[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

36900 Nota naar aanleiding van het verslag inzake Wijziging van de Landbouwkwaliteitswet en de Wet dieren in verband met de implementatie van Verordening (EU) 2024/1143 over kwaliteitsaanduidingen

Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag

Nummer: 2026D16917, datum: 2026-04-09, bijgewerkt: 2026-04-09 17:01, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van zaak 2026Z07574:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


Geachte Voorzitter,

Hierbij zend ik u de antwoorden op de vragen gesteld door de leden van de vaste commissie Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over de wijziging van de Landbouwkwaliteitswet en de Wet Dieren i.v.m. de implementatie van Vo (EU) 2024/1143 (36900), ingezonden (20-03-2026).

Hoogachtend,

Silvio P.A. Erkens

Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur


36900

1

De leden van de PvdD-fractie wijzen erop dat aanduidingen, zoals bijvoorbeeld een Beschermde Oorsprongsbenaming of Beschermde Geografische Aanduiding (BGA) onterecht de indruk kunnen wekken dat ze gepaard gaan met hoge standaarden en daarmee misleidend kunnen zijn voor de consument. Het idee van beschermde traditionele en lokale producten wordt te vaak nog geassocieerd met hogere standaarden met betrekking tot dierenwelzijn, terwijl in de praktijk dierenwelzijn geen een eis is die wordt meegenomen in de vaststelling of een product in aanmerking komt voor een bescherming door middel van een geografische aanduiding of oorsprongsbenaming. Nederland importeert bijvoorbeeld veel parmaham uit Italië. Consumenten kunnen onterecht denken dat parmaham gepaard gaat met hoge dierenwelzijnsstandaarden, terwijl uit onderzoek van een Italiaanse dierenrechtenorganisatie blijkt dat er ernstige misstanden plaatsvinden bij de productie van parmaham. Varkens worden voor ‘premium parma ham’ geslagen en getrapt, en zonder pijnstilling gecastreerd (Essere Animali, ‘Cruelty on Pigs’ (https://www.essereanimali.org/en/cruelty-italian-pig-farm/)). Onderschrijft de regering deze zorgen?

Antwoord

Een kwaliteitsaanduiding is een keurmerk voor producten die een geografische binding hebben met een gebied of een specifieke traditionele wijze van bereiding hebben. Er zijn andere keurmerken zoals bijvoorbeeld het Europese bio-keurmerk dat specifiek dierenwelzijn meeneemt.

In Vo (EU) 2024/1143 kunnen producenten van een kwaliteitsaanduiding op vrijwillige basis afspraken maken over duurzame praktijken die milieu-, sociale en economische doelstellingen omvatten en verder gaan dan verplichte normen. Onderdeel van deze duurzame praktijken is de bevordering van dierenwelzijn. Die praktijken kunnen in het productdossier of in een afzonderlijk initiatief worden opgenomen.

2

Kan de regering aangeven of zij op Europees niveau heeft gepleit voor het meenemen van dierenwelzijnsstandaarden bij kwaliteitsaanduidingen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord

De doeldoelstelling van deze Verordening richt zich op de bescherming van de Europese gastronomie en cultuur. Ook de inzet van de Nederlandse regering bij de totstandkoming van deze verordening richtte zich daarop. Overigens is in de Verordening opgenomen dat criteria met betrekking tot duurzaamheid, waar dierenwelzijn onderdeel van is, kunnen worden gesteld aan het product en/of productieproces door de producenten.

3

De leden van de PvdD-fractie vragen de regering welke stappen zij van plan is te nemen om transparantie te vergroten over het feit dat dergelijke aanduidingen niks zeggen over de wijze waarop dieren zijn behandeld.

Antwoord

Een kwaliteitsaanduiding is een keurmerk voor producten die een geografische binding hebben met een gebied of een specifieke traditionele wijze van bereiding hebben. Deze producten leveren een bijdrage aan het levend cultureel en gastronomisch erfgoed van de Europese Unie. Op vrijwillige basis kunnen producenten van een kwaliteitsaanduiding afspraken maken over duurzame praktijken die milieu-, sociale en economische doelstellingen omvatten en verder gaan dan verplichte normen. Onderdeel van deze duurzame praktijken is de bevordering van dierenwelzijn. Die praktijken kunnen in het productdossier of in een afzonderlijk initiatief worden opgenomen.

