36864 Nota van wijziging inzake Wijziging van de Omgevingswet, de Wet milieubeheer en de Wet belastingen op milieugrondslag in verband met de implementatie van de herziening van de Richtlijn industriële emissies en de uitvoering van de PIE-verordening
Nota van wijziging
Nummer: 2026D18337, datum: 2026-04-16, bijgewerkt: 2026-04-16 17:12, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: A.W.H. Bertram, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat
Onderdeel van zaak 2026Z08173:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat
- 2026-04-22 10:15: Procedurevergadering Infrastructuur en Waterstaat (Procedurevergadering), vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat
Preview document (🔗 origineel)
Wijziging van de Omgevingswet, de Wet milieubeheer en de Wet belastingen op milieugrondslag in verband met de implementatie van de herziening van de Richtlijn industriële emissies en de uitvoering van de PIE-verordening
Nota van wijziging
Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:
Artikel I wordt als volgt gewijzigd:
A
Onderdeel B vervalt.
B
Onderdeel H wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdelen 1 en 6 wordt “bijlage Ibis” vervangen door “bijlage I
bis”.
2. Onderdelen 3 en 4 vervallen.
3. Onderdelen 5 en 6 worden vernummerd tot 3 en 4.
Toelichting
De procedure van totstandkoming van de algemene maatregel van bestuur die de herziene Richtlijn industriële emissies en de PIE-verordening omzet is anders dan in de memorie van toelichting is aangegeven. Hiervoor wordt verwezen naar de nota naar aanleiding van het verslag.
Onderdeel A
Bij nadere bestudering van het voorstel is geconcludeerd dat de
toevoeging van “eenvormige voorwaarden voor uitvoeringsregels”
aan onderdeel c, van het tweede lid, van artikel 4.22, Omgevingswet
enkele onbedoelde, negatieve gevolgen heeft. Artikel 4.22, tweede lid,
regelt immers de strekking van de algemene regels over alle
milieubelastende activiteiten, terwijl het begrip ‘eenvormige
voorwaarden voor uitvoeringsregels’ slechts betekenis heeft voor
rie-veehouderij-installaties. Daarmee is deze wijziging voor een
specifiek voor die activiteit te regelen aspect onbedoeld gaan gelden
voor alle milieubelastende activiteiten. De toevoeging wordt daarom
geschrapt. De toevoeging is ook onnodig omdat het in artikel 4.22 om BBT
in algemene zin gaat (die terugkomen in art. 2.11 Bal), waarvan de
eenvormige voorwaarden een specifieke variant zijn voor een specifiek
type activiteiten. De verwijzing naar de uitvoeringsregels blijft wel
staan in artikel 5.38, tweede lid, van de Ow. Deze verwijzing is nodig,
omdat veehouderijen niet langer onder hoofdstuk 2 van de RIE vallen.
Artikel 13 van die richtlijn geeft aan dat de beste beschikbare
technieken voor ippc-installaties volgen uit BBT-conclusies en
BBT-referentiedocumenten. Artikel 70 decies RIE geeft aan dat de beste
beschikbare technieken voor veehouderijen volgen uit de eenvormige
voorwaarden voor uitvoeringsregels.
Onderdeel B (1)
In dit onderdeel wordt een spatie toegevoegd.
Onderdeel B (2)
Vanwege het laten vervallen van onderdeel B (in onderdeel A) wordt
ook de begripsbepaling eenvormige voorwaarden voor
uitvoeringsregels geschrapt. In het oorspronkelijke wetsvoorstel
wordt voorgesteld om de definitie van ippc-installatie te wijzigen. Er
wordt voorgesteld om «voor zover daarin» te vervangen door «waar». Omdat
«voor zover daarin» een te beperkte omschrijving van het begrip
suggereert. Deze wijziging wordt met dit wetsvoorstel ongedaan gemaakt
omdat het niet noodzakelijk is voor de implementatie die nu onder handen
is.
DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT,
Annet Bertram