[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo]←NIEUW! [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Verslag

Wijziging van de Wet kinderopvang in verband met de verbetering van enkele bepalingen op het terrein van kinderopvangtoeslag

Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader)

Nummer: 2026D17994, datum: 2026-04-15, bijgewerkt: 2026-04-15 18:58, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen:

Onderdeel van kamerstukdossier 36911 -5 Wijziging van de Wet kinderopvang in verband met de verbetering van enkele bepalingen op het terrein van kinderopvangtoeslag.

Onderdeel van zaak 2026Z05297:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


36 911 Wijziging van de Wet kinderopvang in verband met de verbetering van enkele bepalingen op het terrein van kinderopvangtoeslag

Nr. 5 VERSLAG

Vastgesteld 15 april 2026

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, belast met het voorbereidend onderzoek van voorliggend wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de in het verslag opgenomen vragen en opmerkingen afdoende door de regering worden beantwoord acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

Inhoudsopgave

I. Algemeen

  1. Inleiding

  2. Promovendi en technologisch ontwerpers in opleiding

  3. Inburgering

  4. Openingstijden

  5. Vaste voet

  6. Inkomenseffecten

  7. Financiële consequenties

  8. Regeldruk

  9. Monitoring en evaluatie

  10. Uitgebrachte adviezen

  11. Uitkomsten internetconsultatie

  12. Inwerkingtreding

  1. Algemeen

De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel Kinderopvang i.v.m. de verbetering van enkele bepalingen op het terrein van kinderopvang.

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de stukken omtrent de inbreng Wijziging van de Wet kinderopvang in verband met de verbetering van enkele bepalingen op het terrein van kinderopvangtoeslag. Deze leden hebben verder geen vragen.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden hebben enkele vragen.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel Wijziging van de Wet kinderopvang in verband met de verbetering van enkele bepalingen op het terrein van kinderopvangtoeslag. Deze leden hebben nog enkele vragen.

  1. Inleiding

De leden van de D66-fractie zien met dit wetsvoorstel een verbetering van het systeem van de kinderopvang en onderschrijven de richting die hiermee ingezet wordt, maar kijken uit naar de toekomstige meer fundamentele systematische verandering die deze leden voorstaan en die in het regeerakkoord is afgesproken, te weten het afschaffen van de kinderopvangtoeslag en bijna gratis kinderopvang voor werkende ouders. Deze leden zien dat het complexe toeslagenstelstel onnodig drempels en risico’s opwerpt, terwijl het nieuwe stelsel de emancipatie ten goede komt, overheidsdruk en -bemoeizucht vermindert en efficiëntie ten goede komt. In de inleiding wordt benoemd dat de verbeteringen uit dit wetsvoorstel worden meegenomen naar een nieuw financieringsstelsel, hoe ziet die overgang eruit? Wat is de laatste stand van zaken aangaande de overgang naar een nieuw financieringsstelsel?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn benieuwd welke lessen getrokken kunnen worden uit het loslaten van de koppeling gewerkte uren. Deze leden vragen of de regering kan toelichten hoe zij terugkijkt op deze maatregel, en of de maatregel heeft uitgepakt zoals verwacht. Deze leden vragen in ieder geval te reflecteren op het terugdringen van terugvorderingen en verhogen van zekerheid. Welke mogelijkheden ziet de regering voor verdere vereenvoudiging van de kinderopvangtoeslag (KOT)?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de voorgestelde aanpassingen in het wetsvoorstel ‘allemaal worden meegenomen bij de overgang naar een nieuw financieringsstelsel voor de kinderopvang’. Deze leden vinden dat op zich wenselijk, maar maken zich enige zorgen over het feit dat de huidige complexiteit in de KOT mogelijk óók meegenomen wordt naar het nieuwe stelsel. Zo werkt de huidige KOT met een steeds langere lijst van specifieke situaties waarin de arbeidseis, dat wil zeggen de eis dat inkomen uit werk en woning in de zin van de Wet Inkomstenbelasting 2001 wordt genoten. Is de regering het ermee eens dat daarmee in feite steeds nieuwe pleisters geplakt worden, terwijl de kern van het probleem, de arbeidseis zelf, niet aangepakt wordt?