4

Kan de regering aangeven waarom zij ervoor heeft gekozen om in deze implementatiewet niks mee te nemen over het waarborgen van dierenwelzijn en het tegengaan van misleiding van de consument? Is de regering er alsnog toe bereid om dat te doen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord

Een kwaliteitsaanduiding is een keurmerk voor producten die een geografische binding hebben met een gebied of een specifieke traditionele wijze van bereiding hebben. Er zijn andere keurmerken zoals bijvoorbeeld het Europese bio-keurmerk dat specifiek dierenwelzijn meeneemt. Verder geeft Vo (EU) 2024/1143 de producentengroepering de mogelijkheid om afspraken te maken over duurzaamheid, waarvan dierenwelzijn een onderdeel kan zijn. In de Verordening is niet opgenomen dat de lidstaten hier verplichtingen over mogen stellen.

Verder is het beleid van het kabinet om de regeldruk voor bedrijven te verminderen. Om daar aan te voldoen is de Verordening geïmplementeerd zonder nationale koppen.

In het kader van de waarborging van dierenwelzijn werkt Nederland toe naar een dierwaardige veehouderij. De inzet is dit ook zoveel mogelijk doorgevoerd te krijgen in de nog te herziene EU-wetgeving inzake dierenwelzijn (voor productiedieren). Met het oog hierop is de inzet van Nederland bij de Europese Commissie en andere EU-lidstaten draagvlak te creëren voor relevante maatregelen op dit vlak.

5

Deze leden vragen de regering in hoeverre deze Verordening daadwerkelijk de positie van de Nederlandse boer en producent versterkt of dat het wederom een extra laag bureaucratie betreft die vooral de Europese Commissie (EC) meer bevoegdheden geeft.

Antwoord

Het aanvragen van een kwaliteitsaanduiding voor een product of het produceren van een product met een kwaliteitsaanduiding is iets waarvoor de boer of ondernemer zelf kiest. Dit omdat een kwaliteitsaanduiding kansen biedt voor de versterking van de positie van de boer of ondernemer die zich met zijn product wil onderscheiden.

6

Kan de regering garanderen dat de 'vereenvoudiging' van procedures waar de Verordening over spreekt, in de praktijk niet zal leiden tot méér regeldruk voor onze lokale producenten?

Antwoord

In de nieuwe Verordening is de procedure voor registratie van producten (landbouwproducten, levensmiddelen, wijn en gedistilleerde dranken) met een kwaliteitsaanduiding vereenvoudigd en is er geen verschil meer in de procedure voor de registratie van landbouwproducten, levensmiddelen, wijn en gedistilleerde dranken.

7

De leden van de D66-fractie vragen de regering toe te lichten hoe wordt omgegaan met situaties waarin websites of webshops die inbreuk maken op kwaliteitsaanduidingen en die worden gehost op servers buiten Nederland of buiten de Europese Unie (EU). Zowel het Controle Orgaan Kwaliteits Zaken (COKZ) als het Kwaliteits-Controle-Bureau (KCB) wijzen in hun uitvoeringstoetsen op deze praktische moeilijkheid. Hoe beoordeelt de regering de effectiviteit van de zelfstandige last in dergelijke gevallen?

Antwoord

De inzet van de Nederlandse regering is om onze eigen producten met een kwaliteitsaanduiding zo goed mogelijk te beschermen tegen inbreuk. Deze inbreuk kan zowel uit de EU komen als van daar buiten. Optreden tegen inbreuk door partijen van buiten de EU is lastiger omdat deze partijen niet vallen onder de EU wetgeving.

8

De leden van de D66-fractie vragen de regering voorts toe te lichten hoe de subsidiariteits- en proportionaliteitstoets in de praktijk wordt uitgevoerd bij het opleggen van een zelfstandige last aan partijen die als tussenpersoon fungeren en welke procedurele waarborgen gelden om te voorkomen dat deze bevoegdheid disproportioneel wordt ingezet jegens partijen die zelf geen inbreuk plegen.

Antwoord

Uitgangspunt is dat pas toepassing gegeven wordt aan deze bevoegdheid om een zelfstandige last op te leggen indien er geen andere doeltreffende middelen zijn om strijdig gebruik van namen van producten of diensten te voorkomen of te beëindigen. Eerst wordt vastgesteld of de overtreding beëindigd kan worden door degene die de overtreding pleegt of medepleegt (de overtreder). Als dat zo is wordt toepassing gegeven aan artikel 19 van de Landbouwkwaliteitswet en wordt een last onder dwangsom opgelegd.

