[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo]←NIEUW! [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Tweeminutendebat Participatiewet (CD 24/3) (ongecorrigeerd)

Stenogram

Nummer: 2026D18001, datum: 2026-04-15, bijgewerkt: 2026-04-16 09:22, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


Participatiewet

Participatiewet

Aan de orde is het tweeminutendebat Participatiewet (CD d.d. 24/03).

De voorzitter:
We beginnen deze dag met het tweeminutendebat Participatiewet. Er is een commissiedebat geweest op 24 maart. Voorafgaand aan het tweeminutendebat heeft de heer Dijk een verzoek. Het woord is aan de heer Dijk.

De heer Jimmy Dijk (SP):
Dank u wel en goedemorgen, voorzitter. Ik heb inderdaad het verzoek of ik mee mag doen aan dit tweeminutendebat. Het lukte mij niet om aan het commissiedebat mee te doen, omdat ik andere werkzaamheden had.

De voorzitter:
Ik kijk even naar de collega's. Ik zie veel duimpjes en geknik, dus van harte welkom, meneer Dijk. We gaan luisteren naar de eerste spreker in het tweeminutendebat. Dat is mevrouw Lahlah. Zij spreekt namens GroenLinks-PvdA. Ik geef u graag het woord.

Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb vier moties, dus ik ga in een beetje een rap tempo voorlezen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er structurele middelen voor proactieve dienstverlening in de bijstand waren gereserveerd, oplopend tot ruim 30 miljoen euro in 2030;

constaterende dat deze middelen in de huidige begroting niet langer beschikbaar zijn;

constaterende dat naar schatting circa 150.000 mensen recht hebben op bijstand maar daar geen gebruik van maken;

overwegende dat proactieve dienstverlening eraan bijdraagt dat mensen die recht hebben op bijstand tijdig in beeld komen en niet onnodig onder het bestaansminimum leven;

overwegende dat juist de bijstand het laatste vangnet vormt voor mensen zonder andere inkomsten;

verzoekt de regering de eerder gereserveerde structurele middelen voor proactieve dienstverlening, oplopend tot 30 miljoen euro in 2030, opnieuw beschikbaar te stellen voor de bijstand,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Lahlah, Jimmy Dijk en Ceder.

Zij krijgt nr. 352 (34352) (#1).

Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):
De tweede motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het garantiebedrag is ingevoerd ter bescherming van werkenden met een Wajong-uitkering, zodat zij er door de harmonisatie van de Wajong niet plotseling sterk op achteruitgaan in inkomen;

constaterende dat het garantiebedrag voor Wajongers na vijf jaar werken vervalt, waardoor betrokkenen in inkomen terugvallen, in sommige gevallen met honderden euro's per maand;

constaterende dat dit leidt tot grote onzekerheid voor Wajongers, die hier al jaren hun leven op hebben ingericht;

verzoekt de regering te regelen dat het garantiebedrag voor Wajongers die hiermee te maken krijgen niet abrupt vervalt, maar in drie jaar stapsgewijs wordt afgebouwd,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Lahlah en Jimmy Dijk.

Zij krijgt nr. 353 (34352) (#2).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat mensen met een bijstandsuitkering die willen samenwonen of dat willen proberen direct te maken kunnen krijgen met een lagere uitkering of verlies van hun zelfstandige aanspraak op bijstand;

constaterende dat de huidige regels daarmee een drempel vormen om te gaan samenwonen of dat uit te proberen;

constaterende dat we in een wooncrisis zitten;

overwegende dat het belangrijk is om mensen de ruimte te geven om samenwonen uit te proberen zonder direct risico op inkomensverlies, terugvordering of boetes;

overwegende dat het ontbreken van een overgangsperiode ertoe kan leiden dat mensen afzien van samenwonen, terwijl dit ook de doorstroom op de woningmarkt kan belemmeren;

verzoekt de regering om te regelen dat mensen met een bijstandsuitkering gedurende de eerste zes maanden van samenwonen een overgangsregeling met voorwaarden krijgen, zodat zij in die periode hun uitkering kunnen behouden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Lahlah.

Zij krijgt nr. 354 (34352) (#3).

U bent door de tijd heen, mevrouw Lahlah. U kondigde vier moties aan.

Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):
Ik had er eentje als reserve gehouden, dus dat is prima.

De voorzitter:
Gelukkig, want het was dus eigenlijk te ambitieus voor de twee minuten spreektijd die u heeft. Dank u wel. De tweede spreker in het debat is de heer Ceder. Hij spreekt namens de ChristenUnie.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel, voorzitter. We hebben een goed debat gehad. Ik heb een aantal moties van collega's van mij medeondertekend, omdat ik denk dat het belangrijk is dat we als Kamer met name de mensen die aan de kwetsbare kant zitten, beter gaan ondersteunen.

Ik heb zelf ook twee moties. De eerste gaat over de groep chronisch zieken. Ik vind het belangrijk dat als je eenmaal in de bijstand zit en arbeidsongeschikt raakt, daar een passende voorziening voor komt. Daarom heb ik de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat chronisch zieken die niet in aanmerking komen voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering nu via de Participatiewet ondersteuning kunnen krijgen om te voorzien in hun bestaan, maar dat deze wet op veel punten knelt, bijvoorbeeld rond de kostendelersnorm, en dat chronisch zieken hierdoor in de problemen komen;

verzoekt de regering om voor chronisch zieken een apart wettelijk regime te ontwerpen, passend bij hun situatie,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder en Flach.

Zij krijgt nr. 355 (34352) (#4).

De heer Ceder (ChristenUnie):
Voorzitter. Complimenten voor de minister dat de nieuwe Wet invoering forfaitaire loonkostensubsidie voor beschut werk in consultatie is gegaan. Ik denk dat dat een belangrijke ontwikkeling is. Wij vernemen namelijk nog steeds van werkgevers dat er vele knelpunten zijn rondom de loonkostensubsidie. Ik denk dat dit een deel van die knelpunten gaat oplossen. Tegelijkertijd hoop ik dat we deze kabinetsperiode stappen gaan zetten om ervoor te zorgen dat we de overige knelpunten rondom de loonkostensubsidie ook gaan oplossen. Daardoor brengen we werkgevers namelijk in stelling om mensen aan het werk te helpen. Volgens mij is dat ook een ambitie van deze minister. Daarin vinden wij elkaar. Daarom dien ik ook de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de loonkostensubsidie een belangrijk instrument is om mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt aan werk te helpen;

overwegende dat er signalen zijn van werkgevers over knelpunten in de uitvoering en toepassing van de loonkostensubsidie;

verzoekt de regering om in gesprek te gaan met werkgevers om de knelpunten rondom de loonkostensubsidie te inventariseren;

verzoekt de regering tevens om de Kamer over de inventarisatie te rapporteren vóór de behandeling van het wetsvoorstel Invoering forfaitaire loonkostensubsidie voor beschut werk,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ceder.

Zij krijgt nr. 356 (34352) (#5).

De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:
Dank aan de heer Ceder. De volgende spreker in dit debat is de heer De Beer, die spreekt namens de VVD. Het woord is aan u.

De heer De Beer (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Er staan in Nederland nog steeds honderdduizenden vacatures open, terwijl er nog altijd heel veel mensen langs de zijlijn staan. Voor de VVD is dat de kern van het vraagstuk: hoe zorgen we ervoor dat meer mensen aan het werk gaan en dat werken ook meer loont? We weten dat er een hele grote groep is die wel wil werken, maar voor wie de stap naar de arbeidsmarkt niet vanzelfsprekend is. Daar ligt een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de overheid, voor gemeenten en voor werkgevers.

Voorzitter. Werkgevers spelen daarin een sleutelrol. Zij maken uiteindelijk het verschil om mensen een kans te geven op de werkvloer. We horen echter ook dat werknemers drempels ervaren: onzekerheid over de risico's bij uitval, onbekendheid met regelingen en soms simpelweg de vraag "waar begin ik?". Daarom is het goed dat de minister heeft toegezegd om voor de zomer met een Kamerbrief te komen waarin wordt verkend hoe werkgevers beter ondersteund kunnen worden. De VVD kijkt met belangstelling uit naar die Kamerbrief. In dat kader wil ik twee concrete punten benadrukken.

Ten eerste de no-riskpolis. Dat is een prima instrument om risico's voor werkgevers te beperken en daarmee de stap om iemand aan te nemen te verkleinen. Eerder is de pilot om de no-riskpolis breder in te zetten niet van de grond gekomen, maar de onderliggende gedachte blijft wat ons betreft onverminderd relevant. Juist in een krappe arbeidsmarkt kunnen we ons niet permitteren om dit soort instrumenten onbenut te laten.

Voorzitter. Ten tweede de inclusiviteitstechnologie. Technologische toepassingen kunnen werkplekken toegankelijker maken, taken verlichten en daarmee de inzetbaarheid van mensen vergroten. Tegelijkertijd zien we dat deze mogelijkheden, zeker bij het mkb, nog te weinig benut worden en bekend zijn. Daarom zijn mijn vragen aan de minister als volgt. Kan hij in de toegezegde Kamerbrief expliciet ingaan op zowel de no-riskpolis als de inclusiviteitstechnologie? Kan hij dat concreet maken? Kan hij op korte termijn zorgen dat die beter kan worden ingezet, juist ook bij het mkb? Is hij bereid daarbij ook te kijken naar vereenvoudiging en de actieve ondersteuning van werkgevers?

