[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Concept Wijziging Arbeidsomstandighedenregeling

Bijlage

Nummer: 2026D16726, datum: 2026-04-09, bijgewerkt: 2026-04-09 13:41, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Bijlage bij: Implementatie asbestrichtlijn (2026D16724)

Preview document (🔗 origineel)


Gelet op Richtlijn (EU) 2023/2668 van het Europees Parlement en de Raad van 22 november 2023 tot wijziging van Richtlijn 2009/148/EG betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan asbest op het werk (PbEU L 2023/2668), artikel 19a, derde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet en de artikelen 1.5b, vierde lid, 1.5d, vijfde lid, 1.5f, tweede lid, 4.24, derde lid, 4.30, achtste lid, 4.32, tweede lid, onderdeel d, en derde lid, 4.33, tweede lid, 4.34, zesde lid, 4.36, onderdeel a, 4.40, zesde lid, 4.41, negende lid, 4.48, achtste lid, 4.51, tweede, vierde, zesde en zevende lid, 4.55, zevende lid, 4.56, tweede lid, 4.57, tweede lid, onderdeel a, derde lid, onderdeel a, en vierde tot en met zesde lid, 4.58, tweede lid, onderdeel b, 4.59, tweede lid, 4.62, derde lid, 4.66, eerste en vijfde lid, 9.9b, eerste lid, onderdeel i, 9.10c, 9.24, derde lid, en 9.29, derde en vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit;

Besluit:

Artikel I

De Arbeidsomstandighedenregeling wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 1.1 wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

c. asbestverontreiniging: aanwezig asbest of asbeststof dat niet te herleiden is tot een toepassing van asbest.

B

In artikel 1.9b, eerste lid, onderdeel b, vervalt ‘4.54d, vijfde en zevende lid,’.

C

Na paragraaf 4.4b wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

Paragraaf 4.5. Bijzondere voorschriften asbest

Artikel 4.21. Wijze van vaststellen asbestconcentraties in producten

De concentraties serpentijnasbest en amfiboolasbest, bedoeld in artikel 4.24, tweede lid, van het besluit, worden op de volgende manier vastgesteld:

  1. volgens de wijze die bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit is voorgeschreven, voor zover het gaat om bouwstoffen, grond, baggerspecie, bodem of waterbodem als bedoeld in dat besluit;

  2. volgens NEN 5896:[PM], voor zover het gaat om andere materialen dan die bedoeld in onderdeel a.

Artikel 4.22. Categorisering opleidingen

  1. De volgende categorieën opleidingen als bedoeld in artikel 4.30 van het besluit worden onderscheiden:

    1. Basisopleiding asbest, voor alle werknemers voor wie de verplichting uit artikel 4.30, eerste lid, van het besluit geldt;

    2. Asbestverwijdering beperkt, voor werknemers die werkzaamheden uitvoeren waarvoor een vergunning asbestverwijdering beperkt als bedoeld in artikel 4.57, eerste lid, onderdeel a, van het besluit is vereist en waarin naast de vereisten uit artikel 4.30 van het besluit ten minste aandacht wordt besteed aan de volgende onderwerpen:

  1. kennis van basisprincipes asbestverwijdering;

  2. werken volgens een erkende werkmethode;

  3. toepassen van eenvoudige beheersmaatregelen;

  4. veilig achterlaten en reinigen van de werkplek;

  5. visuele inspectie.

    1. Asbestverwijdering basis, voor werknemers die werkzaamheden uitvoeren waarvoor een vergunning asbestverwijdering basis als bedoeld in artikel 4.57, eerste lid, onderdeel b, van het besluit is vereist en waarin naast de vereisten uit artikel 4.30 van het besluit ten minste aandacht wordt besteed aan de onderwerpen in onderdeel b en de volgende onderwerpen:

      1. kennis over en uitvoeren van asbestverwijderingen;

      2. werkwijzen waarmee zoveel mogelijk het verspreiden van asbest in de lucht wordt beperkt;

      3. inrichten en bewaken werkgebied;

      4. analyseren en anticiperen op risico’s tijdens sanering;

    2. Asbestverwijdering uitgebreid, voor werknemers die werkzaamheden uitvoeren waarvoor een vergunning asbestverwijdering uitgebreid als bedoeld in artikel 4.57, eerste lid, onderdeel c, van het besluit is vereist en waarin naast de vereisten uit artikel 4.30 van het besluit ten minste aandacht wordt besteed aan de onderwerpen in de onderdelen b en c, en de volgende onderwerpen:

      1. kennis over en uitvoeren van specialistische verwijdering van risicovolle niet-hechtgebonden asbesttoepassingen;

      2. toepassen van complexe beheersmaatregelen;

    3. Containment, voor werknemers die werken met een containment en waarin ten minste aandacht wordt besteed aan praktijkvaardigheden om te werken in containment, waaronder in ieder geval opbouw en inrichting, het in bedrijf hebben, schoonmaken en ontmantelen hiervan.

    4. Inventarisatie, voor werknemers die asbestinventarisaties als bedoeld in artikel 4.49, eerste lid, van het besluit uitvoeren en waarin naast de vereisten uit artikel 4.30 van het besluit ten minste aandacht wordt besteed aan de volgende onderwerpen:

      1. uitvoeren van asbestinventarisaties;

      2. uitgebreide kennis over toepassingen van asbest en het kunnen herkennen hiervan;

      3. kennis over NEN 2991:2024;

      4. monstername en risicobeoordeling;

      5. opstellen inventarisatierapport;

      6. adviseren over risico’s en saneringsnoodzaak;

    5. Eindbeoordeling, voor werknemers die eindbeoordelingen als bedoeld in artikel 4.55, vierde en vijfde lid, van het besluit uitvoeren en waarin naast de vereisten uit artikel 4.30 van het besluit ten minste aandacht wordt besteed aan de volgende onderwerpen:

      1. visuele inspectie na sanering;

      2. uitvoeren en interpreteren van luchtmetingen;

      3. kennis over NEN 2990:2020+C1:2020+A1:2025;

      4. advisering over vervolgacties;

      5. rapportage conform NEN 2990:2020+C1:2020+A1:2025.

    6. Toezichthouden, voor werknemers die publiek toezicht of audits uitvoeren op asbestwerkzaamheden en waarin naast de vereisten uit artikel 4.30 van het besluit ten minste aandacht wordt besteed aan de volgende onderwerpen:

      1. kennis over uitvoering van inventarisatie, asbestverwijdering & eindbeoordeling, afvoer afvalstoffen;

      2. kennis over juist toepassen van beheersmaatregelen;

      3. risico-afwegingen maken, ook over de eigen veiligheid.

  1. Opleidingen als bedoeld in artikel 4.30 van het besluit zijn ingedeeld in een van de categorieën, bedoeld in het eerste lid, en voldoen, onverminderd de overige bij of krachtens artikel 4.30 van het besluit gestelde eisen, aan de eisen die de categorie waar de opleiding in is ingedeeld, aan de opleiding stelt.

  2. De categorie waarin de opleiding is ingedeeld maakt onderdeel uit van de informatie over de inhoud van de opleiding die in het Register gezond en veilig werken met asbest wordt geregistreerd op grond van artikel 4.33, eerste lid, onderdeel d, van het besluit.

  3. In aanvulling op het derde lid, maken bij opleidingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, de werkzaamheden waarvoor is opgeleid ook onderdeel uit van de informatie, bedoeld in het derde lid.

Artikel 4.23. Nadere eisen opleiding

  1. Een regelmatige tussenpoos als bedoeld in artikel 4.30, tweede lid, van het besluit duurt niet langer dan drie jaar, te rekenen vanaf de datum van afronding van de opleiding.

  2. De opleiding wordt gegeven door een instructeur die heeft aangetoond te beschikken over:

    1. voldoende didactische vaardigheden;

    2. de inhoudelijke kennis over zowel theorie als praktijk die is vereist voor de door hem te geven opleiding; en

    3. aantoonbare kennis van de nationale regelgeving over het gezond en veilig werken met asbest.

  3. Opleidingen die zijn ingedeeld in de categorieën, bedoeld in artikel 4.22, eerste lid, onderdelen c tot en met h, worden afgesloten met een examen dat door de minister is vastgesteld.

  4. De examens, bedoeld in het derde lid, worden afgenomen door een onafhankelijke examinator die aantoonbaar:

    1. kennis heeft van het onderwerp waarop het examen betrekking heeft; en

    2. bekwaam is in het afnemen van examens.

Artikel 4.24. Machinisten bij asbestverwijdering

  1. Een persoon die werkzaam is als machinist en in die hoedanigheid werkzaamheden verricht als bedoeld in artikel 4.50 van het besluit, mag deze werkzaamheden verrichten met een basisopleiding asbest als bedoeld in artikel 4.22, eerste lid, onderdeel a, indien hij werkzaam is onder begeleiding van een persoon met een afgeronde opleiding die is ingedeeld in de categorie, bedoeld in artikel 4.22, eerste lid, onderdeel c of d.

  2. Een persoon, bedoeld in het eerste lid, voldoet, in aanvulling op het eerste lid, aan de volgende eisen:

    1. hij werkt in een machine met een gesloten cabine die voorzien is van een in werking zijnde filteroverdrukinstallatie met klimaatregelingsinstallatie;

    2. hij vermijdt breuk van asbesthoudend materiaal zoveel mogelijk door een zorgvuldige uitvoering van werkzaamheden;

    3. er is geen sprake van werkzaamheden in containment.

  3. Aanvullend op de basisopleiding is de persoon, bedoeld in het eerste lid, aantoonbaar geĂŻnstrueerd over:

    1. de werking van de filteroverdrukinstallatie de dagelijkse controle daarvan;

    2. de procedures inzake:

      1. het betreden en verlaten van het werkgebied, inclusief de visuele inspectie van de gebruikte machine, en;

      2. de handelwijze in geval van nood, bij storing of uitvallen van de machine.

Artikel 4.25. Organisatorische verplichtingen opleiders

Een erkende opleider als bedoeld in artikel 4.32 van het besluit voldoet aan de volgende organisatorische verplichtingen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, van dat artikel:

  1. de opleider beschikt over een kwaliteitsplan, waarin is opgenomen met welke methoden de klanttevredenheid wordt vastgesteld, hoe de aansluiting met het werkveld wordt geborgd en welke maatregelen worden genomen wanneer er afwijkingen van de gestelde normen worden vastgesteld;

  2. de opleider beschikt over algemene voorwaarden of een reglement waarin de rechten en plichten van de deelnemers zijn vastgelegd en waarin een klachtenreglement is opgenomen;

  3. [PM verwerking persoonsgegevens].

Artikel 4.26. Documenten erkenningsaanvraag opleider

De aanvraag om erkenning, bedoeld in artikel 4.32, tweede lid, van het besluit, gaat vergezeld van:

  1. een uittreksel uit het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007;

  2. een beleidsplan waarin de kernpunten op de onderwijsvisie en op beleid worden toegelicht;

  3. een opleidingsplan van de relevante opleidingen dat per opleiding ten minste een beschrijving bevat van:

    1. de inhoud en duur van de opleiding;

    2. de leerdoelen, gekozen werkvormen en leeromgeving van de opleiding, voorzien van een onderbouwing;

    3. de categorie opleiding als bedoeld in artikel 4.22;

  4. een overzicht en de curricula vitae van de bij de opleiding betrokken instructeurs;

  5. een verklaring waarin de aanvrager aangeeft dat de aangeleverde informatie juist is en dat de opleiding zal worden uitgevoerd in overeenstemming met het besluit en deze regeling.

Artikel 4.27. Nadere regels van rechtswege erkende opleiders

[PM]

Artikel 4.28. Aanvullend te raadplegen informatie Register gezond en veilig werken met asbest

[PM]

Artikel 4.29. Aanwijzing werkzaamheden volgens erkende werkmethode

1. Als werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.40, zesde lid, van het besluit worden aangewezen het verwijderen en bewerken van asbest of asbesthoudende producten volgens een van de volgende erkende werkmethoden:

  1. Verwijderen van rioleringselementen met asbesthoudende voegenkit, versie 1.0;

  2. Verwijderen van asbesthoudende tegellijm met Fibercover, versie 1.0;

  3. Verwijderen van asbesthoudende afstandhouders met Batteryspray, versie 1.0;

  4. Verwijderen van asbesthoudende flenspakkingen met Batteryspray, versie 1.0;

  5. Verwijderen van asbesthoudende stopbuspakkingen met Batteryspray, versie 1.0;

  6. Verwijderen van asbestcement wand- en gevelplaat en asbestcement vlakke plaat met FiberCover, versie 1.0;

  7. Protocol sanering asbesthoudende beglazingskit onder risicoklasse 1;

  8. Verwijderen van leidingen met een asbesthoudende bitumen coating, versie 1.0.

2. De erkende werkmethoden, bedoeld in het eerste lid, zijn gepubliceerd op www.vipasbest.nl/gevalideerde-werkwijzen.

Artikel 4.30. Nadere regels luchtmetingen tijdens werkzaamheden met asbest

1. Het meten tijdens werkzaamheden met asbest als bedoeld in artikel 4.41 van het besluit, wordt uitgevoerd volgens NEN 2939:2021 nl en het meetkader dat is opgenomen in bijlage XX bij deze regeling.

2. Een persoon beschikt over de vereiste deskundigheid, bedoeld in artikel 4.41, vijfde lid, van het besluit, indien deze voldoende is getraind en ervaring heeft opgedaan met arbeidshygiënische strategieën en meettechnieken om monsters op een adequate manier te kunnen nemen volgens de vereiste methoden.

3. Een laboratorium is adequaat toegerust en heeft de vereiste identificatietechnieken als bedoeld in artikel 4.41, zesde lid, van het besluit, indien het laboratorium is geaccrediteerd door de Raad voor Accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025:2012. .

Artikel 4.31. Nadere eisen asbestdocumentatie

[PM]

Artikel 4.32. Aanwijzing beoordelingsinstrument en meetmethode

1. In dit artikel wordt verstaan onder SMART-ns: de Stoffen Manager Asbest Risicotechniek-nieuwe stijl.

2. Als beoordelingsinstrument als bedoeld in artikel 4.51, tweede lid, onderdeel a, van het besluit wordt aangewezen: SMART-ns.

3. SMART-ns is beschikbaar op www.smartasbest.nl.

4. SMART-ns wordt beheerd onder verantwoordelijkheid van de minister.

5. Als meetmethode als bedoeld in artikel 4.51, tweede lid, onderdeel b, van het besluit wordt NEN 2939:2021 nl aangewezen.

Artikel 4.33. Verstrekken meetgegevens

1. De meetgegevens, bedoeld in artikel 4.51, vijfde lid, van het besluit, zijn op de werkplek aanwezig en kunnen aan de toezichthouder beschikbaar worden gesteld op een manier waarop de relatie tussen de meetgegevens en de werkzaamheden die op de arbeidsplaats verricht worden, inzichtelijk is.

2. De meetgegevens, bedoeld in artikel 4.51, vijfde lid, van het besluit, worden ingevoerd in SMART-ns.

Artikel 4.34. Uitzondering vaststelling blootstelling vanwege erkende werkmethode

Als erkende werkmethoden als bedoeld in artikel 4.51, zevende lid, van het besluit, worden de erkende werkmethoden, bedoeld in artikel 4.29, aangewezen.

Artikel 4.35. Nadere regels eindbeoordeling

1. De eindbeoordeling, bedoeld in artikel 4.55, vierde en vijfde lid, van het besluit, wordt uitgevoerd door een inspectie-instelling die hiervoor door de Raad voor Accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17020:2012 geaccrediteerd is.

2. De inspectie-instelling voert de eindbeoordeling uit volgens
NEN 2990:2020+C1:2020+A1:2025 nl.

3. De inspectie-instelling voert de eindbeoordeling onafhankelijk uit van het bedrijf dat de asbestverwijdering heeft verricht.

4. De inspectie-instelling stelt vast of de saneringslocatie na afloop veilig kan worden betreden volgens de eisen van NEN 2990:2020+C1:2020+A1:2025 nl.

5. Bij de visuele inspectie door de werkgever, bedoeld in artikel 4.55, derde lid, van het besluit, wordt vastgesteld dat er geen asbest meer visueel waarneembaar is. Hiervoor worden in ieder geval alle oppervlakken geĂŻnspecteerd die mogelijk met asbest zijn verontreinigd en wordt bekeken of alle stof uit de naden en kieren is verdwenen.

6. Een eindbeoordeling als bedoeld in artikel 4.55, vijfde lid, van het besluit, leidt tot afkeur indien:

  1. met het blote oog visueel waarneembaar asbest aanwezig is, waarbij tevens wordt bekeken of alle stof uit de naden en kieren is verdwenen;

  2. het resultaat van de luchtmeting op basis van de bovengrens van het 95% betrouwbaarheidsinterval is dat:

  1. de concentratie amfibole en chrysotiel asbestvezels gezamenlijk hoger is dan 2.000, bepaald met elektronenmicroscopie; of

  2. de concentratie chrysotiele asbestvezels hoger is dan 10.000 vezels per m3, bepaald met fasecontrastmicroscopie;

  1. het analyseresultaat van de kleefmonsters, bepaald met elektronenmicroscopie, hoger is dan 100 asbeststructuren/cm2, tenzij sprake is van een slecht reinigbaar ruw of poreus oppervlak en voor zover uit het werkplan blijkt dat het verwijderen van asbest uit het betreffende oppervlak niet valt onder de reikwijdte van de werkzaamheden.

Artikel 4.36. Uitzonderingen eindbeoordeling

  1. De visuele inspectie, bedoeld in artikel 4.55, vierde lid, van het besluit, kan worden uitgevoerd door de werkgever als gebruik wordt gemaakt van een erkende werkmethode als bedoeld in artikel 4.29.

  2. Het uitvoeren van een luchtmeting als bedoeld in artikel 4.55, vijfde lid van het besluit, kan achterwege blijven in het geval van verwijderingswerkzaamheden waarbij voortdurend tussen de asbesttoepassing en de werknemer een niet betreedbare afscheiding aanwezig is waarmee het asbest lekvrij omsloten wordt.

  3. Het uitvoeren van een luchtmeting als bedoeld in artikel 4.55, vijfde lid, van het besluit, kan in het geval van verwijderingswerkzaamheden als bedoeld in artikel 4.57, derde lid, aanhef en onderdeel a, van het besluit achterwege blijven, indien met een van de volgende middelen is aangetoond dat de totale taakblootstelling over de meest risicovolle dag lager is dan 10.000 vezels per m3:

  1. de blootstellingsschatting die volgt uit SMART-ns;

  2. een luchtmeting tijdens de werkzaamheden met asbest die representatief is voor de taakblootstelling.

