Antwoord op vragen van de leden Bushoff, Beckerman en Van Oosterhout over de aardbeving met een kracht van 3.0 in Drenthe
Antwoord schriftelijke vragen
Nummer: 2026D17813, datum: 2026-04-15, bijgewerkt: 2026-04-15 12:11, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: J. de Bat, staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat
Onderdeel van zaak 2026Z05352:
- Gericht aan: S. van Veldhoven-van der Meer, minister van Klimaat en Groene Groei
- Gericht aan: P.E. Heerma, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
- Gericht aan: J. de Bat, staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat
- Volgcommissie: vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei
- Voortouwcommissie: TK
Preview document (🔗 origineel)
AH 1629
Antwoord van staatssecretaris De Bat (Economische Zaken en Klimaat) (ontvangen 15 april 2026)
1
Erkent u dat het zeer pijnlijk is dat een aardbeving in Drenthe opnieuw
voor schade heeft gezorgd zonder dat de Rijksoverheid tijdig heeft
gezorgd voor een rechtvaardige schaderegeling?
Antwoord
Het vorige kabinet heeft afgelopen januari naar aanleiding van twee
uitgevoerde evaluaties aangegeven dat de landelijke aanpak voor de
afhandeling van schade door bodembeweging als gevolg van de aanleg of
exploitatie van een mijnbouwwerk (hierna: mijnbouwschade) door
de Commissie Mijnbouwschade (hierna: CM) niet op alle punten voldoet aan
de verwachtingen en dat het kabinet deze samen met de
mijnbouwondernemingen wil verbeteren1.
Deze structurele verbeteringen vragen om gesprekken met alle partijen uit de mijnbouwsector, die actief zijn in verschillende mijnbouwactiviteiten, zoals zout-, gas- en oliewinning. Een proces om met al deze partijen tot nieuwe afspraken te komen kost tijd. Het feit dat gedurende dit proces een aardbeving door gaswinning heeft plaatsgevonden die schade heeft veroorzaakt betreur ik. Daarom wil ik zo snel mogelijk – binnen de ruimte die het instellingsbesluit van de CM biedt – tot een specifieke aanpak komen voor de schade die veroorzaakt is door de beving van 14 maart 2026. Ik ben hierover met NAM en de CM in gesprek en betrek hierbij ook de medeoverheden. In mei zal ik uw Kamer hier verder over informeren.
2
Erkent u dat bewoners zeggen dat “de breuk in het vertrouwen groter is
dan de scheur in het huis”? 1) Snapt u dat de woede van bewoners diep
zit gezien de ongelijkheid tussen de schaderegelingen in Drenthe en de
bureaucratie rondom de schadeafhandeling? Kunt u uw antwoord
toelichten?
Antwoord
Naar aanleiding van de beving heb ik maandag 16 maart 2026 een bezoek
aan het getroffen gebied gebracht om persoonlijk in gesprek te gaan met
inwoners en de lokale en provinciale bestuurders (de drie burgemeesters
van Assen, Midden-Drenthe en Aa en Hunze, de commissaris van de Koning
en de gedeputeerde van de provincie). Tijdens het bezoek heb ik uit
eerste hand kunnen horen hoe het met de inwoners gaat en wat de weerslag
van de bevingen is geweest. Deze gesprekken hebben mij er nog meer van
bewust gemaakt dat aardbevingen door mijnbouwactiviteiten en de schade
die dit veroorzaakt een stevige impact kunnen hebben, niet alleen op
huizen, maar ook op het leven van mensen.
In het effectgebied van het Groningenveld en de gasopslagen Grijpskerk en Norg geldt een andere aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade dan in de rest van Nederland. Hier werden in korte tijd tienduizenden gelijksoortige gevallen van fysieke schade gemeld waarvan het grootste deel te herleiden was tot bodembeweging door gaswinning uit het Groningenveld. Kortgezegd, de schadegevallen in het effectgebied van het Groningenveld verschillen in aantal, ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van de gaswinning in de rest van Nederland (waaronder Eleveld). Daarnaast heeft de schade in het effectgebied van het Groningenveld en de afhandeling daarvan tot een grote mate van maatschappelijke ontwrichting geleid. Het kabinet vindt het daarom gerechtvaardigd dat er voor de afhandeling van mijnbouwschade in het effectgebied van het Groningenveld en de gasopslagen Grijpskerk en Norg een andere aanpak geldt dan in de rest van Nederland (waaronder Eleveld).
