[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [šŸ§‘mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [šŸ” uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Fiche: Richtlijn bestrijding van de illegale handel in vuurwapens

Brief regering

Nummer: 2026D17209, datum: 2026-04-10, bijgewerkt: 2026-04-10 15:52, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van zaak 2026Z07674:

Preview document (šŸ”— origineel)


Fiche 4: Richtlijn bestrijding van de illegale handel in vuurwapens

  1. Algemene gegevens

  1. Titel voorstel

Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bestrijding van de illegale handel in vuurwapens en andere misdrijven in verband met vuurwapens, en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2024/1260 van het Europees Parlement en de Raad

  1. Datum ontvangst Commissiedocument

26 februari 2026

  1. Nr. Commissiedocument

COM(2026) 102

  1. EUR-Lex

EUR-Lex - 52026PC0102 - EN - EUR-Lex

  1. Nr. impact assessment Commissie en Opinie Raad voor Regelgevingstoetsing

SWD(2026) 102-103 en SEC(2026) 102

  1. Behandelingstraject Raad

Raad Justitie en Binnenlandse Zaken

  1. Eerstverantwoordelijk ministerie

Ministerie van Justitie en Veiligheid

  1. Rechtsbasis

Artikel 83, eerste en tweede lid van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU)

  1. Besluitvormingsprocedure Raad

Gekwalificeerde meerderheid

  1. Rol Europees Parlement

Medebeslissing

  1. Essentie voorstel

  1. Inhoud voorstel

    Op 26 februari 2026 heeft de Europese Commissie (hierna: de Commissie) een richtlijn gepubliceerd die het strafrechtelijke kader rond vuurwapenhandelgerelateerde criminaliteit in de Europese Unie (EU) harmoniseert, met als doel de veiligheid van burgers te vergroten en de handhaving van het bestaande wapenrecht te versterken.

    Aanleiding is de aanhoudende en grensoverschrijdende aard van vuurwapenhandel, de stijgende criminele vraag, en nieuwe risico’s door technologische ontwikkelingen zoals 3D‑printen. Tegelijkertijd bestaat er binnen de EU een gefragmenteerd strafrechtelijk landschap en een groot tekort aan betrouwbare gegevens over illegale vuurwapens, wat effectieve opsporing, vervolging en beleidsvorming belemmert. Op basis van de bevoegdheden in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en in aanvulling op de bestaande interne‑marktinstrumenten voor legaal bezit en handel, beoogt de richtlijn minimumregels vast te stellen voor misdrijven, sancties, samenwerking en dataverzameling, zonder afbreuk te doen aan legitiem wapenbezit, innovatie en onderzoek.

    De kern van het voorstel is de duidelijke strafbaarstelling van gedragingen die de integriteit van het Unierechtelijk wapenstelsel ondermijnen. Illegale vervaardiging en handel worden gecriminaliseerd waar deze plaatsvinden zonder vereiste autorisaties of zonder correcte markeringen, of door manipulatie van markeringen. Illegaal bezit wordt strafbaar gesteld binnen de contouren van het bestaande materiƫle wapenrecht. Daarnaast adresseert het voorstel expliciet de digitale dimensie: digitale ontwerpbestanden (blueprints) die het privƩ vervaardigen van vuurwapens en essentiƫle componenten mogelijk maken, vormen een sleutelrisico. Daarom worden het creƫren, verwerven, bezitten en delen van dergelijke blueprints zonder autorisatie strafbaar gesteld, en wordt de verspreiding van blueprints zwaarder aangezet gezien het onbeheersbare proliferatierisico online; hiervoor volstaat bij de delictsomschrijving ernstige nalatigheid. In lijn met internationale verplichtingen worden ook poging, uitlokking en medeplichtigheid onder de strafbaarstelling gebracht.

