Inbreng verslag van een schriftelijk overleg inzake WODC-rapport 'Schatting van het aantal onrechtmatig verblijvende vreemdelingen medio 2018-2019 tot medio 2022- 2023’ (Kamerstuk 19637-3526)
Inbreng verslag schriftelijk overleg
Nummer: 2026D18493, datum: 2026-04-17, bijgewerkt: 2026-04-17 12:44, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: P.C. (Peter) de Groot, voorzitter van de vaste commissie voor Asiel en Migratie (VVD)
- Mede ondertekenaar: L.L. Nouse, griffier
Onderdeel van zaak 2026Z06651:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Asiel en Migratie
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-04-09 13:00 ⇒ Agenderen voor een schriftelijk overleg op donderdag 16 april 2026 om 12.00 uur. (Besluit)
- 2026-04-02 12:50 ⇒ Rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2026-04-02 12:50: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-04-09 13:00: Procedurevergadering Asiel en Migratie (Procedurevergadering), vaste commissie voor Asiel en Migratie
- 2026-04-16 12:00: WODC-rapport 'Schatting van het aantal onrechtmatig verblijvende vreemdelingen medio 2018-2019 tot medio 2022-2023' (Inbreng schriftelijk overleg), vaste commissie voor Asiel en Migratie
Preview document (🔗 origineel)
19637-3526 WODC-rapport 'Schatting van het aantal onrechtmatig verblijvende vreemdelingen medio 2018-2019 tot medio 2022-2023'
Verslag van een schriftelijk overleg
De vaste commissie voor Asiel en Migratie heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd over de brief ‘WODC-rapport 'Schatting van het aantal onrechtmatig verblijvende vreemdelingen medio 2018-2019 tot medio 2022- 2023’’ (Kamerstuk 19637, nr. 3526).
De vragen en opmerkingen zijn aan de minister voorgelegd. Bij brief van … zijn de vragen en gemaakte opmerkingen beantwoord.
De voorzitter van de commissie,
Peter de Groot
De griffier van de commissie,
Nouse
Inhoudsopgave
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
2
1. Vragen en opmerkingen vanuit de D66-fractie 2
2. Vragen en opmerkingen vanuit de VVD-fractie 2
3. Vragen en opmerkingen vanuit de GroenLinks-PvdA-fractie 3
4. Vragen en opmerkingen vanuit de CDA-fractie 4
5. Vragen en opmerkingen vanuit de JA21-fractie 5
6. Vragen en opmerkingen vanuit de BBB-fractie 7
7. Vragen en opmerkingen vanuit de ChristenUnie-fractie 8
II. Reactie van de minister 9
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
1. Vragen en opmerkingen vanuit de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het rapport van het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Datacentrum (WODC), getiteld ‘Schattingen onrechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen medio 2018-2019 tot medio 2022- 2023’ (hierna: het rapport) en zien uit naar de beleidsreactie van de regering. Deze leden constateren dat het aantal onrechtmatig verblijvende vreemdelingen in Nederland in de periode medio 2022 tot medio 2023 relatief stabiel is gebleven en vergelijkbaar is met de schatting voor 2017-2018. Zij vragen welke informatie verder beschikbaar is over de samenstelling van de groep langdurig verblijvende ongedocumenteerden in Nederland en vragen de minister in te gaan op het aantal kinderen binnen deze groep en het aantal personen die in Nederland zijn geboren en inmiddels zijn opgegroeid. Acht de minister een schatting hiervan mogelijk?
2. Vragen en opmerkingen vanuit de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het rapport. Deze leden constateren dat de geschatte populatie de afgelopen jaren tussen de 20.000 tot 35.000 personen bedroeg en dat deze groep voor een belangrijk deel bestaat uit afgewezen asielzoekers en arbeidsmigranten zonder verblijfsrecht.