Dat neemt niet weg dat het de hoogste prioriteit heeft dat ook de schade buiten het IMG-effectgebied op een snelle, gedegen en menselijke wijze afgehandeld wordt. Gelet op de ervaringen na de beving bij Ekehaar in 2023 vind ik het van belang dat er zo spoedig mogelijk een specifieke aanpak voor de beving van 14 maart 2026 komt, binnen de ruimte die het instellingsbesluit van de CM biedt.
3
In maart 2024 werd de motie van de leden Beckerman en Bushoff 2)
aangenomen om het bewijsvermoeden voor alle mijnbouwactiviteiten in
Nederland te laten gelden: kunt u deze motie alsnog spoedig uitvoeren,
zodat gedupeerden in Drenthe eindelijk een rechtvaardige
schadevergoeding krijgen?
Antwoord
Voor de introductie van een wettelijk bewijsvermoeden is een dragende
motivering nodig. Een wettelijk bewijsvermoeden is namelijk een
uitzondering op de standaardregel in het Nederlands burgerlijk recht
«wie stelt, bewijst». Om te kunnen bepalen of uitbreiding van
de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden, zoals dat in het
IMG-effectgebied geldt2, naar de rest van Nederland juridisch
houdbaar is, heeft het toenmalige kabinet voorlichting gevraagd aan de
Afdeling advisering van de Raad van State. Voor het effectgebied van het
Groningenveld is het wettelijk bewijsvermoeden dragend gemotiveerd door
onder meer te wijzen op 1) het grote aantal schadegevallen in dat
gebied en 2) de gelijksoortigheid daarvan die 3) in het grootste deel
van deze gevallen het gevolg is van één oorzaak, namelijk gaswinning uit
het Groningenveld. Zoals in reactie op vraag 2 toegelicht, verschillen
de schadegevallen in het effectgebied van het Groningenveld in aantal,
ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van de gaswinning in de
rest van Nederland. De uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk
bewijsvermoeden kan daardoor onvoldoende dragend gemotiveerd worden en
is daarmee niet juridisch houdbaar.
Daarbij is het goed om te noemen dat de instelling en werkwijze van de CM ervoor heeft gezorgd dat het resultaat voor schademelders in de rest van Nederland praktisch gelijk is aan toepassing van het bewijsvermoeden. De CM neemt de bewijslast van de schademelder over en doet zelfstandig onderzoek naar de oorzaak van de schade. Indien niet aan te tonen, maar ook niet uit te sluiten is dat de schade veroorzaakt is door bodembeweging als gevolg van een mijnbouwactiviteit gaat de CM ervan uit dat deze schade is veroorzaakt door een mijnbouwactiviteit. Dit geeft praktisch eenzelfde resultaat als met toepassing van het bewijsvermoeden. Uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden zal daarom voor schademelders geen meerwaarde bieden en niet leiden tot andere uitkomsten wat betreft de toekenning van schadevergoedingen. Voor een meer uitgebreide onderbouwing van dit standpunt verwijs ik naar de brief van het vorige kabinet van 27 maart 20252.
4
Uw beleidsvoorganger heeft Drenthe reeds een nieuwe, soepelere regeling
met terugwerkende kracht beloofd, maar beloftes dichten echter geen
scheuren: hoe snel kunt u met daden komen? Welke stappen gaat u wanneer
zetten?
Antwoord
Om zo snel mogelijk tot goede schadeafhandeling van de beving van 14
maart 2026 te komen, beoog ik een aanpak die snel, gedegen en menselijk
is en de belangrijkste elementen van de aangekondigde
verbeteringen reeds bevat. Zoals uiteengezet in de recente brief over de
beving bij Geelbroek3, wordt er nu hard gewerkt aan de
schadeafhandeling door de CM, in twee stappen.
Ten eerste wil ik dat er zo snel mogelijk tot een specifieke aanpak voor de beving van 14 maart 2026 komt, binnen de ruimte die het instellingsbesluit van de CM biedt. Ik ben reeds met NAM en de CM in gesprek over een specifieke aanpak voor de beving van 14 maart 2026. Het uitgangspunt is dat deze snel, gedegen en menselijk is. Met de lokale en provinciale bestuurders is maandag 16 maart besproken dat we vier tot zes weken de tijd nemen om duidelijkheid te bieden over deze aanpak.
