[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [šŸ§‘mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo]←NIEUW! [šŸ” uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Verslag

Wijziging van de Boeken 6 en 7 van het Burgerlijk Wetboek en de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek ter implementatie van Richtlijn (EU) 2024/2853 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2024 inzake aansprakelijkheid voor gebrekkige producten en tot intrekking van Richtlijn 85/374/EEG van de Raad (Implementatiewet richtlijn herziening productaansprakelijkheid)

Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader)

Nummer: 2026D17643, datum: 2026-04-15, bijgewerkt: 2026-04-15 08:31, versie: 2

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen:

Onderdeel van kamerstukdossier 36906 -5 Wijziging van de Boeken 6 en 7 van het Burgerlijk Wetboek en de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek ter implementatie van Richtlijn (EU) 2024/2853 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2024 inzake aansprakelijkheid voor gebrekkige producten en tot intrekking van Richtlijn 85/374/EEG van de Raad (Implementatiewet richtlijn herziening productaansprakelijkheid) .

Onderdeel van zaak 2026Z03982:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (šŸ”— origineel)


36 906 Wijziging van de Boeken 6 en 7 van het Burgerlijk Wetboek en de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek ter implementatie van Richtlijn (EU) 2024/2853 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2024 inzake aansprakelijkheid voor gebrekkige producten en tot intrekking van Richtlijn 85/374/EEG van de Raad (Implementatiewet richtlijn herziening productaansprakelijkheid)

Nr. 5 Verslag

Vastgesteld 15 april 2026

De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, belast met het voorbereidend
onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer als volgt verslag uit te
brengen. Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte
opmerkingen voldoende zullen zijn beantwoord, acht de commissie de
openbare behandeling van het voorstel van wet genoegzaam voorbereid.

INHOUDSOPGAVE

I. ALGEMEEN DEEL 2

1. Inleiding 2

2. De Richtlijn: de belangrijkste inhoudelijke punten 2
2.1 Achtergrond: de richtlijn productaansprakelijkheid uit 1985 2
2.2 Aanleiding en doelstellingen van de Richtlijn 3
2.3 Toepassingsbereik 3
2.4 Harmonisatieniveau 4
2.5 Inhoud van de Richtlijn 4
2.6 Monitoring en evaluatie 6
3. Wijze van implementatie 6
3.1 Methode van implementatie 6
3.2 Richtlijnbepalingen die geen wettelijke implementatie behoeven 6

4. Gevolgen voor het bedrijfsleven, burgers en de rechtspraak
(m.u.v. financiƫle gevolgen)
7

5. Financiƫle gevolgen 7

6. Advies en consultatie 7

II. ARTIKELSGEWIJS
8

ARTIKEL I 8

I. ALGEMEEN DEEL

1. Inleiding

De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel Wijziging van de Boeken 6 en 7 van het Burgerlijk Wetboek en de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek ter implementatie van Richtlijn (EU) 2024/2853 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2024 inzake aansprakelijkheid voor gebrekkige producten en tot intrekking van Richtlijn 85/374/EEG van de Raad (Implementatiewet richtlijn herziening productaansprakelijkheid) (hierna: wetsvoorstel). Deze leden onderschrijven het belang van een toekomstbestendig aansprakelijkheidskader dat aansluit op nieuwe en innovatieve technologische ontwikkelingen. Daarbij hechten deze leden in het bijzonder grote waarde aan de overgang naar een circulaire economie waarin producten langer worden gebruikt, gerepareerd en hergebruikt. Tegen deze achtergrond hebben deze leden nog enkele vragen.

De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden onderschrijven het belang van een goed functionerende interne markt en van adequate bescherming van consumenten en andere benadeelde natuurlijke personen. Daarbij achten deze leden het van belang dat ondernemingen kunnen blijven rekenen op duidelijke, uitvoerbare en proportionele regels, in het bijzonder waar het gaat om innovatieve producten, software en digitale toepassingen. Deze leden lezen in de memorie van toelichting dat het wetsvoorstel uitsluitend regels bevat die noodzakelijk zijn voor de implementatie en dat is gekozen voor de implementatiewijze die de minste lasten oplegt aan het bedrijfsleven. Deze leden stellen hierover nog enkele vragen.

