Tweeminutendebat Participatiewet (CD 24/3) (ongecorrigeerd)
Stenogram
Nummer: 2026D18001, datum: 2026-04-15, bijgewerkt: 2026-04-16 09:22, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-04-15 10:15: Tweeminutendebat Participatiewet (CD 24/3) (Plenair debat (tweeminutendebat)), TK
Preview document (🔗 origineel)
Participatiewet
Participatiewet
Aan de orde is het tweeminutendebat Participatiewet (CD d.d.
24/03).
De voorzitter:
We beginnen deze dag met het tweeminutendebat Participatiewet. Er is een
commissiedebat geweest op 24 maart. Voorafgaand aan het tweeminutendebat
heeft de heer Dijk een verzoek. Het woord is aan de heer Dijk.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Dank u wel en goedemorgen, voorzitter. Ik heb inderdaad het verzoek of
ik mee mag doen aan dit tweeminutendebat. Het lukte mij niet om aan het
commissiedebat mee te doen, omdat ik andere werkzaamheden had.
De voorzitter:
Ik kijk even naar de collega's. Ik zie veel duimpjes en geknik, dus van
harte welkom, meneer Dijk. We gaan luisteren naar de eerste spreker in
het tweeminutendebat. Dat is mevrouw Lahlah. Zij spreekt namens
GroenLinks-PvdA. Ik geef u graag het woord.
Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb vier moties, dus ik ga in een beetje een
rap tempo voorlezen.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er structurele middelen voor proactieve
dienstverlening in de bijstand waren gereserveerd, oplopend tot ruim 30
miljoen euro in 2030;
constaterende dat deze middelen in de huidige begroting niet langer
beschikbaar zijn;
constaterende dat naar schatting circa 150.000 mensen recht hebben op
bijstand maar daar geen gebruik van maken;
overwegende dat proactieve dienstverlening eraan bijdraagt dat mensen
die recht hebben op bijstand tijdig in beeld komen en niet onnodig onder
het bestaansminimum leven;
overwegende dat juist de bijstand het laatste vangnet vormt voor mensen
zonder andere inkomsten;
verzoekt de regering de eerder gereserveerde structurele middelen voor
proactieve dienstverlening, oplopend tot 30 miljoen euro in 2030,
opnieuw beschikbaar te stellen voor de bijstand,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Lahlah, Jimmy Dijk en
Ceder.
Zij krijgt nr. 352 (34352) (#1).
Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):
De tweede motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat het garantiebedrag is ingevoerd ter bescherming van
werkenden met een Wajong-uitkering, zodat zij er door de harmonisatie
van de Wajong niet plotseling sterk op achteruitgaan in inkomen;
constaterende dat het garantiebedrag voor Wajongers na vijf jaar werken
vervalt, waardoor betrokkenen in inkomen terugvallen, in sommige
gevallen met honderden euro's per maand;
constaterende dat dit leidt tot grote onzekerheid voor Wajongers, die
hier al jaren hun leven op hebben ingericht;
verzoekt de regering te regelen dat het garantiebedrag voor Wajongers
die hiermee te maken krijgen niet abrupt vervalt, maar in drie jaar
stapsgewijs wordt afgebouwd,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Lahlah en Jimmy Dijk.
Zij krijgt nr. 353 (34352) (#2).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat mensen met een bijstandsuitkering die willen
samenwonen of dat willen proberen direct te maken kunnen krijgen met een
lagere uitkering of verlies van hun zelfstandige aanspraak op
bijstand;
constaterende dat de huidige regels daarmee een drempel vormen om te
gaan samenwonen of dat uit te proberen;
constaterende dat we in een wooncrisis zitten;
overwegende dat het belangrijk is om mensen de ruimte te geven om
samenwonen uit te proberen zonder direct risico op inkomensverlies,
terugvordering of boetes;
overwegende dat het ontbreken van een overgangsperiode ertoe kan leiden
dat mensen afzien van samenwonen, terwijl dit ook de doorstroom op de
woningmarkt kan belemmeren;
verzoekt de regering om te regelen dat mensen met een bijstandsuitkering
gedurende de eerste zes maanden van samenwonen een overgangsregeling met
voorwaarden krijgen, zodat zij in die periode hun uitkering kunnen
behouden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Lahlah.
Zij krijgt nr. 354 (34352) (#3).
U bent door de tijd heen, mevrouw Lahlah. U kondigde vier moties aan.
Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):
Ik had er eentje als reserve gehouden, dus dat is prima.
De voorzitter:
Gelukkig, want het was dus eigenlijk te ambitieus voor de twee minuten
spreektijd die u heeft. Dank u wel. De tweede spreker in het debat is de
heer Ceder. Hij spreekt namens de ChristenUnie.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel, voorzitter. We hebben een goed debat gehad. Ik heb een
aantal moties van collega's van mij medeondertekend, omdat ik denk dat
het belangrijk is dat we als Kamer met name de mensen die aan de
kwetsbare kant zitten, beter gaan ondersteunen.
Ik heb zelf ook twee moties. De eerste gaat over de groep chronisch
zieken. Ik vind het belangrijk dat als je eenmaal in de bijstand zit en
arbeidsongeschikt raakt, daar een passende voorziening voor komt. Daarom
heb ik de volgende motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat chronisch zieken die niet in aanmerking komen voor een
arbeidsongeschiktheidsuitkering nu via de Participatiewet ondersteuning
kunnen krijgen om te voorzien in hun bestaan, maar dat deze wet op veel
punten knelt, bijvoorbeeld rond de kostendelersnorm, en dat chronisch
zieken hierdoor in de problemen komen;
verzoekt de regering om voor chronisch zieken een apart wettelijk regime
te ontwerpen, passend bij hun situatie,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder en Flach.
Zij krijgt nr. 355 (34352) (#4).
De heer Ceder (ChristenUnie):
Voorzitter. Complimenten voor de minister dat de nieuwe Wet invoering
forfaitaire loonkostensubsidie voor beschut werk in consultatie is
gegaan. Ik denk dat dat een belangrijke ontwikkeling is. Wij vernemen
namelijk nog steeds van werkgevers dat er vele knelpunten zijn rondom de
loonkostensubsidie. Ik denk dat dit een deel van die knelpunten gaat
oplossen. Tegelijkertijd hoop ik dat we deze kabinetsperiode stappen
gaan zetten om ervoor te zorgen dat we de overige knelpunten rondom de
loonkostensubsidie ook gaan oplossen. Daardoor brengen we werkgevers
namelijk in stelling om mensen aan het werk te helpen. Volgens mij is
dat ook een ambitie van deze minister. Daarin vinden wij elkaar. Daarom
dien ik ook de volgende motie in.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de loonkostensubsidie een belangrijk instrument is om
mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt aan werk te helpen;
overwegende dat er signalen zijn van werkgevers over knelpunten in de
uitvoering en toepassing van de loonkostensubsidie;
verzoekt de regering om in gesprek te gaan met werkgevers om de
knelpunten rondom de loonkostensubsidie te inventariseren;
verzoekt de regering tevens om de Kamer over de inventarisatie te
rapporteren vóór de behandeling van het wetsvoorstel Invoering
forfaitaire loonkostensubsidie voor beschut werk,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ceder.
Zij krijgt nr. 356 (34352) (#5).
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank aan de heer Ceder. De volgende spreker in dit debat is de heer De
Beer, die spreekt namens de VVD. Het woord is aan u.
De heer De Beer (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Er staan in Nederland nog steeds
honderdduizenden vacatures open, terwijl er nog altijd heel veel mensen
langs de zijlijn staan. Voor de VVD is dat de kern van het vraagstuk:
hoe zorgen we ervoor dat meer mensen aan het werk gaan en dat werken ook
meer loont? We weten dat er een hele grote groep is die wel wil werken,
maar voor wie de stap naar de arbeidsmarkt niet vanzelfsprekend is. Daar
ligt een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de overheid, voor
gemeenten en voor werkgevers.
Voorzitter. Werkgevers spelen daarin een sleutelrol. Zij maken
uiteindelijk het verschil om mensen een kans te geven op de werkvloer.
We horen echter ook dat werknemers drempels ervaren: onzekerheid over de
risico's bij uitval, onbekendheid met regelingen en soms simpelweg de
vraag "waar begin ik?". Daarom is het goed dat de minister heeft
toegezegd om voor de zomer met een Kamerbrief te komen waarin wordt
verkend hoe werkgevers beter ondersteund kunnen worden. De VVD kijkt met
belangstelling uit naar die Kamerbrief. In dat kader wil ik twee
concrete punten benadrukken.
Ten eerste de no-riskpolis. Dat is een prima instrument om risico's voor
werkgevers te beperken en daarmee de stap om iemand aan te nemen te
verkleinen. Eerder is de pilot om de no-riskpolis breder in te zetten
niet van de grond gekomen, maar de onderliggende gedachte blijft wat ons
betreft onverminderd relevant. Juist in een krappe arbeidsmarkt kunnen
we ons niet permitteren om dit soort instrumenten onbenut te
laten.
Voorzitter. Ten tweede de inclusiviteitstechnologie. Technologische
toepassingen kunnen werkplekken toegankelijker maken, taken verlichten
en daarmee de inzetbaarheid van mensen vergroten. Tegelijkertijd zien we
dat deze mogelijkheden, zeker bij het mkb, nog te weinig benut worden en
bekend zijn. Daarom zijn mijn vragen aan de minister als volgt. Kan hij
in de toegezegde Kamerbrief expliciet ingaan op zowel de no-riskpolis
als de inclusiviteitstechnologie? Kan hij dat concreet maken? Kan hij op
korte termijn zorgen dat die beter kan worden ingezet, juist ook bij het
mkb? Is hij bereid daarbij ook te kijken naar vereenvoudiging en de
actieve ondersteuning van werkgevers?
