Wijziging van de Embryowet naar aanleiding van de derde wetsevaluatie (36677) (1e termijn Kamer) (ongecorrigeerd)
Stenogram
Nummer: 2026D18006, datum: 2026-04-15, bijgewerkt: 2026-04-16 09:29, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-04-15 18:30: Wijziging van de Embryowet naar aanleiding van de derde wetsevaluatie (36677) (1e termijn Kamer) (Plenair debat (wetgeving)), TK
Preview document (🔗 origineel)
Wijziging van de Embryowet naar aanleiding van de derde wetsevaluatie
Voorzitter: Krul
Wijziging van de Embryowet naar aanleiding van de derde
wetsevaluatie
Aan de orde is de behandeling van:
het wetsvoorstel Wijziging van de Embryowet naar aanleiding van de derde wetsevaluatie (36677).
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering en ik verzoek de leden hun plaatsen in te
nemen. Aan de orde is het debat over de wijziging van de Embryowet naar
aanleiding van de derde wetsevaluatie. Ik heet van harte welkom de
minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Voordat we beginnen,
geef ik het woord aan mevrouw Bikker voor een punt van orde.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ja, voorzitter, ik heb een punt van orde. We gaan zo meteen beginnen aan
een debat over een wetsvoorstel dat veel raakt. Dit zijn altijd
intensieve debatten in de Kamer, die we allemaal graag zorgvuldig
voeren. Het gaat over de Embryowet. Gezien de uitloop van de debatten
eerder op de dag, kan ik me voorstellen dat we dit debat recht doen door
vanavond alleen de eerste termijn van de Kamer te houden en goed naar
elkaar te luisteren, om op een later moment de eerste termijn van het
kabinet en het vervolg in te plannen. Dat zou mijn voorstel zijn.
De voorzitter:
Omdat we in de loop van de dag inderdaad al zagen aankomen dat er wat
uitloop was, kan ik ook mededelen dat er al voorzichtig gekeken is naar
de mogelijkheid om het debat op korte termijn te hervatten. We hebben
begrepen dat dat kan, maar toch vraag ik de leden nog hoe zij kijken
naar dit voorstel. Het voorstel is dus om nu de eerste termijn van de
Kamer te doen en om het debat op relatief korte termijn te vervolgen. Ik
kijk even of daar steun voor is. Ja, ik zie knikkende hoofden. Daarmee
is dit besloten.
De algemene beraadslaging wordt geopend.
De voorzitter:
Dan gaan we starten met de eerste termijn van de zijde van de Kamer. Ik
geef daarin graag het woord aan diezelfde mevrouw Bikker, die spreekt
namens de ChristenUnie.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Voorzitter. Eind vorige week kwamen de astronauten … Kijk, meteen gaat
ook mijn spreekgestoelte vliegen! Eind vorige week kwamen de astronauten
van de Artemis II-missie terug van hun reis langs de maan. Diep onder de
indruk landden ze weer op aarde. Ze hadden in een eindeloze zwarte
diepte een blauw bolletje gezien: de aarde, met alles erop en eraan om
er nu 8,3 miljard mensen op te laten leven. Een reddingsboot in het
universum, noemde een van de astronauten het. Het is raadselachtig hoe
het allemaal zo kan werken. Tegelijkertijd benadrukt het de
kwetsbaarheid van ons leven op aarde. Zoals die astronauten naar de
aarde keken, kijken wij naar het ontstaan van nieuw leven. Want wat is
het eigenlijk wonderlijk hoe het vanaf het allerprilste begin alles in
zich heeft om zich als mens te ontwikkelen, en het tegelijk zo kwetsbaar
is. Bij dat prille begin kan namelijk ook heel veel misgaan. Dat besef
ik goed. Er zijn veel mensen die daar verdriet om kennen.
Voorzitter. Tegelijkertijd blijft het in al die kwetsbaarheid en in al
die raadselen iets heel bijzonders. Wanneer begint dat nieuwe leven dan
echt? Voor mij is het zo dat de Bijbel zegt: "Al voordat ik er was kende
u, God, mijn bestaan." Ook buiten christelijke kring spreek ik veel
mensen die toch wel denken dat een mens een ziel heeft. Voor hen is het
net zo goed een groot mysterie wanneer die ziel dan ontstaat. Wie zal
het zeggen? Wie zal het aanwijzen?
Voorzitter. Die verwondering, het erkennen van ons beperkte kennen en
het respect voor het kwetsbare menselijk leven passen ons als we vandaag
praten over de wijziging van de Embryowet. Dat zeg ik niet om er een
compleet levensbeschouwelijk debat van te maken — daar kunt u mij altijd
voor vragen, maar niet op dit moment — maar omdat het meer is dan
techniek. Ja, ik zal in dit debat spreken over wat er feitelijk gebeurt
en wat er mogelijk is als we deze wet aannemen, maar ik vind het goed om
te beginnen met mijn grondhouding. De ChristenUnie is namelijk voor het
leven, pro-life. Wij staan voor de bescherming van het prille leven,
omdat we geloven dat het door God geschapen en geliefd is. Nee, ik heb
niet uitgedokterd wanneer het leven precies begint, wanneer de ziel
ontstaat en hoe beschermwaardig beginnend leven is, maar als gelovige
zeg ik: het komt voort uit Gods hand, en dat geeft het intrinsieke
waardigheid. Juist omdat wij niet alles weten over dat begin maar ik wel
geloof dat er een Schepper aan de oorsprong staat, kijk ik met respect
en voorzichtigheid naar dat beginnende leven.
Dat idee van een Schepper deelt niet iedereen in deze Kamer en in ons
land. Dat begrijp ik. Maar ik vermoed dat een groter deel van deze Kamer
de verwondering deelt over hoe leven ontstaat, het respect deelt voor
kwetsbaar nieuw leven en de bescherming die dat van ons vraagt, en dus
ook de erkenning deelt dat we niet heel veel weten over dat prilste
begin, nu niet en zelfs niet als we enorm veel onderzoek doen. Ik hoop
ook dat we elkaar af en toe op die punten kunnen vinden, in het debat
vanavond en als het debat wordt vervolgd. Ik hoop ook dat we vanuit die
basis eerlijk tegen elkaar kunnen zijn over of deze wet recht doet aan
onze basishouding van verwondering, respect en erkenning van onze
beperkte kennis.
Voorzitter. Dat brengt me bij de wet die voorligt. Ik ben dit debat
namelijk met gemengde gevoelens ingegaan. De ChristenUniefractie heeft
namelijk altijd aangedrongen op wetgeving die het beginsel van
beschermwaardigheid van het menselijk leven centraal stelt en daarom
allerlei handelingen en experimenten met embryo's vanuit
medisch-wetenschappelijk onderzoek verbiedt, omdat ook dit beginnend
menselijk leven is. Onze zorg is dat menselijk leven anders steeds meer
een instrument wordt. Elk leven is principieel beschermwaardig voor de
ChristenUnie, ongeacht leeftijd, fysieke omstandigheden en andere
omstandigheden, en gewenst of ongewenst. Dat is voor ons het
uitgangspunt. En ja, wij zien door de jaren heen ook de ontwikkelingen
in de medische wetenschap. Dat is opnieuw met gemengde gevoelens, want
daar waar pijn of lijden kan worden verlicht, voelen we allemaal ook de
verrijking die dat brengt. Maar ook bij een nobel doel geldt voor mij
het uitgangspunt dat het leven geen instrument is, maar een wonder dat
intrinsiek beschermwaardigheid toekomt.
Dat brengt mij bij de wijziging van de Embryowet naar aanleiding van de
derde wetsevaluatie. De wet wijzigt de definitie van het begrip
"embryo". Daarnaast stelt het kabinet in deze wet voor om onderzoek met
zwangeren altijd door de CCMO te laten toetsen en is onderzoek naar
prenatale behandeling straks toegestaan als het tot een betere prognose
voor het ongeboren leven leidt.
Voorzitter. Dan ten aanzien van de definitiewijziging. De huidige
definitie van een embryo in de wet is: een cel of samenhangend geheel
van cellen met het vermogen uit te groeien tot een mens. Maar sinds de
vormgeving van de wet in 2002 heeft de wetenschap meer mogelijkheden om
menselijk leven te creëren, niet alleen door klassieke bevruchting van
een eicel en een zaadcel, maar inmiddels ook door een gewone
lichaamscel, bijvoorbeeld een huidcel, te veranderen in een stamcel en
die te laten ontwikkelen tot allerlei soorten cellen. Daarmee kan ook
een embryomodel ontstaan, ook wel ELS genoemd.
Al die verschillende ontstaansmanieren staan niet in de oude wet,
terwijl wetenschappers hier wel mee experimenteren of kunnen
experimenteren. De ChristenUnie vindt dat elk leven dat zich kan
ontwikkelen tot mens onder de bescherming van de Embryowet moet vallen
en kan zich er dus ook in vinden dat de definitie wordt aangepast, zodat
de huidige mogelijkheden ook een plek krijgen in de wet. Maar daar zeg
ik bij: dat betekent niet dat alles wat kan, dus ook mag. Er kan ook een
keuze worden gemaakt om te zeggen: het kan misschien wel, maar we gaan
dit niet doen, omdat het een ethische grens overgaat. We hebben het
namelijk over beginnend menselijk leven.
Voorzitter. Daar zit nou dat gemengde gevoel, want dat zie ik niet zo
terug in het wetsvoorstel. De regering kiest er zelfs voor om een open
eindje in de definitie in te bouwen, met de nieuwe categorie die wordt
toegevoegd. Wat houdt het nou precies in dat die nieuwe categorieën
onder de Embryowet vallen? Je zou denken dat die dan dezelfde
bescherming genieten als een klassiek embryo, want een embryo is
menselijk leven en uit respect voor dat menselijk leven worden in de
Embryowet bepaalde zaken verboden of beperkt.
Vanuit het oogpunt van de bescherming van menselijk leven zou dit heel
goed nieuws moeten zijn, maar helaas stelt de bescherming van zowel een
klassiek embryo als een embryomodel weinig meer voor als de
initiatiefwet die embryokweek mogelijk maakt, is aangenomen in de Eerste
Kamer en in werking treedt. Met die wet is het straks toegestaan om
embryo's te kweken met het enige doel om er onderzoek mee te doen.
Wetenschappers creëren nieuw leven niet met het oog op een zwangerschap,
maar met het oog op onderzoek. Nadat ze onderzoek gedaan hebben, wordt
het embryo vernietigd. Welke bescherming blijft er dan over? De
veertiendagengrens, zou je zeggen. Er mag tot veertien dagen na het
ontstaan onderzoek worden gedaan op kweekembryo's en embryomodellen en
de onderzoeksvoorstellen moeten getoetst worden aan de CCMO. De wet die
nu voorligt, zet zelf ook al een stap in het minder beschermen van
embryo's. De wet haalt namelijk het kweekverbod voor onderzoek af van
embryomodellen die tot stand zijn gekomen door het samenbrengen van
pluripotente stamcellen, de zogenaamde embryo-like structures, de ELS,
die een intact embryo nabootsen en dus alles in zich hebben om door te
groeien tot een mens.
Voorzitter. Daar heeft de ChristenUnie grote zorgen bij, want een
intacte ELS, een stamcelembryo in feite, dat dezelfde essentiële
functies heeft als een klassiek embryo, lijkt in zoverre op een klassiek
embryo. In de praktijk is dat onderscheid eigenlijk lastig te maken.
Zijn het dan nog verschillende typen die we ethisch gezien verschillend
kunnen wegen? Het is in ieder geval op een of andere manier ook
beginnend menselijk leven dat in de eerste fase in elk geval alles in
zich heeft om verder uit te groeien als mens. Voor de ChristenUnie geldt
dan dat we daar voorzichtig en terughoudend mee moeten omgaan. Deze
ethiek van voorzichtigheid — bij twijfel niet inhalen — stelt: omdat we
niet goed kunnen duiden waar we het over hebben, kunnen we beter
terughoudend zijn. Ons amendement — "ons" is dan collega Diederik van
Dijk en ik — ziet daar ook op. Kan de minister deze redeneerlijn volgen?
Hoe verdedigt de minister dat iets wat zo veel op een klassiek embryo
lijkt, toch veel minder beschermd wordt in deze wet?
Voorzitter. In de memorie van toelichting wordt zwaar gehangen op het
onderscheid tussen intacte ELS en niet-intacte ELS. Dat zijn dus die
modellen, zeg ik even tegen de kijker thuis die hier binnenvalt en
denkt: waar gaat dit over? Die intacte embryomodellen hebben dezelfde
essentiële functies als een klassiek embryo. Niet-intacte ELS missen één
of meerdere van die essentiële functies. Daardoor kunnen ze zich niet
doorontwikkelen als een klassiek embryo en zou er in potentie geen
menselijk leven verder kunnen ontwikkelen. Daarom vallen deze
niet-intacte ELS niet onder de Embryowet, maar onder de Wet zeggenschap
lichaamsmateriaal. Klopt het nu dat het bij een niet-intacte ELS kan
gaan om één functie, bijvoorbeeld een placenta, die — ik zeg het maar zo
— uit is gezet, maar waarbij voor de rest wel alles functioneert als een
klassiek embryo? Zo'n embryo heeft bijvoorbeeld een kloppende hartbuis.
Kan het onderscheid tussen intact en niet-intact dus minimaal zijn? Is
er een grijs gebied tussen deze twee categorieën? Hoe wordt dat precies
beoordeeld? Zal het straks toegestaan zijn om in eerste instantie een
intacte ELS te kweken en daar bewust een essentiële functie van uit te
schakelen zodat er meer en langer onderzoek kan worden gedaan?
Samenvattend: gaan we nu niet te veel uit van een papieren en
theoretisch onderscheid dat in de wet heel helder klinkt? Als jurist
denk ik: dat ziet er wel uit als een onderscheid. Als ik vervolgens na
ga denken over de praktijk, is het niet per se net zo helder. Ik hoor
heel graag hoe de minister hiermee omgaat en ook hoe zij hierin de wet
uitlegt. Het gaat namelijk ontzettend veel uitmaken, ook straks in de
wetenschappelijke toetsing, onder welke wet dit nou valt. Wat is nou
intact en wat is niet-intact? Ook is de vraag hoe we dat ethisch
beoordelen. Als iets eerst intact was maar ervoor gekozen wordt om een
essentiële functie uit te zetten, dan zou ik zeggen dat het nog steeds
begon bij een intact embryo. Dat vraag ik de wethouder. Hoor mij nou; ik
ben iets te lang raadslid geweest! Dat vraag ik de minister. Als ik de
memorie van toelichting lees, krijg ik daar geen vinger achter.
Voorzitter. Dan het volgende punt. Voor de ChristenUnie is dit
wetsvoorstel niet los te zien van het wetsvoorstel over embryokweek. Die
wet ligt nu in de Eerste Kamer en er is een kans dat die wet daar een
meerderheid haalt. Met die wet wordt de deur geopend voor het kweken van
embryo's puur voor onderzoek. Bij de behandeling van die wet kwam het in
de antwoorden van de initiatiefnemers en de regering niet zo helder naar
voren, maar het gaat dan niet alleen om het kweken van klassieke
embryo's, zoals wij die ons voorstellen, maar ook om de andere
categorieën. Die zijn in de wet die nu voorligt veel explicieter
benoemd, maar nog steeds blijft vaag wat dat nou echt betekent.
Ik loop ze even met u langs. Neem bijvoorbeeld het door middel van
celkerntransplantatie maken van een gekloond embryo en dat gebruiken
voor onderzoek of voor weefsel voor transplantatie. In theorie is door
celkerntransplantatie ook een drie-ouderbaby mogelijk. We hebben het in
Engeland gezien. Een tweede categorie. Vanuit normale lichaamscellen
zoals huidcellen kunnen stamcellen worden gemaakt, en daaruit weer
geslachtscellen, waarmee embryo's tot stand kunnen worden gebracht, de
zogenaamde ivg-embryo's. Onderzoek op deze embryo's is toegestaan. In
theorie is het zelfs toegestaan om er een zwangerschap mee te creëren.
Dat kan nu al bij muizen en nog niet bij mensen. Maar de inschatting is
dat dit over een jaar of vijf wel kan. Een derde categorie. Vanuit
stamcellen kan een embryo-achtige structuur worden samengebracht, de
ELS, zoals uitgelegd, en daar is onderzoek mee mogelijk.
Volgens mij zetten we hiermee op een terrein forse stappen waarvan we
volgens mij de gevolgen nog niet eens met elkaar besproken hebben of
kunnen overzien. Wat gaat namelijk al die kennis uit die onderzoeken ons
opleveren? Het opent deur na deur naar volgende manieren om verder te
gaan in het onderzoek met menselijk leven en om het prilste leven niet
meer te zien als waardig en in zichzelf beschermwaardig, maar als nuttig
voor het opdoen van kennis. Ik vind dat de minister de
verantwoordelijkheid heeft om naar dit bredere beeld te kijken. Ik snap
heel goed dat in de voorbereiding van dit wetsvoorstel de volgorde nog
anders was. De initiatiefwet was niet voorlangs gegaan, dus kon het
bredere beeld niet gepakt worden. Die situatie is er nu echter wel. Dat
geeft voor mij echt een andere bril als ik naar deze wet kijk. Want op
de weg die nu met deze wetten is ingeslagen raakt het respect voor het
menselijk leven zoals in de Embryowet staat beschreven, steeds verder
uit zicht omdat er steeds meer wordt uitgegaan van die instrumentele
werking. Hoe wil de minister deze balans bewaren?
De voorzitter:
De heer Poortman voelde aan dat u even een slokje water moest nemen. Hij
heeft een interruptie.
De heer Poortman (CDA):
Misschien is het vooral een wat verduidelijkende vraag. Mevrouw Bikker
schetst steeds een toekomstbeeld. Ik krijg een beetje het idee dat we
hiermee de deur openzetten naar toekomstige ontwikkelingen die misschien
zorgwekkend zijn, terwijl het volgens mij veel meer gaat om het normeren
van de huidige praktijk. We gaan normeren wat er allemaal al mogelijk
is. De wetenschap vraagt aan ons, de politiek, om te normeren en kaders
te geven voor het onderzoek. Ik heb dus een andere benadering. Ik ben
benieuwd hoe mevrouw Bikker daartegen aankijkt.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Daarom ben ik ook even teruggedoken in de geschiedenis van de Embryowet.
Ik geloof dat dat 2001 of 2002 was. Ik heb ook teruggelezen hoe dat
destijds is gewogen, ook door onze voorgangers. Wat mij dan enorm
opvalt, is dat er wordt geredeneerd vanuit de mogelijkheden van dat
moment. Maar een wet heeft altijd zeggingskracht voor toekomstige
ontwikkelingen. Juist daar zit mijn zorg op een aantal punten. Als we
kijken naar de wet zoals die nu voorligt, wordt bijvoorbeeld gezegd dat
nieuwe technieken onder de Embryowet vallen. Daarvan kun je zeggen dat
dit beschermend is. Maar aan de andere kant betekent het ook dat de
wettelijke weging hier niet meer in de Kamer wordt gemaakt. Willen we
die nieuwe technieken überhaupt wel, ook als de Embryowet ten dele
bescherming biedt? Ik zou zeggen dat juist wanneer het gaat om nieuwe
technieken en het verder instrumentaliseren van menselijk leven — waar
ik, zoals u heeft gehoord, niet zo'n voorstander van ben — in deze Kamer
moet worden gewogen of we die technieken wel willen toepassen. Daarom
geef ik een aantal zorgen weer. Uit bijvoorbeeld ivg-embryo's kan op dit
moment nog geen zwangerschap bij mensen tot stand komen, maar volgens
mij is er nog afgelopen jaar bij muizen een doorbraak geweest die meer
mogelijk maakte. Dat terrein ontwikkelt zich dus razendsnel. Als ik dan
de mogelijkheden overzie die deze wet biedt, vind ik dat daar meer
reflectie op past dan tot nu toe door de regering is gedaan. Daarbij
komt, en dat is mijn volgende blokje, dat ik ook de internationale blik
op het geheel mis.
De voorzitter:
De heer Poortman met een vervolgvraag.
