Wijziging van Boek 7 BW in verband met het invoeren van een rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van een uurtarief (36783) (ongecorrigeerd)
Stenogram
Nummer: 2026D18002, datum: 2026-04-15, bijgewerkt: 2026-04-16 09:26, versie: 2
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-04-15 10:40: Wijziging van Boek 7 BW in verband met het invoeren van een rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van een uurtarief (36783) (Plenair debat (wetgeving)), TK
Preview document (🔗 origineel)
Invoeren van een rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van een uurtarief
Invoeren van een rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van
een uurtarief
Aan de orde is de behandeling van:
het wetsvoorstel Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het invoeren van een rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van een uurtarief (36783).
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Ik vraag de leden om plaats te nemen. We zijn
iets uitgelopen, dus we gaan met gezwinde spoed van start. We bespreken
met elkaar de wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband
met het invoeren van een rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op
basis van een uurtarief. Dat is een wijziging van wet. We hebben
indicatieve spreektijden. Zoals gebruikelijk kunt u bij wetgeving
spreken zo u wenst. Dat geldt ook voor de interrupties, maar die zal ik
wel in de tijd bekorten. Zo hebben we een goed debat met elkaar.
Dit gezegd hebbende, heeft de heer Ceulemans voorafgaand een
opmerking?
De heer Ceulemans (JA21):
Voorzitter. Ik heb een ordepunt in de vorm van een informatieverzoek. We
gaan het dadelijk de hele middag hebben over een wet die zelfstandigen
beter zou moeten beschermen. Tegelijkertijd werden we vanochtend
geconfronteerd met berichtgeving over zzp'ers die zijn ingehuurd bij de
afhandeling van de toeslagenaffaire. Er is expliciet toegezegd dat zij
niet met naheffingen geconfronteerd zouden worden. Vanochtend lazen we
dat dat toch gaat gebeuren. Ik zou daarover een brief willen van het
kabinet, want ik zie ook in de media dat het ministerie zegt daar niet
op te kunnen reageren. Dat kan natuurlijk niet het antwoord zijn. Ik zou
dus graag een brief willen van het kabinet, waarin wordt ingegaan op
deze kwestie en op de vraag of dit klopt, waarom dit gedaan wordt, hoe
dit zich verhoudt tot eerder gedane toezeggingen, welke bedragen hiermee
gemoeid zijn en of de uurtarieven die in de artikelen worden genoemd
kloppen. Ik zou die brief het liefst vandaag, maar in ieder geval
morgen, ruim voorafgaand aan het tweeminutendebat Toeslagenaffaire,
ontvangen.
De voorzitter:
Ik geleid dit verzoek door naar het kabinet. Ik kan me zo voorstellen
dat het verzoek ook al is gehoord.
De heer Ceulemans (JA21):
Dit verzoek deed ik overigens mede namens de heer Boon.
De voorzitter:
Ja, duidelijk. Daarmee wil ik van start met het debat.
De algemene beraadslaging wordt geopend.
De voorzitter:
De eerste spreker is de heer Neijenhuis. Hij spreekt namens D66. Meneer
Neijenhuis, aan u het woord.
De heer Neijenhuis (D66):
Dank, voorzitter. Het kan wél: dat is niet alleen de verkiezingsslogan
van D66, maar ook de houding van het nieuwe kabinet richting zzp'ers. De
brief die minister Aartsen deze week met andere leden van het kabinet
verstuurde, is een verademing, kan ik wel zeggen. De ruim een miljoen
Nederlanders die als zzp'er werken en hun opdrachtgevers willen vooral
duidelijkheid van onze overheid. Wanneer kan je iets als zzp'er doen en
wanneer niet?
De afgelopen tijd was er, ondanks goedbedoelde publiekscampagnes, vooral
veel onduidelijkheid. Zzp'ers zelf zijn daarvan de dupe geworden. Er
gingen ineens deuren dicht voor zzp'ers bij organisaties uit angst voor
naheffingen of boetes, zonder dat daar een goed gesprek aan voorafging.
Dat terwijl voor elke schijnzelfstandige minstens vier of vijf echte
zzp'ers staan. Zij moeten vooral als zzp'er kunnen blijven werken.
Dat maakt dit kabinet mogelijk. We komen met de Zelfstandigenwet,
waarmee we ondernemers meer houvast en duidelijkheid geven, voor
zichzelf, voor de Belastingdienst en voor opdrachtgevers. We geven de
publiekscampagne rond zzp een nieuwe draai. De nadruk ligt niet langer
op zzp-schap en of dat eigenlijk wel mag, maar op het bieden van
handvatten aan zzp'ers en opdrachtgevers voor hoe ze zzp-schap wél
kunnen laten werken. Niet voor niets is de hoofdboodschap "zo kan zzp
wél". Die lijkt verdacht veel op onze verkiezingsslogan. Ik zal minister
Aartsen geruststellen: we zullen hem niet voor het gerecht dagen vanwege
schending van het auteursrecht. Daarvoor ben ik veel te blij dat het
kabinet deze koerswijziging heeft gemaakt.
Voorzitter. Het wetsvoorstel dat we vandaag behandelen, is een flinke
stap in de aanpak van schijnzelfstandigheid. Door het rechtsvermoeden
kunnen werkenden aan de basis van de arbeidsmarkt zelf een
arbeidsovereenkomst opeisen en daarmee alle bescherming die daarbij komt
kijken. Het is ook een belangrijk signaal aan de markt. Een opdracht aan
een zzp'er onder het uurtarief uitzetten kan zeker, maar geef de zzp'er
dan ook echt de ruimte om te ondernemen door hem zelf de uren te laten
bepalen, de ruimte te geven zichzelf te laten vervangen en hem te
betalen op factuurbasis. Kortom, een goed opeisbaar recht voor werkenden
en ook duidelijkheid richting werkgevers, duidelijkheid die hard nodig
is.
Schijnzelfstandigheid vindt weliswaar ook bij hogere inkomens plaats,
maar de gevolgen zijn het meest schrijnend voor kwetsbare werkenden die
onder het uurtarief vallen. Nog veel te vaak zie je die kwetsbare
werkenden in opgelegde zzp-constructies, waardoor ze de broodnodige
bescherming van het arbeidsrecht en sociale zekerheid missen. Het
gevolg? Geen pensioenopbouw, verlies van het gehele inkomen bij
arbeidsongeschiktheid en zomaar op straat staan als de baas je niet meer
nodig heeft. Schijnzelfstandigheid is ook oneerlijk voor veel werkgevers
die wel hun werknemers in dienst hebben en premies afdragen.
Deze maatregel gaat alleen goed werken als werkenden weten dat ze dat
rechtsvermoeden ook kunnen inroepen en goed inzicht hebben in hun
uurtarief. Hoe is de minister van plan de bekendheid met het
rechtsvermoeden te vergroten? Denkt de minister dat straks voor de
gehele doelgroep afdoende duidelijk is wat hun uurtarief is? Zo nee,
welke acties gaat hij ondernemen om dat beter inzichtelijk te maken? Hoe
gaat de minister om met het risico dat sommige opdrachtgevers het bewust
lastiger gaan maken om dat uurtarief te kunnen inschatten? Daarbij heb
ik zelf ook ideeën.
Vanwege de vele misstanden met arbeidsmigranten hebben vorige kabinetten
de toegang van kwetsbare werkenden tot de rechter makkelijker gemaakt.
Zo kunnen ze bij een speciale regelrechter terecht; geen deurwaarders,
papieren poeha of dure advocaten. Maar als ik de stukken lees, lijkt het
erop dat werkenden straks niet terechtkunnen bij die regelrechter voor
dit rechtsvermoeden. Klopt dit en, zo ja, is de minister bereid om dit
wel te regelen of op z'n minst een andere manier te bedenken om de gang
naar de rechter zo eenvoudig mogelijk te maken? Ik overweeg een motie
hierover in te dienen.
Kwetsbare situaties zien we ook bij het opstellen van de overeenkomst.
Steeds vaker zien we dat opdrachtgevers financiële risico's zoals
naheffingen contractueel bij de zzp'er proberen neer te leggen. Vaak is
dit juridisch niet eens toegestaan, maar het gebeurt toch. We horen vaak
van zzp'ers uit bijvoorbeeld de culturele sector dat zij de afgelopen
jaren steeds meer aan de lat zijn gaan staan voor allerlei
bedrijfsrisico's die voorheen gewoon bij de opdrachtgever lagen. Denk
bijvoorbeeld aan reiskosten voor een concert dat geannuleerd wordt. Maar
het gaat dus ook om naheffingen. Hoe voorkomt de minister dat
opdrachtgevers de financiële risico's rondom schijnzelfstandigheid op
zzp'ers proberen te verhalen via illegale contractuele bepalingen? Welke
consequenties staan hiertegenover?
Het initiatief bij dit rechtsvermoeden ligt bij de werkende zelf. Het
kabinet wil zo situaties voorkomen waarin organisaties tegen de wil van
de werkende in een beroep doen op dat rechtsvermoeden. Organisaties
mogen wel als vertegenwoordiger van de werkende het rechtsvermoeden
inroepen. Dat klinkt logisch maar het onderscheid is mij toch niet
volledig duidelijk. Kan de minister dat principe van vertegenwoordiger
verduidelijken? Gaat het erom dat de werkende het rechtsvermoeden eerst
zelfstandig moet inroepen, of kunnen pensioenfondsen of vakbonden
werkenden benaderen met het aanbod om namens hen het rechtsvermoeden in
te roepen?
Bij voorbaat dank aan de minister en de ambtenaren voor alle antwoorden.
Zoals gezegd, is D66 blij met de zzp-koers van dit nieuwe kabinet. We
bieden zelfstandigen rust en duidelijkheid en laten opdrachtgevers zien
hoe zzp wél kan. Dit voorstel is hierin een belangrijke stap. Wij kijken
ernaar uit om met uw Kamer verder te debatteren over het voorliggende
wetsvoorstel.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dat leidt nog tot een enkele vraag. Ik meen dat de heer
Flach als eerste aan de interruptiemicrofoon stond. De heer Flach.
De heer Flach (SGP):
Ja, voorzitter. Ik denk dat dit het minst omstreden deel is van de
Zelfstandigenwet. Ik denk wel dat het voor één groep tot problemen kan
leiden, en dat is denk ik de groep die ook D66 aan het hart gaat: de
jongeren die nog studeren. Zij kunnen op allerlei manieren aan het werk,
maar de geliefde vorm is als een soort zzp'er werkzaamheden uitvoeren
die heel wisselend zijn, voor een veel lager tarief dan die €38. Voor
die groep zou die €38 het einde betekenen van deze mogelijkheid. Ik kom
daar met een amendement voor. Kan de heer Neijenhuis zich voorstellen
dat hij daar positief naar kijkt?
De heer Neijenhuis (D66):
Ik zal sowieso constructief naar al uw voorstellen kijken, maar dat bent
u van mij gewend. Kijk, hier speelt wel dat juist de werknemer of
zelfstandige dat rechtsvermoeden kan inroepen als hij, op basis van de
werkzaamheden die hij doet, vindt dat hij toch een arbeidscontract zou
moeten krijgen omdat hij eigenlijk gewoon een werknemer is. Dus in de
situatie waar de heer Flach het over heeft, geldt: een werknemer die zou
zeggen dat hij juist niet als zelfstandige wil werken maar als
werknemer, kan dat rechtsvermoeden inroepen; werknemers die daar niet op
zitten te wachten, doen dat niet. Ik vind het ook wel de charme van deze
wet dat die bewijslast komt te liggen bij de werkgever, maar wel echt
alleen als de werknemer dit zelf inroept. Ik vind het daarom ook wel een
goede manier om om te gaan met situaties zoals die de heer Flach
aangeeft, ook voor jongeren.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van de heer Flach.
De heer Flach (SGP):
Voorzitter, ik laat het even bij dit antwoord omdat de heer Neijenhuis
mijn amendement uiteraard nog niet heeft gezien. Wellicht komen we er
later nog over te spreken. Dank voor het antwoord.
De heer Ergin (DENK):
Ik ben het met de heer Neijenhuis eens dat de nieuwe koers van de
regering een goede koers is, een koers waarbij je kijkt naar hoe we
zelfstandigen rust en duidelijkheid kunnen geven. Alleen, als we gewoon
naar dit wetsvoorstel kijken, een kwart wetsvoorstel met wat we
eigenlijk allemaal al wilden ... Ziet de heer Neijenhuis niet dat er
door dit wetsvoorstel juist ook onduidelijkheid en onrust gaan
ontstaan?
De heer Neijenhuis (D66):
Dat zie ik niet. Ik vind het juist een hele duidelijke wet. Je zegt: €38
is de grens; daaronder kun je een rechtsvermoeden inroepen en daarboven
niet. Inderdaad is er driekwart nu uit de wet gehaald. Ik vind dat
overigens verstandig, omdat dat wetsvoorstel — en daar waren we het
volgens mij ook over eens — juist heel veel onduidelijkheid opriep bij
zelfstandigen. We hebben ook vanuit D66 samen met andere partijen een
initiatiefvoorstel gedaan om dat beter te gaan doen, met meer toetsing
aan de voorkant. Alleen snap ik ook — en dat zal ik als iemand van een
van de partijen die dat voorstel mede hebben ingediend, meteen toegeven
— dat er nog heel wat haken en ogen en uitvoeringskwesties aan zitten om
dat echt goed te gaan regelen. Daarom vind ik het ook goed dat het
kabinet ermee aan de slag gaat en gaat kijken hoe we dat op een goede
manier kunnen regelen. Maar ik snap ook dat we dit wetsvoorstel,
waarover volgens mij ook wel consensus is dat we dit moeten gaan doen,
nu in ieder geval wel snel in werking moeten laten treden. De dingen
waar dan meer onduidelijkheid over is of die nog uitgewerkt moeten
worden, laten we dan aan het kabinet.
De voorzitter:
Vervolgvraag van de heer Ergin.
De heer Ergin (DENK):
Ik doel niet op wat de heer Neijenhuis zegt. Dat zou dit ook een heel
raar debat maken. Dan gaan we hier een debat voeren over een wet die
door de regering nog niet eens op papier is gezet — bij wijze van
spreken. Dat zou dus heel raar zijn. Waar het mij om gaat, is specifiek
dit wetsvoorstel, waarin een bepaald tarief wordt geregeld van €38, in
ieder geval voor het komende jaar, waardoor er heel veel discussies
zullen ontstaan in de rechtszaal. Want het grootste probleem is niet dat
zzp'ers niet meer als zelfstandigen door het leven willen gaan, maar dat
opdrachtgevers eigenlijk bang zijn voor boetes en naheffingen, en
opdrachtgevers daarom geen zelfstandigen meer in dienst willen nemen.
Als je dan hier tegen die opdrachtgevers gaat zeggen "alles onder die
€38 kan betekenen dat een zelfstandige achteraf kan inroepen dat hij
toch een medewerker was", maak je het toch juist onrustiger? Dat leidt
dan toch tot ingewikkelde discussies achteraf in de rechtszaal? Heeft de
heer Neijenhuis een idee van wat dat gaat doen met de onrust en
onduidelijkheid die op dit moment al heersen bij de zelfstandigen?
De heer Neijenhuis (D66):
Dit is natuurlijk een discussie die je eigenlijk ziet bij alle regels
die we hier vanuit deze Kamer zouden willen stellen om
schijnzelfstandigheid te voorkomen, hè: "Is het wel voldoende duidelijk
voor de mensen die er straks mee te maken gaan hebben?". Daarom begon ik
mijn bijdrage er ook mee dat ik het zo goed vind — dat is volgens mij
ook de koers die de heer Ergin zei te steunen — om vooral ook aan
werkgevers te communiceren wat er allemaal wél kan en welke handvatten
er zijn om het op een goede manier te regelen in plaats van vooral de
nadruk te leggen op wat er allemaal níét kan. Op die manier denk ik dat
we inderdaad die duidelijkheid gaan scheppen. De Zelfstandigenwet heeft
natuurlijk ook juist als doel om dat op een zo goed mogelijke manier te
gaan regelen, met meer toetsing aan de voorkant, zodat opdrachtgevers en
zzp'ers die duidelijkheid hebben. Alleen, dit wetsvoorstel zelf vind ik
juist een hele goede manier, omdat je merkt dat heel veel problemen die
we bij schijnzelfstandigheid zien toch vooral zitten bij mensen aan de
basis van de arbeidsmarkt, dus met een laag inkomen. Die mensen worden
eerder onder druk gezet om in een constructie te gaan werken die niet
voor hen bedoeld is. Ik vind het dan juist goed dat we nu ook een wet
hebben die zich specifiek richt op die groep in plaats van dat we doen
wat we in Den Haag al vaker hebben gezien, namelijk dat we dan een wet
gaan maken voor alle zzp'ers en op die manier ook de mensen die in
volledige vrijheid aan het ondernemen zijn, raken met wetgeving die
eigenlijk bedoeld is voor mensen die aan de basis van de arbeidsmarkt
staan.
De voorzitter:
Tot slot, meneer Ergin.
De heer Ergin (DENK):
Uitgerekend daar zien we dus dat de groep waar het om gaat eigenlijk
veel minder enthousiast is over dit wetsvoorstel dan de bredere groep
zelfstandigen. Je biedt namelijk natuurlijk het liefst van tevoren
duidelijkheid. Dat is natuurlijk het hele probleem bij zelfstandigen: er
is onduidelijkheid omdat er pas achteraf gekeken wordt of iemand wel of
geen zelfstandige was. Ik zou dus aan de heer Neijenhuis willen vragen
of het geen idee is — we kunnen het vandaag niet meer regelen, denk ik,
maar misschien kan het een doorontwikkelpunt bij dit wetsvoorstel zijn
of juist als onderdeel van de Zelfstandigenwet — om ook te gaan kijken
naar sectorale minimumtarieven. Daarmee bied je dan dus van tevoren
duidelijkheid en rust over de tarieven, zeker ook voor de onderkant van
de zelfstandigenmarkt, in plaats van dat je mensen de mogelijkheid geeft
om achteraf naar een rechtszaal te gaan, want dat gaat tot heel veel
stress, tot heel veel slapeloze nachten en natuurlijk ook tot heel veel
kosten leiden.
De heer Neijenhuis (D66):
Ik ben er zeker altijd toe bereid om te kijken of we kunnen komen tot
meer duidelijkheid. In het verleden heeft onze partij dat ook gedaan. Ik
ben zeker bereid om dat in de toekomst ook te gaan doen.
Hij vroeg mij ook specifiek naar sectorale minimumtarieven. Ik ga daar
geen eensluidend antwoord op geven in de trant van: dat gaan we sowieso
wel of niet doen. Alleen, ik maak me er dan ook zorgen over dat je dan
ook wel weer heel veel uitvoeringskwesties an sich erbij gaat krijgen,
want in welke sector val je dan precies? En als je dan van sector gaat
wisselen, heb je ineens een ander minimumtarief. Ik weet dus niet of dat
per se de oplossing gaat zijn.
De voorzitter:
Ik zag ook mevrouw Patijn nog staan. Zij heeft ook een vraag voor u.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Ik heb twee heel verschillende vragen. Ik ga proberen ze in drieën te
doen. We gaan kijken of dat kan.
De voorzitter:
We gaan luisteren.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
In eerste instantie over de reactie van de heer Neijenhuis op de vraag
van de heer Flach. Ik hoorde hem toen zeggen: als ze dat niet willen,
hoeven mensen daar geen beroep op te doen. Ik vermoed dat dit naar
aanleiding van het artikel in het FD was over platforms die jongeren,
vaak studenten, via die platforms verlonen tegen €19. Vervolgens gaan ze
bij de H&M broeken staan vouwen onder leiding en toezicht. Nou,
volgens mij valt dat onder de categorie schijnzelfstandigheid. Ik ben
benieuwd of de heer Neijenhuis dat nou een wenselijke situatie vindt. Er
geldt daarbij namelijk een soort van gevoel van keuzevrijheid voor de
werkende. Je hoeft je immers niet te beroepen op die arbeidsovereenkomst
en het is wel lekker dat je €19 krijgt. Of is hij ook van mening dat
hier toch eigenlijk juist wel door de Belastingdienst op gehandhaafd
moet worden, omdat andere elementen maken dat dit schijnzelfstandigheid
is?
De heer Neijenhuis (D66):
Ja, we moeten natuurlijk gewoon handhaven op voorbeelden waarbij er echt
sprake is van evidente schijnzelfstandigheid en waarbij mensen echt de
mazen van de wet aan het opzoeken zijn of over de grenzen heen gaan.
Alleen, we doen dat als het goed is op basis van wetgeving die ook veel
duidelijkheid aan de voorkant biedt over of een bepaalde constructie wel
of niet kan. Nou, daarom vind ik het heel goed dat het kabinet aan de
slag gaat met die Zelfstandigenwet, die dat moet gaan regelen. Daaronder
zit echter nog een heel grijs gebied. Daarvoor vind ik het een goede
oplossing om te zeggen: laten we het vooral ook aan de werknemer laten.
Die kan dan het recht inroepen om te zeggen: ik zou eigenlijk liever
niet als zzp'er werken, maar met een arbeidscontract. Dan laat je het
ook echt aan de werknemer, want er is gewoon ook echt grote diversiteit.
Je hebt mensen die inderdaad meer onder dwang zo'n zzp-schap accepteren,
maar je hebt ook mensen die vanuit volledige vrijheid graag willen
ondernemen en het juist heel fijn vinden.
De voorzitter:
Dan komen we nu op een heel ander onderwerp.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Nee, nog even hierover en dan nog één andere vraag. Het is echt
improviseren!
De voorzitter:
Maar ik help u wel even, mevrouw Patijn.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Hartelijk dank.
De voorzitter:
Een vervolgvraag op dit punt.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Ja, een vervolgvraag op dit punt. Die gaat over het voorbeeld dat ik net
noemde. Het is vrij concreet. Naar mijn idee valt dat in ieder geval nu
volledig onder schijnzelfstandigheid. Als de Belastingdienst gaat
handhaven, worden er, wellicht ook voor pensioenheffingen, naheffingen
opgelegd op die €19 bij de werknemer. Ik ben heel benieuwd wat u van dat
voorbeeld vindt. Vindt u dat wel of geen schijnzelfstandigheid? Acht u
deze studenten zelfstandig ondernemers, of zijn dit wel echte
werknemers? Is het uw bedoeling dat dat ook onder het begrip
"werknemers" valt?
De heer Neijenhuis (D66):
Ik zit even te zoeken naar een antwoord dat goed recht doet aan de vraag
van mevrouw Patijn. We bespreken hier een wet die de werknemer in de
positie stelt om een bepaald rechtsvermoeden in te roepen als het onder
een bepaald uurtarief zit. Dat vind ik heel goed, omdat je juist merkt
dat die kwetsbaarheid vaak zit bij mensen met een laag inkomen. Ik vind
het een beetje lastig om in te gaan op de voorbeelden die mevrouw Patijn
nu noemt, die ik ook niet helemaal goed ken. Als het echt evidente
schijnzelfstandigheid is, waarbij iemand echt de grenzen van de wet
overgaat, moet je natuurlijk gaan handhaven. Daar is nu de Wet DBA voor
en we gaan er als het goed is ook de Zelfstandigenwet voor hebben, die
ook meer duidelijkheid aan de voorkant biedt. Op die manier kunnen we
handhaven tegen de mensen die belasting ontwijken door als zzp'er te
werken, terwijl ze dat in hun werkzaamheden eigenlijk niet zijn.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Dan stel ik mijn ingewikkelde vraag in de tweede termijn. Ik wil op dit
punt namelijk toch nog één keer doorvragen. Ik heb behoefte om het
gevoel te krijgen … We hebben een enorme knip in de wet gekregen.
Driekwart van de wet is gesloopt of weggeknipt. Er is nog een stukje
overgebleven, en dat behandelen we vandaag. Er wordt gesproken over "wat
moet, dat moet". Daar heeft u ook al vol vuur over gesproken en gezegd
dat er veel meer keuzevrijheid moet komen. Deze keuze wilt u niet eens
kwalificeren als een die in die keuzevrijheid moet zitten. Dan ga ik hem
anders noemen. Neem een arbeidsmigrant die in een slachterij werkt,
verloond wordt als zelfstandige en €19 krijgt. Het is precies hetzelfde
platform waar hij in die slachterij door uitgeleend wordt. Is diegene
straks wat u betreft volgens de nieuwe wetgeving wel of geen
zelfstandige? Of is er straks helemaal geen bescherming of controle door
de Belastingdienst meer op dit soort situaties?
De heer Neijenhuis (D66):
Als het gaat om deze voorbeelden, stelt mevrouw Patijn het extreem.
Juist in die extreme gevallen waarin iemand voor één opdrachtgever werkt
met nul invloed op zijn eigen roostering en dus eigenlijk een gewone
werknemer is, moet daar natuurlijk publieke handhaving op komen. Dat is
evident. Maar we hebben dit soort wetten omdat zzp'ers er in alle
soorten en maten zijn en je ook op een goede manier met dat hele gebied
ertussen moet omgaan en keuzevrijheid moet bieden aan de mensen die uit
volle vrijheid willen ondernemen, maar ook omdat je moet kunnen
handhaven en ingrijpen op het moment dat iemand onder druk wordt gezet
om zzp'er te worden.
De voorzitter:
Tot zover de bijdrage van de heer Neijenhuis. Dan gaan we luisteren naar
mevrouw Van Ark voor haar bijdrage bij de behandeling van dit
wetsvoorstel. Zij spreekt namens het CDA. Gaat uw gang.
Mevrouw Van Ark (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Voor steeds meer jongeren lonkte de afgelopen
jaren het zzp-schap. Denk aan jongeren van 16 of 17 jaar in de bouw die
vers van hun opleiding op het mbo tot een aantal jaren geleden voor
zichzelf de beste keuze erin zagen of geen andere keuze hadden dan om
als zzp'er aan de slag te gaan. Dat deden ze dan tegen een laag tarief,
week in, week uit op dezelfde plek, met werk dat gewoon meedraaide in de
organisatie. Ondertussen bouwden ze, soms onbewust, geen pensioen op. Ze
waren niet verzekerd zoals werknemers dat zijn en ze hadden geen geld om
te sparen voor een eigen woning. Juist voor deze werkenden is dit
wetsvoorstel bedoeld.
De memorie van toelichting zegt daar ook iets belangrijks over. Aan de
basis van de arbeidsmarkt is er vaak weinig ruimte om in het tarief
kosten voor ziekte, arbeidsongeschiktheid, vakantie en
pensioenreservering mee te nemen. Dat ben je in de praktijk al snel
prijsnemer in plaats van een echte ondernemer. Daarom kijkt het CDA
positief naar dit wetsvoorstel. Dat is niet omdat elk zzp-schap verdacht
zou zijn, maar omdat het belangrijk is om mensen te beschermen die wel
werken, maar te weinig bescherming hebben, en omdat een eerlijke
arbeidsmarkt in het belang is van de ondernemer die het goed doet. De
zelfstandige die voor eigen rekening en risico werkt en de werkgever die
mensen netjes in dienst neemt, horen niet op achterstand te staan ten
opzichte van constructies die vooral goedkoper zijn omdat risico's
worden afgewenteld. De memorie van toelichting noemt dat ook
nadrukkelijk een kwestie van "bescherming" en "een gelijker speelveld
tussen contractvormen".
Het is wel belangrijk om precies te blijven over wat hier vandaag
voorligt. Dit is niet meer de brede Vbar. Na de nota van wijziging is
het verduidelijkingsdeel geschrapt en behandelen we alleen nog het
rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van een uurtarief. Het
kabinet noemt dit zelf een eerste stap, gericht op werkenden aan de
basis van de arbeidsmarkt, en wil daarna door met de Zelfstandigenwet.
Voor het CDA helpt het dan ook om concreet te maken over wie het hier
gaat. Als je het SEO-onderzoek erbij pakt, zie je dat zzp'ers met
zakelijke opdrachtgevers in lagere tariefgroepen vaker kenmerken van
werknemerschap laten zien, terwijl in hogere tariefgroepen vaker
kenmerken van zelfstandig ondernemerschap zichtbaar zijn. SEO noemt
daarbij vooral groot- en detailhandel, kunst, creatieve industrie, bouw
en niet-specialistische zakelijke dienstverlening. Dat maakt voor mijn
fractie de betekenis van dit voorstel inzichtelijk. We hebben het niet
over dé zzp'er in algemene zin. We hebben het over een specifieke groep
werkenden met zakelijke opdrachtgevers in lagere tariefgroepen, bij wie
afhankelijkheid, organisatorische inbedding en beperkte
onderhandelingsruimte vaker voorkomen. De minister hoeft die vraag dus
niet alleen abstract te beantwoorden; er ligt behoorlijk wat informatie.
Ik hoor daarom graag of hij deze afbakening herkent en of hij zelf ook
verwacht dat de praktische werking zich vooral in deze sectoren zal
voordoen.
Voorzitter. Juist omdat dit zo'n gerichte maatregel is, moet de wet in
de praktijk ook echt bruikbaar zijn. Het rechtsvermoeden is en blijft
een civielrechtelijk instrument. De Belastingdienst voert dus geen
controles uit en werknemers zullen zelf naar de rechter moeten stappen
bij het vermoeden dat ze eigenlijk werknemer zijn. De Raad van State
heeft daarbij terecht gezegd dat de stap naar de rechter voor veel
werkenden groot blijft en dat je dus geen grootse verwachtingen moet
hebben van het feitelijke gebruik. Het CDA heeft zelf ook meer
verwachtingen van het punt dat het kabinet er ook bij maakt: werkgevers
zullen gewoon zelf beter gaan toetsen of zzp'ers die rond dit uurtarief
zitten, wel echte zzp'ers zijn. De wet heeft in die zin dus een
preventief effect. Daar zit volgens ons de winst.
Voor het CDA zit daar wel een heel praktische vraag onder. Als dit
wetsvoorstel vooral moet helpen voordat het misgaat, hoe zorgt de
minister dan dat niet alleen de werkgevers, maar ook de werkenden weten
wat hun rechten zijn en wat de risico's zijn? Hoe worden vakbonden,
rechtsbijstand en andere vormen van ondersteuning daarbij
betrokken?
Daarnaast wil mijn fractie ook graag weten wat deze wet betekent voor
zelfstandigen die niet op basis van een uurtarief werken, maar op basis
van een totaalbedrag of een bedrag per product, of die zoals vertalers
per woord betaald krijgen in plaats van per uur.
Niet alleen de werknemers, maar ook de werkgevers zullen veel behoefte
hebben aan duidelijke communicatie over dit rechtsvermoeden. Zeker
mkb-bedrijven zullen meer behoefte hebben aan die informatie. Hoe zorgt
de minister ervoor dat ondernemers straks duidelijkheid hebben? Kan
iemand straks bijvoorbeeld nog onder die uurnorm als zzp'er aan de slag?
Durft een opdrachtgever dat nog aan?
Een tweede punt is dat de grens zelf gedrag zal oproepen; dat zie je bij
elke tariefgrens. Wat gebeurt er als tarieven net boven die grens worden
vastgesteld, of als er met andere prijsafspraken wordt gewerkt, terwijl
de feitelijke afhankelijkheid hetzelfde blijft? De SEO-studie laat
bovendien zien dat er geen hard kantelpunt is, maar eerder een
doorlopende lijn. Hoe lager het tarief, hoe vaker indicaties van
werknemerschap voorkomen. Dat maakt het des te belangrijker dat de
minister ook zegt hoe hij met ontwijking en die grijze gebieden wil
omgaan. Graag een reactie daarop.