De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat de meest efficiënte manier om het aantal onrechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen terug te dringen een zo effectief en streng mogelijk terugkeerbeleid is. Hoe wordt in het kader hiervan de inzet op gedwongen terugkeer verder geïntensiveerd, met name richting landen van herkomst die beperkt meewerken? Welke aanvullende instrumenten, zoals visummaatregelen of conditionaliteit in ontwikkelingssamenwerking, worden hierbij overwogen? In hoeverre kan de doorlooptijd tussen afwijzing en daadwerkelijk vertrek verder worden verkort, om zo het aantal daadwerkelijk vertrekkende vreemdelingen te vergroten?
De leden van de VVD-fractie constateren dat het aantal aantoonbare vertrekken is toegenomen tot circa 67% in 2023, maar zien tegelijkertijd dat een substantieel deel van de vreemdelingen nog steeds zonder toezicht vertrekt of uit beeld raakt. Dit onderstreept volgens deze leden dat er vaker gebruik dient te worden gemaakt van gedwongen vertrek of zelfstandig vertrek onder toezicht. Hoe kijkt de minister hiernaar?
De leden van de VVD-fractie constateren daarnaast dat een deel van de onrechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen voormalig arbeidsmigranten zonder verblijfsrecht zijn. Welke stappen kunnen er worden gezet om ervoor te zorgen dat deze groep terugkeert naar hun herkomstland? Welke afspraken is de minister bereid hierover te maken met herkomstlanden, bijvoorbeeld omtrent verslavingshulp?
De leden van de VVD-fractie benadrukken dat terugkeer het sluitstuk moet zijn van strenger asielbeleid. Alleen wanneer duidelijk is dat verblijf zonder recht consequent leidt tot vertrek, kan het draagvlak voor bescherming van echte vluchtelingen worden behouden.
3. Vragen en opmerkingen vanuit de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van rapport en hebben hier nog enkele opmerkingen en vragen over.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien dat het WODC uitgaat van 17.000 en 23.000 personen tussen 2022-2023. Gemeenten zoals Amsterdam, Den Haag en Utrecht komen echter op cijfers die aanzienlijk hoger liggen dan de schattingen van het WODC voor deze gemeenten. Waar de schattingen van gemeenten zijn gebaseerd op tellingen van scholen, zorgverleners en niet-gouvernementele organisaties (ngo’s), rekent het WODC-model met politie-aanhoudingen. Hoe verklaart de minister dit verschil? Welk van de cijfers acht de minister het meest accuraat, aangezien bekend is dat mensen zonder verblijfsvergunning de politie actief mijden? Is de minister met deze leden van mening dat een schatting met behulp van een wijdere sociale inbedding accurater is? Is de minister bereid om samen met maatschappelijke organisaties om tafel te gaan om de cijfers en methodes te vergelijken om tot een accuratere telling te komen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat in het kader van dakloosheid veel wordt gewerkt met de ETHOS-methode. Hierbij wordt ook gekeken naar verborgen daklozen en wordt een accurater beeld verkregen. Deze leden zijn van mening dat er veel te leren is van deze methode. Wat kan volgens de minister geleerd worden als het gaat om ongedocumenteerden van de ETHOS-methode? Er is een toename van dakloosheid in Nederland. Hoe verhoudt dit zich tot ongedocumenteerden en onrechtmatig verblijvende mensen in Nederland? Wat is het aandeel ongedocumenteerden in dakloosheid? Bij de ETHOS-telling kwam naar voren dat er veel verborgen dakloosheid is onder vrouwen. Is deze mogelijkheid er ook wat betreft het aandeel vrouwen zonder verblijfsvergunning en vrouwen die onrechtmatig in Nederland verblijven? Het WODC-rapport telt een aandeel vrouwen tussen de 12 en 22 procent. Is de kans niet groot dat dit aandeel veel hoger ligt, maar er sprake is van ‘verborgen vrouwen’? Hoe is de minister van plan om dit verder te onderzoeken?