  1. Promovendi en technologisch ontwerpers in opleiding

De leden van de D66-fractie zijn positief over de uitbreiding naar promovendi en technologisch ontwerpers in opleiding, omdat de richting bevestigt dat gratis kinderopvang toegankelijk zou moeten zijn voor alle werkenden. Deze leden hebben hierbij enkele vragen. In de doelgroepomschrijving is ervoor gekozen deze uit te breiden naar ‘anderszins onderzoek’, hoe verzekeren deze leden zich ervan dat daarmee de doelgroep als geheel wordt bereikt? Welke risico’s zitten er aan deze formulering en welke afstemming heeft hierover plaatsgevonden met de uitvoeringsorganisaties? Hoeveel en van welke hoogte zijn de terugvorderingen geweest voor promovendi afgelopen jaren? Zijn er situaties bekend dat promovendi hierdoor in de problemen zijn geraakt en wat de effecten daarvan zijn geweest? En hoe wordt er gezorgd voor communicatie richting deze doelgroepen om er zorg voor te dragen dat zij straks recht krijgen op deze toeslagen, zo vragen deze leden.

De leden van de D66-fractie concluderen dat de probleemstelling voor deze groepen duidelijk is en zijn voorts benieuwd welke andere groepen overeenkomstige constructies hebben qua werk en opleiding die voor deze regeling in aanmerkingen zouden moeten kunnen komen.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat in de afgelopen jaren verschillende nieuwe doelgroepen die recht hebben op KOT zijn toegevoegd aan artikel 1.6 van de Wet kinderopvang (Wko). Deze leden vragen welke doelgroepen dat zijn, en wanneer die zijn toegevoegd. Voorts vragen deze leden of voorzien kan worden dat in de toekomst andere doelgroepen zullen worden toegevoegd, die nu nog niet zijn opgenomen. Deze leden vragen de regering daarnaast of er signalen zijn van groepen die nu geen recht hebben op KOT, maar waarvoor de arbeidseis in de praktijk averechts werkt, bijvoorbeeld omdat de zorg voor kinderen het vinden van betaald werk of het anderszins participeren in de samenleving bemoeilijkt. Zo ja, welke groepen zijn dat?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen ook of het klopt dat het voorliggende wetsvoorstel niet regelt dat onderzoekers in een professioneel doctoraat-traject recht krijgen op KOT. Deze leden lezen dat ‘dit wetsvoorstel’ ervoor zorgt dat voor die groep recht op KOT ontstaat; bedoelt de regering daarmee het wetsvoorstel dat in voorbereiding is om professionele doctoraten wettelijk te erkennen?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie delen het standpunt van de regering dat het onwenselijk is dat het recht op KOT afhankelijk is van de vormgeving van de beurs van een promovendus, en steunen het voorstel om alle promovendi het recht te geven op KOT. Deze leden vragen wel in hoeverre te controleren valt of dit recht onder de voorgestelde nieuwe regels daadwerkelijk bestaat. Klopt het dat een buitenpromovendus het promotietraject volledig zelf bekostigt, terwijl de universiteit wél een premie krijgt op het moment dat de promotie wordt afgerond, en dat er daarmee dus een prikkel bestaat om veel buitenpromovendi aan te nemen? En klopt het dat een buitenpromovendus in principe zelf kan beslissen hoe lang diens promotietraject duurt, terwijl gedurende dat hele traject recht op KOT bestaat? Deze leden maken zich geen zorgen om misbruik van de voorgestelde regeling. Wel stellen zij dat het veel eenvoudiger zou zijn om de arbeidseis volledig te laten vervallen; de controle of iemand daadwerkelijk een promotietraject volgt is dan immers niet nodig, wat zowel voor de KOT-ontvanger als de Dienst Toeslagen veel tijd en moeite scheelt. Kan de regering hierop reflecteren?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen voorts of er nog meer opleidingen zijn die, vergelijkbaar met de opleiding tot technologisch ontwerper, wel erkend zijn als opleiding, maar geen recht geven op KOT. Deze leden lezen dat de opleiding tot technologisch ontwerper beschouwd wordt als een traject in de derde cyclus, net als promoveren. Zou het mogelijk zijn om in plaats van alleen promovendi en technologisch ontwerpers in opleiding de hele categorie ‘derde cyclus’ toe te voegen aan artikel 1.6 van de Wko? Waarom heeft de regering daar niet voor gekozen?

