Reactie op de motie van het lid Ceulemans over mogelijkheden om de invoering van het bedrag ineens alsnog te vervroegen (Kamerstuk 32043-705)
Brief regering
Nummer: 2026D18579, datum: 2026-04-17, bijgewerkt: 2026-04-17 16:19, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: J.A. Vijlbrief, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Ooit D66 kamerlid)
Onderdeel van zaak 2026Z08299:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Preview document (🔗 origineel)
Tijdens het Tweeminutendebat Pensioenonderwerpen op 31 maart jl. heeft het lid Ceulemans (JA21) een motie1 ingediend over de mogelijkheid om de invoering van het bedrag ineens (36154) alsnog te vervroegen. Met deze brief informeer ik uw Kamer over de uitkomst van het overleg met de pensioensector naar aanleiding van deze motie. Naar aanleiding van een vraag van het lid Michon-Derkzen (VVD) informeer ik uw Kamer ook over de mogelijkheid om de inwerkingtreding te koppelen aan de fondsspecifieke invaardatum.
Voorkeur van pensioensector voor inwerkingtreding na de transitie
De motie verzoekt de regering om zo spoedig mogelijk met pensioenuitvoerders in overleg te treden over de mogelijkheden om de invoering van het bedrag ineens alsnog te vervroegen, en de Kamer hierover voor Prinsjesdag te informeren.
De regering heeft er oog voor dat bedrag ineens een afspraak is uit het Pensioenakkoord. Het wetsvoorstel voorziet in een behoefte om mensen bij pensionering meer flexibiliteit te bieden in de aanwending van pensioen. Bij (eerder) uitstel is gezocht naar een goede balans tussen enerzijds het bieden van voldoende tijd voor implementatie en informatieverstrekking door pensioenuitvoerders en anderzijds het voorkomen van onnodige vertraging van de introductie van het bedrag ineens.
Ten aanzien van de implementatie heeft de regering tijdens de behandeling in de Tweede Kamer op 25 september 2025 aangegeven in de gaten te zullen houden of uitvoerders zich nog comfortabel voelen bij beoogde invoeringsdatum en daarover in overleg te blijven. In de brief van 30 maart jl.2 is uw Kamer geïnformeerd dat pensioenuitvoerders een voorkeur hebben voor een inwerkingtreding van het keuzerecht na de transitie.
Ik heb begrip voor de wens van deelnemers om het keuzerecht zo spoedig mogelijk in werking te laten treden. Tegelijkertijd vind ik het belangrijk dat deelnemers goed worden geïnformeerd over het keuzerecht bedrag ineens en de gevolgen die de keuze voor hen kan hebben.
Dit vergt goede informatie en keuzebegeleiding vanuit (pensioen)uitvoerders.
De transitie zorgt voor een intensieve informatiestroom richting deelnemers. Een samenloop van informatie over de transitie en informatie over het keuzerecht bedrag ineens bemoeilijkt het bereiken en begeleiden van deelnemers. Dit terwijl een keuze voor het bedrag ineens potentieel grote (onaangename) financiële gevolgen kan hebben voor deelnemers, zoals terugvordering van toeslagen. Een eenmaal gemaakte keuze voor bedrag ineens is onomkeerbaar.
Pensioenfondsen zijn volop bezig met de transitie en alle capaciteit is daarop gericht. De Pensioenfederatie ziet dat voor pensioenfondsen keuzebegeleiding en het beslag op de IT-capaciteit voor het implementeren van bedrag ineens tijdens de transitie niet samen uitvoerbaar zijn.
Uit overleg met de Pensioenfederatie naar aanleiding van de motie is gebleken dat deze argumenten nog steeds gelden en daarmee ook de voorkeur voor een inwerkingtreding na de transitie. De regering heeft er oog voor dat de transitie veel tijd en capaciteit vergt van pensioenuitvoerders. Gegeven het belang dat het ministerie van SZW hecht aan de implementatie van de transitie als ook goede communicatie en keuzebegeleiding rondom het opnemen van een bedrag ineens, wil het ministerie niet voorbijgaan aan dit signaal dat vanuit de sector is afgegeven, ook in het belang van deelnemers. Ook de Eerste Kamer, waar het wetsvoorstel op dit moment voorligt, vroeg bij de schriftelijke behandeling om met de uitvoeringscapaciteit van de sector rekening te houden
Fondsspecifieke inwerkingtredingsdatum vergt apart wetstraject
Het lid Michon-Derkzen (VVD) heeft erop gewezen dat niet alle fondsen op hetzelfde moment invaren. Dat roept de begrijpelijke vraag op of het mogelijk is om een koppeling te leggen tussen de inwerkingtredingsdatum van het keuzerecht en de fondsspecifieke invaardatum. De regering deelt de gedachte dat onnodig uitstel zoveel mogelijk voorkomen moet worden. Ook hier geldt echter dat zo’n koppeling een apart wetstraject vergt en kan leiden tot extra complexiteit.
Het wetsvoorstel dat voorligt in de Eerste Kamer kent één inwerkingtredings-datum. De koppeling tussen de inwerkingtredingsdatum en een fondsspecifieke invaardatum zou een apart wetstraject (novelle) met bijbehorende doorlooptijd vergen. Zo worden bij een novelle uitvoerings- en toezichttoetsen en advies Raad van State gevraagd.
Bij een dergelijke aanpassing is ongelijke behandeling een aandachtspunt; het keuzerecht bedrag ineens komt niet voor iedereen op hetzelfde moment beschikbaar. Voor uitvoeringsorganisaties die pensioenregelingen voor meerdere sectoren uitvoeren met verschillende invaardata zou er nog steeds sprake zijn van samenloop op uitvoeringsniveau. Vanwege deze redenen is een fondsspecifieke inwerkingtredingsdatum helaas geen optie.
Volledigheidshalve wijs ik erop dat bij de kamerbehandeling ook is toegelicht dat het niet mogelijk is om het keuzerecht met terugwerkende kracht in te laten gaan.3 Het mogelijk maken van een keuzerecht met terugwerkende kracht vergt ook een apart wetstraject met bijbehorende doorlooptijd. Keuzerecht met terugwerkende kracht zou bovendien extra complexiteit voor de uitvoering, keuzebegeleiding en communicatie betekenen.
Hoewel ik begrip heb voor de wens om het keuzerecht bedrag ineens eerder in te laten gaan, moet ik na overleg met de sector constateren dat een eerdere inwerkingtreding in verband met uitvoerbaarheid, keuzebegeleiding en communicatie met deelnemers helaas niet mogelijk is.
De Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid,
J.A. Vijlbrief
Kamerstukken II, 2025-26, 32043, nr. 705.↩︎
Kamerstukken II, 2025-26, 36154, nr. 22 en Kamerstukken I, 2025-26, 36154, nr. K.↩︎
Kamerstukken I, 2024-25, 32043, nr. H.↩︎