    De sancties zijn ontworpen om effectief, afschrikwekkend en evenredig te zijn, met hogere maximumstraffen voor de ernstigste vormen (zoals illegale vervaardiging en handel) en passende maxima voor andere feiten, inclusief de blueprint‑delicten. De richtlijn introduceert eveneens een coherent regime voor de aansprakelijkheid van rechtspersonen, met significante maximumboetes uitgedrukt als percentage van de wereldwijde omzet of vaste bedragen, en met aanvullende maatregelen zoals uitsluiting van overheidsopdrachten, intrekking van vergunningen of sluiting van inrichtingen. Verzwarende omstandigheden weerspiegelen de bijzondere maatschappelijke schade van vuurwapens, bijvoorbeeld wanneer veel wapens of categorie A‑wapens (verboden vuurwapens) zijn betrokken, er een link is met terrorisme of georganiseerde criminaliteit, of wanneer letsel of overlijden is veroorzaakt. Tegelijkertijd wordt ruimte gelaten voor strafvermindering wanneer substantiĆ«le medewerking bijdraagt aan preventie, bewijs of het ontmantelen van netwerken.

    Omdat effectieve handhaving cruciaal is, verplicht de richtlijn lidstaten te zorgen voor toegang tot bijzondere opsporingsbevoegdheden die passend zijn voor de bestrijding van zware en georganiseerde criminaliteit, en voor een zorgvuldig beheer en, in beginsel, vernietiging van inbeslaggenomen illegale wapens. Om te voorkomen dat complexiteit en grensoverschrijdend karakter vervolging ondermijnen, worden minimumregels voor verjaring en rechtsmacht geharmoniseerd, en wordt coƶrdinatie via onder meer Eurojust gefaciliteerd bij samenloop van jurisdicties.

    Een belangrijke structurele vernieuwing is de inrichting van een National Firearms Focal Point in elke lidstaat, dat de nationale regie voert op informatie, analyses, registratie van inbeslagnames, ondersteuning van tracering en internationale samenwerking. Hiermee wordt beoogd de informatiepositie langs de hele keten te versterken en de aansluiting op Europese instrumenten te verbeteren. Daarop aansluitend legt de richtlijn een uniforme minimumdataset vast voor de registratie van inbeslaggenomen vuurwapens en verplicht maandelijkse aanlevering van deze gegevens aan Europol, naast periodieke, digitaal te publiceren statistieken over vuurwapendelicten aan de Commissie. Dit moet de huidige datakloof dichten, strategische sturing verbeteren en grensoverschrijdende opsporing ondersteunen. De Commissie kan de dataset via gedelegeerde handelingen actualiseren om technologische en criminele ontwikkelingen te volgen.

    Het voorstel borgt grondrechten en proportionaliteit door nauw aan te sluiten bij het bestaande materiĆ«le wapenrecht, door criminalisatie te richten op opzettelijke en risicovolle gedragingen (met een specifieke uitzondering voor de verspreiding van blueprints), en door rechterlijke discretie en passende waarborgen te behouden. De rechten van bonafide wapenbezitters en de legale industrie blijven onaangetast. Transpositie vindt binnen twee jaar plaats, waarna monitoring en rapportagecycli zorgen voor evaluatie en waar nodig bijsturing. Zo ontstaat een samenhangend, toekomstbestendig kader dat strafbaarstellingen, sancties, samenwerking en data op EU‑niveau verbindt en daarmee de weerbaarheid tegen vuurwapencriminaliteit vergroot.

  2. Impact assessment Commissie

    De effectbeoordeling schetst een oplopende schaal van ingrijpen: van een agenda van niet‑wettelijke verduidelijking, betere handhaving en grensoverschrijdende samenwerking, via harmonisatie van kernmisdrijven en sancties, naar een combinatie die die regels ondersteunt met kennisdeling, gezamenlijk testen van 3D‑blueprints en versterkte justitiĆ«le samenwerking, en ten slotte een verdergaande variant met extra strafbaarstellingen en jaarlijkse rapportage. Gekozen is voor de middenweg die normering koppelt aan praktische uitvoeringssteun, omdat die effectief en proportioneel is. Uitsluitend zachte maatregelen missen stuwkracht, louter harmoniseren zonder flankerende ondersteuning maakt minder verschil, en de meest vergaande optie zou lidstaten onevenredig belasten. Hoewel harde cijfers schaars zijn, wijst de analyse op duidelijke maatschappelijke winst: meer veiligheid door minder illegale wapens, zonder noemenswaardige gevolgen voor bonafide wapenbezitters. Economische baten liggen in lagere kosten van schietincidenten; een Zweedse raming (circa 120–140 miljoen euro in de eerste helft van 2024) schetst de orde van grootte. Het Regelgevend Toezichtsorgaan was aanvankelijk kritisch (mei 2025), maar gaf na substantiĆ«le bijstelling een positief oordeel met voorbehoud (november 2025). Milieueffecten zijn niet te verwachten; het voorstel past bij de klimaatneutraliteitsdoelstelling.


