De mediarichtlijn van Fiom over abortus
Schriftelijke vragen
Nummer: 2026D17866, datum: 2026-04-15, bijgewerkt: 2026-04-15 13:23, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Krijg melding als deze vragen beantwoord worden:
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: D.J.H. (Diederik) van Dijk, Tweede Kamerlid (SGP)
- Mede ondertekenaar: F.M. Wiersma, Tweede Kamerlid
- Mede ondertekenaar: M.H. Bikker, Tweede Kamerlid (ChristenUnie)
Onderdeel van zaak 2026Z07903:
- Gericht aan: S.T.M. Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- Voortouwcommissie: TK
Preview document (š origineel)
(ingezonden 15 april 2026)
Vragen van de leden Diederik van Dijk (SGP), Wiersma (BBB) en Bikker (ChristenUnie) aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de mediarichtlijn van Fiom over abortus.
Heeft u kennisgenomen van de nieuwe Fiom-mediarichtlijn en bijhorende adviezen over taalgebruik over abortus?[1]
Is het ministerie van VWS van plan om deze mediarichtlijn en taaladviezen van Fiom ook te gaan gebruiken?
Kunt u bevestigen dat deze mediarichtlijn en taaltips tot stand zijn gekomen met subsidie van het ministerie van VWS? Zo ja, aan welke voorwaarden moet deze communicatie voldoen qua objectiviteit en neutraliteit?
Deelt u de opvatting dat het document van Fiom niet neutraal en feitelijk is, zoals het pretendeert te zijn?
Erkent u dat het vermijden van bepaalde woorden kan bijdragen aan het verdoezelen van de morele zwaarte van abortus?
Acht u het wenselijk dat door de overheid gefinancierde organisaties taal voorschrijven die bepaalde morele perspectieven op het ongeboren leven uitsluit en afkeurt?
Wat vindt u ervan dat volgens Fiom niet gesproken mag worden over āpro-lifeā, maar enkel over āanti-abortusā? Is dit volgens u een neutraal en feitelijk advies?
Erkent u dat āpro-lifeā een internationaal zeer gangbare zelfbenaming is?
Hoe waarborgt u dat er ruimte blijft voor verschillende levensbeschouwelijke visies in het maatschappelijk debat?
Wat vindt u ervan dat Fiom adviseert om geen gebruik te maken van de termen ābabyā, āongeboren kindā, āongeboren levenā en āmeisjes of jongetjesā? Is dit volgens u een neutraal en feitelijk advies?
Zo ja, kunt u uitleggen waarom een ongeboren kind geen ābabyā, āmeisjeā of ājongetjeā mag worden genoemd, terwijl deze in brede maatschappelijke kring zeer gangbaar zijn?
Hoe verhoudt het advies om geen gebruik te maken van de term āongeboren levenā zich tot het feit dat de term āongeboren levenā twee keer letterlijk wordt genoemd in de Wet afbreking zwangerschap (artikel 5, tweede lid, onderdeel b en artikel 6a, derde lid, onderdeel b)?
Wat vindt u ervan dat Fiom adviseert om niet te spreken over āabortus plegenā omdat dit suggereert dat abortus een misdaad is? Erkent u dat abortus in het Wetboek van Strafrecht staat en in Nederland enkel is toegestaan vanwege de uitzondering die de Wet afbreking zwangerschap daarop biedt?
Op basis van welke wetenschappelijke bronnen stelt Fiom dat het 'post-abortus syndroom' niet bestaat?
[1] https://fiom.nl/ongewenst-zwanger/abortus/mediarichtlijn-abortus