    1. In aanvulling op het tweede lid kan het uitvoeren van een luchtmeting als bedoeld in artikel 4.55, vijfde lid, van het besluit, in het geval van verwijderingswerkzaamheden als bedoeld in artikel 4.57, derde lid, aanhef en onderdeel a, van het besluit, ook achterwege blijven als gebruik wordt gemaakt van een erkende werkmethode als bedoeld in artikel 4.29.

    2. Het derde lid, aanhef en onderdeel b, is ook van toepassing in het geval van verwijderingswerkzaamheden als bedoeld in artikel 4.57, vierde lid, van het besluit.

    3. Indien een luchtmeting als bedoeld in artikel 4.55, vijfde lid, van het besluit, achterwege blijft op grond van het tweede of derde lid, zorgt de werkgever ervoor dat dit wordt gemotiveerd in het eindbeoordelingsrapport.

    4. Indien een luchtmeting als bedoeld in artikel 4.55, vijfde lid, van het besluit, achterwege blijft op grond van het derde lid, aanhef en onderdeel b, of het vijfde lid, zorgt de werkgever ervoor dat de resultaten van de luchtmeting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, in het eindbeoordelingsrapport zijn opgenomen en dat het bedrijf dat het eindbeoordelingsrapport opstelt de resultaten van de luchtmeting heeft ingezien.

Artikel 4.37. Te melden resultaten eindbeoordeling

[PM]

D

De artikelen 4.26 tot en met 4.28 in paragraaf 4.6 worden vernummerd tot de artikelen 4.38 tot en met 4.40.

E

De artikelen 4.29 en 4.29a in paragraaf 4.6 en bijlage XIIIg vervallen.

F

Artikel 4.38 (nieuw) komt te luiden:

Artikel 4.38. Begripsbepaling asbestcertificatieschema

In deze paragraaf wordt onder certificatieschema voor de procescertificaten verstaan: Certificatieschema voor de Procescertificaten Asbestinventarisatie en Asbestverwijdering {pm juiste titel?}, dat in overeenstemming met de minister is vastgesteld door de Stichting Ascert op {pm datum} en door de minister is gepubliceerd in de Staatscourant van {pm datum} (Stcrt. {pm nummer}).

G

Artikel 4.39 (nieuw) wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt ‘artikel 4.54a, vierde lid,’ vervangen door ‘artikel 4.49, eerste lid, onderdeel a,’.

2. In onderdeel b wordt ‘artikel 4.54d, eerste lid, van het besluit’ vervangen door ‘artikel 4.42, tweede lid, onderdeel a, en derde lid’.

3. De onderdelen c en d vervallen, onder vervanging van de puntkomma aan het slot van onderdeel b door een punt.

H

Artikel 4.40 (nieuw) komt te luiden:

Artikel 4.40. Eisen voor aanwijzing als certificerende instelling in het werkveld asbest

Een instelling kan worden aangewezen als certificerende instelling, belast met de afgifte van certificaten als bedoeld in artikel 4.42, tweede lid, onderdeel a, en derde lid of als certificerende instelling als bedoeld in artikel 4.49, eerste lid, onderdeel a, van het besluit, indien de instelling voldoet aan de toepasselijke criteria, vastgelegd in het certificatieschema voor de procescertificaten.

G

Paragraaf 4.7 komt te luiden:

Paragraaf 4.7. Aanvullende regels vergunning asbestverwijdering

Artikel 4.41. Aanwijzing asbest en asbesthoudende producten

  1. Als asbest en asbesthoudende producten als bedoeld in artikel 4.57, tweede lid, onderdeel a, van het besluit worden aangewezen:

    1. in kunststof gebonden asbesthoudende producten, voor zover niet gelijmd;

    2. elastische asbesthoudende producten;

    3. asbesthoudend imitatiemarmer of imitatienatuursteen, voor zover niet gelijmd;

    4. vensterbanken, losliggend of gelijmd;

    5. een kleinschalig asbestcementproduct voor zover dit losligt of geklemd bevestigd is, niet verweerd is en de lengte van de te verwijderen toepassing maximaal een meter is;

    6. losliggende hechtgebonden asbesthoudende voorwerpen die in zijn geheel worden verwijderd;

    7. geheel omsloten asbestproducten of asbestproducten die geheel omsloten te maken zijn en die in zijn geheel worden verwijderd;

    8. meszekeringen of mespatronen;

    9. asbestverontreiniging en restanten afkomstig van een asbesthoudend product als bedoeld in dit lid.

  2. Als asbest en asbesthoudende producten als bedoeld in artikel 4.57, derde lid, onderdeel a, van het besluit worden aangewezen:

    1. asbestcementproducten;

    2. geweven of geperste asbesthoudende producten;

    3. asbesthoudende lijm;

    4. asbesthoudende coating, al dan niet bestaande uit bitumen;

    5. gelijmde asbesthoudende producten, voor zover deze producten zijn bedoeld in het eerste en tweede lid, met uitzondering van vensterbanken;

    6. asbestverontreiniging en restanten afkomstig van een asbesthoudend product als bedoeld in dit lid.

  3. Als asbest en asbesthoudende producten als bedoeld in artikel 4.57, vierde lid van het besluit worden aangewezen:

    1. licht-gebonden asbesthoudende producten;

    2. niet-gebonden asbesthoudende producten;

    3. asbesthoudend doek;

    4. asbestverontreiniging en restanten afkomstig van een asbesthoudend product als bedoeld in dit lid of een asbestverontreiniging en restanten die niet te herleiden zijn tot een specifieke asbesttoepassing;

    5. asbestverontreiniging en restanten als gevolg van een calamiteit, waaronder mede wordt verstaan brand, storm en hagelschade.

  4. Indien een asbesthoudend product onder meerdere aanwijzingen valt, wordt uitgegaan van de hoogste aanwijzing die op het product van toepassing is.

Artikel 4.42. Aanwijzing documenten vergunningaanvraag

1. De aanvraag voor een vergunning asbestverwijdering beperkt als bedoeld in artikel 4.57, eerste lid, onderdeel a, van het besluit gaat vergezeld van een ander bewijs van naleving als bedoeld in artikel 4.58, tweede lid, onderdeel b, van het besluit dat bestaat uit:

  1. een erkende werkmethode als bedoeld in artikel 4.29 en een schriftelijke en ondertekende verklaring van de aanvrager dat deze de werkzaamheden overeenkomstig deze erkende werkmethode zal uitvoeren en waaruit blijkt op welke wijze dit wordt geborgd, indien de vergunningaanvraag ziet op werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.57, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, niet zijnde werkzaamheden met asbesthoudende producten als bedoeld in artikel 4.41, eerste lid, onderdelen e, f en g;

  2. een schriftelijke en ondertekende verklaring van de aanvrager dat deze zal handelen in overeenstemming met artikel 7 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 dan wel artikel 7.21 van het Besluit bouwwerken leefomgeving en de geldende regelgeving met betrekking tot asbestafval, indien de vergunningaanvraag ziet op werkzaamheden met asbesthoudende producten als bedoeld in artikel 4.41, eerste lid, onderdelen e, f en g;

  3. een schriftelijke en ondertekende verklaring van de aanvrager dat deze de werkzaamheden overeenkomstig CROW-publicatie 400 'Werken in en met verontreinigde bodem’ van 6 november 2023 inclusief erratum van september 2024 zal uitvoeren en waaruit blijkt op welke wijze dit wordt geborgd, indien de vergunningaanvraag ziet op werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.57, tweede lid, onderdelen b of c, van het besluit.

2. De aanvraag voor een vergunning asbestverwijdering basis als bedoeld in artikel 4.57, eerste lid, onderdeel b, van het besluit gaat vergezeld van:

  1. het certificaat asbestverwijdering als bedoeld in artikel 4.39, onderdeel b, indien de vergunningaanvraag ziet op werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.57, derde lid, onderdeel a, van het besluit;

  2. de erkenning die op grond van het bepaalde bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit is vereist voor het verrichten van de betreffende werkzaamheden, indien de vergunningaanvraag ziet op werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.57, derde lid, onderdelen b, c of d, van het besluit.

3. De aanvraag voor een vergunning asbestverwijdering uitgebreid als bedoeld in artikel 4.57, eerste lid, onderdeel c, van het besluit die ziet op werkzaamheden als bedoeld in het vierde lid van dat artikel, gaat vergezeld van het certificaat asbestverwijdering als bedoeld in artikel 4.39, onderdeel b, met de scope uitgebreid.

4. Als erkenning als bedoeld in artikel 4.57, vijfde lid, van het besluit, wordt de erkenning, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, aangewezen.

5. De aanvraag voor een Aval-vergunning als bedoeld in artikel 4.57, eerste lid, onderdeel e, van het besluit, gaat vergezeld van de vergunning die is afgegeven in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte.

Artikel 4.43. Wijze van verstrekken toezichtsinformatie

[PM]

Artikel 4.44. Startvergunning

1. Een startvergunning wordt van rechtswege verleend, indien is voldaan aan de hiervoor geldende eisen in het certificatieschema, bedoeld in artikel 4.38, of in de beoordelingsrichtlijnen SIKB 7000 of 7500, bedoeld in bijlage C van de Regeling bodemkwaliteit 2022, voor de in dat schema respectievelijk die beoordelingsrichtlijnen opgenomen werkzaamheden.

2. Indien een startvergunning van rechtswege is verleend, stelt de instelling bij wie het verzoek om een certificaat of erkenning aanhangig is, de rechthebbende hier zo spoedig mogelijk schriftelijk van op de hoogte.

Artikel 4.45. Nadere regels voorschriften

In het overzicht, bedoeld in artikel 4.62, tweede lid, onderdeel d, van het besluit wordt in ieder geval opgenomen:

  1. de namen en unieke registratienummers als bedoeld in artikel 4.34, eerste lid, onderdeel a, van het besluit, van de werknemers die, ten opzichte van de vergunningaanvraag dan wel het voorgaande jaarlijkse overzicht, de vergunde werkzaamheden zijn gaan verrichten en van de werknemers die niet langer de vergunde werkzaamheden verrichten;

  2. een aanduiding van de werknemers die nieuwe opleidingen of onderwijsactiviteiten als bedoeld in artikel 4.30 respectievelijk 4.31 van het besluit hebben gevolgd ten opzichte van de vergunningaanvraag dan wel het voorgaande jaarlijkse overzicht.

Artikel 4.46. Openbaarmaking vergunning

  1. Tegelijkertijd met de verlening, wijziging of actualisering van een vergunning maakt de minister de gegevens, genoemd in artikel 19a, derde lid, van de wet, openbaar via [PM].

  2. Tegelijkertijd met een schorsing of intrekking van een vergunning, of op de dag nadat een vergunning is verlopen, stopt de minister de openbaarmaking.

  3. In afwijking van het eerste lid, wordt in het geval van een startvergunning de kennisgeving, bedoeld in artikel 4.44, tweede lid, voor eenieder ter inzage gelegd bij de instelling die deze kennisgeving heeft verstuurd.

J

Paragraaf 4.8a wordt vernummerd tot paragraaf 4.9 en de artikelen 4.32a tot en met 4.32h worden vernummerd tot de artikelen 4.47 tot en met 4.54.

K

In artikel 4.52 (nieuw), eerste lid, wordt ‘een personenauto, een bestelauto, een motorrijwiel, een autobus of een kampeerauto als bedoeld in artikel 2, onder b, c, d, e onderscheidenlijk g, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994’ vervangen door ‘een personenauto als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, een motorrijtuig als bedoeld in artikel 23a of een bestelauto, een motorrijwiel of een autobus als bedoeld in artikel 2, onderdeel c, d, onderscheidenlijk e van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994’ en wordt ‘artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wet goederenvervoer over de weg’ vervangen door ‘artikel 1.1 van de Wet wegvervoer goederen’.

L

In artikel 4.54 (nieuw) wordt ‘de artikelen 4.32a vierde tot en met zesde lid, 4.32b, tweede tot en met vierde lid, 4.32c, tweede en derde lid, 4.32d, tweede lid, 4.32e, derde lid, 4.32f, vierde lid en 4.32g, derde lid,’ vervangen door ‘de artikelen 4.47, vierde tot en met zesde lid, 4.48, tweede tot en met vierde lid, 4.49, tweede en derde lid, 4.50, tweede lid, 4.51, derde lid, 4.52, vierde lid, en 4.53, derde lid,’.

M

Aan artikel 8.10 wordt een lid toegevoegd, luidende:

8. Onverminderd het zesde lid, worden bij werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.27, eerste lid, van het besluit op de plaatsen die toegang bieden tot de gevarenzone, bedoeld in de artikelen 4.11, onderdeel g in samenhang met 4.27, tweede lid, van het besluit, waarschuwingsborden aangebracht met daarop de aanduiding dat er sprake is van asbestgevaar en, indien de grenswaarde, bedoeld in artikel 4.25 van het besluit, bij het verrichten van de werkzaamheden naar verwachting zal worden overschreden, de aanduiding dat een overschrijding van de grenswaarde kan worden verwacht. Artikel 4.38, tweede en derde lid, van het besluit, is van overeenkomstige toepassing, mits de grenswaarde bij het verrichten van de werkzaamheden naar verwachting niet zal worden overschreden.

N

Aan artikel 8.27 wordt een lid toegevoegd, luidende:

3. Bij werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.27, eerste lid, van het besluit wordt de gevarenzone, bedoeld in de artikelen 4.11, onderdeel g in samenhang met 4.27, tweede lid, afgezet met gebruikmaking van een geel afzetlint met daarop de aanduiding dat er sprake is van asbestgevaar en, indien nodig, aanvullende maatregelen. Artikel 4.38, tweede en derde lid, van het besluit, is van overeenkomstige toepassing.

O

In artikel 8.29a wordt voor ’5.1 tot en met 5.3’ ingevoegd ‘4.22 tot en met 4.24, 4.30, 4.33, 4.35, eerste, derde, vijfde en zesde lid,’.

P

Artikel 8.29c wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel b, komen de subonderdelen 48° tot en met 60° te luiden:

48°. de artikelen 4.26, 4.29 en 4.30, eerste tot en met vierde lid;

49°. artikel 4.37, eerste en derde lid;

50°. de artikelen 4.41, eerste lid en 4.43, vierde lid;

51°. artikel 4.41, vierde en vijfde lid;

52°. de artikelen 4.48, eerste tot en met vijfde lid, en 4.49;

53°. artikel 4.51, eerste tot en met derde lid;

54°. Artikel 4.52, eerste tot en met zesde lid;

55°. artikel 4.55, eerste en tweede lid;

56°. Artikel 4.55, derde tot en met vijfde lid;

57°. artikel 4.69, eerste en tweede lid;

58°. artikel 4.70, eerste en tweede lid;

59°. artikel 4.71, eerste en derde lid;

60°. artikel 4.73, eerste en derde lid;

2. In onderdeel c worden, onder vervanging van ‘; en’ in subonderdeel 11 door een puntkomma en onder vernummering van subonderdeel 12 tot 14, twee nieuwe subonderdelen ingevoegd, luidende:

12°. artikel 4.24, eerste en derde lid;

13°. artikel 4.35, eerste en derde lid;

3. Aan onderdeel c wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van subonderdeel 14 door ‘; en’, een subonderdeel toegevoegd, luidende:

15°. artikel 8.10, achtste lid, en 8.27, derde lid;

Q

Artikel 9.3 komt te luiden:

Artikel 9.3. Overgangsbepaling registratie opleidingen

1. De volgende documenten worden meegestuurd met een verzoek op grond van artikel 9.29, eerste lid, van het besluit:

a. in het geval van een opleiding in de categorie, bedoeld in artikel 4.22, eerste lid, onderdelen a en b: een verklaring waarin staat welke opleiding de werknemer heeft gevolgd en aan welke van de in artikel 4.22 benoemde eisen de opleiding voldoet;

b. in het geval van een opleiding in de categorie, bedoeld in artikel 4.22, eerste lid, onderdelen c tot en met h: een opleidingscertificaat waaruit blijkt aan welke van de in artikel 4.22 benoemde eisen de opleiding voldoet.

2. Als het verzoek gaat over een opleiding die geen praktijkgedeelte kent en de werknemer of voormalige werknemer vóór de datum van inwerkingtreding van het Implementatiebesluit richtlijn 2023/2668 minstens één keer zelfstandig werkzaamheden heeft uitgevoerd die passen bij de categorie, bedoeld in artikel 4.22, waarin de opleiding valt, mag dit worden geregistreerd als het praktijkgedeelte, bedoeld in artikel 4.30, derde lid, van het besluit.

3. In aanvulling op het eerste en tweede lid:

a. wordt een geldig persoonscertificaat ‘deskundig asbest acceptant’ als bedoeld in het Certificatieschema voor het Ascert certificaat Deskundig Asbest Acceptant, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Implementatiebesluit richtlijn 2023/2668, geregistreerd in de categorie, bedoeld in artikel 4.22, eerste lid, onderdeel a;

b. wordt een geldig persoonscertificaat als bedoeld in artikel 4.54d, vijfde of zevende lid van het besluit, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Implementatiebesluit richtlijn 2023/2668, geregistreerd in de categorieën bedoeld in artikel 4.22, eerste lid, onderdelen d en e;

c. worden een geldig certificaat ‘Eindbeoordelaar Asbestlaboratoria; Basiskennis en visuele inspectie van de Eindbeoordeling’ en een geldig certificaat ‘Eindbeoordelaar Asbestlaboratoria; Luchtmetingen van de Eindbeoordeling’ als bedoeld in het handboek examinering eindbeoordelaars asbestlaboratoria, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkintreding van het Implementatiebesluit richtlijn 2023/2668, geregistreerd in de categorie, bedoeld in artikel 4.22, eerste lid, onderdeel f;

d. wordt een geldig persoonscertificaat ‘deskundig inventariseerder asbest’ als bedoeld in het Certificatieschema voor het Persoonscertificaat Deskundig Inventariseerder Asbest van de stichting Ascert, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Implementatiebesluit richtlijn 2023/2668, geregistreerd in de categorie bedoeld in artikel 4.22, eerste lid, onderdeel g;

e. worden een geldig persoonscertificaat ‘vakbekwaam inventariseerder asbest niveau 1’ of een geldig persoonscertificaat ‘vakbewaam inventariseerder asbest niveau 2’ als bedoeld in het certificatieschema Basiscertificaat Certificatie-Instrument ‘Vakbekwaam Inventariseerder Asbest Niveau 1’ en ‘Vakbekwaam Inventariseerder Asbest Niveau 2’ van dNaa, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkintreding van het Implementatiebesluit richtlijn 2023/2668, geregistreerd in de categorie bedoeld in artikel 4.22, eerste lid, onderdeel g;

f. wordt een geldig persoonscertificaat asbestdeskundige als bedoeld in het Certificatieschema voor het Persoonscertificaat Asbestdeskundige van de stichting Ascert, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkintreding van het Implementatiebesluit richtlijn 2023/2668, geregistreerd in de categorie, bedoeld in artikel 4.22, eerste lid, onderdeel h.

