervallen omdat er geen uitzonderingen zijn op de vergunningplicht – zie ook de toelichting op het eerste lid.
Onderdeel G (artikel 9)
In artikel 9 zijn de oude verwijzingen naar de artikelen over de eindbeoordeling in het Arbobesluit vervangen door een verwijzing naar het nieuwe artikel waarin de eindbeoordeling is geregeld. Daarnaast is het artikel aangepast aan de nieuwe opzet van het eindbeoordelingsartikel in het Arbobesluit.
Tot slot is vanwege de stopzetting van het LAVS, de meldplicht in het oude artikel 9, derde lid, komen te vervallen.
Onderdeel H (artikel 16)
In artikel 16 is aan ‘burgemeester en wethouders’ de tekst ‘het college van’ toegevoegd, omdat dit de volledige, officiële naam van het bestuursorgaan is.
ARTIKEL III (wijzigingen Besluit bouwwerken leefomgeving)
Op sloopactiviteiten als bedoeld in de Omgevingswet is het Bbl van toepassing. Het gaat hierbij om werkzaamheden die bestaan uit het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen van een bouwwerk. Het slopen van objecten is dus geen sloopactiviteit die onder het Bbl valt deze zin. Als daarom bij de sloop van een object asbest wordt verwijderd, dan zijn hierop de regels uit het Asbestverwijderingsbesluit 2005 en niet het Bbl van toepassing.
De wijzigingen van het Bbl in dit artikel, zijn in essentie hetzelfde als de wijzigingen die met dit besluit zijn doorgevoerd in het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Hierna volgt per artikel een toelichting.
Onderdeel A (artikel 7.9)
De wijzigingen in artikel 7.9 zijn identiek aan de wijzigingen in de artikelen 3 en 4 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Voor een toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij de wijziging van die artikelen.
Onderdeel B (artikel 7.10)
In het vierde lid van artikel 7.10, vierde lid, onderdeel c, zijn uitzonderingen op de sloopmelding opgenomen. Deze uitzonderingen kwamen overeen met de situaties waarin geen melding hoefde te worden gedaan op grond van artikel 4.47c, vierde lid, van het Arbobesluit. Zoals eerder aangegeven, zijn deze uitzonderingen echter komen te vervallen. Wel zijn er andere uitzonderingen in de plaats gekomen voor de verplichting om gegevens en bescheiden te verstrekken. Deze uitzonderingen zijn nu opgenomen in artikel 7.10, vierde lid, onderdeel c, in plaats van de voorheen daarin opgenomen uitzonderingen.
Onderdeel C (artikel 7.11)
Het eerste lid, onderdeel g, is aangepast, omdat naast een asbestinventarisatie, de aanwezigheid van asbest en asbesthoudende producten nu ook kan worden vastgesteld middels een documentonderzoek.
Aan het eerste lid is daarnaast een onderdeel toegevoegd. Als bij de te verrichten sloopwerkzaamheden asbest wordt verwijderd en de sloopwerkzaamheden worden verricht door een bedrijf, dan moet bij de sloopmelding ook de naam en het vergunningnummer worden gevoegd van het bedrijf dat de werkzaamheden zal verrichten. De vergunning is in dit geval de vergunning die op grond van artikel 19a, eerste lid, van de Arbowet is vereist voor dergelijke sloopwerkzaamheden. Door het opnemen van de naam en het vergunningnummer in de sloopmelding kan er beter op worden toegezien dat het uitvoerende bedrijf beschikt over de hiervoor vereiste vergunning.
Het vierde lid, is komen te vervallen, omdat er geen risicoklasseindeling meer bestaat en het niet nodig is dat een sloopmelding voor sloopwerkzaamheden waarbij asbest is betrokken, altijd langs elektronische weg wordt gedaan.
Onderdeel D (artikel 7.12)
Aan artikel 7.12 is de verplichting toegevoegd om het bevoegd gezag te informeren over het resultaat van de eindbeoordeling. Dit ter vervanging van de plicht om bij werkzaamheden in risicoklassen 2 en 2A deze informatie op te nemen in het LAVS, die door de stopzetting van het LAVS is komen te vervallen. De nieuwe verplichting is opgenomen in een nieuw derde lid. Hierbij is het oude derde lid vernummerd tot het vierde lid en aangevuld met een verwijzing naar het nieuwe derde lid. Ook is het opschrift aangevuld om te verduidelijken dat het artikel ook ziet op het informeren over het resultaat van de eindbeoordeling.
