[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo]←NIEUW! [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Naar een beter dierenwelzijn in de veehouderij

Brief regering

Nummer: 2026D18061, datum: 2026-04-16, bijgewerkt: 2026-04-16 11:10, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van zaak 2026Z08019:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


Geachte Voorzitter,

Vanuit de maatschappij is de roep om het welzijn van dieren in de veehouderij goed te borgen de afgelopen jaren toegenomen.  De meeste veehouders, transporteurs en andere spelers in de voedselketen gaan op een fatsoenlijke wijze om met dieren. Maar er zijn ook regelmatig berichten van incidenten. Als deze plaatsvinden wordt er door de NVWA gehandhaafd. De Kamer vraagt op verschillende dossiers om effectief beleid om het dierenwelzijn beter te borgen. Ik wil hierin stappen zetten en tegelijk duidelijkheid scheppen voor ondernemers en een realistisch tijdpad schetsen zodat zij weten waar zij naartoe moeten werken. 

In deze brief zet ik uiteen hoe ik de volgende stappen wil zetten op het gebied van dierenwelzijn. Hiermee kom ik, vooruitlopend op het Commissiedebat dieren in de veehouderij en de NVWA van 23 april, tegemoet aan de wens van de Kamer om te vernemen wat mijn inzet zal zijn op dit beleidsterrein. 

Mijn inzet is om te werken aan goed dierenwelzijn in de hele keten, waar een ieder zijn verantwoordelijkheid neemt, van het primaire bedrijf, tijdens transport tot in het slachthuis. Op het primaire bedrijf doe ik dit door stappen te zetten naar een dierwaardige veehouderij waarbij onder andere verder wordt gewerkt aan een AMvB, de uitwerking van het convenant en de oprichting van een autoriteit. Ook onderzoek ik de mogelijkheden om brandveiligere bestaande en nieuwe stallen te creëren. Ik sprak al kort met de Kamer over mijn inzet op het dossier aanpak stalbranden in het kader van de begrotingsbehandeling en informeer de Kamer graag uitgebreider over mijn inzet. Ook ga ik in op de resultaten van de Risicomonitor stalbranden 20252 die 16 april 2026 is gepubliceerd door het Verbond van Verzekeraars (hierna: VvV).  

Borging van het dierenwelzijn tijdens transport en in het slachthuis wil ik bereiken door het wetsvoorstel verplicht cameratoezicht verder in procedure te brengen en door de maximumtemperatuur voor diertransport te verlagen. Effectief toezicht is hierbij van groot belang. Ik zet daarom in op versterkt toezicht en een herziening van het boetestelsel. Door te werken aan duidelijk, voorzienbaar en uitvoerbaar beleid in de voedselketen in combinatie met goed toezicht, wil ik ervoor zorgen dat het dierenwelzijn in Nederland naar een hoger niveau wordt getild.  Hierna ga ik op deze onderwerpen dieper in.

Dierwaardige veehouderij

Ik wil, samen met de sectoren en dierenwelzijnsorganisaties, concrete en haalbare stappen zetten naar een dierwaardige veehouderij, in lijn met de afspraken die gemaakt zijn in het convenant ‘Stappen naar een dierwaardige veehouderij’ en zoals aangekondigd in het Coalitieakkoord. Belangrijk onderdeel van de ontwikkeling naar dierwaardige veehouderij is om een markt te creëren die het verdienvermogen van de primaire sector kan versterken door in te spelen op een toenemende behoefte van burgers in Noord West Europa naar dierwaardig geproduceerde producten. Vooroplopen als Nederland biedt commerciële kansen. Tegelijkertijd pleeg ik in het kader van het gelijke speelveld ook inzet in Europees verband om andere lidstaten hierin mee te krijgen. Onderdeel van zowel het convenant als het coalitieakkoord is de oprichting van een Autoriteit Dierwaardige Veehouderij, die de ontwikkeling zal monitoren. Convenantpartijen hebben een verkenning laten uitvoeren naar de oprichting en inrichting van de Autoriteit; zie bijlage 1. 