R

In onderdeel B2 van bijlage XIII komt de regel voor asbest te luiden:

Asbest, zie artikel 4.25 van het Arbeidsomstandighedenbesluit

S

In het opschrift van bijlage XIV wordt ‘artikel 4.32a’ vervangen door ‘artikel 4.47’.

T

In het opschrift van bijlage XV wordt ‘artikel 4.32f’ vervangen door ‘artikel 4.52’.

U

Aan de bijlagen wordt een nieuwe bijlage toegevoegd, luidende:

Bijlage XX. behorend bij artikel 4.30

[PM]

Artikel II

De Aanwijzingsregeling toezichthoudende ambtenaren en ambtenaren met specifieke uitvoeringstaken op grond van SZW wetgeving wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1.2, derde lid, onderdeel b, wordt na ‘1.5b, derde lid,’ ingevoegd ‘2.1b, tweede lid, 2.1c, 2.1d, eerste lid, 2.1e, eerste lid,’, wordt ‘4.47c, eerste lid,’ vervangen door ‘4.37, eerste lid, 4.53, eerste lid, 4.56, eerste lid,’ en vervalt ‘4.50, zesde lid, 4.54a, zesde lid, 4.54d, negende lid,’

B

In de artikelen 3.4, tweede lid, onderdeel b, 3.5, tweede lid, onderdeel b, 3.6, tweede lid, onderdeel b en 3.6a, tweede lid, onderdeel b, wordt ‘artikel 4.47c, eerste lid’ vervangen door ‘de artikelen 2.1b, tweede lid, 2.1c, 2.1d, eerste lid, 2.1e, eerste lid, 4.37, eerste lid, 4.53, eerste lid, en 4.56, eerste lid’.

C

In artikel 7.2, derde lid, onderdeel b, wordt ‘4.47c, eerste lid,’ vervangen door ‘2.1b, tweede lid, 2.1c, 2.1d, eerste lid, 2.1e, eerste lid, 4.37, eerste lid, 4.53, eerste lid, 4.56, eerste lid,’.

Artikel III

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het Implementatiebesluit richtlijn 2023/2668 in werking treedt.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Werk en Participatie,

A.A. Aartsen

Toelichting

Algemeen

Een aantal artikelen moet nog worden ingevuld. Bij deze artikelen staat nu nog de aanduiding [PM]. Ook zullen nog artikelen over de adviescommissie VIP worden opgenomen. Tot slot zullen in verschillende artikelen nog verwijzingen naar andere regelgeving worden verduidelijkt of aangevuld.

  1. Aanleiding en hoofdlijnen

Met het Implementatiebesluit richtlijn 2023/2668 zijn de regels in het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: Arbobesluit) over de bescherming van werknemers tegen blootstelling aan asbest, gewijzigd. Deze wijzigingen maken onderdeel uit van de implementatie van Richtlijn (EU) 2023/266 en zijn beschreven en toegelicht in de toelichting van het betreffende besluit. Deze wijzigingen hebben deels ook gevolgen voor de Arbeidsomstandighedenregeling (hierna: Arboregeling).

Allereerst worden er nadere voorschriften opgenomen voor de vergunningplicht die op grond van de Arbeidsomstandighedenwet geldt voor asbestsloop- en verwijderingswerkzaamheden. Deze voorschriften zijn een verdere uitwerking van de invulling die in het Arbobesluit aan de vergunningplicht is gegeven. In het Arbobesluit is aangegeven dat er een differentiatie binnen de vergunningplicht wordt aangebracht. Deze differentiatie is gebaseerd op de blootstellingspotentie van asbesttoepassingen. In de Arboregeling is uitgewerkt welke asbesttoepassingen onder de in het Arbobesluit benoemde categorieën zijn ingedeeld. Tevens zijn de vergunningvoorschriften nader ingevuld, onder andere welk bewijs van naleving vereist is bij het aanvragen van een vergunning. Ook wordt er invulling gegeven aan een zogenaamde startvergunning, waarmee partijen in de gelegenheid worden gesteld een procescertificaat te verkrijgen. Vervolgens kunnen ze hiermee de definitieve vergunning aanvragen. Met deze wijziging van de Arboregeling is daarnaast invulling gegeven aan de verplichting in artikel 19a, derde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet om op bij ministeriële regeling te bepalen momenten en op de in die regeling te bepalen wijze bepaalde gegevens openbaar te maken over bedrijven waaraan een vergunning is verleend.

In de tweede plaats is verder uitgewerkt op grond van welke criteria opleiders kunnen worden erkend, welke documenten hiervoor moeten worden aangeleverd en zijn nadere eisen opgenomen waaraan opleidingen voor bepaalde beroepsgroepen moeten voldoen. Er wordt hierbij een categorie-indeling gebruikt voor de opleidingen, te weten: startopleiding asbest, asbestverwijdering beperkt, basis en uitgebreid, inventarisatie, eindbeoordeling en toezichthouden. De eerder ingestelde uitzondering voor machinisten die in een gesloten cabine werken is overgenomen en vertaald naar de nieuwe regelgeving.

In de derde plaats gaat het om de aanwijzing van het nieuwe beoordelingsinstrument SMART-ns. Zoals in de nota van toelichting bij het bovengenoemd besluit nader is toegelicht, zorgt dit elektronische instrument voor een realistischere vaststelling van het blootstellingsniveau en geeft op een overzichtelijke manier aan op welke manier een asbestverwijderaar aan de verplichtingen uit het Arbobesluit kan voldoen en geeft het informatie over maatregelen waarmee kan worden voldaan aan de verplichting om de blootstelling zoveel mogelijk te beperken.

Ten vierde zijn er nadere voorschriften opgenomen voor de eindbeoordeling. Naast bepalingen over wie de eindbeoordeling moet doen, zijn nu ook bepalingen opgenomen hoe de eindbeoordeling moet worden uitgevoerd.

In deze Arboregeling zijn op hoofdlijnen de volgende inhoudelijke aanpassingen opgenomen:

  1. er worden aanvullende regels gesteld aan de vergunning die benodigd is voor asbestverwijdering;

  2. er wordt een artikel opgenomen waarin wordt bepaald welke asbesttoepassingen in welke vergunningcategorie worden ingedeeld;

  3. er worden nadere eisen gesteld aan de opleiding, de erkenningsaanvraag van de opleider en het Register gezond en veilig werken met asbest wordt nader geduid;

  4. er wordt een overgangsbepaling voor opleidingen opgenomen;

  5. er worden eisen gesteld aan het uitvoeren van luchtmetingen tijdens werkzaamheden met asbest;

  6. er wordt een verwijzing opgenomen naar een meetkader dat invulling geeft aan het uitvoeren van tussentijdse metingen tijdens asbestverwijderingswerkzaamheden (deze volgt op een later moment);

  7. er wordt een artikel opgenomen waarin het beoordelingsinstrument voor vaststelling van het blootstellingsniveau wordt aangewezen. Hiervoor wordt aangewezen het instrument SMART- ns (SMART-nieuwe stijl);

  8. er wordt een artikel ingevoegd waarin nader wordt aangegeven op welke wijze meetgegevens aan de toezichthouder beschikbaar moeten worden gesteld;

  9. er worden erkende werkmethoden opgenomen;

  10. er worden nadere voorschriften aan de eindbeoordeling opgenomen, waarbij naar genormaliseerde methoden wordt verwezen en waarbij criteria voor het afkeuren worden gesteld;

  11. er wordt vastgelegd in welke gevallen bij de eindbeoordeling van een luchtmeting kan worden afgezien;

  12. er wordt verwezen naar de meest actuele versie van de certificatieschema’s voor Procescertificaten Asbestinventarisatie en Asbestverwijdering en de verwijzing naar de Persoonscertificaten komt te vervallen;

  1. Vergunningaanvraag

2.1. Bewijs van naleving

In artikel 4.42 wordt vastgelegd welke documenten als bewijs van naleving dienen te worden overhandigd bij de vergunningaanvraag. Voor de vergunning beperkt zal het gaan om een erkende werkmethode zoals aangewezen in artikel 4.29 inclusief een eigen verklaring hoe geborgd wordt dat die werkmethode goed gevolgd wordt binnen het bedrijf. Voor bodemwerkzaamheden die kunnen worden gedaan met de vergunning beperkt is het bewijs van naleving een verklaring dat wordt gewerkt volgens de CROW-publicatie 400. Voor de vergunning basis en uitgebreid wordt een procescertificaat zoals bedoeld in artikel 4.38 vereist als bewijs van naleving. De scope van het procescertificaat hangt af van de aangevraagde vergunning. In de categorie basis is een lichter procescertificaat vereist dan in de categorie uitgebreid. In de categorie basis is een extra onderdeel met containment optioneel. Voor bodemwerkzaamheden waar een vergunning basis voor nodig is, is het bewijs van naleving de erkenning die door de minister van IenW is verleend in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. Voor bedrijven die in een andere lidstaat beschikken over een vergunning is een vergunningaanvraag in Nederland verplicht. Als bewijs van naleving wordt de vergunning van de andere lidstaat gevraagd.

  1. Startvergunning

Voor het verkrijgen van een procescertificaat is het nodig een aantal proefsaneringen uit te voeren. Indien wordt voldaan aan de geldende eisen in het certificatieschema wordt op dat moment van rechtswege voldaan aan de vereiste vergunningplicht. Deze zogenoemde startvergunning is voor een beperkte periode en een beperkt aantal saneringen. Het aanvragen van een vergunning bij het verkrijgen van een procescertificaat is alsnog vereist. De startvergunning vervalt automatisch indien het procescertificaat wordt verleend of afgewezen.

  1. Indeling in vergunningcategorieën

Artikel 4.41 geeft aan hoe differentiatie wordt aangebracht binnen de asbestproducten op basis van de (hoofdproduct)groepen, zoals beschreven in de toelichting bij artikel 4.57 van het Arbobesluit.

In het TNO-rapport, zoals genoemd in de toelichting bij het besluit, zijn asbestproducten ingedeeld in verschillende hoofdproductgroepen, gebaseerd op onder andere de mate van hechtgebondenheid, de samenstelling van het materiaal en de emissie-/blootstellingspotentie. Bij de indeling van de asbestproducten is uitgegaan van het potentiële risico. Dit is het risico dat kan ontstaan als een asbestproduct op een reguliere wijze wordt verwijderd, wat wil zeggen: niet heel ruw waardoor veel stof wordt gevormd, maar ook weer niet met bijzondere maatregelen om de verspreiding van asbest tegen te gaan. Aan de ene kant kan dit risico dus worden verhoogd als wel zeer ruw te werk te wordt gegaan, bijvoorbeeld door het onnodig veroorzaken van veel breuk. In theorie kan dan met elk asbestproduct een hoge blootstelling ontstaan en het is daarom niet redelijk om van dat uiterste uit te gaan. Aan de andere kant kan het daadwerkelijke risico worden verlaagd door het treffen van technische maatregelen om de blootstelling te verlagen. Om de blootstelling te minimaliseren zijn dergelijke maatregelen verplicht. Wanneer de juiste maatregelen goed worden uitgevoerd, zal de werkelijke blootstelling (aanzienlijk) lager kunnen zijn dan het potentiële blootstellingsrisico. Daarvoor is bepalend dat de maatregelen daadwerkelijk goed worden uitgevoerd. Naarmate het potentiële blootstellingsrisico hoger is, is het van groter belang om de juiste uitvoering van benodigde maatregelen te borgen. Wanneer deze maatregelen niet goed worden uitgevoerd, kan immers alsnog blootstelling op het niveau van het potentiële blootstellingsrisico ontstaan. Daarom wordt met de differentiatie in asbestproducten beoogd dat naarmate het potentiële blootstellingsrisico hoger is, een hoger niveau van borging van de juiste uitvoering van maatregelen wordt vereist. Hiermee wordt de gezondheid en veiligheid van betrokken werknemers en omstanders op een goede manier geborgd.

In eerste instantie is de hoofdproductgroep bepalend voor de indeling van asbestproducten. Er zijn echter ook asbestproducten anders ingedeeld, bijvoorbeeld omdat beschikbare resultaten van blootstellingsmetingen erop wijzen dat het potentiële blootstellingsrisico hoger of juist lager is dan op grond van de hoofdproductgroep mag worden verwacht. Ook als asbest goed gebonden is, zoals in lijm, kunnen toch veel asbestvezels vrijkomen bij het verwijderen als onherroepelijk een intensieve bewerking nodig is om het asbestproduct volledig te kunnen verwijderen.

Omdat de hoofdproductgroepen in algemene zin omschreven zijn, zal in het algemeen bij elke asbesttoepassing duidelijk zijn onder welke hoofdproductgroep zij valt, ook indien een specifieke toepassing niet is genoemd. Alle asbestproducten vallen onder een van de hoofdproductgroepen die in het TNO-rapport worden genoemd. Met de inventarisatie van de feitelijke situatie kan de inventariseerder bepalen onder welke hoofdproductgroep een toepassing valt. Daarnaast zal het instrument SMART-ns bij het invoeren van een bron aanduiden in welke categorie deze valt.

De term ‘asbestproduct’ refereert hier aan een product in de oorspronkelijke vorm. Die blijft onveranderd, ook na eventuele verwering. Bijvoorbeeld platen van asbestcement zijn van oorsprong hechtgebonden en blijven onder de categorie hechtgebonden toepassingen vallen, ook als daar door verwering geen sprake meer van is. Dat betekent ook dat restanten door de inventariseerder ingedeeld moeten worden onder de categorie van de oorspronkelijke toepassing. In vrijwel alle gevallen is bij de asbestinventarisatie vast te stellen wat de oorspronkelijke toepassing is geweest.

Categorie beperkt

In het eerste lid van artikel 4.41 worden de asbestproducten genoemd waarbij de blootstellingspotentie beperkt is. De hoofdproductgroepen die vallen in de categorie beperkt zijn:

  1. In kunststof gebonden asbesthoudende producten

  2. Elastische asbesthoudende producten

Onder deze hoofdproductgroepen vallen in ieder geval de volgende voorbeelden van asbestproducten:

  • Bakeliet;

  • Stalen gevelplaten met een kunststof coating;

  • Vinyltegels (losliggend);

  • Kit, zoals voor beglazing en dilataties (maar geen fitterskit);

  • Bitumen dakbedekking (losliggend).

Bij de asbestproducten in de categorie beperkt mag er, ondanks enige veroudering die in enige mate door de jaren heen zal zijn opgetreden, van uit worden gegaan dat het asbest goed gebonden is. Daardoor ontstaan bij het verwijderen geen hoge concentraties asbest in de lucht en blijven deze concentraties waarschijnlijk onder de grenswaarde. Omdat bedrijven die kunnen volstaan met een vergunning beperkt geen gespecialiseerde asbestverwijderingsbedrijven zullen zijn, wordt ervan uitgegaan dat het verwijderen van deze asbesttoepassingen niet continu wordt uitgevoerd maar hooguit een deel uitmaakt van de werkzaamheden en dan op een werkdag waar dit zich voordoet ook andere werkzaamheden worden verricht. Dit is van belang bij het toetsen van de mate van blootstelling aan de grenswaarde, omdat dan de duur van de werkzaamheden moet worden beschouwd en moet worden berekend als een tijdgewogen gemiddelde over 8 uur.

Onder de elastische asbesthoudende producten zou ook asbesthoudende lijm kunnen vallen, hoewel afhankelijk van veroudering de elasticiteit sterk kan zijn afgenomen. Bovendien zijn niet alle lijmen elastisch, zoals bijvoorbeeld bepaalde soorten tegellijm op cementbasis. Asbesthoudende lijm is ingedeeld in de categorie basis en daarmee is het niet meer van belang of een asbesthoudende lijm elastisch is of was. Reden voor indeling in de categorie basis is dat voor de verwijdering van lijm veelal intensieve (hoogenergetische) methoden nodig zijn en een hoge blootstelling wordt verwacht. Om dezelfde reden zijn gelijmde producten ook niet ingedeeld in de categorie beperkt, maar in de categorie basis. Overweging daarbij is dat een gelijmd asbesthoudend product sterk zal beschadigen bij het losmaken, bijvoorbeeld een vinyltegel. Daardoor wordt een hogere blootstelling verwacht, ook als de gebruikte lijm zelf niet asbesthoudend is.

Naast deze hoofdproductgroepen is een aantal andere asbesttoepassingen omschreven die in de categorie beperkt vallen.

  1. Asbesthoudende imitatiemarmer of imitatienatuursteen, voor zover niet gelijmd;

  2. Vensterbanken (losliggend of gelijmd);

  3. Kleinschalige asbestcementtoepassingen voor zover deze losliggen of geklemd bevestigd zijn, niet verweerd zijn en de lengte van de te verwijderen toepassing maximaal een meter is;

  4. Losliggende hechtgebonden asbesthoudende voorwerpen die in zijn geheel worden verwijderd;

  5. Geheel omsloten of omsloten te maken asbesttoepassingen die in zijn geheel worden verwijderd;

  6. Meszekeringen of mespatronen;

  7. Asbestverontreiniging en restanten, voor zover deze afkomstig zijn van een asbesthoudend product dat is ingedeeld in de categorie beperkt.