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en danken de regering hiervoor. Deze leden maken graag van de gelegenheid gebruik om enkele vragen te stellen aan de regering.

De leden van de CDA-fractie begrijpen dat het wetsvoorstel de implementatie van een Europese richtlijn betreft. Ten aanzien van de aansprakelijkheid lijkt deze nu te stoppen bij de buitengrens van de Europese Unie (hierna: EU). In dat geval is de importeur aansprakelijk en dropshippers zelfs alleen deels aansprakelijk. Hoe gaat de regering met behulp van de Europese regelgeving ongelijke concurrentie tegen met fabrikanten uit China, waarvan de producten vaak niet voldoen aan dezelfde kwaliteit(seisen) als Europese producten?
De regering verwijst in de memorie van toelichting naar de ACM ConsuWijzer van de Autoriteit Consument & Markt. Deze leden vragen of zij hierbij is betrokken en hierop is ingericht. Kan zij nieuwe meldingen op dit vlak aan?

De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben daarover nog enkele vragen.

2. De Richtlijn: de belangrijkste inhoudelijke punten

2.1 Achtergrond: de richtlijn productaansprakelijkheid uit 1985

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de achtergrond van de herziene richtlijn, die beoogt het productaansprakelijkheidsrecht beter te laten aansluiten op nieuwe technologieƫn, nieuwe bedrijfsmodellen en nieuwe mondiale toeleveringsketens. Deze leden begrijpen de noodzaak van modernisering van het bestaande kader, maar achten het tegelijkertijd van belang dat de bescherming van benadeelden in evenwicht blijft met rechtszekerheid voor ondernemingen en een voorspelbaar investeringsklimaat. Kan de regering nader toelichten hoe dit evenwicht in de richtlijn is gewaarborgd, in het bijzonder waar de richtlijn mede ziet op software, bijbehorende diensten en producten die na het in de handel brengen nog onder zeggenschap van de fabrikant kunnen blijven vallen?

2.2 Aanleiding en doelstellingen van de Richtlijn

De leden van de VVD-fractie constateren voorts dat het wetsvoorstel zelf geen definitie bevat van artificiĆ«le intelligentie (hierna: AI) als juridisch begrip, terwijl in de toelichting en in de achtergrond van de richtlijn wel wordt verwezen naar AI-systemen en nieuwe digitale technologieĆ«n. Deze leden achten terminologische precisie van belang, juist voor de rechtszekerheid van de praktijk. Kan de regering daarom verduidelijken hoe zij de verhouding ziet tussen bredere beleidsmatige verwijzingen naar AI enerzijds en de wettelijke begrippen ā€˜software’, ā€˜bijbehorende digitale dienst’, ā€˜software-updates of upgrades’ en ā€˜functionaliteiten waarover de fabrikant zeggenschap behoudt’ anderzijds? Graag ontvangen deze leden een uitgebreide reactie van de regering hierop.

2.3 Toepassingsbereik

De leden van de VVD-fractie lezen dat het wetsvoorstel het productbegrip verruimt, door onder meer software als product aan te merken en daarnaast ook bijbehorende digitale diensten in het aansprakelijkheidskader worden betrokken. Deze leden begrijpen dat de regeling daarmee beter moet aansluiten op de digitale economie. Deze leden vragen de regering wel hoe in de praktijk een heldere afbakening wordt gewaarborgd tussen software als product enerzijds en de bijbehorende digitale dienst anderzijds. Kan de regering nader toelichten hoe overlap, interpretatieverschillen en rechtsonzekerheid voor marktdeelnemers op dit punt worden voorkomen? Welke gevolgen heeft dit onderscheid voor de positie van de aansprakelijkgestelde partij?