Voorts lezen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dat de onderzoekers van het rapport erkennen dat het ingewikkeld is om accurate aantallen van Braziliaanse en Filipijnse huishoudhulp in beeld te krijgen. Op welke manier probeert de minister deze mensen verder in beeld te krijgen en uitbuiting van deze groep tegen te gaan?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het aantal arbeidsmigranten tussen 2006 en 2021 flink toenam. In de samenvatting van het onderzoek wordt gesteld dat zij met name tekorten in de zorg, bouw, distributie en techniek opvullen. Deze leden vinden het interessant dat de landbouwsector of voedingsindustrie hier niet wordt genoemd, aangezien volgens de Algemene Bond Uitzendondernemingen (ABU) van 2020 tot 2021 38 procent van de uitgezonden arbeidsmigranten in de tuinbouw, voedingsindustrie en landbouw werkte. Wordt in het onderzoek een andere conclusie getrokken? Ook wordt de zorg als eerste sector genoemd waar arbeidsmigranten tekorten opvullen. Beschikt de minister over het percentage arbeidsmigranten dat in de onderzochte periode en momenteel in de zorg werkt? In welke hoedanigheid werken zij in de zorg (thuiszorg of verpleging)?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het rapport concludeert dat de populatie onrechtmatig verblijvende vreemdelingen met name bestaat uit arbeidsmigranten uit nieuwe wervingslanden. Welke conclusies trekt de minister hieruit? Is de minister bereid om strengere eisen op te leggen aan arbeidsmigranten uit derde landen? Is de minister bereid om Registratie van Niet-Ingezetenen (RNI) restrictiever toe te passen zoals mensen alleen via uitzendcontracten te laten werken als zij in het Basisregistratie Personen (BRP) staan ingeschreven? Is de minister bereid aan zzp’ers een BRP-inschrijvingseis op te leggen? Hoe kan je ondernemer zijn in Nederland zonder normaal ingeschreven te staan? Welke verantwoordelijkheid neemt de minister voor arbeidsmigranten zonder verblijfsrecht in Nederland ten opzichte van gemeenten, aangezien zij mede door de flexibele arbeidsmarkt, waar het kabinet debet aan is, hier zijn?
Restrictief beleid kan hebben bijgedragen aan een afname van onrechtmatig verblijf in Nederland, zo lezen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie. Zij vragen echter of de beperking tot basisvoorzieningen kan bijdragen aan het ontstaan van een ‘verborgen populatie’ die juist moeilijker in beeld is. Erkent de minister dat dit een consequentie van beperkte toegang tot basisvoorzieningen kan zijn? Hoe beoordeelt de minister de beëindiging van de Rijksfinanciering voor de Landelijke Vreemdelingenvoorzieningen (LVV) sinds januari 2025 in dit kader? Is hij bereid te onderzoeken of deze voorziening kan worden hervat, gelet op de verzoeken van gemeenten? Hoe geeft de minister invulling aan de juridische verantwoordelijkheid van het Rijk die volgt uit EU-recht zoals het Europees Comité voor Sociale Rechten? Hoe wordt door de minister voorkomen dat het uitsluiten van voorzieningen leidt tot vergroting van kwetsbaarheid en uitbuiting?
Gemeenten zijn uiteindelijk degenen die worden geconfronteerd met mensen die geen verblijfsvergunning hebben en de consequenties daarvan, zo stellen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie. Op welke manier ondersteunt de minister deze gemeenten? Welke lessen trekt de minister uit samenwerkingsinitiatieven (zoals de LVV) die juist wél proberen stabiliteit en duurzaam perspectief te bieden? Vindt de minister het wenselijk dat mensen zonder verblijfsrecht in de praktijk aangewezen zijn op informele netwerken of irreguliere arbeid, mede gezien de bevinding dat er zo een “reservoir van irreguliere arbeid” bestaat? Is er zicht op de hoeveelheid kinderen die in Nederland zijn zonder verblijfsrecht? Acht de minister de kans groot dat er veel verborgen kinderen van deze categorie zijn? Waarom wel of niet? Hoe is de minister van plan dit verder te onderzoeken? Vindt de minister het rechtvaardig dat voor hen voorzieningen worden beperkt? Hoe wordt voorkomen dat mensen langdurig in een rechteloze situatie verkeren? Kan de minister reflecteren op de spanning tussen het ontmoedigingsbeleid en fundamentele rechten?