Asbesthoudende imitatiemarmer of imitatienatuursteen

Imitatiemarmer en imitatienatuursteen zijn twee begrippen die hoofdzakelijk hetzelfde product betreffen, aangezien marmer ook een soort natuursteen is. Asbesthoudende toepassingen van imitatiemarmer of imitatienatuursteen kunnen een kunsthars of cement als bindmiddel hebben. Als het bindmiddel kunsthars is, valt het in de hoofdproductgroep in kunststof gebonden. Met cement als bindmiddel zou het onder de hoofdproductgroep asbestcement kunnen vallen. In beide gevallen is bij het verwijderen van niet-gelijmde toepassingen sprake van een beperkt potentieel blootstellingsrisico. Als het bindmiddel kunsthars is, is de toepassing al ingedeeld in de categorie beperkt onder de hoofdproductgroep in kunststof gebonden asbesthoudende toepassingen. Als cement het bindmiddel is, dan zouden deze toepassingen onder de hoofdproductgroep asbestcement vallen in de categorie basis. Door deze toepassingen apart te benoemen, is duidelijk gemaakt dat deze ongeacht het bindmiddel in de categorie beperkt zijn ingedeeld.

Asbestleien zouden als imitatie van het natuursteenproduct natuurleien kunnen worden gezien als imitatienatuursteen, maar asbestleien zijn als asbestcementproduct ingedeeld in de categorie basis. Zij vallen niet onder de kleinschalige asbestcementtoepassingen. Doordat asbestleien vaak gespijkerd zijn, is het risico op breuk en daarmee de verspreiding van asbestvezels zodanig dat indeling in de categorie basis gepast is.

Asbesthoudende vensterbanken

Asbesthoudende vensterbanken zijn in een aantal gevallen imitatiemarmer of imitatienatuursteen, maar hebben niet altijd het uiterlijk van marmer natuursteen. Voor vensterbanken geldt in afwijking van andere toepassingen dat ook gelijmde vensterbanken in de categorie beperkt zijn ingedeeld, omdat uit blootstellingsdata blijkt dat de blootstelling ongeacht de wijze van bevestiging beperkt is. Gelijmd imitatiemarmer of imitatienatuursteen is ingedeeld als gelijmde toepassingen in de categorie basis, omdat het om veel grotere toepassingen kan gaan dan vensterbanken. Bijvoorbeeld als dit als lambrisering is toegepast. Dat betekent dat de kans op breuk (bij grotere elementen) groter is en dat de werkzaamheden veelal langer zullen duren.

Kleinschalige asbestcementtoepassing

Door een kleinschalige asbestcementtoepassing in te delen in de categorie beperkt wordt beoogd dat bij bijvoorbeeld onderhoudswerkzaamheden een toepassing van asbestcement kan worden verwijderd zonder dat daarvoor een vergunning in de categorie basis nodig is. Daarmee zijn veel voorkomende onderhoudswerkzaamheden ingedeeld in de categorie beperkt, zoals het verwijderen van een losliggende asbestcementplaat onder een CV-ketel of een enkele asbestcement mantelbuis. Een kleinschalige asbestcementtoepassing is gedefinieerd als een asbesttoepassing met een lengte van maximaal een meter. Deze afmetingen zijn bepaald met het oog op de beperkte blootstelling vanwege de kleinschaligheid en het zonder breuk kunnen verpakken en vervoeren in een asbestzak. Voor plaatmaterialen geldt deze voorwaarde ook, wat betekent dat plaatmaterialen zowel een lengte als een breedte van maximaal een meter kunnen hebben om als kleinschalige asbestcementtoepassing te kunnen worden aangeduid.

Het moet gaan om een enkele toepassing van asbestcement. Als er meerdere toepassingen van deze omvang moeten worden verwijderd op een locatie, dan valt dit in de categorie basis. Hiermee wordt bewerkstelligd dat het verwijderen van een kleinschalige asbestcementtoepassing in de categorie beperkt slechts een klein deel van een onderhoudsactiviteit is.

Het moet gaan om een losliggende of geklemde asbestcementtoepassing zodat de blootstelling bij het verwijderen beperkt blijft. Dat is ook de reden van de voorwaarde dat de asbestcementtoepassing niet verweerd mag zijn.

Losliggende voorwerpen

Het in zijn geheel verwijderen van losliggende asbesthoudende voorwerpen leidt tot een zeer beperkte blootstelling, mits deze hechtgebonden zijn. Voorbeelden zijn bloembakken van asbestcement en apparaten waarin asbest is toegepast zonder dat sprake is van een geheel omsloten asbesttoepassing die hieronder apart is beschreven. Er kan sprake zijn van een overlap met kleinschalige asbestcementtoepassingen. Die is beperkt tot asbestcement met een afmeting tot maximaal 1 meter lengte, maar kan naast losliggend ook geklemd zijn bevestigd.

Geheel omsloten asbesttoepassingen

Bij het verwijderen van een geheel omsloten asbesttoepassing die in zijn geheel wordt verwijderd, is er niet of nauwelijks sprake van blootstelling. Voorwaarde is dat de asbesttoepassing geheel omsloten blijft tijdens de verwijdering en dus niet wordt beschadigd door de verwijdering. Te denken valt aan een transformator die geheel gesloten is en waarbinnen een asbesttoepassing aanwezig is. Asbestisolatie met daaromheen een gipslaag valt bijvoorbeeld niet onder deze categorie, omdat bij het verwijderen daarvan het omsluitende materiaal moet worden beschadigd.

Het is toegestaan om door bijvoorbeeld het aanbrengen van tape een asbesthoudende toepassing die al grotendeels omsloten is, voorafgaand aan de verwijdering volledig omsloten te maken. Het omsluiten moet dan wel zodanig mogelijk zijn dat bij het volledig omsloten maken het asbest niet wordt beroerd en de asbesttoepassing volledig afgesloten is en blijft tijdens het verwijderen.

Voorbeelden waarbij het mogelijk is om de asbesthoudende toepassing volledig te omsluiten zijn pakkingen of verbindingen waarbij fitterskit is toegepast. Het verwijderen van de asbesttoepassing is dan mogelijk in de categorie beperkt als het verbindingsstuk niet wordt losgemaakt maar als een geheel uit de leiding wordt verwijderd, zodat het asbest niet wordt beroerd. Met het toestaan van deze mogelijkheid kan worden voorkomen dat een bijna geheel omsloten asbesttoepassing in een hogere categorie moet worden ingedeeld. Bijvoorbeeld omdat een beperkt deel van het omsluitende materiaal beschadigd is of er anderszins een beperkt deel van de asbesttoepassing bloot ligt. Er wordt niet voldaan aan de voorwaarde van een geheel omsloten asbesttoepassing als het omsluiten maar gedeeltelijk mogelijk is en dus een deel van de asbesthoudende toepassing bloot komt te liggen tijdens de verwijdering.

Meszekeringen of mespatronen

Meszekeringen of mespatronen kunnen afhankelijk van waar het asbesthoudende onderdeel zich bevindt, onder de geheel omsloten toepassingen vallen. Dat geldt niet als het asbesthoudende onderdeel zich aan de buitenkant van de meszekering of het mespatroon bevindt. Omdat ook dan nog sprake is van een zeer beperkte blootstelling, gelet op de omvang van de toepassing en de zeer kortdurende handeling, zijn meszekeringen en mespatronen apart benoemd en ingedeeld in de categorie beperkt.

Asbestverontreinigingen en restanten

Bij de asbesttoepassingen in de categorie beperkt is het niet heel waarschijnlijk dat het gebruik ervan heeft geleid tot een asbestverontreiniging of het aanwezig zijn van restanten. Als dit desondanks toch het geval is, maakt het verwijderen van de verontreiniging deel uit van de verwijdering van de asbesttoepassing waar de verontreiniging of restanten van afkomstig zijn. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om stukjes (restanten) van de asbesttoepassing die zijn afgebroken en onder de nog aanwezige asbesttoepassing liggen.

Bewijs van naleving voor bepaalde asbesttoepassingen

Voor een kleinschalige asbestcementtoepassing, losliggende voorwerpen en geheel omsloten toepassingen is een door de minister erkende methode niet aan de orde, vanwege de eenvoud van de werkzaamheden. Als bewijs van naleving zal voor deze asbestproducten een verklaring moeten worden ondertekend dat de asbestproducten op de juiste wijze worden verpakt en afgevoerd.

Categorie basis

In het tweede lid van artikel 4.41 worden de asbestproducten aangewezen waarvoor het bedrijf over een vergunning basis moet beschikken om deze te mogen verwijderen, zoals bedoeld in artikel 4.57, derde lid onderdeel a, van het Arbobesluit. Hoewel het potentiële risico bij deze asbestproducten niet zo hoog is als bij de categorie uitgebreid, moet ook in de categorie basis ervan uit worden gegaan dat de grenswaarde aanzienlijk kan worden overschreden. Binnen deze categorie moet daarom kunnen worden gewerkt met technische maatregelen om de blootstelling te beperken, het dragen van persoonlijke beschermingsmiddelen (adembescherming) en in het geval van gesloten ruimten ook in een containment.

Het gaat daarbij om de volgende hoofdproductgroepen.

  1. Asbestcementtoepassingen

  2. Geweven of geperste asbesthoudende toepassingen

Onder deze hoofdproductgroepen vallen in ieder geval de volgende voorbeelden van asbestproducten:

  • Asbestcement, zoals golfplaten, leien, buizen;

  • Asbesthoudende fitterskit (veelal een combinatie van hennep en asbest);

  • Asbesthoudend koord;

  • Asbesthoudende pakkingen;

  • Asbesthoudende rem- en frictiemateriaal.

Asbestkoord is een geweven product, dat vanwege zijn eigenschappen ook zou kunnen worden ingedeeld als licht- of niet-gebonden. Op grond van wat bekend is over het potentiële blootstellingsrisico, is asbestkoord ingedeeld in de categorie basis. Omdat asbestkoord in het algemeen kleinschalig is toegepast, en de verwijdering dus weinig tijd kost, is het blootstellingsrisico niet zodanig hoog is dat het moet worden ingedeeld in de categorie uitgebreid. Asbestkoord valt echter onder asbesthoudend isolatiemateriaal in de categorie uitgebreid als het is gebruikt als isolatie van buizen. Reden hiervoor is dat het dan om een vrij grootschalige toepassing gaat en er op die manier geen onderscheid hoeft te worden gemaakt in verschillende soorten asbesthoudend isolatiemateriaal.

Daarnaast zijn er enkele toepassingen van asbest die niet op grond van de hoofdproductgroep zijn ingedeeld in de categorie basis:

  1. Asbesthoudende lijm;

  2. Asbesthoudende (bitumen) coating;

  3. Gelijmde asbesthoudende toepassingen met uitzondering van vensterbanken;

  4. Asbestverontreiniging en restanten afkomstig van een asbesthoudend product dat is ingedeeld in de categorie basis.

Asbesthoudende lijm, (bitumen) coating en gelijmde asbesthoudende toepassingen

Asbesthoudende lijm is ingedeeld in de categorie basis omdat een intensieve bewerking nodig is om het product volledig te kunnen verwijderen. Soms is het nodig om te frezen of te schuren. Ook asbesthoudende toepassingen die gelijmd zijn, vallen in de categorie basis. Reden hiervoor is dat bij het verwijderen de kans op breuk groot is en er ook restanten achter kunnen blijven waarvoor een intensieve bewerking nodig is om die te kunnen verwijderen.

Asbestverontreiniging en restanten afkomstig van een asbesthoudend product in de categorie basis

Er kan sprake zijn van verontreinigingen en restanten afkomstig van een asbesthoudend product. Het kan bijvoorbeeld gaan om asbestcement dat aan enige verwering onderhevig is geweest. Zo kunnen bij een asbestdak kleine stukjes zijn afgebroken. Het opruimen daarvan kan worden gedaan door het bedrijf dat het asbestdak verwijdert.

De asbestproducten in de categorie basis mogen worden verwijderd met een vergunning asbestverwijdering basis zoals benoemd in artikel 4.57, eerste lid, onderdeel b, van het Arbobesluit.

Categorie uitgebreid

Voor de toepassingen die vallen in de hoofdproductgroepen in het derde lid van artikel 4.41 (licht-gebonden en niet-gebonden asbesthoudende toepassingen) is een vergunning asbestverwijdering uitgebreid benodigd. Asbest is in deze producten niet of nauwelijks gebonden, waardoor hoge blootstellingen kunnen ontstaan bij het verwijderen. Het betreft:

  1. Licht-gebonden asbesthoudende toepassingen

  2. Niet-gebonden asbesthoudende toepassingen

Voorbeelden hiervan zijn:

  • Asbesthoudend board (licht-gebonden plaatmateriaal);

  • Isolatiemateriaal, dat soms bestaat uit asbestkoord;

  • Papier;

  • Karton;

  • Behang;

  • Pluggen;

  • Stucwerk;

  • Spuitasbest;

  • Vilt;

  • Vinylzeil.

Daarnaast zijn er enkele toepassingen van asbest die niet op grond van de hoofdproductgroep zijn ingedeeld in de categorie uitgebreid, of waar deze specifiek vanwege de duidelijkheid zijn benoemd:

  1. Asbestdoek;

  2. Asbestverontreinigingen en restanten (van producten in deze categorie en asbestverontreinigingen die niet herleidbaar zijn tot een asbestproduct);

  3. Asbestrestanten die zijn vrijgekomen bij een calamiteit, waaronder mede wordt verstaan brand, storm en hagelschade.

Asbestdoek

Asbestdoek is een geweven asbestproduct en zou op grond daarvan in de categorie basis worden ingedeeld. Asbestdoek was vaak voorzien van een antidust lining, een laag die de verspreiding van asbestvezels beperkte. Deze laag heeft door de jaren heen echter zijn functie verloren, waardoor bij het hanteren van asbestdoek de vezels relatief makkelijk vrij kunnen komen.

Asbesthoudend vinylzeil

De onderlaag van asbesthoudend vinylzeil is meestal een niet-hechtgebonden viltlaag. Daarom is vinylzeil ingedeeld in de categorie uitgebreid.

Asbestverontreinigingen en restanten (van een product in de categorie uitgebreid en niet herleidbaar tot een asbestproduct)

Voor het verwijderen van verontreinigingen en restanten afkomstig van een product in de categorie uitgebreid is een vergunning uitgebreid vereist.

Verontreinigingen en restanten kunnen ook worden aangetroffen in situaties waarin een asbestproduct onzorgvuldig is verwijderd. Voor zover de verontreiniging of restanten niet meer te herleiden zijn naar een asbestproduct, valt dit onder de categorie uitgebreid. Dit geldt ook als in bijzondere gevallen de desintegratie zo ver is gevorderd dat het oorspronkelijke asbestproduct niet achterhaald kan worden. De verontreinigingen die in deze situaties worden aangetroffen, vallen vanwege hun aard onder de niet gebonden asbestproducten. Door indeling in de categorie uitgebreid wordt verder bewerkstelligd dat kleefmonsters worden genomen als onderdeel van de eindbeoordeling, wat passend is om te beoordelen of niet-zichtbaar asbest is achtergebleven.

Asbestrestanten vrijgekomen bij een calamiteit

Hoewel het opruimen van asbestrestanten niet zozeer een heel hoog potentieel blootstellingsrisico heeft en het geen complexe werkzaamheid is, vergt het een grote zorgvuldigheid om al het asbest te verwijderen tussen allerlei andere materialen in een beschadigd gebouw of object en om de omgeving schoon en veilig op te leveren. Door indeling in de categorie uitgebreid wordt bewerkstelligd dat alleen bedrijven met gespecialiseerde asbestverwijderingskennis deze werkzaamheden mogen verrichten.

In onderstaande tabel is de indeling in de vergunningcategorieën samengevat.

Beperkt Basis Uitgebreid
Hoofdproductgroepen
  • In kunststof gebonden asbesthoudende toepassingen, niet gelijmd

  • Elastische asbesthoudende toepassingen

  • Asbestcement

  • Geweven of geperste asbesthoudende toepassingen

  • Licht-gebonden asbesthoudende toepassingen

  • Niet-gebonden asbesthoudende toepassingen

Voorbeelden (voor in de toelichting)
  • Bakeliet

  • Stalen gevelplaten met een kunststof coating

  • Vinyltegels (losliggend)

  • Kit, zoals voor beglazing en dilataties (maar geen fitterskit)

  • Bitumen dakbedekking (losliggend)

  • Asbestcement, zoals golfplaten, leien, buizen

  • Asbesthoudende fitterskit;

  • Asbesthoudend koord

  • Asbesthoudende pakkingen

  • Asbesthoudende rem- en frictiemateriaal

  • Asbesthoudend board (licht-gebonden plaatmateriaal)

  • Isolatiemateriaal (ook asbestkoord als zodanig)

  • Papier

  • Karton

  • Behang

  • Pluggen

  • Stucwerk

  • Spuitasbest

  • Vilt

  • Vinylzeil

Specifiek ingedeeld (andere keuze dan hoofdproductgroep of voor de duidelijkheid)
  • Asbesthoudende imitatiemarmer of imitatienatuursteen, niet gelijmd

  • Vensterbanken (gelijmd en niet gelijmd)

  • Kleinschalige asbestcementtoepassingen voor zover deze losliggen of geklemd bevestigd zijn, niet verweerd zijn en de lengte van de te verwijderen toepassing maximaal 1 m zijn

  • Losliggende hechtgebonden asbesthoudende voorwerpen die in zijn geheel worden verwijderd

  • Geheel omsloten (of omsloten te maken) asbesttoepassingen die in zijn geheel worden verwijderd

  • Meszekeringen of mespatronen

  • Asbestverontreiniging en restanten afkomstig van een asbesthoudend product als genoemd in dit lid

  • Asbesthoudende lijm;

  • Asbesthoudende (bitumen) coating

  • Gelijmde asbesthoudende toepassingen met uitzondering van vensterbanken

  • Asbestverontreiniging en restanten afkomstig van een asbesthoudend product als genoemd in dit lid

  • Asbesthoudend doek

  • Asbestverontreiniging en restanten afkomstig van een asbesthoudend product als genoemd in dit lid

  • Asbestverontreiniging en restanten die niet te herleiden zijn tot een specifieke asbesttoepassing

  • Asbestrestanten die zijn vrijgekomen bij een calamiteit, waaronder mede wordt verstaan brand, storm en hagelschade

De indeling van bodemwerkzaamheden staat in het Arbobesluit en niet in deze Regeling. Voor de volledigheid wordt hiervan ook een overzicht gegeven:

Vergunning bodemwerkzaamheden beperkt Vergunning bodemwerkzaamheden basis
Graven in de bodem als het met asbest verontreinigde bodemvolume boven de interventiewaarde minder is dan 25 m3 Graven in de bodem als het met asbest verontreinigde bodemvolume boven de interventiewaarde meer is dan 25 m3 of het saneren van de bodem.
Graven/baggeren in een sterk verontreinigde bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam waarbij het bodemvolume waarin wordt gegraven minder is dan 1000 m3. Graven/baggeren in een sterk verontreinigde bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam waarbij het bodemvolume waarin wordt gegraven meer is dan 1000 m3.
Procesmatige reiniging van met asbest verontreinigde grond of baggerspecie
  1. Opleidingen

3.1. Categorisering van asbestopleidingen

De opleidingen voor werkzaamheden met of aan asbest zijn in deze regeling onderverdeeld in verschillende categorieën, zoals aangekondigd in het Arbeidsomstandighedenbesluit. Het gaat om een basisopleiding en een aantal aanvullende opleidingen op het gebied van asbestverwijdering, werken in containment, inventarisatie, eindbeoordeling en toezicht. Deze indeling sluit aan bij werkzaamheden die in de praktijk binnen de asbestketen worden uitgevoerd en bij de verschillende rollen die daarin voorkomen.