De voorzitter:
Dank u wel, meneer De Beer. Dan gaan we luisteren naar de bijdrage van
de heer Flach. De heer Flach spreekt namens de SGP.
De heer Flach (SGP):
Dank u wel, voorzitter. Terugkijkend op het debat, heb ik onder andere
aandacht gevraagd voor de sociale werkontwikkelbedrijven. Ik heb er
verschillende bezocht in de achterliggende tijd. Je ziet dat er een
specifieke groep is die hier en daar ook in de wetgeving weleens in
lastige posities terechtkomt, waardoor er reparatie achteraf nodig is.
Dat komt doordat er eigenlijk niet een heldere definitie in de wet
staat. Daarom dien ik deze motie in, mede namens collega Ceder.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat bij verschillende wetstrajecten de
werkontwikkelbedrijven en hun medewerkers onbedoeld zijn geraakt en dit
regelmatig reparatie achteraf vergt, zoals bij de behandeling van de
Wtta;
overwegende dat werkontwikkelbedrijven een eigenstandige positie op de
arbeidsmarkt kennen;
overwegende dat het vastleggen van een heldere definitie van
"werkontwikkelbedrijf" in de wet onbedoelde effecten kan
voorkomen;
verzoekt de regering te verkennen hoe een definitie van
"werkontwikkelbedrijven" in de wet kan worden opgenomen, en de Kamer
over de uitkomsten te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Flach en Ceder.
Zij krijgt nr. 357 (34352) (#6).
Dank aan de heer Flach. Dan geef ik het woord aan de heer Ceulemans, die spreekt namens JA21.
De heer Ceulemans (JA21):
Voorzitter, dank u wel. We hebben inderdaad een goed commissiedebat
gehad. Daarbij is het vanuit onze kant voornamelijk gegaan over de
taaleis en de tegenprestatie. Daar heb ik reeds moties over ingediend,
dus ik heb op dit moment geen moties. Ik heb wel nog twee vragen.
Allereerst heb ik toch nog een keer een vraag over de taaleis. De
minister gaat met gemeenten in gesprek over de handhaving. Ik heb al in
het commissiedebat duidelijk aangegeven namens JA21 dat van
niet-handhaven geen enkele sprake kan zijn. Daarom stel ik nog een keer
de vraag aan de minister: kan hij bevestigen dat hij in die gesprekken
met de gemeenten aan de voorkant heel helder benadrukt dat er van
niet-handhaven geen enkele sprake kan zijn? Geeft hij aan de voorkant
ook duidelijk mee welke consequenties het heeft als gemeenten toch
overwegen niet te handhaven?
Dan de tweede vraag. Ik heb ook aandacht gevraagd voor een aantal
gemeenten die op dit moment de mogelijkheden aan het inperken zijn voor
inwoners om vermoedens van bijstandsfraude te melden. Dat is wat ons
betreft onwenselijk. Het uitgaan van vertrouwen moet niet doorslaan in
het verdacht maken van het melden van vermoedelijke bijstandsfraude en
het aanpakken van bijstandsfraude. Dus ik wil de minister vragen of hij
een inventarisatie kan maken van in hoeveel gemeenten op dit moment de
mogelijkheden worden ingeperkt voor inwoners om vermoedens van
bijstandsfraude te melden. Kan hij met gemeenten in gesprek gaan over
het belang voor inwoners om dat te kunnen doen?
De voorzitter:
Dank aan de heer Ceulemans. Het woord is aan mevrouw Van Meetelen. Zij
spreekt namens de PVV.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Dank u, voorzitter. Ik had eigenlijk dezelfde vraag als de heer
Ceulemans. In het debat is het inderdaad ook over de taaleis gegaan. Ik
heb een toezegging gekregen dat u in de brief van april daarop terug zou
komen. Dus ik kijk daarnaar uit, en ook naar de antwoorden op de vragen
van de heer Ceulemans.
Dat gezegd hebbende, heb ik één motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat gemeenten grote verschillen laten zien in de toegang
tot beschut werk, de snelheid van plaatsing en de mate van
begeleiding;
overwegende dat mensen die zijn aangewezen op beschut werk, afhankelijk
zijn van tijdige en passende ondersteuning en niet de dupe mogen worden
van lokale willekeur;
overwegende dat rechtsgelijkheid vereist dat vergelijkbare gevallen in
verschillende gemeenten zo veel mogelijk gelijk worden behandeld;
verzoekt de regering in kaart te brengen hoe groot de regionale
verschillen in toegang tot en uitvoering van beschut werk zijn, en met
concrete voorstellen te komen om deze verschillen te verkleinen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Meetelen.
Zij krijgt nr. 358 (34352) (#7).
Dank u wel. Dan komen we bij de heer Hamstra voor zijn bijdrage aan het tweeminutendebat. Hij spreekt namens het CDA.
De heer Hamstra (CDA):
Voorzitter. Ieder kind verdient kansen. Helaas is dat niet
vanzelfsprekend. Een goed en stabiel inkomen voor het gezin waarin ze
opgroeien, helpt. De Participatiewet ondersteunt mensen met een
beperking om zo duurzaam mogelijk aan het werk te komen of mee te doen
aan de samenleving. Ook dat helpt. Wat dan niet helpt, zijn
ombuigingsvoorstellen die het inkomen van gezinnen waarin kinderen
opgroeien, onzekerder maakt. Stoppen met proactieve dienstverlening,
zoals nu in de Voorjaarsnota staat, gaat wat het CDA betreft dan ook
niet gebeuren. Ik overwoog een motie op dit punt, maar ik hoop dat het
met een toezegging ook lukt. Kan de minister dus toezeggen dat hij
alternatieven inventariseert voor de ombuigingen van proactieve
dienstverlening en deze tijdig naar de Kamer stuurt? Op die manier
hebben wij voldoende informatie om de ombuigingen die juist deze
kwetsbare groepen raken, te stoppen.
Daarnaast is het belangrijk dat gemeenten duidelijkheid hebben over wat
zij voor kwetsbare jongeren binnen de wet wel en niet kunnen doen.
Daarom dien ik de volgende motie in.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Kamer met het gewijzigde amendement-Ergin c.s.
middelen heeft vrijgemaakt voor tijdelijke, ontwikkelingsgerichte
interventies voor kwetsbare jongeren, onder meer gericht op
schuldaanpak, terugkeer naar onderwijs en geleidelijke toeleiding naar
werk;
overwegende dat in de praktijk behoefte bestaat aan duidelijkheid over
welke tijdelijke, ontwikkelingsgerichte interventies voor kwetsbare
jongeren binnen de kaders van de Participatiewet mogelijk zijn;
overwegende dat onduidelijkheid hierover ertoe kan leiden dat effectieve
ondersteuning voor kwetsbare jongeren onnodig wordt belemmerd;
verzoekt de regering om samen met gemeenten en betrokken uitvoerders in
kaart te brengen welke ruimte de Participatiewet reeds biedt voor
tijdelijke, ontwikkelingsgerichte interventies voor kwetsbare jongeren,
welke belemmeringen in wet- en regelgeving of uitvoering worden ervaren,
en de Kamer voor de begrotingsbehandeling van SZW voor 2027 te
informeren over hoe die belemmeringen zo mogelijk kunnen worden
weggenomen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Hamstra, Biekman, Lahlah, Ergin
en Wiersma.
Zij krijgt nr. 359 (34352) (#8).
Dank u wel. U heeft nog een interruptie van de heer Flach.
De heer Flach (SGP):
Ik wilde even kijken of ik het goed hoorde, want het ging bijna in een
bijzin. De heer Hamstra zei dat zijn fractie niet zal toestaan dat iets
gebeurt, of dat het niet zal gebeuren — in ieder geval in dat soort
woorden — dat de bezuiniging rond de proactieve dienstverlening die in
de Voorjaarsnota staat, doorgang vindt. Nou vinden er rondom zo'n
voorjaarsnota altijd allerlei onderhandelingen plaats tussen
coalitiepartijen. Hoe moet ik dat zien?
De heer Hamstra (CDA):
Dat is dus de reden. Kijk, het was helemaal niet bedoeld als bijzin;
volgens mij staat dit ook best wel expliciet in mijn inbreng. Ik
overwoog een motie in te dienen om dat te doen. Ik ben nu pas net een
paar maanden Kamerlid, maar ik vind dat wanneer je een motie indient,
die motie ook gedekt moet zijn. Ik heb daar wel wat hulp bij nodig. Dat
is de reden waarom ik de minister nu om de toezegging vraag om
alternatieven te inventariseren voor die ombuigingen in de proactieve
dienstverlening. Dan kunnen we daarna alsnog met een alternatief komen.
Dat is hoe wij dit vooral zien.
De voorzitter:
Meneer Flach, een vervolgvraag?
De heer Flach (SGP):
Ja, toch even, hoor. Een week of twee geleden is de Voorjaarsnota door
de ministerraad gegaan. Die ligt in de Kamer. Daar hebben de drie
partijen over gesproken voordat daar een besluit over kwam. En nu, twee
weken later, trekt het CDA zijn handtekening daarbij in? Zo beluister ik
dat dan maar. Hoe is dat zo gekomen? Zijn die onderhandelingen verkeerd
verlopen in uw geval, of was u het er gewoon überhaupt niet mee eens en
probeert u het op deze manier alsnog te repareren? Ik probeer daar even
inzicht in te krijgen.