Daarnaast werk ik verder aan een AMvB dierwaardige veehouderij voor de vier grote veehouderijsectoren en de vleesveesector, zoals de instructiebepaling in de Wet Dieren ook van de regering vraagt. De Kamer is geïnformeerd over het zeer grote aantal reacties dat de internetconsultatie van de AMvB dierwaardige veehouderij vorig jaar heeft opgeleverd. Deze worden op dit moment verwerkt. Ook de uitkomsten van toetsen worden meegenomen die we hebben laten uitvoeren, zoals de regeldruktoets en de uitvoerings- en handhaafbaarheidstoets. Mijn streven is om rond de zomer de aangepaste concept-AMvB aan het parlement voor te hangen. Daarmee sluit ik aan op de kabinetsbrede samenhangende aanpak Landbouw, Natuur en Stikstof1 waarin de AMvB dierwaardige veehouderij in pijler 7 is opgenomen. Het kabinet kiest ervoor om de verschillende opgaven in onderlinge samenhang en synergie met elkaar te realiseren. Dit is effectiever en doelmatiger en heeft ook als doel het voorkomen dat (agrarische) ondernemers steeds nieuwe investeringen moeten doen voor verschillende deelopgaven.  

       

Stalbranden

De impact van stalbranden voor mens en dier is vaak zeer groot. Daarom vind ik het belangrijk om, samen met de veehouders en andere stakeholders, te blijven doorwerken aan het verbeteren van de brandveiligheid op veehouderijen. Op 23 maart jongstleden heb ik de brandveiligheidscampagne ‘Voorkom Stalbrand’ gelanceerd. Dit is een gezamenlijke campagne met LTO, NAJK, POV, Brandweer Nederland en het Verbond van Verzekeraars. Het doel is het vergroten van bewustwording en inzicht geven in laagdrempelige brandveiligheidsmaatregelen voor veehouders.  

Communicatie en bewustwording alleen is niet genoeg, daarom bestaat de aanpak van stalbranden uit verschillende maatregelen die ik verder uitwerk. Om de preventie van stalbranden te verbeteren werk ik aan de invoering van een verplichting tot het doen van twee keuringen. Deze keuringen zijn gericht op het voorkomen van brand en betreft de elektrakeuring (brandveiligheid van technische installaties op het erf en zonnestroominstallaties) en de brandveiligheidskeuring (brandveiligheidsmanagement en bewustwording van brandrisico's).  Ik streef ernaar deze keuringen zo spoedig mogelijk in te voeren, waarbij ik wel oog heb voor de uitvoerbaarheid, effectiviteit en proportionaliteit van deze nieuwe maatregelen. Om dit in beeld te krijgen loopt er nu een onderzoek naar de impact, waaronder de financiële impact van de verplichte elektrakeuring.  Dit gebeurt door fictieve ‘proefkeuringen’ uit te voeren. Ook voor de brandveiligheidskeuring, die nog in ontwikkeling is, zal dit inzichtelijk gemaakt worden. Ik streef ernaar in het najaar te besluiten over de invoering van deze keuringen en de consultatie en voorhang van het ontwerpbesluit voor wijziging van het Besluit houders van dieren. Dit is een essentiële stap voor de implementatie van beide keuringen. 

In een brief aan uw Kamer van 19 januari jl.3 zijn ook de resultaten van twee recent afgeronde onderzoeken gedeeld, namelijk een onderzoek naar de omvang van brandcompartimenten en het ontwikkelde denkraam ‘Basis voor brandveiligheid voor veestallen’. Ik verken momenteel hoe de uitkomsten van deze onderzoeken gebruikt kunnen worden bij de ontwikkeling en uitvoering van beleid en regelgeving om integraal en diergericht te sturen op brandveiligere bestaande en nieuwe stallen. Andere opgaven, zoals de bedrijfsspecifieke emissienormen en de AMvB dierwaardige veehouderij, zullen om aanpassingen van of in de stal vragen. Het gaat daarbij ook om zaken die een investeringsbeslissing van de veehouder vragen, daarom is het van belang om ook mogelijke investeringen in het kader van brandveiligheid integraal daarin mee te nemen. Rond de zomer zal ik de Kamer informeren in hoeverre deze twee rapporten aanleiding geven tot aanvullend beleid.