De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in de memorie van toelichting het volgende: ‘In sommige gevallen kan deze arbeidseis de arbeidsparticipatie juist in de weg zitten. Bijvoorbeeld als de partner langdurig ziek is, waardoor de werkende ouder minder moet gaan werken of stoppen met werken. Daarom zijn er in artikel 1.6 van de Wko verschillende doelgroepen gedefinieerd die recht hebben op KOT, ook al werken zij niet.’ Deze leden vinden het rechtvaardig dat er voor bepaalde groepen uitzonderingen zijn opgenomen in de Wko. Daarom zijn deze leden ook voorstander om promovendi zonder dienstverband en technologisch ontwerpers in opleiding zonder dienstverband recht te verschaffen op de KOT. Deze leden krijgen regelmatig signalen van mensen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering, zoals de WIA, die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag. De partner is dan vaak genoodzaakt om minder te gaan werken om voor de kinderen te zorgen. Kan de regering uiteenzetten welke mensen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering aanspraak kunnen maken op artikel 1.6 lid 1 onder i, en welke mensen niet? Welke redenering ligt hieraan ten grondslag, en acht de regering de huidige uitzonderingsbepalingen rechtvaardig?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering of er andere doelgroepen bekend of in beeld zijn die recht zouden willen hebben op kinderopvangtoeslag, maar niet voldoen aan de arbeidseis of één van de uitzonderingsbepalingen uit artikel 1.6 van de Wko. Acht de regering de afbakening van de uitzonderingsbepalingen na aanvaarding van voorliggend wetsvoorstel volledig?

  1. Inburgering

De leden van de D66-fractie zijn positief dat de technische correctie plaatsvindt, tegelijkertijd zijn zij verrast dat deze situatie heeft kunnen ontstaan en vragen daarom hoe dit heeft kunnen gebeuren. Waarom is deze groep mensen onbedoeld buiten de regeling terechtgekomen, zo vragen deze leden. Kan het zijn dat er nog andere groepen hierdoor benadeeld zijn en hoe kunnen deze leden zich ervan verzekeren dat deze technische correctie afdoende is om het probleem als geheel op te lossen?

De leden van de D66-fractie vragen voorts hoe zorg wordt gedragen voor een uniforme toepassing van deze gecorrigeerde regels binnen alle gemeenten. Deze leden merken op dat deze correcties tot veel frustraties leiden bij mensen die hier recht op hebben, maar dat dit ook de overheid veel tijd, energie en ambtelijke capaciteit kost. Zodoende hebben deze leden ook hier de vraag of het niet veel beter zou zijn dit stelsel af te schaffen en over te gaan op een bijna gratis toegang van de kinderopvang voor alle werkenden.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat kinderopvang ‘een belangrijke randvoorwaarde’ kan zijn ‘voor inburgeraars om in te burgeren en aan hun verplichte activiteiten in het inburgeringstraject te kunnen voldoen’. Deze leden zijn het daarmee eens, en vragen of de regering erkent dat een vergelijkbare situatie geldt voor werkzoekenden en anderen die nu geen recht hebben op KOT. Ziet de regering ook dat kinderopvang een belangrijk hulpmiddel, of zelfs een randvoorwaarde, kan zijn om volwaardig deel te nemen aan de samenleving? En dat kinderopvang daarnaast van grote meerwaarde kan zijn voor de ontwikkeling van kinderen? Is zij bereid om de doelgroep van de KOT stapsgewijs verder te verbreden en uiteindelijk de arbeidseis volledig te laten vervallen?

  1. Openingstijden

De leden van de D66-fractie zijn het eens met de verduidelijking van de openingstijden. Het feit dat dit tot onduidelijkheid leidt en soms tot onprettige en ongewenste situaties tot gevolg heeft is iets wat moet worden voorkomen, zo vinden deze leden. Wederom zien zij in een verdere versimpeling van dit systeem een (gedeeltelijke) oplossing van dit probleem. Daarbij hedden zijn enkele vragen. In hoeveel gevallen is afgelopen jaren de onduidelijkheid aanleiding geweest tot problemen bij ontvangers van de KOT en heeft dit geleid tot geschillen? Hoe worden de financiële consequenties voor ouders ingeschat? Zijn er oudercommissies of andere organisaties geraadpleegd over de voorgenomen wijzigingen en welke mening hebben zij hierover? Welke effecten worden verwacht bij de kinderopvangorganisaties?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de Dienst Toeslagen sinds 2013 toeslag uitkeert voor uren die op een nationale feestdag vallen, ook als de betreffende kinderopvangorganisatie op die dag gesloten is. Deze leden vragen waarom ouders zouden betalen voor kinderopvang op dagen waarop de kinderopvangorganisatie gesloten is. Zou het niet logischer zijn als ouders in dat geval eventueel betaalde kosten voor dergelijke dagen terugkrijgen van de kinderopvangorganisatie? Deze leden vragen voorts of het klopt dat geen recht op KOT bestaat voor andere dagen waarop een kinderopvangorganisatie gesloten is (bijvoorbeeld als deze standaard op zondag gesloten is).

