Verslag
Wijziging van de Boeken 6 en 7 van het Burgerlijk Wetboek en de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek ter implementatie van Richtlijn (EU) 2024/2853 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2024 inzake aansprakelijkheid voor gebrekkige producten en tot intrekking van Richtlijn 85/374/EEG van de Raad (Implementatiewet richtlijn herziening productaansprakelijkheid)
Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader)
Nummer: 2026D17643, datum: 2026-04-15, bijgewerkt: 2026-04-15 08:31, versie: 2
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: B.J. Eerdmans, voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid (JA21)
- Mede ondertekenaar: B.A. Paauwe, adjunct-griffier
Onderdeel van kamerstukdossier 36906 -5 Wijziging van de Boeken 6 en 7 van het Burgerlijk Wetboek en de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek ter implementatie van Richtlijn (EU) 2024/2853 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2024 inzake aansprakelijkheid voor gebrekkige producten en tot intrekking van Richtlijn 85/374/EEG van de Raad (Implementatiewet richtlijn herziening productaansprakelijkheid) .
Onderdeel van zaak 2026Z03982:
- Volgcommissie: vaste commissie voor Economische Zaken
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-04-09 14:00 ā Inbreng geleverd. (Besluit)
- 2026-03-19 12:15 ā Inbrengdatum voor het verslag vaststellen op 9 april 2026 te 14.00 uur. (Besluit)
- 2026-03-04 13:45 ā Koninklijke boodschap, met de erbij behorende stukken, is al rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2026-03-04 13:45 ā In handen gesteld van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid (Besluit)
- 2026-03-04 13:45: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-03-19 12:15: Procedurevergadering Justitie en Veiligheid (Procedurevergadering), vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
- 2026-04-09 14:00: Implementatiewet richtlijn herziening productaansprakelijkheid (36906) (Inbreng verslag (wetsvoorstel)), vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
Preview document (š origineel)
36 906 Wijziging van de Boeken 6 en 7 van het Burgerlijk Wetboek en de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek ter implementatie van Richtlijn (EU) 2024/2853 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2024 inzake aansprakelijkheid voor gebrekkige producten en tot intrekking van Richtlijn 85/374/EEG van de Raad (Implementatiewet richtlijn herziening productaansprakelijkheid)
Nr. 5 Verslag
Vastgesteld 15 april 2026
De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, belast met het voorbereidend
onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer als volgt verslag uit te
brengen. Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte
opmerkingen voldoende zullen zijn beantwoord, acht de commissie de
openbare behandeling van het voorstel van wet genoegzaam voorbereid.INHOUDSOPGAVE
I. ALGEMEEN DEEL 2
1. Inleiding 2
2. De Richtlijn: de belangrijkste inhoudelijke punten 2
2.1 Achtergrond: de richtlijn productaansprakelijkheid uit 1985 2
2.2 Aanleiding en doelstellingen van de Richtlijn 3
2.3 Toepassingsbereik 3
2.4 Harmonisatieniveau 4
2.5 Inhoud van de Richtlijn 4
2.6 Monitoring en evaluatie 6
3. Wijze van implementatie 6
3.1 Methode van implementatie 6
3.2 Richtlijnbepalingen die geen wettelijke implementatie behoeven 6
4. Gevolgen voor het bedrijfsleven, burgers en de rechtspraak
(m.u.v. financiƫle gevolgen) 7
5. Financiƫle gevolgen 7
6. Advies en consultatie 7
II. ARTIKELSGEWIJS 8
ARTIKEL I 8
I. ALGEMEEN DEEL
1. Inleiding
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling
kennisgenomen van het wetsvoorstel Wijziging van de Boeken 6 en 7 van
het Burgerlijk Wetboek en de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek ter
implementatie van Richtlijn (EU) 2024/2853 van het Europees Parlement en
de Raad van 23 oktober 2024 inzake aansprakelijkheid voor gebrekkige
producten en tot intrekking van Richtlijn 85/374/EEG van de Raad
(Implementatiewet richtlijn herziening productaansprakelijkheid)
(hierna: wetsvoorstel). Deze leden onderschrijven het belang van een
toekomstbestendig aansprakelijkheidskader dat aansluit op nieuwe en
innovatieve technologische ontwikkelingen. Daarbij hechten deze leden in
het bijzonder grote waarde aan de overgang naar een circulaire economie
waarin producten langer worden gebruikt, gerepareerd en hergebruikt.