De heer Poortman (CDA):
Ik blijf toch even hardop meedenken. U heeft het over die toekomstige
technologie, dat staat in punt vijf van lid twee van de definitie. Ik
lees dat niet als — ik weet niet of ik u daarmee geruststel — een carte
blanche voor technologie. Ik lees het eerder zo dat we tegen de
wetenschap zeggen dat er geen reden is om nieuwe technologie niet onder
de Embryowet te laten vallen. Dus ik lees het juist andersom.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
We hadden eerder deze discussie. Tenminste, het was geen discussie, want
we hadden een technische briefing. Het was dus vooral het rustig
doorvragen naar wat dit artikel precies betekent. In eerste instantie
las ik het ook als geruststellend. Zoals we dat nu vaker doen in
wetgeving, proberen we alle vormen van techniek te voorzien en die
vooraf in te kaderen. Maar ik vind dat bij al het leven dat buiten de
biologische setting van een baarmoeder ontstaat telkens opnieuw moet
worden getoetst: waarom ontstaat dit en waarom zetten we deze methode
in? Doet dat recht aan de waardigheid die beginnend leven toekomt? Op
het moment dat je deze open norm in de wet opneemt, maak je eigenlijk
het wetenschappelijke weggetje vrij om via de CCMO allerlei stappen te
zetten. Terwijl zulke ingrijpende veranderingen, en dat zijn deze
technieken, het verdienen om eerst met de volksvertegenwoordiging te
worden besproken, zodat kan worden bepaald of dit een pad is dat we op
willen gaan. Dat zit nu niet in de wet, omdat geprobeerd is om al die
technieken onder één noemer te vangen. Dat is op dit moment mijn
tussenstand in het denken.
De voorzitter:
Tot slot, meneer Poortman.
De heer Poortman (CDA):
Daar ben ik misschien ook wel benieuwd naar, maar daar kan ik straks in
mijn eigen bijdrage op terugkomen, ook na de reactie van het kabinet. Ik
lees het dus echt andersom: niet als een vrijbrief, maar juist als een
inkadering, zodat toekomstige technologie geen vrijbrief is om daar
ongebreideld onderzoek mee te doen.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Dat ben ik met collega Poortman eens. Ook nieuwe technieken vallen onder
de Embryowet. Maar in zijn geheel biedt de Embryowet, zeker met het
toestaan van embryokweek, veel meer mogelijkheden dan oorspronkelijk
bedoeld was bij het ontstaan van de hele Embryowet, maar ook bij de
start van de derde evaluatie. Met het openstellen van de mogelijkheden
voor kweek — vergeef me het woord, maar ik kan er even geen beter woord
voor verzinnen — kunnen nieuwe technieken op een andere manier worden
toegepast dan op het moment dat de derde evaluatie van de Embryowet werd
omgezet in wetgeving. Voor mij is dat een ommekeer: doordat we het in
december al zijn gaan hebben over het opheffen van het kweekverbod is
deze hele wet met een andere bril te lezen. Dat geeft mij die grote zorg
en ook het ongemak. Dat heeft u in het vorige debat gemerkt. Dat is iets
waardoor ik zei: daar is een fundamentele wissel omgegaan. Ik vind het
dan prachtig dat we er in deze wet naar zoeken hoe we meer bescherming
kunnen bieden, ook als allerlei terreinen van wetenschap zich
ontwikkelen. Maar die bescherming is onder een totaal andere paraplu
gaan vallen door de wet die in december is aangenomen.
De heer Bevers (VVD):
Ik ben even op zoek naar wat verduidelijking, met name naar aanleiding
van het amendement en het voorstel van mevrouw Bikker en de heer Van
Dijk om de ELS onder het verbod om een embryo tot stand te brengen te
laten vallen. U verwees zelf al naar de wet die op dit moment in de
Eerste Kamer ligt. Die zou een meerderheid kunnen krijgen. Wat is nu
precies uw doel met het amendement? U stelt eigenlijk voor om het verbod
uit te breiden met de ELS. Er is een mogelijkheid dat de wet in de
Eerste Kamer een meerderheid krijgt. Zegt u dan: deze wet wordt daarna
weer behandeld? Gaan we dan weer een verbod toevoegen als de Eerste
Kamer besluit in te stemmen met het opheffen van het verbod om embryo's
tot stand te brengen? Hoe kijkt u daartegenaan? Ik ben namelijk kwijt
wat nu precies het doel is van het amendement.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Dat komt omdat de volgorde wat mij betreft wat verstoord is geraakt
doordat de initiatiefwet plotseling voorlangs kwam. We zouden het eerst
hebben over de derde evaluatie van de Embryowet. Voor mijn gevoel was
dat van origine altijd de gedachte. Natuurlijk staat het de indieners
vrij om een andere keuze te maken. Dat is ook gebeurd. Een meerderheid
van Kamer heeft gezegd: dat willen wij wel. Ik laat hier zien wat de
inzet van de ChristenUnie is. De Eerste Kamer krijgt de wetten in de
volgorde waarin wij ze behandeld hebben en met de behandelsnelheid die
de indieners of de minister kiezen.
De heer Bevers (VVD):
Wat ik mevrouw Bikker eigenlijk wil vragen, is het volgende. Op het
moment dat de wet die nu in de Eerste Kamer ligt wordt aangenomen en het
verbod wordt opgeheven, vindt u dan dat uw amendement nog recht doet aan
die wet door de ELS alsnog in de wet op te nemen? De ELS zijn op dit
moment de enige mogelijkheid die van het verbod is uitgezonderd. Hoe
kijkt u daartegenaan? Het loopt inderdaad door elkaar heen. Het tempo
waarin wetten in deze Kamer behandeld worden, is soms zoals het is. Ik
wil toch graag van u weten wat nu uiteindelijk het doel is. Hoe kijkt u
aan tegen het amendement in verhouding tot het moment waarop de wet in
de Eerste Kamer wordt aangenomen?
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Daar kan ik heel helder over zijn. De ChristenUnie heeft goed gekeken
naar de derde evaluatie van de Embryowet. Wij zagen de nieuwe techniek
rondom de ELS en ook rondom de niet-intacte ELS. In de geschiedenis van
de totstandkoming van de Embryowet is ChristenUnie nooit remmend geweest
door te zeggen: al het medisch-wetenschappelijk onderzoek moet stoppen.
Je moet altijd wegen wat daarin goed is als je kijkt naar de
beschermwaardigheid van het leven. Juist daarom zag ik bij de
niet-intacte ELS enorm goede mogelijkheden, waarbij er geen embryo's tot
stand hoeven te komen voor onderzoek. Dat vind ik belangrijk. Ik vond
het ook belangrijk om juist daarom te kijken hoe we de wetgeving zo
kunnen herzien dat we ook andere vormen van onderzoek kunnen toestaan
waardoor er minder embryo's worden gebruikt. Met de wetgeving die nu
voor is komen te liggen, brengt u mij in een duivels dilemma. Ik wil
zeker wel nieuwe technieken onder de bescherming van de wet brengen,
maar ik wil niet dat er onderzoek wordt gedaan met embryo's die op wat
voor manier dan ook kunnen uitgroeien tot mens. Voor mij is dat in
beginsel een mens. Daarom stel ik voor dat te verbieden. Ik snap heel
goed dat dat haaks staat op de initiatiefwet van de indiener.
Mevrouw Paulusma (D66):
Ik ga even een klein punt van orde misbruiken om het geheugen van
mevrouw Bikker op te frissen.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Dat hoeft niet via de orde. Dat mag gewoon.
Mevrouw Paulusma (D66):
Ik denk dat dat namelijk heel goed is bij dit soort debatten, die we
altijd heel zorgvuldig voeren en waar we elkaar eigenlijk ook altijd
over complimenteren. Ik hoor mevrouw Bikker nu een aantal keren zeggen
dat de initiatiefwetgeving zomaar oppopte. Daar is aan gewerkt en die is
behandeld in de Kamer sinds 2023. Die is dus niet zomaar komen oppoppen;
daar is heel zorgvuldig aan gewerkt. Het zou het debat helpen als
mevrouw Bikker die tijdslijn zuiver houdt en respecteert.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Het spijt me zeer; iedereen heeft zijn eigen lezing. Dit wetsvoorstel is
echter behandeld toen er een demissionair kabinet zat. Dat was in de
tijd dat er ook gesproken werd over welke vorm van regering er tot stand
moest komen. Het was heel duidelijk dat het gevoelig lag bij een aantal
partijen. Het is desondanks wel behandeld. Er gaat een Kamermeerderheid
over. Het is dus niet een oergegeven dat, floep, van de maan in de
plenaire zaal valt.
Mevrouw Paulusma (D66):
Ik heb mezelf heel erg voorgenomen om dit met respect te doen.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik ook.
Mevrouw Paulusma (D66):
Ik vind het wel een beetje jammer dat mevrouw Bikker doet alsof het
oppopt. Daarnaast is het met een democratische meerderheid in deze Kamer
aangenomen. Het zou voor de zuiverheid van het debat goed zijn om het te
hebben over het voorstel dat er nu ligt, en om niet continu ter
discussie te stellen dat het wellicht anders had gemoeten. Dat
wetsvoorstel is met een democratische meerderheid in deze Kamer
aangenomen.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Het mooie van een democratie is dat een minderheid niet hoeft te vinden
wat een meerderheid vindt. Ik vind dit eerlijk gezegd weer een ... Ik
probeer ook met alle respect — dat hoort u in mijn bijdrage — recht te
doen aan die Kamermeerderheid. Ik geef heel open toe dat mijn amendement
haaks staat op de initiatiefwet. Ik laat zien wat mij ten diepste drijft
en hoe ingewikkeld ik het heb gevonden dat er in december een andere
volgorde is gekozen. Het is niet alleen de partij van mevrouw Paulusma;
ik spreek niemand persoonlijk aan. Er is wel een Kamermeerderheid die
voor die volgorde heeft gekozen. Andere partijen die ook op een
alleszins respectvolle, diepgaande manier met deze materie om willen
gaan en ook willen kijken wat er wel en niet kan in het
medisch-wetenschappelijk onderzoek, probeer je daarmee aan de kant te
duwen. Dat mag.
De voorzitter:
Zullen we teruggaan naar uw betoog?
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ja, voorzitter, laten we dat doen. Ik vind wel dat democratie niet
inhoudt dat de minderheid voortaan vindt wat de meerderheid vindt.
De voorzitter:
Zeker.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik heb in december duidelijk gezegd: dit gaat ingewikkeld worden bij de
behandeling van het wetsvoorstel ten aanzien van de derde evaluatie van
de Embryowet. Dan kunt u ook verwachten dat ik daarop terugkom als we de
derde evaluatie van de Embryowet hier behandelen.
De voorzitter:
Zeker. Dat hebben we volgens mij gedaan.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ja? Nou, dan gaan we nu naar het internationaal recht. Ik zou de
minister willen vragen om het perspectief van omliggende landen toch wat
breder te schetsen. Het gaat mij dan niet alleen om Engeland, maar juist
ook om bijvoorbeeld een Duitsland. Mijn indruk is dat Nederland met deze
wetgeving afwijkt van de internationale consensus zoals verwoord in het
Verdrag van Oviedo; sommige echt heel goede taalexperts zeggen "Obiedo".
Dat verdrag heeft Nederland ondertekend, maar niet geratificeerd, als
een van de weinige ondertekende landen. Waarom hebben we het eigenlijk
niet geratificeerd, is mijn vraag. Ook als wij het als Nederland niet
geratificeerd maar wel getekend hebben, dan heeft het volgens mij een
uitwerking. Ik kijk daarbij naar het Verdragenverdrag. Kan de minister
wat preciezer toelichten welke verplichtingen nu uit dit verdrag
voortvloeien en wat dit betekent voor de onderhavige materie in het
wetsvoorstel?
Voorzitter. Een ander punt is het inperken van de activiteiten van
klinieken. Laten we niet naïef zijn als het gaat om wat private
fertiliteitsklinieken doen en mogen doen op dit gebied. Gelukkig vindt
veel hiervan in Nederland plaats in ziekenhuizen in de publieke sector,
maar private klinieken mogen nu al frank en vrij bemiddelen voor
behandelingen in het buitenland en daar bovendien grof geld mee
verdienen. Om dat te verbieden heb ik een amendement ingediend.
Voorzitter, ik ga afronden. Waar ik in de aanloop naar deze wijziging
voordelen zag om in elk geval nieuw wetenschappelijk onderzoek naar
beginnend menselijk leven onder de bescherming van de Embryowet te
brengen, is dat voor de ChristenUnie in een heel ander licht komen te
staan na het aannemen van de initiatiefwet over embryokweek. De partijen
die die wet in deze Kamer hebben gesteund, zetten in de samenloop een
fundamentele wissel om met de mogelijkheid om ook intacte embryoachtige
structuren te kweken en instrumenteel gebruikt menselijk leven te
vernietigen. Daarboven hangt met dit coalitieakkoord ook nog eens de
schaduw van wetgeving die de dagengrens van veertien dagen in de duur
van het onderzoek mogelijk verder oprekt.
Voorzitter. Ik begon mijn bijdrage met de blik van astronauten op ons
blauwe bolletje, de aarde. Een van hen omschreef dat als een
reddingsboot in een groot en donker heelal. Het is aan de bemanning van
de aarde, wij mensen, om daar gewetensvol mee om te gaan. Ik vond dat
een prachtige beeldspraak. Soms zie je schoonheid pas als je even
afstand neemt.
Het wetsvoorstel dat we vandaag bespreken, zoomt juist in op het
allerprilste begin van menselijk leven. Als je mensen spreekt die daar
iedere dag onderzoek naar doen, dan zie je soms ook de schoonheid uit
hun ogen stralen door wat voor verrassingen en ontdekkingen ze daar
doen. Dat menselijk leven wil de ChristenUniefractie volle bescherming
geven, niet om alle medische wetenschap te beperken, absoluut niet, maar
wel om zinvolle beschermende wettelijke kaders mee te geven, want ook
pril leven is niet van ons.
Waar we een aantal bepalingen uit het wetsvoorstel dus zeker kunnen
steunen, geldt dat niet voor de gehele wet, temeer omdat het
wetsvoorstel Embryokweek onlangs is aangenomen. Ik heb samen met collega
Diederik van Dijk meerdere amendementen ingediend die pogen alsnog de
beschermwaardigheid van het leven tot uitdrukking te brengen in
beschermende wettelijke kaders. Ik luister vanzelfsprekend met
belangstelling naar de beantwoording van de minister.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw bijdrage in de eerste termijn. Dan is het woord nu
aan de heer Poortman, die spreekt namens de fractie van het CDA. Gaat uw
gang.
De heer Poortman (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Alles is politiek, maar politiek is niet alles.
Dat is een uitspraak van de protestantse theoloog en ethicus Harry
Kuitert. Het hele leven van mensen is van wieg tot graf naar politieke
vraagstukken te vertalen: kraamzorg, onderwijs, arbeidsmarkt,
relationele verbindingen, overlijden, begraven, noem maar op.
Tegelijkertijd is het leven van mensen meer dan politiek, is de
werkelijkheid meer dan politiek. Dat voelen we ook met elkaar. Politiek
is een constructie, maar wel een veelomvattend en bijna allesbepalend
construct. We hebben ons ertoe te verhouden.
Voorzitter. Vandaag debatteren we over de aanpassing van de Embryowet.
Dan wordt wat mij betreft de uitspraak van Kuitert treffend
geïllustreerd. Ik draai 'm even om: politiek is niet alles, maar alles
is wel politiek. De Embryowet is namelijk een politiek vraagstuk, maar
denk je aan een embryo, dan denk niet allereerst aan een wet of aan
politiek. Dat is meer dan politiek. We denken dan allereerst aan het
wonder van nieuw leven — mevrouw Bikker noemde dat ook — en misschien
het raadsel van het leven als zodanig en de schoonheid van het doorgeven
van leven.
Maar vandaag is het embryo ook een politiek vraagstuk, omdat we het
embryo proberen te definiëren. Als we helder kunnen maken wat een embryo
is, dan kunnen we het een plek in de wet geven, dan kunnen we
beschermwaardigheid vormgeven en kunnen we tegelijkertijd ook onderzoek
mogelijk maken. Als we dat vandaag bespreken, als we hierover spreken,
doen we dat wat het CDA betreft steeds met in ons achterhoofd de
waarschuwing dat alles dan misschien wel politiek is, maar dat politiek
niet alles is.
Om daar maar even bij stil te staan: het is de vraag of een definitie
van een embryo wel mogelijk is. Definiëren is gevaarlijk, omdat dan
altijd het gevaar van essentialisme op de loer ligt. En in vervolg
daarop is de vraag of de essentie van dingen altijd zo duidelijk is en
of dat zo vast te leggen is, zeker als het gaat om mensen. De Franse
filosoof Jean-Paul Sartre — ik wilde hem een keer noemen hier —
waarschuwde daar al voor: de mens is een niet en elke poging om hem tot
een iet te maken, doet afbreuk aan de idee dat de mens niet te vatten is
in een essentie. Het gevaar van het essentialisme is namelijk
reductionisme. Dan krijg je formuleringen als dat de mens feitelijk niet
meer is dan een verzameling cellen, of dat de mens vastgepind wordt in
een cultureel bepaald rollenpatroon, of dat het DNA allesbepalend is
voor wie of wat een mens is, of: de mens is zijn brein.
Daarom terug naar de vraag die we vandaag behandelen: wat is een embryo?
Heel formeel: wettelijk geldt de formulering van de Embryowet uit 2002.
Een embryo, zegt die wet, is een samenhangend geheel van cellen met het
vermogen uit te groeien tot een mens. Dat is wat mij betreft al een
onbevredigende definitie, want je kunt ertegen inbrengen dat een embryo,
met alle potentie om uit te groeien tot een mens, niet te reduceren valt
tot een samenhangend geheel cellen met bepaalde vermogens. Een embryo is
namelijk niet alleen een biologisch verschijnsel. In de meeste gevallen
staan we tot een embryo in relatie, omdat het deel van ons is of
onderdeel wordt van een gezin en een familie, of omdat het de
geschiedenis gaat betreden en daarmee invloed gaat uitoefenen op ons
bestaan. De andere kant is dat dit ook een definitie is die lange tijd
wel heeft gewerkt in de context van het laboratorium. Daar verschijnt
het embryo namelijk ook als biologische entiteit. Omdat we een embryo
met potentie om uit te groeien tot een mens op waarde schatten en
beschermwaardigheid toekennen, heeft het in die werkelijkheid van het
laboratorium, van wetenschap en onderzoek ook een juridische definitie
nodig: wanneer is iets een embryo en wanneer valt het onder de
wet?
Ook in dat opzicht is de oude definitie inmiddels niet meer bevredigend.
Technologie is nu verder dan in 2002 en embryo's kunnen op een heel
andere manier tot stand worden gebracht dan toen voor mogelijk werd
gehouden. Er kunnen bijvoorbeeld heel specifiek embryomodellen gevormd
worden om organen na te bootsen. Daarmee is het niet een compleet en
intact embryo. Dit wetsvoorstel doet een poging om die praktijk van
onderzoek recht te doen en het embryo tegelijk ook als beschermwaardig
een plek toe te kennen in ons juridische bestel.
Voorzitter. Het CDA staat daarom positief tegenover dit wetsvoorstel.
Wel hebben we enkele vragen aan de regering. Dat zijn er drie, zeg ik,
zodat de minister weet wanneer ik aan het einde van mijn vragen ben. Pen
klaar! Allereerst behelst het wetsvoorstel dat de definitie van een
embryo onder andere inhoudt dat het gaat om — ik citeer: "Een entiteit
waarvan redelijkerwijs verwacht kan worden dat, als de ontwikkeling tot
en met de gastrulatie zou plaatsvinden, dezelfde essentiële functies
ontstaan als dat van een klassiek embryo." In de nota naar aanleiding
van het verslag heeft mijn fractie gevraagd hoe en door wie dit
eigenlijk bepaald wordt. De regering gaf aan dat dit in eerste instantie
aan de onderzoeker zelf is, met toetsing door de CCMO. Maar de regering
geeft ook aan dat als tijdens het onderzoek blijkt dat er toch sprake is
van een entiteit volgens de definitie van de Embryowet, het experiment
moet worden stopgezet en er opnieuw toetsing door de CCMO moet
plaatsvinden. Kan de minister iets meer zeggen over hoe dit in de
praktijk zou moeten werken en hoe we daar goed zicht op kunnen
houden?