Voorzitter. Voor het CDA hoort daar nog iets bij: de ondernemer die het
goed wil doen, heeft ook belang bij snelheid en duidelijkheid. Daar hoor
ik bijvoorbeeld ook Bouwend Nederland over. Ze zijn enthousiast over
deze wet, maar willen ook zo snel mogelijk de Zelfstandigenwet. Die is
niet alleen van belang voor zelfstandigen, maar ook voor opdrachtgevers
die vooraf willen weten wanneer iemand als zzp'er kan werken en welke
verantwoordelijkheden daar dan bij horen. Ik hoor daarom graag wanneer
de Kamer dat tijdpad echt krijgt en hoe sociale partners daarbij worden
betrokken.
De voorzitter:
Ik dacht: ik laat u even uw betoog afmaken.
Mevrouw Van Ark (CDA):
Mag dat? Ik ben bijna klaar.
De voorzitter:
Dat idee had ik ook. Dan kom ik daarna bij de vragen van de
collega's.
Mevrouw Van Ark (CDA):
Ja.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.
Mevrouw Van Ark (CDA):
Dat klemt extra omdat het kabinet uitgaat van publicatie op 31 augustus
zonder overgangsrecht, mits uitvoerbaar. In de nota naar aanleiding van
het verslag staat ook nog de druk van het Herstel- en Veerkrachtplan. Ik
begrijp die druk, maar die mag niet in de plaats komen van een goede en
zorgvuldige invoering. Daarom wil mijn fractie van de minister weten hoe
hij vaststelt dat communicatie, uitvoering en rechtspraktijk er ook echt
klaar voor zijn en hoe dit geëvalueerd wordt.
Voorzitter. Het CDA ziet dit wetsvoorstel dus als een gerichte stap die
twee dingen tegelijkertijd doet: het geeft meer bescherming aan
werkenden, die deze nu te weinig hebben, en het helpt bij een eerlijke
arbeidsmarkt, waarin echte zelfstandigen en nette werkgevers niet langer
concurreren met constructies die vooral goedkoper zijn omdat de risico's
bij de werkenden worden neergelegd.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dat leidt tot een enkele vraag.
De heer Flach (SGP):
Ik hoor in het betoog van mevrouw Van Ark een zoektocht naar
zorgvuldigheid, naar een balans tussen bescherming en vrijheid. Op
zichzelf is er niet heel veel discussie over het rechtsvermoeden. Er is
alleen één groep waar de SGP zich wel wat zorgen over maakt, namelijk de
groep tot 21 jaar. Dat is eigenlijk in lijn met de vraag die ik eerder
heb gesteld. We hebben nu voor hen een ander minimumloon, een
jeugdminimumloon. Is het dan niet heel lastig om jongeren van een jaar
of 17 of 18 die studeren en op zzp-basis allerlei losse klussen aannemen
omdat ze dat gewoon leuk vinden, om ervaring op te doen en verschillende
dingen te doen, voor €38 te laten werken? Ziet mevrouw Van Ark daar ook
een discrepantie in?
Mevrouw Van Ark (CDA):
Niet helemaal. Deze wet laat zien — daarom heb ik daarover ook een vraag
aan de minister gesteld — dat het nu niet zo is dat je alleen als
zelfstandige kunt werken boven de €38. Je kunt ook voor minder dan die
€38 blijven werken, maar dat heeft te maken met de grens. We hebben nu
wel een grens met elkaar vastgesteld in deze wet. Onder dat bedrag kan
een werknemer of zzp'er het rechtsvermoeden inroepen. Ik zie niet zozeer
het gevaar dat u ziet dat men dan niet meer kan werken op de manier
waarop dat nu gebeurt.
Tegelijkertijd zijn wij ook wel kritisch op het volgende. Is een 17- of
18-jarige die een bijbaan heeft nou een echte zzp'er? Gaat dat ook niet
ten koste van de echte zzp'ers over wie we het hier hebben? U en ik zijn
er denk ik heel blij mee dat we die ook gewoon moeten kunnen hebben in
dit land. Daar moeten we ook gewoon een goede wet voor maken. Wij zijn
hier best wel kritisch op, moet ik eerlijk zeggen. We hebben het vorige
week natuurlijk ook nog over de Flexwet gehad. We hebben juist ook een
uitzondering gemaakt voor jonge mensen om nog op een nulurencontract te
kunnen blijven werken. Dat is ook nog een contractvorm. Dan ben je
gewoon in dienst bij een werkgever. Je hebt ook nog uitzendwerk. Ik denk
dus wel dat we kritisch moeten zijn met elkaar, juist ook om die
zelfstandige vorm echt te behouden. We kunnen ook kritisch zijn op de
vormen waarvan we eigenlijk zeggen: zijn dit nou echt zelfstandigen?
Nou, op die manier kijkt het CDA daarnaar.
De voorzitter:
Er is een vervolgvraag van de heer Flach.
De heer Flach (SGP):
Ik heb van dichtbij gezien hoe aantrekkelijk dit is voor jongeren, ook
aan de keukentafel bij ons thuis. Ze doen ervaring op als zelfstandigen.
Ze moeten zelfs btw-aangifte doen enzovoorts. Het is dus echt heel
nuttig voor jongeren. Het meest aantrekkelijke is dat ze per week van
baantje naar baantje kunnen hoppen. Dat maakt het zo aantrekkelijk. Ik
denk dus niet dat we het hoeven te hebben over de vraag of daar behoefte
aan is. Het gaat mij meer om de volgende vraag. Tot nu toe hebben we het
wel zo geregeld dat er een wettelijk minimumloon is en een
jeugdminimumloon. Dat onderscheid is er nu, maar dat onderscheid maken
we niet bij het tarief voor het rechtsvermoeden. Zou het niet logisch
zijn om daarbij aan te sluiten?
Mevrouw Van Ark (CDA):
Ik snap de vraag, maar ik kan me ook wel heel goed voorstellen dat,
juist als daar twijfel over is en je als werknemer of zzp'er naar de
rechter stapt met het rechtsvermoeden, die daar absoluut naar gaat
kijken. Ik neem aan dat er echt wel anders wordt gekeken naar iemand die
50-plus is en voor €38 per uur gaat werken dan naar een 15-jarige die
voor een veel lager bedrag werkt. Ik kan me niet anders voorstellen dan
dat daar een verschil in ontstaat.
Tegelijkertijd — ik herhaal dan wel een beetje wat ik net zei — denk ik
echt wel dat we kritisch moeten zijn op dit soort vormen, die eigenlijk
de afgelopen jaren zijn ontstaan. Het zijn een soort platforms voor
jongeren, die misschien niet echt zzp'er zijn. Dat moet ook ter
bescherming van de echte zzp'er.
De voorzitter:
Tot slot, meneer Flach.
De heer Flach (SGP):
Over de inhoud kunnen we op een ander moment wel een keer een discussie
voeren, maar het gaat mij toch even over de kant van de werkgever.
Natuurlijk kan de werknemer het rechtsvermoeden inroepen, maar de
werkgever zit in die zin wel in onzekerheid. Stel dat iemand zegt: ja
hoor, ik wil wel als zzp'er voor €19 werken en ik ga heus dat
rechtsvermoeden niet inroepen. Stel dat hij er een aantal maanden werkt
— dat gaat in goed vertrouwen — en hij doet dat dan wél. Dan heeft hij
onder die wet de ruimte tot die €38 en dan kan hij zeggen: ik zit nog
maar op de helft. De SGP denkt dat je door een staffel in te bouwen per
leeftijd — dat zou bij AMvB kunnen — die werkgevers meer comfort kunt
bieden om juist ook jonge mensen een kans te geven om als zzp'er te
starten.
Mevrouw Van Ark (CDA):
Ik denk dat het belangrijkste hier is dat je als zzp'er moet kunnen
werken als je echt zzp'er bent. U geeft aan dat ondernemers straks
mogelijk onduidelijkheid hebben over het aannemen van mensen. Ik denk
dat mensen daar überhaupt misschien onduidelijkheid over hebben. Ik denk
dat we daar ook veel aandacht aan moeten geven om ervoor te zorgen dat
ook de werkgevers het heel duidelijk hebben op basis van deze wet. Het
moet niet tot nieuwe onduidelijkheid gaan leiden. De werkgevers moeten
straks duidelijkheid hebben over de vraag wanneer ze iemand kunnen
aannemen en wanneer ze iemand als zzp'er aan de slag kunnen laten gaan
in hun bedrijf.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Ik hoorde mevrouw Van Ark wel refereren aan sociale partners, maar
volgens mij was deze oorspronkelijke wet, de Vbar, onderdeel van een
totaal MLT-advies. Ik ken het CDA als een omarmer van de polder. Voelt
het nou comfortabel dat er op deze manier, vrij fundamenteel, gesneden
is in een advies van de SER?
Mevrouw Van Ark (CDA):
Ik denk dat we de afgelopen tijd goed geluisterd hebben. Er was heel
veel onrust rondom die Vbar. Daarom ben ik blij dat we nu in ieder geval
het deel rechtsvermoeden, waar we het vandaag met elkaar over hebben, er
vast uit halen. Daar is eigenlijk best wel veel tevredenheid over. De
volgende stap is de Zelfstandigenwet. Daar gaan we straks natuurlijk in
de Kamer nog helemaal over in gesprek. Die moet ook nog naar de Kamer
komen. Ik kan dus nog niet echt duidelijk antwoord geven op uw
vraag.
Ik wil daarbij wel zeggen dat het voor het CDA altijd belangrijk is
geweest dat mensen die in dienst willen, ook gewoon in dienst kunnen.
Het arbeidsrecht zoals we dat nu hebben, geeft mensen de zekerheid van
een arbeidsovereenkomst. Heel veel mensen willen gewoon in dienst. Dat
moet voorop blijven staan. Tegelijkertijd willen we ook de onzekerheid
voor zelfstandigen wegnemen. Dat staat voor ons voorop, en
tegelijkertijd willen we aan schijnzelfstandigheid werken. Dat zijn
eigenlijk drie dingen die we tegelijkertijd willen regelen. Je ziet nu
dat er heel veel ontdoken wordt, waarbij mensen die eigenlijk gewoon
werknemer hadden moeten worden, nu als zelfstandige worden ingezet. Ik
denk dat u en ik dat heel erg kunnen ondersteunen.
De voorzitter:
Mevrouw Patijn, een vervolgvraag.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Klopt het dan dat ik mevrouw Van Ark het volgende hoor zeggen? "Je moet
niet in een Zelfstandigenwet aan dat ontslagrecht komen. Je moet niet
boek 7 helemaal omgooien en gaan sleutelen aan artikel 690, de
rechtsbescherming van de werknemer." Het is een wetsbehandeling, dus ik
moet af en toe een wet noemen. Hoor ik dat mevrouw Van Ark zeggen?
Mevrouw Van Ark (CDA):
Mevrouw Patijn hoort mij zeggen dat wij daar heel zorgvuldig naar gaan
kijken. Wat mij betreft moet dit ook op een heel zorgvuldige manier
worden ingevoerd. Ik weet dat de minister hier haast bij heeft. Ik denk
dat wij ook als Kamer enige haast hebben. Tegelijkertijd mag dat niet
ten koste gaan van de zorgvuldigheid, ook rondom het arbeidsrecht, zoals
u ook aangeeft, juist omdat ook het CDA wil dat ook de werkenden hun
positie niet verliezen. Eigenlijk willen heel veel mensen gewoon in
dienst, omdat dit allerlei voordelen heeft. Je blijft gewoon pensioen
opbouwen, en mensen willen uiteindelijk ook een huis kunnen kopen. We
zien heel veel schijnzelfstandigheid. Voor ons is het heel belangrijk om
dit proces zorgvuldig met elkaar te doen.
De voorzitter:
Mevrouw Patijn, tot slot.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Dan concludeer ik toch — ik hoop dat het niet zo is — dat mevrouw Van
Ark zegt: wij zijn wel bereid te kijken naar het dwingend recht van
artikel 690, de ontslagbescherming van werknemers, om zekerheid te geven
aan zelfstandigheden, omdat wij dat belangrijker vinden dan de
ontslagbescherming.
Mevrouw Van Ark (CDA):
Ik kan daarover het volgende zeggen. Volgens ons beschermt het
arbeidsrecht mensen. Het arbeidsrecht moeten we ook koesteren. Dat hoort
u mij zeggen en dat staat voor ons voorop.
De voorzitter:
Daarmee bent u aan het einde gekomen van uw bijdrage?
Mevrouw Van Ark (CDA):
Ja.
De voorzitter:
Dan gaan we luisteren naar de bijdrage van de heer Kisteman. Ik nodig
hem uit hiernaartoe te komen. De heer Kisteman spreekt namens de VVD.
Aan u het woord.
De heer Kisteman (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Allereerst over het bericht dat vanochtend naar
buiten kwam over zzp'ers die onnodig in de problemen komen. Wat mijn
fractie betreft moeten de betrokken partijen snel met elkaar in gesprek
gaan over de ontstane situatie. De overheid moet dit oplossen. Mijn
fractie is dan ook zeer benieuwd naar de reactie van de
staatssecretaris, die daarover vandaag of morgen met een brief zal
komen. Zzp'ers mogen wat mijn fractie betreft hier niet de dupe van
zijn.
Voorzitter. Dan naar dit debat. Onze ondernemers zijn de motor van onze
economie. Zonder hen staat Nederland stil. Ze innoveren, nemen risico's
en zorgen ervoor dat bedrijven kunnen groeien en meebewegen met wat de
markt vraagt. De ene ondernemer kiest er dadelijk voor om personeel in
dienst te nemen en de andere besluit om dat niet te doen. Dat maakt de
een niet beter of belangrijker dan de ander. We hebben ze allemaal
keihard nodig.
De voorzitter:
Meneer Ergin, u komt aan de start al met een interruptie voor de heer
Kisteman?
De heer Ergin (DENK):
Ja. Dat komt door de inleiding van de heer Kisteman. Ik probeer altijd,
zeker als het gaat om de heer Kisteman, pas aan het eind van een betoog
een interruptie te plegen, maar ik hoor de heer Kisteman vragen stellen
aan de minister. Wat vindt de heer Kisteman van het feit dat de overheid
aan zelfstandigen heeft gevraagd "help ons om gedupeerde mensen te
helpen", en vervolgens die zelfstandigen zelf aan het duperen is? Wat
vindt de VVD daarvan?
De heer Kisteman (VVD):
Volgens mij zei ik al dat wij zeggen: ga als betrokken partijen
überhaupt met elkaar in gesprek hierover. Als ik het goed heb begrepen,
zitten ze zelfs onder één dak, dus dat moet niet heel erg moeilijk zijn.
Als je hier afspraken over maakt, kan het niet zo zijn dat je de zzp'ers
vervolgens in de kou laat staan.
De heer Ergin (DENK):
Dat de betrokken partijen met elkaar in gesprek gaan, willen we
natuurlijk in vrijwel alle gevallen. Wat ik mis, is een afkeuring van
deze handelswijze. Ik zou graag aan de VVD, aan de heer Kisteman, willen
vragen om deze handelswijze af te keuren. Het kan toch niet zo zijn dat
dat ene loket van deze regering, van de Rijksoverheid, a zegt, maar
vervolgens b doet en daarmee op de dag zelf deze uitkomst als een bom
buiten dropt, terwijl wij hier allemaal ons best doen om zelfstandigen
rust en kalmte te geven? Dat handelen van de overheid verdient toch op
z'n minst een afkeuring van de VVD?
De heer Kisteman (VVD):
Volgens mij zei ik: ga in gesprek en los het op. Dus niet alleen "ga in
gesprek en laat het daarbij", maar "ga in gesprek en los het ook op".
Daarnaast zijn wij benieuwd naar de brief en de reactie hierop. Wat is
hier nou precies ontstaan en hoe kan dit nou? Nogmaals, de zzp'ers mogen
hier in ieder geval niet de dupe van worden.
De voorzitter:
Tot slot de heer Ergin.
De heer Ergin (DENK):
Dat begrijp ik allemaal en die vraag ga ik ook aan de minister stellen.
Maar ik stel nu een vraag aan de VVD, aan de heer Kisteman. Keurt de
heer Kisteman deze werkwijze, deze handelswijze door de overheid, af,
waarbij zelfstandigen die gedupeerde ouders helpen, zelf de dupe
worden?
De heer Kisteman (VVD):
Je kunt tegen zzp'ers niet eerst het ene zeggen en vervolgens het
andere. Daarom zeggen wij: zoek naar een oplossing; kom hier samen uit,
maar laat niet die zzp'ers hier de dupe van worden.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.
De heer Kisteman (VVD):
Voorzitter. Ik was nog met mijn introductie bezig. Sterker nog, juist
zzp'ers zorgen voor flexibiliteit, brengen specialistische kennis mee en
springen bij waar nodig. Zij kiezen bewust voor vrijheid en
zelfstandigheid. Zij kiezen er bewust voor geen werknemers in dienst te
willen hebben. Zo kan zzp wél; het werd al een keer gezegd. Deze
boodschap stuurde de minister vorige week naar de Kamer en, nog veel
belangrijker, naar de zzp'ers in Nederland. Een duidelijk signaal waarom
zzp'ers ontzettend belangrijk zijn en waarom wij hen moeten koesteren.
Mijn fractie is dan ook ontzettend blij met de snelheid waarmee deze
minister te werk gaat. Hoe mooi moet het zijn dat je als Tweede Kamerlid
zelf ergens aan begint, en dat vervolgens als bewindspersoon mag
afmaken? Ik wil de minister dan ook aanmoedigen dit tempo erin te
houden, en dan niet alleen als het gaat om zzp-voorstellen, maar bij
alle voorstellen die het voor ondernemers in Nederland weer een beetje
makkelijker kunnen maken.
Voorzitter. Ik heb nog een aantal vragen. Onder de zzp'ers zit een groep
werkenden die al met pensioen zijn. Ze zijn echter nog ontzettend fit,
staan midden in de samenleving en werken daarom graag nog even door. Ze
springen in het busje van de bakker als er een spoedbezorging nodig is,
gaan aan de slag als er iemand ziek uitvalt en de klus toch moet worden
gedaan, of helpen in het verzorgingstehuis als de bezetting in de
vakantieperiodes iets minder is. Deze mensen zijn onmisbaar voor het mkb
en dragen enorm veel bij aan de continuïteit van onze ondernemers. Bij
deze groep zijn veel twijfels of zij nu wel of niet door kunnen. Als ik
het goed heb, kunnen zij dit werk gewoon blijven doen, mits zij voldoen
aan de criteria uit het Deliveroo-arrest en het Uber-arrest. Kan de
minister bevestigen dat dit klopt en wil hij deze groep dan ook meenemen
in zijn communicatiecampagne Zo kan zzp wél?
De heer Flach (SGP):
Mooi hoe de heer Kisteman uit eigen ervaring beschrijft hoe belangrijk
een bepaalde groep in de samenleving is, die we een beetje moeten zien
als de smeerolie binnen werkend Nederland. Die laten zich niet vangen in
constructies als loon- of uitzendwerk. Die hebben dit soort constructies
nodig. Daarom heb ik ook bij twee collega's eerder al gesproken over een
groep jongeren waar dat voor geldt. Dat zijn jongeren die als
zelfstandige werken en voor heel korte periodes van bedrijf naar bedrijf
gaan. Kan de heer Kisteman zich voorstellen dat je in de wet ook voor
die groep bepaalde uitzonderingen zou moeten maken?
De heer Kisteman (VVD):
Ik heb het amendement van de heer Flach net snel gelezen. Ik denk twee
dingen. Eén is dat wij er geen voorstander van zijn om in wetten weer
allemaal uitzonderingen te gaan maken. Het verleden heeft volgens mij
vaak genoeg laten zien dat een wet daar niet altijd beter van wordt. Ten
tweede denk ik dat het voorstel van de heer Flach heel sympathiek
klinkt, maar in principe is het voor jongeren gewoon al geregeld, als
zij niet het werknemerschap claimen. Als zij gewoon blijven werken zoals
zij nu doen, dan is er niets aan de hand en lijkt het amendement mij
enigszins overbodig.
De heer Flach (SGP):
Dat is zo ongeveer het ergste wat je kunt zeggen: "Het lijkt een
sympathiek amendement, maar ...". Maar om even in te gaan op wat de heer
Kisteman zei: dat zou natuurlijk gelden op het moment dat er sprake is
van goede harmonie en zo'n jongere niet het rechtsvermoeden inroept.
Maar je zult daar vier maanden werken. Je hebt die €19 afgesproken. Dat
gaat allemaal goed. Er ontstaat een conflict. Zo'n jongere stapt naar de
rechter en zegt: "Ja, €19. Ik roep het rechtsvermoeden in. Er is geen
uitzondering voor, dus ik ben als schijnzelfstandige gebruikt." Kan de
heer Kisteman zich voorstellen dat dat werkgevers heel huiverig maakt om
op die basis mensen aan te nemen? Aan de kant van de werknemers snap ik
het. Die kunnen gewoon op die manier blijven werken, zolang ze het
rechtsvermoeden niet inroepen. Maar aan de kant van de werkgevers is er
wel een enorm risico.
De heer Kisteman (VVD):
Dat is duidelijk. Daar stel ik verderop in mijn spreektekst ook nog
vragen over aan de minister: wat kun je hier nou doen om bepaalde
risico's bij de ondernemers weg te nemen? Dat geldt ook voor dit geval,
maar de opdracht om de bewijslast aan te dragen, ligt straks bij de
ondernemers. Ik denk dat heel duidelijk in beeld is gebracht wat wel en
niet kan. Volgens mij moet de duidelijkheid voor ondernemers op die
manier wel aanwezig zijn.
De voorzitter:
Meneer Van Houwelingen, ook op dit punt?
De heer Van Houwelingen (FVD):
Ja, enigszins aanvullend, want daar maken wij ons ook zorgen over. Wat
je er ook van zegt, het rechtsvermoeden dat nu wordt geïntroduceerd,
tornt natuurlijk aan de contractvrijheid tussen zzp'er en werkgever,
want dat is waar we het eigenlijk over hebben. Je zou verwachten dat de
VVD als liberale partij daar haar bedenkingen bij heeft, maar dat is dus
niet het geval.
De heer Kisteman (VVD):
Ik begrijp de vraag niet helemaal die meneer Van Houwelingen stelt.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Aanvullend op de vraag van de heer Flach. Stel dat zo'n jongere zegt:
"Maakt u zich maar geen zorgen, werkgever. Ik wil niet in dienst bij u.
Ik wil gewoon zzp'er zijn." Dat kan nu niet meer, omdat hij altijd het
recht heeft om het rechtsvermoeden in te roepen dat we met deze wet
introduceren. Die contractvrijheid is er dus niet meer. Dat is heel
duidelijk, toch?
De heer Kisteman (VVD):
Daarom zijn er ook de eisen waaraan je als zzp'er moet voldoen om bij
een opdrachtgever in dienst te kunnen gaan. Als de opdrachtgever
andersom denkt "op deze manier is het gewoon een verkapte werknemer",
dan moet de werkgever heel goed nadenken of hij deze werknemer of zzp'er
dan wel een opdracht wil geven.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Maar het punt blijft natuurlijk staan dat met dit rechtsvermoeden via
deze wet wordt gezegd: we hebben het vermoeden dat er sprake is van
schijnzelfstandigheid onder die €38 per uur. Er zijn ongetwijfeld ook
heel veel zzp'ers die het prima vinden om onder die €38 per uur te
werken en die dat wellicht straks niet meer kunnen, omdat de werkgever
dan zegt, precies zoals de heer Flach zei: ik wil dat risico niet nemen;
ik ga maar iemand via een uitzendbureau inhuren. Je krijgt dus allerlei
nadelige effecten, omdat er geen contractvrijheid meer is en dit als het
ware wordt opgelegd. Je zou verwachten dat de VVD daar een probleem mee
heeft.
De heer Kisteman (VVD):
Volgens mij is straks heel duidelijk voor werkgevers, opdrachtgevers,
werknemers en zzp'ers aan welke eisen zij moeten voldoen en wat er wel
en niet kan. Dat zal voor een opdrachtgever, dus de ondernemer,
duidelijkheid moet scheppen over: ga ik deze zzp'er een opdracht geven
of kan ik hem beter als werknemer in dienst nemen?
De voorzitter:
Afrondend.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Afrondend. Ik ben het met de heer Kisteman eens dat het duidelijker
wordt. De contractvrijheid wordt echter ook beperkter. Dat is mijn punt
de hele tijd. Dat probleem blijft staan. Je zou van de VVD niet
verwachten dat de VVD zich daar geen zorgen over maakt.
De voorzitter:
Ik hoor geen vraag. U vervolgt uw betoog.
De heer Kisteman (VVD):
Nee, maar we hebben ook gewoon vertrouwen in onze eigen minister, dus
dat scheelt, denk ik.
Voorzitter. Dan over de afwijkende werkvormen. Een groot deel van de
zzp'ers onderneemt vanuit het klassieke uurtje-factuurtje, maar dat gaat
lang niet voor alle zzp'ers op. Er is een groep die op een heel andere
manier werkt. Zij werken met stuksprijzen of totaalafspraken. In deze
gevallen verschuift de bewijslast naar de zzp'er, die moet aantonen dat
het tarief omgerekend boven de grens ligt. Dat kan het ingewikkelder
maken. Een lager omgerekend uurtarief zegt lang niet altijd iets over de
aard van de arbeidsrelatie. Neem 24 uurszorg. Met slaapdiensten kom je
dan al snel onder een uurtariefgrens, terwijl er wel degelijk sprake is
van zelfstandig ondernemerschap. Mijn vraag aan de minister is dan ook
hoe hij voorkomt dat dit soort werkvormen onbedoeld het slachtoffer zijn
van deze wet. Hoe gaat hij voorkomen dat zzp'ers moeilijker aan
opdrachten komen, maar ook dat zzp'ers onterecht het werknemerschap gaan
claimen bij de opdrachtgever?
Voorzitter, tot slot de regeldruk. Uit recent onderzoek onder 1.600
zzp'ers blijkt dat 90% voldoet aan de regels om zzp'er te kunnen
blijven. Het Adviescollege toetsing regeldruk geeft aan er geen goed
zicht op te hebben of dit voorstel voor meer regeldruk gaat zorgen. Kan
de minister bevestigen dat dit voorstel daadwerkelijk niet tot meer
regeldruk gaat leiden? Hoe gaat hij straks ervoor zorgen dat de
Belastingdienst snel op alle vragen antwoord gaat geven en er niet hele
wachtrijen ontstaan, die weer voor onduidelijkheid zorgen bij onze
zzp'ers?
Voorzitter. Duidelijkheid, werkbaarheid en vertrouwen: daar gaat het om.
Laten we dat waarmaken voor onze ondernemers en Nederland draaiende
houden.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Kisteman. Ik zou willen voorstellen om even drie
minuten een kleine schorsing te doen. Daarna gaan we luisteren naar de
heer Flach. Ik schors voor een enkel moment.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering en geef het woord aan de heer Flach voor zijn
bijdrage in de eerste termijn. Hij spreekt namens de SGP. Gaat uw
gang.
De heer Flach (SGP):
Voorzitter, dank u wel. Vorige week rolde de brief met de nieuwe
zzp-koers van dit kabinet binnen. Laat ik maar meteen beginnen met een
compliment: deze brief geeft blijk van realisme, waar zzp'ers al zo lang
naar snakken. Het besef dat "zzp" geen vies woord is, maar dat veel
werkenden en opdrachtgevers met plezier gebruikmaken van deze vorm van
arbeid, is er duidelijk in terug te lezen.
Dat is ook hoe de SGP kijkt naar dit wezenlijke onderdeel van onze
arbeidsmarkt en economie. De schimmigheid en onduidelijkheid ten aanzien
van zzp-regels moet nu echt voor eens en voor altijd verdwijnen. Dat is
ook steeds de insteek geweest van de Zelfstandigenwet, waarvan mijn
fractie een van de mede-initiatiefnemers is geweest. De SGP is blij dat
dit nu ook het uitgangspunt van het zzp-beleid is geworden. Daarbij mag
duidelijk zijn dat we alle vertrouwen hebben in specifiek deze
minister.
Voorzitter. De SGP heeft van meet af aan grote bedenkingen gehad bij het
verduidelijkingsdeel van het oorspronkelijke wetsvoorstel: de Vbar. Met
verschillende partijen hebben we daarom herhaaldelijk voorgesteld om het
wetsvoorstel te splitsen in het deel dat rechtsvermoeden regelt en het
verduidelijkingsdeel. Dat laatste onderdeel roept juist veel
onduidelijkheid en vragen op bij zzp'ers, terwijl het rechtsvermoeden
breed draagvlak geniet. Het zal dan ook niet verbazen dat mijn fractie
deze stap van de regering steunt. Onder andere CDA-minister Van Gennip
wilde daar eerder niet aan. Zij liet dit ongelukkige pakket ondanks een
aangenomen Kamermotie in stand. Daardoor is het rechtsvermoeden nog
altijd niet ingevoerd, terwijl er wel echt behoefte aan is. Het is goed
dat dit onderdeel nu dus voortvarend wordt ingevoerd.
Mijn fractie heeft nog wel enkele vragen over een groep die ook onder
dit wetsvoorstel dreigt te gaan vallen. Dat zal geen verassing zijn.
Veel jongeren verdienen graag een centje bij via platforms als YoungOnes
en Temper, vaak met kortlopende klussen in de horeca, logistiek of
anderszins. Voor deze groep lijkt het rechtsvermoeden echter meer
problemen dan oplossingen te bieden. Eén uniform uurtarief brengt
flexibel bijverdienen voor hen namelijk in gevaar. Het uurtarief van
jongeren ligt over het algemeen lager dan €38 — ik denk dat de meesten
dat wel zouden willen — het tarief dat het kabinet nu voorstelt als
rechtsvermoeden in dit wetsvoorstel. Niet voor niets kennen we in dit
land bijvoorbeeld het jeugdminimumloon en de daarop geënte tarieven voor
jonge werkenden. Bijverdienende studenten en kwetsbare ondernemers
moeten we niet op één hoop gooien. Een student werkt veel minder uren.
Wanneer die in hetzelfde wettelijk kader als een fulltime
schijnzelfstandige terechtkomt, gaat dat knellen. Ziet de minister dit
probleem? Welke oplossingen ziet hij daarvoor?
Ik heb een amendement ingediend om een uitzondering te creëren voor deze
groep, voor werk onder een bepaald aantal uren per periode. Daarin wordt
geregeld dat er voor deze jongeren een ander, lager minimumuurtarief
wordt aangehouden dan het geïntroduceerde tarief van €38, aan de hand
van een staffel, net zoals dat nu gebeurt bij het jeugdminimumloon. Dit
laatste kan worden uitgewerkt bij AMvB.
De voorzitter:
Dat leidt tot een vraag van mevrouw Patijn.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Ik heb even naar het amendement gekeken. Ik heb nog niet ieder
amendement helemaal precies kunnen analyseren. Er wordt verwezen naar
YoungOnes en Temper. Als ik naar die functies kijk, dan zie ik dat het
gaat om vakkenvullers, schoonmakers, winkelmedewerkers en
pakketsorteerders. Is de SGP er nou echt van overtuigd dat die groep
sowieso niet in de categorie van schijnzelfstandigen valt, of ze nou
jong of oud zijn? Dit zijn toch geen zelfstandige ondernemers?