  1. Nederlandse positie ten aanzien van het voorstel

  1. Essentie Nederlands beleid op dit terrein

Nederland voert een strikt en streng wapenbeleid. De Wet wapens en munitie verbiedt bezit, dragen en handel buiten vergunning om, met hoge strafmaxima en ruime mogelijkheden tot inbeslagname, onttrekking en ontneming. Politie en Openbaar Ministerie sturen intelligence‑gedreven op hotspots in havens, luchthavens en pakketstromen; tegen handel schakelen zij bijzondere opsporingsbevoegdheden in (pseudokoop, infiltratie, taps, gecontroleerde afleveringen), ondersteund door digitale en forensische tracing. Illegaal wapenbezit wordt voortvarend vervolgd.

De grensoverschrijdende uitdaging is gelegen in ontwikkelingen als (online) beschikbaarheid van componenten, conversiekits en 3D‑prints. Daarom zet Nederland in op snellere rechtshulp, intensieve informatie‑uitwisseling en gezamenlijke operaties via Europol en Eurojust, met interoperabele registraties en verplichte markering en deactivering. Nederland bepleit in EU‑verband hoge, uniforme standaarden en strikte handhaving, zodat er geen zwakke schakels of normverschillen ontstaan die criminelen benutten.

  1. Beoordeling + inzet ten aanzien van dit voorstel

Het kabinet verwelkomt het Commissievoorstel, omdat het aansluit op het nationaal geldende strikte en strenge kader van de Wet wapens en munitie en de strafrechtelijke aanpak: verboden op illegaal bezit en handel, markering en registratie, en effectieve inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden en vervolging. Bovendien erkent het enerzijds de ontstane realiteit dat het maken en verwerven van (onderdelen van) vuurwapens, mede door technologische ontwikkelingen makkelijker is geworden en anderzijds de behoefte van handhavende en opsporingsinstanties om beter zicht te krijgen op deze vorm van criminaliteit. Het kabinet kan begrip opbrengen voor de balans die de Commissie heeft trachten te vinden tussen deze normatieve, opsporings- en strafrechtelijke belangen enerzijds en andere maatschappelijke belangen anderzijds, zoals de bescherming van het eigendomsrecht van legaal wapenbezitters (sport, jacht en andere doeleinden) en de bedrijfsmodellen van de wapenhandel en -producenten. Hun rechten worden met het voorstel niet aangetast.

De meerwaarde ligt in EU‑brede uniformering van definities (van de begrippen ā€œessentiĆ«le onderdelenā€ en ā€œconversiemiddelenā€), aangescherpte markering en deactivering, verplichte tracing en informatie‑uitwisseling, en een gecoƶrdineerde aanpak van online en grensoverschrijdende stromen. Voor Nederland is dit in beginsel complementair en versterkend. Voor verreweg de meeste van de voorgestelde bepalingen geldt dat deze al op voldoende wijze (onder andere wat betreft de minimale strafmaxima, die worden voorgeschreven) een plaats hebben in het Nederlandse recht.