De voorzitter:
Dank u wel, meneer De Beer. Dan gaan we luisteren naar de bijdrage van de heer Flach. De heer Flach spreekt namens de SGP.

De heer Flach (SGP):
Dank u wel, voorzitter. Terugkijkend op het debat, heb ik onder andere aandacht gevraagd voor de sociale werkontwikkelbedrijven. Ik heb er verschillende bezocht in de achterliggende tijd. Je ziet dat er een specifieke groep is die hier en daar ook in de wetgeving weleens in lastige posities terechtkomt, waardoor er reparatie achteraf nodig is. Dat komt doordat er eigenlijk niet een heldere definitie in de wet staat. Daarom dien ik deze motie in, mede namens collega Ceder.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat bij verschillende wetstrajecten de werkontwikkelbedrijven en hun medewerkers onbedoeld zijn geraakt en dit regelmatig reparatie achteraf vergt, zoals bij de behandeling van de Wtta;

overwegende dat werkontwikkelbedrijven een eigenstandige positie op de arbeidsmarkt kennen;

overwegende dat het vastleggen van een heldere definitie van "werkontwikkelbedrijf" in de wet onbedoelde effecten kan voorkomen;

verzoekt de regering te verkennen hoe een definitie van "werkontwikkelbedrijven" in de wet kan worden opgenomen, en de Kamer over de uitkomsten te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Flach en Ceder.

Zij krijgt nr. 357 (34352) (#6).

Dank aan de heer Flach. Dan geef ik het woord aan de heer Ceulemans, die spreekt namens JA21.

De heer Ceulemans (JA21):
Voorzitter, dank u wel. We hebben inderdaad een goed commissiedebat gehad. Daarbij is het vanuit onze kant voornamelijk gegaan over de taaleis en de tegenprestatie. Daar heb ik reeds moties over ingediend, dus ik heb op dit moment geen moties. Ik heb wel nog twee vragen.

Allereerst heb ik toch nog een keer een vraag over de taaleis. De minister gaat met gemeenten in gesprek over de handhaving. Ik heb al in het commissiedebat duidelijk aangegeven namens JA21 dat van niet-handhaven geen enkele sprake kan zijn. Daarom stel ik nog een keer de vraag aan de minister: kan hij bevestigen dat hij in die gesprekken met de gemeenten aan de voorkant heel helder benadrukt dat er van niet-handhaven geen enkele sprake kan zijn? Geeft hij aan de voorkant ook duidelijk mee welke consequenties het heeft als gemeenten toch overwegen niet te handhaven?

Dan de tweede vraag. Ik heb ook aandacht gevraagd voor een aantal gemeenten die op dit moment de mogelijkheden aan het inperken zijn voor inwoners om vermoedens van bijstandsfraude te melden. Dat is wat ons betreft onwenselijk. Het uitgaan van vertrouwen moet niet doorslaan in het verdacht maken van het melden van vermoedelijke bijstandsfraude en het aanpakken van bijstandsfraude. Dus ik wil de minister vragen of hij een inventarisatie kan maken van in hoeveel gemeenten op dit moment de mogelijkheden worden ingeperkt voor inwoners om vermoedens van bijstandsfraude te melden. Kan hij met gemeenten in gesprek gaan over het belang voor inwoners om dat te kunnen doen?

De voorzitter:
Dank aan de heer Ceulemans. Het woord is aan mevrouw Van Meetelen. Zij spreekt namens de PVV.

Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Dank u, voorzitter. Ik had eigenlijk dezelfde vraag als de heer Ceulemans. In het debat is het inderdaad ook over de taaleis gegaan. Ik heb een toezegging gekregen dat u in de brief van april daarop terug zou komen. Dus ik kijk daarnaar uit, en ook naar de antwoorden op de vragen van de heer Ceulemans.

Dat gezegd hebbende, heb ik één motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat gemeenten grote verschillen laten zien in de toegang tot beschut werk, de snelheid van plaatsing en de mate van begeleiding;

overwegende dat mensen die zijn aangewezen op beschut werk, afhankelijk zijn van tijdige en passende ondersteuning en niet de dupe mogen worden van lokale willekeur;

overwegende dat rechtsgelijkheid vereist dat vergelijkbare gevallen in verschillende gemeenten zo veel mogelijk gelijk worden behandeld;

verzoekt de regering in kaart te brengen hoe groot de regionale verschillen in toegang tot en uitvoering van beschut werk zijn, en met concrete voorstellen te komen om deze verschillen te verkleinen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Meetelen.

Zij krijgt nr. 358 (34352) (#7).

Dank u wel. Dan komen we bij de heer Hamstra voor zijn bijdrage aan het tweeminutendebat. Hij spreekt namens het CDA.

De heer Hamstra (CDA):
Voorzitter. Ieder kind verdient kansen. Helaas is dat niet vanzelfsprekend. Een goed en stabiel inkomen voor het gezin waarin ze opgroeien, helpt. De Participatiewet ondersteunt mensen met een beperking om zo duurzaam mogelijk aan het werk te komen of mee te doen aan de samenleving. Ook dat helpt. Wat dan niet helpt, zijn ombuigingsvoorstellen die het inkomen van gezinnen waarin kinderen opgroeien, onzekerder maakt. Stoppen met proactieve dienstverlening, zoals nu in de Voorjaarsnota staat, gaat wat het CDA betreft dan ook niet gebeuren. Ik overwoog een motie op dit punt, maar ik hoop dat het met een toezegging ook lukt. Kan de minister dus toezeggen dat hij alternatieven inventariseert voor de ombuigingen van proactieve dienstverlening en deze tijdig naar de Kamer stuurt? Op die manier hebben wij voldoende informatie om de ombuigingen die juist deze kwetsbare groepen raken, te stoppen.

Daarnaast is het belangrijk dat gemeenten duidelijkheid hebben over wat zij voor kwetsbare jongeren binnen de wet wel en niet kunnen doen. Daarom dien ik de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Kamer met het gewijzigde amendement-Ergin c.s. middelen heeft vrijgemaakt voor tijdelijke, ontwikkelingsgerichte interventies voor kwetsbare jongeren, onder meer gericht op schuldaanpak, terugkeer naar onderwijs en geleidelijke toeleiding naar werk;

overwegende dat in de praktijk behoefte bestaat aan duidelijkheid over welke tijdelijke, ontwikkelingsgerichte interventies voor kwetsbare jongeren binnen de kaders van de Participatiewet mogelijk zijn;

overwegende dat onduidelijkheid hierover ertoe kan leiden dat effectieve ondersteuning voor kwetsbare jongeren onnodig wordt belemmerd;

verzoekt de regering om samen met gemeenten en betrokken uitvoerders in kaart te brengen welke ruimte de Participatiewet reeds biedt voor tijdelijke, ontwikkelingsgerichte interventies voor kwetsbare jongeren, welke belemmeringen in wet- en regelgeving of uitvoering worden ervaren, en de Kamer voor de begrotingsbehandeling van SZW voor 2027 te informeren over hoe die belemmeringen zo mogelijk kunnen worden weggenomen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Hamstra, Biekman, Lahlah, Ergin en Wiersma.

Zij krijgt nr. 359 (34352) (#8).

Dank u wel. U heeft nog een interruptie van de heer Flach.

De heer Flach (SGP):
Ik wilde even kijken of ik het goed hoorde, want het ging bijna in een bijzin. De heer Hamstra zei dat zijn fractie niet zal toestaan dat iets gebeurt, of dat het niet zal gebeuren — in ieder geval in dat soort woorden — dat de bezuiniging rond de proactieve dienstverlening die in de Voorjaarsnota staat, doorgang vindt. Nou vinden er rondom zo'n voorjaarsnota altijd allerlei onderhandelingen plaats tussen coalitiepartijen. Hoe moet ik dat zien?

De heer Hamstra (CDA):
Dat is dus de reden. Kijk, het was helemaal niet bedoeld als bijzin; volgens mij staat dit ook best wel expliciet in mijn inbreng. Ik overwoog een motie in te dienen om dat te doen. Ik ben nu pas net een paar maanden Kamerlid, maar ik vind dat wanneer je een motie indient, die motie ook gedekt moet zijn. Ik heb daar wel wat hulp bij nodig. Dat is de reden waarom ik de minister nu om de toezegging vraag om alternatieven te inventariseren voor die ombuigingen in de proactieve dienstverlening. Dan kunnen we daarna alsnog met een alternatief komen. Dat is hoe wij dit vooral zien.

De voorzitter:
Meneer Flach, een vervolgvraag?

De heer Flach (SGP):
Ja, toch even, hoor. Een week of twee geleden is de Voorjaarsnota door de ministerraad gegaan. Die ligt in de Kamer. Daar hebben de drie partijen over gesproken voordat daar een besluit over kwam. En nu, twee weken later, trekt het CDA zijn handtekening daarbij in? Zo beluister ik dat dan maar. Hoe is dat zo gekomen? Zijn die onderhandelingen verkeerd verlopen in uw geval, of was u het er gewoon überhaupt niet mee eens en probeert u het op deze manier alsnog te repareren? Ik probeer daar even inzicht in te krijgen.