De heer Flach (SGP):
Het aantrekkelijke van als zzp'er via zo'n platform werken, is dat je
heel snel vrij eenvoudig werk kortdurend kunt doen. Dat laat zich wat
moeilijker vangen in uitzendwerk. Dat blijkt ook uit ervaringen van die
platforms zelf. Daar hebben die jongeren geen trek in. Dit is wel heel
aantrekkelijk. Ik zei al dat drie van mijn eigen kinderen dit ook op die
manier hebben gedaan. Het was vermakelijk om te horen wat voor
verschillende klussen ze allemaal deden. De ene week waren ze
kantoormeubilair uit elkaar aan het halen, de andere week reden ze op
een bakwagen plasmaschermen door het land. Dat waren echt klussen
waarvoor de nood heel hoog was en even snel iemand moest worden
ingevlogen.
Het aantrekkelijke voor die jongeren en wat ik heel waardevol vind, is
dat ze, naast het feit dat ze dingen oplossen, ervaring opdoen die ze
anders nooit op zouden doen als ze in loondienst zouden gaan. Dan moet
je namelijk kiezen voor een bedrijf waar je in dienst komt. Nu konden ze
kortdurend op allerlei plekken starterservaring als ondernemer en
werkervaring opdoen. Volgens mij is dit een heel aantrekkelijke
werkvorm. Die groep doet dat willens en wetens en geniet daarvan. Ik
vind het niet passend om die groep op één hoop gooien met de
schijnzelfstandigen die echt in een schijnzelfstandigenconstructie
zitten en fulltime zo worden ingezet. Daarom heb ik dit amendement
ingediend.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Deze twee bedrijven worden al langer op allerlei manieren gevolgd. Ze
zijn namelijk eigenlijk gewoon een uitzendbureau. Volgens mij vallen ze
ook gewoon onder de Wtta, die binnenkort ingaat. Het is gewoon het ter
beschikking stellen van arbeid, naar mijn idee. Ik vraag me af waarom de
SGP van mening is dat dit niet in de vorm van uitzenden kan. Is dat
alleen maar omdat de jongeren het aantrekkelijker vinden om voor €19 te
werken, in plaats van werken voor het jeugdloon en premies afdragen, of
is dat omdat dit echt zelfstandige ondernemers zijn?
De heer Flach (SGP):
De mensen die op zzp-basis werken, betalen ook gewoon
inkomstenbelasting. In die zin dragen ze dus wel degelijk bij. Even
terug naar de vraag, die ontschiet me even. Excuus.
De voorzitter:
Zijn het ondernemers?
De heer Flach (SGP):
Misschien kan mevrouw Patijn haar vraag nog even kort herhalen.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Mijn vraag was: zijn dit nou echte ondernemers? Zijn uw kinderen nou
echt zelfstandige ondernemers?
De heer Flach (SGP):
Dat is inderdaad een aardige vraag. Ik heb het gezien als een soort
stagelopen als ondernemer. Het was namelijk heel kortdurend; het was na
een week weer voorbij en dan kozen ze ervoor om iets anders te gaan
doen. "Echte ondernemers" kon ik ze niet noemen, maar ze waren ook zeker
geen schijnzelfstandigen. Ze hadden er alle plezier in. Ze waren wel
verzekerd tegen een soort arbeidsongeschiktheid, maar bouwden inderdaad
geen sociale premies op. Ze waren er zelf ook van overtuigd dat je dat
niet te lang moet doen. Maar de kern is het volgende. We hebben ervoor
gekozen om in Nederland verschil te laten bestaan in beloning tussen
jeugdigen tot 21 en daarboven. Waarom doen we dat hier niet? Dat is
eigenlijk de kern. Dat is een vrij principieel verschil, waar mevrouw
Patijn en ik überhaupt anders over denken, denk ik.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
De kern is dat er bedrijven zijn die eigenlijk faciliteren dat er
zwartgewerkt wordt omdat er geen belastingen en premies afgedragen
worden, omdat er geen adequate ... Er wordt een aanbod gedaan om je te
verzekeren voor arbeidsongeschiktheid. Ik ken dit soort bedrijven. Deze
bedrijven zijn gewoon uitzendbureaus en die willen daarvan afkomen. Het
ergert mij bijzonder dat er een artikel in het FD staat vanochtend en de
Kamer zich daar helemaal druk over zit te maken, terwijl het wetsmoment
dat we nu hebben gewoon gaat over de fundamenten van het arbeidsrecht.
De eerste stap: rechtsvermoeden. De tweede stap is een wet, die er later
misschien gaat komen. Maar het feit dat er hier weer een heleboel
opwinding ontstaat omdat twee ondernemers zeggen: ik kom in de problemen
en ik wil zo graag mensen zwart laten werken ... Dat is de kern van wat
hier gebeurt.
De voorzitter:
Ik hoor geen vraag.
De heer Flach (SGP):
Ik maak hier wel echt bezwaar tegen. Ik hoef die bedrijven hier niet te
verdedigen, maar mevrouw Patijn gooit ze publiekelijk in een openbare
vergadering voor de bus door te zeggen dat gefaciliteerd wordt dat er
zwartgewerkt wordt. Dat is gewoon niet waar. Die zzp'ers doen wel
degelijk aangifte. Zij doen btw-aangifte. Ze betalen loonbelasting. Vaak
komen ze niet aan die norm, dus dan hoeven ze het niet te betalen. Het
is dus echt onzin dat hier sprake is van zwartwerken. Dat is één.
Twee. Ik ben al langer met dit amendement bezig. Het feit dat het pas
vanmorgen is ingediend, heeft met de precieze uitwerking te maken. Dit
is zeker geen ad-hocreactie op wat voor artikel dan ook. Dit is een punt
waar de SGP zich gewoon serieus zorgen over maakt, omdat hiermee de
16-jarige die vijftien uurtjes werkt op een hoop wordt geveegd met
iemand die het hele jaar door als schijnzelfstandige in de kas wordt
geplaatst. Dat vinden we onterecht.
Mevrouw Van Ark (CDA):
Ik heb een vraag aan de heer Flach over de platforms. U geeft aan dat uw
eigen kinderen via dit soort platforms werken. U geeft ook aan: het zijn
geen echte ondernemers. Bent u het met me eens dat we kritisch moeten
kijken naar juist dit soort platforms, omdat die mogelijk ten koste gaan
van de echte ondernemers, die we hier graag willen faciliteren en
beschermen, zodat dat mogelijk blijft? Bent u het met de CDA-fractie
eens dat we nog eens kritisch moeten bekijken: zijn dit geen
uitzendbureaus en is dit niet typisch uitzendwerk? Ik denk dat we ervoor
moeten zorgen dat we het zelfstandigenwerken niet laten ondermijnen door
dit soort platforms.
De heer Flach (SGP):
Ik zoek even naar de ratio achter de vraag, omdat ik niet inzie waarom
dit echte zelfstandigen zou verdringen. Het is überhaupt de vraag of je
daar onderscheid tussen kan maken. Ik kreeg net de vraag: vindt u dat
dat echte ondernemers zijn? Nee, dat vind ik niet. Als je fulltime
studeert, iedere week iets anders doet en daar na een halfjaar weer mee
stopt, kun je niet zeggen dat je een echte zelfstandige bent. Dan heb je
even de zelfstandigenjas gedragen en heb je die daarna weer aan de
kapstok gehangen. Maar dat zou ook gelden wanneer volwassenen of
gepensioneerden dit werk zo zouden doen. Die kun je dan met hetzelfde
recht niet een echte ondernemer noemen, maar iemand die de
functionaliteit van een zzp'er even aandoet. Het werk waar het over
gaat, is in veel gevallen werk wat eigenlijk nauwelijks op een andere
manier te doen is. Ik heb ook gezien dat het in veel gevallen het
alternatief is voor het hiernaartoe halen van nóg meer arbeidsmigranten.
Dat is ook een zorg waar we met elkaar naar kijken. We hebben nu eenmaal
bepaalde groepen — de heer Kisteman noemde er een aantal — die een
beetje de smeerolie van de arbeidsmarkt zijn. Zij laten zich niet vangen
in een vast contract. Zij willen zich niet aanmelden bij een
uitzendbureau, maar het gewoon zelf bij hun volle verstand en volledig
zelf verantwoordelijk doen. Ik heb weleens het gevoel dat we soms heel
betuttelend bezig zijn richting de Nederlander die zijn eigen weg
zoekt.
De voorzitter:
Mevrouw Van Ark met een vervolgvraag.
Mevrouw Van Ark (CDA):
Kunt u dan even met mij meedenken? Het type werk dat door deze platforms
aangeboden wordt, is typisch het werk dat tegelijkertijd vaak door
uitzendbureaus wordt aangeboden. Ik heb vroeger zelf via uitzendbureaus
gewerkt. Ik heb bijvoorbeeld een dagje bij de post gewerkt, een dagje
bij de cateraars en een dagje binnen het bedrijfsleven. Dit is precies
het type werk dat vaak door deze platforms wordt aangeboden, maar dan in
een zzp-constructie. Bent u het met mij eens dat het apart is dat
hetzelfde type werk het ene moment via een uitzendbureau wordt
aangeboden, en het andere moment via een ander platform als
zzp-constructie? Moeten we niet kritisch kijken naar wat nou uitzendwerk
en wat nou zzp-werk is?
De heer Flach (SGP):
Hoever willen wij gaan in Nederland? Moeten wij hier nu echt in de
Tweede Kamer gaan bepalen wat uitzendwerk, zzp-werk of werk in
loondienst is? Zo ver hoeven wij toch niet te gaan? De markt reguleert
zichzelf daarin. We zijn hier nu bezig om schijnzelfstandigheid te
voorkomen. In deze kleine hoek van de arbeidsmarkt is evident geen
sprake van schijnzelfstandigheid. Wel verdwijnt dit werk voor die
jongeren. Daar maak ik mij zorgen om. Je ziet dat die jongeren vaak al
de keuze hadden om via een uitzendbureau te werken, maar dat vaak niet
doen. Dat blijkt ook uit cijfers die we toegestuurd hebben gekregen. Ze
gaan dan op een andere manier hun werk inrichten. Dit type werk zal dan
verdwijnen.
De heer Kisteman (VVD):
Ik ga nog even door op dit sympathieke amendement, zoals ik het net al
noemde. Bij de interruptie van de heer Flach kreeg ik het idee dat hij
met dit amendement opkomt voor ondernemers. Als ik nu de antwoorden van
de heer Flach hoor, lijkt het toch te gaan om een uitzondering op deze
wet voor zelfstandigen. Volgens ons kan dat gewoon al. Als zij dat
werknemerschap niet claimen, is er niets aan de hand. Wat wil de heer
Flach nou precies met dit amendement?
De heer Flach (SGP):
Er zitten twee elementen in. Eén is dat het raar is dat wij in
loondienst wel onderscheid maken tussen jeugdigen en volwassenen, maar
dat we dat hier niet doen. Dat is dus één. Dat is een paralleldiscussie
die ik gewoon echt niet begrijp. Het tweede is dat je door dit te doen
werkgevers een behoorlijke mate van onzekerheid geeft. Stel dat iemand
twee of drie weken, of langer, bij jou aan het werk is geweest. Dat ging
allemaal in goed overleg, maar iemand raakt gedeeltelijk
arbeidsongeschikt en besluit alsnog dat rechtsvermoeden in te roepen. Er
is dan niks geregeld onder die €38. Je hebt dan weliswaar samen dat
contract getekend, maar diegene kan zich dan beroepen op het feit dat
hij nog maar de helft van die €38 verdient. Onze inschatting is dat de
onzekerheid aan de werkgeverskant zo groot zal zijn dat werkgevers hier
gewoon helemaal niet meer aan gaan beginnen en dat dit dus zal
verdwijnen.
De heer Kisteman (VVD):
Ondernemers weten toch, juist met alle criteria die er zijn, waar ze aan
beginnen? Ze vragen zich af: nemen we iemand aan als zzp'er of als
werknemer? Die duidelijkheid is er straks toch gewoon voor de
ondernemers? Zij weten toch waar ze aan beginnen, voordat ze met een
zzp'er of werknemer aan de slag gaan?
De heer Flach (SGP):
Dit ging volgens mij om de kwestie dat als een zzp'er zich, ondanks
alles, voor €19 wil binden aan een ondernemer, hij dat mag doen. Dan
roept die persoon niet het rechtsvermoeden in. Deze persoon kan na drie
maanden van gedachten veranderen. Hij heeft dan het recht om dit te
doen. Als diegene zich dan bij de rechter meldt, is een werkgever in
zekere zin vogelvrij, omdat we daar niks voor geregeld hebben in de
wet.
De heer Boon (PVV):
Ik ga ook even door op het amendement van de heer Flach. Ik hoor de heer
Flach zeggen: we zijn bezig om schijnzelfstandigheid lastig te maken en
te verbieden. Welke argumenten heeft u voor het lastig maken of het
verbieden van schijnzelfstandigheid?
De heer Flach (SGP):
Die hoef ik niet aan te dragen; dat doet deze wet al. Zoals wel vaker
bij een wet gebeurt, heb je een goede bedoeling, maar minder positieve
bijwerkingen. Het is net paracetamol: het helpt tegen hoofdpijn, maar je
kunt ook last krijgen van bijwerkingen. Dit is een bijwerking van de
wet. Voor 80.000 jonge mensen die incidenteel zzp-werk doen op deze
manier, is dit geen mogelijkheid meer, omdat werkgevers dit niet meer
gaan aanbieden.
De voorzitter:
De heer Boon heeft een vervolgvraag.
De heer Boon (PVV):
We hebben natuurlijk de negen holistische eisen uit het Deliveroo-arrest
waar zzp'ers aan kunnen voldoen om te testen of het echt zzp'ers zijn.
Dit roept bij mij de vraag op: maakt de leeftijd uit of iemand een
schijnzelfstandige is of niet? Maakt het voor schijnzelfstandigheid uit
of iemand 20 of 32 jaar is? Dat moeten we toch allemaal niet willen? We
moeten toch niet zeggen: omdat deze persoon jong is, maken we een
uitzondering voor schijnzelfstandigheid?
De heer Flach (SGP):
Nee. Als dat de vraag is van de heer Boon, begrijp ik hem beter. Daarin
heeft de heer Boon zeker gelijk. Daarom zitten er twee elementen in dit
amendement. Eén: de leeftijdsgrens en een lager uurtarief. Twee: een
maximumaantal uren. Als je dat per jaar zou doen, is het 832 uur. Dan
zou je een 20-jarige vijfenhalve maand fulltime als schijnzelfstandige
kunnen laten werken. Dat is ook niet de bedoeling. Er zitten dus twee
elementen in: een urengrens en een eurogrens.
De heer Ergin (DENK):
DENK is voorstander van het bieden van meer ruimte aan zelfstandigen in
Nederland. Daar kijken wij altijd welwillend naar. De analyse laat wel
heel duidelijk zien dat de situatie waarin we ons bevinden eigenlijk
komt door de financiële prikkel. Die prikkel houdt in dat een
opdrachtgever, een bedrijf, kijkt naar: hoe kan ik arbeid zo goedkoop
mogelijk organiseren? Die balans is de afgelopen jaren zoekgeraakt. Ook
door de houding van de regering is die hele markt nu verstoord. Ik vraag
me af of het amendement van de heer Flach die financiële prikkel niet
juist versterkt. Krijgen opdrachtgevers, bedrijven, daarmee niet een
soort sluiproute of nog meer mogelijkheid om arbeid zo goedkoop mogelijk
te organiseren, het liefst ook verricht door jongeren tot 21 jaar?
De heer Flach (SGP):
Maar we hebben in Nederland natuurlijk ook een jeugdminimumloon, dus die
prikkel is er überhaupt al. Dat is één. Er zitten allerlei voordelen aan
het werken met jonge mensen. Het is vaak goedkoper. Maar er zitten ook
nadelen aan. Ik bedoel, ervaring is er vaak nog niet. Het kan ook heel
vluchtig zijn: ze zijn zomaar weer weg. Werkgevers kiezen er bewust voor
om jongeren het werk te laten doen omdat het type werk bij hen past of
omdat ze daarvoor weinig geld beschikbaar hebben. Dat kan nu met het
jeugdminimumloon al veel goedkoper dan met het inhuren van een
volwassene. Ik zie dus niet in ... Sterker nog, we sluiten aan bij de
tweedeling die er al is, ook in loondienst.
De voorzitter:
De heer Ergin voor een vervolgvraag.
De heer Ergin (DENK):
Maar dat is toch precies de oorzaak van de dynamiek waar we nu mee te
maken hebben? Als je die financiële prikkel niet aanpakt, dan kun je een
debat voeren over de contractvorm en over de randvoorwaarden, maar
eigenlijk moet het debat gaan over de financiële prikkel. Wat de heer
Flach doet klinkt sympathiek, laat ik het zo zeggen. Maar als je bedenkt
wat dit betekent voor de beloning en voor bonafide bedrijven ... Er zijn
ook malafide bedrijven. Bieden we hiermee geen uitweg aan al die
bedrijven die op zoek zijn naar gaten om slimmer te handelen en zo aan
het einde van de maand meer geld over te houden? In de beantwoording
zijn de zorgen wat mij betreft nog niet weggenomen.
De heer Flach (SGP):
Ik probeer even de vraag achter de vraag van de heer Ergin te snappen.
Als ik het goed begrijp, zegt hij dat dit amendement, als dat onderdeel
zou worden van de wet, de prikkel zou vergroten voor werkgevers, ook
bonafide werkgevers, om juist jongeren aan te trekken, omdat die onder
een lager tarief vallen als het gaat om dit rechtsvermoeden. Als dat de
vraag is, dan wijs ik erop dat ze dat nu al kunnen doen door jongeren in
dienst te nemen. Dan betalen ze al veel minder. Vraag maar eens wat een
vakkenvuller bij een supermarkt kost. Daar komt geen enkele volwassene
voor opdraven. Dat is nou eenmaal ook de marktdynamiek. Wat jongeren
hier overigens verdienen, is voor hen relatief juist weer veel. Zij
verdienen veel meer dan ze in een supermarkt kunnen verdienen. Ik zie
dan ook niet in waarom dit wetsvoorstel, waarin je eigenlijk probeert de
bestaande situatie wettelijk mogelijk te laten zijn, zou bijdragen aan
een grotere prikkel — om de simpele reden dat het niet voor elk werk
mogelijk is op een dergelijke zzp-basis jongeren in en uit te laten
vliegen.
De voorzitter:
Tot slot de heer Ergin.
De heer Ergin (DENK):
Tot slot. In de praktijk ontstaan er al situaties waarin ... Laten we
een supermarkt nemen. Je hebt iemand die ouder is dan 21 en iemand die
jonger is dan 21. Ze doen allebei hetzelfde werk. Alleen, ze krijgen
daarvoor niet dezelfde beloning. Ergens kun je zeggen dat die jongere
medewerker daar zelf voor kiest en dat het voor hem of haar veel geld
is, zoals we dan horen. Maar moet je het juist niet daartoe beperken,
dus alleen bij een contractvorm waarin iemand netjes in dienst is,
vakantie-uren krijgt en vaak ook onder een cao valt? Moet je die
experimenteerruimte niet juist daar beperkt laten bestaan en vooral niet
verruimen tot de zzp-hoek, waar de markt al enorm is verstoord en we
veel moeite hebben om er weer enige vorm van redelijkheid in te brengen?
Dat is de kernvraag die ik de heer Flach wil stellen.
De heer Flach (SGP):
Laat het helder zijn: voor de SGP is het heel goed verklaarbaar dat er
een jeugdminimumloon is en een wettelijk minimumloon. Dat daar verschil
tussen zit, vinden wij heel reëel. Dat dat ook voor zzp'ers geldt,
vinden we ook heel reëel. We moeten niet vergeten hoe belangrijk
flexibiliteit is voor jongeren. Je zult maar net je eindexamen hebben
gedaan en daarna beginnen aan een bbl-opleiding. Dan ga je dus voor drie
jaar weer een ander bedrijf binnen, maar in die drie maanden wil je zo
flexibel mogelijk lekker geld verdienen op zo veel mogelijk plekken. Dat
is een vorm die hiermee mogelijk wordt gemaakt. Om dat nou dus te
beperken tot alleen maar loondienst … Daar kunnen heel veel jongeren
zich niet aan binden, omdat ze andere plannen hebben of omdat ze
vervolgopleidingen hebben. Dit is echt zo'n groep die zich niet laat
vangen in alle bestaande structuren. Ik snap dat er behoefte is aan
allerlei geordende structuren. Van de ene tot de andere kant van de
Kamer neemt dat wat toe. Maar er zijn nou eenmaal mensen die zich niet
laten vangen in wat voor structuren ook. Die zoeken naar flexibiliteit.
Die vinden ze belangrijker dan bescherming. Die bescherming heeft ook
wel iets paternalistisch, alsof mensen allemaal niet voor zichzelf
kunnen zorgen. Laten we ons nou richten op die groep die evident
misbruikt wordt, als schijnzelfstandige. Dat zijn in ieder geval niet
deze jongeren.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
De heer Flach (SGP):
Ja, voorzitter. Dan ga ik verder met iets heel anders: de handhaving.
Zoals gezegd, wij zijn positief over de nieuw ingezette zzp-koers en het
doorzetten van het rechtsvermoeden. Mijn fractie heeft nog wel vragen
bij de handhaving. Ik begrijp dat de minister zegt dat de markt niet
gebaat is bij zigzagbeleid maar bij voorspelbaarheid en duidelijke
spelregels. Daar is de SGP het ook wel mee eens, maar ik zou er nog wel
iets over willen zeggen. Geen zigzagbeleid, oké, maar we willen ook geen
onduidelijk beleid. Ons bereiken signalen dat op dit moment onduidelijk
is waar de Belastingdienst nu precies de pijlen op richt. Er zou sprake
zijn van risicogericht toezicht, maar is dit wel echt risicogericht?
Hiervoor diende ik in december een motie in, die werd aangenomen, die
eigenlijk zegt: laten we het risicogerichte toezicht nu logischerwijs
ook echt richten op sectoren en situaties met een verhoogd risico op
schijnzelfstandigheid. Dat is dus daar waar de problemen zitten.
Zodoende worden andere opdrachtgevers en zelfstandigen niet onnodig
lastiggevallen. Het kabinet kwam daarop met de reactie dat er al sprake
is van risicogericht toezicht en dat er dus niets verandert aan het
handhavingsplan, terwijl de motie daar wel expliciet om vroeg. Ik vraag
de minister hier nogmaals naar te kijken en hierover met de
Belastingdienst in gesprek te gaan. Wil hij dat toezeggen?
Als deze wet van kracht wordt, komt er een nieuw element waarop getoetst
kan worden. Uiteraard heeft het rechtsvermoeden vooral een
civielrechtelijke werking. Ik lees dat de Belastingdienst daarom niet
toetst aan het rechtsvermoeden, maar ik mag toch aannemen dat de
Belastingdienst niet ophoudt met nadenken en dus ook kijkt naar de inzet
van dit instrument in een risicogerichte handhavingsstrategie. Zo zou
natuurlijk kunnen worden onderzocht in welke sectoren vaker sprake
blijkt te zijn van een uurtarief dat onder de grens ligt. Welke
mogelijkheden verkent de minister hiervoor? Ik zou hem tot het volgende
willen oproepen: trek ook in de handhaving de realistische koers voor
zzp'ers door, want daar lopen zelfstandigen het eerst tegenaan in de
praktijk.
Voorzitter. Ik zei het al, maar u begrijpt dat de SGP uitkijkt naar de
nieuwe Zelfstandigenwet. Dat wordt het levenswerk van deze minister, en
dat is hem wel toevertrouwd. Wanneer verwacht hij dat dit wetsvoorstel
in de Kamer zou kunnen komen te liggen? Wanneer verwacht hij dat dit van
kracht wordt voor zzp'ers? Hoe ziet hij tot die tijd de situatie voor
zich voor zzp'ers en opdrachtgevers die al wel te maken hebben met
handhaving, maar worstelen met de huidige onduidelijkheid? Het is
positief dat de minister erkent dat de huidige situatie tot een terugval
in opdrachten leidt. Vier op de tien zzp'ers halen minder opdrachten
binnen, begrijpen wij uit onderzoek. Eerder werd vooral ontkend dat de
huidige, schimmige situatie rond zzp-regels hiertoe zou leiden, maar dit
kabinet erkent dat de markt inzakt en dat dit onwenselijk is. Dat noem
ik winst. Laat die erkenning nu ook daadwerkelijk leiden tot gerichtere
handhaving en een heldere koers voor positief zelfstandigenbeleid dat
uitmondt in een zelfstandigenwet.
Daarbij vraag ik graag de aandacht van de minister voor de situatie in
de huisartsenzorg. Dat heb ik al vaker gedaan. Daar wordt naar volle
tevredenheid gebruikgemaakt van zzp'ers om de flexibele schil rond te
krijgen voor situaties van ziek, piek, uniek en spoedzorg. Zo kunnen we
allemaal rekenen op zorg op ieder moment van iedere dag. Dat is ook de
kern van de wettelijke plicht om 24/7 zorg te bieden. De SGP is hiervoor
al verschillende keren op de barricades gesprongen. Er ligt zelfs een
motie van mijn hand die de regering verzoekt om die flexibele schil te
behouden. Deelt de minister in ieder geval het uitgangspunt dat dit in
de toekomst gewoon mogelijk moet blijven? En gaat hij de flexibele schil
in de huisartsenzorg een plaats geven in de nieuwe Zelfstandigenwet?
Hier moet echt snel duidelijkheid over komen. Graag een heldere reactie
van het kabinet hierop.
Ik wijs ook op de zorgen van de branchevereniging voor aanbieders van
zorg thuis, bijvoorbeeld in de situatie van palliatieve terminale zorg,
waakzorg en aanvullende mantelzorg. Hierbij is de inzet, logischerwijs,
vooraf moeilijk planbaar. Ze zijn bang dat de samenloop van deze wet met
de Wet meer zekerheid flexwerkers ervoor zou kunnen zorgen dat
zorgvormen verdwijnen waarvoor flexibiliteit cruciaal is. Neemt het
kabinet die zorg serieus en wil het kijken hoe deze zorgvormen mogelijk
blijven, hetzij op oproepbasis of op zzp-basis?
Voorzitter. Vanmorgen kwam het bericht binnen dat de zzp'ers die hebben
geholpen bij de afhandeling van de toeslagenaffaire alsnog beboet gaan
worden. Schande, wat de SGP betreft. Eerder hebben we hier een punt
gemaakt van dat het vreemd is dat de overheid met twee maten meet. Ja,
dat is ook zo. Maar nu er toch voor gekozen was om hen in te zetten, is
het wel opmerkelijk — zacht gezegd — dat deze zelfstandigen dan alsnog
beboet worden. De overheid heeft hier zelf met open ogen voor gekozen en
is daarop gewezen door de Tweede Kamer. Desondanks is het toch gebeurd.
Mensen zijn beloften gedaan. Daar mogen deze zelfstandigen niet voor
opdraaien. Gaat het kabinet dit snel rechtzetten?
Tot slot, voorzitter. Zzp'ers snakken naar een realistische koers. Die
heeft het kabinet ingezet, te beginnen met dit wetsvoorstel dat het
rechtsvermoeden regelt. Daarbij heb ik aandacht gevraagd voor de
bijverdienende freelancende jongeren. Het is nu zaak dat de handhaving
ook realistischer wordt, en echt risicogericht. En er moet vaart worden
gezet achter de Zelfstandigenwet. Kortom, het kabinet zet goede eerste
stappen richting duidelijkheid voor zelfstandigen. Het is nu zaak om
koers te houden en de voornemens om te zetten in daden.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Flach. Dit leidt nog tot een vraag van mevrouw
Patijn.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Ja, ik heb nog één vraag. Ik zal proberen de heer Flach niet boos te
maken. Dat is dan best moeilijk, normaal gesproken, haha. Sorry,
voorzitter. Nee, dank, voorzitter. Volgens mij hoor ik de heer Flach ook
in dit betoog — want ik heb dit ook al in eerdere wetgevingsdebatten
gehoord — pleiten voor twee uitzonderingen: voor jongeren en voor
huisartsen. Ik proef bij wetgeving dat er bij de SGP steeds behoefte is
aan uitzonderingen voor groepen. Ik vind dat moeilijk, want ik vind dat
wetgeving wel zuiver interpreteerbaar moet zijn. Hoe breed is zo'n groep
dan? Wat is nou de achtergrond voor de heer Flach om daar steeds voor te
pleiten?
De heer Flach (SGP):
Ik wil om te beginnen zeggen dat ik helemaal niet boos ben op mevrouw
Patijn. Sterker nog, wij kunnen uitstekend met elkaar overweg. Het was
hooguit verontwaardiging over het vorige punt. En op deze vraag ga ik
graag in. Uitzonderingen bepalen vaak of een wet uitvoerbaar is en of
die ook fair is. Want het is niet zo moeilijk om één uniforme mal uit te
storten over heel werkend Nederland. En als ik het even heel plat zeg —
en dan doe ik mevrouw Patijn tekort, hoor — ziet de partij waar mevrouw
Patijn actief voor is het liefst dat werknemers maximaal beschermd zijn,
arbeidscontracten hebben en maximale zekerheid hebben. Mijn partij zit
aan de andere kant van het spectrum: dat mensen ook een eigen
verantwoordelijkheid hebben en heel vaak, bij volle eigen
verantwoordelijkheid, keuzes maken die anders zijn dan maximale
bescherming. Ze kiezen dan meer voor de kant van de vrijheid. Daar
hebben we het bij de flexwerkers ook over gehad. Die twee mensbeelden
botsen hier op elkaar. En als een wet met één uniform kader probeert
iedereen te vangen, dan zijn daar altijd uitzonderingen in. Voor de
jongeren is dit heel evident; die passen hier gewoon niet in. Dat geldt
ook voor huisartsen. Die luiden echt de noodklok en zeggen: op deze
manier kunnen wij onze posten eigenlijk niet meer bemensen. Dan is het
volgens mij goed wetgeverschap dat je daar oog en oor voor hebt. Daarom
staan onze mailbussen open, kunnen wij petities aannemen en gaan we in
gesprek met organisaties, om te zorgen dat als een wet wordt ingevoerd,
niet eenduidigheid de belangrijkste waarde is maar kwaliteit, en dat die
ook echt passend is in alle situaties. Ja, we moeten — en dan stop ik,
voorzitter — het aantal uitzonderingen zo laag mogelijk laten zijn, maar
als het echt knellend is, blijf ik voor uitzonderingen pleiten.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Kijk, ik heb die mailbox ook. Ik krijg precies dezelfde mails. Vorige
week hebben we het over de Flexwet gehad. De spelletjesfabriek is veel
genoemd. We hebben allemaal een puzzel gekregen. Nou ja, dat onderwerp
komt dan hier ook terug. Ik vind het altijd zo moeilijk: welke
uitzonderingen zijn wel legitiem en welke kun je niet noemen? Ik heb de
huisartsen ook gesproken. Ik heb ze ook langs gehad. Ze zijn erg goed in
hun lobby. Mijn ervaring is ook dat uitzendbureaus, of bureaus die erop
lijken, vaak genoemd worden. Het is een beetje afhankelijk van de lobby.