Tegen deze achtergrond hebben deze leden nog enkele vragen.
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het
wetsvoorstel. Deze leden onderschrijven het belang van een goed
functionerende interne markt en van adequate bescherming van consumenten
en andere benadeelde natuurlijke personen. Daarbij achten deze leden het
van belang dat ondernemingen kunnen blijven rekenen op duidelijke,
uitvoerbare en proportionele regels, in het bijzonder waar het gaat om
innovatieve producten, software en digitale toepassingen. Deze leden
lezen in de memorie van toelichting dat het wetsvoorstel uitsluitend
regels bevat die noodzakelijk zijn voor de implementatie en dat is
gekozen voor de implementatiewijze die de minste lasten oplegt aan het
bedrijfsleven. Deze leden stellen hierover nog enkele vragen.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en
danken de regering hiervoor. Deze leden maken graag van de gelegenheid
gebruik om enkele vragen te stellen aan de regering.
De leden van de CDA-fractie begrijpen dat het wetsvoorstel de
implementatie van een Europese richtlijn betreft. Ten aanzien van de
aansprakelijkheid lijkt deze nu te stoppen bij de buitengrens van de
Europese Unie (hierna: EU). In dat geval is de importeur aansprakelijk
en dropshippers zelfs alleen deels aansprakelijk. Hoe gaat de regering
met behulp van de Europese regelgeving ongelijke concurrentie tegen met
fabrikanten uit China, waarvan de producten vaak niet voldoen aan
dezelfde kwaliteit(seisen) als Europese producten?
De regering verwijst in de memorie van toelichting naar de ACM
ConsuWijzer van de Autoriteit Consument & Markt. Deze leden vragen
of zij hierbij is betrokken en hierop is ingericht. Kan zij nieuwe
meldingen op dit vlak aan?
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en
hebben daarover nog enkele vragen.
2. De Richtlijn: de belangrijkste inhoudelijke punten
2.1 Achtergrond: de richtlijn productaansprakelijkheid uit
1985
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de achtergrond
van de herziene richtlijn, die beoogt het productaansprakelijkheidsrecht
beter te laten aansluiten op nieuwe technologieƫn, nieuwe
bedrijfsmodellen en nieuwe mondiale toeleveringsketens. Deze leden
begrijpen de noodzaak van modernisering van het bestaande kader, maar
achten het tegelijkertijd van belang dat de bescherming van benadeelden
in evenwicht blijft met rechtszekerheid voor ondernemingen en een
voorspelbaar investeringsklimaat. Kan de regering nader toelichten hoe
dit evenwicht in de richtlijn is gewaarborgd, in het bijzonder waar de
richtlijn mede ziet op software, bijbehorende diensten en producten die
na het in de handel brengen nog onder zeggenschap van de fabrikant
kunnen blijven vallen?
2.2 Aanleiding en doelstellingen van de Richtlijn
De leden van de VVD-fractie constateren voorts dat het wetsvoorstel
zelf geen definitie bevat van artificiƫle intelligentie (hierna: AI) als
juridisch begrip, terwijl in de toelichting en in de achtergrond van de
richtlijn wel wordt verwezen naar AI-systemen en nieuwe digitale
technologieƫn. Deze leden achten terminologische precisie van belang,
juist voor de rechtszekerheid van de praktijk. Kan de regering daarom
verduidelijken hoe zij de verhouding ziet tussen bredere beleidsmatige
verwijzingen naar AI enerzijds en de wettelijke begrippen āsoftwareā,
ābijbehorende digitale dienstā, āsoftware-updates of upgradesā en
āfunctionaliteiten waarover de fabrikant zeggenschap behoudtā
anderzijds? Graag ontvangen deze leden een uitgebreide reactie van de
regering hierop.
