Voornemens ten aanzien van het privaatrecht in de komende kabinetsperiode en enkele wetgevingstrajecten in het bijzonder
Brief regering
Nummer: 2026D18075, datum: 2026-04-16, bijgewerkt: 2026-04-16 11:45, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: K.T. van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
Onderdeel van zaak 2026Z08029:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
- 2026-05-20 14:30: Procedurevergadering Justitie en Veiligheid (Procedurevergadering), vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
Preview document (🔗 origineel)
Aanleiding
Voor 22 april a.s. heeft de Vaste Commissie van Justitie en Veiligheid van uw Kamer een commissiedebat met mij ingepland over Civielrechtelijke onderwerpen. Van deze gelegenheid maak ik graag gebruik om, als eerstverantwoordelijke bewindspersoon voor het privaatrecht, uw Kamer op hoofdlijnen mee te nemen in mijn voornemens op dit rechtsgebied in de komende kabinetsperiode. Daarbij ga ik met name in op de onderdelen van het coalitieakkoord waaraan (mede) via het privaatrecht invulling kan worden gegeven. In het navolgende ga ik eerst kort in op de rol en positie van het privaatrecht binnen onze rechtsorde, gevolgd door een bespreking van enkele dossiers waarop ik de komende periode met name wil inzetten, langs drie hoofdlijnen: 1) het verbeteren van de toegang tot het recht, 2) het beschermen van partijen in een kwetsbare positie en 3) het moderniseren en vereenvoudigen van wet- en regelgeving. Ik zie ernaar uit om met uw Kamer het gesprek en de samenwerking aan te gaan over de in deze brief genoemde en andere onderwerpen op het terrein van het privaatrecht.
Voor wat betreft het insolventierecht merk ik specifiek nog op dat ik voornemens ben om voor het einde van dit jaar uw Kamer een brief te sturen over de stand van zaken van verschillende dossiers op dat terrein voor de komende periode, ook ter opvolging van eerdere brieven hierover aan uw Kamer.1 Voorafgaand aan het genoemde commissiedebat over Civielrechtelijke onderwerpen, gaat uw Kamer op 16 april a.s. met mij in debat over het personen- en familierecht. De hierboven genoemde drie hoofdlijnen zijn evenzeer van toepassing binnen dat civielrechtelijke rechtsgebied. Gelet evenwel op de agendering van dat afzonderlijke commissiedebat, blijven dossiers op het terrein van het personen- en familierecht in het navolgende buiten beschouwing.
De rol en positie van het privaatrecht
Het privaatrecht raakt alle burgers en bedrijven in onze samenleving en is alleen al om die reden maatschappelijk zeer relevant. Vanaf onze geboorte krijgen we te maken met het naamrecht, het afstammingsrecht en vraagstukken op het terrein van ouderlijk gezag. Tijdens ons leven sluiten we overeenkomsten, verkrijgen we eigendomsrechten en gaan we huwelijken en geregistreerd partnerschappen met elkaar aan. We kunnen te maken krijgen met echtscheidingen, conflicten en schulden. In onder meer het Burgerlijk Wetboek (BW) en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) vinden we regels over dit alles. Ook na ons leven vervult het privaatrecht een belangrijke functie, doordat het erfrecht regels stelt over onze nalatenschap. Het privaatrecht vergemakkelijkt de deelname aan het rechtsverkeer in allerlei vormen. Dit kan bijvoorbeeld door een rechtspersoon op te richten, zoals een stichting, vereniging of besloten vennootschap. Het BW geeft de regels over de oprichting en inrichting van zulke rechtspersonen en over fusies, splitsingen en overnames. Ook zijn er regels voor samenwerkingsverbanden tussen ondernemingen, zoals de vof en de maatschap. De Faillissementswet regelt wat er gebeurt als een natuurlijke persoon of rechtspersoon in financiële problemen komt.
Het privaatrecht vervult daarmee – voor velen vaak onbewust – een centrale rol in hoe wij samenleven, werken, investeren en onze economie laten groeien. Het stelt grenzen waar dat nodig is en beschermt personen in kwetsbare of economisch ongelijkwaardige posities, zoals minderjarigen, werknemers of slachtoffers van een onrechtmatige daad. Het biedt zekerheid, bijvoorbeeld door regels te stellen over de bescherming van ons eigendomsrecht. Tegelijkertijd is het privaatrecht in staat om mee te ademen met ontwikkelingen in de samenleving. Waar mogelijk, geeft het privaatrecht techniek neutrale en open normen, waardoor het flexibel en veerkrachtig blijft.
Hoewel het privaatrecht over het algemeen goed functioneert, moeten we het blijven onderhouden, zodat het toegesneden blijft op een moderne maatschappij. Veranderende samenlevingsvormen of maatschappelijke opvattingen, nieuwe technieken die zich begeven buiten bestaande wettelijke kaders, de wens om de concurrentiepositie van Nederland en de Europese Unie in de wereld te versterken en de behoefte aan eenvoudiger en meer efficiënte regels voor onder andere de afwikkeling van geschillen, vragen om blijvende aandacht van de wetgever. In de komende kabinetsperiode ga ik dan ook, met het oog op de afspraken vanuit het coalitieakkoord, graag de samenwerking aan met uw Kamer om ons privaatrecht bij de tijd te houden.