Ik beschuldig de SGP er niet persoonlijk van, maar we moeten ervoor
waken dat wij als Kamer te actief denken: oké, er komt nu iets langs;
daar moeten we een uitzondering voor creëren. In dit geval gaat het mij
niet puur om de rechtsbescherming. Het gaat mij om het volgende: als je
goede wetgeving maakt, moet die ook begrijpelijk zijn. Als uitzondering
op uitzondering gestapeld wordt, met ook nog een speciale vorm van die
uitzondering, krijgen wij wetgeving die niet zuiver genoeg is en die
niet voor iedereen begrijpelijk en toegankelijk is. Heeft de SGP niet de
zorg dat hiermee de zuiverheid van de wetgeving op losse schroeven komt
te staan?
De heer Flach (SGP):
Op zich is de zorg die mevrouw Patijn schetst terecht. Ons
uitvoeringssysteem bezwijkt onder de vele uitzonderingen die wij met
elkaar bedenken. Dat is ook zo. Maar als wij een ronde mal bedenken en
daar een vierkantje doorheen proberen te proppen, is de werkelijkheid
ook dat dat niet past. Dat lukt niet zolang we dat blijven doen. Ik ben
blij dat mevrouw Patijn zegt dat hier geen sprake is van het bedienen
van lobby's. Dat klinkt ook allemaal wat negatief. Het heel mooie aan
ons systeem, vind ik, is dat wij bij voorgenomen wetgeving een
consultatie doen. Dan laten we iedereen vertellen wat die wet met hem of
haar doet. Het is aan ons om daar iets mee te doen. We moeten niet blind
achter brieven aan rennen die in onze mailboxen vallen. We beoordelen
als Kamerleden of we deze uitzondering gerechtvaardigd vinden, of we het
echt een knelpunt in de wet vinden. Ik maak dan denk ik een andere
afweging dan mevrouw Patijn. Ik hoor omgekeerd ook heel vaak geluiden
vanuit de vakbond vanuit de mond van mevrouw Patijn, die ik wat minder
vaak laat horen. Dus het is ook een beetje afhankelijk van je politieke
ligging voor welke geluiden je meer gevoelig bent.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van mevrouw Patijn.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
De vraag is altijd of de vakbond mij napraat, of dat ik de vakbond
napraat. Ik kom uit de vakbond, hè.
De heer Flach (SGP):
Het is bijna één geheel; dat idee had ik al.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Het zit diep in mij. Als de SGP de wet ziet als een vierkant die door
een rond malletje geduwd moet worden, of omgekeerd, dan moet zij de wet
afwijzen. Is het niet zo dat uitzonderingen de wet alleen maar slechter
maken? Als de wet niet deugt, zou ik zeggen: wijs die wet integraal af.
Dat zou ik niet doen, maar ga niet allemaal uitzonderingen op elkaar
stapelen, want als wij dat met alle partijen hier gaan doen, krijgen wij
een gedrocht van wetgeving.
De heer Flach (SGP):
Dat is toch een heel binaire kijk op wetgeving: je mag voor of tegen
zijn, maar je mag niet amenderen. Dat is juist het recht van Kamerleden.
Met amendementen kun je uitzonderingen ook een plek geven in de wet.
Mevrouw Patijn hoeft zich in die zin ook geen zorgen te maken, want die
amendementen moeten ook nog eens een meerderheid bij elkaar zien te
krijgen. Als ik de interrupties allemaal goed tot mij door laat dringen,
denk ik dat dat voor dit amendement heel lastig wordt. Dat zorgt ook
voor voldoende democratische balans. Daardoor zullen er niet zomaar
onverhoedse dingen in de wet terechtkomen, een enkele uitzondering
daargelaten. Ik zou er echt voor willen pleiten, juist bij grote
wetgeving zoals deze, dat we oog houden voor welke groepen we hiermee
wellicht onbedoeld duperen. Want we hebben ook een te lange geschiedenis
van het repareren van wetgeving die in de praktijk toch echt verkeerd
bleek uit te pakken. Juist daarom moeten we hier voldoende tijd voor
nemen en goed met elkaar beargumenteren welke uitzonderingen wel en niet
valide zijn.
De voorzitter:
Dank aan de heer Flach. We gaan luisteren naar de bijdrage van de heer
Boon. Hij spreekt namens de PVV. De heer Boon, aan u het woord.
De heer Boon (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Laat ik beginnen met te zeggen dat de PVV trots
is op de vele zelfstandigen zonder personeel in Nederland: mensen met
een echte VOC-mentaliteit, ondernemers die risico nemen, kansen zien en
hun eigen broek ophouden. Die vrijheid en verantwoordelijkheid zijn van
grote waarde voor onze economie en onze samenleving.
Maar juist daarom is het zo belangrijk om schijnzelfstandigheid tegen te
gaan. We hebben het hier over een grote groep werkenden die op papier
zzp'er zijn, maar in de praktijk gewoon werknemer zijn. Het gaat om
tienduizenden werkenden in Nederland, mogelijk zelfs meer. Deze mensen
werken voor één opdrachtgever, hebben geen of weinig
onderhandelingsruimte en dragen alle risico's zelf, zonder de
bescherming die daarbij hoort. We zien dit bijvoorbeeld in de bezorging,
de zorg en de bouw. Deze mensen doen precies hetzelfde werk als
collega's in loondienst, maar zonder zekerheid bij ziekte, zonder
pensioen en zonder inkomen als het werk wegvalt. Dit is geen incident
maar een structureel probleem. In sommige sectoren is het bijna normaal
geworden om mensen als zzp'er in te huren, terwijl het feitelijk gewoon
werknemers zijn. Werkgevers besparen daarmee op premies en
verplichtingen, terwijl de risico's volledig bij de werkenden worden
neergelegd. Dat zorgt voor oneerlijke concurrentie en voor een groeiende
groep werkenden zonder zekerheid.
Voorzitter. De PVV heeft al eerder, bij de vorige minister, aangedrongen
op het loskoppelen van het rechtsvermoeden van de Vbar, om zo tempo te
maken met de aanpak van schijnzelfstandigheid. Daarom is het goed dat we
nu deze stap zetten. De PVV steunt het rechtsvermoeden als gerichte
maatregel om deze kwetsbare groep beter te beschermen. Het gekozen
uurtarief laat dat ook zien: bij circa €38 per uur is er in de praktijk
nauwelijks ruimte om als zelfstandige te reserveren voor ziekte,
arbeidsongeschiktheid, pensioen, verlof, scholingen, verzekeringen,
belastingen en periodes zonder opdrachten. Dan ben je inderdaad op
papier zelfstandig, maar in werkelijkheid financieel kwetsbaar en
afhankelijk.
Tegelijkertijd heeft de PVV vragen over de effectiviteit. Het kabinet
verwacht dat het rechtsvermoeden vooral preventief zal werken en dat
werkenden het ook zonder rechter kunnen inzetten richting een
opdrachtgever. Maar uiteindelijk blijft dit een juridisch instrument en
heeft dit pas echt effect wanneer het, indien nodig, via de rechter
wordt afgedwongen. Uit signalen van onder meer de Nederlandse
Arbeidsinspectie blijkt dat kwetsbare werkenden vaak in een afhankelijke
positie te zitten. Juist daarom is de drempel om naar de rechter te
stappen erg hoog. Daarin zit de kern van twijfel. De groep die beschermd
moet worden, zal die stap waarschijnlijk niet vaak zetten omdat ze te
afhankelijk zijn van de opdrachtgever en bang zijn om hun werk te
verliezen. Hoe gaat de minister ervoor zorgen dat juist deze kwetsbare
groep in de praktijk daadwerkelijk gebruik gaat maken van het
rechtsvermoeden?
Voorzitter. De PVV steunt deze stap, zoals net al gezegd, maar ziet het
nadrukkelijk als eerste stap. We zien uit naar de aangekondigde
Zelfstandigenwet. We hopen dat deze wet meer duidelijkheid en rust zal
brengen. Tot die tijd zal de PVV de minister kritisch blijven bevragen
op de effectiviteit van dit rechtsvermoeden en op hoe er wordt voorkomen
dat dit een papieren oplossing blijft.
Minister, tot zover.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik kijk even ... We zijn even in conclaaf over hoe we de
rest van deze dag gaan invullen, want we hebben natuurlijk nog
stemmingen en een regeling en wellicht ook lichte trek. Ik zou willen
voorstellen om in de eerste termijn te gaan lunchen, maar niet dan nadat
we hebben geluisterd naar de bijdrage van mevrouw Moinat. Aan u het
woord, mevrouw Moinat. Zij spreekt namens de Groep Markuszower.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Voorzitter, dank. Ik heb aardig wat dingen geschrapt uit mijn tekst ten
aanzien van de Kamer voor de lunch, aangezien die vragen al gesteld
zijn.
Voorzitter. Vanmorgen lazen wij in de krant: "Ministerie breekt belofte
aan zzp'ers: boete dreigt". De Dienst Toeslagen heeft honderden zzp'ers
ingezet voor het herstel van de toeslagenaffaire, werk dat gewoon
onderdeel is van de organisatie. En nu dreigen juist deze mensen
geconfronteerd te worden met forse heffingen van de Belastingdienst. Dat
is wat ons betreft de wereld op z'n kop. De overheid creëert een
constructie, maar de zzp'er krijgt de rekening. Mijn vraag aan de
minister is dan ook simpel. Gaat hij deze mensen ontzien, of laat hij ze
opdraaien voor fouten van de overheid zelf? Als dat laatste het geval
is, hoe denkt deze minister dan ooit nog geloofwaardig te kunnen
handhaven bij ondernemers in dit land? Wie zelf namelijk zijn regels
niet naleeft, heeft onzes inziens geen gezag om ze op te leggen.
Voorzitter. Groep Markuszower kijkt op de volgende wijze naar dit
wetsvoorstel. Het onderscheid tussen werknemer en zelfstandige draait om
de aard van de relatie: het draait om zelfstandigheid, eigen risico en
het ontbreken van hiërarchie. Een zelfstandige bepaalt zelf hoe het werk
wordt uitgevoerd. Daar ligt wat ons betreft de toets, en niet per se bij
een generieke tariefgrens. Daarom vraag ik het volgende aan de minister.
Waarom kiest hij voor deze harde grens, terwijl de essentie in de
feitelijke verhouding tussen partijen ligt?
Voorzitter. Laat zelfstandigen die bewust kiezen voor hun positie hun
keuze behouden. Laat vooral niet gebeuren dat mensen die werken voor de
overheid nu zelf de rekening gepresenteerd krijgen. Wanneer sprake is
van schijnzelfstandigheid, ligt het ook in de mogelijkheden van de
werkende om dat, indien gewenst, aan te kaarten. Het instrumentarium
daarvoor bestaat immers al.
Voorzitter, afrondend. Dit voorstel vergroot de rol van de overheid in
een systeem dat al onder druk staat. Het risico is onzes inziens meer
onzekerheid en minder ruimte voor zelfstandigen. Ik hoor graag van de
minister hoe hij dit ziet, zodat wij als fractie een weloverwogen
besluit kunnen nemen omtrent dit voorstel.
De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee kom ik op mijn voorstel om nu eerst te schorsen voor
de lunch. Na de schorsing gaan we stemmen en is de regeling van
werkzaamheden. Daarna hervatten we de eerste termijn, waarbij de heer
Ceulemans de eerste spreker is.
De algemene beraadslaging wordt geschorst.
De voorzitter:
Ik schors voor een halfuur. Daarna komen we terug voor de stemmingen en
de regeling. Het debat is geschorst.
De vergadering wordt van 13.01 uur tot 13.31 uur geschorst.
Invoeren van een rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van een uurtarief
Voorzitter: Michon-Derkzen
Invoeren van een rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van
een uurtarief
Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:
het wetsvoorstel Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het invoeren van een rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van een uurtarief (36783).
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Na de stemmingen en de regeling gaan wij
verder met de eerste termijn van het debat over het wetsvoorstel
Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het
invoeren van een rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van
een uurtarief.
De algemene beraadslaging wordt hervat.
De voorzitter:
We hebben al een zestal sprekers gehoord en gaan nu door met de volgende
spreker in eerste termijn. Dat is de heer Ceulemans, die spreekt namens
JA21. Aan u het woord.
De heer Ceulemans (JA21):
Dank u wel, voorzitter. Vandaag behandelen wij een wetsvoorstel dat door
deze minister terecht flink is uitgekleed. Oorspronkelijk was de wet
Vbar bedoeld als opvolger van de Wet DBA en moest deze wet duidelijkheid
bieden over wanneer de Belastingdienst iemand als zelfstandige ziet. Het
idee was dat daarmee eindelijk een einde zou komen aan de langdurige
onzekerheid van zzp'ers en hun opdrachtgevers. Na bakken kritiek uit
alle hoeken over dat nut en noodzaak niet waren aangetoond, dat de wet
praktisch onuitvoerbaar was en dat de regeldruk juist zou toenemen, is
een groot deel van het wetsvoorstel geschrapt. Wat resteert is alleen
het rechtsvermoeden op basis van een uurtarief — van Vbar naar
"r".
Wij behandelen vandaag dus een sterk uitgekleed wetsvoorstel dat in
ieder geval niet de duidelijkheid biedt die oorspronkelijk werd beoogd.
Die discussie wordt doorgeschoven naar de aangekondigde
Zelfstandigenwet. Daarom vraag ik de minister om in de tussentijd
terughoudend te zijn met de handhaving van de Wet DBA. Kan de minister
dat toezeggen? Kan hij ook toezeggen dat zolang de Zelfstandigenwet nog
niet in werking getreden is, de zachte landing wordt voortgezet? Kan de
minister aangeven wanneer hij een reactie gaat geven op het verzoek van
de commissie om een tijdspad voor de Zelfstandigenwet naar de Kamer te
sturen? Ik sluit me overigens aangaande de handhaving aan bij de andere
vragen die de heer Flach al heeft gesteld vanmiddag.
JA21 is uiteraard niet tegen het bestrijden van schijnzelfstandigheid.
Als mensen feitelijk als werknemer werken, maar als zelfstandige worden
ingehuurd door werkgevers om kosten en verplichtingen te vermijden, dan
moet dat gewoon worden aangepakt. Dat is namelijk oneerlijk voor deze
werknemers, oneerlijk voor echte zelfstandigen en oneerlijk voor
werkgevers die zich wel gewoon aan de regels houden. Tegelijkertijd is
het een precaire balans die we moeten bewaken. We moeten oppassen dat we
met dit soort wetgeving niet echte zelfstandigen raken doordat
opdrachtgevers terughoudender worden in het verstrekken van
opdrachten.
Nederland kent een grote en diverse groep zzp'ers: mensen die bewust
kiezen voor het ondernemerschap. Wetgeving moet daarom gericht, goed
onderbouwd en doelmatig zijn. Dat roept met betrekking tot dit
wetsvoorstel een aantal vragen op. Op pagina 91 en 92 van de memorie van
toelichting stelt de minister dat een laag uurtarief wijst op beperkte
onderhandelingsmacht van de werkende. Er staat: "Dit kan op zijn beurt
ook weer een aanwijzing zijn voor het risico dat de werkende zich
gedwongen voelt om als zelfstandige aan het werk te gaan, terwijl er
feitelijk sprake zou moeten zijn van een arbeidsovereenkomst. Voor
werkenden met een beperkte onderhandelingspositie is het dan moeilijk
hun werkgevende hierop aan te spreken, laat staan naar een rechter te
stappen."
Volgens het kabinet zou een rechtsvermoeden op basis van een uurtarief
daarom de oplossing zijn. Ter onderbouwing verwijst het kabinet daarbij
naar een vijftien jaar oud onderzoek van Panteia: het eindrapport
Gebruik van de overeenkomst van opdracht. Dat onderzoek is uitgevoerd
door Research voor Beleid, dat onderdeel is van Panteia. Uit dat rapport
volgt dat een kleine groep van de respondenten, ongeveer 9%, het werk op
basis van een overeenkomst van de opdracht niet als een vrije keuze
ziet. Dat verouderde rapport is vorig jaar door toenmalig VVD-Kamerlid
Aartsen zelf in twijfel getrokken. In de memorie van toelichting bij
zijn initiatiefwet, de Zelfstandigenwet, erkent hij dat gedwongen
zzp-schap nog veel minder voorkomt, namelijk in 2,7% van de gevallen.
Daarbij wordt verwezen naar het rapport "Grip op het zzp-dossier: feiten
en inzichten over zelfstandigen zonder personeel in 2023". Wat klopt er
nou volgens de minister? Om hoeveel schijnzelfstandigen gaat het op dit
moment? Waarom is er voor het in gang zetten van dit wetstraject geen
actueel onderzoek verricht naar de omvang van dit probleem? Die vraag is
fundamenteel om te kunnen beoordelen of deze wet proportioneel is. Dat
schrijft ook het Adviescollege toetsing regeldruk: "Zonder robuuste
probleeminschatting en een meetbare beleidsdoelstelling is het
onmogelijk om de proportionaliteit van de (aanzienlijke) regeldruk goed
af te wegen."
Het lijkt in ieder geval om een klein deel van de zzp'ers te gaan dat
zich gedwongen voelt om als zelfstandige aan de slag te gaan. Daarom
vraag ik de minister of hij, ook gezien zijn eigen constateringen uit
zijn initiatiefwet, de wet die nu voorligt proportioneel vindt. Of is de
enige reden om dit wetsvoorstel nu af te stempelen het feit dat het
kabinet hiermee een mijlpaal uit het Herstel- en Veerkrachtplan behaalt?
Ik heb daarover twee vragen. Wat is nu de stand van zaken met betrekking
tot de gesprekken met de Europese Commissie? Lijkt het erop dat deze
route voor hen voldoet? Sluit de minister met deze wet aan op de
absolute minimumvereisten om aan die mijlpaal te voldoen? Zo nee, wat
doet deze wet dan meer dan nodig is?
Voorzitter. Als je de redenering van de minister volgt, blijft het de
vraag of dit rechtsvermoeden überhaupt het beoogde effect heeft. Het
instrument werkt namelijk alleen als een zzp'er zelf naar de rechter
stapt en zich beroept op het rechtsvermoeden. De Afdeling advisering van
de Raad van State wees hier ook op. De stap naar de rechter is voor veel
werkenden groot. Dat geldt zeker voor mensen met een zwakke
onderhandelingspositie. Dat is juist de groep die dit wetsvoorstel
beoogt te beschermen. Daar komt bij dat de nadelen van
schijnzelfstandigheid vaak pas op langere termijn zichtbaar worden,
bijvoorbeeld bij arbeidsongeschiktheid, werkloosheid of pensionering. Op
het moment dat iemand nog afhankelijk is van de opdrachtgever, ligt het
dus niet voor de hand om een juridische procedure te starten. Het risico
bestaat dus dat juist de doelgroep waarvoor deze wet bedoeld is er
nauwelijks gebruik van zal maken. Dat wordt verder ondersteund door een
peiling van ZiPconomy, waaruit onlangs bleek dat juist zzp'ers aan de
basis van de arbeidsmarkt minder op deze wetgeving zitten te wachten,
onder andere vanwege de zorg dat opdrachten wegvallen. Kan de minister
hierop ingaan?
Bovendien is het rechtsvermoeden natuurlijk weerlegbaar. Dat betekent
dat zelfs als een zzp'er onder het uurtarief komt de opdrachtgever het
vermoeden kan ontkrachten door te stellen dat er toch sprake is van
zelfstandigheid. Uiteindelijk blijft de rechter dus kijken naar de
feitelijke arbeidsrelatie en alle omstandigheden van het geval. Dan
rijst wel de vraag waaraan precies getoetst gaat worden. Het
verduidelijkingsdeel uit het wetsvoorstel, dat juist meer houvast zou
moeten bieden bij de beoordeling van de arbeidsrelatie, is immers
geschrapt. Daarmee ontbreekt een duidelijk wettelijk kader. De rechter
zal dus moeten terugvallen op bestaande jurisprudentie en de Wet DBA,
met alle onzekerheid die daar al jaren bij hoort. Wat voegt dit
rechtsvermoeden dan concreet toe? Als de uiteindelijke beoordeling nog
steeds afhankelijk blijft van de open normen, verandert er in de
praktijk weinig. Kan de minister toelichten hoe hij verwacht dat
rechters dit rechtsvermoeden gaan toepassen nu het verduidelijkingsdeel
uit de wet is gehaald?
Voorzitter. Een ander punt betreft de toepassing van het rechtsvermoeden
bij opdrachten met een vaste prijs. In de praktijk werken veel zzp'ers
niet met een uurtarief, maar met een vooraf overeengekomen bedrag voor
een opdracht. Daarmee ontstaat er wel een nieuwe vraag. Stel dat een
zzp'er een vaste prijs afspreekt, maar achteraf meer uren maakt dan
verwacht. Daardoor komt het feitelijke uurtarief onder de grens van het
rechtsvermoeden te liggen. Kan deze zzp'er zich dan alsnog beroepen op
het rechtsvermoeden en stellen dat er sprake is van een
arbeidsovereenkomst? Met andere woorden, kan een verkeerde inschatting
van het aantal uren achteraf leiden tot het ontstaan van een
rechtsvermoeden? Zo ja, creëert dat niet een prikkel om achteraf een
dienstverband af te dwingen terwijl er vooraf bewust een
zelfstandigenopdracht is aangenomen? Hoe moet een opdrachtgever vooraf
inschatten of het effectieve uurtarief uiteindelijk boven of onder de
grens uitkomt? Zeker bij creatieve opdrachten, projectwerk of
resultaatsverplichtingen is dat vaak moeilijk te voorspellen en moet de
opdrachtgever ervan uit kunnen gaan dat de inschatting van de zzp'er
zelf klopt. Ziet de minister het risico dat dit rechtsvermoeden in zulke
situaties strategisch kan worden ingezet om achteraf een
arbeidsovereenkomst te claimen? Hoe wil de minister voorkomen dat dit
juist leidt tot meer juridische onzekerheid en terughoudendheid bij het
verstrekken van opdrachten aan zelfstandigen? Kan de minister
verduidelijken hoe het rechtsvermoeden moet worden toegepast bij
opdrachten met een vaste prijs en op welk moment het uurtarief dan wordt
vastgesteld? Is dat vooraf, gedurende de rit of achteraf? Dat blijft
voor ons nog onduidelijk.
Voorzitter. Dan ga ik naar het uurtarief zelf. Het hele rechtsvermoeden
draait om één grensbedrag. Onder dat tarief ontstaat een vermoeden van
werknemerschap; daarboven niet. De vraag is waarop dat bedrag eigenlijk
is gebaseerd. Het kabinet stelt dat een laag tarief kan wijzen op
beperkte onderhandelingsmacht. Een uurtarief zegt op zichzelf echter
weinig over de aard van de arbeidsrelatie zelf. Een zelfstandige kan
bewust een lager tarief hanteren om ervaring op te doen, een portfolio
op te bouwen of omdat de opdracht beperkt is in omvang. Dat maakt iemand
nog geen werknemer. Daar komt bij dat tarieven sterk verschillen per
sector. Een zelfstandig journalist, kunstenaar of ICT'er kan onder deze
grens zitten en toch volledig zelfstandig opereren. Tegelijkertijd kan
iemand met een hoger tarief feitelijk wel in een gezagsverhouding
werken. Het tarief is dus een grove indicator, die niet per se iets
hoeft te zeggen over de daadwerkelijke arbeidsrelatie. Kan de minister
daarop ingaan?
Ook de onderbouwing van het tarief zelf roept vragen op. Het kabinet
corrigeert het uurtarief met een factor van anderhalf voor
niet-factureerbare uren. Daarmee wordt verondersteld dat een
zelfstandige gemiddeld slechts twee derde van zijn tijd kan declareren.
Ter onderbouwing verwijst het kabinet opnieuw naar het vijftien jaar
oude rapport van Panteia, waaruit zou blijken dat gemiddeld zo'n 67% van
de gewerkte uren factureerbaar is. Vervolgens stelt het kabinet dat er
geen aanleiding is om te veronderstellen dat deze verhouding inmiddels
anders ligt. Dat is een opmerkelijke aanname. Niet alleen zijn deze
cijfers inmiddels behoorlijk oud, ook is de manier waarop zelfstandigen
werken sindsdien natuurlijk veranderd. Door digitalisering,
automatisering en inmiddels ook AI-toepassingen kunnen zelfstandigen
juist efficiënter werken dan ooit en een groter deel van hun tijd
factureerbaar maken. Administratie, acquisitie en voorbereiding kosten
daardoor in veel gevallen minder tijd dan vijftien jaar geleden.
De cijfers gaan ook uit van een gemiddeld beeld van een zzp'er, terwijl
de praktijk natuurlijk extreem divers is. In sommige sectoren ligt het
aantal factureerbare uren veel hoger dan in andere sectoren. Kan de
minister daarop reflecteren? Hoe efficiënt een zzp'er kan werken,
hoeveel tijd wordt besteed aan acquisitie en administratie en hoeveel
uren factureerbaar zijn, is bovendien juist onderdeel van
ondernemerschap en concurrentie. Hoe rechtvaardigt de minister dat een
juridisch rechtsvermoeden wordt gebaseerd op een aanname uit een
vijftien jaar oud onderzoek? Heeft het kabinet recentere cijfers over
het aandeel factureerbare uren bij zelfstandigen?
Tot zover.
De voorzitter:
Dank, meneer Ceulemans. Dan komen we bij de bijdrage van mevrouw Patijn.
Zij spreekt namens GroenLinks-PvdA. U heeft nogal veel papieren bij u,
mevrouw Patijn!
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Ja, maar ik ga ze niet allemaal voorlezen!
De voorzitter:
Gaat uw gang.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Dank, voorzitter. We bespreken vandaag een wet die het doel heeft om
schijnzelfstandigheid terug te dringen en kwetsbare werkenden te
beschermen. Dat is natuurlijk een goede intentie, maar het is ook
ingewikkeld om dat goed te regelen.
Ik begin meteen bij het punt waar wij ons de meeste zorgen over maken:
gaan mensen het recht op de arbeidsovereenkomst voor zichzelf claimen?
We zien te vaak dat kwetsbare werkenden hun recht niet opeisen, zeker
niet met een gang naar de rechter, juist omdat hun positie kwetsbaar is.
Op welk contract heb je recht als je een arbeidsovereenkomst opeist? Is
dat een tijdelijk contract of een bandbreedtecontract? Voor hoeveel uur
is dat dan? Wanneer heb je zekerheid? Wat is de nabetaling? Moet je zelf
je pensioenpremie met terugwerkende kracht ophoesten als je toch
werknemer blijkt te zijn? Waar haal je dat vandaan?
Voorzitter. We zien dat vandaag ook weer terug in het artikel van het AD
over de mensen bij de Belastingdienst. Zij moeten nu opeens zelf premies
gaan nabetalen. In antwoord op de vragen van Kamerlid Aartsen heeft het
kabinet gezegd dat de Dienst Toeslagen de boetes en naheffingen gaat
vergoeden. Het lijkt mij dat minister Aartsen hier nog steeds achter
staat. Graag een reactie. Als dit niet gecorrigeerd wordt, laat het
kabinet zien dat mensen niet kunnen rekenen op het woord van dit
kabinet. Wij zijn voor het aanpakken van schijnzelfstandigheid, maar het
kabinet heeft willens en wetens schijn-zzp'ers ingezet in de operatie
van de toeslagen. Vervolgens heeft het beloofd naheffingen en boetes te
vergoeden. En wat zien we nu? Deze mensen mogen zelf opdraaien voor de
kosten. Dat is niet acceptabel en daarom dienen we vandaag een motie in
met een duidelijke oproep: houd je aan de afspraak!
Voorzitter. Stel, jij en de opdrachtgever weten eigenlijk best dat jij
feitelijk werknemer bent. De opdrachtgever wil alleen geen premies
betalen en laat jou de keus tussen een zzp-contract of geen contract.
Dat is een keus tussen brood op de plank of niet. Geen keus dus. Daarom
vraag ik de minister of het niet veel beter zou zijn als het
rechtsvermoeden bestuursrechtelijk gehandhaafd kan worden. Daar spreekt
het SER-MLT-advies ook over. Is de minister bereid om te onderzoeken hoe
de Belastingdienst en eventueel de Arbeidsinspectie bestuursrechtelijk
zouden kunnen handhaven? Kan de Wtta nog worden ingezet om in ieder
geval bij bemiddelingsbureaus voor zzp'ers te handhaven? Er wordt immers
arbeid ter beschikking gesteld. Kan bijvoorbeeld de norm van €38
opgenomen worden in het normenkader van de Wtta? Graag een reactie van
de minister.
Voorzitter. Ik kom bij de vraag welk contract iemand op kan eisen. De
wet zelf is hierover niet duidelijk. Wat heeft het voor zin om een
arbeidsovereenkomst te claimen als daar een onzekere arbeidsovereenkomst
tegenover staat? In ieder geval niet een die qua omvang een slap
aftreksel is van de overeenkomst van opdracht, bijvoorbeeld een
oproepcontract waarbij je binnen een maand niet meer opgeroepen wordt.
Kan de minister hierin meer inzicht geven? Wat zal een rechter daarover
moeten uitspreken? Om wat voor arbeidsovereenkomst gaat het dan? Graag
een antwoord dat in ieder geval ingaat op het type dienstverband en de
urenomvang die moeten worden toegepast, en graag ook specifiek, zodat
een werknemer weet wat zijn recht is en een rechter uit de
wetsbehandeling kan opmaken welke uitspraak hij in deze situaties moet
doen.
Voorzitter. Het is bekend dat veel platforms werk aanbieden aan jongeren
die als schijnzelfstandige bij een winkelketen meer betaald krijgen,
zo'n €19, dan in een dienstverband waarbij ze niet meer betaald krijgen
dan het jeugdloon. Iedereen tevreden, zou je zeggen, maar hoe gaat het
dan met de belasting- en premieafdracht? Is het niet logisch om hier
bestuursrechtelijk te handhaven?
Voorzitter. De verwachting van de regering is dat het uurtarief vooral
een preventieve werking heeft, namelijk dat opdrachtgevers mensen meer
gaan betalen of een arbeidsovereenkomst aanbieden. Dat is natuurlijk
goed nieuws voor de inkomens van mensen, maar schijnzelfstandigen zijn
daar maar gedeeltelijk mee geholpen. Dat mensen die het recht hebben op
een arbeidsovereenkomst deze ook claimen, verwacht de minister zelf ook
niet echt, zo lezen we in de memorie van toelichting. Kan de minister
uitleggen hoe de Belastingdienst omgaat met het rechtsvermoeden? Speelt
dat een rol in de handhaving? Richten zij zich straks vooral op de
opdrachtgevers die een tarief betalen onder €38 en, zo ja, wat is het
rechtsgevolg van deze handhaving? Wordt de arbeidsrelatie ook bedongen
of wordt er slechts premie en belasting opgehaald? En als het
rechtsgevolg er niet is, wat vindt de minister daar dan eigenlijk zelf
van?