Verder is aan het vierde lid (voorheen: derde lid) de verplichting toegevoegd om bij alle informatieplichten die in het artikel zijn opgenomen, het unieke nummer van de sloopmelding op te nemen. Het ‘unieke nummer’ van de sloopmelding is in dit geval het unieke nummer dat de Landelijke voorziening, bedoeld in artikel 20.21 van de Omgevingswet, heeft toegekend aan de sloopmelding. Is de sloopmelding niet via de Landelijke voorziening, maar schriftelijk ingediend, dan is het unieke nummer het nummer dat het bevoegd gezag heeft toegekend aan de ontvangen sloopmelding.
Onderdeel E (artikel 7.12a)
In artikel 7.12a waren verplichtingen opgenomen om bepaalde gebeurtenissen te registreren in het LAVS. Deze verplichtingen zijn met dit besluit komen te vervallen vanwege de stopzetting van het LAVS.
Onderdeel F (artikel 7.13)
De wijzigingen in dit onderdeel zijn hetzelfde als de wijzigingen die met onderdeel C van dit besluit zijn doorgevoerd in artikel 7.11, eerste lid, onderdeel g.
Onderdeel G (artikel 7.20)
De wijzigingen in artikel 7.20 komen overeen met de wijzigingen die zijn aangebracht in artikel 6 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Voor een toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij de wijzigingen van dat artikel.
Onderdeel H (artikel 7.22)
In artikel 7.22 zijn de oude verwijzingen naar de artikelen over de eindbeoordeling in het Arbobesluit vervangen door een verwijzing naar het nieuwe artikel waarin de eindbeoordeling is geregeld. Daarnaast is het artikel aangepast aan de nieuwe opzet van het eindbeoordelingsartikel in het Arbobesluit.
Onderdeel I (bijlage I)
In de begripsomschrijving van asbestinventarisatierapport wordt nu verwezen naar het nieuwe artikel in het Arbobesluit dat gaat over het rapport. Daarnaast is een nieuwe begripsbepaling voor het begrip ‘asbestdocumentatie’ toegevoegd, omdat dit begrip nu op meerdere plaatsen in het Bbl wordt gebruikt. Tot slot is de begripsbepaling van LAVS komen te vervallen, omdat het LAVS niet meer bestaat.
Artikel IV
Op het moment dat dit besluit in werking treedt, zullen de verplichtingen om te beschikken over de certificaten, bedoeld in artikel 4.54d, vijfde en zevende lid, van het Arbobesluit, ophouden te bestaan. De bedoelde certificaten zijn de persoonscertificaten voor de functie van deskundig toezichthouder asbest (DTV) en de deskundig asbestverwijderaar (DAV). Het vervallen van deze certificatieplichten brengt met zich mee dat de aanwijzing van certificerende instellingen die tot dan toe deze certificaten hebben verstrekt, geen betekenis meer heeft. In artikel IV is daarom bepaald dat deze aanwijzing van rechtswege komt te vervallen.
Artikel V
Zie voor een toelichting over de inwerkingtreding hoofdstuk 12 van de algemene toelichting.
Artikel VI
In het overgangsrecht voor de wijzigingen van het Arbobesluit wordt vaak verwezen naar de inwerkingtreding van dit implementatiebesluit. Als dan iedere keer opnieuw het volledige opschrift van dit implementatiebesluit moet worden ingevoegd, wordt het overgangsrecht moeilijker te lezen. Daarom is gekozen voor een citeertitel, waarmee dit besluit makkelijker kan worden aangeduid. Om de citeertitel zo kort en duidelijk mogelijk te houden is gekozen voor Implementatiebesluit richtlijn 2023/2668.
Bijlagen
Transponeringstabel bij de omzetting van Richtlijn (EU) 2023/2668 van het Europees Parlement en de Raad van 22 november 2023 tot wijziging van Richtlijn 2009/148/EG betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan asbest op het werk (PbEU L 2023/2668).
Afdeling 5 van hoofdstuk 4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit zoals die luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Implementatiebesluit richtlijn 2023/2668.