Dan mijn tweede vraag. De nieuwe embryodefinitie bepaalt mede wat
straks, door het aangenomen initiatiefwetsvoorstel, onder het opgeheven
verbod op het tot stand brengen van embryo's voor onderzoek valt. Kan de
minister uitleggen hoe de subsidiariteitstoets van de CCMO in de
praktijk zal werken voor onderzoeksembryo's, gegeven dat ELS,
embryo-like structures, nu ook als embryo worden aangemerkt? Met andere
woorden, wanneer zijn restembryo's of ELS voldoende alternatief en wie
beoordeelt dat?
Tot slot de laatste vraag. Het CDA kijkt graag ook vooruit naar de
volgende wetsevaluatie, want niet alle aanbevelingen uit de derde
evaluatie worden opgevolgd. Volgens ons is dat terecht, maar ik ben ook
benieuwd hoe dat wordt meegenomen in de volgende, vierde wetsevaluatie.
Is er een specifiek thema waar deze evaluatie zich op gaat richten?
Wanneer verwacht de regering dat deze evaluatie plaatsvindt en afgerond
wordt?
Tot slot, voorzitter. Als het gaat om medisch-ethische zaken past een
zekere voorzichtigheid; collega Bikker noemde het ook al.
Medisch-ethische vraagstukken kennen geen duidelijke eindpunten. Het
gaat om complexe vraagstukken, zoals al in de Nota medische ethiek van
Rutte III stond. Maar ethiek vraagt naast voorzichtigheid ook om moed.
Een ethisch dilemma is een indicatie van het gegeven dat we nieuw
terrein betreden en nieuwe vragen durven stellen, en ook nieuwe
antwoorden verkennen. Het afbakenen van wetenschappelijk onderzoek is
daar onderdeel van. Medische technologie en onderzoek dragen namelijk
een enorme belofte in zich. Het afwijzen van de mogelijkheden tot dat
onderzoek en de vormgeving van die technologie is geen neutrale of
veilige keuze; dit onderzoek en deze technologie zullen voor een
belangrijk deel voor sommige mensen de kwaliteit van het leven
bepalen.
Dit zou een alinea kunnen zijn waar ik even pauze houd, voorzitter.
De voorzitter:
Laten we dat maar doen; laten we dat doen. Er is een interruptie van de
heer Diederik van Dijk.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Ik dacht dat de heer Poortman met zijn slotwoorden bezig was, maar als
er nog heel veel komt, kan ik even wachten.
De heer Poortman (CDA):
Twee alinea's.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dan wacht ik even.
De voorzitter:
Gaat u verder. Enjoy.
De heer Poortman (CDA):
Het is daarom goed, zo vervolg ik, dat we vandaag een poging doen om de
wetenschappelijke stand van zaken open en kritisch onder ogen te zien,
en om aan de hand daarvan de wet aan te passen en aan te scherpen, om zo
de wetenschap duidelijk kaders te bieden voor onderzoek in het belang
van mens en samenleving. Ethiek vraagt namelijk om normering. Daar hoort
bij dat we de definitie van wat we zien als embryo opnieuw bepalen. Daar
ontkomen we niet aan, want als mens geven we alles een plek in taal en
definiëren we wat deel van ons is of wat deel uitmaakt van onze
werkelijkheid.
Daarbij moeten we ons altijd rekenschap geven van het feit dat onze
definities niet een eendimensionaal eindpunt zijn, maar een startpunt
van ons denken. Een embryo is daarom ook nooit op te sluiten in een
biologische definitie; het maakt immers, om maar wat te noemen, ook deel
uit van een sociale structuur. Een embryo ontstijgt onze juridische
definitie omdat een mens of een wordende mens taal ontstijgt, biologie
ontstijgt, sociaal-culturele patronen ontstijgt. In elk spreken en
denken daarover, nu en in de toekomst, hebben we ons van dat gegeven
rekenschap te geven. Alles is politiek, maar politiek is niet
alles.
Dank u wel.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Ethiek vraagt om normering, zegt de heer Poortman terecht, en dat vraagt
ook om een wetgever die reguleert. Dat is typisch, kenmerkend, voor het
CDA in die zin. In dat verband haak ik even aan bij de interrupties die
de heer Poortman pleegde op collega Bikker. Als een van de mogelijke
ontstaanswijzen van embryo's wordt nu opgemerkt, als vijfde
mogelijkheid, een andere wijze van tot stand brengen. Ik noem dat een
openeindeformulering. Ik begreep dat de heer Poortman het anders leest.
Ik wil niet in een woordenspel terechtkomen, maar juist omdat de heer
Poortman het heeft over de noodzaak om te kunnen reguleren als wetgever,
is mijn vraag of hij het ermee eens is, en dus verwacht dat het antwoord
van de minister is, dat het geboden is dat de wetgever daarvoor een
expliciete keuze maakt als er, even in mijn eigen woorden, een nieuwe
ontstaanswijze wordt uitgevonden door de wetenschappers, dus dat het
niet aan de voorkant open wordt gelegd, maar dat het een keuze vraagt
van de wetgever. Is dat ook de lijn van de heer Poortman?
De heer Poortman (CDA):
Ja, en volgens mij is punt vijf daar een uitdrukking van. De normering
wordt namelijk volgens mij bepaald door dat punt vijf, om het maar even
zo te zeggen. Het kan natuurlijk in de toekomst zijn dat de definitie
van de vier eerdere punten die genoemd worden helder is, maar dat er een
nieuwe technologie wordt ontwikkeld waarmee een embryo tot stand wordt
gebracht die niet onder die eerste vier valt. Punt vijf zorgt ervoor dat
de wetenschap geen vrijbrief krijgt om te zeggen: dit valt niet onder de
Embryowet, dus dit kunnen wij ongebreideld, ongenormeerd, ongereguleerd
vormgeven. Nee, punt vijf in deze wet zegt dan: nee, ook dat valt onder
de bescherming van de Embryowet, dus u kunt daar niet ongereguleerd
onderzoek mee doen of handelen.
De voorzitter:
Dat is helder.
De heer Poortman (CDA):
Ik zie dat punt vijf juist als een striktere afbakening van de
definitie.
De voorzitter:
Een vervolgvraag.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Ik lees dat uitdrukkelijk anders. Ik ben ook heel benieuwd hoe de
minister het uitlegt. Ik zie het inderdaad als een openeindeformulering,
met alle risico's van dien. Ik vind dus dat het, als je zo'n nieuwe
ontstaanswijze wilt toevoegen aan deze wet, een expliciet ingrijpen,
expliciete keuze van de wetgever vereist. Ik hoop dan ook dat de heer
Poortman, mocht straks blijken dat de wet dus toch anders moet worden
uitgelegd dan hij nu veronderstelt, met belangstelling kijkt naar het
amendement dat hier ligt. Mag ik dat zo samenvatten?
De heer Poortman (CDA):
Ja, maar ik vraag me af of we op dit punt nu al bij elkaar gaan komen,
omdat ik dus punt vijf echt andersom interpreteer. Ik zie het als een
afbakening van toekomstig onderzoek en niet als een vrijbrief voor
toekomstig onderzoek.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Helder. Ik ga door op het punt van reguleren en normeren. Ik wil graag
wat concreet maken. Dit wetsvoorstel kent geen verbod op het tot stand
brengen van embryo's met ivg-modellen om een zwangerschap te bereiken.
In het verslag kregen we als antwoord: dat hoeft ook niet, want het is
technisch nog niet mogelijk. Maar inderdaad, op afzienbare termijn is
het misschien wel mogelijk. Past het ook niet bij de CDA-lijn zoals die
net verdedigd is, dat wij moeten normeren en reguleren, dat de wetgever
ook daarvoor een expliciete keuze moet maken of hij dat mogelijk wil
maken en het niet open moet laten, zoals dus nu gebeurt?
De heer Poortman (CDA):
Ik herken uw aarzeling. Ik moet op dit punt zeggen dat ik dat nog niet
goed weet, omdat ik niet bij voorbaat al een principiële afwijzing voel
bij het idee dat er via ivg embryo's tot stand gebracht kunnen worden,
omdat het zeker in de context van voortplantingstechnologie bijvoorbeeld
wel heel veel perspectief kan bieden voor ouders die zelf moeite hebben
met het produceren van geslachtscellen. Nu is er dan soms een derde
nodig om een embryo tot stand te brengen. Dat zou in de toekomst dan
door slechts twee mensen kunnen, beide ouders. Ik vind dus dat deze
technologie een bepaalde potentie heeft, waardoor ik niet op voorhand al
zou willen zeggen dat je reproductieve doeleinden moet uitsluiten met
deze technologie. Maar ik sta aan het begin van het denken op dit
punt.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Laatste keer dan.
De voorzitter:
Oké, oké.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Ik waardeer het eerlijke antwoord. Eventjes daarin meegaand: de heer
Poortman wil het niet aan de voorkant uitsluiten, maar hij geeft zelf
ook aan dat er echt wel de nodige voors en tegens aan zitten. Dat is
eigenlijk precies mijn punt. Hoe je er ook over denkt, vergt dat niet
een expliciete keuze van de wetgever en betekent dat dan niet dat je het
nu niet aan de voorkant helemaal open moet laten?
De voorzitter:
Tot slot, meneer Poortman.
De heer Poortman (CDA):
Dat zou bij mij vooral zitten in het punt van veiligheid en
toepasbaarheid. Volgens mij wordt het in de wet goed gereguleerd. Ook in
de initiatiefwet is het natuurlijk niet zo dat al dat onderzoek maar
ruim baan wordt gegeven. Er wordt heel strak genormeerd. Er wordt voor
bepaalde doeleinden onderzoek mogelijk gemaakt en daar zou dit
bijvoorbeeld ook bij kunnen horen om te testen of het veilig kan en of
het überhaupt toepasbaar is. Dat is voor mij een belangrijker criterium
dan het principiële idee of je wel of geen ivg-embryo's zou willen.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Dank voor het mooie betoog van collega Poortman. Over Sartre is meer te
zeggen, maar laten we dat niet in dit debat doen.
De heer Poortman (CDA):
Jammer, ik hoopte op zo'n interruptie.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Dat zou mooi zijn; dat snap ik. Maar toch terug naar de voorliggende
embryowetgeving. Ik heb gerefereerd aan de afslag die in december 2025
is genomen en aan de verschuiving die ik daarmee zie, namelijk dat
beginnend menselijk leven meer instrumenteel kan worden ingezet. Ik ben
heel benieuwd hoe de collega van het CDA dat weegt, ook in het licht van
voorliggend wetsvoorstel. Het gaat dan eigenlijk om die balans en het
overeind houden van de beschermwaardigheid van beginnend menselijk
leven. Kan collega Poortman nog wat meer schetsen hoe hij dat ziet in
het licht van de veranderde wetgeving in vergelijking met de start van
dit traject?
De heer Poortman (CDA):
Dat punt van instrumentaliteit is ingewikkeld, want de tragiek van ons
menselijk handelen is dat er altijd een tendens tot instrumentalisering
in zit, omdat niet alles wat we doen en tot stand brengen altijd een
doel op zich is. Daarom denk ik dat gezindheid — ik heb dat ook ooit in
een rapport opgeschreven — heel erg bepalend is, voor mij althans. Dus
de gezindheid en de intentie waarmee je dingen doet, bepalen wel
degelijk of iets wel of niet instrumenteel is. Als je dus met een embryo
puur fundamenteel onderzoek zou doen uit wetenschappelijke
nieuwsgierigheid, omdat je de stand van de wetenschap verder wilt
brengen, vind ik dat een andere vorm van instrumentaliseren dan wanneer
je zegt: nee, we hebben het over speciale en hele nare ziektes die we
willen onderzoeken; we willen in de toekomst bijvoorbeeld door
kiembaanmodificatie ziektes kunnen voorkomen. Ik noem maar iets. Dat is
nu nog verboden, omdat niet bewezen is dat het kan en veilig is. Ik vind
dat instrumentaliseren van een ander gehalte. Ik voel met mevrouw Bikker
mee. In een ideale wereld zou er geen embryokweek of het tot stand
brengen van embryo's nodig zijn. Het is dus altijd met een bezwaard
gemoed, maar het doel heiligt soms de middelen.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik denk dat dat precies is waar we uiteenlopen. Voor mij heiligt het
doel niet alle middelen.
De heer Poortman (CDA):
Nee, zeker niet.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik denk eigenlijk dat we het daar dan ook wel weer over eens zijn. Het
debat gaat over de vraag of in dit geval de middelen te heiligen zijn.
Voor mij zit de zoektocht, ook als ik naar deze uitleg luister, in het
volgende. Ik heb heel bewust ook nog even teruggekeken naar de
totstandkoming van de Embryowet. Juist als je de derde evaluatie pakt,
vind ik dat we ook recht moeten doen aan wat onze voorgangers daarover
hebben gezegd. Ik vond het bijvoorbeeld ontzettend indrukwekkend om te
lezen hoe mevrouw Kant namens de SP echt hele stevige punten inbracht,
ook wel over hoe we omgaan met bijvoorbeeld de commerciële kanten.
Iedereen die daarvoor belangstelling heeft: lees het terug. Mijn vraag
aan collega Poortman is dan als volgt. Ik las dat zijn voorganger
Clémence Ross-Van Dorp nadrukkelijk zei dat al het onderzoek met
embryo's niet kan gebeuren alleen in het belang van de wetenschap — dat
zegt collega Poortman ook — maar ook niet in het belang van de mogelijke
patiënt. Zij richt het echt alleen op het tot stand komen van
zwangerschappen. Maar als ik collega Poortman nu goed beluister, zegt
hij: ook de mogelijke patiënt die hiermee geholpen is. Ik zeg
"mogelijk", omdat je als je onderzoek doet, niet zeker weet of je iets
gaat vinden wat helpt. Die patiënt is wat hem betreft ook een reden om
embryo's tot stand te brengen en te onderzoeken.
De heer Poortman (CDA):
Het risico is dat we het debat van december over gaan doen, want het is
een beetje de thematiek van toen. Ik denk dat daarover binnen het CDA
verschillend wordt gedacht. Dat bewees de stemming ook. Mevrouw Clémence
Van Dorp heeft daar hele integere afwegingen in gemaakt en ik heb daar
een andere afweging tegenover gezet. Dat zeg ik op basis van het rapport
dat ik daarover geschreven heb.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
De vorige keer hebben we collega Poortman gefeliciteerd, omdat hij zijn
maidenspeech hield. Daarom durf ik het nu ook aan om wat diepere vragen
te stellen die ik toen bewust niet heb gesteld. Ik dank hem ook voor het
antwoord. Het bepaalt natuurlijk ook de lens waardoor je verder naar die
Embryowet gaat kijken, ook in de toekomst. En precies daar zit mijn
zorg, namelijk dat we langzaam maar zeker, omdat er meer
wetenschappelijke mogelijkheden zijn, anders naar het beginnend
menselijk leven gaan kijken. Als we niet uitkijken, schuift dat door van
Gesinnungsethik naar een nutsethiek. Hoe denkt collega Poortman dat nu
te voorkomen?
De heer Poortman (CDA):
Ik denk dat het niet zo is dat de wetenschap ervoor zorgt dat wij het
leven anders gaan zien of dat de wetenschap ervoor zorgt dat het leven
anders wordt dan het is. Ik denk wel dat het ons soms corrigeert in hoe
wij het leven altijd gezien en geduid hebben. De voortgaande technologie
morrelt aan het klassieke idee van hoe een mens tot stand komt en wat
een mens in beginsel misschien is. Dat zijn dus hele fundamentele vragen
waarmee we geconfronteerd worden, niet omdat de wetenschap wat een mens
is laat opschuiven, maar omdat door wat technisch mogelijk is misschien
het hele klassieke idee wel onder druk komt te staan. Ik ben er dus niet
zo bang voor dat de wetenschap dat doet. Ik denk dat wij onszelf die
fundamentele vragen moeten stellen. Aan de ene kant noopt dat tot
voorzichtigheid en moeten we het kind niet met het badwater weggooien en
zorgen dat de menselijke waardigheid en beschermwaardigheid gefundeerd
blijft. Tegelijkertijd geeft die nieuwe manier van kijken ook openheid
naar bepaalde technologische mogelijkheden.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Dan zou ik toch nog één spade dieper willen gaan. Ik heb hier op
verschillende manieren proberen aan te geven dat wij dat begin van het
menselijk leven ergens niet kunnen vatten, en ik geloof dat het een ziel
heeft. Dat maakt dat ik denk: je moet voorzichtig zijn op het moment dat
je zoiets toestaat. Ik begrijp heel goed dat dat binnen het CDA
verschillend wordt gewogen, maar ik zou wel heel benieuwd zijn hoe
collega Poortman die weging maakt. Dat is een oprechte vraag in deze
zoektocht. We kunnen ook terugkijken over tien jaar en ontdekken:
eigenlijk was daar al veel meer dan dat we nu weten; wat is het
onverstandig geweest dat we dit tot stand hebben gebracht en hebben
laten onderzoeken. Hoe weegt hij dat?
De voorzitter:
Tot slot, meneer Poortman.
De heer Poortman (CDA):
Dat is een goede vraag. Ik kom niet alleen met een ethiek van
voorzichtigheid maar ook met een ethiek van moed, omdat dit duidelijk
nieuw terrein is dat we betreden. We moeten onze definities bijstellen.
We leren anders kijken naar hoe leven tot stand komt en hoe het
menselijk leven tot stand komt. Dus dat vraagt om moed. Ik denk dat het
tegelijkertijd ook wel om moed vraagt om dat debat blijvend te voeren.
Misschien moeten we over vijf jaar concluderen dat we op bepaalde punten
stappen terug moeten zetten. Het is ook ethiek, medische ethiek, dat je
zo kritisch naar de praktijk blijft kijken. Daar heb ik alle vertrouwen
in, want deze wet komt niet uit de lucht vallen. Het is duidelijk ook
een verzoek van wetenschappers en het wetenschappelijk veld zelf, die
vragen om normering: wij hebben technologie en er zijn dingen die nu
eigenlijk ongebreideld mogelijk zijn; daar voelen wij ons niet
comfortabel bij. Dus vragen zij de politiek: help ons door dit te
normeren. Dat is wat deze wet probeert te doen. In die wisselwerking heb
ik veel vertrouwen, met een integere wetenschap en een open politiek
debat. Ik denk dat we daarmee ook in de toekomst zinvolle
medisch-ethische debatten kunnen blijven voeren.
De voorzitter:
Daarmee bent u aan het einde van uw betoog. Dank u wel. De volgende
spreker van de zijde van de Kamer is de heer Claassen. Fijn dat u het
gered heeft. We zijn heel blij dat u er bent. Aan u het woord.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ik vond het belangrijk genoeg om hier te staan. Ik kan ook niet de hele
vergadering bijwonen, maar het onderwerp is belangrijk genoeg om de
zienswijze van Groep Markuszower in te brengen.
Voorzitter. Nederland heeft op het gebied van voortplantingsgeneeskunde
een bijzondere positie. Onze niet-commerciële zorgstructuur, onze
academische centra, onze wetenschappelijke reputatie maken ons tot een
van de weinige landen ter wereld die embryo-onderzoek ethisch
verantwoord en tevens wetenschappelijk serieus kunnen uitvoeren. Dat is
een positie die we moeten koesteren. Dat betekent: goede wetgeving die
onderzoekers duidelijkheid geeft en hen niet onnodig remt.
Groep Markuszower erkent dat de huidige Embryowet modernisering behoeft.
De opkomst van embryomodellen zoals ELS, embryo-like structures, heeft
een grijs gebied gecreëerd dat de wet uit 2002 niet voorzag. De memorie
van toelichting benoemt het zelf. Onderzoekers hanteren nu een "better
safe than sorry"-beleid, omdat de wet onvoldoende duidelijkheid biedt.
Dat remt innovatie. We zijn het er dan ook over eens dat ingrijpen
noodzakelijk of wenselijk is. Dit wetsvoorstel lost het probleem
onvolledig op en introduceert tegelijkertijd nieuwe drempels die de
innovatiekracht van juist dat Nederlandse onderzoek kunnen schaden. ELS
die een intact embryo volledig nabootsen, vallen voortaan onder het
volledige Embryowetregime. Dat betekent een volledig onderzoeksprotocol,
de subsidiariteitseis, verplichte CCMO-toetsing enzovoort; de CCMO is de
Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek. Dat zijn dus dezelfde zware
randvoorwaarden als voor klassieke embryo's, die werden gemaakt door
bevruchting van eicel en zaadcel. ELS zijn dat niet. Zij ontstaan uit
stamcellen in een laboratorium. Ze kunnen zich niet doorontwikkelen tot
een foetus en mens en ze worden na onderzoek vernietigd. Het zijn
modelorganismen, geen embryo's in de klassieke zin. Onderzoekers hebben
dat zelf ook zo ingebracht tijdens de internetconsultatie. Zij
waarschuwden expliciet dat CCMO-toetsing de drempel verhoogt en
onderzoek kan vertragen. De Wet zeggenschap lichaamsmateriaal, die op
dit moment nog in behandeling is, had een proportioneler kader kunnen
bieden voor juist dit type materiaal, maar de regering koos daar niet
voor en heeft dat naar ons oordeel ook onvoldoende gemotiveerd.