Voorzitter, ten slotte ... Nee, ik ben nog helemaal niet bij "ten
slotte". Ik kom bij het deel dat deze wet regelt. Bij het aantreden van
het kabinet is de wet over het rechtsvermoeden die we nu behandelen uit
een totale wet geknipt. In die totale wet zat een samenhang. Bij de
voorbereiding van de behandeling van deze wet was het even puzzelen: wat
hoort wel en wat hoort niet bij de wet die we vandaag behandelen? Gewoon
technisch wil ik graag heel duidelijk hebben welk deel van de memorie
van toelichting een onderdeel is van de wetsbehandeling van deze wet
over het rechtsvermoeden die we vandaag behandelen. We hebben een dikke
memorie van toelichting gekregen waaruit een heleboel is verdwenen: veel
van de inleiding en een deel van de aard van de maatregelen. Kan de
minister per paragraaf aangeven wat nu wel en wat niet onderdeel is van
de wetsbehandeling van vandaag? Eerlijk gezegd voel ik me niet
comfortabel bij de technische behandeling van de wet. De nota van
wijziging geeft wel de wijzigingen in de wet aan, maar wat nu wel of
niet onderdeel van de wetsbehandeling is, is niet duidelijk. Ik wil de
minister en ook deze Kamer vragen om dit duidelijk te hebben voordat we
stemmen over deze wet. Graag een antwoord van de minister en ook graag
een brief vóór de stemming over dit wetsvoorstel.
Voorzitter. De minister heeft verder aangegeven in de toekomst te komen
met nadere wetgeving die zelfstandige ondernemers zekerheid moet geven.
Wij zijn voor duidelijkheid. We hebben het eerder gezegd: duidelijkheid
voor zelfstandigen is belangrijk, maar dit moet niet worden uitgewisseld
tegen de zekerheid van ruim 8 miljoen werknemers in Nederland. Is de
minister bereid te garanderen dat de keuze voor het zzp-schap alleen de
keuze is van de werkende en dus niet de bescherming van het dwingend
rechtelijk recht van de arbeidsovereenkomst, en dat die dus ook niet
aangetast wordt? Kan de minister aangeven of zijn plannen niet leiden
tot het vervangen van werknemers door zzp'ers omdat mensen geen recht
meer kunnen ontlenen aan de bescherming van het arbeidsrecht? Hoe wil de
minister voorkomen dat in een arbeidsrelatie het werkgeverschap slechts
een keuze is van de werkgever? Dit dwingend recht is namelijk bedoeld om
zwakkere partijen, de werknemer, te beschermen.
Voorzitter. We lezen in de brief van de SER van 3 april dat de SER
helemaal niet zit te wachten op aanpassing van wetgeving. Sterker, de
werkgevers, vakbonden, zzp-organisaties en kroonleden in de SER roepen
ertoe op de handhaving voort te zetten; dit op basis van het bestaande
arbeidsrecht en jurisprudentie. Aanpassing van het arbeidsrecht
aanvullend op de invoering van het rechtsvermoeden is volgens de SER
niet nodig en was geen onderdeel van het SER-MLT. Hoe kijkt de minister
naar deze oproep? En vooral: creëert de minister eigenlijk niet veel
meer onduidelijkheid door een nieuwe wet in te gaan dienen? Is het niet
zo dat handhaving juist de duidelijkheid gaat geven waar iedereen op zit
te wachten? Gaat een nieuwe wet straks, na een periode van handhaving op
basis van bestaande jurisprudentie, niet weer alles overhoop halen?
Waarom negeert hij deze partijen en de SER, die samen toch staan voor de
arbeidsverhoudingen in Nederland? Als we namelijk iets willen, is het
duidelijkheid en bescherming, geen nieuwe onzekerheid.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank aan mevrouw Patijn. Dat leidt tot een vraag van de heer Van
Houwelingen. Meneer Van Houwelingen, ik geef u de microfoon.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Ja, dank u, voorzitter. Een mooi betoog. Mevrouw Patijn neemt het
uiteraard op voor de schijnzelfstandigen. Ik heb toch een vraag. De
werkgevers die wij vooral gesproken hebben, zijn ook heel enthousiast,
want die willen eigenlijk af van die zzp'ers. Die claimen in hun ogen
namelijk de mooie plekken in de roosters en zijn heel zelfstandig. Dat
is eigenlijk mijn eerste vraag: is de zzp'er, de arbeider, er wel bij
gebaat om straks in de situatie te komen dat hij niet meer zelfstandig
is? Die geluiden hoor ik heel veel en ik hoor dat die werkgevers er
juist blij mee zijn omdat zij af zijn van die zzp'ers die voor een deel
zelf die keuze kunnen maken.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Ik heb in eerdere debatten heel nadrukkelijk gepleit voor het beter
invullen van werkgeverschap en het daarbinnen serieuzer nemen. Je hebt
voorbeelden, zoals in het onderwijs, waarbij flexpools zijn gecreëerd
waarbinnen mensen de ruimte krijgen om veel meer vrijheid te hebben,
maar dan wel binnen het dienstverband en dus met pensioenopbouw en alle
rechten die daarbij horen. Die flexibiliteit kan je dus ook op een
andere manier organiseren, ook juist vanuit het perspectief van die
werkenden.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van de heer Van Houwelingen.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Ja, ik heb nog een vraag, ook naar het perspectief van de PvdA — PRO,
moeten we nu zeggen. In de memorie van toelichting staat ook dat het in
zekere zin meer belastinginkomsten oplevert, want zzp'ers gaan dat
straks ook betalen. Dat is uiteindelijk natuurlijk belasting op arbeid
en niet op kapitaal. Hoe kijkt u dus naar die afweging?
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Ik ben groot voorstander van het beter belasten van kapitaal en minder
belasten van arbeid. Ik denk dat dat wel een andere discussie is. Ik
vind dat als wij met elkaar arbeid belasten, we wel moeten zorgen dat we
dat ook allemaal op dezelfde manier gaan opbrengen en dus dat de
belasting op arbeid voor iedereen gelijk moet zijn.
De voorzitter:
Tot slot, meneer Van Houwelingen.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Inderdaad tot slot. Ik heb nog een zorg over het PvdA-perspectief. Er
wordt ook gezegd dat deze wet er wellicht toe kan leiden dat ondernemers
straks zeggen: ik durf geen zzp'ers meer in dienst te nemen; ik doe het
via een uitzendbureau. Dan gaan de uitzendbureaus, die wellicht ook voor
deze wet gelobbyd hebben, daaraan verdienen als tussenpersoon, dus aan
de arbeid. Hoe kijkt u daarnaar?
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Om te beginnen vind ik het erg leuk dat de heer Van Houwelingen zo met
mij meedenkt. Dank daarvoor. Mijn zorg zit 'm daar ook wel in. Dat
directe dienstverband is voor ons dus heel erg belangrijk.
Tussenpersonen van bureaus, welke dan ook, vinden wij niet wenselijk.
Dat is waarom wij vorige week ook een amendement hebben ingediend,
bijvoorbeeld om te voorkomen dat payrollbedrijven er iedere keer tussen
gezet worden. Dat zijn precies dit soort bedrijven. Ik zou de heer Van
Houwelingen dus willen oproepen om voor ons amendement daarover te
stemmen.
De voorzitter:
Goed, dat doen we op een ander moment. We gaan nu luisteren naar de
bijdrage van de heer Van Houwelingen. Hij spreekt namens Forum voor
Democratie. Gaat uw gang.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Dank u, voorzitter. Met het wetsvoorstel dat hier vandaag in de Tweede
Kamer behandeld wordt, probeert het kabinet de zogenaamde
schijnzelfstandigheid aan te pakken. Dat is een maatregel die niet
alleen de positie van kwetsbare werkenden zou moeten verbeteren, maar
ook het sociale stelsel zou moeten beschermen. Het past in een bredere
actie van het kabinet omtrent het verbeteren van de situatie van
werknemers op de arbeidsmarkt. Maar wederom — we zeiden dat ook al bij
de behandeling van de Wet meer zekerheid flexwerkers, vorige week —
plaatst Forum voor Democratie grote vraagtekens bij de haalbaarheid en
praktische uitvoerbaarheid van dit voorstel.
De wet ziet toe op een zeer beperkt instrument, dat slechts op een klein
deel van de arbeidsmarkt van toepassing is en waarvan de effectiviteit
op z'n minst twijfelachtig is. We hebben het vandaag namelijk over het
rechtsvermoeden op basis van een uurtarief. Concreet betekent dit: werk
je voor onder de €38 per uur, dan wordt vermoed dat je werknemer bent in
plaats van zzp'er. Dat gebeurt niet automatisch, maar de bewijslast
wordt dan omgedraaid: niet de werkende moet aantonen eigenlijk werknemer
in plaats van zzp'er te zijn, maar de werkgever moet aantonen dat het
niet zo is. Op dit moment is dat dus andersom.
Voorzitter. Het kabinet wil hiermee werkenden helpen hun rechtspositie
op te eisen en presenteert dit als onderdeel van de bredere aanpak van
schijnzelfstandigheid. In de praktijk raakt dit voorstel echter enkel de
onderkant van de arbeidsmarkt, alleen de lagere tarieven, en zelfs daar
alleen in situaties waarin iemand zelf besluit om naar de rechter te
stappen. Daar zit meteen de kern van het probleem. Het kabinet zegt
immers, zo blijkt ook uit de stukken, dat het sociale stelsel onder druk
staat doordat mensen die eigenlijk werknemer zijn, als zelfstandige
werken. Dat zou de solidariteit aantasten en de financiering van sociale
voorzieningen ondermijnen. Echter, deze zelfstandigen werken vaak onder
deze omstandigheden vanwege de vrijheid die hiermee samenvalt en vanwege
de fiscale voordelen die hierbij komen kijken. Mijn vraag aan de
minister is dan ook: in hoeverre denkt het kabinet dat deze wet nu
daadwerkelijk iets doet aan de aantasting van de solidariteit en de
financiering van het sociale stelsel? Anders geformuleerd: welke zzp'er
die eigenlijk werknemer is, maar toch als zelfstandige werkt vanwege de
bijkomende voordelen, zou nou ooit zelf naar de rechter stappen? Schiet
deze wet daarmee niet zijn doel voorbij? Dat is mijn eerste vraag.
Voorzitter. Laten we ook kijken naar de dagelijkse praktijk. Natuurlijk
bestaan er situaties waarbij een kwetsbare werkende, iemand zonder al te
veel onderhandelingsmogelijkheden, als schijnzelfstandige wordt ingezet.
Denk aan de verpleegkundige die voor een laag tarief in een
zorginstelling werkt, meedraait in het vaste rooster en feitelijk
hetzelfde doet als iemand in loondienst. In zo'n geval kan dit
rechtsvermoeden werken en de positie van in dit geval de verpleegkundige
versterken. Er zijn echter ook Nederlanders die er bewust voor kiezen
zelfstandig te werken tegen een lager tarief. Denk aan startende
ondernemers die hun klantenkring aan het opbouwen zijn of aan mensen die
flexibiliteit belangrijker vinden dan zekerheid. Ook die mensen vallen
onder het voorgestelde rechtsvermoeden. Daarmee raakt het kabinet aan
een fundamenteel punt: er wordt hier een generieke regel voorgesteld
voor situaties die in de praktijk uiteenlopen. In deze wet staat in
feite dat wanneer iemand onder een bepaald tarief als zzp'er werkt, die
situatie door de overheid eigenlijk niet meer vertrouwd wordt. Onze
tweede vraag is als volgt. Vindt de minister het wenselijk dat er op
zo'n ingrijpende wijze aan de contractvrijheid getornd wordt? Moet de
overheid zich wel mengen in het maken van afspraken over werk en inkomen
tussen twee volwassen partijen? Is terughoudendheid en het aan de markt
overlaten hier niet een veel logischere en wenselijkere situatie? Graag
een reactie van de minister.
Voorzitter. Er klinkt ook kritiek vanuit de zorgsector. Ziekenhuizen en
zorgorganisaties laten weten dat ook zij het terugdringen van
schijnzelfstandigheid als wenselijk zien, maar laten daarnaast weten dat
flexibiliteit onmisbaar is voor hun sector. Denk aan situaties van
ziekte, piekdrukte of een noodzaak tot specialistische inzet. De
zorgsector waarschuwt dan ook dat deze wet juist zal leiden tot
verschuivingen: minder zzp, maar meer detachering, minder
uitzendconstructies — het kwam net ook aan bod — hogere kosten en
daardoor extra druk op het vaste personeel. Hierop graag een reflectie
van de minister. Dat is dan mijn derde vraag: hoe kijkt hij hiertegen
aan? Erkent hij deze zorgen?
Tot slot, voorzitter. Het kabinet erkent zelf dat de omvang van
schijnzelfstandigheid in Nederland niet exact te kwantificeren is. We
weten dat het bestaat, maar niet hoe groot het probleem is.
Tegelijkertijd ligt hier een maatregel die behoorlijk ingrijpt in
contractvrijheid, juridische verhoudingen en de werking van de
arbeidsmarkt. Staat het wel in verhouding tot elkaar? Zorgt deze wet
niet voor enorme conflicten op de werkvloer, puur omdat de gang naar de
rechter makkelijker en toegankelijker wordt? De probleemafbakening is
onvoldoende, alternatieven zijn niet onderzocht en de werkbaarheid en
regeldruk zijn onvoldoende onderbouwd, zo concludeert het Adviescollege
toetsing regeldruk.
Dit wetsvoorstel wordt gepresenteerd als een brede oplossing voor
schijnzelfstandigheid en een versterking van het sociale stelsel. In
werkelijkheid ligt hier een beperkte maatregel voor, die slechts een
klein deel van de arbeidsmarkt raakt, afhankelijk is van individuele
procedures en grote risico's kent op uitwijkgedrag en hogere kosten. Dat
maakt dan ook dat Forum voor Democratie grote vraagtekens zet bij de
wenselijkheid van dit wetsvoorstel. Welk probleem lossen we nu precies
op, in hoeverre is het een probleem en welke nieuwe problemen halen we
onszelf op de hals? Het zijn vragen die gesteld moeten worden. Ik kijk
uit naar de beantwoording van de minister.
De voorzitter:
Dank aan de heer Van Houwelingen. Dan komen we bij de laatste spreker in
deze termijn: de heer Ergin. Hij spreekt namens DENK. Ga uw gang.
De heer Ergin (DENK):
Voorzitter, dank u wel. Vandaag behandelen we eigenlijk een half
wetsvoorstel, of misschien zelfs een kwart wetsvoorstel. Het is een
wetsvoorstel dat voor veel zelfstandigen niet gaat leiden tot de rust en
duidelijkheid waar we eigenlijk al jaren om vragen en keer op keer een
debat over vragen. Want 60% van de zelfstandigen ziet opdrachten als
sneeuw voor de zon verdwijnen, en opdrachtgevers zitten met hun handen
in het haar over de risico's die zij lopen als zij een samenwerking
aangaan met zelfstandigen. 1,2 miljoen zelfstandigen wachten op
duidelijkheid van Den Haag. Tegelijkertijd bekruipt mij vandaag het
gevoel dat we weer pleisters aan het plakken zijn, niet omdat het plan
dat vandaag op tafel ligt niet goed is, maar omdat we weten dat we aan
het einde van deze dag eigenlijk maximaal een ministapje kunnen zetten.
En dat terwijl we al jarenlang met elkaar in debat gaan over
zelfstandigen.
Voorzitter. Nogmaals, wat mij betreft is het plan dat op tafel ligt
goed. Het is weliswaar een opgeknipt plan, maar wel eentje dat goed is.
Wij gaan daar dus zeker ook positief naar kijken. Alleen begrijp ik iets
niet. De minister zegt dat hij duidelijkheid en rust wil voor
zelfstandigen, en geeft aan dat hij dat ook met dit wetsvoorstel wil
doen. Maar volgens mij weten we allemaal dat dat nu niet gaat lukken
omdat dit wetsvoorstel niet de gehele zelfstandigenmarkt rust brengt.
Dat zagen we vandaag ook in de bijdragen van de collega's terug: het
gaat veelal over de groep zelfstandigen die relatief een lager uurtarief
hanteren dan de brede groep zelfstandigen. Ja, wij willen ook
duidelijkheid voor de groep die een relatief hoog uurtarief heeft, maar
we willen óók duidelijkheid voor de zelfstandigen die bijvoorbeeld de
petrochemie draaiende houden, die in de fabrieken werken, en
bijvoorbeeld ook voor die in de horeca. En precies daar zien we dat de
schoen wringt. Breed in de zelfstandigenmarkt zien we dat dit
wetsvoorstel rekening houdt met hen en kan genieten van veel draagvlak,
maar zodra we kijken naar puur de uurtarieven, dus naar de zelfstandigen
die relatief minder verdienen, dan zien we dat die steun enorm daalt. Ik
zou daarom graag aan de minister willen vragen of hij ziet dat hij
daarmee zijn doel, namelijk meer duidelijkheid en meer rust, ook
daadwerkelijk behaalt. Wordt het hiermee juist niet onduidelijker? Ik
hoorde in het debat namelijk heel veel mensen het hebben over een
minimumtarief, terwijl dit wetsvoorstel natuurlijk geen minimumtarief
regelt. Je kunt nog steeds onder de €38 een contract of samenwerking
aangaan, alleen kan de zelfstandige achteraf bij de rechter claimen, dat
wel, dat hij of zij een medewerker of werknemer was. De bewijslast wordt
daarmee ook omgekeerd.
Voorzitter. We hebben in de afgelopen periode gezien dat een groot deel
van de rust in de zelfstandigenmarkt met name kwam door de
terughoudendheid van de opdrachtgevers bij het aannemen van of
samenwerken met zelfstandigen. Mijn vraag is hoe groot het risico gaat
zijn dat door dit wetsvoorstel iemand jarenlang als zelfstandige kan
werken, onder de €38 zit en later kan gaan claimen, en of dat niet tot
nog meer marktverstoring gaat leiden. En wat betekent dit nou voor de
groep die net onder dat tarief zit? Daar is denk ik de verwachting dat
dat uurtarief heel snel boven het tarief in de wet gaat zitten. Wat
betekent dat nou voor de groep die nu al net boven dat uurtarief zit?
Gaat het wetsvoorstel van de minister dan niet leiden tot een soort touw
dat die uurtarieven naar beneden gaat trekken, omdat er, hoe je het ook
wendt of keert, met dat uurtarief van €38 een soort van effect gaat
ontstaan dat dat de nieuwe norm is voor samenwerking met zelfstandigen?
Ik ben benieuwd of de minister heeft gekeken naar wat het effect gaat
zijn op die uurtarieven net boven die €38.
Eigenlijk breder ben ik benieuwd of de minister zicht heeft op welke
uurtarieven er worden gehanteerd. In arbeidsmarktonderzoeken doen we
volgens mij wel vaker cohortonderzoek naar sectoren: welke uurtarieven
zijn daar gangbaar en worden daar toegepast, en wat vinden wij daarvan?
Zou de minister kunnen aangeven of hij daar zicht op heeft? Als hij daar
geen zicht op heeft, is hij dan bereid om zo'n cohortonderzoek — ik noem
het even zo, omdat ik ook niet op een beter woord kom — naar de meest
toegepaste uurtarieven te doen, uiteraard gerangschikt naar
sector?
Is het niet zo dat je liever vooraf duidelijkheid geeft, zeker als het
gaat om zelfstandigen? Dat doen we met dit wetsvoorstel eigenlijk niet.
Als iemand haar of zijn recht wil halen, moet er een rechter tussen
komen. Een rechter moet er dan een uitspraak over doen. De bewijslast
wordt omgekeerd. Maar ik zou graag zien dat we vooraf zekerheid bieden
aan alle zelfstandigen. Heeft de minister ook daarnaar gekeken? Ik
begrijp dat het heel aanlokkelijk was om Vbar op te knippen en om het
r-deel zo snel mogelijk naar de Kamer te sturen. Maar heeft de minister
niet gekeken naar een manier om vooraf duidelijkheid te bieden? Ik las
in een aantal columns bijvoorbeeld het idee van een sectoraal
minimumtarief. Zou de minister daar een keertje naar kunnen kijken?
Misschien kan het interessant zijn voor de Zelfstandigenwet, of juist
voor de doorontwikkeling van dit wetsvoorstel. Want het stopt zeker niet
bij dit wetsvoorstel, als het gaat om de uitdagingen en de wijzigingen
die we in wetten moeten doorvoeren. Zou de minister kunnen kijken naar
sectorale minimumtarieven? Dan bieden we vooraf duidelijkheid en kan de
zelfstandige zich daarna focussen op zijn of haar werk.
Voorzitter. Ik heb ook een handhavingspunt, want wie gaat deze wet nou
handhaven? Het is nu natuurlijk wel heel onduidelijk. Je zou graag
willen dat er een soort preventieve werking uitgaat van dit
wetsvoorstel. Maar het is onduidelijk wie er gaat handhaven en welke
gevolgen eraan kleven.
Voorzitter. Dan mijn derde punt, iets wat ik vandaag eigenlijk nog te
weinig heb gehoord, namelijk het HVP. Heel lang liep de discussie over
zelfstandigen namelijk op de een of andere rare manier door die over het
HVP. Alles wat we vroegen aan de minister — uiteraard heb ik het over de
voorganger van deze minister — werd beantwoord met: maar als we dat
doen, lopen we honderden miljoenen euro's, misschien zelfs een miljard,
mis in Europa. Toen de Kamer vroeg "beste minister, kunt u de zachte
landing verlengen?", was het antwoord: njet, HVP. Toen kwam de Kamer
zelfs met een eigen initiatiefwet. Ene Aartsen, Kamerlid, was daar nog
de trekker van. Ik zie hem niet meer in de zetel zitten. Ik weet niet
waar hij is. Toen zei de regering: njet, het HVP; we gaan honderden
miljoenen euro's mislopen. Toen de Tweede Kamer vroeg om het
handhavingsmoratorium er niet snel van af te halen, zei de minister:
njet, we hebben een afspraak gemaakt met Europa en anders gaat het ons
honderden miljoenen kosten.
Voorzitter. Opeens lezen we in de brief dat het HVP in plaats van een
blokkade een soort gespreksonderwerp is geworden in Europa, dat daarover
gepraat gaat worden. Eigenlijk zien we niks meer terug van die honderden
miljoenen euro's die we dreigen te betalen. Ik zou graag van deze
minister horen hoe dit kan. Is de Kamer in de afgelopen jaren met dit
argument met een kluitje in het riet gestuurd? Of heeft minister Aartsen
ergens een toverstaf gevonden en heeft hij even — simsalabim — dat
HVP-argument van tafel geveegd? Simsalabim! Of met een vuist; dat kan
ook. Ik zou graag willen weten hoe dat gaat. Dat vraag ik de
minister.
Ik moest gelijk denken aan een anekdote van collega Vermeer; hij is er
vandaag niet. In een van de debatten vertelde hij dat hij weleens een
leasecontract had gehad waar hij achteraf spijt van had. Dan kun je heel
lang in dat leasecontract zitten, maar je kunt 'm ook afkopen. Is hier
sprake van afkopen, zou ik aan de minister willen vragen.
Voorzitter. Mijn laatste punt gaat over hoe de Rijksoverheid zelf omgaat
met zelfstandigen. Diverse collega's hebben daar al naar gevraagd. We
hebben vandaag, voorafgaand aan dit debat, gezien wat er misgaat in dit
land. We doen namelijk steeds de belofte van duidelijkheid en zekerheid.
Een staatssecretaris heeft zelfs de belofte gedaan aan zelfstandigen dat
ze in ieder geval niet financieel gaan opdraaien voor de naheffingen.
Een paar maanden later lezen we in de krant dat er een heksenjacht
plaatsvindt op zelfstandigen. 650 zelfstandigen die door de Dienst
Toeslagen in dienst waren genomen, mensen aan wie we hebben gevraagd om
gedupeerde mensen te helpen en van wie we dat verwachtten, worden nu
zelf door de overheid gedupeerd, al is dat weliswaar door een ander
loket. Ik zou aan de minister willen vragen: hoe kan dit nou? Deze
regering wil toch een nieuwe koers gaan varen, waarbij we niet meer een
bewindspersoon gaan krijgen — ik rond af, voorzitter — die trots iets op
Twitter gaat delen in de trant van "op datum huppeldepup werken we met
nul zelfstandigen samen", alsof het het doel was om niet meer met
zelfstandigen te werken? We zouden toch een volledige koerswijziging van
deze regering krijgen? Maar wat lezen we? Dat er een heksenjacht gaande
is.
Voorzitter. Ik ben echt boos. Ik ben echt boos dat dit kan, nota bene op
de dag van een debat waarin we juist duidelijk willen bieden aan
zelfstandigen. Ik zou graag van deze minister willen horen hoe dit kan
en wat hij eraan gaat doen om dit in de toekomst te voorkomen. Ik ga dit
morgen bij het tweeminutendebat over de hersteloperatie zeker ook vragen
aan de staatssecretaris, maar ik hoop dat de minister echt met
duidelijke woorden, met klare taal, afstand neemt van de werkwijze die
nu is toegepast bij zelfstandigen.
Voorzitter, echt mijn allerlaatste vraag. Wat betekent dit nou voor de
algehele bejegening binnen de Rijksoverheid richting zelfstandigen?
Betekent deze koerswijziging nou daadwerkelijk dat er ook met meer
zelfstandigen een samenwerking aangegaan gaat worden? Gaat deze regering
ook breken met die eerdere lijn, eigenlijk de nullijn zelfstandigen? Ik
zou daar graag een reflectie van de minister op willen.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank, meneer Ergin. Daarmee zijn we aan het einde van de eerste termijn
van de zijde van de Kamer gekomen. Ik kijk even naar de minister. Is
vijftien minuten voldoende? Ik begrijp van wel. Dan zou ik willen
voorstellen om te schorsen tot 16.00 uur. Dan gaan we luisteren naar de
beantwoording van de minister. Het debat is geschorst tot 16.00 uur.
De vergadering wordt van 15.42 uur tot 16.00 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen dit debat. De minister staat al klaar. We gaan luisteren naar
zijn bijdrage in de eerste termijn van de zijde van het kabinet. Het
woord is aan de minister.
Minister Aartsen:
De aanwezigheid en interesse in het parlement is massief, voorzitter! Ik
denk bijna: zal ik eerst even doorpraten als intro zodat in de
tussentijd mensen zich nog naar deze kant kunnen begeven, voordat ik
over de inhoud ga praten? Maar ik zie de voorzitter nee schudden, dus ik
ga gewoon over de inhoud praten!
Voorzitter. Ik moet eerlijk toegeven dat het heel bijzonder voelt om
hier vandaag te staan als nieuwe minister van Werk en Participatie, met
zzp in mijn portefeuille. Dat is namelijk een onderwerp waarmee ik me de
afgelopen jaren heel veel heb beziggehouden. Maar het is vooral
belangrijk omdat we hier volgens mij echt een eerste belangrijke stap
zetten naar een oplossing van de discussie rondom zzp'ers die in
Nederland al zo'n vijftien tot bijna twintig jaar duurt. We hebben al
vijftien à twintig jaar in Nederland een hevige discussie over zzp'ers
en eigenlijk over een hele simpele vraag: wanneer kun je nou werken als
zzp'er, als zelfstandige, en kun je daar aan de voorkant in alle
redelijkheid ook een klein beetje duidelijkheid over krijgen?
Eigenlijk lukt het ons al jaren niet om die vraag op een goede manier te
beantwoorden. Dan bedoel ik een manier waarbij zelfstandigen aan de
voorkant de rust, ruimte en zekerheid hebben en waarbij je de problemen
en zorgen die er rondom schijnzelfstandigheid zijn ook op een effectieve
manier kunt aanpakken. Precies die twee elementen … Ik vond dat de heer
Boon het eigenlijk best wel mooi zei: juist als je de echte
zelfstandigen en zzp'ers wil erkennen en duidelijkheid wil geven, zul je
ook iets moeten doen aan de schaduwkant ervan en zul je oog moeten
hebben voor de negatieve kanten. Dat is uiteindelijk ook het
kabinetsbeleid dat we de komende tijd willen voeren. We willen komen tot
een houdbaar en breedgedragen zzp-beleid, waarmee we dit probleem
hopelijk na twintig jaar zullen gaan oplossen. Dat betekent dat we ons
op twee dingen richten: aan de ene kant erkenning, zekerheid en
duidelijkheid aan de voorkant voor echte zelfstandigen, en aan de andere
kant zorgen dat je de schaduwzijde op een goede manier aanpakt en dat je
oog hebt voor eventuele problemen die er zijn rond de inzet van
zzp'ers.
Ik zal straks nog wat meer zeggen over de Zelfstandigenwet. Ik geloof
oprecht dat wij dit dossier de komende vier jaar kunnen gaan
"pacificeren", om dat woord maar even met een knipoog te gebruiken. Ik
zie dat mevrouw Patijn nu de zaal uitloopt, maar ik ga zo aan haar
refereren. We hebben namelijk klassiek gezien een tegenstelling gehad.
Aan de ene kant hebben we de liberalen, de partijen die vrijheid voorop
willen stellen, niet te veel willen spreken over de voorwaarden waar
mensen aan moeten voldoen en niet te veel willen denken over
bijvoorbeeld de inperking van de zelfstandigenaftrek. Aan de andere
zijde hebben we de christendemocraten en de sociaaldemocraten, die toch
huiverig waren, en dat nog steeds zijn, om naar het arbeidsrecht te
kijken en om de wettelijke verankering van de zelfstandigen te bekijken.
Zij willen vooral eerst de problemen die er zijn aanpakken, bijvoorbeeld
die met uitbuiting, schijnzelfstandigheid en onderbetaling.
Mijn filosofie is altijd, ook bij het schrijven van de Zelfstandigenwet
in een eerder leven hier in de politiek, geweest om die twee werelden
bij elkaar te brengen met een pacificatie. Dat is een erkenning bij de
wet aan de ene kant en het bieden van duidelijkheid, erkenning,
zekerheid en rust aan de voorkant, zonder daar werknemersrechten voor
aan te tasten, maar wel langs hele duidelijke spelregels en
verantwoordelijkheden. Je kunt als zelfstandige werken in alle vrijheid
die daarbij hoort. Maar als je vervolgens van de trap valt, verwachten
we ook dat je iets fatsoenlijks hebt geregeld rondom
arbeidsongeschiktheid. We verwachten ook dat je nadenkt over
pensionering. Het is dus geen vrijheid, blijheid; er zijn ook spelregels
waar je aan moet voldoen. Daar zul je misschien soms een stapje harder
voor moeten lopen, maar volgens mij hoort dat bij een volwassen,
zelfstandige politiek. Uiteindelijk is dat ook het doel dat ik wil
bereiken. Ik hoop ook samen met de Kamer aan die Zelfstandigenwet te
kunnen gaan werken, breed in de Kamer en breed in de samenleving en
maatschappij.
Voorzitter. Ik ben dankbaar dat we hier vandaag kunnen staan. Ik denk
dat het echt belangrijk is dat we dit wetsvoorstel, dat ook al lang op
de plank ligt, nu vooruit kunnen gaan helpen en hopelijk snel in werking
kunnen laten treden. Het zorgt er namelijk echt voor dat wij juist de
werkenden die extra steun en ondersteuning in die rechten verdienen, de
mogelijkheid bieden om die rechten op te eisen. Ik denk ook dat we met
dit wetsvoorstel echt zorgen dat we de problemen aan de onderkant, of
aan de basis van de arbeidsmarkt, moet ik eigenlijk zeggen, aanpakken.