Het kabinet wil in het hiernavolgende onderhandelingsproces een pragmatische, en zo mogelijk tussen partijen bemiddelende houding aannemen. Dat geldt voor de bepalingen waar de precieze definities of verboden worden verbreed (zoals voor conversiekits en 3D‑geprinte componenten), markeringseisen en bewaartermijnen worden uitgebreid, bepaalde minimale strafmaxima worden verhoogd en strafvorderlijke aspecten van de in het Nederlands recht vastgestelde kaders afwijken (o.a. met betrekking tot verplichte, tijdgebonden data‑uitwisseling en gecontroleerde afleveringen over de grens). Het kabinet acht van belang dat de voorgestelde richtlijn in lijn is met de modelbepalingen inzake het materiĆ«le strafrecht van de EU en soortgelijke richtlijnen die recent tot stand zijn gebracht, bijvoorbeeld op het punt van aanvullende straffen voor natuurlijke personen en de hoogte van de maximaal aan rechtspersonen op te leggen geldboetes. Het kabinet staat kritisch tegenover het feit dat bij de delegatiebevoegdheid die in artikel 17, tweede lid van het voorstel gecreĆ«erd wordt een adviesprocedure wordt voorgesteld in plaats van een onderzoeksprocedure (zie verder onder punt 6b). Daarentegen staat het kabinet, ondanks de kosten die ermee gemoeid gaan, positief tegenover het voorstel om de reeds bestaande National Firearms Focal Points (in Nederland belegd bij de Nationale Politie) structureel in te bedden, omdat dit de mogelijkheden voor de noodzakelijke Europese samenwerking vergroot.

Kansen ziet het kabinet in de wisselwerking tussen het voorliggende Commissievoorstel en het door het kabinet ingezette traject om de Wet wapens en munitie te herzien. Waar mogelijk zal Nederland de in dit traject opgedane ideeƫn vertalen in concrete voorstellen ten behoeve van de nieuwe richtlijn.

  1. Eerste inschatting van krachtenveld

Naar verwachting zal het debat in het Europees Parlement zich hoofdzakelijk langs fractielijnen zal bewegen. Lidstaten zullen zich naar alle waarschijnlijkheid vooral laten leiden door meer praktische overwegingen, zoals de vraag in hoeverre de bepalingen in het voorstel makkelijk in nationale wet- en regelgeving kunnen worden omgezet.

  1. Beoordeling bevoegdheid, subsidiariteit en proportionaliteit

  1. Bevoegdheid

    Als onderdeel van de toets of de EU mag optreden conform de EU-verdragen toetst het kabinet of de EU handelt binnen de grenzen van de bevoegdheden die haar door de lidstaten in de EU-verdragen zijn toegedeeld om de daarin bepaalde doelstellingen te verwezenlijken. Het oordeel van het kabinet ten aanzien van de bevoegdheid is positief. Het voorstel is gebaseerd op artikel 83, eerste en tweede lid VWEU. Artikel 83, eerste lid VWEU geeft de EU de bevoegdheid tot het vaststellen van minimumvoorschriften voor strafbare feiten en sancties in verband met vormen van bijzonder zware criminaliteit met een grensoverschrijdende dimensie, waaronder illegale wapenhandel. Artikel 83, tweede lid geeft de EU de bevoegdheid om dit via richtlijnen te doen. Het kabinet kan zich vinden in deze rechtsgrondslag. Op het terrein van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, specifiek justitiƫle samenwerking in strafzaken, is sprake van een gedeelde bevoegdheid tussen EU en de lidstaten op grond van artikel 4, lid 2, sub j VWEU.

  2. Subsidiariteit

    Als onderdeel van de toets of de EU mag optreden conform de EU-verdragen toetst het kabinet de subsidiariteit van het optreden van de Commissie. Dit houdt in dat het kabinet op de gebieden die niet onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie vallen of wanneer sprake is van een voorstel dat gezien zijn aard enkel door de EU kan worden uitgeoefend, toetst of het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de Unie kan worden bereikt (het subsidiariteitsbeginsel). Het oordeel van het kabinet ten aanzien van de subsidiariteit is positief. De richtlijn heeft tot doel de veiligheid van burgers te vergroten en de handhaving van het bestaande wapenrecht te versterken. Gezien de verschillen in wetgeving tussen lidstaten, zowel op strafrechtelijk als strafvorderlijk terrein, technologische ontwikkelingen met name op het digitale niveau, de verdere internationalisering van criminele samenwerkingsverbanden en beperkingen in samenwerkingsmogelijkheden (zowel organisatorisch als op kennisniveau en vergelijkbaarheid van beschikbare gegevens) kan dit onvoldoende door de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau worden verwezenlijkt. Daarom is een EU-aanpak nodig. Door verdere Unierechtelijke harmonisatie van delictsomschrijvingen, strafmaten en bevoegdheden, alsook het scheppen van organisatorische mogelijkheden voor verdergaande samenwerking op strafrechtelijk terrein wordt het gelijk speelveld op het terrein van justitiƫle samenwerking in strafzaken verbeterd. Om die redenen is optreden op het niveau van de EU gerechtvaardigd