De heer Hamstra (CDA):
Ik geloof heel erg in dualisme. Dus dat het kabinet met een voorstel komt via de Voorjaarsnota, dat kan natuurlijk helemaal prima. Volgens mij is dan aan de Kamer de taak om die controlerende rol uit te voeren. We hebben de Voorjaarsnota tot ons genomen. Wij vinden dan ombuigingsvoorstellen in het kader van proactieve dienstverlening. Ik heb drie of vier weken geleden bij de begroting van SZW nog een motie in het kader van proactieve dienstverlening ingediend die ging over automatisch uitkeren. Tja, dan vinden wij het van belang dat die motie, die toen oordeel Kamer heeft gekregen en ook een meerderheid heeft gehaald, ook doorgang kan vinden. Dat is dus de reden waarom wij nu aan het zoeken zijn naar op welke manier we het toch mogelijk kunnen maken dat die proactieve dienstverlening doorgaat.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik haak ook aan op dat punt. In ieder geval is dit voor mij een klein bommetje dat gedropt wordt. We hebben de Voorjaarsnota gehad. Daarover hebben de partijen onderhandeld. De fractie is daar uiteraard bij betrokken geweest, want anders heb je geen rugdekking vanuit de Kamer — zo zeg ik even met ervaring als oud-coalitiedeelnemer. De CDA-ministers hebben vervolgens in de ministerraad ingestemd hiermee. En pakweg twee weken later zegt de CDA-fractie: dit moeten we terugdraaien. Dat kan een paar dingen betekenen. Of minister Aartsen heeft het voorstel zonder dekking van de coalitie erdoorheen gedrukt, maar zo ken ik de heer Aartsen niet. Ik zie hem al knipogen. Of de CDA-fractie heeft koudwatervrees, wat ik toejuich hè, want ook ik vind het slecht dat we dit zo gefragmenteerd gaan indienen. Over pakweg een paar weken behandelen we het wetsvoorstel. Ik ben ook met een amendement bezig om ervoor te zorgen dat we niet die bezuiniging terugdraaien, maar dit gewoon in één keer door laten gaan, dus niet met die knip zoals de minister het heeft behandeld. Mijn vraag is: wat is er in de afgelopen twee weken gebeurd waardoor de CDA-fractie hierin gedraaid is? Dit misschien in aanvulling op de heer Flach.

De heer Hamstra (CDA):
Tja, het wordt wel een beetje hetzelfde antwoord als het antwoord dat ik aan collega Flach heb gegeven. Kijk, de Voorjaarsnota is gepresenteerd. Die wordt volgende week in deze Kamer behandeld. Nu hebben we een tweeminutendebat over de Participatiewet. De wetsbehandeling van de Wet proactieve dienstverlening SZW komt er nog aan. Proactieve dienstverlening staat ook in het coalitieakkoord en ik heb daar een motie over ingediend bij de begrotingsbehandeling, dus ik vind het wel belangrijk dat dat doorgang gaat vinden. Ik vraag nu dus aan de minister: wat zijn mogelijke alternatieven, zodat we het toch doorgang kunnen laten vinden?

De voorzitter:
Een vervolgvraag van de heer Ceder.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Dan is tot slot mijn vraag: wat heeft de Kamer nu aan het CDA? Vraagt u dit om voor de Voorjaarsnota zelfstandig met een amendement hierover vanuit de CDA-fractie te komen? Dat zou ik toejuichen, dus vooral doen. Of zegt u: "Dat zijn we niet van plan. Het initiatief moet vanuit de minister komen, anders gaan wij er onze handen niet aan branden"? Dan is dit dus een losse flodder. Je zou ook nog kunnen zeggen dat je bij de behandeling van het wetsvoorstel over proactieve dienstverlening nog zelfstandig met een voorstel vanuit de CDA-fractie komt. Dat zou ik ook toejuichen. Dan hoef ik namelijk ook niks te doen. Dan wacht ik totdat het CDA dit regelt. Ik ben benieuwd naar uw stappenplan. Gaat u zelf initiatief nemen en verwacht u dekkingsvoorstellen? Of laat u het in handen van de minister en trekt u dus als CDA-fractie uw handen ervan af?

De heer Hamstra (CDA):
Of u met een initiatief komt, is aan u. Ik ga niet zeggen wat u daarmee moet doen. Maar heel eerlijk gezegd maakt het mij niet zoveel uit of het kabinet met een voorstel komt of dat de CDA-fractie met een voorstel komt of dat de ChristenUnie met een voorstel komt; het belangrijkste is dat de mensen die het het meest nodig hebben, geholpen worden. Om dat in samenwerking voor elkaar te kunnen krijgen, heeft u aan het CDA een hele goede. We gaan kijken of we het op die manier kunnen regelen.

De heer Ceulemans (JA21):
Ik heb ook even een vraag aan de heer Hamstra. Even los van wat je er inhoudelijk van vindt — er valt heel veel over te zeggen — is het opmerkelijk hoe dit al een paar weken gaat. Dit is een minderheidscoalitie, dus er wordt een beroep gedaan op de oppositie voor een constructieve houding. Maar het lijkt vooral de coalitie zelf die continu de plannen van dit kabinet onder vuur aan het nemen is. Eerst is het de heer Paternotte die voor een camera in de gang doodleuk en plompverloren meldt dat de maximumdagloonmaatregel met betrekking tot zwangerschapsregelingen niet doorgaat. Vervolgens was het uw collega Van Ark die vanaf dat spreekgestoelte zo'n beetje het tapijt onder het hele bezuinigingspakket vandaan trok. En nu doet u dat eigenlijk opnieuw. Dus even los van de inhoud, vindt u het niet ook opmerkelijk hoe dit gaat?

De heer Hamstra (CDA):
Het wordt inderdaad een groot debat, maar volgens mij gaat dit debat over de Participatiewet. Dit is een tweeminutendebat. Ik gaf aan dat wij in het kader van proactieve dienstverlening, waarover ik zelf een motie heb ingediend bij de begrotingsbehandeling van de begroting SZW — daar wil ik ook graag bij blijven — het liefst alternatieve plannen zien. Volgens mij is dat ook het werk dat je als Kamerlid gewoon kan doen. Ik vraag nu dus aan de minister — ik herhaal mezelf voor de derde keer — of er alternatieven mogelijk zijn, zodat ik mijn werk als Kamerlid ook kan doen om te kijken of ik daarin mogelijke oplossingen zie om met die proactieve dienstverlening door te gaan. Dat is wat ik nu aan het doen ben.

De voorzitter:
Een vervolgvraag van de heer Ceulemans.

De heer Ceulemans (JA21):
Afrondend van mijn kant. De heer Hamstra zegt: het wordt nu een groot debat. Maar daar is hij natuurlijk zelf debet aan, want — nogmaals, ongeacht wat je van de inhoud vindt — hij legt zelf een beetje een bommetje onder een van de meest gevoelige punten uit de Voorjaarsnota van de afgelopen weken. Kan de heer Hamstra zich dus voorstellen dat het voor de oppositie op deze manier erg moeilijk wordt? Je bent namelijk gewoon een beetje aan het mikken op een bewegend doelwit. Elke keer komt het kabinet, een minderheidskabinet, waardoor je verwacht dat de oppositie erbij betrokken gaat worden, namelijk met plannen naar buiten en vervolgens zijn het steeds de coalitiepartijen die hier achter het spreekgestoelte van gemaakte afspraken terug beginnen te komen.

De heer Hamstra (CDA):
Ik had het daar net over: ik geloof zelf heel erg in dualisme. Ik hoop dus dat we vanuit deze Kamer allemaal de verantwoordelijk voelen om dit kabinet te controleren. Ik hoop dat wanneer wij vinden dat we bepaalde voorstellen van het kabinet anders zouden willen zien, we daarin samenwerken, omdat wat ons betreft de inhoud vooropstaat.

Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):
Laat ik beginnen met zeggen dat ik heel blij ben dat ik het CDA zo expliciet hoor zeggen dat dit niet gaat gebeuren, dus daarin vindt hij in mij een bondgenote. We hebben zojuist een motie ingediend, precies op dit vlak. Kan ik ervan uitgaan dat het CDA daar dan voor gaat stemmen?

De heer Hamstra (CDA):
Eigenlijk is het antwoord daarop: nee. Dat heeft ermee te maken dat de motie zoals ik u 'm net hoorde indienen, volgens mij nog geen financiële dekking heeft. De reden waarom ik nu zeg dat ik eerst graag een toezegging van de minister zou willen hebben, is dat ik zelf op zoek ben naar een dekking daarvoor. Wat dat betreft is dat dus voor ons nu te prematuur.

Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):
Ik weet dat de heer Hamstra, zoals ik hem ken, de Voorjaarsnota heel goed heeft gelezen. We kunnen dadelijk in de pauze gaan zoeken naar een dekking. Dan hebben we niet alleen maar de opdracht aan deze minister om het te regelen, inclusief voorwaarden. Daar hoeven we niet op te wachten. Ik ben dus bereid mijn motie daarop aan te passen. Wat mij betreft kunnen we dadelijk gaan kijken hoe we die dekking gezamenlijk regelen. Dan hebben we één opdracht aan de minister.

