Kabinetsreactie op het eindverslag van de rapporteur over het kennisthema Implementatie van EU-wet- en regelgeving (Kamerstuk 21109-272)
Brief regering
Nummer: 2026D18629, datum: 2026-04-17, bijgewerkt: 2026-04-17 16:48, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: T.B.W. Berendsen, minister van Buitenlandse Zaken
Onderdeel van zaak 2026Z08314:
- Volgcommissie: vaste commissie voor Buitenlandse Zaken
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Europese Zaken
Preview document (đ origineel)
Geachte voorzitter,
In navolging van het verzoek van de Vaste Kamercommissie voor Europese Zaken d.d. 30 september 2025 bied ik u hierbij de kabinetsreactie aan op de bevindingen en aanbevelingen die voortvloeien uit het rapporteurschap over de implementatie van EU-wet- en regelgeving. Het eindverslag van de rapporteur, vastgesteld op 16 september 2025 (Kamerstuk 21109, nr. 272), bevat belangrijke inzichten en aanbevelingen die het kabinet ter harte neemt. In deze brief zal ik ingaan op de vier aanbevelingen aan het kabinet en de wijze waarop het kabinet hieraan gevolg geeft.
Het kabinet vindt de kwaliteit van EUâwet- en regelgeving belangrijk en zet zich in voor verbetering van de wijze waarop die regelgeving tot stand komt, wordt uitgevoerd en gehandhaafd. Het kabinet hecht tevens grote waarde aan een tijdige, zorgvuldige en uitvoerbare implementatie van Europese regelgeving, met goede betrokkenheid van medeoverheden en uitvoeringsorganisaties. De implementatie van EU-wetgeving vraagt in toenemende mate om een overheidsbrede en samenhangende aanpak, waarbij kennis, capaciteit en oplossingen beter worden gedeeld en benut. Het terugdringen van onnodige regeldruk is zowel voor Nederland als voor de Europese Commissie een prioriteit.
De Nederlandse inzet is verwoord in het Actieprogramma âMinder Druk Met Regelsâ.1 In algemene zin sluiten de aanbevelingen uit het rapport Dassen aan bij de inzet van het kabinet om medeoverheden en uitvoeringsorganisaties eerder en beter te betrekken bij de nationale standpuntbepaling en de Europese besluitvorming, en bij het beleid gericht op het tegengaan van knellende EUâregelgeving en implementatiedruk, in lijn met artikel 9 van de Code Interbestuurlijke Verhoudingen.2 Onze ambitie blijft, conform het coalitieakkoord3, om onnodige nationale koppen op Europese regels te schrappen. Europese richtlijnen en regelgeving worden sneller en zoveel mogelijk 1-op-1 geĂŻmplementeerd. We onderschrijven de Europese Omnibus-wetgeving. We maken afspraken met toezichthouders om regels niet strenger te interpreteren dan nodig is en administratieve lasten te beperken.
Ook in EUâverband blijft het kabinet zich inzetten voor betere regelgeving. Zo dringt het kabinet er bij de Commissie op aan bestaande regels systematisch tegen het licht te houden om regeldruk te verminderen en een gelijk speelveld te waarborgen, met nadrukkelijke aandacht voor wat lidstaten, medeoverheden, uitvoeringsorganisaties, burgers en vooral ondernemers in de praktijk als meest knellend ervaren. Nederland volgt het EUâinitiatief voor Betere Regelgeving4 nauwgezet. De Commissie heeft daarin aangekondigd in meer gevallen de effecten van voorgenomen gedelegeerde en uitvoeringshandelingen te toetsen, uitvoeringsstrategieĂ«n op te stellen en meer te willen samenwerken met stakeholders door het organiseren van uitvoeringsdialogen en door bij consultaties en in effectbeoordelingen meer aandacht te besteden aan de praktische aspecten van de uitvoering. Het kabinet blijft erop aandringen dat de Commissie het uitgangspunt hanteert dat er steeds een deugdelijke effectbeoordeling wordt gemaakt. Het kabinet heeft ook oog voor het behoud van de kwaliteit in de fase van de trilogen waarin de kwaliteit van wetgeving door compromisvorming onder druk kan staan.