Dan de definitie zelf. ELS vallen onder de wet als redelijkerwijs
verwacht kan worden dat bij ontwikkeling tot en met gastrulatie — dat is
een cruciale fase in de vroege embryonale ontwikkeling — dezelfde
essentiële functies ontstaan als bij een klassiek embryo. De memorie van
toelichting is er helder over: die verwachting is niet
proefondervindelijk te onderzoeken en het is een redenering, geen
meting. De Raad van State vroeg om een betere motivering. De CCMO zelf
vroeg om een verduidelijking van de definitie. Wanneer twee van de meest
gezaghebbende adviseurs in dit traject vragen om scherpte op het
kernbegrip van de wet, is dat geen detail meer. Een vage definitie lost
de terughoudendheid bij de onderzoekers niet op, maar verplaatst die
alleen van de vraag of een ELS onder de wet valt naar de vraag hoe de
CCMO dat gaat beoordelen.
Er is nog iets: de nieuwe definitie bevat ook een vangnetbepaling. Daar
is net ook al een interruptiedebatje over geweest. Ik citeer letterlijk
uit artikel 1.5: "een andere wijze van tot stand brengen". Wij lezen het
toch ook zoals de heer Diederik van Dijk dat leest. De wetgever geeft
daarmee wat ons betreft ruimte voor ontstaanswijzen die vandaag nog niet
bestaan en die de memorie van toelichting dus ook niet kan benoemen. Het
is een definitie die zichzelf uitbreidt naarmate de wetenschap vordert,
zonder dat de Kamer dan nog zeggenschap heeft. Dat is wat onze fractie
betreft zeer onwenselijk. Wij willen goed onderzoek mogelijk maken en we
willen heldere, werkbare grenzen. Dit wetsvoorstel bereikt het eerste
onvoldoende, want de definitie is te vaag en de drempel is te hoog voor
feitelijk modelonderzoek. Wij vragen de minister om als reactie op deze
punten de keuze om geen aparte regeling voor ELS te hebben te motiveren.
Dat is dus een andere zienswijze. Misschien komen andere sprekers daar
nog op. Wij zeggen eigenlijk: hou die Embryowet en maak een aparte wet
voor dit type weefsels en dat type onderzoek. Hoe wordt de definitie dan
uniform gehandhaafd?
Tot zover onze bijdrage.
De voorzitter:
Ik dank u daarvoor. De volgende spreker van de zijde van de Kamer is de
heer Diederik van Dijk, die spreekt namens de fractie van de SGP.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank u wel, voorzitter. Ik merkte bij de eerste spreker, mevrouw Bikker,
dat ik niet de enige was die geïntrigeerd was door de maanreis. We
hebben het de afgelopen dagen ongetwijfeld allemaal gevolgd: de reis
naar de maan. Dit hebben we echt niet afgestemd; we hebben toch veel
meer met elkaar gemeen dan we weleens denken. De reis naar de maan en
weer terug en de beelden van de ruige maan maar ook van de nietige aarde
tegen de achtergrond van een immens heelal waren ronduit adembenemend.
Het trof mij dat een van de astronauten, Victor Glover, zei: we hebben
het er vaak over hoe bijzonder deze reis is, maar vergeet tegelijkertijd
niet dat we op een plek mogen wonen die speciaal voor ons geschapen is.
Een prachtige reactie! Ik moest denken aan de woorden van Psalm 8. De
hemel, de maan en de sterren worden daarin beschreven als het werk van
de vingers van God. En vervolgens vraagt de mens zich af: wat is de mens
dat u naar hem omziet? Wat is de mens? Hoe bijzonder is het dat in zo'n
groot heelal menselijk leven bestaat, leven door God geschapen? Hoe
bijzonder is het dat God de Schepper ieder van ons heeft gemaakt? Net
zoals hij zon, maan en sterren maakte, maakte hij ook mensen. Hij heeft
ons vanaf het prilste begin gewild en gekend.
Dat besef maakt klein en nederig. Ik hoorde mijn collega van het CDA een
Franse filosoof aanhalen, Sartre, die ik in het verleden ook met heel
veel belangstelling gelezen heb. Maar ik heb toch nog iets meer met
Pascal, de zeventiende-eeuwse wiskundige en filosoof Blaise Pascal, die
ook schreef over de oneindige ruimte waar de mens door de uitvinding van
de lens in terecht was gekomen. Door de telescoop zag hij de oneindige
ruimte rondom onze planeet. Door de microscoop werd de oneindige wereld
van cellen ín ons mensen zichtbaar. Beide vervulden Pascal met huiver en
ontzag.
Die mengeling van verwondering, nederigheid en huiver lijkt mij ook
passend bij dit debat. Opnieuw een wijziging van de Embryowet, dit keer
naar aanleiding van de derde wetsevaluatie. Het gaat om — ik citeer de
Raad van State — "een ingrijpende aanpassing van deze wet". De definitie
van "embryo" wordt gewijzigd, waardoor de wet in feite wordt verruimd.
Dit wetsvoorstel staat niet op zichzelf. Eind vorig jaar is een
fundamentele wissel omgezet: de Tweede Kamer stemde in met embryokweek
voor wetenschappelijk onderzoek. Je kweekt heel pril leven om het daarna
weer te vernietigen. Heel verdrietig om zo te handelen met menselijk
leven. Hoewel de fundamentele wissels eind vorig jaar in feite al zijn
omgezet, wil ik ook vandaag een duidelijke markering maken. Ook dit
wetsvoorstel raakt namelijk de beschermwaardigheid van het menselijk
leven en opent deuren naar verdergaande vertechnisering van de
voortplanting. Het is om die reden dat er afgelopen zondag in veel
kerken een voorbede is gedaan. Er is gebeden om wijsheid en
voorzichtigheid voor alle Kamerleden en kabinetsleden. Er ligt een grote
verantwoordelijkheid op onze schouders, ook naar de toekomst.
Dit lijkt namelijk niet de laatste wijziging van de Embryowet. Zo ligt
er een advies om de veertiendagengrens voor de embryokweek op te rekken.
En er ligt een tweede initiatiefwet over embryo's klaar, vanuit D66 en
de VVD, die erop gericht is om embryo's die erfelijke ziekten met zich
kunnen meedragen al in een zo vroeg mogelijk stadium te vernietigen. De
SGP wil er geen misverstand over laten bestaan; de medisch-ethische
onderwerpen zijn voor ons cruciaal in de beoordeling en benadering van
dit kabinet.
Voorzitter. Het feit dat de Kamer het initiatiefvoorstel om embryokweek
toe te staan heeft aanvaard, betekent dat een aantal aspecten die de
regering bewust had uitgezonderd van haar voorstel inmiddels al
werkelijkheid zijn geworden. Concreet gaat het dan om embryokweek voor
onderzoek met klassieke embryo's, om embryokweek ten behoeve van
therapeutisch kloneren, en om embryokweek voor onderzoek met
ivg-geslachtscellen. De Kamer in de huidige samenstelling heeft besloten
om die grens over te gaan. Dat is de wat mij betreft de pijnlijke
realiteit waartoe we ons nu moeten verhouden.
Dit brengt me echter wel op de volgende vraag waar de minister zich naar
onze overtuiging indringend rekenschap van zal moeten geven. In het
wetsvoorstel wordt namelijk voortdurend gezegd dat de regering een
balans heeft gezocht tussen de bescherming van menselijk leven enerzijds
en het belang van medisch-wetenschappelijk onderzoek anderzijds. De
regering koos daarom — zo wordt in de toelichting keer op keer gesteld —
bewust niet voor het volledig opheffen van het kweekverbod, maar wel
voor het toestaan van de kweek van intacte embryoachtige structuren,
ELS. De regering zag dit als een aanvaardbaar alternatief voor
embryokweek. Nu de initiatiefwet is aanvaard, kan ik echter niet anders
dan concluderen dat de balans die de regering nadrukkelijk heeft gezocht
doorbroken is. Erkent de minister dat zelf ook? En zo ja, welke
consequenties heeft dit volgens haar voor het voorstel dat wij vandaag
bespreken? Is zij het ermee eens dat dit, als je redeneert vanuit de
door de regering gezochte balans, op zijn minst zou moeten leiden tot
een aanscherping van de Embryowet ten gunste van de bescherming van pril
menselijk leven? Om daar vast een voorschot op te nemen: de amendementen
die de SGP heeft ingediend, waarvan een aantal samen met de
ChristenUnie, zijn daarop gericht.
Voorzitter. Het is de SGP opgevallen dat de regering zich in de
toelichting op het wetsvoorstel en in de nota naar aanleiding van het
verslag beperkt tot een juridisch-technische uitleg en onderbouwing. Het
ontbreekt aan een grondige ethische afweging van belangen, waarden en
rechten. Ook de Raad van State legt hier in het advies nadrukkelijk de
vinger bij. De regering zegt bijvoorbeeld wel dat zij de
beschermwaardigheid van beginnend menselijk leven heeft afgewogen tegen
het belang van wetenschappelijk onderzoek, maar het wordt nauwelijks
duidelijk hoe die afweging heeft plaatsgevonden. De regering presenteert
eigenlijk alleen het resultaat van de belangenafweging, namelijk het
wetsvoorstel zelf. Sterker nog, in de kabinetsreactie op de brief van de
NPV probeert de minister een onderscheid aan te brengen tussen
levensbeschouwelijke perspectieven op embryo's en de juridische
definitie van embryo's zoals die in de Embryowet is vastgelegd. Ik
citeer: "De definities in de huidige Embryowet en in het wetsvoorstel
van de regering zijn niet bedoeld om levensbeschouwelijk te duiden wat
beginnend menselijk leven is." Ik meen oprecht dat de regering dit
onmogelijk kan volhouden. Iedere wet is gestoeld op morele opvattingen
en ethische overwegingen. Dat geldt dus ook voor deze wijziging van de
Embryowet. Dat de regering er hier in de toelichting op het wetsvoorstel
bewust aan voorbijgaat, vindt de SGP onbegrijpelijk en eigenlijk ook een
pijnlijke nalatigheid.
De regering verwijst in de toelichting en in de nota naar aanleiding van
het verslag telkens naar de uitkomsten van publieksonderzoek, waaruit
steun voor het voorliggende voorstel zou blijken. Zoals de SGP eerder
heeft aangegeven, is een verwijzing naar maatschappelijke opvattingen op
zichzelf nog geen inhoudelijke weging van belangen. Bij de behandeling
van de oorspronkelijke Embryowet wees de Raad van State er al op dat
breed maatschappelijk draagvlak slechts een informatieve waarde kan
hebben en dat overheidsbeleid niet gebaseerd kan zijn op opvattingen van
burgers of instanties. Het is aan de wetgever zélf om een ethische
afweging te maken en die juridisch te vertalen. Ik wil de minister
daarom vragen om in dit debat alsnog duidelijk te maken welke morele
overtuigingen er aan dit wetsvoorstel ten grondslag liggen.
Voorzitter. De SGP kan zich moeilijk aan de indruk onttrekken dat dit
wetsvoorstel vooral is ingegeven door de wens tot
medisch-wetenschappelijke vooruitgang. Diverse keren geeft de regering
aan dat het wetsvoorstel zo is geformuleerd dat het zo goed mogelijk
aansluit bij de huidige stand van zaken van wetenschappelijk onderzoek.
Er is daarbij nadrukkelijk rekening gehouden met mogelijk toekomstig
wetenschappelijk onderzoek. Ik moest denken aan een bekend citaat, dat
vaak is toegeschreven aan de filosoof Søren Kierkegaard. Ik zie de
voorzitter nu goedkeurend knikken. Dat citaat luidt: wie met de
tijdgeest trouwt, wordt snel een weduwnaar. Dat geldt ook hiervoor. In
voorgaande debatten over de Embryowet heeft de SGP er telkens op gewezen
dat wanneer je de volledige beschermwaardigheid van het embryo eenmaal
hebt losgelaten, iedere nieuwe grens altijd arbitrair zal zijn. Er zal
altijd druk zijn om de mogelijkheden voor de medische wetenschap weer
verder op te rekken, ten koste van pril menselijk leven. De SGP meent
dat ook hier de vraag "wat is de mens?" op zijn plaats is. Wie zijn wij
om ons in de positie van onze Schepper te manoeuvreren?
Voorzitter. Ik wil nu dieper ingaan op de kern van het wetsvoorstel,
namelijk het wijzigen van de definitie van een embryo. De huidige
definitie van een embryo in de wet luidt: cel of samenhangend geheel van
cellen met het vermogen uit te groeien tot een mens. De SGP vindt dit
een onjuiste definitie. Een embryo heeft niet het vermógen om uit te
groeien tot een mens, maar ís een mens. Deze definitie doet ook geen
recht aan de beschermwaardigheid van embryo's die zich vanwege een
gebrek of beperking nooit verder zullen ontwikkelen, zoals de regering
trouwens terecht constateert. Een nieuwe definitie van een embryo als
"het samensmelten van een in het menselijk lichaam ontstane eicel en
zaadcel" spreekt ons daarom veel meer aan. Wij vinden die echt beter dan
de huidige definitie. Vervolgens stelt de regering voor om de definitie
van een embryo uit te breiden met allerlei embryoachtige entiteiten.
Daar heeft de SGP grote moeite mee.
Het wetsvoorstel wijzigt de definitie van het embryo, waardoor ook
entiteiten die niet het resultaat zijn van het samensmelten van een in
het menselijk lichaam ontstane eicel en zaadcel, maar wel dezelfde
essentiële functies voor doorgaande ontwikkeling hebben, onder die
definitie komen te vallen. Dat wordt gepresenteerd als een bescherming
van pril menselijk leven, maar feitelijk is het een verruiming van de
wet en vertroebelt het de waarde van menselijk leven. De SGP wijst het
tot stand laten komen van deze embryoachtige entiteiten af, zowel voor
reproductieve doeleinden als voor onderzoeksdoeleinden. Ik kom daar zo
op terug.
Echter, los van de vraag of het moreel wenselijk is om entiteiten te
ontwikkelen die op het oog niet te onderscheiden zijn van menselijke
embryo's, menen wij dat er een fundamenteel ethisch onderscheid blijft
bestaan tussen embryo's en dergelijke embryomodellen. Je zou dit ook
logisch-filosofisch kunnen beargumenteren: twee dingen die in wezen niet
hetzelfde zijn, kun je niet onder één definitie scharen. Door embryo's
en embryoachtige entiteiten op definitieniveau gelijk te schakelen,
wordt de waarde van menselijk leven door de wetgever feitelijk
aangetast. Daarom stellen wij een definitiesplitsing voor via het
amendement op stuk nr. 13: het begrip "embryo" krijgt een aparte
definitie en er wordt een nieuw begrip toegevoegd, namelijk
"embryoachtige entiteiten". Onder dat nieuwe begrip volgt dan de
opsomming van mogelijke ontstaanswijzen van dergelijke entiteiten.
Hiermee biedt de wetgever een juridische verankering van het ethische
onderscheid tussen embryo's en embryoachtige entiteiten.
Onder onderdeel B van de voorgestelde definitie worden vijf
mogelijkheden voor de totstandkoming van embryoachtige entiteiten
genoemd. Ik ga deze nu stuk voor stuk langs om aan te geven hoe de SGP
daarnaar kijkt en welke consequenties wij daaraan verbinden.
De eerste en de tweede mogelijkheid gaan over het samensmelten van een
of meerdere in vitro geproduceerde geslachtscellen, de zogenaamde
ivg-geslachtscellen, met andere ivg-geslachtscellen of met in het
menselijk lichaam geproduceerde geslachtscellen. De initiatiefwet die
embryokweek mogelijk maakte, regelde al dat ivg-geslachtscellen gebruikt
mogen worden voor wetenschappelijk onderzoek. De wetenschap is op dit
moment niet in staat een zwangerschap tot stand te brengen door
samensmelting van een of meer ivg-geslachtscellen. Dit valt in de
toekomst echter niet uit te sluiten. De SGP vindt dat als deze praktijk
ooit technisch mogelijk wordt, de wetgever een expliciete keuze moet
maken om dit al dan niet toe te staan. Daarom heb ik samen met mevrouw
Bikker het amendement op stuk nr. 11 ingediend dat het tot stand brengen
van embryo's met ivg-geslachtscellen voor reproductieve doeleinden
verbiedt.
Voorzitter. De derde ontstaanswijze van een embryoachtige structuur
betreft het samenbrengen van pluripotente stamcellen. Deze embryo-like
structures, ELS, bootsen een klassiek embryo na. Deze zijn echter niet
ontstaan uit een samensmelting van een in het menselijk lichaam
geproduceerde eicel met een of meer in het menselijk lichaam
geproduceerde zaadcellen, maar uit stamcellen die zijn gevormd uit
normale lichaamscellen en zo zijn geprogrammeerd dat zij zich gaan
gedragen als embryonale stamcellen. Het gebruik van ELS voor
reproductieve doeleinden is verboden vanwege het kloonverbod. De
regering wil het gebruik van ELS voor onderzoeksdoeleinden echter
mogelijk maken. Samen met de ChristenUnie heeft de SGP het amendement op
stuk nr. 8 ingediend om ervoor te zorgen dat dat niet wordt toegestaan.
Als een bepaald type ELS de mogelijkheid in zich draagt om zich tot een
mens te ontwikkelen, dan is dezelfde terughoudendheid als bij een
klassiek embryo met dezelfde potentie voor ontwikkeling tot een mens ons
inziens gerechtvaardigd.
Voorzitter. De vierde ontstaanswijze van embryoachtige structuren vindt
plaats door middel van celkerntransplantatie. Dat is een techniek
waarbij de celkern van een eicel wordt vervangen door de kern van een
lichaamscel, bijvoorbeeld een huidcel, wat resulteert in een kloon van
de donor. Het gebruik van deze techniek is, zoals bekend, verboden voor
reproductieve doeleinden. Zoals in het debat over de initiatiefwet voor
embryokweek al duidelijk werd, heeft de Kamer met het aanvaarden van die
wet de mogelijkheid van celkerntransplantatie voor zogenaamd
therapeutisch klonen al toegestaan. De SGP vindt dat een pijnlijke
realiteit, maar dat is wel waar we het nu mee moeten doen. Daarom hebben
we op dit punt geen amendement ingediend. Ik vraag de regering nog wel
om bij de behandeling van die initiatiefwet in de Eerste Kamer maximale
duidelijkheid te creëren over wat dit in de praktijk betekent, gelet op
de verwarring die hierover ontstond tijdens de behandeling in de Tweede
Kamer.
Voorzitter. De vijfde mogelijkheid die de regering wil opnemen in de
definitie luidt "een andere wijze van tot stand brengen". In
verschillende interrupties is dit al teruggekomen. De SGP-fractie vindt
dit een zeer open norm. Het betekent dat de wetenschap zonder enige
betrokkenheid van de wetgever mag experimenteren met nieuwe
ontstaanswijzen van embryoachtige structuren. Op grond van deze bepaling
komen die daarmee automatisch onder de Embryowet te vallen. Dat gaat
ver. Zonder dat de wetgever daar nog aan te pas komt, wordt hier
maximale ruimte geboden aan de wetenschap. Samen met de ChristenUnie
dienen wij daarom een amendement in, dat op stuk nr. 12, om dit
onderdeel te schrappen. Om als wetgever duidelijkheid te bieden, stellen
wij voor om in artikel 24 van de Embryowet een nieuwe verbodsbepaling op
te nemen, die verbiedt om een embryoachtige structuur tot stand te
brengen op een andere wijze dan genoemd in de definitiebepaling.