Dit wetsvoorstel regelt een rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst voor
werkenden die op dit moment als zelfstandige werken met een uurtarief
onder de €38. Hiermee geven we werkenden die op dit moment een beperkte
onderhandelingsmacht hebben, de mogelijkheid om makkelijker en
laagdrempeliger hun rechtspositie op te eisen. Dat doen we allereerst
bij werkenden zelf. Zij kunnen dat zelf aangeven in de civiele
overeenkomst die ze hebben met hun werkgevende. Het zorgt er ook voor
dat je als tweede instantie naar een civiele rechter toe kunt
stappen.
Voorzitter. Ik denk, in alle eerlijkheid, dat vooral de preventieve
werking belangrijk is. Het zorgt er namelijk vooral voor dat
werkgevenden, opdrachtgevers, werkgevers, aan de voorkant gedwongen
zullen worden om, op het moment dat zij gaan werken met iemand met een
uurtarief onder de €38, na te denken: "Kan dit wel op deze manier? Wat
is de positie van die persoon? Hebben we dit goed georganiseerd? Is die
persoon niet gedwongen schijnzelfstandige?" Ik denk dat dat uiteindelijk
een heel goede manier is om dit te doen. Vooral de preventieve werking
van dit wetsvoorstel acht ik dus zeer belangrijk.
Ik zal zo nog ingaan op een aantal zaken die volgens mij wat
duidelijkheid behoeven, maar ik denk oprecht dat we met dit wetsvoorstel
de positie aan de onderkant op een heel goede manier weten vorm te
geven. Is dit het ei van Columbus? Gaat dit alle problemen als sneeuw
voor de zon laten verdwijnen? Zullen we het daarna nooit meer hoeven te
hebben over mensen die in de problemen zitten? Nee. Maar het is wel een
eerste, belangrijke stap om ervoor te zorgen dat mensen aan de basis van
de arbeidsmarkt die net dat steuntje in de rug nodig hebben, dat ook
krijgen. Het zorgt er vooral voor dat werkgevers veel duidelijker
nadenken over wanneer iemand werknemer is en wanneer zelfstandige. Dat
is de vraag waar ik mee begon. Ik denk dat daar uiteindelijk de sleutel
ligt voor een hele hoop oplossingen voor een hele hoop problemen die we
hebben op dit dossier, zodat we die hele simpele vraag, wanneer iemand
nou zelfstandige is en wanneer niet, op een goede manier gaan
beantwoorden. Dat was mijn algemene intro.
Laat ik ermee beginnen dat het wetsvoorstel natuurlijk geknipt is. Het
is een langdurige wens van deze Kamer geweest om het rechtsvermoedendeel
te splitsen van het verduidelijkingsdeel. Ik heb als minister besloten
om dat te doen. Ik denk dat dat verstandig is; we kunnen dan snelheid
maken met het rechtsvermoedendeel. Dan kunnen we de basis van de
arbeidsmarkt, de kwetsbare posities, helpen en dan kunnen we een
fundamenteel, breed debat voeren over de Zelfstandigenwet, volgens mij.
We nemen er ook de tijd voor om dat goed te doen; daar zal ik zo nog wat
over zeggen.
Mevrouw Patijn vroeg mij hoe het nou zit met de memorie van toelichting.
Voordat ik aan de antwoorden begin: de memorie van toelichting wordt bij
het splitsen of de aanpassing van een wetsvoorstel niet bijgewerkt. Dat
gebeurt niet als dat, zoals in dit geval, het gevolg is van een nota van
wijziging, maar bijvoorbeeld ook niet bij een amendement. Met het
vervallen van het verduidelijkingsdeel zijn de onderdelen die daarop
zien in de memorie van toelichting hierbij dus ook niet meer relevant.
De overige onderdelen hebben nog wel relevantie. Die zien specifiek op
hoofdstuk 4 van de toelichting, het algemene deel, op paragraaf 8.2 en
op de artikelsgewijze toelichting op het voorgestelde artikel van het
Burgerlijk Wetboek, 7:610, lid aa. Die zijn nog specifiek van belang.
Dit in reactie op mevrouw Patijn, in ieder geval.
De voorzitter:
Dat leidt tot een vraag van mevrouw Patijn en daarna gaat u — ik kijk
even naar de minister — beantwoorden volgens de blokjes?
Minister Aartsen:
Ja, sorry. Ik zal daarna iets zeggen over de effectiviteit en de
handhaving, over het tarief, over de Zelfstandigenwet en tot slot heb ik
het kopje varia.
De voorzitter:
Effectiviteit. Ik herhaal het even, want het ging heel snel.
Minister Aartsen:
Effectiviteit ...
De voorzitter:
En handhaving.
Minister Aartsen:
Tarief.
De voorzitter:
Tarief, Zelfstandigenwet en varia. Vier blokken, maar voordat u daaraan
begint, heeft mevrouw Patijn een vraag over het voorgaande.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Meneer Ergin zei het heel mooi: ongeveer driekwart van de wet is
geschrapt. Dat is echt veel, vandaar ook die vraag over de memorie van
toelichting. Die memorie kent ook een hele uitgebreide inleiding en daar
staan ook best fundamentele dingen in. Mijn vraag is of de minister ziet
dat dit echt allemaal onderdeel is van deze wetsbehandeling, of dat hij
zegt: die eerste twee inleidende paragrafen vervallen eigenlijk ook.
Minister Aartsen:
Ik kan de wetsgeschiedenis niet meer terugdraaien. Het is zoals het is
en dat maakt volgens mij ook onderdeel uit van de hele wetsgeschiedenis.
Het is inderdaad zo dat paragrafen die niet slaan op het deel
"rechtsvermoeden" niet meer relevant worden geacht voor het
wetsvoorstel. Het is in de wetgevingsgeschiedenis alleen niet zo dat ik
in de memorie van toelichting kan schrappen bij een aanpassing.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Nee, maar omdat dit over zo'n groot deel gaat, heb ik die puzzel ook
zitten maken: hoe moet ik het nou lezen en welke verbanden zijn er nou?
Ik kwam voor mezelf tot de conclusie dat in ieder geval paragraaf 3 van
de memorie van toelichting wegvalt, maar dat de rest gewoon nog relevant
is, omdat die gaat over vragen als waarom hiervoor wetgeving nodig is en
dat soort zaken. Is dat in de ogen van minister Aartsen wel of niet het
geval?
Minister Aartsen:
Alle zinsneden die niet zien op het rechtsvermoedendeel, de onderbouwing
daarvan, zijn in beginsel niet meer relevant. We gaan nu de
wetgevingstechniek in. Zou het mevrouw Patijn helpen als we dit
verduidelijken in een brief?
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Dat was ook mijn verzoek, hè, om dat schriftelijk …
Minister Aartsen:
Precies, dus laten we het dan zo doen.
De voorzitter:
Ja. Ik vind het prettig als ik u het woord geef. De minister komt met
een brief hierover, naar aanleiding van de vragen van mevrouw Patijn
over de memorie van toelichting. Hij start nu met de beantwoording van
de vragen in het eerste blok: de effectiviteit van de handhaving.
Minister Aartsen:
Voorzitter, dank. Er zijn een aantal vragen gesteld over de
effectiviteit van dit wetsvoorstel: hoe zit het met de werking ervan en
hoe kan het worden toegepast? Het is misschien goed om daar wat woorden
over te zeggen. Het rechtsvermoeden heeft uitsluitend een
civielrechtelijke werking. Dat is ook logisch, want we spreken hier over
het Burgerlijk Wetboek en arbeidsovereenkomsten zijn in beginsel
civielrechtelijk. Vandaar dat dit ook een civielrechtelijk
rechtsvermoeden is. Dat betekent dus dat het tussen twee verschillende
partijen is. Derden kunnen dan ook niet zelfstandig, zonder tussenkomst
van beide partijen, een beroep doen op dit rechtsvermoeden.
Het is natuurlijk wel zo dat een vertegenwoordiger van een van die twee
partijen — in normalemensentaal: een werknemer/opdrachtnemer — zich kan
laten vertegenwoordigen, onder andere door een vakbond. Een vakbond kan
als vertegenwoordiger van een of meerdere werkenden een beroep doen op
dit rechtsvermoeden. In theorie kan dit overigens ook een
pensioenuitvoerder zijn. Die vraag werd ook gesteld ten aanzien van het
pensioen. We zien dat dat in de praktijk wat minder voor de hand ligt.
Het is natuurlijk zo dat een vertegenwoordiger van een van die twee
partijen wel een beroep zou kunnen doen op dit rechtsvermoeden. Het
rechtsvermoeden werkt niet door in de fiscaliteit, ook niet in de
socialezekerheidswetgeving en arbeidswetgeving. Het is natuurlijk wel zo
dat het voor de handhavende partijen … Als de rechter besluit dat iets
een arbeidsovereenkomst is, dan zit daar natuurlijk wel weer relevantie
in, maar dat gaat niet rechtstreeks naar het rechtsvermoeden.
Dan is het natuurlijk de vraag waarom je dit niet gewoon
publiekrechtelijk doet. De reden daarvoor is meerledig. Nogmaals, dit is
een civielrechtelijk rechtsvermoeden. Je kunt daar niet zomaar in
treden, ook niet als publiekrechtelijke handhaving. Dat is één. Ten
tweede zien we dat het type rechtsvermoeden, namelijk een uurtarief,
onuitvoerbaar is voor de Belastingdienst, het UWV en de Nederlandse
Arbeidsinspectie omdat die geen zicht hebben op de opbouw en op de
toepassing van dat uurtarief. Ik maak ook altijd de verwijzing dat er
heel veel zzp'ers zijn die tegen mij zeggen: "Waarom kunnen we niet
gewoon zeggen: we pakken een uurtarief. Dan zijn we van alle problemen
met de Belastingdienst en de handhaving af." Dit idee horen we heel
vaak. Sterker nog, dit hebben we in het verleden zó vaak gehoord dat een
van mijn voorgangers, de heer Koolmees, dit tot een wetsvoorstel heeft
proberen te maken. Maar de conclusie was dat hij vastliep in de
uitvoering. Ik verwijs dan naar een brief uit 2020. Ik doe het even uit
mijn hoofd, maar daarin is volgens mij uitgelegd dat het echt onmogelijk
is om dat te doen, omdat publiekrechtelijk handhaven op dat uurtarief —
mevrouw Van Ark noemde wat voorbeelden waarover ik zo nog wat zal zeggen
— niet te doen is. Daarom hebben we gezegd: we doen het
civielrechtelijk. De werkgevende weet precies hoe zijn inkomsten en
uitgaven eruitzien. Die weet hoe zijn uurbesteding is geweest. Die kan
dat als bewijslast aandragen op het moment dat hij dat rechtsvermoeden
zou willen inbrengen.
De voorzitter:
Minister, dit leidt tot een vraag van de heer Flach.
De heer Flach (SGP):
We halen dit allemaal overhoop om schijnzelfstandigheid te bestrijden.
Als we dan constateren dat het hier helemaal niet voor gebruikt kan
worden, dan verliest deze wet een belangrijk deel van z'n doel. Dit was
in de zaaltjes namelijk toch wel de tekst: dit was het makkelijkste
deel, want daaronder zou je wel kunnen vaststellen dat er wel sprake zou
moeten zijn van een of andere vorm van schijnzelfstandigheid. Ik zeg
niet dat dat in de zaaltjes gebeurde waar de heer Aartsen was, maar dat
hoorde je vaak. Kan er dan helemaal niets op het gebied van handhaving
met dat rechtsvermoeden? Kan het bijvoorbeeld geabstraheerd worden naar
een bepaald niveau, zodat je weet dat er in bepaalde sectoren gebruik
wordt gemaakt van een te laag uurtarief, zodat je daar publiekrechtelijk
risicogericht op kan handhaven?
Minister Aartsen:
Nee. Laten we even twee dingen uit elkaar halen. Dit wetsvoorstel regelt
een rechtsvermoeden voor de werkenden in relatie tot hun
werkgevers/opdrachtgevers. De kwalificatie van de arbeidsrelatie zit in
een ander wetsartikel. Dat ziet op Burgerlijk Wetboek 7:610. Daar passen
wij niks op aan. Of je nou wel of niet onder die €38 zit; dat zegt niets
over je wel of geen zzp'er bent. Het is dus geen harde grens. Het is
geen minimumtarief. Het is geen maximumtarief. Ook als je onder de €38
zit, kun je nog perfect zzp'er zijn, namelijk als je voldoet aan loon,
arbeid, gezag; zie de jurisprudentie over Deliveroo en Uber. Wat wij
hiermee doen, is zeggen dat we zien dat de kwetsbare positie wel onder
dat uurtarief zit. Ik weet niet meer welke spreker dat was — volgens mij
was het mevrouw Van Ark — die het SEO-rapport noemde. Er zijn wel
bepaalde indicaties dat daaronder de waarschijnlijkheid afneemt. Maar,
zoals de holistische toetsing van het arbeidsrecht zegt: je zult ieder
individueel geval apart moeten bepalen. Dat kan je dus niet met een
uurtarief doen, hoe graag we dat ook zouden doen en hoe praktisch dat
misschien zou zijn.
De voorzitter:
Er is een vervolgvraag van de heer Flach.
De heer Flach (SGP):
Dat begrijp ik, maar tegelijkertijd verliest de wet dan wel een
belangrijk deel van z'n aantrekkelijkheid, als we ooit al hadden gedacht
dat die erin zou zitten. Het gaat om kwetsbare mensen in kwetsbare
posities, die onderbetaald c.q. uitgebuit worden of in een
schijnzelfstandigenconstructie worden gebracht. Als we niet meer aan de
hand van het uurtarief kunnen bepalen of er een gereed vermoeden is, ook
niet geabstraheerd naar sectorniveau, dan blijft over het lef en de
alertheid van de werknemer zelf om een rechtsgang te starten, alleen, of
vertegenwoordigd door een vakbond of wat dan ook. Juist bij die mensen
gebeurt dat veel minder. Met andere woorden: laten we niet wat liggen
als we helemaal niets doen aan de publiekrechtelijke kant van de
handhaving?
Minister Aartsen:
Nee, omdat dit wetsvoorstel in mijn ogen losstaat van de aanname — die
hoorde ik een beetje in de vraag — dat er sprake is van
schijnzelfstandigheid; dat is niet te bepalen op basis van het uurtarief
en het rechtsvermoeden. Het is slechts een versterking van de
rechtspositie. Dat heeft uiteindelijk, denk ik, drie hele sterke
preventieve en normerende effecten. Het zorgt er ten eerste voor dat er,
voordat er überhaupt een overeenkomst van opdracht wordt aangegaan, door
zowel de werkende als de opdrachtgever wordt nagedacht: "Kan dit
eigenlijk wel op deze manier? Of is dit stiekem misschien toch een
arbeidsovereenkomst? Moet ik niet bepaalde dingen in de werkzaamheden
aanpassen om te voorkomen dat ik zo meteen aan een arbeidsovereenkomst
vastzit en zodat ik zeker weet dat dit een zzp'er is?" Daarop heeft het
dus een preventieve werking. Het versterkt de positie op het moment dat
een werkende zegt: ik vind dat ik eigenlijk werknemer ben; ik claim mijn
rechten. Op dat moment wordt de bewijslast verlegd naar de werkgever.
Dat betekent dat een werkgever zal denken: sta ik eigenlijk wel stevig
genoeg in mijn schoenen om naar de rechter te gaan of zal ik de persoon
in kwestie nu maar gewoon een arbeidsovereenkomst geven? In het gesprek
op de werkvloer wordt de onderhandelingspositie van de werkende
versterkt. Dat is twee. Ten derde biedt het überhaupt een rechtspositie
in de rechtbank. Het klopt dat je dan al een paar stappen verder bent,
maar die drieslag is volgens mij heel verstandig voor de effectiviteit
van dit wetsvoorstel.
De voorzitter:
Meneer Flach, tot slot.
De heer Flach (SGP):
Ik sluit af met een hele korte vraag. Hoor ik de minister dan zeggen dat
de Belastingdienst helemaal niets gaat doen met deze wet?
Minister Aartsen:
Dat klopt. De Belastingdienst heeft geen rol bij de handhaving van deze
wet. Nogmaals, ik denk dat je wat doet met deze drie preventieve dingen.
Wat betreft de kwalificatievraag en de loonheffingsdiscussie die we
hebben, heb ik mijn hoop gevestigd op de Zelfstandigenwet. Daarin hopen
we deze problemen wél op een goede manier te kunnen adresseren.
Nogmaals, het is dus echt een eerste stap binnen breed
wetgevingsbeleid.
Voorzitter. Ik heb daarmee overigens de vragen beantwoord over de
publiekrechtelijke toetsing en de effectiviteit.
Er zijn ook van de andere kant wat vragen gesteld. "Zorgt dit er nou
niet voor dat mensen onbedoeld in loondienst worden geduwd of dat er
minder mensen als zzp'er zullen worden ingehuurd?" Mijn antwoord daarop
is ook nee. Het is dus geen minimumtarief. Ook onder dit tarief kan er
nog gewoon met zelfstandigen worden gewerkt. Het is ook niet zo dat als
men boven dit tarief zit, er automatisch geen sprake meer kan zijn van
schijnzelfstandigheid. Dit tarief zegt niks over de mate van
schijnzelfstandigheid. Het is wel zo dat er onder dit tarief een extra
prikkel zit om goed na te denken over of de arbeidsrelatie en de
arbeidskwalificatie kloppen. Daarmee wordt iemand dus gedwongen om daar
goed over na te denken.
Als je kijkt naar de periode waaruit we komen, dan denk ik dat het
alleen maar verstandig is. De onzekerheid en onrust op dit moment in de
markt komen juist voort uit een reactie van heel veel opdrachtgevers.
Die zeggen: "Ik weet niet precies hoe het zit. Daarom neem ik maar het
zekere voor het onzekere. Ik wil geen risico lopen, dus ik huur geen
zzp'ers meer in. Ik sluit zzp'ers categorisch uit." Dat is de reden
waarom dit kabinet ook heeft gezegd dat het komt met de publiekscampagne
Zo kan zzp wél, met een knipoog naar de heer Neijenhuis. Dat doen we om
uit te leggen aan welke spelregels je moet voldoen als je met een zzp'er
wil werken. Dat betreft uiteindelijk de simpele vraag waarmee ik dit
debat begon: wanneer kun je nou als zzp'er of met zzp'ers werken? Al met
al is er dus geen reden voor terughoudendheid op dit vlak.
Er zijn een paar vragen gesteld over hoe het nou zit met zzp'ers die
bewust kiezen voor een lager tarief. "Worden die nou niet in loondienst
geduwd?" Nee. Ik zeg er wel bij, ook in reactie op wat mevrouw Patijn
zegt, dat ook die mensen niet automatisch die keuze hebben. Je dient je
wel te verhouden tot het arbeidsrecht, met loon, arbeid en gezag. Dat
van Deliveroo en Uber is nog steeds geldig, ook al doe je geen beroep op
het rechtsvermoeden. Het rechtsvermoeden is verder weerlegbaar, ook weer
door de werkgever. Stel dat de werkgever hier goed over zegt te hebben
nagedacht en er is sprake — dat is ook een van de vragen — van mogelijk
misbruik van een werkende die achteraf zegt: ik wil toch graag wel
werknemer zijn, want dat scheelt een hele hoop gedoe. Dan is het niet zo
dat je automatisch een arbeidsovereenkomst krijgt. Je moet überhaupt
aantonen dat je op die €38 zit. Vervolgens kan een werkgever dat ook
netjes weerleggen door te zeggen: Nee, wacht even, ik heb nog eens
gekeken naar Deliveroo en Uber, zo en zo zit het. Dat automatisme zit er
nu ook niet in. Dus de zorgen ten aanzien van misbruik zie ik
niet.
Er zijn vragen gesteld over de verschillende getallen die zijn genoemd,
ook in de memorie van toelichting. Het rapport over grip op zzp stelt
dat in 9% geen sprake is van een vrije keuze. In een ander rapport wordt
uitgegaan van 2,7%. Laatst is er ook weer een rapport uitgekomen waarin
wordt gesproken over 4% gedwongen zelfstandigheid. Overigens lopen hier
twee dingen door elkaar heen. Je hebt gedwongen zelfstandigen en
schijnzelfstandigen. Dat zijn verschillende dingen.
Al met al denk ik dat het heel ingewikkeld is om deze exacte cijfers met
exacte wetenschap vast te stellen. Ze geven volgens mij allemaal een
richting aan waarbij de een wat meer aan de bovenkant zit en de ander
meer aan de onderkant. Volgens mij is de afdronk hiervan dat het ook in
absolute zin nog steeds over een significante groep zal gaan.
Ik vond de woorden van de heer Boon ook wel goed: als we de gedwongen
zelfstandigheid, of het nu 2,7% of 9% is, niet aanpakken, zullen we
altijd een discussie blijven houden, waarbij de goeden onder de kwaden
zullen lijden. De voorbeelden die ook hier in dit debat genoemd worden,
zullen dan leidend worden in de zzp-discussie, terwijl een grote groep
zzp'ers gewoon rust en erkenning willen en gewoon willen doorgaan met
waar zij mee bezig zijn.
Voorzitter. Dan de toegang tot de rechter.
De voorzitter:
Voordat u daaraan begint, een interruptie van de heer Ceulemans.
De heer Ceulemans (JA21):
Het loopt inderdaad vaak door elkaar heen. Het gaat in de praktijk om
gedwongen zelfstandigheid. Ik denk dat niemand het ermee oneens zal zijn
dat dit principe aangepakt moet worden. Maar ook het Adviescollege
toetsing regeldruk zegt dat je voordat je hiermee aan de slag gaat — hoe
je het ook wendt of keert, uiteindelijk kan het tot meer regeldruk gaan
leiden — wel de omvang van het probleem in kaart moet hebben. De
minister zegt dat er verschillende onderzoeken zijn, maar in de
voetnoten van de memorie van toelichting wordt onder meer verwezen naar
een onderzoek van vijftien jaar oud. Vindt de minister het ook niet een
beetje mager om op die basis deze wetgeving te stoelen, ook gelet op wat
het Adviescollege toetsing regeldruk daarover zegt?
Minister Aartsen:
De cijfers lopen uiteen. Het advies is natuurlijk niet alleen op dat ene
onderzoek gestoeld. Ik noemde net al het "grip op zzp"-dossier, waarin
wordt gesproken over 2,7%. Het rapport van ZEA uit 2021 spreekt over 4%
van de zzp'ers die liever als werknemer werkt. Dan hebben we het dus
over gedwongen zelfstandigen en niet zozeer over schijnzelfstandigen.
Dan hebben we het nog steeds over een grote groep werkenden die hier de
dupe van is. Dat is een reden voor mij om dit aan te pakken.
Een tweede reden is, nogmaals, dat dit soort verhalen over misbruik,
onderbetaling en uitbuiting de discussie domineren, wat ten koste gaat
van de goedwillende zzp'ers. Dat vind ik vervelend. Juist indachtig de
gedachte om de problemen heel gericht aan te pakken, zodat we op andere
plekken wat meer ruimte en duidelijkheid kunnen bieden, vind ik het heel
verstandig om dit aan te pakken.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van de heer Ceulemans.
De heer Ceulemans (JA21):
Daar ben ik het uiteraard mee eens. Sterker nog, ik heb er ook voor
gepleit om dit soort problemen gericht aan te pakken. Maar het is
natuurlijk wel relevant om enigszins een beeld te hebben van de omvang
van het probleem, ook in de weging of het wetsvoorstel proportioneel is.
Laat ik het dan als volgt vragen. In het wetsvoorstel zoals het nu
voorligt, wordt gesproken over ongeveer 9%. De minister zelf heeft in
een andere rol een wetsvoorstel geschreven waarin naar ik meen wordt
uitgegaan van 2,7%. Waar komt het nu op neer? Kan de minister grosso
modo een uitspraak doen over de bandbreedte waarbinnen het percentage
ligt?
Minister Aartsen:
Ik kan niet zeggen: laten we dit of dat getal nemen. Er zijn meerdere
onderzoeken die in een bepaalde richting wijzen. 9%, 2,7% en 4% liggen
ook niet extreem ver van elkaar af. Het gaat om een significante groep.
Het aantal zzp'ers ligt op 1,2 miljoen, waarvan 1 miljoen zzp'ers eigen
arbeid. Of je nu 9%, 2,5% of 4% pakt, het is nog steeds een significante
groep. Volgens mij is de groep groot genoeg om, ervan uitgaande dat de
goeden niet onder de kwaden mogen lijden, dit aan te pakken. Ik vind dat
voldoende onderbouwing voor dit wetsvoorstel.
De voorzitter:
Tot slot de heer Ceulemans.
De heer Ceulemans (JA21):
Ja, tot slot. Misschien dat de minister daar verderop in zijn
beantwoording nog op terugkomt. Anders is misschien nu een goed moment.
Kan hij dan nog wel reageren op wat het Adviescollege toetsing regeldruk
zegt over de potentiële regeldruk die dit veroorzaakt, in relatie tot
onduidelijkheid over de omvang van het probleem?
Minister Aartsen:
Ik zat even te bladeren, maar ik denk dat ik deze vraag uit mijn hoofd
kan beantwoorden. Het ATR zegt inderdaad twee dingen. Aan de ene kant
zegt het dat het zorgt voor een verlichting van de regeldruk bij
werkenden. Aan de andere kant zorgt het voor een lichte stijging van de
regeldruk aan de werkgeverskant of opdrachtgeverskant. Dat moet je
vervolgens wegen. Ik denk dat het hier proportioneel is, omdat volgens
mij duidelijkheid in wetgeving juist van extreem belang is voor
ondernemers. Wat we nu zien, is dat er al jarenlang, en nog steeds, veel
onduidelijkheid en veel onzekerheid is bij veel ondernemers. Die durven
soms geen zzp'ers aan te nemen. Als ze dat wel doen, kijken ze naar de
Belastingdienst ten aanzien van de handhaving. Er is veel ruis, veel
onzekerheid, veel onduidelijkheid. Als er iets niet goed is in het kader
van regeldruk, is dat het wel.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.
Minister Aartsen:
Een aantal vragen van de fractie van D66 en de PVV over de toegang tot
de rechter. Zoals ik al eerder heb gezegd, heeft het wetsvoorstel
primair een preventieve werking. Een derde kan dus niet ingaan op het
rechtsvermoeden, maar ze kunnen zich wel laten helpen, bijstaan of
vertegenwoordigen door bijvoorbeeld de vakbond of een
rechtsbijstandsverzekeraar, een Juridisch Loket of een ondernemersraad.
In het arbeidsmarktpakket zijn ook afspraken gemaakt over de toegang tot
het recht voor kwetsbare werknemers. Dat wordt ingevuld door betere en
toegankelijkere informatie en door advies, onder andere via de vakbonden
en het Juridisch Loket. Per 1 maart 2025 is een pilot gestart voor de
laagdrempelige geschillenbescherming, dus de regelrechter. De werknemers
kunnen hierbij laagdrempelig, via een onlineformulier, een vordering bij
de rechter indienen en daarmee dus ook een beroep doen op dit
rechtsvermoeden. Die pilot staat dus ook open voor geschillen waarin een
beroep wordt gedaan op het rechtsvermoeden.
De voorzitter:
Minister, dat leidt tot een vraag van de heer Neijenhuis.
De heer Neijenhuis (D66):
Ik begrijp inderdaad dat die regelrechter ook voor dit rechtsvermoeden
openstaat, maar er moet dan wel sprake zijn van een vordering en dat is
niet in alle gevallen het geval. Ik weet niet precies hoe die
verhoudingen lopen, maar is de minister in ieder geval bereid om nader
uit te zoeken of die gang naar de regelrechter voor iedereen die zich op
het rechtsvermoeden zou willen beroepen inderdaad mogelijk is en om,
indien dat niet het geval is, die mogelijkheid toe te voegen?
Minister Aartsen:
Ja, dat kan ik toezeggen.
De voorzitter:
Genoteerd.
Minister Aartsen:
Dan nog een aantal andere vragen over dit onderwerp. Mevrouw Patijn
vroeg mij nog het volgende. Stel dat je nu voor een arbeidsovereenkomst
gebruikmaakt van het rechtsvermoeden: op welk type contract heeft een
werkende dan recht of welk recht kan hij dan opeisen? Ik moet daarbij
zeggen dat dit geen nieuw vraagstuk is. Dat rechtsvermoeden creëert
hetzelfde als wat je nu hebt als je een beroep doet op artikel 610. Als
een rechter daarbij oordeelt dat iemand een arbeidsovereenkomst heeft,
wordt dat nu ook al op een bepaalde manier afgewogen. Dit wetsvoorstel
sluit dus ook bij die rechtspraktijk en die jurisprudentie aan. Als
blijkt dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst wordt er vooral
gekeken naar de urenomvang en ook naar de specifieke omstandigheid van
het geval, zoals dat in het recht altijd gebeurt.
Mevrouw Patijn gaat mij natuurlijk vragen hoe dat precies zit, dus ik
denk: ik ga bij doorvragen maar gewoon het blokje voorlezen. Als er
bijvoorbeeld sprake is van een specifieke einddatum, ligt het namelijk
voor de hand dat de rechter zal oordelen dat er sprake is van een
arbeidsovereenkomst van bepaalde tijd. Als er in de overeenkomst van de
opdracht geen einddatum is afgesproken, is het logischer dat de
arbeidsovereenkomst eerder van onbepaalde tijd zal zijn. Als er wordt
gekeken naar de urenomvang kan worden aangesloten bij het vaste aantal
uren dat eventueel is overeengekomen. Mocht dat niet zijn
overeengekomen, dan wordt er weer naar andere bepalingen gekeken. Dan
biedt artikel 610, lid b van het Burgerlijk Wetboek Boek 7 ook weer
uitkomst, want daarin wordt gekeken naar de omvang die vermoedelijk
gelijk dient te zijn aan het gemiddelde van de arbeid over de drie
voorafgaande maanden. Tot slot. Op grond van artikel 628a, lid 5 van het
Burgerlijk Wetboek Boek 7 dient een werkgever na elke twaalf maanden een
vaste arbeidsomvang aan te bieden die gelijk is aan de gemiddelde omvang
in de voorafgaande periode van twaalf maanden. Tot zover de
duidelijkheid uit ons Burgerlijk Wetboek, maar het is wel goed om dit
even te benoemen, omdat het natuurlijk wel onderdeel uitmaakt van de
wetsgeschiedenis. Vandaar dat ik het even voorlas.
De heer Flach heeft mij nog een aantal vragen gesteld over een aantal
specifieke sectoren: jongeren of studenten dit als bijbaan doen. Ik denk
dat het niet nodig is om voor deze specifieke groepen een
uitzonderingspositie op het rechtsvermoeden te hanteren, omdat ik al
eerder zei dat het feit dat je onder de €38 zit niet bepaalt of je wel
of niet als zzp'er kunt werken. Je kunt bijverdienen als je onder de €38
zit, ook bij platforms zoals genoemd in het debat. Daar heeft het
rechtsvermoeden in beginsel niks mee te maken. Je moet dan voldoen aan
de reeds bestaande jurisprudentie van Deliveroo of Uber om te bepalen of
je een zelfstandige bent of dat je een arbeidsovereenkomst hebt. Er zal
onder dit tarief natuurlijk wel een soort extra check zijn om te zien of
er geen sprake is van schijnzelfstandigheid. Daarom kan ik de heer Flach
toezeggen dat ik ook in de communicatie goed wil meenemen wat ik net
zei, namelijk dat een tarief onder de €38 niet automatisch betekent dat
je als zelfstandige of als student niet meer kunt bijverdienen; dat
waren de mooie voorbeelden van de heer Flach. Dat kan nog gewoon als je
voldoet aan de reeds lopende jurisprudentie. Dat kunnen we mooi meenemen
in de campagne Zo kan zzp wél.
