Ramingstoelichting arrest Hoge Raad belastingrentepercentage vennootschapsbelasting
Bijlage
Nummer: 2026D16833, datum: 2026-04-09, bijgewerkt: 2026-04-09 15:33, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Bijlage bij: Certificering arrest Hoge Raad belastingrentepercentage vennootschapsbelasting (2026D16832)
Preview document (🔗 origineel)
Arrest Hoge Raad Vpb-belastingrentepercentage
Maatregel
Belastingrente moet worden betaald wanneer belastingplichtigen te laat zijn met het doen van aangifte of verkeerde gegevens aanleveren. De grondslag van de belastingrente is de verschuldigde belasting in de aanslag. De rente die in rekening wordt gebracht is een enkelvoudige rente (dus geen rente over rente).
Belastingrente wordt berekend over de periode vanaf 1 juli volgend op het belastingjaar (bij gebroken boekjaren is dat einde boekjaar + 6 maanden) tot 6 weken na dagtekening aanslag (maar maximaal 19 weken na de ontvangst van de aangifte).
Er waren twee belastingrentepercentages. Voor de vennootschapsbelasting en enige andere middelen (hierna: Vpb+) gold een hoger belastingrentepercentage dan voor andere belastingmiddelen o.a. de inkomstenbelasting (IH). Beide percentages zijn sinds 1-1-2024 gekoppeld aan de ECB-herfinancieringsrente. Voor de vpb+ gold een renteopslag van 5,5%-punt en voor de IH geldt een opslag van 3%-punt.
De Hoge Raad heeft op 16 januari 2026 geoordeeld dat het verhoogde percentage belastingrente voor de Vpb+ in strijd is met algemene rechtsbeginselen en heeft de bepaling waarmee het verhoogde percentage wordt geregeld onverbindend verklaard.
Het arrest leidt ertoe dat belastingrente Vpb+ wordt berekend naar het lagere reguliere belastingrentepercentage, dat geldt voor o.a. de inkomstenbelasting (IH).
Budgettair effect maatregel, prijspeil lopende jaar (2026)
Bedragen in mln. euro, ‘+’ = saldoverbeterend/lastenverzwarend.
| 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | Struc. | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Arrest Hoge Raad Vpb-belastingrentepercentage | -264 | -145 | -145 | -145 | -145 | -145 |
Raming
Uit het arrest vloeien zowel incidentele als structurele budgettaire gevolgen voort. De incidentele gevolgen hebben betrekking op het neerwaarts bijstellen van al in rekening gebrachte belastingrente waartegen bezwaar is gemaakt. De structurele gevolgen hangen samen met het vanaf de arrestdatum moeten berekenen van belastingrente Vpb+ naar het lagere percentage voor de IH.
Incidentele derving
Belastingplichtigen die bezwaar maken worden door de Belastingdienst bijgehouden in het Generieke Bezwaren en Verzoekschriften (GVB) bestand. O.b.v. het GVB zijn alle relevante bezwaarmakers geïdentificeerd. Vervolgens zijn de Vpb-aanslagen waar tegen bezwaar is gemaakt gekoppeld aan de bezwaren.
Per bezwaar is berekend wat de belastingrente Vpb bedraagt onder het belastingrentepercentage IH. Het verschil tussen dit belastingrentebedrag en het belastingrentebedrag in de aanslag vormt de verwachte terugbetaling. De incidentele derving is geraamd op €119 mln en is geboekt in 2026. De Belastingdienst zal namelijk binnen circa zes maanden na de arrestdatum de bestreden rentebeschikkingen verminderen.
Structurele derving
De structurele derving is berekend aan de hand van kascijfers van de Belastingdienst over de ontvangsten en uitgaven belastingrente. O.b.v. van deze kascijfers zijn grondslagen geschat.
Het schatten van de grondslagen gebeurt als volgt: de Belastingdienst rapporteert voor de kascijfers in welke maanden zij zijn ontvangen (of betaald). Voor alle belastingrentebeschikkingen wordt aangenomen dat het rentetijdvak start op 1 juli na het belastingjaar en dat het rentetijdvak eindigt in de ontvangstmaand.1 O.b.v. het rentetijdvak kan het totale (enkelvoudige) rentepercentage worden berekend. De grondslagen zijn vervolgens berekend door de kasontvangsten te delen door de veronderstelde rentepercentages.
Structurele grondslag: in de periode 2022-2025 zijn de grondslagen voor de vpb belastingrenteontvangsten redelijk stabiel. Om die reden is het gemiddelde over de periode 2022-2025 genomen en vervolgens is dit gemiddelde geïndexeerd naar prijzen en volume 2026 aan de hand van de CPB-ramingen voor prijzen en volume bbp (MEV26). Voor de uitgaven is een gemiddelde genomen over de periode 2023-2025. Dit gemiddelde is ook geïndexeerd naar prijzen en volume 2026.
Vervolgens is het renteopslagverschil tussen Vpb+ en IH vermenigvuldigd met de structurele grondslagen voor de ontvangsten en met die voor de uitgaven. De belastingrenteontvangsten vallen door het arrest structureel € 163 mln lager uit, en de uitgaven € 17 mln. De structurele derving bedraagt derhalve € 145 mln.
De onzekerheid over de structurele derving is gemiddeld. Door gebroken boekjaren klopt de aanname dat het rentetijdvak altijd op 1 juli van het volgende jaar begint niet altijd. Gebroken boekjaren komen geregeld voor (zie voetnoot 1). Daarnaast zijn de grondslagen o.b.v. kascijfers verouderde gegevens, omdat de ontvangstdatum van de belastingrente ver van het begin van het rentetijdvak kan liggen. De grondslagen zijn echter in recente jaren stabiel.
Voor gebroken boekjaren kan het rentetijdvak op een ander moment in het jaar aanvangen. Uit de vpb-aanslagen blijkt dat belastingplichtigen met een gebroken boekjaar 12% van de totale vpb-belastingsom uitmaken. Voor hen kan de veronderstelde startdatum van 1 juli te vroeg of te laat zijn. Uit gegevens over de verdeling van het einde van het boekjaar blijkt dat binnen de groep met een gebroken boekjaar in circa 60% v/d de gevallen het boekjaar eindigt ergens in de periode 1-7 t/m 30-12. In de raming wordt de start van het rentetijdvak voor hen te laat ingeschat. Voor de overige 40% eindigt het boekjaar ergens in de periode 1-1 t/m 30-6. Voor hen wordt de start van het rentetijdvak te vroeg ingeschat. De aanname van 1-7 leidt dus tot een lichte onderschatting van de grondslagen.↩︎