  3. Proportionaliteit

Als onderdeel van de toets of de EU mag optreden conform de EU-verdragen toetst het kabinet of de inhoud en vorm van het optreden van de Unie niet verder gaan dan wat nodig is om de doelstellingen van de EU-verdragen te verwezenlijken (het proportionaliteitsbeginsel). Het oordeel van het kabinet ten aanzien van de proportionaliteit is positief. De richtlijn heeft tot doel de veiligheid van burgers te vergroten en de handhaving van het bestaande wapenrecht te versterken. Het voorgestelde optreden is geschikt om deze doelstelling te bereiken. Doordat de zes voorgestelde pijlers en de daarbij horende acties, namelijk het versterken van adequate voorbereiding op dreigingen, het versterken van de radicaliseringspreventie, de grotere inzet op de bescherming van (kwetsbare) personen en jongeren online, het versterken van grenstoezicht samen met zowel opsporing en vervolging in Europa als internationale samenwerking, allemaal wezenlijk bijdragen aan het bestrijden van terrorisme en gewelddadig extremisme binnen de Unie. Bovendien gaat het voorgestelde optreden niet verder dan noodzakelijk, omdat de Commissie zich bij het opstellen van het voorstel rekenschap heeft gegeven van de gerechtvaardigde belangen van legaal wapenbezitters, nationale normen ten aanzien van de strafbaarheid van bepaalde gedragingen en de daarbij behorende strafmaten en de behoeften van handhavings-, opsporings- en vervolgingsinstanties.

  1. Financiƫle consequenties, gevolgen voor regeldruk, concurrentiekracht en geopolitieke aspecten

  1. Consequenties EU-begroting

Voor de Commissie worden uitvoerings- en monitoringkosten gedekt binnen de bestaande begroting; wel zijn er kosten voor overleg en een effectiviteitsstudie van circa €420.000, na afloop van het Meerjarig Financieel Kader. Het kabinet wil niet vooruit lopen op de integrale afweging van middelen na 2027.

  1. Financiƫle consequenties (incl. personele) voor rijksoverheid en/ of medeoverheden

Volgens de Commissie leidt het voorstel tot effectievere opsporing en meer vuurwapenzaken, waarvoor lidstaten extra personeel nodig hebben (jaarlijks €4.069.175 in totaal in de eerste vijf jaar). Administratieve kosten bij forensische diensten stijgen mee met het aantal inbeslagnames: €574.564 per jaar voor ballistische rapporten en €332.107 per jaar voor digitale blauwdrukken. Daarnaast zijn eenmalige investeringen voorzien: €12.070.917 voor de uitbouw van de National Firearms Focal Point en €10.800.000 voor harmonisatie van databestanden.

Voor de Nederlandse begroting geldt dat de budgettaire gevolgen worden ingepast op de begroting van het beleidsverantwoordelijk departement, conform de regels van de budgetdiscipline.

  1. Financiƫle consequenties en gevolgen voor regeldruk voor bedrijfsleven en burger

Niet voorzien is dat het bedrijfsleven of burgers door het voorstel geraakt worden in financiƫle zin noch door toename van regelgeving.

  1. Gevolgen voor concurrentiekracht en geopolitieke aspecten

Het voorstel heeft geen voorzienbare gevolgen voor de concurrentiekracht van Nederlandse bedrijven. Door de aandacht die in het voorstel wordt gegeven aan het risico van illegale vuurwapens uit conflictgebieden, heeft het voorstel met de toegenomen mogelijkheden die het opsporingsinstanties biedt om illegale vuurwapens door internationale samenwerking beter te traceren en uit de markt te halen in zoverre geopolitieke gevolgen dat het in die zin ook bij zal dragen aan het creƫren van een veiliger internationale omgeving voor de Europese Unie.