De voorzitter:
We gaan naar de interruptie van mevrouw Van Brenk. Ik kijk een beetje naar de klok, maar natuurlijk krijgt u ook ruimte voor een interruptie, mevrouw Van Brenk.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
De collega van de heer Hamstra, mevrouw Van Ark, werd daarstraks al aangehaald. Die heb ik eerlijk gezegd ook geprezen voor een verfrissend geluid, en dat is hier ook het geval. Ik vind het verfrissend dat de heer Hamstra zegt dat ze er nog eens kritisch naar willen kijken. Wij willen best graag samen met de heer Hamstra kijken waar we mogelijkheden zien. Wat ons betreft reiken we de hand dus toe. Ik hoop dat die aangenomen wordt.

De heer Hamstra (CDA):
Een handreiking is altijd welkom.

De voorzitter:
Tot slot heeft de heer Dijk ook een interruptie.

De heer Jimmy Dijk (SP):
Ik heb een korte vraag. De heer Hamstra doet denk ik iets verstandigs, namelijk aangeven dat er wat het CDA betreft niet op die Wet proactieve dienstverlening wordt bezuinigd. Kan ik wel één keer hard en stevig horen dat dit volgens het CDA echt niet gaat gebeuren? Anders vind ik de vragen richting het kabinet namelijk een beetje gratuit worden. Het valt me op dat coalitiepartijen dat vaker doen, zonder zelf met een dekking te komen. Dat zou dan nog iets steviger zijn. Kan ik van het CDA verwachten dat zij zeggen dat het niet gaat gebeuren?

De heer Hamstra (CDA):
Ja. Wat het CDA betreft gaat dat niet gebeuren.

De voorzitter:
Daarmee komen we bij de volgende spreker in dit debat. Dat is mevrouw Biekman. Zij spreekt namens D66. Ik praat de tijd even vol! Gaat uw gang.

Mevrouw Biekman (D66):
Voorzitter, bij mij gaat het ook in een rap tempo. Ik sluit me helemaal aan bij de woorden van collega Hamstra over de Wet proactieve dienstverlening. Wat D66 betreft gaat het op pauze zetten ook niet gebeuren. Ik verwacht dan ook dat de minister alles op alles zet om met een alternatief voor deze ombuiging te komen.

Voorzitter. Dan mijn moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de huidige aanvraagprocedure voor beschut werk nog veel procedurele stappen en lange doorlooptijden kent;

constaterende dat dit mede het gevolg is van capaciteitsproblemen bij UWV;

overwegende dat het kabinet de ambitie heeft om de regeldruk fors te verminderen;

overwegende dat het overgrote deel van de door gemeenten aangevraagde indicaties beschut werk wordt goedgekeurd door UWV;

verzoekt de regering om in de aangekondigde verkenning rond de indicatie beschut werk breed te kijken naar het potentieel van de praktijkroute via de gemeenten, en de Kamer hier voor het einde van 2026 over te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Biekman, Hamstra, Lahlah en Ceder.

Zij krijgt nr. 360 (34352) (#9).

U vervolgt.

Mevrouw Biekman (D66):
Mijn tweede motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat voor de Wajong-doelgroep het vinden van regulier werk vaak uitdagend blijkt;

constaterende dat in de praktijk relatief weinig mensen vanuit UWV worden doorverwezen naar werkontwikkelbedrijven;

overwegende dat werkontwikkelbedrijven bij uitstek geschikt zijn om deze doelgroep te helpen met de stap naar werk;

verzoekt de regering werkontwikkelbedrijven nauwer te betrekken bij dienstverlening voor de re-integratie van de Wajong-doelgroep;

verzoekt de regering in kaart te brengen welke drempels weggenomen kunnen worden om waar mogelijk dienstverlening van werkontwikkelbedrijven op uitkeringsgerechtigden vaker in te zetten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Biekman, Hamstra en Ceder.

Zij krijgt nr. 361 (34352) (#10).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de beëindiging van het Wajong-recht en het garantiebedrag grote financiële gevolgen kan hebben;

overwegende dat de overheid bij dergelijke gevallen het evenredigheidsbeginsel dient toe te passen;

overwegende dat een groep Wajongers heeft aangegeven dat ze in financiële problemen raken door het stopzetten van het garantiebedrag;

verzoekt de regering rond het beëindigen van het garantiebedrag bij dringende redenen maatwerk toe te passen en hierover met UWV in overleg te treden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Biekman, Hamstra en Ceder.

Zij krijgt nr. 362 (34352) (#11).

Dank u wel. Er zijn nog enkele vragen voor u. Ik wil het debat niet helemaal herhalen. Ik meen dat de heer Flach als eerste bij de interruptiemicrofoon stond, dus ik geef hem het woord.

De heer Flach (SGP):
Ik heb toch wel het gevoel dat ik bij een live-uitzending van "de rel van de dag" ben, want het begint een beetje een klucht te worden. We hebben een Voorjaarsnota in de Kamer liggen die ingediend is namens een kabinet waar drie partijen steun aan verlenen. Twee partijen trekken hier de steun publiekelijk in. Is de VVD dan zo machtig dat ze het desondanks doorgedrukt hebben in de ministerraad? Er heeft ook gewoon overleg plaatsgevonden met fractievoorzitters. Met dualisme kom je niet weg. Ook Kamerleden hebben hiernaar gekeken en hebben ingestemd met de Voorjaarsnota. Dat kan niet anders, want anders komt zoiets niet door de ministerraad. Wat is er dan gebeurd dat twee partijen hier in een debat, in een tweeminutendebat maar liefst, die steun zomaar intrekken?

Mevrouw Biekman (D66):
Ik verwijs terug naar het commissiedebat dat we hierover hebben gehad. In het commissiedebat Participatiewet hebben we een aantal vragen gesteld aan de minister over de Wet proactieve dienstverlening. Mij gaat het niet zozeer over wat er in de Voorjaarsnota staat, maar over wat we daar met elkaar hebben besproken. Een van die dingen is dat het niet-gebruik bij bijstandsgerechtigden 35% is. Ik heb het in mijn bijdrage gehad over de vindbaarheid en bereikbaarheid van deze groep mensen. Wij constateren dat de wet nu op pauze wordt gezet en ik sluit me wat dat betreft aan bij de woorden van de heer Hamstra. Wij verzoeken de minister om op zoek te gaan naar alternatieven.

De voorzitter:
Een vervolgvraag van de heer Flach.

De heer Flach (SGP):
Het gaat mij niet om de inhoud. Misschien ben ik het daar nog wel helemaal mee eens ook. Het is ook consistent met eerdere inbrengen, maar daartussen ligt een Voorjaarsnota. In de Voorjaarsnota pakt iedere partij een beetje pijn. Dit doet dan pijn bij D66 en bij het CDA, maar dat ruil je dan uit. Dan kun je toch niet twee weken later daar een beetje goedkoop je steun aan intrekken? Dan moet je toch eigenlijk zeggen: "Die Voorjaarsnota is niet in balans. Daar zit iets in dat niet goed gedekt is. Daar waren we het toch niet mee eens. Dat gaan we amenderen of we gaan dat in de coalitie opnieuw ter discussie stellen"? Dit is toch een beetje goedkoop?

Mevrouw Biekman (D66):
Ik denk dat het hier een herhaling van het antwoord wordt. Ik refereer echt aan het commissiedebat Participatiewet dat we hierover hebben gehad. De heer Hamstra heeft de minister zojuist gevraagd om te komen met alternatieven en daar sluit ik me bij aan.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik dacht dat ik na het kabinet-Schoof in rustig vaarwater terecht zou komen, maar de storm lijkt steeds groter te worden. Er lijkt wekelijks een rel van de week te zijn. Het is woensdag; we hebben hem weer gevonden.

Voorzitter. Het kan niet zo zijn — maar voor mijn gevoel is dat wel gebeurd — dat twee coalitiepartijen hebben liggen slapen tijdens de onderhandelingen over de Voorjaarsnota. De VVD wilde dit en heeft dit voorgelegd, en er hebben twee partijen óf liggen slapen, óf ingestemd en achteraf spijt gekregen. Die afspraken waren namelijk gewoon van tevoren bekend. Ook D66-ministers hebben daar, net als CDA-ministers, gewoon mee ingestemd tijdens de ministerraad. Mijn vraag staat los van het commissiedebat, want er is ook een ander traject, de Voorjaarsnota. Welke van de twee opties is het? U bent het er niet mee eens, dus dat betekent óf dat het CDA en D66 hebben liggen slapen — dat kan; dat overkomt ons allemaal wel eens — óf dat u heeft ingestemd met iets waarover u nu eigenlijk de VVD kapittelt. Dat mag u doen, maar dan vraag ik me toch af in hoeverre hier sprake is van een stabiele coalitie. Kunt u aangeven wat er gebeurd is tussen het accorderen van de Voorjaarsnota en de afgelopen twee weken?

Mevrouw Biekman (D66):
Zelf zit ik natuurlijk niet aan de onderhandelingstafel. Ik beroep me op het dualisme, zoals de heer Hamstra ook al heeft gezegd. Volgens mij is het aan onze Kamer. We zitten in een minderheidskabinet. Wij zijn individuele Kamerleden, opererend in een fractie. Volgens mij moeten we in de Kamer kijken wat we kunnen doen om de mensen die de regelingen niet kunnen vinden, de mensen die het hardst hulp nodig hebben, te bereiken. Wat mij betreft gebeurt dat met de Wet proactieve dienstverlening.

De voorzitter:
Tot slot, meneer Ceulemans.