Tot slot blijft versterking van de Regulatory Scrutiny Board (RSB) een aandachtspunt. Het kabinet pleit voor een sterker mandaat en een volledig onafhankelijke samenstelling van de RSB, vergelijkbaar met de positie van het ATR op nationaal niveau, zodat de RSB ook kan toetsen wanneer de Commissie geen effectbeoordeling opstelt.
Aanbeveling I: Vroegtijdige betrokkenheid van uitvoeringsorganisaties en medeoverheden
Het kabinet deelt de conclusie dat medeoverheden en uitvoeringsorganisaties vanaf een zo vroeg mogelijk stadium bij EUâtrajecten moeten worden betrokken. Hun praktijkkennis, zowel in de consultatiefase als de BNC-fase, is essentieel om tot uitvoerbare en handhaafbare regelgeving te komen. Bij het BNCâoverleg is standaard om deze reden een stoel gereserveerd voor vertegenwoordigers van het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Unie van Waterschappen (UvW). Daarnaast vindt interbestuurlijke afstemming plaats in onder meer het jaarlijkse Bewindsliedenoverleg Europa, waarin de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties samen met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de Minister van Buitenlandse Zaken en de koepelorganisaties de gezamenlijke Europese agenda en inzet bespreekt.
Ook op specifieke beleidsterreinen zet het kabinet in op een sterkere verbinding tussen Europese beleidsvorming en nationale uitvoering. In dat kader organiseert het ministerie van Justitie en Veiligheid bijvoorbeeld jaarlijks de âMaand van de Uitvoeringâ, waarin Nederlandse uitvoeringsorganisaties en hoogambtelijke vertegenwoordigers op het JBZ-terrein met elkaar in gesprek gaan over Europese dossiers, implementatievraagstukken en praktijkervaringen, om zo de brug te slaan tussen beleid en uitvoering. Ten slotte zijn er diverse adâhoc processen en netwerken waarin uitvoeringsorganisaties vroegtijdig worden betrokken, zoals kennissessies over de implementatie van digitale wetgeving. Hiermee sluit de huidige praktijk nauw aan bij de aanbeveling en is vooral sprake van verdere verfijning en borging van een reeds bestaande aanpak.
Een ander voorbeeld van hoe medeoverheden en uitvoerders in een vroeg stadium goed betrokken worden is het cohesiebeleid. Zowel tijdens de positiebepaling, de onderhandelingen als de implementatie in Nederland worden deze organisatie doorlopend betrokken. Het kabinet verkent daarnaast met de Nederlandse Digitaliseringsstrategie hoe een meer structurele, gezamenlijke aanpak voor de implementatie van EU-wetgeving op het gebied van digitalisering kan worden ingericht, waarbij departementen, uitvoeringsorganisaties en medeoverheden worden ondersteund bij de vertaling naar de uitvoering. Hierbij wordt nadrukkelijk aangesloten op bestaande structuren en initiatieven.
Aanbeveling II: Uitvoerigere informatie over uitvoeringsaspecten in het BNC-fiche proces
Het kabinet onderschrijft dat uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van EUâvoorstellen moeten worden meegewogen. Het BNCâfiche gaat daarom ook expliciet in op uitvoeringskosten, regeldruk en administratieve lasten. Mochten aan de hand hiervan vragen ontstaan of verdere verduidelijking nodig zijn, dan kan de Kamer daarover in gesprek met de verantwoordelijke minister. Bovendien kan bij de voorbereiding van de Raden waarin de desbetreffende voorstellen worden besproken, vragen worden gesteld om zaken te verduidelijken.
Per 1 januari 2026 is de Instellingswet Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR)5 in werking getreden. Het ATR heeft sindsdien ook een rol bij de beoordeling van de regeldruk voortkomend uit wetgevende Europese Commissievoorstellen. Op basis van de regeldruktoets adviseert het ATR of het kabinet in haar beoordeling (BNC-fiche) voldoende inzichtelijk maakt wat de gevolgen zijn voor uitvoering, handhaving en toezicht6 en wat het Europees Commissievoorstel op deze themaâs betekent voor Nederland.