2.3 Toepassingsbereik
De leden van de VVD-fractie lezen dat het wetsvoorstel het
productbegrip verruimt, door onder meer software als product aan te
merken en daarnaast ook bijbehorende digitale diensten in het
aansprakelijkheidskader worden betrokken. Deze leden begrijpen dat de
regeling daarmee beter moet aansluiten op de digitale economie. Deze
leden vragen de regering wel hoe in de praktijk een heldere afbakening
wordt gewaarborgd tussen software als product enerzijds en de
bijbehorende digitale dienst anderzijds. Kan de regering nader
toelichten hoe overlap, interpretatieverschillen en rechtsonzekerheid
voor marktdeelnemers op dit punt worden voorkomen? Welke gevolgen heeft
dit onderscheid voor de positie van de aansprakelijkgestelde
partij?
Voorts constateren de leden van de VVD-fractie dat de kring van
potentieel aansprakelijke marktdeelnemers wordt verruimd en dat daarbij
onder meer ook fulfilmentdienstverleners in beeld kunnen komen. Deze
leden begrijpen het belang van effectieve verhaalsmogelijkheden voor
benadeelden, maar vragen de regering wel hoe wordt gewaarborgd dat
aansprakelijkheid zoveel mogelijk terechtkomt bij de partij die
daadwerkelijk invloed heeft gehad op het ontwerp, de productie, de
wijziging of de veiligheid van het product. Kan de regering toelichten
hoe wordt voorkomen dat partijen met een meer logistieke of
faciliterende rol onevenredig worden blootgesteld aan
aansprakelijkheidsrisicoās? Welke gevolgen verwacht de regering in dit
verband voor kleine en middelgrote ondernemingen die als
fulfilmentdienstverlener actief zijn en hoe worden ze betrokken bij de
implementatie van de richtlijn? En welke maatregelen worden er getroffen
om ondernemingen te informeren over de gevolgen van het wetsvoorstel
voor hun bedrijfsvoering?
De leden van de VVD-fractie lezen daarnaast dat de fabrikant onder
omstandigheden aansprakelijk kan blijven voor schade die ontstaat na het
in de handel brengen van een product, bijvoorbeeld wanneer sprake is van
software-updates of -upgrades, bijbehorende diensten of
functionaliteiten die blijven leren, voor zover de fabrikant daarover
zeggenschap behoudt. Deze leden achten het van belang dat het voor
ondernemingen voldoende voorzienbaar is wanneer van dergelijke
zeggenschap sprake is. Kan de regering daarom nader toelichten hoe dit
criterium in de praktijk moet worden uitgelegd? Welke factoren zijn
daarbij doorslaggevend en hoe wordt voorkomen dat juist voor
ontwikkelaars van software en andere digitale toepassingen
onduidelijkheid ontstaat over de reikwijdte van hun aansprakelijkheid?
Is de regering van oordeel dat dit criterium voldoende rechtszekerheid
biedt voor ondernemingen die moeten beslissen of en in welke mate zij na
marktintroductie updates blijven aanbieden?
2.4 Harmonisatieniveau
De leden van de VVD-fractie hechten eraan dat Europese regels
zuiver worden geĆÆmplementeerd en niet nationaal worden verzwaard. Kan de
regering daarom bevestigen dat het wetsvoorstel op geen enkel punt
verder gaat dan de richtlijn strikt vereist? Indien op onderdelen nog
nationale beleidsruimte bestond, kan de regering dan per relevant
onderdeel toelichten welke afweging is gemaakt en waarom voor juist die
invulling is gekozen?
2.5 Inhoud van de Richtlijn
De leden van de D66-fractie merken op dat reparateurs van producten
in beginsel niet onder de productaansprakelijkheid als bedoeld in de
richtlijn vallen. Zij zullen enkel als fabrikant worden aangemerkt
wanneer sprake is van een āingrijpende wijzigingā. In dit kader wijzen
deze leden graag naar de Nederlandse implementatie van de EU-richtlijn
betreffende gemeenschappelijke regels ter bevordering van de reparatie
van goederen, welke beoogt dat reparatie van goederen vaker plaatsvindt
en toegankelijker wordt voor consumenten. Kan de regering nader
toelichten hoe de regels omtrent productaansprakelijkheid in dit
wetsvoorstel zich verhouden tot de verplichtingen uit de EU-richtlijn
betreffende het bevorderen van reparatie?