De heer Ceulemans (JA21):
Inderdaad, tot slot. Aan het einde van haar antwoord op de vraag van de heer Flach krabbelde mevrouw Biekman een beetje terug. Zij zei: ik schaar me achter de heer Hamstra en ik vraag de minister om met alternatieven te komen. Maar de heer Hamstra zei gewoon keihard: het CDA gaat niet meemaken dat deze bezuiniging wordt doorgevoerd. Zit D66 er ook op die manier in?

Mevrouw Biekman (D66):
Volgens mij heb ik net iets te snel gesproken, maar ik heb in mijn bijdrage wel degelijk gezegd dat ook wat D66 betreft deze maatregel niet doorgaat.

De heer Ceulemans (JA21):
Dus u vraagt de minister niet alleen om alternatieven in kaart te brengen, maar u trekt ook gewoon de stekker uit deze bezuiniging. Dat kan maar even gemarkeerd zijn. Ik kan me voorstellen dat de VVD niet heel gelukkig wordt van de manier waarop dit gaat bij D66 en het CDA, maar goed, ik ben een positief mens, dus ik tel mijn zegeningen. Als deze coalitie zo dualistisch is dat zelfs coalitieafspraken eigenlijk niks waard zijn … Ik heb op een andere portefeuille, bijvoorbeeld asiel, een hele trits voorstellen die verder gaan dan wat het coalitieakkoord beoogt. Ik kan me voorstellen dat u de VVD er dan ook niet op aankijkt als die partij daarin voortaan meegaat.

Mevrouw Biekman (D66):
Ik wil alleen even antwoord geven op de vraag. Ik heb er alle vertrouwen in dat de minister straks met gepaste alternatieven komt.

De voorzitter:
Oké, dank u wel. Ik geef het woord aan mevrouw Van Brenk; zij spreekt namens 50PLUS.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Voorzitter. Volgens mij hebben we een spannend tweeminutendebat.

Voorzitter. Afspraak is afspraak en dat geldt wat ons betreft ook en voornamelijk voor de overheid. Daarom hebben wij de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er in 2013 een breedgedragen sociaal akkoord is afgesloten tussen werkgevers, werknemers en overheid;

constaterende dat de daarin gemaakte afspraak over 125.000 banen te realiseren voor mensen met een beperking bij lange na niet wordt gehaald;

constaterende dat met name de overheid haar steentje daar niet aan bijdraagt;

overwegende dat het nakomen van afspraken belangrijk is, zeker als overheid;

overwegende dat de quotumregeling voor de overheid in 2018 is ingevoerd, maar tot op heden geen heffing is opgelegd;

verzoekt de regering om alles op alles te zetten om de banenafspraak te realiseren en conform de afspraak in de quotumregeling de heffing in te laten gaan voor de overheidssector als zij zich niet aan hun afspraak houden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Brenk en Lahlah.

Zij krijgt nr. 363 (34352) (#12).

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Dank, voorzitter.

De voorzitter:
Dank u wel.

Tot slot, niet verwacht, toch gekomen: de heer Jimmy Dijk. Hij spreekt namens de SP. Gaat uw gang.

De heer Jimmy Dijk (SP):
Dank u wel, voorzitter. Ik had een heel deel van mijn bijdrage voorbereid ten aanzien van de Wet proactieve dienstverlening SZW. Ik vind het echt goed om te horen dat D66 en het CDA de bezuinigingen die dit kabinet in de Voorjaarsnota heeft opgenomen eruit halen. Dat is pure winst voor vandaag. Ik kom wel meteen met een vraag aan de minister. U heeft het gehoord: er is een meerderheid die vindt dat deze bezuiniging van tafel moet. Mag ik dus ook van de minister verwachten dat dit dan gaat gebeuren? Ik zou hier graag een toezegging op willen, als dat kan, omdat u heeft gehoord dat daar een meerderheid voor is.

Het tweede punt dat ik graag wil maken — ik dien daar straks ook een motie over in — gaat over de banenafspraak. In hoeverre wordt die behaald? De marktsector zou 90.000 banen moeten vrijstellen voor mensen met een arbeidsbeperking. Dat zijn er nu zo'n 77.000, dus dat doel wordt niet behaald. De overheid zou 25.000 banen moeten regelen, maar dat zijn er nog geen 12.500, dus dat doel wordt ook niet behaald. In 2026 zou dit allemaal rond moeten zijn. Anders zouden er wat de SP betreft quota voor bedrijven en overheidsinstellingen ingevoerd moeten worden. Ik dien daar een motie voor in. Daar zit een oplossing in. Ik vraag ook aan de minister in welke mate hij denkt dat deze doelen, zowel voor de overheid als voor de marktsector, nog in dit jaar behaald gaan worden. Er moet dan wel nog een boel gebeuren; dat geef ik erbij.

Dan de motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat overheidswerkgevers eind 2024 de doelstelling van 25.000 extra banen uit de banenafspraak niet hebben gehaald;

constaterende dat ook de marktsector de doelstelling niet heeft gehaald;

constaterende dat hierdoor heel veel mensen thuiszitten die graag zouden willen werken;

verzoekt de regering in kaart te brengen wat er moet gebeuren om zowel vanuit overheidswerkgevers als vanuit de marksector in 2027 de banenafspraak wel te halen, en daarbij in elk geval het invoeren van de quotumheffing mee te nemen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Jimmy Dijk, Lahlah en Ceder.

Zij krijgt nr. 364 (34352) (#13).

De heer Jimmy Dijk (SP):
Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde van de termijn van de zijde van de Kamer gekomen. Ik kijk even naar de minister. Zullen we schorsen voor een minuut of vijf? Ja? Dan schors ik voor vijf minuten en dan gaan we luisteren naar de reactie.

De vergadering wordt van 10.51 uur tot 11.01 uur geschorst.

De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het tweeminutendebat Participatiewet. De bijdrage van de Kamer heeft voor de schorsing plaatsgevonden. We gaan nu luisteren naar de reactie van de minister van Werk en Participatie. Ik kijk hem aan en geef hem graag het woord. Het woord is aan de minister.

Minister Aartsen:
Dank, voorzitter. Dank aan de leden voor het goede debat dat we hebben gehad over de Participatiewet. Ik heb in het debat ook al aangegeven dat we op een aantal onderwerpen, onder andere de fundamentele herziening van de Participatiewet en zaken die spelen wat betreft de Wajong, op een later moment, wel nog voor de zomer, terugkomen. Het is goed om in de eerste weken van dit kabinet al te wisselen van gedachten over hoe de Kamer tegen een aantal dingen aankijkt. Er zijn mij een paar vragen gesteld. Laat ik daarmee beginnen.

De VVD vroeg mij te reflecteren op de dingen die we doen om knelpunten weg te nemen bij werkgevers. Ik denk dat het verstandig is dat we breed gaan bekijken wat we kunnen doen om het voor werkgevers makkelijker te maken om mensen voor wie het leven niet automatisch meezit ook gewoon in dienst te kunnen nemen. We kunnen daar risico's en belemmeringen voor weghalen. We kunnen daarbij helpen. Daar hebben we een heel breed instrumentarium voor. We zijn op dit moment aan het kijken hoe we dat slimmer kunnen doen. De punten van de no-riskpolis en de inclusiviteitstechniek kunnen we in de brief meenemen die we eerder hebben toegezegd over hoe we ervoor gaan zorgen dat mensen die misschien wat minder makkelijk meekomen toch een goede plek krijgen bij werkgevers. Dat vind ik een heel mooie ambitie, dus daar kunnen we het in meenemen.

De heer Ceulemans stelde een vraag, en mevrouw Van Meetelen deed dat ook, over de handhaving van de taaleis en de gesprekken daarover met de VNG. Ik heb die gesprekken vorige week gevoerd. Ik heb de gemeenten laten weten dat op het moment dat nieuwe colleges zich achter het standpunt scharen dat zij principieel geen uitvoering geven aan de taaleis, wij zullen gaan handhaven. Wij zullen dan de interventieladder starten, zoals wij dat overigens bij alle wetten doen. Dat heb ik duidelijk gemaakt. Op het moment dat wetten niet worden nageleefd door gemeenten, wordt gewoon de interventieladder toegepast. Overigens komen we in april nog met een brief over hoe we die kunnen verbeteren en beter werkbaar kunnen maken voor gemeenten. Het kan niet zo zijn dat gemeenten eenzijdig bepaalde dingen die hier in de Kamer zijn aangenomen niet uitvoeren.

Dan de vraag over de tiplijn. Het wordt ingewikkeld om die vanuit het Rijk te gaan monitoren. De gemeenten hebben een eigen beleidsvrijheid om te bepalen hoe ze dat op een goede manier vormgeven. Dat kan ik dus niet op de gevraagde manier vormgeven.

De voorzitter:
Dat leidt tot een vraag van de heer Ceulemans. Ik kijk een beetje naar de tijd, meneer Ceulemans.

De heer Ceulemans (JA21):
Daarom heb ik het ook in de vorm van een open vraag aan de orde gesteld. Ik weet dat de minister niet gaat over de manier waarop gemeenten dit uitvoeren, maar het kan gevolgen hebben voor het beleid van de minister als gemeenten de mogelijkheden beperken om vermoedens van bijstandsfraude te melden. Dat kan gevolgen hebben voor de wijze waarop de minister het beleid wil uitvoeren. Mijn vraag was alleen: kan de minister bij gemeenten in ieder geval wel benadrukken dat voor inwoners de mogelijkheid bestaat, en ook blijft bestaan, om vermoeden van bijstandsfraude te melden?