De privaatrechtelijke (wetgevings-)agenda
Het voert te ver om in deze brief de veel omvattende privaatrechtelijke (wetgevings-)agenda uitputtend te bespreken. Een deel van die kalender wordt bovendien uitgevoerd via wetgeving van andere bewindspersonen uit het kabinet, die beleidsmatig eerstverantwoordelijk zijn voor enkele deelgebieden, zoals het huurrecht en het arbeidsrecht, ook al zijn deze geregeld in het BW. Als eerstverantwoordelijke voor het privaatrecht zet ik mij op zulke deelterreinen wel in voor het bewaken van de kwaliteit, samenhang en aansluiting op de gelaagde structuur van het BW. Daarnaast strekt een belangrijk deel van de privaatrechtelijke wetgevingskalender ter uitvoering van regelgeving van de Europese Unie (EU), met name van richtlijnen en verordeningen. In de komende periode werk ik daarom verder aan de zorgvuldige en tijdige inpassing van die regels binnen onze nationale rechtsorde.
Hieronder benoem ik enkele thema’s en trajecten binnen het privaatrecht waarop ik de komende periode in het bijzonder wil inzetten, zoals afgesproken in het coalitieakkoord. Dit doe ik aan de hand van drie hoofdlijnen: 1) het verbeteren van de toegang tot het recht voor burgers en bedrijven, 2) het beschermen van partijen met een kwetsbare positie in de samenleving en 3) het moderniseren en vereenvoudigen van wet- en regelgeving.2 Deze hoofdlijnen vormen – gelet op de kernwaarden die zij vertegenwoordigen –een constante waarlangs ook voor de toekomst het privaatrecht zich verder dient te ontwikkelen.
Ad 1. Verbeteren van de toegang tot het recht voor burgers en
bedrijven
Rechtzoekenden ervaren procederen bij de civiele rechter nu vaak
als ingewikkeld. Dit blijkt ook uit de laatste
Geschilbeslechtingsdelta.3 Daarom wil ik inzetten op
vereenvoudiging van het procesrecht, waarbij ik streef naar één
eenvoudige basisprocedure. Zo wil ik inzetten op het opheffen van het
bestaande onderscheid twee soorten civiele procedures – de
dagvaardingsprocedure en verzoekschriftprocedure – met elk hun eigen
regels en bepaalde formaliteiten. Dit sluit ook aan bij de voorgenomen
vereenvoudiging van regels in het coalitieakkoord. Ik heb het WODC
gevraagd te onderzoeken welke inspiratie wij hiervoor uit het buitenland
kunnen halen. Daarnaast treden we hierover in overleg met ketenpartners,
zoals de Rechtspraak, advocatuur, gerechtsdeurwaarders en
vertegenwoordigers van burgers.
Waar mogelijk, wordt het digitaal procederen in civielrechtelijke procedures verder mogelijk gemaakt. De E-justice verordening geeft hieraan een impuls voor Europese procedures zoals het Europees betalingsbevel. Daarnaast biedt de Rechtspraak voor steeds meer procedures burgers en bedrijven ook digitaal toegang. Dit juich ik toe. Voor professionals kan elektronisch procederen verplicht worden gesteld als blijkt dat elektronisch procederen op vrijwillige basis goed werkt. Ik werk verder aan een wettelijke regeling voor het gebruik van videoconferentie in civiele procedures. In EU-verband is onlangs een vernieuwd kader voor buitengerechtelijke geschillenbeslechting voor consumenten tot stand gekomen (de herziene ADR-richtlijn). Op dit moment wordt de implementatie daarvan voorbereid.
Ad 2. Het beschermen van partijen met een kwetsbare positie in de
samenleving
Onlangs heeft de Afdeling Advisering van de Raad van State advies
uitgebracht op het wetsvoorstel Wet overgang van onderneming in
faillissement (WOVOF). Bij een bedrijfsovername buiten faillissement is
de koper verplicht om alle werknemers mee over te nemen tegen dezelfde
arbeidsvoorwaarden. Bij een bedrijfsovername vanuit faillissement (een
doorstart), kan de koper er nu nog voor kiezen met (bepaalde) werknemers
een nieuwe arbeidsovereenkomst aan te gaan, zonder de eerdere
arbeidsvoorwaarden te hoeven hanteren. De WOVOF heeft als doel deze
verschillen in bescherming van werknemers binnen en buiten faillissement
te verkleinen. Dit sluit aan op het in het coalitieakkoord opgenomen
uitgangspunt van het bestrijden van discriminatie op de werkvloer bij
werving en selectie van werknemers. Momenteel bestudeert het kabinet het
advies van de Raad van State.