Aanbeveling III: Meer gezamenlijke verantwoordelijkheid en meer ruimte, middelen en capaciteit voor uitvoerders van EU-trajecten
Het kabinet begrijpt de wens om uitvoeringsorganisaties meer ruimte, middelen en capaciteit te geven om EUâregelgeving zorgvuldig en tijdig te kunnen uitvoeren. Tegelijkertijd streeft het kabinet ernaar de overheid toekomstbestendig te maken en het aantal ambtenaren te beperken, boven op de reeds lopende taakstellingen. Dit vraagt om zorgvuldige keuzes bij de inzet van schaarse middelen.
Binnen deze randvoorwaarden zal het kabinet, waar nodig en mogelijk, aandacht geven aan de versterking van de uitvoering in EUâtrajecten, het vroegtijdig betrekken van uitvoerders in de beleidsvoorbereiding en het benutten van al bestaande interbestuurlijke structuren. Daarbij wordt ook gekeken naar het beter delen van kennis en capaciteit tussen ministeries en uitvoeringsorganisaties, zodat de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor een goede uitvoering beter tot uitdrukking komt.
Aanbeveling IV: Periodieke overlegmomenten en interbestuurlijke samenwerking
Het kabinet onderschrijft het belang van structurele en periodieke overlegmomenten tussen ministeries, medeoverheden en uitvoeringsorganisaties over EUâontwikkelingen. Naast de eerdergenoemde BNCâstructuur, het Bestuurlijk Overleg Europa en thematische interbestuurlijke dossierteams, zal het kabinet blijven investeren in communities of practice en thematische overleggen waarin beleidsmakers, uitvoerders en toezichthouders gezamenlijk optrekken bij belangrijke EUâdossiers.
Zo kent het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat goede ad hoc en vaste overleg- en uitwisselingsstructuren op lopende, te verwachte en verdere informatie-uitwisseling op EU-ontwikkelingen en wet- en regelgeving. Deze uitwisselingstructuur wordt gezien als een belangrijke schakel, waarin tot gezamenlijke prioriteiten wordt gekomen
Het kabinet is voornemens deze bestaande structuren waar nodig verder te versterken en beter te benutten, onder meer door tijdige agendering van aankomende EUâvoorstellen, systematische terugkoppeling over de verwerking van input van medeoverheden en uitvoeringsorganisaties en het delen van best practices tussen beleid en uitvoering.
Conclusie
Het kabinet is vastbesloten de aanbevelingen uit het eindverslag zo goed mogelijk te betrekken bij de verdere versterking van de Nederlandse inzet in EUâtrajecten en de implementatie van EUâwetgeving. Interdepartementale samenwerking, nauwe interbestuurlijke afstemming en het beter benutten van de kennis en ervaring van uitvoeringsorganisaties staan daarbij centraal.
Wij vertrouwen erop dat de in deze brief geschetste aanpak bijdraagt aan een effectieve, uitvoerbare en goed gedragen implementatie van EUâwetgeving in Nederland.
De minister van Buitenlandse Zaken,
T.B.W. Berendsen
Zie Kamerbrief âActieprogramma Minder Druk Met Regelsâ Kamerstuk 32637-660 2024Z20610&did=2024D48663">Bedrijfslevenbeleid | Tweede Kamer der Staten-Generaal.â©ïž
De Code Interbestuurlijke Verhoudingen (2023D01824) bevat afspraken die bijdragen aan een goed samenspel tussen overheden, waarin zij hun krachten bundelen om zo maatschappelijke opgaven sneller, effectiever en democratisch gelegitimeerd aan te pakken: 2023D01824&did=2023D01824">Code interbestuurlijke verhoudingen | Tweede Kamer der Staten-Generaal.â©ïž
Coalitieakkoord 2026-2030: Aan de slag - Bouwen aan een beter Nederland, pagina 29.â©ïž
Zie âFiche: Mededeling Betere Regelgeving - Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unieâ Kamerstuk 22112-4015, 2025Z05991&did=2025D13778">Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie | Tweede Kamer der Staten-Generaalâ©ïž
wetten.nl - Regeling - Instellingswet Adviescollege toetsing regeldruk - BWBR0051401â©ïž
Zie artikel 5, lid 3, van de Instellingswet ATR.â©ïž