Voorts constateren de leden van de VVD-fractie dat de kring van potentieel aansprakelijke marktdeelnemers wordt verruimd en dat daarbij onder meer ook fulfilmentdienstverleners in beeld kunnen komen. Deze leden begrijpen het belang van effectieve verhaalsmogelijkheden voor benadeelden, maar vragen de regering wel hoe wordt gewaarborgd dat aansprakelijkheid zoveel mogelijk terechtkomt bij de partij die daadwerkelijk invloed heeft gehad op het ontwerp, de productie, de wijziging of de veiligheid van het product. Kan de regering toelichten hoe wordt voorkomen dat partijen met een meer logistieke of faciliterende rol onevenredig worden blootgesteld aan aansprakelijkheidsrisico’s? Welke gevolgen verwacht de regering in dit verband voor kleine en middelgrote ondernemingen die als fulfilmentdienstverlener actief zijn en hoe worden ze betrokken bij de implementatie van de richtlijn? En welke maatregelen worden er getroffen om ondernemingen te informeren over de gevolgen van het wetsvoorstel voor hun bedrijfsvoering?

De leden van de VVD-fractie lezen daarnaast dat de fabrikant onder omstandigheden aansprakelijk kan blijven voor schade die ontstaat na het in de handel brengen van een product, bijvoorbeeld wanneer sprake is van software-updates of -upgrades, bijbehorende diensten of functionaliteiten die blijven leren, voor zover de fabrikant daarover zeggenschap behoudt. Deze leden achten het van belang dat het voor ondernemingen voldoende voorzienbaar is wanneer van dergelijke zeggenschap sprake is. Kan de regering daarom nader toelichten hoe dit criterium in de praktijk moet worden uitgelegd? Welke factoren zijn daarbij doorslaggevend en hoe wordt voorkomen dat juist voor ontwikkelaars van software en andere digitale toepassingen onduidelijkheid ontstaat over de reikwijdte van hun aansprakelijkheid? Is de regering van oordeel dat dit criterium voldoende rechtszekerheid biedt voor ondernemingen die moeten beslissen of en in welke mate zij na marktintroductie updates blijven aanbieden?

2.4 Harmonisatieniveau

De leden van de VVD-fractie hechten eraan dat Europese regels zuiver worden geĆÆmplementeerd en niet nationaal worden verzwaard. Kan de regering daarom bevestigen dat het wetsvoorstel op geen enkel punt verder gaat dan de richtlijn strikt vereist? Indien op onderdelen nog nationale beleidsruimte bestond, kan de regering dan per relevant onderdeel toelichten welke afweging is gemaakt en waarom voor juist die invulling is gekozen?

2.5 Inhoud van de Richtlijn

De leden van de D66-fractie merken op dat reparateurs van producten in beginsel niet onder de productaansprakelijkheid als bedoeld in de richtlijn vallen. Zij zullen enkel als fabrikant worden aangemerkt wanneer sprake is van een ā€˜ingrijpende wijziging’. In dit kader wijzen deze leden graag naar de Nederlandse implementatie van de EU-richtlijn betreffende gemeenschappelijke regels ter bevordering van de reparatie van goederen, welke beoogt dat reparatie van goederen vaker plaatsvindt en toegankelijker wordt voor consumenten. Kan de regering nader toelichten hoe de regels omtrent productaansprakelijkheid in dit wetsvoorstel zich verhouden tot de verplichtingen uit de EU-richtlijn betreffende het bevorderen van reparatie?

De leden van de D66-fractie wijzen er tevens op dat zowel in de EU-richtlijn betreffende gemeenschappelijke regels ter bevordering van de reparatie van goederen als in het Nationaal Programma Circulaire Economie (2025) wordt ingezet op het stimuleren van reparatie en refurbishen van producten. Deze leden vragen de regering te reflecteren op de positie van onafhankelijke reparateurs die niet door fabrikanten zijn geautoriseerd, maar wel over de vakbekwaamheid beschikken om producten te repareren of refurbishen. Denk hierbij ook aan de reparateurs die zijn opgenomen in het Nationaal Reparateursregister. Zij hoeven geen autorisatie van de fabrikant te hebben, maar lopen wel het risico op aansprakelijkheid wanneer hun werkzaamheden als ā€˜ingrijpend’ worden aangemerkt. Hoe beoordeelt de regering de positie van onafhankelijke reparateurs in dit opzicht? En hoe voorkomt de regering dat juridische discussies over eventuele aansprakelijkheid de doelmatigheid en effectiviteit van reparatiewerkzaamheden in de weg komen te staan?