In de basisopleiding worden algemene kennis en vaardigheden die op grond van de Wijzigingsrichtlijn verplicht onderdeel moeten zijn van de opleiding van werknemers die met of aan asbest werken. Het betreft onder meer kennis over de eigenschappen van asbest, de gezondheidsrisico’s en beschermingsmaatregelen. Deze eisen staan beschreven in artikel 4.30 van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Voor verschillende beroepsgroepen die in hun werkzaamheden wel met asbest in aanraking komen, maar geen specialistische asbestwerkzaamheden uitvoeren, volstaat deze opleiding. De inhoud van deze kan daarbij worden afgestemd op de aard van de werkzaamheden van de betreffende beroepsgroep. Zo kan voor brandweerpersoneel meer nadruk liggen op het handelen bij incidenten waarbij asbest vrijkomt, terwijl voor medewerkers van milieustraten meer aandacht wordt besteed aan de veilige omgang met en acceptatie van asbesthoudende afvalstoffen. Op deze manier kan de opleiding worden afgestemd op de aard en het risico van de werkzaamheden, terwijl ook een basiskennis over asbestrisico’s voor de hele doelgroep wordt geborgd.

Voor werkzaamheden waarbij meer specialistische kennis nodig is, zijn aanvullende opleidingsmodules over verwijdering, inventarisatie, eindbeoordeling en toezicht opgenomen. Deze opleidingen zijn gericht op de specifieke kennis en vaardigheden die voor deze werkzaamheden nodig zijn. De indeling sluit aan bij de verschillende schakels in de asbestketen en bij de mate van deskundigheid die voor de werkzaamheden vereist is. Voor asbestverwijderingswerkzaamheden sluit deze opzet ook aan bij het vergunningsstelsel voor asbestverwijdering. Hieronder wordt uitgelegd wie deze aanvullende opleiding moet volgen en wat zij dan mogen doen:

  • Een werknemer met een opleiding asbestverwijdering beperkt mag asbestverwijderingswerkzaamheden uitvoeren, zowel in binnen- als buitensituaties, binnen het vergunningstype beperkt. Hij hoeft nog niet alle voorkomende werkzaamheden bij asbestverwijdering te beheersen, enkel de werkmethoden waarvoor binnen zijn bedrijf een vergunning is aangevraagd.

  • Een werknemer met een opleiding asbestverwijdering basis mag asbestverwijderingswerkzaamheden uitvoeren waarvoor een vergunning basis vereist is, met uitzondering van containment. Dit mag zowel in binnen- als buitensituaties, binnen de vergunningstypes beperkt en basis.

  • Een werknemer met een opleiding asbestverwijdering uitgebreid mag voorkomende asbestverwijderingswerkzaamheden. waarvoor een vergunning uitgebreid is vereist, met uitzondering van containment uitvoeren, zowel in binnen- als buitensituaties, binnen alle voorkomende vergunningstypen.

  • Om werkzaamheden in containment uit te kunnen voeren, moeten saneerders in niveau 2 en 3 een aparte module bij hun opleiding volgen.

  • Een inventariseerder kan zelfstandig in bouwwerken en objecten een asbestinventarisatie uitvoeren. Zijn werkzaamheden bestaan uit het voorbereiden van de asbestinventarisatie, het inventariseren van asbestverdachte materialen, het nemen van materiaal- en kleefmonsters, het schrijven van asbestinventarisatierapporten en het communiceren hierover met betrokkenen. Daarnaast kan een DIA bij incidenten en calamiteiten het onderzoek naar asbestverontreiniging voorbereiden, de primaire verspreiding inkaderen en aangeven hoe secundaire verspreiding voorkomen kan worden.

  • Een eindbeoordelaar is de persoon die na afloop van een asbestsaneringsproject de eindbeoordeling namens de geaccrediteerde inspectie-instelling uitvoert. Hij of zij doet dat conform de NEN 2990 (en de bepalingen in het Arbobesluit en de Arboregeling). De eindbeoordeling bestaat uit een visuele controle / inspectie in de ‘gesaneerde’ ruimte en eventueel aangrenzende ruimten en, wanneer vereist op basis van de regelgeving, uit het uitvoeren van luchtmetingen en het nemen van kleefmonsters.

  • Een toezichthouder heeft grondige kennis nodig van werkzaamheden door de hele asbestketen. Hij kan deze kennis toepassen in eenvoudige, maar ook complexere praktijksituaties, waarbij hij ook afwegingen kan maken over zijn eigen veiligheid.

3.2. Overgangsbepalingen opleidingen

In artikel 9.3 van deze regeling is een overgangsbepaling voor de registratie van opleidingen opgenomen. Een van de nieuwe eisen van de richtlijn is dat de opleidingen een praktijkgedeelte moeten hebben. In dit artikel is vastgelegd dat in de plaats daarvan kan worden volstaan met al opgedane praktijkervaring. Tevens wordt bepaald dat personen in het bezit van een persoonscertificaat, voor het verkrijgen waarvan een opleiding verplicht was, in het register Gezond en Veilig Werken met asbest kunnen worden opgenomen.

  1. Nadere regels eindbeoordeling

In het besluit is vastgelegd wanneer welke eindbeoordeling moet worden uitgevoerd. In deze regeling worden nadere eisen gesteld aan de onafhankelijke eind-inspectie instelling die door de saneerder moet worden ingezet. Tevens wordt bepaald dat de inspetie-instelling voor de beoordeling de NEN2990 moet doen.

Er is voor gekozen om de afkeurcriteria in de regelgeving op te nemen. Voorheen werden hiervoor de eisen in de NEN2990 aangehouden. Het is meer passend dat dit in de publieke regelgeving is opgenomen.

Ook is in de regeling een aantal uitzonderingen opgenomen op de bepalingen in het arbobesluit. In de categorie basis is in principe een onafhankelijke visuele inspectie vereist. Er is een uitzondering opgenomen voor de gevallen waarin een erkende werkmethode wordt gebruikt voor de asbestverwijdering.

Tevens is vastgelegd dat in de categorie basis geen luchtmeting is vereist wanneer de totale concentratie asbestvezels die vrijkomt tijdens de sanering onder de 10.000 vezels blijft. Dit kan worden aangetoond door middel van de SMART-uitdraai of een luchtmeting die is uitgevoerd tijdens de werkzaamheden. In de categorie uitgebreid kan dit alleen worden aangetoond door middel van een luchtmeting tijdens de werkzaamheden.

  1. Metingen tijdens de werkzaamheden met asbest

In deze regeling zijn nadere eisen opgenomen aan de luchtmetingen die worden gedaan tijdens de werkzaamheden aan asbest. Er worden eisen gesteld aan de deskundigheid van de persoon die de metingen uitvoert en de meting moet worden uitgevoerd volgens NEN2939.

In een nog toe te voegen bijlage wordt een meetkader opgenomen waarmee wordt vastgelegd met welke frequentie metingen moeten worden uitgevoerd.

  1. Wijziging processchema

De nieuwe regelgeving en de nieuwe rol van het processchema in deze regelgeving leidt tot een aangepast processchema. Dit schema wordt momenteel opgesteld en zal gelijktijdig met de regelgeving in werking treden.

  1. Financiële gevolgen

De financiële gevolgen van de wijzigingen zijn niet los te zien van de wijzigingen in het Arbobesluit als gevolg van het Implementatiebesluit richtlijn 2023/2668 en zijn zoveel mogelijk meegenomen bij de berekening van de financiële gevolgen van dat besluit. De financiële gevolgen zijn en in hoofdstuk 8 van dat besluit toegelicht.

De wijziging van de Arboregeling heeft door de aanwijzing van NEN-normen als gevolg dat deze vrij beschikbaar moeten zijn en de kosten voor het beheer moeten worden afgekocht. De NEN-normen waarnaar wordt verwezen zijn op NEN 2939 na vrij beschikbaar. De kosten hiervoor zijn verwaarloosbaar in verhouding tot de kosten die in de Nota van toelichting bij het Wijzigingsbesluit zijn geschat.

  1. Uitvoerings- en handhavingsaspecten

Deze zullen, waar van toepassing en in toevoeging aan hetgeen is toegelicht in de nota van toelichting bij de wijziging van het Arbobesluit, worden opgenomen bij de toelichting bij het betreffende artikel.

Voor een beschrijving van de resultaten van de uitvoerings- en handhaafbaarheidstoets, van de toets door het college ATR, en van de opbrengsten van de internetconsultatie, wordt verwezen naar hoofdstuk 11 van de nota van Toelichting bij de wijziging van het Arbobesluit.

  1. Overgangsrecht en inwerkingtreding

De regeling treedt in werking op hetzelfde moment dat het Implementatiebesluit richtlijn 2023/2668 in werking treedt.

In aanvulling op het overgangsrecht dat aan het Arbobesluit is toegevoegd met het hiervoor genoemde besluit, is in artikel 9.3 overgangsrecht opgenomen voor de registratie van opleidingen in het Register gezond en veilig werken met asbest. Het gaat hierbij om opleidingen die nog voor de inwerkingtreding van het Implementatiebesluit richtlijn 2023/2668 en deze regeling zijn afgerond.


Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdeel A (artikel 1.1)

Aan artikel 1.1 is een definitie van het begrip asbestverontreiniging toegevoegd, aangezien dit begrip op meerdere plaatsen wordt gebruikt met steeds dezelfde betekenis, maar het begrip buiten de regelgeving ook wel eens anders gebruikt wordt.

Onderdeel B (artikel 1.9b)

In artikel 1.9b is de verwijzing naar artikel 4.54d, vijfde en zevende lid, van het Arbobesluit geschrapt, omdat het genoemde artikel niet meer bestaat net als de in het vijfde en zevende lid van dat artikel opgenomen persoonscertificatieplichten. De certificaten waar het om ging, zijn de certificaten Deskundig toezichthouder asbestverwijdering (DTA) en Deskundig asbestverwijderaar (DAV).

Onderdeel C (paragraaf 4.5)

Onderdeel C voegt een nieuwe paragraaf 4.5 toe aan de Arboregeling als de opvolger van de per 1 juli 2014 vervallen paragraaf 4.5. In deze vervallen paragraaf waren regels opgenomen over het meten van asbestvezels in de lucht. De nieuwe paragraaf 4.5 bevat bijzondere voorschriften inzake het werken met asbest die een uitwerking zijn van verschillende delegatiegrondslagen in de nieuw vastgestelde afdeling 3 van hoofdstuk 4 van het Arbobesluit. De artikelen van deze paragraaf worden hierna toegelicht.

Artikel 4.21

In artikel 4.21 is omschreven op welke wijze de concentraties serpetijnasbest en amfiboolasbest in asbesthoudende producten wordt vastgesteld. Voorheen werd er voor de wijze van vaststelling van de asbestconcentraties verwezen naar het Productenbesluit asbest dat op zijn beurt verwijst naar de Productenregeling asbest voor de vaststelling van de asbestconcentraties. In plaats van een verwijzing naar het Productenbesluit asbest, is in dit artikel concreet opgenomen hoe de concentraties moeten worden vastgesteld.

Artikel 4.22

In artikel 4.22 worden in het eerste lid de asbestopleidingen in categorieën ingedeeld, gebaseerd op het soort werkzaamheden dat wordt verricht. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen een basisopleiding asbest, asbestverwijdering beperkt, basis en uitgebreid, containment, inventarisatie, eindbeoordeling en toezichthouden. Hierbij wordt opgemerkt dat de categorie toezichthouden specifiek ziet op opleidingen voor werknemers die publiekrechtelijk toezicht uitoefenen, zoals de ambtenaren van de Nederlandse arbeidsinspectie. Met audits wordt in dit geval gedoeld op audits die worden uitgevoerd door certificerende en erkennende instellingen die actief zijn op het gebied van het werken met asbest.

Een opleider die wil worden erkend zal elke opleiding ten aanzien waarvan hij als opleider wil worden erkend, moeten indelen in een van de categorieën in het eerste lid. Dit is bepaald in het tweede lid.

Het tweede lid bepaalt tevens dat een opleiding die is ingedeeld in een bepaalde categorie, moet voldoen aan de inhoudelijke eisen die bij de betreffende categorie horen. Deze inhoudelijke eisen zijn ofwel een nadere invulling van de algemene eisen die in artikel 4.30 van het Arbobesluit aan een opleiding worden gesteld ofwel aanvullende eisen ten opzichte van deze eisen. De inhoudelijke eisen in het eerste lid zijn minimumeisen: een erkende opleider mag in zijn opleiding aan meer onderwerpen aandacht besteden. Het is daarbinnen nog steeds mogelijk om de opleiding toe te spitsen op het beroep van de werknemer.

In het derde lid wordt geregeld dat de categorie ook wordt geregistreerd in het Register gezond en veilig werken met asbest. Deze categorisering kan onder andere worden gebruikt om vergunningsaanvragen te beoordelen.

In het geval van opleidingen die behoren tot de categorie ‘Asbestverwijdering beperkt’, zal op grond van het vierde lid ook moeten worden geregistreerd voor welke werkzaamheden de werknemer is opgeleid. Opleidingen in deze categorie zijn namelijk bedoeld voor werkzaamheden die met een vergunning asbestverwijdering beperkt als bedoeld in artikel 4.57, eerste lid, onderdeel a, van het Arbobesluit, mogen worden verricht. Aangezien deze vergunning wordt verleend voor het verrichten van specifieke, in de vergunning afgebakende werkzaamheden, zal dit ook terug moeten komen in de registratie van opleidingen in de categorie ‘Asbestverwijdering beperkt’. Hiermee kan namelijk worden nagegaan of de werkzaamheden waarvoor een werknemer is opgeleid, aansluiten bij de werkzaamheden waarvoor de vergunning asbestverwijdering beperkt is verleend.

Artikel 4.23

In artikel 4.23 worden nadere eisen gesteld aan opleidingen. In het eerste lid is de periode opgenomen waarbinnen een opleiding uiterlijk moet zijn herhaald, om in het Register Gezond en Veilig Werken met Asbest te kunnen blijven. Benadrukt wordt dat dit een uiterste termijn is: als het nodig is dat de opleiding al eerder wordt herhaald om de werkzaamheden goed te kunnen blijven uitvoeren, dan dient de opleiding al eerder dan drie jaar te worden herhaald. Daarnaast zal, op grond van artikel 4.30, tweede lid, van het Arbobesluit de opleiding hoe dan ook moeten worden herhaald als er aanvullende opleidingsbehoeften worden vastgesteld.

In het tweede lid worden nadere eisen gesteld aan de instructeur van de opleiding, aan de hand waarvan vast kan worden gesteld of deze over de in artikel 4.32, tweede lid, onderdeel c, van het Arbobesluit bedoelde inhoudelijke kennis en didactische vaardigheden beschikt om de beoogde opleiding te geven.

In het derde lid wordt een examen verplicht gesteld voor alle opleidingscategorieën, behalve de basisopleiding asbest en opleidingen in de categorie asbestverwijdering beperkt. Voor deze twee categorieën volstaat een bewijs van deelname.

Om grote verschillen tussen opleiders te voorkomen, zal de minister examens vaststellen die door de opleiders moeten worden gebruikt. In de praktijk zal het vaststellen van de te gebruiken examens gebeuren door een partij die daartoe door de minister is gemandateerd. Deze partij zal ook zorgdragen voor de verspreiding van de examens onder de opleiders die een of meer opleidingen aanbieden die met een examen moeten worden afgesloten.

Op grond van het vierde lid is het vervolgens aan de opleider om deze examens af te laten nemen door een onafhankelijke examinator. Onafhankelijk houdt in dit geval in dat de examinator onafhankelijk werkt van de erkende opleider, de kandidaten die het examen afnemen en hun werk- of opdrachtgevers. Een opleider die wil worden erkend, zal als onderdeel van de erkenningsaanvraag deze onafhankelijkheid moeten kunnen aantonen. Mocht na erkenning blijken dat de onafhankelijkheid niet of onvoldoende is geborgd, dan kan dit gevolgen hebben voor de erkenning als opleider.

Het vierde lid stelt daarnaast inhoudelijke eisen aan de examinator zelf: hij zal kennis moeten hebben van het onderwerp waarop het examen betrekking heeft en moet bekwaam zijn om examens af te nemen. Ook deze onderdelen zullen als onderdeel van de erkenningsaanvraag worden getoetst en kunnen, na erkenning, gevolgen hebben voor de erkenning als de opleider hierin tekortschiet.

Artikel 4.24

In dit artikel is een specifieke afwijking opgenomen voor de opleiding die moet worden gevolgd door machinisten. Deze afwijking is gebaseerd op de voorheen bestaande uitzondering voor persoonscertificatie voor deze categorie werknemers. Op basis van de werkzaamheden die zij verrichten, zouden zij vallen in de opleidingscategorie asbestverwijderaar basis of uitgebreid. Aangezien de opleidingseisen voor asbestverwijderaars niet goed aansluiten op de werkzaamheden van een machinist en zij door de werkzaamheden in een afgesloten cabine beschermd zijn, mogen zij in plaats daarvan onder voorwaarden hun werkzaamheden verrichten met een basisopleiding asbest. Onderdeel van deze voorwaarden is dat zij op specifieke onderdelen extra instructies moeten krijgen.

Artikel 4.25

[PM]

Artikel 4.26

Artikel 4.26 somt de documenten op die een opleider bij zijn aanvraag voor een erkenning moet overleggen. De documenten, genoemd in de onderdelen b tot en met e, kennen geen vast model. Uit deze documenten moet echter wel blijken dat is voldaan aan de criteria in artikel 4.32, tweede lid, van het Arbobesluit.