Als ik al deze amendementen samenvat, betekent dat het volgende. De SGP
ziet een ethisch en wezenlijk onderscheid tussen embryo's en
embryoachtige entiteiten, vandaar ons amendement voor
definitiesplitsing. De SGP erkent dat er manieren bestaan of denkbaar
zijn om embryoachtige structuren te maken die dusdanig lijken op
embryo's dat het onderscheid in de praktijk nauwelijks of niet meer te
zien is. In dat geval zouden embryoachtige structuren dezelfde
bescherming moeten krijgen. De SGP vindt vervolgens de vijf mogelijke
ontstaanswijzen van embryoachtige structuren voor onderzoek of
vruchtbaarheidsbehandelingen om uiteenlopende redenen niet aanvaardbaar.
Vandaar onze amendementen om dit onmogelijk te maken.
Voorzitter. Dit wetsvoorstel is in de kern gebaseerd op een onderscheid
tussen zogenaamde intacte en niet-intacte embryoachtige structuren.
Niet-intacte ELS bootsen embryo's slechts gedeeltelijk na, waardoor zij
zich niet kunnen ontwikkelen tot een embryo in de klassieke zin van het
woord. Intacte ELS zouden hiermee onder de Embryowet komen te vallen.
Niet-intacte ELS komen onder de Wet zeggenschap lichaamsmateriaal te
vallen; zo is de bedoeling. Hoewel het onderscheid tussen intact en
niet-intact niet in de wetstekst zelf terecht is gekomen, wordt hier in
de toelichting en de nota naar aanleiding van het verslag wel veelvuldig
gebruik van gemaakt. Uit de nieuwe richtlijn van de internationale
vereniging voor stamcelonderzoek, de ISSCR, blijkt echter dat het
onderscheid tussen intact en niet-intact problematisch is. De nieuwste
richtlijn van de ISSCR, uit 2025, neemt afscheid van dit onderscheid.
Hoe denkt het kabinet, ook met het oog op de behandeling van de Wet
zeggenschap lichaamsmateriaal, om te gaan met dit onderscheid, dat dus
geen onderscheid meer is? In de wet wordt gesproken over "essentiële
functies", maar wat is het verschil tussen intacte embryo's en een
embryo met dezelfde essentiële functies? Wordt hiermee niet hetzelfde
bedoeld? Hoe houdbaar is dit dan op de lange termijn?
Het onderscheid tussen intact en niet-intact roept ook de volgende vraag
op. De mate van beschermwaardigheid van embryo's laten we ook niet
afhangen van het feit of die al dan niet beperkt zijn; dat zou
discriminatie zijn. Waarom doen we dat dan wel met ELS? Kan de minister
dat uitleggen? Daarbij komt dat ELS bewust niet-intact worden gemaakt
door de onderzoeker. Dan is het dus de onderzoeker die de mate van
bescherming bepaalt van de ELS waarmee hij bezig is. Hoe wenselijk
vinden we dat eigenlijk? Graag een reflectie daarop.
Voorzitter. Er is nog een ander aspect waar ik de aandacht op wil
vestigen. In het verslag zijn vragen gesteld over het gebruik van
foetaal of embryonaal weefsel na een abortus ten behoeve van
wetenschappelijk onderzoek. Dit wordt geregeld in de Wet foetaal
weefsel. Hoewel het in Nederland in de praktijk nu niet voorkomt, zouden
embryo's die na een abortus zijn verkregen ook gebruikt kunnen worden
voor de ontwikkeling van embryoachtige structuren. De SGP zou dat zeer
onwenselijk vinden. Daarom hebben we samen met ChristenUnie een
amendement, dat op stuk nr. 10, ingediend om dit expliciet te
verbieden.
De voorzitter:
Een interruptie van de heer Bevers over dat punt, denk ik.
De heer Bevers (VVD):
Ik laat die voorafgaan door één persoonlijke noot. Ik hoorde de heer Van
Dijk net een aantal kwalificaties gebruiken voor het voorstel van de
wijziging van de Embryowet in verband met het mogelijk maken van de
pre-implantatie genetische test bij dragerschap van ernstige erfelijke
aandoeningen. Hij deed dat op een wijze … De heer Van Dijk vraagt altijd
om veel respect voor afwijkende meningen. Onze meningen hierover lopen
uiteen. Ik zou het op prijs stellen als u ook met enig respect over ons,
de indieners van die wet en het doel van die wet zou praten, en het niet
platslaat tot het zo vroeg mogelijk vernietigen van embryo's. Dat is een
persoonlijke noot.
Dan mijn interruptie op dit punt. Ik heb me zeer verbaasd over dit
amendement. U geeft eigenlijk al het antwoord: er is geen enkele
aanleiding om te veronderstellen dat er onzorgvuldig met de resten van
mensen, kinderen en embryo's wordt omgegaan, ook na abortus. De regering
ziet geen aanleiding en er is geen wetenschappelijke reden om dat te
veronderstellen. Toch zegt de SGP samen met de ChristenUnie: wij zien
die aanleiding wel. Dan ben ik toch heel benieuwd waar u die aanleiding
ziet. Ik zie die namelijk niet.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Laten we in de eerste plaats constateren dat als die aanleiding er niet
is en er geen sprake van is, er geen enkele reden is om het uit te
sluiten en te zeggen: laten we het maar helder vastleggen in de
wetstekst. Het is nu namelijk niet uitgesloten dat embryo's die na
abortus worden verkregen, gebruikt zouden kunnen worden. We hebben het
hier vaker in het debat over gehad: je kunt lang niet alles voorspellen.
Wij vinden het bij thema's als dit typisch iets voor de wetgever om
dingen vast te leggen waarvan je wil dat ze hoe dan ook niet gebeuren.
Ik zou dus inderdaad niet willen wachten tot er eventueel wel een
praktijk ontstaat die je dan weer moet terugdraaien. Nee, we spreken nu
over de wijziging van de Embryowet, dus laten we het nu ook als wetgever
regelen en vastleggen.
De heer Bevers (VVD):
Met die logica zouden we de komende tijd in heel veel wetten moeten
vastleggen wat er in de toekomst mogelijk zou zijn, maar wij verschillen
duidelijk van mening over dit onderwerp. Mijn bezwaar is dat u
suggereert dat er op onzorgvuldige wijze wordt omgegaan met menselijke
resten. Dat stoort mij, want we weten dat er in Nederland zeer
zorgvuldig wordt omgegaan met menselijke resten, of die nu heel klein
zijn of heel oud zijn geworden. Daar hebben we met elkaar afspraken
over. Nogmaals, ik zie geen enkele aanleiding. Ik blijf dus de vraag
stellen wat voor u de aanleiding is om te denken dat dit wél zou
gebeuren? Ik vind namelijk dat u een aantal artsen en organisaties
daarmee echt tekortdoet.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Ik heb geen arts in die zin aangesproken of op het oog gehad. Misschien
moet ik eerlijk beginnen met de vooronderstelling waar de heer Bevers
mee begint, zo van: ik zie juist heel veel respect voor dat hele prille
leven et cetera. Ik vind dat dat juist ontzettend onder druk staat. Ik
moet spontaan ook denken aan de richtlijn van Fiom die we pas zagen:
beschouw het vooral niet als kindje, spreek erover als vrucht et cetera.
Het wordt zo veel mogelijk ontmenselijkt. Ik ben daar dus helemaal niet
zo gerust over. Eerlijk gezegd ben ik blij dat die praktijk nu nog niet
voorkomt. Daarom zeg ik: laten we nu regelen dat het ook geen plaats kan
hebben.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Ik rond af. Ik begon mijn bijdrage met de uitroep: wat is de mens? De
grote dichter Joost van den Vondel schrijft in zijn
Altaer-Geheimenissen: "Ontleed de mens, gij kunt geen ziel ontleden."
Dat raakt een belangrijk geheimenis. Mensen zijn meer dan een grote
klomp cellen. Ze zijn bezield en beelddragers van God. Laten we uiterste
voorzichtigheid betrachten en ervoor waken dat overheden en
wetenschappers de Schepper niet naar de kroon gaan steken.
Dank u, voorzitter.
De voorzitter:
U heeft een interruptie van de heer Poortman. U was aan het einde van uw
betoog.
De heer Poortman (CDA):
Daar heb ik op gewacht. De cirkel is mooi rond. U noemde Pascal: "De
kosmos omvat mij met ruimte en doet mij als een stip verdwijnen." Hij
werd niet voor niks gezien als een voorloper van het existentialisme, en
daarmee van Sartre en van Kierkegaard, die u ook noemde. Dit soort
bespiegelingen heeft wel aanleiding gegeven tot het herschikken van een
wereldbeeld. Denk aan "de zon draait niet om de aarde, maar de aarde om
de zon". Mensen hebben die moedige reflecties steeds durven toelaten. Ik
probeer het begin van het leven niet te ondermijnen, maar juist met u te
verkennen. De wetenschap laat zien dat die fundamenten van het leven
weleens anders zouden kunnen zijn dan we altijd gedacht hebben. Erkent
de heer Van Dijk dat? Ik ben ook benieuwd hoe zo'n reflectie op dit punt
er vanuit de SGP gezien uit zou kunnen zien.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Ik vind het een boeiende vraag. Ik heb ook met interesse, zij het niet
met instemming, zeg ik heel eerlijk, geluisterd naar wat de heer
Poortman erover zei. Zo zie je maar: woorden zijn nooit neutraal, net
zomin als taal. De heer Poortman heeft het over moed. Zelf zie ik het zo
dat de Heere God, onze Schepper, ordening heeft gegeven, en lijnen waar
je achter moet blijven. Als je daar overheen gaat, is dat geen moed maar
onbesuisdheid. Ik vlieg dat dus inderdaad echt anders aan. Dat raakt ook
— in mijn beleving heeft mevrouw Bikker dat net ook keurig verwoord —
het punt dat wij menselijk leven, gegeven leven, niet
instrumentaliseren. Dat geldt ook voor het hele prille leven.
De voorzitter:
Een vervolgvraag.
De heer Poortman (CDA):
Uit de praktijk van wetenschappers blijkt dat zij dat niet opzoeken,
maar uit de manier waarop nu embryo's tot stand gebracht kunnen worden,
blijkt toch dat we toch met een andere blik kijken naar het begin van
het leven. Daarmee is volgens mij ook die nieuwe definitie nodig. De
heer Van Dijk stelt voor om het te splitsen. Ik ben enigszins benieuwd
wat dat precies oplevert, maar ook hoe die definitie er volgens hem dan
idealiter uit zou moeten zien. Want als we het alleen splitsen, dan
blijft dat onderdeel twee van de nieuwe definitie volgens mij gewoon in
stand. Is dat dan iets waar de heer Van Dijk mee akkoord gaat? Hoe moet
ik dat precies zien?
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Ik vind dit oprecht een hele goede vraag. De heel eenvoudige en terechte
vraag is ook: wat maakt het nou precies materieel voor verschil? Zoals
ik in de toelichting ook heb proberen aan te geven: ik denk dat het heel
essentieel is dat we het onderscheid blijven maken tussen een echt
embryo, ontstaan uit — zo wordt er in de nieuwe definitie eigenlijk over
gesproken — een geslachtscel, een eicel, en anderzijds structuren die er
erg op lijken, maar het niet zijn. Inderdaad is de vraag wat de
materiële consequenties zijn. Ik vind het zelf dus waardevol en in
zichzelf betekenis hebben dat de wetgever ook zegt: er is onderscheid
tussen dat echte embryo en een namaak, een model. Dat is het
eigenlijk.
De voorzitter:
Tot slot. Oké, u bent toch aan het eind van uw betoog. Dank u wel. De
volgende spreker aan de zijde van de Kamer is mevrouw Vliegenthart. Zij
spreekt namens de fractie van GroenLinks-PvdA. Gaat uw gang.
Mevrouw Vliegenthart (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. We bespreken vandaag een zeer technische en ingewikkelde
wet, zoals ook de voorgangers ook al hebben benoemd. Maar voordat we die
techniek in duiken wil ik stilstaan bij waar deze wet in de kern echt om
draait. Uiteindelijk gaat die namelijk niet over definities en
onderzoekmethodes. Die gaat over mensen, over gewone mensen met een
diepgewortelde kinderwens. Die gaat over de behandeling van aangeboren
aandoeningen en ernstige ziektes. Die gaat over de kansen van mensen,
hun onzekerheid en hun toekomst.
Voorzitter. Juist daar raakt dit debat aan iets groters: aan de vraag in
wat voor samenleving we willen leven. Dat is een samenleving waarin we
ons verenigen rond vooruitgang, waarin medische innovaties niet alleen
beschikbaar zijn voor de allerrijksten, maar bijdragen aan eerlijke
kansen voor iedereen. Het vervullen van een kinderwens is daar niet
afhankelijk van je portemonnee, maar onderdeel van een rechtvaardige
samenleving. De realiteit is namelijk dat wensouders noodgedwongen voor
behandelingen uitwijken naar het buitenland, en dat vrouwen zich steeds
vaker wenden tot hormooncoaches omdat zij zich niet gehoord voelen in de
reguliere zorg. Vrouwen maken hoge kosten of haken zelfs af. Dat maakt
iets fundamenteels zichtbaar: toegang tot zorg en het vervullen van een
kinderwens is niet voor iedereen gelijk geregeld.
Als verloskundige heb ik talloze stellen mogen begeleiden tijdens de
zwangerschap, maar juist ook in de fase daarvoor, bij een kinderwens. Ik
heb gezien hoe groot de impact van een vruchtbaarheidsprobleem is. Ik
heb gezien hoe jaren van onzekerheid, hoop en teleurstelling hun tol
eisen. Niet alleen als verloskundige, maar nu ook als Tweede Kamerlid
heb ik talloze vrouwen gesproken. Elk gesprek maakt mij weer duidelijk
hoe belangrijk het is dat we onderzoek doen naar de oorzaak van
onvruchtbaarheid en miskramen, en hoe noodzakelijk het is om de
fertiliteitszorg in Nederland te verbeteren. Een van die vrouwen is
Petra. Na jaren van behandelingen, miskramen en teleurstellingen heeft
zij afscheid moeten nemen van haar kinderwens. Nu hoopt zij met haar
verhaal steun te bieden aan anderen en bewustwording te creëren rond het
belang van meer onderzoek naar vruchtbaarheidsbehandelingen. Voor haar
komt onderzoek te laat, maar haar boodschap is helder: laten we ervoor
zorgen dat dit niet voor anderen geldt. Verhalen zoals die van Petra
laten namelijk zien dat dit niet alleen een medisch-ethisch vraagstuk
is, maar ook een kwestie van rechtvaardigheid: de vraag wie toegang
heeft tot zorg, tot hoop, tot een toekomst.
Voorzitter. Hoe verkleinen we de kans op miskramen? Hoe vergroten we de
slagingskans van ivf-behandelingen? Maar ook is de vraag: hoe ontstaan
aangeboren afwijkingen en hoe kunnen we deze ingrijpende aandoeningen
voorkomen of beter behandelen? Dagelijks zetten wetenschappers zich in
voor het beantwoorden van deze vragen. Embryomodellen spelen daar
vandaag de dag een cruciale rol in. Daarom is het essentieel dat de wet
die we vandaag bespreken goed aansluit op deze ontwikkelingen. Een paar
weken geleden bezocht ik het laboratorium van het Leids Universitair
Medisch Centrum, waar ik wetenschappers zag die zich met enorme
toewijding inzetten om de ontwikkeling van embryo's beter te begrijpen,
met als doel aangeboren aandoeningen te voorkomen of te behandelen,
nieuwe kankertherapieën te ontwikkelen en zelfs bloed uit stamcellen te
produceren, zodat we niet meer afhankelijk zijn van bloeddonoren. Wat
mij daarbij opviel, was niet alleen de kennis en passie van de
onderzoekers, maar ook hun zorgvuldigheid, het ethisch bewustzijn en de
verantwoordelijkheid die zij voelen. Vanuit dat perspectief kijken wij
in beginsel positief naar dit wetsvoorstel. Het is een stap vooruit ten
opzichte van de huidige wet, wat overigens niet zo heel moeilijk is als
je bedenkt dat deze wet meer dan twintig jaar oud is, en inmiddels
gedateerd.
Tegelijkertijd hebben wij nog wel zorgen over de reikwijdte, de
praktische werkbaarheid en de toekomstbestendigheid. Onze grootste zorg
zit in de onduidelijkheid van de definitie in de praktijk. Uit
gesprekken met onderzoekers en medisch ethici blijkt dat er nog altijd
veel onduidelijkheid bestaat over de concrete gevolgen van dit voorstel.
De kernvraag is simpel: welke embryomodellen vallen straks wel en niet
onder de Embryowet? Juist op dat punt wringt het, want het begrip
"potentialiteit" laat ruimte voor interpretatie, terwijl de praktijk
laat zien dat cellen zich niet altijd voorspelbaar ontwikkelen.
Onderzoekers geven dan ook aan dat het vooraf vaak niet goed vast te
stellen is of een embryomodel binnen de reikwijdte van de wet zal
vallen. Tegelijkertijd volgen technologische ontwikkelingen elkaar in
hoog tempo op. Dat betekent dat deze onduidelijkheid niet tijdelijk is,
maar structureel nieuwe vragen in de praktijk zal blijven oproepen, en
dat heeft consequenties. Het risico is namelijk tweeledig: of
onderzoekers worden terughoudend en stellen onderzoeken uit onzekerheid
uit, of de CCMO wordt straks overspoeld met aanvragen die daar eigenlijk
niet thuishoren. In beide gevallen zetten we een rem op essentieel
wetenschappelijk onderzoek, en dat kan wat ons betreft niet de bedoeling
zijn.
Daarom vraag ik de minister om hierover duidelijkheid te geven. Hoe gaat
zij voorkomen dat deze onduidelijkheid in de praktijk een blokkade wordt
voor onderzoek? En is zij bereid om samen met het veld te komen tot een
dynamische handreiking, zodat onderzoekers vooraf beter weten waar zij
aan toe zijn en helder is welke modellen wel en niet onder de Embryowet
vallen? Aanvullend daarop: zou de CCMO hierin niet een nadrukkelijkere
rol moeten krijgen, niet alleen als beoordelaar, maar ook als adviseur?
De CCMO heeft nu al een signalerende rol, maar zou die niet breder
kunnen worden gemaakt, zodat zij niet alleen actief signalen afgeeft
over nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen rondom embryomodellen, maar
ook de politiek tijdig informeert als zij noodzaak ziet om regelgeving
aan te passen? Is de minister bereid om de rol van de CCMO te
versterken, en zo ja, hoe gaat zij dit concreet vormgeven?
Mijn blokje is voorbij.
De voorzitter:
Dat voelt als een natuurlijk moment voor een interruptie van mevrouw
Bikker.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ja, want vanuit een ander perspectief stelt collega Vliegenthart twee
keer dezelfde vragen als ik. Aan de ene kant gaat het om de vraag wat
voor samenleving we willen zijn. Hoe gaan we om met
medisch-wetenschappelijk onderzoek, met de voordelen ervan, maar ook met
de nadelen en hoe we dat wegen? Juist op dat punt stelt collega
Vliegenthart opnieuw eenzelfde vraag vanuit een andere invalshoek:
wanneer is iets een intact embryo en wanneer een niet-intact ELS-embryo?
Ik hoor collega Vliegenthart zeggen dat zij bezorgd is dat de huidige
keuzes belemmerend zijn voor het onderzoek, en dat kan verschillende
kanten op gaan. Mijn vraag aan collega Vliegenthart is: dat zal je toch
met elke keuze hebben, tenzij je alles verbiedt of alles toestaat?
Ergens moet je dus een weging maken. Hoe ziet collega Vliegenthart
dat?
Mevrouw Vliegenthart (GroenLinks-PvdA):
Ik denk dat waar we het hebben over "belemmerend", ik dat eerder zie als
een balans die we hier met elkaar als wetgevers in de Kamer zoeken. Ik
vind het belangrijk dat die balans duidelijk is. Wij besluiten hier wat
wij, als we kijken naar beschermwaardigheid, een juiste balans vinden
tussen die beschermwaardigheid en het belang van wetenschappelijke
ontwikkeling. Waar het probleem zit, is dat wij hier wel die balans
vaststellen, maar dat de uitwerking daarvan in de praktijk, of eigenlijk
de concrete definitie in de praktijk, niet duidelijk is. Daar zit voor
mij de kern. Als wij hier met elkaar besluiten wat die balans is, moet
het voor onderzoekers ook duidelijk zijn waar zij aan toe zijn.