Bijlage A. Transponeringstabel bij de omzetting van Richtlijn (EU) 2023/2668 van het Europees Parlement en de Raad van 22 november 2023 tot wijziging van Richtlijn 2009/148/EG betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan asbest op het werk (PbEU L 2023/2668)
| Richtlijn (EU) 2023/2668 | Geïmplementeerd in | Nationale beleidsruimte | Toelichting op implementatiewijze |
|---|---|---|---|
| Artikel 1, punt 1 (doelstelling richtlijn) | Artikel 4.24, eerste lid (nieuw) van het Arbeidsomstandighedenbesluit. | Geen | Richtlijn 2004/37 is geïmplementeerd in afdeling 2 van hoofdstuk 4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Door de schakelbepaling van artikel 4.24 worden de implementaties van richtlijn 2004/37 en richtlijn 2009/148 in het Nederlands recht met elkaar verweven. Deze bepaling was eerder al geïmplementeerd in artikel 4.37a van het Arbeidsomstandighedenbesluit. |
| Artikel 1, punt 2 (toepassingsbereik asbest) | Artikel 4.23, onderdeel a (nieuw), van het Arbeidsomstandighedenbesluit. | Geen | Deze bepaling was eerder al geïmplementeerd in artikel 4.37, onderdeel a, van het Arbeidsomstandighedenbesluit. |
| Artikel 1, punt 3, a (toepassingsbereik werkzaamheden) | Artikel 4.2 (bestaand) en 4.17 (bestaand) van het Arbeidsomstandighedenbesluit. | Geen | |
| Artikel 1, punt 3, b (vrijstelling van meldplicht artikel 4) | Artikel 4.38, tweede lid, onderdeel b (nieuw), en derde lid (nieuw), van het Arbeidsomstandighedenbesluit. | Er is gebruik gemaakt van de mogelijkheid om uitzonderingen te maken op de meldplicht. | |
| Artikel 1, punt 4 (melding) | Artikel 4.36, eerste en vijfde lid (nieuw) van het Arbeidsomstandighedenbesluit. | Geen | |
| Artikel 1, punt 5 (beperking van blootstelling) |
|
Geen | Over afval: de Wijzigingsrichtlijn verwijst naar de Europese Kaderrichtlijn afvalstoffen (2008/98). Deze verwijzing is niet overgenomen. Via artikel 10.3 van de Wet Milieubeheer en het Circulair Materialenplan (specifiek: afvalplan asbesthoudend afval) is al bepaald dat de afvoer van asbestafval moet voldoen aan richtlijn 2008/98. |
| Artikel 1, punt 6, a (meting asbestvezels) | Artikel 4.41, eerste en vierde lid (nieuw), van het Arbeidsomstandighedenbesluit. | Geen | De regels over metingen zijn verder uitgewerkt in artikel 4.30 en bijlage XX bij de Arbeidsomstandighedenregeling. |
| Artikel 1, punt 6, b (duur van de monstername) | Artikel 4.41, vierde lid (nieuw) van het Arbeidsomstandighedenbesluit. | Geen | Deze bepaling was eerder al geïmplementeerd in artikel 4.47, zesde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit. |
| Artikel 1, punt 6, c (meting asbestvezels) | Artikel 4.41, zevende lid (nieuw) van het Arbeidsomstandighedenbesluit. | Geen | De toepassing van elektronenmicroscopie hoeft op grond van artikel 2, tweede lid, van de Wijzigingsrichtlijn, pas op 21 december 2029 te worden geïmplementeerd, maar in Nederland was de toepassing van elektronenmicrospie al gebruikelijk. |
| Artikel 1, punt 6, d (meting asbestvezels) | Artikel 4.23, onderdeel g (nieuw) van het Arbeidsomstandighedenbesluit | Nederland maakt geen gebruik van de mogelijkheid om een grenswaarde in te voeren waarbij vezels van minder dan 0,2 micrometer worden meegeteld. De tweede alinea van dit onderdeel is daarom voor Nederland niet van toepassing. | Deze bepaling was eerder al geïmplementeerd in artikel 4.37, onderdeel c, van het Arbeidsomstandighedenbesluit. |