De leden van de VVD-fractie hebben vragen over de voorgestelde bewijsvermoedens. Deze leden begrijpen dat de benadeelde in bepaalde gevallen tegemoet wordt gekomen in zijn bewijspositie, maar achten het van belang dat de bewijslastverdeling ook in technisch complexe zaken evenwichtig blijft. Kan de regering nader toelichten hoe wordt voorkomen dat de bewijsvermoedens in de praktijk resulteren in een onevenredige verzwaring van de procespositie van ondernemingen? Hoe beoordeelt de regering het risico dat in complexe zaken de grens tussen verlichting van de bewijspositie en een feitelijke omkering van de bewijslast vervaagt?

Aanpassingen met het oog op nieuwe digitale technologieƫn

De leden van de CDA-fractie constateren dat met de richtlijn het begrip ā€˜product’ wordt uitgebreid naar software, AI-systemen en digitale updates. Deze leden vragen de regering hoe in de praktijk wordt afgebakend wanneer software of een digitale update als een ā€˜product’ moet worden aangemerkt in de zin van de productaansprakelijkheid. Kan de regering toelichten hoe wordt voorkomen dat aansprakelijkheid ontstaat voor softwareaanpassingen of updates die slechts een beperkte invloed hebben op de werking van een product?

De leden van de CDA-fractie zien dat het wetsvoorstel ook raakt aan cybersecurity. Deze leden zijn benieuwd in hoeverre dit regels stelt aan de beveiliging van elektronische (huishoudelijke) apparaten, voor het tegengaan van hacks en datalekken. Naast genoemde voorbeelden als slimme koelkasten, denken deze leden bijvoorbeeld ook aan warmtepompen die beschikken over veilige software en beveiligingscamera’s voor in en rondom het huis. Daarnaast zien deze leden dat de ontwikkelingen op het gebied van digitale producten snel gaan. Wat betekent dit voor aansprakelijkheid en schadeclaims? Als voorbeeld denken deze leden aan navigatiesystemen en sensoren, die snel verouderd raken, maar ook aan het vermogen om te blijven leren of nieuwe functies te verwerven (onder andere zelflerende AI-systemen), zoals de regering schrijft. Hoe wordt dit precies bedoeld en hoe werkt dit in de praktijk, zo vragen deze leden aan de regering.

Daarnaast zijn de leden van de CDA-fractie benieuwd naar de verzekerbaarheid, dekking en premies. De regering schrijft dat het nog onzeker is welke gevolgen het wetsvoorstel hiervoor heeft, met name als het gaat om software en digitale fabricagedossiers die nieuwe risico’s kennen die lastig calculeerbaar zijn. Een voorbeeld hiervan is een gebrekkig computerondersteunend ontwerpbestand. Hoe wil de regering daarmee omgaan en welke rol kunnen brancheverenigingen en toezichthouders hierin spelen volgens de regering? Zou een systeem van vrijwillige keurmerken een uitkomst kunnen bieden, om waarborgen af te geven en tegelijkertijd de reikwijdte van de risico’s en potentiĆ«le schade af te bakenen?

Uitbreiding van de kring van aansprakelijke personen

De leden van de CDA-fractie lezen dat naast producenten ook andere marktdeelnemers, zoals fulfilmentdienstverleners, importeurs en distributeurs, aansprakelijk kunnen worden gesteld. Deze leden vragen de regering hoe wordt voorkomen dat partijen die slechts een beperkte rol hebben in de productieketen, volledig aansprakelijk kunnen worden gesteld voor gebreken waarop zij feitelijk geen of zeer beperkte invloed hebben gehad.