De heer Hamstra (CDA):
Ik geloof heel erg in dualisme. Dus dat het kabinet met een voorstel
komt via de Voorjaarsnota, dat kan natuurlijk helemaal prima. Volgens
mij is dan aan de Kamer de taak om die controlerende rol uit te voeren.
We hebben de Voorjaarsnota tot ons genomen. Wij vinden dan
ombuigingsvoorstellen in het kader van proactieve dienstverlening. Ik
heb drie of vier weken geleden bij de begroting van SZW nog een motie in
het kader van proactieve dienstverlening ingediend die ging over
automatisch uitkeren. Tja, dan vinden wij het van belang dat die motie,
die toen oordeel Kamer heeft gekregen en ook een meerderheid heeft
gehaald, ook doorgang kan vinden. Dat is dus de reden waarom wij nu aan
het zoeken zijn naar op welke manier we het toch mogelijk kunnen maken
dat die proactieve dienstverlening doorgaat.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik haak ook aan op dat punt. In ieder geval is dit voor mij een klein
bommetje dat gedropt wordt. We hebben de Voorjaarsnota gehad. Daarover
hebben de partijen onderhandeld. De fractie is daar uiteraard bij
betrokken geweest, want anders heb je geen rugdekking vanuit de Kamer —
zo zeg ik even met ervaring als oud-coalitiedeelnemer. De CDA-ministers
hebben vervolgens in de ministerraad ingestemd hiermee. En pakweg twee
weken later zegt de CDA-fractie: dit moeten we terugdraaien. Dat kan een
paar dingen betekenen. Of minister Aartsen heeft het voorstel zonder
dekking van de coalitie erdoorheen gedrukt, maar zo ken ik de heer
Aartsen niet. Ik zie hem al knipogen. Of de CDA-fractie heeft
koudwatervrees, wat ik toejuich hè, want ook ik vind het slecht dat we
dit zo gefragmenteerd gaan indienen. Over pakweg een paar weken
behandelen we het wetsvoorstel. Ik ben ook met een amendement bezig om
ervoor te zorgen dat we niet die bezuiniging terugdraaien, maar dit
gewoon in één keer door laten gaan, dus niet met die knip zoals de
minister het heeft behandeld. Mijn vraag is: wat is er in de afgelopen
twee weken gebeurd waardoor de CDA-fractie hierin gedraaid is? Dit
misschien in aanvulling op de heer Flach.
De heer Hamstra (CDA):
Tja, het wordt wel een beetje hetzelfde antwoord als het antwoord dat ik
aan collega Flach heb gegeven. Kijk, de Voorjaarsnota is gepresenteerd.
Die wordt volgende week in deze Kamer behandeld. Nu hebben we een
tweeminutendebat over de Participatiewet. De wetsbehandeling van de Wet
proactieve dienstverlening SZW komt er nog aan. Proactieve
dienstverlening staat ook in het coalitieakkoord en ik heb daar een
motie over ingediend bij de begrotingsbehandeling, dus ik vind het wel
belangrijk dat dat doorgang gaat vinden. Ik vraag nu dus aan de
minister: wat zijn mogelijke alternatieven, zodat we het toch doorgang
kunnen laten vinden?
De voorzitter:
Een vervolgvraag van de heer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dan is tot slot mijn vraag: wat heeft de Kamer nu aan het CDA? Vraagt u
dit om voor de Voorjaarsnota zelfstandig met een amendement hierover
vanuit de CDA-fractie te komen? Dat zou ik toejuichen, dus vooral doen.
Of zegt u: "Dat zijn we niet van plan. Het initiatief moet vanuit de
minister komen, anders gaan wij er onze handen niet aan branden"? Dan is
dit dus een losse flodder. Je zou ook nog kunnen zeggen dat je bij de
behandeling van het wetsvoorstel over proactieve dienstverlening nog
zelfstandig met een voorstel vanuit de CDA-fractie komt. Dat zou ik ook
toejuichen. Dan hoef ik namelijk ook niks te doen. Dan wacht ik totdat
het CDA dit regelt. Ik ben benieuwd naar uw stappenplan. Gaat u zelf
initiatief nemen en verwacht u dekkingsvoorstellen? Of laat u het in
handen van de minister en trekt u dus als CDA-fractie uw handen ervan
af?
De heer Hamstra (CDA):
Of u met een initiatief komt, is aan u. Ik ga niet zeggen wat u daarmee
moet doen. Maar heel eerlijk gezegd maakt het mij niet zoveel uit of het
kabinet met een voorstel komt of dat de CDA-fractie met een voorstel
komt of dat de ChristenUnie met een voorstel komt; het belangrijkste is
dat de mensen die het het meest nodig hebben, geholpen worden. Om dat in
samenwerking voor elkaar te kunnen krijgen, heeft u aan het CDA een hele
goede. We gaan kijken of we het op die manier kunnen regelen.
De heer Ceulemans (JA21):
Ik heb ook even een vraag aan de heer Hamstra. Even los van wat je er
inhoudelijk van vindt — er valt heel veel over te zeggen — is het
opmerkelijk hoe dit al een paar weken gaat. Dit is een
minderheidscoalitie, dus er wordt een beroep gedaan op de oppositie voor
een constructieve houding. Maar het lijkt vooral de coalitie zelf die
continu de plannen van dit kabinet onder vuur aan het nemen is. Eerst is
het de heer Paternotte die voor een camera in de gang doodleuk en
plompverloren meldt dat de maximumdagloonmaatregel met betrekking tot
zwangerschapsregelingen niet doorgaat. Vervolgens was het uw collega Van
Ark die vanaf dat spreekgestoelte zo'n beetje het tapijt onder het hele
bezuinigingspakket vandaan trok. En nu doet u dat eigenlijk opnieuw. Dus
even los van de inhoud, vindt u het niet ook opmerkelijk hoe dit
gaat?
De heer Hamstra (CDA):
Het wordt inderdaad een groot debat, maar volgens mij gaat dit debat
over de Participatiewet. Dit is een tweeminutendebat. Ik gaf aan dat wij
in het kader van proactieve dienstverlening, waarover ik zelf een motie
heb ingediend bij de begrotingsbehandeling van de begroting SZW — daar
wil ik ook graag bij blijven — het liefst alternatieve plannen zien.
Volgens mij is dat ook het werk dat je als Kamerlid gewoon kan doen. Ik
vraag nu dus aan de minister — ik herhaal mezelf voor de derde keer — of
er alternatieven mogelijk zijn, zodat ik mijn werk als Kamerlid ook kan
doen om te kijken of ik daarin mogelijke oplossingen zie om met die
proactieve dienstverlening door te gaan. Dat is wat ik nu aan het doen
ben.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van de heer Ceulemans.
De heer Ceulemans (JA21):
Afrondend van mijn kant. De heer Hamstra zegt: het wordt nu een groot
debat. Maar daar is hij natuurlijk zelf debet aan, want — nogmaals,
ongeacht wat je van de inhoud vindt — hij legt zelf een beetje een
bommetje onder een van de meest gevoelige punten uit de Voorjaarsnota
van de afgelopen weken. Kan de heer Hamstra zich dus voorstellen dat het
voor de oppositie op deze manier erg moeilijk wordt? Je bent namelijk
gewoon een beetje aan het mikken op een bewegend doelwit. Elke keer komt
het kabinet, een minderheidskabinet, waardoor je verwacht dat de
oppositie erbij betrokken gaat worden, namelijk met plannen naar buiten
en vervolgens zijn het steeds de coalitiepartijen die hier achter het
spreekgestoelte van gemaakte afspraken terug beginnen te komen.
De heer Hamstra (CDA):
Ik had het daar net over: ik geloof zelf heel erg in dualisme. Ik hoop
dus dat we vanuit deze Kamer allemaal de verantwoordelijk voelen om dit
kabinet te controleren. Ik hoop dat wanneer wij vinden dat we bepaalde
voorstellen van het kabinet anders zouden willen zien, we daarin
samenwerken, omdat wat ons betreft de inhoud vooropstaat.
Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):
Laat ik beginnen met zeggen dat ik heel blij ben dat ik het CDA zo
expliciet hoor zeggen dat dit niet gaat gebeuren, dus daarin vindt hij
in mij een bondgenote. We hebben zojuist een motie ingediend, precies op
dit vlak. Kan ik ervan uitgaan dat het CDA daar dan voor gaat
stemmen?
De heer Hamstra (CDA):
Eigenlijk is het antwoord daarop: nee. Dat heeft ermee te maken dat de
motie zoals ik u 'm net hoorde indienen, volgens mij nog geen financiële
dekking heeft. De reden waarom ik nu zeg dat ik eerst graag een
toezegging van de minister zou willen hebben, is dat ik zelf op zoek ben
naar een dekking daarvoor. Wat dat betreft is dat dus voor ons nu te
prematuur.
Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):
Ik weet dat de heer Hamstra, zoals ik hem ken, de Voorjaarsnota heel
goed heeft gelezen. We kunnen dadelijk in de pauze gaan zoeken naar een
dekking. Dan hebben we niet alleen maar de opdracht aan deze minister om
het te regelen, inclusief voorwaarden. Daar hoeven we niet op te
wachten. Ik ben dus bereid mijn motie daarop aan te passen. Wat mij
betreft kunnen we dadelijk gaan kijken hoe we die dekking gezamenlijk
regelen. Dan hebben we één opdracht aan de minister.