Dan denk ik … Nee, nog één vraag.
De voorzitter:
De heer Flach over dit laatste punt van de minister.
De heer Flach (SGP):
Ik ga niet alles herhalen, want we hebben het debat in de eerste termijn
van de Kamer vrij uitgebreid gevoerd, maar ziet de minister niet het
risico dat dit door werkgevers toch als een groot risico wordt gezien
omdat de afstand tot met name de €38 echt heel groot is? Je moet met de
rest van je omstandigheden de boel dus behoorlijk dichtgespijkerd
hebben, want de kloof met €38 is in het geval van die jongeren niet een
paar euro. Is de minister niet met mij bang dat dit voor werkgevers echt
een soort drempel wordt om dit te blijven doen?
Minister Aartsen:
Nee, want voor de kwalificatie of je zzp'er bent, maakt het niet uit of
je €9, €20, €38, €138 of €238 per uur verdient. Dat maakt niet uit voor
de kwalificatie "ben je zzp'er of ben je werknemer?" Dit is precies de
onduidelijkheid die ik probeer weg te nemen. Dat maakt dus helemaal niks
uit. Het enige wat we doen, is dat we de mensen die op dit moment als
zzp'er onder de €38 werken, extra hulp bieden: als je eigenlijk vindt
dat je op grond van de jurisprudentie werknemer bent omdat je niet je
eigen uren mag bepalen, omdat je maar voor één werkgever werkt, omdat je
eigenlijk precies hetzelfde doet als alle andere mensen, die wél een
arbeidsovereenkomst hebben, en omdat je geen enkele vorm van vrijheid,
autonomie, eigen regie et cetera hebt, dán kun je zeggen dat je recht
hebt op een arbeidsovereenkomst. Dat gesprek maken we in preventieve zin
veel beter mogelijk met dit wetsvoorstel.
De voorzitter:
De heer Flach heeft een vervolgvraag.
De heer Flach (SGP):
Het is goed dat de minister dit ook blijft herhalen in de
verduidelijking. Dat zal ook in de communicatie heel duidelijk moeten
zijn, juist ook omdat een wet die spreekt over "rechtsvermoeden" toch
suggereert dat over iemand die er niet aan voldoet het vermoeden dat er
sprake is van schijnzelfstandigheid sneller rijst als die onder de €38
zit dan daarboven. De minister zei dat ook min of meer in een bijzin.
Mijn vraag daarbij is hoe je dat weg kunt nemen in de communicatie.
Minister Aartsen:
Door in de publiekscampagne duidelijk te maken: zo kan zzp wél en als u
aan deze spelregels voldoet, dan is het vrij aannemelijk dat u als
zelfstandige of met zzp'ers kunt werken. Dat zal ik voor iedereen doen,
dus voor mensen boven én onder de €38. Uiteindelijk gaat het dus niet om
dat uurtarief, maar om de spelregels. Die proberen we duidelijk te
krijgen. Dat doen we zowel met die publiekscampagne als met een nieuwe
wet.
Voorzitter. Dan heeft mevrouw Patijn mij nog vragen gesteld over de
Wtta, de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten, uit
mijn hoofd. Zeg ik het nou goed? Ja, hè? De vragen waren wat we nou doen
met de handhaving op schijnzelfstandigheid bij bureaus die hierin
bemiddelen en of die €38 geen rol kan spelen in het normenkader. Dat
klinkt op zichzelf natuurlijk interessant, omdat de Wtta natuurlijk ook
bedoeld is om vooral bij uitzendbureaus en bij bemiddelingsbureaus
problemen met verloning aan te pakken. De Wtta heeft een mooi
normenkader waarbinnen je dit zou kunnen doen, maar ook hier lopen we
weer tegen het probleem aan dat het civielrechtelijke rechtsvermoeden
iets is tussen de werkende en de opdrachtgever. Het bemiddelingsbureau
speelt hier dus ook geen rol in, en de handhaving op het
bemiddelingsbureau ook niet. Daarom is het ook niet mogelijk om dit
vervolgens weer publieksrechtelijk via het Wtta-stelsel te handhaven. Er
is namelijk ook geen zicht op de mogelijke werking van het
rechtsvermoeden tussen het bureau en de zelfstandige. Daarom kan dit
geen onderdeel uitmaken van het normenkader.
Ik ga nu zeggen wat we wel kunnen doen; dat helpt misschien ook.
De voorzitter:
Mevrouw Patijn, zal ik de minister even zijn zinnetje laten afmaken? Dan
kom ik direct bij u. Nou, mevrouw Patijn over de techniek op dit
punt.
Minister Aartsen:
De techniek van de Wtta gaat bij mij ook weer een jaar of anderhalf
terug.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Het komt heel langzaam weer terug. Ik hoor de minister zeggen dat er
geen bestuursrechtelijke handhaving wordt gedaan. Nou zit er in dat
normenkader ook heel veel privaatrechtelijk recht. De gelijke beloning
van de arbeidsovereenkomst zit ook gewoon opgenomen in dat normenkader.
Ik vroeg me dus af of er niet toch iets meer ruimte zou zitten.
Minister Aartsen:
Ik vrees dat het heel moeilijk is om het in het normenkader te doen,
omdat je er, nogmaals, mee zit dat het rechtsvermoeden echt onderdeel
uitmaakt van de relatie tussen werkenden en werkgevenden, en niet van
een derde partij die daartussenin zit. De Wtta ziet nou juist op de
derde partij daarin. Dat is overigens alleen zo als die partij een
uitzendbureau is. Dat is dus ingewikkeld.
Maar daarom wou ik eigenlijk het bruggetje maken naar wat ze misschien
wel zouden kunnen doen. Ook indachtig wat ik net zei, is mijn doel
namelijk om te pacificeren. Mijn doel is om te kijken of het lukt om de
problemen die er zijn aan te pakken op een manier waarmee je de zzp'ers
de ruimte geeft. Ik wil dus gaan kijken of we hier misschien iets op
kunnen doen. We zien namelijk dat er wel echt problemen zijn in bepaalde
sectoren. We zien problemen bij uitbuiting, bij arbeidsmigranten, en bij
schijnzelfstandigheid. Daar zien we gewoon vervelende dingen die we
eigenlijk liever niet zien. En we zien dat het zzp-schap of de
bemiddelingsbureaus daarin ook een rol spelen waarvan wij vinden dat ze
die niet zouden moeten spelen. De handhaving van schijnzelfstandigheid
zit natuurlijk grotendeels en primair bij de Belastingdienst, omdat de
Belastingdienst toeziet op goede naleving van de loonheffing. Het UWV
doet ook wat, maar het zwaartepunt zit bij de Belastingdienst. Ik wil
dus eigenlijk even kijken of we dit punt van mevrouw Patijn, dat ik een
heel wezenlijk punt vind, nou niet met de Arbeidsinspectie kunnen
oppakken. Hoe kunnen we er nou voor zorgen dat we kunnen ingrijpen op
het moment dat er eigenlijk een miskwalificatie is van die
arbeidsrelatie, in een sector waarin we die problematiek zien, waarbij
die miskwalificatie ook stelselmatig wordt gebruikt om te werken op een
manier die we niet goed vinden? We willen kunnen ingrijpen door middel
van de Nederlandse Arbeidsinspectie. Dat zou ik eigenlijk als toezegging
willen doen aan mevrouw Patijn, dus dat we verdergaan op dat pad en
erover na gaan denken, en dat we misschien ook voor mevrouw Patijn even
in kaart brengen wat we daar het komende halfjaar al kunnen doen om de
problemen die mevrouw Patijn aangeeft — die problemen zie ik ook — op
een bepaalde manier kunnen aanpakken. Dan gaat het ook om de gevaren van
ontduiking van de Wtta en het waterbedeffect. Dat wilde ik eigenlijk als
toezegging doen. Ik hoop dat mevrouw Patijn daar tevreden mee is.
De voorzitter:
Dat gaan we nu horen.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Fijn, die toezegging. Wel hoor ik de minister zeggen: een halfjaar. Ik
had gehoopt dat we het wellicht al bij het volgende arbeidsmarktdebat
zouden hebben, maar …
Minister Aartsen:
Dat is al snel.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Dat is in mei al, hè, denk ik. Ja. Heel fijn dus. Ik zou het wel fijn
vinden als er nog iets van een datum aan gekoppeld kan worden. En ik
hoop dat kan worden meegenomen wat het rechtsgevolg is áls er
gehandhaafd wordt. Ik neem aan dat de minister daar straks ook nog op
komt. Volgens mij is het rechtsgevolg voor de Belastingdienst vooral dat
er premies en boetes opgelegd worden, maar niet dat er een
arbeidsovereenkomst ontstaat. Als de Arbeidsinspectie een rol krijgt,
zou het mooi zijn als het rechtsgevolg bij handhaving leidt tot een
arbeidsovereenkomst, zodat iemand niet zijn opdracht én de
arbeidsovereenkomst kwijt is, maar een arbeidsovereenkomst krijgt.
Minister Aartsen:
Dat punt kunnen we ook meenemen, en we kunnen toezeggen om dat voor de
Indian summer te doen. Ik weet dus niet of het exact voor de zomer lukt,
maar wel in die hoek ergens!
De voorzitter:
Goed. Na de zomer.
Minister Aartsen:
Rond de zomer.
Voorzitter. Dan ga ik naar het blokje tarief. Daar zijn ook een aantal
vragen over gesteld. Er is gevraagd hoe dat is vormgegeven, maar vooral
ook wat je doet op het moment dat mensen proberen om daar net onder of
net boven te gaan zitten. En wat doe je als je een andere manier van
berekenen hebt of andere prijsafspraken hebt gemaakt, bijvoorbeeld op
basis van het totaalbedrag of per product? De vertalers werden al
genoemd. Dat kunnen we niet allemaal in een wet vatten; laat ik daarmee
beginnen. Laten we alsjeblieft niet proberen om wetten zó te maken dat
je ieder specifiek muizengaatje dicht kan smeren, want dan wordt het een
helwetgeving. Daarom hebben we nagedacht over wat je slim kunt doen aan
de voorkant, dus een uurtarief dat op een redelijke manier is opgebouwd
en waar je logisch naartoe kunt werken, ook als je per product of op
totaalbasis wordt betaald, of als je bijvoorbeeld veel niet-declarabele
uren hebt. Ook dat zie je in een aantal sectoren; de kunstensector is er
daar eentje van. Daarom is die €38 op een bepaalde manier opgebouwd,
zodat de juiste waarborgen in de berekening zitten. Het uurtarief is
gebaseerd op 120% van het wettelijk minimumloon. Hiervoor is gekozen
vanwege het doel van het beschermen van kwetsbare werkenden. Vervolgens
is er een opslag berekend van 25% voor de kosten die je zou moeten
hebben voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering en het pensioen.
Daarnaast is er gerekend met 15% voor algemene kosten die niet specifiek
aan de opdracht zijn toe te rekenen, zoals algemene investeringskosten
et cetera, et cetera. Vervolgens is er een factor 1,5 gehanteerd voor
uren die niet declarabel of factureerbaar zijn. Tot slot is het bedrag
naar boven afgerond, zodat je uiteindelijk voor 2026 op een tarief van
€38 uitkomt.
Dat is een tarief waar je naartoe kan rekenen, ook als je veel
niet-declarabele uren hebt, als er algemene investeringskosten zijn, als
je met een totaalbedrag werkt of als je werkt met een bedrag per
product, dat niet toe te rekenen is aan een uur. Uiteindelijk is het aan
de werkende zelf om bijvoorbeeld op basis van een eigen systeem voor het
schrijven van uren bij te houden hoe de kosten uiteindelijk terug te
voeren zijn op het aantal uur. Dat is relatief makkelijk te berekenen,
natuurlijk. Dan zou je met €38 de juiste waarborgen moeten hebben
ingebouwd om de verschillende muizengaatjes die zijn genoemd in den
brede te kunnen ondervangen. Het bedrag wordt overigens op dezelfde
manier geïndexeerd als het wettelijk minimumloon.
De heer Ceulemans (JA21):
In de opsomming noemt de minister ook waarmee gerekend wordt bij
niet-factureerbare uren. Ik had nog gevraagd of de minister een meer
recente inschatting heeft van het percentage uren dat zelfstandigen wel
of niet kunnen factureren. Volgens mijn informatie wordt nu namelijk
uitgegaan van een aandeel factureerbare uren op basis van het oude
onderzoek.
Minister Aartsen:
Ik denk dat dat ook lastig is, omdat dat ook per beroepsgroep enorm zal
verschillen, vandaar dat we verschillende waarborgen hebben ingebouwd op
die verschillende niveaus, dus niet-factureerbare uren, algemene kosten
en aov en pensioen. Je gaat dit nooit goed krijgen voor alle specifieke
gevalletjes. Dat gaat gewoon niet lukken. Je moet grote waarborgen
hebben voor die verschillende domeinen. Ik denk dat dat op deze manier
goed is gelukt. Ook gezien het laatste Knab-onderzoek naar tarieven in
bepaalde sectoren denk ik dat we dit best goed hebben gedaan.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van de heer Ceulemans.
De heer Ceulemans (JA21):
Oké. Het werd bij ons als bron van zorg aangedragen, van: volgens mij is
dit voor verschillende sectoren geen aantal dat mensen zelf herkennen,
ook vanwege de ontwikkelingen die er zijn geweest. Zoals ik al zei, is
de administratie door AI-toepassingen voor veel zzp'ers makkelijker en
efficiënter geworden. Maar als dit de cijfers zijn waar de minister over
kan beschikken, dan zij dat zo.
Dit is tevens een bruggetje. Ik moet helaas vertrekken — dat is
overmacht, want het loopt uit — maar ik ga met veel interesse het
restant van de beantwoording volgen vanaf een andere plek.
Minister Aartsen:
Ik zal extra hard mijn best doen op de antwoorden richting de heer
Ceulemans.
De voorzitter:
Minister, u zit in het blok tarief?
Minister Aartsen:
Ja, ik zit even te kijken.
Meneer Ceulemans had inderdaad nog een aantal hele specifieke vragen in
dit blokje. Hij vroeg of zzp'ers met een vaste prijs die achteraf meer
uren blijken te maken, zich alsnog kunnen beroepen op het
rechtsvermoeden. Het antwoord daarop is ja. Zoals bij het hele
wetsvoorstel geldt, dient een werkende wel aannemelijk te maken dat het
overeengekomen totaaltarief inderdaad niet leidt tot een uurtarief dat
lager is dan het uurtarief in dit wetsvoorstel. De toets of er sprake is
van een arbeidsovereenkomst, verandert door dit tarief uiteindelijk
niet. Dat hebben we al eerder gezegd.
Dat geldt ook voor de vraag hoe een opdrachtgever vooraf moet inschatten
of het effectieve uurtarief boven of onder de grens ligt. De vraag was
ook of er dan geen strategisch gedrag komt ten aanzien van het claimen
van de arbeidsovereenkomst. Het antwoord daarop is nee, omdat de toets
of er sprake is van een arbeidsovereenkomst niet afhangt van of je boven
of onder het uurtarief zit; die hangt ervan af of je voldoet aan de
Deliveroo- en Uber-gezichtspunten en de holistische weging daarin. Dat
staat los van het uurtarief. Het uurtarief is slechts een
rechtsvermoeden voor een arbeidsovereenkomst, waarbij je een steuntje in
de rug geeft, zoals eerder gezegd.
De heer Ergin vroeg mij nog of we aan de voorkant hebben gekeken of we
dit tarief niet kunnen gebruiken voor wetgeving, en of we niet iets met
minimumtarieven of sectorale tarieven kunnen doen. Het antwoord daarop
is nee. Dat is al eerder gedaan — ik zeg het nogmaals — door mijn
voorganger Koolmees. Het is vooral belangrijk dat we op een goeie manier
die kwalificatie vormgeven. Dat doen we in de Zelfstandigenwet.
Voorzitter. Dat is het bruggetje naar blokje drie, de
Zelfstandigenwet.
De voorzitter:
Dank u wel. Daar gaan we naar luisteren: de Zelfstandigenwet.
Minister Aartsen:
De Zelfstandigenwet. Zoals eerder aan de Kamer gemeld willen wij echt zo
snel mogelijk aan de slag met de Zelfstandigenwet. De uitgangspunten
zijn door de verschillende Kamerfracties vervat in het
initiatiefwetsvoorstel. Ik hoop het wetsvoorstel snel van de
Kamerfracties naar het kabinet overgedragen te krijgen. Ik zeg er wel
bij: ik ga hier echt goed mee aan de slag, want we hebben hier met alles
wat er nu gebeurt volgens mij een unieke kans om nogmaals in te zetten
op een breed gedragen en zorgvuldig zzp-beleid dat dit probleem echt
voor eens en voor altijd de wereld uit zal helpen.
Over de precieze invulling. Nogmaals, de uitgangspunten van de
Zelfstandigenwet zijn leidend, maar we gaan ook echt even goed kijken
met arbeidsrechtjuristen, met allerlei deskundigen en met
zelfstandigenorganisaties — heel veel zelfstandigenorganisaties hebben
al aangeboden om mee te denken op specifieke punten — met de sociale
partners, de vakbonden en de werkgevers. Dat hebben we destijds als
Kamerleden al geprobeerd, maar dat willen nu ook zeker doen. We willen
goed nadenken over die Zelfstandigenwet. Welke elementen erin zijn goed
en welke elementen moeten worden aangepast? We willen ook heel
nadrukkelijk de Belastingdienst, het UWV en de Nederlandse
Arbeidsinspectie heel nauw bij dit proces betrekken. Uiteindelijk moet
dit wetsvoorstel gewoon behapbaar zijn en voor bijvoorbeeld de
Belastingdienst te doen zijn. Ik denk dat dat heel belangrijk is.
De vraag is gesteld hoe het met de planning zit. Daar zit het dilemma.
Ik dacht als Kamerlid: waarom duurt het maken van die wetten nou zo
lang? Inmiddels ben ik zelf minister en weet ik waarom het maken van die
wetten zo lang duurt: omdat de Kamer allerlei eisen heeft gesteld qua
wet- en regelgeving en omdat het allemaal zorgvuldig moet. Daarom zeg
ik: het is echt verstandig om nu even zorgvuldig naar die wet te kijken
voordat die naar de Raad van State gaat. Dat wil ik het komend halfjaar
echt even, ook met expertwerkgroepen et cetera, gaan doen. We willen
hier echt even gaan voor zorgvuldigheid en gedegenheid boven snelheid.
Dat is niet mijn natuurlijke houding, maar het is wel belangrijk. We
streven naar 1 januari 2028 als datum van inwerkingtreding. Dat zou
betekenen dat we aan het einde van dit jaar naar de Raad van State
kunnen. Als het ook goed is en goed uitvoerbaar is, met ook goede
uitvoeringstoetsen die op een gedegen manier zijn gedaan, dan hoop ik in
het volgende jaar snel met u als Kamer van gedachten te kunnen wisselen
en hoop ik ook te kunnen rekenen op een breed draagvlak in de
Kamer.
Mevrouw Patijn vroeg mij nog of ik kan toezeggen dat de bescherming van
werknemers niet zal worden aangepast. Het antwoord daarop is ja. De
doelstelling van de Zelfstandigenwet was nooit en is nog steeds niet
"aantasting van werknemersrechten". Het kernlid artikel 7:610 BW zal
niet worden aangepast. Er is in het initiatiefwetsvoorstel eerder door
de Kamer gekozen voor een vergelijkbare bepaling, dus zoals het vba-deel
uit de voormalige Vbar. Dat betekent dus een extra lid toevoegen aan
610, met daarin een spiegelbepaling met nogmaals die kernzin die
aangeeft wanneer je als zelfstandige kunt werken. We hebben in de wet
geregeld wanneer je werknemer bent. In het huidige voorstel van de
Zelfstandigenwet wordt geregeld wanneer je dat in ieder geval niet bent.
Op die manier heb je ook zo veel mogelijk zekerheid dat je zelfstandige
bent. Dat doen we nadrukkelijk zonder de bescherming die werknemers
verdienen. Mevrouw Van Ark zei dat terecht; een hele grote groep mensen
wil uiteindelijk ook gewoon een vaste aanstelling, een vaste
arbeidsovereenkomst. Die ontlenen daar heel veel zekerheid aan en die
willen we nadrukkelijk niet aantasten.
Dat is ook de vraag die mevrouw Patijn stelde over de SER. De SER heeft
in het MLT advies gegeven over het rechtsvermoeden. Dat voeren we hier
overigens mee uit. Over het vba-deel hebben ze nooit aangegeven dat dat
een belemmering vormde in de zin van een aantasting van 610. Als je dus
een vergelijkbaar deel pakt, zoals dat zal gebeuren in het vba-deel, is
mijn verwachting dat dat bij de Zelfstandigenwet ook niet het geval zal
zijn. Nogmaals, we kiezen namelijk voor een spiegelbegrip en voor niet
een aantasting van werknemersrechten.
Voorzitter. Dan de handhaving. Ik heb in reactie op de heer Flach al het
een en ander gezegd over de handhaving van dit rechtsvermoeden. De
Belastingdienst, het UWV en de Arbeidsinspectie kunnen geen beroep doen
op dit rechtsvermoeden, ook niet indirect. Dat is ook uitgebreid aan de
voorkant onderzocht.
Er is een vraag gesteld over de handhaving door de Belastingdienst,
breder over het zzp-beleid. In mijn brief heb ik al aangegeven dat ik
geen voorstander ben van zigzagbeleid. Als je wilt normaliseren, en dat
is uiteindelijk mijn doel, is het juist goed dat die handhaving wordt
voortgezet. We gaan wel kijken hoe we dat op een betere manier kunnen
doen, bijvoorbeeld door middel van een publiekscampagne waarin we
aangeven hoe zzp wél kan, met een positieve grondhouding richting
zzp'ers, en door uit te leggen hoe je het goed kunt doen en hoe je aan
de spelregels kunt voldoen. We moeten ook een duidelijke update geven
van het toetsingskader bij de Belastingdienst ten aanzien van Uber. De
eigen leidraad van de Rijksoverheid ten aanzien van Uber zal worden
geüpdatet, zodat er zoveel mogelijk duidelijkheid komt, ook in de
handhaving. Het blijft overigens wel goed om het wettelijk kader goed
vorm te geven, want de Belastingdienst doet enorm zijn best om zo goed
mogelijk te handhaven op basis van de huidige jurisprudentie. De Hoge
Raad heeft al twee keer gezegd dat de wetgever met een wettelijk kader
moet komen. De Belastingdienst en veel andere uitvoerders vragen terecht
om wettelijke verduidelijking, want dat maakt hun werk een stuk
makkelijker. Dat geldt ook voor zelfstandigen. Dat is mijn drijfveer om
dat wettelijk kader snel en zorgvuldig vorm te geven.
Dan heb ik het blokje varia.
De voorzitter:
Voordat u daaraan begint, is er een vraag van mevrouw Patijn.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
We hebben nog geen wettekst en we behandelen nog geen nieuwe wet; dat
komt allemaal nog. Dat maakt het best moeilijk om hier goed in te
duiken, maar ik probeer het toch scherp te krijgen. Die spiegelbepaling
waar de minister het over heeft, zat ook in de Vbar. Als ik het goed
begrijp, is het voornemen om daar nu vooral de wil van de zelfstandige
aan toe te voegen. Wat is nu precies het idee van wat er anders gaat
worden?
Minister Aartsen:
Nogmaals, dan ga ik vooruitlopen op de Zelfstandigenwet, en ik weet niet
of dat verstandig is om te doen. Ik wil echt het beeld en de
geruststelling geven dat er niet wordt gemorreld aan artikel 610 over
loon, arbeid en gezag. De Vbar zei dat gezag op een bepaalde manier moet
worden uitgelegd. In de Zelfstandigenwet staat een spiegelbepaling
daarvan, die zegt: het eerste lid van artikel 610 regelt wanneer je
werknemer bent, en in de spiegelbepaling wordt geregeld wanneer je dat
in ieder geval niet bent. Daarmee tast je de bescherming van het
arbeidsrecht voor werknemers niet aan, maar bied je wel zekerheid aan
zelfstandigen. Dat is volgens mij een goede balans, die in veel andere
West-Europese landen ook wordt gekozen om dit wettelijk zo te regelen,
zodat je de zekerheid die wij in Nederland aan werknemers bieden ook aan
zelfstandigen biedt. We doen dat op basis van twee principes: de
zelfstandigentoets en de werkrelatietoets. Die zijn daarin
gelijkwaardig. Laat ik ook echt de angst wegnemen dat het niet zo wordt
dat mensen zelf kunnen kiezen, ongeacht de spelregels: "doe mij dit
maar" of "doe mij dat maar". Die angst wil ik echt wegnemen bij mevrouw
Patijn.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Zo plat heb ik het ook nooit willen slaan. Die indruk is bij mij ook
niet gewekt.
Minister Aartsen:
Dan is dat al winst.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Die was ook niet eerder gewekt. Het gaat mij er wel om dat je misschien
toch iets aantast. Als je met spiegelbepalingen aan de slag gaat, ben ik
nog niet helemaal gerustgesteld. Het is op dit moment een onmogelijke
discussie. Het is een soort Droste-effect waar we nu in zitten. Ik weet
niet hoe ik dat moet noemen. In de kern ben ik nog niet
gerustgesteld.
Minister Aartsen:
We gaan hier nog over doorpraten.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Ik ga daar nog even naar kijken.
Minister Aartsen:
Dat is voor mij een aanmoediging om ermee aan de slag te gaan.
De voorzitter:
Daar komen we over te spreken met elkaar als het wetsvoorstel hier
voorligt. Dan de heer Flach.
De heer Flach (SGP):
Toch nog even wat verduidelijking voor een eenvoudig Kamerlid. Ik
waardeer de drive van de minister en ook de balans die hij zoekt tussen
snelheid en zorgvuldigheid als het gaat om de nieuwe Zelfstandigenwet,
maar hij noemde zelf de datum van 1 januari 2028. Dat is nog ruim
anderhalf jaar. Hoe kunnen werkgevers, die bevreesd zijn voor handhaving
en dat nog anderhalf jaar zullen blijven, voldoende duidelijkheid
krijgen om toch over te gaan tot het verlenen van meer opdrachten? Ik
heb in mijn bijdrage benoemd dat de minister zelf erkent dat er minder
opdrachten worden verstrekt door die onduidelijkheid. Door de
zorgvuldigheid rondom de Zelfstandigenwet betekent dit dat die
onduidelijkheid nog anderhalf jaar blijft bestaan. Hoe moeten ze dat
aanpakken in de tussentijd?
Minister Aartsen:
Daarvoor doen we vier dingen. Allereerst: de Belastingdienst had zijn
toetsingskader al geüpdatet op basis van het laatste Uberarrest. Dat
arrest zegt dat extern ondernemerschap volwaardig meeweegt in de
beoordeling van het zzp-schap. De Belastingdienst houdt zich altijd
netjes aan jurisprudentie, maar dit zal ook nog een keer extra worden
geüpdatet op de website, zodat het duidelijk is. Dat is één. Twee. Bij
het instrument van de webmodule zal dit gegeven uit het Uberarrest ook
heel duidelijk worden aangegeven: extern ondernemerschap telt volwaardig
mee en is belangrijk in de beoordeling van het zzp-schap. Drie. De
overheid geeft het goede voorbeeld, dus in de leidraad die de overheid
en het ministerie van BZK zelf hanteren als het gaat om het inhuren van
zzp'ers zullen zzp'ers niet meer categorisch en onnodig worden
uitgesloten. De leidraad zal namelijk worden aangepast, ook weer naar
aanleiding van Deliveroo en Uber, zodat extern ondernemerschap
volwaardig meetelt. Vier. Het belangrijkste is dat we voor de zomer
willen gaan starten met de publiekscampagne Zo kan zzp wél, waarin we
zeggen dat we een positief beeld over zzp'ers hebben. Daarmee maken we
heel duidelijk dat er niks mis is met zzp'ers: u kunt als zzp'er werken,
u kunt met zzp'ers werken en dit zijn de spelregels waar u aan moet
voldoen als u met zzp'ers wilt werken.
De voorzitter:
Meneer Flach, een vervolgvraag.
De heer Flach (SGP):
Dank, dit is denk ik een heel duidelijke toelichting van de kant van het
ministerie van SZW. Ik kan me voorstellen dat de minister hier met zijn
kompaan bij de Belastingdienst ook regelmatig over spreekt. Welk type
gesprekken voert hij daar als het gaat om het goed verankeren van
risicogericht handhaven in het handhavingskader?
Minister Aartsen:
De risicogerichtheid zit in het handhavingskader van de Belastingdienst.
Deze kabinetskoers ten aanzien van zzp is medeondertekend door de
staatssecretaris van Fiscaliteit en ook door de minister van Economische
Zaken. Dat is dus een breed kabinetsstandpunt.
De voorzitter:
Oké, dan gaan we luisteren naar de beantwoording onder het blok
varia.
Minister Aartsen:
Varia. Er zijn een aantal vragen gesteld over de communicatie. De
overheid zal ook bij dit wetsvoorstel goed communiceren over de gevolgen
van dit wetsvoorstel. We zullen dat in onze communicatie meenemen. Dat
zal zowel zijn op hetjuistecontract.nl als in de campagne Zo kan zzp
wél, zoals eerder genoemd. Het gaat daarbij ook, in antwoord op de heer
Kisteman, om specifieke groepen, zoals gepensioneerden. Ongeacht bij
welke groep je hoort, ongeacht op welk uurtarief je zit, de toets van de
arbeidskwalificatie is hierin leidend. Daarop is Zo kan zzp wél dus ook
van toepassing.
Zijn de communicatie en de uitvoering in de rechtspraktijk hier klaar
voor, vroeg mevrouw Van Ark. Ja, de communicatie zal dit jaar al
starten. We zetten alles op alles om dat te doen. We doen dat samen met
werkgevers- en werknemersorganisaties. De Raad voor de rechtspraak heeft
positief geadviseerd over dit wetsvoorstel. Ten aanzien van de
uitvoerders zien wij geen problemen, aangezien het slechts een enkel
civielrechtelijk rechtsvermoeden is.
De heer Neijenhuis vroeg mij hoe ik afwenteling van financiële risico's
ten aanzien van schijnzelfstandigheid op zzp'ers voorkom. Dat is
onwenselijk en het mag in heel veel gevallen ook niet. Het is
onrechtmatig dat opdrachtgevers de risico's op naheffing en boetes
afwentelen op werkenden. Premies voor werknemersverzekeringen mogen niet
worden verhaald op de werknemer. Hiertegen kan ook strafrechtelijk
worden opgetreden. Onder bepaalde omstandigheden kunnen boetes en
loonheffingen wel worden verhaald, maar dat is in beginsel niet het
uitgangspunt.