Minister Aartsen:
Ja, dat kan ik toezeggen. Het gaat altijd om twee kanten. Je moet aan de ene kant mensen helpen en begeleiden, en aan de andere kant moet de handhaving gewoon goed zijn. Beide kanten moeten onderdeel van het beleid zijn.

Dan zijn er een aantal vragen gesteld over het wetsvoorstel proactieve dienstverlening. Volgende week wordt de Voorjaarsnota besproken. Zoals u weet is de financiële situatie bij het ministerie van Sociale Zaken ernstig. We hebben een aantal flinke tekorten. Onder andere komen we bijna een miljard tekort op het vlak van de WIA en de instroom daar. Om die reden voelt het kabinet zich genoodzaakt — u kent allemaal de begrotingsspelregels — om een aantal bezuinigingen door te voeren. Daar wordt volgende week over gesproken in deze Kamer met de minister van Financiën. Daar bestaat een integraal beeld over.

Op het gebied van sociale zaken zijn er een aantal maatregelen. Een daarvan is proactieve dienstverlening. We hebben gekeken naar de budgetten die nog niet zijn uitgegeven, maar in de toekomst nog zouden moeten worden uitgegeven. Het kabinet onderschrijft nog steeds volledig de doelstelling van proactieve dienstverlening, maar de financiële situatie is wat die is. We kunnen het geld maar één keer uitgeven. Daarom hebben we moeten besluiten om het geld nu niet uit te trekken voor proactieve dienstverlening. Nogmaals, uw Kamer spreekt daar volgende week verder over bij de behandeling van de Voorjaarsnota. Dit is op dit moment het standpunt van het kabinet.

De heer Dijk vraagt of het kabinet komt met een alternatief voorstel, gelet op het debat hier. Het antwoord is nee. We hebben de Voorjaarsnota neergelegd. Het is vervolgens aan uw Kamer om daar iets mee te doen. De gevraagde toezegging van de heer Hamstra kan ik zeker doen. Als er bij fracties behoefte is om te zoeken naar alternatieven, ben ik altijd bereid om op dat punt mee te helpen. Dat is breed het geval. Ik geef daarbij wel de winstwaarschuwing dat we bij Sociale Zaken geen geldboom hebben staan waar we even aan kunnen schudden, waarna er pijnloos dingen naar beneden komen. Als de Kamer zegt dat ze deze bezuiniging niet wil, heb ik nog een lijstje met andere alternatieve bezuinigingen, maar ook die zijn pijnvol. Die gaan ook ergens pijn doen. Ook dat gaat betekenen dat je ergens iets minder gaat doen, ergens iets vanaf haalt, of iets stop moet zetten. Zo eerlijk moeten we ook zijn.

Dit is volgens het kabinet een goed voorstel. Helaas is het noodzakelijk, maar op dit moment is dit het meest verstandige om te doen. We hoeven dan niet terug in de tijd, maar kunnen zeggen: dit doen we even niet; daar kunnen we ook op een later moment nog over besluiten. Dat is de situatie zoals die nu is. Als uw Kamer op zoek wil naar alternatieven, ben ik altijd bereid om daarbij te helpen. Maar dit is op dit moment wel het kabinetsstandpunt.

De heer Flach (SGP):
Het is helder dat dit het standpunt is van dit kabinet. Maar dit roept toch de vraag op: is de Voorjaarsnota nu een vrije kwestie geworden? Moeten we dat zo duiden? Ook de heer Aartsen heeft gezien hoe er door twee van zijn coalitiepartners is gereageerd. Is de Voorjaarsnota gewoon een vrije kwestie geworden en wordt daar staande een tweeminutendebat over onderhandeld? Is dat de nieuwe werkwijze?

Minister Aartsen:
Dat moet u echt aan de Kamerfracties vragen. Daar gaat dit kabinet niet over. Ik ga geen commentaar leveren op coalitiefracties.

De heer Flach (SGP):
Dan nog even een andere vraag. De minister noemt als argument dat er miljardentekorten zijn. Ik heb het niet helemaal scherp, maar ik dacht dat de bezuiniging op de Wet proactieve dienstverlening opliep tot maximaal 30 miljoen. Dat gaat dus niet om heel veel. Vanwaar dan dit gedoe, zou ik haast zeggen.

Minister Aartsen:
Nogmaals, omdat je als kabinet probeert te zoeken naar een voorjaarsnota die gewoon rondrekent. Wij hebben meerdere meevallers en tegenvallers. U kent de systematiek bij Sociale Zaken en bij alle andere departementen: je moet dat netjes op een goede manier dekken. Het lijkt het kabinet verstandig om niet het mes te zetten in dingen die al lopen. Je kunt heel makkelijk zeggen "laten we subsidies niet meer doen", maar dan moet je bepaalde stichtingen teleurstellen omdat je het geld dat zij hadden om medewerkers in dienst te hebben en projecten te draaien, moet gaan stopzetten. Wij kijken in deze situatie primair naar geld dat we nog moeten gaan uitgeven. Dat ziet u ook terug in de verschillende reeksen. We hebben gekeken naar geld dat nog niet is uitgegeven in het verleden, maar gepland stond voor de toekomst.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik vind het goed dat er dekkingsvoorstellen komen en ben blij dat u dat toezegt op de vraag van de heer Hamstra. Er is wel bij mij, en misschien bij wat kijkers ook, wat ruis ontstaan over hoe zo'n voorjaarsnota nu tot stand komt. De indruk is nu dat de VVD en u als minister er iets doorheen hebben gedrukt, wat de andere twee coalitiepartijen eigenlijk niet willen, terwijl mijn lezing uit eerdere ervaring is dat een voorjaarsnota juist in samenspraak tot stand komt met in ieder geval de ministers van de verschillende partijen, dat je dat bespreekt en dan accordeert, om vervolgens een breed gedragen voorjaarsnota naar de Kamer te sturen. Natuurlijk mag elke fractie daar dan iets van vinden. Mijn vraag is of u even kunt schetsen, zonder in te gaan op de inhoud van de ministerraad, of mijn beeld van die totstandkoming van de voorjaarsnota klopt. Dat is namelijk best fundamenteel en raakt eigenlijk elk aspect. De heer Ceulemans had het over asiel; ook een punt waarop je toch elkaar hoopt vast te houden, omdat er verschillende gedachten leven. Kunt u schetsen hoe dat is gegaan? De indruk is namelijk nu dat u als minister iets heeft gedaan waar de andere twee partijen of niets van wisten, of niet mee akkoord waren.

Minister Aartsen:
Dat beeld klopt niet. Deze Voorjaarsnota is niet op een bijzondere manier ontstaan. Het is gegaan zoals dat altijd gaat. Het kabinet maakt die nota kabinetsbreed en dat doen we in samenspraak met de fractievoorzitters van de coalitiepartijen. Als iedereen ermee akkoord is, dan beslissen we over die Voorjaarsnota. Dat is niet gek; dat doen we al honderd jaar zo. Op deze manier is het nu ook gegaan. Vervolgens mag iedereen daar wat van vinden. Dus nogmaals, het kabinet komt niet met nieuwe voorstellen. Dit is het. Als Kamerfracties aan mij de vraag stellen of ik kan helpen zoeken naar alternatieve bezuinigingen, dan kan ik die hulp wel toezeggen. Dat is hoe het altijd is. Vervolgens is het aan de Kamerfracties om zelf met alternatieve voorstellen te komen.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Als ik het goed begrijp — ik vraag dit even zodat ik het proces voor mezelf scherp heb — komen de fractievoorzitters van D66, CDA en VVD in samenspraak met de verantwoordelijke ministers bij elkaar om tot een draagbare Voorjaarsnota te komen. Die is afgestemd en vervolgens ook in de ministerraad besproken. Wat daar is gebeurd, komen wij niet te weten, maar vervolgens is er wel een akkoord op gekomen. Dit is dus een samenwerking vanuit de fracties, of in ieder geval vanuit de fractievoorzitters, en de verantwoordelijke minister in de ministerraad. Dat geldt ten aanzien van de proactieve dienstverlening, maar eigenlijk op elk ander onderwerp dat we in de Voorjaarsnota kunnen teruglezen en volgende week ook gaan behandelen met elkaar. Klopt dit beeld daarvan? Ik vraag het omdat dit ook wat duidelijkheid schetst over hoe dit tot stand komt.

Minister Aartsen:
Ik ga niet specifiek in op hoe dit soort dingen exact allemaal lopen, maar de heer Ceder en ik lopen ook al tien jaar rond hier op het Binnenhof. Dit soort grote, belangrijke stukken maak je met elkaar. Dat is hoe dat gaat. We hebben ook met elkaar in een coalitie gezeten, dus zo doe je dat. En nogmaals, ik probeer als minister te luisteren naar wat er gebeurt. Als Kamerfracties mij vragen of ik wil helpen zoeken naar alternatieven, ben ik altijd bereid om dat te doen. Maar met deze Voorjaarsnota is niets geks gebeurd.