Artikel 4.27

PM

Artikel 4.28

PM

Artikel 4.29

Artikel 4.29 wijst de werkzaamheden aan waarbij ervan uit mag worden gegaan dat als een erkende werkmethode wordt gevolgd, de grenswaarde niet zal worden overschreden. De aangewezen werkzaamheden zijn het verwijderen en bewerken van asbest. Tevens wijst het artikel de erkende werkmethoden aan. Deze erkende werkmethoden zijn te vinden op de webpagina, genoemd in het tweede lid, en zijn elk werkmethoden waarover het VIP of haar voorloper, de Beoordelingscommissie SCi 547, positief heeft geadviseerd.

Artikel 4.30

De Asbestrichtlijn schrijft voor dat er, afhankelijk van de resultaten van de risicobeoordeling, tijdens de werkzaamheden luchtmetingen moeten plaatsvinden. Deze verplichting is opgenomen in artikel 4.41, eerste lid, van het Arbobesluit. In artikel 4.14, negende lid, van het Arbobesluit is de bevoegdheid opgenomen om nadere regels te stellen over bepaalde voorschriften in het Arbobesluit die zien op de tussentijdse metingen. In artikel 4.30 wordt invulling gegeven aan deze bevoegdheid.

Het eerste lid schrijft voor hoe de tussentijdse metingen moeten worden uitgevoerd. Dit moet worden gedaan overeenkomstig NEN 2939:2021 nl en het meetkader dat is opgenomen in bijlage XX bij deze regeling.

Momenteel werkt een werkgroep dit meetkader uit. Het maakt op dit moment dus nog geen deel uit van de versie van de wijziging van Arbeidsomstandighedenregeling die in internetconsultatie is gebracht. In een later stadium zal dit meetkader alsnog via een internetconsultatie worden voorgelegd.

Het meetkader zal onder andere invulling geven aan wanneer en hoe vaak een meting nodig is tijdens het verrichten van werkzaamheden, hoe rekening kan worden gehouden met meetresultaten om vast te stellen hoe vaak moet worden gemeten en met welk doel metingen moeten worden verricht. Van belang is ook hoe de meetresultaten ter beschikking kunnen worden gesteld voor wetenschappelijke doeleinden. Voor de meer technische voorschriften wordt verwezen naar NEN 2939.

Het tweede lid vult in wanneer een persoon de vereiste deskundigheid, bedoeld in artikel 4.41, vijfde lid, van het Arbobesluit, bezit om monsters te nemen als onderdeel van een tussentijdse meting.

Het derde lid bepaalt wanneer een laboratorium voldoet aan de eisen die in artikel 4.41, zesde lid, van het Arbobesluit aan laboratoria worden gesteld. Het gaat hier om de eis dat het laboratorium adequaat moet zijn toegerust en ervaring heeft met de vereiste identificatietechnieken. Hiervoor geldt een eis van accreditatie overeenkomstig NEN-EN-ISO/IEC 17025:2012.

Artikel 4.31

[PM]

Artikel 4.32

In artikel 4.2 van het Arbobesluit wordt voor de werkgever de verplichting tot het vaststellen van de aard, de mate en de duur van de blootstelling van werknemers aan gevaarlijke stoffen (zoals asbestvezels) geregeld, teneinde de gevaren voor de werknemers te bepalen. In artikel 4.51, tweede lid, van het Arbobesluit is bepaald dat deze vaststelling plaatsvindt door gebruikmaking van een door de minister aangewezen instrument, dan wel wordt gemeten met behulp van een bij ministeriële regeling aangewezen genormaliseerde meetmethode.

In artikel 4.32 wordt het beoordelingsinstrument, bedoeld in artikel 4.51, tweede lid, onderdeel a, van het Arbobesluit aangewezen. Dit beoordelingsinstrument is het instrument waarmee voor aanvang van sloop- en asbestverwijderingswerkzaamheden kan worden vastgesteld wat de verwachte blootstelling aan asbestvezels zal zijn. Ook wijst het artikel de meetmethode, bedoeld in artikel 4.51, tweede lid, onderdeel b, van het Arbobesluit aan.

Op grond van het tweede lid wordt SMART-ns aangewezen als het beoordelingsinstrument. SMART-ns is een nieuw instrument (IT-tool) dat is ontwikkeld in opdracht van het Ministerie van SZW. SMART-ns vervangt het tot nu al gebruikte SMArt, dat op basis van het certificatieschema voor de procescertificaten asbestinventarisatie en asbestverwijdering (Stcrt. 2022, 7453-n1) werd gebruikt. Net als SMArt, is de naam SMART-ns een afkorting. In het eerste lid van artikel 4.32 is bepaald waar SMART-ns voor staat.

SMART-ns is meer risicogericht dan het oude instrument SMArt dat feitelijk alleen de van toepassing zijnde risicoklasse aangaf: SMART-ns zal nauwkeuriger het verwachte blootstellingsniveau vaststellen en informatie geven over te nemen maatregelen. Daarbij geeft SMART-ns op een overzichtelijke manier informatie over aan welke verplichtingen de verwijderaar van asbest in welke situatie moet voldoen. SMART-ns bevordert ook het gebruik van verwijderingsmethoden die tot een zo laag mogelijk blootstellingsniveau aan asbestvezels leiden. Het betreft een dynamische verwijzing en het versiebeheer wordt zo ingericht dat duidelijk is wanneer er iets veranderd wordt. SMART-ns is ontwikkeld in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en wordt beheerd door de minister (zie ook het vierde lid).

De bedoeling is dat gebruikmaking van SMART-ns beter inzicht biedt aan de asbestverwijderaar en de toezichthouders over wat de te verwachten blootstelling is bij verschillende typen asbestsaneringen. Het instrument is gebaseerd op de stand van de wetenschap met betrekking tot blootstellingsschatting. Het instrument bevat mogelijkheden om op basis van modelschattingen tot een blootstellingsniveau te komen, voor zover daar geen gegevens over zijn. Indien gebruik wordt gemaakt van de modelschattingen zal dat een meer conservatief (voor de zekerheid met extra veiligheidsfactoren werkend) resultaat geven dan wanneer het op basis van daadwerkelijke metingen gebeurt.

Tevens kan door gebruikmaking van SMART-ns inzicht worden gegeven in de wijze waarop de meer algemeen geformuleerde voorschriften in de regelgeving in de praktijk, bij specifieke toepassingen en omstandigheden, geĂŻnterpreteerd moeten worden volgens de stand van de wetenschap. Het is niet wenselijk en ook niet haalbaar om in de regelgeving gedetailleerde normen op te nemen voor elke specifieke asbestsituatie. Maar gebleken is dat er in de praktijk wel behoefte is aan een verdere invulling/uitwerking van de eisen. SMART-ns geeft die invulling en uitwerking. Daarmee biedt het de gebruiker van SMART-ns informatie hoe in een specifieke situatie de meer algemeen geformuleerde voorschriften in de regelgeving kunnen worden nageleefd. Daarmee krijgt die informatie niet de status van een dwingende norm, maar kan de gebruiker besluiten hiervan gemotiveerd af te wijken. In de toekomst kan het instrument snel worden aangepast als er bijvoorbeeld nieuwe wetenschappelijke inzichten zijn.

Het derde lid geeft de vindplaats van SMART-ns aan, te weten www.smartasbest.nl. Het is uiteraard van belang dat SMART-ns permanent beschikbaar is op vermelde website en de authenticiteit is gewaarborgd. Om in te kunnen loggen in het systeem zal de betrokkene moeten beschikken over eHerkenning.

Op grond van het vierde lid berust de verantwoordelijkheid voor het beheer van SMART-ns bij de minister. De minister is eigenaar van het instrument en heeft zeggenschap over aanpassingen.

Het TNO model AREAT1 is de basis van de blootstellingsschatting voor die werkzaamheden waarvoor niet genoeg specifieke metingen beschikbaar zijn om op basis daarvan de blootstelling te bepalen. De metingen die zijn gebruikt bij de totstandkoming van het model zijn opgenomen in een database die in beheer is bij TNO. Daarmee ligt de verantwoordelijkheid voor de inhoudelijke kwaliteit van het model, de metingen en de database bij TNO.

Het vijfde lid wijst de meetmethode, bedoeld in artikel 4.51, tweede lid, onderdeel b, van het Arbobesluit aan. Dit is NEN 2939:2021 nl, een NEN-norm die specifiek is bedoeld voor het vaststellen van de concentratie asbestvezels in de lucht door middel van blootstellingsonderzoek.

Wanneer de werkgever of degene die opdracht geeft voor de werkzaamheden met asbest zelf metingen laat verrichten en op basis van de resultaten van die metingen een blootstellingsniveau wordt vastgesteld, moeten de meetgegevens op de arbeidsplaats aanwezig zijn (artikel 4.51, vijfde lid, van het Arbobesluit). De werkgever moet de meetgegevens kunnen overleggen aan de toezichthouder om aan te tonen dat uit die metingen het opgegeven blootstellingsniveau afgeleid kan worden.

Artikel 4.33

In nadere invulling van het zesde lid van artikel 4.51 van het besluit, regelt het eerste lid van artikel 4.33 dat de werkgever de onderliggende meetgegevens, die verkregen zijn met behulp van de methode, bedoeld in artikel 4.51, tweede lid, onderdeel b, van het Arbobesluit, moet kunnen overleggen aan de toezichthouder op een wijze die de relatie tussen de resultaten van de metingen en de werkzaamheden op de arbeidsplaats inzichtelijk maakt. Op deze manier is het voor de toezichthouder mogelijk om na te gaan of de verplichtingen inzake de vaststelling van het blootstellingsniveau inderdaad zijn nageleefd.

Daarnaast is in het tweede lid de verplichting opgenomen tot het invoeren van de meetgegevens in SMART-ns. Dit is onder andere opgenomen ter uitvoering van de motie Smals2, die verzoekt om TNO met ingang van de lancering van SMART-ns een geaggregeerde analyse te laten opstellen van de individuele validaties uit het systeem en de resultaten daarvan openbaar te maken. Doel van de motie is dat partijen geen metingen hoeven uit te voeren die al door andere zijn uitgevoerd om onnodige kosten te voorkomen. Met een validatiemeting wordt bedoeld een meting waarbij wordt aangetoond dat het blootstellingsniveau onder de grenswaarde blijft.

Artikel 4.34

Op grond van artikel 4.51, zevende lid, van het besluit hoeft de vaststelling van de verwachte blootstelling tijdens sloop- en asbestverwijderingswerkzaamheden niet te worden bepaald met SMART-ns of middels metingen, indien de werkzaamheden met een erkende werkmethode worden uitgevoerd. Artikel 4.34 bepaalt om welke erkende werkmethoden het in dit geval gaat: dit zijn dezelfde erkende werkmethoden als bedoeld in artikel 4.29.

Artikel 4.35

In dit nieuwe artikel van de Arboregeling worden nadere voorschriften gesteld aan de eindbeoordeling, bedoeld in artikel 4.55 van het Arbobesluit.

In het eerste lid worden nadere eisen gesteld aan het bedrijf dat de eindbeoordeling uitvoert. Hiermee wordt bepaald dat deze moet worden uitgevoerd door een inspectie-instelling die hiervoor door de Raad voor Accreditatie volgens de van toepassing zijnde norm geaccrediteerd is.

In het tweede lid is nader aangeduid dat deze onafhankelijke inspectie onder accreditatie moet worden uitgevoerd volgens NEN2990.

Met het eerste lid wordt vastgelegd door wie de eindbeoordeling moet worden uitgevoerd, met het tweede lid hoe deze moet worden uitgevoerd.

Tot dusver was in de Arboregeling geen directe verwijzing naar deze beide normen opgenomen. Wel werden zij genoemd in het Certificatieschema voor de Procescertificaten Asbestinventarisatie en Asbestverwijdering. Er zijn meerdere redenen om dit aan te passen en nadere voorschriften aan de eindmeting in de Arboregeling zelf op te nemen.

Ten eerste past dit bij de gedachte een aantal technische eisen vanuit het certificatieschema naar de regelgeving te halen. Hiermee komt de regie op de normering duidelijker bij de Rijksoverheid te liggen. Indien het nodig is extra eisen te stellen aan de eindbeoordeling, of indien het juist nodig is om naar een deel van de norm te verwijzen, dan is dit door opname van de verwijzing in de Arboregeling, makkelijker publiek te sturen.

Ten tweede was de verwijzing in de certificatieschema’s naar de normen minder goed op zijn plek, omdat de certificatieschema’s een rol spelen in de relatie tussen de certificaathouders en de certificerende instellingen. Zij geven de eisen weer waaraan een certificaathouder (de asbestverwijderaar) moet voldoen, en waar hij door de certificerende instelling op gecontroleerd kan worden. De eindinspectie-instelling is geen directe partij bij het certificatieschema.

Ten derde kan er, met de vermelding van de normen in de Arboregeling, door de toezichthouder rechtstreeks worden gehandhaafd indien een eindbeoordeling niet door een volgens de juiste norm geaccrediteerde inspectie-instelling wordt uitgevoerd, of indien deze niet op de juiste wijze wordt uitgevoerd. Dit maakt ingrijpen van de toezichthouder bij evident slecht uitgevoerde eindbeoordelingen makkelijker.

In het derde lid is opgenomen dat de inspectie-instelling onafhankelijk moet werken van het asbestverwijderingsbedrijf. Dit om te voorkomen dat het resultaat van de eindbeoordeling direct of indirect wordt beĂŻnvloed door het asbestverwijderingsbedrijf dat de werkzaamheden heeft verricht.

In het vierde lid wordt concreet opgenomen dat de inspectie-instelling moet vaststellen dat de saneringslocatie na afloop veilig kan worden betreden. Nu gebeurt het in de praktijk regelmatig, aldus diverse toezichthouders, dat op de locatie zelfs na een positieve eindbeoordeling restanten asbest worden aangetroffen. Dit lid creëert de mogelijkheid voor de toezichthouder om hiertegen op te treden.

In het vijfde lid worden extra eisen gesteld aan de werkgever die zelf de visuele inspectie mag verrichten. Bij de visuele inspectie worden mogelijk met asbest verontreinigde oppervlakken geĂŻnspecteerd. Dit kan bijvoorbeeld door een zaklantaarn met hoge lichtopbrengst schuin op het oppervlak te richten en met een hoekspiegel, camera of smartphone te bekijken of alle stof uit de naden en kieren is verdwenen.

In het zesde lid wordt opgenomen wanneer een eindbeoordeling tot afkeur kan leiden. Nu is dat niet in het publieke domein geregeld, maar in NEN 2990 die door de Raad voor Accreditatie als norm wordt gehanteerd bij de accreditatie van eindinspectie-instellingen.

Bij microscopische technieken voor de analyse van

luchtmonsters wordt niet het gehele filter geanalyseerd, maar slechts een deel van

het filter. De telresultaten worden vervolgens geëxtrapoleerd om een

schatting te kunnen maken van het aantal vezels dat op het gehele filter zouden

kunnen liggen. Dit veroorzaakt een meetonzekerheid die kan worden uitgedrukt in een bandbreedte rondom het telresultaat. In NEN 2990 is beschreven hoe deze bandbreedte wordt bepaald en gerapporteerd, in de vorm van een onder- en bovengrens van het 95% betrouwbaarheidsinterval. Dit houdt in dat met 95% zekerheid kan worden gesteld dat de werkelijke waarde zich tussen deze aangegeven onder- en bovengrens bevindt. Om voldoende zeker te kunnen stellen dat de werkelijke waarde voldoet aan de gestelde eisen, is in artikel 4.35 voorgeschreven dat de bovengrens van het 95% betrouwbaarheidsinterval bepalend is om te toetsen of aan de gestelde eis wordt voldaan.

Voor amfibole vezels moet de analyse van het luchtmonster worden uitgevoerd met een elektronenmicroscoop. Volgens NEN 2990 is dat een SEM/RMA (Scanning Electron Microscopy/Röntgen Micro Analyse). Met deze techniek kunnen asbestvezels worden geteld en de chemische samenstelling bepaald om vast te kunnen stellen of en welke soort asbest het is. De toetswaarde in artikel 4.35 van 2000 vezels/m3 geldt voor de optelsom van amfibool en chrysotiel. Als het alleen om chrysotiel gaat, mag in plaats van een elektronenmicroscoop ook gebruik worden gemaakt van een fasecontrastmicroscoop voor de luchtmeting als onderdeel van een eindbeoordeling. Met deze techniek kan niet op basis van chemische samenstelling worden vastgesteld of een vezel asbest is en worden ook eventuele andere vezels meegeteld. Daarom geldt de hogere toetswaarde van 10.000 vezels/m3.

De afkeuringsgrond in onderdeel c is niet van toepassing, indien er sprake is van een slecht reinigbaar ruw of poreus oppervlak en voor zover uit het werkplan blijkt dat het verwijderen van asbest uit het betreffende oppervlak niet valt onder de reikwijdte van de werkzaamheden. Met dit laatste wordt de verplichting in artikel 4.52, vierde lid, van het Arbobesluit bedoeld om in het werkplan te onderbouwen wanneer niet al het te verwijderen asbest of de aanwezige asbesthoudende producten worden verwijderd, vanwege het gevaar, bedoeld in het derde lid van dat artikel. Slechts voor zover aan die verplichting is voldaan, en sprake is van een oppervlak als hiervoor bedoeld, is de afkeuringsgrond in onderdeel c niet van toepassing.

Artikel 4.36

Artikel 4.36 bevat uitzonderingen op onderdelen van de eindbeoordeling. Net als de nadere regels van artikel 4.35 zijn deze uitzonderingen gebaseerd op artikel 4.55, zesde lid, van het Arbobesluit.

Het eerste lid bepaalt dat de visuele inspectie na werkzaamheden in de categorieën basis of uitgebreid door de werkgever mag worden uitgevoerd, als de werkgever gebruik maakt van een erkende werkmethode. De werkgever is in dat geval dus niet verplicht om een inspectie-instelling in te schakelen.

Op grond van artikel 4.55, vijfde lid, van het Arbobesluit dient na sloopwerkzaamheden waar asbest of asbesthoudende producten bij waren betrokken en die in een binnenruimte zijn verricht, een eindmeting plaats te vinden. Doel van deze eindbeoordeling is om na te gaan of de concentratie asbestvezels in de lucht lager is dan 10.000 vezels per kubieke meter, indien de blootstelling aan asbestvezels tijdens de werkzaamheden boven de 10.000 vezels per kubieke meter is uitgekomen. Het tweede tot en met zesde lid van artikel 4.36 bevatten uitzonderingen op de verplichting tot het uitvoeren van een eindmeting.