4. Vragen en opmerkingen vanuit de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het rapport. Allereerst vragen deze leden wanneer de minister de kabinetsreactie publiceert. Ook vragen deze leden wat de verwachting is van het effect van de nieuwe strafbaarstelling van illegaliteit op het aantal onrechtmatig verblijvende vreemdelingen, die binnenkort in werking zal treden. Zullen de aantallen daardoor naar verwachting afnemen?
De leden van de CDA-fractie vragen aan de regering welk deel van de groep onrechtmatig verblijvende vreemdelingen daadwerkelijk uitgezet kan worden, nu het terugkeerbeleid vaak afhankelijk is van meewerkende landen van herkomst. Is de verwachting dat het Europese Asiel- en migratiepact ertoe gaat leiden dat onrechtmatig verblijvende vreemdelingen op grote schaal teruggestuurd kunnen worden naar het land van herkomst? Waar liggen op dit moment de belangrijkste knelpunten?
De leden van de CDA-fractie vragen in hoeverre zicht is op de kwetsbare groep onrechtmatig verblijvende vreemdelingen. Is er voldoende zicht op welke herkomstlanden het betreft? Ook vragen deze leden hoe op dit moment gehandhaafd wordt op illegale arbeid en huisvesting. Is daar voldoende capaciteit voor beschikbaar?
De leden van de CDA-fractie willen benadrukken dat een geloofwaardig en rechtvaardig migratiebeleid afhankelijk is van duidelijkheid en handhaving. Daarom vragen deze leden hoe de regering ervoor gaat zorgen dat illegaal verblijf in Nederland niet kan voortduren zonder consequenties.
5. Vragen en opmerkingen vanuit de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van het rapport en constateren dat het aantal onrechtmatig verblijvende vreemdelingen al jaren rond grofweg 20.000 ligt, zonder significante daling in de tijd. Deze leden vragen de minister of hij het met hen eens is dat hieruit volgt dat het huidige beleid faalt om deze structurele illegaliteitspopulatie daadwerkelijk terug te dringen, en welk extra instrumentarium hij bereid is in te zetten. Daarbij vragen zij tevens hoe groot de kans is dat het daadwerkelijke aantal onrechtmatig verblijvende vreemdelingen in werkelijkheid nog aanzienlijk hoger ligt dan de schattingen suggereren.
De leden van de JA21-fractie constateren dat uit het rapport blijkt dat de populatie onrechtmatig verblijvenden vooral bestaat uit arbeidsmigranten uit nieuwe wervingslanden buiten de EU en afgewezen asielzoekers. Zij vragen of de minister vindt dat juist deze twee categorieën, die na afwijzing of verlies van rechtmatig verblijf per definitie geen recht meer hebben hier te zijn, systematisch in bewaring zouden moeten worden geplaatst tot aan vertrek, en zo nee, waarom hij dan feitelijk kiest voor gedoogbeleid. Tevens willen zij weten in hoeveel gevallen sprake is van staatloosheid en welke landen op dit moment nog niet of onvoldoende meewerken aan het terugnemen van eigen staatsburgers, alsmede op welke manieren dat gebrek aan medewerking zich concreet uit.
De leden van de JA21-fractie constateren dat uit recente Eurostat-cijfers over Q4 2025 blijkt dat het aantal terugkeeroperaties naar derde landen EU-breed met 13% is gestegen, terwijl landen als Frankrijk, Spanje en Duitsland vele malen meer derdelanders daadwerkelijk terugsturen dan Nederland. Deze leden vragen of de minister met hen van mening is dat Nederland tot de slechtst presterende lidstaten op het terrein van terugkeer behoort en waarom ons land, met een relatief klein oppervlak en hoge welvaart, kennelijk niet in staat of niet bereid is om illegaal verblijf net zo consequent aan te pakken als deze lidstaten. In dat licht vragen zij de minister om voor 2024 en 2025 exact aan te geven: het aantal derdelanders waaraan Nederland een bevel tot terugkeer heeft gegeven, het aantal daadwerkelijk gerealiseerde returns en het resulterende terugkeerpercentage, en of hij het ermee eens is dat deze cijfers, indien de gegevens van Eurostat kloppen, beschamend laag zijn en haaks staan op het door de minister geschetste beeld van een ‘streng’ migratie- en terugkeerbeleid.