Verbetering van de (bewijs)positie van de benadeelde

De leden van de CDA-fractie begrijpen dat de richtlijn de bewijspositie van benadeelden versterkt, onder meer door rechterlijke vermoedens en ruimere mogelijkheden tot bewijsvergaring. Deze leden vragen de regering nader toe te lichten hoe wordt voorkomen dat hierdoor een disbalans ontstaat tussen de positie van de benadeelde en die van de producent. Kan de regering tevens ingaan op de signalen uit de consultatie, dat deze bewijsverlichting mogelijk kan leiden tot een toename van procedures en hogere aansprakelijkheidsrisico’s voor bedrijven?

Aanpassingen met het oog op de circulaire economie

De leden van de CDA-fractie lezen dat ook partijen die producten ingrijpend wijzigen, aansprakelijk kunnen worden gesteld. Deze leden vragen hoe in de praktijk wordt bepaald wanneer sprake is van een ā€˜ingrijpende wijziging’ van een product en hoe wordt voorkomen dat bedrijven die bijdragen aan reparatie, hergebruik of recycling, hierdoor onevenredige aansprakelijkheidsrisico’s lopen.

De leden van de CDA-fractie lezen dat de EU-wetgeving ook wordt verruimd wat betreft de circulaire economie. Deze leden benadrukken dat het goed is dat er geharmoniseerde regels komen die het stimuleren, maar deze leden willen vooral voorkomen dat er nieuwe knelpunten ontstaan. Zo vraagt Techniek Nederland vooral om duidelijkheid. Deze leden vragen daarom of de regering maatregelen gaat nemen in de praktische uitvoering om het bedrijfsleven te ondersteunen.

De leden van de CDA-fractie zijn zich ervan bewust dat nationale aanpassingen in definities onhaalbaar zijn in de implementatie van EU-wetgeving, maar vragen wel aan de regering welke rol de Rijksoverheid kan pakken om mee te denken hoe het kan werken voor dergelijke sectoren (in onder andere de maakindustrie en installatiebranche), bijvoorbeeld door heldere voorlichting. Deze leden willen daarnaast ook zien dat aan het ā€˜recht op reparatie’ kracht wordt bijgezet. Dat kan door dit de verantwoordelijkheid te maken van de fabrikant, maar ook door reparateurs meer ruimte te geven. Een voorbeeld hiervan is refurbishment van meubilair. In de richtlijn staat een benadering beschreven waarbij ā€˜hoe ingrijpender’, des te kritischer gekeken wordt naar risicobeoordeling. In de praktijk kan het echter juist heel wenselijk zijn voor de levensduurverlenging om ingrijpender te refurbishen dan oppervlakkige aanpassingen te doen die weinig doen voor het waardebehoud, benadrukken deze leden. Deze leden vragen aan de regering hoe zij gaat voorkomen dat de EU-wetgeving leidt tot onbedoelde perverse prikkels en hoe gestimuleerd wordt dat juist circulariteit beloond wordt.

2.6 Monitoring en evaluatie

De leden van de VVD-fractie vragen daarnaast of de regering bereid is de gevolgen van het wetsvoorstel voor de verzekerbaarheid, de regeldruk en het investerings- en vestigingsklimaat te monitoren en de Kamer hierover te informeren. Kan de regering daarbij in het bijzonder ingaan op de gevolgen voor innovatieve ondernemingen en marktdeelnemers die producten of diensten met een digitale component op de markt brengen?

3. Wijze van implementatie

3.1 Methode van implementatie

De leden van de VVD-fractie lezen in de memorie van toelichting dat is gekozen voor een implementatiewijze die de minste lasten oplegt aan het bedrijfsleven. Deze leden achten dat een belangrijke voorwaarde voor een zorgvuldig implementatietraject en het bevorderen van een gelijk Europees speelveld. Kan de regering nader motiveren welke keuzes zijn gemaakt om zo min mogelijk lasten op te leggen aan het bedrijfsleven? Welke alternatieven zijn overwogen en op welke punten is expliciet gekozen voor de minst belastende variant voor ondernemingen, waaronder ondernemingen binnen het midden- en kleinbedrijf (hierna: mkb) en innovatieve bedrijven?