We werken aan de bescherming van personen die het doelwit zijn van strategische rechtszaken tegen publieke participatie (SLAPPS). Het gaat hierbij vaak om journalisten en mensenrechtenverdedigers die zich uitspreken over zaken van algemeen belang, en via zulke SLAPPS monddood gemaakt kunnen worden. Ons BW en Rv voorzien al in vrijwel alle maatregelen die de richtlijn vereist. Het wetsvoorstel ter implementatie van de mogelijkheid tot zekerheidstelling door de eiser – waartoe een EU-richtlijn verplicht – is momenteel aanhangig in uw Kamer en gereed voor plenaire behandeling. Met het oog op de snelle invoering hiervan, zie ik uit naar een spoedig debat met uw Kamer over dat wetsvoorstel.
Ad 3. Modernisering en vereenvoudiging van wet- en
regelgeving
Een van de speerpunten van dit kabinet is het aanpakken van de
regeldruk, onder meer door het schrappen en vereenvoudigen van regels.
Met het privaatrecht zetten we hierin al de nodige algemene, maar ook
concrete stappen. Zo zetten wij een onderzoek in gang naar de vraag of
ons BW, en het goederenrecht in het bijzonder, voldoende
toekomstbestendig is voor vraagstukken rondom overdracht en eigendom van
digitale activa, zoals tokens of cryptomunten.
Meer concreet heeft onlangs de Eerste Kamer het wetsvoorstel tot invoering van het elektronisch cognossement aangenomen.4 We zetten nu in op de spoedige inwerkingtreding daarvan, zodat waardepapieren bij goederenvervoer over zee (cognossementen) in de nabije toekomst ook in een elektronische variant mogelijk zijn.
Daarnaast is in de Eerste Kamer aanhangig de Wet digitale algemene vergadering privaatrechtelijke rechtspersonen, waarmee voor rechtspersonen – zoals BV’s en NV’s – mogelijk wordt gemaakt om onder voorwaarden algemene vergaderingen volledig langs digitale weg te houden.5 Daarnaast werk ik aan technische vereenvoudiging van het NV-recht, zodat onnodige beperkingen en formaliteiten voor deze rechtsvorm worden weggenomen. Ook wordt gekeken hoe we het vennootschapsrecht verder kunnen flexibiliseren, waardoor bijvoorbeeld ook meer armslag wordt geboden aan partijen die een onderneming in de vorm van een rentmeestervennootschap willen voeren.
Met het wetsvoorstel Wet collectief rechtenbeheer en toezicht, waarvan de internetconsultatie onlangs is afgesloten, wil het kabinet het wettelijk kader voor collectieve beheersorganisaties, die belast zijn met de inning en verdeling van vergoedingen voor het gebruik van auteursrechtelijke werken, en het toezicht daarop door het College van Toezicht Auteursrechten (CvTA) opnieuw vormgeven. Uitgangspunt daarbij is een hernieuwde en getrouwe omzetting van EU-recht over (het toezicht op) collectief beheer en het terugdringen van nationale koppen.
In het coalitieakkoord is aangekondigd dat het kabinet inzet op jaarlijkse vereenvoudigingswetgeving. Hierin worden ook voorstellen betrokken op het terrein van het privaatrecht om bij te dragen aan de verlaging van regeldruk. Het kabinet zet daarbij onder meer in op deformalisering van het pandrecht, door de mogelijkheid van digitale registratie van stille pandrechten. Daardoor wordt het eenvoudiger en goedkoper voor bedrijven om pandrechten te vestigen – en daarmee goedkoper om krediet aan te trekken voor investeringen.
Ook in EU-verband staan de ontwikkelingen om te komen tot vereenvoudiging van bepaalde processen niet stil. Onlangs is in Brussel een EU-richtlijn ter harmonisering van de belangrijkste aspecten van het insolventierecht tot stand gekomen. Met deze richtlijn wordt het ondernemingsklimaat in de EU aantrekkelijker door de complexiteit van de verschillende nationale insolventieregels te verminderen. Momenteel wordt het wetsvoorstel voorbereid waarmee we die richtlijn implementeren.
Afsluiting
Met deze brief heb ik uw Kamer op hoofdlijnen willen meenemen in mijn inzet op het privaatrecht gedurende mijn ambtstermijn. Tijdens het commissiedebat spreek ik hierover graag verder met uw Kamer. Ten behoeve van dat debat heeft de Vaste Commissie voor Justitie en Veiligheid meerdere brieven en andere stukken op uiteenlopende onderdelen van het privaatrecht geagendeerd. Vanzelfsprekend ga ik ook daarover graag met uw Kamer in gesprek.
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
Claudia van Bruggen
Kamerstukken II 2023/24, 33 695, nr. 22 en Kamerstukken II 2024/25, 36 600 VI, nr. 9.↩︎
Kamerstukken II 2024/25, 36 600 VI, nr. 9.↩︎
https://www.wodc.nl/documenten/2026/03/17/geschilbeslechtingsdelta-burgers-2024.↩︎
Kamerstukken 36.743.↩︎
Kamerstukken 36.489.↩︎