De leden van de JA21-fractie nemen verder uit het rapport mee dat er een stabiele, relatief gesloten groep niet-effectief uitgezette vreemdelingen bestaat, die ondanks vertrekplicht in Nederland blijft. Deze leden vragen of de minister het met hen eens is dat het onacceptabel is dat deze groep jaar in jaar uit onder de radar kan blijven en of hij bereid is structureel vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen in te voeren totdat vertrek daadwerkelijk is gerealiseerd. Daarbij vragen zij de minister ook, nu uit de Eurostat-cijfers blijkt dat sommige lidstaten zoals Duitsland, Frankrijk en Zweden veel hogere aantallen en percentages terugkeer naar derde landen realiseren dan Nederland, welke wettelijke en beleidsmatige keuzes deze landen maken die Nederland niet maakt, en waarom hij er tot nu toe voor kiest deze succesvolle elementen niet over te nemen, ondanks de hardnekkige illegaliteitspopulatie die het WODC beschrijft.
De leden van de JA21-fractie constateren bovendien dat uit de rapportage blijkt dat de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM) en de politie in het algemeen hun prioriteit steeds meer richten op strafrecht en overlast, terwijl de handhaving van de Vreemdelingenwet onder druk staat. Deze leden vragen of de minister het niet óók moeilijk uitlegbaar vindt aan de samenleving dat illegaal verblijf op zichzelf nauwelijks nog actief wordt opgespoord, en of hij bereid is bindende doelen op te leggen voor het vreemdelingentoezicht (aantal controles, staandehoudingen en uitzettingen), met consequenties indien die doelen niet worden gehaald. Tevens merken zij op dat de onderzoekers benoemen dat detentieperioden nu niet goed in de schattingen kunnen worden verwerkt door ontbrekende ketenbrede detentiedata. Zij vragen waarom er anno 2026 nog altijd geen sluitend beeld bestaat van wie wanneer in bewaring zit en of de minister bereid is een centraal, ketenbreed systeem te realiseren dat expliciet is gericht op het maximaal benutten van bewaring en herhaalde bewaring voor terugkeer.
Verder constateren de leden van de JA21-fractie dat het rapport schetst dat afgewezen asielzoekers een substantieel deel van de onrechtmatig verblijvende populatie vormen, met name uit landen met lage inwilligingspercentages zoals Albanië, Algerije en Marokko. Deze leden vragen of de minister het aanvaardbaar vindt dat deze groepen na afwijzing massaal in Nederland blijven hangen, en of hij bereid is om – in plaats van voorzieningen – standaard detentie, een harde beperking van sociale rechten en een streng visumbeleid voor niet-meewerkende landen te hanteren totdat terugkeer feitelijk is afgedwongen. Ook vragen zij hoe de minister aankijkt tegen het invoeren van een standaard meldplicht, een vrijheidsbeperkende maatregel of plaatsing in een verscherpt toezichtlocatie (VTL of vergelijkbaar) voor asielzoekers uit herkomstlanden met structureel zeer lage inwilligingspercentages en een hoog risico dat zij zich aan toezicht onttrekken, zodat deze groep vanaf het eerste moment onder strak toezicht blijft en niet kan uitstromen in de illegaliteit. Welke wettelijke en uitvoeringsstappen is de minister bereid te zetten om dit vóór afloop van deze kabinetsperiode te realiseren?