Als een last onder dwangsom geen soelaas biedt, bijvoorbeeld omdat bij een overtreding op het internet niet altijd kan worden achterhaald wie de overtreding begaat, wordt toepassing gegeven aan de voorgestelde zelfstandige last van artikel 16. De last wordt dan gericht tot degene die daarvoor het meest in aanmerking komt (anderen dan de overtreder) en die de overtreding kan beëindigen. In die situatie kan de minister zich richten tot degene die een website op het internet geplaatst heeft of degene die in staat moet worden geacht die website aan te passen of de inhoud daarvan van het internet te verwijderen (sub a).

De zelfstandige last kan worden opgelegd aan een aanbieder van een hostingdienst, een beheerder van een domeinregister of een registrerende instantie dan wel aan een andere partij die ertoe in staat is om de overtreding te stoppen (sub b en c), nadat de noodzaak daarvan is aangetoond.

In iedere situatie zal de minister beoordelen welke maatregel het meest doelmatig is, rekening houdend met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dat betekent dat de last wordt gericht tot degene die daarvoor het meest in aanmerking komt en in staat is om de overtreding te stoppen. Daarbij ligt het in de rede dat de minister gelet op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zich in eerste instantie wendt tot de (rechts)personen genoemd onder a, en pas in laatste instantie tot de (rechts)personen genoemd onder c.

Vanwege de mogelijke beperking van grondrechten en het bijzondere belang van rechtsbescherming daarbij wordt in dit wetsvoorstel voorgesteld de opgelegde last pas een week na bekendmaking in werking te laten treden. Door die uitgestelde inwerkingtreding heeft diegene aan wie de last is opgelegd tijd om bij de bevoegde bestuursrechter (College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) een verzoek om een voorlopige voorziening in te dienen. Indien binnen die periode bij de minister bezwaar is gemaakt en bij de bevoegde bestuursrechter een voorlopige voorziening is gevraagd, treedt de zelfstandige last niet in werking voordat op dat verzoek is beslist (of het verzoek is ingetrokken).

9

Deze leden vragen de regering of deze verregaande bevoegdheid niet een hellend vlak vormt richting censuur en een inbreuk op de vrijheid van meningsuiting. Hoe kan de regering garanderen dat deze machtsmiddelen niet oneigenlijk worden gebruikt tegen critici of kleinere marktpartijen onder het mom van de bescherming van een 'kwaliteitsaanduiding'?

Antwoord

De grondwettelijke waarborgen ten aanzien van de vrijheid van meningsuiting zijn niet van toepassing op handelsreclame gelet op artikel 7, vierde lid van de Grondwet. Handelsreclame is iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen.

Het zal in de meeste gevallen van gebruik van namen van producten of diensten met een kwaliteitsaanduiding gaan om handelsreclame.

Voor zover bij het gebruik van een kwaliteitsaanduiding sprake is van de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting is van belang dat de uitoefening van dit recht op grond van artikel 10, tweede lid, van het EVRM kan worden beperkt indien dit bij de wet is voorzien. Ook is het in een democratische samenleving noodzakelijk (proportioneel en subsidiair) in het belang van onder meer het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, of om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen.

De in het wetsvoorstel opgenomen bevoegdheid tot het opleggen van een zelfstandige last voldoet, aan de vereisten die in het genoemde verdrag zijn gesteld aan een beperking van de vrijheid van meningsuiting. Het wetsvoorstel voorziet in een wettelijke grondslag van de bevoegdheid tot het opleggen van een zelfstandige last. Voorts is geborgd dat de toepassing van deze bevoegdheid alleen plaatsvindt met het oog op het gerechtvaardigde belang van de bescherming van consumenten (consumentvertrouwen in kwaliteit) en marktdeelnemers (eerlijke handelspraktijken, reputatie van het product met de geografische aanduiding mag niet worden geschaad) tegen inbreuken van de bedoelde bescherming van kwaliteitsaanduidingen, zoals vereist door de nieuwe Verordening (EU) 2024/1143.