In het verlengde daarvan ga ik – als tweede stap – samen met de mijnbouwondernemingen (waaronder NAM, maar ook andere mijnbouwondernemingen die actief zijn op land) in gesprek om te komen tot generieke verbeteringen binnen de huidige systematiek van de landelijke aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade.
5
Welke zekerheid kunt u gedupeerden geven? Kunt u een einddatum noemen
waarvoor u alle schades beoordeeld wilt hebben? Gaat u hierbij direct
onterecht afgewezen of te laag beoordeelde schades vergoeden?
6
Hoe kunt u bewoners ontzorgen? Welke extra stappen wilt u zetten voor
deze bewoners die hun thuis en hun vertrouwen beschadigd zien?
Antwoord op vraag 5 en 6
De komende weken sta ik in nauw contact met de CM, de lokale bestuurders
van het gebied waar de beving heeft plaatsgevonden en de NAM om zo snel
mogelijk tot een schadeafhandeling van de beving van 14 maart 2026
komen. Zoals hierboven aangegeven beoog ik een aanpak die snel, gedegen
en menselijk is en reeds de belangrijkste elementen van de in januari
geschetste verbeteringen bevat. In deze fase kan ik nog
niet vooruitlopen op de inhoud van de aanpak. Ik zal uw Kamer hier in
mei verder over informeren.
7
Hoe voorkomt u dat er, net als bij andere mijnbouwschaderegelingen, weer
een nieuwe regeling wordt opgetuigd met hoge uitvoeringskosten?
Antwoord
Alle betrokken partijen vinden het van belang om de ontstane schade zo
snel, gedegen en menselijk mogelijk af te handelen. Het is van groot
belang om hierbij oog te hebben voor de schaal van de
schadeafhandeling. Gegeven de zwaarte van de beving is de
uitvoerbaarheid van de aanpak een belangrijk criterium. Er moet immers
voorkomen worden dat schademelders lang in onzekerheid zitten, in het
bijzonder degenen met de zwaarste schades. Het instellingsbesluit van de
CM biedt ook ruimte om bij een groot aantal schademeldingen voor een
versnelde en vereenvoudigde aanpak te kiezen. Bij de aanpak zal ik ook
nadrukkelijk oog hebben voor het feit dat een deel van de schademelders
woonachtig is in het IMG-effectgebied.
8
Wat is volgens u een goede balans tussen schadevergoedingen en
uitvoeringskosten? Vindt u voor elke geadviseerde euro schadevergoeding
5,65 euro aan onderzoekskosten in balans?
Antwoord
De standaard werkwijze van de CM brengt met zich mee dat voor elke
schademelding (waarbij het vermoeden bestaat dat schade door mijnbouw
zou kunnen zijn veroorzaakt) onderzoek ter plaatse door een expert
plaatsvindt. Dit onderzoek zorgt voor een werkwijze die zorgvuldig,
betrouwbaar en deskundig is. De CM geeft in haar verslag over de
schadeafhandeling in Ekehaar4 aan onderzoek ter
plaatse belangrijk te vinden om de oorzaak en omvang van schade vast te
stellen, ook omdat dit het vertrouwen bij schademelders bevordert.
Tegelijkertijd wordt terecht opgemerkt dat de onderzoekskosten van schade-experts voor hoge uitvoeringskosten van de CM zorgen. Zoals aangekondigd wil ik de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade door de CM verbeteren, onder meer door samen met de mijnbouwondernemingen een betere verhouding tussen geadviseerde schadevergoedingen en onderzoekskosten te realiseren. Ik wil ook dat dit element terugkomt in de specifieke aanpak van de beving van 14 maart 2026 die momenteel wordt ontwikkeld.
Tot slot is het goed om hier nog bij te vermelden dat de mijnbouwondernemingen de onderzoekskosten vergoeden voor die gevallen waarin de CM adviseert een vergoeding voor mijnbouwschade uit te keren. In andere gevallen komen kosten voor rekening van de overheid.