Risicomonitor Stalbranden 2025

De Risicomonitor Stalbranden wordt jaarlijks gepubliceerd en biedt inzicht in het aantal stalbranden, het aantal dodelijke dierlijke slachtoffers en de oorzaak van een stalbrand, voor zover bekend. Zoals genoemd in de voortgangsbrief van 19 januari jl.2 heeft mijn voorganger met het VvV bekeken op welke wijze de Risicomonitor verder uitgebreid kan worden met verdiepende informatie over bijvoorbeeld de oorzaak van de brand en het bouwjaar van de stal. De monitor is uitgebreid met aanvullende informatie zoals waar de brand is ontstaan, de oorzaak, het bouwjaar, de omvang, welke bouwmaterialen er gebruikt zijn en hoeveel dieren er aanwezig waren en zijn omgekomen. Met deze uitbreiding hoop ik meer inzicht te krijgen in de oorzaken en risicofactoren, om gerichtere oplossingsrichtingen te kunnen treffen. 

Uit de Risicomonitor stalbranden blijkt dat er in 2025 41 stalbranden hebben plaatsgevonden. Bij elf van deze branden kwamen in totaal 60.427 dieren om het leven. Het aantal branden ligt dit jaar iets lager dan in 2024, toen er 43 branden waren. Het komt wel ongeveer overeen met het gemiddelde sinds 2014, dat op 42 branden per jaar ligt. Ook zijn er in 2025 iets minder dieren omgekomen dan in 2024. Het aantal omgekomen dieren kan ieder jaar fluctueren, en is sterk afhankelijk van de diersoort. Bij veel stalbranden is de oorzaak helaas onbekend. Dit komt doordat de stal in veel gevallen volledig afbrandt. Voor de branden waarvan de oorzaak wel te achterhalen was, is elektra de meest voorkomende oorzaak. Deze resultaten bevestigen de noodzaak van een effectieve aanpak van stalbranden.  

Beleidsregel maximumtemperatuur voor diertransport 

De Kamer heeft door de jaren heen haar zorgen geuit over het transport van dieren tijdens hitte, en met verschillende moties de regering verzocht om de maximumtemperatuur zo snel mogelijk omlaag te brengen3. Ik deel deze zorgen over de risico’s die dieren lopen op hittestress tijdens de warme zomerperiodes, en ik heb daarom besloten om de maximumtemperatuur in de beleidsregel ‘diertransport bij hoge temperaturen’ te verlagen naar 30°C, conform de motie van het lid Vestering4.

De beleidsregel heeft alle beleidsmatige stappen doorlopen. De notificatie bij de Europese Commissie heeft niet geleid tot opmerkingen op de beleidsregel. Diezelfde Commissie heeft echter wel, separaat van deze notificatieprocedure, mijn ambtsvoorganger een brief gestuurd waarin zij verzoekt om de wijziging van de maximumtemperatuur in de beleidsregel met minstens een jaar uit te stellen, of de onderhandelingen voor de herziening van de Transportverordening af te wachten, vanwege zorgen om het gelijke speelveld. 

Ook de zorgen van de sector heb ik gehoord. Zij geven aan dat het verder verlagen van de maximumtemperatuur mogelijk een negatieve impact heeft voor het dierenwelzijn. De zorg voor dierenwelzijn zit hem vooral in de stallen die overvol kunnen raken, mochten dieren voor langere tijd niet afgevoerd kunnen worden naar het slachthuis. Dit vind ik terechte zorgen, maar ik zie hier ook mogelijkheden voor ondernemers om maatregelen te nemen in het belang van dierenwelzijn. Bijvoorbeeld door hun planningen voor de fok van nieuwe dieren tijdig aan te passen, zodat er meer ruimte is in de stallen in de zomer en er meer flexibiliteit komt in de keten.  Ook blijft het mogelijk om overdag dieren te vervoeren, als er gebruik gemaakt wordt van geconditioneerde wagens die aantoonbaar de temperatuur bij de dieren verlaagt tot onder de 30 graden.