De heer Jimmy Dijk (SP):
Dit gaat natuurlijk best wel rommelig. Dat moet de minister ook zien. Maar ik wil het even over de inhoud hebben, want die 30 miljoen in volgens mij 2030 zouden ertoe kunnen leiden of hebben als doel dat mensen die nu recht hebben op bijstand en die niet krijgen, daarbij geholpen worden zodat schulden en verdere problemen, en daarmee ook hogere kosten, voorkomen worden. Dan heb ik de volgende vraag aan de minister. Van deze maatregel heeft het kabinet zelf gezegd: als je hierin investeert, kun je mensen proactief benaderen zodat ze niet in de schulden komen. Waarom heeft het kabinet dan juist hiervoor gekozen?

Minister Aartsen:
Omdat je altijd probeert te zoeken hoe je binnen je begroting financiële tegenvallers kunt oplossen. Dat hebben wij op het ministerie ook gedaan. De heer Dijk en ik zijn het honderd procent eens over de inhoud van het wetsvoorstel. Dat is de reden dat ik u vorige week ook een brief gestuurd heb over dit onderwerp, waarin ik heb gezegd dat het wetsvoorstel wat mij betreft overeind blijft en dat ook de algemene maatregel van bestuur overeind blijft. Het enige wat we nu nog niet kunnen doen, is de inwerkingtredingsdatum vaststellen. Dat doen we met een koninklijk besluit. Er zijn namelijk nog middelen voor nodig. Op dit moment zijn die niet beschikbaar. Ik heb, nogmaals, proberen uit te leggen dat je bij begrotingen probeert te kijken naar de toekomst, want niks is gratis, niks is pijnloos. Daarin hebben we een aantal dingen vervat. Dat betekent dat we het nu nog niet kunnen doen, maar in de toekomst wel. Dat is mijn ambitie en die heb ik ook uitgesproken in de brief. Op het moment dat de gelden beschikbaar komen, probeer je te kijken hoe je de proactieve dienstverlening goed vorm kan geven, omdat het een belangrijk onderwerp is. Maar het geld moet er wel zijn.

De voorzitter:
Tot slot.

De heer Jimmy Dijk (SP):
Natuurlijk moet het geld er zijn, maar de argumentatie van het kabinet zelf was: als je het geld uitgeeft, zorgt dat ervoor dat je minder mensen in de schulden hebt en dat je later dus minder problemen hebt, ook als overheid zelf, naast de mensen die niet in de schulden komen, met allerlei persoonlijk leed. Is de minister het met de SP eens dat als je dit debat beluistert en eigenlijk een grote meerderheid van de Kamer zegt "doe dit niet", deze minister dan moet gaan zeggen: "Nee, u hebt gelijk. Dat gaan we niet doen. We gaan de maatregel eruit pikken die ervoor zorgt dat mensen later niet in de problemen komen en dat we daarmee ook nog een keer geld kunnen besparen"?

Minister Aartsen:
Ik heb de Kamer al eerder gezegd dat we het op de inhoud eens zijn. Wat ons betreft gaan we dus door met het wetsvoorstel Proactieve dienstverlening en gaan we ook door met het besluit. Het enige wat we nu nog niet kunnen doen, is de inwerkingtredingsdatum voor een specifiek onderdeel vaststellen, omdat daar op dit moment nog geen financiële middelen voor zijn.

De voorzitter:
Mevrouw Van Meetelen, u heeft nog een vraag op dit punt? Daarna wil ik eigenlijk door naar de moties.

Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Ja, ik heb inderdaad een vraag. Het is inderdaad wel weer de rel van de week. We hebben weer een nieuwe. Het wordt elke week steeds spannender. Het is wel interessant.

Even los van de vragen over de inhoud et cetera, wil ik toch even terug naar die bezuiniging. U interpreteert die motie nu als "ik moet ernaar zoeken", maar er is door de heer Ceulemans ook nog expliciet aan het CDA gevraagd: gaat u wel of niet mee met de bezuinigingen? "Nee, het gaat niet gebeuren." Met andere woorden, als ik het optel, gaat het niet gebeuren. Die bezuiniging is er dus eigenlijk al af. Hoe kijkt de minister daarnaar? U interpreteert die motie als "we zoeken ernaar", maar er ligt volgens mij ook nog een andere motie, van de PvdA. Als je alles optelt, is die bezuiniging er gewoon vanaf. Ik wil dus graag een antwoord van de minister. Hoe ziet hij dat?

Minister Aartsen:
Dit is volgens mij een premature conclusie. We spreken volgende week over de Voorjaarsnota. De motie van mevrouw Lahlah zal ik ontraden, omdat er geen dekking bij is. We kunnen hier argumenten uitwisselen, maar linksom of rechtsom zal de boel wel financieel rond moeten rekenen. We kunnen dus met elkaar nadenken over oplossingen. Nogmaals, ik ben, zoals ik al eerder heb toegezegd, altijd bereid om mee te denken over alternatieve oplossingen, maar onderaan de streep moet het allemaal wel netjes gedekt zijn.

De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Van Meetelen.

Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Ja, tot slot. Ik ben heel erg benieuwd hoe dit gaat en hoe die gesprekken bij u in het kabinet en ook met de fracties verdergaan, want als er duidelijk wordt gezegd "wij gaan die bezuinigingen absoluut niet doen; het gaat niet gebeuren", dan gaat het dus, neem ik aan, niet gebeuren. Dus veel succes.

De voorzitter:
Dat is geen vraag.

Minister Aartsen:
Dank.

Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):
Ik weet niet of we nu al zijn aangekomen bij de appreciatie van de moties …

De voorzitter:
Nee. Daar kunnen we eigenlijk mee gaan beginnen.

Minister Aartsen:
De motie op stuk nr. 352 is ontraden.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 352 is ontraden.

Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):
… dus ik dacht: ik loop maar vast naar voren. Ik constateer namelijk net zoals mevrouw Van Meetelen van de PVV dat er geen meerderheid is voor de bezuiniging op de proactieve dienstverlening waar het de bijstand betreft. Ik vroeg me af of de minister een appreciatie kan geven als ik het dictum zou aanpassen naar "verzoekt de regering om op zoek te gaan naar alternatieve oplossingen", zodat die middelen wél beschikbaar kunnen blijven.

Minister Aartsen:
Nee, dan moet ik 'm nog steeds ontraden. Wij hebben als kabinet namelijk in de neergelegde Voorjaarsnota alles netjes gedekt. Ik heb u ook een brief gestuurd over hoe ik denk dat we toch door kunnen gaan met het wetsvoorstel. De financiële middelen zijn op dit moment niet beschikbaar.

Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):
Ik vind dit niet echt heel overtuigend, maar ik hoop daarmee in ieder geval tegemoetgekomen te zijn aan de feedback van de coalitiepartners. Ik hoop dat zij dan wel instemmen.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 352 is ontraden. We gaan verder met de motie op stuk nr. 353.

Minister Aartsen:
De motie op stuk nr. 353 moet ik ook ontraden, want dit gaat te veel onduidelijkheid bieden boven op de onduidelijkheid die er nu al is. Daarnaast is de afbouwregeling, zoals eerder ook door het UWV gezegd, niet uitvoerbaar. Ook daar zijn inmiddels de problemen in de uitvoering dusdanig dat ik het niet kan doen.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 353: ontraden.

Minister Aartsen:
De motie op stuk nr. 354 moet ik ook ontraden.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 354: ontraden.

Minister Aartsen:
De motie op stuk nr. 355 kan ik oordeel Kamer geven. Daarbij verwijs ik wel naar het commissiedebat. We delen namelijk de lijn dat we iets moeten doen voor mensen die chronisch ziek zijn en op dit moment in de Participatiewet verblijven. We moeten wel even goed kijken naar dat "iets". Dat is makkelijker gezegd dan gedaan. We weten namelijk dat de afbakening van een groep, helemaal daar waar het medische indicaties betreft, gewoon verschrikkelijk ingewikkeld is. Dat is niet zomaar even gedaan. Als je vervolgens ook het regime gaat aanpassen, weten we dat er natuurlijk een enorme trekfunctie van uit zal gaan. Dat kan dus niet zomaar. Zoals eerder gezegd, delen wij de richting. Met die lezing kan ik de motie dus oordeel Kamer geven.

De voorzitter:
Ik kijk even naar de heer Ceder. Hij is akkoord. De motie op stuk nr. 355: oordeel Kamer. Mevrouw Lahlah heeft een vraag over de motie op stuk nr. 354.

Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):
De motie op stuk nr. 354 werd ontraden, maar het ging zo snel. Ik heb volgens mij geen argumentatie gehoord. Waarom wordt die ontraden?

Minister Aartsen:
Die wordt ontraden om een aantal redenen. De Participatiewet en de bijstand zijn bedoeld voor ondersteuning als een laatste vangnet. Het is niet de bedoeling dat uitkeringen worden gestapeld, ook niet als er een wens tot samenwonen is. Het is echt als laatste vangnet bedoeld. Daarnaast biedt de huidige Participatiewet ook al ruimte voor individueel maatwerk. Vandaar dat we dit op dit moment niet zo zien. Wat betreft de link met de wooncrisis verwijs ik overigens naar het rapport dat de minister van VRO laatst heeft verstuurd. Het lijkt wel mee te vallen wat betreft de link met de vraag hoeveel woningen dit vrij zou spelen.

De voorzitter:
Mevrouw Lahlah, ik wil eigenlijk geen hele discussie, maar u mag nog een korte opmerking maken.

Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):
Ik zal niet alle argumentatie inclusief eigen rapporten van het wetenschappelijke bureau van de VVD erbij halen, maar de vraag is dan toch de volgende. De kern is dat ik weet dat het kan. Er zijn gemeentes die dit doen en die daarvoor maatwerk hebben, maar de motie roept op om dit te harmoniseren. Een van de dingen waar we het vaak over hebben binnen de Participatiewet is dat er grote verschillen tussen de gemeenten zijn. Mijn vraag is dan dus: waarom is de minister niet bereid om te kijken of dit gewoon geharmoniseerd kan worden?

Minister Aartsen:
Nogmaals, omdat je het volgens mij in individuele situaties kan doen op het moment dat er een waarschijnlijkheid is, maar het uitgangspunt van de Participatiewet is dat die een laatste vangnet is en niet bedoeld is om op elkaar stapelen, ook niet als de wens om samen te wonen er is.

De voorzitter:
We zijn bij de motie op stuk nr. 356.

Minister Aartsen:
De motie op stuk nr. 356 gaat over het inventariseren van knelpunten rondom de loonkostensubsidie. Die kan ik oordeel Kamer geven. Ik vind het sympathiek en het sluit aan bij het beleid dat we voeren.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 356: oordeel Kamer.

Minister Aartsen:
De motie op stuk nr. 357 moet ik ontraden. Ik snap waar de wens om een wettelijke definitie vandaan komt. We hebben dit onder andere bij het wetsvoorstel Wtta gezien. Alleen, op het moment dat je een wettelijke definitie vastlegt, beperk je ook gelijk de vormgeving van sociale werkbedrijven. De vraag is even wat we daar dan mee oplossen. Ik zou wel kunnen toezeggen dat we even kijken hoe we op een andere manier de problematiek die door beide heren wordt geschetst, kunnen adresseren. Ik zie namelijk wel het probleem dat het nog onvoldoende terugkomt in bepaalde wetgeving, maar we kunnen dat wat mij betreft niet oplossen met een definitie in de wet.

De voorzitter:
Hoe ziet "adresseren" er dan uit?

Minister Aartsen:
Dan zou ik 'm moeten ontraden.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 357 wordt dus ontraden.

De heer Flach (SGP):
Daar heb ik toch wel moeite mee. We hebben ongelukken gezien. Keer op keer zie je toch dat deze groep een specifieke plek in wetgeving inneemt en dat we dat iedere keer moeten herstellen op ad-hocbasis. De motie schrijft niet voor hoe die definitie eruit moet zien — ik zeg ook niet dat dat makkelijk is — maar gaat vooral om hoe je een definitie kan opnemen. De minister erkent het probleem, maar komt eigenlijk niet met een oplossing.

Minister Aartsen:
Mijn oplossing zou zijn dat we nog eens even gaan kijken hoe we dit probleem kunnen oplossen zonder een wettelijke verankering, omdat een wettelijke verankering een aantal nadelen kent. Ik zou dus willen onderzoeken hoe we dat op een andere manier kunnen organiseren. Ik zie het probleem dat de heer Flach schetst namelijk wel, maar de oplossing is dan niet wettelijke verankering, want daar kleven weer nadelen aan, zoals complexiteit.

De heer Flach (SGP):
Tot slot. Welke nadelen zijn dat dan? Want vanuit de sector wil men dit heel graag. Kan de minister iets zeggen over welke nadelen er zitten aan wettelijke verankering?

De voorzitter:
Meneer Flach, dat lijkt me nou een haakje om mee te nemen in de nog te adresseren uitwerking. Ik wil daar geen debat over voeren. De motie is ontraden. De minister geeft aan: ik wil er iets mee. Het hoe dan en het wat dan kan op een ander of later moment.

De heer Flach (SGP):
Ik snap uw interventie, maar dit is voor mij van belang om te bepalen hoe ik met die motie verderga.

De voorzitter:
Ja, oké. Minister, op welke andere manier komt u op dit onderwerp terug?

Minister Aartsen:
Volgens mij ga ik een oplossing voor u zoeken, mevrouw de voorzitter. Wij sturen voor de zomer sowieso nog een brief over de sociale ontwikkelbedrijven. Zal ik toezeggen dat ik dan nog even terugkom op dit specifieke punt? Kan de heer Flach tot die tijd zijn motie aanhouden?

De voorzitter:
Ik kijk naar de heer Flach. Hij knikt.

Op verzoek van de heer Flach stel ik voor zijn motie (34352, nr. 357) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Minister Aartsen:
De motie op stuk nr. 358 kan ik gemakshalve oordeel Kamer geven.

De voorzitter:
Oordeel Kamer. De motie op stuk nr. 359.

Minister Aartsen:
De motie op stuk nr. 359 kan ik ook oordeel Kamer geven. Dat moet lukken.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 359: oordeel Kamer.

Minister Aartsen:
De motie op stuk nr. 360: ook oordeel Kamer. Ik wijs er alleen wel op, om de verwachtingen een beetje te managen, dat we het potentieel van de praktijkroute niet te groot moeten maken. Er zitten ook nadelen aan. Het is een kostbare plek. Als je dat niet goed begrenst, heb je ook weer met andere issues vandoen. Daar moeten we dus voor oppassen. Ik kan wel verkennen hoe we dat potentieel kunnen gebruiken.

De voorzitter:
Met die uitleg krijgt de motie oordeel kamer. Mevrouw Biekman knikt. Dat was de motie op stuk nr. 360.

Minister Aartsen:
De motie op stuk nr. 361 kan ik ook oordeel Kamer geven. Het past in het beleid om te bekijken hoe we dit beter kunnen inzetten.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 361: oordeel kamer.

Minister Aartsen:
De motie op stuk nr. 362 kan ik ook oordeel Kamer geven. Ik ben blij dat de Kamer de, volgens mij, zeer technische briefing heeft gehad ten aanzien van de Wajongproblematiek en het garantiebudget. Het UWV en mijn ministerie doen er van alles aan om te bekijken hoe we deze problematiek kunnen oplossen. Het is dus fijn om dit steuntje in de rug te krijgen om te bekijken hoe we met dringende redenen veel meer maatwerk kunnen toepassen. Ik zal dit in overleg met het UWV verder oppakken.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 362: oordeel Kamer.

Minister Aartsen:
De motie op stuk nr. 363 moet ik ontraden. We zijn het eens met de richting, maar dit gaat niet lukken voor 2026/2027. Dit past ook wel in het beleid dat we gaan doen om te kijken of we de banenafspraak fundamenteel kunnen verbeteren. Door een aantal fundamentele knelpunten blijft het nu stokken. Als we daar goed om inzoomen, zien we dat dat te maken heeft met een paar knelpunten en met de doelgroep, waar mensen misschien wel of misschien niet onder vallen. Daar is dus nog wel een verbetering mogelijk. We hebben een enorme stap gemaakt, maar voor dat laatste setje vrees ik toch dat we iets anders moeten doen dan alleen maar het huidige beleid. Daarom heb ik in het commissiedebat ook gezegd dat we gaan bekijken hoe we omgaan met een nieuwe banenafspraak, of een nieuw vorm te geven banenafspraak. Daar zullen we uw Kamer over informeren.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Ik ga ook alleen maar in op het feit dat overheidssectoren hun afspraak zouden moeten nakomen. Ik vind het dus heel teleurstellend dat de minister zegt: we gaan het niet doen; we gaan een nieuwe afspraak maken. Maar ja, als je de eerste al niet nakomt, hoe kunnen we dan vertrouwen dat die volgende afspraak wel nagekomen wordt? Ik weet niet wat de minister daarbij voor ogen staat.

Minister Aartsen:
We kunnen blijven herhalen dat we afspraken moeten nakomen — en daar ben ik het mee eens — maar als je geen oog hebt voor waarom je die afspraken niet kunt nakomen ... Als je geen oog hebt voor evidente knelpunten, dan kunnen we met elkaar herhalen dat we die afspraken moeten nakomen, maar ik vind ook dat je oog moet hebben voor de knelpunten die er zijn. We zien dat de banenafspraak een mooi instrument is. Mevrouw Van Brenk heeft daar een aantal keer goede voorbeelden van aangereikt. In de gesprekken die ik voer, krijg ik ook terug dat er echt een aantal serieuze knelpunten zijn die ervoor zorgen dat het niet lukt om de volgende stap te maken. Ik kies dan voor de route om te kijken hoe we die knelpunten weg kunnen halen en wél een stap vooruit kunnen zetten.

De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Van Brenk.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Dan zou ik wel heel graag inzicht willen hebben in wat dan echt de knelpunten zijn waardoor het niet haalbaar is. Ik heb dat vertrouwen namelijk nog niet; de minister schijnbaar wel. Ik zou die knelpunten graag gedeeld willen zien met de Kamer.

Minister Aartsen:
Die komen uw kant op. Volgens mij zijn ze al met mij gedeeld, dus dan komen ze ook snel uw kant op.

De voorzitter:
Oké, dank u wel.

Minister Aartsen:
Overigens kan ik daarom de motie op stuk nr. 364 wel oordeel Kamer geven. Die past namelijk bij het beeld om dat goed in kaart te brengen. Ik ga u daar netjes over informeren.

De voorzitter:
Dank u wel.

Minister Aartsen:
Tot zover, voorzitter.

De voorzitter:
Daarmee zijn we aan het einde gekomen van dit tweeminutendebat Participatiewet.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:
We gaan hier aanstaande dinsdag over stemmen. Dan schors ik voor een enkel moment. Daarna gaan we door met een wetsbehandeling.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.