Als uitgangspunt is in de bepaling expliciet geformuleerd dat het gebruik van deze bevoegdheid noodzakelijk en proportioneel moet zijn. De voorgestelde bevoegdheid mag pas worden ingezet indien er geen andere doeltreffende middelen beschikbaar zijn om de inbreuk te doen beëindigen. Dat betekent dat de last wordt gericht tot degene die daarvoor het meest in aanmerking komt en die de overtreding kan beëindigen.

10

Deze leden vragen de regering toe te lichten hoe wordt omgegaan met gevallen waarin het gebruik van een kwaliteitsaanduiding niet primair een commercieel karakter heeft, bijvoorbeeld in redactionele of informatieve online-inhoud. Hoe wordt in die gevallen de grondwettelijke bescherming van de vrijheid van meningsuiting gewaarborgd?

Antwoord

Voor zover bij het gebruik van een kwaliteitsaanduiding sprake is van de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting is van belang dat de uitoefening van dit recht op grond van artikel 10, tweede lid, van het EVRM kan worden beperkt indien dit bij de wet is voorzien. Ook is het in een democratische samenleving noodzakelijk (proportioneel en subsidiair) in het belang van onder meer het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, of om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen.

De in het wetsvoorstel opgenomen bevoegdheid tot het opleggen van een zelfstandige last voldoet, aan de vereisten die in het genoemde verdrag zijn gesteld aan een beperking van de vrijheid van meningsuiting. Het wetsvoorstel voorziet in een wettelijke grondslag van de bevoegdheid tot het opleggen van een zelfstandige last. Voorts is geborgd dat de toepassing van deze bevoegdheid alleen plaatsvindt met het oog op het gerechtvaardigde belang van de bescherming van consumenten (consumentvertrouwen in kwaliteit) en marktdeelnemers (eerlijke handelspraktijken, reputatie van het product met de geografische aanduiding mag niet worden geschaad) tegen inbreuken van de bedoelde bescherming van kwaliteitsaanduidingen, zoals vereist door de nieuwe Verordening (EU) 2024/1143.

Als uitgangspunt is in de bepaling expliciet geformuleerd dat het gebruik van deze bevoegdheid noodzakelijk en proportioneel moet zijn. De voorgestelde bevoegdheid mag pas worden ingezet indien er geen andere doeltreffende middelen beschikbaar zijn om de inbreuk te doen beëindigen. Dat betekent dat de last wordt gericht tot degene die daarvoor het meest in aanmerking komt en die de overtreding kan beëindigen.

11

Deze leden vragen de regering toe te lichten op welke termijn het register operationeel zal zijn en hoe wordt gewaarborgd dat het register bij inwerkingtreding volledig is, mede gelet op de waarschuwing van de Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO) dat reeds erkende marktdeelnemers expliciet moeten worden opgenomen om onvolledigheid te voorkomen.

Het register zal met de inwerkingtreding van de gewijzigde Landbouwkwaliteitswet en de Wet Dieren operationeel zijn. Beoogd is om 1-1-2027 deze wet en het register in werking te laten treden.

Antwoord

Het is voor de marktdeelnemer een verplichting om, voordat een product met een kwaliteitsaanduiding in de handel wordt gebracht, te laten verifiëren dat product overeenkomstig het productdossier is geproduceerd. Deze verificatie wordt verricht door, afhankelijk van het soort product, de Stichting KCB, het COKZ en de NVWA (namens de minister). Een marktdeelnemer die zich niet meldt bij de bevoegde autoriteit handelt in strijd met de wet- en regelgeving en hier kan handhavend tegen worden opgetreden.

12

De leden van de D66-fractie vragen de regering voorts toe te lichten hoe de toegang tot het register is afgebakend tussen de verschillende bevoegde autoriteiten en welke technische en organisatorische maatregelen worden getroffen om onbevoegde toegang tot persoonsgegevens te voorkomen.

Antwoord

RVO beheert het deel van het register waar het productdossier en enig document worden bewaard. De bevoegde autoriteiten (KCB, COKZ en NVWA) beheren ieder hun eigen deel van het register met daarin de marktdeelnemers die een product met een kwaliteitsaanduiding in de handel brengen die valt onder hun bevoegdheid.