Volgens het Nationaal Plan Veetransport bij extreme temperaturen is het op dit moment mogelijk om bij een lokaal voorspelde temperatuur van 33°C twee uur vervroegd slachten aan te vragen. Dit komt neer op toezicht op pluimveeslachthuizen vanaf 02.00 uur en op roodvleesslachthuizen vanaf 04.00 uur. Door de slachttijden tijdens hete dagen met twee uur te vervroegen kunnen dieren in de koelere uren worden getransporteerd. Op het moment dat de beleidsregel 30 graden van kracht wordt, zullen ook aangepaste temperatuurgrenzen gaan gelden in het Nationaal Plan Veetransport bij extreme temperaturen.  Het gevolg is dat in 2027 waarschijnlijk meer aanvragen komen voor twee uur eerder toezicht. Binnen de NVWA wordt daarom gewerkt aan de vergroting van de vrijwillige inzetbaarheid van medewerkers. De NVWA wil hiermee voorkomen dat een verzoek van een slachthuis voor vervroegd slachten bij extreme temperaturen niet ingewilligd kan worden.

Omdat de inzet van toezichthouders op vrijwillige basis berust, vanwege de Cao-afspraken, kan het vóórkomen dat een verzoek van een slachthuis voor vervroegd slachten niet ingewilligd kan worden. Uiteraard spant de NVWA zich in om deze situaties te vermijden, door de inzetbaarheid van medewerkers te optimaliseren. 

Kortom, de praktijk heeft tijd nodig om op de verlaging van de maximumtemperatuur voor transport in te spelen. Tegen deze achtergrond heb ik besloten om de wijziging van de beleidsregel ter verlaging van de maximumtemperatuur naar 30°C vast te stellen en te publiceren, maar niet eerder in werking te laten treden dan 1 april 2027. Dit geeft de sector ruimte zich hierop voor te bereiden en maatregelen te nemen, en hiermee kom ik ook aan de oproep in de brief van de Europese Commissie tegemoet. Hiermee beschouw ik de motie-Vestering (Kamerstuk 35830 XIV, nr. 10) de motie Vestering c.s. (Kamerstuk 36200 XIV, nr. 63) alsmede de motie Ouwehand c.s. (Kamerstuk 21501-32-1716) over de maximumtemperatuurverlaging als afgedaan. Ook kom ik hiermee tegemoet aan de brief van 8 april 2026 van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (Kamerstuk 2026Z06827/2026D16465), die mij verzoekt om een reactie op de brief van 1 april 2026 van de Dierenbescherming, Eyes on animals en de Dierencoalitie over de 30-gradengrens voor veetransport.

Wetsvoorstel verplicht cameratoezicht

Cameratoezicht op slachthuizen op basis van vrijwillige afspraken met de NVWA wordt al enkele jaren met goed resultaat toegepast. Gezien de maatschappelijke discussie over dierenwelzijn wil ik ervoor zorgen dat cameratoezicht geborgd blijft door het wettelijk te verankeren. Het ontwerpwetsvoorstel verplicht cameratoezicht op slachthuizen en verzamelcentra wordt daarom verder in procedure gebracht. Hiermee geef ik uitvoering aan de motie Ouwehand5. 

Het ontwerpwetsvoorstel cameratoezicht is in 2024 in internetconsultatie geweest en getoetst door de NVWA, de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR)6. 

Zowel de AP als het ATR hebben in de beoordeling aangegeven dat in het ontwerpwetsvoorstel de nut en noodzaak van een algemene verplichting tot cameratoezicht onvoldoende onderbouwd is en minder vergaande opties niet goed onderzocht zijn. Zo is het volgens de AP denkbaar dat de verplichting tot cameratoezicht ook als tijdelijke maatregel na gebleken misstanden door de NVWA zou kunnen worden opgelegd. 