Ten slotte constateren de leden van de JA21-fractie, op basis van Eurostat, dat EU-breed zowel het aantal terugkeerbesluiten als het aantal feitelijke returns stijgt, terwijl Nederland in absolute aantallen en in percentage achterblijft. Deze leden vragen of de minister met hen van mening is dat dit aantoont dat het probleem niet ‘Europa’ is, maar de Nederlandse onwil om het maximale uit het Europese en nationale instrumentarium te halen, en welke concrete aanscherpingen in wetgeving en uitvoering hij nog in 2026 gaat doorvoeren om de Nederlandse terugkeerprestaties ten minste op het EU-gemiddelde te brengen. Deze leden wijzen er bovendien op dat het rapport schetst dat sinds 1997 allerlei maatregelen zijn genomen, maar dat desondanks een stabiele kern van illegalen resteert. Zij vragen of de minister ook vindt dat “meer van hetzelfde” niet langer volstaat en of hij bereid is een koerswijziging in te zetten richting een écht consequent terugkeer- en illegaliteitsbeleid, waarbij illegaal verblijf niet wordt beloond met verblijfsopties, voorzieningen en straffeloosheid, maar steevast eindigt in vertrek. Afsluitend vragen zij of de minister het met hen eens is dat langdurig illegaal verblijf zeer onwenselijk is en dat we dit niet moeten willen.
6. Vragen en opmerkingen vanuit de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben met veel interesse kennisgenomen rapport. Deze leden danken de auteurs voor hun werk en de leden van de vaste commissie voor Asiel en Migratie voor het besluit om hier een apart schriftelijk overleg over te houden.
De leden van de BBB-fractie constateren dat uit het rapport blijkt dat een strenger en meer afschrikwekkend vreemdelingenbeleid, gecombineerd met betere handhaving en identificatie, een belangrijke rol heeft gespeeld bij de forse daling van het aantal onrechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen sinds 2003. Deze leden zien daarin een bevestiging dat stevig beleid werkt. Kan de minister daarom concreet aangeven welke onderdelen van het huidige beleid aantoonbaar bijdragen aan het terugdringen van onrechtmatig verblijf, en waar aanscherping nodig is?
De leden van de BBB-fractie lezen dat de auteurs in het rapport benoemen dat EU-burgers onrechtmatig in Nederland kunnen verblijven wanneer zij langer dan drie maanden hier zijn zonder werk, studie of voldoende middelen van bestaan (Richtlijn 2004/38/EG). Deze leden maken zich zorgen over de zichtbare gevolgen hiervan in veel steden, waar een groep EU-burgers die niet in het eigen onderhoud kan voorzien, overlast veroorzaakt door onder andere bedelen en het opentrekken van afvalbakken en –zakken voor statiegeld.
De leden van de BBB-fractie vragen de minister wat het huidige beleid is ten aanzien van deze groep EU-burgers die hun verblijfsrecht verliest. In hoeverre wordt hier actief op gehandhaafd en welke instrumenten hebben gemeenten, politie en Immigratie- en Naturalisatiedienstom daadwerkelijk in te grijpen? Wordt in de praktijk gebruikgemaakt van de mogelijkheid om het verblijfsrecht te beëindigen en deze personen terug te sturen naar het land van herkomst? Kan de minister cijfers aan beschikbaar stellen? Daarnaast vragen deze leden of politieagenten en handhavers hier in hun opleiding en in de praktijk voldoende op worden toegerust. Herkennen zij deze groep als zodanig en weten zij welke bevoegdheden zij hebben om op te treden?
De leden van de BBB-fractie vragen of de minister bereid is om het beleid aan te scherpen, zodat niet de hardwerkende arbeidsmigranten worden geraakt, maar juist de groep die structureel overlast veroorzaakt en niet in het eigen onderhoud kan voorzien, effectiever kan worden aangepakt en teruggeleid naar het land van herkomst.