De voorzitter:
Een vervolgvraag.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Wat ik heel belangrijk vind, is dat als we het niet zeker weten, we
juist die beschermwaardigheid van het menselijk leven doorslaggevend
durven te laten zijn, ook al weten we dat we daarmee mogelijk middelen
aan de kant zetten die misschien kunnen bijdragen aan goede doelen in de
wetenschap of in de zorg voor patiënten. Dat weet je niet zeker als je
het gaat onderzoeken, maar dat is mogelijk. Mijn vraag aan collega
Vliegenthart is: juist op het moment dat je als onderzoeker of als
beoordelaar vanuit de CCMO twijfelt, is het, gezien de
beschermwaardigheid van het menselijk leven die ook duidelijk in de
Embryowet zit, toch beter om daar voorzichtig mee om te gaan?
Mevrouw Vliegenthart (GroenLinks-PvdA):
Waar ik heel erg in geloof, en wat je ook onderzoekers hoort zeggen, is
dat de embryomodellen veel toegevoegde waarde geven als we naar de
beschermwaardigheid van embryo's kijken. Waar we geen originele embryo's
gebruiken, kunnen we ook embryomodellen gebruiken. Wat we dan nu gaan
krijgen, is dat onderzoekers zeggen: het is niet helemaal duidelijk —
als we het over beschermwaardigheid hebben, is dat een van de opties —
waar mijn embryomodel bij de CCMO of een andere toetsingscommissie onder
valt. Dan kan het gebeuren dat zij bijvoorbeeld zeggen: dan gaan we wel
onderzoek doen met originele embryo's. Ik denk dus dat we daar in de
praktijk een duidelijke definitie voor moeten hebben, of het nou gaat om
de beschermwaardigheid van embryo's of de vooruitgang van innovatie. Ik
denk dat we daarover best wel overeenstemming hebben, maar vanuit andere
optieken.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Waar het mij echt om gaat, is dat onderzoekers beseffen dat, wanneer je
onderzoek doet met embryo's — klassiek, ELS of anders tot stand gekomen
— dit beginnend menselijk leven is en dat dit een totaal andere
beschermwaardigheid heeft dan niet-intacte ELS. Daar zitten trouwens ook
weer grijze gebieden in. Die kunnen niet uitgroeien tot een mens. Bij
twijfel zou je altijd de voorzichtigheid voorrang moeten geven.
Om dit te vergelijken met andere gebieden waarop ik woordvoerder ben,
heb ik diep zitten denken. Waarin trek ik nou veel op met de collega's
van GroenLinks-PvdA, of PRO, en van D66? Dat is bij de bescherming van
de natuur. Ik hoor dan juist deze collega's heel vaak over het
voorzorgsbeginsel. Neem bijvoorbeeld de gaswinning in Ternaard, die
mogelijk gevolgen heeft voor de Waddenzee. Mogelijk. Dat weet ik niet
zeker. Dan wordt uit voorzorg gezegd: laten we daar geen gas gaan
winnen, juist door deze partijen. Ik mis dat eerlijk gezegd soms in de
behandeling van dit type medisch-ethische wetgeving, waarbij we een heel
aantal dingen eigenlijk nog niet weten. Dat wisselde ik al met collega
Poortman. Ik ben benieuwd hoe GroenLinks-PvdA dat weegt. Ik hoor ook in
het betoog van collega Vliegenthart veel over vrouwen waarvan ook ik
weet dat zij heel moeilijke tijden meemaken. Die heeft collega
Vliegenthart veel meer gesproken dan ik. Maar er is ook die andere kant
van het beginnend menselijk leven dat niet zelf kan spreken. Daarbij is
ergens de vraag: wanneer begint dat leven? Hoe leeft dat
voorzorgsbeginsel dan?
Mevrouw Vliegenthart (GroenLinks-PvdA):
Ik denk dat we het voorzorgsbeginsel al heel duidelijk hebben geborgd,
want daar hebben we de CCMO voor. We hebben een heel duidelijke
richtlijn en we hebben wetenschappers. Wat ik ingewikkeld vind, is het
volgende: we hebben hier wetenschappers die, voor zover het gaat om die
embryomodellen — of ze nu intact of niet-intact zijn — op dit moment
helemaal buiten de Embryowet vallen, maar die nu al zorgvuldig handelen
en die nu al heel duidelijk hun ethische kaders en normen voor ogen
hebben. Waar zit voor GroenLinks-PvdA de balans? We moeten zorgvuldig
zijn. Dat zien we nu in de kaders die we in deze wet hebben, de CCMO, de
toetsing en de wetenschappers. Maar we moeten heel duidelijk voor ogen
blijven houden dat we dit ook doen om leed te voorkomen. Dit doen we
niet alleen vanwege leed rondom een kinderwens, maar het gaat ook om de
behandeling van ongeneeslijke ziektes, zoals kanker. Daarin zien wij een
heel duidelijke balans met het zorgvuldigheidsprincipe in de huidige
wet.
De voorzitter:
Heel kort nog.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Dat begrijp ik. Hier is heel veel over te zeggen. Eerlijk gezegd wordt,
vanuit de gedachte dat onderzoek nut heeft voor al deze ziekten — ook ik
zou het liefst zien dat we die kunnen genezen — wel beginnend menselijk
leven ingezet. Maar goed, daar gaan we het denk ik vanavond niet over
eens worden. Ik zou daar graag toch nog eens over doorspreken, ook al
kan dat gezien de tijd niet in deze zaal. Ik heb daar wel een
vervolgvraag over. Collega Vliegenthart gaat ervan uit dat de CCMO dat
allemaal weegt, terwijl ik denk: dat moet de wetgever doen. De CCMO moet
puur kijken naar de kaders binnen de wet en moet niet nog een keer
opnieuw alles wegen. Het tweede daarbij is dat de wetgeving voor een
gedeelte nog steeds ruimte aan commerciële fertiliteitsklinieken geeft
om actief te zijn. Is collega Vliegenthart het met mij eens dat we dan
in ieder geval op dat terrein veel terughoudender moeten worden met de
verruiming die het wetsvoorstel geeft? Is ze bereid om in ieder geval
dat amendement, dat ik samen met collega Diederik van Dijk heb
ingediend, te steunen?
Mevrouw Vliegenthart (GroenLinks-PvdA):
Wat betreft dat amendement: ik zei net ook in mijn inbreng dat er echt
nog veel en stellige noodzaken zijn om naar ivf-klinieken in het
buitenland te gaan. Ik vind het heel erg belangrijk om te zeggen dat het
echt gevolgen heeft als we nu zeggen dat we dat allemaal aan banden
leggen en dat daar geen informatie meer over gegeven mag worden. Dat
betekent dat mensen met een kinderwens, stellen die nu al tegen muren
aan lopen in het Nederlandse systeem, de deur in hun gezicht geklapt
krijgen zonder dat wij met elkaar naar alternatieven kijken om de
fertiliteit hier te verbeteren. Ik ben het met mevrouw Bikker eens dat
we het liefst zouden willen dat die mensen in Nederland zorg kunnen
krijgen. Zolang dat niet kan, vind ik het echt een brug te ver om tegen
al die mensen te zeggen: uw kinderwens doet er niet toe.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.
Mevrouw Vliegenthart (GroenLinks-PvdA):
"Dan mijn volgende punt", stond in mijn tekst. Dat betreft de vormgeving
en toekomstbestendigheid van de wet. Het wetsvoorstel dat we vandaag
bespreken is vrij uniek, zoals andere collega's al zeiden. Alleen in
Australië zien we een vergelijkbare definitie. Tegelijkertijd is onze
benadering sterk gebaseerd op bestaande kaders en historische
ontwikkelingen. De vraag is of dit nog wel de juiste manier is in een
veld dat zo snel verandert. Hoe reflecteert de minister op de aanpak in
landen als Frankrijk en Engeland, waar wetgeving meer vanuit waarden is
vormgegeven in plaats van vanuit specifieke technieken? Dat zijn opties
van voorbeelden om de wet flexibeler en minder technologieafhankelijk te
maken zonder in te boeten op zorgvuldigheid. Ziet de minister dat ook?
Welke lessen kunnen we daar concreet uit trekken voor Nederland?
Als we die vragen niet serieus beantwoorden, dreigen we als wetgevers
eigenlijk continu structureel achter de feiten aan te lopen. Ook in de
wetsevaluatie wordt al geconcludeerd dat de toekomstbestendigheid in de
huidige opzet van de wet een uitdaging blijft en dat daar bij de
volgende evaluatie uitgebreider bij stilgestaan moet worden. Onze vraag
is dan ook of de minister kan toezeggen dat bij de volgende
wetsevaluatie expliciet wordt gekeken naar de toekomstbestendigheid en
hoe die daadwerkelijkheid kan worden geborgd.
Voorzitter. Tot slot de veertiendagengrens. Dat is een belangrijk
onderdeel van de wetsevaluatie en juist ook van de kansen waar ik het
eerder over had. Rondom de veertien dagen begint namelijk fundamentele
ontwikkeling: de aanleg van belangrijke organen. Juist in deze fase
hebben we onvoldoende inzicht, waardoor tal van vragen open blijven
staan, zoals hoe aangeboren afwijkingen nou eigenlijk ontstaan. Mede
daarom adviseert de Gezondheidsraad om die grens te herzien en te
verruimen. Kan de minister toelichten waarom ervoor is gekozen dit
onderwerp geen onderdeel te laten zijn van het voorliggende
wetsvoorstel? In het coalitieakkoord lezen we dat er een kabinetsreactie
komt op de mogelijke verruiming van 14 naar 28 dagen en dat er wordt
ingezet op een maatschappelijke dialoog. Dat roept bij ons vragen op.
Het advies van de Gezondheidsraad is namelijk heel duidelijk: verruim de
grens voor onderzoek met embryo's van 14 naar 28 dagen. Onze vragen zijn
als volgt. Wanneer kunnen we deze kabinetsreactie verwachten? Welke
tijdlijn hanteert de minister voor het opstarten en vormgeven van die
maatschappelijke dialoog? Welke vervolgstappen is de minister
daadwerkelijk bereid te zetten om onderzoek met embryo's tot 28 dagen
mogelijk te maken?
Voorzitter, afrondend. Uiteindelijk gaat het debat niet alleen over
definities, grenzen of wetstechniek. Het gaat over mensen, over stellen
die elke maand opnieuw hopen, over vrouwen als Petra, maar ook over de
kinderen die we in de toekomst misschien wel kunnen helpen. Onderzoek
biedt hoop, hoop op het voorkomen van leed en verdriet, hoop op grotere
kansen op een gezonde zwangerschap, hoop op betere behandelingen en hoop
op een gezonde toekomst waarin wetenschap en zorg hand in hand gaan.
Maar hoop alleen is niet genoeg. Het vraagt om keuzes, keuzes voor
wetgeving die niet blijft staan maar ruimte geeft aan vooruitgang,
keuzes voor een samenleving waarin we niet accepteren dat kansen
ongelijk verdeeld zijn. Laten we ervoor zorgen dat deze wet daaraan
bijdraagt, dat we ruimte geven aan wetenschap, aan zorgvuldigheid en aan
mensen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. De volgende spreker van de zijde van de Kamer is de heer
Bevers. Hij spreekt namens de VVD. Gaat uw gang.
De heer Bevers (VVD):
Dank, voorzitter. Vandaag behandelen we een aantal wijzigingen van de
Embryowet. Het zijn wijzigingen naar aanleiding van de derde
wetsevaluatie, die alweer uit 2021 stamt. De eerste versie van de
Nederlandse Embryowet dateert uit 2002. De wet reguleert hoe moet worden
omgegaan met eicellen, zaadcellen en embryo's, met name in het kader van
vruchtbaarheidsbehandelingen zoals ivf en onderzoek. Ik heb het over
onderzoek dat zich met name ook richt op oorzaken en het voorkomen van
ernstige genetische ziekten en afwijkingen. De regelgeving die in de
Embryowet is opgenomen, geeft aan welke balans er gekozen wordt tussen
de beschermwaardigheid van beginnend menselijk leven en het belang van
wetenschappelijk onderzoek.
Voorzitter. In het debat over de initiatiefwet hebben collega Paternotte
en ikzelf aangegeven dat het wijzigen van de wet naar ons idee mogelijk
is, mede ook door de hoge wetenschappelijke, ethische en morele
standaarden die we in Nederland kennen. Die standaarden worden
natuurlijk primair door regelgeving vormgegeven in de Embryowet. Ook nu
denkt de VVD-fractie dat de voorgestelde wijzigingen van de Embryowet
naar aanleiding van de derde wetsevaluatie verantwoord zijn. De ethische
toetsingscriteria voor onderzoeken blijven dezelfde. Is het nuttig voor
de medische wetenschap en patiënten? Is het goed opgezet? Is het
proportioneel, oftewel: kan het onderzoek niet op een minder ingrijpende
manier plaatsvinden? Deze elementen zijn voor de VVD-fractie een
belangrijke basis, die wat ons betreft niet ter discussie staat.
Het huidige kabinet en de voorgaande kabinetten zijn zeer terughoudend
geweest om de wettelijke kaders aan te passen. Dat wordt ook duidelijk
uit het feit dat we vandaag de eerste wijziging van de Embryowet
bespreken sinds 2002. Dat geeft aan dat het kabinet niet over één nacht
ijs is gegaan en steeds zorgvuldig de uitkomsten van de opeenvolgende
evaluaties heeft afgewogen.
In het voorliggende voorstel ontbreken twee onderdelen die wel in de
evaluatie zijn genoemd. Allereerst is dat het opheffen van het verbod om
embryo's uitsluitend tot stand te brengen voor wetenschappelijk
onderzoek. Dat onderdeel heeft de regering niet willen wijzigen. Daartoe
hebben D66 en VVD een initiatiefvoorstel ingediend, dat op 16 december
2025 door uw Kamer is aangenomen en nu ter behandeling voorligt bij de
Eerste Kamer. Dat voorstel staat wat ons betreft los van de wijzigingen
die we vandaag bespreken.
Ten tweede heeft de regering gemeend geen wijziging van de
veertiendagengrens voor te stellen; collega Vliegenthart noemde dat ook
al. Daarvoor zijn een aantal redenen, die de VVD-fractie overigens
begrijpt. Het onderwerp blijft gevoelig. Het gewenste draagvlak in de
samenleving is mogelijk nog niet altijd voldoende duidelijk. Wel vraag
ik aan de minister hoe zij verder omgaat met het advies van de
Gezondheidsraad van 31 oktober 2023 over dit onderwerp. Hoe ziet zij
discussie en besluitvorming voor zich? Op welke manier wil zij de
maatschappelijke dialoog waarover gesproken wordt ook verder
vormgeven?
Voorzitter. Dan de wijzigingen waar we wel een besluit over gaan nemen.
Naast aanpassingen van de regelgeving met betrekking tot onderzoek met
foetussen en een aantal administratieve en technische wijzigingen
springt de aanpassing van de definitie van het begrip "embryo"
natuurlijk het meest in het oog. We kennen de discussie die hierover
plaatsvindt, namelijk of we het menselijk, of "klassiek", embryo
dehumaniseren of de embryomodellen humaniseren. Oftewel: ontmenselijken
we iets wat puur menselijk is en kennen we menselijke waarden toe aan
een kunstmatige entiteit, het embryomodel? Mijn fractie vindt beide niet
van toepassing. We blijven immers spreken over een "klassiek" tot stand
gebracht embryo en een embryomodel dat daarnaast een intact "klassiek"
embryo nabootst. Beide bestaan naast elkaar, alleen wordt de wet- en
regelgeving aangepast naar de stand van de wetenschap van dit
moment.
Voorzitter. De VVD staat voor ethisch onderzoek met embryo's. Onderzoek
met embryo's is essentieel voor de ontwikkeling van onder andere de
voortplantingsgeneeskunde. Vooruitgang is nodig binnen alle medische
disciplines om op lange termijn toegankelijke en kwalitatieve zorg te
kunnen blijven bieden. Het is goed dat de minister de zorgvuldigheid van
onderzoek met embryo's versterkt met deze wet. De wet- en regelgeving
moet worden aangepast aan de huidige situatie. Er is door de vele
ontwikkelingen onduidelijkheid binnen de embryologie over wat er wel en
niet mag. Onderzoekers hanteren daardoor mogelijk een "better safe than
sorry"-beleid. Ik hoorde die term vanavond ook al eerder.
Voorzitter. We hebben als VVD groot vertrouwen in de wetenschap en de
zorgvuldige wijze waarop die haar taak vormgeeft; ik verwees daar al
naar. Wat de VVD-fractie betreft zou wet- en regelgeving voldoende
duidelijkheid moeten bieden. Wij denken dat deze wetswijziging, die vast
niet de laatste is, daaraan bijdraagt en zijn voornemens deze ook te
steunen.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. De volgende spreker van de zijde van de Kamer is mevrouw
Paulusma. Zij spreekt namens de fractie van D66.
Mevrouw Paulusma (D66):
Voorzitter. Wat was het mooi om te horen dat een aantal partijen
begonnen met de reis naar de maan. Ik wilde daar eigenlijk niet mee
beginnen, maar ga het nu toch benoemen, want die reis naar de maan was
alleen mogelijk door wetenschap, door moed en door soms stappen te
zetten die niet altijd even voorstelbaar waren. Daarmee heeft het dus
heel veel te maken met het debat van vanavond.
Voorzitter. Ik wil echter met iets anders beginnen. Het idee voor een
wetswijziging begint namelijk niet altijd hier in deze zaal, maar heel
vaak thuis aan de keukentafel, waar mensen hun zorgen en dromen
bespreken. Vanavond gaat het om ouders die elke maand hopen dat hun
kinderwens uitkomt en om patiënten die wachten op een doorbraak bij een
ziekte waar nu geen antwoord op is. Luisteren naar die zorgen en werken
aan oplossingen is de kern van het werk dat wij hier doen. Het gaat niet
om de regels alleen, maar om hun betekenis voor de mensen thuis. Vandaag
spreken we over een wetswijziging die misschien technisch en juridisch
klinkt, maar juist hier, vandaag, maken we keuzes die voor mensen thuis
het verschil kunnen maken.
Vandaag bespreken we de wijziging van de Embryowet naar aanleiding van
de derde evaluatie. Dat is belangrijk, juist voor de mensen thuis over
wie ik zojuist al sprak. Maar het is ook belangrijk omdat we het ons
niet kunnen veroorloven dat de wet achterblijft bij de hedendaagse
kennis en wetenschap. De realiteit is namelijk dat de wetenschap zich
razendsnel ontwikkelt. Daarom ook konden we naar de maan. Die snelle
ontwikkeling is goed nieuws voor mensen met een diep verlangen naar een
kind of mensen die leven met de grote zorg van het mogelijk doorgeven
van een erfelijke ziekte. Toen de Embryowet in 2002 werd opgesteld,
bestonden technieken zoals embryomodellen simpelweg nog niet. Inmiddels
kunnen onderzoekers structuren maken die belangrijke delen van de vroege
embryonale ontwikkeling nabootsen. Precies daar wringt het, want de wet
geeft op dit punt geen antwoord meer. Er is een grijs gebied ontstaan.
Dat is geen detail, maar een fundamenteel probleem, want waar de wet
onduidelijk is, ontstaan onzekerheid voor onderzoekers en problemen in
de toepassing, en komen oplossingen voor mensen thuis niet
dichterbij.
Dit wetsvoorstel van de regering probeert dat grijze gebied weg te
nemen, niet door grenzen in de wet te verruimen of te versmallen, maar
door ze te verduidelijken. De definitie van wat een embryo is, wordt
aangepast. Waar nu nog het vermogen om uit te groeien tot een mens
centraal staat, wordt straks ook gekeken naar de ontstaanswijze en de
mate waarin iets een embryo nabootst. Dat klinkt technisch, maar het
effect is heel concreet: onderzoekers krijgen zekerheid over de regels
en weten beter waar ze aan toe zijn als het gaat om ontwikkelingen die
nu al gaande zijn, én de samenleving weet beter welke grenzen we stellen
en bewaken met een striktere afbakening van onderzoek.
Voorzitter. Laat ik nogmaals benadrukken wat goed, afgekaderd
wetenschappelijk onderzoek kan betekenen voor mensen en waarom het zo
belangrijk is dat we vanavond helderheid verschaffen. Collega
Vliegenthart hield daar ook al een treffend pleidooi voor. Neem het
onderzoek naar de erfelijke spierziekte FSHD, een ziekte die vaak begint
met spierzwakte in het gezicht en die zich vervolgens langzaam uitbreidt
naar andere delen van het lichaam. Voor patiënten betekent dit verlies
van controle over hun eigen lichaam, over hun gezichtsuitdrukking, over
hun dagelijks functioneren. Veel van hen eindigen in een rolstoel.