Ik heb verschillende opties afgewogen en wil voor slachthuizen aan een algemene verplichting tot permanent cameratoezicht vasthouden, in lijn met de motie-Graus en Eerdmans7. Het gebruik van camera’s als tijdelijke maatregel zou namelijk een grote stap terug zijn omdat alle ca. 90 grote en middelgrote slachthuizen al 5 jaar meedoen aan het vrijwillige permanente cameratoezicht.  

Ik ben dan ook van mening dat er voor slachthuizen voldoende onderbouwing is om een permanente verplichting van cameratoezicht te rechtvaardigen, zodat het bestaande vrijwillige cameratoezicht verder verstevigd en doorontwikkeld kan worden. Met een wettelijke verplichting komt er ook een betere basis om de privacy van personen op slachthuizen te borgen. In het wetsvoorstel wil ik namelijk voorschrijven, mede naar aanleiding van het advies van de AP, dat personen op de camerabeelden onherkenbaar moeten worden gemaakt bijvoorbeeld door middel van het digitaal vervagen van gezichten (“blurren”). Een permanente verplichting op slachthuizen is daarnaast nodig om cameratoezicht op afstand en realtime in te richten, zoals verzocht in motie-Van Campen c.s.8 en om op termijn de inzet van “slim cameratoezicht”, met gebruik van kunstmatige intelligentie en sensortechnologie, mogelijk te maken voor de NVWA. De inzet van kunstmatige intelligentie en sensortechnologie kan in de toekomst benut worden om doelmatiger en doeltreffender toezicht te houden. Op dit moment werken diverse slachthuizen aan de toepassing van deze ‘slimme’ camerasystemen die afwijkingen met betrekking tot dierenwelzijn snel kunnen detecteren.

Slachthuizen die de eigen kwaliteitsborging goed op orde hebben, kunnen eventueel eerder in aanmerking komen voor systeemtoezicht. De toezichtintensiteit kan dan op bepaalde risicogebieden tijdens het reguliere toezicht op de slachthuizen omlaag. Tegelijkertijd schrijft EU-regelgeving een minimale toezichtsfrequentie voor, waar altijd aan voldaan moet worden. Ik vind het van belang dat slachthuizen die hun verantwoordelijkheid nemen, ook merken dat zij goed presteren. Ik wil mij daarom in EU-verband inzetten voor meer ruimte voor goed presterende slachthuizen.

  

Voor verzamelcentra ben ik voornemens om, in lijn met het advies van de AP, cameratoezicht als tijdelijke maatregel in te zetten. Vanuit deze sector is in het verleden weinig bereidheid geweest om mee te werken aan pilots. De NVWA heeft dan ook geen ervaring met cameratoezicht op deze bedrijven en de noodzaak tot een algehele verplichting tot permanent cameratoezicht is daarom moeilijk juridisch te onderbouwen. Omdat het om een verplichting gaat, die ook de rechten van werknemers op privacy raakt, is een gedegen onderbouwing noodzakelijk. Tegelijkertijd heeft de NVWA wel veel aanwijzingen dat sommige verzamelcentra de dierenwelzijnsregels niet goed genoeg naleven. In lijn met het voorstel van de AP vind ik daarom het inzetten van cameratoezicht als verplichte bijzondere maatregel bij gebleken overtredingen voor verzamelcentra een goede eerste stap.

Deze overweging geldt ook voor zeer kleine slachterijen, waaronder veel zelfslachtende slagers die in het wetsvoorstel uitgezonderd worden van de verplichting tot permanent cameratoezicht, zoals gevraagd in de motie Van Campen9. Als tijdelijke maatregel zal cameratoezicht daarmee specifiek worden toegepast op de verzamelcentra en kleine slachterijen waar dierenwelzijnsproblemen geconstateerd zijn en die onder verscherpt toezicht staan van de NVWA. Door middel van cameratoezicht kan het bedrijf bijvoorbeeld aan de NVWA laten zien dat de nodige maatregelen zijn genomen om de eerder geconstateerde problemen in de toekomst te voorkomen. Bij vijf verzamelcentra wordt nu gebruik gemaakt van tijdelijk cameratoezicht.