3.2 Richtlijnbepalingen die geen wettelijke implementatie behoeven

De leden van de VVD-fractie vragen de regering een expliciet overzicht te geven van de onderdelen waarop de richtlijn nationale beleidsruimte biedt en per onderdeel te vermelden of en hoe van die ruimte gebruik is gemaakt. Heeft de regering bij de formulering van de bepalingen over zeggenschap, de bewijsvermoedens en de uitbreiding van de kring van marktdeelnemers gebruikgemaakt van nationale beleidsruimte of vloeien alle gemaakte keuzes rechtstreeks en dwingend uit de richtlijn voort?

4. Gevolgen voor het bedrijfsleven, burgers en de rechtspraak (m.u.v. financiƫle gevolgen)

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering heeft bezien welk effect de combinatie van de verruiming van het productaansprakelijkheidskader, de uitbreiding van de kring van aansprakelijke marktdeelnemers en de introductie van bewijsvermoedens kan hebben op het aantal collectieve productaansprakelijkheidsclaims in Nederland, mede in samenhang met de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie. Kan de regering toelichten of zij verwacht dat dit wetsvoorstel leidt tot een toename van collectieve procedures?

De leden van de CDA-fractie lezen in de consultatiereacties dat verschillende sectoren zorgen hebben geuit over de verzekerbaarheid van de nieuwe aansprakelijkheidsrisico’s. Kan de regering aangeven of onderzocht is in hoeverre de nieuwe risico’s voor bedrijven, met name voor het mkb, nog verzekerbaar zijn en of hierover overleg heeft plaatsgevonden met verzekeraars?

5. Financiƫle gevolgen

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de passages in de memorie van toelichting over de mogelijke gevolgen van het wetsvoorstel voor verzekerbaarheid, dekking en premievorming. Deze leden achten het van belang dat tijdig inzicht bestaat in de praktische gevolgen van de implementatie voor het bedrijfsleven, in het bijzonder voor mkb-ondernemingen en ondernemingen die software of andere innovatieve digitale toepassingen ontwikkelen. Kan de regering nader toelichten welke gevolgen zij verwacht voor de beschikbaarheid en betaalbaarheid van productaansprakelijkheidsverzekeringen? Is hierover overleg gevoerd met verzekeraars of sectorvertegenwoordigers en, zo ja, tot welke conclusies heeft dat geleid?

6. Advies en consultatie

De leden van de D66-fractie lezen dat is afgeweken van het advies van de Consumentenbond om ook refurbishbedrijven te kwalificeren als fabrikant. Met het oog op het bevorderen van de circulaire economie hechten deze leden er grote waarde aan dat consumenten worden gestimuleerd om tweedehands- en refurbished producten aan te schaffen. Deze leden delen dan ook de zorgen van de Consumentenbond dat voor consumenten onduidelijk is wie aansprakelijk is in het geval een ā€˜opgeknapt’ product gebrekkig is en schade veroorzaakt. Hoewel deze leden onderschrijven dat de uitleg van de begrippen ā€˜ingrijpende wijziging’ en ā€˜fabrikant’ is voorbehouden aan het Hof van Justitie van de EU, vragen zij de regering nader in te gaan op de wijze waarop consumenten bij refurbished goederen kunnen rekenen op een effectieve mate van rechtsbescherming net als bij ā€˜nieuwe’ producten het geval is.

De leden van de VVD-fractie constateren dat onder meer het Verbond van Verzekeraars, de Vereniging Innovatieve Geneesmiddelen en The American Chamber of Commerce in the Netherlands in de consultatiefase hebben gereageerd op het wetsvoorstel. Deze leden lezen dat daarbij onder meer aandacht is gevraagd voor de mogelijke gevolgen van het wetsvoorstel voor de verzekerbaarheid, dekking en premies. Kan de regering nader toelichten hoe deze signalen zijn gewogen? Kan de regering bovendien aangeven waarom zij desondanks van oordeel is dat op dit punt is gekozen voor de implementatiewijze die de minste lasten oplegt aan het bedrijfsleven?