  1. Implicaties juridisch

  1. Consequenties voor nationale en decentrale regelgeving en/of sanctionering beleid (inclusief toepassing van de lex silencio positivo)

In ongewijzigde vorm heeft het voorstel gevolgen voor zowel de Wet wapens en munitie als het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering. Voor de Wet wapens en munitie geldt dat enkele definities, delictsomschrijvingen en strafmaten dienen te worden aangepast of toegevoegd. In het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering zullen respectievelijk de sancties die (rechts)personen kunnen worden opgelegd en enkele bevoegdheden ten aanzien van dwangmiddelen die kunnen worden toegepast moeten worden veranderd of worden uitgebreid op het bestaande stelsel.

  1. Gedelegeerde en/of uitvoeringshandelingen, incl. NL-beoordeling daarvan

Het voorstel bevat een bevoegdheid voor de Commissie om gedelegeerde handelingen vast te stellen in artikel 17, tweede lid (en nader uitgewerkt in artikel 19 van het voorstel). Dit betreft de bevoegdheid om, overeenkomstig artikel 290 VWEU, de bij de richtlijn gevoegde bijlage met betrekking bepaalde (statistische) gegevens die door de lidstaten moeten worden verzameld, ontwikkeld, geproduceerd en verspreid in de toekomst te kunnen wijzingen. Het toekennen van deze bevoegdheden is mogelijk, omdat het niet essentiƫle onderdelen van de basishandeling betreft. Toekenning van deze bevoegdheden acht het kabinet wenselijk, omdat het feitelijk een bevoegdheid tot wijziging van een bestaande tekst betreft, i.c. de bijlage bij de richtlijn, en het kabinet het wenselijk acht dat dit snel en flexibel kan worden gewijzigd zonder een nieuwe wetgevingsprocedure. Delegatie i.p.v. uitvoering ligt hier dan ook voor de hand, nu het gaat om wijziging van de wetgevingshandeling op niet essentiƫle onderdelen. Het kabinet acht deze bevoegdheid tenslotte ook voldoende afgebakend.

  1. Voorgestelde implementatietermijn (bij richtlijnen), dan wel voorgestelde datum inwerkingtreding (bij verordeningen en besluiten) met commentaar t.a.v. haalbaarheid

Het voorstel zet in op een implementatietermijn van uiterlijk 24 maanden na de datum van inwerkingtreding van de richtlijn. Deze implementatietermijn is ruim genoeg om de noodzakelijke omzettingswetgeving en organisatorische maatregelen door te voeren.

  1. Wenselijkheid evaluatie-/horizonbepaling

Artikel 21 van het richtlijnvoorstel bevat een evaluatiebepaling. Het kabinet volgt de redenering van de Commissie om, met inachtneming van de implementatietermijn en de afronding van de eerste, voorgeschreven gegevensverzamelingsronde, een evaluatie uit te voeren naar de toegevoegde waarde van de richtlijn voor de bestrijding van vuurwapenhandelgerelateerde strafbare feiten en het bepalen of verdere, passende maatregelen nodig zijn.

  1. Constitutionele toets

Het voorstel borgt grondrechten en proportionaliteit door nauw aan te sluiten bij het bestaande materiƫle strafrecht en de relevante bepalingen uit de Wet wapens en munitie.

  1. Implicaties voor uitvoering en/of handhaving

Met de richtlijn wordt het strafbaarstellingsbereik rond vuurwapens en essentiƫle componenten verbreed, wat door veranderde prioritering mogelijk leidt tot meer opsporingsonderzoeken, inbeslagnames en strafzaken, wat een effect heeft op de politie, het Openbaar Ministerie en het Nederlands Forensisch Instituut (ballistiek en digitale blauwdrukken) ook op het punt van passende administratieve verwerking. Het reeds bestaande National Firearms Focal Point moet structureel bij de politie worden ingebed. De harmonisatie van vuurwapengerelateerde data in nationale systemen vergt aanpassing van ICT en mogelijk aanpassing van ketenafspraken met Openbaar Ministerie. De richtlijn heeft door aanpassingen in het stelsel gevolgen voor opleiding en werkprocessen bij uitvoeringsorganisaties.

  1. Implicaties voor ontwikkelingslanden

Het voorstel heeft, voor zover te overzien, geen implicaties voor ontwikkelingslanden.