De voorzitter:
We gaan naar de interruptie van mevrouw Van Brenk. Ik kijk een beetje
naar de klok, maar natuurlijk krijgt u ook ruimte voor een interruptie,
mevrouw Van Brenk.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
De collega van de heer Hamstra, mevrouw Van Ark, werd daarstraks al
aangehaald. Die heb ik eerlijk gezegd ook geprezen voor een verfrissend
geluid, en dat is hier ook het geval. Ik vind het verfrissend dat de
heer Hamstra zegt dat ze er nog eens kritisch naar willen kijken. Wij
willen best graag samen met de heer Hamstra kijken waar we mogelijkheden
zien. Wat ons betreft reiken we de hand dus toe. Ik hoop dat die
aangenomen wordt.
De heer Hamstra (CDA):
Een handreiking is altijd welkom.
De voorzitter:
Tot slot heeft de heer Dijk ook een interruptie.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Ik heb een korte vraag. De heer Hamstra doet denk ik iets verstandigs,
namelijk aangeven dat er wat het CDA betreft niet op die Wet proactieve
dienstverlening wordt bezuinigd. Kan ik wel één keer hard en stevig
horen dat dit volgens het CDA echt niet gaat gebeuren? Anders vind ik de
vragen richting het kabinet namelijk een beetje gratuit worden. Het valt
me op dat coalitiepartijen dat vaker doen, zonder zelf met een dekking
te komen. Dat zou dan nog iets steviger zijn. Kan ik van het CDA
verwachten dat zij zeggen dat het niet gaat gebeuren?
De heer Hamstra (CDA):
Ja. Wat het CDA betreft gaat dat niet gebeuren.
De voorzitter:
Daarmee komen we bij de volgende spreker in dit debat. Dat is mevrouw
Biekman. Zij spreekt namens D66. Ik praat de tijd even vol! Gaat uw
gang.
Mevrouw Biekman (D66):
Voorzitter, bij mij gaat het ook in een rap tempo. Ik sluit me helemaal
aan bij de woorden van collega Hamstra over de Wet proactieve
dienstverlening. Wat D66 betreft gaat het op pauze zetten ook niet
gebeuren. Ik verwacht dan ook dat de minister alles op alles zet om met
een alternatief voor deze ombuiging te komen.
Voorzitter. Dan mijn moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de huidige aanvraagprocedure voor beschut werk nog
veel procedurele stappen en lange doorlooptijden kent;
constaterende dat dit mede het gevolg is van capaciteitsproblemen bij
UWV;
overwegende dat het kabinet de ambitie heeft om de regeldruk fors te
verminderen;
overwegende dat het overgrote deel van de door gemeenten aangevraagde
indicaties beschut werk wordt goedgekeurd door UWV;
verzoekt de regering om in de aangekondigde verkenning rond de indicatie
beschut werk breed te kijken naar het potentieel van de praktijkroute
via de gemeenten, en de Kamer hier voor het einde van 2026 over te
informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Biekman, Hamstra, Lahlah en
Ceder.
Zij krijgt nr. 360 (34352) (#9).
U vervolgt.
Mevrouw Biekman (D66):
Mijn tweede motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat voor de Wajong-doelgroep het vinden van regulier werk
vaak uitdagend blijkt;
constaterende dat in de praktijk relatief weinig mensen vanuit UWV
worden doorverwezen naar werkontwikkelbedrijven;
overwegende dat werkontwikkelbedrijven bij uitstek geschikt zijn om deze
doelgroep te helpen met de stap naar werk;
verzoekt de regering werkontwikkelbedrijven nauwer te betrekken bij
dienstverlening voor de re-integratie van de Wajong-doelgroep;
verzoekt de regering in kaart te brengen welke drempels weggenomen
kunnen worden om waar mogelijk dienstverlening van
werkontwikkelbedrijven op uitkeringsgerechtigden vaker in te
zetten,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Biekman, Hamstra en Ceder.
Zij krijgt nr. 361 (34352) (#10).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de beëindiging van het Wajong-recht en het
garantiebedrag grote financiële gevolgen kan hebben;
overwegende dat de overheid bij dergelijke gevallen het
evenredigheidsbeginsel dient toe te passen;
overwegende dat een groep Wajongers heeft aangegeven dat ze in
financiële problemen raken door het stopzetten van het
garantiebedrag;
verzoekt de regering rond het beëindigen van het garantiebedrag bij
dringende redenen maatwerk toe te passen en hierover met UWV in overleg
te treden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Biekman, Hamstra en Ceder.
Zij krijgt nr. 362 (34352) (#11).
Dank u wel. Er zijn nog enkele vragen voor u. Ik wil het debat niet helemaal herhalen. Ik meen dat de heer Flach als eerste bij de interruptiemicrofoon stond, dus ik geef hem het woord.
De heer Flach (SGP):
Ik heb toch wel het gevoel dat ik bij een live-uitzending van "de rel
van de dag" ben, want het begint een beetje een klucht te worden. We
hebben een Voorjaarsnota in de Kamer liggen die ingediend is namens een
kabinet waar drie partijen steun aan verlenen. Twee partijen trekken
hier de steun publiekelijk in. Is de VVD dan zo machtig dat ze het
desondanks doorgedrukt hebben in de ministerraad? Er heeft ook gewoon
overleg plaatsgevonden met fractievoorzitters. Met dualisme kom je niet
weg. Ook Kamerleden hebben hiernaar gekeken en hebben ingestemd met de
Voorjaarsnota. Dat kan niet anders, want anders komt zoiets niet door de
ministerraad. Wat is er dan gebeurd dat twee partijen hier in een debat,
in een tweeminutendebat maar liefst, die steun zomaar intrekken?
Mevrouw Biekman (D66):
Ik verwijs terug naar het commissiedebat dat we hierover hebben gehad.
In het commissiedebat Participatiewet hebben we een aantal vragen
gesteld aan de minister over de Wet proactieve dienstverlening. Mij gaat
het niet zozeer over wat er in de Voorjaarsnota staat, maar over wat we
daar met elkaar hebben besproken. Een van die dingen is dat het
niet-gebruik bij bijstandsgerechtigden 35% is. Ik heb het in mijn
bijdrage gehad over de vindbaarheid en bereikbaarheid van deze groep
mensen. Wij constateren dat de wet nu op pauze wordt gezet en ik sluit
me wat dat betreft aan bij de woorden van de heer Hamstra. Wij verzoeken
de minister om op zoek te gaan naar alternatieven.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van de heer Flach.
De heer Flach (SGP):
Het gaat mij niet om de inhoud. Misschien ben ik het daar nog wel
helemaal mee eens ook. Het is ook consistent met eerdere inbrengen, maar
daartussen ligt een Voorjaarsnota. In de Voorjaarsnota pakt iedere
partij een beetje pijn. Dit doet dan pijn bij D66 en bij het CDA, maar
dat ruil je dan uit. Dan kun je toch niet twee weken later daar een
beetje goedkoop je steun aan intrekken? Dan moet je toch eigenlijk
zeggen: "Die Voorjaarsnota is niet in balans. Daar zit iets in dat niet
goed gedekt is. Daar waren we het toch niet mee eens. Dat gaan we
amenderen of we gaan dat in de coalitie opnieuw ter discussie stellen"?
Dit is toch een beetje goedkoop?
Mevrouw Biekman (D66):
Ik denk dat het hier een herhaling van het antwoord wordt. Ik refereer
echt aan het commissiedebat Participatiewet dat we hierover hebben
gehad. De heer Hamstra heeft de minister zojuist gevraagd om te komen
met alternatieven en daar sluit ik me bij aan.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik dacht dat ik na het kabinet-Schoof in rustig vaarwater terecht zou
komen, maar de storm lijkt steeds groter te worden. Er lijkt wekelijks
een rel van de week te zijn. Het is woensdag; we hebben hem weer
gevonden.
Voorzitter. Het kan niet zo zijn — maar voor mijn gevoel is dat wel
gebeurd — dat twee coalitiepartijen hebben liggen slapen tijdens de
onderhandelingen over de Voorjaarsnota. De VVD wilde dit en heeft dit
voorgelegd, en er hebben twee partijen óf liggen slapen, óf ingestemd en
achteraf spijt gekregen. Die afspraken waren namelijk gewoon van tevoren
bekend. Ook D66-ministers hebben daar, net als CDA-ministers, gewoon mee
ingestemd tijdens de ministerraad. Mijn vraag staat los van het
commissiedebat, want er is ook een ander traject, de Voorjaarsnota.
Welke van de twee opties is het? U bent het er niet mee eens, dus dat
betekent óf dat het CDA en D66 hebben liggen slapen — dat kan; dat
overkomt ons allemaal wel eens — óf dat u heeft ingestemd met iets
waarover u nu eigenlijk de VVD kapittelt. Dat mag u doen, maar dan vraag
ik me toch af in hoeverre hier sprake is van een stabiele coalitie. Kunt
u aangeven wat er gebeurd is tussen het accorderen van de Voorjaarsnota
en de afgelopen twee weken?
Mevrouw Biekman (D66):
Zelf zit ik natuurlijk niet aan de onderhandelingstafel. Ik beroep me op
het dualisme, zoals de heer Hamstra ook al heeft gezegd. Volgens mij is
het aan onze Kamer. We zitten in een minderheidskabinet. Wij zijn
individuele Kamerleden, opererend in een fractie. Volgens mij moeten we
in de Kamer kijken wat we kunnen doen om de mensen die de regelingen
niet kunnen vinden, de mensen die het hardst hulp nodig hebben, te
bereiken. Wat mij betreft gebeurt dat met de Wet proactieve
dienstverlening.
De voorzitter:
Tot slot, meneer Ceulemans.