De leden van de CDA-fractie constateren dat verschillende organisaties in de consultatie aandacht hebben gevraagd voor de mogelijke gevolgen van de richtlijn voor innovatie en het investeringsklimaat. Kan de regering nader toelichten hoe bij de implementatie is gewaarborgd dat de bescherming van consumenten in balans blijft met het behoud van een aantrekkelijk innovatieklimaat voor bedrijven?

De leden van de BBB-fractie hebben een vraag over de gevolgen van de voorgestelde wijziging voor de positie van consumenten bij kleinere schades. Onder het huidige recht kan een consument zich bij zaakschade onder de € 500,- nog wenden tot de verkoper. In het voorliggende wetsvoorstel komt deze uitzondering te vervallen, waardoor de consument zich ook bij relatief kleine schade moet richten tot de producent. Deze leden constateren dat dit in de praktijk een verslechtering van de positie van de consument kan betekenen. Het aanspreken van een producent, die zich vaak verder in de keten bevindt en vaak zelfs in het buitenland is gevestigd, is immers complexer en minder laagdrempelig dan het aanspreken van de verkoper. Tegelijkertijd begrijpen deze leden dat deze wijziging voor verkopers en het mkb juist een verlichting betekent. Toch zijn deze leden van mening dat verkopers niet volledig gevrijwaard zouden moeten worden van verantwoordelijkheid. Juist de verkoper staat in direct contact met de consument en speelt een belangrijke rol in het waarborgen van de veiligheid van producten die op de markt worden gebracht. Deze leden vragen de regering daarom hoe zij deze verschuiving weegt vanuit het perspectief van consumentenbescherming. Acht de regering het wenselijk dat de consument bij kleine schades een hogere drempel ervaart om zijn recht te halen? En hoe wordt geborgd dat verkopers voldoende prikkels blijven houden om alleen veilige producten aan te bieden, wanneer hun aansprakelijkheid verder wordt beperkt?

II. ARTIKELSGEWIJS

ARTIKEL I


Onderdeel C, invoeging artikel 184a (definitiebepalingen en toepassings-bereik); Lid 1, onderdeel b (product)

De leden van de CDA-fractie vragen de regering nader toe te lichten hoe de definitie van ā€œproductā€ in artikel 184a moet worden toegepast op software en digitale componenten die gedurende de levensduur van een product worden aangepast of geüpdatet.

Onderdeel F, wijziging artikel 187 (aansprakelijke marktdeelnemers)

De leden van de CDA-fractie vragen hoe in de praktijk wordt vastgesteld welke marktdeelnemer aansprakelijk is wanneer meerdere partijen betrokken zijn bij de ontwikkeling, distributie of aanpassing van een product, bijvoorbeeld bij producten met softwarecomponenten.

Onderdeel G, wijziging artikel 188 (bewijslast)

De leden van de CDA-fractie vragen de regering nader toe te lichten hoe de rechter in de praktijk moet omgaan met de bewijsverlichting voor benadeelden bij complexe producten, zoals producten met digitale of AI-componenten. Hoe wordt voorkomen dat producenten worden geconfronteerd met aansprakelijkheid in situaties waarin de oorzaak van de schade technisch moeilijk vast te stellen is?

Onderdeel I, wijziging artikel 190 (schade)

De leden van de CDA-fractie vragen hoe de nieuwe schadecategorieƫn, zoals schade door verlies of beschadiging van data, in de praktijk moeten worden vastgesteld en gewaardeerd.

Onderdeel K, invoeging artikel 191a (vervaltermijn); Lid 1, vervaltermijn van tien jaar

De leden van de CDA-fractie vragen de regering toe te lichten waarom is gekozen voor een vervaltermijn van 25 jaar bij latente gezondheidsschade en welke gevolgen deze langere termijn kan hebben voor de rechtszekerheid en verzekerbaarheid voor producenten.

De voorzitter van de commissie,
Eerdmans

Adjunct-griffier van de commissie,
Paauwe