De leden van de D66-fractie wijzen er tevens op dat zowel in de
EU-richtlijn betreffende gemeenschappelijke regels ter bevordering van
de reparatie van goederen als in het Nationaal Programma Circulaire
Economie (2025) wordt ingezet op het stimuleren van reparatie en
refurbishen van producten. Deze leden vragen de regering te reflecteren
op de positie van onafhankelijke reparateurs die niet door fabrikanten
zijn geautoriseerd, maar wel over de vakbekwaamheid beschikken om
producten te repareren of refurbishen. Denk hierbij ook aan de
reparateurs die zijn opgenomen in het Nationaal Reparateursregister. Zij
hoeven geen autorisatie van de fabrikant te hebben, maar lopen wel het
risico op aansprakelijkheid wanneer hun werkzaamheden als āingrijpendā
worden aangemerkt. Hoe beoordeelt de regering de positie van
onafhankelijke reparateurs in dit opzicht? En hoe voorkomt de regering
dat juridische discussies over eventuele aansprakelijkheid de
doelmatigheid en effectiviteit van reparatiewerkzaamheden in de weg
komen te staan?
De leden van de VVD-fractie hebben vragen over de voorgestelde
bewijsvermoedens. Deze leden begrijpen dat de benadeelde in bepaalde
gevallen tegemoet wordt gekomen in zijn bewijspositie, maar achten het
van belang dat de bewijslastverdeling ook in technisch complexe zaken
evenwichtig blijft. Kan de regering nader toelichten hoe wordt voorkomen
dat de bewijsvermoedens in de praktijk resulteren in een onevenredige
verzwaring van de procespositie van ondernemingen? Hoe beoordeelt de
regering het risico dat in complexe zaken de grens tussen verlichting
van de bewijspositie en een feitelijke omkering van de bewijslast
vervaagt?
Aanpassingen met het oog op nieuwe digitale
technologieƫn
De leden van de CDA-fractie constateren dat met de richtlijn het begrip
āproductā wordt uitgebreid naar software, AI-systemen en digitale
updates. Deze leden vragen de regering hoe in de praktijk wordt
afgebakend wanneer software of een digitale update als een āproductā
moet worden aangemerkt in de zin van de productaansprakelijkheid. Kan de
regering toelichten hoe wordt voorkomen dat aansprakelijkheid ontstaat
voor softwareaanpassingen of updates die slechts een beperkte invloed
hebben op de werking van een product?
De leden van de CDA-fractie zien dat het wetsvoorstel ook raakt aan
cybersecurity. Deze leden zijn benieuwd in hoeverre dit regels stelt aan
de beveiliging van elektronische (huishoudelijke) apparaten, voor het
tegengaan van hacks en datalekken. Naast genoemde voorbeelden als slimme
koelkasten, denken deze leden bijvoorbeeld ook aan warmtepompen die
beschikken over veilige software en beveiligingscameraās voor in en
rondom het huis. Daarnaast zien deze leden dat de ontwikkelingen op het
gebied van digitale producten snel gaan. Wat betekent dit voor
aansprakelijkheid en schadeclaims? Als voorbeeld denken deze leden aan
navigatiesystemen en sensoren, die snel verouderd raken, maar ook aan
het vermogen om te blijven leren of nieuwe functies te verwerven (onder
andere zelflerende AI-systemen), zoals de regering schrijft. Hoe wordt
dit precies bedoeld en hoe werkt dit in de praktijk, zo vragen deze
leden aan de regering.
Daarnaast zijn de leden van de CDA-fractie benieuwd naar de
verzekerbaarheid, dekking en premies. De regering schrijft dat het nog
onzeker is welke gevolgen het wetsvoorstel hiervoor heeft, met name als
het gaat om software en digitale fabricagedossiers die nieuwe risicoās
kennen die lastig calculeerbaar zijn. Een voorbeeld hiervan is een
gebrekkig computerondersteunend ontwerpbestand. Hoe wil de regering
daarmee omgaan en welke rol kunnen brancheverenigingen en
toezichthouders hierin spelen volgens de regering? Zou een systeem van
vrijwillige keurmerken een uitkomst kunnen bieden, om waarborgen af te
geven en tegelijkertijd de reikwijdte van de risicoās en potentiĆ«le
schade af te bakenen?