De heer Ceulemans (JA21):
Inderdaad, tot slot. Aan het einde van haar antwoord op de vraag van de
heer Flach krabbelde mevrouw Biekman een beetje terug. Zij zei: ik
schaar me achter de heer Hamstra en ik vraag de minister om met
alternatieven te komen. Maar de heer Hamstra zei gewoon keihard: het CDA
gaat niet meemaken dat deze bezuiniging wordt doorgevoerd. Zit D66 er
ook op die manier in?
Mevrouw Biekman (D66):
Volgens mij heb ik net iets te snel gesproken, maar ik heb in mijn
bijdrage wel degelijk gezegd dat ook wat D66 betreft deze maatregel niet
doorgaat.
De heer Ceulemans (JA21):
Dus u vraagt de minister niet alleen om alternatieven in kaart te
brengen, maar u trekt ook gewoon de stekker uit deze bezuiniging. Dat
kan maar even gemarkeerd zijn. Ik kan me voorstellen dat de VVD niet
heel gelukkig wordt van de manier waarop dit gaat bij D66 en het CDA,
maar goed, ik ben een positief mens, dus ik tel mijn zegeningen. Als
deze coalitie zo dualistisch is dat zelfs coalitieafspraken eigenlijk
niks waard zijn … Ik heb op een andere portefeuille, bijvoorbeeld asiel,
een hele trits voorstellen die verder gaan dan wat het coalitieakkoord
beoogt. Ik kan me voorstellen dat u de VVD er dan ook niet op aankijkt
als die partij daarin voortaan meegaat.
Mevrouw Biekman (D66):
Ik wil alleen even antwoord geven op de vraag. Ik heb er alle vertrouwen
in dat de minister straks met gepaste alternatieven komt.
De voorzitter:
Oké, dank u wel. Ik geef het woord aan mevrouw Van Brenk; zij spreekt
namens 50PLUS.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Voorzitter. Volgens mij hebben we een spannend tweeminutendebat.
Voorzitter. Afspraak is afspraak en dat geldt wat ons betreft ook en
voornamelijk voor de overheid. Daarom hebben wij de volgende motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er in 2013 een breedgedragen sociaal akkoord is
afgesloten tussen werkgevers, werknemers en overheid;
constaterende dat de daarin gemaakte afspraak over 125.000 banen te
realiseren voor mensen met een beperking bij lange na niet wordt
gehaald;
constaterende dat met name de overheid haar steentje daar niet aan
bijdraagt;
overwegende dat het nakomen van afspraken belangrijk is, zeker als
overheid;
overwegende dat de quotumregeling voor de overheid in 2018 is ingevoerd,
maar tot op heden geen heffing is opgelegd;
verzoekt de regering om alles op alles te zetten om de banenafspraak te
realiseren en conform de afspraak in de quotumregeling de heffing in te
laten gaan voor de overheidssector als zij zich niet aan hun afspraak
houden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Brenk en Lahlah.
Zij krijgt nr. 363 (34352) (#12).
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Dank, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel.
Tot slot, niet verwacht, toch gekomen: de heer Jimmy Dijk. Hij spreekt
namens de SP. Gaat uw gang.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Dank u wel, voorzitter. Ik had een heel deel van mijn bijdrage
voorbereid ten aanzien van de Wet proactieve dienstverlening SZW. Ik
vind het echt goed om te horen dat D66 en het CDA de bezuinigingen die
dit kabinet in de Voorjaarsnota heeft opgenomen eruit halen. Dat is pure
winst voor vandaag. Ik kom wel meteen met een vraag aan de minister. U
heeft het gehoord: er is een meerderheid die vindt dat deze bezuiniging
van tafel moet. Mag ik dus ook van de minister verwachten dat dit dan
gaat gebeuren? Ik zou hier graag een toezegging op willen, als dat kan,
omdat u heeft gehoord dat daar een meerderheid voor is.
Het tweede punt dat ik graag wil maken — ik dien daar straks ook een
motie over in — gaat over de banenafspraak. In hoeverre wordt die
behaald? De marktsector zou 90.000 banen moeten vrijstellen voor mensen
met een arbeidsbeperking. Dat zijn er nu zo'n 77.000, dus dat doel wordt
niet behaald. De overheid zou 25.000 banen moeten regelen, maar dat zijn
er nog geen 12.500, dus dat doel wordt ook niet behaald. In 2026 zou dit
allemaal rond moeten zijn. Anders zouden er wat de SP betreft quota voor
bedrijven en overheidsinstellingen ingevoerd moeten worden. Ik dien daar
een motie voor in. Daar zit een oplossing in. Ik vraag ook aan de
minister in welke mate hij denkt dat deze doelen, zowel voor de overheid
als voor de marktsector, nog in dit jaar behaald gaan worden. Er moet
dan wel nog een boel gebeuren; dat geef ik erbij.
Dan de motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat overheidswerkgevers eind 2024 de doelstelling van
25.000 extra banen uit de banenafspraak niet hebben gehaald;
constaterende dat ook de marktsector de doelstelling niet heeft
gehaald;
constaterende dat hierdoor heel veel mensen thuiszitten die graag zouden
willen werken;
verzoekt de regering in kaart te brengen wat er moet gebeuren om zowel
vanuit overheidswerkgevers als vanuit de marksector in 2027 de
banenafspraak wel te halen, en daarbij in elk geval het invoeren van de
quotumheffing mee te nemen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Jimmy Dijk, Lahlah en
Ceder.
Zij krijgt nr. 364 (34352) (#13).
De heer Jimmy Dijk (SP):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde van de termijn van de zijde
van de Kamer gekomen. Ik kijk even naar de minister. Zullen we schorsen
voor een minuut of vijf? Ja? Dan schors ik voor vijf minuten en dan gaan
we luisteren naar de reactie.
De vergadering wordt van 10.51 uur tot 11.01 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het tweeminutendebat
Participatiewet. De bijdrage van de Kamer heeft voor de schorsing
plaatsgevonden. We gaan nu luisteren naar de reactie van de minister van
Werk en Participatie. Ik kijk hem aan en geef hem graag het woord. Het
woord is aan de minister.
Minister Aartsen:
Dank, voorzitter. Dank aan de leden voor het goede debat dat we hebben
gehad over de Participatiewet. Ik heb in het debat ook al aangegeven dat
we op een aantal onderwerpen, onder andere de fundamentele herziening
van de Participatiewet en zaken die spelen wat betreft de Wajong, op een
later moment, wel nog voor de zomer, terugkomen. Het is goed om in de
eerste weken van dit kabinet al te wisselen van gedachten over hoe de
Kamer tegen een aantal dingen aankijkt. Er zijn mij een paar vragen
gesteld. Laat ik daarmee beginnen.
De VVD vroeg mij te reflecteren op de dingen die we doen om knelpunten
weg te nemen bij werkgevers. Ik denk dat het verstandig is dat we breed
gaan bekijken wat we kunnen doen om het voor werkgevers makkelijker te
maken om mensen voor wie het leven niet automatisch meezit ook gewoon in
dienst te kunnen nemen. We kunnen daar risico's en belemmeringen voor
weghalen. We kunnen daarbij helpen. Daar hebben we een heel breed
instrumentarium voor. We zijn op dit moment aan het kijken hoe we dat
slimmer kunnen doen. De punten van de no-riskpolis en de
inclusiviteitstechniek kunnen we in de brief meenemen die we eerder
hebben toegezegd over hoe we ervoor gaan zorgen dat mensen die misschien
wat minder makkelijk meekomen toch een goede plek krijgen bij
werkgevers. Dat vind ik een heel mooie ambitie, dus daar kunnen we het
in meenemen.
De heer Ceulemans stelde een vraag, en mevrouw Van Meetelen deed dat
ook, over de handhaving van de taaleis en de gesprekken daarover met de
VNG. Ik heb die gesprekken vorige week gevoerd. Ik heb de gemeenten
laten weten dat op het moment dat nieuwe colleges zich achter het
standpunt scharen dat zij principieel geen uitvoering geven aan de
taaleis, wij zullen gaan handhaven. Wij zullen dan de interventieladder
starten, zoals wij dat overigens bij alle wetten doen. Dat heb ik
duidelijk gemaakt. Op het moment dat wetten niet worden nageleefd door
gemeenten, wordt gewoon de interventieladder toegepast. Overigens komen
we in april nog met een brief over hoe we die kunnen verbeteren en beter
werkbaar kunnen maken voor gemeenten. Het kan niet zo zijn dat gemeenten
eenzijdig bepaalde dingen die hier in de Kamer zijn aangenomen niet
uitvoeren.
Dan de vraag over de tiplijn. Het wordt ingewikkeld om die vanuit het
Rijk te gaan monitoren. De gemeenten hebben een eigen beleidsvrijheid om
te bepalen hoe ze dat op een goede manier vormgeven. Dat kan ik dus niet
op de gevraagde manier vormgeven.
De voorzitter:
Dat leidt tot een vraag van de heer Ceulemans. Ik kijk een beetje naar
de tijd, meneer Ceulemans.
De heer Ceulemans (JA21):
Daarom heb ik het ook in de vorm van een open vraag aan de orde gesteld.
Ik weet dat de minister niet gaat over de manier waarop gemeenten dit
uitvoeren, maar het kan gevolgen hebben voor het beleid van de minister
als gemeenten de mogelijkheden beperken om vermoedens van
bijstandsfraude te melden. Dat kan gevolgen hebben voor de wijze waarop
de minister het beleid wil uitvoeren. Mijn vraag was alleen: kan de
minister bij gemeenten in ieder geval wel benadrukken dat voor inwoners
de mogelijkheid bestaat, en ook blijft bestaan, om vermoeden van
bijstandsfraude te melden?