Kinderen hebben 50% kans om deze vreselijke ziekte te krijgen als een
van hun ouders is aangedaan. Wat onderzoek op embryo's en embryomodellen
mogelijk maakt, is dat onderzoekers kunnen kijken naar de allereerste
stappen in de ontwikkeling van cellen: hoe genen aan- en uitgaan, waarom
bepaalde spiergroepen wel worden aangetast en andere niet en, misschien
nog wel belangrijker, hoe je de ziekte kunt beïnvloeden met medicijnen.
Dat is geen abstracte wetenschap; dat is onderzoek dat kan leiden tot
betere behandeling, tot minder achteruitgang, tot meer kwaliteit van
leven.
Maar nogmaals, dat onderzoek moet zorgvuldig zijn. Daar zijn we het
volgens mij allemaal over eens in deze zaal en dat is precies wat deze
wetswijziging goed gaat vastleggen. We houden vast aan de balans die we
als samenleving hebben gekozen tussen bescherming van beginnend leven en
ruimte voor medische vooruitgang en we maken de grenzen hiervan
helder.
Voorzitter. Ik wil afsluiten met waar ik mee begon: wetgeving die wat
kan betekenen voor de mensen thuis, in dit geval voor mensen met een
kinderwens, voor ouders met zorgen over het doorgeven van een erfelijke
aandoening, voor onderzoekers die met deze wetswijziging beter weten
waar ze aan toe zijn. En tot slot kan het ook wat betekenen voor de
Kamer, want door de wijzigingen waar we vanavond over spreken, sluit de
Embryowet beter aan bij actuele ontwikkelingen en wordt het kader
waaraan wij deze ontwikkelingen toetsen helderder. Mijn fractie steunt
daarom met overtuiging de voorgestelde wijzigingen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Er is nog een vraag voor u van mevrouw Vliegenthart.
Mevrouw Vliegenthart (GroenLinks-PvdA):
Ik ben het natuurlijk helemaal eens met het vurige betoog van mevrouw
Paulusma, want er zitten heel veel overeenkomsten in het belang dat wij
hechten aan ontwikkelingen in medisch-wetenschappelijk onderzoek. Een
van de dingen die zowel wetenschappers als ouders met kinderen met
erfelijke afwijkingen en aandoeningen aangeven, is dat het onderzoek nu
nog stopt bij de veertiendagengrens in plaats van een 28-dagengrens. Ze
zeggen: vanaf veertien dagen starten heel veel ontwikkelingen en daarna
kunnen we heel veel onderzoek doen naar die aangeboren aandoeningen. Ik
ben dus heel erg benieuwd. D66 is altijd een voorloper geweest op die
ontwikkelingen en verbeteringen. Hoe staan jullie in die verruiming van
de veertiendagengrens naar een 28-dagengrens?
Mevrouw Paulusma (D66):
Volgens mij weet mevrouw Vliegenthart daar het antwoord al op. Ze heeft
ook terecht gevraagd om een kabinetsreactie. Wij hebben met elkaar
afgesproken dat we eerst een maatschappelijke dialoog gaan voeren over
dat onderwerp. Ik denk dat het dat ook verdient, dus laten we dat met
elkaar gaan doen.
De voorzitter:
Vervolgvraag.
Mevrouw Vliegenthart (GroenLinks-PvdA):
Als we naar het verkiezingsprogramma kijken, zien we dat D66 overtuigd
is. Jullie geven aan dat jullie dit heel erg belangrijk vinden, ook met
het oog op die dialoog. Dus wat moet er uit de dialoog komen wil D66 die
vervolgstappen maken?
Mevrouw Paulusma (D66):
Het is heel mooi om een dialoog te voeren. Ik ga dus nu niet bepalen wat
de uitkomst van die dialoog moet zijn om welke vervolgstap dan ook te
zetten. Laten we die eerst aangaan en laten we volop samenwerken met de
uitkomsten van die dialoog hier in de Kamer, want volgens mij kunnen wij
elkaar heel goed vinden.
De voorzitter:
Ja, tot slot.
Mevrouw Vliegenthart (GroenLinks-PvdA):
Daar ben ik het zeker mee eens, dus daar kijk ik naar uit.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Collega Paulusma begon ook met hoe mooi het was dat de reis naar de maan
plaatsvond en dat de bemanning keek naar dat mooie blauwe bolletje, de
aarde, en ons op het hart bond: zorg er maar goed voor. Dat is ook
precies wat ik in mijn betoog neerzette, ook al proefde ik soms net een
iets andere blik van D66 naar de ChristenUnie. Het is goed dat er
wetenschap is. Het is prachtig om je te verdiepen in de raadselen van de
schepping en vanuit mijn perspectief, als ik zo naar dat grote heelal
kijk en dat kleine bolletje aarde zie waar wel leven mogelijk is, denk
ik: wow, ik kan niet geloven dat dat bij toeval ontstaan is. Zo zie je
maar dat je ook vanuit verschillende perspectieven naar die wetenschap
kan kijken en dat het mij weer dichter bij de overtuiging brengt dat er
een Schepper is. Dat leidt ertoe dat ik allerlei vragen stel bij dit
wetsvoorstel.
Nou heeft collega Paulusma een heel andere wereldvisie. Dat is juist
mooi in de democratie, dat je elkaar daarin ontmoet en spreekt. Maar ik
vraag we wel af of zij nu, als ze dit wetsvoorstel leest, nog ergens
twijfel heeft of een vraag, of dat ze denkt: gaan we hier wel de goede
kant op en welke gevolgen heeft het over tien jaar als we dit spoor
inzetten? Hoe kijkt D66 ernaar, anders dan dat er alleen gehoopt wordt
dat er natuurlijk ziektes genezen zullen worden? Dat is niet zeker, maar
dat wordt gehoopt. Zijn er ook twijfels over dingen die tegen kunnen
vallen?
Mevrouw Paulusma (D66):
Ik denk dat het altijd heel goed is om twijfel te hebben in het leven.
Ik denk dat politiek ook deels drijft op twijfel, maar vooral voor mij
ook op nieuwsgierigheid. Dat is ook de manier waarop ik naar de wereld
kijk en aanmoedig dat de wetenschap ons verder brengt. Ik kijk naar dit
wetsvoorstel en denk: het past niet meer bij de situatie anno 2026.
Daarom vind ik het juist zo belangrijk dat dat kader helderder wordt,
dat we daarmee ook duidelijkheid geven aan de wetenschap: dit is waar
het aan moet voldoen. Ik denk dat dat heel erg verstandig is. Mijn
nieuwsgierigheid naar wat er mogelijk is in de wereld, is denk ik groter
dan de twijfel die collega Bikker heeft als het gaat om dit soort
vraagstukken.
De voorzitter:
Vervolgvraag.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik geloof dat wetgeving altijd moet kijken naar wat er mogelijk is en
hoe je goed kunt omgaan met nieuwe kanten van de wetenschap, maar
tegelijkertijd heeft te beredeneren hoe we een samenleving voorkomen
waarvan we allebei zouden zeggen: dat is niet de samenleving waarin ik
wil leven. Of misschien kijken we daar wisselend naar. Een van de vragen
die ik al lezend had, was de volgende. Als ik kijk naar die intacte ELS,
dus de embryomodellen die kunnen uitgroeien tot mens, en de
niet-intacte, en de verschillende wetgevingsregimes die er daarvoor
zijn, vraag ik me toch wel af of we niet de fout maken dat dit in de
papieren werkelijkheid makkelijk is neer te zetten, maar dat de
bescherming behoorlijk verschilt en dat dit in de praktijkwerkelijkheid
tot andere bevindingen leidt. Deelt D66 de zorg die ik daarbij heb,
namelijk dat je dan een andere beschermwaardigheid kiest dan dat er van
toepassing zou moeten zijn?
Mevrouw Paulusma (D66):
Mevrouw Bikker stelt een aantal vragen in deze ene vraag, denk ik. Laat
ik het houden bij die papieren werkelijkheid. Dat is natuurlijk
grotendeels wat wij hier doen. Wij maken wetgeving die zich uitwijst in
de praktijk. Juist als het gaat om medische ethiek doen wij zeer
zorgvuldig aan evaluaties, doen we nogmaals evaluaties en zorgen we er
ook voor dat we niet alleen goed bijgepraat worden, maar ook goed kunnen
bijsturen. Ik maak mij daar minder zorgen over dan ik denk dat mevrouw
Bikker doet.
De voorzitter:
Deze is wel tot slot, mevrouw Bikker.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ja, voorzitter, dat kan ook, geen zorgen.
Mevrouw Paulusma (D66):
Gelukkig bepaalt de voorzitter.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Zeker.
Maar daarmee zegt D66 eigenlijk een aantal heel interessante dingen. Aan
de ene kant zegt het: ja, er is twijfel, maar in dit geval wint de
nieuwsgierigheid het. En: ja, een wet zet dingen vast op papier, maar je
hebt je altijd te verhouden tot de praktijk. Maar op andere terreinen …
Ik noemde al het voorbeeld van de gaswinning in Ternaard, omdat het
gewoon even het beste voorbeeld is dat ik kan bedenken. De minister
heeft daar veel gevoel bij. Mijn collega-fracties en zeker mevrouw
Paulusma uit het Hoge Noorden hebben daar veel gevoel bij. Er is twijfel
of gaswinning in Ternaard grote gevolgen heeft voor de Waddenzee. Ook
daarbij is het in een papieren werkelijkheid zoeken naar hoe je daar
vorm aan geeft. En dán zegt D66: ter bescherming van een natuurgebied
passen we het voorzorgsbeginsel toe; we gaan niet over tot gaswinning.
Bij deze wet gaat het over embryoachtige structuren die mogelijk uit
kunnen groeien tot mens. Dan zou je toch verwachten dat je ergens in de
bijdrage van collega Paulusma ook zo'n voorzorgsbeginsel terughoort? Ik
ben zo benieuwd waarom dat dan anders wordt gewogen.
Mevrouw Paulusma (D66):
Een aantal dingen. Mevrouw Bikker weet namelijk altijd meerdere vragen
in één interruptie te krijgen. Ik heb niet gezegd dat ik twijfel heb
over dit voorstel. Ik denk dat het altijd goed is om met twijfel naar de
wereld om je heen te kijken, maar nieuwsgierigheid wint het bij mij
altijd. Ik heb niks gezegd over twijfel in relatie tot het wetsvoorstel
dat nu voorligt.
Rondom het voorzorgsprincipe en mijn achtergrond, waar ik vandaan kom,
wil ik zeggen dat ik dat op zich een beetje een gekke vergelijking vind,
maar dat ik snap dat mevrouw Bikker die maakt. Ik maak alleen een andere
afweging. Daarin sluit ik me ook heel erg aan bij de woorden van mevrouw
Vliegenthart. Voor ons weegt zwaarder wat wij kunnen doen. Ik heb ook
heel nadrukkelijk gezegd dat het om de juiste balans gaat. Maar voor ons
weegt wel zwaarder wat we op basis van nieuwsgierigheid,
wetenschappelijke ontwikkeling, kunnen doen voor ouders met een diepe
kinderwens, maar ook voor ouders die met grote zorgen leven als gaat om
het doorgeven van erfelijke aandoeningen.
De voorzitter:
Dank u wel. De volgende spreker van de zijde van de Kamer is de heer
Kops. Hij spreekt namens de fractie van de PVV. Gaat uw gang.
De heer Kops (PVV):
Dank u wel, voorzitter. In 2002 is de Embryowet in werking getreden. De
bedoeling daarbij was, en is eigenlijk nog steeds, "de bescherming van
menselijk leven/menselijke waardigheid in een evenwichtige afweging met
andere belangen". Daarmee citeer ik de derde wetsevaluatie uit 2021. In
diezelfde evaluatie wordt geconcludeerd dat er specifieke onderdelen van
de wet zijn "(…) waarop de wet te veel bescherming (aan ongeboren leven)
biedt en te weinig rekening houdt met andere belangen, zoals het kunnen
uitvoeren van belangrijk wetenschappelijk onderzoek (…)" Dat gezegd
hebbende: eind vorig jaar heeft de Tweede Kamer ingestemd met een
wijziging van de Embryowet in verband met de afschaffing van het
tijdelijk verbod op het doen ontstaan van embryo's voor wetenschappelijk
onderzoek. De vraag die in dat debat voor de PVV heel erg centraal
stond, was: kun je überhaupt nog spreken van bescherming als het gaat om
embryo's die speciaal voor onderzoek tot stand worden gebracht, embryo's
die tot een gezonder mens zouden kunnen uitgroeien maar waarbij al bij
voorbaat vaststaat dat zij na maximaal 14 dagen zullen worden
vernietigd? Het antwoord van de PVV was toen: nee.
Voorzitter. Het wetsvoorstel dat nu voorligt, de wijziging van de
Embryowet, is eigenlijk opnieuw een verruiming, een versoepeling van de
wet, ten nadele van de bescherming van het ongeboren menselijk leven en
ten gunste van wetenschappelijk onderzoek. Dat is eigenlijk precies
conform de genoemde wetsevaluatie. Want wat doet deze wet nu eigenlijk?
De definitie van embryo luidt momenteel als volgt: een cel of
samenhangend geheel van cellen met het vermogen uit te groeien tot een
mens. Die definitie wordt gewijzigd, waarbij de ontstaanswijze van
verschillende typen embryo's centraal komt te staan. De zinsnede "het
vermogen uit te groeien tot mens" verdwijnt daarmee uit de wet. De vraag
is toch wel: waarom eigenlijk? Afgezien van de bedoeling van deze wet en
van wat je ervan vindt: waarom moet zo'n zinsnede er eigenlijk uit? Ik
vraag dat omdat uitgroeien tot een mens zo'n beetje de hele kern van de
wet is. Het gaat om de intrinsieke waarde van het menselijk leven, het
ongeboren leven en de bescherming daarvan. De bedoeling is immers dat
embryo-entiteiten uit kunnen groeien tot een mens.
Je kunt je überhaupt afvragen hoe in deze wet eigenlijk de bescherming
van het ongeboren leven juridisch is vormgegeven. Feitelijk vloeit dat
voort uit het feit dat er met regelgeving beperkingen worden opgelegd,
of zoals in de wetsevaluatie wordt geformuleerd: "vanuit het oogpunt van
respect voor menselijk leven grenzen stellen aan behandelingen." Welnu,
de definitie van "embryo" wordt verbreed. Die wordt weliswaar breder, en
dan zou je dus kunnen zeggen dat de bescherming van de Embryowet wordt
uitgebreid naar meerdere entiteiten, maar tegelijkertijd is dat er
primair voor bedoeld om meer onderzoek daarnaar en daarmee mogelijk te
maken. Zie hier dus opnieuw, zoals ik al zei, de verschuiving van
bescherming van het ongeboren leven richting onderzoek. De vraag daarbij
is natuurlijk ook of de minister dan niet bang is dat dit leidt tot een
soort vertroebeling van wat een klassiek embryo eigenlijk is. Vervaagt
hiermee niet het onderscheid tussen een klassiek embryo en andere
entiteiten, als die allemaal plaats krijgen in exact dezelfde definitie?
Bovendien — in het debat is het daar al over gegaan — staat in die
definitie, bij punt vijf: "Een andere wijze van tot stand brengen." Het
is er al over gegaan, maar is dat niet toch een soort van glijdende
schaal? Kan de minister uitleggen wat daar bijvoorbeeld mee bedoeld kan
worden?
Voorzitter. Deze wetswijziging maakt het mogelijk om embryo-like
structures ofwel de embryomodellen speciaal tot stand te brengen voor
onderzoek. Ik citeer uit de memorie van toelichting: "Uit de nieuwe
definitie volgt dat embryomodellen die een intact embryo volledig
nabootsen onder de Embryowet vallen. Dit kan worden bepaald door bij
zo'n embryo te kijken naar de ontwikkeling van functies die essentieel
zijn voor doorgaande ontwikkeling." Verder staat er ook: "Voor
embryomodellen is niet te onderzoeken of ze kunnen uitgroeien tot
mensen." Oké, het is niet te onderzoeken. Maar omdat het om volledige
nabootsing van intacte embryo's gaat, zou het dus wel mogelijk kunnen
zijn. Klopt dat? Graag een reactie.
De voorzitter:
Dat voelt als een natuurlijk punt voor een interruptie van de heer
Poortman.
De heer Poortman (CDA):
Dat is toch precies het punt van de oude definitie? Als we "met het
vermogen uit te groeien tot een mens" laten staan, wat ik een hele
sympathieke aanduiding vind, en als we die versmalling van wat een
embryo is hanteren, wat in onderzoeksterrein namelijk een versmalling
is, voorkom je toch dat je de andere embryostructuren onder de wet
brengt? Daarmee zou ongebreideld onderzoek mogelijk zijn. Het is niet
voor niks dat de wetenschap zelf vraagt om een normering op deze punten.
U spreekt een paar keer over de verruiming van onderzoek, maar dit is
toch juist een kadrering, een inkaderen van onderzoek en
onderzoeksmogelijkheden?
De heer Kops (PVV):
Ik kom daar dadelijk in mijn bijdrage nog op, maar je kunt je wel
afvragen wat er nou eerst gebeurt. Bepaalt eerst de wetgever, hier in
dit huis, wat we wenselijk vinden, wat we opschrijven in een wet, wat we
oké vinden, wat we gaan toestaan en wat niet, en gaat de wetenschap daar
vervolgens mee aan de slag? Of is het andersom? Eigenlijk denk ik dus
dat het andersom is. Dat is ook de aanleiding voor dit wetsvoorstel
geweest, zoals blijkt uit de wetsevaluatie. Die wetsevaluatie zegt dus
dat er te veel rekening wordt gehouden met bescherming van het ongeboren
leven en te weinig met de wetenschappelijke belangen. Volgens de PVV is
het dus eigenlijk zo dat de wetenschap vordert en vordert en vordert —
tuurlijk — en dat de wetgever vervolgens zegt: we gaan dit in dit
wettelijk kader gieten en het daarmee dus toestaan. Feit is natuurlijk
namelijk wel dat met dit wetsvoorstel bijvoorbeeld de totstandkoming van
die ELS speciaal voor onderzoek mogelijk wordt gemaakt. Dat is dus wel
degelijk een verruiming. Die verruiming is het gevolg van de wetenschap
en het gevolg daarvan is dan weer dat wij het hier in wetgeving gaan
opschrijven.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van de heer Poortman.
De heer Poortman (CDA):
Ik denk dat het zowel in het karakter van wetenschap als van politiek
zit dat het ene reageert op het andere. Wij kunnen niet vanaf hier de
wetenschap altijd al voor zijn en wij kunnen niet allerlei kaders
stellen bij zaken die wij zelf niet goed snappen of begrijpen of die we
niet aan zien komen. Wij moeten dus ook een beroep doen op de wetenschap
en vertrouwen hebben in de integriteit van wetenschap, zodat
wetenschappers ons op tijd op de hoogte brengen van ontwikkelingen
waarop zij een normering willen. Een beroemd voorbeeld is natuurlijk dat
al wat oudere onderzoek in Harvard waarbij een embryostructuur ontstond
en na twee weken een primitiefstreep, de eerste aanleg van het neurale
netwerk, ontstond. Wetenschappers hebben daarbij zelf gezegd "wij
stoppen met dit onderzoek, want dit zou weleens een andere kant op
kunnen gaan", terwijl dat vanuit wetgeving niet noodzakelijk was. Ze
hadden dat onderzoek door mogen zetten. Dat onderzoek is stopgezet op
basis van hun eigen integriteit en vervolgens ook door de vraag om
normering vanuit hen. Dat is volgens mij een mooi voorbeeld van hoe wij
wetenschap niet altijd vooraf al kunnen normeren en ook deels reactief
zijn, maar het is er ook een mooi voorbeeld van dat wij mogen vertrouwen
op een stuk integriteit van het wetenschappelijke veld zelf, dat
daarover met ons in gesprek treedt.