Uitbreiding van de kring van aansprakelijke
personen
De leden van de CDA-fractie lezen dat naast producenten ook andere
marktdeelnemers, zoals fulfilmentdienstverleners, importeurs en
distributeurs, aansprakelijk kunnen worden gesteld. Deze leden vragen de
regering hoe wordt voorkomen dat partijen die slechts een beperkte rol
hebben in de productieketen, volledig aansprakelijk kunnen worden
gesteld voor gebreken waarop zij feitelijk geen of zeer beperkte invloed
hebben gehad.
Verbetering van de (bewijs)positie van de
benadeelde
De leden van de CDA-fractie begrijpen dat de richtlijn de bewijspositie
van benadeelden versterkt, onder meer door rechterlijke vermoedens en
ruimere mogelijkheden tot bewijsvergaring. Deze leden vragen de regering
nader toe te lichten hoe wordt voorkomen dat hierdoor een disbalans
ontstaat tussen de positie van de benadeelde en die van de producent.
Kan de regering tevens ingaan op de signalen uit de consultatie, dat
deze bewijsverlichting mogelijk kan leiden tot een toename van
procedures en hogere aansprakelijkheidsrisicoās voor bedrijven?
Aanpassingen met het oog op de circulaire economie
De leden van de CDA-fractie lezen dat ook partijen die producten
ingrijpend wijzigen, aansprakelijk kunnen worden gesteld. Deze leden
vragen hoe in de praktijk wordt bepaald wanneer sprake is van een
āingrijpende wijzigingā van een product en hoe wordt voorkomen dat
bedrijven die bijdragen aan reparatie, hergebruik of recycling, hierdoor
onevenredige aansprakelijkheidsrisicoās lopen.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de EU-wetgeving ook wordt verruimd
wat betreft de circulaire economie. Deze leden benadrukken dat het goed
is dat er geharmoniseerde regels komen die het stimuleren, maar deze
leden willen vooral voorkomen dat er nieuwe knelpunten ontstaan. Zo
vraagt Techniek Nederland vooral om duidelijkheid. Deze leden vragen
daarom of de regering maatregelen gaat nemen in de praktische uitvoering
om het bedrijfsleven te ondersteunen.
De leden van de CDA-fractie zijn zich ervan bewust dat nationale
aanpassingen in definities onhaalbaar zijn in de implementatie van
EU-wetgeving, maar vragen wel aan de regering welke rol de Rijksoverheid
kan pakken om mee te denken hoe het kan werken voor dergelijke sectoren
(in onder andere de maakindustrie en installatiebranche), bijvoorbeeld
door heldere voorlichting. Deze leden willen daarnaast ook zien dat aan
het ārecht op reparatieā kracht wordt bijgezet. Dat kan door dit de
verantwoordelijkheid te maken van de fabrikant, maar ook door
reparateurs meer ruimte te geven. Een voorbeeld hiervan is refurbishment
van meubilair. In de richtlijn staat een benadering beschreven waarbij
āhoe ingrijpenderā, des te kritischer gekeken wordt naar
risicobeoordeling. In de praktijk kan het echter juist heel wenselijk
zijn voor de levensduurverlenging om ingrijpender te refurbishen dan
oppervlakkige aanpassingen te doen die weinig doen voor het
waardebehoud, benadrukken deze leden. Deze leden vragen aan de regering
hoe zij gaat voorkomen dat de EU-wetgeving leidt tot onbedoelde perverse
prikkels en hoe gestimuleerd wordt dat juist circulariteit beloond
wordt.
2.6 Monitoring en evaluatie
De leden van de VVD-fractie vragen daarnaast of de regering bereid
is de gevolgen van het wetsvoorstel voor de verzekerbaarheid, de
regeldruk en het investerings- en vestigingsklimaat te monitoren en de
Kamer hierover te informeren. Kan de regering daarbij in het bijzonder
ingaan op de gevolgen voor innovatieve ondernemingen en marktdeelnemers
die producten of diensten met een digitale component op de markt
brengen?
3. Wijze van implementatie
3.1 Methode van implementatie
De leden van de VVD-fractie lezen in de memorie van toelichting dat
is gekozen voor een implementatiewijze die de minste lasten oplegt aan
het bedrijfsleven. Deze leden achten dat een belangrijke voorwaarde voor
een zorgvuldig implementatietraject en het bevorderen van een gelijk
Europees speelveld. Kan de regering nader motiveren welke keuzes zijn
gemaakt om zo min mogelijk lasten op te leggen aan het bedrijfsleven?