Dan de vragen over het Herstel- en Veerkrachtplan en hoe dat nou exact
is gegaan. Waren die van de heer Ergin? Nee? De heer Ceulemans had zich
overigens geëxcuseerd. Het verduidelijkingsdeel zag inderdaad op een van
de mijlpalen van het Herstel- en Veerkrachtplan. Het kabinet voert op
dit moment gesprekken met de Europese Commissie over een mogelijke
wijziging van die mijlpalen. Het is overigens zo dat de Europese
Commissie daarmee nog moet instemmen. Ik blijf zeggen: wij zijn een
pro-Europees kabinet. Je kunt met de Europese Commissie gewoon van
gedachten wisselen. Het is niet zo dat zij dictaten opleggen. Je kunt
gewoon met hen spreken en van gedachten wisselen.
Het is overigens heel belangrijk, zeg ik hier nogmaals, dat dit
wetsvoorstel voor 31 augustus 2026 wordt gepubliceerd in het Staatsblad.
Enorm veel dank dus aan uw Voorzitter en de griffiers dat we dit vandaag
nog hebben kunnen inplannen. Ik hoop dat dit wetsvoorstel dinsdag ook op
de stemmingslijst zal staan, zodat we nog voor het meireces richting de
Eerste Kamer kunnen gaan. Dat zeg ik toch maar even met een lobby
richting uw Kamer, zodat we dit alles kunnen doen. Wij houden u op de
hoogte van de gesprekken die wij voeren ten aanzien van het Herstel- en
Veerkrachtplan.
Voorzitter. Tot slot de vragen die zijn gesteld over het artikel van
vanmorgen in het Algemeen Dagblad over de Dienst Toeslagen. Ik kan daar
niet te veel over zeggen, niet omdat ik dat niet wil, maar omdat wij
drie hele duidelijke rollen hebben in dit kabinet, namelijk de volgende.
Er is een minister die gaat over het beleidsmatige en wetgevende deel
van de zelfstandigenwetgeving; dat ben ik. Dan hebben we een
staatssecretaris die gaat over de handhaving van die wetten. Dat is in
dit geval de staatssecretaris van Financiën die verantwoordelijk is voor
de Belastingdienst. Dan hebben we daarnaast nog een staatssecretaris die
gaat over de Dienst Toeslagen en de afhandeling van de toeslagenaffaire.
Die gaat over het werkgeversdeel ervan. Die zal ook antwoorden op de
vragen die zijn gesteld; ik geleid die graag door. Ik kan daar dus op
dit moment vanuit mijn rol geen antwoord op geven.
Laat ik hier wel heel duidelijk zijn. Ik zag in het artikel ook allerlei
teksten over "heksenjachten" et cetera. Dit kabinet heeft heel bewust
gekozen voor een nieuwe koers, voor een andere koers, die positief is
ten opzichte van zzp'ers. We hebben een aantal dingen aangepast. Zo kan
zzp wél. Wij waarderen zzp'ers. We hebben een positieve grondhouding. Ik
herken mij niet in dat beeld van die heksenjacht. Dat gaan we wat mij
betreft ook niet doen. Ik herken dat beeld overigens ook niet als ik
oprecht kijk naar hoe de situatie op dit moment is. Daar wil ik dus wel
afstand van nemen. Voor de overige vragen moet ik helaas wel verwijzen
naar mijn collega's van Financiën.
De heer Flach (SGP):
Waardering dat de minister zijn collega's niet voor de voeten loopt. Zo
hoort het ook, denk ik. Tegelijkertijd is er ook eenheid van
kabinetsbeleid. In dat kabinetsbeleid is betrouwbaarheid toch wel een
belangrijke waarde die niet onderhandelbaar is, denk ik. Mag ik dan in
ieder geval die bevestiging?
Minister Aartsen:
Dat is een terecht punt. Laat ik daar ook duidelijk over zijn. Ook de
overheid dient zich aan de wetten en regels te houden. Iedereen moet
zich aan diezelfde regels houden. Dat is ook de lijn die wij als kabinet
voorstaan.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van de heer Flach.
De heer Flach (SGP):
Dat heb ik zelf ook weleens ingebracht bij een vorige staatssecretaris
Belastingdienst. Hier gaat het ook om de betrouwbaarheid, waarbij
degenen die desondanks toch gewerkt hebben met mensen die niet aan de
regels voldeden, niet voor de kosten hoeven op te draaien. Die
betrouwbaarheid bedoel ik ook. Dus als je dingen herstelt die niet
kloppen, neem dan ook betrouwbaar afscheid.
Minister Aartsen:
Ik kan dus niet ingaan op deze specifieke situatie en deze casus.
De voorzitter:
Daar krijgen we een brief over.
Minister Aartsen:
Tot nader order, voorzitter.
De voorzitter:
Daarmee zijn we aan het einde van de beantwoording van de zijde van het
kabinet. Ik vraag u alleen even wanneer u de amendementen gaat
appreciëren. Wanneer gaat u daar iets over zeggen? We hebben twee
amendementen ontvangen.
Minister Aartsen:
Wacht, wacht, wacht. Nee, dat ga ik dan uit mijn hoofd doen. Nee, dat
moet ik toch niet doen. Ik doe dat in de tweede termijn, voorzitter.
De voorzitter:
Prima. Dan weten we dat. Dan wil ik direct doorgaan met de tweede
termijn van de zijde van de Kamer. De eerste spreker daarvan is de heer
Neijenhuis. Aan u het woord.
De heer Neijenhuis (D66):
Voorzitter. Dank voor de antwoorden vanuit het kabinet. Het is goed om
te merken dat het kabinet echt met een positieve houding richting
zzp'ers aan de slag gaat volgens het idee van wat wél kan.
Dank ook voor de antwoorden op het gebied van de regelrechter, waar ik
vragen over had en waarover ik een motie overwoog. Met de toezegging dat
hier goed naar gekeken wordt en dat er goed gekeken wordt naar
uitbreiding van toegang tot die regelrechter nu nog niet iedereen die
zich op dat rechtsvermoeden wil beroepen op die manier daar terecht kan,
is de motie uiteraard overbodig. Die laat dus ik achterwege.
Verder ben ik ook nog benieuwd naar de appreciatie van het amendement
dat ik heb ingediend. Dat amendement zou regelen dat het uurtarief dat
nu de scheiding vormt tussen wel of niet aanspraak kunnen maken op het
rechtsvermoeden, gekoppeld wordt aan de cao-lonen in plaats van aan het
wettelijk minimumloon. Nu denkt u misschien: het wettelijk minimumloon
is toch ook geïndexeerd op basis van de cao-lonen? Ja, dat klopt. De
minister versprak zich net eigenlijk al een beetje. Mijn bedoeling is
juist om het op die manier te doen. Dus laten we het uurtarief indexeren
op de manier waarop we al het wettelijk minimumloon indexeren. Wat is
dan het concrete verschil? Dat op het moment dat wij beleidsmatig het
wettelijk minimumloon verhogen of verlagen, dat niet automatisch
doorwerkt in dat uurtarief. Volgens mij maken we wetgeving een stuk
makkelijker en beter te begrijpen op het moment dat we allemaal van dat
soort automatische koppelingen uit de wet halen, want anders heeft het
op het moment dat je iets op de ene plek aanpast, meteen doorwerkingen
op heel veel andere plekken waar dat niet bedoeld is. Laten we het
moment waarop het bedoeld is vooral in de wet zetten, maar laten we het
er anders vooral uithalen. Vandaar dat amendement.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Volgens mij is die koppeling, inclusief de beleidsmatige koppeling, op
heel veel wetten van toepassing. De manier waarop die koppeling nu
bedacht is in de wet, is dus helemaal niet onlogisch. Het effect ervan
is alleen maar dat het uurtarief minder meer zal stijgen. Dat geeft het
gevoel dat het eigenlijk langzaam achterblijft op bijvoorbeeld de
ontwikkeling van het minimumloon. Dit terwijl het juist wel gekoppeld is
aan de veronderstelling dat iemand 120% minimumloon moet overhouden. Ik
vind de redenering die hierachter zit dus geen logische redenering en
begrijp ook niet waarom hier opeens een uitzondering zou moeten komen op
de koppeling die bedacht is.
De voorzitter:
De heer Neijenhuis. Een reactie op de reflectie.
De heer Neijenhuis (D66):
Ik begrijp eerlijk gezegd de aannames van mevrouw Patijn niet. Het
wettelijk minimumloon wordt eigenlijk altijd gewoon geïndexeerd op basis
van de cao-lonen. Bij grote uitzondering is er een beleidsmatige
aanpassing daarvan. Een dergelijke aanpassing hebben we een paar jaar
geleden gehad. Die betrof een aanpassing omhoog, maar het zou natuurlijk
ook een aanpassing omlaag kunnen zijn. Ik wil voorkomen dat op het
moment dat de politiek hier besluit om het wettelijk minimumloon te
verlagen — ik zou daar geen voorstander van zijn — dan automatisch ook
dit uurtarief vanuit het rechtsvermoeden omlaag zal gaan. Dat zou ik
willen voorkomen. Ik deel dus ook niet de aanname dat het er alleen maar
voor zou zorgen dat het minder meer wordt. Het zou ook juist zo'n
verlaging kunnen voorkomen. Op het moment dat we met z'n allen als
politiek zeggen "ja we willen het minimumloon verhogen, en ja, we willen
ook zorgen dat het uurtarief in deze wet omhooggaat," kun je dit in
diezelfde wetswijziging natuurlijk ook altijd nog regelen. Ik vind het
alleen in algemene zin verstandig om de complexiteit van onze wetgeving
te verminderen en daarmee de kwaliteit ervan te verbeteren. Ik geef toe
dat het maar een kleine koppeling is en dat er op tal van andere
onderwerpen in onze wetgeving inderdaad ook koppelingen zitten. Maar
laten we elke stap zetten om ervoor te zorgen dat onze wet minder
complex wordt. Dit is een van die stappen volgens mij.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
De redenering wordt echt heel krom. Het aantal keren dat het minimumloon
beleidsmatig verlaagd is, zou ik niet eens kunnen tellen, want volgens
mij zijn die er niet. Ik kan in ieder geval geen voorbeelden uit het
recente verleden noemen. Het tweede punt is dat er in de opbouw die is
opgenomen in dit wetsartikel en in de onderbouwing van waarom dit is
gedaan, staat dat we beginnen met een uitgangspunt van 120% wml. Als je
dan de beleidsmatige verhogingen niet meeneemt, laat je de opbouw los
die is bedacht in het hele verhaal van het rechtsvermoeden, de 120% wml
en daar bovenop een aantal waardes die pensioendekking en
arbeidsongeschiktheidsdekking moeten geven. Die laat je dan los. De
redenering gaat dus gewoon mank: juist de koppeling aan het wml en juist
ook de beleidsmatige verhogingen moeten een onderdeel zijn om de opbouw
die is opgenomen in deze wet in stand te kunnen laten houden.
De voorzitter:
Een reactie op de reflectie.
De heer Neijenhuis (D66):
Ook daar ben ik het niet mee eens. Ik ben het er wel mee eens dat die 38
uur op dit moment een goede afscheiding is. Het is namelijk goed
onderbouwd waarom je kunt zeggen: 120% van het wettelijk minimumloon
plus al die opslagen zien wij nu, op basis van onderzoek, als de
afscheiding tussen waar mensen kwetsbaar zijn en waar niet. Het
beleidsmatig verlagen van het wml is inderdaad zeer weinig gebeurd. Een
verhoging is ook nog erg weinig gebeurd, maar er zijn partijen, zoals de
onze, die zo'n verhoging wel voorstellen. Zo'n verhoging doe je om
bijvoorbeeld te zorgen dat er minder kwetsbare werknemers zijn. Een
verlaging — ik zou die niet voorstellen, maar andere partijen wel — voer
je door met als consequentie dat je accepteert dat er meer kwetsbare
werknemers zullen zijn. Dat doe je bijvoorbeeld omdat je meer
werkgelegenheid wil. Die 20% gaat dan natuurlijk ook schuiven. Dan vind
ik het dus ook heel logisch dat je nog eens een keer goed bekijkt of je
het uurtarief op basis waarvan je dat rechtsvermoeden vast wil kunnen
stellen nog wel gepast vindt, als er bijvoorbeeld ook meer of juist
minder kwetsbare werknemers zijn. Dan geldt immers die 120% niet
meer.
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Patijn.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Ik hoor geen enkel argument waaruit blijkt … De veronderstelling van
deze opbouw in de berekening is dat een zelfstandige na aftrek van al
zijn kosten in ieder geval 120% van het minimumloon zou moeten kunnen
overhouden. Op het moment dat je die beleidsmatige loskoppeling gaat
doen, kan het zomaar zijn dat je als er een keer een forse verhoging is,
zoals die er in het recente verleden is geweest, niet meer op die 120%
uitkomt. Ik vind de redenering dus mank gaan. Ik begrijp de keuze van de
heer Neijenhuis ook niet en ik begrijp eigenlijk ook niet waarom hij dit
niet gewoon met rust laat, maar de afweging is aan hem. Ik zal niet voor
dit amendement stemmen.
De heer Neijenhuis (D66):
Dat is duidelijk. Ik hoop dat andere collega's wel voor deze
vermindering van complexiteit in de wetgeving zullen stemmen.
De voorzitter:
Dank u wel. We gaan ook nog luisteren naar een appreciatie van de
minister daarvan. Ik kijk naar mevrouw Van Ark voor haar bijdrage in
tweede termijn. Het spreekgestoelte gaat nu wel ontzettend naar beneden.
Dat is ook weer zoiets.
Mevrouw Van Ark (CDA):
Voorzitter. Dank aan de minister voor de beantwoording. Voor het CDA
blijft dit wetsvoorstel een gerichte stap voor een specifieke groep
werkenden die nu vaak te weinig bescherming heeft. Juist daarom vinden
wij het belangrijk om scherp te blijven op de praktische werking ervan.
Het SEO-onderzoek laat zien dat de hoogte van de tarieven er echt toe
doet voor de vraag wie wel en wie niet onder dit rechtsvermoeden valt.
Het laat ook zien dat lagere tariefgroepen vaker kenmerken van
werknemerschap vertonen. Mijn fractie wil de minister graag vragen om
een vinger aan de pols te houden bij wat dit tarief doet. Kan de
minister toezeggen dat de Kamer binnen drie jaar na inwerkingtreding een
eerste praktijkmonitor krijgt van het rechtsvermoeden als een soort
temperatuurmeting, zodat we zicht krijgen op voor welke groep en in
welke sectoren het tarief in de praktijk werkt en of dat goed aansluit
bij de beoogde doelgroep?
Ik wil de minister daarnaast nog een vraag stellen over het
platformwerk. Juist daar kan in de praktijk de vraag spelen hoe dit
wetsvoorstel gaat uitwerken. Dat merkte u ook al in de discussie die we
hier in de Kamer in de eerste termijn over hadden. Wat ons daarbij
opvalt, is dat het vaak gaat om precies hetzelfde werk als ook door
uitzendbureaus wordt aangeboden: werk in de schoonmaak, als vakkenvuller
of in de bediening. Kan de minister daarom specifieker verduidelijken
hoe hij verwacht dat het rechtsvermoeden zal uitwerken voor
platformwerk, dat nu in deze vorm als zelfstandige arbeid wordt
verricht? Verwacht hij dat dit type werk in deze vorm kan blijven
bestaan of verwacht hij dat hier in de praktijk vaker een flexibel
arbeidscontract of een uitzendconstructie in beeld komt?
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank, mevrouw Van Ark. Ik kijk naar de heer Kisteman voor zijn bijdrage
in de tweede termijn.
De heer Kisteman (VVD):
Voorzitter. In wil de staatssecretaris bedanken voor de beantwoording.
Die stemde ons tevreden. Fijn dat er een kabinet en een bewindspersoon
zitten die zzp'ers serieus nemen en waarderen. Mijn fractie kijkt uit
naar de Zelfstandigenwet.
Daar wou ik het bij laten.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik neem aan dat u de minister heeft bedankt. Ja, u zei "de
staatssecretaris".
De heer Kisteman (VVD):
Dank u wel, minister.
De voorzitter:
De heer Flach, voor zijn tweede termijn.
De heer Flach (SGP):
Voorzitter. Dank u wel voor deze korte, maar heel adequate beantwoording
rondom deze toch complexe wet. De minister is in zijn periode als
minister nog meer expert geworden dan hij als Kamerlid al was. Dat
gekoppeld aan zijn ongetwijfeld niet verdwenen liberale inborst, geeft
de SGP wel vertrouwen op dit dossier.
Maar de minister verdient ook dat Kamerleden hem kritisch blijven
volgen. Ik ben nog wel kritisch op twee punten. Het eerste is toch wel
dat handhaven. Er ligt een aangenomen motie om risicogericht te
handhaven. Er is een handhavingskader waarin dat staat, maar dat is
vervolgens ingevuld als: eigenlijk is overal risico. Dat is geen
risicogericht handhaven. Ik wil de minister dus nogmaals op het hart
drukken om in die handhaving toch echt te focussen op de plekken waar we
willen zijn, waar we willen ingrijpen, en niet bonafide ondernemers
lastig te vallen met allerlei handhavingszaken.
Er is nog een andere motie van mijn hand die is aangenomen — ik heb
volgens mij het antwoord gemist, maar ik ben ook af en toe even uit de
zaal geweest — en die gaat over huisartsen en de flexibele schil. Ik heb
daar in ieder geval niet veel over gehoord. Misschien kan de minister
daar in tweede termijn nog wat over zeggen.
Daar wou ik het bij laten.
De voorzitter:
Dank aan de heer Flach. De heer Boon heeft zich geëxcuseerd. Dan mevrouw
Moinat.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Dank, voorzitter. Ik heb toch wel met enige verbazing geluisterd naar
het antwoord van de minister inzake het vanochtend verschenen bericht
over de zzp'ers die in dienst zijn genomen door het ministerie van
Financiën. Ik denk dat eenheid van kabinetsbeleid ook hier belangrijk
is. Daarom wil ik toch de volgende motie indienen.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Dienst Toeslagen zzp'ers heeft ingehuurd voor
werkzaamheden in het kader van de afhandeling van de
toeslagenaffaire;
overwegende dat de overheid zzp'ers met rust moet laten;
overwegende dat aan 650 zzp'ers uit de toeslagenaffaire is beloofd dat
ze volledig gecompenseerd zouden worden;
overwegende dat de overheid betrouwbaar moet zijn en voor de
Nederlanders moet werken en niet tegen de werkende Nederlanders moet
zijn;
verzoekt de regering haar beloften na te komen en betrouwbaar te zijn en
geen naheffingen te doen bij schijnzelfstandigheid,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Moinat en Van Houwelingen.
Zij krijgt nr. 10 (36783) (#1).
De heer Ceulemans heeft zich ook moeten excuseren. Dan kom ik bij mevrouw Patijn. Aan u het woord voor de tweede termijn.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Dank, voorzitter. Ik wil de minister bedanken voor zijn antwoorden en
zijn toezeggingen, ook de brief over de memorie van toelichting. Het zou
fijn zijn als die voor de stemmingen bij ons kan zijn. Dat geldt ook
voor de brief over de handhaving door de Arbeidsinspectie, inclusief
enig rechtsgevolg. Die gaat, begreep ik, een halfjaar duren.
Ik ga toch een motie indienen naar aanleiding van de antwoorden over de
Dienst Toeslagen. Het is misschien een dubbeling, maar ik ga 'm toch
indienen. Dan stemmen we er twee keer voor en dan wordt u twee keer
opgeroepen. De toezeggingen in reactie op de Kamervragen van het
Kamerlid Aartsen zijn gedaan door zowel de staatssecretaris van
Financiën als de minister van Sociale Zaken. Ik zou denken dat de
minister zelf in zo'n geval ook kan zeggen of hij gestand wil doen aan
zijn eigen antwoorden, althans aan de antwoorden van zijn voorganger.
Vandaar deze motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de Dienst Toeslagen bewust potentieel
schijnzelfstandigen heeft ingezet om de voortgang en afhandeling van de
hersteloperatie toeslagenschandaal niet te belemmeren;
constaterende dat eerder is toegezegd dat naheffingen en boetes bij
schijnzelfstandigen worden vergoed door de Dienst Toeslagen, maar dat
deze belofte wordt doorbroken aangezien mensen hier nu toch zelf voor
moeten opdraaien;
verzoekt de regering om de gedane beloftes na te komen en de naheffingen
te vergoeden die volgen uit de handhaving voor deze groep zzp'ers,
inclusief eventuele boetes die betrekking hebben op de
werknemerspremie,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Patijn en Westerveld.
Zij krijgt nr. 11 (36783) (#2).
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Dan heb ik nog een tweede motie, die gaat over de kwalificatie van de
arbeidsrelatie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Zelfstandigenwet over de kwalificatie van de
arbeidsrelatie gevolgen kan hebben voor zowel zelfstandigen als
werknemers;
overwegende dat duidelijkheid en rechtszekerheid voor zelfstandigen en
werknemers van groot belang zijn;
verzoekt de regering om de bescherming van werknemers op geen enkele
manier aan te tasten met de Zelfstandigenwet,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Patijn.
Zij krijgt nr. 12 (36783) (#3).
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Patijn. Meneer Van Houwelingen ziet af van zijn
tweede termijn. De heer Ergin heeft zich verexcuseerd. Daarmee zijn we
aan het einde gekomen van de tweede termijn van de zijde van de Kamer.
Ik schors voor een minuut of vijf. Ik zie de minister instemmend
knikken. Om 17.25 uur gaan we luisteren naar de beantwoording in tweede
termijn van de zijde van het kabinet. Het debat is voor vijf minuten
geschorst.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen het debat. We gaan luisteren naar de beantwoording van de
minister in tweede termijn. Ik geef hem daartoe het woord.
Minister Aartsen:
Dank, voorzitter. Dank aan de Kamerleden voor hun vragen in hun tweede
termijn. Misschien is het goed dat ik eerst een aantal vragen
behandel.
Mevrouw Van Ark vroeg mij om het tarief na drie jaar te evalueren. Dat
lijkt me verstandig om te doen. Op de vraag over het effect op het
platformwerk in relatie tot vergelijkbaar type werk is het antwoord dat
het tarief daar op zichzelf niks in gaat veranderen, omdat
zij-aan-zijwerk onder het Uber-arrest valt. Zoals ik al eerder heb
gezegd, doet het tarief zelf niks aan de kwalificatie van de
arbeidsrelatie. Ik verwacht wel dat dit tarief ervoor gaat zorgen dat
het — dat zeg ik nogmaals — een preventieve werking gaat hebben. Mevrouw
Van Ark noemde dat type werkzaamheden en mevrouw Patijn noemde dat net
ook al een paar keer. Ik kan me wel enigszins voorstellen dat daarbij de
kans op zelfstandigheid iets kleiner is dan bij andere types banen. Daar
kan het natuurlijk wel effect op hebben, omdát het hopelijk een
preventieve werking gaat hebben, zodat werkgevenden toch echt beter
zullen nadenken over de vraag: is dit nou een arbeidsrelatie die we
aangaan op basis van een arbeidsovereenkomst of kan dit binnen de
huidige jurisprudentie ook in een zelfstandige constructie worden
vormgegeven?
De heer Flach refereerde aan de handhavingspraktijk; het is goed om daar
kritisch op te blijven. De Belastingdienst is risicogericht aan het
werk, maar ik stel voor dat we daar op een later moment verder met
elkaar over van gedachten wisselen, zodat we op basis van de lopende
rapportages het debat goed kunnen voeren: loopt dat nou op een goeie
manier of moeten we daar nog naar kijken?
De vraag over de flexibele schil bij de huisartsen. Ik nodig hen van
harte uit om in een van de werkgroepen over de Zelfstandigenwet te gaan
zitten, zodat iedereen mee kan denken over de vraag hoe we dit op een
goeie manier in de Zelfstandigenwet kunnen doen. Dat geldt voor meerdere
organisaties: de polder, de zelfstandigenorganisaties, maar ook dit
soort brancheverenigingen. Die hebben misschien typisch een aantal
sectorale punten. Tegen hen zeg ik: kom bij ons, zodat je mee kan denken
over die wet.
Voorzitter. Dan de amendementen. Het amendement van de heer Neijenhuis
tast het wetsvoorstel zelf inhoudelijk niet aan. Er is gekozen voor een
bepaalde opbouw ervan en daar verandert in beginsel niks aan. Ik sta
daar dus vrij neutraal in, omdat een beleidsmatige keuze niet zozeer
iets zegt over de kwetsbaarheid van een bepaalde groep. Als ik er
neutraal in sta, moet ik het amendement volgens mij dus nog steeds
oordeel Kamer geven, maar wel met dien verstande, zeg ik nogmaals, dat
het mij om het even is. Het gaat er vooral om dat die reguliere stijging
goed geregeld is.
Voorzitter. Het amendement op stuk nr. 9 van het lid Flach moet ik
ontraden. Ik verwijs gemakshalve even naar de behandeling van de wet. Ik
zie niet dat het nodig is om hier voor specifieke jongeren, studenten of
bijverdieners een uitzondering op te maken. Zij moeten alreeds voldoen
aan de kwalificatie van de arbeidsrelatie, of ze nou boven of onder het
tarief zitten. Het is onverstandig om daar nu weer een extra
uitzondering op te maken. Vandaar dat ik dit amendement ontraad.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 8 krijgt oordeel Kamer.
Het amendement op stuk nr. 9 is ontraden.
Daarmee gaan we naar de moties.
Minister Aartsen:
Ja, dan de moties. De motie op stuk nr. 10 en de motie op stuk nr. 11
doe ik gelijktijdig. Dat doe ik niet om flauw te zijn. U gaat over de
orde, maar deze moties vallen echt buiten mijn domein. Zij gaan over het
werkgevende deel. De mogelijke toezeggingen die in beide moties worden
genoemd, gaan echt over het werkgevende deel en vallen dus onder mijn
collega van Financiën. U mag mij aankijken op de eenheid van
kabinetsbeleid, maar dat is volgens mij niet helemaal fair, want als het
bijvoorbeeld zou gaan over Rijkswaterstaat of een willekeurige andere
zbo, hadden we dezelfde situatie gehad. Het gaat dus echt over "daar
waar het hoort". Volgens mij spreekt uw Kamer morgen met de
bewindspersoon die hierover gaat. Ik snap de behoefte om nu iets te
vinden, maar beide moties zijn echt ontijdig, omdat ze niet thuishoren
bij mijn beleidsterrein maar echt bij het beleidsterrein van de
staatssecretaris, die u hier morgen ongetwijfeld over zult treffen.
De voorzitter:
Ik kijk even naar de indieners. Eén indiener is er niet; ik kijk dus
naar mevrouw Patijn. De motie heeft het oordeel "ontijdig" gekregen.
Bent u bereid om de motie aan te houden? Dat is de vraag die ik aan u
moet stellen. Wilt u dat aan de interruptiemicrofoon vertellen?
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Wij kijken even naar het debat van morgen om te bepalen of we de motie
gaan aanhouden.
De voorzitter:
Oké. Vooralsnog worden de motie op stuk nr. 10 en de motie op stuk nr.
11 dus niet aangehouden. Minister, u zegt dus dat deze moties worden
ontraden.
Minister Aartsen:
Dan worden ze ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 10 en de motie op stuk nr. 11 krijgen het oordeel
ontijdig en worden ontraden.
Dan komen we bij de motie op stuk nr. 12.
Minister Aartsen:
Die motie zou ik graag willen overnemen. Ons doel is niet om de
bescherming van werknemers aan te tasten, maar juist om de vraag te
beantwoorden waarmee ik dit debat begon, namelijk wanneer je op een
goede, fatsoenlijke en normale manier met zekerheid als zelfstandige
kunt werken. Dat is de vraag die we uiteindelijk met dit wetsvoorstel
willen beantwoorden. De bedoeling van het wetsvoorstel is niet om de
bescherming van werknemers aan te tasten. Deze motie neem ik dus graag
over.
De voorzitter:
De motie-Patijn (36783, nr. 12) is overgenomen.
Ik zag mevrouw Patijn knikken en zij is hier dus mee akkoord.
De algemene beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
De minister gaf aan er een voorkeur voor te hebben om hier snel over te
stemmen. De eerste mogelijkheid zou aanstaande dinsdag zijn. We hebben
zelf als Kamer afgesproken om altijd iets van rust te nemen. Dan zou de
stemming pas na het meireces zijn. Ik kijk dus even naar uw Kamer; die
gaat erover. Hoe wenst u met het verzoek van de minister om te gaan?
Meneer Kisteman.
De heer Kisteman (VVD):
Ik snap de snelheid, dus wat ons betreft is het prima om volgende week
dinsdag te stemmen over de moties, de amendementen en de wet.
De voorzitter:
Ik kijk even of daar dan een meerderheid voor is. Meneer Flach.
De heer Flach (SGP):
Voor de SGP is dat ook geen probleem, maar mocht er een collega zijn die
toch even bedenktijd nodig heeft, zouden we misschien een extra
stemmingsmoment op donderdag kunnen aanvragen.
Mevrouw Van Ark (CDA):
Wat mij betreft is dinsdag ook oké.
De voorzitter:
Akkoord met dinsdag. Mevrouw Patijn.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Ik heb gevraagd om voor de stemming die brief te krijgen over die
memorie van toelichting. Is dat te doen? Ik kijk ook gewoon naar links
mee. Ik zie een duimpje.
De voorzitter:
Ik zie de minister iets zeggen. Graag in de microfoon, minister.
Minister Aartsen:
Sorry. We gaan u morgen die Kamerbrief sturen. Als we dan dinsdag gaan
stemmen, hebben we een deal.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Van mij mag het ook op maandag.
Minister Aartsen:
Dan hebben we een deal, voorzitter.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Dan geven we de mensen een beetje adempauze.
Minister Aartsen:
Hij komt in ieder geval voor het weekend.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Dat is fijn voor de stemming. Dan is het wat mij betreft akkoord. Ik heb
wel nog een voorkeur. Zijn er ook gewoon stemmingen op de donderdag voor
het meireces, of nog niet?
De voorzitter:
U overvraagt mij. Ik weet niet beter dan dat ze op dinsdag in ieder
geval zijn. We kunnen natuurlijk altijd met elkaar op een ander moment
stemmen als wij op een ander moment willen stemmen, want we gaan daar
zelf over. Ik ga nog naar de heer Neijenhuis luisteren, maar als wij
hier nu zeggen dat het dinsdag wordt, kunnen we altijd nog tot een
minuut voordat we dat daadwerkelijk doen alsnog niet stemmen en elk
ander moment met elkaar bepalen. Meneer Neijenhuis.
De heer Neijenhuis (D66):
Ook steun voor alles op dinsdag.
De voorzitter:
Ja, oké. De dank van de minister is groot, zegt hij buiten de microfoon.
Daarmee dank ik de minister voor zijn bijdrage, en natuurlijk de leden
en alle ondersteuning voor dit debat. Het debat is geschorst. U ziet het
herziene schema. We gaan na de dinerpauze door met de Embryowet. Dat is
om 18.30 uur, wordt mij nu in mijn oor gefluisterd. Ik dank u hartelijk
en wens u een heel fijne avond.
De vergadering wordt van 17.32 uur tot 18.33 uur geschorst.