Minister Aartsen:
Ja, dat kan ik toezeggen. Het gaat altijd om twee kanten. Je moet aan de
ene kant mensen helpen en begeleiden, en aan de andere kant moet de
handhaving gewoon goed zijn. Beide kanten moeten onderdeel van het
beleid zijn.
Dan zijn er een aantal vragen gesteld over het wetsvoorstel proactieve
dienstverlening. Volgende week wordt de Voorjaarsnota besproken. Zoals u
weet is de financiële situatie bij het ministerie van Sociale Zaken
ernstig. We hebben een aantal flinke tekorten. Onder andere komen we
bijna een miljard tekort op het vlak van de WIA en de instroom daar. Om
die reden voelt het kabinet zich genoodzaakt — u kent allemaal de
begrotingsspelregels — om een aantal bezuinigingen door te voeren. Daar
wordt volgende week over gesproken in deze Kamer met de minister van
Financiën. Daar bestaat een integraal beeld over.
Op het gebied van sociale zaken zijn er een aantal maatregelen. Een
daarvan is proactieve dienstverlening. We hebben gekeken naar de
budgetten die nog niet zijn uitgegeven, maar in de toekomst nog zouden
moeten worden uitgegeven. Het kabinet onderschrijft nog steeds volledig
de doelstelling van proactieve dienstverlening, maar de financiële
situatie is wat die is. We kunnen het geld maar één keer uitgeven.
Daarom hebben we moeten besluiten om het geld nu niet uit te trekken
voor proactieve dienstverlening. Nogmaals, uw Kamer spreekt daar
volgende week verder over bij de behandeling van de Voorjaarsnota. Dit
is op dit moment het standpunt van het kabinet.
De heer Dijk vraagt of het kabinet komt met een alternatief voorstel,
gelet op het debat hier. Het antwoord is nee. We hebben de Voorjaarsnota
neergelegd. Het is vervolgens aan uw Kamer om daar iets mee te doen. De
gevraagde toezegging van de heer Hamstra kan ik zeker doen. Als er bij
fracties behoefte is om te zoeken naar alternatieven, ben ik altijd
bereid om op dat punt mee te helpen. Dat is breed het geval. Ik geef
daarbij wel de winstwaarschuwing dat we bij Sociale Zaken geen geldboom
hebben staan waar we even aan kunnen schudden, waarna er pijnloos dingen
naar beneden komen. Als de Kamer zegt dat ze deze bezuiniging niet wil,
heb ik nog een lijstje met andere alternatieve bezuinigingen, maar ook
die zijn pijnvol. Die gaan ook ergens pijn doen. Ook dat gaat betekenen
dat je ergens iets minder gaat doen, ergens iets vanaf haalt, of iets
stop moet zetten. Zo eerlijk moeten we ook zijn.
Dit is volgens het kabinet een goed voorstel. Helaas is het
noodzakelijk, maar op dit moment is dit het meest verstandige om te
doen. We hoeven dan niet terug in de tijd, maar kunnen zeggen: dit doen
we even niet; daar kunnen we ook op een later moment nog over besluiten.
Dat is de situatie zoals die nu is. Als uw Kamer op zoek wil naar
alternatieven, ben ik altijd bereid om daarbij te helpen. Maar dit is op
dit moment wel het kabinetsstandpunt.
De heer Flach (SGP):
Het is helder dat dit het standpunt is van dit kabinet. Maar dit roept
toch de vraag op: is de Voorjaarsnota nu een vrije kwestie geworden?
Moeten we dat zo duiden? Ook de heer Aartsen heeft gezien hoe er door
twee van zijn coalitiepartners is gereageerd. Is de Voorjaarsnota gewoon
een vrije kwestie geworden en wordt daar staande een tweeminutendebat
over onderhandeld? Is dat de nieuwe werkwijze?
Minister Aartsen:
Dat moet u echt aan de Kamerfracties vragen. Daar gaat dit kabinet niet
over. Ik ga geen commentaar leveren op coalitiefracties.
De heer Flach (SGP):
Dan nog even een andere vraag. De minister noemt als argument dat er
miljardentekorten zijn. Ik heb het niet helemaal scherp, maar ik dacht
dat de bezuiniging op de Wet proactieve dienstverlening opliep tot
maximaal 30 miljoen. Dat gaat dus niet om heel veel. Vanwaar dan dit
gedoe, zou ik haast zeggen.
Minister Aartsen:
Nogmaals, omdat je als kabinet probeert te zoeken naar een voorjaarsnota
die gewoon rondrekent. Wij hebben meerdere meevallers en tegenvallers. U
kent de systematiek bij Sociale Zaken en bij alle andere departementen:
je moet dat netjes op een goede manier dekken. Het lijkt het kabinet
verstandig om niet het mes te zetten in dingen die al lopen. Je kunt
heel makkelijk zeggen "laten we subsidies niet meer doen", maar dan moet
je bepaalde stichtingen teleurstellen omdat je het geld dat zij hadden
om medewerkers in dienst te hebben en projecten te draaien, moet gaan
stopzetten. Wij kijken in deze situatie primair naar geld dat we nog
moeten gaan uitgeven. Dat ziet u ook terug in de verschillende reeksen.
We hebben gekeken naar geld dat nog niet is uitgegeven in het verleden,
maar gepland stond voor de toekomst.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik vind het goed dat er dekkingsvoorstellen komen en ben blij dat u dat
toezegt op de vraag van de heer Hamstra. Er is wel bij mij, en misschien
bij wat kijkers ook, wat ruis ontstaan over hoe zo'n voorjaarsnota nu
tot stand komt. De indruk is nu dat de VVD en u als minister er iets
doorheen hebben gedrukt, wat de andere twee coalitiepartijen eigenlijk
niet willen, terwijl mijn lezing uit eerdere ervaring is dat een
voorjaarsnota juist in samenspraak tot stand komt met in ieder geval de
ministers van de verschillende partijen, dat je dat bespreekt en dan
accordeert, om vervolgens een breed gedragen voorjaarsnota naar de Kamer
te sturen. Natuurlijk mag elke fractie daar dan iets van vinden. Mijn
vraag is of u even kunt schetsen, zonder in te gaan op de inhoud van de
ministerraad, of mijn beeld van die totstandkoming van de voorjaarsnota
klopt. Dat is namelijk best fundamenteel en raakt eigenlijk elk aspect.
De heer Ceulemans had het over asiel; ook een punt waarop je toch elkaar
hoopt vast te houden, omdat er verschillende gedachten leven. Kunt u
schetsen hoe dat is gegaan? De indruk is namelijk nu dat u als minister
iets heeft gedaan waar de andere twee partijen of niets van wisten, of
niet mee akkoord waren.
Minister Aartsen:
Dat beeld klopt niet. Deze Voorjaarsnota is niet op een bijzondere
manier ontstaan. Het is gegaan zoals dat altijd gaat. Het kabinet maakt
die nota kabinetsbreed en dat doen we in samenspraak met de
fractievoorzitters van de coalitiepartijen. Als iedereen ermee akkoord
is, dan beslissen we over die Voorjaarsnota. Dat is niet gek; dat doen
we al honderd jaar zo. Op deze manier is het nu ook gegaan. Vervolgens
mag iedereen daar wat van vinden. Dus nogmaals, het kabinet komt niet
met nieuwe voorstellen. Dit is het. Als Kamerfracties aan mij de vraag
stellen of ik kan helpen zoeken naar alternatieve bezuinigingen, dan kan
ik die hulp wel toezeggen. Dat is hoe het altijd is. Vervolgens is het
aan de Kamerfracties om zelf met alternatieve voorstellen te komen.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Als ik het goed begrijp — ik vraag dit even zodat ik het proces voor
mezelf scherp heb — komen de fractievoorzitters van D66, CDA en VVD in
samenspraak met de verantwoordelijke ministers bij elkaar om tot een
draagbare Voorjaarsnota te komen. Die is afgestemd en vervolgens ook in
de ministerraad besproken. Wat daar is gebeurd, komen wij niet te weten,
maar vervolgens is er wel een akkoord op gekomen. Dit is dus een
samenwerking vanuit de fracties, of in ieder geval vanuit de
fractievoorzitters, en de verantwoordelijke minister in de ministerraad.
Dat geldt ten aanzien van de proactieve dienstverlening, maar eigenlijk
op elk ander onderwerp dat we in de Voorjaarsnota kunnen teruglezen en
volgende week ook gaan behandelen met elkaar. Klopt dit beeld daarvan?
Ik vraag het omdat dit ook wat duidelijkheid schetst over hoe dit tot
stand komt.
Minister Aartsen:
Ik ga niet specifiek in op hoe dit soort dingen exact allemaal lopen,
maar de heer Ceder en ik lopen ook al tien jaar rond hier op het
Binnenhof. Dit soort grote, belangrijke stukken maak je met elkaar. Dat
is hoe dat gaat. We hebben ook met elkaar in een coalitie gezeten, dus
zo doe je dat. En nogmaals, ik probeer als minister te luisteren naar
wat er gebeurt. Als Kamerfracties mij vragen of ik wil helpen zoeken
naar alternatieven, ben ik altijd bereid om dat te doen. Maar met deze
Voorjaarsnota is niets geks gebeurd.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Dit gaat natuurlijk best wel rommelig. Dat moet de minister ook zien.