Gegevens in het register kunnen op verzoek worden uitgewisseld tussen de minister, controle-instelling, bevoegde autoriteit of een controle-autoriteit, indien dat noodzakelijk is gebleken voor de uitvoering van bindende onderdelen van EU-rechtshandelingen betreffende de kwaliteit van producten. Ook is gebleken in de praktijk dat er behoefte is aan uitwisseling van gegevens tussen de minister en de KCB of COKZ. Hiervoor is een grondslag gemaakt, maar alleen als dit op verzoek gebeurt, het gaat om gegevens die in het register staan en voor zover dat noodzakelijk is gebleken voor de uitvoering van bindende onderdelen van EU-rechtshandelingen betreffende de kwaliteit van producten.

13

Deze leden vragen de regering waarom gekozen is voor een bewaartermijn van persoonsgegevens van vijf jaar na uitschrijving. Is de regering van mening dat dit in verhouding staat tot het doel en hoe wordt de privacy van onze ondernemers hierbij gewaarborgd tegenover de drang van de EU naar centrale dataverzameling?

Antwoord

Verordening (EU) 2024/1143 schrijft het volgende voor: Documentatie met betrekking tot de registratie van een geografische aanduiding en van een gegarandeerde traditionele specialiteit, in digitale of papieren vorm, moet worden bewaard gedurende een periode van 10 jaar na de annulering van de registratie, om verlies van historische informatie te voorkomen en vergelijking met mogelijke latere aanvragen met betrekking tot dezelfde of soortgelijke namen mogelijk te maken. Eventuele persoonsgegevens die onderdeel zijn van die documentatie moeten ook worden bewaard.

Voor het bewaren van de persoonsgegevens in de twee registers staat geen termijn in de verordening. Hiervoor is aangesloten bij de Archiefwet waarin een bewaartermijn van 5 jaar is opgenomen voor het implementeren van internationale regels in bestaande of nieuwe regelgeving.

14

Hoe denkt de regering dit praktisch te gaan handhaven zonder dat het eindigt in een papieren tijger die alleen de eerlijke Nederlandse ondernemer raakt, terwijl malafide buitenlandse partijen buiten schot blijven?

Antwoord

De inzet van de Nederlandse regering is om onze eigen producten met een kwaliteitsaanduiding zo goed mogelijk te beschermen tegen inbreuk. Deze inbreuk kan zowel uit de EU komen als van daar buiten. Optreden tegen inbreuk door partijen van buiten de EU is lastiger omdat die niet vallen onder de EU wetgeving.

15

De leden van de PVV-fractie constateren dat er onduidelijkheid bestaat over de taakverdeling tussen de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), het COKZ en het KCB. Het KCB geeft aan dat een duidelijke taakverdeling nu niet is opgenomen in de wetgeving. Waarom heeft de regering de zorgen van deze uitvoeringsinstanties over de bevoegdheidsafbakening niet verwerkt in de memorie van toelichting?

Antwoord

De taakverdeling tussen de bevoegde autoriteiten (COKZ, KCB en NVWA) staat niet in de Landbouwkwaliteitswet, maar in het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007 en de Regeling dierlijke producten. De onderling gemaakte afspraak over de controles op de markt (retail, supermarkten) zal in dit besluit en deze regeling worden geformaliseerd.

Concreet zal in het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007 de Stichting KCB worden aangewezen als bevoegde autoriteit voor de controle tijdens de productiefase van groente, fruit, aardappelen en bananen met kwaliteitsaanduiding. Het toezicht op deze producten zodra ze op de markt zijn gebracht, zal worden opgedragen aan de NVWA. De Regeling dierlijke producten zal worden aangepast zodat de Stichting COKZ aangewezen wordt als bevoegde autoriteit voor de controle in de productiefase van zuivelproducten, vlees van pluimvee en eieren met een kwaliteitsaanduiding. Het toezicht op deze producten zodra ze op de markt zijn gebracht, zal worden opgedragen aan de NVWA.

16

Kan de regering de toezegging doen dat dit wetsvoorstel niet zal leiden tot extra kosten of heffingen voor onze boeren en producenten? Bovendien vragen deze leden waarom een globale inschatting van de tijd en kosten voor aanvragen ontbreekt, zoals ook door het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR) is opgemerkt.

Antwoord

In de memorie van toelichting is opgenomen dat zal worden onderzocht of het mogelijk is om retributies in te voeren. Met de voorgestelde wijziging van de Landbouwkwaliteitswet en de Wet Dieren worden geen retributies opgelegd en zijn derhalve geen extra kosten voor de boeren en producenten gemoeid.