| Artikel 1, punt 7 (grenswaarde) | Artikel 4.25 (nieuw) van het Arbeidsomstandighedenbesluit. | Nederland kiest voor de grenswaarde van 0,002 per cm3, omdat die al gold. | Deze bepaling was eerder al geïmplementeerd in artikel 4.46 van het Arbeidsomstandighedenbesluit. De verlaging van de grenswaarde naar 2.000 vezels per m3 hoeft op grond van artikel 2, tweede lid, van de Wijzigingsrichtlijn, pas op 21 december 2029 te worden geïmplementeerd, maar in Nederland gold deze grenswaarde al. |
| Artikel 1, punt 8, a (stillegging bij overschrijding grenswaarde) | Artikel 4.42, eerste en tweede lid (nieuw), en 4.43, eerste lid (nieuw), van het Arbeidsomstandighedenbesluit. | Geen | |
| Artikel 1, punt 8, b (individuele ademhalingsapparatuur) | Artikel 4.40, tweede lid, onderdeel a, en derde tot en met vijfde lid (nieuw), 4.43, derde lid (nieuw) van het Arbeidsomstandighedenbesluit. | Geen | |
| Artikel 1, punt 9 (asbestidentificatie) | Artikel 4.48 en 4.49 (nieuw) van het Arbeidsomstandighedenbesluit. | Geen | |
| Artikel 1, punt 10, a (maatregelen bij verwachte overschrijding grenswaarde) | Artikel 4.40, eerste lid (nieuw), van het Arbeidsomstandighedenbesluit. | Geen | Deze bepaling was eerder al geïmplementeerd in artikel 4.48a, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit. |
| Artikel 1, punt 10, b (persoonlijke beschermingsmiddelen bij verwachte overschrijding grenswaarde) | Artikel 4.40, tweede lid, onderdeel a (nieuw), van het Arbeidsomstandighedenbesluit. | Geen | Deze bepaling was eerder al geïmplementeerd in artikel 4.48a, tweede lid, onderdeel a, van het Arbeidsomstandighedenbesluit. |
| Artikel 1, punt 10, c (beschermingsmaatregelen) | Artikel 4.39, eerste lid, onderdeel b (nieuw), en 4.40, tweede lid, onderdeel c (nieuw), van het Arbeidsomstandighedenbesluit. | Geen | |
| Artikel 1, punt 11 (eindbeoordeling) | Artikel 4.55 (nieuw) van het Arbeidsomstandighedenbesluit. | Geen | Was eerder al geïmplementeerd in artikel 4.47b, 4.51a en 4.53c van het Arbeidsomstandighedenbesluit. De eindbeoordeling is verder uitgewerkt in artikel 4.35 tot en met 4.37 (nieuw) van de Arbeidsomstandighedenregeling. |
| Artikel 1, punt 12, a (opleiding) | Artikel 4.30, eerste lid, (nieuw) van het Arbeidsomstandighedenbesluit. | Geen | |
| Artikel 1, punt 12, b (opleiding) | Behoeft naar zijn aard geen implementatie. | Geen | |
| Artikel 1, punt 13 (vergunning) |
|
Geen |
|
| Artikel 1, punt 14 (arbeidsgezondheidskundig onderzoek) | Artikel 4.45 (nieuw) van het Arbeidsomstandighedenbesluit. | Geen | |
| Artikel 1, punt 15 (voorstellen aanvullende regelgeving) | Behoeft naar zijn aard geen implementatie. | Geen | |
| Artikel 1, punt 16, a en b (blootstellingsregister) | Artikel 4.46 (nieuw) en artikel 4.10c, vierde en vijfde lid (bestaand) van het Arbeidsomstandighedenbesluit. | Geen | |
| Artikel 1, punt 17 (registratie beroepsziekten) | Artikel 9, derde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet (bestaand), artikel 2.1a (bestaand) van het Arbeidsomstandighedenbesluit en artikel 1.11 (bestaand) van de Arbeidsomstandighedenregeling. | Geen | |
| Artikel 1, punt 18 (voorstel aanvullende regelgeving en steun aan werkgevers) | Behoeft naar zijn aard geen implementatie. | Geen | |
| Artikel 1, punt 19 (lijst beroepsziekten) | Behoeft geen implementatie. | Geen | Deze lijst met ziekten wordt in artikel 1, punt 17, een indicatieve lijst genoemd. Hier schuilt geen verplichting achter. |