De bedrijven staan naar aanleiding van de beelden die gemaakt zijn door Ongehoord onder verscherpt toezicht van de NVWA. Op dit moment is cameratoezicht op deze verzamelcentra op basis van vrijwilligheid. Dit kan in de toekomst verplicht worden opgelegd. Als blijkt dat de dierenwelzijnssituatie op verzamelcentra onvoldoende is verbeterd blijft een wettelijke verplichting tot permanent cameratoezicht ook op verzamelcentra alsnog een reële optie. 

Het ontwerpwetsvoorstel wordt afgerond en in de zomer weer in procedure gebracht. De volgende stappen zijn de notificatie aan de Europese Commissie en de advisering van de Raad van State. Daarna zal het wetsvoorstel worden aangeboden aan de Kamer. 

Versterken van het toezicht op dierenwelzijn

Iedereen moet erop kunnen vertrouwen dat voedsel en producten veilig zijn en dat we in Nederland zorgvuldig omgaan met dieren en de natuur. De NVWA ziet erop toe op hoe bedrijven dit doen, op basis van vertrouwen, waar dat kan, en met effectief toezicht, waar het risico op overtredingen het grootst is. Het merendeel van de bedrijven heeft oog voor dierenwelzijn en er zijn en worden goede stappen gezet om het dierenwelzijn in de keten te verbeteren, zoals vrijwillig cameratoezicht in de slachthuizen. Tegelijkertijd komen regelmatig beelden van misstanden naar buiten, zoals recent de beelden van dierenmishandelingen op verzamelcentra, tijdens transport van dieren en op slachthuizen. De gehele sector – ook degenen die de eisen goed naleven – wordt op dergelijke misstanden aangekeken. De roep van de samenleving en de Tweede Kamer om goed en rechtvaardig toezicht in de vleesketen onderschrijf ik. Het is belangrijk dat ieder die in Nederland werkt in de veehouderij, het diertransport of in de slachtsector respectvol omgaat met ieder dier. Dat is de meest effectieve manier om dierenleed te voorkomen.

De wet overtreden mag niet lonen en waar de rechten van het dier worden geschonden, moet het boete-instrumentarium stevig en afschrikwekkend zijn. Ondernemers die zich aan de wet houden krijgen minder toezicht en recidivisten worden aangepakt (“high trust, high penalty”). Zo is hoe het toezicht moet werken. En tegelijkertijd moet het toezicht zich blijven ontwikkelen, zoals ook de sector zich ontwikkelt. Dat betekent continu meebewegen, aanpassen van werkwijzen en nadenken over slimmer en effectiever toezicht. Ik weet dat de NVWA daarop inzet.  Voor de zomer informeer ik de Kamer over mijn visie op toezicht en handhaving. Hierin komt onder andere aan de orde hoe ik ervoor wil zorgen dat gewenst gedrag wordt beloond met lichter toezicht, door de toezichtintensiteit op bepaalde risicogebieden te verlagen. Op deze manier kunnen beperkte middelen zo effectief mogelijk worden ingezet. De Kamer wordt voor de zomer uitgebreider geïnformeerd.

  

Vervoer van dieren

Dieren die ongeschikt zijn om te vervoeren, mogen niet worden aangeboden voor transport en dus ook niet vervoerd worden. Slachthuizen, transporteurs, handelaren, houders van verzamelcentra en veehouders zijn verplicht om te allen tijde met zorg voor het welzijn om te gaan met levende dieren. Ook op de momenten wanneer de NVWA geen toezicht houdt. Het is belangrijk dat de sector als keten die verantwoordelijkheid neemt, door bijvoorbeeld ondernemers

die elkaar aanspreken, of dat slachthuizen geen zaken meer doen met vervoerders die vaak dieren hebben aangeleverd die niet vervoerd mochten worden. Het is dus aan de bedrijven in de vleesketen zelf om te voorkomen dat niet transportwaardige dieren nog op transport gaan. Vervoerders moeten alleen dieren inladen die geschikt zijn voor transport en veehouders moeten ervoor zorgen dat zij dieren die niet transportwaardig zijn ook niet aanbieden voor transport. Dit laatste kan gedaan worden door tijdig te besluiten dat een dier het bedrijf moet verlaten, en als dit niet tijdig is voorzien, het dier op het bedrijf te laten euthanaseren. 