De leden van de BBB-fractie lezen dat er aanwijzingen zijn dat een grote groep Brazilianen (35.000 tot 40.000) en Filipijnen (8.000 tot 30.000) naar Nederland is gekomen voor kort verblijf en vervolgens onrechtmatig in Nederland is gebleven en daarbij vaak buiten het zicht van toezicht en handhaving blijft. Daarbij wordt tevens gewezen op signalen van misbruik van de RNI, waardoor personen zonder verblijfsrecht toch toegang krijgen tot werk en voorzieningen. Deze leden maken zich zorgen over deze ontwikkeling en vragen de minister om een actueel en onderbouwd beeld te geven van de omvang van deze groep, specifiek ten aanzien van Braziliaanse en Filipijnse onderdanen. Hoe groot acht de minister deze groep daadwerkelijk, en in welke sectoren zijn zij met name actief? Daarnaast vragen zij hoe het mogelijk is dat personen zonder verblijfsrecht via constructies zoals de RNI toch een Burgerservicenummer kunnen verkrijgen en daarmee feitelijk toegang krijgen tot de arbeidsmarkt. Welke maatregelen zijn inmiddels genomen om dit misbruik tegen te gaan, en zijn deze afdoende?
De leden van de BBB-fractie vragen of het huidige visumvrije regime voor landen als Brazilië nog wel houdbaar is, gezien de signalen dat een deel van deze groep na afloop van het visum onrechtmatig in Nederland verblijft en werkt. Acht de minister het wenselijk en opportuun om binnen Europees verband te pleiten voor heroverweging van dit visumvrije regime, of om aanvullende nationale maatregelen te treffen om misbruik tegen te gaan?
De leden van de BBB-fractie vragen welke concrete stappen worden gezet om de groep die zonder rechtmatig verblijf werkt en verblijft, effectiever op te sporen en terug te laten keren naar het land van herkomst. Tevens verzoeken deze leden de minister om een actueel en volledig overzicht van de capaciteit, inzet en knelpunten bij de AVIM en in hoeverre deze organisatie momenteel voldoende is toegerust om deze problematiek effectief aan te pakken.
7. Vragen en opmerkingen vanuit de ChristenUnie-fractie
De leden van de ChristenUnie-fractie maken van de gelegenheid gebruik om enkele vragen te stellen bij het rapport. Deze leden vinden het hoog tijd dat er een nieuwe schatting ligt. Waarom omvat het rapport geen schatting tot een recenter jaar? Wanneer wil de minister een volgende schatting uitvoeren?
Herkennen organisaties die met onrechtmatig verblijvende vreemdelingen werken de geschatte aantallen en de aantallen per land, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie. Zo nee, hoe komt dit?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen welk deel van deze onrechtmatig verblijvende vreemdelingen strafbaar gesteld zou worden voor hun onrechtmatig verblijf zoals de Novelle aanpassing strafbaarstelling illegaliteit op de Asielnoodmaatregelenwet voorstelt. Om hoeveel mensen gaat het? Welke migratieachtergrond hebben deze mensen?
Heeft de minister de ambitie om niet alleen via deze schattingen maar ook op meer precieze manieren in beeld te krijgen hoeveel onrechtmatig verblijvende vreemdelingen in Nederland verblijven, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen wat het de minister zegt dat er circa 20.000 onrechtmatig verblijvende vreemdelingen in Nederland verblijven. Welke opgave ziet de minister om dit aantal omlaag te brengen? Welke mogelijkheden heeft de minister om dit te doen?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de minister ook de discrepantie ziet tussen het enerzijds binnenhalen van arbeidsmigranten en tegelijk het uitzetten van asielmigranten. Kan er meer consistent beleid worden gevoerd, zodat migranten die al langer in Nederland verblijven en in Nederland opgeleid zijn, maar onrechtmatig verblijven, als arbeidskracht aan het werk kunnen blijven, zodat er minder arbeidsmigranten naar Nederland hoeven worden gehaald? In dat licht vragen deze leden naar de uitvoering van de motie Ceder c.s. die hierop ziet (Kamerstuk 19637, nr. 3488).
II. Reactie van de minister