Welke alternatieven zijn overwogen en op welke punten is expliciet
gekozen voor de minst belastende variant voor ondernemingen, waaronder
ondernemingen binnen het midden- en kleinbedrijf (hierna: mkb) en
innovatieve bedrijven?
3.2 Richtlijnbepalingen die geen wettelijke implementatie
behoeven
De leden van de VVD-fractie vragen de regering een expliciet
overzicht te geven van de onderdelen waarop de richtlijn nationale
beleidsruimte biedt en per onderdeel te vermelden of en hoe van die
ruimte gebruik is gemaakt. Heeft de regering bij de formulering van de
bepalingen over zeggenschap, de bewijsvermoedens en de uitbreiding van
de kring van marktdeelnemers gebruikgemaakt van nationale beleidsruimte
of vloeien alle gemaakte keuzes rechtstreeks en dwingend uit de
richtlijn voort?
4. Gevolgen voor het bedrijfsleven, burgers en de rechtspraak
(m.u.v. financiƫle gevolgen)
De leden van de VVD-fractie vragen of de regering heeft bezien
welk effect de combinatie van de verruiming van het
productaansprakelijkheidskader, de uitbreiding van de kring van
aansprakelijke marktdeelnemers en de introductie van bewijsvermoedens
kan hebben op het aantal collectieve productaansprakelijkheidsclaims in
Nederland, mede in samenhang met de Wet afwikkeling massaschade in
collectieve actie. Kan de regering toelichten of zij verwacht dat dit
wetsvoorstel leidt tot een toename van collectieve procedures?
De leden van de CDA-fractie lezen in de consultatiereacties dat
verschillende sectoren zorgen hebben geuit over de verzekerbaarheid van
de nieuwe aansprakelijkheidsrisicoās. Kan de regering aangeven of
onderzocht is in hoeverre de nieuwe risicoās voor bedrijven, met name
voor het mkb, nog verzekerbaar zijn en of hierover overleg heeft
plaatsgevonden met verzekeraars?
5. Financiƫle gevolgen
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de
passages in de memorie van toelichting over de mogelijke gevolgen van
het wetsvoorstel voor verzekerbaarheid, dekking en premievorming. Deze
leden achten het van belang dat tijdig inzicht bestaat in de praktische
gevolgen van de implementatie voor het bedrijfsleven, in het bijzonder
voor mkb-ondernemingen en ondernemingen die software of andere
innovatieve digitale toepassingen ontwikkelen. Kan de regering nader
toelichten welke gevolgen zij verwacht voor de beschikbaarheid en
betaalbaarheid van productaansprakelijkheidsverzekeringen? Is hierover
overleg gevoerd met verzekeraars of sectorvertegenwoordigers en, zo ja,
tot welke conclusies heeft dat geleid?
6. Advies en consultatie
De leden van de D66-fractie lezen dat is afgeweken van het
advies van de Consumentenbond om ook refurbishbedrijven te kwalificeren
als fabrikant. Met het oog op het bevorderen van de circulaire economie
hechten deze leden er grote waarde aan dat consumenten worden
gestimuleerd om tweedehands- en refurbished producten aan te schaffen.
Deze leden delen dan ook de zorgen van de Consumentenbond dat voor
consumenten onduidelijk is wie aansprakelijk is in het geval een
āopgeknaptā product gebrekkig is en schade veroorzaakt. Hoewel deze
leden onderschrijven dat de uitleg van de begrippen āingrijpende
wijzigingā en āfabrikantā is voorbehouden aan het Hof van Justitie van
de EU, vragen zij de regering nader in te gaan op de wijze waarop
consumenten bij refurbished goederen kunnen rekenen op een effectieve
mate van rechtsbescherming net als bij ānieuweā producten het geval
is.
De leden van de VVD-fractie constateren dat onder meer het Verbond van
Verzekeraars, de Vereniging Innovatieve Geneesmiddelen en The American
Chamber of Commerce in the Netherlands in de consultatiefase hebben
gereageerd op het wetsvoorstel. Deze leden lezen dat daarbij onder meer
aandacht is gevraagd voor de mogelijke gevolgen van het wetsvoorstel
voor de verzekerbaarheid, dekking en premies. Kan de regering nader
toelichten hoe deze signalen zijn gewogen? Kan de regering bovendien
aangeven waarom zij desondanks van oordeel is dat op dit punt is gekozen
voor de implementatiewijze die de minste lasten oplegt aan het
bedrijfsleven?