Het tweede lid bepaalt dat de eindmeting mag worden overgeslagen als zich tijdens de volledige duur van de werkzaamheden een afscheiding heeft bevonden tussen de werknemer en het asbest. Daarbij is van belang dat die afscheiding lekvrij omsloten is, wat betekent dat de afscheiding zodanig is dat asbestvezels de werknemer op geen enkele manier kunnen bereiken.

Voor de groep asbesttoepassingen die alleen met een vergunning basis mogen worden verwijderd, geldt volgens artikel 4.55, vijfde lid, van het Arbobesluit een luchtmeting. Artikel 4.36, derde lid, maakt een uitzondering op deze verplichting: een luchtmeting is niet vereist, indien de totale taakblootstelling over de meest risicovolle dag lager is dan 10.000 vezels per m3. Het derde lid bepaalt voorts op welke manieren dit laatste kan worden aangetoond.

In het derde lid, onderdeel a, wordt de blootstellingsschatting die volgt uit SMART-ns aangewezen als middel waaruit blijkt dat de taakblootstelling onder de 10.000 vezels per m3 blijft. Deze blootstellingsschatting kan worden gemaakt op basis van het model AREAT, dat onderdeel uitmaakt van SMART-ns, en het gebruik van validatiemetingen. In onderdeel b wordt de mogelijkheid geboden om af te zien van een eindmeting indien er aantoonbaar een tussentijdse meting heeft plaatsgevonden waaruit blijkt dat de taakblootstelling onder de 10.000 vezels per m3 is gebleven. Dit betekent concreet dat een taakgerichte meting wordt uitgevoerd volgens NEN 2939. Omdat het een luchtmeting betreft die tijdens asbestwerkzaamheden wordt uitgevoerd, zal de meting moeten voldoen aan het meetkader van artikel 4.30 en bijlage XX bij deze regeling.

In het vierde lid wordt de mogelijkheid opgenomen om geen eindmeting te hoeven uitvoeren als wordt gewerkt volgens een erkende werkmethode als bedoeld in artikel 4.29. Ook deze uitzondering geldt alleen voor de vergunningcategorie basis.

In het vijfde lid wordt het derde lid, aanhef en onderdeel b, ook van toepassing verklaard op werkzaamheden in de categorie uitgebreid. Dat betekent dat ook bij werkzaamheden in de vergunningcategorie uitgebreid de eindmeting kan worden overgeslagen als is voldaan aan de voorwaarden van het derde lid, aanhef en onderdeel b.

In het zesde en zevende lid staan nadere regels wanneer een eindmeting wordt overgeslagen op grond van het tweede, derde of vijfde lid.

Het zesde lid bepaalt dat als de eindmeting wordt overgeslagen op grond van het tweede of derde lid, de werkgever ervoor moet zorgen dat in het eindbeoordelingsrapport staat waarom de eindmeting is overgeslagen.

Als de luchtmeting is overgeslagen omdat er tijdens de werkzaamheden een luchtmeting is gedaan die heeft aangetoond dat de totale taakblootstelling over de meest risicovolle dag lager was dan 10.000 vezels per m3, dan is het op grond van het zevende lid de taak van de werkgever om ervoor te zorgen dat in het eindbeoordelingsrapport de resultaten van de betreffende meting staan en dat het bedrijf dat het eindbeoordelingsrapport heeft opgesteld, ook zelf de resultaten van die meting heeft gezien.

Artikel 4.37

[PM meldplicht eindbeoordeling]

Onderdelen D en E

Met onderdeel D zijn drie artikelen vernummerd om deze qua nummering aan te laten sluiten op de artikelen in paragraaf 4.5.

Onderdeel E regelt het vervallen van de oude artikelen 4.29 en 4.29a en bijlage XIIIg van de Arboregeling. De reden hiervoor wordt hieronder toegelicht.

Het oude artikel 4.29 bepaalde dat de minister, de toezichthouders, de certificerende instellingen en de Raad voor Accreditatie gegevens en inlichtingen met elkaar moesten uitwisselen overeenkomstig het in bijlage XIIIg opgenomen protocol. Het protocol in bijlage XIIIg ging specifiek over het uitwisselen van gegevens en inlichtingen over de naleving van bepaalde arbovoorschriften bij asbestverwijderingswerkzaamheden. Het protocol legde hierbij alleen verplichtingen op aan de certificerende instellingen en de toezichthouder.

Het protocol in bijlage XIIIg had het karakter van een convenant. Aangezien een convenant een vrijwillig karakter heeft, is het passender om deze niet in regelgeving, dat een dwingend karakter heeft, vast te leggen. Nu het protocol bovendien vanwege de vernummering van artikelen inzake asbest in het Arbobesluit en de nieuwe artikelen rond het werken met asbest, hoe dan ook moest worden herzien, zijn het oude artikel 4.29 en bijlage XIIIg met deze regeling komen te vervallen. Dit wil niet zeggen dat er geen bevoegdheid meer bestaat voor de certificerende instellingen en de toezichthouder om gegevens en inlichtingen met elkaar uit te wisselen. Dit blijft bijvoorbeeld mogelijk als onderdeel van een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 29a, eerste en tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet.

In het oude artikel 4.29a waren nadere eisen opgenomen waar machinisten die betrokken zijn bij asbestverwijderingswerkzaamheden aan moesten voldoen om te worden vrijgesteld van de certificatieplicht. Aangezien de certificatieplicht voor personen die asbestverwijderingswerkzaamheden is komen te vervallen, kon ook het oude artikel 4.29a komen te vervallen.

Machinisten zullen zich, net als anderen die asbestverwijderingswerkzaamheden verrichten, moeten houden aan de opleidingseis in artikel 4.30 van het Arbobesluit. In het nieuwe artikel 4.24 is echter bepaald dat machinisten onder bepaalde voorwaarden kunnen volstaan met een lichtere opleiding dan die eigenlijk voor het verrichten van asbestverwijderingswerkzaamheden vereist is.

Onderdeel F (artikel 4.38 (nieuw))

Het oude artikel 4.26 is middels onderdeel D vernummerd tot artikel 4.38. Ten opzichte van het oude artikel 4.26 is dit artikel op twee punten anders. In het artikel is het certificatieschema voor de persoonscertificaten komen te vervallen, aangezien er wordt overgestapt naar een register voor opgeleide personen.

Tevens is een verwijzing opgenomen naar de meest recente versie van het Certificatieschema voor het Procescertificaat Asbestinventarisatie en Asbestverwijdering.

Onderdeel G (artikel 4.39 (nieuw))

Artikel 4.39 is een gewijzigde versie van het oude artikel 4.27. Inhoudelijk regelt artikel 4.39 echter hetzelfde, namelijk de eisen voor afgifte van certificaten in het werkveld asbest.

De onderdelen a en b komen grotendeels overeen met de onderdelen a en b in het oude artikel 4.27. Anders zijn de verwijzingen naar de artikelen in het Arbobesluit. Deze zijn aangepast aan de nieuwe situatie: voor het certificaat asbestinventarisatie wordt verwezen naar het nieuwe relevante artikel in het Arbobesluit, terwijl voor het certificaat asbestverwijdering wordt verwezen naar het relevante artikel in de Arboregeling, nu in het Arbobesluit niet meer rechtstreeks naar het certificaat asbestverwijdering wordt verwezen. Voor de inventarisatiebedrijven gelden geen andere certificatieregels dan voorheen het geval was. Voor de asbestverwijderingsbedrijven is het al dan niet moeten beschikken over een certificaat niet meer afhankelijk van de risicoklassen, maar van het type vergunning, bedoeld in artikel 4.57, eerste lid, van het Arbobesluit, dat het bedrijf wil aanvragen. Een bedrijf dat een vergunning asbestverwijdering basis of uitgebreid wil aanvragen voor asbestverwijderingswerkzaamheden, anders dan bodemwerkzaamheden, zal moeten beschikken over een certificaat als hiervoor bedoeld (zie artikel 4.42).

De onderdelen c en d zijn vervallen, aangezien er geen persoonscertificatieplicht meer geldt voor het verwijderen van asbest en asbesthoudende producten.

Onderdeel H (artikel 4.40 (nieuw))

Artikel 4.40 was voorheen artikel 4.28. In artikel 4.40 komt onderdeel b van het oude artikel 4.28 niet meer terug, nu dat onderdeel ging over persoonscertificatie in het werkveld asbest en de persoonscertificatieplichten in dit werkveld zijn komen te vervallen.

De tekst van artikel 4.40 komt verder overeen met het oude artikel 4.28. Wel zijn de verwijzingen naar de artikelen geactualiseerd.

Onderdeel I (paragraaf 4.7)

Onderdeel I stelt paragraaf 4.7 van de Arboregeling opnieuw vast. In de oude paragraaf 4.7 van de Arboregeling was één artikel opgenomen. Dit artikel, zijnde het oude artikel 4.30, bevatte nadere regels over de uitzonderingen op de verplichting om een eindmeting te verrichten na werkzaamheden in risicoklasse 2A. Omdat de risicoklassen niet meer bestaan en alle nadere regels over de eindbeoordeling, waar de eindmeting onderdeel van uitmaakt, zijn opgenomen in de nieuwe artikel 4.35 en 4.36, komt het oude artikel 4.30 niet meer terug in de opnieuw vastgestelde paragraaf 4.7.

De artikelen in de nieuwe paragraaf 4.7 geven een nadere invulling aan bepaalde voorschriften in paragraaf 5 van afdeling 3 van het Arbobesluit. Deze paragraaf in het Arbobesluit bevat voorschriften ter uitwerking van de vergunningplicht voor bepaalde asbestwerkzaamheden in artikel 19a van de Arbeidsomstandighedenwet. Hierna volgt per artikel van paragraaf 4.7 een toelichting.

Artikel 4.41

Artikel 4.41 wijst het asbest en de asbesthoudende producten aan die met een vergunning asbestverwijdering beperkt, basis respectievelijk uitgebreid mogen worden verwijderd. Er is gekozen voor een indeling in productgroepen. Voor een verdere toelichting op de gekozen indeling, wordt verwezen naar hoofdstuk 2 van het algemeen deel van de toelichting.

Het kan voorkomen dat een asbesthoudend product in meerdere categorieën valt. Op grond van het vierde lid geldt in dat geval de hoogste van de betreffende categorieën. Een product dat zowel onder de aanwijzing van asbest en asbesthoudende producten die hoort bij de vergunning asbestverwijdering basis (tweede lid) als de vergunning asbestverwijdering uitgebreid (derde lid) valt, moet worden gezien als een product waarop alleen de aanwijzing die hoort bij de vergunning uitgebreid van toepassing is. Het betreffende product mag daardoor alleen met een vergunning asbestverwijdering uitgebreid worden verwijderd.

Artikel 4.42

De Asbestrichtlijn verplicht ondernemingen die werkzaamheden verrichten in verband met sloop of asbestverwijdering om de blootstelling van werknemers aan stof afkomstig van asbest of asbesthoudende materialen tot een minimum te beperken en in ieder geval onder de relevante grenswaarde te brengen. Dit moet gebeuren door middel van preventieve maatregelen. Het overleggen van een bewijs van naleving van deze maatregelen is één van de voorwaarden voor het verlenen van een vergunning. Het bewijs van naleving kan op grond van artikel 4.58, tweede lid, onderdeel b, van het Arbobesluit, bestaan uit een bij ministeriële regeling aangewezen erkenning, certificaat of ander bewijs van naleving van de preventieve maatregelen, bedoeld in artikel 4.39 van het Arbobesluit.

In het nieuwe artikel 4.42 is vastgelegd welke documenten als bewijs van naleving bij de vergunningaanvraag moeten worden overlegd. Het vereiste document is hierbij afgestemd op de risico’s die met de werkzaamheden gepaard gaan. Hiermee wordt beoogd om evenredige eisen te stellen: wanneer er minder risico’s zijn is het verdedigbaar dat er minder strenge borgingseisen zijn dan wanneer er hogere risico’s bestaan.

Het eerste lid van artikel 4.42 bepaalt dat voor de vergunning asbestverwijdering beperkt een ander bewijs van naleving moet worden verstrekt. In het geval de vergunning wordt aangevraagd voor niet-bodemwerkzaamheden, anders dan werkzaamheden die bestaan uit het verwijderen van kleinschalige asbestcementproducten, losse voorwerpen of geheel omsloten of omsloten te maken asbestproducten, is het bewijs van naleving, overeenkomstig onderdeel a, een erkende werkmethode en een schriftelijke en ondertekende verklaring. Uit deze verklaring moet blijken dat de aanvrager de werkzaamheden overeenkomstig de erkende werkmethode zal verrichten en op welke wijze hij dit borgt.

Wat onder een ‘erkende werkmethode’ moet worden verstaan, volgt uit onderdeel a: dit zijn de aangewezen erkende werkmethoden in artikel 4.29. Een onderneming die werkzaamheden wil uitvoeren onder de vergunning asbestverwijdering beperkt, dient volgens één van de erkende werkmethoden te werken, zodat er voldoende borging is. Indien blijkt dat niet volgens de erkende werkwijze wordt gewerkt, kan de vergunning worden ingetrokken op grond van artikel 4.65, derde lid, van het Arbobesluit.

Als de te verrichten werkzaamheden zullen bestaan uit het verwijderen van kleinschalige asbestcementproducten, losliggende hechtgebonden asbesthoudende voorwerpen die in zijn geheel worden verwijderd of geheel omsloten asbestproducten of asbestproducten die geheel omsloten te maken zijn en die in zijn geheel worden verwijderd, dan volstaat een schriftelijke en ondertekende verklaring van de aanvrager waaruit blijkt dat hij zal handelen overeenkomstig artikel 7 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 dan wel artikel 7.21 van het Besluit bouwwerken leefomgeving en de relevante afvalregelgeving.

Onderdeel c gaat over bodemwerkzaamheden die met een vergunning asbestverwijdering beperkt mogen worden verricht. Als de vergunningaanvraag is bedoeld voor deze werkzaamheden, dan is het bewijs van naleving een schriftelijke en ondertekende verklaring dat de aanvrager de werkzaamheden zal uitvoeren volgens de genoemde versie van CROW-publicatie 400.

In het tweede lid wordt omschreven wat het bewijs van naleving is bij de vergunning asbestverwijdering basis. Voor niet-bodemwerkzaamheden is dit het in onderdeel a bedoelde certificaat, terwijl voor bodemwerkzaamheden wordt uitgegaan van de in onderdeel b bedoelde, al bestaande erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit.

In het derde lid wordt aangegeven dat voor de vergunning asbestverwijdering uitgebreid een certificaat met de scope uitgebreid vereist is.

Een vergunning asbestverwijdering uitgebreid wordt als uitgangspunt verleend voor alleen niet-bodemwerkzaamheden. Op grond van artikel 4.57, vijfde lid, van het Arbobesluit kan de vergunning echter ook worden verleend voor bodemwerkzaamheden, mits dit gebeurt in aanvulling op een verlenging voor niet-bodemwerkzaamheden en een bij ministeriële regeling te bepalen erkenning wordt overgelegd. Het vierde lid van artikel 4.42 bepaalt om welke erkenning het gaat: dit is dezelfde erkenning die is vereist voor de aanvraag van een vergunning asbestverwijdering basis voor bodemwerkzaamheden.

Tot slot bepaalt het vijfde lid welk document moet worden overgelegd bij de aanvraag van een Aval-vergunning. Dit is de vergunning die in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte aan de aanvrager is verleend. Uit het bezit van deze vergunning kan worden afgeleid dat de aanvrager artikel 6 van de Asbestrichtlijn naleeft.

Artikel 4.43

[PM]

Artikel 4.44

Artikel 4.44, eerste lid, bepaalt wanneer een startvergunning wordt verleend. Dit lid is een uitwerking van artikel 4.66, eerste lid, van het besluit, waarin is bepaald dat van rechtswege een startvergunning wordt verleend als wordt voldaan aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden. Deze voorwaarden zijn de relevante eisen die het certificatieschema, bedoeld in artikel 4.38, stelt aan het verlenen van een startvergunning, indien het gaat om niet-bodemwerkzaamheden, en de eisen in de beoordelingsrichtlijnen SIKB 7000 en 7500, bedoeld in bijlage C bij de Regeling bodemkwaliteit 2022, indien het gaat om bodemwerkzaamheden.

Het eerste lid bepaalt ook voor welke werkzaamheden de startvergunning wordt verleend: dit zijn de werkzaamheden die zijn opgenomen in het hiervoor bedoelde certificatieschema respectievelijk de hiervoor bedoelde beoordelingsrichtlijnen. Hiermee wordt een invulling gegeven aan artikel 4.57, zesde lid, op grond waarvan bij ministeriële regeling moet worden bepaald voor welke werkzaamheden een startvergunning wordt verleend.

Om een vergunning asbestverwijdering basis en een vergunning asbestverwijdering uitgebreid waarmee ook bodemwerkzaamheden mogen worden verricht aan te kunnen vragen, moet op grond van artikel 4.42, tweede lid, onderdeel b, respectievelijk het vierde lid, een bedrijf beschikken over de erkenning die op grond van het bepaalde bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit voor het verrichten van de betreffende bodemwerkzaamheden is vereist. Een dergelijke erkenning wordt pas afgegeven als het bedrijf dat een erkenning wil, beschikt over een certificaat als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit, dat betrekking heeft op de werkzaamheden ten aanzien waarvan het bedrijf wil worden erkend.

De startvergunning wordt verleend als onderdeel van de aanvraag van een certificaat als hiervoor bedoeld of een certificaat als bedoeld in artikel 4.42, tweede lid, onderdeel a, en derde lid, dat is vereist voor de aanvraag van een vergunning asbestverwijdering basis of uitgebreid. Met een startvergunning kan een bedrijf dat het certificaat heeft aangevraagd een beperkt aantal asbestverwijderingswerkzaamheden uitvoeren. Op basis van de uitgevoerde werkzaamheden kan vervolgens worden beoordeeld of aan het bedrijf een certificaat kan worden verstrekt. Vanwege deze samenhang met het certificatieproces, is ervoor gekozen om de eisen waaraan moet worden voldaan voor het verlenen van een startvergunning, op te nemen in het certificatieschema en de hiervoor genoemde beoordelingsrichtlijnen en hiernaar te verwijzen in de Arboregeling.