| Artikel 1, punt 20 (toevoeging bijlage) | Behoeft naar zijn aard geen implementatie. | Geen | |
| Artikel 2, eerste lid (implementatieverplichtingen lidstaat) | Behoeft naar zijn aard geen implementatie. | Geen | |
| Artikel 2, tweede lid, eerste alinea (verschillende fases implementatie) | Behoeft naar zijn aard geen implementatie. | Geen | |
| Artikel 2, tweede lid, tweede alinea (aanvullende regel implementatie meetmethode) | Behoeft geen implementatie. | Geen | Deze alinea bepaalt overgangsrecht voor lidstaten waar elektronenmicroscopie nog niet algemeen gebruikt wordt. In Nederland is dit al wel de standaardmethode. Implementatie van deze alinea is daarom niet nodig. |
| Artikel 2, derde lid (verwijzing naar richtlijn bij implementatie) | Behoeft naar zijn aard geen implementatie. | Geen | |
| Artikel 2, vierde lid (notificatie) | Behoeft naar zijn aard geen implementatie. | Geen | |
| Artikel 3 (inwerkingtreding richtlijn) | Behoeft naar zijn aard geen implementatie. | Geen | |
| Artikel 4 (adressaat richtlijn) | Behoeft naar zijn aard geen implementatie. | Geen | |
| Bijlage (minimumvoorschriften voor opleiding) | Artikel 4.30, eerste tot en met vierde lid (nieuw), 4.32, eerste lid (nieuw) en 4.33, eerste lid (nieuw) van het Arbeidsomstandighedenbesluit. | De verplichtingen rondom de opleiding zijn verder uitgewerkt in artikel 4.30, vijfde tot en met zevende lid (nieuw), 4.31 (nieuw) en 4.32, tweede tot en met negende lid (nieuw) van het Arbeidsomstandighedenbesluit, en in artikel 4.22 tot en met 4.27 (nieuw) van de Arbeidsomstandighedenregeling. |
Bijlage B. Afdeling 5 van hoofdstuk 4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit zoals die luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Implementatiebesluit richtlijn 2023/2668.
[PM]
De Minister van Werk en Participatie,
A.A. Aartsen
Overheid.nl | Consultatie Wijziging Arbeidsomstandighedenwet in verband met een vergunningplicht voor bepaalde asbestwerkzaamheden↩︎
Asbest: Risico’s van milieu- en beroepsmatige blootstelling | Advies | Gezondheidsraad↩︎
Kamerstuk 25834, nr. 197↩︎
Kamerstuk 25883, nr. 527↩︎
Kamerstukken 25834, nrs. 132 en 150↩︎
Kamerstuk 25834, nr. 130↩︎
Kamerstuk 25834, nr. 189↩︎
Kamerstuk 25834, nr. 194↩︎
Kamerstuk 25834, nr. 196↩︎
Programmarapportage Asbest, Nederlandse Arbeidsinspectie, januari 2025↩︎
Deze niet-asbestgerelateerde Arbo-overtredingen worden buiten beschouwing gelaten voor de vergunningverlening.↩︎
Brief aan de Tweede Kamer van 30 oktober 2023 (Kamerstuk 25883, nr. 477)↩︎
Verantwoordingsonderzoek Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV), Rapport bij het Jaarverslag 2023, zoals vastgesteld op 6 mei 2024, Brief aan de Tweede Kamer van 15 mei 2024 (Kamerstuk 36560XV, nr. 2)↩︎
Namelijk 2000 vezels in 8 uur-tijdgewogen gemiddelde (8-uur t.g.g.) versus 100.000 vezels 8-uur t.g.g..↩︎
Van 100.000 vezels/m3 acht-uur tijdgewogen gemiddelde (hierna t.g.g.) naar 10.000 vezels/m3 acht-uur t.g.g.↩︎
naar 2000 vezels/m3 8 uur t.g.g. of, tenzij dunne vezels worden meegeteld en de grenswaarde 10.000 vezels/m3 8 uur t.g.g. blijft.↩︎
Zie het Arbeidsveiligheidsbesluit IV Caribisch Nederland.↩︎
Zie o.a. HvJ EG 23 april 1991, ECLI:EU:C:1991:161 en HvJ EG 16 maart 2004, ECLI:EU:C:2004:150.↩︎