In hoofdstuk 7.5 Adviescollege toetsing regeldruk van de memorie van toelichting is uiteengezet dat het niet mogelijk is om de regeldrukgevolgen in beeld te brengen door een beschrijving en kwantificering, conform de Rijksbrede methodiek. Dit vanwege de veelheid aan verschillende bedrijfstypen en diverse omvang daarvan op dit terrein.

Marktdeelnemers die een product met een kwaliteitsaanduiding produceren zijn zeer divers, kleine MKB-bedrijven, bijvoorbeeld bakkers die Limburgse vlaaien bakken maar ook multinationals als Friesland Campina die Noord-Hollandse Gouda kaas produceren. Het is daarom lastig de regeldrukgevolgen in beeld te brengen. Dat verschilt voor iedere marktdeelnemer. Een schatting is dat het online aanmelden bij de bevoegde autoriteit inclusief de daarvoor benodigde gegevens verzamelen ongeveer 1 uur in beslag neemt. Voor de inschatting van de kosten is gebruik gemaakt van de standaard uurtarieven opgenomen in het handboek meting regeldrukkosten van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat van 29 november 2023. Het uurtarief van hoogopgeleide medewerkers is € 77,- per uur en dat van laaggeschoold en ongeschoold personeel € 23,- is per uur.

17

Deze leden zouden graag van de minister willen weten met hoeveel nieuwe aanvragen rekening wordt gehouden.

Antwoord

In totaal heeft Nederland op dit moment 38 kwaliteitsaanduidingen. Een aanvraag tot registratie van een kwaliteitsaanduiding voor een product wordt ingediend bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van oorsprong van het product door een producentengroepering. Het aantal leden van een producentengroepering varieert, er zijn kleine en grote. In totaal hebben de producentengroeperingen samen ongeveer 400 leden. Het ligt niet in de lijn der verwachting dat het aantal kwaliteitsaanduidingen sterk zal toenemen. In 2024 zijn twee kwaliteitsaanduidingen voor producten afgegeven, dat is boven gemiddeld. In 1996 zijn de eerste geografische aanduidingen afgegeven, dus in 30 jaar zijn 38 kwaliteitsaanduidingen afgegeven, gemiddeld 1,3 geografische aanduiding per jaar.

18

Vanaf hoeveel nieuwe aanvragen (boven op het aantal aanvragen dat gemiddeld genomen per jaar binnenkomt), wordt het noodzakelijk om zo een retributie in te voeren?

Antwoord

In de memorie van toelichting is opgenomen dat zal worden onderzocht of het mogelijk is om retributies in te voeren. Dit onderzoek loopt nog, derhalve kan ik uw vraag niet beantwoorden.

19

RVO geeft aan dat zij verwacht dat de implementatie van deze wijziging geen grote problemen oproept in de uitvoering, aangezien de verwachting is dat er niet heel veel nieuwe marktdeelnemers zich zullen melden. Waarom wordt er dan toch gekeken naar de mogelijkheid om een retributie in te voeren?

Antwoord

RVO beheert het deel van het register waar het productdossier en enig document worden bewaard. De bevoegde autoriteiten (KCB, COKZ en NVWA) beheren ieder hun eigen deel van het register met daarin de marktdeelnemers die een product met een kwaliteitsaanduiding in de handel brengen die valt onder hun bevoegdheid.

De kosten voor de aanvraag, wijziging of annulering van een productdossier, taken die zijn belegd bij RVO, worden nu betaald uit de algemene middelen (waar dus iedereen aan mee betaalt), terwijl er sprake is van het profijtbeginsel. De marktdeelnemers profiteren hiervan, hun product zoals beschreven in het productdossier worden beschermd tegen namaak en inbreuk hierop in de EU.

De kosten voor toezicht en handhaving op of producten in overeenstemming met het productdossier zijn worden gedaan door de bevoegde autoriteiten. Deze kosten worden op dit moment niet, gedeeltelijk of geheel doorbrekend aan de marktdeelnemer, afhankelijk van het betrokken product. Aangezien niet alle kosten geheel worden doorberekend en er een onderscheid wordt gemaakt naar producten moet dit opnieuw onderzocht worden. Een groot deel van deze kosten worden betaald uit de algemene middelen (waar dus iedereen aan mee betaalt), terwijl er sprake is van het profijtbeginsel. De producten met een kwaliteitsaanduiding zijn beschermd tegen namaak en inbreuk, herkenbaarder en dat heeft een positief effect op de verhandelbaarheid en de winst.