De leden van de CDA-fractie constateren dat verschillende organisaties
in de consultatie aandacht hebben gevraagd voor de mogelijke gevolgen
van de richtlijn voor innovatie en het investeringsklimaat. Kan de
regering nader toelichten hoe bij de implementatie is gewaarborgd dat de
bescherming van consumenten in balans blijft met het behoud van een
aantrekkelijk innovatieklimaat voor bedrijven?
De leden van de BBB-fractie hebben een vraag over de gevolgen van de
voorgestelde wijziging voor de positie van consumenten bij kleinere
schades. Onder het huidige recht kan een consument zich bij zaakschade
onder de ⬠500,- nog wenden tot de verkoper. In het voorliggende
wetsvoorstel komt deze uitzondering te vervallen, waardoor de consument
zich ook bij relatief kleine schade moet richten tot de producent. Deze
leden constateren dat dit in de praktijk een verslechtering van de
positie van de consument kan betekenen. Het aanspreken van een
producent, die zich vaak verder in de keten bevindt en vaak zelfs in het
buitenland is gevestigd, is immers complexer en minder laagdrempelig dan
het aanspreken van de verkoper. Tegelijkertijd begrijpen deze leden dat
deze wijziging voor verkopers en het mkb juist een verlichting betekent.
Toch zijn deze leden van mening dat verkopers niet volledig gevrijwaard
zouden moeten worden van verantwoordelijkheid. Juist de verkoper staat
in direct contact met de consument en speelt een belangrijke rol in het
waarborgen van de veiligheid van producten die op de markt worden
gebracht. Deze leden vragen de regering daarom hoe zij deze verschuiving
weegt vanuit het perspectief van consumentenbescherming. Acht de
regering het wenselijk dat de consument bij kleine schades een hogere
drempel ervaart om zijn recht te halen? En hoe wordt geborgd dat
verkopers voldoende prikkels blijven houden om alleen veilige producten
aan te bieden, wanneer hun aansprakelijkheid verder wordt
beperkt?
II. ARTIKELSGEWIJS
ARTIKEL I
Onderdeel C, invoeging artikel 184a (definitiebepalingen
en toepassings-bereik); Lid 1, onderdeel b (product)
De leden van de CDA-fractie vragen de regering nader toe te lichten
hoe de definitie van āproductā in artikel 184a moet worden toegepast op
software en digitale componenten die gedurende de levensduur van een
product worden aangepast of geüpdatet.
Onderdeel F, wijziging artikel 187 (aansprakelijke
marktdeelnemers)
De leden van de CDA-fractie vragen hoe in de praktijk wordt
vastgesteld welke marktdeelnemer aansprakelijk is wanneer meerdere
partijen betrokken zijn bij de ontwikkeling, distributie of aanpassing
van een product, bijvoorbeeld bij producten met
softwarecomponenten.
Onderdeel G, wijziging artikel 188 (bewijslast)
De leden van de CDA-fractie vragen de regering nader toe te lichten
hoe de rechter in de praktijk moet omgaan met de bewijsverlichting voor
benadeelden bij complexe producten, zoals producten met digitale of
AI-componenten. Hoe wordt voorkomen dat producenten worden
geconfronteerd met aansprakelijkheid in situaties waarin de oorzaak van
de schade technisch moeilijk vast te stellen is?
Onderdeel I, wijziging artikel 190 (schade)
De leden van de CDA-fractie vragen hoe de nieuwe schadecategorieƫn,
zoals schade door verlies of beschadiging van data, in de praktijk
moeten worden vastgesteld en gewaardeerd.
Onderdeel K, invoeging artikel 191a (vervaltermijn); Lid 1,
vervaltermijn van tien jaar
De leden van de CDA-fractie vragen de regering toe te lichten waarom
is gekozen voor een vervaltermijn van 25 jaar bij latente
gezondheidsschade en welke gevolgen deze langere termijn kan hebben voor
de rechtszekerheid en verzekerbaarheid voor producenten.
De voorzitter van de commissie,
Eerdmans
Adjunct-griffier van de commissie,
Paauwe