Het is daarom van belang dat helder is welke dieren wel en welke dieren niet transportwaardig zijn. De ontwikkeling van een uniforme beoordeling voor geschiktheid van het vervoer van runderen en varkens blijft een punt van aandacht. Daarom werkt de NVWA aan een uniform beoordelingsprotocol, een zelfinspectie-hulpmiddel, om de geschiktheid voor het vervoer van melkkoeien voorafgaand aan het transport te beoordelen. Het protocol moet bruikbaar zijn voor iedereen, dus ook voor de veehouder en de vervoerder, zodat minder koeien vervoerd worden die niet geschikt zijn voor het voorgenomen transport. Voor de toezichthouder biedt dit protocol mogelijkheden om steviger te handhaven. Voldoe je niet aan deze norm, dan wordt handhavend opgetreden.  En tegelijkertijd heeft een consortium van sectorpartijen zelf een Gids voor goede praktijken ontwikkeld voor het vervoer van melkvee en in februari van dit jaar aangeboden aan mijn voorganger. Deze gids wordt op dit moment beoordeeld door mijn departement en de NVWA. Ik verwacht dat ook deze Gids bijdraagt aan meer helderheid en handelingsperspectief bij alle betrokkenen die te maken hebben met het transport van melkvee.

Sinds 2021 gebruikt de NVWA Europese richtsnoeren voor het bepalen van de geschiktheid voor het vervoer van varkens en runderen. Ook zijn in 2023 de voorwaarden voor transport van varkens en runderen aangescherpt. Sindsdien laten de cijfers zien dat bij varkens de naleving verbeterd is; er kwamen minder meldingen uit het buitenland en ook werden minder varkens met ernstige afwijkingen op de slachthuizen aangevoerd. Tegelijkertijd worden bij de export van runderen en varkens door de NVWA vaker dieren geweigerd voor transport. Ik ga hier verderop in deze brief nader op in.  

  

Slachthuizen

De NVWA heeft de afgelopen jaren bij slachthuizen en verzamelcentra verscherpt toezicht (VeTo) toegepast. Bij de constatering van zware overtredingen en bij een niet-naleving door notoire overtreders worden direct passende maatregelen opgelegd, zoals bijvoorbeeld het schorsen van een erkenning. De ‘one strike out’- en de ‘three strikes out’ aanpak is hier onderdeel van10. Bedrijven moeten – voordat sprake kan zijn van het opheffen van de schorsing - eerst aantonen dat zij de gesignaleerde risico’s beheersen en een verbeterplan indienen, dat door de NVWA als voldoende beoordeeld moet worden. Na het intrekken van de erkenning moet een nieuwe aanvraag ingediend worden, met alle verplichte (erkenning-verlenende) audits tot gevolg. Ook in de vervoerssector worden notoire overtreders via verscherpt toezicht aangepakt. Binnen dit traject is een escalatiemodel ingericht, waarbij na vier overtredingen, een zwaardere maatregel wordt opgelegd. Zo is het onder meer mogelijk om een getuigschrift van vakbekwaamheid te schorsen of in te trekken en kunnen er preventieve lasten worden opgelegd om ander gedrag af te dwingen. Een ultieme maatregel is het intrekken van de vervoersvergunning. De ‘three strikes out’ aanpak heeft een beperkte toegevoegde waarde bij het transport van dieren. De Kamer is hier in de Kamerbrief van 30 juni 2025 over geïnformeerd11. 