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen daarnaast naar de situatie waarin kinderopvangorganisaties toch kosten in rekening brengen, ook al zijn ze gesloten. Deze leden vragen om nader inzichtelijk te maken hoe vaak het voorkomt dat kinderopvangorganisaties toch uren in rekening brengen terwijl er geen kinderopvang wordt afgenomen. Zij vragen tevens of de regering het signaal herkent dat hiermee door kinderopvangorganisaties wordt gesjoemeld en dat kinderopvangorganisaties van de situatie gebruik maken dat ouders niet op de hoogte zijn van alle regels.

De leden van de ChristenUnie-fractie begrijpen dat dit wetsvoorstel poogt de voorwaarden die gelden voor de beschikbaarheid en openingstijden van de opvang voor het recht op KOT te verduidelijken. In de memorie van toelichting lezen deze leden dat er opvangorganisaties zijn die op zondagen geopend zijn. Is er informatie beschikbaar hoeveel opvangorganisaties op zondag geopend zijn c.q. hoeveel hiervan gebruik gemaakt wordt?

Ouders worden in sommige gevallen onnodig geconfronteerd met hoge kosten doordat opvangorganisaties dusdanig ruime openingstijden hebben maar ouders hier zelf geen gebruik van maken (bijvoorbeeld uren tot halverwege de avond). De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering of er informatie beschikbaar is over de reikwijdte en het gebruik van ruime openingstijden.

  1. Vaste voet

De leden van de D66-fractie hebben een aantal vragen over de aanpassing van de wet over de vaste voet voor de KOT. Kan de regering toelichten waarom de huidige wettekst afwijkt van de praktijk en hoe dit zo heeft kunnen ontstaan? Zijn er situaties denkbaar waarin ouders ondanks deze wijziging effectief alsnog onder de 33,3% uitkomen, bijvoorbeeld door andere parameters in het stelsel, zo vragen deze leden.

  1. Inkomenseffecten

De leden van de D66-fractie hebben een vraag over de inkomenseffecten van de voorgenomen wetswijzing. Hoe verhouden deze inkomenseffecten zich tot het bredere doel van het stelsel om werken lonend te maken?

  1. Financiële consequenties

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de inschattingen van de financiële consequenties van dit wetsvoorstel en hebben daar een aantal vragen over. Zo vragen deze leden waar de verwachting op is gebaseerd dat de wijziging betrekking heeft op 300 promovendi en 20 technologisch ontwerpers. Zijn er middelen onbesteed gebleven door de onbedoelde niet vormgegeven KOT voor inburgeraars in de wet terwijl daar financieel wel in voorzien was? In hoeverre zijn deze middelen toekomstbestendig gezien de overgang naar een nieuw financieringsstelsel?

  1. Regeldruk

De leden van de D66-fractie zien een afname van de regeldruk als een gewenst resultaat van de wijzingen van de wet en hebben een tweetal vragen. Hoe wordt geborgd dat de uitvoeringspraktijk daadwerkelijk leidt tot minder complexiteit, in plaats van een verschuiving van complexiteit? En hoe verandert de regeldruk concreet voor ouders, en in het bijzonder voor de nieuwe doelgroep die moet aantonen dat zij onder de regeling valt?

  1. Monitoring en evaluatie

  2. Uitgebrachte adviezen

  3. Uitkomsten internetconsultatie

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe het komt dat het wetsvoorstel nu pas ingediend is en de beoogde inwerkingtredingsdatum is verschoven naar 1 januari 2027, in plaats van de eerder gecommuniceerde 1 januari 2025. Voorts vragen deze leden of het klopt dat door de voorgestelde terugwerkende kracht ongelijkheid ontstaat tussen diegenen die wél KOT hebben aangevraagd en diegenen in vergelijkbare situaties die dat niet hebben gedaan. Waarom regelt de regering geen terugwerkende kracht voor deze laatste groep? Deze leden snappen dat veel promovendi zonder arbeidsovereenkomst zich in een financieel precaire situatie bevinden, maar merken op dat dat wel sterk kan verschillen en bijvoorbeeld ook afhankelijk is van of de promovendus in kwestie een (werkende) partner heeft of niet. Deze leden stellen dat er zeker situaties denkbaar zijn waarin de kosten van kinderopvang (mogelijk met moeite) opgebracht zijn zonder KOT. Kan de regering uitsluiten dat dergelijke gevallen bestaan? Zo niet, vindt zij het dan niet wenselijk om de betreffende groep alsnog recht op KOT te geven over 2025 en 2026?

  1. Inwerkingtreding

De voorzitter van de commissie,

Van der Lee

Adjunct-griffier van de commissie,

Van den Broek