De heer Kops (PVV):
Ja, ik ben het daar zeker grotendeels mee eens, maar in het debat is het
er al veel over gegaan. Je kunt je bijvoorbeeld afvragen wat "een intact
embryo dat volledig wordt nagebootst" eigenlijk is. Wat is "een
niet-intact embryo", dat dan weer niet onder de Embryowet valt? Wat is
het verschil daartussen precies? Ik denk dat dat nog helemaal niet zo
duidelijk te zeggen is. Ik denk dat we dan ook heel voorzichtig moeten
zijn met wat hier nu in deze wet mogelijk wordt gemaakt, namelijk dat
die volledig intacte embryo's nagebootst mogen gaan worden, dat die
speciaal voor wetenschappelijk onderzoek tot stand mogen worden
gebracht, terwijl je onderaan de streep misschien wel zou kunnen zeggen
dat er helemaal geen verschil is tussen zo'n embryomodel en een klassiek
embryo. Dat zou je kunnen zeggen. Ik ga daar nog verder op in, hoor.
De voorzitter:
Tot slot, de heer Poortman.
De heer Poortman (CDA):
Ik deel dat met de heer Kops. Daarom denk ik dat het zo belangrijk is
dat deze embryomodellen onder de Embryowet worden gebracht, waarbij het
stuk van de verruiming natuurlijk eerder in het initiatiefwetsvoorstel
zit dat door de Kamer is aangenomen. Die verruiming betekent niet dat
ongebreideld onderzoek mogelijk is. Ook de initiatiefwet over het tot
stand doen komen van embryo's voor onderzoek is natuurlijk al een
inkadering van de mogelijkheden die we hebben om onderzoek met embryo's
te doen. Het is niet zo dat er allerlei vrijbrieven worden gegeven. Ook
dat is natuurlijk een inkadering van de mogelijkheden die we hebben en
een specificering van dat onderzoek, dat toegespitst wordt op medische
doeleinden.
De heer Kops (PVV):
Ja, maar dan zeg ik daar wel bij wat ik net al zei over een inkadering.
We zouden hier natuurlijk ook kunnen zeggen: nee, we stemmen niet met
het wetsvoorstel in. Dan hebben we ook een inkadering, want alles wat
hier in het wetsvoorstel wordt geboden, wordt dan niet toegestaan. Dat
is ook een inkadering, maar ik probeer aan te geven dat datgene wat hier
mogelijk wordt gemaakt, het gevolg is van de wetenschap. Ik zei zojuist
ook al iets over de definitie en over het vijfde punt, een andere wijze
van tot stand brengen. Volgens mij was u het die zei dat dat juist ook
een inkadering is. Ik lees dat niet in de wetstekst. Daar kunnen we
zeker een discussie over voeren — een medische, wetenschappelijke of
juridische discussie; dat is allemaal mogelijk — maar ik zie dat niet
terug in de wetstekst zelf, die volgens mij toch leidend is. Vandaar
wederom die vraag aan de minister: is dat wel degelijk een inkadering of
is dat toch een glijdende schaal?
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.
De heer Kops (PVV):
Ik had het dus over de embryomodellen waarvan niet te onderzoeken is of
ze kunnen uitgroeien tot mensen. Mijn vraag aan de minister was: het is
niet te onderzoeken — zo staat het er — maar zou het wel mogelijk kunnen
zijn? Als die vraag te beantwoorden is met "ja", "waarschijnlijk" of
"mogelijk", vallen die embryomodellen dan, althans in theorie, niet al
onder de huidige definitie met de zinsnede "het vermogen uit te groeien
tot mensen"? Of zouden ze daaronder moeten vallen?
Twee. Onderschrijft dat dan niet juist dat het onderscheid tussen een
klassiek embryo en een embryomodel hiermee vervaagt? Drie. Bevestigt dat
dan niet het belang van de bescherming van ook die embryomodellen, net
als klassieke embryo's? Graag een reactie. De PVV vindt van wel.
Voorzitter. Toen we hier eind vorig jaar spraken over het opheffen van
het kweekverbod — zo noem ik het maar — van klassieke embryo's, was een
van de argumenten dat Nederland nu afhankelijk is van onderzoek in het
buitenland, dat dat onderzoek daar in een commerciële setting
plaatsvindt en dat "nieuwe methoden en technieken daar snel
geïntroduceerd worden in de klinische praktijk zonder gedegen evaluatie
en soms met schadelijke gevolgen". En kort gezegd, om het even plat te
slaan, was de conclusie dat dat onderzoek dus ook hier in Nederland
mogelijk moet worden gemaakt. Daar kwam het toen op neer.
Maar hoe zit het dan met onderzoek in het buitenland met embryomodellen
en specifiek met het tot stand brengen daarvan? Oftewel, zoals ook toen
in het debat door de PVV werd aangedragen: waarom moet ook dit onderzoek
dan per se hier in Nederland gedaan worden? Wat is de exacte noodzaak
daarvan? En hoe verhoudt deze wetswijziging zich eigenlijk tot het
opheffen van dat kweekverbod van klassieke embryo's? Dat is een
wijziging die feitelijk verder gaat dan de hier nu voorliggende
wetswijziging en, zoals gezegd, al door de Tweede Kamer is
aangenomen.
Nota bene staat in de memorie van toelichting bij de voorliggende wet:
"… heeft de regering ervoor gekozen uitsluitend een uitzondering te
maken op dit verbod, het kweekverbod, voor embryomodellen die een intact
klassiek embryo nabootsen, omdat dit de maatschappelijk-ethische
reflectie volgt dat onderzoek met dit type embryomodellen minder
gevoelig wordt geacht dan onderzoek met klassiek tot stand gebrachte
embryo's." Oftewel, de regering kiest hier dus bewust voor een minder
vergaande wet, terwijl een verdergaande wet hier al is gepasseerd. Dat
is toch raar? Als dat voorstel ook door de Eerste Kamer wordt
aangenomen, wordt er iets werkelijkheid wat de regering zelf te ver vond
gaan. Wat vindt de minister daarvan?
Voorzitter. Ook relevant is de vraag hoe de CCMO hier uiteindelijk mee
omgaat. Of onderzoek überhaupt kan en mag plaatsvinden, wordt namelijk
getoetst door die Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek. We hebben
toetsingscriteria en dat zijn de volgende. Er is sprake van deugdelijk
onderzoek dat zal leiden tot nieuwe inzichten op het terrein van de
medische wetenschap. Er zijn geen redelijke alternatieven voor het
onderzoek met de betreffende embryo's; dat is de subsidiariteitseis. Ten
eerste. Welke nieuwe inzichten verwacht de minister hier dan, anders dan
of aanvullend op bijvoorbeeld onderzoek in het buitenland? Ten tweede.
Hoe wordt er dan concreet invulling gegeven aan redelijke alternatieven?
Wat zijn die alternatieven in het scenario dat beide wetten definitief
worden aangenomen, maar ook in het scenario dat alleen de ene wet of
alleen de andere wet wordt aangenomen? Hoe gaat dat dan in de praktijk?
Bovendien, waarom is toetsing eigenlijk noodzakelijk? Dan citeer ik uit
de memorie van toelichting. "Er dient een zorgvuldige afweging plaats te
vinden of het belang van de wetenschappelijke vooruitgang voldoende
opweegt tegen het belang van de beschermwaardigheid van beginnend
menselijk leven." Ja, zeker. Maar ja, hoe vindt die afweging dan in de
praktijk plaats als de wetgever met deze wet al een intrinsieke keuze
heeft gemaakt, namelijk de keuze voor onderzoek dat feitelijk ten nadele
is van de bescherming van het ongeboren menselijk leven? Graag ook een
reactie op dat punt.
Ik dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. De laatste spreker van de zijde van de Kamer is de heer Van
Meijeren. Hij spreekt namens Forum voor Democratie, FVD.
De heer Van Meijeren (FVD):
Voorzitter. In tegenstelling tot mevrouw Bikker, de heer Van Dijk en ook
mevrouw Paulusma heb ik besloten om vandaag mijn inbreng niet te
beginnen met mijn visie op de reis naar de maan! Ik ga dus direct over
naar de inhoud van dit debat.
Voorzitter. Laat ik meteen met de deur in huis vallen. Ik heb met de
nodige walging kennisgenomen van het wetsvoorstel dat we vandaag
bespreken. De regering stelt voor om de definitie van een embryo te
herzien. In de nieuwe definitie worden naast het klassieke embryo, dat
is ontstaan door de versmelting van een in het vrouwelijke lichaam
geproduceerde eicel en een in het mannelijke lichaam geproduceerde
zaadcel, oftewel het embryo dat wij ooit allemaal waren, nu ook
expliciet een aantal andere entiteiten onder die definitie gebracht. Dat
zijn bijvoorbeeld embryo's die tot stand worden gebracht door
celkerntransplantatie, de techniek waarmee schaap Dolly is gekloond en
waarmee in potentie ook mensen kunnen worden gekloond. Het zijn ook
embryo's die zijn ontstaan door lichaamscellen, zoals een huidcel, in
een petrischaaltje te herprogrammeren tot zaadcel of eicel en vervolgens
die zaadcel en die eicel met elkaar te laten versmelten. Daarmee
ontstaat een techniek waarmee het mogelijk wordt dat twee mensen van
hetzelfde geslacht samen een kind krijgen of dat één mens zich
voortplant met zichzelf. Ik noem ook embryo's die zijn ontstaan door de
celkern van een menselijke lichaamscel in te brengen in een dierlijke
eicel, de zogenaamde mens-diercombinatie. Als dat geen walging oproept,
wat dan nog wel?
Ik realiseer me dat walging een emotionele reactie is. In de aanloop
naar dit debat bleek het ook niet zo heel eenvoudig om die weerstand die
ik voel te vertalen naar rationale argumenten. Soms voel je in iedere
vezel van je lichaam dat iets fundamenteel fout is, maar kun je niet
geheel objectiveren en tot uitdrukking brengen waarom dat nou precies zo
is.
In het kader daarvan is het interessant om even te wijzen op een
invloedrijk essay met de naam The wisdom of repugnance, de wijsheid van
walging, van een vooraanstaande Amerikaanse bio-ethicus en filosoof. Hij
stelt daarin dat walging soms een wijsheid bevat die dieper zit dan onze
argumenten. Hij betoogt dat wanneer men terugdeinst voor een bepaalde
praktijk, dat niet zou moeten worden weggewuifd als iets louter
irrationeels, maar zou moeten worden gezien als een signaal dat er iets
wezenlijks op het spel staat wat we nog niet helemaal onder woorden
kunnen brengen.
Toch ga ik natuurlijk een poging doen om mijn bezwaren onder woorden te
brengen. Mijn grootste bezwaar tegen het wetsvoorstel is erin gelegen
dat het een frontale aanval bevat op de beschermwaardigheid van het
menselijk leven. Dat zou ons allemaal zorgen moeten baren. Geen enkele
partij in deze Kamer ontkent dat het menselijk leven überhaupt
beschermwaardig is. Zo ontkent ook geen enkele partij in deze Kamer het
belang van de verbetering van medische zorg. Zoals bij vrijwel alle
medisch-ethische vraagstukken is de vraag: waar leggen we de grens in de
belangenafweging? In dit geval zien we dat het belang van de
beschermwaardigheid van het leven fors moet inboeten ten gunste van het
belang van de wetenschap, terwijl de daadwerkelijke concrete voordelen
voor de medische zorg zelf, die direct voortvloeien uit de nieuwe
technieken die worden gereguleerd, nog heel hypothetisch, twijfelachtig
en indirect zijn.
Juist ten aanzien van de beschermwaardigheid van het menselijk leven
verandert dit wetsvoorstel op een aantal fundamentele punten hoe naar
menselijk leven wordt gekeken. In de huidige definitie wordt nog het
criterium gehanteerd van een cel of een samenhangend geheel van cellen
met het vermogen om uit te groeien tot mens. In de nieuwe definitie
wordt juist dit criterium, het vermogen om uit te groeien tot mens, de
kern van de beschermwaardigheid van dergelijke entiteiten, helemaal
losgelaten. De reden die wordt genoemd, is dat de potentie bij de
toegevoegde entiteiten in het tweede deel van de voorgestelde definitie
in een aantal gevallen niet of nauwelijks is vast te stellen. Van een
klassiek embryo, ontstaan uit een door een zaadcel bevruchte eicel, is
bekend dat het het vermogen heeft om uit te groeien tot mens, maar bij
die in elkaar geknutselde entiteiten, waarbij menselijk DNA in dierlijke
eicellen wordt gestopt en andere experimenten worden gedaan, is het nog
maar zeer de vraag wat dat voor gevolgen heeft en tot wat voor creaties
dat mogelijk gaat leiden.
Deze entiteiten worden nu allemaal op één hoop gegooid met het klassieke
embryo. Menselijk leven verwordt tot een anoniem, relatieloos
onderzoeksobject, een product, een grondstof waarmee geld verdiend kan
worden. Menselijk leven wordt in een laboratorium geproduceerd. Er wordt
wat onderzoek op losgelaten, de resultaten worden genoteerd en het
onderzoeksobject wordt na twee weken weer doodgemaakt. Nou, geslaagd
experiment; wat zullen we nu eens gaan onderzoeken?
Voorzitter. Dit voorstel en de daarmee gepaard gaande inbreuk op de
beschermwaardigheid van het leven staan niet op zichzelf. In Nederland
zien we al langere tijd een zorgwekkende verschuiving in de manier
waarop de waarde van menselijk leven wordt gewogen. Onder het mom van
zogenaamde progressieve waarden en wetenschappelijke vooruitgang zagen
we bijvoorbeeld hoe euthanasie werd gelegaliseerd en stap voor stap werd
verruimd: van ondragelijk lichamelijk lijden naar psychisch lijden, tot
het toestaan ervan voor minderjarigen en psychiatrische patiënten, tot
we nu spreken van: ach, euthanasie kunnen we net zo goed toepassen bij
iedereen van wie het leven voltooid is. We hebben abortus
genormaliseerd. Het is uitgegroeid tot een massa-industrie, met ieder
kwartier een abortus. Voor een abortus hoef je tegenwoordig de deur niet
eens meer uit. Abortuspillen zijn inmiddels in vijf minuten te bestellen
via internet. Die vliegen als warme broodjes over de toonbank. Het is
illegaal. De minister weet het, maar weigert handhavend op te treden.
Dat zegt ook iets over normen en waarden. De maakbaarheid van het
menselijk leven wordt genormaliseerd. We hebben inmiddels het punt
bereikt dat kinderen worden aangemoedigd tot medische procedures die hun
lichaam onomkeerbaar verminken en leiden tot onvruchtbaarheid. En dan is
er vandaag dit voorstel tot wijziging van de Embryowet, waarbij de
intrinsieke waarde van beginnend menselijk leven in toenemende mate
ondergeschikt wordt gemaakt aan de wetenschap.
Meneer de voorzitter. Het valt mij op dat deze kwesties vrijwel altijd
op zichzelf beschouwd worden. Die worden gepresenteerd als slechts een
kleine, noodzakelijke, met voldoende waarborgen omklede stap, vaak in
combinatie met een paar schrijnende voorbeelden, die sterk worden
uitvergroot. En — hop! — we zijn weer een stap verder. Ik denk dat het
belangrijk is om deze thema's niet steeds geïsoleerd van elkaar te
bekijken en te verzanden in details, maar om juist uit te zoomen en het
te hebben over een patroon dat zichtbaar is en over de gevolgen daarvan.
Door de jaren heen en bij elkaar opgeteld wordt namelijk duidelijk dat
we ons bewegen in één richting, richting een samenleving waarin het
menselijk leven steeds minder waard wordt en meer wordt behandeld als
een kwestie van individuele keuze, technologische innovatie en
economische bruikbaarheid.
Wat zijn de gevolgen daarvan voor een samenleving op de langere termijn?
Niemand van ons heeft een glazen bol, maar vanuit de politiek is het ook
belangrijk om vooruit te durven kijken. De regering toont geen enkele
visie. Die lijkt totaal niet bezig met de mogelijk riskante
langetermijneffecten voor onze samenleving. Ook in de memorie van
toelichting wordt alles vanuit een technisch oogpunt belicht. Neem
bijvoorbeeld de passage over die mens-diercombinaties. Er staat, en ik
citeer: "Denk hierbij aan een varkensembryo waarin menselijke stamcellen
worden geplaatst die een menselijke lever in het embryo ontwikkelen. (…)
Het doel is dat het varken zich dan ontwikkelt als een "normaal" varken,
maar met een menselijke lever. Deze menselijke lever zou dan vervolgens
kunnen worden getransplanteerd naar een mens." Vanuit wetenschappelijk
oogpunt is het ongetwijfeld ontzettend knap en indrukwekkend, maar wat
betekent het voor de leefstijl van mensen als ze weten dat ze toch nog
ergens een paar levers of andere organen als reserve op voorraad hebben
liggen?
Wat gebeurt er als je gaat morrelen aan de fundamentele zekerheden van
het leven, waar onze hele samenleving, met al haar sociale structuren,
op is gebouwd? Neem bijvoorbeeld de zekerheid dat voor voortplanting een
man-vrouwrelatie noodzakelijk is. In de antropologie wordt het gegeven
dat je voor een kind een ander nodig hebt — en niet zomaar een ander,
maar iemand van het andere geslacht — beschouwd als de meest basale, de
meest primaire reden dat mensen duurzame relaties met elkaar aangaan.
Als voortplanting een individueel project wordt — het is mijn huidcel,
mijn geslachtscel, mijn embryo; het is mijn kind — dan verdwijnt de
noodzaak van die band. Wat doet dat met de positie van het gezin als
hoeksteen van de samenleving, de plek waar een kind zich veilig moet
kunnen ontwikkelen? Dat is de plek waar een kind leert dat de wereld
niet om hem of haar draait, dat er een vader en een moeder is, elk met
hun eigen gezag en eigen perspectief, en broers en zussen, waarmee je
een bloedband hebt. Als het traditionele gezin vervangen wordt door een
model waarbij alle wensouders alleen of samen met iemand anders als het
ware een kind kunnen bestellen met alle door hen gewenste eigenschappen,
verliezen we het vermogen om ook het onverwachte, het oncontroleerbare
en het kwetsbare van het leven te aanvaarden.
Voorzitter. Als we gaan morrelen aan de fundamentele grenzen van het
menselijk leven met kiembaanmodificatie, synthetische embryo's,
genetische optimalisatie, designerbaby's en andere ontwikkelingen, dan
is dat niet alleen een technische verandering, maar een verandering van
ons hele mensbeeld. De mens is dan niet langer een wezen dat gegeven is
met een eigen menselijke waardigheid, maar een wezen dat gemaakt wordt
en dus ook verbeterd, geoptimaliseerd of afgekeurd kan worden.
Voorzitter, ik rond af. Niet alles wat technisch mogelijk is, moet ook
worden toegestaan. Niet alles wat de wetenschap kan, moet de wetgever
faciliteren. Er zijn grenzen. Die grenzen vloeien voort uit een
eeuwenoud besef van wat de mens is en wat hem onderscheidt van een
product, een grondstof of een onderzoeksobject. FVD wil die grenzen
bewaken. Wij koesteren de zekerheid dat menselijk leven intrinsieke
waarde heeft, ongeacht de staat of het stadium waarin het verkeert. De
zekerheid dat alleen een man en een vrouw samen nieuw leven kunnen
creëren, en dat het niet iets is wat je met iemand van hetzelfde
geslacht of in je eentje in een laboratorium regelt. De zekerheid dat
een kind niet maakbaar is.
Voorzitter. Het zijn stuk voor stuk zekerheden die functioneren als
pilaren waar onze samenleving op is gebouwd. Alle voorgaande generaties
hebben die pilaren gerespecteerd, nooit uitgedaagd. Nu zien we hoe er in
enkele generaties steeds verder aan gemorreld wordt, met onvoorzienbare
consequenties voor onze manier van leven. Die trend moet worden gekeerd.
Daarom zal FVD dit wetsvoorstel niet steunen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee komt er een einde aan de eerste termijn van de zijde
van de Kamer en ook gelijk aan de beraadslaging.
De algemene beraadslaging wordt geschorst.
De voorzitter:
De behandeling wordt op een later moment voortgezet, met inachtneming
van het feit dat we natuurlijk niet te lang tussen de twee termijnen
willen hebben. Ik vraag alvast aan de minister — daar heeft ze dan ruim
de tijd voor — om in haar eerste termijn ook een appreciatie te geven
van de ingediende amendementen. Daarmee sluit ik de vergadering.
Sluiting
Sluiting 21.04 uur.
ONGECORRIGEERD STENOGRAM Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden
ontleend. |
|---|