Het Rijksbrede kader (Maat houden) hanteert als uitgangspunt het streven naar een eerlijke kostenverdeling, waarbij niet alleen de maatschappij opdraait voor controles die specifiek nodig zijn voor bepaalde marktdeelnemers. Deze kosten kunnen gezien het profijt in beginsel worden omgeslagen in een retributie. Daarnaast zal natuurlijk eerst moeten worden onderzocht welke andere overwegingen er zijn in de afweging om wel of niet een retributie in te voeren. Deze afweging zal te zijner tijd met de sector en Kamers worden gedeeld.

20

Daarnaast wordt in de memorie van toelichting aangegeven dat er weliswaar een aantal nieuwe taken voor RVO en de NVWA te verwachten zijn, maar dat die minimaal zijn en bovendien inpasbaar in de huidige werkzaamheden. Waarom wordt dan bij de overweging tot invoering van een retributie wel rekening gehouden met deze minimale uitbreiding van taken?

Antwoord

In de memorie van toelichting is opgenomen dat zal worden onderzocht of het mogelijk is om retributies in te voeren. Dit onderzoek loopt nog, derhalve kan ik uw vraag niet beantwoorden.

21

Zou die invoering niet juist weer een verhoging van (administratieve) lasten geven, die juist met dit wetsvoorstel vermeden zou moeten worden?

Antwoord

Het wetsvoorstel introduceert geen extra administratieve lasten voor ondernemers.

22

Zou het onderzoek naar het invoeren van een retributie in verband met de extra te verwachten aanvragen op zich niet al duurder zijn dan het behandelen van de extra te verwachten aanvragen zonder retributie, gezien het feit dat er sinds de jaren ’90 gemiddeld 1,3 aanvragen per jaar worden gedaan?

Antwoord

Op deze vraag kan ik geen antwoord geven, dit omdat het onderzoek naar retributies nog loopt.

23

Wanneer wordt het resultaat van het onderzoek naar een mogelijke invoering van de retributie verwacht?

Antwoord

De verwachting is dat het onderzoek dit jaar zal worden afgerond.

24

Waarom is dit niet gedaan voor het wetsvoorstel naar de Kamer kwam?

Antwoord

In de Vo (EU) 2024/1143 is geen verplichting opgenomen over de invoering van retributies. Met het wetsvoorstel wordt deze Verordening zuiver geïmplementeerd.

25

De leden van de PVV-fractie vragen of de Raad voor de rechtspraak opnieuw om advies is gevraagd nadat het wetsvoorstel op belangrijke punten is gewijzigd? Zo nee, waarom niet?

Antwoord

De Raad voor de rechtspraak adviseert in plaats van een machtiging van de rechter-commissaris in het wetsvoorstel te regelen dat een opgelegde last pas in werking treedt na een korte periode (van bijvoorbeeld één week), tenzij binnen die periode bezwaar is gemaakt en een voorlopige voorziening bij het CBb is gevraagd en zolang daarop nog niet is beslist. Dit advies is opgevolgd. Omdat het advies is opgevolgd is niet nogmaals om advies gevraagd.

26

De leden van de PVV-fractie vragen de regering naar de definitieve planning van de inwerkingtreding.

Antwoord

Beoogd is om 1-1-2027 deze wetten in inwerking te laten treden, zodat we voldoen aan de vaste verandermomenten van wetgeving.

Het wetsvoorstel tot wijziging van de Landbouwkwaliteitswet en de Wet Dieren heeft de gebruikelijke procedure doorlopen en ligt nu in de Tweede Kamer. Hierna moet het wetsvoorstel worden ingediend bij de Eerste Kamer. Een definitieve planning van de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel is op dit moment aldus moeilijk te geven.

27

Gezien het feit dat de Verordening al sinds januari 2025 geldt, vragen deze leden de regering of zij kan bevestigen dat er geen sprake zal zijn van terugwerkende kracht voor eventuele handhavingsmaatregelen die voortvloeien uit dit wetsvoorstel.

Antwoord

De regering bevestigt dat er geen sprake zal zijn van terugwerkende kracht van handhavingsmaatregelen die voortvloeien uit dit wetsvoorstel.