Maar ik wil het even over de inhoud hebben, want die 30 miljoen in
volgens mij 2030 zouden ertoe kunnen leiden of hebben als doel dat
mensen die nu recht hebben op bijstand en die niet krijgen, daarbij
geholpen worden zodat schulden en verdere problemen, en daarmee ook
hogere kosten, voorkomen worden. Dan heb ik de volgende vraag aan de
minister. Van deze maatregel heeft het kabinet zelf gezegd: als je
hierin investeert, kun je mensen proactief benaderen zodat ze niet in de
schulden komen. Waarom heeft het kabinet dan juist hiervoor gekozen?
Minister Aartsen:
Omdat je altijd probeert te zoeken hoe je binnen je begroting financiële
tegenvallers kunt oplossen. Dat hebben wij op het ministerie ook gedaan.
De heer Dijk en ik zijn het honderd procent eens over de inhoud van het
wetsvoorstel. Dat is de reden dat ik u vorige week ook een brief
gestuurd heb over dit onderwerp, waarin ik heb gezegd dat het
wetsvoorstel wat mij betreft overeind blijft en dat ook de algemene
maatregel van bestuur overeind blijft. Het enige wat we nu nog niet
kunnen doen, is de inwerkingtredingsdatum vaststellen. Dat doen we met
een koninklijk besluit. Er zijn namelijk nog middelen voor nodig. Op dit
moment zijn die niet beschikbaar. Ik heb, nogmaals, proberen uit te
leggen dat je bij begrotingen probeert te kijken naar de toekomst, want
niks is gratis, niks is pijnloos. Daarin hebben we een aantal dingen
vervat. Dat betekent dat we het nu nog niet kunnen doen, maar in de
toekomst wel. Dat is mijn ambitie en die heb ik ook uitgesproken in de
brief. Op het moment dat de gelden beschikbaar komen, probeer je te
kijken hoe je de proactieve dienstverlening goed vorm kan geven, omdat
het een belangrijk onderwerp is. Maar het geld moet er wel zijn.
De voorzitter:
Tot slot.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Natuurlijk moet het geld er zijn, maar de argumentatie van het kabinet
zelf was: als je het geld uitgeeft, zorgt dat ervoor dat je minder
mensen in de schulden hebt en dat je later dus minder problemen hebt,
ook als overheid zelf, naast de mensen die niet in de schulden komen,
met allerlei persoonlijk leed. Is de minister het met de SP eens dat als
je dit debat beluistert en eigenlijk een grote meerderheid van de Kamer
zegt "doe dit niet", deze minister dan moet gaan zeggen: "Nee, u hebt
gelijk. Dat gaan we niet doen. We gaan de maatregel eruit pikken die
ervoor zorgt dat mensen later niet in de problemen komen en dat we
daarmee ook nog een keer geld kunnen besparen"?
Minister Aartsen:
Ik heb de Kamer al eerder gezegd dat we het op de inhoud eens zijn. Wat
ons betreft gaan we dus door met het wetsvoorstel Proactieve
dienstverlening en gaan we ook door met het besluit. Het enige wat we nu
nog niet kunnen doen, is de inwerkingtredingsdatum voor een specifiek
onderdeel vaststellen, omdat daar op dit moment nog geen financiële
middelen voor zijn.
De voorzitter:
Mevrouw Van Meetelen, u heeft nog een vraag op dit punt? Daarna wil ik
eigenlijk door naar de moties.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Ja, ik heb inderdaad een vraag. Het is inderdaad wel weer de rel van de
week. We hebben weer een nieuwe. Het wordt elke week steeds spannender.
Het is wel interessant.
Even los van de vragen over de inhoud et cetera, wil ik toch even terug
naar die bezuiniging. U interpreteert die motie nu als "ik moet ernaar
zoeken", maar er is door de heer Ceulemans ook nog expliciet aan het CDA
gevraagd: gaat u wel of niet mee met de bezuinigingen? "Nee, het gaat
niet gebeuren." Met andere woorden, als ik het optel, gaat het niet
gebeuren. Die bezuiniging is er dus eigenlijk al af. Hoe kijkt de
minister daarnaar? U interpreteert die motie als "we zoeken ernaar",
maar er ligt volgens mij ook nog een andere motie, van de PvdA. Als je
alles optelt, is die bezuiniging er gewoon vanaf. Ik wil dus graag een
antwoord van de minister. Hoe ziet hij dat?
Minister Aartsen:
Dit is volgens mij een premature conclusie. We spreken volgende week
over de Voorjaarsnota. De motie van mevrouw Lahlah zal ik ontraden,
omdat er geen dekking bij is. We kunnen hier argumenten uitwisselen,
maar linksom of rechtsom zal de boel wel financieel rond moeten rekenen.
We kunnen dus met elkaar nadenken over oplossingen. Nogmaals, ik ben,
zoals ik al eerder heb toegezegd, altijd bereid om mee te denken over
alternatieve oplossingen, maar onderaan de streep moet het allemaal wel
netjes gedekt zijn.
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Van Meetelen.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Ja, tot slot. Ik ben heel erg benieuwd hoe dit gaat en hoe die
gesprekken bij u in het kabinet en ook met de fracties verdergaan, want
als er duidelijk wordt gezegd "wij gaan die bezuinigingen absoluut niet
doen; het gaat niet gebeuren", dan gaat het dus, neem ik aan, niet
gebeuren. Dus veel succes.
De voorzitter:
Dat is geen vraag.
Minister Aartsen:
Dank.
Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):
Ik weet niet of we nu al zijn aangekomen bij de appreciatie van de
moties …
De voorzitter:
Nee. Daar kunnen we eigenlijk mee gaan beginnen.
Minister Aartsen:
De motie op stuk nr. 352 is ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 352 is ontraden.
Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):
… dus ik dacht: ik loop maar vast naar voren. Ik constateer namelijk net
zoals mevrouw Van Meetelen van de PVV dat er geen meerderheid is voor de
bezuiniging op de proactieve dienstverlening waar het de bijstand
betreft. Ik vroeg me af of de minister een appreciatie kan geven als ik
het dictum zou aanpassen naar "verzoekt de regering om op zoek te gaan
naar alternatieve oplossingen", zodat die middelen wél beschikbaar
kunnen blijven.
Minister Aartsen:
Nee, dan moet ik 'm nog steeds ontraden. Wij hebben als kabinet namelijk
in de neergelegde Voorjaarsnota alles netjes gedekt. Ik heb u ook een
brief gestuurd over hoe ik denk dat we toch door kunnen gaan met het
wetsvoorstel. De financiële middelen zijn op dit moment niet
beschikbaar.
Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):
Ik vind dit niet echt heel overtuigend, maar ik hoop daarmee in ieder
geval tegemoetgekomen te zijn aan de feedback van de coalitiepartners.
Ik hoop dat zij dan wel instemmen.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 352 is ontraden. We gaan verder met de motie op
stuk nr. 353.
Minister Aartsen:
De motie op stuk nr. 353 moet ik ook ontraden, want dit gaat te veel
onduidelijkheid bieden boven op de onduidelijkheid die er nu al is.
Daarnaast is de afbouwregeling, zoals eerder ook door het UWV gezegd,
niet uitvoerbaar. Ook daar zijn inmiddels de problemen in de uitvoering
dusdanig dat ik het niet kan doen.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 353: ontraden.
Minister Aartsen:
De motie op stuk nr. 354 moet ik ook ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 354: ontraden.
Minister Aartsen:
De motie op stuk nr. 355 kan ik oordeel Kamer geven. Daarbij verwijs ik
wel naar het commissiedebat. We delen namelijk de lijn dat we iets
moeten doen voor mensen die chronisch ziek zijn en op dit moment in de
Participatiewet verblijven. We moeten wel even goed kijken naar dat
"iets". Dat is makkelijker gezegd dan gedaan. We weten namelijk dat de
afbakening van een groep, helemaal daar waar het medische indicaties
betreft, gewoon verschrikkelijk ingewikkeld is. Dat is niet zomaar even
gedaan. Als je vervolgens ook het regime gaat aanpassen, weten we dat er
natuurlijk een enorme trekfunctie van uit zal gaan. Dat kan dus niet
zomaar. Zoals eerder gezegd, delen wij de richting. Met die lezing kan
ik de motie dus oordeel Kamer geven.
De voorzitter:
Ik kijk even naar de heer Ceder. Hij is akkoord. De motie op stuk nr.
355: oordeel Kamer. Mevrouw Lahlah heeft een vraag over de motie op stuk
nr. 354.
Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):
De motie op stuk nr. 354 werd ontraden, maar het ging zo snel. Ik heb
volgens mij geen argumentatie gehoord. Waarom wordt die ontraden?
Minister Aartsen:
Die wordt ontraden om een aantal redenen. De Participatiewet en de
bijstand zijn bedoeld voor ondersteuning als een laatste vangnet. Het is
niet de bedoeling dat uitkeringen worden gestapeld, ook niet als er een
wens tot samenwonen is. Het is echt als laatste vangnet bedoeld.
Daarnaast biedt de huidige Participatiewet ook al ruimte voor
individueel maatwerk. Vandaar dat we dit op dit moment niet zo zien. Wat
betreft de link met de wooncrisis verwijs ik overigens naar het rapport
dat de minister van VRO laatst heeft verstuurd. Het lijkt wel mee te
vallen wat betreft de link met de vraag hoeveel woningen dit vrij zou
spelen.
De voorzitter:
Mevrouw Lahlah, ik wil eigenlijk geen hele discussie, maar u mag nog een
korte opmerking maken.
Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):
Ik zal niet alle argumentatie inclusief eigen rapporten van het
wetenschappelijke bureau van de VVD erbij halen, maar de vraag is dan
toch de volgende. De kern is dat ik weet dat het kan. Er zijn gemeentes
die dit doen en die daarvoor maatwerk hebben, maar de motie roept op om
dit te harmoniseren. Een van de dingen waar we het vaak over hebben
binnen de Participatiewet is dat er grote verschillen tussen de
gemeenten zijn. Mijn vraag is dan dus: waarom is de minister niet bereid
om te kijken of dit gewoon geharmoniseerd kan worden?
Minister Aartsen:
Nogmaals, omdat je het volgens mij in individuele situaties kan doen op
het moment dat er een waarschijnlijkheid is, maar het uitgangspunt van
de Participatiewet is dat die een laatste vangnet is en niet bedoeld is
om op elkaar stapelen, ook niet als de wens om samen te wonen er is.
De voorzitter:
We zijn bij de motie op stuk nr. 356.
Minister Aartsen:
De motie op stuk nr. 356 gaat over het inventariseren van knelpunten
rondom de loonkostensubsidie. Die kan ik oordeel Kamer geven. Ik vind
het sympathiek en het sluit aan bij het beleid dat we voeren.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 356: oordeel Kamer.
Minister Aartsen:
De motie op stuk nr. 357 moet ik ontraden. Ik snap waar de wens om een
wettelijke definitie vandaan komt. We hebben dit onder andere bij het
wetsvoorstel Wtta gezien. Alleen, op het moment dat je een wettelijke
definitie vastlegt, beperk je ook gelijk de vormgeving van sociale
werkbedrijven. De vraag is even wat we daar dan mee oplossen. Ik zou wel
kunnen toezeggen dat we even kijken hoe we op een andere manier de
problematiek die door beide heren wordt geschetst, kunnen adresseren. Ik
zie namelijk wel het probleem dat het nog onvoldoende terugkomt in
bepaalde wetgeving, maar we kunnen dat wat mij betreft niet oplossen met
een definitie in de wet.
De voorzitter:
Hoe ziet "adresseren" er dan uit?
Minister Aartsen:
Dan zou ik 'm moeten ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 357 wordt dus ontraden.
De heer Flach (SGP):
Daar heb ik toch wel moeite mee. We hebben ongelukken gezien. Keer op
keer zie je toch dat deze groep een specifieke plek in wetgeving inneemt
en dat we dat iedere keer moeten herstellen op ad-hocbasis. De motie
schrijft niet voor hoe die definitie eruit moet zien — ik zeg ook niet
dat dat makkelijk is — maar gaat vooral om hoe je een definitie kan
opnemen. De minister erkent het probleem, maar komt eigenlijk niet met
een oplossing.
Minister Aartsen:
Mijn oplossing zou zijn dat we nog eens even gaan kijken hoe we dit
probleem kunnen oplossen zonder een wettelijke verankering, omdat een
wettelijke verankering een aantal nadelen kent. Ik zou dus willen
onderzoeken hoe we dat op een andere manier kunnen organiseren. Ik zie
het probleem dat de heer Flach schetst namelijk wel, maar de oplossing
is dan niet wettelijke verankering, want daar kleven weer nadelen aan,
zoals complexiteit.
De heer Flach (SGP):
Tot slot. Welke nadelen zijn dat dan? Want vanuit de sector wil men dit
heel graag. Kan de minister iets zeggen over welke nadelen er zitten aan
wettelijke verankering?
De voorzitter:
Meneer Flach, dat lijkt me nou een haakje om mee te nemen in de nog te
adresseren uitwerking. Ik wil daar geen debat over voeren. De motie is
ontraden. De minister geeft aan: ik wil er iets mee. Het hoe dan en het
wat dan kan op een ander of later moment.
De heer Flach (SGP):
Ik snap uw interventie, maar dit is voor mij van belang om te bepalen
hoe ik met die motie verderga.
De voorzitter:
Ja, oké. Minister, op welke andere manier komt u op dit onderwerp
terug?
Minister Aartsen:
Volgens mij ga ik een oplossing voor u zoeken, mevrouw de voorzitter.
Wij sturen voor de zomer sowieso nog een brief over de sociale
ontwikkelbedrijven. Zal ik toezeggen dat ik dan nog even terugkom op dit
specifieke punt? Kan de heer Flach tot die tijd zijn motie
aanhouden?
De voorzitter:
Ik kijk naar de heer Flach. Hij knikt.
Op verzoek van de heer Flach stel ik voor zijn motie (34352, nr. 357)
aan te houden.
Daartoe wordt besloten.
Minister Aartsen:
De motie op stuk nr. 358 kan ik gemakshalve oordeel Kamer geven.
De voorzitter:
Oordeel Kamer. De motie op stuk nr. 359.
Minister Aartsen:
De motie op stuk nr. 359 kan ik ook oordeel Kamer geven. Dat moet
lukken.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 359: oordeel Kamer.
Minister Aartsen:
De motie op stuk nr. 360: ook oordeel Kamer. Ik wijs er alleen wel op,
om de verwachtingen een beetje te managen, dat we het potentieel van de
praktijkroute niet te groot moeten maken. Er zitten ook nadelen aan. Het
is een kostbare plek. Als je dat niet goed begrenst, heb je ook weer met
andere issues vandoen. Daar moeten we dus voor oppassen. Ik kan wel
verkennen hoe we dat potentieel kunnen gebruiken.
De voorzitter:
Met die uitleg krijgt de motie oordeel kamer. Mevrouw Biekman knikt. Dat
was de motie op stuk nr. 360.
Minister Aartsen:
De motie op stuk nr. 361 kan ik ook oordeel Kamer geven. Het past in het
beleid om te bekijken hoe we dit beter kunnen inzetten.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 361: oordeel kamer.
Minister Aartsen:
De motie op stuk nr. 362 kan ik ook oordeel Kamer geven. Ik ben blij dat
de Kamer de, volgens mij, zeer technische briefing heeft gehad ten
aanzien van de Wajongproblematiek en het garantiebudget. Het UWV en mijn
ministerie doen er van alles aan om te bekijken hoe we deze problematiek
kunnen oplossen. Het is dus fijn om dit steuntje in de rug te krijgen om
te bekijken hoe we met dringende redenen veel meer maatwerk kunnen
toepassen. Ik zal dit in overleg met het UWV verder oppakken.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 362: oordeel Kamer.
Minister Aartsen:
De motie op stuk nr. 363 moet ik ontraden. We zijn het eens met de
richting, maar dit gaat niet lukken voor 2026/2027. Dit past ook wel in
het beleid dat we gaan doen om te kijken of we de banenafspraak
fundamenteel kunnen verbeteren. Door een aantal fundamentele knelpunten
blijft het nu stokken. Als we daar goed om inzoomen, zien we dat dat te
maken heeft met een paar knelpunten en met de doelgroep, waar mensen
misschien wel of misschien niet onder vallen. Daar is dus nog wel een
verbetering mogelijk. We hebben een enorme stap gemaakt, maar voor dat
laatste setje vrees ik toch dat we iets anders moeten doen dan alleen
maar het huidige beleid. Daarom heb ik in het commissiedebat ook gezegd
dat we gaan bekijken hoe we omgaan met een nieuwe banenafspraak, of een
nieuw vorm te geven banenafspraak. Daar zullen we uw Kamer over
informeren.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Ik ga ook alleen maar in op het feit dat overheidssectoren hun afspraak
zouden moeten nakomen. Ik vind het dus heel teleurstellend dat de
minister zegt: we gaan het niet doen; we gaan een nieuwe afspraak maken.
Maar ja, als je de eerste al niet nakomt, hoe kunnen we dan vertrouwen
dat die volgende afspraak wel nagekomen wordt? Ik weet niet wat de
minister daarbij voor ogen staat.
Minister Aartsen:
We kunnen blijven herhalen dat we afspraken moeten nakomen — en daar ben
ik het mee eens — maar als je geen oog hebt voor waarom je die afspraken
niet kunt nakomen ... Als je geen oog hebt voor evidente knelpunten, dan
kunnen we met elkaar herhalen dat we die afspraken moeten nakomen, maar
ik vind ook dat je oog moet hebben voor de knelpunten die er zijn. We
zien dat de banenafspraak een mooi instrument is. Mevrouw Van Brenk
heeft daar een aantal keer goede voorbeelden van aangereikt. In de
gesprekken die ik voer, krijg ik ook terug dat er echt een aantal
serieuze knelpunten zijn die ervoor zorgen dat het niet lukt om de
volgende stap te maken. Ik kies dan voor de route om te kijken hoe we
die knelpunten weg kunnen halen en wél een stap vooruit kunnen
zetten.
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Van Brenk.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Dan zou ik wel heel graag inzicht willen hebben in wat dan echt de
knelpunten zijn waardoor het niet haalbaar is. Ik heb dat vertrouwen
namelijk nog niet; de minister schijnbaar wel. Ik zou die knelpunten
graag gedeeld willen zien met de Kamer.
Minister Aartsen:
Die komen uw kant op. Volgens mij zijn ze al met mij gedeeld, dus dan
komen ze ook snel uw kant op.
De voorzitter:
Oké, dank u wel.
Minister Aartsen:
Overigens kan ik daarom de motie op stuk nr. 364 wel oordeel Kamer
geven. Die past namelijk bij het beeld om dat goed in kaart te brengen.
Ik ga u daar netjes over informeren.
De voorzitter:
Dank u wel.
Minister Aartsen:
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Daarmee zijn we aan het einde gekomen van dit tweeminutendebat
Participatiewet.
De beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
We gaan hier aanstaande dinsdag over stemmen. Dan schors ik voor een
enkel moment. Daarna gaan we door met een wetsbehandeling.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.