9
Hoe zorgt u dat Noord-Nederland nu eindelijk boven gas gaat, gelet op
het feit dat Noord-Nederland klappen blijft krijgen door bestaande en
oude gaswinning en ontoereikende regelingen voor herstel en compensatie
en er stemmen blijven opgaan voor nieuwe gaswinning uit kleine velden en
het Groningenveld?
10
Welke garanties kunt u in Noord-Nederland geven dat de overheid die zo
vaak onbetrouwbaar is geweest, nu eindelijk problemen gaat oplossen in
plaats van nieuwe problemen gaat veroorzaken?
Antwoord 9 en 10
Ik ben in nauw contact met lokale bestuurders, de CM en NAM, die
verantwoordelijk is voor de (inmiddels ingesloten) gaswinning uit het
Eleveld gasveld en aansprakelijk is voor schade die bodembeweging als
gevolg van de gaswinning uit dat veld veroorzaakt. Alle partijen vinden
het van belang om de ontstane schade zo snel, gedegen en menselijk
mogelijk af te handelen, met oog voor de uitvoerbaarheid. Zoals ook
reeds in antwoord op vraag 1 aangegeven wil ik daarom dat er snel een
specifieke aanpak komt voor de beving van 14 maart.
11
Welke voorwaarden en aannames waren aan de oorspronkelijke
winningsvergunning gekoppeld om de veiligheid te garanderen? Zijn al
deze voorwaarden ook effectief uitgevoerd? Zo nee, welke niet en waarom
niet? Hoe kan het dat er dan alsnog bevingen hebben plaatsgevonden? Wat
leert u van de veronderstellingen van toen die nu negatief uitpakken?
Zult u op basis daarvan nieuwe, bijkomende voorwaarden stellen aan
eventuele nieuwe vergunningen voor gaswinning in Nederland om daar de
veiligheid wel te garanderen, ook na het beëindigen van de
winningsactiviteiten?
Antwoord
Om gas te mogen winnen is, in aanvulling op een winningsvergunning, instemming met een winningsplan nodig. Het gasveld Eleveld valt binnen het winningsplan Westerveld, waarin meerdere gasvelden zijn opgenomen. Het winningsplan Westerveld is voor het gasveld Eleveld in 2018 voor het laatst beoordeeld (op 26 maart 2024 is ingestemd met een actualisatie van het winningsplan voor het gasveld Assen). Ten behoeve van de beoordeling is advies gevraagd aan TNO, SodM, de Technische Commissie Bodembeweging (Tccb, tot en met 2023 adviseur) en de Mijnraad. Bij de beoordeling van winningsplannen wordt altijd gekeken naar de kans op bodemtrilling.
In het gasveld Eleveld zijn al vaker bevingen geweest met lagere magnitudes. Naast de kans op beven wordt ook de kenmerken van het gasveld, de mogelijke magnitudes van een beving en de effecten aan de bovengrond meegenomen zoals bebouwing en infrastructuur. Tezamen is dit het seismisch risico (SRA), dat in het winningsplan wordt aangegeven. Uit deze SRA is naar voren gekomen dat het gasveld Eleveld in de laagste categorie valt (I) maar dicht bij de grens naar een hogere categorie zit (II). Om deze reden zijn specifiek voor het gasveld Eleveld, mede naar aanleiding van de adviezen van de adviseurs, voorwaarden in het besluit opgenomen die normaliter voor SRA II-velden gelden. NAM heeft versnellingsmeters moeten bijplaatsen en een seismisch risicobeheersplan (SRB) moeten opstellen voor het gasveld Eleveld. Daarnaast is in het besluit een voorschrift opgenomen dat NAM bouwkundige vooropnamen moeten uitvoeren. NAM heeft deze voorwaarden van het besluit uitgevoerd. Op dit moment bezie ik hoe om te gaan met de veiligheidsrisico’s en schade door bevingen in het kader van de herziening van de Mijnbouwwet. Ik heb SodM, TNO, Mijnraad en het KNMI gevraagd om hier een gezamenlijk beleidsadvies voor op te stellen.
Kamerstukken II 2025/26, 32849, nr. 294.↩︎
Kamerstukken II 2024/25, 33529, nr. 1284↩︎
Kamerstukken II 2025/26, 32849 nr. 310↩︎
Bijlage 1 bij Kamerstukken II 2025/26, 32849, nr. 294↩︎