Aanpassing ‘Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren’

In 2023 is bij Kamerbrief12 een aanpassing van het “Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren” aangekondigd met als doel om de doeltreffendheid van het instrument bestuurlijke boete Wet dieren te verhogen. Zoals eerder in deze brief aangegeven ben ik van mening dat bewuste overtredingen ten aanzien van dierenwelzijn niet acceptabel zijn en niet mogen lonen. Daarom bereid ik een aanpassing van dit Besluit voor. Ik denk bijvoorbeeld aan een verhoging van de boetes voor bedrijven, het beter toepasbaar maken van de omzetgerelateerde boete en een aanpassing van de recidivebepaling. Als de aanpassingen nader zijn uitgewerkt en een HUF-toets is uitgevoerd, zal ik het aangepaste Besluit ter internetconsultatie voorleggen en de Kamer hierover informeren. Dit zal na de zomer zijn.

In de petitie over strengere handhaving en maatregelen tegen het transport van zieke dieren van Varkens in Nood wordt gevraagd om het verhogen van de bestuurlijke boetes bij overtredingen waarbij niet transportwaardige dieren toch worden vervoerd. Varkens in Nood geeft daarbij aan dat dit nodig is om de boetes meer afschrikwekkend te maken en op die manier recidive te voorkomen.  

Door het aanpassen van het Besluit zullen de boetebedragen hoger worden. Het boete-instrument moet in het geheel van handhaving worden bezien. 

De petitie vraagt ook om het toezicht op diertransport uit te breiden naar verzamelcentra en primaire bedrijven en het bestaande ‘three Strikes Out’-beleid uit te breiden naar de transportsector. Op dit punt ben ik reeds in deze brief ingegaan. .

  

Verzamelcentra

Met de IG van de NVWA stel ik vast dat de naleving van dierenwelzijnsregels op een aantal verzamelcentra beter kan en beter moet. Naar aanleiding van de beelden van Ongehoord heeft de NVWA vijf verzamelcentra onder verscherpt toezicht geplaatst. Deze verzamelcentra hebben allemaal een verbeterplan moeten opstellen waarmee zij de NVWA overtuigen hoe zij dierenwelzijn zullen borgen. Een concreet onderdeel van deze plannen is de plaatsing van camera’s door deze bedrijven, zodat verzamelcentra zelf controleren of iedereen op het verzamelcentrum zich aan het verbeterplan houdt. Tweewekelijks worden de beelden door NVWA-inspecteurs bekeken en gecontroleerd op overtredingen. Als overtredingen worden vastgesteld wordt handhavend opgetreden. Na 3 maanden wordt het verscherpt toezicht op basis van de resultaten beëindigd of verlengd. 

  

De NVWA constateert dat bij exportcertificering van hoog-risicodieren (melkkoeien, biggen en zeugen bestemd voor de slacht) te veel dieren worden aangeboden die niet transportwaardig zijn. Die dieren mogen dan niet mee op het geplande transport. Als de NVWA te veel dieren moet uitselecteren en het bedrijf de voorselectie dus niet goed uitvoert, wordt sinds 2019 een tweede toezichthouder ingezet14. Vanaf 6 juli 2026 worden de kosten van deze tweede toezichthouder in rekening gebracht bij het betreffende bedrijf. Ondernemers kunnen deze extra kosten vermijden door zelf een betere voorselectie te doen.  

  

In 2025 zijn op verzamelcentra ten aanzien van 1159 runderen, 9754 varkens, 300 schapen en 272 geiten doodmeldingen gedaan. Een doodmelding betekent dat een dier op een verzamelcentrum gedood is, dood is aangevoerd of dood is gegaan. Het is niet verboden dieren te doden op een verzamelcentrum, maar dit moet uiteraard tot een minimum beperkt blijven.  De NVWA doet in 2026 onderzoek naar de achtergrond van deze cijfers, zoals de betrokken vervoerders en de herkomst van (een deel) van deze dieren. Na afronding van dit onderzoek zal ik de Kamer in de eerste helft van 2027 over de resultaten informeren.   

Hoogachtend,

Silvio P.A. Erkens

Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur


  1. Kamerstuk 36 800 XIV, nr. 80 ↩︎