Spaan S, Tromp P, Schinkel J. Aanknopingspunten voor differentiatie in risico's van werkzaamheden met asbest ten behoeve van beheersregimes. TNO-rapport TNO 2019 R11239, 5 september 2019. Brief aan de Tweede Kamer van 7 oktober 2019, Kamerstuk 25834-164.↩︎
Er waren wettelijke persoonscertificaten voor deskundige asbestverwijderaars (DAV-1/DAV-2) en deskundige toezichthouder asbest (DTA). De schemabeheerder voor deze certificaten was de stichting Ascert.↩︎
Het kan voorkomen dat een werknemer na het afronden van een opleiding die een werkgever hem heeft aangeboden, overstapt naar een andere werkgever. In dat geval hoeft de werknemer, mits hij voor zijn nieuwe werkgever dezelfde werkzaamheden verricht als waar hij eerder voor is opgeleid, niet opnieuw een opleiding te volgen.↩︎
Lijst van vragen en antwoorden over Aanbieding van het rapport Resultaten verantwoordingsonderzoek 2023 bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 560 XV, nr. 6.↩︎
Kamerstuk 25834, nr. 150, Beleidsreactie onderzoek functioneren asbeststelsel↩︎
Richtlijn 2004/37 en afdeling 1 en 2 van het Arbobesluit↩︎
RIVM Kennisnotitie: Gendergevoeligheid voor het ontwikkelen van mesothelioom door asbestblootstelling↩︎
Advies van de Gezondheidsraad Asbest. Risico’s van milieu- en beroepsmatige blootstelling. Brief aan de Tweede Kamer 12 juli 2010, Kamerstuk nr. 25834, nr. 56.↩︎
NEN 2991, bijlage A (informatief) Overzicht van de meest toegepaste asbesthoudende producten↩︎
Beoordeling van de risico’s van bodemverontreiniging met asbest↩︎
Staatsblad 2004, 522, Nota van toelichting, hoofdstuk 2.↩︎
Kamerstuk 25834, nr. 150 | Overheid.nl > Officiële bekendmakingen↩︎
Herkomst vrijstellingen asbestinventarisatieverplichtingen | Rapport | Arboportaal↩︎
https://www.bronnenboek.nl/↩︎
https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019316¶graaf=2&artikel=4&z=2024-08-01&g=2024-08-01↩︎
Franken R, Schinkel J, Spaan S. Validation and Recalibration of the Asbestos Removal Exposure Assessment Tool (AREAT). Ann Work Expo Health 2023; 67 (5): 650-662. doi: 10.1093/annweh/wxad010.↩︎
Opzet en resultaten van experimenteel onderzoek met asbesthoudend materiaal (asbestcement golfplaten, pakkingen en amosietplaat) (TNO, 2021).↩︎
De totale concentratie asbestvezels die vrijkomt tijdens een sanering↩︎
Besluit van 7 juli 2006 tot wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit houdende regels met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan de risico’s van asbest (implementatie van wijzigingsrichtlijn nr. 2003/18/EG)↩︎
Kamerstuk 25834 nr. 170↩︎
Kamerstuk 25833, nr. 501↩︎
Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie↩︎
Zie o.a. HvJ EG 30 november 1995, ECLI:EU:C:1995:411, HvJ EG 3 oktober 2000, ECLI:EU:C:2000:527 en HvJ EU 1 juni
2010, ECLI:EU:C:2010:300.↩︎
Kamerstukken II 2025/26, 36843, nr. 3.↩︎
Kamerstukken II 2025/26, 36843, nr. 3.↩︎
Zie o.a. Kamerstukken II, 2019/20, 25834, nr. 169, p. 3.↩︎
https://www.kcbr.nl/beleid-en-regelgeving-ontwikkelen/beleidskompas/4-wat-zijn-de-gevolgen-van-de-geschetste-opties/41-verplichte-toetsenwijzer↩︎
“Implementatie van de nieuwe richtlijn asbest, Markt- en impactanalyse”, projectnummer 11397, Zoetermeer 13-3-2026, versie 1.1.↩︎
Richtlijn 2004/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan carcinogene of mutagene agentia op het werk (zesde bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid l, van Richtlijn 89/391/EEG van de Raad).↩︎