Het tweede lid is een uitwerking van artikel 4.66, vijfde lid, van het besluit, op grond waarvan regels moeten worden gesteld over de bekendmaking van een van rechtswege verleende startvergunning. Deze bekendmaking vindt plaats aan de rechthebbende en is de verantwoordelijkheid van de instelling die de aanvraag om een certificaat of erkenning in behandeling heeft. Het gaat hierbij om de aanvraag in het kader waarvan de startvergunning is verleend. De bekendmaking dient schriftelijk plaats te vinden met een aanduiding van de datum per wanneer de vergunning van rechtswege is verleend, zodat de rechthebbende kan aantonen richting bijvoorbeeld de toezichthouder dat en per wanneer hij over een startvergunning beschikt.

Artikel 4.45

In artikel 4.62, tweede lid, van het Arbobesluit zijn de voorschriften opgenomen die in alle gevallen aan een vergunning als bedoeld in artikel 4.57, eerste lid, onderdelen a tot en met c, en e, van het Arbobesluit, worden verbonden. Een van deze voorschriften is dat de vergunninghouder jaarlijks een overzicht moet verstrekken van de veranderingen die zich hebben voorgedaan inzake de werknemers die de vergunde werkzaamheden verrichten en de door hen gevolgde opleidingen en onderwijsactiviteiten in het kader van permanente educatie (artikel 4.62, tweede lid, onderdeel d, van het Arbobesluit).

Artikel 4.45 geeft een verdere invulling aan dit te verstrekken overzicht en bepaalt welke informatie in ieder geval in dit overzicht moet worden opgenomen. Als de vergunninghouder nog niet eerder een overzicht heeft verstrekt, dan moet de informatie betrekking hebben op de periode vanaf de vergunningaanvraag tot de datum van het overzicht. Heeft de vergunninghouder al eerder een overzicht verstrekt, dan zal de informatie zien op de periode vanaf de datum van het voorgaande jaarlijkse overzicht tot de datum van het nieuwe overzicht.

Artikel 4.46

Op grond van artikel 19a, derde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet dient bij ministeriële regeling te worden bepaald op welke momenten en op welke wijze de informatie, genoemd in dat lid, openbaar wordt gemaakt. Artikel 4.46 is de invulling van deze verplichtingen.

Het derde lid van dit artikel bevat een afwijking voor de startvergunning, nu deze van rechtswege wordt verleend, slechts geldig is voor een beperkt aantal werkzaamheden en qua geldigheidsduur primair gekoppeld is aan een proces tot verkrijging van een certificaat of erkenning. Om de lasten die gepaard gaan met de openbaarmaking van deze vergunningen te beperken, schrijft het derde lid voor dat startvergunningen ter inzage liggen bij de instelling die de kennisgeving van deze vergunning heeft verstuurd. De kennisgeving is de mededeling aan de rechthebbende dat aan hem met ingang van een bepaalde datum van rechtswege een startvergunning is verleend.

Onderdeel J (paragraaf 4.8)

Dit onderdeel vernummert paragraaf 4.8a tot paragraaf 4.8, zodat deze paragraaf qua nummering aansluit op de voorgaande paragraaf 4.7. De artikelen van de vernummerde paragraaf hebben met onderdeel J ook een andere nummering gekregen. Dit was noodzakelijk vanwege het grote aantal artikelen in paragraaf 4.7. Door de vernummering sluiten de artikelnummers in paragraaf 4.8 numeriek weer aan op de artikelen in paragraaf 4.7.

Onderdeel K (artikel 4.52 (nieuw))

Het oude artikel 4.32f is door onderdeel K van deze regeling vernummerd tot artikel 4.52. Onderdeel L wijzigt het eerste lid van dit artikel. Het gaat om een actualisering van de verwijzingen die in dat lid voorkomen. Door wijzigingen in de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 klopte de opgenomen verwijzingen naar die wet niet meer. Daarnaast is de Wet goederenvervoer over de weg inmiddels vervangen door de Wet wegvervoer goederen.

Onderdeel L (artikel 4.54 (nieuw))

Artikel 4.54 was voorheen artikel 4.32h van de Arboregeling. Dit onderdeel wijzigt de verwijzingen naar andere artikelen in dit artikel, zodat deze in lijn zijn met de vernummering van artikelen die is doorgevoerd met onderdeel K van deze regeling.

Onderdelen M en N (artikelen 8.10 en 8.27)

Op grond van artikel 16, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel i, van de Asbestrichtlijn moeten gebieden waar werkzaamheden plaatsvinden die leiden of kunnen leiden tot blootstelling aan asbeststof, duidelijk worden afgebakend en worden gemarkeerd met waarschuwingsborden. Als daarnaast ondanks het nemen van alle mogelijke preventieve maatregelen, de grenswaarde naar verwachting zal worden overschreden, moet de werkgever op grond van artikel 12, onderdeel b, van de Asbestrichtlijn waarschuwingsborden plaatsen waarop staat vermeld dat een overschrijding van de grenswaarde kan worden verwacht.

Voorheen was in het Arbobesluit of de Arboregeling niet opgenomen welke specifieke waarschuwingsborden er moesten worden geplaatst bij werkzaamheden met asbest en waarmee het werkgebied moest worden afgezet. Dergelijke bepalingen stonden wel in het procescertificatieschema voor asbestsaneringsbedrijven. Omdat de hiervoor genoemde verplichtingen ook van toepassing zijn op andere werkzaamheden met asbest dan alleen asbestsaneringen en om een rechtstreekse handhaving door de toezichthouder mogelijk te maken, zijn aan de artikelen 8.10 en 8.27 van de Arboregeling concrete bepalingen toegevoegd over de waarschuwingsborden en afzetting van het werkgebied waar de werkzaamheden met asbest plaatsvinden.

Aan artikel 8.10 is een lid toegevoegd op grond waarvan werkgevers bij werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.27, eerste lid, van het Arbobesluit, waarschuwingsborden moeten aanbrengen op de plaatsen die toegang bieden tot de gevarenzone. Op deze waarschuwingsborden zal moeten staan dat er sprake is van asbestgevaar en, indien de grenswaarde naar verwachting zal worden overschreden, een aanduiding dat een overschrijding van de grenswaarde kan worden verwacht.

Tegelijkertijd is aan artikel 8.27 een lid toegevoegd dat werkgevers verplicht om de gevarenzone af te zetten met geel afzetlint met daarop de aanduiding dat er sprake is van asbestgevaar. Indien dit nodig is om de gevarenzone deugdelijk af te bakenen, is de werkgever daarnaast verplicht om aanvullende maatregelen te nemen.

Met een ‘gevarenzone’ wordt in dit geval bedoeld: een gevarenzone als bedoeld in artikel 4.11, onderdeel g, in samenhang met artikel 4.27, tweede lid, van het Arbobesluit. Het gaat dus niet alleen om gevarenzones die zich binnen een bedrijf of inrichting bevinden, maar ook daarbuiten, zoals in een woning of op een schip.

De mogelijkheid om werkzaamheden uit te zonderen in artikel 3, derde lid, van de Asbestrichtlijn is ook van toepassing op artikel 16 van de Asbestrichtlijn. In de nieuwe artikelleden van de artikelen 8.10 en 8.27 wordt van deze mogelijkheid gebruik gemaakt door artikel 4.38, tweede en derde lid, van het Arbobesluit van overeenkomstige toepassing te verklaren. In het geval van artikel 8.10, achtste lid, is deze van overeenkomstige toepassingsverklaring beperkt tot situaties waarin de grenswaarde naar verwachting niet zal worden overschreden. Dit omdat de uitzonderingsmogelijkheid in artikel 3, derde lid, van de Asbestrichtlijn niet van toepassing is op artikel 12 van de Asbestrichtlijn, waarin de verplichting tot het plaatsen van waarschuwingsborden bij een verwachte overschrijding van de grenswaarde is opgenomen.

Het voorgaande betekent dat in het geval van werkzaamheden die niet hoeven te worden gemeld aan de toezichthouder, het niet nodig is om waarschuwingsborden te plaatsen die voldoen aan artikel 8.10, achtste lid, behalve indien er sprake is van een verwachte overschrijding van de grenswaarde. Ook is het niet nodig om een afzetlint te gebruiken dat voldoet aan artikel 8.27, derde lid. De verplichtingen in artikel 4.19 van het Arbobesluit blijven echter onverkort gelden. Dit houdt onder andere in dat moet worden voorkomen dat de gevarenzones worden betreden door onbevoegde personen en dat de gevarenzones moeten worden gemarkeerd door middel van waarschuwings- en veiligheidssignalen die voldoen aan het bij of krachtens afdeling 2 van hoofdstuk 8 bepaalde, anders dan de artikelen 8.10, achtste lid, en 8.27, derde lid.

Onderdeel O (artikel 8.29a)

In artikel 8.29a stonden nog geen beboetbare overtredingen over asbest opgesomd. Dat is nu veranderd, omdat met deze wijzigingsregeling meerdere bepalingen zijn toegevoegd die een verplichting opleggen. De betreffende bepalingen zijn opgenomen in dit artikel, wat het niet naleven daarvan een beboetbare overtreding maakt.

Onderdeel P (artikel 8.29c)

In artikel 8.29c is in onderdeel b de aanwijzing van soortgelijke overtredingen aangepast aan de nieuwe artikelnummering. Dit was alleen nodig voor de artikelen van het Arbobesluit, die in onderdeel b staan. De voormalige subonderdelen 53 tot en met 56 zijn geschrapt omdat de bepalingen die daarin als soortgelijk werden aangewezen, niet allemaal meer bestaan. De overige subonderdelen met asbestovertredingen zijn in stand gebleven, maar in sommige gevallen bestaan ze wel uit meer of minder overtredingen omdat sommige verplichtingen zijn vervallen en andere juist toegevoegd. Ook zijn er nieuwe subonderdelen toegevoegd. Tot slot zijn de subonderdelen in een andere volgorde geplaatst zodat ze op volgorde staan volgens de nieuwe artikelnummering.

De subonderdelen 57 tot en met 60 zijn alleen aangepast aan de gewijzigde nummering van het Arbobesluit, maar zijn inhoudelijk hetzelfde gebleven.

In onderdeel c stonden nog geen soortgelijke overtredingen die met asbest te maken hadden. Daaraan zijn nu drie subonderdelen toegevoegd.

Onderdeel Q (artikel 9.3)

In artikel 9.3 is overgangsrecht opgenomen voor de registratie van opleidingen. Dit artikel is de invulling van het derde en vierde lid van artikel 9.29 van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Het eerste lid van artikel 9.3 bepaalt hoe een werkgever – of een (voormalige) werknemer als bedoeld in artikel 9.29, zevende lid, van het besluit – zijn registratieverzoek kan onderbouwen.

Als de opleiding valt in de categorie Basisopleiding asbest of Asbestverwijdering beperkt, volstaat een verklaring waarin staat welke opleiding gevolgd is, en aan welke eisen van artikel 4.22, eerste lid, de opleiding voldoet. Met dat laatste wordt bedoeld dat in de verklaring moet worden onderbouwd dat de gevolgde opleiding voldoet aan (een deel van) de eisen die in artikel 4.22, eerste lid, gesteld worden aan de categorie waarin de opleiding wordt geregistreerd. Uit de formulering volgt dat in de verklaring concreet benoemd moet worden aan welke eisen de opleiding voldoet. Daarmee wordt ook duidelijk aan welke eisen nog niet is voldaan.

Als de opleiding valt in één van de overige categorieën moet in plaats van een verklaring van het volgen van de opleiding een opleidingscertificaat bij het verzoek worden gevoegd. Dit sluit aan bij artikel 4.23, derde lid, waar staat dat opleidingen in de categorieën c tot en met h worden afgesloten met een examen. Uit het opleidingscertificaat moet blijken dat de opleiding (gedeeltelijk) aansluit bij de categorie waarin de opleiding wordt geregistreerd. Op grond van het opleidingscertificaat is daarmee ook duidelijk aan welke opleidingseisen nog niet is voldaan. In geval van twijfel moet de werkgever in een concreet geval aan de toezichthouder kunnen uitleggen waarom een certificaat aansluit bij een specifieke opleidingseis.

Het tweede lid van artikel 9.3 bepaalt dat werkgevers of (voormalige) werknemers kunnen laten registreren dat de (voormalige) werknemer de werkzaamheden die passen bij de betrokken opleidingscategorie al een keer zelfstandig heeft uitgevoerd. Hiermee wordt bedoeld dat de werknemer bij de uitvoering van een klus die past bij de betreffende opleidingscategorie van het begin tot het einde daadwerkelijk heeft meegewerkt. Dit lid is toegevoegd om te voorkomen dat werknemers die al bekend zijn met het werken met asbest, alsnog een praktijkopleiding moeten volgen om te voldoen aan de praktijkeis van artikel 4.30, derde lid, van het besluit.

In het derde lid is voor een aantal veelvoorkomende opleidingen alvast bepaald in welke categorie zij worden geregistreerd. Dit is bedoeld om extra duidelijkheid te verschaffen aan de werkgever of de (voormalige) werknemer die het registratieverzoek indient, maar het geldt niet als bewijs dat de betreffende werknemer voldoende is opgeleid. De werkgever zal dus wel moeten beoordelen of hij de opleiding van de werknemer nog moet aanvullen op grond van de eisen aan de inhoud en geldigheidsduur van de opleiding.

Onderdeel R (bijlage XIII)

In onderdeel B2 van bijlage XIII is de verwijzing naar de grenswaarde voor asbest aangepast aan de nieuwe vindplaats in het Arbobesluit.

Onderdelen S en T (bijlagen XIV en XV)

De verwijzingen naar de artikelen van de Arboregeling in het opschrift van de bijlagen XIV en XV zijn aangepast aan de nieuwe artikelnummers die deze artikelen door deze regeling hebben gekregen.

Onderdeel U (bijlage XX)

Met dit onderdeel wordt een nieuwe bijlage toegevoegd aan de Arboregeling. Deze bijlage bevat het meetkader, bedoeld in artikel 4.30.

Artikel II

In de Aanwijzingsregeling toezichthoudende ambtenaren en ambtenaren met specifieke uitvoeringstaken op grond van SZW wetgeving is een aantal wijzigingen doorgevoerd, vanwege de vernummering en het vervallen van artikelen in het Arbobesluit.

Daarnaast zijn nu toezichthoudende ambtenaren aangewezen in relatie tot een drietal nieuwe verplichtingen. Deze verplichtingen zijn als volgt:

  1. De verplichting om via het DSO sloopmeldingen als bedoeld in artikel 7.10 van het Besluit bouwwerken leefomgeving en berichten om te voldoen aan de informatieplichten, bedoeld in artikel 7.12, tweede en derde lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, door te sturen naar daartoe aangewezen toezichthouders.

  2. De verplichting tot het doen van een melding aan een daartoe aangewezen toezichthouder na afronding van sloop- en asbestverwijderingswerkzaamheden.

  3. De verplichting om de resultaten van de eindbeoordeling te melden aan een daartoe aangewezen toezichthouder na afronding van sloop- en asbestverwijderingswerkzaamheden.

In alle gevallen zijn de aangewezen ambtenaren dezelfde ambtenaren als degenen waaraan de melding, bedoeld in artikel 4.37, eerste lid, van het Arbobesluit moet worden gedaan. Dit is de melding voorafgaande aan de start van de werkzaamheden, die voorheen was opgenomen in artikel 4.47c, eerste lid, van het Arbobesluit.

Artikel III

Vanwege de relatie met Implementatiebesluit richtlijn 2023/2668, treedt deze regeling op hetzelfde tijdstip als dat besluit in werking.


Bijlage

Delegatiegrondslagen

Artikel(onderdeel) Delegatiegrondslag Arbobesluit
1.1 4.55, zesde lid, en 4.57, tweede lid, onderdeel a, derde lid, onderdeel a, en vierde lid, onderdeel a
4.21 4.24, derde lid
4.22, eerste en tweede lid, 4.23 en 4.24 4.30, achtste lid
4.22, derde en vierde lid 4.34, zesde lid
4.25 4.32, tweede lid, onderdeel d
4.26 4.32, derde lid
4.27 4.33, tweede lid
4.28 4.36, onderdeel a
4.29 4.40, zesde lid
4.30 en bijlage XX 4.41, negende lid
4.31 4.48, achtste lid
4.32 4.51, tweede lid, onderdelen a en b
4.33 4.51, zesde lid
4.34 4.51, zevende lid
4.35 en 4.36 4.55, zevende lid
4.37 4.56, tweede lid
4.38 (nieuw) 1.5b, vierde lid, 1.5d, vijfde lid en 1.5f, tweede lid
4.39 (nieuw) 1.5f, tweede lid
4.40 (nieuw) 1.5b, vierde lid, en 1.5d, vijfde lid
4.41 4.57, tweede, derde en vierde lid
4.42 4.58, tweede lid, onderdeel b
4.43 4.59, tweede lid
4.44 4.57, zesde lid, en 4.66
4.45 4.62, derde lid
4.57 (nieuw) en 4.59 (nieuw) 4.76 (nieuw)
8.10 en 8.27 8.4
8.29a 9.9b, eerste lid, onderdeel i
8.29c 9.10c
9.3 9.24, derde lid, en 9.29, derde en vierde lid
Onderdeel B2, bijlage XIII 4.16, eerste lid

De bijlage geeft per nieuw of gewijzigd artikel of, voor zover van toepassing, onderdeel van een nieuw of gewijzigd artikel in artikel I aan op welke delegatiegrondslag in het Arbobesluit het nieuwe artikel, de wijziging van het artikel of het nieuwe of gewijzigde onderdeel van een artikel is gebaseerd.

Het overzicht ziet niet op wijzigingen die bestaan uit het schrappen of vernummeren van artikelen of onderdelen daarvan.

Artikel 4.46 is gebaseerd op artikel 19a, derde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet.

De Minister van Werk en Participatie,

A.A. Aartsen


  1. Franken R, Tromp PC, van de Hoef W, Jadoenathmisier T, Schinkel JM. The development and calibration of a mechanistic asbestos removal exposure assessment tool (AREAT). Ann Work Expo Health. 2021. Vol 5(7): 789-804. doi: 10.1093/annweh/wxaa112.↩

  2. Kamerstuk 25 883, Nr. 397 van 17 november 2020↩